Page 1

Kingsley: dagboek van een immigrant. Olivier Jobard Tekst door Florence Saurgues Naar het dagboek van Kingsley Abang Kum Uitgeverij: Marval

1


Kingsley: dat is mijn naam. Ik ben 22 jaar en ik was badmeester in een hotel op de westelijke kust van Kameroen. Ik verdiende 30.000francs CFA (Franc des Colonies Françaises d'Afrique (= frank van de Franse koloniën in Afrika)) per maand. Dat vertegenwoordigt ongeveer 50 euro. Het is een gemiddeld loon in mijn land. Het maakt het mogelijk om alle dagen te eten, maar dat is alles. Je kan er geen geld van opzij zetten. Je kan je er niet met verwennen. Ik droom al geruime tijd van Europa. Sinds mijn 16de, zoek ik al een middel om me er te gaan vestigen. Ik ben zeer begaafd in voetbal. Ik heb zelfs een leerschool in voetbal in Yaoundé gevonden. Ik zou graag professional willen worden in een Europese club. Zoals dat, normaal is, ik zou wel degelijk goed kunnen verdienen in mijn leven en ik zou geld naar mijn ouders kunnen verzenden, die in het zijn gebleven. Ik heb drie broers en vier zusters. Ik ben de oudste. In Afrika, is dat een zware verantwoordelijkheid. Je moet dan in de behoeften van iedereen voorzien. Ik heb altijd in Limbe, nabij de zee gewoond. De Franse militairen hebben me als badmeester opgeleid. Ik gaf cursus aan de kinderen van de klanten van het hotel waar ik werkte. Sommige kwamen van Europa. Ik schikte me om aardig en dienstvaardig te zijn met hen om een band te kunnen smeden. Ik ben erin geslaagd om vrienden te worden met enkelen onder hen, zij vroegen me dan ook om naar hun land te komen, maar alleen als ik mijn reis zelf kon betalen. Mijn beste vriend Francis, was badmeester zoals ik, in hetzelfde hotel. Hij heeft enkele jaren geleden een Franse toeriste leren kennen en hij is verliefd geworden. Toen is hij naar Frankrijk vertrokken. Sedertdien zijn zij getrouwd en hebben zij twee kinderen.

“Sinds mijn komst in Frankrijk, verneem ik dat mijn vader naar een ander kamp is moeten vertrekken om te gaan werken. Mijn moeder, zij, is gebleven voor haar handel. Mijn familie is opgesplitst. En dat creëert zorgen bij mij.”

2


Mijn vader, Clement, werkt zeven dagen op zeven, op een plantage voor bananenbomen en palmen. Mijn moeder, Marie, rookt vis, die ze inkoopt in de haven, en vervolgens verkoopt zij die weer. De hele familie woont in een van de houten barakken van het kamp, dat toebehoort tot het vennootschap die werkgelegenheid bieden aan mijn vader. De huizen worden direct op de aarde gebouwd die snel modder wordt wanneer het regent. Normaal moet men stromend water hebben, maar in werkelijkheid, vanaf 10 uur 's ochtends, heeft men reeds niets meer. Dat kan tot 's avonds, soms tot de volgende ochtend duren. Bij mijn ouders, leeft men met tien in twee vertrekken. Soms met meer, wanneer men mijn neven onderdak geeft. Er is één eetkamer en al de anderen zijn om te slapen, maar in werkelijkheid zijn er overal bedden. Drie van mijn zusters gaan nog naar school. Één van mijn broers is erin geslaagd om een beetje werk te vinden, maar de anderen werken niet. Het is moeilijk om deze gehele wereld te laten leven ! Alle ouders in mijn land willen graag dat hun kinderen naar Europa vertrekken en er voor kiezen om te gaan. Hier worden de armen steeds armer elke dag. Rijk word steeds rijker. Niets verroert. Mijn ouders konden het geld van de reis niet bijeenkrijgen; dus, ik heb me moeten weten te redden door het via mijn kant te verkrijgen.

“Ik heb ervoor gekozen om mijn leven op te bouwen in Europa, maar ik mis mijn familie vreselijk.”

3


De dag van het vertrek, ben ik opgewekt en droevig tegelijk. Ik heb mijn ouders verteld dat ik Afrika en de Middellandse Zee zou oversteken om zo Europa te bereiken. In het begin, begrepen zij het niet. Zij dachten dat ik op reis vertrok voor een vakantie. Daarna, realiseerden zij zich dat het om een lange scheiding zou gaan. Na veel discussie, hebben ze niet meer geaarzeld. Zij hebben me aangespoord en lieten me beloven om zeer goed op te letten. Ik heb hen gewaarschuwd dat ik geen contact men hen zou kunnen opnemen gedurende verschillende maanden. Ze waren zeer ongerust. Ze hebben me hopen vragen gesteld, maar ze hebben me vooral gevraagd: “geloof ja dat je werk zal vinden?� Ik heb 600.000 frank CFA, ongeveer 1000 euro, voor de reis gespaard. Dat vertegenwoordigd een gemiddeld jaarloon in mijn land.

4


Leden van mijn familie en vrienden hebben me dat geld gegeven. Gegeven! Niet geleend! Dat is een traditie in Afrika. Men helpt zijn naaste, want morgen weet men niet of hij ons misschien de volgende ochtend kan helpen. Mijn moeder, was ook zeer droevig. Op 27 mei, zeer vroeg in de ochtend, zat ze aan de voet van mijn bed, toen ik wilde opstaan. Zij wachtte op me, om afscheid te nemen. Net voor ik het huis verliet, heeft ze me gezegend. Zij wierp water voor mijn voeten, opdat God me de weg zou tonen en me zou beschermen. Wij zijn Christen en ik geloof. Het is 9 uur, vandaag stap ik op de bus naar de hoofdstad Yaoundé. Ik slaag er niet in,sinds twee dagen, om te slapen en te eten. Ik denk aan de laatste adviezen van mijn moeder: “Als je in Europa aankomt, creëer geen problemen, en wees een wijze jongen. En vooral , vergeet en verwaarloos je familie niet. In Yaoundé, heb ik de trein genomen die me dichter bij de grens van Nigeria zou brengen. Ik heb de gehele nacht moeten reizen. Wij zijn dorpen en steden zoals Obala en Belabo, voorbijgereden alvorens aan te komen in Gaoundéré. Daar heb ik een bus voor Banki genomen. Ik had een grote rugzak met kleding, zoals broeken, T-shirts, truien, en een hemd meegenomen. Ik had eveneens een kleine rugzak, waar ik foto’s van mijn familie, een adresboekje, een toiletzak, boekjes en potloden had ingestoken. Ik wilde elke dag schrijven wat me overkwam. Ik had besloten om geen voorraad mee te nemen, zoals eten. Ik zou onderweg kopen wat ik nodig had. Naarmate de lengte van de reis, zou ik me van alles wat ik had moeten ontdoen. Ik heb een kleding aan Afrikanen gegeven die niets meer hadden. Aangekomen in Algerije, moest ik zo min mogelijk dingen bij me hebben om niet als verstekeling ontdekt te worden. Soms heb ik zaken verloren en moest ik vluchten om niet opgepakt te worden door de politie. Aan het einde van mijn reis had ik nog slechts twee T-shirts, een hemd en een jeansbroek. Maar ik was erin geslaagd om mijn boekjes te behouden. Banki is een paardenstad tussen Kameroen en Nigeria, zonder opgestelde barrière op de grens, waar beide vlaggen, Kameroens en Nigériaan wapperen. Ik heb mijn Frances CFA omgeruild tegen de nairas, de Nigeriaanse munt. In het kantoor van immigratie, heb ik mijn paspoort laten stempelen. Het zal de enige keer, tijdens mijn avontuur, zijn dat ik de grens, wettelijk zal overschrijden. Later te Diffa, ten noorden van Nigeria, dichtbij de grens van Niger, controleert een politieagent mijn paspoort. Hij merkt op dat ik geen visum heb om in Niger te verblijven. Ik heb meteen begrepen wat hij wilde, dus gaf ik hem geld om me voorbij te laten gaan. Ik heb hem 4.000 nairas, ongeveer 25 euro betaald. Dat heeft hij me een trucje geleerd om zonder problemen in Niger te reizen: een verkeerde verklaring hebben over het verlies van mijn paspoort. De volgende dag, op het politiebureau, heeft het mij ertoe aangezet om deze methode te gebruiken. Ik heb opnieuw moeten opnieuw betalen. Dit keer, heeft het 2.400 nairas, ongeveer 15 euro, gekost. In het commissariaat, heeft een functionaris me ontvangen en

5


ondervraagd. Ik heb geantwoord dat ik Jean-Pierre Mendi noemde en dat ik van Bénin kwam. Ik ben weer vertrokken met mijn certificaat van verlies en met een nieuwe identiteit.

“Men geadviseerde me, om me te beschermen tegen de hitte en het zand. Ik heb een hoofddoek gekocht.”

Op de weg die tot Agadez leidt, in Niger, heb ik in op de laadbak van een vrachtwagen gereisd. We waren met een twintigtal mannen die zich op zakken geïnstalleerd hadden. Ik had een hoofddoek gekocht om me te beschermen tegen de hitte en het zand. Ik ging meer terug naar het noorden, naar de woestijn van de Sahara, waar ik leed onder de hitte. Ik had me eveneens bussen met water verschaft om niet van de dorst te sterven. We hingen ze vast langs de zijkant van de vrachtwagen, in volle zon. We hadden geen andere keuze. Resultaat: wanneer men dronk, was het warm water. De vrachtwagen is zeer vaak defect gevallen. We moesten met iedereen tegelijk duwen om hem weer op gang te krijgen. De chauffeur heeft zich op de motor gezet om die te herstellen. Hij moest ook een wiel vervangen. De andere passagiers stelden me vragen over mijn reis: “Vanwaar kom jij? Naar waar ga jij?” Ik heb verkozen om te zwijgen. Ik wilde het echte doel

6


van mijn reis niet onthullen. Het was me te gewaagd. Dus isoleerde ik me, om aan hun vragen te ontsnappen.

7


“Ik ben van gebied veranderd. Ik ontdek de hitte van de woestijn. En ik vraag me af of ik erin ga slagen om de Sahara over te steken.” Wij zijn om middernacht in Agadez aangekomen. Toen hebben we op de grond, van een busstation geslapen, voor de kantoren waar men biljetten verkoopt. Mijn metgezellen wilden altijd maar meer weten over mij. Mijn stilte intrigeerde ze. Ik heb ingestemd om met hen te beginnen discussiëren. Ik ontdekte dat iedereen, hier, probeerden om een middel te vinden om Algerije, Marokko, Libië, … over te steken. Er is daar een echt handel voor. Ik heb Ghanezen ontmoet die voor verschillende maanden vastgezeten hebben in Agadez. Zij hebben me gezegd, dat de beste weg om te nemen, diegene was die door de Sahara liep. Gevaarlijk en moeilijk, maar zij was, volgens hen, diegene die de meeste kansen gaf om te slagen. Zij kwamen van Libië terug, waar zij vier maanden in de gevangenis hebben gezeten, zonder praktisch eten noch drinken gehad te hebben. Ze waren verzwakt, ontmoedigd, zondercent,.. en hadden besloten om naar hun land terug te keren. De smokkelaars, Afrikanen zoals ik, zijn allemaal oplichters. Dezelfde Ghanezen vertelden me hoe sommigen onder hen niet aarzelden om ons achter te laten in woestijn en ons geld te stelen. Dat ze niet van plan waren om ons ooit naar onze bestemming te brengen (wat ze wal geacht waren te doen). Via via heb ik een ‘vrachtwagenchauffeur’ gevonden om me door de Sahara te leiden.

De smokkelaar leidde me naar een apart gedeelte van de stad, een “getto”, een plaats waar men de clandestiene reizigers kon verbergen. We waren met verschillende wachtende, om daar, op de volgende 4x4 richting Algerije te vertrekken. Ik heb met Kameroeners gesproken die al gedurende zes, zeven, acht maanden de overtocht van de Sahara probeerden te maken. Voor de eerste keer sinds mijn vertrek, door naar hen te luisteren, heb ik me ontmoedigd gevoeld. Als avondeten, kregen we macaroni. Ik slaagde er niet in om met smaak te eten omdat er zand in zat. Alles wat je in deze kon eten had de smaak van stof. Alles was hier warm: de grond, de muren van de huizen, het water … Wanneer ik inademde brandde de lucht in mijn neus en mond. Ik begon de beproevingen, van dit zo verschillende klimaat dan dat van mijn land, te voelen. Binnen “het getto“, heeft een Kameroener, genaamd Ashu, me gezegd dat een van zijn vrienden Richard, me een vluchtelingenkaart kon verschaffen. Zij moest me toelaten om in Algerije te circuleren, zonder door de politie

8


lastig gevallen te worden. Ik heb er 7 000 francs CFA, 10 euro, voor betaald. Ik moest me Michel Kofi Mendi van de democratische Republiek Kongo noemen. Richard is teruggekomen, maar zonder papieren. Hij liet me geloven dat ik ze zou hebben alvorens te vertrekken. Alle dagen ging ik hem de vraag stellen of mijn papieren er al waren. Op de voorziene dag van het vertrek, had ik nog steeds niets. Ik heb aan Richard gevraagd om me mijn geld terug te geven. De 4x4 kwam aan. Ik had de tijd niet meer om het terug te krijgen, anders miste ik, zonder het te weten, de auto die andere passagiers zou komen halen. Ik ben bestolen, en ik heb hem vervloekt voor wat hij me had aangedaan.

9


Na zeven dagen van wachten, heeft men ons, vijfendertig mannen de ene op de andere, in onzeker evenwicht opgestapeld, aan de achterkant van de zolang verwachte 4x4. Ik vreesde om te vallen. Anderen eveneens. Het grootste deel van ons lichaam hing buiten de vrachtwagen. Maar in werkelijkheid, vreesde ik meer voor de rovers. Een Ghanees had me erover verteld, dat de woestijn er vol van zat en dat ze zich daar schuil hielden Ze zijn gewapend. Ze blokkeren de konvooien en eisen het geld, en zelfs het voedsel van de reizigers. Zij slaan je als men het nodig acht. En wanneer ze niets bij je vinden, dwingen ze je om een drug te drinken. Enkele minuten later heb je hevige buikpijn. Verberg nooit je biljetten in je anus, want je vertrekt met diarree. Aan de achterkant van de auto, stoppen de mannen niet met vechten om hun plaats te behouden. Ze duwen je, slaan je. Je verzet je tegen hun slagen en de verstijving. Je voelt je zo slecht, dat je zelfs de pijn niet meer voelt. Ondanks de hoofddoek, voel je nog steeds het zand in mijn mond en neus. Je kan niet meer ademen. In de woestijn, moet jij je leven geven aan God. Alex, een Kameroener, zit sinds vier maanden gevangen in Agadez. Hij had een smokkelaar betaald die hem achteraf heeft opgelicht. Hij had niets meer, noch om te eten, noch om door te gaan, nog om terug te gaan. Ik had medelijden met hem. Ik heb hem het vereiste geld voor het vervoer gegeven.

Wanneer de auto stopt, is het minste plekje schaduw kostbaar. We beschermen ons onder de zeldzame bomen die in het zand groeien. We zijn niet de enige. De bodem is bezaaid met uitwerpselen van kamelen, onaangename beestjes en insecten die steken. We hebben geen keus dus zetten we ons. We profiteren ervan om even te rusten en wat te eten. Ik had koekjes gekocht alvorens te vertrekken. Anderen hadden eraan gedacht om tapioca1 en suiker mee te nemen. Het is ieder voor zich. Het is zeldzaam om te delen. Voor de overtocht had ik eveneens een kan van twintig liter water gekocht. Ik heb hem, samen met die van de anderen, vast gehangen aan de zijkant van de auto. Water, is het leven in de woestijn. Je kan je er niet met amuseren. Anderen waren erin geslaagd om dertig liter water mee te nemen. De reis heeft een week geduurd. Na drie dagen, hadden we niets meer om te drinken.

Tapioca is een hoofdzakelijk smaakloos zetmeelrijk ingrediĂŤnt, gemaakt van bewerkte en gedroogde cassavewortel (maniokwortel) (wikipedia) 1

10


Wanneer de auto vastzit, moeten we allemaal uitstappen en gaan duren, ook al zijn we heel dorstig. De chauffeur stopt af en toe wanneer de motor te veel rookt. Hij kent de woestijn en weet waar er putten zijn. Waar we even stopten, wees de chauffeur ons en put toe waar we onze jerrycans konden vullen. Het water was moerassig. Er zaten kikkers en muggen in. Sommigen hadden zoveel dorst dat ze er niettemin van dronken. Ik niet! ‘s Avond, waren er mannen aan het braken. Later zijn we gestopt in een oase. Hier konden we onze jerrycans met drinkwater vullen.

Op deze plaats, ver van alles, werden achtentwintig Afrikanen, Nigerianen, Ghanezen, Malinezen en Kameroeners door hun smokkelaars achtergelaten. Zij konden nergens heen en hadden geen middelen van bestaan. Ze hadden alles verloren. Alleen, in de woestijn, hoopten zij da de chauffeur hen uit medelijden zou meenemen. Dat gebeurde vrij frequent.

De handelaars van benzine, van wie de schuilplaats in dit gebied lag (kruising tussen Libië, Algerije en Niger), verkochten regelmatig levensmiddelen aan hen. Maar voor degenen die geen geld meer hadden …

11


In deze oases, kondigt de chauffeur aan dat niet als enige de weg wil voortzetten. Volgens hem is de pech van motor te frequent. We zouden zo geblokkeerd kunnen raken in de woestijn. Hij verkiest om ons enkele dagen alleen te laten, terwijl hij op enkele kilometers van hier naar Libië gaat. Hij belooft ons, om met een andere auto en een andere chauffeur terug te komen om de overtocht in twee voertuigen, in alle veiligheid te beëindigen. Tegelijkertijd verklaard hij dat wij ons ongeveer één dag van de Algerijnse grens bevinden. Het is een manier om clandestiene migranten nog meer onder druk te zetten en om hun nog wat extra af te persen voor de laatste dagen van hun reis. Angst heeft bezit van me genomen. Ik ben verloren, als deze mannen weggaan, die reeds geduld oefenen op deze plaats waar het zand de hemel raakt. Voor ik Kameroen verliet, geloofde ik dat alleen de oceaan zich tot het oneindige kon uitstrekken. Ik heb de onmetelijkheid van de woestijn ontdekt. Het is onmogelijk om te ontsnappen behalve als de dood u zal bevrijden. We zijn met onderhandelingen gestart. Eerst eisten ze mijn kledij en 100 euro extra om met tot Djanet, aan de Algerijnse grens te brengen. Aanvankelijk heb ik geweigerd. Hij heeft me bruut geantwoord: “Het is dat of je blijft daar! Als jij gelooft dat ik een traan ga laten wanneer je sterft …”“ Ik had onder mijn onderkleding verborgen. Ik bewaarde het voor in noodgevallen. Ik had geen keuze. Ofwel gaf ik hem wat hij wilde, ofwel werd ik het slachtoffer van de woestijn. Na twee dagen van discussie, heb ik, zoals al de andere passagiers betaald. De derde dag, zijn we weer vertrokken.

12


Op een zestigtal kilometers van Djanet, , in de zwarte nacht, doemden zich grote aangestoken lichten tegenover ons op. Onze chauffeur deed onmiddellijk zijn lichten uit, en verliet de verharde weg. Ze zijn op een paar honderdtal meters voor ons de woestijn, ingeslagen. We bleven onbeweeglijk stil in het donker liggen. De lichten kwamen dichter bij ons, maar zijn zonder stoppen voorbijgegaan. Het waren de Algerijnse troepen van de politie, de heersers van de woestijn. Ik was zeer verrast dat zij niets opmerken. Zodra ze waren verdwenen, stak de chauffeur de grote lichten aan, startte de motor en reed als een gek de hoofdweg op. We werden als stenen door elkaar geschud. Ik had pijn aan de billen. Later zijn stopten we om onze kannen benzine in de tank te doen. We zijn op de grond gaan liggen. Terwijl we de tank vol deden, kwamen achter ons, voertuigen van de politie aan. Ze stonden op enkele honderden meters. Ik zag mezelf al in de Algerijnse gevangenissen zitten. Ik wilde het op een lopen zetten, wanneer de chauffeur me beval: “Kameraad, verplaatst je niet!” Ik heb gehoorzaamd. Ik beefde. De voertuigen van politie hadden enorme fakkels op hun dak waarmee de mannen van het commando de woestijn afzochten. Ze hebben ons niet gezien en zijn weer vertrokken. Onze chauffeurs hadden besloten om de nacht ter plaatse door te brengen. Ze hebben gewacht tot de rust was wedergekeerd om een vuur te maken en een maaltijd voor te bereiden. Ik vertelde hun dat een vuur in het donker al van verre te zien was… Zij aten rustig. Ik niet, ik kon niets inslikken. De volgende ochtend hernamen we onze tocht. Het was nog donker en de chauffeur probeerde om het asfalt te gebruiken. Na enkele minuten kwamen de 4x4’s van de politie, uit het niets, met hoge snelheid achter ons. Ze hadden de jacht op ons hernomen. Voor de derde keer heeft de chauffeur alle lichten

13


uitgedaan die in het veld van zand en stenen schenen. Wij hebben de tocht, aan twee kilometer per uur, met een man te voet voor de auto, die ons de mogelijkheid gaf om de tocht in het zwarte stof, te beëindigden. We werden op hoogte van Djanet losgelaten. Na verschillende dagen in de Sahara, was ik vuil en bedekt met stof. Ik had honger en dorst. Ik heb het risico genomen om contact met de bevolking te zoeken. In een straat aan de toegangspoorten van de stad, waste een Algerijns kind een auto voor een huis. Ik heb het begroet en ik heb hem een beetje water gevraagd. Zijn vader ging weg bij hem, gaf me te drinken en raadde me aan om niet meer terug te komen. Vrij snel, kwamen er twee zwarte Afrikaanse mannen bij me aan. Zij vroegen me of ik Kameroens was en of ik zojuist was aangekomen. Ik heb hen mijn vertrouwen gegeven. Zijzelf waren clandestien en van Kameroense afkomst, zij hebben met tot het “getto” van Djanet geleid. In elke strategische plaats van de reis naar Europa, zijn er “getto’s”, kampen van het lot waar illegale reizigers kunnen eten, zich wassen en rusten. In elk van deze plaatsen van onderdak, moet men zijn huurprijs en voedsel aan het hoofd, de “voorzitter”, betalen. Deze voorzitter is zeer vaak een kandidaat voor het ballingschap, dat verschillende tochten zonder succes heeft geprobeerd. Zonder geld, kan hij noch zijn tocht voortzetten, nog terugkeren op zijn stappen. Dus, hij doet zaken om geld te verdienen: beheer van het “getto”, verkoop van valse papieren, organisatie van het traject naar de volgende stad.

In Djanet, heb ik een valse vluchtelingenkaart gekocht. Het is de tweede keer dat ik van identiteit verander sinds mijn vertrek. In Niger, was ik een Belize geworden. Deze keer, was ik Liberiaan. “De voorzitter“ had me het vervoer naar Ilize geregeld. Drie andere Kameroeners vergezelden me, twee mannen en een vrouw. Zij heette Margaret. We zijn ’s nachts vertrokken. De chauffeur van de auto kende uitstekend de weg. Nochtans in plaats van de eerste controlepost te ontduiken, heeft hij ons er direct toe geleid. Ik vroeg hem: “waarom ga jij langs hier?” Die idioot antwoordde: “Op dit uur, slapen de politieagenten daar.” Zij sliepen niet. We moesten stoppen en langzaam werden onze papieren onderzocht. Wij bezaten alle vier bedrieglijke documenten. De officier van de groep heeft aan Margaret bevolen om hem te vergezellen terwijl hij ons in het oog hield. Wanneer hij met haar is terugkwam, heeft hij ons onze papieren teruggegeven en aangeraden ons aangeraden om ons hier nooit meer te vertonen. Niemand durfde te bewegen. Later in de auto, heeft Margaret ons bekend dat ze de liefde met hem had bedreven om te vermijden dat hij ons in de gevangenis zou werpen. Om te verzamelen aan Ohanet te Ouargla, heb ik een regelmatige bus genomen. Margaret reisde nog met mij. De smokkelaar zette ons af aan het station met nog tien andere tien andere verstekelingen bij ons. Hij had ons aanbevolen om zich in de auto te verspreiden zodat we niet gemakkelijk gevonden konden worden. We wisten dat wij verschillende politieversperringen zouden voorbijgaan. Bij de eerste controle moest de bus al stoppen. Alle

14


“kameraden” werden verzocht om mee te komen voor verificatie van identiteit. Aan mij vroeg niemand iets. Vervolgens is kon iedereen terugkeren en vertrokken we weer. Aan de tweede controle, hetzelfde scenario. Wij zijn minstens acht posten van politie voorbijgegaan. Op geen enkel moment werd ik deze nacht ongerust gemaakt, ik was onzichtbaar. In de auto, werd een Algerijn ,zittend naast mij geïntrigeerd. Hij wist dat ik een illegale migrant was. Die man heeft me eten en drinken aangeboden. Wij hebben gepraat. Zoals alle andere reizigers, begreep hij niet dat ik door de mazen van het net glipte. Zoals alle anderen, geloofde hij dat ik zwarte magie had beoefent en dat ik een amulet verborg om te beschermen. Dat laat met nog steeds lachen.

15


In Algiers, aan het wegenstation, heb ik Farid ontmoet, een Algerijn. Ik was alleen. Ik had me van mijn andere clandestiene kameraden in Ouargla gescheiden. Ik wilde de Marokkaanse grens oversteken. Op de bus, heb ik veel met hem gesproken. Hij was aardig, ik gaf hem mijn vertrouwen en heb hem van mijn situatie op de hoogte gebracht. Hij heeft me bij hem uitgenodigd. Hij woont dichtbij de grens. Zijn familie is geweldig voor mij geweest. Ze reageerden alsof ze mij al jaren kenden. Zijn vrouw gaf me handdoeken, zeep en crème om me te wassen. Ze heeft me drie keer per dag te eten gegeven. Wat ik al lang niet meer had meegemaakt. Zijn twee meisjes, van 7 en 14 jaar, hebben over mij gewaakt. Zij wilden me meenemen naar het strand... maar dat was te gevaarlijk. Dus hebben ze met me gepraat. Zij spraken slechts Arabisch, maar toch slaagden we erin om met elkander te communiceren. Ik heb nooit mijn echte naam aan hen gegeven. Ik moest liegen. Het was te gevaarlijk. Volgens de verschillende valse papieren die ik had gekocht, was ik Simaga, een Malinees. Farid had enkele ideeën om me op enkele manieren illegaal over de grens te krijgen want hij deed handel in benzine met Marokko. Ik heb ze verlaten, de volgende morgen, en gaf hun mijn dinars die ik nog over had. Ik kon geeneens afscheid nemen van mijn twee kleine engelen. Zij sliepen. Terwijl ik naar de Marokkaanse grens liep, heb ik gebeden tot God, opdat hij hun een lang leven zou toekennen. De oudste zoon van Farid had de dag daarvoor een geschikte route voor me gevonden. Hij toonde me de weg.

“Ik wist niet dat door Marokko te naderen, het moeilijkste deel van de reis me te wachten stond.”

16


Nu ben ik in Marokko, in de stad Ahfir. Ik stap op een gewone bus voor Oudja, waar ik zonder wegversperring aankom. Vervolgens neem ik de verbinding voor Fès. Tien kilometer na mijn vertrek komen we aan bij een versperring en doet de politie teken naar de chauffeur om te parkeren. Ze willen de passagiers controleren, en deze keer, ben ik niet onzichtbaar. De officiers vragen me om af te stappen. Ik laat hun mijn valse Liberiaanse vluchtelingenkaart zien. Ze vragen me: “jij hebt zeker geen andere papieren bij ?”. Tegelijkertijd fouilleren ze me en vinden in de zakken van mijn hemd mijn Malinese paspoort dat ik had laten vervaardigen in Algerije. Ik panikeer. Ik vind een verklaring uit. Ik zweer hun dat het paspoort tot een vriend behoort, dat hij die bij mij was vergeten en dat ik hem ging terugbrengen. Om mijn trouw te bewijzen, vestig ik hun aandacht op de foto die niet op me lijkt. Mijn leugens, die ze moesten laten twijfelen, maken ze nu zeer zenuwachtig. Ze bevelen me op de grond te gaan zitten, in het zand, naast de weg. Tegelijkertijd roepen ze een wagen op, om me naar hun bureau te brengen. Één van hen komt naar me toe en schopt op mijn rechter schoen met zijn voet: “Ben je zeker dat je geen andere papieren hebt?” Ik weet niet of hij een tovenaar was, maar het was precies daar waar ik mijn echt Kameroens paspoort had verborgen. Ik verzekerde hem ervan dat ik er geen had. Hij ging weg van bij mij en ging discussiëren met de anderen. En ik ? Ik dacht na. Ik deed mijn jas uit omdat ik het veel te warm had. Ik plaatste hem voor mij om zo een soort van scherm te verkrijgen. Discreet en langzaam, deed ik mijn rechter basketbalschoen uit en nam er mijn paspoort uit. Vervolgens, terwijl zij aan het praten waren, stopte ik het paspoort onder een enorme steen. Mijn paspoort moest daar blijven. Voortaan ben ik echt niemand meer. In het commissariaat van Oujda, plaatsten ze me in hun kantoor. De cellen werden allen al bezet door echte Algerijnse misdadigers. Het uur van het ontbijt naderen. De politieagenten verdwenen één na één totdat er slechts nog één overbleef om op mij toe te zien. Ik wachtte een ogenblikje. Er is niet veel lawaai meer. Ik sta op, met het voorwendsel dat ik de behoefte heb om naar het toilet te gaan. Ik merk dat mijn bewaker in slaap is gevallen. Ik verlaat de kamer op de toppen van mijn tenen. In de straat, ben ik meteen naar rechts gegaan zonder nog één maal om te kijken. Ik nam het hemd weg dat ik boven mijn T-shirt droeg om niet meer herkend te worden. Het hemd heb ik ergens over een muur in een tuin geworpen. Zo snel als ik kon ben ik uit de buurt gegaan van het politiekantoor en hoopte ik erop dat de mannen me niet nog eens zouden tegenhouden. In Oudja, bleef ik een maand in een “getto” in afwachting van een volgende tocht. Er was veel comfort. Het was een flatgebouw van drie verdiepingen dat, normaal, bestemd was voor studenten. We waren met dertig “inwoners” met verschillende nationaliteiten: Senegalezen, Gambianen, Guinezen, Négerianen, Malinesen, Togo’s, Kameroeners, … Het rechtstreekse hoofd is Cheik. Er is ook een ander hoofd dat Viktor heet. En de opperste werkgever heet Paul. Op een avond beklaagt Chani, een “huurder”, zich over een vals paspoort van slechte kwaliteit dat hij kreeg van Viktor.

17


Viktor had al meerdere malen geprobeerd om er clandestiene immigranten met op te zadelen. Maar allen zaten ze in de val. Ook Chani had dat nu geleerd. Hij wilde ze terugbetaald krijgen of omruilen voor andere papieren. De twee mannen discussieerden. Paul, die op de benedenverdieping logeert, werd opgeschrikt door het lawaai. Hij schreeuwt dat hij en anderen vereisen dat Chani hem het paspoort geeft. Chani, die eerbiedig is voor de regels van het “getto”, geeft het terug aan .. Viktor, zijn hiërarchische meerdere, en niet aan Paul. Gek van woedde, omdat iemand hem niet gehoorzaamt, werpt de ‘oppermeester’ zich op hem en slaat hem met al zijn krachten. Met enkele kameraden, proberen we tussenbeide te komen. Paul gaat daarna naar beneden, naar zijn kamer. We denken dat hij gekalmeerd is, maar hij komt met een bijl terug. Er hangt verontrusting in de lucht terwijl hij door de kamer komt en ons dwingt om voor hem te knielen. Paul verplicht Chani om achteruit te gaan en slaat hem tegen de aarde, voor hun, zonder dat wij ons durven of kunnen verplaatsen. Vervolgens hangt hij Chani vast, zoals een gevangene. Later, ondervraagt Paul ons, om onze geschiedenis te weten te komen. Wanner hij bij mij aankomt, zeg ik hem dat ik niets wil zeggen. Chani zit in een hoek, verwond aan de ogen en aan het gezicht. Ik wil hem verzorgen, op zijn minst zijn wonden schoonmaken. Paul verbiedt het me. Hij praat tegen mij als tegen een vriend, en vertrouwt me een taak toe: ik zal bewaker van Chani worden. Ik zal ook conciërge van het “getto” worden. Wanneer hij mij de sleutels geeft, nodigt hij mij uit om te eten. Ik heb mijn nieuwe functies aanvaard. Ik had geen keuze, maar ik kon niet eten. Ik had echt geen trek. Ik wist niet dat, door aan de klauwen van de politie te ontsnappen, ik bij kannibalen zou gaan leven.

18


Onder ons, leefden ook twee Nigeriaansen. Deze vrouwen moesten vechten tegen alle anderen om te winnen. Glory verwachtte een kind van Paul. Fatima was het vriendinnetje van Cheik. Zonder geld – hun budget was reeds volledig uitgegeven – wachten zij op geld dat hun familie zou verzenden om hun reis te kunnen beëindigen. Hun intieme betrekkingen met de hoofden van het “getto”, lieten hun toe om te eten, zich te wassen en zich vrij te kunnen verplaatsen. Vele kameraden geven alle hun spaargeld al uit alvorens hun reis te kunnen beëindigen. Om te overleven en hun weg voort te kunnen zetten, zijn er twee oplossingen: Ofwel starten ze een eigen zaak op en buiten ze anderen uit, ofwel proberen je voorbij de verschillende posten te geraken. In het tweede geval, kan enkel een Marokkaan de bedragen gaan opnemen die naar Marokko worden verzonden. Het hoofd van het netwerk betaalt een Marokkaan om dit te doen. Eens het bedrag is opgenomen, overhandigt deze bemiddelaar het hem direct. De werkgever is geacht het bedrag aan de ontvanger te storten door het aandeel van de huurprijs weg te nemen. De clandestien kent soms nog geeneens de kleur, of dan toch zeer weinig. De zaak kan lang duren, tot het vereiste bedrag is gestort. Fatima oefende al sinds zeven maanden geduld. Wat Chani betreft, Paul gedraagt zich als een ontvoerder. Hij belt de familie via zijn draagbare telefoon. Hij treft en foltert hen gedurende het ganse gesprek. Chani huilt en smeekt hen om het losgeld te betalen. Na verschillende dagen, veronderstel ik, heeft Paul gekregen wat hij wilde en Chani werd bevrijd. Later is Paul weggegaan voor zijn tocht verder te zetten. Hij liet Glory achter, die op het punt stond te bevallen, zonder enige gemoedstoestand. In Marokko, heeft mijn voornaamste smokkelaar, Cheik, me valse papieren gegeven. Hij nam me mee naar een studio van een fotograaf om pasfoto’s van me te laten maken. Later heeft men mijn foto op het paspoort van een ander geplaatst. Mijn nieuwe identiteit is: Amirou Diallo, Senegalees. Ik heb alles uit het hoofd geleerd: mijn nieuwe geboortedatum, plaats, de nationaliteit, de datum van afgifte.. Wachten is vaak het enige ding om te doen. We waren dankbaar voor de goede wil van onze smokkelaars. Op een dag besloten ze te vertrekken. Ze beloofden dingen, maar vervolgens veranderden ze de plannen. In deze periode, vroeger ze me steeds meer geld voor het vervaardigen van papieren, het vinden van een wagen en chauffeur, het organiseren van de bootreis of simpelweg een kamer om hen te laten slapen. In Rabat, heb ik heel de maand augustus doorgebracht in een hotel voor “kameraden”, een “getto”. Het zat er vol met Afrikanen. We leefden met velen in één en dezelfde kamer. Het was er vuil en dat voelde slecht. We konden niet buitengaan, noch verse lucht inademen gedurende de dag. De vensters moesten altijd gesloten blijven. Ze brachten ons te eten en drinken. Rijst gekookt met ui ’s middags, melk met maïs ’s avonds. Dat was alles. Er was een kleine televisie, in zwart en wit, die ons wat gezelschap hield. Ook al waren de programma’s in het Arabisch. Er waren eveneens insecten, waar ik geeneens de naam van kende, maar die ons prikten, verwonden en littekens achterlieten.

19


Om in Nador te verzamelen, in het noorden van Marokko, zijn we ’s nachts vertrokken. Ibrahim, die ik in het “getto” van Rabat had ontmoet, vergezelde me. Hij vertelde me dat hij de weg kende. Hij beweerde vroeger een gids geweest te zijn. De eerste bus zette ons in Fès af. In afwachting van de bus die ons naar Nador moest leiden, hebben we aan het wegenstation veel geduld moeten uitoefenen. Ibrahim begon een gesprek met een Marokkaanse gepensioneerde. Ik vond dat gevaarlijk en verkoos om water te gaan kopen. Toen ik terug kwam, zag ik dat Ibrahim koffie aan het drinken was met die gepensioneerde, zittend aan een tafel bij de bar. Ze deden teken naar me, om hen te vergezellen. Als ik zou weigeren, liep ik het gevaar om verdacht te lijken. Dus heb ik me bij hen gevoegd. Enkele minuten later, zoals per toeval, naderde een politieagent die achter onze papieren vroeg. Ik had mijn Senegalees paspoort, maar Ibrahim had niets bij. In plaats van te zwijgen, begon hij te roepen: “Ik heb schoon genoeg van uw land ! Het zijn jullie, die mijn papieren bij de grens hebben afgenomen. Geef ze me terug ! Ik wil terug gaan ! Voor de eerste keer in mijn leven, werden me de handboeien omgedaan en werd ik opgesloten in een cel. Ik was beschaamd ! Ibrahim werd gek. Hij dreunde permanent woorden op die hij ter plaatse uitvond. “Ik ben moe. Laat me gaan! Ik wil mijn vader zien. Ik wil mijn moeder zien. Ik wil naar huis…” Hij heeft de gehele tijd in een cirkel gelopen en de gehele nacht liggen zingen als een geestelijk gestoorde man. Hij was de wanhoop nabij. De volgende dag ochtend, werden wij door de politie van de immigratie verhoord. Ibrahim bleef hield zich stom. De politieagenten hebben me ondervraagd over mijn paspoort. Ik had goed mijn les geleerd, maar ik had me toch een beetje in de omvang van de vragen vergist.. Zij hebben zich aan verschillende zijden geplaatst en me geslagen. “Als jij onafgebroken blijft zeggen dat dit paspoort tot jou behoort, gaan we je doden!” “Ik kon zelfs mijn adem tussen twee slagen niet hernemen. Ik heb bekend: “Neen, het is niet het mijne!” Zij hebben ons allebeide in de gevangenis geworpen. In die cel begon Ibrahim weer met vloeken. Na één week cel, moesten we voor de rechtbank komen. Ik beweerde King Salem te noemen, een senegalese burger. De autoriteiten veroordeelden ons tot de terugtocht tot in Oujda, maar wij waren tevreden, want zo konden wij onze kans hernemen om terug te proberen komen naar Marokko. De dag na onze veroordeling, werden we met een bus (vol met immigranten, meer dan tachtig personen) tot aan de grens met Algerije geleid. De douanebeambten lieten ons gaan, midden in de nacht, in no man’s land. Ibrahim probeerde te onderhandelen met hem, maar de prijs die hij aanbood was niet hoog genoeg. Misschien, spotten ze, zouden ze ons dan terug zien in hun eigen land. Ze verplichten ons om rechtdoor te lopen, zonder om te keren. Na enkele minuten verscheen de Algerijnse politie in het donker. We hoorden dat ze hun geweer wapenden. Mijn hart stond stil.

20


We zijn in alle richten weggerend. Ik volgde Ibrahim. We hebben als zieken gelopen. Ik weet niet meer hoeveel kilometer. Na enkele uren kruisten we handelaars in benzine die zo aardig waren om ons de weg te wijzen naar Oujda. We bleven lopen, zelfs toen we ze niet meer achter ons horden. Tijdens deze marathon, werden we door de honden van Marokkaanse boeren nagejaagd die de velden van hun meesters bewaakten. We moesten stenen werpen om niet verslonden te worden. In de vroege voormiddag, uitgeput en uitgehongerd, bereikten we Oujda. Enkele jonge Marokkanen herkenden ons onmiddellijk als “reizigers”. Ze wilden ons aanvallen. Ik had nog steeds stenen in mijn zakken die me moesten beschermen tegen de waakhonden. Ik vreesde niets meer. Met opgeheven handen, gewapend met stenen, heb ik ze op mijn beurt aangevallen. Ze trokken zich terug. Veel verder, hebben we een taxi geroepen die ons tot aan de universiteit heeft gebracht. Te midden van alle andere studenten, hadden we het gelukt om onopgemerkt voorbij te gaan. Dichtbij Nador is er een stad, Melilla: het is een enclave onder Spaans toezicht. In een klein bos, net naast Nador, (het bos van Gourougourou) wachten bijna drie duizend verstekelingen om naar Europa te gaan. Ze hebben er een permanent kamp gebouwd. Men noemt het, tussen ons gezegd, “het dorp van de kameraden”. Kameraden zijn diegenen die de mensen van Maghreb de illegale immigranten noemen. De vliegen en wespen wekken me. Ik heb men eerste nacht slapend op de grond doorgebracht. Men installeert zich per groep. En elke groep is gegroepeerd volgens nationaliteit. Men start kleine landjes op met een president, een eerste minister, een minster van financiën, een minister van de politie, … Er regeert een zekere discipline om de regels te eerbiedigen. Zo niet, volgen er sancties. Tijdens mij reis, waren er soms dagen dat ik me geeneens kon wassen. Maar ik probeerde toch steeds mijn tanden te poetsen (elke ochtend), zelfs in de woestijn. Toen we aankwamen in Gourougourou, waren het al bijna dagen dat ik geen douche had genomen. In Nador is er een kleine rivier. In de rotsen, dienen gaten van water als badkuip. De eerste dag heb ik er minstens een uur ingezeten om te baden. De anderen beklaagden zich erover dat ik zoveel tijd in beslag neem. Ze stonden in een rij om ook aan de beurt te komen. Het was goed, zelfs met de kikkers, muggen en andere insecten die me in de war kwamen brengen!

21


“Er waren zoveel reizigers in Gourougourou dat ik de indruk kreeg dat ik in een Afrikaans wijk van een stad was.�

22


Één van de regels die in de kampen worden ingesteld, is het hout sprokkelen. Men moet, elke ochtend, in het bos gaan om iets te vinden waarmee men zich kan verwarmen en voedsel kan laten koken dat we in de vuilnisbakken van de bewoonde wijken terugvinden. Je kan er brood vinden en soms wat vlees. Van op de vuilnisbelt kan je Melilla zien… Spanje. De kameraden die hier komen dromen ervan om op één of andere manier de afsluiting van vier meter hoog te overschrijden en zo Europa te bereiken (waar men de lichten van bewoning kan zien schijnen). Maar, de smokkelaars in deze regio zijn duur. Ik kon niet voor deze weg kiezen. Ik moest weldra terug naar Tanger om zo de Middellandse Zee, door de zee-engte van Gibraltar, te overschrijden. In Tanger, wordt de overtocht van de Middellandse Zee veel te veel in het oog gehouden door de Spaanse kustweg en de Marokkaanse politie achtervolgt de verstekelingen in de omgeving van de stad. De kansen om de zee-engte en van Gibraltar te overschrijden zijn miniem. Een smokkelaar heeft me een andere weg voorgesteld: het zuiden van Marokko via de weg doorkruisen, vervolgens de Canarische Eilanden in een boot. Het traject is langer. De Atlantische oceaan is rumoeriger dan de Middellandse Zee. De natuurkundige dreiging is er hoger, maar de mogelijkheid van succes ligt misschien hoger. Ik besluit om Tanger te verlaten om naar Rabat te gaan, vervolgens Casablanca waar ik nog een maand zal moeten wachten voordat de rondreis wordt georganiseerd.

Na de reis kwamen we aan in een plaats ten zuiden van Agadir, in de volle woestijn van ElAyoun, in “Tranquillo” zoals men het daar noemt onder ons. We waren met achttien mannen, als sardines in een 4x4. We konden bijna niet ademen omdat de smokkelaars ons onder een plastic van het waterreservoir hadden verborgen (opdat de politieagenten ons niet zouden opmerken). We moesten elkaar slagen en duwen om toch een beetje zuurstof te hebben. De chauffeur behandelde ons als “klootzakken”. Hij bedreigde ons zelfs met een lang mes. Hij vroeg ons of wij geen draagbare telefoon of geld hadden. In „tranquillo“, moesten wij een andere smokkelaar opwachten die ons naar de zee van de Canarische Eilanden moest

23


brengen. Zes dagen te midden van de woestijn, zonder iets rond ons. Hij was er vreselijk warm, we waren uitgeput en hadden honger. De chauffeur had bij ons 200 liter water, brood en dozen met sardienen achtergelaten. In het zand hebben we een kuil gegraven, onder bomen met doornen. In deze schuilplaats waren we onzichtbaar voor helikopters van de rijkspolitie die over deze zone vlogen. We gingen niet weg uit deze kuil, behalve wanneer we gingen slapen. Dan gingen we slapen naast de auto omdat we vreesden voor slangen. Na een week in de woestijn, zonder nieuws te horen van onze smokkelaars, waren we door onze voorraad van brood en sardines. We moesten zelfs onze watervoorraad rantsoeneren. Onze mohammedaanse kameraden hebben we verboden om zich te wassen. In de woestijn is het water kostbaarder dan God.

24


De Arabische smokkelaars hadden goed over hun zaak nagedacht. Ze organiseerden zich om verstekelingen te gaan bevoorraden wanneer deze waren uitgehongerd. Deze wisten namelijk nooit wanneer deze zouden terugkomen. Ons lot lag in hun handen. Behalve de sardines, het brood en het water, voorzien in de prijs van de reis, brengen zij melk, frisdrank, de sigaretten die zij tegen een viermaal hogere prijs verkochten. Op het moment van de verdeling, werpen de kameraden zich op het voedsel zoals kinderen die als eersten bediend willen worden. Om onrechtvaardigheden te vermijden, stel ik voor om de broden en de dozen van sardines te tellen om deze rechtvaardig te verdelen. Na een tiental dagen in de woestijn, hebben onze smokkelaars ons de boot geleverd waarin wij moesten vertrekken. Eindelijk konden wij het zien en erin geloven. Het was een boot in ruw hout, vol gaten. Ze legden ons uit dat wij ze zelf met stofverf moesten stoppen en vervolgens twee lagen verf over moesten schilderen. De overtocht was er niet meteen op voorzien. Een groep van verschillende kameraden moest terugkeren. De smokkelaars vulden de boten tot het maximum, zodat ze rendabel konden reizen. Onze boot moest minstens vijfendertig personen meenemen. Tot hiertoe waren we slecht met achttien. Ik vernam van de nieuw gearriveerden dat er nog een honderdtal mensen waren, verspreid in de woestijn, die zich aan het voorbereiden waren om de Canarische Eilanden te overwinnen. Een Nigeriaan, die sinds meer dan een maand volgens de regels van de smokkelaars leefde, vertrouwde me toe dat hij een vrouw met een baby had ontmoet in een andere groep. Deze vrouw was zwanger toen ze arriveerde in El-ayoum. Ze gaf leven aan haar kind midden in de woestijn.

25


Op 26 september om 2 uur het 's ochtends, hebben wij een eerste overtocht geprobeerd. We waren met zesendertig mannen die in „de mand“ moesten gehesen worden, zoals wij de doorgeboorde boot een bijnaam gaven. Ik betwijfelde of we zouden aankomen. Het was een avond van volle maan. Ik weet al sinds ik klein was dat, wanneer de maan rond is, de oceaan wordt verontrust. Ik zou die bewegingen niet kunnen stopzetten. Wij waren alle gelukkig om tenslotte in Spanje te gaan, maar we vreesden de zee. De kapitein van onze boot was een Senegalees. Enkele van mijn kameraden hadden geen vertrouwen in zijn capaciteiten om te varen. Wij verkozen ondanks alles een zwarte de opdracht toe, dan een Marokkaan die ons zou laten verdwalen in de zee om vervolgens in Marokko aan te komen, om ons dan te doen geloven dat we in Spanje waren. De kapitein had aan de Marokkanen gezegd dat de motor niet voldoende was om zesendertig mannen te trekken. Maar ze spotten ermee …. “de mand” moesten we zelf in de zee duwen.

26


Het water was om te bevriezen. Wanneer ik aan boord sprong, zaten de anderen al reeds één na één naast elkaar. De kapitein is gestart en erin geslaagd om boven de vier eerste golven voorbij te gaan maar de vijfde liet de boot omslagen. Ik liet me glijden en ben vervolgens zo snel als ik kon weggezwommen, uit het water. De anderen schreeuwden. Enkele verdronken. Ik was één van de enige die kon zwemmen. Sommige hadden de zee nog nooit van hun leven gezien. Ik word twee keer in het water teruggestuurd om ze te helpen. Ik was uitgeput. Geen enkele Marokkaan heeft ons geholpen. Na een geruime tijd hebben we ons rond de boot gehergroepeerd die zich in het zand was gestrand. We waren bevroren. Twee personen waren vermist.

27


Na de schipbreuk, was ik volledig gebroken. Het was de droevigste dag die ik sinds mijn vertrek van Kameroen heb beleefd. Ik heb mijn familie gebeld en ik heb vernomen dat mijn tante zojuist was gestorven. Dat deed pijn tot op mijn botten (beenderen). Wij hebben een groot vuur gemaakt om ons te opwarmen. Ik was erin geslaagd om mijn rugzak te redden. Binnenin zaten er dozen met sardines, een beetje brood en wat drinkwater. Ik heb het brood in de zon laten drogen. De vis heb ik gedeeld met de anderen. Het water verborg ik, omdat, als de anderen het zouden geweten hebben, ik het niet zou kunnen weigeren. Er was niet genoeg voor iedereen. Ik verkoos om ego誰st te zijn en het voor mezelf te houden. Het brood was gedroogd, maar zo droog dat we het weer nat moesten maken om te kunnen eten. Anders sneed het in onze tong en tandvlees. Van de vierendertig mannen, waren er nog vier (waaronder ik) die nog schoenen hadden. De anderen waren alles verloren, hun kleding eveneens. Het geweld van de golven heeft ze uitgekleed. Ze vervaardigden zichzelf sandalen. Onze zwarte houd was wit van het zout. Een Comoriaan had zijn broer verloren en hield maar niet op met huilen. Ik geloofde niet meer, dat deze boot op de oceaan zou blijven drijven. Ik was leeg en ontmoedigd. Ik wilde terug naar huis. Maar hoe? Met welk geld? Na een nacht van slaap, ben ik met een andere gemoedsgesteldheid opgestaan. Ik wilde er in geloven. Samen met de naderen hebben we onszelf moed in gesproken. De smokkelaars brachten ons dezelfde boot. We gingen aan het werk om er het beste van te maken dat mogelijk was.

28


Terwijl we de boot herstelden, besloten verschillende leden van de groep om terug te keren. Ze vertrokken naar de stad om zich bij de politieagenten aan te geven, zodanig dat ze terug werden uitgewezen naar hun eigen land. Ze zeiden dat ze niet bereid waren om te sterven. Toen ze vertrokken wensten we ze veel succes, want het is niet gemakkelijk om je zomaar in de woestijn te verplaatsen. Hoe moet men weten waar het noorden of het zuiden is, wanneer men het gebied niet kent? Wij hebben hen eveneens gevraagd om vooral niet aan de officiers te zeggen waar wij zaten verborgen. De Comoriaan die zijn broer had verloren, was volledig ingestort. Ondanks zijn vijfendertig jaar huilde hij als een baby. Hij rolden zich op de grond van verdriet. Hij was het die zijn broer had overtuigd om de boot te nemen, en vandaag, was zijn broer gestorven. Hij wist niet of hij wel moest doorgaan.

29


Wij waren nog slechts met zesentwintig personen voor de tweede overtocht.

30


Wij hadden dezelfde boot met dezelfde oude motor. We waren nog meer bang dan de eerste keer. De smokkelaars die met ons werden ingescheept, hielden ons in het oog, gewapend met hun messen. Zij hadden de beste plaatsen terwijl wij, in de bodem van de boot werden opgestapeld. We werden verhinderd om ons te verplaatsen. Zo werd een zeker evenwicht behouden om te vermijden dat we zouden kantelen. Ondanks al onze reparaties nam onze boot toch veel water. We moesten permanent hozen. We hadden water tot aan onze kuiten. De mannen waren bang. Velen hadden nog nooit de oceaan gezien. Ze konden niet zwemmen. Ze bleven als verlamd op de bodem van de boot, niet in staat om het water uit de boot te legen. Sommigen waren zeeziek en moesten braken. Anderen waren dan weer andere schrik aan het aanjagen. Het was verschrikkelijk. De boot bewoog veel. De Atlantische Oceaan is een rumoerige oceaan. Wij waren van kapitein veranderd. Dit keer ging om het een Marokkaan die de kaap kon varen en houden. Na achttien uur op zee, was ik bezorgd. Ik zag niets, geen kust noch aan de rechterkant, noch aan de linkerkant, noch voor, noch achter ....... de oude motor had verschillende keren gesputterd. Gelukkig was de kapitein erin geslaagd om het in gang te houden. Wat zou er gebeuren als het defect bleef?

31


“ Zelfs al kon ik zwemmen, toch was ik zeer bezorgd. Ik zag nergens een kust aan de horizon. Als ik in het water viel, in welke directie moest ik dan zwemmen? �

32


33


“ Ik heb vaak geloofd dat ik tijdens de reis zou verdwijnen en dat mijn familie zelfs mijn lichaam nooit meer zou terugkrijgen.”

34


35


De Spaanse kustwacht legde aan naast onze boot en hiel ons tegen. Nieuwsgierig werden we verlicht met een lamp. Één voor één lieten ze ons op hun boot stijgen, allemaal rustig en in orde, opdat niemand in de zee zou vallen. Ze waren niet aardig maar we waren allemaal in leven. Het eerste wat ik deed toen ik op hun boot aankwam, was een kruisteken maken. Ik bedankte Jezus opdat hij mij gespaard heeft. Het was bijna een wonder dat we het overleefd hadden, vooral als men de boot bekijkt. De volgende dat werden we gearresteerd. Na dertig dagen gevangenschap in Fuerteventura, één van de Canarische eilanden, werd ik vrijgelaten. Ik heb niet gezegd dat ik Kameroener was. Voor de autoriteiten was ik Ousmann Salem uit Guinea Conakry. Ik hield de schijn op omdat Kameroeners, Nigerianen en Ghanezen naar hun geboorteland werden uitgewezen. Ik hield me voor om geen Frans noch Engels te spreken. Ik zou enkel antwoorden in mijn plaatselijke dialect. Maar, … er was een Malinees bij de politieagenten die alle dialecten van het Westen van Afrika kende waaronder ook Guinees. Ik heb dus mijn antwoorden in het Frans gegeven. Ik heb gezegd dat ik in Guinea ben geboren en dat ik ben opgegroeid in Ivoorkust. Zelfs al zouden ze mij niet geloven, dan nog zouden ze mijn echte nationaliteit niet kunnen bepalen. Ik ben dus vrij, in het bezit van papieren dat mij toelaat om in Spanje aanwezig te zijn. Maar voor hoelang ? Ik weet geeneens hoe je Spaans spreekt, leest of schrijft…

36


We zijn toch met verscheidene kameraden die tenslotte met de boot zijn aangekomen in Europa. We hebben elkaar omhelst en we hebben gezongen en gedanst. Vervolgens bracht de Spaanse overheid ons met het vliegtuig naar Europa. Eindelijk zou onze duurste wens in vervulling gaan. Met vijftig hebben we de Canarische eilanden verlaten. Vijfentwintig zijn naar Madrid gegaan. De andere vijfentwintig, waaronder ik, gingen naar Malaga. Het Rode Kruis gaf ons rode trainingspakken. Het zijn een soort van herkenbare uniformen voor vluchtelingen. De mensen van het Rode Kruis bevolen ons aan om naar Madrid te gaan, om zo onze papieren in orde te krijgen. Maar ik, ik wilde verder. We namen met enkelen de trein naar Barcelona. Daar aangekomen, scheidden onze wegen. Ik ben daar gebleven, maar mijn reis is nog niet gedaan. Ik ga naar de Franse grens. Ik ben niet echt rustig. Ik weet niet of ik gecontroleerd ga worden of niet. Mensen hebben me aangeraden om de trein op zondag te nemen: dat is zekerder‌

37


“Het is mijn eerste nacht in Europa en ik heb hem bijna geheel buiten doorgebracht.”

38


39


Op 8 november, meer dan vijf maanden na mijn vertrek van Limbe, ben ik in een Frans station. Ik wacht op mijn vriend, mijn broeder, waarmee ik in Kameroen ben opgegroeid. Sinds drie jaar is hij met een Franรงaise getrouwd die bij ons op vakantie kwam. Sedertdien leeft hij wettelijk in Europa. Het is de vreugde van het weerzien. Ik geloof dat ik al het mogelijke heb gedaan en dat ik ben geslaagd. In werkelijkheid is het een ander leven, maar niet noodzakelijk het leven waarvan ik droomde. Ik ben een buitenbeentje, omdat ik clandestien ben. Ik ben een misdadiger als het waren. Ik heb het moeilijk om werk te vinden. Ik heb voetbalclubs geprobeerd, maar ik heb geen papieren die me toelaten om de professionele selectie voorbij te gaan. Ik moet de gehele tijd liegen, omdat ik niet kan zeggen dat ik nog geen vaste status heb. Dus ik kan geen enkele band van vriendschap op vertrouwen opbouwen. Ik kan niets doen zonder te vrezen, en dat doet pijn !

40


41


Vandaag ben ik 24 jaar en ben ik een wettelijke immigrant. Ik heb een verblijfsvergunning gekregen in september 2005. Ik werk als arbeider in een onderneming van wederopbouw, gespecialiseerd in gevels. Mijn maandelijkse loon is iets van een 1000 euro’s per maand. Als ik alleen was, zou het voldoende zijn om van te leven. Maar, mijn ouders rekenen op mij, dus moet ik spaarzaam zijn om hen toch geld te kunnen verzenden. Ze vragen mij niets. Ik word niet verplicht. Maar, … ik ben naar Europa gekomen als hoofd van de familie en dat betekent dus dat ik in hun behoeften moet voorzien. Mijn dagen zijn lang en vermoeiend. Ik sta om 6 uur ’s ochtends op en ik moest minstens twee uur per dag het openbaar vervoer gebruiken om op mijn werk aan te komen. ’s Avonds heb ik nog slechts één wens: slapen. Ik heb de tijd noch de middel om iets anders te doen. Het is niet echt ideaal om samen te komen en vriendschapsbanden te scheppen. In Kameroen had ik veel vrienden. Ik kende iedereen. Het contrast is een beetje ruw, maar ik wen aan mijn nieuw leven. In het weekend speel ik voetbal met mensen van alle leeftijden in een team van het christelijk centrum. Ik krijg soms het idee om een loopbaan in de sport te beginnen. Ik betreur niets. Mijn keuze was goed. Ik blijf het geloven, zelfs wanneer ik me alleen voel. Ik ben levend in en, sinds ik mijn papieren heb, één met de wet. Ik heb mijn identiteit teruggekregen en ik heb mij een nieuw en echt paspoort laten maken. Mijn rechten van de mens zijn wedergekeerd. Ik ben geen dier meer. Nu wil ik iemand goed worden, een menselijk wezen zoals al die anderen met een normaal leven. Ik zal hoe dan ook de droom van mijn moeder vervuld hebben.

42


43


“ Alles om in Europa te leven. Als ik voor mijn vertrek wist, welke beproevingen ik moest trotseren, dan zou ik nooit vertrokken zijn. Nooit zou ik het een van mijn broers aanbevelen om mijn voorbeeld te volgen.”

Het is in het jaar 2000, door een artikel over het centrum van het Rode Kruis van Sangatte te doen, in het noorden van Frankrijk, dat ik de gevolgen van alle conflicten ben gaan zien waarvan ik getuige was. Bosnië, Kosovo, Afghanistan, Koerdistan, Tsjetsjenië, Somalië,

44


Soedan, Liberië, Sierra Leone… de uittocht van de bevolking. Voor dat, tijdens min verslagen, beperkte ik me tot het kruisen van de mensen, het vastmaken van de gebeurtenis zelf. In Sangatta, de laatste “karavaanplaats” voor talrijke clandestiene migranten voor hun definitieve etappe (Groot-Brittannië), heb ik de tijd genomen. Ik ben regelmatig bij hen, tussen twee verslagen door, soms met nieuws uit hun landen. Ik ben teruggegaan om naar hun verhalen te luisteren over hun trajecten, hun lijden, hun toekomstverlangen. Ik voelde de noodzaak om een naam en een geschiedenis van diegenen op papier te zetten die men anoniem ‘personen zonder papieren’ noemt. Ik wilde het echt, om hun verhaal te begrijpen, en dus heb ik besloten om de route van één onder hen te volgen. Ik maakte kennis met Kingsley in Kameroen ter gelegenheid van dat artikel over clandestiene immigratie. Ik zocht kandidaten voor het vertrek door mijn voornemens uit te leggen. Kingsley was één van de mannen die ik toen heb ontmoet. Twee jaar eerder had hij reeds geprobeerd om in Europa te geraken. Tevergeefs… hij moest terugkeren in Nigeria omdat hij een gebrek aan geld had. Sinds deze mislukte poging had hij flink wat gespaard en verkreeg hij een belangrijke steun bij zijn verwanten. In Frankrijk wachtte zijn beste vriend op hem. Ze werkten samen als badmeester in een Kameroens hotel. Zijn vriend had er een Française ontmoet. Hij trouwde er mee en was meteen wettelijk geëmigreerd. Deze man had beloofd om Kingsley te ontvangen als hij erin slaagde om op Franse bodem te komen. Ik werd gerustgesteld: mijn project was niet het enige element dat zijn vertrek motiveerde. In het begin was het een betrekking gebaseerd op het gemeenschappelijke belang. Iedereen wilde zo ver mogelijk geraken in zijn poging. Wanneer hij me voorstelde om aanwezig te zijn terwijl hij geld vroeg aan zijn vrienden, begreep ik dat ik zijn morele borg was. Later heeft hij me gevraagd om zijn spaarcenten bij te houden, zodat hij niet bestolen zou worden bij de verschillende grensovergangen. Ik heb het aanvaard, op voorwaarde dat, als ik zijn spaargeld bij hield, hij alles zou doen om elkaar terug te vinden wanneer we van elkaar zouden gescheiden zijn. Er kwam een diepe band en een onwankelbaar vertrouwen. Wat wij samen hebben beleefd en het wederzijdse respect dat wij hebben moeten beproeven zal ons nooit meer los laten. Ik geef toe dat ik permanent tussen de rol van waarnemer en acteur zat tijdens dit verhaal. Tot aan de dag dat hij zijn verblijfsvergunning kreeg. Omdat hij mij vertrouwde, stond hij toe om zijn beeld in de kranten te publiceren, terwijl hij nog een clandestiene immigrant was. Ik heb hem uitgelegd dat die mediagebeurtenis hem eventueel zou kunnen helpen om een ‘stevig’ dossier aan te leggen. En het is ook dat, dat zich heeft voorgedaan. Vandaag leeft hij in Frankrijk, zo goed mogelijk. Over de menselijke topprestatie die zo’n rondreis vertegenwoordigt, openbaart zich vaak de dramatisch confrontatie van de verwachtingen met de dagelijkse werkelijkheid van een andere maatschappij. In een tijdperk, waar de verdienste een deugd is die hoog wordt geprezen door de politieke mensen, waar het nemen van risico’s als een standaard waarde wordt aanzien, wil ik door dit verslag de uiterste hardheid en de hoge prijs van zo’n reis aantonen die door vele migranten wordt betaald, in de hoop om een beter bestaan te hebben. Olivier Jobard

45


46

Kingsley  

Dagboek van een immigrant.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you