Page 1


De lange zin

Frans Oosterhof

Miek Zwamborn

Roberta Petzoldt

Geert Voskamp

Sanne van Balen

Dirk Vis Charlotte Mutsaers

Dorothea Franck

Janica Draisma

Tine Melzer

Maria Barnas

Klaske Oenema Thomas Verbogt

Vroeger werd ons op school geleerd Zoek de wateraardbei, Ik dacht aan de hoer Nou Vooruit... Ik zie In de koffiezaak Als je bedenkt Dat de lange zin But Es ist ganz normal, Omdat het niet mogelijk leek Zijn praten werd Als ik lees


Dingeman Kuilman Louis LĂźthi Henk van der Waal Christine Otten Dirk van Weelden Bernke Klein Zandvoort Melle Hammer Hans Mellendijk Edzard Mik Martijn den Ouden Anne Mieke Backer Willem Sjoerd van Vliet Hermann Gabler Maartje Smits Edith Tulp Astrid Lampe Marijke Boon Willem van Rooij Kaweh Modiri Michael Blass

Op een zomerse zondagmiddag Seventeen years ago Dat je maar blijft beweren Wat ik doe wat ik denk Het moeten verhalen zijn die Een vriendin Jij Op weg naar het begin, Libellen zweefden om me heen, Er kruipt een doodshoofdvlinder onder Het is wel een goed boek, Ik heb jarenlang Obwohl das Kino leer war, De overbuurman had gelijk: Wanneer ik door de bronzen laan loop De detox bestond eruit Dat we die ree, Ik hou van de zee, Dus wat ik zeggen wil There are many people


Vroeger werd ons op school geleerd – en wat je eenmaal hebt    geleerd verdwijnt nooit meer helemaal uit je hoofd – om geen lange zinnen te schrijven, houd ze zo kort mogelijk was het devies want anders loop je vast, wordt het niks dan wartaal, vermijd komma’s, zet liever een punt, want lange zinnen werden potsierlijk bevonden, met barokke krullen en lyrische uitweidingen die niet ter zake deden, met teveel bijvoeglijke naamwoorden die de boodschap verbloemden en met overbodige exercities die je alleen maar van het rechte pad afleidden kortom: een schrijfwijze die van overmoed getuigde, en erger nog, van preten­ tie, een aanmatiging die te allen tijde moest worden beteugeld, want dat was niet goed voor je, daar werd je alleen maar zelfgenoeg­ zaam van en ijdelheid, zo werd vanaf de kansel verkondigd, is de ergste van de zeven zonden, maar dat was toen. Frans Oosterhof

5


Zoek de wateraardbei,

zei je toen    ik je vroeg welke kant op te gaan, die groeit in de bedding van Linne nan Ribheid, neem de schep mee en enigszins beduusd door de bevelende toon liep ik zonder verder iets te zeggen het stort­ stenen pad af waarboven een wulp de grenzen van haar territorium verdedigend rakelings langs me heen vloog, zich in haar draai schijnbaar bezinnend op een tweede aanval mij de gelegenheid gaf over het gammele hek te klimmen waarna ik me op de heide verbaasde over hoe het wollegras bewoog op de wind, begeleid door luid geblaat waardoor de pluizen lammeren werden op dunne stelen, en al struikelend doorkruiste ik uitgedroogd zilverwit veenmos, dat knisperde bij het be­ treden terwijl ik steeds naar de gehavende neuzen van mijn kaplaarzen (allang niet meer waterdicht) keek, bang om in de steek gelaten eieren kapot te trappen, hoorde ik de rietzanger, veldleeuwerik en koekoek totdat het meer tussen de heuvels opdoemde, toch onverwacht, hoewel ik het gebied kende, juist dit plas-dras gebied met het nu gefranjerde waterdrieblad tussen ontelbare waterlelies,

6


die zich vandaag niet rustig in het pekzwarte water spiegelden maar hevig klapperden en diep voorovergebogen zocht ik de zompige oever af, vond geen bloemkroon of fruit maar wel het gekartelde loof, blauwachtig groen met langs de randen een roze lijn en plechtig knielde ik neer, als in gebed, haalde het gereedschap tevoorschijn en trok de eindeloos lijkende wortels, mager en wit, uit de turf omhoog. Miek Zwamborn

Ik dacht aan de hoer die Licht heette, en het hart    van een man op een boot in vlam zette, zijn vriend kijkt naar de vurige gebaren waarmee hij vertelt over haar betovering en zijn eigen eenzaamheid voelt. Roberta Petzoldt

Nou vooruit...

mijn vader...    mijn vader was op latere leeftijd een wat je noemt enthousiast fotograaf en filmer, een amateur natuurlijk

7


want hij was in zijn werkzame leven machinebankwerker, nee draaier, draaier was hij bij de in de jaren dertig nog machtige machinefabriek S., een uit de negentiende eeuw stammend familiebedrijf in H., mijn geboor­ teplaats, waar hem op een zeker moment, ik geloof ter gelegenheid van zijn benoeming (als vijfentwintigjarige!) tot baas van de afde­ ling, tijdens een korte plechtigheid tussen de draaibanken, door de directeur de heer F.S., een joviale, plat Twents pratende vijftiger – die de gewoonte had ’s ochtends, gekleed in een geruite pofbroek en een bijpassend geruit colbert, tijdens een dagelijks rondje door een van de immense fabriekshallen gesprekken aan te knopen met zijn arbeiders en zich dan als een feodale kasteelheer omstandig te laten informeren over bepaalde persoonlijke, soms zelfs intieme familieomstandigheden van zijn ondergeschikten, als geboorte en dood, huwelijk en scheiding, waarbij hij zich door alle aangesprokenen, van sjouwer tot cheftekenkamer, gewoon bij zijn voornaam (meneer Frans, dat wel natuurlijk) liet noemen – als beloning voor zijn promotie een prachtig matzwart 6x9 Agfa fototoestel kreeg aange­ boden, een cadeau waarmee mijn vader zich, ondanks aanvankelijke blijdschap totaal geen raad wist, waardoor het ding na een kort

8


verblijf op de schoorsteenmantel naar de zolder verhuisde, en pas na verloop van tijd – zo’n twintig jaar later, en een wereldoorlog verder zeg maar – tijdens de wederopbouw van Nederland weer opdook en waar mijn vader na enige proeffilmpjes zo door geob­ sedeerd raakte, dat hij vanaf dat moment de enige plaatselijke fotowinkel plat liep op zoek naar steeds weer betere apparatuur en toebe­ horen als een statief, een nieuwe lens of iets dergelijks, daardoor zelfs bevriend raakte met de eigenaar en later als het even lijden kon alleen nog maar professionele spullen aan­ schafte, terwijl het belangrijkste onderwerp van zijn foto’s, over zijn film-avonturen zal ik het nu maar even niet hebben, altijd hetzelfde bleef maar door die betere lenzen wel steeds scherper afgebeeld dat moet ik toegeven: mijn moeder... die vaak minutenlang moest stil­ staan bij de plaatselijke watermolen voordat mijn vader tevreden was over haar houding, de val van haar kleding en over de compositie van zijn foto. Geert Voskamp

Ik zie

een heuse kastanje, glimmend    als je haar oppoetst, in een tuin waar alleen wortelen groeien staat het loof

9


te waaien, ik raap haar op en vraag of ze het geluk uit me kan trekken, wil zaaien. Sanne van Balen

In de koffiezaak

op de hoek houd ik    na de laatste slok koffie de lege, kartonnen wegwerpbeker met kunststof deksel in mijn handen en ik bedenk me dat er ongetwijfeld iemand in een reportage heeft aangetoond dat het gebruik van weggooibekers – mits van gerycled mate­ riaal – minder energie en grondstoffen kost dan het op grote schaal afwassen van keramie­ ken koffiekoppen, maar toch voel ik me bij de gedachte dit wegwerpdrinkgerei zo meteen weg te moeten gooien opeens geraakt, alsof ik een stukje van mezelf van de hand moet doen, zodat ik me bovenop die reportage meteen een hele editie van de krant voorstel gevuld over deze ene koffiebekerdeksel met een begelei­ dend boek volgepend over de grondstoffen die ervoor zijn gewonnen, over de productie­ processen en de ontwerpkeuzes, de testversies, de geprinte prototypes van stug tot soepele kunststof en de testpersonen die testkoffie uit die testbekers dronken, over de reken-

10


modellen die zijn ontwikkeld om een keuze uit alternatieve materialen en hun consequen­ ties voor de omzet en het milieu te maken, over de professionals die bij transport, opslag en verspreiding hebben bijgedragen, over hun families en hun financiÍle afhankelijkheid van de koffiebekerdekselproductie, over alle ener­ gie die is gaan zitten in het op dit moment bij mij krijgen van dit dekseltje dat ik zo meteen weg zal werpen, dit dekseltje dat zal eindigen op Fresh Kills, de vuilstort buiten de stad New York, want daar ben ik, New York, Fresh Kills dus, waar dagelijks scheepsladingen afval naartoe worden gebracht, waar elk koffiebekerdekseltje zal eindigen tussen de kunststoffen soortgenoten die vijf eeuwen samengeperst dienen te worden door het gewicht van al het andere afval voordat ze beginnen te vergaan, die afvalberg die de yin is van de stedelijke yang, of andersom, dat weet ik nooit, die afvalberg die de naam draagt van een verse bron, want kil is een oud-Nederlands woord voor een bron, maar een naam die tegenwoordig vooral luguber klinkt, verse moorden, alsof het niet om menselijke verspilling gaat, maar om verspilde mensen, en niet om een bron, maar om een donker, eindeloos en door verspilling gevoed zwart gat, een eindeloze put, een donkere vlek even buiten de stad, waarvan algemeen bekend

11


is dat het de enige door mensenhanden gebouwde structuur is die zichtbaar is vanaf de maan, al is dat natuurlijk niet waar, want de maan staat zo ver van de aarde af, dat vanaf het maanoppervlak niet eens de aardse continen­ ten goed zijn te onderscheiden en Fresh Kills is bovendien allang gesloten, zodat rondom Djakarta, Caïro en andere wereldsteden in­ middels grotere afvalbergketens te vinden zijn en op Fresh Kills daarentegen jonge bomen, met hun wortels groeiend tussen verkreukeld staal in een bloeiend woud bovenop alle ver­ spilling inclusief hertenfamilies lopend in de vuilnisjungle tussen kapotte flessen, coyotes kamperend onder autodeuren en vissen zwemmend in pusgroene beekjes, waardoor Fresh Kills zichtbaar vanaf de maan, het soort bericht dat ik normaliter graag zou hebben gepost, grif zou hebben gedeeld, hongerig zou hebben geliked, waardoor ik dat bericht nu het liefste weg zou stoppen, samen met alle andere feitjes, weetjes en berichten verdoeze­ len, want ik ben begonnen te vermoeden dat er iedere keer wanneer ik zo’n bericht postte – klik – weer een voorstel om de wereld zo in te richten dat ieders ervaringen zich voordoen conform dat voorstel – whoosh – om via satel­ lieten en door de atmosfeer bij anderen te­ recht te komen – ping – dat er op dat moment

12


ook ergens iets tegenovergestelds ontstond, iets dat juist niet kon worden gedeeld maar werd verhuld, iets dat het tegenovergestelde van waar was, maar toch helder, werkelijk en activerend, een soort duister tegen-feit, een obscure tegen-post die bij de ontvanger begon en bij mij terechtkwam zonder dat er ook maar een modem of satelliet aan te pas kwam, een on-bericht waar geen geluidseffecten aan waren gekoppeld, geen meldingen of notifica­ ties en waarvan de vele soortgenoten allemaal samen een langzaam, immer groeiend scha­ duwuniversum hadden gevormd vol gene­ geerde, onderdrukte en ondeelbare anti-feiten, ongrijpbare voorstellen die suggereerden dat de wereld ook heel anders had kunnen worden ingericht en dat het bijvoorbeeld niet koffie­ bekerdeksels waren maar mensen die werden weggeworpen en dat er een gigantische hoop afgedankte wegwerplevens bestond die, vol versleten lichamen, vervormde ledematen en lekkende, stinkende organen, in de buurt van de stad, door de wolken heen, vlak naast de blauwe oceaan, omringd door het diepe zwart van de ruimte, Fresh Kills dus, heel goed zicht­ baar is vanaf de maan, een beeld dat ik geluk­ kig ogenblikkelijk met de koffiebeker met een keurig boogje weggooi in de prullenbak. Dirk Vis

13


Als je bedenkt

dat een simpel    Ja of Nee al een wereld van verschil kan uitmaken, als je bedenkt dat een enkel Nee iemand al het gevoel kan geven dat het plafond boven zijn hoofd instort, als je bedenkt dat een enkel Ja de poorten van de zevende hemel al kan openzetten, als je je kortom realiseert dat het kortste woord jou al kan maken en breken, waarom worden lange zinnen dan nog steeds op de troon gezet, lange wurgslangen zijn toch niet per se gestileerder en interessanter dan korte gifslangen? Charlotte Mutsaers

Dat de lange zin de meest gehate    zin is, een beproeving, een onredelijke eis en elitaire arrogantie, gewoon helemaal fout, is sinds lang een culturele vanzelfsprekendheid, van laag tot hoog, die ervoor zorgt dat schrijfscholen, leraren, lectoren, redacteuren en journalisten hun rode pennen slijpen en met

14


lust – en succes – het mes erin zetten, zodat we nu zo ver zijn dat we het met een uitster­ vend soort te maken hebben – een categorie die weer heel andere instincten en gevoelens wakker maakt, waarderende, beschermende en koesterende, zoals die die ons overkomen als we iemand een appel zien schillen en de adem inhouden of de groeiende slappe spiraal tot het einde ongebroken blijft, of als we een kind een superlange ketting helpen maken van madeliefjes waar de stengel van de ene bloem door de dunne stengel van de vorige getrokken wordt die we met een scherp mesje voorzichtig voor een klein stukje hebben gespleten, gevoelens zoals het plezier dat ons overkomt als we geboeid en betoverd luisteren naar een fuga of sonate die een simpel thema in onbelemmerde uitvoerigheid in talloze variaties laat glinsteren, of als een geliefde en hoog gelauwerde zanger na lange tijd weer een lied laat horen dat in lengte alle regels der commercie en popcultuur onbekommerd overschrijdt – wat weer eens aantoont dat Mae West gelijk had toen ze zei: too much of a good thing is – wonderful! Dorothea Franck

15


Janica Draisma

Es ist ganz normal,

sagst du, dass    wir die Dinge nur von einer Seite sehen, und zeigst auf den Apfel im Supermarktregal, einen prallen, runden Elstar mit einer roten und einer gelben Seite wie im Märchen, einen Apfel, wie die böse Hexe ihn Schneewittchen anbot, die zu naiv oder zu höflich war, um die Gabe auszuschlagen, und ihr erneuertes

16


Zutrauen zu der buckligen Alten beinahe mit dem Leben bezahlt hätte, bevor sie wach­ geküsst wurde von dem, der sie hüten würde wie seinen Augapfel, und dann nimmst du den Apfel und hältst ihn mir hin, wie Eva es tat, im Paradies, anstatt hier zwischen Obstund Kühlregal, und du erklärst mir die Sache mit der Schlange schon wieder, diesmal ungeduldiger als früher, und gibst mir die Frucht, von der du schon wieder behauptest, sie seiein Übersetzungsfehler, so wie meistens, wenn gute Geschichten sich durchgesetzt hätten, sicher war es kein Elstar und wenn schon Star, meinst du, dann wären es The Beatles und deren Schallplatten-Label oder die Hardware hersteller aus Silicon Valley, die aus dem runden Ding mit Biss weltweit eine Marke gemacht haben, die stärker war als Gott, vielleicht, bekannter jedenfalls, als die Legende vom alten Newton, der Gott die Schwerkraft abgerungen hatte, ausgerechnet in dem Moment, als das harte Ding seinen Kopf traf, angeblich, sagst du, du seist ja nicht dabei gewesen, genauso wenig wie bei den unzähligen Kriegen, bei denen es um die Wurst ging, bevor wir geboren wurden, in der Zeit, als es noch keine Pille gab, und man noch getrost sagen konnte, der Apfel fiele nicht weit vom Stamm, was Newton berühmt machte, und du legst mir noch einen Apfel in die zwei­ te Hand, sodass ich dastehe wie Justitia, eine

17


Waage aus zwei Armen, ich könnte dir, du weiter, noch einen dritten auf den Kopf legen, wie Wilhelm Tell es bei seinem Kinde tat, um danach darauf zu zielen, auf den Apfel natürlich, rufst du, nicht auf das Kind, das überlebt, weil sein Vater mutig war und frei bleiben wollte, sich befreit hatte durch diesen Schuss von den Besatzern, die manchmal auch an Gott und Eva glaubten und wussten, dass in dem Apfel mehr steckte als nur ein paar Vitamine, und dann hältst du mir doch einen dritten Apfel genau vors Gesicht und sagst Magritte, René Magritte, der war es, der hat verraten, dass eine Pfeife keine Pfeife ist, unter Umständen, und Ceci n’est pas une pomme, das ist viel besser als die Pfeife, sagst du, weil mehr auf dem Spiel steht, sagst du, und der Apfel, dieser hier, sagst du, während du auf den Apfel in meiner linken Hand zeigst, und dieser, und du deutest auf den rechten, diese beiden alle Äpfel sind, die, soviel, sagst du, weißt du noch aus deiner Kindheit, ein Gehäuse haben, um kleine Männlein zu beherbergen, ein Haus mit sechs Zimmern und so weiter und du singst jetzt, vor dem Obstregal, das Lied, das deine Großmutter sang, wenn sie den Kuchen buk, für den wir gekommen waren, den Apfelkuchen der summenden Frauen, die auf den Bänken in New York sitzen und Äpfel schälen für den Nachmittag, so wie wir es vorhatten, bevor du dich hast

18


ablenken lassen von den vielen Aspekten, die in Äpfeln stecken, bevor wir sie einzeln wiegen und die Aufkleber mit Barcode auf die glatte Haut der Früchte kleben und zur Kasse gehen, um zu bezahlen – ich bezahle, bar, und hake mich bei dir unter, während wir nach Hause gehen, schweigend. Tine Melzer

Omdat het niet mogelijk leek tegelijkertijd te bestaan, een    leven te delen zolang hij het heden met stelligheid Gegenwart noemde en zij nununu bleef mompelen om vat te krijgen op wat steeds sneller aan haar voorbij leek te trekken en ze niet altijd rustig werd van ademhalingsoefeningen waarbij ze zich wolken moest inbeelden, die in wisselende formaties en in oncontroleerbare snelheden over het huis raasden, had ze hem zó vaak gevraagd wat Gegenwart nu precies betekende (waar­ bij dat woordje nu van belang was, omdat ze vermoedde dat het moment waarop de vraag gesteld werd, van invloed was op de uitkomst) en waarom er een tegenbeweging leek te

19


schuilen in Gegenwart, dat hij eerst zijn hoofd en later zijn hele lichaam afwendde, alsof hij zijn toevlucht zocht in een of ander verleden dat – wie zal het zeggen – misschien wel een toekomst voorstelde, zodra ze haar mond opende om tegen beter weten in Mag ik je nu dan iets vragen? te laten ontsnappen. Maria Barnas

Zijn praten werd een zacht gesnurk en als ik    me daaraan overgaf, als aan een gedeeld lichaam, viel ook ik in slaap, glimlachend om de hoopvolle beloften die ik geloofde juist omdat hij de dag erna zei dat hij zich er niets van herinnerde. Klaske Oenema

Als ik lees

dat er in Groenlo aan de    provinciale weg N19 de wereld van Bommel uit de grond wordt gestampt, een themapark dat zinnig vermaak voor dagrecreanten moet zijn, weet ik niet of ik dat een goed idee vind, want dan wordt er iets algemeen wat al levenslang in mijn hart en hoofd zit, de vroege ochtenden in mijn kinder-

20


tijd, toen mijn vader me de verhalen van Bommel voorlas uit de krant, terwijl we op de grond lagen, op onze buik, de krant voor ons, in de winter voor de kachel die zacht gloeide, en hoewel ik niet alles begreep, werd ik wel betoverd, voorgoed. Thomas Verbogt

  

Op een zomerse zondagmiddag

lopen Sam en Moos zwijgend door de Kalverstraat, wanneer plotseling, alsof er uit de schaduw van de Begijnensteeg een emoe de lege straat op rent of uitgerekend voor speelgoedwinkel Merkelbach, met zijn begerenswaardige assortiment van Märklin-treinen, een kleine meteoriet inslaat, Sam zijn keel schraapt, zijn uit vodden gemodelleerde hoofd draait en aan zijn in halfslaap verzonken metgezel vraagt: Zeg, ken je die mop van Sam en Moos?: – op een zomerse zondagmiddag lopen ze zwijgend door de Kalverstraat, wanneer plotseling, alsof er uit de schaduw van de Begijnensteeg een giraffe de lege straat op rent of uitgere­ kend voor speelgoedwinkel Merkelbach, met zijn begerenswaardige assortiment van

21


Meccanodozen, een kleine meteoriet inslaat, Sam zijn keel schraapt, zijn uit vodden gemodelleerde hoofd draait en aan zijn in halfslaap verzonken metgezel vraagt: Zeg, ken je die mop van Sam en Moos?: – op een zomerse zondagmiddag lopen ze zwijgend door de Kalverstraat, wanneer plotseling, alsof er uit de schaduw van de Begijnensteeg een tijger de lege straat op rent of uitgerekend voor speelgoedwinkel Merkelbach, met zijn begerenswaardige assortiment van stoomma­ chines, een kleine meteoriet inslaat, Sam zijn keel schraapt, zijn uit vodden gemodelleerde hoofd draait en aan zijn in halfslaap verzonken metgezel vraagt: Zeg, ken je die mop van Sam en Moos?: – op een zomerse zondagmiddag lopen ze zwijgend door de Kalverstraat, wanneer plotseling, alsof er uit de schaduw van de Begijnensteeg een zebra de lege straat op rent of uitgerekend voor speelgoedwinkel Merkelbach, met zijn begerenswaardige assortiment van toverlantaarns, een kleine meteoriet inslaat, Sam zijn keel schraapt, zijn uit vodden gemodelleerde hoofd draait en aan zijn in halfslaap verzonken metgezel vraagt: Hé Moos, ben je wel helemaal wakker? Dingeman Kuilman

22


Seventeen years ago, during the lead-up to the    illegal Iraq War, as incredible footage of the UN Security Council was broadcast into my tiny student room – Ikea bed, a strip of cow-print linoleum, mice – in a now-wealthy neighborhood of the city, I furiously wrote the first sentence of an ill-conceived story titled Cooking with Satan, after a song by the Sun City Girls, the absur­ dist lo-fi band from Phoenix, Arizona: I used to listen to the Sun City Girls a lot, mainly Torch of the Mystics and Libyan Dream, some of 330,003 Crossdressers From Beyond the Rig Veda, and selected songs from the other countless releases (my favorite song of theirs is Cooking with Satan, with its Sprechgesang refrain of buy low, sell high), just a fraction of their total output, really, because there’s only so much noise and nonsense you can listen to, even if, as I have done at certain bewildering moments in my life, you resolve henceforth to listen to noise and nonsense only, that is, to embrace amateur improvisation, dissonant registers, and incoherent language – an impulsive and impossibly drastic resolution, to be sure, with possibly a suggestion of

23


apophatic or negative discourse, a discourse about what cannot be said, but the transmission is glitchy and now the sky is on fire. Louis Lüthi

Dat je maar blijft beweren wat je al honderd keer    hebt beweerd is geen reden om subtiel dan wel pontificaal niet nog een keer de vinger te leggen op de meeslependste en opwindendste en ook nog eens de verbeelding in hoge mate overtreffende vervlechting van de stuk of vijf fundamentele wijzen van bestendiging die onze onderstroom gaande houden en onze allure zodanig voeden dat zich bij tijd en wijle en voor de pril tastenden altijd onverwacht een opwin­ ding van ons meester maakt die voelt als onderdompeling in het volmaakte en ons laat proeven aan wat sommigen vreugde noemen, maar wat beter omschreven kan worden als vrije volte of stille affirmatie of als de totale leniging van zwaarte, al was het maar omdat gedurende een dergelijk moment van aan­ raking niets in ons nog weerstand biedt aan overgave. Henk van der Waal

24


Wat ik doe wat ik denk ik schrijf gewoon achter    mekaar door over gasten hier laatst man lachen dat nieuwe draaideurcrimineeltje je weet wie ik bedoel grote bek kruimeldiefje die Marokkaan of Tunesiër of wat hij ook is heb je een korte straf dan heb ik niks met je te maken wat moet ik met jou ik moet helemaal niks met jou denkt dat-ie heel wat is zegt-ie zet die muziek uit! met zo’n grijns op z’n gezicht smoel houden roep ik en ik pak mijn tondeuse en scheer zijn hele kop kaal lachen man net een biljartbal heb je toch gezien? ik zeg dat is vijfhonderd ballen heeft-ie het netjes op mijn rekening laten zetten kijk dat schrijf ik allemaal op achter elkaar zonder punten komma’s of van die shit weet ik veel als ik schrijf beweeg ik tenminste staat de tijd niet stil ik zweer je mij krijgen ze niet gek ik doe mijn ding ik zeg rustig tegen die bewaarder ik ga zo mijn jointje roken dus ik wil met rust gela­ ten worden zelfredzaamheid toch? ze willen tegenwoordig dat we zelfredzaam zijn of niet dan? nou ik ben honderd procent zelfredzaam als ze me toch lastig valt kan ze een asbak naar d’r kop krijgen maakt me niet uit dat ze een

25


meid is zegt ze tegen me je krijgt een UC-tje moet ik voor d’r in een potje pissen ik zeg denk na rook iets word kalm maakt mij wat uit of ik tien dagen straf krijg in plaats van drie hele dagen achter de deur geen televisie wat kan mij dat schelen? die televisie kijkt naar mij ik niet naar de televisie anderen zijn bang voor straf ik niet iedereen kookt voor je als je straf hebt hier neem mijn mobiel zo door het luikje ik heb internet spelletjes alles mij maken ze helemaal niks ik was zes toen ik mijn eerste jointje rookte. Christine Otten

Het moeten verhalen zijn die over ALLES gaan, want voor    minder doe ik het niet, waarbij de subtekst, zoals jij het misschien zal noemen, van al die maffe anekdotes, herinne­ ringen en mijmeringen, al die willekeurige menselijke informatie, is hoe ik in deze denk­ beeldige zomernacht bij een onderhoudsvrij kampvuur, er een gooi naar doe om jou in één keer te vertellen hoe het voor mij was om deze ouders te hebben, een kind te zijn, op te

26


groeien en stuurloos aan het leven te beginnen, en vrienden te hebben, en gek te worden van de liefde, en ziek te worden van de wreedheid, de geldzucht, de wraaklust die ik tegen­ kwam en al even ziek en pissig van mijn eigen levensangst, en hoe het is om af en toe uit elkaar te barsten van vreugde om het samen­ vallen van denken en voelen, van strelen en gestreeld worden, van wat ik zeg en wat er ongezegd blijft, oftewel om een dwalend, poreus menselijk wezen te zijn dat een leven en een weg zoekt, vertrouwend op weinig anders dan lezen en schrijven. Dirk van Weelden

Een vriendin

schilderde een poos    geleden twee grote witte vraagtekens op haar ramen en omdat ze achter de Dam woont waar het altijd druk is, is daar elke ochtend als ze de gordijnen opent, de wereld, een veelheid vragen, een beeld dat ik om de een of andere reden iets diep troos­ tends vind hebben, de wereld een stel vragen dat ons gezelschap houdt. Bernke Klein Zandvoort

27


Melle Hammer

Op weg naar het begin, in het gevecht met de    onderschildering de doodverf zo gelaten, wel de in gebrande sienna geschilderde tekst: een buitje regen; een builtje thee; een kuiltje jus; een vuiltje snot; een muiltje smeer; een duitje geld; een mijltje blad; een handje zeer; een bandje lucht; een randje vet; een richel rui; een wandje tegels; een emmer even; een greppel grip; dan een lepel traan of een wake wolk;

28


een potje leven; een teken talk en een rijtje regels zouden (dacht hij even) een teiltje taal vormen, een zinnige zindelijke lange zin vormen, om te dienen maar na een wijle wachten, die malle dichterlijke vrijheden, die onzin, toch maar doorgestreept, en op het eind de toon gezet met een puntkomma; uit de zin van het bestaan wegdwalen daarmee was de zin nog niet beschreven: op weg naar het begin. Hans Mellendijk

Libellen zweefden om me heen, vogeltjes schoten weg,    rietzangers, rietgorzen en karekieten, hoger in de lucht vlogen meeuwen, sterntjes en aalscholvers, ik herkende ook het spichtige silhouet van een tureluur en voor me, op de rietstengels en in de modder, kropen torren, spinnen en larven, en al waren er genoeg die ik niet kon benoemen, van de meesten wist ik hoe ze heetten, alsof Emmy bij me was en me hun namen influisterde: bloedcicade | rietkruisspin | hooibeestje | langpootmug | vroege glazenwasser | paardenbijter | witte reus | kraamwebspin... Edzard Mik

29


Er kruipt een doodshoofdvlinder onder de huid van het firmament    en het veulentje en de slanke mangoeste maken brandende engelen in de sneeuw en de knokkels van Marna bloeden op het oog van de storm die tegen de ribben van de kathedraal beukt en de lezer, verstrengeld in de braamstruiken, tracht zich te ontworstelen aan de klauwen van het woud dat het continent binnenwalst en uit zijn mond vallen blauwe bloemen; druppels die zich vastbijten in zijn huid en berenvellen wervelen over de poolvlakte en de vleugels van de mislukking werpen scherpe schaduwen over de ijsaders, de roetzwarte rivieren en tuimelgras danst lichtvoetig over de bevroren kluiten en de ruiten van de Simca knallen uiteen, verpulveren tot poedersneeuw en er kruipt een doodshoofdvlinder onder de huid van het firmament en de tennisbal stuitert van het altaar en de slanke mangoeste neemt hem in de bek en duikt ermee in de adembenemende zeeĂŤn en de borsten van Marna kloppen en stoten melknevel in het licht van de schitterende zon en de zondaar is gekomen

30


en ze draagt presidenten en dictators in haar zwartdooraderde buik en de zondaar is gekomen op de rug van de doodshoofdvlinder en vlinders bloeden geel bloed en vlinders bloeden geel bloed en onder de huid van het firmament kruipt een doodshoofdvlinder. Martijn den Ouden

Het is wel een goed boek, hoor, maar de helft    kan eruit. zei de vorige week overleden dichter Hans Sleutelaar steevast als ik hem naar zijn mening over een bepaalde roman vroeg, terwijl ik op zaterdagmorgen aanschoof aan het tafeltje waar hij en zijn vrienden, die hem wekelijks mee­ troonden naar de Rotterdamse markt, waren neergestreken in een etablissement dat The Urban espressobar heette, maar dat om een of andere reden recent is omgedoopt tot Nine naar het huisnummer 9 aan de Rotterdamse Botersloot, op een steenworp afstand van het vroegere woonhuis van schrijver Bob den Uyl, auteur van relatief dunne boeken waaraan het rode potlood van Sleutelaar weinig ple­ zier zou beleven, omdat er zelden een woord teveel staat, waarmee Den Uyl, weliswaar in

31


mindere mate, maar toch ook als een aanhan­ ger kan worden beschouwd van deze less is more-gedachte die vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw breed gedragen werd, niet alleen door schrijvers en dichters, maar ook door kunstenaars en vooral door vormgevers en architecten met als ongekroonde koning de architect Mies van der Rohe die, voor zover ik weet, deze uitdrukking al in 1929 muntte tijdens de bouw van zijn paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Barcelona en dat – iedereen die het ooit heeft bezocht zal het beamen – een wonder van ascetische schoon­ heid mag heten, wars van de valse ambach­ telijkheid en overbodige opsmuk die de bouwkunst van de late negentiende en begin twintigste eeuw kenmerkte, ofwel om in literatuurtermen te spreken: zonder omhaal van woorden is, en waar zoalshet ook een goede tekst betaamt, niets overbodigs in staat, want – en nu citeer ik opnieuw Sleutelaar – : Als je goed kijkt zie je dat alles wat nodig is er al staat, waarmee hij wilde zeggen dat wanneer dat niet zo is je als schrijver je boodschap niet kernachtig genoeg hebt geformuleerd en met deze beproefde tactiek haalde Sleutelaar ook de stofkam door manuscripten van befaamd geworden werken uit de Nederlandse lite­ ratuur, zoals het boek Ik Jan Cremer, waarvan

32


hij de eindredactie verzorgde en dat er onge­ twijfeld van is opgeknapt, maar toch vraag ik mij af of hij hetzelfde zou hebben gedaan bij auteurs die zich juist kenmerken door wijd­ lopigheid en eindeloze herhalingen en of hij met zijn liefde voor wegstrepen zichzelf en anderen niet van het genoegen heeft beroofd dat het lezen van een lange zin biedt, een zin die lak heeft aan kort en bondig zijn, maar die je gewoon meesleept terwijl je maar moet afwachten waar die gaat eindigen, zoals bij de in Parijs woonachtige Amerikaanse schrijver Gertrude Stein die in haar Making of Americans een brij van associatieve zinnen maakt met bladzijden lang herhaalde woordcombinaties of de Portugees António Lobo Antunes, één van mijn lievelingsauteurs die er niet voor te­ rugdeinst om een zin twaalf pagina’s te laten beslaan, bij wie een heel hoofdstuk in slechts één zin past, vol herhaalde beelden van een paardenschaduw die op het zeewater valt of oude huizen waar het ’s zomers om vier uur erg eenzaam is, zonder dat je ook maar een seconde denkt: Dat heb ik al gelezen, nee inte­ gendeel, die herhalingen geven juist struc­ tuur aan zijn proza en fungeren als de terug­ kerende melodie in een muziekstuk waar je gedachten aan blijven haken zonder dat je er erg in hebt, waarmee ik wil beweren dat lang

33


niet alles er van opknapt als je de helft eruit gooit en het grootste bewijs daarvan is The Urban espressobar zelf, waar het altijd gezellig druk was op zaterdag en ’s winters de ramen besloegen van de natte jassen die over elkaar aan de overvolle kapstok hingen, waar de tas­ sen met verse vis, bloemen en andere markt­ waar overal rond de tafeltjes op de grond slingerden zodat de serveersters daaromheen moesten manoeuvreren, maar waar als gevolg van de corona-uitbraak de helft van de zit­ plaatsen is geschrapt en waar het er zeker niet gezelliger op is geworden en met deze consta­ tering wil ik graag eindigen, hoewel er in het kader van de opdracht: Maak een lange zin, nog genoeg valt uit te weiden, bijvoorbeeld over de zaterdagmarkt zelf die eveneens aan kwa­ liteit heeft verloren sinds het aantal kramen is gehalveerd, maar inmiddels bespeur ik dat mijn betoog iets hijgerigs krijgt, de tekst naar adem begint te happen en dat kan niet de bedoeling zijn, want dit moet geen wedloop worden aangezien proza bedrijven iets anders is dan het lopen van een marathon, waarbij het wel gebruikelijk is dat de deelnemers op een zeker moment beginnen te hijgen, van­ daar dus dat ik nu daadwerkelijk een punt achter mijn zin ga zetten, al had ik hem liefst eerst ter redactie aan Sleutelaar voorgelegd,

34


hoewel ik denk te weten wat zijn commentaar was geweest: Het is niet onaardig geschreven, maar ... de helft kan er uit. Anne Mieke Backer

Ik heb jarenlang

een uitgebreide    verzameling van woorden gehad die – om het overzicht te bewaren – genoteerd stonden in een flink aantal grijze ordners met daarin ruitjespapier waarop ik met de hand de woorden op alfabet heb ingevoerd met bovenaan de kolommen de kopjes lengte en datum, en daarnaast een hoeveelheid sterren waarmee ik de woorden kon filteren, zodat ik zelfs de meest obscure exemplaren zonder veel moeite kon terugvinden, want dat is misschien wel mijn grootste angst: dat ik de woorden zou kunnen verliezen – of liever gezegd – de woorden zou kunnen achterlaten terwijl ik vooruit ga in een tijd die steeds strakker voelt, alsof er een digitale tiewrap om me heen zit, want ik word regelmatig in verlegenheid gebracht door figuren die tegen me zeggen: jongen, gebruik gewoon Google en dan hoor ik door het klikje dat de tiewrap strakker is geworden, maar ook

35


heb ik gezien hoe makkelijk alles eindigt en verdwijnt en dat is denk ik de reden van deze verzameling; het is een impliciete ontkenning van mijn sterfelijkheid en hoe meer ik daar over nadenk hoe triester ik word van de nutteloosheid van mijn verzamelde woorden, ik word dan zo triest dat ik me realiseer dat ik zelfs een niet-eens-zo-heel-obscuur woord zoals geschwärm nooit in de ordners zal opzoe­ ken en nooit zal gebruiken, maar geloof me, deze en de andere, het staat er allemaal in. Willem Sjoerd van Vliet

Obwohl das Kino leer war, hatte die Vorführung    schon begonnen; die Leinwand war so groß, dass sie sich ganz hinten im Saal direkt unter eine der Lautspre­ cherboxen setzten, wo Karin mit erhobener Stimme von einem anderen Film berichtete, dessen weiße Untertitel vor der hellen Klei­ dung der Darsteller kaum zu entziffern ge­ wesen seien, und als sie den gesamten Inhalt des anderen Kinofilms zu erzählen versuchte, waren beide von dem Film, den sie gerade ansahen, der an sich schon komplex war, ohne dass qua Handlung viel passierte, nicht

36


nur abgelenkt, in der plötzlichen Stille nach dem Abspann, als sie aufstanden, hatten sie auch das Gefühl, nicht mehr richtig hören zu können, sodass sie sich entschieden, nicht mit dem lauten Bus zu fahren, mit dem sie gekommen waren, sondern zu Fuß zu gehen und dabei einen Umweg durch den Park zu nehmen – sich unterwegs auf einer Bank bei einer Zigarettenpause auszuruhen – wobei er bemerkte, dass seine Jacke im Kino liegenge­ blieben war und er sich verabschiedete, um diese zu holen. Hermann Gabler

De overbuurman had gelijk: vanmorgen vlogen    ze uit en lang zou het niet duren of de kat die ooit van Frank was maar door de kinderen van 34 werd gejat en verstoten toen ze voor de rest van de zomer naar de camping gingen – Frank was intussen naar Rotterdam verhuisd, net als de andere buren waren wij qua huisdieren al voorzien – vatte post onder de sierappelboom waarvan de vruchten zich uitstekend lenen om met een gele pvc-buis tegen de ruiten van tante Annie te schieten, althans dat vinden de kinderen

37


van 57 die nooit naar de camping gaan en geen dier zelfs geen zwerfkat mogen hebben aangezien hun moeder onder bewind staat; zij spotten het nest en de kat, verzamelden munitie en vuurden tot het magere beest blazend onder een auto kroop om zich niet meer te laten zien, toen begonnen de meisjes zich te vervelen en schoten ze appeltjes naar alles wat bewoog tot aan het eind van de middag het nest leeg was. Maartje Smits

Wanneer ik door de bronzen straat loop met aan weerszijden    de hoge bomen die op cipressen lijken en dat toch niet zijn, kinderen zie spelen in purperen schaduw, de hond slapend tegen de knoestige stam van de boom die zijn bladeren spreidt over het dak vol gebarsten glimmende pannen van het oude huis met haar half geloken ogen en gespleten muren en daarginds het water dat geen verkoeling biedt maar dieptes zo diep als het zwart van mijn gedachten, diep als de lange laan die geen einde kent, denk ik aan

38


de zomer van 1975 waarin de verhuizing zich voltrekt en wij allen, moeder, vader, kind, verhuizen naar de binnenkant van dit bos vol zuchtende mossen, strenge dennennaalden, wollige rododendrons, rulle zanden van in het licht zingende korrels en ontzagwekken­ de donkertes van aaneengeregen konijnenverblijven in de nabijheid en ondermijnend het huis, dan al zo vol van zwaar steunen en kreunen en hol van binnen, een huis vol kazen gaten, leeg in afzonderlijkheid, loos in berusting, een gelaten accepteren van nieuwe bewoners die niet aarden kunnen in die hete zomer waarin het water in de zwembaden stil­ staat, de boomkruinen naar beneden zuchten en vogels in smeekbedes en verwarring hun vleugels naar de zon spreiden, de kwelling die pas ophoudt wanneer een bries de aarde streelt, zandkorrels doet dansen, niettemin is de heimwee vochtig en scheurt het in een rafelige tweedeling mijn hart dat hardnekkig daar wenst te blijven en geen stap verzetten wil, niet weet waar te gaan, terug misschien, maar gevangen is als een verschrikt konijn in een bundel wit licht dwalend van stam tot stam, niet thuis kunnen komen in een onrus­ tig zoeken – en wat gaat het hart toch te keer boem boem boem – en altijd daar blijft, in de hel van de zomer van 1975 in het huis dat

39


geen bewoners duldt en eenzaamheid verheft tot deugd, daar onder de hoge bomen aan de bronzen laan waar geen einde aan lijkt te komen, daar waar ik loop. Edith Tulp

De detox bestond eruit om zonder haarverlies meer    hond te worden door het reukorgaan boven een pluk gekneusd raaigras uit het gemeenteplantsoen te leren kwispelen zonder, nu de neus leidend was en jij, mijn geliefde, niet van mijn zijde week, het tere Wedgwood-servies uit de pas verkregen nalatenschap om te stoten en een sterk ge­ slacht wist ik, zegt weinig of niets over de vatbaarheid voor het killervirus, de proef­ opstelling keramieke handjes had ik samen met het badje smurfblauwe latex voor de beschermhandschoenen en de online geshop­ te geurmonsters schalieolie met het oog op de detox, de quarantaine die nu al libidoverho­ gend uitpakte, kwispelend met een begin van kwijlproductie veilig gesteld. Astrid Lampe

40


Dat we die ree,

die we op de foto    Hert hadden genoemd, eindelijk echt zagen deze op één na laatste dag van onze vakantie in het natuurhuisje dat we Welgelegen noemden, omdat het zo was dat we ineens dat hert zagen – super opwindend, we grepen meteen naar de verrekijkers en konden haar heel goed, edel zou ik bijna zeggen, zien omdat de boer net het hoge gras had gemaaid en het dus ook nog eens lekker rook op het terras waar we in de zon onder de parasol, met een glaasje koude witte wijn en een zak Lay’s chips de waargenomen vogels van die dag hadden genoteerd, en ik nu plotseling als kers op de taart een rode wouw in mijn beeld zag schuiven, met iets in z’n klauwen dat mij een kleine slang leek, een adder misschien en Hert, die ree dus, bleef maar elegant heen en weer lopen, er hadden zich nu ook twee zwarte kraaien bij haar gevoegd, het wordt druk aan de horizon grapten we tegen elkaar en we gingen toch maar eens kijken, stappend door het geurende platte gras, daar bewoog Hert zich met sierlijke sprongen naar de bosrand en verdween in het gebladerte, voor onze voeten lag een puntgaaf reekalfje met bruine reeënogen en een donker dropneusje, dat mij aan

41


de suikervrije dubbelzoute dropjes van Klene deed denken, haar ribbenkast was vlijmscherp en kaarsrecht boven het maaiveld afgesneden, aan haar drie resterende jonge reeënpoten kleefden ontroerend kleine hoefjes, ik dacht aan dat lied van vroeger, van de Selvera’s: vervang die jachthoorn maar door een tractor, en een moordende maaimachine, kom... de wijn wordt warm..., we draaiden ons om en liepen langzaam terug naar het zonovergoten terras, ik slofte een jankende blues. Marijke Boon

Ik hou van de zee, 

maar de zee    houdt niet van mij verzuchtte de bootsman toen hij met zijn door zeezout ingevreten vingers zijn bonkige handtekening met grove halen in dikke zwarte inkt op de monsterrol van de slavenhaler het snauwschip Haast U Langsaam voor een nieuwe reis had gekrast en de water­ schout met een korte ruk van zijn hand het grof ingenaaide boek onder zijn druipende neus vandaan had getrokken en hij met een trage beweging zijn voorschot op drie maan­ den soldij van enkele luttele guldens in de zak van zijn gepekelde overjas liet verdwijnen, want het zou wel eens een jaar kunnen

42


duren voordat hij aan de overkant van de oceaan op de zwoele kust van een tropisch land er de betaalde liefde mee kon bedrijven, waar hij tijdens zijn maandenlange verlof heimelijk zijn zinnen op had gezet. Willem van Rooij

Dus wat ik zeggen wil

is dat er best veel    te zeggen valt voor je zelf opgelegde vonnis om van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat met je handen in je haar en je neus tegen het raam uit volle borst liederen te zingen over begeerte, hoop en triomf zonder daarbij voldoende van de oh zo broodnodige adem te halen zodat je er uiteindelijk, bij het ondergaan van de hersendode zon, finaal bij neervalt en wacht, en wacht, en wacht. Kaweh Modiri

There are many people who can’t accept the idea    that when we reach the end of the sentence there will be no new

43


capital letter and the print won’t keep rolling on down the page, either because they find it hard to imagine there’s not always more to be said, or because their comfort comes precisely from the expectation that this is merely an introduction to be followed by a new sentence, one that is less complicated, that makes sense of the previous one, answering the question it posed and bringing affirmation, clarity and joy, whereas I am reassured precisely by the idea that there is only this single sentence, which I hope carries on as long as possible, however convoluted and awkward to get through it might be (as long as there’s a bit of fun in there along the way, of course, and not just total brain-breaking bollocks), and it won’t finish with a question mark, and at its end there will be no more to read, only blank paper as there was before the sentence started, before I started reading, before I’d ever seen the page, before it had ever been printed, before it had ever been conceived; I wasn’t bothered by words that had never been written, so I won’t be troubled by those that don’t come after the full stop. Michael Blass

44


Š de respectievelijke auteurs Amsterdam, 2020

Idee, redactie en omslag Frans Oosterhof Tekstredactie Hanneke Oosterhof Vormgeving en typografie Melle Hammer gezet uit de Lexicon, Gotham Narrow en Andale Mono In een oplage van 500 door drukkerij RaddraaierSSP op Munken Pure Rough 120grs (Arctic Paper) Het bindwerk door boekbinderij Patist


De intelligente lockdown in het voorjaar van 2020 leek Frans Oosterhof het ideale moment om schrijvers en kunstenaars uit te nodigen hem een lange zin te schrijven. Deze bundel is daarvan het resultaat.

DE LANGE ZIN

Profile for Melle Hammer

De lange zin - Frans Oosterhof  

De lange zin - Frans Oosterhof  

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded