Page 1

Bijzondere literatuur in beeld Boordevol leesfragmenten, gespreksvragen en auteursinformatie


l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

1


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

2

Inh ou d

4

Brady Udall, De eenzame polygamist

6

• Fragment

20

• Thematiek

22

24

• Gespreksvragen

José Eduardo Agualusa, Het labyrint van Luanda

26

• Fragment

38

• Thematiek

40

• Gespreksvragen 42 Lisa Moore, Februari

44

• Fragment

56

• Thematiek

58

• Gespreksvragen 60 Victor Lodato, Mathilda Savitch

62

• Fragment

72

• Thematiek

74

• Gespreksvragen 76 Carolina Trujillo, De terugkeer van Lupe García

78

• Fragment

90

• Thematiek

92

• Gespreksvragen


Als uitgever begrijp ik als geen ander hoe moeilijk het soms is te kiezen uit het grote aanbod boeken; er wordt zoveel moois geschreven en uitgegeven, dat elke keuze bijna een beslissing wordt iets anders te laten liggen. Ik heb het geluk dat ik daar een dagtaak van kan maken. Maar ik besef dat het voor u, ondanks recensies en aanbevelingen van anderen, soms heel moeilijk moet zijn. In dit boekje vindt u daarom de eerste pagina’s van vijf zeer bijzondere romans. Zo kunt u kennismaken met de getalenteerde auteurs Brady Udall, Lisa Moore, José Eduardo Agualusa, Victor Lodato en Carolina Trujillo. Dan weet u straks zeker dat u niet misgrijpt maar een prachtig leesboek hebt gekozen. Ook vindt u in deze literatuurgids informatie over de thema’s die in deze vijf romans naar voren komen en er staan enkele vragen in om uw leesclub tijdens de bijeenkomsten op weg te helpen. En mocht u nog geen leesclub hebben, dan kunt u er met deze gids in de hand zonder veel moeite eentje oprichten. Want wij geloven bij Uitgeverij Meulenhoff dat lezen wel een individuele ervaring is, maar dat een boek pas écht gaat spreken als het doorleeft in de gesprekken van de lezer – ook nadat de laatste pagina is omgeslagen. Veel lees- en discussieplezier en met vriendelijke groet, Maaike le Noble Uitgever Meulenhoff

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Beste lezer,

3


4

| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


De eenzame polygamist De eenzame polygamist vertelt het tragikomische verhaal van de mormoonse Golden Richards die verstrikt raakt in een affaire en daarmee de toekomst van zijn gezin op het spel zet. Ondanks vier vrouwen en achtentwintig kinderen worstelt hij met gevoelens van eenzaamheid en het verlangen om ergens bij te horen. Brady Udall is schrijver en doceert aan Boise State University. Hij groeide op in een mormoons gezin en was altijd geïntrigeerd door het polygame verleden van zijn familie. Voor dit boek sprak hij met mensen die nog steeds in deze gezinsvorm leven. Eerder schreef hij de verhalenbundel Laat de honden los! en zijn debuutroman De buitensporige lotgevallen van Edgar Mint. ‘Een buitengewoon boek, tegelijkertijd geestig en op een sublieme manier catastrofaal.’ P ublishers ‘Indrukwekkend en aandoenlijk.’ de

Weekly

pers

‘Hoog John Irving- en Big Love-gehalte, amusante zomerverteller.’

J e roen Vullings via Twitter

Oorspronkelijke titel: The Lonely Polygamist | Vertaling: Erica Feberwee | Paperback 624 blz. | Prijs: €19,95 | ISBN 978 90 290 8632 5

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

br a dy udall

5


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

6

br ady u dall

De eenzame polygamist

1 Gezinsavond Om het maar zo eenvoudig mogelijk te zeggen: dit is het verhaal van een polygamist die vreemdgaat. Maar er zit natuurlijk veel meer achter; het leven van een polygamist is allesbehalve simpel, ook als het niet wordt gecompliceerd door leugens, geheimen en ontrouw. Neem bijvoorbeeld die vrijdagavond, ergens in het begin van de lente, toen Golden Richards, na een week van huis te zijn geweest voor zijn werk, het tuinpad op reed van Big House – een van de drie huizen die ‘thuis’ voor hem waren. Het had een lieflijk, onschuldig, huiselijk tafereeltje moeten zijn: een vader die terugkeert in de schoot van zijn gezin, een vader die thuiskomt bij zijn vrouwen en kinderen. Maar wat er ging gebeuren, besefte Golden, terwijl hij over het lange, met grind belegde tuinpad reed, had met ‘lieflijk’ en ‘onschuldig’ niets, maar dan ook niets te maken. Het huis was een baaierd van licht – door elk van de meer dan twintig ramen viel een gele gloed naar buiten – en het lawaai was erger dan hij het zich kon heugen: een heksenketel van geschreeuw waaruit af en toe individuele kreten opstegen, afgewisseld met gejammer en gebons, waarop de herrie dusdanig aanzwol dat de voordeur rammelde in zijn scharnieren en de ramen rinkelden in hun sponningen. Golden wist niet meer wanneer hij voor het laatst met zo’n herrie was thuisgekomen, maar hij herkende die onmiddellijk. Wat hij hoorde, was het geluid van chaos, van verwijten, van beschuldigingen over en weer. Het geluid van problemen.


derdvijftig kilometer gereden, zonder één sanitaire stop, toch kon hij zich er niet toe brengen de motor uit te zetten en zijn handen van het stuur te nemen. De dringende noodzaak om te plassen, grenzend aan mentale marteling, zorgde er uiteindelijk voor dat hij zijn lange lijf achter het stuur van de

gm c

vandaan wurmde. Verbijsterd bleef hij nog even naast de dode stokrozen staan, met zaagsel in zijn haar, zijn ogen tot spleetjes geknepen, terwijl hij met beide handen over zijn pijnlijke achterwerk wreef. Een grote, breedgeschouderde man met knoestige handen en iets vooruitstekende voortanden, wat hij probeerde te maskeren door veelvuldig zijn lippen te tuiten, als iemand die gaat fluiten. Dat tuiten deed hij nu ook, terwijl hij zijn blik over de voortuin liet gaan, die in het bleke, verschoten maanlicht de aanblik bood van een slagveld; in de struiken hingen wanten, sjaals en springtouwen, het hele tuinpad lag bezaaid met parka’s, kapot speelgoed en... nou ja, je kon het zo gek niet bedenken of het lag er, als het residu dat achterblijft na een vloedgolf. Op de gastank was met blauw krijt kloot gekalkt. ‘Tuurlijk!’ mompelde Golden. Behalve dat zijn blaas op knappen stond, was zijn slechte been tijdens de rit naar huis in slaap gevallen. Toen hij het grasveld wilde oversteken, richting de treden die naar de voordeur leiden, leek het alsof hij plotseling gedeeltelijk verlamd was. Zijn been sloeg dubbel, en hij strompelde door één knie gezakt het gras over, de treden op, met een van pijn vertrokken gezicht, balancerend op zijn goede been in een poging overeind te blijven. Struikelend over het rondslingerende speelgoed greep hij blindelings naar de balustrade, om niet onderuit te gaan en van de veranda te vallen. Trekkebenend wist hij de voordeur te bereiken, zich bewust van een gevoel van naderende rampspoed dat zich vertaalde in een stij-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Hè nee!’ verzuchtte hij. En ook al had hij net ruim driehon-

7


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

8

ve nek. Zijn been tintelde pijnlijk, onder zijn voeten trilden de planken van de veranda door de herrie binnen. Naast de voordeur hing een met de hand geschreven bordje: voe te n ve ge n

en Golden schuurde gehoorzaam met de zolen van zijn laarzen over de rubberen mat. Na een paar keer diep inademen door de neus om moed te verzamelen, legde hij zijn hand op de deurknop. Hij kon er echter niet toe komen die om te draaien. Want hij was bang. Hij kon er niet omheen. Hij was bang dat de waarheid – eindelijk – aan het licht was gekomen. Bang dat hij was ontmaskerd als een stiekemerd, als een bedrieger, een leugenaar. In gedachten zag hij zichzelf staan: een man die bang was om zijn eigen huis binnen te gaan. Toen hij zijn overhemd in zijn broek had gestopt, het zaagsel enigszins uit zijn haar had geklopt, een ademfris pepermuntje uit zijn borstzak had gevist en een paar snuiven neusspray had genomen, voelde hij zich iets zekerder van zichzelf. Opnieuw legde hij zijn hand op de deurknop, en hij sloot zijn ogen. ‘Kom op,’ fluisterde hij. ‘Vooruit, lafbek.’ Als iemand die moed verzamelt om in ijskoud water te duiken, duwde hij de deur open. De hitte sloeg hem tegemoet, alsof hij een bakkerij binnenkwam. De schemerige, betegelde hal lag er verlaten bij, maar het water liep hem in de mond bij de verrukkelijke, zoete geur van iets wat in de oven stond – Beverly’s omgekeerde ananastaart, hoopte hij. Langzaam, op zijn hoede stapte hij over de drempel. Na nog een stap bleef hij staan om te luisteren. Boven het geschreeuw en het geluid van stampende voeten kon hij de radio horen en het getokkel van water door de buizen boven zijn hoofd. Normaliter zou er een drom kinderen bij de deur hebben gestaan, die allemaal door elkaar praatten, hem aan zijn kleren trokken en vroegen wat hij voor ze had mee-


hem een verse blauwe plek zien, of een nieuwe korst – Kijk eens! Kijk eens wat ik heb! – en zijn vrouwen hielden zich op de achtergrond, wachtend tot hij tijd voor hen had, allemaal even stralend, allemaal een en al verlangen en aandacht. Maar voor het eerst zolang hij zich kon heugen, was er niemand om hem te begroeten. Hij was alleen, en door die eenzaamheid zonk de moed hem opnieuw in de schoenen. Hij luisterde, in een poging de stemming te peilen, zodat hij wist wat hij kon verwachten. Ergens sloeg een deur dicht. Van boven klonken gedempte stemmen. Hij dwong zichzelf verder te lopen, de donkere hal door naar de grote, lichte woonkamer. Maar hij zou het liefst als een inbreker de achterdeur weer uit zijn geglipt; het liefst zou hij zijn teruggereden naar de grote weg en een kamer hebben genomen in de Apaches Acres Motor Inn, waar hij in alle rust kon plassen en waar hij vervolgens naar huis zou bellen om te zeggen dat hij pech had. Dan zou hij bij het wegrestaurant een stevige maaltijd bestellen – met een flinke lap vlees – en zich daarmee op de bank voor de kleurentelevisie installeren om Starsky en Hutch te kijken. De droom werd echter wreed verstoord, want op dat moment begon de aanval. ‘Dood aan de zombie!’ riep een kinderstem. Iemand greep hem van achteren bij zijn riem, en van beide kanten sloten kleine handen zich om zijn kuiten. Ze kwamen overal vandaan, van achter de banken, van de trap, met z’n tienen, z’n twaalven, ze gebruikten hun hoofd als stormram, ze grepen naar zijn benen, ze haakten hun vingers in de zakken van zijn spijkerbroek, en ze probeerden hem tegen de grond te werken. Herschel, Fig Newton, Ferris, Darling, Jame-o, Louise, Teague. De Tweede Tweeling: Sybil en Deeanne. En de Three Stooges, keffend als

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

gebracht. De kleintjes gingen op hun hoofd staan, of ze lieten

9


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

10

mariachi’s. Wild, bezweet gingen ze hem te lijf, en even dreigde hij te bezwijken onder hun gewicht. Op een andere avond zou Golden het spel misschien hebben meegespeeld, kreunend en steunend als een mummie uit een tekenfilm, maaiend met zijn armen in de gespeelde woede van een ondode, tot hij worstelend, kietelend en zoenend met het hele stel in een kluwen op het tapijt zou zijn beland. Maar daar kon vanavond geen sprake van zijn. Dus hij zette zich uit alle macht schrap en weigerde mee te werken, in de hoop dat ze het zouden opgeven. Maar ze hielden vol, lachend, schreeuwend, elkaar ophitsend. De elfjarige Rusty, die door zijn moeder eufemistisch ‘stevig’ werd genoemd en die te oud werd voor dit soort spelletjes, kwam uit zijn schuilplaats achter de gordijnen tevoorschijn en sprong vanaf de pianokruk op Goldens rug, zodat het niet veel scheelde of die sloeg – met kinderen en al – tegen de grond. ‘Oké!’ bromde Golden. ‘Een beetje rustig aan!’ Er sloeg een plastic samuraizwaard tegen zijn schenen, en hij had het gevoel alsof iemand probeerde een hap uit zijn knieschijf te nemen. Aanvankelijk bood hij geen verzet. Hij stond daar maar en onderging de beproeving als iets wat hij had verdiend. Maar toen Teague, die zich had aangewend om hem zodra hij zijn kans schoon zag in zijn kruis te rammen, daar ook nu weer mee begon, besloot Golden dat het welletjes was. Hij werkte Rusty van zijn schouders en begon de rest van de kinderen een voor een los te wrikken. Er waren er verschillende die zich verzetten, in de veronderstelling dat dit gewoon een volgende fase in het spel was. Er hingen er nog twee of drie aan zijn benen, en er was er een op zijn rug geklommen, die zich vastklampte aan de kraag van zijn overhemd. Pet, met zilverroze vlechten, stond op haar tenen en had haar armen stijf om zijn middel geslagen, waardoor de druk op zijn blaas nog werd versterkt.


gevolg dat een stel anderen toeschoot om haar plaats in te nemen. ‘Genoeg! Au! Hé, ik zei dat het klaar was! Hou op! Allemachtig! Wegwezen! Nu!’ Toen lieten ze eindelijk verbouwereerd los, hun mond viel open van verbazing. Fig Newton was zo verbijsterd dat ze tranen in haar ogen kreeg, alsof ze was geslagen. Alleen Louise, die gedeeltelijk doof was maar haar gehoorapparaat zelden droeg, ging nog even door en bleef aan Goldens laars knagen, grommend als een hond. ‘Oké, jongens!’ bracht Golden hijgend uit, terwijl hij zijn afgezakte broek ophees. Hij schudde Louise af en trok Fig Newton, die nog altijd hartverscheurend huilde, tegen zich aan. ‘Het spijt me, kids. Echt. Maar mijn hoofd staat vanavond niet naar zombies. Een andere keer weer.’ Zuchtend ging hij met zijn hand door zijn haren, en hij probeerde een ontspannen, vrolijk gezicht op te zetten. ‘Poeh poeh! Waar zijn jullie moeders?’ Bij die vraag klaarden de gezichten meteen weer op. Sommigen haalden hun schouders op, anderen schreeuwden: ‘Dat weten we niet!’ waarop ze in groepjes van twee of drie uit elkaar stoven, alweer luid schreeuwend, de meesten op weg naar het circuit, om hun rondjes te hervatten. Bij de bouw van het huis, inmiddels elf jaar geleden, had Golden twee fouten gemaakt: te weinig wc’s en het circuit. Het circuit was simpelweg een fout in het ontwerp. Het huis was gebouwd volgens een standaard grondplan: de keuken in het midden, met daaromheen de formele huiskamer, de grote woonkamer, de eetkamer en de speelkamer, die allemaal met elkaar in verbinding stonden. Hoe had hij kunnen voorzien dat een dergelijke opstelling een soort rotonde zou creëren, een volmaakt ellipsvormig racecircuit, waarover de kinderen eindeloos en

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Oké! Klaar nu! Pas op!’ Golden duwde Pet opzij, met als enige

11


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

12

zonder enig obstakel in het rond konden scheuren? Zo werd Big House het toneel van een onafgebroken wilde achtervolging: kinderen die door de kamers achter elkaar aan sprintten, schuin door de bocht, versnellend op de rechte stukken, almaar voortdenderend, glijdend, stuiterend tegen de muren, en altijd – om onduidelijke reden – tegen de klok in. Soms was alleen al zijn aanwezigheid in Big House genoeg om Golden duizelig te maken. Dan zat hij op zijn vaste plaats in de keuken, met een mok surrogaatkoffie of verdiept in een stapel bouwtekeningen, zonder aandacht te schenken aan de rondcirkelende meute, en dan werd hij ineens zo licht in het hoofd dat hij zich aan de koffiebar moest vastgrijpen om niet van zijn kruk te vallen. Na amper anderhalf jaar was er al een pad van zo’n dertig centimeter breed in het tapijt uitgesleten, helemaal tot op de ondervloer. Daarop had Golden geprobeerd een eind aan het racen te maken, maar hij had net zo goed kunnen proberen de planeten in hun baan te bevriezen. Om de doorstroming te blokkeren zette hij een kleine tweezitsbank voor de deur van de eetkamer, en hij dreigde zelfs de eetkamer volledig af te sluiten als het niet anders kon. Maar Nola en Rose-of-Sharon – de twee vrouwen, tevens zusjes, die dit huis deelden – overtuigden hem ervan dat het racen een zegen was, ondanks het lawaai en ondanks de schade aan de vloerbedekking. Het circuit was voor de kinderen een manier om hun enthousiasme af te reageren, zeiden ze, en dat voorkwam een hoop problemen. ‘Enthousiasme?’ vroeg Golden. ‘Kunnen ze niet gewoon om het huis heen rennen? Buiten? Kinderen horen hun enthousiasme buiten uit te leven. Al dat geren hierbinnen, ik ben als de dood dat de fundering het begeeft.’ Nola zuchtte, zoals zo vaak wanneer ze probeerde Golden iets uit te leggen. ‘Buiten rennen ze ook, maar hierbinnen kun-


samen met haar zuster aan een geboortequilt werkte, knikte instemmend. ‘Hierbinnen kunnen ze niet de weg op rennen, met het risico dat ze onder een veewagen komen of worden ontvoerd door kidnappers.’ En daarmee was de discussie gesloten. Vanaf dat moment gold Big House als een plek waar binnenshuis rennen niet alleen mocht, maar zelfs werd aangemoedigd. Big House stond echter ook bekend als een huis waar een vrije wc moeilijk te vinden was. Golden probeerde eerst de wc bij de achterdeur, maar die was bezet. (Dankzij een dekje op de bril en een dikke stapel catalogi van warenhuizen en postorderbedrijven genoot deze wc een grote populariteit en was hij vaak bezet, zelfs in het holst van de nacht.) Tijdens de bouw had Golden de ruim zeshonderd vierkante meter woonoppervlak al enigszins overdreven gevonden, maar terwijl hij op weg was naar de enige andere wc op de begane grond – helemaal in de andere hoek van het huis – vond hij de afstanden ronduit stuitend. Bij de grote staande klok hield hij even halt om zich te oriënteren. Wanneer je, zoals Golden, in drie verschillende huizen woonde, kon je gemakkelijk in de war raken door kleine dingen zoals de vraag waar de reservelampen werden bewaard, hoe de wekker werkte, of waar de wc’s zich precies bevonden. Een paar weken eerder was hij midden in de nacht wakker geworden, en in de veronderstelling dat hij in Old House was, naar de keuken gelopen – althans, dat dacht hij – om een glas water te halen, met als gevolg dat hij van de trap was gevallen en een spier in zijn lies had verrekt. Na lang nadenken kon hij zich de plek van de wc voor de geest halen – aan het eind van de gang, vlak bij de deur naar de garage – en hij zette zijn tocht voort; door de speelkamer, waar en-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

nen we ze tenminste in de gaten houden.’ Rose-of-Sharon, die

13


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

14

kele van de oudere jongens bezig waren de natuurstenen haard te beklimmen, helemaal naar het drie meter hoge plafond, terwijl aan de voet daarvan de Three Stooges – Martin, Boo en Wayne – kungfuposities oefenden en elkaar met de kartonnen kokers van cadeaupapier op het hoofd sloegen; langs de formele woonkamer, waar Pauline en Novella in kleermakerszit op de grond zaten en fluisterend geheimen uitwisselden, gillend om iets wat op een velletje uit een notitieblok was geschreven; en langs de eetkamer, waar een met aluminiumfolie afgedekt bord nadrukkelijk aan het hoofd van de enorme, uit drie delen bestaande tafel was gezet. Een van de spotjes aan het plafond was er nadrukkelijk op gericht, zodat het eruitzag als een zorgvuldig uitgelicht kunstvoorwerp in een museum. Het bord was een teken, wist Golden; een boodschap. Je bent te laat, luidde die boodschap. Het avondeten is allang geweest, en we hebben weer eens zonder jou gegeten. Dit was het soort verwijt dat hij de laatste tijd steeds vaker kreeg. Het ging al twee jaar niet goed met zijn bouwbedrijf, vandaar dat hij zich genoodzaakt zag opdrachten aan te nemen die steeds verder van huis lagen,met als gevolg dat er nóg minder tijd overbleef voor het gezin. Voor zijn huidige karwei, meer dan driehonderd kilometer van huis, in Nye County, Nevada, was hij vaak dagenlang weg, soms zelfs een hele week, en wanneer hij dan een van zijn huizen binnenliep, voelde hij zich meer dan ooit een vreemdeling; een buitenstaander, onbekend met de geldende regels en de gebruikelijke gang van zaken. Door die avond te laat thuis te zijn voor het eten, had hij een bijzonder ernstige fout begaan. Het was Gezinsavond, de enige avond in de week waarop het hele gezin bijeenkwam in Big House (het enige huis dat plaats bood aan alle tweeëndertig gezinsleden), om samen te eten, uit de Bijbel te lezen, te zingen


werden ze bovendien getrakteerd op citroenrepen of ijs met chocoladesnippers. Golden twijfelde er niet aan of de vrouwen hadden uitvoerig gekookt, het huis schoongemaakt en iets bijzonders voorbereid, en daarna was het wachten begonnen. Het wachten op een echtgenoot en vader die er zelden was en die er een gewoonte van had gemaakt zijn gezin te laten wachten. En zoals de laatste tijd steeds vaker gebeurde, waren ze uiteindelijk zonder hem gaan eten. Op dat moment kwam de kleine Ferris voorbijrennen, in zijn blote billen en blijkbaar hersteld van zijn vaders uitbarsting bij thuiskomst. Een van zijn zussen riep hem na. ‘Ferris heeft zijn broek weer eens uitgetrokken!’ Als om dat te bevestigen voerde Ferris een uitgelaten dansje uit, wiegend met zijn heupen op een manier die gewaagd kon worden genoemd, zeker voor een kind van vier. Hij jubelde er vrolijk bij. ‘Tra, la, la!’ Omdat hij volledig opging in het genieten van zijn eigen naaktheid, had hij Golden helemaal niet in de gaten terwijl hij gelukzalig met zijn achterwerk langs de grenen lambrisering wreef en vervolgens naar de andere kant van de kamer danste en zijn onderlijf tegen een grote potplant drukte. Pas toen Novella verscheen en dreigde dat ze alles aan zijn moeder zou vertellen, galoppeerde hij weg over het circuit, waarbij hij zichzelf naar hartenlust op zijn billen sloeg. Toen hij weer alleen was, keek Golden weer naar het bord op de tafel. Ondanks alles kon hij de verleiding niet weerstaan. Hij tilde de folie op en haalde er voorzichtig een gegrilde kippenvleugel onder vandaan, waar hij schuldbewust op begon te knabbelen terwijl hij de gang door sloop. Toen hij de hoek om kwam stuitte hij op de mollige, altijd zweterige Clifton die

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

en spelletjes te doen. Als de kinderen zich wisten te gedragen,

15


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

16

ritmisch tegen de deur van de wc trapte, zichzelf begeleidend met een klaaglijk gescandeerd: ‘Doe open, doe open, ik moet zo nodig! Doe open, doe open, ik moet zo nodig!’ Toen hij Golden zag, jammerde hij: ‘Gaan we nog iets doen aan die meiden hier in huis? Wat doen ze daar toch de hele tijd? Nou? Stelletje rotwijven!’ Golden leunde verslagen tegen de muur. Clifton had gelijk, de meisjes hielden de wc’s en de badkamers veel te lang bezet. Zelfs al voordat ze in de puberteit raakten, hadden ze soms een half uur nodig om aan hun kleren te frunniken, hun haar te doen en allerlei andere geheimzinnige behandelingen uit te voeren waar de jongens alleen maar naar konden gissen. En wanneer een wc of een badkamer eindelijk vrijkwam, waren zij er altijd als eersten bij, alsof ze er een geheim informatienetwerk op na hielden, waar de jongens – die het gebruik van de wc slechts als een ergernis beschouwden – niet op waren aangesloten. Golden had oprecht medelijden met Clifton moeten hebben, maar onder de huidige omstandigheden voelde hij alleen maar ergernis, omdat het kind hem vóór was. Begeleid door een soort onweersgeluiden van kinderen die recht boven zijn hoofd van hun stapelbedden sprongen, hoorde hij het geratel van een naaimachine, en toen hij zich omdraaide, werd hij geconfronteerd met een aanblik die hem de moed in de schoenen deed zinken: Beverly, zijn eerste vrouw, was in de rommelkamer aan het eind van de gang druk in de weer met een lange lap doorschijnende stof. In tergende slow motion probeerde Golden een stap achteruit te doen in de hoop dat ze hem niet zou zien, maar net toen hij uit haar gezichtsveld zou verdwijnen, keek ze op, en hij verstarde. Zonder een woord te zeggen richtte ze haar aandacht weer op haar naaiwerk. Tot op dat moment was hij ervan overtuigd geweest dat alle


over zijn lot te beslissen, grimmig het bewijsmateriaal tegen hem analyserend, verenigd in hun verlangen hem te laten boeten voor zijn leugens en zijn wangedrag. Maar nu hij Beverly hier alleen aantrof, wist Golden niet wat hij daarvan moest denken. Was dat slecht nieuws, of juist een positieve ontwikkeling? Misschien was het vrouwenberaad al voorbij en hadden zijn echtgenotes zich in verschillende delen van het huis teruggetrokken. Of misschien was er helemaal geen beraad geweest en broeide er iets anders; iets waar hij alleen maar naar kon gissen. Op dat moment stond zijn hoofd echter absoluut niet naar raadsels. Het enige wat hij voelde, was dankbaarheid omdat hij bijtijds de wc had weten te vinden. Kijkend naar Beverly probeerde hij iets af te leiden uit haar houding. Tevergeefs. Ze zat met een kaarsrechte rug, haar ellebogen tegen haar lichaam. Zelfs op haar meest ontspannen en zorgeloze momenten zakte ze niet onderuit. Lummelen of treuzelen kwam in haar woordenboek niet voor, en het was ondenkbaar dat ze zichzelf zou toestaan het er eens lekker van te nemen. Wanneer ze sliep, lag ze met haar hoofd keurig recht op het kussen, haar handen gevouwen op de dekens, alsof ze poseerde voor een matrassenreclame. Met zijn dijen tegen elkaar geknepen om niet in zijn broek te plassen, hobbelde Golden de gang door. Bij de rommelkamer gekomen leunde hij tegen de deurlijst, in een wanhopige poging er nonchalant uit te zien. Ineens drong het tot hem door dat hij een half verorberde kippenvleugel in zijn hand hield. In een vlaag van paniek stopte hij die in zijn zak. ‘Hé, hallo!’ Hij stak zijn hand op, alsof ze werden gescheiden door een glazen wand. Om boven de naaimachine en de zoveelste uitbarsting in het geruzie in de woonkamer uit te komen,

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

vrouwen zich boven hadden verzameld, waar ze bezig waren

17


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

18

verhief hij zijn stem. ‘Sorry dat ik zo laat ben! Die verdraaide betonwagen kwam pas om vier uur!’ Ze haalde vluchtig, nauwelijks merkbaar, haar schouders op en ging door met naaien. Toen hij een stap in haar richting deed, had hij het gevoel alsof de temperatuur op slag daalde. Beverly was een vrouw wier stemmingen rechtstreeks hun weerslag hadden op de sfeer in huis. Het leek wel alsof ze alles onder controle had, zelfs het weer. Haar sexy, staalgrijze haar hield ze in bedwang met een verzameling speldjes, klemmen en schuifjes. Vanavond droeg ze het, zoals gebruikelijk, opgestoken in een knot, met moeite bedwongen door wat eruitzag als een miniatuurwapenarsenaal. Pas toen ze de hele lap had gezoomd, stond ze op om hem plichtmatig op zijn wang te kussen en te zeggen dat zijn eten op tafel stond. Vervolgens ging ze weer zitten en inspecteerde ze de zoom bij het licht van het naaimachinelampje. ‘Hoe was de rit?’ vroeg ze. ‘Lang. Zoals altijd! Misschien zou ik mijn pick-up moeten ruilen voor Elwins oude sproeivliegtuigje. Als ik dan de hele weg naar huis salto’s maak, blijf ik tenminste wakker.’ Achter hem in de gang trapte Clifton voor de zoveelste keer tegen de wc-deur. ‘Ik hou het niet meer!’ jammerde hij. ‘Ik hóú het niet meer!’ Beverly knikte, maar keek niet op. Onder andere omstandigheden zou hij hebben gewacht tot ze uit zichzelf iets zei, maar Clifton was niet de enige die de dood in de ogen zag. ‘Ik eh... Is er... Is er iets?’ ‘Er is altijd iets, Golden. Er is hier altijd een heleboel.’ ‘O, nou, eh... Het eh... Het lijkt allemaal een beetje... een gekkenhuis.’ ‘Tja, dat is het hier nou eenmaal. Dat weet je toch?’


of... Hoe moet ik het zeggen...’ Toen keek Beverly hem eindelijk recht aan. Zijn lippen bewogen terwijl hij zocht naar het juiste woord. Dat was iets waar hij altijd moeite mee had – het vinden van het juiste woord –, maar wanneer hij zich onder druk gezet voelde, zoals nu, kwam hij er helemaal niet meer uit. ‘... alsof er iets uit het lood is,’ zei hij ten slotte. ‘Uit het lood.’ Ze herhaalde het langzaam, zorgvuldig, keek hem nog even aan en wijdde zich toen weer aan haar werk. ‘Oké, uit het lood. Je hebt gelijk. Er is iets uit het lood. Sterker nog, er is een heleboel uit het lood. Die hond van je, bijvoorbeeld. Die vond het nodig om voor de derde keer in twee weken in mijn schoenen te plassen.’ ‘Cooter?’ ‘Cooter, ja. Of heb je soms nóg een hond, waar ik niets van weet? Ik heb hem opgesloten in de bezemkast, en als hij daar ook piest, geef ik hem aan de buren. Dan kunnen ze hem als schietschijf gebruiken.’ Golden voelde een sprankje hoop. Zou dat het zijn?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Nee, het is anders. Niet het gewone gekkenhuis. Het lijkt als-

19


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

20

Brady Udall De eenzame polygamist Th ematie k De eenzame polygamist heeft als hoofdthema de eenzaamheid. Ieder mens is in wezen alleen, ook de hoofdpersoon Golden, die vier vrouwen en achtentwintig kinderen heeft. Als Golden nog een vrouw tegenkomt en daar verliefd op wordt, blijkt hoe groot die eenzaamheid is en staat zijn leven op instorten. Alles wat vast en onwrikbaar leek, komt op losse schroeven te staan. Hij wordt gedwongen de balans van zijn leven op te maken en voor het eerst in lange tijd moet hij goed in de spiegel kijken. In eerste instantie reageert hij met vluchtgedrag; hij is zo weinig mogelijk thuis en laat zijn vrouwen alle huiselijke problemen oplossen. Maar hij ontdekt dat hij zijn problemen niet geheel kan ontlopen. Ook de liefde speelt een belangrijke rol in het boek. Golden denkt dat zijn vrouwen hem niet echt kennen en begrijpen, en gaat daarom steeds weer op zoek naar een nieuwe liefde die hem wel zou kunnen begrijpen. Maar hij maakt zijn leven juist ondoorzichtiger door meer vrouwen te trouwen en kinderen te verwekken. Vreemde machtsverhoudingen, jaloezie, praktische beslommeringen en een gebrek aan eerlijke communicatie zorgen voor toenemende chaos. De lezer ziet dat behalve Golden ook zijn vrouwen, die zowel zusters als rivalen van elkaar zijn, lijden onder gevoelens van eenzaamheid. Ze proberen van Golden zo veel mogelijk aandacht te krijgen, en doen hiervoor soms dingen


voorbeeld om Golden oraal te bevredigen en neemt ze hiervoor eerst kauwgom omdat ze heeft gelezen dat dit extra genot zou geven. Het kauwgom raakt zonder dat Golden dit merkt verstrikt in zijn schaamhaar, wat hem dagenlang in verwarring brengt. De kauwgomklont en de bijbehorende ontreddering wordt daarmee een symbool voor de algemene chaos waaraan Golden ten prooi valt. De verschillende huizen die Golden bezit zijn ook een terugkerend motief in de roman. Zijn vier vrouwen wonen niet allemaal in ĂŠĂŠn huis en ze hebben daarom een systeem opgezet om hun kinderen onderling uit te wisselen zodat die elkaar ook goed leren kennen. Maar het tegenovergestelde is het resultaat. Er is onbegrip bij de kinderen over deze oplossing en ze maken vaak ruzie. Als dan ook een huis dat Golden verhuurt letterlijk uit elkaar valt, zien we zijn hele bestaan in elkaar storten. Hij kan er nog net op tijd voor zorgen dat het geheel gestut wordt. Naast de huiselijke beslommeringen die langzaam hun kookpunt bereiken loopt Golden vast in zijn rouwproces na de dood van zijn gehandicapte dochter. Hij neemt het zichzelf kwalijk dat ze verongelukt is en sluit in zijn verdriet zijn andere kinderen buiten. Zo heeft hij bijvoorbeeld weinig oog voor Rusty, die wanhopig om aandacht vraagt en steeds extremere dingen doet om die van Golden te krijgen. In die zin lijken vader en zoon misschien zelfs op elkaar, al kiezen ze ieder voor een andere methode om die aandacht te krijgen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

die ze nooit hadden gedacht te doen. Zo probeert Trish bij-

21


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

22

Ge s p r e k s v r age n 1 Hoe is de verhouding tussen de vrouwen onderling

en hun relatie met Golden? Veranderen deze verhou-

dingen? 2 Waarom besluit Trish niet mee te gaan met June en

bij Golden te blijven?

3 Hoe staat u tegenover polygamie en ‘het principe’

van de polygamisten in deze roman? Heeft deze roman uw ideeën over polygamie veranderd?

4 Rusty wordt gezien als een lastig kind. Wat is de rol

van Rusty in dit verhaal? In hoeverre heeft zijn geschiedenis raakvlakken met die van June en Golden?

5 Rose leest graag ongecompliceerde romans: ‘Rose las

omdat ze wilde weten hoe anderen leefden’ (p. 360). Waarom leest u?


lopen van zijn problemen. ‘Ik weet uit ervaring dat je beter kunt proberen je problemen op één plek te

houden’ (p. 471). In hoeverre slaagt Golden hierin, volgens u? 7 Golden noemt de woorden ‘ik hou van je’ ‘potentieel

destabiliserende woorden’ (p. 521). Waarom zou hij

dit vinden? Hoe denken de andere personages over de liefde? 8 Waarom vertelt Golden niet aan welk project hij

werkt? Wat zegt dit over zijn karakter?

9 In welke tijd speelt de roman zich af en hoe weet u

dit? Had het verhaal zich ook in een andere tijd kunnen afspelen? Waarom (niet)?

10 Waarom trouwt Golden niet met Huila? Waarom

kiest hij voor Maureen?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

6 Nestor waarschuwt Golden dat hij niet moet weg-

23


24 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Het labyrint van Luanda In Het labyrint van Luanda belandt de lezer in het jaar 2020 in het van corruptie doordrenkte land Angola. In de hoofdstad Luanda is, in de nadagen van een dictatoriale regime, een bizarre smeltkroes ontstaan van extreme armoede, donkere bezweringsrituelen en luxe penthouses. De hoofdpersoon Bartolomeu Falcato is documentairemaker en schrijver en aan de hand van zijn werk en ervaringen zien we hoe de bewoners van deze stad grip proberen te krijgen op het verleden en het heden. José Eduardo Agualusa (1960) werd geboren in Angola en woont afwisselend in Lissabon en Rio de Janeiro. In 2007 won hij met De handelaar in verledens als eerste Afrikaan de Independent Foreign Fiction Prize. ‘Agualusa triomfeert met zijn speelse geest en zijn aanstekelijke vertelplezier.’ Het

Paroo l

‘Agualusa weet vernuftig vertelkunst en fantasie te combineren.’ NRC

Ha n d el sblad

‘Agualusa geldt als een van de coming young men van de Portugeestalige literatuur. Hij schrijft een uiterst elegant proza.’ Tro u w

Oorspronkelijke titel: Barroco Tropical | Vertaling: Harrie Lemmens Paperback 288 blz. | Prijs: €19,95 | ISBN 978 90 290 8637 0

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Jo s é E dua r do Ag ual u sa

25


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

26

José E dua r do Ag ual u sa

Het labyrint van Luanda

i e e n vrou w valt u i t d e lu ch t.

Ik telde het aantal seconden tussen de bliksemflits en de donderslag – één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven. Dat vermenigvuldigde ik vervolgens met 340, de snelheid van het geluid in meters per seconde, om uit te rekenen waar de bliksem was ingeslagen: op 2 kilometer en 380 meter. Ik rekende ook de tweede, derde en vierde flits uit. Het onweer kwam razendsnel dichterbij. Een halve tel voordat de hemel opengereten werd, wist ik waar de vijfde bliksemschicht zou inslaan. Kianda was ongeveer 100 meter van de auto waarin ik zat, ze liep almaar verder, als op een podium, voortgeduwd door het licht. Haar schoenen zonken weg in de aarde, glimmend rood op dof rood. In de verte wiegden palmen. Nog verder weg rees het stevige silhouet van een baobab op. Kianda liep kaarsrecht, met haar gezicht omhoog, haar mooie handen met de smalle, erg lange vingers op haar borst gevouwen. Het licht was een dichte, bijna vloeibare goudkleurige substantie waaraan dorre bladeren, papiersnippers en het fijne vuurrode stof plakten, dingen die de wind optilde met zijn kromme armen. Mijn liefste bleef maar doorlopen naar de zwarte massa van de wolken. Ik moest denken aan de woorden waarmee een beroemde muziekcriticus, een ietwat excentrieke oude Brit, haar succes had proberen te verklaren: ‘Wat je als eerste bij haar pakt, is het contrast tussen de breekbaarheid van haar merkwaardig hoekige, merkwaardig sierlijke silhouet en de trotse felheid van haar blik. Haar machtige en verfijnde stem. Je krijgt tege-


Kianda stapte in de regenzone. Haar lichte zijden jurk, van een extreem fel rood, plakte op haar huid en veranderde van kleur, werd donkerder, bijna purper. Door de laag uitgesneden rug waren de twee vleugels te zien die Kianda ooit in Japan had laten tatoeëren. Ik vind ze altijd weer indrukwekkend, hoe goed ik ze ook ken, vanwege de gedetailleerdheid van de veren en de trompel’oeiltechniek die de schijn van reliëf wekt. De vleugels bewogen op het ritme van haar ademhaling. Haar wilde vlammende haren, die zo veel vrouwen proberen na te bootsen, werden gedoofd, verloren glans en volume terwijl ze over de robuuste tekening van haar schouders vielen. Ik duwde het portier open en stapte uit de auto, een oude, diepgele Chrysler, een collector’s item. De natte wind striemde mijn gezicht. Ik riep haar naam boven het rommelen van het onweer uit. Kianda draaide zich om en keek op hetzelfde moment stomverbaasd omhoog. (Nu ik dit herlees, besef ik dat het net het scenario van een reclamespot lijkt. Dit is dan het moment waarop het flesje parfum in beeld zou moeten verschijnen. Het zou een passende naam moeten hebben, zoiets als La Tempête. Maar nee hoor. Hier verandert de film.) Ik volgde de blik van Kianda en zag een vrouw uit de lucht vallen. Ze viel – zwart, naakt, armen gespreid – bijna tegelijk met de bliksem. Door die bliksem spatte de baobab uiteen. Jaren geleden heeft een meteoroloog me uitgelegd dat de bliksem bomen kan laten ontploffen door een plotselinge verhitting van het sap te veroorzaken. De vrouw stortte niet ver van de auto

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

lijk zin om haar te beschermen en haar een pak slaag te geven.’

27


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

28

neer in het hoge gras. Ik rende erheen. Haar lichaam was diep weggezakt in de modder. Haar hoofd lag achterover. Ik herkende die open, inktzwarte ogen, nog vol licht, en deinsde verbijsterd terug. Ik liet niet toe dat Kianda haar zag. ‘Kom, we gaan!’ ‘Wat?! En zij dan?’ ‘Ze is dood, schat! Voor haar maakt het niets meer uit. Wou je de politie bellen?’ ‘Nee, nee! De politie niet. Niemand. Ik wil niemand bellen. Je weet donders goed dat we niet samen gezien mogen worden.’ Ik sloeg mijn arm om haar heen. Kianda beefde. Ik bracht haar naar de auto, hielp haar instappen en reed zwijgend terug naar Luanda. Toen we aankwamen, was de avond nog niet neergedaald over de stad. Ik parkeerde de auto op twee woonblokken van haar flat. Daarna boog ik naar rechts om haar te kussen. Kianda draaide haar gezicht weg. ‘Nee! Nooit meer.’ Ik stapte uit. Zij ging achter het stuur zitten, startte de auto en reed weg. Ik hield een taxi aan. Jarenlang zijn er geen individuele taxi’s geweest in Luanda; er reden alleen collectieve taxi’s, de zogenaamde candongueiros, kleine busjes bestemd voor het volk. (Het Volk, of Zij, zo noemen wij, de rijken of de bijna-rijken in Angola, degenen die niets hebben. Degenen die niets hebben vormen de verpletterende meerderheid van de inwoners van dit land.) De taxichauffeur was een dikke Congolees1. Zijn spekgladde gezicht glom als een spiegel in het koperen licht van het eind van de dag. Congolees: de voor de oorlog naar Congo gevluchte Angolezen die later terugkeerden naar hun land, worden Congolezen genoemd. (noot vert.)

1


‘Weet ik niet,’ bekende ik met een matte stem. Door de Angst kon ik niet denken. ‘Rij maar ergens heen.’ Opnieuw die grijns. ‘Komt voor mekaar.’ Een half uur later zette hij me af voor een klein café. Ik keek naar de flikkerende lichtreclame boven de deur: ‘De Griekse Trots’. De grijns van de taxichauffeur had nu de omvang van de wereld. ‘Gaat u hier maar naar binnen en vraag naar Mãe Mocinha. Zij kan u zeggen waar u heen moet. Ze vergist zich nooit.’ (De vrouw van de val, vijf dagen eerder.) Ik zag haar meteen toen ik bij de boarding-gate aankwam. De vrouw zag mij ook. Ze fixeerde me met het meedogenloze licht uit haar grote zwarte ogen, en ze deed dat zo fel dat ik mijn ogen neersloeg. Toen ik weer opkeek, zat ze nog steeds op een van de stoelen, kaarsrecht, met de elegante trots van een Ethiopische prinses. Ze droeg een bontjas van een archaïsche luxe en een zwarte broek met wijd uitlopende pijpen. Ik ging twee stoelen achter haar zitten, om te ontsnappen aan die blik en haar op mijn gemak te kunnen bekijken. Wie zou die vrouw zijn? Of liever – wát zou ze zijn? Ik begon me verschillende mogelijkheden voor te stellen: ongetwijfeld van goeden huize, uit een oude familie van Luanda of Benguela. Een van haar grootvaders was waarschijnlijk ambtenaar geweest bij het koloniale bestuur. Haar vader bureaucraat in dienst van de president, of misschien ook een welvarende ondernemer, een generaal die een bedrijf had gesticht voor het opruimen van mijnen. Zelf had ze gestudeerd in Lissabon en Londen of New York. Eventueel Lissabon, Londen én New York. De manier waarop ze

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Hij keek me aan met een brede grijns. ‘Waarheen, paizinho?’

29


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

30

gekleed was, duidde op een smaak die indruiste tegen de huidige ecologische normen. Misschien vond ze het wel leuk om te provoceren, of had ze zo veel geld dat ze zich verheven voelde boven het oordeel van de massa. Wie het ook mocht zijn, ik wist zeker dat ik haar nooit eerder had gezien. Ik dacht aan een van de Twaalf zwerfverhalen van Gabriel García Márquez, ‘Het vliegtuig van de schone slaapster’. In dat verhaal beschrijft de Colombiaanse schrijver een reis die hij maakte naast de mooiste vrouw van de wereld, die niet één keer met hem praatte. Ik vlieg veel, bijna elke maand, en ik kan me niet herinneren dat ik ooit het geluk heb gehad naast een mooie vrouw te zitten. Ik denk dat de vliegtuigmaatschappijen instructies hebben om geen knappe vrouwen naast mannen te plaatsen, en dan bedoel ik alle soorten mannen, met uitzondering van priesters en heren van een respectabele leeftijd. Toen er werd omgeroepen dat we aan boord konden, wachtte ik tot de vrouw opstond voordat ik me aansloot in de rij. Tot mijn verrassing draaide ze zich om, stak haar rechterwijsvinger uit en vroeg: ‘Ben jij Bartolomeu Falcato?’ ‘Meestal wel ja,’ antwoordde ik, terwijl ik koortsachtig zocht naar een kwinkslag, een luchtige opmerking, iets waardoor ik weer op adem kon komen en mijn aplomb terug kon krijgen. ‘Maar ik ben bereid om degene te zijn die u wilt dat ik ben, wanneer en waar u maar wilt.’ Oké, dat had wel wat origineler gekund, maar ze leek niet gekrenkt door mijn sulligheid. ‘Ik heet Núbia,’ zei ze veel te hard. ‘Ik wist dat we elkaar ooit zouden ontmoeten, in Lissabon, Luanda of waar dan ook. Dat wist ik zeker.’ Ik durfde niet te vragen waarom ze dat zo zeker wist. In plaats daarvan vroeg ik wat ze deed. Ze glimlachte ontwijkend. Meteen


in het vliegtuig. Ze zat een paar rijen voor me. De stoel naast mij was vrij. Núbia merkte het en kwam naar me toe. Ze trok haar bontjas uit en legde die in de bagageruimte. Onder die jas droeg ze een eenvoudige maar elegante witte blouse, die grote, stevige borsten verried. Daarna opende ze een rood plastic koffertje, haalde daar een stapel tijdschriften uit en legde die op mijn schoot. ‘Hier, dan kun je me wat beter leren kennen.’ De bladen hadden namen als Cacao, Tropical, De Afrikaanse Vrouw, Koppen en Kleuren. Núbia stond op alle omslagen. Op het eerste gekleed als bruid, terwijl ze een lange wenteltrap afdaalde. Op het tweede poseerde ze in bikini, liggend op haar rug op een badhanddoek, tegen een achtergrond van rotsen en een smaragdgroene zee. Op het derde droeg ze slechts een korte spijkerbroek en lachte ze, een mooie jonge schaterlach, terwijl ze met beide handen haar borsten probeerde te bedekken. ‘Jee!’ zuchtte ik verbluft. ‘Dus u bent fotomodel...’ ‘Tien jaar geleden was ik Miss Angola. Daarna ben ik een carrière begonnen als fotomodel. Ik heb ook een talkshow gehad.’ ‘Nu niet meer?’ ‘Nee, ze hebben me monddood gemaakt! Ze willen niet dat ik praat!’ Ze trok de tijdschriften uit mijn handen en verving ze door een dik fotoalbum, dat ze zelf opensloeg. Op de eerste foto was een defilé van missen te zien. Núbia verscheen op de foto’s die daarna kwamen steeds met dezelfde glimlach. Naast de Angolese presidente en haar man. Naast een beroemde voetballer. Naast een filmactrice. Met haar armen om de nek van een steenrijke Amerikaanse ondernemer. Arm in arm met twee steenrijke Angolese ondernemers. Op schoot bij een bekende wapensmokkelaar. Op het enorme presidentiële jacht. Ik wees naar een foto

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

daarna riep iemand haar, ze liep weg en ik zag haar pas weer

31


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

32

van haar waar ze op een paard zat. Iets verder naar achteren was, eveneens te paard, een elegante man met snor en sikje te zien. Zijn gezicht kwam me bekend voor. ‘En wie is dit?’ ‘Dat is de minnaar van mevrouw de presidente!’ ‘Wat?!’ Ze negeerde mijn verbijstering. Ging door met haar foto’s. Steeds enthousiaster. Ze praatte bijna zonder adem te halen, een stortvloed van woorden terwijl haar accent veranderde. Achter de ietwat klaaglijke, soepele uitspraak die zo kenmerkend is voor de Luandese bourgeoisie, werd nu een andere uitspraak hoorbaar, ruimer, voller en rustieker. Het was alsof een tweede vrouw, een vrouw uit het volk, uit de eerste vrouw – de valse – probeerde te treden, niet als een vlinder die uit de pop breekt, maar als een rups die uit een vlinder breekt. Ik vroeg haar naar haar familienaam. Ze glimlachte om te laten zien dat ze mijn bedoeling doorhad. ‘Mijn familie was heel arm. Ik kon niet eens Portugees praten. Ik praatte slecht. Deze vrouw hier heeft me leren praten.’ Ze wees naar de presidente op een van de foto’s. Een korte schaterlach. ‘Wat een slet! Ze keek altijd als haar man het met me deed. Weet je wat ze me dwongen te doen? Nee, natuurlijk weet je dat niet. Dat weet niemand. Mij en de andere meisjes. Orgieën met belangrijke lui. Drugs...’ ‘Dat meen je niet!’ ‘O jawel, ik heb een hoop drugs uitgeprobeerd. Hasj. Heroïne. Coke. Doe ik niet meer. Ik mag geen drugs nemen van God...’ ‘Van God?!’ ‘Van God ja.’ Ze liet haar stem zakken. Bracht haar zoete lippen naar mijn oor. ‘Weet je dat God is gezien op de kustweg? Lopend. God praat met mij. Een keer liet hij me een van jouw boeken


het gekocht.’ ‘En heb je het ook gelezen?’ ‘Ja, maar ik snapte er niks van. Ik heb het gelezen omdat God tegen me had gezegd: “Bereid je voor, kind. Jij bent Núbia, de hoer, en je bent Maria, de heilige. Gezegend zij de vlucht uit je schoot.” Hij zei dat omdat ik zwanger word, de wereld een nieuwe Verlosser zal geven...’ Ik staarde haar verbluft en verschrikt aan. ‘En wie moet de vader worden?’ Núbia keek licht gechoqueerd. ‘De vader?! Jij natuurlijk. Dat heeft God me geopenbaard. Jij wordt mijn Jozef.’ ‘En hoe zal onze zoon heten?’ ‘Emmanuel uiteraard.’ Toen de zaak daarmee was afgehandeld, begon ze me te vertellen dat ze jarenlang een jongen was geweest. Intussen waren de lichten in het vliegtuig uitgegaan. Het was na middernacht. Buiten brandden de sterren in stilte. ‘Toen ik een jongen was, neukte ik met mevrouw de presidente...’ Ik luisterde al niet meer. Ik had koppijn. De slaap nam bezit van mijn bewustzijn, als een verduistering in de stad, lang geleden, ten tijde van de oorlog, eerst een wijk en daarna alle andere. Uitgestrekte gebieden die in de afgrond verdwenen. Tegelijkertijd doken er losse beelden op uit god weet welke verborgen oceaan, ergens uit het diepst van mijn hersenen: ik aan het kussen met Laurentina, mijn moeder aan het dansen in een roze jurk, een dode hond op de stoep met doorgesneden keel. Ik worstelde wanhopig om boven te blijven. Ten slotte viel ik in slaap; tenminste, ik neem aan dat ik heb geslapen, want ik herinner me dat ik naakt over een strand rende naast Núbia, tot ik ineens

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

zien. De dag daarop ben ik naar een boekhandel gegaan en heb

33


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

34

mijn ogen opendeed en ik haar over me heen gebogen zag. Haar blouse hing open en ik zag haar beha. Daar, in die snelle nacht op 11.000 meter hoogte, leek ze me een onbetwistbare godheid. Een moderne versie (wel heel modern, dat zeker) van de Moeder van de Verlosser. Ik vroeg slaapdronken: ‘Wat ben jij aan het doen?!’ ‘Ik trek mijn blouse uit. We gaan vrijen.’ ‘Hier?!’ ‘Ja, wacht even, dan doe ik mijn broek uit.’ ‘Niks daarvan. En je knoopt je blouse weer dicht.’ ‘Vind je me niet mooi?’ ‘Jawel, heel mooi, maar ik vind ook dat je raar doet. Je moet maar eens met een psycholoog gaan praten.’ ‘Ik praat liever met God. Wat kan een psycholoog mij nou vertellen dat God me niet zou vertellen?’ Daar had ik niet van terug. Núbia vatte mijn zwijgen op als teken van instemming. Ze voegde er op spottende toon aan toe: ‘Wil je soms dat ik ga praten met Barbara Dulce? Die is toch psychologe?’ ‘Barbara?! Barbara is psychoanalytica. Ze doet research. Is gespecialiseerd in slaapstoornissen. In dromen. Waar ken jij mijn vrouw van?’ ‘Ik weet alles van je...’ Dat deed ze gelukkig niet. Ze wist niet eens mijn telefoonnummer. Ik gaf haar een fout nummer, maar ik bewaarde dat van haar. We namen met een vluchtige zoen afscheid van elkaar in de rij voor de douane. Ik beloofde haar te bellen, drong erop aan dat ze rust moest nemen en maakte me uit de voeten. Barbara Dulce stond buiten op me te wachten en ik wilde geen schandaal. Mãe Mocinha nam me door een smalle gang naast de bar mee naar een smaragdgroen geschilderd kamertje. Ze raadde me aan


koud. Van wat ze daarna zei – met een stem die ze ik weet niet van wie had gestolen – werd ik wel behoorlijk ongerust. Vervolgens viel ze met haar hoofd op haar borst in slaap in een oude leunstoel. Ik liep terug naar het café. Net toen ik weg wilde gaan uit De Griekse Trots, begon mijn mobiel te blaffen. (Ja, mijn mobiel blaft. Carla, mijn middelste dochter, heeft de oude beltoon, een discreet rinkelen, old fashion, vervangen door woest geblaf. Als ik wat te lang wacht met opnemen, wordt het toestel woedend – of liever, de hond die erin zit. Dat is een keer gebeurd toen ik buiten was, en toen kwam ervanuit het niets een huilende en blaffende straathond op me afstormen. Ik moest als een inbreker wegrennen met een hond in mijn jaszak en een andere achter me aan, die naar mijn hielen hapte. Ik heb geprobeerd om het oude geluid terug te zetten, maar dat is me nooit gelukt.) Het was Kianda. Ze zei dat haar man haar ingeruild had voor een andere vrouw. Ze voegde eraan toe dat ze me niet meer wilde zien. Nooit meer. Toen ze ophing, ging ik aan een van de tafeltjes zitten. Ik bestelde een pils. De eigenaar van de tent, een vreselijk aardige Portugees met een enorme buik, bracht twee flesjes Cuca en een bordje stokvisballetjes, de beroemde pastéis de bacalhau. De beste pastéis de bacalhau die ik ooit heb gegeten. Hij pakte een stoel en begon me het verhaal van zijn leven te vertellen. Toen hij daarmee klaar was, vertelde hij hoe hij Mãe Mocinha had leren kennen. Beide verhalen waren uitzonderlijk. Het was al acht uur geweest toen ik opstond. Ik belde naar Barbara Dulce. De telefoon rinkelde en rinkelde, maar er nam niemand op. Ik moest met haar praten. Moest haar vertellen dat ik bij Núbia de Matos in het vliegtuig had gezeten. Barbara zou dat raar vinden. ‘Waarom heb je me dat niet eerder verteld?’ zou ze

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

om de eerstvolgende dagen niet naar huis te gaan. Het liet me

35


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

36

vragen. ‘Omdat ik je niet wou laten schrikken, schat. Die vrouw is gek. Zo lijp als een deur.’ Daarna zou ik haar vertellen dat ik haar uit de lucht had zien vallen, recht voor mijn ogen, terwijl ik in een taxi met een Congolees achter het stuur op weg was naar het Condomínio do Cajueiro. Waarschijnlijk zou Barbara dan weer in de aanval gaan, met lichte stemverheffing. ‘En wat had jij te zoeken in het Condomínio do Cajueiro, mag ik dat misschien weten?’ Waarop ik mijn schouders zou ophalen. ‘God, weet ik veel! Een Portugese boer interviewen, een soort ziener, weet je wel, voor mijn nieuwe roman.’ Ik deed het gesprek over en over terwijl ik wachtte op een andere taxi. Barbara zou het tegen haar vader zeggen. Mijn schoonvader is een heel invloedrijke man, die sinds de onafhankelijkheid, sinds altijd dus, verbonden is aan het ministerie van Staatsveiligheid. Benigno zou wel weten hoe hij me moest helpen. Het plannen van een strategie gaf me een zekere rust. Er stopte een taxi voor De Griekse Trots. Dit keer was de chauffeur een jonge Indiër. Ik stapte in en vroeg hem om me naar de Termietenheuvel te brengen, het flatgebouw waar ik woon. We waren er in minder dan een kwartier. De reusachtige hal van de hoofdingang was leeg. Een stokoude bewaker zat met zijn hoofd op zijn bureau te slapen terwijl voor hem op een klein tv’tje een van mijn lievelingsfilms te zien was: Blade Runner. Ik stapte in de lift en zei tegen de liftboy dat ik naar de zevenenveertigste verdieping moest. Er was niemand thuis. Op de eettafel lag een briefje. ‘Bartolomeu, Kianda is bij mij geweest en ze heeft me alles verteld. Ik ben met de meisjes bij mijn ouders. Bel niet en kom niet langs. Ik heb tijd nodig om na te denken wat ik verder aan moet met mijn leven. Barbara.’ Ik liet me versuft in een van de leunstoelen vallen. Zonder erbij na te denken, met een automatisch gebaar, zette ik de tv aan


met gesloten ogen. Daarna liet de camera haar lichaam zien, van bovenaf, in een poel van licht. De camera ging verder omhoog en onthulde andere personages – twee politieagenten, van wie er een naast het lijk van het fotomodel knielde; de tweede stond en maakte aantekeningen –, en hij bleef omhoog gaan, terwijl de stem van de nieuwslezer uitsteeg boven het omgevingsgeruis. ‘Het lijk van Núbia de Matos, ex-Miss Angola, fotomodel en journaliste, werd vroeg in de avond door twee landarbeiders gevonden in de buurt van het Condomínio dos Imbondeiros, in Bom Jesus. Núbia de Matos kreeg landelijke bekendheid toen ze in 2010 Miss Angola werd. Vervolgens begon ze een carrière als fotomodel. Gedurende een aantal jaren was ze het favoriete model van de Gebroeders Congo, en ze heeft de collecties van Congo Twins geshowd in de voornaamste modecentra van de wereld. Twee jaar lang heeft ze ook een eigen talkshow gehad bij de Onafhankelijke Angolese Televisie. Haar verscheiden op tweeëndertigjarige leeftijd dompelt de modewereld in diepe rouw. De politie heeft geen nadere bijzonderheden prijsgegeven omtrent de dood van het model, dat alleen woonde in een huurflat in Luanda Sul…’ Mijn mobieltje begon weer te blaffen. Onbekend nummer. Als de boodschap ‘onbekend’ verschijnt, is het meestal Kianda. Ik nam op en hoorde een donkere mannenstem die half onderging in wat feestgeluiden leken. ‘Spreek ik met Bartolomeu Falcato, de schrijver?’ ‘Ja…’ ‘U moet vluchten. Als u thuis bent, ga dan onmiddellijk weg. Ze willen u vermoorden.’

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

en daar was zij, Núbia de Matos, een close-up van haar gezicht,

37


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

38

José Eduardo Agualusa Het labyrint van Luanda Th ematie k In Het labyrint van Luanda zijn de realiteit en de waarheid nooit eenduidig. De personages lijken ieder een eigen waarheid te hebben. Op een bepaalde manier is dat ook verklaarbaar, want na de dictatuur in Angola, waar het verhaal zich afspeelt, zijn de mogelijkheden enorm – ineens zou iets wat jarenlang onmogelijk was, best wel eens waar kunnen zijn. De inwoners van het land moeten in feite weer leren nadenken nadat hen jarenlang is voorgelogen. In een land waar de hypocrisie ‘een zeer gewaardeerde deugd’ is, valt dat niet mee. Een personage dat vragen oproept over onze visie op de realiteit is de kunstzinnige autist die muurschilderingen maakt van stadspanorama’s. Hij schildert gebouwen die nog niet zijn gebouwd of zelfs nog niet zijn ontworpen. De vraag is wie werkelijk de architect is, en de conclusie luidt dan snel dat de realiteit wellicht niet meer is dan een uiterst fragiele waarheid. De hoofdpersoon, schrijver en documentairemaker Bartolomeu, fungeert binnen dit thema als een verzamelaar van de gefragmenteerde visies. Hij verwerkt de verschillende anekdotes en verhalen in zijn documentaires. Zodoende komt hij in een labyrint van waarheden terecht. Dit is bijvoorbeeld duidelijk te merken wanneer hij probeert uit te zoeken wat er gebeurde met de schitterende presentatrice Núbia, die aan het begin van het boek op een haast ongeloofwaardige manier doodvalt. Architectuur en mode zijn subthema’s die de verwarring rondom de waarheid in stand houden. Beide zijn namelijk


Communicatie is een andere – wat lastige – tegenspeler van de waarheid, want ook in taal speelt interpretatie een onmiskenbare rol. Geregeld ziet de lezer hoe taal voor problemen zorgt. Het zusje van de autistische muurschilder formuleert het helder als zij Bartolomeu vertelt: ‘We kunnen wel dezelfde woorden gebruiken, maar we spreken niet dezelfde taal.’ Als een rode draad lopen verwijzingen naar de multi-interpretabele aard van taal door het boek. De waarheid of de realiteit is niet te vatten in woorden. Een ander belangrijk motief dat in het oog springt is dat van de zwarte engelen. Zo ziet de lezer herhaaldelijk vrouwen uit de lucht vallen en leren we het personage Humberto Chiteculo kennen, die sinds hij iemand doodde elke dag een zwarte veer vindt. Hij hoopt daar vleugels van te maken zodat hij kan leren vliegen. Engelen worden vaak gezien als brengers van een boodschap, terwijl zwart geassocieerd wordt met de dood. Ook dit zien we terug in deze roman: Bartolomeu droomt van dansende zwarte engelen op een dakterras die later door Kianda daar naartoe worden geregisseerd ter aankondiging van haar sprong. Kianda zelf heeft zwarte vleugels op haar rug getatoeëerd en het vermoorde personage Koel Bloed had grote zwarte vleugels. De personages die ‘zwarte engelen’ zijn of worden genoemd hebben allen een verband met de dood, tevens de enige absolute waarheid in het boek.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

cultuuruitingen gebaseerd op een kunstmatig en gecreëerd beeld. Het modeontwerpersduo, Jakob en Ezau, gaat zo ver in het creëren van een beeld dat deze twee individuen in elkaar opgaan. Zij worden herhaaldelijk voor elkaar aangezien en als een van de twee overlijdt, wordt de ander beide personen in één lichaam. Want dat is wat mensen zien of willen zien.

39


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

40

Ge s p r e k s v r age n 1 Wat is uw indruk van de relatie tussen Bartolomeu en

Kianda? En hoe verhouden Barbara en Lulu zich tot deze twee personages?

2 Bartolomeu denkt over Kianda (op p. 31): ‘Ik was ge-

lukkig met haar en ik vermoed dat ik haar nooit echt

heb gekend. Zou ik ook gelukkig zijn geweest als ik haar wel had gekend?’ In hoeverre is het mogelijk om iemand echt te kennen, denkt u? 3 De verteller presenteert zich geregeld expliciet in de

tekst. Wat vindt u hiervan?

4 Hoe heeft u de schematische wijze waarop de ver-

teller de hoofd- en bijfiguren introduceerde ervaren? Welke artistieke redenen kan hij voor deze werkwij-

ze gehad hebben? 5 Kianda zegt (op p. 40): ‘Voor een scheppend iemand

is het ouderschap redundant.’ Waarom zou zij het

ouderschap overbodig vinden? In hoeverre kunt u zich in haar uitspraak vinden? 6 Er vinden geregeld wisselingen in perspectief plaats.

Hebben deze verspringingen enige invloed gehad op

uw leesplezier?


dert met de toekomst mee. (…) Je kunt geen nieuwe toekomst maken zonder eerst het verleden te veran-

deren.’ In hoeverre bent u het met deze uitspraak eens? En speelt de politieke situatie in een land hierin een rol? 8 Mãe Mocinha vertelt Bartolomeu dat Kianda niet ver-

liefd op hem is en dat hij voor haar als een spiegel fungeert. In een spiegel zie je ‘het beeld van jezelf dat

daarin weerkaatst wordt’. Ze legt verder uit: ‘Waar zij van houdt, is jouw verrukking, ze houdt van de manier waarop jij haar ziet’ (p. 107). Heeft Mãe Mocinha gelijk wat betreft Kianda? En in hoeverre vindt u dit een accurate beschrijving van het begrip verliefdheid in het algemeen? 9 Bartolomeu gelooft niet dat literatuur zo’n macht

heeft dat het levens kan veranderen (p. 123). Wat

vindt u hiervan? Is er een boek geweest dat uw leven heeft veranderd en zo ja, hoe? 10 Welke betekenis hadden de zwarte engelen in deze

roman voor u?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

7 Op pagina 46 schrijft Agualusa: ‘Het verleden veran-

41


42 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Februari Op Valentijnsdag in 1982 zonk een booreiland voor de kust van Newfoundland. De vierentachtig mannen aan boord kwamen om, waaronder Cal, de man van Helen. Voor de buitenwereld lijkt ze na de ramp haar leven op orde te hebben gekregen: ze houdt het huis schoon, doet aan yoga en belt met haar kinderen. Maar in gedachten keert ze steeds weer terug naar Cal en zijn fatale ongeluk. Lisa Moore (Canada, 1964) publiceerde eerder twee bekroonde verhalenbundels en de roman Alligator, die genomineerd werd voor de Orange Prize en de Giller Prize, en bekroond werd met de Commonwealth Writers Prize voor de regio Canada en het Caribisch gebied. Ze woont in St. Johns, Newfoundland. ‘Een studie in eenzaamheid en verdriet… Het boek getuigt van een groot observatievermogen.’ de

Volkskr ant

‘Een wonderschone, soms haast filosofische roman… Een meeslepende ode aan het leven.’ De

Tele gr aa f

‘Prachtige, poëtische roman over wat een ramp in een familie aanricht.’ nrc handelsblad Oorspronkelijke titel: February | Vertaling: Lucie van Rooijen Paperback 308 blz. | Prijs: €19,95 | ISBN 978 90 290 8648 6

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Lisa M oor e

43


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

44

Lisa M oor e

Februari Zonsopkomst of zonsondergang, november 2008 Helen kijkt hoe de man het schaatsijzer tegen de slijpmachine houdt. Er zit een roestvrijstalen kap omheen om de opspattende oranje vonkenregen op te vangen. Een laag raspend geluid wordt schril en ze denkt: Johnny komt naar huis. De slijpmachine trilt door in de toonbank onder haar vingers; John had vannacht gebeld vanaf het vliegveld van Singapore. Het gebrul van een landend vliegtuig op de achtergrond. Ze had zich op een elleboog overeind geduwd en naar de telefoon gegrepen. Haar kleinzoon Timmy staat gebiologeerd voor de toverballenautomaat. Op een kartonnen bordje erboven staat met balpen geschreven dat het schaatsen slijpen gratis is als je een zwarte reuzenbal te pakken krijgt. Ik moet hier ergens een kwartje hebben, zegt Helen. Ritst het kralenbeursje met kleingeld open. Ze is moeder van een zoon en drie dochters en heeft twee kleinkinderen. Mijn dochters waren gehoorzaam, denkt ze terwijl ze naar het kwartje zoekt. Ze denkt aan een tintelende, harde klap: ze heeft Cathy één keer een pets op haar wang gegeven – de witte handafdruk werd snel rood –, jaren geleden al, een eeuwigheid geleden. Helen had de meisjes ingeprent dat ze moesten luisteren, dat ze deden wat zij zei, maar John vertikte het gewoon. Een jongetje, net als Cal, had ze gedacht toen ze ontdekte dat ze zwanger was van Johnny. De verpleegster had die eerste keer niet gezegd welk geslacht de baby had, maar ze wist dat het een jongetje was. De echo zou om vijf uur ’s ochtends worden


rijp van oktober. Op dat tijdstip stonden de sterren nog aan de hemel. Koude handen op het stuur. Ze moest met de fiets aan de hand Carter’s Hill op lopen. Wat wilde haar zoon als kleine jongen toch veel. Hij had het jonge hondje willen houden dat hij achter de supermarkt op een stuk karton had gevonden. Ze had gezegd dat een hond geld kost en vlooien heeft en moet worden uitgelaten. Maar Johnny moest en zou die hond hebben. De slijpsteen zwoegt en snerpt als het ijzer ertegenaan wordt gehouden, en Helen haalt een handje kleingeld tevoorschijn en laat Timmy een kwartje pakken. Zijn moeder zal wel kwaad zijn. Timmy lust geen groente, teert op macaroni met kaas. Ze hebben regels; Helens dochters hebben allemaal keiharde regels. Een toverbal kan van levensbelang zijn. Als je nee zegt, dan is het ook nee. Helen leest dat alle winst naar de Canadese Vereniging voor Geestelijke Gezondheid gaat. Ze kijkt toe terwijl de jongen het kwartje in de sleuf laat glijden en aan de stroeve knop draait. De toverballen achter het glas rollen over elkaar heen en Timmy duwt het klepje omhoog. Zwart. Er rolt een zwarte reuzenbal in zijn hand. Hij draait zich om en laat hem aan Helen zien. Zijn bleke, sproeterige gezicht straalt. Die blauwe ader op zijn slaap. Knalrood haar. Sprekend zijn moeder. Precies dezelfde mond. Heerlijk, die kleurloze wimpers, die groene ogen met roodbruine vlekjes erin. De slijpmachine tegen de andere schaats. De geur van brandend metaal. En de oranje vonkenregen. Jimmy houdt de zwarte toverbal omhoog en de man achter de slijpmachine zet het apparaat uit en schuift zijn veiligheidsbril op zijn voorhoofd. Een gratis slijpbeurt, zegt hij. Fronsend laat hij zijn duim over het snijvlak gaan.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

gemaakt en ze ging op de fiets. Lime Street bedekt met de eerste

45


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

46

Vannacht had Johnny gebeld om te vertellen dat de zon opkwam boven Singapore. Alleen wist hij niet of de zon opkwam of onderging. Ik weet niet wat voor dag het is, zei hij. Hij kwam uit Tasmanië en had geslapen in het vliegtuig, hij had geen flauw benul meer van de tijd. Zijn mobiele telefoon viel steeds weg, of zijn stem werd telkens harder en zachter. Hij had haar wakker gebeld. Ze schrikt zich altijd rot als ’s nachts de telefoon gaat. Misschien is het maandag, zei hij. Of anders zondag. Er hing een grote rode bal boven de palmbomen aan het eind van een landingsbaan. Heb je wel eens geprobeerd te begrijpen wat het verschil is tussen wat je bent en wat je moet worden? vroeg hij. Hij zei het zachtjes en Helen kwam verder overeind. Bij vlagen klonk zijn stem glashelder. Johnny kon enorm filosoferen als hij een zonsondergang zag; meer was het niet. Misschien was er wel niets aan de hand, had ze gedacht. Hij was vijfendertig. Hij zat ergens in Singapore. Ze dacht aan hem: een dag op het strand toen hij zeven was, zijn gebruinde lijf, zijn benen onder het zand. Een stel grotere jongens had hem geslagen met slierten zeewier, hem verder de golven in gejaagd. Helen had opgekeken uit haar boek. Het ene moment was ze verdiept geweest in een roman, het volgende stond ze tot aan haar knieën in het water en waadde ze keihard schreeuwend de zee in. De jongens konden haar niet horen vanwege de wind. Rotjongens, schreeuwde ze. Vuile rotjongens. Schamen jullie je niet? Toen was ze bij hen en verstijfden ze. Hij begon, mevrouw. Kijk nou hoe groot jullie zijn. Kijk nou. Kies dan iemand van je eigen lengte. En de jongens waren weggegaan, ploegend door


brutaal en bang. Waar waren de meisjes die dag geweest? Cal was waarschijnlijk voor haar ingevallen. Een dagje aan het strand, lang geleden, zeker dertig jaar, en nu stond daar de toilettafel; haar fles parfum waar het licht van een straatlantaarn doorheen scheen dat een stil vuur deed opgloeien in de bruine vloeistof, de franje aan het kleed, haar ochtendjas aan een haakje; Johnny was een volwassen man. Ze omklemde de hoorn. Ze was vijfenvijftig; nee, zesenvijftig. Wat je moet worden, had ze herhaald. Johnny was zo’n jongen die zijn moeder niet vaak belde, maar åls hij belde was hij beurtelings kortaf en onsamenhangend, en de verbinding was per definitie slecht. Of er was iets aan de hand. Hij wilde haar over de zonsondergang vertellen, meer niet, had ze gedacht. De zon ging onder. Of hij kwam net op. Maar nee, het ging om meer dan een zonsondergang. Ditmaal had hij iets te vertellen. De eigenaar haakt knalrode beschermers om de ijzers en strikt de lange veters aan elkaar zodat Timmy de schaatsen over zijn schouder kan hangen. Ziezo, jij kunt gaan schaatsen, zegt hij. Hij geeft Timmy een zachte draai om zijn oren. Timmy duikt verlegen weg. Helen ziet de toverbal van de ene naar de andere wang gaan. Lekker het ijs op zeker, zegt de man. We gaan het eens proberen, zegt Helen. Binnenkort zijn de vijvers goed, zegt de man. Het is al een flinke poos koud. Ze draaien zich allemaal om en kijken uit het raam. De straat is weggevaagd door een sneeuwvlaag.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

de golven, met een blik achterom die het midden hield tussen

47


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

48

Basiliek, februari 1982 De Ocean Ranger begon op Valentijnsdag 1982 te zinken en was de volgende ochtend vroeg verdwenen. Alle bemanningsleden kwamen om. In 1982 was Helen dertig. Cal was eenendertig. Het duurde drie dagen voordat vaststond dat alle mannen dood waren. Drie dagen lang bleven de mensen hopen. Sommige mensen. Helen niet. Zij wist dat ze waren omgekomen, en het was niet eerlijk dat zij dat wist. Die drie dagen had ze ook graag gehad. Iedereen heeft het erover hoe moeilijk het was om het niet te weten. Helen had het fijn gevonden om het niet te weten. Ze benijdde de mensen die wisten dat het windkracht negen was en toch nog in een soort geloofsextase naar de basiliek konden komen. Tijdens de mis voor de Ocean Ranger stonden er drie gezindten naast elkaar op het altaar en de hele stad liep uit. Het werd geen herdenkingsdienst genoemd. Helen weet niet meer hoe de mis wel werd genoemd en óf er wel een naam aan was gegeven, of hoe ze daar terecht was gekomen. Wat ze zich herinnert is dat er met geen woord over werd gerept dat de mannen dood waren. In 1982 had Helen niet zoveel met de kerk. Maar ze weet nog dat ze zich naar de basiliek gezogen voelde. Ze had er behoefte aan om bij de andere gezinnen te zijn. Ze kan zich niet meer herinneren dat ze zich klaarmaakte om naar de mis te gaan. Misschien had ze haar spijkerbroek aan. Ze weet nog dat ze lopend naar de basiliek ging. Ze weet nog dat ze om sneeuwbanken heen liep. De sneeuw was door de sneeuwschuivers vlak gemaakt. Hoge, witte, glad afgeschraapte muren die het straatlicht opzogen. Je kon nergens lopen. Het Mariabeeld met sneeuw in de ooghoeken en over één wang en


omdat er toen al iets in haar begon op te wellen: het gevoel ergens ten onrechte van te zijn beroofd. En toen ze de heuvel over kwam stonden er mensen buiten op de trap voor de basiliek. Het was zo druk dat ze er niet allemaal in konden. Maar Helen baande zich een weg naar binnen. Ze had afgesproken met haar zus maar ze kan zich niet herinneren of ze Louise überhaupt zag. Mensen die zich van alle kanten naar binnen wrongen, het orgel en kaarsen en wierook. Ze herinnert zich de kaarsen en de lelies. Ontelbaar veel lelies. Helens schoonmoeder Meg zat ook in de kerk, maar Helen zag haar evenmin. Meg zat waarschijnlijk voorin. Cals moeder wilde vast voorin zitten. De nacht dat het booreiland zonk had Meg een droom. Ze droomde over een baby. Ik stond op en keek uit het keukenraam en er zat een baby’tje in de takken van de boom, dik ingepakt in een witte deken. Ik zei tegen Dave, ga die baby eens halen, zeg ik, voordat er iets mee gebeurt. Iedereen heeft wel iets gedroomd in de nacht dat het booreiland zonk. Iedereen in de hele provincie weet nog precies waar hij of zij die avond was. Een van Helens vriendinnen gaf op dat moment tennisles op de Jongens- en Meisjesclub in Buckmaster’s Circle. Helens vriendin en een veelbelovende leerling, een zevenjarig tenniswonder alleen in de sporthal, ze mepten de bal snoeihard heen en weer en hadden geen idee van de storm die buiten raasde. Toen ze de sporthal uit kwamen was de auto een vage bult onder een dikke laag sneeuw, een eenzame marshmallow op de verlaten parkeerplaats. De hele stad lag plat. Een andere vriendin had zullen serveren bij een valentijnsdiner dat al helemaal was volgeboekt. Op elke tafel een brandende kaars en een roos in een vaasje, en het hoofdgerecht was eend met

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

de mond, als een roverszakdoek. Dat kan ze zich herinneren

49


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

50

bosbessensaus, maar het restaurant had moeten sluiten en de eigenaar vroeg Helens vriendin of ze met hem mee wilde eten voor ze naar huis gingen. Na het eten was de eigenaar langs alle tafeltjes gegaan om de kaarsen uit te blazen. Er waren mannen op het booreiland die afscheid namen voor ze het dek op gingen, dat was het gekke. Sommige mannen belden hun moeder. Mannen die niet de gewoonte hadden om de telefoon te pakken. Veel van de mannen waren niet gewend om over gevoelens te praten. In die termen dachten ze niet. Ze zeiden zeker geen dank je wel? Of het ga je goed of ik hou van je? Ze hadden de gewoonte om dat soort emoties om te zetten in daden. Ze gingen houthakken of sneeuwruimen. Een grote stapel hout onder het blauwe zeil naast de schuur. Ze brachten elandbiefstuk mee. Ze bouwden een appartement aan voor hun schoonmoeder. Ze gingen met een emmer teer het dak op. Zo zeiden ze dank je wel. Sommigen waren zo jong dat het niet eens in ze opkwam om afscheid te nemen. Zo ver konden ze niet vooruit denken. Maar zelfs knapen van begin twintig hadden naar huis gebeld. Hun vriendinnetje gebeld. Gezegd dat ze het dek op moesten en nog even wilden bellen voordat ze gingen. Veel mannen die omkwamen op de Ocean Ranger hadden er alles aan gedaan om afscheid te nemen, en dat was raar. Zo ging het de herinnering in. Daar had iedereen het jaren later nog over. Vlak voordat hij naar buiten ging belde hij nog op. Op de avond van de mis voor de Ocean Ranger liep Helen de trappen van de basiliek op en vroeg: Mag ik er even langs? Met haar schouders baande ze zich stukje bij beetje een weg naar binnen en ze voelde zich er totaal niet schuldig over. Ze kan zich Louise niet herinneren en ze zag Cals vader of moeder nergens in de kerk, maar ze moeten er wel zijn geweest. Uit het orgel dreunde een lange, lage toon, als menselijk ge-


haar benen, in haar schaambeen en onderbuik, waar hij haar ingewanden week maakte, en in haar neus. Ze kreeg er een zere neus van en tranen in haar ogen. De orgelmuziek ging dwars door haar heen. Ze had niets met de kerk, maar ze had vast gehoopt dat haar duidelijk zou worden hoe ze dat wat komen ging het hoofd kon bieden. Ze was verdoofd en kon het niet geloven, maar ze had drie kinderen en voelde ergens dat ze weer zwanger was, al was ze nog niet eens over tijd. En als dat wel zo was, dan had ze het niet gemerkt. Louise zegt: Ik was er wel. We zeiden nog wat veel mensen en ik gaf je een zakdoek. Ik had een zakdoek in mijn mouw. Maar Helen kan zich niet herinneren dat Louise er was. De kaarsen – er moeten er honderden op het altaar hebben gestaan, elk in een klein rood glaasje – gleden allemaal opzij toen ze tranen in haar ogen kreeg. Ze knipperde en de kaarsvlammen werden scherpe sterren waar speren uit staken, en ze kreeg weer tranen in haar ogen zodat de vlammen een muur van vloeibaar licht werden. Het is een grote kathedraal, de basiliek, met gewelfde plafonds en meestal tocht, en die avond kon je geen vin verroeren omdat het zo vol was. En de orgelmuziek klonk hard. Zelfs de mensen in Water Street moeten het hebben kunnen horen. En de stemmen klonken net zo hard. Zodra de mensen begonnen te zingen, hielden de kaarsen hun adem in en begonnen toen harder te flakkeren. Of de deuren achterin waaiden open en de koude wind ging helemaal door het gangpad en de kaarsen vlamden op. Wie was er op de kinderen komen passen? Helen had de kinderen niet meegenomen naar de kerk. Daar heeft ze spijt van.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

kreun. Ze voelde die toon in haar voetzolen; hij trilde tussen

51


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

52

Johnny was negen en Cathy was acht en Lulu was zeven. Bam, bam, bam, de een na de ander. Drie kleintjes in de luiers, kruipend over de grond, had haar schoonmoeder Meg gezegd, alsof het zo was voorbestemd. Ze had de kinderen die avond wakker moeten houden, ze hun skipak moeten aantrekken. Had ze dat maar gedaan. De kinderen hadden bij haar moeten zijn tijdens de mis, maar op dat moment dacht ze daar anders over. Ze weet niet wat ze toen dacht. Ze had het idee dat ze hen kon beschermen. Haha. Het kaarslicht bewoog mee op de orgelmuziek. Een muur van goudkleurig licht achter de priesters – of wat het ook waren: dominees, vast wel een aartsbisschop – in hun witte gewaden met hun armen geheven. Ze begonnen te zingen en ze moest naar buiten. De beverige hoge stemmen van de oude dames voorin. Die stemmen zijn doordringend, ze mengen niet, ze zijn zuiver maar schril, en ze mengen of harmoniëren of versmelten geen moment; ze leiden alleen maar, oude dames die elke ochtend naar de kerk komen, lopend van Gower Street of King’s Road of Flavin Street nadat ze wat voer voor de kat hebben neergezet en een theedoek over de geelbruine kom met een rijzend brooddeeg hebben gelegd. Ze komen op rubberlaarzen met een rits aan de voorkant, laarzen die je over je pantoffels kunt aantrekken en die vroeger van hun inmiddels overleden man waren, en de oude dames hebben een plastic regenkapje dat ze vaststrikken onder hun kin en een wollen jas met grote knopen en permanent en een rozenkrans in hun zak, naast verfrommelde zakdoekjes. Die oude vrouwen konden maar niet geloven dat ze zo laat in hun leven nog zoveel verdriet moesten aanzien. Dat soort dingen hoorden zij nu achter de rug te hebben. Ze zongen en het schrille geluid was er een van berusting. Je doet er ze-


vrouwen weten dat het een noodzakelijk kwaad is. Er waren ook mannenstemmen, laag en doordrongen van moeizaam nadenken. De mannen probeerden te bedenken hoe ze het gezang en de mis moesten doorkomen en na afloop de auto moesten zoeken en terug moesten rijden naar de kerk om hun vrouw en de kinderen op te halen zodat die de kou niet in hoefden – ik kom jullie dadelijk wel halen, anders worden jullie maar nat, wacht maar hier op de trap, kijk naar me uit – en die mannen dachten aan de verkeersdrukte, en of hun zoons of broers dood waren. Ze wísten dat ze dood waren – dat wisten ze allemaal – maar vroegen het zich gewoon af. Ze hielden het gezangboek op een armlengte voor zich, die mannen, want ze waren verziend, en ze knepen hun ogen tot spleetjes en knikten alsof ze het eens waren met de woorden die ze zongen, of gewoon omdat ze blij waren dat ze ze konden lezen. De mannen met het gezangboek in de hand hadden gefronste wenkbrauwen en hun vrouw stond naast ze. In de kathedraal rook het naar natte wol en winter, koude steen, wierook, en bij het altaar hing de geur van kaarsvet en lelies. In sommige banken stonden hele families, kleine meisjes met pijpenkrullen of vlechten en een jurk die over hun skibroek hing, met rode wangen, gapend, heen en weer wiegend. Peuters zaten bij hun moeder op schoot te slapen. Hierom liep Helen halverwege de mis de kerk uit: sommigen van die mensen waren vol hoop. Krankzinnig van hoop, en ze zeggen dat hoop vermiste matrozen weer thuis kan brengen. Dat zeggen ze. Een mens kan uit de dood opstaan, als je maar genoeg hoop hebt. Ze was blij dat ze de kinderen niet mee had genomen. Wie brengt zijn kinderen nou mee naar zoiets, dacht ze. Helen wist

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

ventig of tachtig jaar over voor je kunt berusten, maar de oude

53


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

54

zeker dat Cal dood was en dat ze van geluk mocht spreken als ze zijn lichaam terugkreeg. Ze wilde zijn lichaam hebben. Dat weet ze nog. Ze wist dat hij dood was en dat ze hunkerde naar zijn lichaam. Niet dat ze dat toen onder woorden had kunnen brengen. Wat ze toen had kunnen zeggen was: zij stond erbuiten. De beste manier om te omschrijven hoe ze zich voelde: ze was verbannen. Verbannen van iedereen, en van zichzelf. Buiten, 1982 Vanwege de kinderen voelde Helen zich genoodzaakt om net te doen alsof er geen buiten was. Of om áls er een buiten was, te doen alsof zij eraan was ontsnapt. Helen wilde dat de kinderen dachten dat zij bij hen binnen was. Buiten was een afschuwelijke waarheid die ze voor zichzelf wilde houden. Het was één grote poppenkast, dat liegen over waar ze werkelijk was: buiten. Ze deed alsof alles normaal was door het ontbijt klaar te maken en eten te koken (hoewel ze vaak terugviel op kipnuggets en diepvriespizza) en ze hielp de kinderen met hun huiswerk. John beet de gummetjes van zijn potloden, kauwde op het goudkleurige metaal totdat ze zijn tanden erin zag staan, en als ze haar hand uitstak, viel er alleen nog maar een stukje rubber vol spuug van het puntje van zijn tong. Nadat het booreiland was gezonken was hij op dingen gaan kauwen. Zijn juffrouw zei dat John tijdens de les zijn potlood zat op te eten. Hij at een potlood per week, schatte de juf. Dat kan niet goed voor hem zijn, zei die juf tegen Helen. Hij kauwde ook op de manchetten van zijn overhemden tot de rafels erbij hingen. Als hij thuiskwam waren de manchetten nat van het spuug. En tussen de middag


De juffrouw zei: Daar gaan de kinderen hem mee pesten. Wijs hem er gewoon af en toe subtiel op, zei ze. Mond dicht als je eet. Zo hoort het gewoon. Op een dag kwam ik de kantine binnen en zat hij helemaal alleen. Aan een grote tafel. Dat zei Helen tegen John, en daarna at hij met zijn lippen stijf op elkaar geperst, zijn ogen wijd open omdat hij zo hard zijn best deed zich netjes te gedragen. Helen hielp John met rekenen, en ze zei tegen hem: Je vijven staan verkeerd om. Ze maakten een werkstuk over pinguïns met foto’s uit de National Geographic en bordkarton en dikke stiften. Pinguïns blijven hun hele leven bij elkaar. Ze glijden op hun buik van ijskliffen. Af en toe wordt er eentje opgegeten en blijft de andere alleen achter. Dat waren de dramatische, sentimentele weetjes over pinguïns. Johnny knipte foto’s uit met zijn stompe schaar en plakte ze op het karton, en met een liniaal maakte hij schuine strepen voor de bijschriften. Zijn blokletters waren afzichtelijk. Van Helen moesten de kinderen samen aan tafel voor het avondeten. Altijd. Samen eten was de belangrijkste pijler van haar toneelstukje. Ze bakte niet zelf. Helen stopte fruitcakejes en blikjes frisdrank in hun lunchtrommeltje. Van casinobrood maakte ze boterhammen met ham en mayonaise. Alle gezinnen van de verdronken mannen zaten te wachten op de schadevergoeding, want hoe moet je anders vier kinderen te eten geven en de energierekening betalen?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

at hij met zijn mond open, zodat je het eten kon zien.

55


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

56

Lisa Moore Februari Th ematie k In de openingsscène van Februari belt Helen met haar zoon John en vraagt hij haar: ‘Heb je wel eens geprobeerd te begrijpen wat het verschil is tussen wat je bent en wat je moet worden?’ Zowel John als Helen leven in een heden dat vooral gekleurd wordt door gebeurtenissen uit het verleden. Het verdrinken van Cal, de vader van John en de man van Helen, bepaalt wie ze zijn omdat ze het verlies en het verdriet niet hebben kunnen loslaten. De vraag van John is voor de twee personages een opening om het verlies een plek te geven en de rouwperiode af te sluiten. Als John onverwachts hoort dat hij vader wordt en Helen met klusjesman Barry meer in huis heeft gehaald dan een nieuwe vloer, worden ze wakker geschud. De plotselinge veranderingen in de twee sluimerlevens dwingt hen beiden na te denken over wie ze zijn en wie ze zouden willen zijn. Een van de motieven die het thema ondersteunt is het loslaten. Durven loslaten en je overgeven aan het onzekere zien we op verschillende manieren voorbijkomen, bijvoorbeeld tijdens het vliegeren, een touwtrekwedstrijd, de tokkelbaan, de survivaltraining van John of de bevalling van een kind. En Helen heeft de eenzaamheid als het ware omarmd en moet deze leren loslaten. Dit hangt nauw samen met het feit dat de personages zich laten sturen door angsten, iets waar vooral John last van heeft. Zo leeft hij bijvoorbeeld met een angst voor water (ingegeven door zijn vaders verdrinkingsdood) en de angst voor ware liefde (omdat hij bang is deze net als zijn ouders te verliezen).


‘In de dood zijn we alleen. Natuurlijk zijn we dan alleen. Het is een geraffineerde eenzaamheid die we niet kunnen ervaren als we nog leven; het is te uitzonderlijk, te krachtig’ (p. 254-255). Deze thema’s worden sterk ondersteund door beelden van kou en duisternis. Zo verwijst de titel van het boek naar de maand waarin Cal overlijdt nadat het booreiland Ocean Ranger tijdens een storm zinkt. In zekere zin lijkt er voor Helen jarenlang geen einde te komen aan die februari in 1982. Tegen het einde van het boek probeert Helen zich die nacht en de laatste momenten van Cal voor te stellen: ‘Cal was alleen in die kou. Moederziel alleen, en dat was de dood. Daar kwam de dood uiteindelijk op neer. De tegenhangers van kou en duisternis, warmte en licht spelen eveneens een belangrijke rol in deze roman, met name als Helen zich openstelt voor een toekomst met Barry. Bijvoorbeeld in de scène waarin ze hem spontaan een zelfgemaakte jurk wil laten zien: ‘Helen had een peertje van honderd watt in die lamp en het licht ketste tegen het witte satijn en de jurk was verblindend wit. Parels en lovertjes die fonkelden, licht dat langs de plooien stroomde, dat als bolletjes kwik opwelde en in alle richtingen werd verstrooid’ (p. 250). Even later zoenen ze elkaar voor het eerst onder het licht van het vuurwerk en tijdens hun eerste vrijscène speelt warmte een rol: ‘Helen liep de keuken in en de onderkant van de espressokan gloeide oranje op, alsof hij elk moment kon smelten’ (p. 253). Met beelden van warmte en licht zien we voor Helen een einde komen aan haar jaren van eenzaamheid.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Eenzaamheid en dood zijn misschien wel de meest in het oog springende thema’s in Februari. Helen verbindt deze met elkaar:

57


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

58

Gespreksvragen 1 Het verlies van Cal wordt met gedoseerde terugblik-

ken gepresenteerd. Zijn de gevoelens van Helen door deze manier van presenteren voor de lezer toeganke-

lijk? 2 In Februari kiest de auteur Lisa Moore ervoor heen en

weer te springen van het heden naar het verleden.

Van een chronologische vertelling is geen sprake en ook gebruikt ze bewust geen aanhalingstekens. Hoe heeft u dit ervaren? Heeft de structuur van het boek uw leesplezier beïnvloed? 3 Helen ziet eenzaamheid als een drug ‘die vertraagd

wordt afgegeven, het wordt langzaam opgenomen in je systeem en je raakt eraan verslaafd’ (p. 101). Wat

vindt u hiervan? 4 In de roman worden enkele uitspraken gedaan over

spiritualiteit en paranormale begaafdheid. Johns vriendin Jane heeft bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar new-age sektes. Welke rol speelt intuïtie in Johns leven? En in dat van Helen?


gens u? Wat vindt u van de dialogen?

6 Helens zus Louisa speelt een belangrijke rol in haar

leven. Hoe is deze relatie te omschrijven? Welke scè-

ne tussen de zussen beschrijft hun relatie het beste? 7 In hoeverre begrijpt u Johns eerste reactie als hij

hoort dat hij vader wordt? En de reactie van Helen?

Welke invloed heeft de zwangerschap van Jane op John? 8 Helen wil precies weten wat er gebeurd is toen de

Ocean Ranger zonk. Is dit begrijpelijk?

9 John wil de film van de bevalling van zijn dochter

aan zijn familie laten zien, maar laat per ongeluk een

actiefilmpje zien van een vlucht van de tokkelbaan in TasmaniĂŤ. Welke symboliek ziet u in deze verwisseling? 10 Op welke plaatsen in de roman bent u de motieven

licht en duisternis tegengekomen? En kou en warmte?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

5 Waardoor kenmerkt Lisa Moores schrijfstijl zich, vol-

59


60 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Mathilda Savitch Mathilda Savitch is een meisje van dertien dat briljante streken uithaalt. Maar eigenlijk is ze erg in de war vanwege het plotselinge overlijden van haar oudere zus Helene en voelt ze zich eenzaam omdat haar ouders sindsdien onaanspreekbaar zijn. Ze gaat op zoek naar de waarheid achter de dood van haar zus, en zet daarvoor alles op het spel wat haar lief is. Victor Lodato is schrijver en toneelschrijver. Hij heeft talloze prijzen gewonnen voor zijn toneelstukken, onder meer de Roger L. Stevens Award van The Kennedy Center for New American Plays. Hij woont in Tucson, Arizona, en in New York. ‘Dit is een heerlijk en duivels boek.’ Time

Out New York

‘Wat deze coming-of-age-roman zo pakkend maakt is de stoere, liefhebbende stem van de verteller, die haar vrienden op afstand houdt maar ze ondertussen in haar hart heeft gesloten.’ O ,

T he Op r ah Mag az ine

‘Onweerstaanbaar en hartverscheurend onuitstaanbaar.’ 8 wee k ly

Oorspronkelijke titel: Mathilda Savitch | Vertaling: Liesbeth Texeira de Mattos | Paperback 288 blz. | Prijs: €19,95 | ISBN 978 90 290 8474 1

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

V ict or L odat o

61


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

62

V ict or L odat o

Mathilda Savitch een

Ik wil onuitstaanbaar zijn. Ik wil onuitstaanbare dingen doen en waarom niet? Saai is saai is saai is mijn leven. Zoals nu, het is avond, nog geen bedtijd maar te laat om buiten te zijn, en die twee lezen lezen lezen met ogen die heen en weer schieten als de lampen in een kopieerapparaat. Toen ik vanavond hielp de afwas in de vaatwasser te zetten, heb ik een bord gebroken. Sorry mamma, zei ik, het gleed uit mijn handen. Maar het gleed niet uit mijn handen, zo ben ik soms, en ik wil nog erger zijn. Ik heb dingen pijn gedaan, spinnen hun poten uitgetrokken en zo. Dat heb ik van de jongens geleerd‌ Kevin Ryder van hiernaast en zijn vriendjes, die vonden het goed dat ik in hun fort kwam. Maar dat was jaren geleden, ik was nog een kind, het maakte niet uit of ik een jongen of een meisje was. Het zal nu wel bij wet verboden zijn om naar hun fort te gaan, denk ik. De wet van mijn moeder. Waarom blijf je niet thuis, zegt ze. Doe voorzichtig buiten, elke keer dat ik de deur uitga. Maar zijn dat alleen woorden, vraag ik me af, hoe bezorgd is ze echt? Aan wie denkt ze echt als ze aan mij denkt? Ik heb mijn vermoedens. En trouwens, hebben de jongens eigenlijk nog wel een fort? Het is waarschijnlijk allang tegen de vlakte. Het was een fort in het bos, dat ze van stokken en dekens en bladeren hadden gemaakt. Zulke dingen hebben niet het eeuwige leven. Bovendien, ik weet nu van alles over mijn lichaam wat ik toen niet wist. De onschuld van vroeger is er niet meer, zoveel is zeker.


Ik knijp Luke soms. Luke is onze hond. Je kunt niet alle honden knijpen, sommige bijten. Maar Luke is oud en het is een watje, bij hem draait alles om liefde liefde liefde, dus die zal nooit bijten. Ik haal hem een tijdje heel lief en knuffelig aan en dan knijp ik hem plotseling en dan jankt hij en gaat door de kamer rondjes lopen op zoek naar de geheimzinnige knijperd. Hij verdenkt mij niet eens, zo blind van liefde is hij. Maar als je een pistool tegen mijn hoofd hield – hou je van hem, hou je niet van hem – dan zou ik denk ik moeten zeggen dat ik van die stomme hond hou. Hij is al eeuwen bij ons en hij slaapt op mijn bed. Als je het weten wilt, ik ben hier geboren, in dit huis met die hond en die twee daar, die nota bene lesgeven. Een blauw huis. Als je er van buitenaf naar kijkt, zou je zweren dat het een gezicht heeft, zoals die ramen erin zitten. Ramen als ogen, een raam als neus, en een deur als mond. Hoi huis, zeg ik altijd als ik thuiskom. Ik zeg het al zolang ik me kan herinneren. Ik zeg nog wel meer dingen, betere, maar die vertel ik niemand. Ik heb geheimen en het zullen er steeds meer worden. Ik heb eens een verhaal gelezen over een meisje dat doodging, en toen ze haar openmaakten vonden ze een gouden medaillon in haar maag, plus de veren van een vogel. Niemand begreep het. Nou, dat ben ik. Dat is mijn verhaal, behalve dat het maar de vraag is wat ze in mijn maag zullen vinden. Beslist iets om over na te denken. Als ik kijk hoe ze zitten te lezen, denk ik even dat pappa en mamma in steen zijn veranderd. Waar is dan de vrouw met slangen in haar haren, vraag ik me af. Ben ik het? Dan zie ik de boeken een beetje op en neer bewegen en dus weet ik dat pappa en mamma ademen, godzijdank. Luke is een grote poel

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Onuitstaanbaar zijn is makkelijk als je er helemaal voor gaat.

63


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

64

van vacht op het vloerkleed, naar dromenland vertrokken. Plotseling laat hij een scheet en er klapt één oog open. Hé, wat is dat? vraagt hij zich af. Wie is daar? Mooie waakhond, hij kent het verschil niet tussen een scheet en een inbreker. En hij is te lui om op onderzoek uit te gaan. Zolang ze het vloerkleed niet onder hem vandaan jatten, kan het hem niet schelen. Ik kan behoorlijk goed zijn gedachten lezen. Dierenmedium, dat zou een perfecte baan voor mij zijn. De enige dieren waarvan ik geen hoogte kan krijgen, zijn vogels. Vogels zijn de gekken van de dierenwereld. Heb je ze weleens goed bekeken? Jezus, die zijn echt gestoord! Zelfs als ze zingen geloof ik ze voor geen cent. Ik heb er een hekel aan als het zo stil is. Eén stinkende hondenscheet en dan niets meer, je denkt bijna dat je doof bent geworden. Iemand in mijn situatie gaat over dingen nadenken, zelfs over de dood. Over de dood en over tijd en waarom ik ’s avonds soms bang ben als ik zit te kijken hoe die twee lezen en bijna niet ademen afgezien van de boeken die op en neer gaan alsof ze op de oceaan dobberen. En of mamma weer dronken is, ook zoiets, maar wie ben ik om dat te vragen. Hou je mond en bemoei je met je eigen zaken, denk ik. Ze is een vrij man in Parijs. Wat een liedje is dat mamma vroeger altijd zong toen er hier in huis nog gezongen werd. In een ver verleden. O, en het oneindige! Dat zit weer in mijn hoofd. Het houdt je de hele nacht wakker, de gedachte daaraan. Heb je het weleens geprobeerd? Aan het oneindige te denken? Het lukt je niet. Het is erger dan aan vogels denken. Je zegt tegen jezelf: goed, stel je voor dat het heelal eindig is, dat het universum eindig is, en dat er helemaal aan het eind een muur staat. Maar dan denk je: wat is er achter de muur? Zelfs als het een heel dikke muur is, zou het een dikke muur zijn die altijd maar


in dat soort gedachten trek ik een paar haren uit mijn kruin. Ik trek ze een voor een uit. Het doet geen pijn. Je moet de vingers van een chirurg hebben om de haren van elkaar los te maken en te zorgen dat je maar één haartje tussen je vingers hebt voor je het uittrekt. Je moet je goed op de operatie concentreren en daarom kun je niet meer aan andere dingen denken. Je wordt er rustig van. Hij leest een boek over China en zij leest een bundel prozateksten van Ezra Pound, en daar is alles wel mee gezegd. Zij heeft haar schoenen uit en hij heeft ze aan. Venus en Mars, als je het mij vraagt. En ik ben de Aarde, ook al weten zij dat niet. Als ik een bosje haren heb, spoel ik er meestal een paar door de wc en de rest bewaar ik in een potje. Ik weet dat het gevaarlijk is, want als anderen het haar vinden, dan zouden ze het kunnen gebruiken om een pop van mij te maken en dan zouden ze mij voor altijd in hun macht hebben. Als ze de pop verbranden, zou ik doodgaan, verdwijnen. Het oneindige. ‘Wat doe je?’ zegt mamma. ‘Zit niet zo aan jezelf te plukken.’ Ze slaat haar benen over elkaar. ‘Heb je niets te lezen?’Alweer boeken. Ik kan wel gillen. Ik bedoel, ik hou best van boeken maar ik hoef er niet mijn levensdoel van te maken. ‘Ik zit gewoon te denken,’ zeg ik tegen haar. Ze zegt dat ze zenuwachtig van me wordt als ik zo naar haar zit te staren, waarom ga je niet naar bed. Mamma was vroeger mooi, voordat ik haar kende. Ze heeft foto’s om het te bewijzen. Ze was een weergaloze schoonheid, zegt mijn vader. Nu ziet ze eruit alsof ze heeft gehuild, maar dat komt gewoon van het lezen, en ook van het schrijven. De hele tijd maar werkstukken beoordelen en aantekeningen maken. Als ze huilt, dan weet ik er niets van, ik ben niet de per-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

doorgaat, een dikke muur tot in het oneindige. Als ik vastloop

65


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

66

soon om ernaar te vragen. Als ze wilde huilen, zou ik het haar niet kwalijk nemen. Ze heeft redenen genoeg. ‘Wat schrijf je?’ heb ik haar een keer gevraagd. ‘De grote roman,’ antwoordde ze. Ik snapte niet dat ze een grapje maakte. Ik heb heel lang gedacht dat ze misschien echt de grote roman aan het schrijven was en ik vroeg me af wat voor rol ik erin had. ‘Ga naar boven,’ zegt ze. ‘Je moet je haar wassen, wanneer heb je het voor het laatst gewassen?’ Ze vindt het leuk me te kijk te zetten voor mijn vader, die nog altijd mooi is, ik weet ook niet hoe hem dat is gelukt. Het maakt hem niet uit of mijn haar vies is, maar toch, je wilt in bijzijn van iemand als hij niet neergezet worden als een vetklep. Smetteloos, dat is hij, als een kat. ‘Ik heb het gister gewassen,’ zeg ik. Mamma kijkt me aan en knijpt even haar ogen tot van die spleetjes, wat betekent je bent een vieze vuile leugenaar, Mathilda. ‘Welterusten pappa,’ zeg ik terwijl ik de trap op ren. ‘Welterusten,’ zegt hij, ‘droom maar fijn.’ Hij zegt het elke avond maar toch is het goed om te horen. Het is tenminste iets. ‘En was je haar,’ komt mijn moeders stem me alsnog achterna op de trap. Mamma is een rare, ze zegt óf niets óf ze wil het laatste woord hebben. Je weet nooit welke moeder je kunt verwachten en ik kan niet besluiten welke erger is. De laatste tijd was het meestal de zwijgende moeder. Morgen ga ik weer een bord breken. Ik heb het al gepland. Op mijn kamer kijk ik in de spiegel. Het is verbazend dat je elke keer hetzelfde gezicht hebt. Of is het alleen maar bedrog? Want natuurlijk verander je, je gezicht en alles. Elke seconde die verstrijkt ben je iemand anders. Je kunt het niet tegenhou-


in je maag. Wat zal er gebeuren, wie zal je worden? Soms wil ik dat de tijd sneller gaat, zodat ik nu al het gezicht van mijn toekomst zou kunnen hebben. Na de spiegel leg ik een paar velletjes papier en boeken op mijn bureau in een rechte lijn, zodat ze parallel aan de rand liggen. Ik let er ook op dat niets iets anders raakt en dat alles op gelijke afstand van elkaar ligt. Maar ik doe het alleen op het oog, ik gebruik geen liniaal of zoiets. Ik ben er ongeveer een jaar geleden mee begonnen, met dingen in een rechte lijn leggen. Het is net zoiets als dat gepluk aan mijn haar. In feite is het magie tegen het oneindige. Als pappa mijn kamer binnenkomt, zit ik op het bed. Misschien zit ik er al een uur, wie zal het zeggen. ‘Ik was van plan onder de douche te gaan,’ zeg ik. ‘Ik ben het vergeten.’ Hij gaat naast me zitten en probeert me aan te kijken, behalve dat hij daar niet meer zo goed in is. Zijn ogen draaien steeds van me weg, bijna alsof hij bang voor me is. Vroeger aaide hij me over mijn haar, maar dat is eeuwen geleden, toen ik nog klein was. Toch is het fijn, dat we even zo met z’n tweeën naast elkaar zitten. Maar dan steekt zij plotseling haar hoofd om de deur. ‘Ik weet het,’ zeg ik, zonder dat ze iets hoeft te zeggen. Ik weet het, mamma. ‘Gaat het?’ vraagt ze. Maar het is niet eens een echte vraag. Ik wou dat het een echte vraag was, maar dat is het niet. Pappa staat op om weg te gaan en hij aait mijn vieze haren en ik denk dat ik me zou moeten schamen, maar wat kan het me eigenlijk allemaal schelen. Dat hoort bij onuitstaanbaar zijn, dat je overal lak aan hebt. En wat er ook bij hoort is de ge-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

den. De klok tikt, alles is gewoon, maar je voelt een spanning

67


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

68

dachte die plotseling door mijn hoofd schiet. De gedachte dat iemands eigen moeder een pop van haar dochters haren zou kunnen maken en die in het vuur gooien. Ze zou kijken hoe de vlammen de pop verteren en dan lachend naar bed dansen en seks hebben en druppeltjes parfum in de lakens zweten alsof er niets aan de hand was. Ik acht haar ertoe in staat. Maar begrijp me niet verkeerd. Ik hou van haar. Dat is ook een van mijn geheimen. Het punt is, ik kán niet van haar houden, niet in de echte wereld. Want dat zou vernederend voor me zijn. Om van iemand te houden die me minacht, en dat doet ze misschien wel. Je zou eens moeten zien hoe ze soms naar me kijkt. Plus dat ze niet eens een moeder meer is, ze is gewoon een planeet met een gezicht. Pappa heeft tenminste handen. ‘Welterusten mamma,’ zeg ik. ‘Welterusten pappa.’ En ze laten me gewoon alleen en het zal ze verder een zorg zijn. Weg zijn ze, zoef, en waar gaan ze naartoe? Het enige wat ik weet is dat ik niet moe ben en dat ik niet onder die stomme douche ga en dat ik niet voor school een suf boek over de koning en koningin van Spanje ga lezen. Ik blijf gewoon op dit bed zitten en als ik een paar haren uit mijn hoofd wil trekken dan doe ik dat, en niemand die me kan tegenhouden. Zes haren. Bruin, maar als ik ze van dichtbij bekijk zie ik dat ze bij de wortel bijna rood zijn. Als het haar van iemand anders. Als iemand anders binnen in mij, die zich nu als een loot naar buiten begint te wurmen. Daar is helemaal niets engs aan. Ik verwachtte haar zelfs al een tijdje. Ik weet dat je, van waar jij bent, niets kunt zien. Je moet me maar geloven.


Een week geleden is het nieuwe schooljaar begonnen en tot mijn grote blijdschap kan ik melden dat Anna McDougal, mijn beste vriendin, bij mij in de klas zit. In het algemeen is het dit jaar een interessante mix van mensen. Afgezien van Anna speelt geen van hen een rol in het verhaal van mijn leven, maar een lijstje is nooit weg. Ik geef het je met een korte beschrijving. Libby Harris heeft een rampzalige moedervlek op de punt van haar neus. Echt zonde, want ze is heel stilletjes en aardig. Haar vader is advocaat, dus ze zal op een gegeven moment wel naar een plastisch chirurg gaan. Sal Verazzo is zowat de allerdikste persoon hier op school. Zwart haar, mogelijk schoensmeer. Denkt dat hij een rockster is. Compleet gestoord. Sue Fleishman is lang en heeft krullend haar. Ze loopt niet, ze glijdt zo’n beetje over de vloer alsof ze slippers aan heeft. Een idiote manier om je voort te bewegen, maar de jongens zijn weg van haar. Barbara Bradley heeft altijd tussendoortjes bij zich. Ze mag ze onder de les opeten. Het schijnt dat ze een ziekte heeft. Jack Delaney is een bewonderaar van me, maar we hebben nog nooit een woord gewisseld. Hij heeft een shirt met een lompe aap erop. Seksverslaafd, of op de rand van. Mimi Brockton is kreupel! Ik kijk altijd naar haar, ik kan niet genoeg van haar krijgen. Rood haar. Ik weet dat ik niet kreupel mag zeggen, maar het is echt het beste woord. Donna Lavora heeft al een paar keer overgegeven sinds ze bij ons op school zit. Gaat het niet ver brengen in het leven. Max Overmeyer ziet eruit alsof hij in een hut woont. Ruikt

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

tw e e

69


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

70

verkeerd. Waarschijnlijk een slachtoffer van armoede. Eyad Tayssir heeft volmaakt witte tanden maar je ziet ze bijna nooit. Geen lachebek. Uit het Midden-Oosten, ik weet niet precies welk land. Mary Quintas is vast een groot zangtalent maar ik heb beter gehoord. Ze wil een bondje met me sluiten maar ik ben niet ge誰nteresseerd. Lonnie Tyson denkt nog steeds dat hij astronaut wordt. Goede spieren. Carol Benton is de ergste. Verwaand, grote borsten en luidruchtig. Onaantrekkelijk maar door mannen aanbeden. Mag me kennelijk niet. Bruce Sellars is grappig en ze zeggen dat hij kan toveren. Ik heb hem jammer genoeg met Carol Benton zien praten. Chris Bibb, beter bekend als Dribble, kwam gebruind op school terug. Het slaat nergens op bij hem. De beeldschone Anna McDougal natuurlijk. Met wie ik een belangrijke maar stormachtige relatie heb. Hierover later meer. Kelly Graber heeft een slecht gebit. Ik vermoed dat er niet van haar wordt gehouden. Goed in sport. Lisa Mead eet leverworst. Elke dag! Lucas London is heel bleek maar volgens mij geen albino. Als hij praat trillen zijn handen. Hij is net een lammetje. Hij is zo klein dat je hem bijna wilt optillen. Avi Gosh is de enige die slimmer is dan ik. Hij heeft de ogen van een meisje, maar hij is erg overtuigd van zichzelf. Rijk. Draagt soms sandalen. Ik vergeet waarschijnlijk een paar mensen maar als dat zo is zal er wel een reden voor zijn. Sommige mensen zijn net spoken, je kunt ze niet vangen, en als dat wel lukt heb je alleen een vage vlek.


schillende soorten mensen om je heen hebt. Soms kijk ik naar ze en lijkt het net Animal Planet. Ze zijn allemaal springlevend en hongerig en soms wil Sal Verazzo zo dolgraag een verhaal vertellen dat het spuug uit zijn mond spat. En ’s ochtends vlak voor de lessen beginnen, als iedereen door elkaar heen praat, is het net of je een radio ergens tussen de zenders hebt afgestemd. Maar niet tussen twee zenders, eerder tussen honderd. Je kunt geen touw vastknopen aan wat ze zeggen. Je hoort niet eens woorden, het klinkt eerder alsof er bellen uit kolkende modder opstijgen. Als ik er te lang naar luister, gaat het me op de zenuwen werken. Waarschijnlijk klinkt het zo in de hel. Ik heb weleens een film gezien die in de hel speelde, en het was allemaal behoorlijk onbegrijpelijk. Ik moest hem afzetten.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Maar eigenlijk is het waanzinnig dat je elke dag zo veel ver-

71


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

72

Victor Lodato Mathilda Savitch Th ematie k In Mathilda Savitch is het hoofdthema rouw en een van de subthema’s de eenzaamheid die daarmee gepaard gaat. De hoofdpersoon Mathilda probeert haar verdriet om haar overleden zus Helene te verwerken. Haar ouders zijn haar hierbij niet tot hulp omdat ze zelf verstrikt zijn geraakt in hun eigen verdriet. Haar moeder gedraagt zich afwezig en haar vader probeert wel tot Mathilda door te dringen, maar zonder succes. Als de roman begint leeft het gezin al bijna een jaar langs elkaar heen en heeft Mathilda veel vragen over de dood van haar zus. Ze heeft zichzelf wijs gemaakt dat haar zus geen zelfmoord pleegde, maar voor de trein is geduwd. De ontkenning is een begrijpelijke reactie, maar Mathilda dreigt niet verder te komen in het rouwproces omdat ze zo hardnekkig vasthoudt aan deze illusie. Ook haar ouders hebben last van ontkenning: zij weigeren te zien dat het verlies van Helene ook voor Mathilda traumatisch is. Zouden ze dit erkennen dan zou de pijn ondraaglijk worden. Net als bij Mathilda is de ontkenning daarom een overlevingsstrategie. Mathilda besluit op zoek te gaan naar de jongen met wie Helene e-mailcontact had en hoopt van hem antwoorden te krijgen over haar dood. Als ze hem ontmoet en te horen krijgt waarom Helene tot haar laatste daad heeft besloten, vindt Mathilda rust. Haar beslissing om dit niet aan haar ouders te vertellen omdat ze hen niet meer verdriet wil doen is een heel volwassen beslissing voor een meisje van haar leeftijd. Ze neemt daarmee eventjes de zorgtaak van haar ouders over, die daar zelf niet toe in staat zijn. En eindelijk kan ze ook loslaten waar ze zelf mee zat: Helene had haar verteld dat ze een einde aan


Hoewel Mathilda stoer doet, kampt ze met angst en onzekerheid. Deze motieven zien we bijvoorbeeld in de gedachten die ze heeft over terroristen en aanslagen, en haar fantasieÍn over schuilkelders. Als oefening brengt ze zelfs met twee vrienden een nacht in de kelder door: Mathilda probeert zich letterlijk te verschuilen omdat ze een veilig gevoel mist. Hoewel het enigszins lukt om zich te verschuilen voor gevaar van buitenaf, kan ze zich niet schuilhouden van haar eigen verdriet. Omdat Mathilda door haar ouders aan haar lot wordt overgelaten, probeert ze zelf duiding te vinden voor het verlies van Helene en de wereld om haar heen. Zo bekijkt ze de werkelijkheid vaak als een buitenstaander – van een afstandje – door deze te vergelijken met de film. De begrafenis van haar zus vond ze een aanfluiting, want ze had wel eens betere gezien in de film. Mathilda is na de dood van haar zus niet in staat bij haar eigen gevoel te komen en zoekt in films naar gevoel. Maar ook doet ze er alles aan om niet bij dat gevoel te komen. Mathilda houdt zich vaak voor dat ze, net als Orpheus, niet achterom mag kijken. Toch heeft ze dit wel nodig om het heden te accepteren. Mathilda Savitch is daarom niet alleen het verhaal van een kind, al is in de roman een dertienjarige wel de hoofdpersoon. Het besef dat je het verleden niet kan veranderen en dat een leven gewoon doorgaat ondanks soms vreselijke gebeurtenissen, is voor Mathilda een vroeg geleerde les, en voor ons als lezer een waardevolle boodschap.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

haar leven wilde maken, maar Mathilda heeft dit niet serieus genomen. Mathilda kan haar schuldgevoelens een plek geven.

73


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

74

Ge s p r e k s v r age n 1 Waarom denkt Mathilda dat Helene onder de trein

is geduwd? Heeft u tijdens het lezen ook getwijfeld

over de dood van Helene? 2 Welke scènes zijn voor u belangrijk geweest om de

relatie tussen Mathilda en haar ouders duidelijk te maken? Hoe vindt u dat de ouders van Mathilda met

haar omgaan? En hoe vindt u Mathilda hierin? 3 Op pagina 185 staat: ‘De laatste gedachte in het hoofd

van stervende mensen bepaalt waar ze naartoe gaan.’

Dit is een theorie die Mathilda bezighoudt. Wat vindt u van deze theorie? 4 Waarom zegt Mathilda tegen mevrouw Frisk die op

haar komt passen, dat haar ouders haar geslagen hebben? Wat wil ze hiermee bereiken?

5 Volgens Mathilda heeft iedereen twee levens: ‘Je le-

ven tussen de mensen en daarnaast je geheime leven’

(p. 285). In hoeverre bent u het met haar eens?


Helene was een complete aanfluiting’ (p. 41). Hoe

denkt u dat Mathilda de begrafenis van haar zus heeft ervaren? In welke andere passages vergelijkt Mathilda gebeurtenissen met scènes uit films? Hebben deze gebeurtenissen overeenkomsten? 7 In hoeverre rust er in onze maatschappij nog een ta-

boe op zelfmoord? Weet Mathilda dit?

8 ‘Wat ik wel of niet voelde zou helemaal mijn eigen

keus zijn’ (p. 121). Dit zegt Mathilda als ze fantaseert

over kunstbenen. Waarom zegt ze dit? 9 Welke relatie heeft Mathilda met Kevin? Wat denkt

ze bij hem te vinden?

10 Hoe heeft u het perspectief van de roman, geschre-

ven vanuit het oogpunt van een jong meisje, ervaren? Vindt u het een betrouwbaar perspectief?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

6 ‘Ik weet uit films hoe begrafenissen gaan, en die van

75


76 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


De terugkeer van Lupe García De werkloze barman Gono is tot over zijn oren verliefd op Lupe García, die hem inhuurt als haar assistent. Zij wil een documentaire maken over de strijd die haar ouders tegen de rechtse dictatuur voerden. Gono heeft er een dagtaak aan om de boel niet te laten ontsporen, helemaal als het project in een grootscheepse wraakactie dreigt te veranderen. Carolina Trujillo (1970) werd geboren in Uruguay en kwam op haar zesde naar Nederland. In 2002 verscheen haar roman De bastaard van Mal Abrigo, die bekroond werd met de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs. De terugkeer van Lupe García werd bekroon met de

b ng

Nieuwe Literatuurprijs

2009 en genomineerd voor de ak o Literatuurprijs 2009. ‘In korte maar beeldende zinnetjes stevent ze in denderende vaart op de ontknoping af.’ HP /De

Tij d

‘Soms schrijft iemand een boek waarvan de hoofdpersonen bij je blijven, zelfs je vrienden worden. Carolina Trujillo schreef zo’n boek.’ Het

Paroo l

‘Zelden verschijnt er een roman die de lezer zo sterk meevoert met een plot dat steeds heftiger, maar ook steeds hilarischer wordt.’ J u ry

A KO Liter atuurprij s

Paperback 320 blz. | Prijs: €19,95 | ISBN 978 90 290 8349 2

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

C aroli na Tr u jill o

77


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

78

Carolina Trujillo

De terugkeer van Lupe García # 01

m e l k h a l e n vo o r b e g i n n e r s

Lupes rechteroog gaat niet meer helemaal open. Ik merkte het gisteren toen ik haar buiten neerlegde. Overdag wordt het binnen te heet dus breng ik haar naar de schaduw van de eucalyptus op de duin tegenover ons. Daar waait het tenminste een beetje. Terwijl ik haar kampeermatras uitrol ruikt het om ons heen alsof de bossen in brand staan. Lupe heeft hoofdpijn en ik kan hoofdpijn ruiken, het ruikt naar brandend hout. Het is een gave, zeggen ze, de enige die ik heb en het enige waar hij goed voor is, is dat je weet wanneer hoofdpijn wordt gefaket. Dat matrasje is trouwens een van de laatste dingen die ze nog uit Nederland heeft. Laat me niet in slaap vallen, zegt ze steeds. Het klinkt alsof ze me vraagt haar niet dood te laten gaan, maar zelfs ik weet dat slaap geneest. Drie dagen geleden werd ze ziek, aan één stuk door overgeven zonder aanleiding. Wij hadden niks: de Cubaanse, de Belg, het Konijn en ik. Aan het eten kon het niet liggen en nog minder aan het drinken; we hadden lang niet zo veel gedronken als normaal, juist omdat zij ziek werd. De hele nacht die emmer omhelzen. Gisteren was ik er te laat bij. Ik zat naar opnames te kijken die we aan het begin van de zomer gemaakt hadden en vergat de tijd. Toen ik uit het raam keek lagen haar benen tot aan haar dijen in de zon. Ik had haar niet ingesmeerd. Niet dat ik het had gedurfd als ik op het idee was gekomen maar ik zou wel aan de Cubaanse hebben gevraagd of ze het wilde doen (en dan toekijken). In ieder geval zitten Lupes kuiten nu onder de kleine blaasjes. Haar dijen zijn alleen knalrood geworden.


bij staat, helemaal aan de Costa del Diablo. Hier zit zoveel zout in de lucht dat je het niet eens op je eten hoeft te strooien. Vroeger verbrandde je in een uur, nu in tien minuten. Dat komt door het gat in de ozonlaag. Dat is hier op zijn grootst. We hebben zonnestralen met magnetroneffect. Wat huidkanker betreft zijn we doorgedrongen tot de wereldtoptien. Lupe zegt dat het zuidelijk halfrond altijd aan het kortste eind trekt. Ze zal wel gelijk hebben, ik ben nooit op het noordelijk halfrond geweest. De kuiten van Lupe zouden gaan vervellen, maar dat was niet waar ik me het meeste zorgen over maakte. Het probleem was haar rechteroog, elke keer dat ze wakker werd ging het minder ver open dan de keer ervoor. Als ik mij ergens zorgen over maak, hoor ik mijn moeders stem in mijn hoofd: je zorgen maken is niet hetzelfde als zorg dragen. Mijn moeders stem in mijn hoofd, dát is iets om je zorgen over te maken. Lupe weet zelf nog niet dat haar oog niet goed is. Er was altijd maar één spiegel in het huis geweest en niet lang nadat wij er onze intrek namen waren er alleen heel veel kleine spiegeltjes. ‘Doe je ogen eens open,’ zei ik. ‘Wat valt er te zien?’ ‘Kijk me eens aan.’ Ze zuchtte en deed wat ik vroeg. Waarschijnlijk zag ze er slecht uit, maar als ik naar haar keek, zag ik de Lupe van vroeger. Ze zei dat je altijd het kind in de ander blijft zien als je elkaar van jongs af aan kent en dat dat alleen al een reden is om bij je jeugdvrienden te blijven. Toen ik haar vroeg of ze daarom teruggekomen was, lachte ze alleen. Ik had moeten vragen waarom ze wel terug was, dan had ik tenminste nog kunnen maken dat ik wegkwam.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Het was midden op de dag en dan word je hier gebakken waar je

79


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

80

‘Nou?’ vroeg ze en de stem van de Cubaanse antwoordde: ‘Ze lijkt de Chirurg wel.’ Ik schrok, niet omdat ik haar niet aan had horen komen maar omdat ze gelijk had. De Chirurg is onze nieuwe president. Voor het eerst sinds dertig jaar een vrijdenker. Net als alle presidenten belooft hij veel veranderingen, anders dan bij de meeste hangt zijn ene oog half dicht. Bij hem was dat altijd al zo geweest, bij Lupe niet. Ik wilde me niet omdraaien om naar de Cubaanse te kijken. Ik kon haar schaduw zien en dat was genoeg. Haar ene hand rustte op haar heup, in de andere hing losjes een sigaret. ‘Ik ga naar het strand,’ zei ze en haar schaduw gleed bij ons vandaan. Meestal noemen we haar Cuba. Lupe keek me aan. Haar gezicht was zo dicht bij het mijne dat ik haar adem langs mijn huid voelde. ‘Ik zie nog prima...’ zei ze, maar het klonk alsof ze eraan twijfelde. Ik bracht mijn hand naar haar oog. Langzaam, want Lupe deinsde snel terug bij fysieke toenaderingen, niet omdat ze bang was slaag te krijgen, integendeel. ‘Ik ga even kijken,’ zei ik en ik legde mijn duim tegen haar ooglid en tilde het voorzichtig op. ‘Geen pijn?’ Het oog zag er normaal uit. ‘Hoofdpijn,’ zei ze. Toen ik het ooglid losliet zakte het verder dicht dan het andere. Verderop liep de Cubaanse over de duintop richting het strand. Ze had een bikini aan en een minuscuul rokje. Haar benen waren bruin en haar billen kogelrond. Ergens haatte ik haar omdat ze zo onverschillig langs kon lopen terwijl Lupe hondsziek was, maar we wisten allemaal dat dat het beste was wat Cuba kon doen. Elke zieke die ze in haar leven heeft verzorgd, was binnen de kortste keren dood. Ze verzorgt nog steeds graag, maar alleen mensen die ze niet mag. ‘Ik ga naar de winkel,’ zei ik tegen Lupe. Ze was gaan liggen en had


niet te noemen. ‘Melk,’ zei ze. Brood en kaas, noteerde ik alvast. Lupe leeft op melk, brood en kaas, dat is, zegt ze, de Nederlander in haar. ‘Schrijfblokken, als je ze nog hebben wil,’ zei ze. Ik had gedreigd dat ik haar baas in Nederland zou schrijven om te vertellen hoe het er hier aan toe ging, dat ze haar moesten halen of zoiets. Ik zou hem zeggen dat hij op moest houden haar zoveel geld te sturen want ze gebruikte het alleen maar om zich de dood in te jagen. Schrijfblokken. Het was alsof ze me toestemming gaf om te beginnen met schrijven. Ik zocht de lege flessen bij elkaar, ze lagen boven in de kamers, in de keuken, in de tuin. Als we frisdrank wilden kopen bij Supermercado Alegre moesten we lege flessen inleveren, anders kreeg Alegre gelazer met de leverancier. Ik vulde mijn rugzak en wilde verder gaan met een boodschappentas, maar bedacht dat de winkel net zo goed nog steeds dicht kon zijn. Dat de Cubaanse zei dat hij weer open was, gaf geen garantie: nu ze weer wist wat lachen was zou ze mij maar wat graag voor de lol door de streek laten ezelen. Ik deed mijn rugzak om en pakte geld en een paar telefoonkaarten uit het potje. We wisten nooit op welke kaarten nog tikken zaten en welke leeg waren. De Belg kwam de trap af, hij had een sproetig, kinderlijk gezicht en de bouw van een trekpaard. Het enige Belgische dat hij had, waren zijn bijnaam en de herinneringen aan de tien jaar die hij in ballingschap in Antwerpen had doorgebracht. ‘Waar is Cuba?’ vroeg hij. Sinds ze een nieuw gebit had, zat hij achter haar aan als een warmtegeleide raket. Ik antwoordde dat hij de pomp aan moest zetten, er zat nauwelijks water in de tank. Hij stak zijn armen naar voren en vroeg: ‘Hoe?’ Alsof het mijn schuld was dat hij zijn poten had verbrand. Van de

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

beide ogen dicht. ‘Heb je iets nodig?’ vroeg ik, aspirines hoefde ze

81


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

82

vingers tot de ellebogen tweede- en derdegraads. Dat kreeg je als je de held wilde uithangen. ‘Ze is naar het strand,’ zei ik. De pomp was een elektrisch prulletje dat op de bodem van de put in de achtertuin lag. Als je een schakelaar in de keuken indrukte begon het prulletje meteen het weinige water dat er was naar een tank op het dak te pompen. Als je hem na twee minuten niet uitzette raakte de motor oververhit. Als je hem dan nog niet uitdeed begon er rook uit de put te komen en kon je de pomp weggooien omdat het een klomp van gesmolten plastic en verwrongen metalen was geworden. Aan het water had je dan ook niks meer of je moest van de smaak van verbrande kunststof houden. Een keer zei ik tegen Lupe dat van alle dingen die ik kende die pomp het meest op haar leek. Ze vroeg wat het water dan was. Ik antwoordde: ‘Ik.’ We hadden die zomer al twee keer rook uit de waterput zien komen. Over slechte voortekenen gesproken. Ik heb Lupe de bladzijden laten lezen die ik tot nu toe heb geschreven. Ze zegt dat ik wel erg ben afgedwaald. Dat zal wel vaker gebeuren, naast andere slordigheden. Ze heeft beloofd dat ze me gaat helpen. Ik ben barkeeper, geen verteller. Ik heb me gespecialiseerd in cocktails en whisky. Voor het eerstgenoemde heb ik een diploma: cock tails i .

Het tweede drink ik zelf en dat is de reden waarom ik

meestal ontslagen word. Bij het afscheid zeggen ze altijd dat het niet erg is dat ik drink, maar wel dat ik geen grenzen ken. Het enige wat ik van het barmanschap niet kwijt leek te raken, waren de aambeien. De kwaal van mensen die slecht eten, veel drinken en staand werken. Lupe is wel een verteller, filmmaker eigenlijk, gediplomeerd, getalenteerd en met internationale erkenning, maar aan haar heeft niemand wat. Niet nu, in ieder geval.


supermerc ado alegre

Uit de verte zag ik dat de rolluiken onder de afgebladderde letters van Supermercado Alegre weer opgehaald waren, de kisten met groenten en fruit waren niet afgedekt met jutezakken zoals in de dagen daarvoor. Vanuit de schaduw staken de knobbelvoeten van Alegre het zonlicht in, alleen nu vergezeld door krukken. Naast hem stond het tijdschriftenrek. Hij begroette me levendig voor iemand die bont en blauw geslagen was, waarschijnlijk was hij allang blij dat hij de openbare gezondheidszorg had overleefd. ‘Mag je van de dokter weer werken?’ vroeg ik. Zijn dokter was een homo, zei hij, en de zaak moest draaien. In die zaak van hem draaide de ventilator niet eens. Het was zo’n supermarkt waar je niets van kon eten zonder eerst de houdbaarheidsdatum te checken, maar dan moest je wel de datum weten en dat soort kennis ontbeerde ik als Lupe in de buurt was. Ik wilde Alegre een klop op de schouder geven maar hij hield me tegen. Hij schoof zijn hemd een stukje opzij zodat ik kon zien wat daaronder zat: hij droeg een korset, van gips, leek het. ‘Ze hebben een prinsesje van je gemaakt,’ zei ik. ‘Dan heb je mijn ballen nog niet gezien,’ gromde hij met zijn half gesloten kaak. Hij zei dat hij niet kon lopen, hij kon nauwelijks zonder hulp uit zijn stoel komen. ‘Als ik omval,’ zei hij, ‘sterf ik als een schildpad.’ De meeste dingen moest hij twee keer zeggen omdat ik hem amper kon verstaan. Het grootste deel van zijn leven was Alegre soldaat geweest en dat bleef hij toen de staatsgreep was gepleegd. Hij ontsteeg nooit de rang van blind gehoorzamen, dus toen ze hem bevalen een kuil te graven van twee meter lengte en één meter diep, groef hij die. Toen het lijk erin werd gegooid, schepte hij hem dicht en toen de kuilen

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

# 02

83


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

84

tegen het eind van de dictatuur twee keer zo diep moesten worden, groef hij dieper. Vlak na de laatste verkiezingen stapte hij naar de pers. Net als de meesten van ons dacht hij dat we nu een regering hadden die te vertrouwen was en die er in ieder geval voor zou zorgen dat de misdadigers van de junta niet ongestraft bleven rondlopen. ‘Ik heb Elena Q. begraven,’ zei hij, ‘ik kan zo aanwijzen waar ze ligt.’ Elena Q. was een schooljuf die al twintig jaar vermist werd. Haar naam stond nog steeds op muren gekalkt. Ze had internationale bekendheid verworven omdat ze het commando dat haar was komen halen eruit gesprint had. Zij kwam als eerste bij de ambassade van Venezuela aan, sprong over het hek en schreeuwde: ‘Asiel! Ik vraag dit land asiel!’ Onze militairen mochten de tuin van de ambassade niet betreden, maar als het om onze mensen ging deden ze in die tijd waar ze zin in hadden. De lastige gevallen namen ze mee op een vliegtochtje over zee en dan kwamen alleen de piloten terug. Achteraf noemden ze dat doodsvluchten. Wat de internationale grenzen betrof hadden ze al een socialist in Parijs doodgeschoten en een arts in Santiago, dus de tuin van de Venezolaanse ambassade liepen ze in of ze er hun bal kwamen halen. Elena Q. werd aan haar armen en benen ons territorium weer in gesleept. De Venezolaanse ambassadeur hing uit een raam op de tweede verdieping moord en brand te schreeuwen maar dat kon haar niet redden. Venezuela verbrak de diplomatieke banden met ons en van Elena Q. werd nooit meer iets vernomen, tot Alegre met zijn glad gekamde haren in de camera sprak: ‘Ze was al dood toen ze werd uitgeladen. We moesten er ongebluste kalk overheen scheppen. Het waren orders.’ Justitie wilde dat hij zijn verklaring voor de rechtbank zou afleggen. Zelfs de Spaanse pers was in zijn winkel geweest en hij zei trots en


voor was. Hij had zich vergist en het enige dat er nu rijp uitzag was zijn eigen kop. Een paar dagen na de uitzending kreeg hij net na sluitingstijd een pak slaag dat bijna zijn dood werd. De politiewoordvoerder verklaarde op tv dat de politie (nog) niet wist waarom de burger B. Alegre aangevallen was, een overval werd niet uitgesloten. ‘Burger’ had hij hem genoemd. Als ze je hier zo noemen betekent het meestal dat ze je iets gaan afnemen. Alegre kon zijn verklaring voor de rechtbank niet afleggen omdat hij zijn bed nog niet uit mocht. De rechter stuurde een paar bodes naar het ziekenhuis om zijn getuigenis op te nemen, maar hij was zo slecht verstaanbaar dat men besloot de televisieopnames te gebruiken. Ik kon me er wat bij voorstellen, want toen ik hem voor zijn winkel sprak moest ik erg mijn best doen om woorden te onderscheiden in zijn geslis. Hij zei dat het twee mannen waren geweest. Misschien drie. Hij was de winkel aan het sluiten en ze hadden hem zo lang en zo hard geslagen dat hij één was geworden met het asfalt. Hij had een gebroken arm, twee gebroken en twee gescheurde ribben en een kop die eruitzag of ze ermee gevoetbald hadden. Hij was een paar tanden kwijt, zei hij, maar door de zwellingen kon ik dat niet zien. Tupamaro hijo de puta, had hij er een horen zeggen voor zijn trommelvlies ook aan diggelen ging. ‘Helden kunnen alleen bestaan als er lafaards zijn,’ was het laatste dat hij in de camera had gezegd. Dat hij de plek waar Elena Q. begraven lag kon aanwijzen was eigenlijk niet waar, want ze lag op een militaire basis (de dertiende) en daar zou, ondanks persvrijheid en democratie, geen burger binnen kunnen komen. Zeker niet om plekken aan te wijzen waar onverhoopt skeletten konden liggen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

dapper dat hij zeker naar de rechter zou gaan, dat de tijd daar rijp

85


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

86

‘Alles doesh zijn,’ zei hij. Alles deed pijn. ‘Baar ik blijf zissen waar ik zis.’ Ze moesten niet denken dat ze hem klein hadden gekregen. Hij zei het tegen iedereen die het horen wilde. Een van de kranten had die uitspraak als kop gebruikt: ze moeten niet denken dat ze Alegre klein hebben gekregen. Als je hem zag zitten, meer puin dan mens, kon je eraan twijfelen. ‘Ik moet even bellen,’ zei ik en toen hij leek te glimlachen liep ik naar de telefooncel. Mijn moeder heeft ooit op de verpleegstersopleiding gezeten en ik hoopte dat ze me goede raad zou kunnen geven over Lupe. Stomme zak die ik was. De enige goede raad die er was, kon ik zelf ook wel bedenken. ‘Waar ben je?’ vroeg ze toen ik nog maar nauwelijks een lettergreep uitgesproken had. ‘Bij Lupe,’ zei ik. ‘Je moet hier zijn, niet bij haar. Sophia is geweest. Eén juli gaan mijn spullen onder de hamer. Ze hebben de datum vastgesteld. Je moet iets doen, Gono, je kan geen vliegen blijven pappen.’ Lupe heeft nu ook tot hier gelezen. Ze zegt dat ik moet uitleggen dat vliegen pappen hier een uitdrukking is, maar we weten geen van beiden waar het op slaat. ‘Is ze echt langs geweest?’ vroeg ik. Voor we gescheiden waren meed Sophia mijn moeder al en sinds de scheiding mijdt ze de hele straat. ‘Ze heeft een brief laten bezorgen. Van haar advocaat.’ ‘Dus ze is niet geweest?’ ‘Ik heb die brief toch!’ Sophia en ik waren lang genoeg samen geweest om een dochter te krijgen: Sofi. Als ik erg achterliep met de alimentatie stuurde Sophia de advocaat op me af, en als die echt bloeddorstig werd leende ik geld van mijn moeder. Als ik weer een baan had, betaalde ik die


Het was een neerwaartse spiraal. Ik wou dat ik wist wat er ongeveer aan het einde lag en of het zin had om de rechte weg naar beneden te nemen. Ik hoorde mijn moeder een hijs nemen, waarschijnlijk van een joint. ‘Wanneer kom je terug?’ vroeg ze en ze zwoer dat ze me dan zou lynchen. ‘Lupes oog gaat niet goed open,’ zei ik, ‘waardoor kan dat komen?’ ‘Welk oog?’ vroeg ze maar ze wachtte niet op antwoord. ‘Dan moet ze naar een dokter gaan. Ze is een volwassen vrouw, Felipe, je hebt een dochter waar je voor moet zorgen, en een moeder. Heeft ze hoofdpijn?’ ‘Ja,’ zei ik. ‘De politie is geweest,’ zei mijn moeder. ‘Heeft Lupe problemen? Ze zochten iemand uit Nederland.’ Ze hadden alleen bij het voorhuis aangebeld. Mijn moeder had ze zelf niet gesproken, dus ze wist verder niet waar het over ging. Als er politie in de straat was draaide mijn moeder alle sloten dicht, als ze de binnenplaats op kwamen moesten we meteen alle wiet door de wc spoelen. We hadden dat al twee keer gedaan. De eerste keer dat mijn moeder opgepakt werd, was ik nog maar een baby. Ze rookte toen nog niet, maar ze was links en liet zich de mond niet snoeren. Haar vader zorgde ervoor dat ze vrijgelaten werd. De Napolitaan noemden ze hem: mijn opa. Als hij mij op straat zou zien, zou hij me niet herkennen. Mijn moeder had folders met linkse vrijdenkerij rondgedeeld op de universiteit. Eén telefoontje van hem was voldoende geweest om haar uit de cel te krijgen. De tweede keer dat ze werd meegenomen, liep ze met een kinder-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

schuld aan haar af en raakte ik alsnog achter met de alimentatie.

87


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

88

wagen vol illegaal gedrukte kranten door de wijk, daarbovenop lag ik mijn luiers te bevuilen. Die keer was de staatsgreep al gepleegd en moest de Napolitaan persoonlijk naar het politiebureau om haar vrij te krijgen. De derde keer kwam hij pas een paar dagen later opdagen, toen ze haar al naar barakken buiten de stad hadden gebracht. Toen ze hem vroeg waarom hij er zo lang over had gedaan, zei hij dat ze een lesje nodig had: of het was afgelopen met dat linkse gesodemieter, of ze kon er de volgende keer in stikken. Mijn moeder vertelt dat vaak als ze te veel gedronken heeft. ‘Ze heeft het aan zichzelf te danken,’ zei mijn moeder over Lupe en ze vroeg hoe laat ze me thuis kon verwachten. Ze wist misschien niet hoe ver ik van huis was, maar kon wel raden dat ik blut was en een lege tank had. Mijn moeder had altijd gezegd dat Lupe de enige van ons allemaal was die de moeite waard was. Wij waren in ieder geval Cuba, de Belg en ikzelf, maar eigenlijk elke vriend die ik gehad heb. Allemaal nietsnutten, zei ze, die alleen maar in de weg liepen en niets dan problemen brachten. Nu hoorde Lupe daar ook bij. Ik keek naar de stand van de zon. Alegre zat grijnzend in de schaduw mee te luisteren. Dat deed hij altijd als mensen de telefooncel gebruikten. Mijn moeder bleef eisen stellen en dreigen dat ze zelfmoord zou plegen of een moord zou begaan, of beide. ‘Wat kan ze hebben?’ vroeg ik toen ze stopte om weer een hijs te nemen. ‘Wie?’ vroeg mijn moeder. ‘Lupe, ma. Haar oog hangt half dicht. Echt waar. Ik maak me zorgen.’ ‘Weet ik veel,’ zuchtte ze. ‘Heeft ze er een klap op gekregen?’ ‘Nee,’ zei ik en ik wilde beschrijven hoe het eruitzag, maar ik kwam niet verder dan ‘haar oog’.


zich zorgen.’ ‘Hij is hier, ja.’ ‘Je zei dat haar oog dicht was?’ Ik knikte en zei ‘half’. ‘Misschien heeft ze een ontsteking.’ ‘Het ziet er niet rood uit.’ Mijn moeder zuchtte. ‘Kan ze ermee zien? Ze moet naar de dokter gaan. Eigenlijk heeft ze erom gevraagd. Jij moet naar huis komen. Waar zit je eigenlijk?’ ‘Heb je Sofi gezien?’ vroeg ik. Als ik Sofi’s naam uitsprak verwachtte ik ergens dat ze op zou duiken. Dat gebeurde nooit, dus miste ik haar alleen maar erger. Sofi is mijn dochter. Ze is acht, bijna negen en ik zie haar maar weinig. Mijn moeder ziet haar helemaal nooit en ze heeft meer dan eens gezegd dat ik alleen naar Sofi vroeg om een schijn van vaderschap op te houden. Toch bleef ik het doen. ‘Als die zak stront bij haar is, kan jij toch weg?’ riep ze en begon weer over mijn verantwoordelijkheden en mijn gebrek aan ruggengraat. Ik leunde tegen de telefooncel. Ik had nooit moeten bellen. ‘Ik moet ophangen,’ zei ik. ‘Ze is echt ziek, ma.’ Mijn vinger lag al op de haak. ‘Ik ben ook ziek,’ riep mijn moeder. ‘Van verdriet! Je komt vandaag. Hoor je me?’ Mijn moeder is geen kwaad mens, maar aan de telefoon lijkt ze nog het meest op een aap met een machinegeweer.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Anastasia is hier geweest. Ze zocht de Belg. Is die bij jullie? Ze maakt

89


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

90

Carolina Trujillo De terugkeer van Lupe García Th ematie k In De terugkeer van Lupe García staan de wil tot overleven en het nemen van wraak centraal. De personages Lupe, Gono, Cuba en de Belg zijn stuk voor stuk slachtoffers van de wrede dictatuur die hun jeugd heeft gekleurd. Als kinderen stonden zij machteloos aan de zijlijn terwijl hun ouders werden opgepakt, gemarteld, verkracht of het land moesten ontvluchten. Ze zijn getraumatiseerd door de periode waarin ze moesten aarden in een nieuw land of moesten leven met een vader achter de tralies. Het leed dat hen is aangedaan is groot, Gono noemt dit ‘blikschade’: de angst in de ogen van mensen die beseffen dat ze zijn overgeleverd aan de grillen van een ander en de moed hebben opgegeven. Naast deze emotionele schade zijn de hoofdpersonen ook letterlijk beschadigd: iedereen heeft een kwaal die niet zomaar geneest. Zo heeft Lupe voortdurend last van haar oog, heeft Gono aambeien en mist Cuba een stel voortanden. Hoofdpersoon Lupe is journalist en wil de rest van de wereld tonen hoezeer haar land heeft geleden onder de militaire junta. Daarom maakt ze met hulp van haar vrienden een documentaire over de Penal, de gevangenis waarin haar vader jarenlang opgesloten zat. Ze komen hiervoor samen in de kleine Penal, het huis van Lupes vader. Na een jarenlange gevangenschap is het deze man niet gelukt het verleden los te laten en heeft hij de beruchte gevangenis in het klein nagebouwd. Niet alleen is het voor Lupe’s vader onmogelijk om het verleden los te laten, ook voor de andere personages is dit een belangrijk thema.


Onder de invloed van drugs, een terugkerend motief in de roman, spelen Lupe en haar vrienden voor eigen rechter en gaan ze op zoek naar de beulen die op hun lijst staan. Deze mensen worden aangesproken met de schuilnaam die ze ten tijde van de junta hadden: het Konijn, het Kind, de Beer. Het is opvallend dat niet alleen de beulen maar ook de jongeren bijnamen hebben. Terwijl de voormalige junta-aanhangers hun identiteit proberen te verbergen, staan bij Lupe en haar vrienden de bijnamen symbool voor het feit dat ze nog altijd op zoek zijn naar hun ware identiteit. De namen verwijzen voor een deel naar het feit dat hun wortels niet geheel in een land liggen: Cuba en de Belg zijn vernoemd naar de landen waar zij grotendeels opgroeiden, en ook Lupe leeft met een been in Nederland. De bijnamen en de escalerende gebeurtenissen herinneren ons eraan dat deze jongeren niet alleen worstelen met het verleden maar ook met hun eigen identiteit.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Omdat Lupe en haar vrienden definitief willen afrekenen met het verleden besluiten ze met de film wraak te nemen op de bewakers en martelaars van hun ouders. De wraak die zij bedenken beschouwen zij niet als moreel verwerpelijk maar als een logisch gevolg van de omstandigheden waarin zij opgroeiden. Ze zoeken gerechtigheid, en zijn zodanig getraumatiseerd dat ze niet meer objectief kunnen nadenken hierover. Hun vaderland is inmiddels politiek stabiel maar het verleden blijft op deze manier doorwerken in het heden. Omdat hun emotionele trauma zo groot is lukt het Lupe en de anderen niet om hun daden in een hedendaags democratisch perspectief – waarin deze wraak niet past – te zien. De lezer ziet hoe de jonge slachtoffers veranderen in daders.

91


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

92

Ge s p r e k s v r age n 1 In deze roman is de verteltoon licht terwijl de gebeur-

tenissen soms gruwelijk zijn. Hoe vindt u dat? En hoe krijgt Carolina Trujillo dit voor elkaar, denkt u?

2 “Wij hadden tenminste nog een vijand,’ hoorde ik

Anastasia nog zeggen, ‘jullie vechten alleen tegen jezelf’’ (p. 284). Heeft Cuba’s moeder gelijk met deze opmerking? Wat is het verschil tussen vechten tegen je land en tegen jezelf?

3 In de roman wordt duidelijk dat Gono zijn aanteke-

ningen over wat hij met Lupe en zijn vrienden meemaakt, door Lupe laat lezen. Hij voegt er op haar aandringen vaak nog iets aan toe. Wat heeft zij op zijn teksten aan te merken? In hoeverre is dit relevant voor de lezer?

4 Gono schrijft: ‘Dat je mensen had die er geen benul

van hadden dat ze liepen maar wel altijd op de juiste weg zaten, en dat ik tot het soort mensen behoorde dat constant verdwaalde maar dat altijd wel wist welke weg andere mensen moesten volgen. Lupe was ontspoord’ (p. 182). In hoeverre bent u het eens met het beeld dat Gono van zichzelf en van Lupe schetst? Tot welke van deze twee soorten mensen zou u zichzelf rekenen?


gemonteerde minuut weinig dingen bleven zoals ze werkelijk waren gebeurd.’ Dit is een conclusie van Gono. Hij krijgt als antwoord: ‘Dat is geen bedrog,’ verdedigde Lupe zich, ‘dat is televisie’ (p. 102). Denkt u dat documentaires een juist beeld geven van de werkelijkheid? In welke mate word je als kijker gemanipuleerd, denkt u? Hoe gebeurt dit volgens u?

6 De personages komen tot verschillende gruwelijke

daden. Dit gebeurt vaak onder de invloed van drugs. Hoe vindt u dit? Hoe staat u tegenover het gebruik van drugs?

7 Gono gijzelt schoolkinderen. Had u dit van hem verwacht

en vindt u dit passen bij zijn karakter? In hoeverre worden zijn daden gekleurd door zijn liefde voor Lupe?

8 In de roman vindt een morele verschuiving plaats.

De slachtoffers worden daders. In hoeverre kunt u zich inleven in hun daden?

9 Is na het lezen van deze roman terrorisme voor u be-

ter te begrijpen?

10 Lupe woonde een groot deel van haar leven in Neder-

land. Zou ze anders hebben gehandeld als ze altijd in haar vaderland was gebleven? Oordeelt ze hierdoor objectiever of juist niet?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

5 ‘Wat ik ook begreep was dat er aan het eind van een

93


94 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

95

Colofon Deze literatuurgids is een uitgave van J.M. Meulenhoff, Herengracht 507, 1017 BV Amsterdam, tel. 020-55 33 500, www.meulenhoff.nl REDACTIE Jacandra van den Broek (Boekentaal), Sandra Faneker, Madelon van den Hurk VORMGEVING d p s , Amsterdam Voor verkoopinformatie, opmerkingen of vragen kunt u terecht bij Jeroen Tilma: jtilma@meulenhoffboekerij.nl Deze gids is met zorg samengesteld. Uitgeverij Meulenhoff is echter niet aansprakelijk voor fouten of onjuistheden die in de tekst per abuis zijn opgenomen.


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

96

Op zoek naar goede boeken? Meer weten over toonaangevende auteurs? Inschrijven voor onze nieuwsbrief?

Ga naar www.meulenhoff.nl


De terugkeer van Lupe García is een even geestige als ontroerende roman geschreven in een filmische, wervelende stijl. Het boek is bekroond met de bng Nieuwe Literatuurprijs. ‘Soms schrijft iemand een boek waarvan de hoofdpersonen bij je blijven, zelfs je vrienden worden. Carolina Trujillo schreef zo’n boek.’ Het Parool

Het labyrint van Luanda is een juweel van José Eduardo Agualusa: poëtisch en precies, vol muziek en amusement, maar ook een aangrijpend verhaal over angst en verlies. ‘Agualusa weet vernuftig vertelkunst en fantasie te combineren.’ NRC Handelsblad

Februari is een roman over liefde en verlies, over hoe je een nieuwe start moet maken zonder het verleden te vergeten. Het is een sprankelend, virtuoos en ontroerend boek. Februari is een grote kanshebber voor de Man Booker Prize. ‘Prachtige, poëtische roman over wat een ramp in een familie aanricht.’ NRC Handelsblad

In het tragikomische boek De eenzame polygamist worstelen de personages van Udall met hun behoefte aan liefde en hun verlangen om ergens bij te horen. ‘Een buitengewoon boek, tegelijkertijd geestig en op een sublieme manier catastrofaal.’ Publishers Weekly

Mathilda Savitch is een onvergetelijk personage: wereldwijs, kwetsbaar, sprankelend, oerkomisch en, uiteindelijk, ontroerend en hartverscheurend. Wie dit boek eenmaal heeft opgepakt, raakt onherroepelijk verslaafd. ‘Een grootse roman. Uw hoofd, hart en oor moeten kennismaken met Mathilda Savitch.’ The Globe and Mail

Literatuur Meulenhoff Zomer 2010  

In de literatuurgids vindt u 5 zeer bijzondere romans van Zomer 2010.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you