Issuu on Google+

Gebouwmanagement Automatisering Maatregelen

Groene Werkpatronen

Groen Denken, Groen Bouwen en Groen Gebruiken Voorstanders van ‘Het Nieuwe Werken’ beweren, dat dit automatisch een duurzame manier van werken is. Tegenstanders geven aan, dat het leidt tot meer autoverkeer, meer vliegverkeer en dat het elektriciteitsverbruik van alle computercentra verantwoordelijk is voor een fors aandeel in de CO2-uitstoot. Hoe kunnen organisaties groene werkpatronen ontwikkelen in een wereld waarin iedereen met iedereen verbonden is? Hoe doe je het goed? Om meer inzicht te krijgen in de samenhang van alle afzonderlijke groene initiatieven rondom het werken wordt een nieuw denk- en werkkader geschetst.

Tekst: Michel Mooij

Als het verbinden van mensen leidt tot contact, dan leidt verbinden uiteindelijk dus ook naar elkaar ontmoeten. Global connectivity schept aanleidingen om elkaar te willen ontmoeten. Een deel van die ontmoetingen kan virtueel plaatsvinden, via telepresense, maar een deel zal ook leiden tot reële ontmoetingen waarvoor gereisd moet worden. Enerzijds neemt de noodzaak om elkaar vaak te ontmoeten af, anderzijds wordt het leggen van wereldwijde contacten gestimuleerd hetgeen weer leidt tot nieuwe behoefte aan reëel ontmoetingen. Is het gebruiken van veel ruimte goed of slecht? Hoe minder m2 in

gebruik hoe minder CO2-uitstoot als gevolg van verwarming en hoe minder afval aan het einde van de levenscyclus, zou je zeggen. Maar geldt dat ook als je een hoogwaardig groen gebouw hebt? Of maakt een groter gebouwvolume het binnenklimaat wellicht stabieler en gezonder?

Groen denken, groen bouwen en groen gebruiken Gebouwen zijn in hun 35 procent van de CO2-uitstoot en zijn de grootste bron van afval. Maar de bijdrage aan de opwarming van de aarde is het gevolg van het gebruik van gebouwen. Welke manier van werken kan bijdragen aan duurzaamheid?

FACILITY MANAGEMENT MAGAZINE | JAARBOEK 2010

11


Gebouwmanagement Maatregelen Automatisering

We maken daarbij onderscheid tussen: bedenken (groen denken), maken (groen bouwen), gebruiken (groen gebruiken) (zie ook figuur 1). Het bedenken gaat over concepten en inzichten. Waarvan zijn mensen zich bewust? Wanneer vinden nieuwe ideeën voldoende aansluiting om via de beslissers ook te worden omgezet in realiteit? Het maken gaat over de vertaling van ideeën naar de realiteit. Soms leidt het maken tot bijstelling van de ideeën. Het maken kost geld, materiaal en heeft ‘harde’ consequenties. Het denken nog niet. ‘Papier is geduldig’ is hiervoor de uitdrukking. Maken wordt niet alleen aangestuurd door het bedenken, maar ook door het gebruiken. Vanuit het gebruik komen concrete eisen voor aanpassing van het gebouw en zijn inrichting. Het maken omvat het ontwerpen en het realiseren ter voorbereiding op het gebruik. Het gebruik gaat over het functioneren van het gerealiseerde. Het gebruik is waar het maken uiteindelijk voor bedoeld is. Hierdoor worden de eisen vanuit het gebruik vaak rechtstreeks gekoppeld aan het maken. Toch is het vaak beter om de tijdens het gebruik opgedane ervaring eerst om te zetten in nieuwe. Op grond van nieuwe concepten kunnen dan weer andere gebouwen worden gemaakt. De opgedane ervaring kan ook worden omgezet in het aanpassen van de manier van gebruiken, zodat het gebouw en zijn inrichting niet meteen hoeven te worden aangepast als er in het gebruik iets wij-

Figuur 1: Drie levenscycli van groen denken, groen bouwen en groen gebruiken.

zigt. Elk onderdeel heeft zijn eigen levenscyclus. Vroeger gingen concepten langer mee dan gebouwen. Zo zijn er de afgelopen tachtig jaar achtereenvolgens meerdere kantoorgebouwen gemaakt en gebruikt op basis van het concept ‘kantoorgebouw’. Tegenwoordig veranderen de concepten sneller dan de gebouwen, waardoor gebouwen sneller verouderd raken. Ook de levensduur van het gebruik is korter geworden dan die van het gebouw. Het gebruik is daarmee niet meer vanzelfsprekend leidend bij het ontwikkelen van gebouwen.

Figuur 2: Functioneel huisvesten onder het motto: ‘Form Follows Function’.

12

FACILITY MANAGEMENT MAGAZINE | JAARBOEK 2010

De eerste stap naar meer duurzaamheid kan worden gezet door de juiste onderlinge afstemming van deze levenscycli, zodat veel onnodig bouwen en slopen wordt voorkomen.

Groen Denken Het bewustzijn dat we niet kunnen doorgaan op de huidige weg dringt tot steeds grotere groepen in de maatschappij door. Vanaf het moment dat de aarde voor het eerst werd gefotografeerd vanuit de ruimte is het beeld van de aarde veranderd. Wat eerst een oneindig grote wereld had geleken, werd terugge-


Gebouwmanagement Automatisering Maatregelen

bracht tot een kwetsbare groene bol in een eindeloos heelal. Er werd voor het eerst gesproken over ‘ruimteschip aarde’. In 1972 verscheen het rapport van de Club van Rome1. Aan de hand van rekenmodellen werd voor het eerst met behulp van de computer aangetoond, dat de bronnen op aarde eindig zijn. In 1998 publiceerde John Elkington2 voor het eerst over de ‘Triple Bottom Line’. Naast de gebruikelijke ‘Bottom Line’ van winst (Profit) pleitte hij voor een gelijkwaardige plaats voor de effecten op het welzijn van de mens (People) en de effecten voor de Ecosystemen van de aarde (Planet). Jarenlang was de milieubeweging gekoppeld aan linkse politiek en aan actievoeren en het bedrijfsleven reageerde defensief op de wetgeving die het milieu moest beschermen. Maar de in 2006 verschenen film ‘The inconvenient Truth’ van Al Gore3 bracht daarin verandering. Grote bedrijven begonnen samen te werken met de uit de milieubeweging voortgekomen NGO’s (Non Governemental Organizations). Niet omdat ze opeens links geworden zijn, maar omdat continuïteit iedereen aan gaat. De huidige economie van ‘nieuw produceren’ en ‘weggooien’ blijkt eindig te zijn. Nieuwe producten kosten grondstoffen en energie (en dat veroorzaakt CO2-uitstoot), het afval komt in het milieu terecht en de grondstoffen gaan verloren. Maar er is een oplossing. In 2002 publiceerden de chemicus Michael Braungart en de architect William

McDonough het boek Cradle to cradle4, waarin zij een andere richting aangegeven. In plaats van het huidige milieudenken, wat bestaat uit opvoeren van de efficiency om meer te doen met minder en zo de schade te beperken, stellen zij voor om het productiemodel revolutionair te veranderen. Meer produceren, meer consumeren, maar dan anders. Het ontwerp van de nieuwe producten moet verder gaan dan het product en de marketing alleen. Alles, van de winning van de grondstoffen, de productiewijze, de distributiewijze, tot het gebruik en het

positieve bijdrage aan het milieu leveren. Daarom wordt er wereldwijd inmiddels veel aandacht besteed aan groen bouwen. Een belangrijke stap is de ontwikkeling van definities en meetmethoden om er voor te zorgen dat de bouw als bedrijfstak meer groen kan gaan opereren. In Nederland is in 2008 De Dutch Green Building Council opgericht (DGBC). De DGBC is een onafhankelijke organisatie, die een duurzaamheidkeurmerk ontwikkelt voor Nederlandse gebouwen en gebieden. Een stichting, die volgens vooraf gestelde criteria certificaten verstrekt aan

Tegenwoordig veranderen concepten sneller dan gebouwen teruggeven van de gebruikte materialen aan de technische en biologische kringlopen, moet vanuit één gedachte worden ontworpen. Het gaat niet meer om een product maar om een systeem.

Groen Bouwen Gebouwen hebben een grote invloed op de ecosystemen waarvan zij deel uitmaken. Juist daarom is het belangrijk dat ze worden ontworpen als onderdeel van die systemen. Als gebouwen en groepen van gebouwen worden ontworpen als onderdeel van de ecosystemen, kunnen zij niet alleen minder schadelijk zijn voor het milieu, maar kunnen zij ook een

opdrachtgevers die de mate van duurzaamheid van hun gebouw of gebied hebben laten beoordelen. De DGBC toetst op basis van het Engelse BREEAM, dat daartoe wordt vertaald naar de Nederlandse situatie. De impact van het gedrag van de gebruiker op het milieu komt met toetsing aan de hand van BREEAM slechts gedeeltelijk in beeld. Aan de locatie van het gebouw en de gevolgen daarvan voor de mobiliteitspatronen van de gebruiker wordt wel aandacht besteed, maar de locatie is maar voor een deel bepalend voor het verkeer van en naar het gebouw. Herkomst en bestemming van de gebruikers en de werkpatronen zijn

Figuur 3: Duurzaam huisvesten volgens het motto: ‘Long Life, Loose Fit’.

FACILITY MANAGEMENT MAGAZINE | JAARBOEK 2010

13


Gebouwmanagement Maatregelen Automatisering

minstens zo bepalend voor de keuze van het vervoermiddel en de hoeveelheid afgelegde kilometers. Wanneer de locatie bijvoorbeeld goed per openbaar vervoer bereikbaar is, wordt dat over het algemeen als groen gekwalificeerd, maar of er binnen de organisatie van de gebruiker wel een gunstige regeling is voor het gebruik van openbaar vervoer is daarmee nog niet gezegd. Een goed groen gebouw is dan ook geen object, maar een groen systeem, waarvan de gebruiker deel uitmaakt.

Groen gebruiken Groen gebruiken gaat over alles waarvan je niet het gebouw de schuld kunt geven. Bijvoorbeeld de hoeveelheid kilometers die er door de organisatie op jaarbasis gevlogen wordt. Ook de hoeveelheid woonwerkverkeer, die wordt veroorzaakt doordat bijvoorbeeld tele- en thuiswerken niet wordt toegestaan. Negroponte schreef in 1995 in zijn boek ‘Being Digital5’ dat de voorkeur gegeven moet worden aan het verplaatsen van bits boven het verplaatsen van atomen. Dat spaart energie en geld, vergroot de flexibiliteit van systemen en komt tegemoet

zij de ICT werd het steeds beter mogelijk om op elk tijdstip op elke plaats te kunnen (samen)werken. Het gebruik van sociale software en de mogelijkheden van web 2.0 leidt tot een ander beeld van de realiteit. Het delen van informatie, het vertrouwen op informatie van anderen die je vertrouwt omdat ze tot jouw netwerk behoren, het ontvangen van informatie op basis van de voorkeuren die je hebt verstrekt, of die automatisch worden bepaald aan de hand van je zoekgedrag of de locatie van je mobieltje, zijn allemaal ingrediënten die mede bepalen hoe je omgaat met de fysieke omgeving, bijvoorbeeld de keuze waar je op een bepaald moment gaat werken. Wanneer stuur je iemand een mailtje, wanneer chat je en wanneer stap je in je auto om iemand op te zoeken? Wanneer verplaats je bits en wanneer atomen?

Long life – loose fit In de meeste organisaties is het nog steeds de gewoonte, dat medewerkers worden gehuisvest. Dat doen ze niet zelf, dat doet de facility manager. Daartoe wordt de huidige manier van werken onderzocht,

Wanneer verplaats je bits en wanneer atomen? aan de behoefte aan snelle response. De consequentie is dat er overal waar er met informatie gewerkt wordt een geheel nieuwe manier van werken aan het ontstaan is. Inmiddels bekend als ‘Het Nieuwe Werken’.

Het Nieuwe Werken Het Nieuwe Werken stond tot ongeveer 2005 bekend als kantoorinnovatie6. De eerste werkplekinnovaties kwamen voort uit het bewustzijn, dat werkplekken steeds vaker onbenut bleven als gevolg van de verkorting van de werktijd en het opkomende parttime werken in de tachtiger jaren. Het wisselen van werkplekken werd een middel om werkplekken, dus ruimte en de aan de vierkante meters gerelateerde facilitaire kosten te besparen. Dank-

14

worden noodzakelijke werkrelaties geïnventariseerd en wordt er een ‘afbeelding’ van de werkpatronen van de organisatie vastgelegd als blauwdruk voor de lay-out van het kantoor. Dit gaat uit van deskundigheid ten aanzien van de werkprocessen bij de facility manager en van enige stabiliteit in de werkprocessen (zie figuur 2). Maar vormen de werkprocessen nog wel een goede basis voor het ontwerpen van een duurzame werkomgeving? Informatieverwerkende werkprocessen worden overal gedigitaliseerd en worden daarmee steeds minder afhankelijk van de ruimte en tijd. Als je de te verwerken informatie overal en altijd via het netwerk kunt bereiken, is de plaats waar je dat doet niet belang-

FACILITY MANAGEMENT MAGAZINE | JAARBOEK 2010

rijk meer. De collega’s waarmee je moet samenwerken, kun je via datzelfde netwerk ook bereiken en samenwerken, kan ook virtueel. Bij het nieuwe werken wordt de dynamiek van de activiteiten opgevangen in het gedrag van de werkers zelf. De medewerker zoekt op elk moment de plek die het beste past bij de activiteiten en de behoefte aan contact met de collega’s en anderen (zie figuur 3). Voor de huisvesting betekent dit het einde van het functionalisme. Niet de functie van het te realiseren object (gebouw of product) is bepalend voor het ontwerp, maar het functioneren als deel van het grotere geheel (long life). Concreet betekent dit, dat de inrichting van een kantoorgebouw wordt gebaseerd op de mogelijkheden die het gebouw en de directe omgeving bieden. Het interieur zorgt ervoor dat de potentiële (gebruiks)kwaliteit van de plek en de structuur van het gebouw maximaal tot hun recht komen. Aan de stille kant van het gebouw worden rustige plekken gemaakt, direct bij de toegangen tot de vloeren worden ontmoetingsplekken gesitueerd en aan de kant van het gebouw waar veel daglicht binnenkomt, worden plekken gemaakt die het binnenvallende licht maximaal benutten. Zo worden de ‘natuurlijke’ kwaliteiten gemaximaliseerd en ter keuze aangeboden aan de gebruiker. De dynamiek wordt verlegd van het aanpassen van gebouw en inrichting, naar het gedrag van mens en organisatie (loose fit). Op deze manier wordt de maximale prestatie van het gebouw opgezocht en wordt het meest effectief gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte, materialen en energie. Dit betekent de kleinst mogelijke footprint bij het gegeven gebouw.

Adhocisme Adhocisme7 is het benutten van de mogelijkheden die een omgeving te bieden heeft en is kenmerkend voor Het Nieuwe Werken. Werken wordt daarmee een actief en creatief proces van het zien en benutten van kansen en mogelijkheden in de fysieke omgeving. Waar het functionalisme ervan uitgaat dat de omgeving gemaakt kan/moet worden op


Gebouwmanagement Automatisering Maatregelen

basis van zorgvuldig onderzoek naar de te vervullen functie, gaat het adhocisme ervan uit, dat de werkpatronen het gevolg zijn van de confrontatie van de menselijke creativiteit met een gegeven omgeving. De mens ziet mogelijkheden in die omgeving en maakt er gebruik van. Door uit te gaan van de mogelijkheden van de omgeving ligt het voor de hand, dat er ook respectvoller met de omgeving wordt omgegaan.

Mobiliteit 22 Procent van de totale CO2-uitstoot per kantoorwerkplek, wordt veroorzaakt door mobiliteit. Een goede reden om kritisch te kijken naar de afwegingen die mensen maken ten aanzien van hun mobiliteit. Mensen verplaatsen zich om drie redenen: om op hun werk te komen, om met elkaar te communiceren en kennis te delen en om locaties te bezoeken, bijvoorbeeld een architect die het bouwwerk bezoekt, of een onderzoeker die het object van studie bezoekt. Afhankelijk van de reden en de afstand wordt het meest passende middel van vervoer gekozen. Die keuze wordt niet alleen gebaseerd op de CO2-uitstoot. Bereikbaarheid van de bestemming speelt ook een rol, dit maakt de auto nog altijd populair. Reistijd is ook een belangrijke factor. Dan is de auto soms minder aantrekkelijk. Het tijdverlies in files kan behoorlijk oplopen en in de auto kun je behalve telefoongesprekken, niet werken. In de trein kan dat wel, behalve op de overbezette trajecten in de spits. Deze afwegingen gelden vooral voor reisbewegingen die niet te vermijden zijn. Maar niet reizen kan ook een keuze zijn. Als iedereen bijvoorbeeld een dag in de week thuis zou gaan werken, dan zou het woon-werkverkeer al met 20 procent afnemen. Bij het reizen om te communiceren is het zinvol om de vraag te stellen of het echt nodig is om elkaar fysiek te ontmoeten. Kan de noodzakelijke communicatie ook op andere wijze plaatsvinden? Bijvoorbeeld door een telefoongesprek? Een telefoongesprek kan een goed alternatief zijn, vooral als het in de agenda wordt gepland, zodat er de tijd en de rust is voor het gesprek. Als het gevoel

van aanwezigheid belangrijk is, dan kan er gebruikt gemaakt worden van teleconferencing of de meer geavanceerde techniek van telepresense.

tenzij het nodig is. Als er al gereisd moet worden over grote afstand is het goed om verloren reistijd te minimaliseren en CO2-uitstoot te compenseren.

Bij het bezoeken van locaties ligt de afweging anders. Is het bezoek aan de locatie wel zo vaak nodig of kan er door middel van het nemen van de juiste foto’s worden voorkomen dat er onnodig vaak wordt gereisd. Is het ook mogelijk om het object van studie of andere activiteiten eenmalig te verplaatsen zodat het niet nodig is om telkens opnieuw de plek te bezoeken? Het voorkomen van onnodige reizen scheelt niet alleen in CO2-uitstoot het bespaart ook tijd en geld. Er zijn verschillende niveaus van mobiliteit waarvoor de afwegingen verschillend zullen zijn. Zo is de mobiliteit binnen het gebouw en binnen de campus, die lopend en met de fiets wordt gerealiseerd gunstig voor het flexibel houden en de fit tussen de organisatie en zijn huisvesting. In veel gevallen is het goed om de mobiliteit op dit niveau te stimuleren. Het verhoogt de kans op ontmoetingen waarmee dwarsverbanden in de organisatie worden gelegd. Bovendien is het gezond om regelmatig te bewegen. Het stimuleert afwisseling van houding. Verplaatsingen tussen locaties, binnen de stad kunnen ook een welkome afwisseling zijn in de dagelijkse werkomgeving, maar worden al vaker gezien als tijdverlies. Deze mobiliteit moet kritische bekeken worden en soms bewust worden beperkt. Reizen over grotere afstand moet in principe worden beperkt,

Conclusies Door groene maatregelen af te wegen binnen de context van het geheel van groen denken, groen bouwen en groen gebruiken wordt het duidelijk, dat het niet nodig is om te wachten tot een moment van nieuwbouw om alvast zinvolle maatregelen te kunnen treffen om als organisatie meer duurzaam te gaan werken. Hierbij zou de facility manager de volgende aanbevelingen kunnen volgen: • help de organisatie plaats- en omgevingsbewust te werken, door de slag te maken van functioneel huisvesten naar duurzaam huisvesten. Onder het motto: ‘van het maken van de omgeving naar het maken van gebruik’, • Formuleer een inspirerend mobiliteitsbeleid en stel een goed vervoersplan op waarin meetbare doelen worden gesteld; de overheid eist dit inmiddels voor organisaties groter dan vijftig personen en het levert punten op in de BREEAM-score, • Zet in op volledige digitalisering van alle informatieverwerkende processen en bouw incentives in voor papierloos werken. Noten 1 {Meadows et al., 1972, Utrecht, Antwerpen: Het Spectrum} 2 Elkington, 1998, Cannibals with forks: the triple bottom line of 21st…} 3 Gore and Participant Productions. Paramount Classics (Firm) Paramount Pictures Corporation., 2006, An inconvenient truth} 4 McDonough and Braungart, 2002, Cradle to Cradle: Remaking the Way We Make Things} 5 Negroponte, 1995, Being digital} 6 Mooij, 2002, Kantoorinnovatie: efficiënt, effectief, flexibel en creatief werken in een duurzame omgeving}

Michel Mooij (1954) is directeur van

7 Jencks and Silver, 1973, Adhocism: The

PROVENWORKSPACE. In 1997 richtte

Case for Improvisation}

hij het bureau WorkSpace consultancy op, dat sinds 2008 deel uitmaakt van PROVENWORKSPACE.

FACILITY MANAGEMENT MAGAZINE | JAARBOEK 2010

15


Groen denken, groen bouwen en groen gebruiken