Page 1

Bijzondere literatuur in beeld Boordevol leesfragmenten en gespreksvragen


l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

1


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

2

Inh ou d

Sabina Berman, Zeedieren zijn stille wezens

4

• Fragment

6

• Thematiek

• Gespreksvragen

18 20

Jens Christian Grøndahl, Dat weet je niet

22

• Fragment

24

• Thematiek

36

• Gespreksvragen

38

Laurent Binet, HhhH

40

• Fragment

42

• Thematiek

54

• Gespreksvragen

56

Kéthévane Davrichewy, De eindeloze zee

58

• Fragment

60

• Thematiek

72

• Gespreksvragen

74

Kyung-sook Shin, Waar is onze moeder

76

• Fragment

78

• Thematiek

92

• Gespreksvragen

94


Het is een genot geweest om voor de tweede keer deze literatuurgids voor u te maken. Dankzij grote vraag naar de eerste literatuurgids vorig jaar besloten we bij Meulenhoff opnieuw vijf bijzondere boeken te selecteren en daarvan alvast een voorproefje te bundelen. De vijf romans in deze gids raken vele verschillende aspecten van de literatuur. Van liefdesgeschiedenissen, ballingschap, vragen over identiteit en moederschap, vragen over zijn en bewustzijn, de scheiding tussen feit en fictie en de verantwoordelijkheid van een schrijver. Allerlei thema’s komen langs, allemaal in geweldige verhaallijnen met indrukwekkende personages. De titelselectie is zeer gevarieerd, en wij geloven dat deze boeken allemaal een bijzonder plek verdienen in uw boekenkast, maar ook vooral bij uw leesclub. Geniet alvast van de fragmenten. En indien de titels u daarna nog meer aanspreken, dan hopen we dat de vragen en de thematische analyses u zullen aanmoedigen tot het voeren van de geanimeerde gesprekken waartoe deze romans verleiden. Want een goed boek waar niet over wordt gesproken, is een absolute verspilling. Vriendelijke groet, Maaike le Noble, Uitgever Meulenhoff

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Beste lezer,

3


4

| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Zeedieren zijn stille wezens Isabelle Nieto doet in het huis van haar overleden zus een aangrijpende ontdekking: ze vindt een totaal verwilderd en verwaarloosd kind, Karen. Met veel geduld verandert Isabelle het leven van dit eigenaardig meisje, dat liever met zeedieren dan met mensen omgaat. Net als het lijkt of Karen voor altijd door haar afwijkende ideeën en gedrag zal worden beperkt neemt haar leven een onverwachte wending. Sabina Berman (Mexico, 1954) won in haar thuisland al vier keer de Nationale Theaterprijs. Ook kreeg ze de Nationale Journalistiekprijs voor een verzameling interviews. De veelzijdige Berman schrijft naast theaterstukken, gedichten en filmscenario’s ook veelvuldig voor kranten en tijdschriften. ‘Overdonderende mix van humor, ontroering en gortdroge observaties.’

C o s m o p o li ta n

‘Een ontwapenend boek.’

Re d

‘Berman brengt haar stugge heldin glansrijk tot leven in deze diervriendelijke avonturenroman.’

Op z ij

Oorspronkelijke titel: La mujer que buceó en el corazon del mundo Vertaling: Arie van der Wal | Paperback: 271 BLZ. | Prijs: €18,95 ISBN: 9789029086820

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Sabi na Be r m a n

5


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

S a bi n a Be r m a n

Zeedieren zijn stille wezens 1 ... de zee... ... het witte zandstrand... De zee met schitteringen van het zonlicht tot aan de horizon. Dan het witte strand, waarop de golven schuimend stukslaan. En daarna, aan de hemel, zo’n felle zon dat het witte licht zich tot ver buiten haar omtrek uitstrekt. Ik heb dorst. Ik houd op met schrijven om een glas water te drinken.

6

En dan, plotseling, op een dag, een klein meisje op een rode doek in het witte zand, de knieën tegen haar borst, met kousen en sandalen aan, een haveloos, mager meisje dat heen en weer wiegt en in mezelf mompelt: Ik. Keer op keer: Ik. Ik. Een mager meisje in een wijd wit t-shirt dat opbolt in de wind, de benen gebogen, de knieën tegen haar borst. Een meisje dat tegen de wind en de zee prevelt: Ik. Ik. Dan verheft zich een heel hoge golf en door het lawaai van het stukslaan op het strand raakt het meisje zichzelf kwijt, ze verdwijnt, is er niet meer, waar is die Ik gebleven? Die broze, door woorden gevormde constructie is opgelost en in de ontstane ruimte blijft een enorm Niet Ik over: de zee. Ik ga nog een glas water halen.


t-shirt

tot op haar dijen, tegen de wind in bij de hand, spreidt

een rode doek uit in het zand, zet het meisje erop en zegt tegen haar wat ze moet zeggen. Steeds weer. Ik. Ik. Dit gebeurt verschillende keren, elke middag van elke dag. Dit in het zand gaan zitten wiegen en Ik zeggen en dit weggevaagd worden door het bulderen van de golf die stukslaat op het strand en uiteenvalt in het schuim dat zich razendsnel verspreidt over het zand. Tante Isabelle zou me later vertellen dat ze vanuit Berkeley, Californië, aankwam in Mazatlán, Sinaloa, om haar erfenis in bezit te nemen, een tonijnfabriek met de naam Consuelo Tonijnen. ‘Troost Tonijnen’, de slechts denkbare naam voor een visfabriek, zo zou een marketingexpert ons jaren later vertellen. Op een dag stapte tante Isabelle, gekleed in een witte linnen broek en blouse, met een breedgerande strohoed en een grote zonnebril op, uit een vliegtuig dat glinsterde in de zon en, met haar rechterhand in haar nek om te voorkomen dat de breedgerande strohoed zou afwaaien, stak ze de landingsbaan van het kleine vliegveld van Mazatlán over. En van het vliegveld ging ze rechtstreeks naar de tonijnfabriek. Haar erfenis werd geschat op ettelijke miljoenen dollars. De fabriek besloeg 2 complete blokken, bestaande uit 2 enorme betonnen constructies en een glazen bijgebouw, en strekte zich uit van de straat tot aan de bijbehorende aanlegplaatsen, 4 even7 wijdige steigers waarbij 20 tonijnschepen voor anker lagen te dobberen. Mijn tante verafschuwde de fabriek. Die geur van salpeter vermengd met de rottingslucht van dode vissen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Iemand neemt haar, het haveloze, magere meisje met het witte

7


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

8

Volledig in wit linnen gekleed ging ze het eerste blok beton zonder ramen binnen en bleef staan bij een van de werktafels waar de arbeidsters onder het gezoem van een wolk vliegen en over een lengte van 8 tafels bezig waren de tonijnen methodisch van hun ingewanden te ontdoen. Ze richtte haar blik liever op de wolk vliegen en vroeg: ‘Waarom spuiten jullie in vredesnaam geen insecticide?’ ‘Omdat,’ antwoordde haar gids, ‘de chemische stoffen dan in de tonijnen zouden trekken, mevrouw.’ Toen waagde ze het naar beneden te kijken. Op de tafels ontdeden de arbeidsters de tonijnen methodisch van hun ingewanden. Eentje sneed een tonijn langs de zijkant met een machete open, alsof het een ritssluiting was. Daarna schoof ze de vis door naar de volgende arbeidster, die er allebei haar tot de ellebogen met roze latex gehandschoende handen in stopte om er in één ruk de ingewanden uit te trekken en die op de hoop rode, roze en paarse visresten te gooien die voor de tafel op de grond lag. De derde sneed met één haal van haar machete de kop eraf en wierp die in een bak naast zich. Walgend bedekte tante Isabelle haar mond en haastte zich op haar witte sandalen met houten hakken over de met schuimige roze plassen bedekte vloer, zeewater vermengd met tonijnenbloed, naar de toiletruimte, waar 100 vliegen rondgonsden en de geur van dode vis zich voegde bij de geur van verse stront, en nog voordat ze een van de wc’s had kunnen bereiken, gaf ze over in een wasbak. Maar het ergste moest nog komen voor mijn elegante tante Isabelle. Een taxi bracht haar via een dorp met kleine cementen huisjes en geasfalteerde straten vol gaten, asfalt dat als staal blik-


vader, de grootvader van mijn tante, had geërfd. Achter een patio met dor, vergeeld gras en reusachtige palmen met lange, droge en slap neerhangende bladeren lag het twee verdiepingen tellende witte paleisje in Franse stijl, met fiere kantelen aan de bovenrand, erbij als een ruïne. Een paleisje met zwart-wit geblokte marmeren vloeren, waar het altijd koel was, maar met ingestorte plafonds, stalen steunbalken die vrij in de lucht hingen en ramen zonder glas of met barsten in het glas, en kapotte houten luiken. Een Frans paleisje, in de negentiende eeuw gebouwd door mijn overgrootvader, de oprichter van Consuelo Tonijnen. In de echtelijke slaapkamer, met een groot raam dat uitkeek op zee, waren de 2 matrassen van het ruime tweepersoonsbed volledig vergaan en in een ervan zat in het midden een gat, de krater van wat veranderd was in een mierennest van rode mieren die in gelid langs de 4 poten van het bed naar beneden liepen, onder 4 deuren door kropen en via 4 gangen de 12 slaapkamers op de eerste verdieping binnendrongen. Vandaar dat mijn tante die eerste nacht in een hangmat sliep, opgehangen tussen twee Dorische zuilen in de woonkamer, vlak bij een ander groot raam zonder glas dat ook weer uitkeek op zee. En in haar halfslaap, zo vertelde tante Isabelle me later, hoorde ze plotseling voetstappen en daarna voelde ze iemands adem in haar gezicht. Hevig geschrokken opende ze haar ogen en daar was dat wezen met verward haar dat de helft van haar gezicht bedekte. Het was een donker, naakt schepsel met grote ogen die door haar ragebol heen schemerden, iets wilds en woests dat haar strak aankeek. ‘Wie ben jij?’ mompelde tante Isabelle.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

kerde in de felle zon, naar het huis dat ze van mijn overgroot-

9


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

10

En het ding deinsde 2 stappen terug. Tante Isabelle sprong snel uit de hangmat en het ding deinsde nog 2 stappen terug. Tante Isabelle deed 2 stappen naar voren en het schepsel begon te rennen, want ze was banger voor tante Isabelle dan tante Isabelle voor haar. Tante Isabelle zag haar als een schaduw tegen de donkerblauwe lucht de trap naar de kelder af rennen en hoorde haar de houten deur vergrendelen, daarna hoorde ze een enorm kabaal van dingen die tegen de keldermuren werden gesmeten, een kabaal dat, aldus tante Isabelle, 2 tot 3 uur aanhield, soms vermengd met verschrikkelijk gebrul dat haar geen moment rust gunde: ze haalde een fles whisky uit haar koffer, ging in de hangmat liggen en dronk met grote slokken de halve fles leeg en zelfs toen kon ze de slaap niet vatten, totdat het lawaai tegen de ochtend eindelijk ophield, na een laatste brul en een laatste harde klap. Toen ze wakker werd, weerkaatsten de marmeren vloer en de witte muren het licht van het middaguur en klonk er een dof ratelend geluid uit de keuken. Dat was de Dikke, de dienstbode in huis, die koffiebonen aan het malen was. De 2 vrouwen begroetten elkaar, de Dikke deed de gemalen koffie in een kan met pas gekookt water, schonk de koffie via een filter in 2 mokken, alles in stilte, en hoewel ze elkaar alleen kenden via verhalen van derden, gingen de 2 vrouwen aan tafel zitten en begonnen onmiddellijk een lijst op te stellen van de dingen die nodig waren in huis. De levensmiddelen en de dringend noodzakelijke schoonmaakspullen, en de lijst van mensen die ze in dienst zouden moeten nemen. Een tuinman, een huisknecht en een chauffeur


marmeren vloeren te polijsten voor 1 maand en voor 2 maanden 12 bouwvakkers om de muren op te knappen, glas te zetten en de meubels naar binnen te dragen zodra die met een trailer werden gebracht. Op een gegeven moment stond tante op van tafel, stak een sigaret op, leunde tegen het fornuis en vertelde de Dikke over haar ontmoeting van de vorige nacht met het ding. ‘Ah, het meisje,’ zei de Dikke, zachtjes grinnikend. ‘Het meisje?’ ‘Ze woont hier. Hebben ze u dat niet verteld?’ ‘Wie had dat tegen me moeten zeggen?’ ‘Nou, uw zus,’ de Dikke grinnikte nog steeds. ‘Is uw zus echt vergeten u over het meisje te vertellen?’ ‘Ik heb mijn zus niet meer gesproken voordat ze stierf,’ zei mijn tante. ‘We hadden geen contact meer met elkaar.’ ‘Ah, vandaar.’ ‘En waarom woont het meisje hier?’ De Dikke dacht even na voordat ze antwoordde: ‘Uit naastenliefde, denk ik.’ Aan de muur van de keuken hing een machete aan een spijker. Tante Isabelle pakte hem en liep met de Dikke de trap af naar de kelder, waar zich achter de deur een donkere, stinkende opslagruimte bevond. Het lag er bezaaid met stukken hout, meubelonderdelen en kapotte flessen en toen ze een hoek om ging, werd ze verblind door het licht: in een muur zat een groot helder gat dat uitkwam op een door planken afgebakend stuk zee, en in de verste hoek stond, met de zee tot aan haar middel, mager als een zwarte lijn in het turkoois blauwe water, het ding. Het ding dook onder en kwam weer boven met iets trillends en roods in haar hand, een rode vis die meteen weer uit haar

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

in vaste dienst, een mierenverdelger voor 1 week, iemand om de

11


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

12

hand glipte en in het water viel. Ze konden haar horen schaterlachen. ‘Ze maakt een tevreden indruk,’ zei mijn tante. ‘O ja. Ze is ofwel gelukkig ofwel kwaad ofwel volledig afwezig. Een andere stemming kent ze niet. Zal ik haar roepen?’ ‘Ja, doe maar.’ De Dikke bracht 2 vingers naar haar mond en floot als een ezeldrijver. Het donkere meisje draaide zich om en zag hen. Heel langzaam kwam ze naar hen toe gelopen. Maar na elke 3 stappen bleef ze geschrokken staan. ‘Ze kan niet praten,’ informeerde de Dikke, ‘ze gromt alleen maar. Ze eet niet met bestek, maar met haar handen, alles wat je haar geeft, of anders nat zand. Ze zit de hele dag in haar grot in de kelder of in haar kleine stukje zee, altijd in haar nakie. En ze is bang voor iedere menselijke aanwezigheid, behalve voor mij, bij mij is ze heel gedwee.’ De Dikke glimlachte toen ze zei: ‘Zo gedwee als een lammetje.’ In opdracht van mijn tante waste de Dikke het meisje in de marmeren badkuip in de echtelijke slaapkamer. Ze boende haar net zo lang met een schrobber en groene zeep totdat onder de korst van vuil een roze huid tevoorschijn kwam. De dichte, stugge haardos zat zo in de war dat mijn tante er maar van afzag er model in aan te brengen en bevel gaf het tot op de schedel af te knippen, waarna mijn tante zelf het hoofd met een scheermes kaalschoor, terwijl het ding afwezig zat te kwijlen in de waterdamp die opsteeg uit de badkuip. Ze haalden haar zo, kaal en naakt, uit de badkuip, veegden het kwijl van haar mond en zetten haar op een bank: haar


ze, je kon haar ribben tellen, en de nagels van haar vingers en tenen krulden op als slakken. Om ze te knippen moesten ze een tang gebruiken waarmee elektriciens koperdraad doorknippen. Mijn tante bleef naar het nu kale, schone, naar groene zeep geurende en afwezig in het niets starende ding staan kijken en op dat moment ontdekte ze op haar rug een oude wond, die van haar rechterschouder helemaal tot de linkerkant van haar taille liep. Op haar linkerdij ontdekte ze bovendien een groot litteken. En op haar rechterarm, evenals op haar linkerarm, verscheidene ronde littekens. Ze huiverde van afschuw. En haar ogen ontmoetten de in het niets starende ogen van het meisje. Ze waren groen. Lichtgroen. Net als die van mijn tante. Mijn tante stak een sigaret op en liet de Dikke naar de echtelijke slaapkamer komen. ‘Zeg, Dikke, vertel nog eens waarom dit ding hier eigenlijk woont.’ ‘Om eerlijk te zijn, ik zou het niet weten. De mensen die ernaar vroegen, heb ik altijd verteld dat het is omdat uw zus medelijden met haar had.’ ‘En hoe lang woont ze hier al, zei je?’ ‘Haar hele leven, voor zover ik weet. Toen ik hier kwam was ze al in huis. Of liever gezegd, beneden in de kelder en in haar afgebakende stukje zee, en als er bezoek was, moest ik haar van uw zus naar de houtopslag brengen, helemaal achter in de tuin, zodat niemand de herrie zou horen als ze kwaad werd.’ Tante Isabelle blies traag de sigarettenrook in de lucht. ‘En werd ze geslagen?’ vroeg ze.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

knieën hadden dezelfde omvang als haar dijen, zo mager was

13


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

14

‘Door uw zus?’ ‘Of door u. Of door iemand anders. Kunt u me vertellen hoe ze aan die wonden komt?’ ‘Niet van mij,’ verdedigde de Dikke zich. ‘Van mijn zus dan?’ wilde mijn tante weten. ‘Er waren dagen dat mevrouw haar sloeg,’ zei de Dikke, wegkijkend. ‘Dan sloot ze haar op in een kamer en sloeg haar met een riem, met de kant van de gesp, ik hoorde het meisje alleen maar schreeuwen en ging verder met koken, wat kon ik anders?’ Tante Isabelle bleef rokend door het grote raam naar de zee staan kijken. De Dikke vervolgde: ‘Het meisje is achterlijk geboren, ik denk dat het daarom was.’ ‘Achterlijk?’ ‘Onnozel. U weet wel, zwakbegaafd.’ ‘En daarom...?’ ‘Daarom werd uw zus wanhopig van haar en daarom sloeg ze haar en daarom hield ze haar haar hele leven opgesloten.’ ‘Maar dat zijn brandplekken,’ zei mijn tante. ‘Een meisje slaan is al verschrikkelijk, maar haar verbranden: iemand die een meisje verbrandt, zouden ze moeten opsluiten.’ De Dikke hield haar lippen stijf op elkaar. Daarna mompelde ze: ‘Wat zal ik zeggen. Als je de hele tijd op de grond slaapt zoals het meisje, kun je gebeten worden door kakkerlakken. Een deel van de littekens kunnen daarvan zijn.’ Mijn tante zuchtte. Ze had nog een vraag: ‘Toen mijn zus op sterven lag, heeft ze toen het meisje laten komen om afscheid van haar te nemen?’ De Dikke sloeg haar ogen neer: ‘Uw zus was erg hard, neemt u me niet kwalijk dat ik het zeg. Uw zus is alleen gestorven. Na


eerst zette ze het ene been neer en een hele poos later het andere, haar handen waren helemaal verkrampt en zelfs ademhalen kostte haar moeite, en dus heeft ze zich door 2 knechten van de tonijnfabriek in haar jeep laten zetten en is ze de bergen in gereden. De politie zei later dat de sporen op de weg erop wezen dat ze in een heel scherpe bocht rechtdoor is gereden, alsof de weg gewoon doorliep.’ Mijn tante vroeg haar verder te gaan. ‘Wel, er valt niet veel meer te vertellen. Een hele tijd later vonden ze haar geraamte op de bodem van een ravijn, tussen de nopalcactussen, en dan ook nog alleen haar beenderen. En niet eens allemaal. De ribbenkast, de schedel, de botten van haar armen, de botjes van de vingers van een hand. Meer niet. Het vlees zal wel zijn opgegeten door de gieren, en de andere beenderen zullen de coyotes wel hebben meegenomen.’ ‘Het zit de familie in het bloed,’ zei tante Isabelle. ‘Wat, mevrouw?’ ‘Dat harde. En hebben ze de beenderen begraven?’ ‘We hebben ze in de tuin begraven, maar op de steen staat alleen haar naam. We hebben er geen kruis of zo op gezet. We wisten niet welke religie mevrouw had.’ ‘Die had ze niet,’ zei tante Isabel. ‘Wij Nieto’s zijn niet gelovig. Denk nu even goed na voordat je antwoord geeft, Dikke.’ ‘Ja, mevrouw.’ ‘Ze is de dochter van mijn zus, hè?’ ‘Het ding?’ ‘Het ding.’ De Dikke zweeg even. ‘Nee,’ zei ze, ‘hoe komt u erbij. Dat zou uw zus toch wel een keer hebben gezegd, denkt u niet? En dat heeft ze nooit gedaan.’

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

haar embolie, toen ze al heel stram was, liep ze erg vreemd,

15


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

16

Wanneer is mijn tante gewend geraakt aan het idee dat het ding haar nicht was? Ik weet het niet. Maar ze raakte eraan gewend en nam de taak op zich er een mens van te maken. Om te beginnen deed ze haar best het ding een eerste woord te leren: Ik. Ik. Ik. Ze pakte haar bij de hand en nam haar mee naar het strand, waar ze een rode doek uitspreidde in het gloeiend hete zand en haar daarop zette, met haar knieën tegen haar borst, en dan moest het ding Ik zeggen, tegen de wind en de zee in. En zo werd Ik geboren, op 21 augustus 1978, aan zee, uit volle borst Ik schreeuwend, helemaal opgedoft en kaal, met kousen en sandalen en alles aan. Jij. Mijn tante vertelt dat het net zo moeilijk was me het tweede woord te leren: Jij. Ze gaf me een tijdje geen eten, zette me op een stoel aan de keukentafel en ging tegenover me zitten met een schaaltje gepelde noten naast zich. Ze wees op haar borst en zei: ‘Jij.’ ‘Jij,’ zei Ik. Ze gaf me een noot die Ik snel opkauwde. ‘Nu nog een keer,’ zei ze. ‘Ik?’ vroeg ze, op zichzelf wijzend. ‘Nee,’ protesteerde Ik, wijzend op mijn borst, ‘i k !’ Ze gaf me geen noot en mijn darmen rommelden van de honger. ‘Jij,’ zei ze, wijzend op mij. Ik werd vreselijk kwaad. ‘i k !’ schreeuwde Ik en Ik sloeg met mijn vuist op mijn eigen borst. ‘i k , i k , i k !’


op met dat driftige gedoe.’ Maar het driftige gedoe bleef, groot en verschrikkelijk. Schreeuwend gooide Ik de stoel om en begon tegen de tafelpoot te trappen, een, drie, dertig keer, harder en harder schreeuwend, terwijl mijn tante aan de trillende tafel toekeek of een krant ging lezen, totdat ze plotseling zelf schreeuwde: ‘En n u zitten!’ En dan ging Ik weer zitten, zwaar ademend van de woede die nog altijd in me zat. Hoewel de woede soms te groot was en Ik op de schreeuw van mijn tante vlug een glas uit de keukenkast pakte en tegen een ruit gooide, die in duizend stukjes uiteenspatte terwijl Ik razendsnel het schaaltje noten weggriste, dat mijn tante uit mijn handen rukte, zodat de noten over de grond rolden en Ik me liet vallen om ze op te rapen, maar dan tilde zij me op bij mijn middel en jankte Ik als een hond die vergaat van de honger. Ik begreep niet wat ze verdomme van me wilde. Ik glipte uit haar armen en rende naar het strand, viel op mijn knieën en bracht een handvol zand naar mijn mond. Warm en zout zand. Dat bij de tweede lik al uit mijn hand viel door de klap van de hand van mijn tante, die achter me aan gekomen was om te verhinderen dat Ik zand at. Voortaan liet ze de huisknecht daar staan om me in de gaten te houden, klaar om een trap tegen mijn hand te geven zodra Ik die weer met zand naar mijn mond bracht, en Ik verspilde mijn krachten met huilen en jammeren terwijl Ik heen en weer wiegde en het kwijl uit mijn mondhoeken liep. Totdat Ik oploste in het niets, totdat Ik verdween.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

‘Nee, jij bent jij voor ik en ik ben ik voor ik,’ hield ze vol, ‘en hou

17


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

18

Sabina Berman Zeedieren zijn stille wezens Th e m a ti e k De hoofpersoon en verteller, ‘Ik’, wordt door haar tante Isabelle gevonden in het oude herenhuis dat hoort bij het familiebedrijf Consuelo Tonijnen in Mazatlán, Mexico. Het meisje kan niet praten, eet zand en gedraagt zich in meerdere opzichten als een beest. Haar omgeving beschouwt haar als achterlijk, maar haar tante trekt zich daar niets van aan en neemt het op zich om van ‘het Ding’ een mens te maken. Om te beginnen krijgt ze een naam: Karen. Werkelijk alle facetten van het mens-zijn moet Karen leren: praten, naar de wc gaan, zelfs de werking en het effect van haar gezichtsuitdrukkingen – een traag proces van imitatie en herhaling. Het proces wordt bemoeilijkt doordat Karen behalve verwaarloosd ook autistisch is. Haar transformatie van ding naar mens is een belangrijk thema in het boek; ‘het zoeken naar wie Ik ben’, zoals Karen het zelf omschrijft. Gelukkig begrijpt Isabelle hoe speciaal Karen is. Ze geeft haar een opleiding en daarna een baan bij het familiebedrijf. Daar zal Karen dankzij haar bijzondere blik op de wereld een bepalende rol spelen in de transformatie van Consuelo Tonijnen tot een diervriendelijke visserij. De ‘standaardmensen’ zullen altijd vreemd voor haar blijven. Aan de universiteit aanschouwt ze bijvoorbeeld met verbazing het sociale gedrag en vooral de paringsdrift van haar medestudenten. Ze komt tot de conclusie dat standaardmensen zijn opgesloten in hun mensenwereld, en dat ze niet zien dat ze slechts een plek in een groter geheel innemen.


schappen obstakels voor haar kunnen zijn: niet kunnen liegen, geen fantasie hebben en ‘alleen weten wat Ik weet, en niet weet’ vindt zij haar beste eigenschappen. Een vreselijke hekel heeft ze aan eufemismen en aan metaforen: die ‘vervormen de informatie over de werkelijkheid’. Communicatie en taal spelen een belangrijke rol in deze roman. Ook het zijn en het bewustzijn zijn terugkerende thema’s. Met Descartes’ ‘Ik denk, dus ik besta’ kan Karen zich niet verenigen, want zij bestond al vóórdat ze dacht. Het eerste woord, concept en de eerste gedachte die ze leert en uitspreekt, ‘Ik’, beschouwt ze als haar geboorte. Ze is dan tien jaar en zet haar eerste stap van dier naar mens. Maar haar bestaan was op dat moment al jaren een feit. Ze ziet dan ook meer in de theorieën van Darwin, want waar Descartes de grens tussen dier en mens benadrukt, zoekt Darwin juist de overeenkomsten. Liefde voor dieren en ze toch doden is in deze roman een terugkerende onuitgesproken thema. De paradox van diervriendelijke slachthuizen is hiervoor exemplarisch. Karen zorgt ervoor dat de tonijnen zo ‘humaan’ en diervriendelijk mogelijk aan hun einde komen, maar is zelf vegetariër. Ondanks haar inzet op dit gebied beschouwen dierenactivisten haar nog altijd als een moordenaar en eigenlijk kan ze dat niet ontkennen. Sterker nog, ze vindt hun standpunt zo overtuigend dat ze besluit hun fatale decreet op te volgen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Aan de universiteit ontdekt Karen bovendien dat niet alleen haar verstandelijke beperkingen maar ook haar goede eigen-

19


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

20

G es pr e ks v r a g e n 1 Waarom raakt Isabelle zo geëmotioneerd als Karen niet

kan uitleggen wat ze bij het boek Onder moeders vleugels van Alcott voelt? (p. 29)

2 Volgens de beredenering van Karen doet haar kamer-

genoot Selma het zeer goed in het paringsproces (p. 95). Hoe komt het dat Selma dit zelf niet inziet?

3 Kapitein Ricardo stuurt Karen brieven met citroen-

blaadjes. Welke rol speelt hij in haar leven en zou

deze relatie kunnen uitgroeien tot meer dan een eenzijdige briefwisseling? 4 Bent u het eens met Yasuko wat metaforen betreft; dat

de eenvoudige werkelijkheid ons bang maakt? (p. 214)

5 Karens uiterlijk is opvallend; ze scheert zich kaal en

draagt altijd rubberlaarzen. Kunt u symboliek in deze

stijl ontdekken? 6 Meerdere mensen proberen Karen (het geloof in) God

uit te leggen. Bij het lezen van de Bijbel raakt ze al snel

teleurgesteld. Waardoor ontstaat haar desinteresse? 7 Welk effect heeft het gebruik van de persoonsvorm

‘ik’ als naam (Ik) op de klassieke personale vertelsituatie? Hoe heeft u dit tijdens het lezen ervaren?


voelt in haar duikpak aan land?

9 Er is een handvol mensen waar Karen – op haar ma-

nier – van kan houden, al noemt ze het zelf nooit ‘lief-

de’. Welke eigenschappen delen zij? 10 Aan het einde van de roman stelt Karen drie titels

voor. Wat vindt u van de uiteindelijke keuze? Welke

titel heeft uw voorkeur en waarom? 11 Karen ontwerpt een handleiding voor zichzelf (p. 268).

Kunt u zich herkennen in het opstellen van een per-

soonlijke handleiding? 12 Verschilt het rouwproces dat Karen doorloopt na het

sterven van haar tante van dat van ‘standaardmensen’?

13 ‘Omdat een standaardmens door zijn denkvermogen

gescheiden leeft van de natuurlijke dingen, inclusief zijn eigen lichaam, en omdat niets gelukkig kan zijn

als het niet in zijn echt lichaam zit, is de mens niet gelukkig,’ zegt Karen. Wat vindt u van deze stelling?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

8 Hoe komt het dat Karen zich zo veilig en beschermd

21


22 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Dat weet je niet David en zijn Engelse vrouw Emma zijn vijfentwintig jaar naar tevredenheid samen. Maar ineens wordt de intimiteit van hun huwelijk bedreigd door de nieuwe Pakistaanse vriend van hun dochter Zoë. Met inlevingsvermogen en inzicht beschrijft Grøndahl zijn personages, die onder je huid kruipen en een onvergetelijke indruk achterlaten. Jens Christian Grøndahl (Denemarken, 1959) woont in Kopenhagen en is een van de succesvolste schrijvers van dit moment. Zijn werk verschijnt in meer dan dertig landen en werd in binnen- en buitenland bekroond met vele literaire prijzen. Eind 2010 publiceerde Meulenhoff zijn memoires, Over een uur ontluiken de bomen en zijn roman Dat weet je niet. ‘Een verraderlijk stille roman over de broze band tussen geliefden.’

D e St a n d a a rd

‘Fascinerende en alleszins actuele roman, die kalm, maar o zo trefzeker onder de huid van de lezer weet te kruipen.’ Het Parool

‘Zinnen van een Grøndahlse weidsheid en allure: draden die je inspinnen met je eigen vergankelijkheid.’ F D p e rs o o n lijk Oorspronkelijke titel: Det gør du ikke | Vertaling: Annelies van Hees Paperback: 240 BLZ. | Prijs: € 18,95 | ISBN: 9789029087094

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Jens C hr isti a n G r ø n d a h l

23


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

24

Jen s C hr isti a n G r ø n d a h l

Dat weet je niet Toen de tunnel een bocht maakte, ging David vlug rechtop zitten. Het meisje had het nauwelijks opgemerkt en voordat hij een excuus kon mompelen, was ze al weer aan het lezen. Hij was een paar seconden weggezakt en door het korte contact met haar schouder weer even plotseling wakker geschrokken. Ze moest in de twintig zijn, ongeveer even oud als zijn dochter. Haar gezicht was wit van het poeder en haar donkere haren verdwenen bijna onder een zwarte baret. Hij transpireerde in zijn jas en schaamde zich bij de gedachte dat zij door die vluchtige blik misschien het zweet op zijn bovenlip had opgemerkt. Hij had een vroege vlucht genomen en het grootste deel van de dag in een vergaderzaal in de City doorgebracht. Het gedrang van staande en zittende passagiers zou het ingewikkeld maken om zijn jas uit te trekken en hij hoefde ook niet zo ver. Nu had David er spijt van dat hij de winterjas had gekozen. Op een koude oktobermorgen in Kopenhagen was dat logisch, maar hij had moeten weten dat het in Londen zachter zou zijn. De mannen om hem heen droegen een windjack of een pak, sommigen waren zelfs in hemdsmouwen. Hij keek schuin naar het boekje dat het meisje op haar gekruiste benen had liggen. Goud op snee en een zwartleren band, zo te zien iets religieus. De tekst was in het Hebreeuws, maar het was al heel wat jaren geleden dat hij in staat was geweest de hoekige tekens te duiden. Nu wist hij alleen nog dat ze uit louter consonanten bestonden en dat het meisje ze van rechts naar links las. Andersom, zou hij het noemen. Al sinds zijn jeugd had hij het achter zich gelaten, heel die zware erfenis van overgeleverde laatjes vol verwachting en wantrouwen. Hij


een lichtere gang betrad. In het grote geheel betekende het ook niet zo veel wie je was. Zijn leven draaide om de mensen van wie hij hield, zijn vrouw, hun dochter, Emma en ZoĂŤ. Daarin leek hij waarschijnlijk het meest op anderen. Toen de trein vaart minderde langs het perron op Knightsbridge, sloeg het meisje haar boek dicht en stond op. Een dikke man met een tulband en een volle baard nam meteen haar plaats in. Een restje warmte van haar dijen en billen moest hij wel voelen. Nog even en dan zou zij op het trottoir boven het station lopen, opgeslokt door de drukke menigte. Die gedachte was bijna veelbelovend. David keek rond naar zijn onbeweeglijke medepassagiers. Die hadden ieder voor zich hun blik op oneindig in de smalle buis die door het duister van de tunnel gleed, bang om elkaar tijdens de kortdurende gemeenschap van het openbaar vervoer aan te raken. Hij had zich altijd goed gevoeld bij het oppervlakkige ritme van de inwoners van echt grote steden. In de wagon waar hij in zat, waren waarschijnlijk alle wereldgodsdiensten vertegenwoordigd en dat kon ook omdat de passagiers beleefd waren en elkaar verder koud lieten. Geen van hen wist iets over een ander en hun respectievelijke kleding of raciale trekjes zeiden even weinig over hen als de inventaris van de wagon en de reclames boven de raampjes die uitkeken op de kabels en het roet van de tunnelwand. David voelde geen verwantschap met het onbekende joodse meisje. De geboorte van ZoĂŤ had alles veranderd. Toen Emma gescand werd, vertelde de onervaren jonge vroedvrouw die de apparatuur bediende hun dat het een jongetje was. David en Emma konden in de grofkorrelige weergave van een astronaut met een vergroeid voorhoofd iets van een geslacht onderschei-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

was doorgegaan als een anoniemer persoon die de aarde met

25


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

26

den. Emma was christen of hoe je dat ook moest noemen, maar dat was het drama niet. Het kon haar niet schelen, of dat zei ze in elk geval. David kon het zo krijgen als hij wilde, en terwijl de vroedvrouw met haar scanner Emma’s buik kneedde, besloot hij dat zijn zoon niet zou worden besneden. Hij had dat besluit niet al zo lang voor de geboorte hoeven rondbazuinen. Waarom niet gewacht? In zijn achterland veroorzaakte het een aardverschuiving, en toen Zoë in een flanellen dekentje van hand tot hand ging, bleef iedereen met het gevoel zitten dat ze zich dat gedoe hadden kunnen besparen. Nu was ze een jonge, zelfbewuste vrouw die op de kunstacademie in Kopenhagen zat. Ze woonde samen met een vriendin achter het Centraal Station waar drugsbendes vanuit luxewagens met gierende banden op elkaar schoten. Ze was afwisselend tolerant of geërgerd als David weer eens aan de telefoon hing omdat het nieuws alweer een schotenwisseling liet zien. ‘Pap, ze schieten toch niet op mij,’ zei ze alsof zijn angst voor verdwaalde projectielen gelijkstond aan het risico om door een vallende dakpan geraakt te worden. Het had lang geduurd voor hij begreep waarom ze liever tussen pornofoto’s en massageklinieken woonde dan bij hem en Emma. Ze hadden niet vaker ruzie gehad dan ouders normaal gesproken hebben met hun halfvolwassen kinderen. Het ergst was het toen ze het in haar hoofd kreeg om haar joodse identiteit te gaan onderzoeken. David was verbaasd over zijn eigen reactie toen ze voor het eerst met een davidster om haar hals aan het ontbijt verscheen. Toen ze zich verdedigde met de opmerking dat hij dezelfde naam had als haar nieuwe sieraad werd hij nog nijdiger. Het werd hem te laat duidelijk dat hij haar met zijn inquisitorische argumenten kwetste. Hij had in de vrome bevlieging van zijn dochter niets anders dan aan-


haar verdedigen met als gevolg dat hij zich voor zijn ongepaste heftigheid schaamde. De trein naderde South Kensington en David stond op om uit te stappen. Hij zag Emma voor zich en het gemis trof hem als een onverwachte dreun. Het was raar, hij had haar ’s ochtends nog gezien en zou haar over een paar uur weer zien. Hij was gewend om een dag of wat van huis te zijn. Zijn werk bracht met zich mee dat hij veel op reis was en hij was meerdere malen per jaar in Londen. Toen hij zich aankleedde, sliep ze nog. Als ze de kans kreeg, kon Emma eindeloos lang slapen. De jaren met een dochter in huis waren een onnatuurlijke onderbreking van haar oude gewoonte om tot ver in de morgen te slapen en zodra Zoë oud genoeg was om zelfstandig op te staan, had ze die gewoonte hervat. David had even bij haar voeteneind gestaan om naar de slapende Emma te kijken, haar warme gezicht in een waaier van warrig haar. Haar wenkbrauwen en oogleden trilden een beetje alsof er iets dreigde of haar tegenstond. Ze beweerde altijd dat ze zich haar dromen niet herinnerde. Hij wilde haar kussen, maar onderdrukte die aandrang, wel wetend dat ze op dat moment van de dag onontvankelijk zou blijken voor zijn aanval van sentimentaliteit. Nu hij in de dicht opeengepakte ondergrondse zat, was ze opeens heel ver weg. Ze was de laatste tijd in zo’n periode die bij hem zijn oude angst deed oplaaien dat ze van hem weggleed. Op het gebruikelijke adres kocht David een boeket witte lelies voordat hij doorliep naar Brompton Road. Het zou makkelijker zijn geweest een station eerder uit te stappen maar hij hield van de wandeling langs de groene straten tussen statige gevelrijen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

stellerige ijdelheid en geleende symboliek gezien. Emma moest

27


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

28

Zijn jas droeg hij over zijn vrije arm, de bladeren begonnen nog maar net bruin te worden en hij voelde de lage zon in zijn rug alsof het nog september was. Een paar minuten later was hij bij Ovington Gardens. De wandeling vanaf het station was hem even vertrouwd als de vijf minuten van station Hellerup naar de villawijk waar Zoë sinds haar achtste met haar ouders had gewoond. Op het eerste gezicht hadden Emma en hij geen zin gehad om in dat met klimop begroeide bakbeest te wonen, maar ze veranderden van mening toen ze de tuin in kwamen en de stenen kas met bovenlicht zagen. Een ideaal atelier voor Emma, dachten ze afzonderlijk van elkaar en dat werd het ook. In haar nieuwe land kreeg ze niet de carrière waar ze allebei op gehoopt hadden, maar iedere ochtend ging ze naar haar werkplaats, waar geheel en half voltooide doeken in kleverige stapels langs de wanden stonden. Ze zat daar vaak de hele dag, ook als ze niets presteerde, alsof de geur van olieverf en terpentijn nu eenmaal was wat ze het liefst inademde. Het laatste jaar verschanste ze zich bijna in haar glazen huis. Ze wist dat hij niet dichtbij durfde komen zonder daartoe uitgenodigd te zijn, maar het was lang geleden dat hij haar aan de ezel had zien zitten. Blijkbaar had ze er voldoende aan voor haar planten te zorgen, boeken te lezen of gewoon maar te zitten. Ze was zoals altijd, misschien een beetje verstrooider, maar dat was normaal. Hij was er in elk geval aan gewend. Vanaf de peutertijd van Zoë, toen die onophoudelijk om haar aandacht bedelde, waren er gaten gevallen in haar moederschap, momenten dat Emma in zichzelf verzonk of buiten zichzelf, dat was moeilijk te zeggen, misschien eerder erbuiten. Weg uit iedere herkenbare omtrek van een ik. David had haar al een half leven naast zich en kon zich niets anders voorstellen, maar haar geregelde distractie en


de maat te lopen. Alsof hij moest bewijzen dat ze geen fout had gemaakt toen ze met hem meeging naar Denemarken om opnieuw te beginnen. Alsof hij dat niet allang had bewezen. Zij had er zelf op aangedrongen. Hij droomde ervan zich in Londen te vestigen als hij klaar was met zijn opleiding. Ze hadden dezelfde drang om de geschiedenis op nul te zetten, maar zij won. Zij kreeg de kans om alles wat ze kende de rug toe te keren. David had Emma op een voorjaarsavond halverwege de jaren tachtig leren kennen. Hij studeerde een jaar aan King’s College en een van zijn nieuwe vrienden nam hem mee naar een feest bij een fotograaf die zich in een oude brandweerkazerne bij Camden Town had gevestigd. Geen van beiden kende de fotograaf, maar ze waren nog jong genoeg om met de stroom mee onbekende drempels over te stappen, op voorwaarde dat er muziek was, meisjes en genoeg te drinken. Na een jaar genoot hij er nog steeds van een onbeschreven blad te zijn in de grote stad, een buitenstaander die alles in een lichte roes van nieuwigheid bekeek. Toen hij haar ontmoette, had hij nog een paar maanden voor hij naar huis moest. Zij stond alles te bekijken, leunend tegen een stang van roestvrij staal waar de brandweerlieden ooit vanaf waren gegleden. In de cementen vloer in het atelier van de fotograaf zaten nog steeds olievlekken van de brandweerwagens, waar de mensen nu dronken rondsprongen op Iggy & The Stooges. Vrijwel iedereen was in het zwart, maar ze viel niet alleen op door haar asblonde haar en verbleekte oosterse outfit. Ze was lang en haar smalle gezicht leek op een portret van een elizabethaanse adellijke vrouw, bleek en onbuigzaam, vast ook wreed. Alleen de geplooide kraag, twee hazewindhonden en een kamermeisje om haar ongekamde, warrige haardos te temmen ontbraken.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

passiviteit gaven hem nog steeds het gevoel tekort te schieten, uit

29


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

30

Emma zag eruit alsof ze voor even van haar onbereikbare hoogten was neergedaald om het volk te aanschouwen. Ze leek in de verste verte niet op een meisje dat hij zou durven benaderen, maar hij was niet nuchter en niet van hier. Dat hielp, dat maakte hem lichter, misschien omdat zijn sociale leven de transparante onwerkelijkheid van een droom had. In het afgelopen jaar was hij met net zo veel meisjes naar bed geweest als hij had leren kennen voordat hij naar Londen vertrok. Hij vroeg of ze wilde dansen. Ze keek even naar hem, vrolijk en verrast. Nee dank je. Een seconde leek het of ze iemand in het oog had gekregen die ze kende, toen richtte ze haar grote ogen weer op hem. Haar mondhoeken krulden superieur omhoog en ze zei dat hij beter een glas witte wijn voor haar kon regelen. Iedereen dronk slap donker bier uit plastic bekertjes van een biervat in de hoek. Hij vond de weg naar de keuken, in de ijskast lagen een paar flessen. De mensen stonden in kluitjes bij elkaar en niemand merkte hem op terwijl hij een kurkentrekker en een paar glazen zocht. Emma keek goedkeurend toe toen hij haar inschonk. Een kleine man met dun haar en een rood sjaaltje om zijn nek kwam naar hen toe en zei iets afkeurends waarna David zich voorover moest buigen om het nog eens te horen. Of ze zijn Puligny-Montrachet lekker vonden? David lachte naar hem. Ja, absoluut. Emma lachte ook. Blijkbaar tevreden over zijn geveinsde arrogantie. ‘Kom, het is hier vervelend,’ zei ze en ze nam zijn hand. Ze trok hem mee naar buiten, er kwam een taxi aan, zij wenkte. ‘Waar gaan we heen?’ vroeg David en hij voelde zich onnozel. Zij glimlachte en boog zich voorover naar de chauffeur. ‘Walton Street, Ovington Gardens,’ zei ze en ze wachtte tot David op het idee kwam het portier voor haar te openen. Toen ze op


draaide ze zich naar hem toe. ‘Ik ontvoer je,’ zei ze. Toen ze eenmaal binnen waren, vroeg ze hem zijn schoenen uit te doen en eerst dacht hij dat ze een kamer huurde in het witgeverfde huis met zuilen rond de ingang. In het matte licht van de hal kon hij nog net een blik werpen op de verouderde, versleten chic. Haar kamer was op de bovenste verdieping. ‘Mijn moeder hoeft niet te weten dat je hier bent,’ zei ze toen ze de deur achter hen had dichtgedaan. Het was een grote kamer met verbleekt behang, kasten met boeken in stapels en een erker met hoge ramen die uitkeken op een binnenplaats of een tuin. Voor de erker stond een ezel en een lage tafel met verfvlekken en aluminium tubes die zich in bochten wrongen. ‘Je schildert,’ zei hij onnozel. ‘Ik zit op Slade,’ zei ze op een manier die maakte dat hij zich nog dommer voelde. Ze ging naar de boekenkast, nog steeds met haar jas aan, om achter een van de stapels boeken een fles rum te zoeken. Romans, kunstboeken en zoölogische naslagwerken, zag hij nog gauw voordat ze zich naar hem omdraaide om hem met een zwaai een glas te overhandigen. Hij voelde zich bijna ingelijst door haar onderzoekende ogen. ‘Proost,’ zei ze, ‘ben je geïnteresseerd in neuken?’ Hij moest lachen, zij keek hem gedesoriënteerd aan. De elizabethaanse, adellijke dame werd afgelost door een gewoon meisje dat zich ook op wankele bodem bevond. De woorden ‘geïnteresseerd’ en ‘neuken’ klonken beide onhandig uit haar mond, ongeveer zoals de tegenstelling tussen de verwelkte bloemen op het behang en de modernekunstaffiches die met punaises vast waren geprikt. Ontroerend bijna. Misschien was hij te dronken, misschien was haar vraag te

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

de achterbank zaten en de wagen zich in beweging had gezet,

31


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

32

ongewoon en direct, maar voor het eerst kon hij het niet. In plaats daarvan lagen ze te praten, naakt in het harde licht van de lamp aan het plafond. Ze had willen zien of ze het kon, zei ze. Een onbekende tegenkomen en zonder meer met hem naar bed gaan. Ze had niet zo veel jongens gekend, ze kon er niet echt uit wijs. Seks. Ze sprak het woord uit alsof het een filosofische categorie was of een stad in een ander werelddeel. Hij werd verliefd op haar distantie, haar manier om over de dingen te praten als van een verre afstand. Haar pauzes terwijl hij wachtte totdat ze haar zin af zou maken. Ze vond het niet de moeite waard om een gedachte tot het eind toe te volgen. ‘Dat is saai,’ was een van haar vaste uitdrukkingen. Iedere keer wond hij zich op over haar gebrek aan energie. Hij vond het arrogant en kleinerend als zij iets liet vallen in plaats van door te zetten, tot de bodem te gaan, helderheid te krijgen. Volgens haar was het pedant en een uiting van slechte smaak, begreep hij, de keren dat hij erop aandrong dat zij zich volledig uitdrukte, vooral over haar gevoelens. Haar afstandelijke manier van doen provoceerde hem omdat hij zich er minderwaardig bij voelde, als een hoopvolle sollicitant. Het was vreemd, ze was begonnen hem zonder omwegen haar lichaam aan te bieden, maar dat gaf hem niet het gevoel dat hij haar in bezit nam. Dat bleef jarenlang de onvermoeibare motor achter zijn begeerte. Als ze passief zwijgend het gedoe in haar omgeving of de stilstand bekeek, maakte ze soms een losgeslagen indruk, alsof ze met de stroom meedreef. Ze gleed van hem weg, ongeacht hoe hard hij haar lange lijf in zijn armen klemde. Na een paar jaar werd het hem duidelijk dat ze nooit dacht dat ze zichzelf meester was en dat die gedachte in haar ogen pretentieus was. Het duurde lang eer hij het begreep om-


die hij kende. De eerste keer liet ze hem al zien wat hij wilde. ‘Zo zie ik eruit,’ zei ze met een glimlach toen ze zich in het felle licht voor hem uitkleedde. Ze was niet verlegen, maar ook niet ijdel. Zo zag ze eruit en daar was niets aan te doen. Ze had kleine borsten en was heel dun. Haar ribben tekenden macabere schaduwen op haar holle buik en de botjes in haar voeten deden hem aan een vogel denken. Zijn onvoorziene impotentie leek haar niet teleur te stellen. Ze hield zijn halfslappe penis in haar hand terwijl ze lagen te praten. Af en toe keek ze ernaar, alsof het een ding was dat ze had gevonden. ‘Je bent joods,’ zei ze en ze had hem net zo goed over de omvang en het gewicht kunnen informeren. ‘Ik ben afvallig,’ zei hij en bereidde zich erop voor dat ze door zou vragen. Het frustreerde hem bijna dat ze dat niet deed. Besneden, afvallig, tijdelijk impotent, het waren allemaal maar woorden. Ze had het over kunstenaars die hij niet kende, Lucian Freud, Oskar Kokoschka, Horst Janssen. Hoe dom het was geweest om fotografie als aflossing van het getekende of geschilderde portret te zien. Foto’s zaten vast aan het moment, terwijl een echt portret de tijd opsloeg in plaats van slaafs de breukdelen te registreren. Hij vertelde haar wat hij studeerde. Adam Smith, ‘de onzichtbare hand’. Zij zei dat het als een krimi uit de jaren dertig klonk. Hij zei dat het een vulgaire verdraaiing was om Adam Smith het standpunt toe te dichten dat de staat geen rol als regulerende factor moest vervullen. De eerste nacht hadden ze het over dingen die hen bezighielden, niet over waar ze vandaan kwamen. Hij wist alleen dat

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

dat ze in andere opzichten onafhankelijker was dan iedereen

33


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

34

haar moeder op de verdieping onder hen sliep en dat ze met hun schoenen in hun handen langs haar deur waren geslopen. Toen hij naast haar wakker werd, piepte het daglicht door de donkerrode fluwelen gordijnen naar binnen. Ze ademde zwaar in haar slaap en hij voelde de erectie die uit was gebleven toen ze ’s nachts thuiskwamen. Toen hij een hand tussen haar dijen schoof, werd ze niet wakker. Ze kenden elkaar niet. Hij wist niet waar haar vader was gebleven of waarom ze nog steeds thuis woonde en niet wilde dat haar moeder ontdekte dat hij hier lag. Zij wist niet waarom hij zichzelf een afvallige noemde. Dat wond hem op en voordat ze wakker werd, wist hij bij haar binnen te dringen. De huizen rond het rechthoekige pleintje keken uit op een parkje met bomen met een hek eromheen waar de bewoners de sleutels van hadden. David stond stil en keek ernaar. Het parkje was zoals gewoonlijk verlaten. Toen hij na een paar weken op kousenvoeten een deel van het leven van de twee vrouwen was geworden, zaten Emma en hij vaak op een van de bankjes te lezen. Er viel een blad uit een van de boomkruinen. Hij bleef staan totdat het op de stoeptegels achter het afgesloten hek was neergekomen. Hij kon niet bedenken hoe vaak hij de hoek van Ovington Gardens was omgeslagen. Dezelfde wandeling, dezelfde witte gevelwand en hoge bomen, niet als een foto in zijn herinnering, maar als een beeld dat alle tijd die verstreken was, in zich hield. Hij draaide om en liep de trap op om aan te bellen. Misschien stond Margaret achter het gordijn, want de deur ging vrijwel meteen open. ‘David!’ Ze zei altijd eerst zijn naam en slaagde er iedere keer in hem het gevoel te geven dat hij gemist werd. Margaret Warnock was op deze oktoberdag een kaarsrechte


speldjes achter haar oren vast, als twee staalgrijze vleugels, ze was gekleed in een van die zijden jurken met een rechtopstaand boordje die ze graag droeg, misschien als herinnering aan haar tijd in het oosten. Haar dochter had haar porseleinblauwe, opmerkzame blik geĂŤrfd. Niets ontging Margaret, toen ze met een glimlach zijn bloemen in ontvangst nam en zich op haar wang liet kussen. Stikte hij niet in die jas, was het bij hen al zo koud? Hij sprak over het weer in Kopenhagen en voelde zich zoals gewoonlijk onbeholpen. Dat gevoel had hij niet als hij met Emma Engels sprak, hoewel zij de voorname dictie van haar moeder had. Tegenover Margaret was hij ondanks zijn leeftijd en al die jaren nog steeds de jonge buitenlander, die Emma op een dag aan haar moeder had voorgesteld. Margaret Warnoch had, net als nu, de theetafel gedekt. Ze zaten zelfs op dezelfde plaats, zij op de bank, hij in de hoge fauteuil, voorovergebogen, onzeker of hij wel recht had op dat comfort. Emma liet een andere kant van zichzelf zien toen ze thee schonk in de mooie kopjes van haar moeder, niet superieur en niet afstandelijk, dromerig of verloren. Een gehoorzame dochter met haar ogen neergeslagen. Terwijl hij zijn theekopje op de uiterste rand van de fauteuil liet balanceren, had hij het gevoel dat hij, met alleen de rechten van een beklaagde, zat te converseren terwijl hij Emma twee verdiepingen hoger voor zich zag in bed. Haar uitstekende ribben, haar knieĂŤn een beetje uit elkaar. Hij voelde zich als een stiekeme mannelijke indringer in de verboden stad van porselein, exquise stoffen en het verleden van de twee vrouwen.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

vrouw van in de zeventig. Haar zorgvuldig gekamde haar zat met

35


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

36

Jens Christiaan Grøndahl Dat weet je niet Th e m a ti e k David, een advocaat, en de Engelse schilderes Emma zijn vijfentwintig jaar getrouwd. In Dat weet je niet maken ze de balans op van hun leven samen. Ze wonen in een chique buitenwijk in Denemarken. Hun dochter Zoë heeft een nieuwe vriend, Nabeel, en ondanks dat ze het eens zijn dat zijn Pakistaanse afkomst geen probleem zou moeten zijn, blijken ze toch ongerust over de keuze van hun dochter. De relatie van Zoë en Nabeel heeft duidelijke overeenkomsten met de achtergrond van hun eigen relatie en dat zet ze aan het denken. Hoe goed kennen ze elkaar eigenlijk? David en Emma hebben een goed en liefdevol huwelijk maar lijken uit elkaar te groeien. Onbegrip dat voorkomt uit verzwegen gedachten speelt in deze relatie voortdurend een rol. Op de vraag waarom Emma nooit een tweede kind wilde bijvoorbeeld, tast David nog altijd in het duister. En terwijl Emma denkt dat David haar in bescherming neemt tegen zijn Joodse ouders die haar maar een ‘sjikse’ vinden, is schaamte over het verleden van zijn vader de ware reden. Zo vullen ze voor elkaar, weliswaar op liefdevolle wijze, ontbrekende informatie aan. Gek genoeg schuilt in die afstandelijkheid ook juist een aantrekkingskracht. Omdat ze de ander nooit helemaal zullen – of kunnen – kennen, blijven ze interesse voor elkaar houden. Daarnaast bestaat het onbegrip bij David en Emma niet alleen voor elkaar, maar ook voor zichzelf; ze zijn ook van zichzelf vervreemd geraakt.


gepaard gaan, zijn belangrijke thema’s in Dat weet je niet. Hoe graag David zijn Joodse wortels ook zou willen ontkennen, hij is er onlosmakelijk mee verbonden. Als er een hakenkruis op de brievenbus wordt geklad probeert hij die snel te vervangen voordat iemand het ontdekt. Hij verlangt ernaar ‘net als iedereen te zijn’, maar door de feiten te ontkennen wordt hij juist herinnerd aan de werkelijkheid. En ook Emma zoekt naar haar identiteit als kunstenaar, en vooral naar de legitimering daarvan. Want haar kunstenaarsbestaan is niet vrij van kritiek. Bij dochter Zoë is deze zoektocht naar een identiteit wellicht nog duidelijker dan bij haar ouders. Terwijl zij tijdens haar eindexamenjaar nog met een Davidster rondliep, lijkt Nabeel tijdens het gezamenlijk etentje niets te weten van haar Joodse achtergrond. Met het verstrijken van de tijd verandert ook de manier waarop de hoofdpersonen naar zichzelf en elkaar kijken. Keuzes begrijpen ze ineens achteraf veel beter. Door terug te blikken op hun jeugd, op de relatie met hun ouders en op eerdere liefdes reconstrueren David en Emma hun huwelijk en leven samen. Waarom kozen ze voor elkaar? En welke onderwerpen verzwijgen ze het liefst nog steeds, ook voor zichzelf? David en Emma zien hun dochter opgroeien, maar tegelijkertijd zien ze in de jonge vrouw nog steeds het meisje van acht dat zo gek was op dolfijnen. Het besef dat ze haar moeten loslaten is moeilijk. Maar net als zij moet Zoë zelf fouten kunnen maken om te leren en te groeien.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Identiteit, achtergrond, en alle verwachtingen die daarmee

37


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

G es pr e ks v r a g e n 1 Waarom denkt u dat David zijn Joodse achtergrond

ontkent?

2 Wat vindt u ervan dat Emma geen tweede kind wil? 3 David besluit het uit te maken met Naomi. Waarom? 4 Waarom vertelt David niets over het hakenkruis op de

brievenbus (p. 57)?

5 Florence, Emma’s zus, gaat op zoek naar de familie van

38

haar vaders maĂŽtresse. Heeft u hier begrip voor? En voor

het standpunt van Emma in deze kwestie? 6 Emma schilderde aanvankelijk om te ontsnappen aan

de kilte die thuis hing. Om welke reden schildert ze nu?

7 Zowel David als Emma krijgt de gelegenheid om vreemd

te gaan. Waarom doet David het niet? En waarom voelt Emma zich er niet schuldig over?


tus wil. Leg haar reactie uit in uw eigen woorden.

9 Waarom besluit Emma het hakenkruizenschilderij te

vernietigen?

10 In ZoÍ’s filmwerk geeft ze zichzelf letterlijk en figuur-

lijk bloot. Het verbeeldt behalve haar eigen gevoelens

ook problemen van haar ouders. Leg dit uit. 11 Emma neemt het idee dat afstand aantrekkingskracht

veroorzaakt een stapje verder: het minderwaardigheids-

gevoel dat Joe haar geeft fascineert haar (p. 189). Hoe verklaart u dit?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

8 Emma wordt erg boos als ze hoort dat Louise een abor-

39


40 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


HhhH Nazikopstuk Reinhard Heydrich, alias ‘het blonde beest’, is een van de wreedste nazi’s die het Derde Rijk kende. In mei 1942 wordt hij getroffen door een granaat, gegooid door een Tsjechische parachutist. De gevolgen zijn verschrikkelijk: als represaille wordt het Tsjechische dorp Lidice meedogenloos met de grond gelijkgemaakt. De gebeurtenissen in deze roman zijn geen fictie en de auteur neemt daarom zijn eigen schrijverschap tijdens zijn vertelling scherp onder de loep. Laurent Binet (Parijs, 1972) studeerde aan de Sorbonne en aan de universiteit van Kent. Zijn militaire dienst bracht hij door in Slowakije en hij woonde enige tijd in Praag. Hij is docent Frans aan de Universiteit in Seine-Saint-Denis. HhhH is zijn debuutroman en winnaar van de Prix Goncourt du premier roman 2010. ‘Het debuut van Laurent Binet (1972) is niet gewoon bijzonder. Het is subliem.’ D e ‘Eng goed.’ D e

V olkskra nt

G ro e ne Amste rda mme r

‘Binet schrijft alsof hij als vriend onbevangen tegen je praat.’ V r ij N e d e rl a n d

Oorspronkelijke titel: HHhH | Vertaling: Liesbeth van Nes Paperback: 352 BLZ. | Prijs: €19,95 | ISBN: 9789029086851

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Lau r e nt Bi ne t

41


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

42

Laur e nt B i ne t

HhhH 1 Gab ik is zijn naam en hij is een personage dat echt heeft bestaan. Heeft hij in zijn eentje achter de gesloten blinden van een in duisternis gehulde flat op het smalle ijzeren bed liggen luisteren, en buiten het zo herkenbare knarsen van de Praagse trams gehoord? Ik wil het geloven. Omdat ik Praag goed ken, kan ik bedenken welk nummer de tram heeft (maar dat is misschien veranderd), welke route hij rijdt en waar Gabčik achter de gesloten blinden ligt te wachten, te denken en te luisteren. We zijn in Praag op de hoek van de Vyšehradska en de Trojička. Tram 18 of 22 staat stil bij de Botanische Tuin. En het is 1942. In Het boek van de lach en de vergetelheid laat Kundera merken dat hij zich een beetje schaamt omdat hij zijn personages een naam moet geven, en ook al is er van die schaamte nauwelijks iets terug te vinden in zijn romans die overborrelen van de Tomassen, Tamina’s en Tereza’s, het is toch wel een beetje terecht, want wat is er nu banaler dan een verzonnen personage (in een kinderlijke poging realistisch te schrijven, of in het beste geval gewoon voor het gemak) een volkomen willekeurig verzonnen naam te geven? Kundera had wat mij betreft nog iets verder mogen gaan, want wat is er eigenlijk banaler dan een verzonnen personage? Gabčik heeft dus echt bestaan, en Gabčik was wel degelijk de naam waar hij naar luisterde (zij het niet altijd). Zijn geschiedenis is even waar als uitzonderlijk. In mijn ogen tekenen hij en zijn kameraden voor een van de grootste verzetsdaden uit de geschiedenis van de mensheid en ontegenzeggelijk het belangrijkste wapenfeit van verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al lange tijd wilde ik hem hulde brengen. Al lange tijd zie ik hem voor me in


staat en waar hij ligt te luisteren naar het knersen van de tram die bij de Botanische Tuin stopt (in welke richting hij gaat weet ik niet). Maar als ik dat beeld op papier zet, wat ik nu ongemerkt aan het doen ben, weet ik niet zeker of ik hem daarmee hulde breng. Ik verlaag die man tot de rang van een gewoon personage en zijn daden tot literatuur, het is alchemie en onterend, maar wat kan ik eraan doen? Ik wil dat beeld niet mijn hele leven met me meeslepen zonder althans geprobeerd te hebben het weer te geven. Ik kan alleen maar hopen dat de transparante spiegel van de historische werkelijkheid nog doorzichtig zal blijven achter de dikke weerspiegelende laag van idealisering die ik ga aanbrengen in dat fabelachtige verhaal.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

dat kamertje, waar de blinden gesloten zijn en het raam open-

43

2 Ik herinner me niet precies meer wanneer mijn vader me voor de eerste keer over die geschiedenis heeft verteld, maar ik zie hem weer voor me, zoals hij in mijn kleine flatje woorden uitsprak als ‘partizanen’, ‘Tsjecho-Slowaken’, misschien ook ‘aanslag’, zeer zeker ‘liquideren’ en dan het jaartal: ‘1942’. Ik had in zijn bibliotheek een Histoire de la Gestapo zien staan, geschreven door Jacques Delarue, en er een stukje in gelezen. Toen mijn vader me met dat boek zag, maakte hij en passant wat opmerkingen en noemde Himmler, hoofd van de

ss ,

en ook diens

rechterhand, Heydrich, protector van Bohemen en Moravie. En hij vertelde me over een Tsjecho-Slowaaks commando dat door Londen was gestuurd, en over die aanslag. De details kende hij niet (en ik had in die tijd nauwelijks reden hem ernaar te vragen, omdat die historische gebeurtenis in mijn verbeeldingswereld nog niet de plaats innam die ze er nu inneemt), maar ik merkte bij hem wel de lichte opwinding die kenmerkend


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

44

voor hem is als hij (meestal voor de honderdste keer, want hij herhaalt zichzelf graag, een beroepsdeformatie of gewoon een natuurlijke neiging) iets vertelt wat hem op de een of andere manier heeft getroffen. Ik denk niet dat hij ooit heeft beseft dat hij enig belang aan die anekdote hechtte, want toen ik hem onlangs vertelde dat ik van plan was een boek over het onderwerp te schrijven, merkte ik bij hem slechts hoffelijke nieuwsgierigheid zonder een spoor van bijzondere emotie. Maar ik weet dat die geschiedenis hem altijd heeft geboeid, ook al heeft ze op hem niet zo’n grote indruk gemaakt als op mij. Ik begin ook aan dit boek om hem iets terug te geven: het is het resultaat van een paar woorden van een vader tegen een zoon, hoewel mijn vader in die tijd nog geen geschiedenis gaf, maar er in een paar slecht geformuleerde zinnen goed over wist te vertellen. De Geschiedenis. 3 Lang voordat de twee landen werden gescheiden, ik was toen nog een kind, maakte ik dankzij het tennis al onderscheid tussen Tsjechen en Slowaken. Ik wist bijvoorbeeld dat Ivan Lendl een Tsjech was, terwijl Miroslav Mečiř een Slowaak was. En terwijl Mečiř de Slowaak een onconventioneler, talentvoller en sympathieker speler was dan Lendl de Tsjech, die moeizaam, kil en antipathiek was (ook al was hij 270 weken de nummer een van de wereld, een record dat alleen Pete Sampras heeft gebroken, met 286 weken), had ik, ook van mijn vader, begrepen dat de Slowaken tijdens de oorlog hadden gecollaboreerd, terwijl de Tsjechen verzet hadden geboden. In mijn hoofd (dat de verbazingwekkende complexiteit van de wereld toen nog maar in zeer beperkte mate kon bevatten) betekende het dat alle Tsjechen verzetsstrijders waren geweest en alle Slowaken


seconde had ik aan het geval Frankrijk gedacht, dat toch een weerlegging was van een dergelijke schematische voorstelling. Hadden wij Fransen niet tegelijk verzet geboden en gecollaboreerd? Pas toen ik erachter kwam dat Tito een Kroaat was (en niet alle Kroaten dus hadden gecollaboreerd, en misschien ook niet alle Serviers dus in het verzet hadden gezeten), begon ik eerlijk gezegd een wat duidelijker beeld te krijgen van de situatie in Tsjecho-Slowakije tijdens de oorlog. Aan de ene kant had je Bohemen en Moravië (oftewel het huidige Tsjechië) die door de Duitsers waren bezet en door het Reich geannexeerd (dat wil zeggen dat ze de weinig benijdenswaardige status hadden van Protektorat, dat beschouwd werd als een integraal onderdeel van Groot-Duitsland) en aan de andere kant had je de staat Slowakije, in theorie onafhankelijk, maar in de praktijk een satellietstaat van de nazi’s. Dat zei uiteraard niets over het individuele gedrag van elk van de inwoners. 4 Toen ik in 1996 aankwam in Bratislava, van waaruit ik naar OostSlowakije door zou reizen om Frans te geven aan een militaire academie, was die geschiedenis van de aanslag op Heydrich een van de eerste dingen (nadat ik het nieuws had gekregen dat mijn zoekgeraakte bagage in Istanbul terecht was gekomen) waar ik de secretaris van de defensieattache op de ambassade naar vroeg. De beste man, een onderluitenant gespecialiseerd in het afluisteren van telefoongesprekken in het Tsjecho-Slowakije van tijdens de Koude Oorlog en daarna omgeschoold in de diplomatie, vertelde me de voornaamste details van de zaak. In de eerste plaats waren ze met zijn tweeën geweest: een Tsjech en een Slowaak. Ik was blij te horen dat een staatsburger van mijn gastland aan de ope-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

hadden gecollaboreerd, alsof dat in hun volksaard lag. Geen

45


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

46

ratie had deelgenomen (er waren dus heus wel Slowaakse verzetsmensen geweest). Over het verloop van de operatie zelf zei hij erg weinig, behalve als ik me goed herinner dat een van de wapens blokkeerde op het moment dat de auto van Heydrich onder vuur werd genomen (en ik begreep toen dus dat Heydrich in een auto zat op het moment van de aanslag). Maar wat mijn nieuwsgierigheid vooral prikkelde, was wat erop volgde: hoe de twee partizanen met hun vrienden hun toevlucht hadden gezocht in een kerk en hoe de Duitsers hadden geprobeerd hen daar te verdrinken… Vreemd verhaal. Ik wilde nadere bijzonderheden. Maar veel meer wist de onderluitenant er niet van af. 5 Korte tijd na mijn aankomst in Slowakije ontmoette ik een knappe jonge Slowaakse vrouw op wie ik wanhopig verliefd werd en met wie ik een hartstochtelijk avontuur zou beleven dat bijna vijf jaar duurde. Van haar kon ik aanvullende inlichtingen krijgen. Ten eerste de naam van de hoofdrolspelers: Jozef Gabčik en Jan Kubiš. Gabčik was de Slowaak en Kubiš de Tsjech – je schijnt je door de klank van hun achternamen niet te kunnen vergissen. De twee mannen leken in ieder geval een onontbeerlijk onderdeel te zijn van het historische landschap, want Aurelia, de jonge vrouw in kwestie, had hun naam op school geleerd, net als alle kleine Tsjechen en alle kleine Slowaken van haar generatie, denk ik. Verder kende ze het verhaal in grote lijnen, maar ze wist er nauwelijks iets meer van dan die onderofficier. Het zou nog twee of drie jaar duren voor ik me werkelijk bewust werd van wat ik altijd had vermoed, namelijk dat deze geschiedenis in romantiek en intensiteit de meest onwaarschijnlijke fictie ver achter zich laat. En dat ontdekte ik bijna bij toeval. Ik had voor Aurelia een flat gehuurd in het centrum van Praag,


plein. Vanaf dat plein loopt de Resslova Ulice naar de rivier en komt uit bij het vreemde gebouw van glas dat door de lucht lijkt te zwieren en dat de Tsjechen Tančici Dům noemen, het dansende huis. In die Resslovastraat staat een kerk, als je naar de rivier loopt aan de rechterkant. Aan de zijkant van die kerk bevindt zich een kelderraam waaromheen in de steen talrijke kogelinslagen te zien zijn, en een gedenkplaat die onder andere de namen van Gabčik en Kubiš noemt, en ook die van Heydrich, aan wie hun lot nu voor eeuwig is verbonden. Ik ben tientallen keren langs dat kelderraam gekomen zonder de inslagen of de gedenkplaat te zien. Maar op een dag bleef ik staan: ik had de kerk gevonden waarin de parachutisten na de aanslag hun toevlucht hadden gezocht. Ik ben met Aurelia teruggegaan op een moment dat de kerk open was en we de crypte konden bezoeken. In de crypte bevond zich alles. 6 Er waren nog ontzettend duidelijke sporen van het drama dat zich meer dan zestig jaar geleden in deze ruimte heeft afgespeeld: het kelderraam, maar nu van binnenaf gezien, een tunnel van enkele meters lang, kogelinslagen in de muren en het gewelfde plafond, en twee houten deurtjes. Maar er waren ook de gezichten van de parachutisten op foto’s en in een tekst, geschreven in het Tsjechisch en het Engels, stond de naam van een verrader, op een aanplakbiljet waren een regenjas, een schoudertas en een fiets te zien, er was inderdaad een stengun die op het ergst denkbare moment blokkeerde, er werd naar vrouwen verwezen, er werden onvoorzichtigheden genoemd, Londen, Frankrijk, mannen van het Vreemdelingenlegioen, een

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

tussen de Vyšehradburcht en het Karlovo Naměsti, het Karels-

47


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

48

regering in ballingschap, een dorp genaamd Lidice, een jonge uitkijk genaamd Valčik, een tram die langs kwam rijden, ook op het ergst denkbare moment, een dodenmasker, een beloning van tien miljoen kronen voor de man of vrouw die aangifte zou doen, cyanidecapsules, granaten en granaatwerpers, radiozenders en gecodeerde boodschappen, een verstuikte enkel, penicilline die alleen in Engeland te krijgen was, een hele stad afhankelijk van een man bijgenaamd ‘de beul’, hakenkruisvlaggen en doodshoofdinsignes, Duitse spionnen die voor Engeland werkten, een zwarte Mercedes met een lekke band, een chauffeur, een slager, hoogwaardigheidsbekleders rond een doodskist, politiemannen gebogen over lijken, verschrikkelijke represailles, grootsheid en waanzin, zwakte en verraad, moed en vrees, hoop en verdriet, alle menselijke hartstochten verzameld in die paar vierkante meter, oorlog en dood, gedeporteerde joden, afgeslachte gezinnen, opgeofferde soldaten, wraak en politieke berekening, een man die onder andere vioolspeelde en aan schermen deed, een slotenmaker die zijn beroep nooit heeft kunnen uitoefenen, de geest van het verzet die voor altijd in die muren staat gegrift, sporen van de strijd tussen de troepen van het leven en die van de dood, er was Bohemen, Moravië, Slowakije, in die paar stenen stond de hele geschiedenis van de wereld vervat. Buiten stonden zevenhonderd ss ’ers. 7 Rondstruinend op internet ontdekte ik het bestaan van een film, getiteld Conspiracy, waarin Kenneth Branagh de rol van Heydrich speelt. Voor vijf euro, portokosten inbegrepen, bestelde ik haastig de dvd, die binnen drie dagen werd bezorgd. Het is een reconstructie van de Wannseeconferentie, waarop


paar uur vastlegde op welke manieren de Endlösung moest worden toegepast. Op die datumwaren in Polen en de

u ssr

al mas-

sale executies aan de gang, maar die waren toevertrouwd aan de Einsatzgruppen, uitroeiingscommando’s van de

ss ,

die zich

ertoe beperkten hun slachtoffers met honderden, zelfs duizenden tegelijk bij elkaar te drijven, vaak op een veld of in een bos, en hen daar met mitrailleurvuur neer te schieten. Het probleem van deze methode was dat ze de zenuwen van de beulen danig op de proef stelde, waardoor het moreel van de troepen steeds verder zakte, zelfs van geharde troepen als de

ss

of de

Gestapo – Himmler zelf was in zwijm gevallen toen hij een van die massa-executies bijwoonde. Vervolgens waren de

ss ’ers

er-

toe overgegaan hun slachtoffers in stampvolle vrachtwagens te verstikken door de uitlaat naar binnen te draaien, maar de techniek bleef vrij ambachtelijk. Na Wannsee werd de uitroeiing van de joden, door Heydrich overgedragen aan de goede zorgen van de trouwe Eichmann, aangepakt als een logistiek, sociaal en economisch project van zeer grote omvang. Kenneth Branagh speelt de rol vrij intelligent, want hij slaagt erin om de grootst mogelijke hoffelijkheid te combineren met een autoritaire, bitse manier van optreden, waardoor hij er een zeer verontrustend personage van maakt. Toch heb ik nergens gelezen dat de echte Heydrich blijk kon geven van vriendelijkheid, echte of geveinsde, in welke omstandigheid dan ook. Wel laat de film in een heel korte scene het personage tegelijk psychologisch en historisch goed uitkomen. Twee deelnemers hebben een onderonsje. De een zegt tegen de ander dat hij heeft horen zeggen dat Heydrich joods bloed in zich heeft en vraagt hem of hij denkt dat het gerucht waar kan zijn. De ander reageert venijnig: ‘Waarom vraag je het hem zelf niet?’

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Heydrich, bijgestaan door Eichmann, op 20 januari 1942 in een

49


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

50

Zijn gesprekspartner verbleekt bij de gedachte alleen al. Het hardnekkige gerucht dat Heydrichs vader joods was, heeft Heydrich inderdaad lange tijd achtervolgd en zijn jeugd verpest. Het schijnt een ongefundeerd gerucht te zijn geweest, maar ook al was dat niet het geval, dan kon Heydrich als hoofd van de inlichtingendienst van de nazipartij en van de ss zijn stamboom zonder moeite van elk verdacht spoor zuiveren. Hoe dan ook, het is niet de eerste keer dat het personage Heydrich op het witte doek is gebracht, want al in 1943, minder dan een jaar na de aanslag, draaide Fritz Lang een propagandafilm getiteld Hangmen also die!, volgens een scenario van Bertolt Brecht. In die film was de reconstructie van de gebeurtenissen totaal verzonnen (Fritz Lang wist beslist niet hoe het zich allemaal in het echt had afgespeeld, en had hij het wel geweten, dan zou hij natuurlijk niet het risico hebben genomen het aan de grote klok te hangen), maar het was wel goed verzonnen: Heydrich werd vermoord door een Tsjechische chirurg, lid van het binnenlandse verzet, die zich verborg bij een jong meisje, wier vader, een professor, met andere lokale persoonlijkheden bij een razzia was opgepakt door de bezetter en bij wijze van vergelding geĂŤxecuteerd dreigde te worden, als de dader zich niet aangaf. De spanning die kundig (dankzij Brecht, waarschijnlijk) tot het uiterste was opgevoerd, eindigde in een ontknoping toen het verzet erin slaagde een collaborerende verrader de schuld in de schoenen te schuiven, met wiens dood de kwestie en ook de film eindigde. In werkelijkheid kwamen de partizanen noch de Tsjechische bevolking er zo gemakkelijk vanaf. Fritz Lang heeft ervoor gekozen Heydrich tamelijk grof weer te geven als een volkomen ontaarde, perverse en verwijfde man, die hij een rijzweep laat hanteren om zijn wreedheid en tege-


Heydrich doorging voor een seksueel gestoorde persoon en dat hij het moest doen met een falsetstem die afbreuk deed aan de rest van zijn persoonlijkheid, maar zijn arrogantie, zijn onbuigzaamheid, zijn absolute ariërprofiel hadden niets weg van de waggelende figuur in deze film. Als je een wat beter gelijkend portret wilt zien, zou je het beste The Great Dictator van Chaplin nog eens kunnen bekijken, waar Hynkel, de dictator, wordt geflankeerd door twee handlangers, een papperige, dikke poseur, duidelijk naar Goring gemodelleerd, en een lange dunne figuur die veel geslepener, killer en onbuigzamer is, en dat is niet de sluwe en ongemanierde Himmler met zijn snorretje, maar eerder Heydrich, diens zeer gevaarlijke rechterhand.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

lijk zijn verdorven aard te onderstrepen. Het klopt dat de echte

51

8 Voor de honderdste keer ben ik terug naar Praag gegaan. Ik heb de crypte weer bezocht, nu in gezelschap van een andere jonge vrouw, de prachtige Natacha (ze is Française, in weerwil van haar naam, ze komt net als wij allemaal uit een communistisch nest). De eerste dag was de crypte vanwege een nationale feestdag gesloten, maar ertegenover ligt, wat nooit eerder tot me was doorgedrongen, een bar, die ‘De parachutisten’ heet. De muren binnen zijn bedekt met foto’s, documenten, fresco’s en aanplakbiljetten die allemaal betrekking hebben op de parachutisten. Achterin een enorme muurschildering van Groot-Brittannië met punten die de verschillende militaire bases aangeven waar de gevechtsgroepen van het Tsjechische leger in ballingschap zich op hun opdrachten voorbereidden. Ik heb er met Natacha een biertje gedronken. De volgende dag kwamen we terug toen de kerk open was en ik heb de crypte aan haar laten zien, terwijl zij op mijn verzoek een paar foto’s maakte. In de hal werd een filmpje vertoond


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

52

waarin de aanslag werd gereconstrueerd en ik probeerde vast te stellen waar het drama zich had afgespeeld om er eens een kijkje te kunnen gaan nemen, maar het is vrij ver van het centrum, in een van de voorsteden. De straatnamen zijn veranderd en ik kan de exacte plek van de aanslag nog steeds niet precies aanwijzen. Bij de uitgang van de crypte pakte ik een tweetalige folder mee over een tentoonstelling genaamd Atentåt in het Tsjechisch en Assassination in het Engels. Tussen de twee titels was een foto van Heydrich te zien, die een trap op loopt met aan weerskanten lambriseringen, omringd door Duitse officieren en geflankeerd door zijn lokale rechterhand, Karl Hermann Frank, een Sudeten-Duitser, allemaal in ceremonieel tenue. Op het gezicht van Heydrich was een rode schietschijf afgedrukt. De tentoonstelling werd gehouden in het Legermuseum, in de buurt van het metrostation Florenc, maar er werden geen data genoemd (alleen de openingstijden van het museum waren aangegeven). We zijn er dezelfde dag nog heen gegaan. In het museum werden we door een kleine, tamelijk oude dame met veel egards verwelkomd; ze leek blij met een paar bezoekers en nodigde ons uit om alle zalen van het gebouw te bekijken. Maar er was er maar een die mijn belangstelling had en dat heb ik haar ook gezegd: de zaal waarvan de ingang was opgedirkt met een enorme aankondiging van karton, als een soort affiche voor een horrorfilm uit Hollywood: de tentoonstelling over Heydrich. Ik vroeg me af of het een permanente tentoonstelling was. In ieder geval was ze gratis, net als het hele museum, en de kleine mevrouw, die naar onze nationaliteit had gevraagd, gaf ons een boekje in het Engels mee (het speet haar dat ze ons alleen uit Engels of Duits kon laten kiezen). De tentoonstelling overtrof al mijn verwachtingen. Daar lag werkelijk alles, naast de foto’s, de brieven, aanplakbiljetten en


soonlijke bezittingen van de parachutisten, hun door de Engelse geheime dienst aangelegde dossiers, met aantekeningen, beoordelingen en de waardering van hun kwaliteiten, de Mercedes van Heydrich met de lekke band en het gat in het rechterachterportier, de fatale brief van de minnaar aan zijn maîtresse waardoor het bloedbad van Lidice werd veroorzaakt, naast hun respectievelijke paspoorten met foto, en een overvloed aan andere authentieke en aangrijpende overblijfselen van wat er is gebeurd. Ik maakte koortsachtig notities, ook al wist ik dat er veel te veel namen, data en details waren. Bij het weggaan vroeg ik de kleine mevrouw of het mogelijk was het boekje te kopen, dat ze me had gegeven voor de duur van het bezoek en waarin alle onder- en bijschriften van de tentoonstelling waren opgenomen. Het speet haar werkelijk, maar dat was onmogelijk. Het was een bijzonder mooi gemaakt boekje, met de hand gebrocheerd en duidelijk niet bestemd voor handelsdoeleinden. Bij het zien van mijn teleurstelling en misschien ook geroerd door de moeite die ik deed om Tsjechisch te koeterwalen pakte de kleine dame uiteindelijk het boekje uit mijn handen en stopte het met een vastberaden blik in Natacha’s handtas. Ze gebaarde ons niets te zeggen en te vertrekken. We hebben haar hartelijk bedankt. Gezien het aantal bezoekers heeft niemand het boekje gemist, maar het was toch echt aardig van haar. Twee dagen later, een uur voordat onze bus naar Parijs vertrok, ben ik naar het museum teruggegaan met chocolaatjes, die de beduusde kleine mevrouw weigerde aan te nemen. De informatie die ze me gaf is zo overvloedig dat zonder dat boekje – en dus zonder haar – dit boek waarschijnlijk niet de vorm had gekregen die het nu heeft. Ik vind het jammer dat ik haar naam niet heb durven vragen, anders had ik haar hier nog eens plechtig kunnen bedanken.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

uiteenlopende documenten, heb ik de wapens gezien en de per-

53


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

54

Laurent Binet HhhH Th e m a ti e k Op 27 mei 1942 werd een aanslag gepleegd op Reinhard Heydrich, nazikopstuk, rechterhand van Himmler. Van de SS kreeg hij de bijnaam HhhH: Himmlers hersenen heten Heydrich. Deze aanslag werd gepleegd in opdracht van ‘London’ en had desastreuze gevolgen. Door represailleacties werd het dorp Lidice van de kaart geveegd: het werd ongenadig met de grond gelijkgemaakt, de vrouwen werden afgevoerd naar een kamp, de mannen geëxecuteerd, de kinderen vergast. Het markeerde voor de nazi’s onbedoeld een keerpunt in de publieke opinie over hun regime. Tientallen jaren later vertelt de vader van schrijver Laurent Binet hem over deze geschiedenis. Binet raakt erdoor gefascineerd en schrijft het boek HhhH. De vorm van HhhH is opvallend. In de 257 korte hoofdstukken vertelt Binet drie verhalen; zijn eigen verhaal, het verhaal van de nazicarrière van de ambitieuze Heydrich en dat van de aanslagplegers. Hij doet dit aan de hand van films, krantenartikelen, naziarchieven, actualiteiten, het dagboek van Goebbels, maar ook op het eveneens op historische feiten gebaseerde De welwillenden van Jonathan Littell (dat een paar maanden voor HhhH uitkwam) en waarvan de correctheid veelvuldig werd bekritiseerd. Binet geeft aan dat hij als schrijver slechts zijn best kan doen een geschiedenis zo waarheidsgetrouw mogelijk op te schrijven; fictie moet hij in het licht van feiten plaatsen.


probeert in de huid te kruipen van de ‘hoofdrolspelers’ van zijn verhaal. Het feit dat ze hebben bestaan maakt dit voor hem des te moeilijker. Hij beschrijft zijn eigen schrijfproces en de grillen waaraan hij is overgeleverd, de twijfels over de betrouwbaarheid van de historische feiten, de gewetensbezwaren, keuzes van bronnen en stijloverwegingen. Zijn sterk aanwezige verlangen de geschiedenis naar zijn hand te zetten speelt in dit proces ook een dominante rol. En niet op de laatste plaats, zijn wens zichzelf in deze geschiedenis te plaatsen. Door de geschiedenis op schrift te stellen laat Binet deze historische figuren weer even tot leven komen. Hij zet zichzelf midden in hun verhaal, en ziet ze rennen, lachen. Hij hóórt ze denken. Ondertussen blijft hij de lezer er steeds aan herinneren dat hij slechts een schrijver is en dat hij ‘niets afweet van wat er in de mannen omgaat’. Dit is een strijd die het hele boek door woedt. Soms verzint Binet scènes om zich er vervolgens voor te verontschuldigden, of hij rectificeert aannames die wij als lezer voor lief namen. Hij probeert documentair te werken, maar degenen die hij moet spreken om het verhaal compleet te krijgen zijn er niet meer. Daardoor vallen in zijn verhaal gaten waar hij zich hardnekkig tegen verzet. De geschiedenis kan vanuit verschillende perspectieven worden herlezen maar mag niet herschreven worden. En dat vindt Binet tragisch. De geschiedenis, schrijft hij, is het ultieme noodlot.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Laurent Binet voert zichzelf op als een van de personages. Binet, de schrijver, doet onderzoek naar een geschiedenis en

55


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

Gespreksvragen 1 Enerzijds kunnen historische romans geschiedverval-

sing worden genoemd en anderzijds is literatuur een mooi medium om een geschiedenis te vertellen. Waar

zou u HhhH indelen? 2 Zou u deze ‘roman’ categoriseren als fictie of non-fictie?

Waar ligt voor u de grens?

3 Binet heeft moeite de geschiedenis niet te kleuren.

Het zit nu eenmaal in de aard van zijn schrijverschap.

Op welke momenten kan hij zich niet inhouden?

56

4 Er is een grote groep moedige mensen die Binet niet

allemaal kan noemen in zijn boek. Hij voelt zich er

schuldig over dat zij anoniem zullen blijven. Hoe lost hij dit op? 5 Binet gebruikt een keur aan bronnen die we als het

ware met hem mee lezen. Wat is de meerwaarde van het lezen van de bronnen voor ons? Prikkelde het u andere versies van dit verhaal te lezen?


ondergang van Heydrich, de aanslag van Gabčík en Kubiš en Binets schrijversverhaal) spreekt u het meest aan en waarom?

7 Wat zou Binet kunnen bedoelen met ‘ínfra-roman’? (p. 256) 8 Binet is er op het neurotische af van overtuigd dat de

Mercedes van Heydrich groen is. Maar op p. 257 lezen

we ‘Ik hoor de motor van de zwarte Mercedes…’ Hoe kan het dat Binet van mening verandert?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

6 Welke van de drie grote verhaallijnen (de opkomst en

57

9 Op p.10 al krijgt de lezer de afloop van operatie ‘Anthropoid’

te lezen. Heeft de gegeven voorkennis uw leeservaring

op enige manier beïnvloed? 10 Voor wie schrijft Laurent Binet HhhH?


58 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


De eindeloze zee Tamouna ontmoet Tamaz tijdens een vakantie aan de Georgische Zwarte Zee in de zomer van 1921. Het is liefde op het eerste gezicht maar door de politieke situatie in Georgië moet ze met haar familie naar Frankrijk vluchten. Op haar negentigste verjaardag geeft Tamouna een groot feest waarvoor Tamaz ook is uitgenodigd. Terwijl de voorbereiding worden getroffen kijkt ze terug op haar leven als balling en haar verloren grote liefde. Kéthévane Davrichewy (Parijs, 1965) studeerde literatuur- en theaterwetenschappen en is schrijfster van diverse jeugdboeken. Voor De eindeloze zee liet ze zich inspireren door het verhaal van haar Georgische familie. ‘Door de duidelijkheid van de taal en de eenvoud van het verhaal baadt deze roman in een helder licht.’ Le Temps

‘Een mooie roman over liefde en ballingschap.’

Le Figaro

Oorspronkelijke titel: La mer noire | Vertaling: Tatjana Daan Paperback: 208 BLZ. | Prijs: €18,95 | ISBN: 9789029086714

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Kéthévane Davrichewy

59


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

60

KĂŠthĂŠvane Davrichewy

De eindeloze zee De dag breekt aan. Ze voelt het onder haar gesloten oogleden. Heel in de verte klinkt het geluid van de straat. Dichterbij blaft een hond. Een vogel zingt. Een kind huilt, of lacht. De contouren zijn vaag. Een geur van bloemen, de lucht van de tuin. Ze zou de hond binnen moeten laten. Ze probeert de lakens van zich af te schuiven, overeind te komen, maar haar lichaam reageert niet. Een onduidelijke schaduw beweegt. Ze opent haar ogen. Wakker nu. Ze verroert zich niet. Nog niet. Geen tuin. En ook geen hond. Ze kijkt de slaapkamer rond. De vergeelde muren, de oude fauteuil aan de voet van het bed, de paar kledingstukken die de vorige dag zijn achtergelaten. De commode overladen met boeken en verzamelde snuisterijen. Ze kan ze niet meer zien. Ze zou ze moeten wegdoen, alleen de boeken bewaren. Boven de commode oude posters. Een Matisse-expositie, een open raam met uitzicht op zee, en Parijs-Tbilisi, een gravure uit de jaren dertig, de schatten van de Kaukasus. Ze moeten iets hebben betekend voordat het alleen nog maar die verkreukelde vellen papier werden die ze elke ochtend ziet als ze haar ogen opendoet. Het nachtkastje, de wekker. Hij staat op vijf voor half zeven. Het allesoverheersende en alomtegenwoordige apparaat bij het bed, bij uitzondering geluidloos. De gordijnen, zwaar en donker, om geen licht door te laten. Maar het licht komt toch binnen, steels, door de kieren, of door de zijdeachtige stof, en verspreidt een bijna rood schijnsel. Haar slaapkamer. De stof van de gordijnen golft even, dat idee heeft ze tenminste. Het zingen van de vogel komt naderbij. Dan het krijsen van een meeuw, bijna menselijk. Sinds enige tijd zijn er meeuwen in Parijs. Een vreemde indringer. De hond valt stil. Ze zou willen opstaan, haar hand willen uitstrekken om de gor-


Eindelijk. Daaraan beginnen te denken. Om het geluk en de pijn van het daaraan denken. Hij zal er vanavond zijn. Ze beweegt haar tenen een beetje, trekt de lakens weer op tot onder haar kin, laat haar hoofd terugvallen op het kussen. Ze sluit haar ogen weer, voelt Pacha op haar borst springen. De kat gaat tegen haar oor liggen en begint te spinnen. Alles vervaagt opnieuw. De stilte van de kamer als het apparaat uit staat. Ze sluimert in. In haar slaap ziet ze plotseling het korenveld achter het huis opdoemen. Tamaz roept haar. Ze schrikt op maar antwoordt niet. Ze slaapt. De seizoenen in Tbilisi waren echte seizoenen. Tegen het einde van de lente werd de stad kleurrijk, stoffig, lawaaiig. We laten de deuren openstaan, de warmte komt bij ons binnen. Mijn neven en nichten wonen in het huis ernaast, de straat wordt onze straat. Flarden in mijn geheugen. Ze laten ons vrijer. Ik ren naar de fruitverkoper, hij geeft me kersen, we verstoppen ons om ze op te eten, we kleden ons uit om te voorkomen dat we vlekken op onze kleren krijgen en Bebia, onze grootmoeder, boos maken. Als we alles op hebben sturen we de kleinste, Gougou, om nieuwe te halen. De kruidenier mag hem graag, hij geeft hem een zak vol. De vruchten onder in de zak raken verpletterd, ze smaken naar de kelderlucht van de verstopplaats onder de trappen bij de oude muur. We zitten met zijn zessen, mijn neven, mijn nichten, mijn zus en ik, dicht op elkaar met onze rug tegen de afbrokkelende muur. Onze huid is bedekt met fijn, prikkend steengruis. Voor we teruggaan, kloppen we elkaar af en lopen we, in de buitenlucht, door de stegen tot aan de avenue Roustaveli. Als we weer thuiskomen, bestoft, is de kelderlucht verdwenen. Op de begane grond van ons huis woont een vrouw. ’s Middags

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

dijnen open te doen. Wat voor weer is het? Tamaz komt vandaag.

61


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

62

ontvangt ze een man. Ze doet de deur open en gaat hem tegemoet. Ze omhelzen elkaar voor onze verstopplaats. Van waar we zitten hebben we uitzicht op hun benen, de kousen van de vrouw, de broek van de man. We proberen ons op de schouders van Irakli te hijsen om ze te zien kussen, maar mijn neef heeft pijn in zijn rug, duwt ons van zich af. We kunnen het gekus van de vrouw en de man alleen maar horen. Hun benen verstrengelen zich. Ik durf niet te kijken. Vanuit het huiskamerraam zouden we het beter kunnen zien, zegt mijn nicht Daredjane. Het is walgelijk, zegt Eka. Nee, zegt Irakli, ze denken dat ze alleen zijn. Je hoeft niet zo uit de hoogte te doen, zegt mijn zus Thea, je weet dat het niet goed is. Waarom is het niet goed? vraagt Gougou. Stil, antwoordt Irakli bars. Ik fluister, protesteert zijn broertje, jullie fluisteren ook. We spreken onderling Georgisch. Dat is de familietaal. Die van de vakanties. Op school moeten we Russisch spreken. Dat is het voorschrift. Het Georgisch is een fluttaal, zegt onze meester. Elke poging het verbod te trotseren wordt streng bestraft. De lichamen van de vrouw en de man scheiden zich. Zijn jullie dat, kinderen? vraagt de vrouw. Haar stem is bijzonder. Onze moeder Deda, onze vader, mijn oom en tante, en onze grootouders Babou en Bebia zeggen dat het vreselijk is, een zo mooie vrouw met zo’n stem. Ik zie het als een geluk een bijzondere stem te hebben, en mooi te zijn als onze buurvrouw. Ze is niet echt mooi, zegt mijn moeder, ze is uitdagend. Papa kust lachend haar hand. De vrouw geeft niet op, roept ons nog eens, ze vermoedt dat wij daar ergens verstopt zitten. We houden ons stil, we stikken bijna van het steeds onze


Thea, ze duwt me hard weg. De vrouw schatert en nadert haar minnaar. Terwijl ze kussen licht ze een voet op en lijkt die speciaal voor ons heen en weer te bewegen. De handen van de man pakken haar jurk op onze hoogte beet. Hij raakt haar billen aan, zegt Daredjane. Ik wil weer naar binnen, jammert mijn zus. Ik geef haar een elleboogstoot. Ze probeert niet te kermen. Omarmd lopen de vrouw en de man de trap op. Niet onder haar jurk kijken, jongens, zegt Daredjane. We verroeren ons niet. Een paar minuten later komt onze grootmoeder langs, ze draagt een heel zware tas. We moeten haar helpen. Nee, ze redt het wel zonder ons. We dragen waardig onze schuld terwijl we haar de treden zien beklimmen. Eindelijk is ze verdwenen en kunnen we haar vergeten. Buren komen en gaan, we houden ervan hun bewegingen te volgen, we kennen hun gewoontes. De vrouwen praten met elkaar, dragen de kinderen. De mannen schuiven aan op de cafÊterrassen. Gezinnen gaan op weg naar de kerk, de synagoge of de moskee, die zich niet ver daarvandaan zij aan zij bevinden op de oevers van de Koura. Onze vaders verlaten vroeg in de ochtend het huis. Ze bereiden de revolutie voor, zegt Thea op bevlogen toon. Ze bereiden al jaren de revolutie voor, verder weten we niets over hun werk en weinig over de revolutie. Het woord maakt me bang. Mijn vader spreekt het ’s nachts soms uit wanneer we elkaar tegenkomen in de keuken als we niet kunnen slapen. Uiteindelijk gaan onze moeders naar ons op zoek. Onze zes namen in de wind vormen een riedeltje alleen voor ons. Soms kunnen we niet antwoorden. We zijn de gevangenen van onze verstopplaats. Vanwege Babou, onze grootvader, en zijn vrien-

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

mond dichthouden. Ik leg een vinger op de halfopen mond van

63


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

64

den. Ze gaan voor ons zitten, op straat, om nardi te spelen. Als Babou wint, kan het voor ons uren duren. Ze laten de dobbelstenen rollen op het houten blad. We hebben het koud of warm, we beginnen stram te worden. Het is niet leuk meer. Ik heb een idee, zegt Irakli. Hij sluipt onze schuilplaats uit. Babou is dolblij hem te zien en stelt hem geen vragen. Terwijl Irakli zo voor afleiding zorgt, kleden wij ons weer aan en wurmen ons een voor een uit onze geheime verstopplaats. We inspecteren elkaar nauwgezet om alle verdachte sporen uit te wissen, hoewel we moeite hebben elkaars nabijheid nog langer te verdragen. We doorkruisen de wijk om de lucht te verdrijven. We praten niet meer nu het weer zou kunnen, we mijden elkaar bijna. Ik waak over mijn neefje Gougou, die moeite heeft ons bij te houden. Vandaag komt Tamaz. Dat is haar eerste gedachte. Deze keer opent ze haar ogen precies op het moment dat ze wakker wordt. Pacha, die op de commode zit, op de plek waar de zon een straal stof laat vallen, laat zijn kalme blik op haar rusten. Hij volgt haar bewegingen. Ze richt zich langzaam op en gaat zitten op de rand van het bed. Ze heeft een risico genomen. Ze was onbevreesd toen ze de voorgaande avond het apparaat uitzette. Vanochtend is het anders, haar daad maakt haar een beetje bang. Ze zou deze dag graag willen beleven. De wekker geeft al half tien aan. Ze staat op en loopt naar de badkamer. Voor de wastafel komt ze op adem. Ze vermijdt naar zichzelf te kijken. Ze spoelt water over haar gezicht, poetst haar tanden. Uiteindelijk staart ze naar haar spiegelbeeld. Ze heeft het lang niet meer gedaan, maar vandaag bekijkt ze zichzelf. Geen afdruk van de slang op haar wangen. Ze ziet er best goed uit. Ze voelt een golf van behaagzucht door zich heen gaan. Ze denkt aan Tamaz. De schok zijn stem te horen. Hoe


ven. Een ironische reactie viel haar in, maar die vond ze van slechte smaak getuigen en dus hield ze haar mond. Ze liet hem praten, luisterde naar hem, verbaasd zo ondersteboven te zijn. Ze gaat de grijze of watergroene jurk – niemand was het ooit eens over de kleur – aantrekken. De jurk hangt in de kast. Hij past heel goed bij je ogen, zegt Nestane. Ogen van een ondefinieerbare kleur. Ze zou indruk willen maken op Tamaz ook al is het onoverkomelijk dat hij haar veranderd zal vinden. Pacha komt met vastberaden pas de badkamer binnen en slingert zich om haar benen. Als ze het vertrek verlaat rent hij voor haar uit en brengt haar bijna ten val. Daar is iedereen ongerust over, dat Pacha haar laat struikelen. Ze laat zich niet vermurwen, ze zal haar kat niet afstaan. Ze geeft hem een duwtje met haar voet en bromt iets onverstaanbaars. Pacha maakt een sprong, houdt plotseling stil op de keukendrempel en kijkt haar streng aan. Ze wendt zich af en opent de deur van de gangkast. Daar hangt de jurk, alsof hij zo van de stomerij kwam. Ze trekt het plastic kapot en laat het op de grond vallen. Pacha loopt ernaartoe, ruikt eraan. Het plastic ritselt onder zijn nagels. Ze strijkt langs de zijdeachtige stof en probeert zich te herinneren wanneer ze de jurk voor het laatst heeft gedragen. Het ene na het andere feestje komt haar voor de geest. En heeft ze hem bij die gelegenheden inderdaad aangehad? Ze hangt hem weer terug en loopt naar de keuken. Pacha vliegt haar achterna. Ze wankelt. Het bloed stijgt haar naar het hoofd. Ze leunt tegen de muur. Naar de keuken gaan, de kat zijn brokjes geven, het dienblad voor het ontbijt klaarmaken. De muur slingert, ze wankelt nog meer. Ze voelt zichzelf wegzakken. Een gegons dreunt in haar slapen. Waarom is ze ook zo dom geweest? ’s Zomers verlaten we Tbilisi. Elk jaar. Ik herinner me het bijna als een en dezelfde zomer. De weg naar Batoumi is lang, de trein

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

zou hij eruitzien? Hij zei: Het schijnt dat jij dezelfde bent geble-

65


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

66

is oncomfortabel, de slingerende sporen schudden ons hardhandig door elkaar. Toch hou ik van de reis naar de Zwarte Zee. De familie is voltallig. Mijn vader rookt zijn pijp, de geur verspreidt zich door de wagon. Hij discussieert met mijn oom, soms raakt het gesprek verhit, ze maken ruzie, ik weet niet waarover. Het gaat vast steeds over hetzelfde want Bebia, mijn grootmoeder, wordt zonder naar hen te luisteren rood en houdt haar handen voor haar oren. Mijn grootvader komt tussenbeide, slaat met zijn wandelstok hard op de vloer. Ze zwijgen. Mijn moeder streelt de arm van Bebia, die haar gewone kleur terugkrijgt. Ik zit naast mijn grootmoeder, ik leun op haar schouder en kijk naar het landschap, de toppen van de Kaukasus. Babou is daar geboren, hij zegt dat hij zijn buitengewone gezondheid aan de bergen te danken heeft. Deda heeft haar armen om Thea heen geslagen. Gougou ligt op de knieĂŤn van zijn moeder. De anderen knikkebollen, ze zullen over elkaar heen in slaap vallen. Bebia raakt me niet aan, ze weet dat ik dat niet meer prettig vind. Ik snuif haar geur op. Ze ruikt oud. De trein rijdt, ogen vallen dicht, behalve die van mijn vader, die gebogen over zijn manuscripten zijn pijp rookt. Mijn blik doet hem opkijken, hij glimlacht en strijkt met zijn hand over mijn gezicht, dat zou een liefkozing kunnen zijn maar hij doet het om me te ergeren. Ik deins terug, nu grijnst hij. Ik grijns terug. Hij verdiept zich weer in zijn werk. Ik tuur opnieuw naar het landschap. Het is alsof ik slaap, maar aangenamer omdat ik me bewust ben van het schommelen van de trein, omdat ik de controle heb over de droom waarin ik wegzink. Op het station wachten de paarden van de oude Chaliko ons op. We verlangen ernaar ze te zien, de paarden en Chaliko, die voor het huis zorgt. De vermoeidheid belet ons hem om de hals te vallen, hij drukt ons tegen zich aan, murmelt zinnen die alleen voor


strand. Het huis is groot, we verblijven er elke zomer samen. Een en dezelfde zomer. Oftewel, het huis is klein. De kinderen slapen onder de hanenbalken in hetzelfde vertrek. Mijn grootouders in de woonkamer bij de piano. Soms slaat een van hen in zijn slaap tegen de toetsen, via het trapgat stijgt het geluid in crescendo naar ons op. Het is te warm. Behalve in de hal, waar het alle seizoenen koel blijft. De trapleuning is kaal gesleten. We glijden ervan af en komen met beide voeten op de koude vloer terecht. Deda wordt boos als ze ons dat ziet doen. Mijn moeder is geen waaghals, ze is bang, vooral voor ons. Babou, onze grootvader, doet alsof hij niets ziet. Ik denk dat hij de leuning heeft afgesleten toen hij zo oud was als wij. Niemand van ons verstuikt zijn enkel zoals Deda voorspelt. Ik ben vijftien en die zomer ben ik bang, wil ik niet glijden. De anderen lachen me uit. Ze wachten me onder aan de trap op. Hun geroep weergalmt. De hal is het grootste vertrek van het huis, ook al dient hij nergens toe. Om ze hun mond te laten houden klim ik schrijlings op de leuning. Ik sluit mijn ogen, ik ga dood. Ik land jammerlijk aan hun voeten en probeer mijn jurk over mijn benen te trekken. Ik sta vlug op en loop weg. Ze komen achter me aan. Ik ren de trap weer op. Ik hol naar de badkamer en sluit mezelf net op tijd op. Ze kloppen zachtjes op de deur en fluisteren: ‘Tamouna, Tamouna.’ Ik hoor het gegrinnik, het gesmoes achter de deur. Ik sta voor de spiegel, ik kan mijn lachen niet inhouden, ik kan niet meer stoppen. Ik schater het in mijn eentje uit en sla mezelf daarbij gade, de tranen stromen over mijn wangen, mijn gezicht is vervormd van het lachen. Achter mij valt het gescheurde behang in flarden op de hurktoiletten. Ik veeg mijn tranen weg. Opeens hou ik op met lachen. De stilte is teruggekeerd, ze hebben er genoeg van gekregen. Ik ga op de

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

hem verstaanbaar zijn. We rijden langs de haven, de kades, het

67


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

68

grond zitten. Ik geniet van het alleen-zijn. Momenten van afzondering zijn schaars en waardevol. Binnen enkele ogenblikken zal een familielid op de deur komen kloppen. Ik hurk, ik draai een kraan open zodat het water het geluid overstemt. De anderen nemen het me kwalijk dat ik ze niet meer binnenlaat. Vroeger gingen we samen naar het toilet, de een hurkte terwijl de anderen rondom samendromden. De jongens vielen ons niet lastig. Daar vonden de grote discussies en beslissingen plaats. Wat voor spel zouden we gaan doen? Wie van de broers of zussen zou het laatste woord hebben bij een belangrijk meningsverschil? Waar hadden we een hekel aan? Waren we verliefd? Ik draai de kraan dicht en klim op de verroeste badkuip om het piepkleine bovenraam open te doen. Ik kijk naar de wegen die door de bergen slingeren, naar de olijfbomen, de bougainvilles. Ik hoor het geschreeuw van de vismarkt, een kar, een paard, de meeuwen, de zee. Mijn neven en nichten en mijn zus zijn op straat, ze hebben niet op me gewacht. Bebia, een hand op haar heup, praat met de buurvrouw. Mijn grootmoeder neemt altijd die houding aan als ze staat, ik vind dat geen gezicht. Haar kan het niet schelen. Babou, mijn vader, mijn oom en een paar buren doen mee aan een nardi-toernooi, de spelers zitten, de anderen staan achter hen in de volle zon. Ze maken grote gebaren, slaken kreten. Ik zou willen dat het beeld tot leven kwam. Het is helder, gestold. Niets beweegt meer. De haven van Batoumi verwijdert zich. Het is een vertrouwd gezicht, we zijn al eerder met een boot gaan varen en hebben de haven vaak vanaf zee gezien. Dit schip is veel groter. Het stampt. Ik ben misselijk. Ik zit ineengedoken in een hoek van de kajuit. Onbeweeglijk, anders ga ik overgeven. Ik hoor gehuil. Een gele ballon gaat langs me heen. Een vrouw en een klein meisje rennen er-


hem, roepen ze. De mensen kijken op, begrijpen het niet of reageren te laat. Het kleine meisje brult nog harder. Sommigen doen nog een poging iets te doen, ze roepen, ze rennen achter de ballon aan, hij ontsnapt, ze hebben hem bijna te pakken, maar hij ontsnapt weer. Ik zou ze de mond willen snoeren, ik word steeds misselijker, ik verroer me niet. Ten slotte gaat de ballon ervandoor door een openstaande patrijspoort, er komt een einde aan de opwinding. Het kleine meisje huilt terwijl ze kijkt hoe de ballon opstijgt. Hij wordt kleiner en voegt zich dan bij de wolken. We volgen hem met onze ogen. Lang. Tot hij is verdwenen. De Georgische kust is opgegaan in de Zwarte Zee. Ik stop mijn oren dicht. Het gesnik van het meisje is onverdraaglijk voor mij. Ik zou het dek op willen, een frisse neus halen, en overgeven in de zee. We zitten binnen opgesloten. Ik stik. De stem van Deda galmt achter me. De hand van mijn vader rust op mijn schouder. Ik weet niet van wanneer het besluit om het land te verlaten dateert. Mijn zus Thea en ik hebben het de voorgaande dag vernomen en vervolgens is ons bevolen er met niemand over te praten. We hebben niet aan de ernst van onze vader getwijfeld. We hebben onze koffers gepakt, onze grootouders omhelsd, onze oom, onze tante, onze neven en nichten, en we hebben de trein naar Batoumi genomen. Midden in de winter. Een Italiaans schip naar Europa. Alle leden van de regering waar mijn vader deel van uitmaakte hebben zich met hun gezinnen ingescheept. De flauwte is voorbij. In de keuken geeft ze Pacha te eten. Hij schrokt zijn brokjes naar binnen en zet zich aan zijn toilet. Zijn vacht is hier en daar kaal. Hij wordt oud. Merkwaardige naam voor een kat, zei Tamaz, toen ze hem in huis nam, ik ben jaloers. Ze durfde hem niet te vragen waarop hij jaloers was. Nestane had het

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

achteraan, strekken hun armen uit naar het plafond. Pak hem, pak

69


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

70

katje gevonden in de motor van een auto en had het haar kort daarvoor gebracht. Vóór Pacha had ze honden. In haar kinderjaren volgde Dzarlo haar overal. In Batoumi zwom hij naast haar. Op een dag was hij naar een groepje jongens toe gerend. De laatste zomer in Georgië. De zomer dat ze vijftien was. Ze riep hem maar hij reageerde niet. Haar neven en nichten waren zonder haar vertrokken. Ze raapte haar moed bijeen en liep naar de jongens die bij de pier in het zand zaten. Ze spraken luid in het Russisch, met een Georgisch accent. Ze waren ouder. In zwembroek. Dzarlo was gaan zitten aan de voeten van de grootste en keek toe hoe die een ijsje verorberde. De jongen liet zich door de hond aanstaren. Hij had dikke zwarte haren zonder krullen. Een gespierd, bijna mager lichaam. Geheel gekleed stond ze naast hen. Ze droeg een hoed met linten. Ze keek strak naar het zand. Ze wilde de hond bij zijn halsband pakken, maar ze was bang zich belachelijk te maken als hij weigerde haar te volgen. Toen hij Dzarlo zijn half opgegeten ijsje aanreikte leek hij haar aanwezigheid op te merken en keek haar indringend aan. Hoewel ze boven hem uitstak – hij zat en zij stond – nam hij haar uit de hoogte op en ze vond hem ongemanierd. Dzarlo, we gaan, zei ze terwijl ze haar hielen lichtte. Ze hoorde gelach. Dzarlo verroerde zich niet. De jongen aaide zijn kop. Dat maakte haar woedend. Ze keerde op haar schreden terug en trok aan de halsband van de hond. De jongen stond op, hij was een stuk groter dan zij. Ze verfoeide zijn nonchalante elegantie. Hij is koppig, zei hij, in het Georgisch nu. Ik loop met je mee, hij zal ons volgen. Wie dacht hij wel niet dat hij was? Ze wilde protesteren, haar groeiende woede tonen. Ze zei niets en zij aan zij liepen ze over


haar niet de minste aandacht geschonken. Ik heet Tamaz. En jij? Tamouna. Ze gaf hem, als teken van vertrouwen, meteen de verkleinvorm en had er onmiddellijk spijt van. Hij leverde geen commentaar. Hij was niet erg spraakzaam. Zijn zwijgen vervulde haar met ontsteltenis. Ze zei: Tot ziens, ik denk dat mijn hond me nu wel zal volgen. Ik breng je thuis, natuurlijk. Hij leek de spot met haar te drijven, bleef steeds maar zijn wenkbrauwen optrekken. Maar hij hield woord en liep tot het huis met haar mee. Ze was bang dat iemand hen zou zien, maar de omgeving leek verlaten. Hij bukte zich om afscheid te nemen van de hond en stootte haar bij die beweging aan. Toen hij weer overeind kwam, probeerde ze haar ogen op die van hem te vestigen om hem haar minachting kenbaar te maken. Hij kneep zijn oogleden samen, glimlachte even dunnetjes, groette haar en verdween achter de huizen. Dzarlo ging aan haar voeten liggen en legde zijn kop tegen haar schoen. De hond is bij haar grootouders in GeorgiĂŤ gebleven. Ze heeft ze nooit teruggezien. Geen van drieĂŤn. Ze kent de precieze datum van hun overlijden niet.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

de kaden, met Dzarlo op hun hielen. De andere jongens hadden

71


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

72

Kéthévane Davrichewy De eindeloze zee The m a ti e k De eerste aan wie de Georgische Tamouna op haar negentigste verjaardag denkt is Tamaz: haar grote liefde die zij in 1921 op vijftienjarige leeftijd ontmoette tijdens een vakantie aan de Zwarte Zee. Hun leven lang is het niet gelukt een relatie op te bouwen. Haar verjaardag zal groots worden gevierd en ook Tamaz is uitgenodigd. Tijdens de voorbereidingen blikt Tamouna terug op haar bewogen leven en deze grote liefde: we zien een zonderling meisje veranderen in de broze dame die ze nu is, en wachten samen met haar af of Tamaz zal komen. Als jong meisje vertrekt Tamouna met haar familie uit Georgië. De kinderen begrijpen weinig van de politieke situatie en de oorlog en het plotselinge vertrek. Het gezin verhuist naar Frankrijk waar Tamouna opgroeit onder de hoede van de Georgische gemeenschap. Zij blijft in Frankrijk wonen en zet nooit weer voet op Georgische bodem. Haar ballingschap en de onthechting waarmee ook andere Georgische families in Frankrijk te maken hebben vormen een belangrijk thema in De eindeloze zee. Het collectieve heimwee van een volk is een sterke kracht in het boek. Ze weten niet of ze ooit zullen terugkeren en wie ze dan nog zullen terugzien. Ze voelen zich niet thuis in Frankrijk maar tegelijkertijd beseffen ze dat hun eigen land onherkenbaar is veranderd. De hoop op terugkeer geeft hierdoor een paradoxaal gevoel.


van verschillende generaties op eenzelfde geschiedenis. ‘Ze hebben hun koffers neergezet, zijn erop gaan zitten maar hebben ze nooit geopend,’ zegt Nestane (p. 88). Het persoonlijke leed en vooral het ‘missen’ staan centraal in het verhaal van de jonge Tamouna. Pas drie jaar na de verdwijning van haar vader, die naar zijn geboorteland terugkeerde om tegen de Russen te vechten voor een onafhankelijk Georgië, krijgt ze de bevestiging van zijn lot. Er ligt een deken van zwijgen over het onderwerp. Haar zusje Thea sterft eveneens jong en ook daarover wordt gezwegen. Maar het onbesproken leed laat littekens achter: Tamouna’s verdriet is zo intens dat het uiten van haar gevoelens over de grote gebeurtenissen in haar leven onmogelijk is geworden. De tragische liefdesgeschiedenis van Tamouna en Tamaz wordt bepaald door hun ballingschap, waardoor ze gedwongen zijn op grote afstand van elkaar te leven. Het constante verlangen drijft Tamouna op sommige momenten haast tot waanzin. Ze ziet hem kort tijdens een Russisch bal en hoewel ze aan hem blijft denken gaat ze verder met haar leven en trouwt ze met een ander. Als de twee elkaar na jaren terugzien is het te laat om de dromen die ze ooit deelden nog vorm te geven. Tamouna lijkt op haar negentigste eindelijk berusting te vinden in haar lot.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Door de twee verhaallijnen krijgt de lezer inzicht in de kijk

73


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

74

G es pr e ks v r a g e n 1 De oorspronkelijke titel van Davrichewy’s boek is La mer

noire, de zwarte zee. Verandert dat uw titelverklaring?

2 Waarvoor zou de uitgemeten verjaardag van Tamouna

symbool kunnen staan?

3 Tamouna’s herinneringen zijn in de eerste persoon

geschreven terwijl de tegenwoordige tijd in de derde persoon is omschreven. Waarom is hiervoor gekozen?

4 Hoe komt het dat Tamouna moeite heeft met het to-

nen van affectie?

5 Nora’s ballingschap is anders dan die van de familie

van Tamouna. Waarom? Op welke momenten wordt dit duidelijk?

6 Tsiala provoceert haar bebia Tamouna. Ze zegt, ‘… we

houden vast wel van elkaar, maar… Het lukt me niet erachter te komen waar onze intimiteit, onze saamhorigheid op berusten,’ (p. 89). Waarom, naast de angst haar

kleinkind teleur te stellen, grijpt ze dit gesprek niet aan?


geschiedenis niet van commentaar voorzien?

8 ‘Wat betekent dat, apatride? Was jij apatride?’ vraagt

Tsiala haar grootmoeder. ‘Dat ben ik nog steeds, het be-

tekent zonder vaderland,’ antwoordt Tamouna. (p. 87). Waarom heeft Tamouna de Franse nationaliteit nooit aangenomen? 9 De brieven aan Tamaz schrijft Tamouna in een schrift

dat ze op een geheime plek bewaart. Waarom verstuurt ze ze nooit?

10 Waarom stuurt Tamouna Tamaz weg?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

7 Waarom wil Tamouna de fotoalbums van haar familie-

75


76 | l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f


Waar is onze moeder Wanneer So-nyo op een metrostation in Seoul spoorloos verdwijnt, blijven haar man en kinderen bezorgd en verward achter. Terwijl de kinderen discussiëren over de ‘vermist’- flyers die ze door de hele stad willen hangen, beseffen ze dat zij geen recente foto van hun moeder hebben. Al snel duikt er een grotere vraag op: hoe goed kennen ze hun moeder eigenlijk? Kyung-sook Shin (1963) groeide op in Zuid-Korea. Ze publiceerde haar eerste verhalenbundel in 1988, toen ze vijfentwintig was. Ze werd bekroond met de Manhae Literature Prize 1996, de Dong-in Literature Prize 1997 en de Isang Literary Prize 2001. Van Waar is onze moeder werden in Korea miljoenen exemplaren verkocht. ‘Aangrijpend... raak en vol psychologisch inzicht...’ P ublis h e rs W e e kly

‘Zowel universeel als specifiek. Dit is gevoelig schrijven.’ K i r k u s R e v i e ws

Oorspronkelijke titel: Please look after Mom (vertaald uit het Engels) Vertaling: Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap Paperback: 256 BLZ. | Prijs: € 18,95 | ISBN: 9789029086301

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

K yu ng - s ook S h i n

77


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

78

K y ung - s ook S hi n

Waar is onze moeder 1 spoorloos

Sinds een week is moeder zoek. Het hele gezin is bijeengekomen bij je oudste broer Hyongchol thuis om te bedenken wat jullie kunnen doen. Jullie besluiten flyers te maken om uit te delen op de plaats waar moeder voor het laatst gezien is. Om te beginnen moet er een tekst worden opgesteld, daar is iedereen het over eens. Zo’n flyer is natuurlijk de geijkte reactie in een dergelijke situatie, maar er is niet zo veel wat je als familie van een vermiste kunt doen, en de vermiste is in dit geval niemand minder dan jullie moeder. Jullie enige opties zijn aangifte doen van vermissing, de omgeving uitkammen en voorbijgangers vragen of ze iemand hebben gezien die op haar lijkt. Je jongste broer, die een online kledingwinkel heeft, heeft een bericht op internet gezet dat moeder wordt vermist met daarbij een beschrijving van de laatst bekende plaats waar ze is geweest, haar foto en het verzoek contact op te nemen met de familie als ze ergens is gezien. Je wilt haar gaan zoeken op plaatsen waar je vermoedt dat ze zou kunnen zijn, maar je weet hoe ze is: in haar eentje komt ze niet ver in deze stad. Hyong-chol zegt dat jij de tekst voor de flyer moet opstellen, omdat je met schrijven de kost verdient. Je bloost, alsof je ergens op betrapt wordt. Je vraagt je af in hoeverre jouw woorden kunnen bijdragen aan het terugvinden van moeder. Als je schrijft dat 24 juli 1938 moeders geboortedatum is, verbetert je vader je. Volgens hem is ze in 1936 geboren. In haar


voor het eerst dat je dit hoort. Volgens je vader was dat vroeger heel gebruikelijk. Omdat veel kinderen de eerste drie maanden niet overleefden, wachtten mensen meestal een paar jaar voor ze officieel aangifte deden van de geboorte. Maar zodra je de 38 in 36 wilt veranderen, zegt Hyong-chol dat het toch 1938 moet zijn, omdat dat de officiële datum is. Je hebt niet het idee dat het zo nauw luistert voor zo’n eenvoudige flyer, het is tenslotte geen officiële aangifte. Maar je laat 38 gehoorzaam staan, terwijl je je afvraagt of 24 juli zelfs wel echt moeders geboortedag is. Een paar jaar geleden zei je moeder: ‘We hoeven mijn verjaardag niet apart te vieren.’ Vader is een maand voor moeder jarig en jij en je broers en zussen gingen voor verjaardagen en andere feestdagen altijd naar het ouderlijk huis in Chongup. Als iedereen van de directe familie er was, waren jullie met zijn tweeëntwintigen. Moeder vond het heerlijk als al haar kinderen en kleinkinderen er waren en genoot van de drukte in huis. Een paar dagen voor iedereen kwam, maakte ze verse kimchi, ging ze naar de markt om vlees te kopen en sloeg ze extra tandpasta en tandenborstels in. Ze perste sesamolie en roosterde en maalde sesam- en perillazaad, zodat ze iedereen daar een potje van mee kon geven bij het afscheid. In afwachting van de komst van haar familie was je moeder zichtbaar geanimeerd en verrieden haar woorden en lichaamstaal tijdens gesprekjes met buren of kennissen haar trots. In het schuurtje had moeder glazen flessen in de meest uiteenlopende formaten staan vol vruchtensap dat ze maakte als er pruimen en wilde aardbeien waren. Moeders potten waren tot de rand gevuld met gefermenteerde ombervisjes, ansjovispasta of gefermenteerde oesters om naar

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

papieren staat 1938, maar dat schijnt niet te kloppen. Het is

79


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

80

familie in de stad te sturen. Toen ze hoorde dat uien erg gezond zijn maakte ze uiensap en voor de winter maakte ze pompoensap met zoethout. Moeders huis leek wel een fabriekje, waar ze sauzen en miso maakte en rijst pelde en het hele jaar door etenswaren voor de familie bereidde. Op een gegeven moment begonnen de kinderen minder vaak naar Chongup te komen en reisden je ouders zelf vaker naar Seoul. Vervolgens gingen jullie hun verjaardagen vieren met etentjes buitenshuis. Dat was handiger. Daarna was moeder met het voorstel gekomen: ‘Laten we mijn verjaardag tegelijk met die van jullie vader vieren.’ Ze zei dat het te omslachtig was om hun verjaardagen afzonderlijk te vieren, omdat die allebei midden in de hete zomer vielen als er ook al twee voorouderfeesten waren met maar twee dagen ertussen. Eerst wilde de familie daar niets van horen, zelfs niet toen moeder bleef aandringen, en als ze weigerde om naar de stad te komen, gingen er altijd wel een paar van jullie naar huis om het daar te vieren. Vervolgens kreeg moeder steeds vaker haar verjaardagscadeau van jullie op vaders verjaardag en uiteindelijk werd haar verjaardag stilzwijgend overgeslagen. Moeder kocht graag voor iedereen sokken, maar in de ladekast werd de berg sokken die niet meer werden meegenomen steeds groter. Naam: So-nyo Park Geboortedatum: 24 juli 1938 (69 jaar) Uiterlijk: Klein van stuk, peper-en-zoutkleurig permanent, hoge jukbeenderen, voor het laatst gezien in een hemelsblauwe blouse, een wit jasje en een beige plooirok. Voor het laatst gezien: in de metro bij het centraal station van Seoul


Iedereen is het erover eens dat hij zo recent mogelijk moet zijn, maar niemand heeft een recente foto van haar. Je herinnert je dat moeder op een gegeven moment niet meer op de foto wilde. Ze sloop zelfs weg als er een groepsportret werd gemaakt. De recentste foto van haar is die met de hele familie op de zeventigste verjaardag van vader. Ze zag er toen goed uit in haar lichtblauwe hanbok. Ze was naar de kapper geweest en had zelfs rode lippenstift op. Volgens je jongste broer ziet ze er op die foto zo anders uit dan normaal dat mensen haar niet zullen herkennen, zelfs niet als jullie een uitsnede zouden maken en die vergroten. Hij vertelt dat mensen tegen hem zeiden toen hij haar foto op internet had gezet: ‘Wat een knappe moeder, helemaal niet iemand die eruitziet alsof ze zou verdwalen.’ Jullie besluiten thuis allemaal op zoek te gaan naar een andere foto van haar. Hyongchol zegt dat je nog meer op de flyer moet zetten. Als je hem aankijkt, zegt hij dat je mooiere zinnen moet bedenken die de mensen in het hart zullen raken. Woorden die de lezer in het hart zullen raken? Als je schrijft: ‘Help ons alstublieft onze moeder te vinden’, vindt hij dat te eenvoudig. Als je schrijft: ‘Onze moeder is zoek’, zegt hij dat ‘moeder’ te afstandelijk is en dat je ‘mama’ moet zetten. Als je schrijft: ‘Onze mama is zoek’, vindt hij dat te kinderlijk. Als je zet: ‘Neem alstublieft contact met ons op als u deze persoon hebt gezien,’ snauwt hij: ‘Wat een schrijfster van niks ben jij!’ Geen enkele zin die je bedenkt kan Hyong-chols goedkeuring wegdragen. Je op een na oudste broer zegt: ‘Je raakt mensen in het hart als je schrijft dat er een beloning wordt uitgeloofd.’ Als je schrijft: ‘We zullen u rijkelijk belonen,’ zegt je schoonzus dat je zoiets niet kunt schrijven. Dat mensen het pas serieus nemen als je een specifiek bedrag noemt.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Niemand weet welke foto van moeder jullie moeten gebruiken.

81


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

82

‘Hoeveel zal ik dan zetten?’ ‘Een miljoen won?’ ‘Dat is te weinig.’ ‘Drie miljoen?’ ‘Dat is volgens mij nog steeds te weinig.’ ‘Vijf miljoen dan.’ Niemand maakt bezwaar tegen vijf miljoen won. Je schrijft: ‘We loven een beloning van vijf miljoen won uit’ en zet er een punt achter. Je op een na oudste broer zegt dat je moet schrijven: ‘Beloning: vijf miljoen won’. Je jongste broer zegt dat je ‘vijf miljoen won’ in grotere letters moet zetten. Iedereen belooft een betere foto van moeder te zullen sturen als ze die vinden. Je krijgt de opdracht de tekst nog verder uit te breiden en kopieën te maken en je jongste broer belooft die op te komen halen en ze bij alle familieleden af te leveren. Als jij voorstelt om iemand in te huren om de flyers te verspreiden, zegt Hyongchol: ‘Nee, dat moeten we zelf doen. In doordeweekse vrije uurtjes en in het weekend met z’n allen.’ ‘Dat gaat toch veel te langzaam om mama te kunnen vinden,’ mopper je. ‘We kunnen niet werkeloos afwachten. Meer kunnen we niet doen,’ antwoordt Hyong-chol. ‘Hoe bedoel je, “meer kunnen we niet doen”?’ ‘We hebben al een advertentie in de krant gezet.’ ‘Dus een advertentie plaatsen is alles wat we kunnen doen?’ ‘Wat wil je dan? Moeten we soms per direct ontslag nemen om de stad uit te kammen? Als we mama zo konden vinden, zou ik het meteen doen.’ Je zegt niets terug, omdat je beseft dat je Hyong-chol onder druk zet om alles voor jullie te regelen, zoals jullie altijd doen. Vader blijft bij Hyong-chol en de rest gaat naar huis. Als jullie


het de hele week al. Jullie zijn nog niet bij elkaar om te bespreken wat er moet gebeuren om moeder te vinden of er is wel iemand die herinneringen begint op te rakelen aan de keren dat een van de anderen haar onrechtvaardig heeft behandeld. De dingen die tot dan toe waren doodgezwegen en zorgvuldig uit de weg waren gegaan werden opgeblazen, wat steevast eindigde in geschreeuw en getier en mensen die met slaande deuren het pand verlieten. Toen je voor het eerst hoorde dat moeder zoek was, had je kwaad gevraagd waarom niemand van jullie grote gezin vader en haar was gaan ophalen van het station in Seoul. ‘Waar was je zelf?’ Ik? Toen stond je met je mond vol tanden. Pas vier dagen nadat het gebeurd was, had je gehoord dat moeder zoek was. Jullie gaven elkaar allemaal de schuld van de vermissing en voelden je allemaal gekwetst. Als je bij Hyong-chol weggaat neem je de metro naar huis, maar je stapt uit bij het centraal station, waar moeder verdwenen is. Het is er vol mensen die langs je heen lopen en tegen je schouders stoten als je naar de plaats loopt waar moeder voor het laatst is gezien. Je kijkt op je horloge. Drie uur. Even laat als toen moeder hier achterbleef. Mensen dringen langs je heen als je stilstaat op de plek waar moeder uit vaders greep werd losgerukt. Niemand maakt excuses. Zo moeten de mensen ook langs moeder gelopen zijn toen zij hier stond en niet wist wat ze moest doen. Hoe ver gaan iemands herinneringen aan een ander terug? Jouw herinneringen aan moeder? Sinds je van moeders vermissing hebt gehoord, heb je je op

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

er nu geen punt achter zetten, blijven jullie bakkeleien. Zo gaat

83


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

84

geen enkele gedachte meer kunnen concentreren, omdat je voortdurend wordt belaagd door lang vergeten herinneringen die onverwacht weer opduiken. En door de gevoelens van spijt waarmee elke herinnering gepaard gaat. Jaren geleden, een paar dagen voor je van je geboortestad naar de hoofdstad zou verhuizen, had moeder je een keer meegenomen naar een kledingstalletje op de markt. Je koos een eenvoudige jurk uit, maar moeder pakte er een met franje langs de bandjes en de zoom van de rok. ‘Wat vind je van deze?’ ‘Nee,’ zei je en je duwde hem weg. ‘Waarom niet? Pas hem eens.’ Moeder, die toen nog jong was, keek je niet-begrijpend aan. De jurk met de tierelantijntjes viel niet te rijmen met de vuile theedoek die moeder net als andere boerenvrouwen om haar hoofd gewikkeld had om tijdens het werk het zweet van haar voorhoofd op te vangen. ‘Hij is te kinderachtig.’ ‘Vind je?’ zei moeder, maar ze bleef de jurk bekijken en vasthouden alsof ze er geen afscheid van kon nemen. ‘Ik zou hem toch even passen, als ik jou was.’ Omdat je je schuldig voelde dat je hem kinderachtig had genoemd, zei je: ‘Dat is toch niets voor u.’ ‘Jawel, ik vind dit soort jurken juist mooi. Ik heb alleen nooit de kans gehad om ze te dragen,’ zei moeder. Ik had die jurk moeten passen. Je buigt je benen en hurkt neer op de grond, waar moeder dat misschien ook wel heeft gedaan. Een paar dagen nadat je je zin had doorgedrukt en de eenvoudige jurk had gekocht, was je op ditzelfde station aangekomen met moeder. Met jouw hand stevig in de hare was moeder door de zee van mensen gebeend op een manier waarvan zelfs de ontzagwekkende gebouwen die van bovenaf toekeken onder de indruk moeten zijn geweest, op weg naar het plein waar we on-


zo iemand zoekraken? Zodra de koplampen van de metro het station binnenglijden, haast iedereen zich naar voren. Je zit nog op de grond, mensen kijken naar je, misschien geërgerd omdat je in de weg zit. Op het moment dat moeders hand uit die van vader werd losgerukt, was jij in China. Je was met collega-schrijvers op de boekenbeurs van Peking. Toen moeder op het station van Seoul zoekraakte, stond jij bij een stalletje in de Chinese vertaling van je boek te bladeren. ‘Waarom hebt u geen taxi genomen, vader? Dan zou dit nooit gebeurd zijn.’ Vader zei dat hij had gedacht: waarom een taxi nemen als het metrostation in hetzelfde gebouw is als het station? Als je hoort dat er iets is gebeurd, vooral als dat iets ergs is, ga je in gedachten vaak terug naar bepaalde momenten, momenten waarvan je denkt: had ik dat toen maar niet gedaan. Waarom hadden je broers en zus ingestemd met vaders voorstel dat moeder en hij wel op eigen gelegenheid naar Hyong-chols huis zouden komen, terwijl ze dat anders nooit deden? Als je ouders op bezoek kwamen, was er altijd wel iemand die hen van de trein of bus haalde. Waarom had vader, die zich altijd als hij in de stad was door een familielid liet ophalen of een taxi nam, uitgerekend die dag besloten de metro te nemen? Moeder en vader hadden zich naar de metro gehaast die net aankwam. Vader was ingestapt in en toen hij zich omdraaide was moeder verdwenen. Het was ook nog eens een drukke zaterdagmiddag. Moeder werd door de menigte van vader gescheiden en terwijl zij nog stond te kijken waar hij was gebleven, vertrok de metro al weer. Vader had haar tas nog in zijn hand. Op het moment dat moeder

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

der de klokkentoren op Hyong-chol zouden wachten. Hoe kon

85


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

86

alleen en zonder geld of papieren in het metrostation achterbleef, was jij op weg van de boekenbeurs naar het Plein van de Hemelse Vrede. Je was al voor de derde keer in Peking, maar bij de Verboden Stad was je nog nooit geweest. Je had het alleen nog maar vanuit de bus of de auto gezien. De student die jouw groepje begeleidde had aangeboden er voor het eten met jullie heen te gaan en de groep had dat een prima voorstel gevonden. Wat zou moeder in haar eentje op het station van Seoul hebben gedaan op het moment dat jij bij de Verboden Stad uit de taxi stapte? Je groepje was de Verboden Stad in gelopen, maar er bijna meteen ook weer uit. De Verboden Stad was in verband met restauratiewerkzaamheden maar gedeeltelijk open voor publiek en het was bijna sluitingstijd. De hele stad was opgebroken ter voorbereiding van de Olympische Spelen die er het komende jaar zouden worden gehouden. Je moest denken aan de scène uit The Last Emperor waarin de oude Pu Yi naar de Verboden Stad terugkeert, waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht, en aan een jonge toerist een doosje laat zien dat hij vroeger in de troon had verstopt. Als hij het doosje opendoet, zit de krekel die hij als kind als huisdier had er nog steeds in. En hij leeft nog. Werd moeder, toen jij op het punt stond om naar het Plein van de Hemelse Vrede te gaan, alleen en verlaten platgedrukt in de menigte? Had ze op iemand gewacht die haar zou komen ophalen? Ook de weg tussen de Verboden Stad en het Plein van de Hemelse Vrede was opgebroken. Je kon het Plein wel zien, maar kon er alleen maar komen via een ingewikkeld doolhof. Terwijl jij naar de vliegers in de lucht boven het plein stond te kijken, was moeder misschien wel aan wanhoop ten prooi gevallen en had ze je naam geroepen. Terwijl jij de stalen poorten van het Plein van de Hemelse Vrede zag opengaan en een eskader politiemannen met hoog opgetrokken benen


sterren zag strijken, liep moeder misschien wel te dwalen door het doolhof van het centraal station. Je weet dat dat zo is, want dat heb je gehoord van de mensen die op dat moment op het station waren. Ze zeiden dat ze een oude vrouw heel langzaam hadden zien lopen. Af en toe was ze op de grond gaan zitten of doelloos bij de roltrappen blijven staan. Er waren er ook die een oude vrouw heel lang in het station hadden zien zitten en daarna in een aankomende metro hadden zien stappen. Een paar uur nadat moeder was verdwenen, hadden jij en je groep door de avondlijke stad een taxi genomen naar de verlichte en bruisende snackstraat, waar jullie op een kluitje onder de rode lantaarns Chinese sterkedrank hadden geproefd en gloeiend hete, in chiliolie gebakken krab hadden gegeten. Vader was bij het volgende station uitgestapt en teruggegaan naar het centraal station, maar inmiddels was moeder daar niet meer. ‘Hoe kon ze nou zo erg de weg kwijtraken, alleen maar door niet in dezelfde metro te stappen? Overal hangen toch borden? En ze weet toch wel hoe je een eenvoudig telefoontje pleegt? Ze had vanuit een cel kunnen bellen.’ Je schoonzus was ervan overtuigd dat er iets met moeder moest zijn gebeurd, omdat het niet logisch leek dat ze het huis van haar eigen zoon niet zou kunnen vinden, alleen maar omdat ze niet in dezelfde metro was gestapt als vader. Er moest haar iets zijn overkomen. Dat was de gedachtegang van iemand die moeder wilde zien als de vrouw die ze vroeger was. Toen je zei: ‘Mama raakt wel vaker de weg kwijt, hoor,’ keek je schoonzus je verbaasd aan. ‘Je weet toch hoe mama er de laatste tijd aan toe is,’ zei je en je schoonzus trok een gezicht alsof

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

voorwaarts zag marcheren en de rode nationale vlag met de vijf

87


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

88

ze geen idee had wat je bedoelde. Maar je broers en zus wisten wel hoe moeder er de laatste tijd aan toe was. Ze wisten ook dat het jullie misschien niet zou lukken haar te vinden. ... Wanneer besefte je dat moeder niet kon lezen? Je eerste brief schreef je toen moeder je dicteerde wat je aan Hyong-chol moest schrijven, kort nadat hij naar de stad was verhuisd. Hyong-chol had eindexamen gedaan aan de middelbare school in het dorp waar jullie allemaal waren geboren, had thuis een jaar lang voor het ambtenarenexamen gestudeerd en was toen voor zijn eerste baan naar de grote stad vertrokken. Het was voor het eerst dat moeder afscheid moest nemen van een van haar kinderen. In die tijd hadden jullie thuis nog geen telefoon en de enige manier om contact te houden was door middel van brieven. Hyong-chol stuurde moeder brieven in grote letters. Moeder had altijd een voorgevoel wanneer er een brief van hem zou komen. De postbode kwam rond een uur of elf ’s ochtends met een grote tas aan zijn fiets. Op de dagen dat er post van Hyong-chol was, kwam moeder van de akker of van de beek waar ze de was deed om de brief persoonlijk uit handen van de postbode in ontvangst te nemen. Vervolgens wachtte ze tot jij uit school kwam, nam je mee naar de veranda achter het huis en haalde Hyong-chols brief tevoorschijn. ‘Lees hem maar hardop voor,’ zei ze dan. Hyong-chols brieven begonnen altijd met: ‘Liefste moeder.’ Alsof hij een lesboek voor het schrijven van brieven volgde, vroeg hij altijd eerst naar de rest van het gezin en zei dan dat het goed met hem ging. Hij schreef dat hij zijn was eens per week


deed. Moeder had dat zo voor hem geregeld. Hij meldde dat hij goed at en dat hij op zijn werk kon overnachten en dat ze zich geen zorgen om hem hoefde te maken. Hyong-chol schreef ook dat hij in de stad het gevoel had dat hij alles zou kunnen doen wat hij wilde en dat er veel dingen waren die hij wilde. Hij liet zelfs doorschemeren dat het zijn ambitie was om carrière te maken om moeder een beter leven te kunnen geven. De twintigjarige Hyong-chol eindigde galant met: ‘Dus maakt u zich nu maar geen zorgen om mij, moeder, en let op uw gezondheid.’ Als je over de brief heen naar moeder gluurde, zag je dat ze naar de tarostengels in de achtertuin staarde of naar de plank met aardewerken potten met sauzen. Als een konijn hield ze haar oren gespitst om te voorkomen dat ze ook maar één woord zou missen. Als je klaar was met voorlezen, moest je van haar opschrijven wat zij je dicteerde. Moeders eerste woorden waren: ‘Lieve Hyong-chol.’ Je schreef het op. ‘Lieve Hyong-chol.’Moeder zei niet dat je er een punt achter moest zetten, dat deed je uit jezelf. Als moeder zei: ‘Hyong-chol!’, schreef je ‘Hyong-chol!’. Als moeder even wachtte nadat ze zijn naam had gezegd, alsof ze was vergeten wat ze wilde zeggen, schoof je de losse plukjes van je korte haar achter je oor en wachtte je aandachtig met de pen in je hand tot ze door zou gaan, je ogen strak op het briefpapier gericht. Als ze zei: ‘Het is ’n stuk kouder nu,’ schreef je ‘Het is een stuk kouder nu’. Na ‘Lieve Hyongchol’ zei moeder altijd iets over het weer. ‘Er zijn weer bloemen nu het lente is.’ ‘Het is zomer, dus de rijstvelden beginnen uit te drogen en te barsten.’ ‘Het is oogsttijd en de walletjes van de rijstvelden staan vol bonen.’ Moeder sprak in het plaatselijke dialect, behalve als ze een brief aan Hyong-chol dicteerde. ‘Maak je geen zorgen om ons thuis en zorg alsjeblieft goed voor jezelf. Dat is het enige wat je

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

naar de vrouw van vaders neef bracht en dat zij die voor hem

89


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

90

moeder van je verlangt. ‘Moeders brieven stonden altijd bol van de emotie: ‘Het spijt me dat ik niets voor je kan doen.’ Terwijl jij je best deed moeders woorden nauwkeurig op te schrijven, gleed er een dikke traan over haar wang. De afsluiting luidde altijd hetzelfde: ‘Zorg dat je geen maaltijden overslaat. Mama.’ Als de middelste van vijf kinderen was je getuige geweest van moeders verdriet en pijn en zorgen bij het uit huis gaan van je oudere broers. Nadat Hyong-chol was vertrokken, maakte moeder elke ochtend bij zonsopgang de geglazuurde aardewerken voorraadpotten schoon die op de plank achter het huis stonden. Omdat de put aan de voorkant van het huis was, was het een hele klus om water naar de achterkant te brengen, maar ze waste elke pot afzonderlijk af. Ze haalde de deksels eraf en poetste die vanbinnen en buiten schoon tot ze glommen. Moeder zong er zachtjes bij. ‘Als er geen zee lag tussen jou en mij, zou het afscheid niet zo moeilijk zijn...’ Terwijl ze met haar handen de doek ijverig in koud water doopte, er weer uit haalde, uitwrong en ermee over de potten wreef, zong ze: ‘Ik hoop niet dat je me ooit zult verlaten.’ Als je haar op dat moment riep, draaide ze zich met tranen in haar grote, argeloze ogen om. Moeders liefde voor Hyong-chol was zo groot dat ze vaak speciaal voor hem een kom ramen maakte als hij laat thuiskwam nadat hij de hele avond op school huiswerk had gedaan. Als je het daar later soms over had, zei je vriend Yu Bin altijd: ‘Nou en? Wat is daar zo bijzonder aan?’ ‘Hoezo “wat is daar zo bijzonder aan”? Ramen was toen het lekkerste wat er was! Je at het stiekem, zodat je het niet hoefde te delen!’ Zelfs nadat je hem had uitgelegd wat het betekende, leek hij, die uit de stad kwam, er niet van onder de indruk. Toen die nieuwigheid die ramen heette jullie leven binnen-


Moeder verstopte de noedels die ze kocht in een lege pot in het rijtje op de plank, omdat ze ze voor Hyong-chol wilde bewaren. Maar hoe laat het ook was, de geur van kokende noedels kietelde jou en je broer en zus altijd wakker. Als moeder streng zei: ‘Naar bed, jullie,’ keken jullie allemaal naar Hyong-chol die net wilde gaan eten. Uit medelijden bood hij jullie dan allemaal een hapje aan. Dan zei moeder: ‘Als het om eten gaat, zijn jullie allemaal opeens zo snel hier. Hoe komt dat toch?’ Dan vulde ze de pan met water, maakte nog een portie ramen en verdeelde die tussen jou en je broers en zus. Dan zaten jullie innig tevreden elk achter een kommetje waarin meer soep dan noedels zat. Na zijn vertrek naar de stad riep moeder altijd ‘Hyongchol!’ zodra de aardewerken pot aan de beurt was waarin ze de noedels altijd verstopte en dan zakte ze in elkaar, omdat haar benen het begaven. Je nam de doek uit haar handen, tilde haar arm op en sloeg die over je schouder. Vervolgens barstte ze in snikken uit omdat het gemis van haar eerstgeborene haar te veel werd.

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

kwam, overtrof die ieder gerecht dat moeder ooit had gemaakt.

91


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

92

Kyung-sook Shin Waar is onze moeder Th e m a ti e k Waar is onze moeder is enerzijds het verhaal van een gezin op zoek naar hun verdwenen moeder en vrouw, en anderzijds een zoektocht naar haar identiteit. In vier korte hoofdstukken, met in elk hoofdstuk een andere stem, lezen we over de belevenissen van Park So-nyo’s dochter, die zich voor het eerst afvraagt of haar moeder wel gelukkig was; haar zoon die piekert over de vraag of hij ooit aan haar verwachtingen heeft voldaan; haar man die zichzelf de schuld geeft van haar verdwijning; en Park So-nyo zelf, die geheimen en wensen met zich meedraagt die passen bij een vrouw met een heel eigen leven. Belangrijke thema’s in deze roman zijn schuld en schuldgevoelens. De kinderen en de man van de verdwenen Park So-nyo voelen zich ieder op hun eigen manier verantwoordelijk voor haar verdwijning. Hoewel zij misschien niet verantwoordelijk zijn voor haar verdwijning, hebben ze de afgelopen jaren weinig gedaan om haar te leren kennen. Hadden ze het kunnen voorkomen? Op het eerste oog lijkt vooral haar man met deze vraag te worstelen, maar ook de kinderen voelen dat zij hierin een rol hebben gespeeld. Terugkijken beseffen ze dat terwijl ze zagen dat het niet goed met haar ging, ze er zèlf voor kozen geen aandacht aan haar te schenken. Ze kozen ervoor om haar altijd als moeder te zien en niet als mens of als vrouw.


Identiteit speelt daarom een grote rol in deze roman. Wie was of is moeder eigenlijk? Kent de familie van Park So-nyo, de mensen die het dichtst bij haar staan, haar wel? Of zien ze haar slechts vanuit een eigen perspectief – alleen verbonden aan de rol die zij in hun levens had? Daarmee komt in de roman het thema moederschap naar voren. Is dit een rol, een identiteit, een taak? Is een moeder meer dan een moeder? Op een bepaalde manier is het verdwijnen van moeder dan ook een metafoor. Haar verdwijning is in gang gezet toen haar gezin faalde om Park So-nyo als volledig medemens – als meer dan hun moeder en vrouw – te erkennen. In feite was het een proces dat in gang werd gezet toen haar zorg taken als moeder voorbij waren, toen de kinderen volwassen werden en het huis verlieten. Doordat haar moederlijke zorgen niet meer nodig waren hield zij op te bestaan. Waar is onze moeder gaat ook over de transitie van een maatschappij, en over de verschillen tussen de stad en het platte land. De verschillen tussen het leven van deze moeder en dat van haar kinderen die in de stad wonen zijn enorm. De vraag over de rol van een moeder in onze moderne tijd klinkt dan ook door in de roman. Is deze Park So-nyo als moeder ouderwets? Zullen dit soort moeders sowieso met tijd verdwijnen?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

Nu ze er niet is vragen ze zich af of ze haar wel kenden.

93


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

94

G es pr e ks v r a g e n 1 Denkt u dat moederschap zoals het in deze roman

wordt beschreven nog bestaat in ons land?

2 Is dit een portret van het gezin in het algemeen, of een

verhaal over een specifiek gezin dat alleen in Korea zou kunnen leven?

3 Welke onzekerheden spelen een rol in het leven van

Park So-nyo? In hoeverre heeft zij deze onzekerheden

overgebracht op haar kinderen? 4 Welke taak ziet Park So-nyo voor zichzelf weggelegd

in het leven? Hoe zien haar kinderen haar? Verandert

haar verdwijning het beeld dat haar kinderen van haar hebben? 5 Hoe zou u de schrijfstijl beschrijven? Zou u deze ro-

man sentimenteel noemen? Nuchter?

6 Geven de vier verschillende stemmen/perspectieven

naar uw mening genoeg inzicht in wat er rondom deze familie heeft plaatsgevonden?

7 Krijgt u uiteindelijk een bevredigend beeld van wat er

met moeder is gebeurd?


moeder be誰nvloedt? Of uw beeld van uw kinderen?

9 De stad en het dorp spelen een bepalende rol in deze

roman. Kunt u de symboliek van deze omgevingen om-

schrijven? 10 In Nederland worden veel ouderen in verzorgingste-

huizen geplaatst. In Korea gebeurt dit minder. Hoe zou u het lot van Park So-nyo vergelijken met dat van

de gemiddelde Nederlandse ouder?

l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f |

8 Heeft het lezen van deze roman uw beeld van uw eigen

95

11 Vindt u dat deze moeder veel van haar kinderen verwacht?

Of weinig?


| l i t er at u u rgids | J.M. Meu l en hof f

Op zoek naar goede boeken? Meer weten over toonaangevende auteurs? Inschrijven voor onze nieuwsbrief? Ga naar www.meulenhoff.nl

96

Deze literatuurgids is een uitgave van J.M. Meulenhoff bv, Herengracht 507, 1017 BV Amsterdam, tel. 020-55 33 500, www.meulenhoff.nl red actie

Elinor Archer

vormgeving d p s ,

Amsterdam

Voor verkoopinformatie, opmerkingen of vragen kunt u terecht bij Jeroen Tilma: jtilma@meulenhoffboekerij.nl Deze gids is met zorg samengesteld. Uitgeverij Meulenhoff is echter niet aansprakelijk voor fouten of onjuistheden die in de tekst per abuis zijn opgenomen.


Een lucide roman vol aangrijpende beelden, humor en emotie. Karen is een bijzonder geestig autistisch meisje dat erin slaagt de wereldwijde tonijnvisserij te hervormen en zichzelf beter te begrijpen. ‘Overdonderende mix van humor, ontroering en gortdroge observaties.’ Cosmopolitan

Deze minutieus geconstrueerde relatieroman geeft de lezer inzicht in de vele valkuilen van een ogenschijnlijk intiem en goed huwelijk. ‘Een verraderlijk stille roman over de broze band tussen geliefden.’ De Standaard

Sommige liefdes duren een leven lang maar zullen ook een leven lang nooit echt vorm krijgen. Het lot van de liefde tussen twee Georgische ballingen. ‘Een mooie roman over liefde en ballingschap.’ Le Figaro

Op de rand van fictie en non-fictie worden de verschrikkelijke represailles na de aanslag op het leven van nazikopstuk Richard Heydrich een medium voor schrijver Laurent Binet om de geschiedschrijving als fenomeen te analyseren. ‘Het debuut van Laurent Binet (1972) is niet gewoon bijzonder. Het is subliem.’ De Volkskrant

Een magische maar ook tragische roman over de verdwijning van een moeder, en het besef door haar man en haar kinderen dat zij veel te lang voor lief werd genomen. ‘Aangrijpend, raak en vol psychologisch inzicht...’ Publishers Weekly

Literatuurgids Meulenhoff Najaar 2010  

Vijf literaire boeken van Meulenhoff uit het Najaar 2010

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you