Page 1

Dat had ik niet achter je gezocht

Melisa Verheijen


Dat had ik niet achter je gezocht Door: Melisa Verheijen

Christelijke Hogeschool Windesheim Zwolle


“Dedicated to everyone who wonders if I’m writing about them. I am.”


Voorwoord Stel, je komt plotseling te overlijden. Vraag aan de persoon die je het meest dierbaar is om op te schrijven hoe hij of zij je zou herinneren. Wat ben je over jezelf te weten gekomen? Hoe voelt het om een ander het verhaal van je leven te zien vertellen? Een beetje gek misschien dat ik met deze vraag begin, maar ik zal het nader toelichten. Deze vraag is aan alle schrijvers gesteld die in dit boek staan. We hebben ervaren hoe het is je eigen levensverhaal te laten schrijven door iemand anders. Het eindresultaat was voor ons een verrassing. Wij hadden misschien wel andere keuzes gemaakt en andere hoogtepunten van ons leven laten vertellen dan de schrijver. Onze autonomie werd ontnomen. Gelukkig zijn we niet overleden en kunnen we gewoon lezen wat onze dierbare over ons heeft geschreven. Maar wat is dan eigenlijk het nut van deze opdracht? Door deze vraag te stellen hebben we ervaren hoe het is om je levensverhaal uit handen te geven. De persoon die over jou schrijft, heeft een grote verantwoordelijkheid. Dat betekent dus dat de schrijvers in dit boek zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid dat het schrijven van een levensverhaal met zich mee brengt. Eén van die schrijvers ben ik. Ik heb gekozen om dit levensverhalenboek te maken voor mijn afstudeerproductie. Dit kwam niet zomaar uit de lucht vallen. In de minor storytelling leerde ik hoe je op verschillende manieren een verhaal kunt vertellen. Life writing is één van die manieren. Het betekent: van een leven een verhaal maken. Ik denk dat life writing één van de puurste vormen van


journalistiek is. Een journalist die de voorkeur geeft aan een meer traditionele aanpak, zal het misschien niet met mij eens zijn. In de traditionele journalistiek probeer je zoveel mogelijk feiten en data vast te stellen. Wat waar is, wordt vastgesteld aan de hand van betrouwbare bronnen en research. Ik vind dit een belangrijke journalistieke methode, maar er gaat geen vuurtje in mij branden. Mijn handen gaan pas jeuken als ik een persoon mag interviewen die iets bijzonders heeft meegemaakt. Ik ben nieuwsgierig en wil alles weten. Hoe voelt het bijvoorbeeld om een broer te hebben die psychotisch is en hoe is het om als Westerse vrouw in Jordanië te wonen? Deze life writing-verhalen hebben verschillende functies in de journalistiek. Een life writing-verhaal kan dienen als illustratie van een grote gebeurtenis. Het verhaal heeft bijvoorbeeld het universele thema pesten. Je leest in de krant hoeveel jongeren per jaar in Nederland zelfmoord plegen, omdat ze gepest worden op school. Het blijft een heftig bericht, maar door een getal in de krant en in het nieuws kunnen we ons niet inleven. We kunnen ons pas inleven als we lezen over een jongen die op school constant getreiterd, geslagen en uitgescholden wordt en het liefst niet meer zou willen leven. De tweede functie van life writing is het ontkrachten van algemene waarheden. Het gaat tegen de stereotypen in. Deze verhalen worden ook wel ‘tegenverhalen’ genoemd. Zo kan een meisje dat in haar jeugd is mishandeld juist positief in het leven staan. Ze haalt goede cijfers op school en gaat niet in een slachtofferrol zitten. Ze probeert zichzelf op een positieve manier te blijven ontwikkelen. Herken je jezelf in een van de verhalen? Dan kan het best zijn dat je herkenning of troost vindt in het boek. Heb je niet hetzelfde meegemaakt? Dan heb je de mogelijkheid om een kijkje te nemen in het leven van iemand anders en zal je misschien begrip krijgen voor een leven dat normaal gesproken ver van je af staat. Voordat je begint met lezen wil ik duidelijk maken dat life writing niet sensatiebelust is. Het gaat niet om ‘kijk mij nou’ of ‘moet je eens lezen wat een gek leven zij heeft.’ Het gaat om wat de ervaring van die persoon de wereld te bieden heeft. Verwacht dus geen Mijn geheim of Intiem. Dat vind ik geen journalistiek. De life writing-verhalen worden op een literaire manier geschreven. Je zou het ook narratieve journalistiek kunnen noemen. De verhalen hebben


allemaal een hoofdpersonage dat vier fasen meemaakt. De fase van willen, kunnen, doen en afsluiten. Het hoofdpersonage stelt zich in de fase van willen een doel. Je komt erachter waarom de hoofdpersoon dat doel heeft gesteld. In de volgende fase vergaart hij of zij de middelen om dit doel te bereiken. In de fase van doen, voert de hoofdpersoon het doel uit en kom je erachter of het doel wel of niet bereikt is. In de laatste fase sluit het hoofdpersonage af en kan het gevolg van handelen duidelijk worden. Elk verhaal heeft behalve de vier fasen ook het hoofdpersonage/ doel-model. Het hoofdpersonage streeft een doel na door een bepaalde oorzaak en na het wel of niet behalen van het doel komt het gevolg ter sprake. Het hoofdpersonage heeft in het verhaal helpers die hem helpen zijn of haar doel te bereiken en tegenstanders die hem of haar juist tegenwerken. Laten we niet te ver afdwalen met de schrijftechnieken, maar laten we verder gaan met wat jullie te wachten staat. Life writing is vaak autobiografisch. In dit boek zijn er dus ook schrijvers die niet over iemand anders hebben geschreven, maar over zichzelf. Als de schrijvers niet hun eigen verhaal vertellen, proef je vaak wel de aanwezigheid van hem of haar. De schrijver verwerkt zijn of haar eigen ervaring in het verhaal. Life writers kunnen dus een belangrijke rol in het verhaal hebben. Wat de verhalen in dit boek gemeen hebben, is dat ze allemaal gaan over jonge mensen die in hun studietijd zitten of net zijn afgestudeerd. Ze bevinden zich aan het begin van hun leven en willen zich ontwikkelen. Ze staan voor moeilijke keuzes die belangrijk zijn voor hun toekomst. Die toekomst kan nog weleens heel anders uitpakken dan dat ze in eerste instantie hadden verwacht. Gaat je hart iets sneller kloppen en wil je zelf ook een levensverhaal schrijven? Overal om je heen zijn verhalen, je hoeft alleen maar je ogen te openen en de tijd te nemen om te luisteren. Aan het einde van het gesprek denk je wellicht: Dat had ik niet achter je gezocht, maar wat bijzonder dat je het met me deelt en ik je een beetje beter heb leren kennen.





Dankwoord In een boekje als deze kan een dankwoord niet ontbreken. Ik wil iedereen oprecht bedanken die zijn of haar verhaal heeft gedeeld. Interviews die ik met jullie heb gehad, waren vaak emotioneel. Ik mocht een kijkje nemen in een andere wereld en mocht dit vertalen in een verhaal. Bedankt voor jullie vertrouwen. Ook bedank ik alle overige schrijvers die in dit boek staan: Jeroen Admiraal, Ronald Oostingh, Susanne Beernink en Yannick La Gordt Dillié. Jullie geschreven verhalen zijn van toegevoegde waarde voor mijn afstudeerproduct. Als laatste bedank ik al mijn storytelling leraren en mijn begeleiders die toestemming hebben geven om Dat had ik niet achter je gezocht te maken. (Om de hoofdpersonen in dit boek te beschermen, is er gebruik gemaakt van gefingeerde namen).




Inhoudsopgave Voorwoord 6 Dankwoord 10 Morgen ben ik alleen (Melisa Verheijen) 13 Bi (Jeroen Admiraal) 23 Eindexamen (Melisa Verheijen) 31 Mijn broer en ik (Ronald Oostingh) 37 De stressmomenten van Sven (Melisa Verheijen) 47 Negentig vragen (Susanne Beernink) 55 Het blauwe boekje (Melisa Verheijen) 63 De wonderbaarlijke Ontsnapping (Yannick La Gordt Dillié) 69 Jordanië en ik (Melisa Verheijen) 77 Mijn zus (Melisa Verheijen) 85 Jouw verhaal (lezer van het boek) 93




'Ik huil zo hard dat mijn buren mij wel moet en horen'




Morgen ben ik alleen Melisa Verheijen




Dit boek zou er helemaal niet zijn geweest als ik niet de beslissing had genomen om te stoppen met mijn buitenlandstudie in Frankrijk. In plaats daarvan ben ik de minor storytelling gaan volgen waaruit de inspiratie voortkwam om dit boek te maken. Het mooie is dat de ervaring die ik in het buitenland heb gehad, een voorbeeld is van storytelling. Je hoort vaak alleen de spectaculaire verhalen van mensen die een buitenlandstudie hebben gevolgd. Ze komen terug als een ander persoon, hebben een nieuwe visie gekregen of hebben een nieuw doel in het leven. Nee, dit is niet zo’n verhaal. Dit laat de andere kant zien. De kant van de personen die ervoor hebben gekozen om vroegtijdig hun buitenlandstudie af te breken.

Ik weet het zeker. Ik ga vijf maanden studeren in Frankrijk. Ik ga de taal vloeiend leren spreken, ik zal internationale contacten leggen en ik ga terugkomen als een geheel nieuw en verbeterd mens. Ik wil kunnen zeggen: ‘Ik heb een half jaar in Tours gewoond en ik heb mijzelf beter leren kennen.’ Ik glimlach als ik op verzenden klik. Eindelijk is mijn motivatiebrief om een buitenlandstudie te gaan volgen verstuurd. Niemand van mijn school heeft ooit de keuze gemaakt om naar Frankrijk te gaan aangezien ze dan Frans moeten spreken. Ik heb op de havo Frans afgerond met een acht en heb het altijd een beetje bijgehouden. Makkelijk gaat het niet worden, maar na een maandje moet ik het toch vast al aardig kunnen spreken. Mijn vriendinnen zitten in een kring om mij heen. Iedereen is gekomen om afscheid te kunnen nemen. Ik vertrek morgen voor vijf maanden naar Frankrijk. Ik krijg de liefste cadeaus. Een waxinelichthouder waar ‘beschermengel’ op geschreven staat en een grote fotocollage met foto’s van mij en mijn beste vriendinnen. In het midden staat een foto van ons samen voor de Sacre Coeur in Parijs. “Je gaat het superleuk hebben. We komen je in de meivakantie meteen opzoeken hoor.” Als het tijd is om te gaan, geef ik iedereen een dikke knuffel. Ik besef nog niet dat ik ze een lange tijd niet meer zal zien. Morgen ga ik echt. Ik kijk naar al mijn spullen die ik in dozen heb gepakt. Ik mag echt niks vergeten, want ik kan moeilijk even teruggaan. Als afscheidscadeautje geef ik mijn vader, zus, broertje en vriend




een klein beschermengeltje waarop staat: ‘voor als ik er even niet ben.’ Ik sta naast een volgepakte auto. Mijn vriend brengt me, blijft een nachtje slapen en rijdt daarna alleen terug naar Nederland. Mijn vader staat met een zakdoek in zijn handen en kijkt mij met waterige ogen aan. Ik wist dat dit moment zou komen, maar ik kan mijn tranen niet in bedwang houden. Ik snik en snotter alsof ik een klein kind ben dat keihard is gevallen. “Dankjewel, zonder jou had ik dit nooit kunnen doen.” Ik sla mijn armen om mijn familie heen en druk ze nog een keer goed tegen me aan. Tot over vijf maanden. “Geniet maar van de tijd dat ik weg ben,” grap ik om de situatie wat luchtiger te maken. Mijn vriend en ik zijn bijna in Tours. Tussen de energieblikjes zoek ik de formulieren die ik nodig heb om de sleutel van mijn kamer te krijgen. Eenmaal aangekomen bij het complex zoeken we een parkeerplek. Mijn hart klopt intens hart waardoor het lijkt alsof mijn hart in mijn keel zit. “Je kunt het wel,” zegt mijn vriend bemoedigend. Maar al mijn moed is in mijn schoenen gezakt. Ik ben totaal niet meer zeker van mezelf. Ze zien me al aankomen. Een meisje uit Nederland dat niet vloeiend Frans kan spreken, maar daar wel even vijf maanden wil studeren. Misschien lachen ze me wel uit. Of erger: sturen ze me meteen weer terug naar Nederland. Ik stap het gebouw binnen van de receptie en denk: “Alors, gewoon gaan!” Ik zet mijn liefste glimlach op en kijk naar de vrouw achter de balie. Ik vraag om de sleutel. “Bonjour, Madame. Je prends la clé de ma chambre.” De vrouw heeft een grote, ronde bril op met dikke glazen. Ze houdt haar hand op en wacht tot ik iets op haar hand leg. Ik pak snel mijn formulieren uit mijn tas en leg ze op haar slanke hand. Ze kijkt naar de formulieren en kijkt dan weer naar mij. Daarna ratelt ze iets wat ik absoluut niet kan verstaan. Ik voel het bloed meteen naar mijn gezicht razen en krijg het ineens Spaans benauwd. “Pourriez-vous parler plus lentement, s’il vous plaît.” De vrouw zucht diep en kijkt even naar haar collega die iets verderop zit. Ze gaat staan en legt een formulier op de balie. Dit keer praat ze langzamer en wijst ze met haar vinger naar het formulier. Ik knik een paar keer en daarna krijg ik de sleutel.




De kamer is niet erg groot, maar de ruimte ziet er mooi uit. Ik heb een eigen keukentje en een eigen douche. Mijn vriend en ik pakken alle dozen en brengen ze naar de kamer. Ik zie helemaal geen andere buitenlandse studenten die aan het uitpakken zijn. Misschien dat zij gisteren al zijn aangekomen of misschien komen ze morgen. “Ah, nee hè. Ik ben het dekbed vergeten mee te nemen.” Mijn vriend en ik besluiten een Ikea op te zoeken om een dekbed te kopen en wat andere spulletjes om de kamer wat gezelliger te maken. Alles is geregeld en we gaan samen uit eten. Morgen gaat hij weg en ik geniet van ons moment. We zijn in een zelfbedieningszaak en ik leg een quiche op mijn bord. Mijn vriend zit al aan een tafel en ik ga bij hem zitten. Daar zitten we dan met z’n tweeën en ik besef dat hij morgen al weggaat. Ik kijk hem in zijn blauwgroene ogen aan en mijn keel knijpt dicht. Mijn tranen biggelen over mijn wangen en stromen in mijn bord met quiche. Ik krijg geen hap meer door mijn keel, mijn maag protesteert als ik iets in mijn mond wil stoppen. “Morgen ben ik echt alleen.” Ik sta weer naast de auto. Dit keer is de auto niet volgepakt, maar leeg. “Dit is het dan,” zeg ik. Mijn tranen zijn zo dik als regendruppels en weer snotter ik als een klein kind. Mijn vriend heeft dikke, rode ogen van het huilen. Elk snikgeluid dat hij maakt, voelt als een messteek in mijn hart. Ik wil dat hij blijft, maar hij moet gaan anders is het te druk op de weg. Ik geef hem een dikke knuffel en druk mijn lichaam hard tegen hem aan alsof ik in hem wil kruipen en voor altijd bij hem wil blijven. Maar dat gaat niet. Hij gaat in de auto zitten na een laatste knuffel en ik stap ook de auto in om nog heel even naast hem te zitten. Ik geef hem een dikke kus, stap naar buiten, klap de deur dicht en zwaai. Hij rijdt weg en ik ren naar mijn kamer. Ik huil zo hard dat mijn buren mij wel móéten horen. Ze gaan vast en zeker aanbellen en vragen hoe het met me gaat. Het is gênant, maar stiekem hoop ik er wel op. Dan ben ik tenminste niet meer alleen. Ik pak mijn laptop en begin met het schrijven van een blog: “Misschien is het leukste van weggaan, wel het thuiskomen.” Het is bijna etenstijd en ik maak me gereed om naar het restaurantje te gaan hier op het complex. Daarna ga ik mijn klas en hopelijk meerdere buitenlandse studenten ontmoeten. Zij zitten in hetzelfde schuitje en




weten hoe het is om thuis achter te laten. Ik kan niet wachten om met hen te praten. Ik voel me nog steeds verdrietig en mijn lichaam wordt gevuld met leegte. Die leegte brengt een ontzettende onrust in mij, maar ik ben te moe van het huilen om me druk te maken. Ik zal vast en zeker andere leuke studenten tegenkomen vanavond die ook nieuw zijn. Ik loop naar binnen, pak een dienblad en bestel een pizzapunt. De kok achter de balie lacht vriendelijk naar me. Het voelt verzachtend en mijn wangen worden warm. Ik loop door om te betalen en ook de kassamevrouw lacht me lief toe. Alsof ik een klein meisje ben dat haar moeder kwijt is. Ze zegt iets in het Frans maar ik versta het niet goed. Ze ziet het aan mijn blik en pakt een appel en flesje water voor me. De prijs blijft hetzelfde. Ik kijk rond en zie groepjes studenten zitten, niemand zit alleen. Alleen in het midden is plek aan een lange, lege tafel. Een paar jongens kijken me aan, ze kunnen vast zien dat ik nieuw ben. Ik ga zitten en het voelt alsof alle ogen in mijn rug prikken. Maar ik kijk niet en eet een stukje van mijn pizza. Mijn maag knort, maar ik krijg absoluut geen hap door mijn keel. Na veel slokken water krijg ik eindelijk een stukje weg. “Bonsoir.” Een jongen met zwarte haren, donkerbruine ogen en flaporen staat voor me. Hij vraagt of ik het gezellig zou vinden als hij bij me komt zitten, want met zijn tweeën eten is een stuk gezelliger dan in je eentje. Deze jongen praat een stuk rustiger dan die Franse dames en ik knik en glimlach naar hem. Hij gaat zitten en stelt zich voor. Hij heet Andi, komt uit Albanië en studeert al vijf jaar in Tours. Ik vertel hem dat ik nieuw ben en dat ik Engels beter kan verstaan dan Frans. “I can see in your eyes that you are sad.” En ik maar denken dat ik mijn vrolijkste gezicht had opgezet. Ik wilde juist niet dat iemand kon zien dat ik me totaal niet goed voel. Ik kijk naar de pizza die voor me ligt met nog steeds maar één hap eruit. Ik ga niet echt in op zijn woorden en leg hem uit dat ik nieuw ben, een vijf maanden studie ga volgen en dat ik straks naar een bijeenkomst ga. “I’ll go with you,” zegt hij vastbesloten. Een vrolijke, donkere Franse jongen wacht ons op. Hij praat Frans met Andi en ik kan er helaas niet veel van verstaan. De jongen brengt ons naar een klaslokaal waar al meerdere studenten zitten. Weer kent iedereen elkaar al en ben ik de enige nieuwe. Ik snap er niks van. Ik kan toch




niet de enige zijn die hier een buitenlandstudie gaat volgen? De Franse jongen begint met praten en legt uit dat we een spel gaan doen. Je mag een kaartje trekken uit een hoed en je moet beschrijven wat er op staat zonder dat woord te gebruiken. Ik durf eigenlijk niet mee te doen. Ik ben de enige die de Franse taal niet volledig beheerst. Maar natuurlijk stapt de jongen eerst op mij af en ik moet grabbelen in de hoed. Andi praat met de jongen en ik kan verstaan dat hij zegt eerst te willen gaan. Maar ik wil niet gezien worden als het meisje dat niet durft en ik haal een kaartje uit de hoed: ‘Bill Cosby.’ De jongen wijst naar het midden van de klas en ik moet daar gaan staan. Ik probeer zo snel mogelijk na te denken wat ik zou kunnen gaan zeggen. De woorden ‘homme,’ ‘comédian,’ ‘Cosby show,’ vliegen uit mijn mond en een meisje roept snel: ‘Bill Cosby.’ Ik lach opgelucht en ga weer zitten. Dit voelt nog beter dan een tentamen halen op school. Iedereen heeft elkaar wat beter leren kennen en het is tijd om te gaan. Het is al tien uur en ik ben uitgeput van alle nieuwe indrukken. Andi is er nog steeds. Aan de ene kant voel ik me veilig bij hem, maar aan de andere kant had ik liever dat hij niet mee was gegaan. Hij praat met de jongen die dit georganiseerd heeft. Ze kijken naar mij en praten daarna weer verder. Hij schudt de jongen zijn hand en loopt vervolgens naar mij. “I will walk you home.” Ik schud ja, niet omdat ik zijn gezelligheid wil, maar omdat ik niet weet hoe ik anders weer naar mijn kamer moet komen. We lopen buiten en het is koud en mistig. Het past precies bij hoe ik me van binnen voel. “The boy told me that you are the only new student here.” Mijn hart versteent. Ben ik de enige hier die nieuw is? De studenten die hier zijn, wonen hier volgens Andi minstens een jaar en zijn van plan hier te blijven wonen en werk te vinden. Ze hebben hier een leven opgebouwd en volgen niet een vijf maanden programma zoals ik. Ik ben eindelijk alleen op mijn kamer en pak meteen mijn laptop. Ik zet Skype aan en bel mijn vader. Ik zie aan de andere kant mijn vader en mijn vriend verschijnen. Vanochtend was hij hier en kon ik hem nog aanraken, nu is hij veranderd in een plaatje op het beeldscherm van mijn laptop. Ik leg mijn vader uit wat er aan de hand is en smeek hem om mij te komen ophalen. Er is hier niets voor mij. Hoe ga ik mijn punten halen als er niemand is die hetzelfde volgt als ik. Hoe heeft deze school mij kunnen toelaten? Ik had me geestelijk voorbereid op heimwee, maar dit




had ik niet kunnen voorzien. Ik wil naar huis. Het is alsof mijn verdriet wordt overgenomen door mijn lichaam. Ik moet overgeven, maar omdat ik niets heb gegeten gaat dit niet. Het voelt alsof ik op de bodem van een put zit en ik kan er niet meer uitkomen. Niemand hoort me en niemand kan me eruit halen. “Je moet het gewoon nog een weekje geven,” zegt mijn vader. Maar elke minuut voelt als die drie uur en ik kan hier geen seconde langer blijven. De volgende dag probeer ik contact te zoeken met mensen die ik tegenkom op straat. Ik vraag van alles, maar ze geven mij niet de antwoorden die ik wil horen. Het is alles behalve geruststellend. Er is zelfs geen leraar die mij benadert om mij uit te leggen wat de bedoeling is. Wat moet ik hier vijf maanden gaan doen? Weer Skype ik met mijn vader. “Als ik volgende week weer in Nederland ben kan ik nog de minor storytelling volgen. Dan heb ik geen studievertraging en kan ik al mijn punten nog halen.” Mijn vader zegt dat hij erover na zal denken. ‘s Avonds krijg ik een sms’je: ‘Ik haal je morgen op.’ Mijn mond valt open. Het voelt alsof er een zak stenen van mijn schouders afvalt en alsof ik de loterij heb gewonnen van een miljoen euro. Ik ga weer naar huis. Ik stop alle kleding die ik in mijn kast had gepakt en alle fotolijstjes die op tafel stonden weer in een doos. De bel gaat en ik schiet een beetje omhoog van de schrik. Zal ik opendoen? De bel gaat weer en ik loop naar de deur. Het is Andi. Ik lach opgelucht en vraag hem naar binnen. “Do you want to go to the movies with me?” Ik kijk naar beneden en schud nee. “I am going home tomorrow and I have to pack my bags.” Andi kijkt naar de paar dozen die ik al had ingepakt en kijkt daarna weer naar mij. “I can see it in your eyes, you are happy now.” Mijn vader reed 1600 kilometer om mij weer naar huis te brengen. Dat was het grootste cadeau dat ik ooit had gekregen. In de auto op weg naar Nederland dacht ik aan alle lieve cadeaus die ik had gekregen. Ik schaamde me kapot. Wat moest ik tegen iedereen zeggen? Maar het maakte niet uit.




Ik wist het zeker. Ik zou naar Nederland gaan. Ik zou de minor storytelling gaan volgen, ik zou weer bij mijn vrienden en familie zijn en ik zou een betere schrijver worden. Ik wilde kunnen zeggen: ‘Ik heb een weekje in Tours gewoond en mijzelf beter leren kennen.’







'Ze gaan dé vraag stellen'




Bi Jeroen Admiraal




Jarenlang wachtte Jeroen op dé vraag. Hij wist dat die dag ooit eens zou komen, maar toen die dag eenmaal kwam, was het toch schrikken. Antwoord geven op dé vraag aan klasgenoten is één ding, maar dit ook vertellen aan je ouders, dat is een ander verhaal. Vooral als er al veel vooroordelen over bestaan in de wereld.

12-12-12 Al honderden keren vloog het door mijn hoofd: het moment dat ik vertel dat ik op vrouwen én mannen val. Al die keren had ik me voorgesteld dat ik het uit mezelf zou vertellen, als ik het überhaupt zou vertellen. Daar heb ik nooit de moed voor gehad. Nu werd het me gevraagd. Min of meer. Of ik niet zoveel had met het vrouwelijk schoon. Inmiddels weet ik dat Bob bedoelde of ik misschien nergens op val, of ik aseksueel ben, maar dat kon ik niet weten. Vier klasgenoten, die ik amper vier maanden kende, vertrouwden mij hun persoonlijke problemen toe, alsof het vanzelfsprekend was dat ik niets door zou vertellen. Ik voelde het aankomen. Ze gaan, als ik ‘aan de beurt’ ben, dé vraag stellen. Toen dat daadwerkelijk het geval was, schrok ik alsnog. Die vraag verwachtte ik namelijk al jaren. Er viel een stilte. Ze wachtten op mijn antwoord. Elke seconde die voorbij ging maakte het voor mij moeilijker om nog te zeggen dat ik hetero ben, maar wat moest ik zeggen? Dat dilemma hield me gevoelsmatig een uur lang bezig, terwijl het niet meer dan vijf seconden zal hebben geduurd. Ik slaakte een diepe zucht en probeerde weg te kijken van de vier klasgenoten. Dat was niet de reactie die ze van mij verwachtten, dat kon je zien aan hun verbaasde blikken. Bob verontschuldigde zich, hij dacht dat hij me had beledigd, maar ik zei op een nerveuze toon dat dat niet het geval was. Vechtend tegen de tranen kwamen de woorden die lang op zich lieten wachten er stotterend uit. “Ik ben bi.” Ik keek naar beneden. Daarna begonnen mijn armen te tintelen, alsof ik er op gelegen had. Een gek gevoel. Het voelde alsof de last van mijn schouders viel. Het gevecht met de tranen verloor ik, maar in mijn hoofd ging een gejuich op van opluchting. Ik dacht meteen: “nu weten mensen het.” Iets wat ik niet voor mogelijk hield tot een kwartier daarvoor. Ik heb het aan de juiste mensen verteld. Niet aan roddeltypes




die niet weten hoe ze iets voor zichzelf moeten houden en het binnen enkele uren wereldkundig maken. Nee, deze vier snapten het. Dat wist ik meteen. Ze namen mij in vertrouwen, dan neem ik hen in vertrouwen. Zo moet het volgens mij werken. Hun reactie was de beste reactie die je maar kan wensen. Ze vonden het zelfs speciaal, dat zij bij het moment aanwezig mochten zijn, op 12-12-12 nota bene. Eigenlijk was het al de dertiende, maar het hoorde gevoelsmatig nog bij de twaalfde. Laura en Marjolein die zich als een soort surrogaatzussen over mij ontfermden. Het respect dat uit de reacties van Bas en Bob bleek. Ik was als een kind zo blij, eindelijk die bevrijding. Niet langer hoefde ik mezelf te verloochenen, want dat was hoe ik het altijd zag. Nee, nu kan ik zijn wie ik ben. Om half vijf besloten we maar naar bed te gaan. Ondanks het late tijdstip kan ik de slaap niet vatten. Zo’n dag verwachtte ik niet mee te maken in Londen. Wat een gewone studiereis had moeten zijn voor ons schooltijdschrift, kreeg nu voor mij een aparte wending. Toen ik in het hostel terugkwam vanavond had ik een uitgestorven kamer verwacht. Dit had ik niet kunnen verzinnen. Wat ik niet doorhad toen ik ‘het’ vertelde, begint nu meer in mijn hoofd op te komen: wat nu? Ouders? Vrienden? Wie vertel ik het hierna? En wanneer? Het liefst zo snel mogelijk. Nu kan ik het niet meer voor mezelf houden. Dat wil ik ook niet langer. Gadverdamme Al vroeg weer wakker. Vandaag staat haast alles in het teken van de terugreis. Na de korte vlucht vanaf Gatwick rest ons nu nog een treinreis naar Zwolle. Alleen Bob, Laura en Ryanne moeten dezelfde kant op, de rest is al weg. Een gezellig sfeertje hangt er in de trein. Het gaat over televisieseries uit onze kindertijd, waar ik graag over mag praten. Ik merk al snel dat ik de jongste ben. Boes ken ik nog wel, maar veel series zijn van voor mijn tijd. De hele tijd heb ik de afgelopen nacht in mijn hoofd gehad. Er zijn geen vijf minuten geweest dat ik er niet aan dacht. Want wat nu, wanneer vertel ik het aan mijn ouders? Meteen als ik thuiskom? Ik wil ze er niet mee overrompelen. Aan de andere kant, dan stel ik het wéér uit. Van uitstel komt afstel. De vragen die ze gaan stellen weet ik nu al. “Waarom heb je het dan niet gewoon eerder tegen ons gezegd?” Ze zullen er geen moeite mee hebben, dat weet ik zeker. Zíj niet. Mams is verliefd op Freek Bartels en is een diehard fan van LA The Voices. Dat zegt natuurlijk niets, maar ik weet gewoon dat die twee progressieve mensen er geen probleem van maken. Zij zijn ook niet de reden waarom




ik het nog niet eerder heb gezegd. Nee, daar zijn andere redenen voor, die de afgelopen nacht door mijn hoofd raasden om ’s morgens vroeg opnieuw niet uit mijn gedachten te verdwijnen. De homograpjes op de zondagmiddag waren vaste prik als het hele gezin, tien man, compleet is in huize Admiraal. Ik deed er vrolijk aan mee, hoe gek het ook klinkt. Dan leek ik niet verdacht, moet ik hebben gedacht, hoewel ik het oprecht erg leuke opmerkingen vind. Dat soort makkelijke humor liet mij altijd lachen. Albert Verlinde moest het ontgelden, net als Maik de Boer, Carlo Boszhard en natuurlijk Gerard Joling. Dat zijn namelijk dé homo’s. Meer kennen we er haast niet, hoogstens nog een paar royaltywatchers en couturiers. Ik stoorde me nooit zo aan die grapjes, pas als het woord ‘gadverdamme’ viel, werd ik stiller. Waar ik me meer aan stoorde, was het verknipte beeld dat werd neergezet door de homo- en biseksuele presentatoren en zangers. Zij versterkten bij veel mensen het idee dat ‘die flikkers’ zich allemaal zo gedragen. De vele vriendjes van Gordon, de schunnige grapjes van Joling. Natuurlijk moeten ze zelf weten wat ze doen, maar het zorgt wel voor een vertekend beeld. Dat ‘wij’ anders zijn, graag grote paarse verentooien dragen en in strakke pakjes dansen op een boot. Een beeld dat lang niet altijd opgaat, misschien wel nog minder voor biseksuelen. Dan de middelbare school, een tijd vol nervositeit. Elke dag met bezwete handjes het lokaal binnenstappen. Natuurlijk, ik weet dat het een plek is waar hormonen door de puberlichamen razen en jongens zo mannelijk mogelijk over proberen te komen. Hoe kunnen ze dat het best benadrukken? Door zich af te zetten tegen het onmannelijke. De eerste drie jaar van de havo ging ik naar school in Zwartsluis, een klein vissersdorp. Geklemd tegen Genemuiden, een stadje dat qua godvrezende SGP’ers niet onderdoet aan Staphorst en Urk. De SGP-kinderen gingen naar het strenge ‘Pieter Zandt’, maar de niet-orthodoxe gereformeerden kwamen naar mijn school. Samen met de gezellige boerenlui uit gehuchtjes als Sint-Jansklooster en Belt-Schutsloot. Dat het hier niet barstte van de homovriendelijkheid zal niemand verbazen. Over homoseksualiteit werd niet gesproken. De havo kon je niet afmaken op het erg kleine schooltje in Zwartsluis, dus moest ik na drie jaar naar Zwolle. Toen ik naar het Carolus Clusius College ging, was ik opnieuw erg nerveus. Niet alleen liet ik de vrienden van Zwartsluis achter, maar ook moest ik nieuwe vrienden maken. Dat lukte uiteindelijk wel, maar ik heb er voor moeten knokken om




door de groep geaccepteerd te worden. Op een plagerige manier schold je elkaar uit, waarbij met name komisch bedoelde synoniemen voor homo de boventoon voerden. Ook door mij, wat me destijds wel dwars zat. Ik maakte het mezelf moeilijker, besefte ik. Deze school was wel een stuk vrijzinniger, dat wil zeggen, van God los, vergeleken met Zwartsluis. Een docent die hier vloekte, werd vermoedelijk níet ontslagen. Hier zat homoseksualiteit nadrukkelijker bij de seksuele voorlichting, maar die had ik helaas al in Zwartsluis gekregen, waar er niet over werd gesproken. Niet heel lang in ieder geval. Ook in Zwolle voelde ik me echter alsnog bezwaard om het te vertellen, het kwam niet eens in me op. Tóch bang voor de reacties. Toen twee jongens betrapt werden op het drinken van een wijntje, waren ze het mikpunt van homograpjes. Achter hun rug om, dat wel. Ik liet er geen traan om, want ik vond het al niet meer verbazingwekkend dat twee jongens daarom werden uitgelachen, ‘dankzij’ Zwartsluis. Ik besloot mijn geaardheid nog maar even voor mezelf te houden. Op mijn hbo-opleiding op Windesheim, daar zou ik het vertellen. Althans, dat dacht ik. Uiteindelijk tóch weer uitstellen. Daarnaast was er het nieuws dat mij de stuipen op het lijf joeg. Homo’s werden weggepest uit Utrecht, waarbij de op het oog vriendelijke mensen met de dood werden bedreigd. Door slecht opgevoede jongens op scootertjes en met een bontkraagje. Waar je niets van mag zeggen, want dan moet je je ‘kankerbek’ dichthouden. Op straat hand in hand lopen als homokoppel, het zou haast niet meer kunnen. In Staphorst kijken ze je misschien niet meer aan, maar in achterstandswijken krijg je een baksteen door je ruit. Het verknipte beeld van homo’s, lesbiennes en bi’s dat nog steeds de overhand heeft, ook in Nederland, was bij mij een belangrijke reden om me maar op de vlakte te houden. Alsof het een abnormale fetisj is, je seksualiteit. Het zal wel door die hele aidsproblematiek komen van vroeger, dat mensen denken dat de mannenliefde, om het maar zo te noemen, een soort perverse daad is van zieke geesten. Uiteraard beaamd door veel lokale pastoors, dominees of imams. Die hiv-zaak in Groningen, waar homo’s elkaar opzettelijk hebben besmet, hielp daar ook niet bij. Mede door dat soort verhalen denken veel mensen dat homo’s en bi’s vaak promiscue gedrag vertonen. Onzin, weet ik uit eigen ervaring. Ik ben misschien wel het meest preutse in mijn vriendengroep. Toch had het wel invloed op mij als puber, toen ik




nog twijfelde over wie ik was. Tegen beter weten in nam ik mezelf voor het stil te houden, zelfs toen ik zeker wist dat ik niet hetero was. Ik wilde dat men me als normaal zag. Dat gedoe, want zo zag ik het toen, kon ik er niet bij hebben. Ik heb de afgelopen nacht niet kunnen slapen. Ben nooit echt een grote prater, maar vandaag heb ik helemaal weinig uitgekraamd volgens mij. Foute grappen maken met Bob, dat gaat ook nu nog wel, maar volgens mij is iedereen moe. Laura en Ryanne slapen volgens mij. Het uitzicht is een leeg zwart vlak met hier en daar een lichtpuntje van een lantaarnpaal of een auto op de snelweg naar Lelystad. Ik zal mijn vader sms’en om me op te halen. Hij zal wel benieuwd zijn hoe de reis was. Hasselt Terug op het station van Zwolle. Met mijn koffer wacht ik op de zilvergrijze Peugeot van papa. Bob blijft nog even wachten. “Ik weet het zeker,” zeg ik tegen Bob. “Vanavond vertel ik het.” Het klonk heel vastberaden, maar ik twijfel toch. Het was in Londen niet warm, maar hier is het volop winter. Na vijf minuten komt hij aan. Zoals altijd als hij me ophaalt, parkeert hij vlak na het zebrapad. Hij stapt uit om mijn koffer in de auto te doen. “Ha jongen, hoe was het?” “Ja, leuk!” “Mooi zo.” Erg prettig, kortaf antwoorden. Dat heb ik van hem. Lang van stof zijn we wel in discussies over politiek. De rit duurt een kwartiertje, maar gelukkig vraagt hij naar de bekende weg. Wat ik had bezocht, waar ik over ga schrijven voor het schooltijdschrift en of ik me een beetje op mijn gemak voelde. Dáár wel, maar zo meteen niet meer. Dan zie ik de verlichte klok van de Grote Kerk, die samen met de brug en de molen de ‘skyline’ van Hasselt vormt. Thuis. Als de auto onder de carport tot stilstand komt, zie ik dat Lisette, mijn jongste zus, ook thuis is. Haar fiets staat voor de garagedeur. Ze zet ‘m nooit binnen, waarom weet ik niet. Papa draait met moeite de sleutel om in het slot van de klemmende glazen deur. Ik slaak een diepe zucht, wetende wat komen gaat. Hij vraagt nog waarom ik zo zucht, maar ik zeg dat ik moe ben.




Mama roept al als ik nog in de deuropening sta: “Daar is-ie weer!” Ik sleur de koffer naar de woonkamer, loop terug naar de gang en hang mijn jas op. Ik twijfel op het laatste moment toch nog. Er hangt nu zo’n gezellig sfeertje. Als ik nu gewoon vertel over de musea en de pubs, zullen ze geen idee hebben. Ik kan er gewoon mee wegkomen. Maar nee, ik slik, neem diep adem en ik plof mezelf tussen Lisette en mama neer op de bank. “Nou,” begint mama. “Was het leuk?” “Ik moet wat vertellen,” zeg ik, terwijl mijn hart in m’n keel klopt. “Wat dan, jongen?” vraagt ze. “In Londen bleef ik met een aantal klasgenoten nog praten tot diep in de nacht en daar ging het al redelijk snel over persoonlijke problemen die ze hadden. Toen kwamen ze bij mij terecht. Bob vroeg mij of ik op vrouwen viel en…” “En wat zei je?” Opnieuw slaakte ik een zucht. “Ik zei dat ik bi ben.” Dit keer heb ik een glimlach op mijn gezicht, in plaats van tranen. Deels als zenuwtrekje, maar ook als teken van opluchting. Het ging een stuk makkelijker dan de vorige keer, merk ik. Mijn moeder is verbaasd, dat is duidelijk. Ze reageert niet als eerste. Toen kwam de reactie die ik aan voelde komen: “Waarom heb je het niet eerder verteld?” Next level Na afloop van zo’n enerverende reis met een bijzondere thuiskomst ben ik bekaf. Terwijl iedereen naar bed is gegaan, zit ik nog even op mijn laptop, die ik bijna vier dagen heb moeten missen. Ik heb goed kunnen praten met ze. Lisette zei dat ze niet verbaasd was dat ik bi ben en papa herhaalde meermaals dat hij er geen secónde minder om zou slapen. Hij haalde David Bowie er nog bij: “Die is ook biseksueel.” Mijn moeder was misschien wel wat teleurgesteld. Normaal gesproken vertel ik haar alles, zoals ik altijd heb gedaan, maar dit hield ik ook voor haar achter. Ik legde nog uit dat het voor mij destijds lastig was. Ik ben blij, haast euforisch. Het viel ontzettend mee, bij nader inzien had ik het al in 2010 kunnen zeggen. Die tweede keer gaf een kick, ik wil het nu vaker vertellen! Ik zie op Facebook de profielfoto van Jelle, een goede vriend van me. Ik zal het hun ook moeten vertellen. Sam, Freddy, Ron en de rest. Ik denk dat Serious Request in Enschede het juiste moment is. Ik ben niet bang voor hun reacties, maar wel erg benieuwd. Volgende halte: mijn vrienden.




'Wees goed voor de medemens, roddel niet en wees jezelf'




Eindexamen Melisa Verheijen




Sharifa verliest tijdens haar eindexamentijd haar moeder. Ze blijft met haar broer en zus alleen achter. Haar vader is niet in beeld dus is ze ineens wees. Maar Sharifa houdt haar droom vast en is vastbesloten haar havodiploma te halen. Of het haar ook gaat lukken?

Gekleed in een donkerrood gewaad loop ik met mijn zus Amina voor de kist. Mijn broer draagt de kist op zijn schouder en familie en vrienden helpen hem. De lucht is helderblauw, er hangen maar een paar wolkjes aan de lucht. Het gras is lentegroen en mijn hakken zakken weg in de zachte grond. We lopen het kerkhof op. Op de plek waar mijn moeder komt te liggen, wordt haar lichaam uit de kist gehaald. Ze is gewikkeld in witte doeken en mijn broer legt haar in het graf. Hij probeert haar zo nauwkeurig mogelijk neer te leggen en pakt daarna een schop. Hij drukt zijn tranen weg door een paar keer stevig met zijn ogen te knijpen. Zijn gezicht krijgt er rimpels van. Hij wil niet dat mijn moeder het verdriet voelt, omdat wij als moslims geloven dat de ziel alle tranen meeneemt naar het volgende leven. Hij zet een schop in de aarde, verzamelt zand en gooit het over het met witte, linnen, bedekte lichaam. Ik zak door mijn benen, houd mijn hand naar voren en raak het zand aan zodat ik nog één keer mijn moeder dichtbij me voel. Het is inmiddels een maand geleden dat ik mijn moeder heb begraven. Ik zit op de bank in de woonkamer waar mijn moeder normaal gesproken zit. Ik heb de hele dag al buikpijn en mijn maag draait een paar keer om als ik naar de telefoon kijk. Laat hem alsjeblieft niet afgaan. Maar mijn wens gaat niet in vervulling. De telefoon gaat en het rinkelende geluid zorgt voor een schok in mijn lichaam. “Nee, alsjeblieft niet,” zeg ik wanhopig tegen meneer van der Heijden die nog niets heeft gezegd aan de andere kant van de lijn. Dan vertelt hij dat ik moet herkansen en dat hij mij gaat helpen. Hij weet dat ik me niet goed heb kunnen concentreren na de dood van mijn moeder. Ik zet mijn fiets in het fietsenhok en zie meneer van der Heijden al in de deuropening staan van de school. Ik loop naar hem toe en weet niet wat ik moet zeggen. Hij legt een hand op mijn schouder en zegt dat het Nederlands of Engels gaat worden. Ik besluit om Engels te herkansen, omdat dat mijn beste vak is. Gelukkig is meneer van der Heijden het




met me eens. Dat geeft meer zelfvertrouwen. Mijn zus is mijn voorbeeld. Ik wil net als haar hbo rechten gaan studeren. Mijn droom is om samen met haar een advocatenbureau te beginnen: ‘Advocatenbureau Ibrahim.’ Ik zal mij richten op zaken die gaan over kinderen, scheidingen en families. Amina zal zich richten op de criminaliteit in Nederland. Een superteam. Mijn zus en ik zijn als twee handen op één buik. Na de dood van mijn moeder zijn wij op elkaar aangewezen en is onze band nog hechter geworden. We hebben elkaar en daar zijn we heel dankbaar voor. Omdat ik nog minderjarig ben, is Amina mijn voogd. Dat hebben we samen met mijn moeder afgesproken. Ik krijg nu nog honderd euro extra in de maand omdat ik minderjarig ben en geen ouders heb. Mijn vader is al niet meer in beeld sinds we gevlucht zijn. Ik ben bijna achttien en dan zullen we moeten leven van studiefinanciering, bijlenen en bijbaantjes. Amina werkt bij de bakker en ga werken bij de chinees. Er is verder geen familielid dat ons financieel ondersteunt. Ik moet slagen voor mijn examen, zodat ik rechten kan gaan studeren en een mooie toekomst voor mezelf kan opbouwen. Ik haal veel steun uit mijn religie. Mijn moeder heeft mij hier veel over geleerd en geadviseerd. Dit maakt mij tot de persoon die ik nu ben. Dankzij mijn moeder ben ik sterk en zal ik altijd mijn best blijven doen op school en in het leven. Het hebben van normen en waarden vind ik belangrijk. Saamhorigheid spreekt mij het meest aan: ‘Wees goed voor de medemens, roddel niet en wees jezelf.’ Ik geef veel om mijn naasten en vooral om mijn zus. Laatst was ze jarig en plaatste ik een berichtje voor haar op Facebook: Happy birthday to my other half ! The woman I respect, love and truely care for with all my heart! You are my rock! You have been my everything trough all the hard times ... Always by my side.. Because without you, I am not complete.. Always giving me the advice I need, eventhough sometimes I don’t want to hear it! I can’t imagine my life without you! Because with you next to me I can conquer this world! I LOVE YOU ! Thank you for being the best sister that everyone dreams of ! Inshallah many more healthy years to come! Als verrassing organiseerde ik een surprise party. Ik belde stiekem alle vrienden van mij en Amina op en vertelde wat mijn plan was. Ik huurde een zaaltje af in Den haag waar je kunt dansen en gezellig bij elkaar kunt




zitten. Op de dag van de suprise party winkelde Amina met een vriendin in Den Haag. Haar vriendin lokte haar mee naar het zaaltje en zei hier even wat te willen drinken. Nietsvermoedend liep Amina naar binnen. Haar mond viel open en ze maakte een klein hupje van de schrik toen we allemaal heel hard ‘suprise’ riepen. Iedereen feliciteerde haar met een dikke kus en knuffel. Ze is niet alleen bij mij erg geliefd. Ik had een grote taart voor haar besteld met een foto van ons samen in het midden en liet het haar zien. Op het feestje werd geen alcohol geschonken. Je moet je lichaam en geest rijn en zuiver houden: niet drinken en niet roken. God heeft je dit lichaam gegeven en dat moet je niet beschadigen. Mijn moeder wilde dit ons ook meegeven. “Doe het jezelf niet aan, wat schiet je er nou mee op?” Zei ze altijd. Deze woorden houd ik altijd in mijn achterhoofd. Het is aan de mens zelf om deze waarde wel of niet aan te houden. Ik kies ervoor om in mijn leven geen alcohol of drugs te nemen. Ik ga nooit naar feesten waar alcohol wordt geschonken, omdat ik mezelf wil beschermen. Zo kan ik niet in de verleiding komen. Toch leef ik het geloof niet helemaal na. Ik draag bijvoorbeeld geen hoofddoek. Ik ben net zoals ieder mens niet perfect. Ik ken veel meiden die wel een hoofddoek dragen, maar die ’s avonds weer afdoen en daarna uitgaan en drinken. Zo schijnheilig wil ik niet zijn. Ik draag een hoofddoek als ik er klaar voor ben en dan doe ik het voor God. Mijn moeder adviseerde altijd om een hoofddoek te dragen, maar ze begreep dat ik nog jong was en dat het vanzelf wel zou komen. Er zijn ook mensen om me heen die niet geloven. Maar waarom groeien er dan bomen en schijnt de zon? Jezelf wijzer maken door het geloof is het mooiste wat je kunt doen. Vandaag is de dag van de herkansing. Ik heb vannacht nauwelijks geslapen, omdat ik alleen nog maar Engelse teksten voor me zag. Ik loop naar de gymzaal waar de examens worden afgenomen. Ik voel weer die verschrikkelijke pijn in mijn buik. Ik heb alle oefenexamens gemaakt die er maar waren. Ik heb er geen één overgeslagen, zodat ik kan zeggen dat ik er alles aan heb gedaan. Ik ga vooraan zitten, zodat ik ook makkelijk weer weg kan als ik klaar ben. Een meisje zegt tegen een klasgenoot dat ze al geslaagd is, maar dat ze wil proberen haar cijfer hoger te maken zodat ze een acht gemiddeld staat. Ze lacht erbij alsof het makkie voor haar gaat




worden. Wat irritant. Er zitten hier ook mensen die hun herkansing maken om nog te kunnen slagen. Wat nou als ik het niet haal? Het moet echt nu! Ik voel een grote druk op mijn borst. Mijn faalangst werkt me tegen. “Gewoon doen,” fluister ik tegen mezelf om nog wat moed in te praten en ik begin aan mijn herkansing. Thuis ren ik meteen naar de computer. Normaal kijk ik mijn examens nooit na, maar nu doe ik het wel. Mijn motto is om door te blijven gaan. Er zijn altijd mensen die het slechter hebben. Zij hebben geen eten en leven onder een brug. Ik heb elke avond een warme maaltijd met een dak boven mijn hoofd. Ik mag mezelf gelukkig prijzen. Je moet gelukkig zijn met alles wat je hebt. Ik blijf knokken, ook al kan het leven af en toe weleens moeilijk zijn. Ik blijf de adviezen van mijn moeder volgen. Ik ben haar dankbaar voor alles wat ze heeft gedaan. Tweeëntwintig jaar geleden vroeg mijn moeder asiel aan. Ze stapte samen met mij en mijn broertje en zusje in Somalië in een vliegtuig zonder de bestemming te weten. Ze vluchtte voor de oorlog en kwam in Nederland terecht. Ze bouwde een leven op voor haar kinderen. Ze overleed aan kanker en liet ons alleen achter. Maar haar taak als moeder had ze allang volbracht. Dankzij haar kan ik studeren en in vrijheid leven. Ik staar naar de telefoon. Deze keer hoop ik wel dat hij gaat rinkelen. Of ik nu geslaagd ben of niet, de leraar zou in ieder geval bellen. De telefoon rinkelt en ik neem meteen op. Mijn stem klinkt hoog en tegelijkertijd zacht. “Met Sharifa.” Meneer van der Heijden feliciteert me. Het is gelukt! Zelfs anderhalf punt hoger dan ik had moeten halen. Ik krijg een glimlach van oor tot oor en ik voel de zware druk van mijn borst wegglijden.




'Hoe reageer je op je broer die zegt dat hij een einde aan zijn leven wilde maken?'




Mijn broer en ik Ronald Oostingh




Na tweeëntwintig jaar leert Ronald Oostingh zijn broer pas kennen. Niet omdat ze elkaar nog nooit eerder hebben ontmoet, maar omdat hij nu pas echt naar hem luistert. Hij ontdekt iets wat hij nooit had verwacht. Ronald deelt met jullie zijn zenuwen voor het gesprek en zijn ontdekking.

De Waddenzee ligt er rustig bij vandaag. Bij de aanlegsteiger van veerboot ‘De Sier’ leun ik met mijn armen op een ijzeren hek. In de verte zie ik de grote, wit met rode gestalte van de boot die richting Holwerd vaart. Het is de boot die mij al van kinds af aan naar Ameland brengt, de boot waar ik altijd met veel plezier opstap, de boot die mij vandaag naar een bijzondere ontmoeting brengt. Een ontmoeting met mijn broer, met wie ik in de tweeëntwintig jaar dat ik zijn broertje ben, nog nooit langer dan vijf minuten een gesprek heb gehad. Voor zover ik mij kan herinneren was hij een lastpak thuis. Hij veroorzaakte veel geschreeuw aan de keukentafel wanneer papa en mama weer eens boos op hem waren. Maar waarom dan? Vroeg ik mij als klein jongetje vaak genoeg af. Het antwoord kwam pas jaren later. Ook voor mijn ouders was het een schok om te horen wat hem tien jaar lang is aangedaan en wat er al die tijd allemaal door zijn hoofd gespookt heeft. Ik denk dat het ook de reden is dat ik nooit echt een band met hem heb opgebouwd, zoals hij met bijna niemand in zijn leven echt een band heeft opgebouwd. Frank, mijn zesentwintigjarige broer, is tien jaar lang flink gepest. Ik ken het eiland op mijn duimpje en voel mij er altijd helemaal thuis, maar toch ben ik nerveus wanneer ik in de bus richting het hotel zit waar Frank werkt. “Waar moet u eruit meneer?” Ik schrik, heeft de buschauffeur het tegen mij? Ja, hij heeft het tegen mij. Normaal ga ik altijd lopend vanaf de boot naar het dorpje Nes, want daar overnachten wij vaak. Maar ik moet nu de bus richting Hollum hebben. Ook geen onbekend terrein voor mij, maar ik moet wel op het juiste moment uitstappen. Ik kijk om mij heen, frunnik wat aan mijn tas en probeer het hotel waar mijn broer werkt te spotten. Het is de chauffeur opgevallen en hij vraagt of ik wel goed zit. “Ik hoef er pas uit bij Hollum, hotel Amelander Kaap,” antwoord ik, geschrokken van de ongewenste aandacht die de bestuurder mij schenkt.




Halverwege het dorp Hollum besluit ik maar om op het stopknopje te drukken. Ik heb geen flauw idee of de buschauffeur wel stopt dicht bij het hotel en ik sta voor mijn gevoel voor lul als ik langer blijf zitten en bij een halte te ver uitstap. Weekendtas in de armen, laptoptas over de schouder en met een flinke looppas ga ik richting het hotel. Ik loop langs allemaal commandeurswoninkjes, de trapsgewijze gevels en de kleine vierkante raampjes zijn typisch voor dit dorp. Normaal zou ik er van genieten, maar vandaag loop ik hier rond als een zenuwachtig jongetje dat voor het eerst naar school gaat maar niet weet waar zijn klas is. Frank is die avond aan het werk. Vanaf september is hij commercieel medewerker in hotel ‘De Amelander Kaap’. Voor Amelanders: ‘De Kaap’, vernoemd naar het gelijknamige gebied waar het hotel staat. Hoe zal ik hem groeten? Dat is het eerste wat me te binnenschiet als ik langs de grote visvijver loopt waaraan het hotel ligt. Moet ik nu vriendelijker doen omdat we morgen gaan praten? Zal ik hem spontaan een knuffel geven om hem op zijn gemak te stellen? Nee, daar wordt het alleen maar ongemakkelijk van, denk ik. De automatische schuifdeuren van het hotel gaan open en rechts zie ik Frank achter de bar van ‘De Brasserie’ staan. Een soort van bruin café waar de hotelgasten wat kunnen drinken. Nonchalant hangt hij tegen de tap, lachend stap ik op hem af. Een stevige handdruk en een klap op elkaars schouder, zoals de begroetingen tussen ons altijd gaan. “Hoe is het?” vraagt hij met een glimlach. “Ja, spannend hè, maar ik ben er wel klaar voor, denk ik. Hoe laat ben je vrij?” “Elf uur. Ga lekker zitten, ik breng wel even wat drinken en nootjes.” Ik neem plaats aan de stamtafel in de brasserie. Naast mij genieten twee echtparen van een fles Chardonnay terwijl ze een kaartje leggen. Op de achtergrond klinkt zachtjes ‘Piano Man’ van Billy Joël. Ik bereid me voor op ons gesprek van morgen. Onze eerste echte kennismaking met elkaar. ’s Avonds laat wandelen we samen richting zijn huisje in Hollum. Frank begint spontaan te vertellen over het wel en wee op het eiland. Zijn smerige, vadsige huisgenootje, de laatste roddels over de eilanders en over collega’s die bang zijn voor gasten. Ik laat hem lekker praten en




begin bewust niet over zijn verleden en onze relatie. Dat komt morgen wel. Voordat we zijn huis binnengaan snuif ik nog één teug frisse, zilte zeelucht naar binnen. We gaan slapen, morgen praten we wel écht verder. Als klein jongetje was ik altijd een beetje jaloers op Frank. Hij zag er rond zijn achttiende goed uit, dat zagen de meisjes ook en hij ging ook nog eens bijna nooit naar school. Het leek mij een perfect leventje. Wist ik veel dat hij vroeger nooit liep te ravotten in de zandbak met vriendjes, zoals ik dat wel deed. Hij zat altijd veel thuis. Werkte hier en daar wat en dat was het ook wel. Echt een prima leventje, dacht ik toen. Dat zogenaamde ideale leven blijkt niet zo lekker als ik toen als klein jongetje dacht. Na een stevig ontbijt wandelen we samen richting het hotel. Daar is een rustige zaal waar we rustig kunnen praten. Recht voor ons uitkijkend wandelen we door het dorp. De wind waait zoals altijd hard. “Gek dat ik met je ga praten, Frank?” “Ja, op zich. Maar wel goed dat we eindelijk eens een fatsoenlijk gesprek hebben.” In de verte zien we de grote visvijver en het hotel al liggen. We stappen een grote vergaderzaal binnen. Allemaal ronde tafels met wit, plastic tafelzeil eroverheen staan netjes opgesteld op de blauwe vloerbedekking. Een grote, witte schuifwand scheidt ons van een andere zaal. We nemen plaats aan een willekeurig tafeltje in het midden. Mijn enige broer tegenover mij, we kunnen eindelijk beginnen. Frank tikt met zijn vingers op het plastic zeil. Zijn knieën wippen heen en weer en hij kijkt mij verwachtingsvol aan. Moet ik hem nu op zijn gemak stellen? Moet ik dit nou wel doen? Ja, dit moet, want ik wil na tweeëntwintig jaar eindelijk mijn broer eens begrijpen. Blijf rustig Ronald en denk aan wat je ouders en vriendin zeiden. “Laat hem rustig zijn verhaal vertellen, hak niet meteen ergens op in en toon begrip voor hem.” Dat begrip voor hem was er in de loop der jaren namelijk absoluut niet. Doordat mijn broer en ik nooit een band hebben opgebouwd, snapte hij vrij weinig van mij en ik kon hem eigenlijk al helemaal niet waarderen. Als wij in de afgelopen vijf jaar een gesprek zouden hebben gevoerd, dan was ik na twee minuten al kwaad op hem geworden omdat hij naar mijn idee iets doms zei. Het is lastig uit te leggen. Twee volwassen mannen in een grote ruimte, allebei zenu-




wachtig om dat wat tussen hun in staat te bespreken. Ik vertel hem dat ik zijn kleine broertje ben en dat ik hem absoluut nooit zal uitlachen. Zoiets liefs heb ik volgens mij nog nooit tegen hem gezegd. Frank brandt los. Ik luister. Frank zit in groep vier wanneer zijn leven verandert. Hij is dan een jaar over zeven. Op openbare basisschool het Rietveld loopt kleine Frank het klaslokaal uit. Kort, donkerbruin haar zit zonder gel warrig op zijn hoofd. Hij is net wat aan het groeien waardoor het propperige er vanaf is. Een blauw met wit gestreepte trui draagt hij boven een vale spijkbroek. Twaalf klasgenootjes staan buiten op hem te wachten. “Hé Frank, kom eens hier kijken,” roept één van hen. Nietsvermoedend loopt Frank op hen af. Twee van het groepje trekken hem mee aan zijn trui terwijl de rest van de groep begint te joelen. “Pak hem!” Ze sleuren Frank mee naar een overdekt inhammetje aan de zijkant van school. Hij probeert zijn mouwen uit de handen van de jongens te trekken. Hij trapt een van de jongens en worstelt om te ontkomen. De twee jongens duwen hem tegen een regenpaal en een ander haalt een touw tevoorschijn. Franks hart gaat sneller. Het zweet breekt hem uit. Alsof alle botten uit zijn lichaam zijn, zo slap voelt hij zich. Frank zit vast aan de regenpaal. De jongens kunnen met hem doen wat ze willen. Stompen in zijn buik, tikken op zijn hoofd en schoppen op zijn schenen. Vernederend. Na enkele minuten rennen de jongens weg. Frank zakt op de grond, zijn hoofd tussen zijn knieën, tranen rollen over zijn knalrode wangen. “Waarom rende je toen niet meteen huilend naar huis, dat vertel je toch aan mama!” “Ja, nee, ik snap mijn gedachten van toen ook niet meer. Het is vooral de angst die overheerst. Bang dat alles erger wordt als ik iets vertel.” Mijn hoofd draait overuren terwijl Frank verder vertelt. Scepsis, verdriet, verbazing, het zijn allemaal emoties die door mijn heen gaan bij het horen van alleen al het eerste voorbeeld. Zijn benen blijven trillen en het plastic van de tafel heeft het ook zwaar te verduren in zijn handen. Zoals je normaal een bierviltje in de kroeg kapot peutert, zo zit hij aan het plastic te pielen. Ik leun steeds verder richting Frank en blijf aandachtig luisteren. Frank vertelt dapper door. Vanaf minuut één gedraag




ik mij als het grote, bezorgde broertje met terugwerkende kracht: Hoe kan het toch dat op zo’n jonge leeftijd iemand al wordt gepest? Waarom? Angst is een rare emotie, bedenk ik me. Hij is ontzettend bang om naar school te moeten, maar ook bang om aan papa en mama of leraren te vertellen dat hij gepest wordt. Dan wordt hij vast en zeker nog meer gepest, denkt hij. Angst blokkeert hem dus. Wat zal het vandaag zijn, denkt Frank elke dag als hij naar school wandelt: gooien ze hem van het klimrek? Een flinke scheldpartij gevolgd door zinloze klappen? Nee, vandaag wordt Frank in het drijfzand gelokt. Twee leraren trekken een kleine, bevende Frank eruit. Wat straf voor de dadertjes volgt, verder niets. Het zijn slechts spelletjes, zeggen de leraren. Vanwege leerproblemen wordt hij overgeplaatst naar een school voor moeilijk lerende kinderen. Die school is een hel op aarde. Stoelen vliegen door het lokaal, docenten die leerlingen niet in de hand hebben. Ferry zit er ook op school; rode bos haar, wit gezicht en altijd een snottebel aan zijn neus. Hij eet rauwe spaghetti en schreeuwt te pas en te onpas. Opwachten na school, schoppen en slaan in de bosjes achter school en Franks eten afpakken. Ik snap het niet, zoiets valt de docenten toch op? Maar nee, die hadden het te druk om de moeilijke leerlingen in het gareel te houden. Dag in dag uit, het pesten gaat jarenlang door. Ook op de middelbare school valt hij buiten de boot. Hij gaat naar het ‘Terra College’, een agrarische opleiding. Alle klasgenoten van Frank lopen in blauwe overalls en klompen. Met de fiets naar school? Nee, ze komen met de tractor. Frank is meteen weer mikpunt van pesterij; hij valt wederom buiten de boot. Opgesloten worden in het kippenhok, pootje haken zodat hij middenin de kantine languit op de grond ligt en zelfs een mentor die meelacht met de klas, omdat ze anders bang is om zelf niet geaccepteerd te worden door de klas. Thuis is een uitlaatklep voor Frank. Hij vraagt aandacht door bewust de confrontatie met papa en mama of mij op te zoeken. Overal dwars tegenin gaan. Negatieve aandacht is natuurlijk ook aandacht. Nu komen ook mijn herinneringen naar boven. Ik weet nog goed dat er vaak geschreeuwd werd bij ons aan tafel. Papa die woedend tegen Frank schreeuwde dat hij niet zo dwars moest doen. Frank die huilend van tafel naar boven rende. Wat een mafketel, dacht ik toen. Wist ik veel. Ik wist inderdaad




niet veel, blijkt nu. Na wederom de hel op school overleeft te hebben ligt Frank ’s nachts op bed. Hij bladert wat fotoboeken van de familie door. Hij ziet een foto van een pasgeboren baby tussen papa en mama in liggen en moet huilen. Hij heeft helemaal niemand en verprutst het ook nog eens thuis. Aan niemand kan hij iets vertellen. De put van ellende waarin hij zakt wordt steeds dieper. Het leven steeds moeilijker. Hij wil niet meer. Frank denkt eerst nog dat hij zijn spullen wil pakken en vertrekken, waarheen weet hij niet. Weg van hier zodat hij niemand thuis lastig valt met zichzelf. Wanneer het nog slechter met hem gaat wil hij helemaal niet vertrekken. Frank wil er een einde aan maken. Hij wil dood. Mijn broer wilde zelfmoord plegen. Ik hoop dat niet veel mensen mij dat na kunnen zeggen. Het komt misschien door de stortvloed aan informatie die ik binnenkrijg, maar ik besef het me maar half wanneer hij het zegt. “Dat is geen gewone gedachte, Frank,” stamel ik terwijl ik hem beduusd aankijk. “Nee, dat klopt, ben achteraf gezien ook blij dat ik het niet gedaan heb, maar op dat moment, tja…” Het blijft even stil. Hoe reageer je op je broer die zegt dat hij een einde aan zijn leven wilde maken? Frank leeft gelukkig nog, en hoe. Tien jaar lang heeft hij alleen rondgelopen met een gevoel van schaamte en angst omdat hij gepest werd. Tot de dag dat hij voor zijn stage bij een licht- en geluidsbedrijf met de auto richting Assen moet. Halverwege de rit voelt hij zich niet goed. Frank klapt in elkaar. Hij is leeg. Thuis aangekomen barst Frank in huilen uit en vertelt hij alles aan papa en mama. Dat mama huilt, vinden we niet zo gek, maar dat ook papa waterige ogen heeft zegt genoeg. Frank voelt zich een wrak. Frank komt via wat omwegen bij een goede psycholoog en praat daar voor een groot deel de problemen van zich af. Maar bepaalde schade blijft. “De schaamte voor jullie, wat ik jullie allemaal heb aangedaan, dat zal nooit weggaan.” “Houd eens op joh, we weten nu toch hoe het zit. Jij hebt hier niets aan kunnen doen. We zijn trots op je, Frank.” Voor het eerst in mijn leven zeg ik hardop dat ik trots ben op mijn broer. Trots zijn we ook echt, want hij heeft het goed voor elkaar op Ameland.




Bijna drie uur lang hebben mijn broer en ik gepraat. Waar er bij mij in de afgelopen tweeëntwintig jaar met moeite een ‘hoe gaat het?’ vanaf ging, voelde ik nu oprechte interesse. Niet uit medelijden, maar puur uit broederliefde. Bij het afscheid geven we elkaar een dikke knuffel. We zien elkaar gauw weer. De Waddenzee ligt er vandaag ook rustig bij. Bij de aanlegsteiger van veerboot ‘De Sier’ leun ik met mijn armen op een ijzeren hek. In de verte zie ik de grote, wit met rode gestalte van de boot die richting Ameland vaart. Het is de boot die mij al van kinds af aan ook altijd weer terugbrengt naar het vaste land, de boot waar ik dan altijd met veel tegenzin opstap, de boot waar ik vandaag opstap na een bijzondere ontmoeting. Een ontmoeting met mijn broer, met wie ik na de tweeëntwintig jaar dat ik zijn broertje ben, eindelijk een goed gesprek heb gehad.







'Mijn broer leverde me vijf jaar lang elke dag ellende op'




De stressmomenten van Sven Melisa Verheijen




Jessica ziet haar broer langzaam veranderen in een persoon die ze niet meer herkent. Wat vroeger haar beste vriend was, is nu haar vijand. Zal ze weer een band met hem krijgen of is het misschien beter om geen contact meer te zoeken? Jessica probeert een beslissing te nemen en wil leren omgaan met de veranderingen, maar dat gaat niet gemakkelijk.

Het is mijn tweeëntwintigste verjaardag en mijn familie en vrienden zitten in een kring in de woonkamer. De tafel staat vol met toastjes, hapjes, chips, wijn en frisdrank. Ze praten over hoe moeilijk het is om in deze tijd aan een baan te komen als je net bent afgestudeerd. “Eet nog wat, neem nog wat kaasjes, willen jullie er een lekker wijntje bij?” Vraagt mijn moeder, voor misschien wel de derde keer, aan mijn vriendinnen. Mijn moeder houdt ervan om mensen te verwennen. Ik ben blij dat iedereen er is. Behalve voor één persoon. Deze persoon kan ik niet luchten, niet horen en niet zien. Alleen zijn aanwezigheid stoort me al. De persoon die hij nu is, mag ik niet. “Ik heb mijn tentamen gehaald, mam,” hoor ik hem zeggen. De hele kamer licht op en iedereen feliciteert hem met lieve woorden. Vooral mijn moeder is in extase. “Wat geweldig jongen, gefeliciteerd!” En ze geeft hem een dikke kus op zijn slaap. Ik rol met mijn ogen. Het is mijn verjaardag en nu gaan we het ineens over Sven hebben? “Ondanks alles heb ik mijn school in vier jaar gehaald en daar hoor je nooit iemand over. Sven haalt een keer een tentamen en we hebben er ineens een feest bij,” zeg ik geërgerd. Ik wiebel met mijn been en kijk naar beneden. Het is stil. Niemand weet naar wat of wie hij moet kijken. Mijn vriendinnen nemen een slok van hun witte wijn. Ik baal, want ik wilde geen ongemakkelijke sfeer creëren, maar ik kan ook niet doen alsof er niks aan de hand is. Sven was vijf jaar geleden nog een knappe, gespierde jongen. Hij was erg sportief en deed aan basketbal. Ik had een goede band met hem. We waren heel hecht. Ik hield van zijn spontaniteit en we deden veel dingen samen, zoals een filmpje pakken en winkelen. We waren niet alleen broer en zus, maar ook beste vrienden. Al vanaf dat we jong waren. Als ik ruzie had op school, kwam hij altijd voor me op. Ik kon altijd op mijn




grote broer rekenen. Maar dat vertrouwen is er niet meer. Het begon toen ik met mijn familie in Walibi Holland was. Sven was ineens weg. We gingen hem meteen zoeken en vonden hem in een restaurantje. Hij zat in een hoekje, met zijn handen in zijn haar, naar de grond kijkend en in elkaar gekropen. Mijn ouders gingen bij hem zitten en probeerden met hem te praten. Sven vertelde dat het allemaal te druk voor hem was en dat hij te veel stemmen in zijn hoofd hoorde. Hij had weleens vaker stressmomenten, hij deed twee studies tegelijk: tandheelkunde en filosofie. Sven was de perfecte zoon en ik zocht er dus niet zoveel achter. Ik dacht vooral dat hij aandacht nodig had, niet wetende wat er echt aan de hand was. Na het incident in Walibi ging mijn moeder al snel bij mijn broer wonen in Eindhoven waar hij studeerde en ik bleef met mijn vader achter. Ik moest huilen toen ze hun spullen pakten. Sven probeerde me gerust te stellen en zei dat het allemaal goed kwam en dat ik me geen zorgen moest maken. Dat was de laatste keer dat ik mijn broer van vroeger zag. Ik vond de situatie lastig. Ik moest ineens het huishouden van mijn moeder overnemen en ik snapte niet wat er aan de hand was. Ik wilde met de situatie leren omgaan en hoopte dat mijn moeder snel weer thuis zou komen. In Eindhoven merkte mijn moeder dat de stressmomenten van Sven steeds extremer werden. Sven ging naar een copyshop om iets te printen voor school. Toen hij ’s avonds laat nog niet terug was, werd mijn moeder ongerust. Ze belde hem en vroeg waar hij was, maar Sven wist niet waar hij was en hij wist ook niet meer hoe hij thuis moest komen. Dit kon geen stress meer zijn. Mijn moeder is hem gaan zoeken en heeft hem uiteindelijk in de buurt van de copyshop gevonden. Toen ze eenmaal thuis waren zei mijn moeder tegen Sven dat het niet goed met hem ging en dat ze hulp moesten zoeken. Maar Sven wilde geen hulp. Er was volgens hem niets mis met hem. Toen Sven aan het douchen was, belde mijn moeder stiekem de huisarts. De huisarts verwees Sven door naar de psychiater en die kon al snel de diagnoses stellen: psychotisch, schizofrenie, depressie, angststoornis en mensenvrees. Ik had wel een vermoeden waar dit vandaan kwam. Sven was altijd heel onzeker en een aantal jaar geleden op de middelbare school kwam dit tot uiting. Hij wilde erbij horen, maar was altijd het buiten-




beentje. Dat vond hij vreselijk en dus compenseerde hij het met stoer gedrag. Hij ging met de verkeerde mensen om en kwam zo in aanraking met wiet en vermoedelijk ook met harddrugs. Hij raakte verslaafd en draaide daarna al snel door in zijn hoofd. Als Sven in het weekend thuiskwam van Eindhoven, keek ik naar hem, naar zijn donkere ogen achter zijn bril, en ik dacht dat alles wel goed zou komen. Sven kon goed doen alsof er niets aan de hand was. Zijn voorkomen is net een kartonnen kasteel: het ziet er heel mooi uit, maar als je een keer blaast, valt alles om. Het was altijd heel pijnlijk als hij weer doordraaide. Er gebeurden de meest vreemde dingen op zijn kamer in Eindhoven, maar ook in het weekend thuis. Hij zag bijvoorbeeld een keer een kat lopen op straat en nam hem mee naar huis omdat hij dacht dat hij van hem was. Dan vond mijn moeder ineens kattenbrokken in de magnetron. Of hij vergat de meest elementaire dingen: eten, drinken en douchen. Hij stal ook geld van mij en mijn ouders. Hij pakte wat hij maar pakken kon. Mijn kamer is vaak door hem overhoop gehaald en vervolgens deed hij alsof er niets aan de hand was. Hij loog midden in mijn gezicht met een strakke en levenloze blik. Ik moest voortaan mijn kamerdeur op slot doen. Het werd steeds ernstiger. Mijn ouders vonden op een avond op de kamer van Sven een touw aan het plafond. Sven was depressief en zei dat hij last had van stemmen in zijn hoofd. Hij kon geen onderscheid meer maken tussen deze wereld en de wereld die in zijn hoofd afspeelde. Ik vond het steeds moeilijker om met Sven om te gaan. Het bleef mijn broer, maar zo kon ik het toch niet volhouden? De allerlaatste druppel kwam voor mij pas later. Sven vond scheikunde en natuurkunde heel leuk en toen hij nog op de middelbare school zat, nam hij weleens chemische spullen mee. Daar maakte hij dan kleine bommetjes van. Als hij ze op de grond gooide, hoorde je een knal. Dat wilde hij graag aan mijn vriendje laten zien. Hij gooide wat spul bij elkaar, deed er een keukenrol omheen en knoopte het propje dicht. De verhoudingen waren niet goed en het zelfgemaakte bommetje ontvlamde, terwijl Sven het nog in zijn handen had. Er volgde een explosie en hij vloog in brand. Vanaf zijn middel tot aan zijn hoofd stond hij in vlammen. Hij stapte snel naar buiten en probeerde het uit te kloppen, maar zonder succes. Ik was verdoofd. Mijn benen waren verstijfd en ik stond alleen maar te kijken naar wat er gebeurde, net als mijn vriend. Op dat moment kwamen mijn ouders binnen. Ze doofden het vuur en namen




hem mee naar het ziekenhuis. Door die gebeurtenis wist ik dat Sven geen idee meer had van de gevolgen van zijn handelen. Hij bracht zichzelf, mijn vriend en mij in gevaar. Ik wilde niet altijd op mijn hoede zijn, omdat Sven weer iets idioots kon doen. Mijn ouders en Sven hebben er daarna nooit meer over gesproken. Zijn brandwonden waren door zijn getinte huid nauwelijks te zien. Ze deden net alsof het niet gebeurd was en daarom was het er ook niet. Ik was de enige die erover sprak, omdat ik wilde weten hoe ik ermee om moest gaan. Ik kon het toch moeilijk allemaal negeren? Maar mijn ouders waren het er niet mee eens en zagen mij als degene die alles verpestte. Het ging zelfs zo ver dat mijn ouders zeiden dat ík wat mankeerde. Ze wilden geen therapie of hulp zoeken voor Sven en als ze het niet aankonden, nam ik de dagelijkse dingen van hen over. Ik ving hen op, maar niemand ving mij op. Ze zeiden dat ik hen in de steek liet als ik met mijn vriendinnen wat leuks ging doen. Zodra ik thuis was, kwamen alle frustraties van mijn ouders op mijn dak. Volgens mijn moeder deed iedereen hun best behalve ik. Ik was de enige die moeilijk deed. Mijn ouders hielden met man en macht het gezin krampachtig bij elkaar. Maar hoe meer ze ons vasthielden, hoe meer ik me lostrok. We leefden als een etalage. Mijn vader had een goede baan, we hadden twee huizen, mooie auto’s voor de deur en gingen vaak op vakantie. ‘Kijk wat een leuk leven wij hebben,’ schreeuwden deze materialistische dingen. Een zoon die naar de psychiater ging, paste niet in dit plaatje. En een dochter die praat over verzwegen geheimen ook niet. Ik kon er niet meer tegen. Ik wilde met de situatie leren omgaan, mijn ouders zouden mij niet gaan helpen, maar ik kon het ook niet alleen. Ik kreeg zelfs last van hartstoornissen en paniekaanvallen. Soms had ik er wel drie op een dag. Mijn hart sloeg over en daardoor kreeg ik schokken in mijn lichaam. Het deed veel pijn. Het voelde alsof ik een elastiek was waar de rek uit was. Ik belde de huisarts, terwijl de tranen over mijn wangen stroomden en vroeg om hulp. De arts bracht me in contact met een psycholoog. Ik vertelde mijn psycholoog dat Sven en mijn ouders net deden alsof er niks aan de hand was. Terwijl Sven me vijf jaar lang elke dag ellende opleverde. Ik kon daar niet langer mee omgaan. De band tussen ons zou nooit meer goed komen en ik wilde hem ook niet meer als mijn broer. Ik miste de persoon die hij was voordat hij drugs gebruikte. Ik herkende




hem niet meer. Niet in zijn gedrag en niet in zijn uiterlijk. Hij was een ander persoon geworden door de drugs. Van de een op de andere dag was hij veranderd. Ik raakte mijn broer en beste vriend kwijt. Het voelde goed om eindelijk eens met iemand over Sven te praten. Niemand die vertelde dat ik me aanstelde of dat er iets mis met mij was. Ik stond er niet meer alleen voor. Uit de therapie kwam naar voren dat ik jarenlang met iedereen rekening heb gehouden, maar dat niemand rekening met mij hield. De psycholoog leerde me om voor mezelf te kiezen. Hij vertelde dat we Sven en mijn ouders niet konden veranderen. Het enige dat we konden veranderen was hoe ik met de situatie omging. Hij stelde voor om met Sven een kopje koffie te gaan drinken en om eens met hem te gaan praten. Maar hier had ik geen behoefte aan. Het voelde egoïstisch, maar ik deed de deur dicht en ik liet het los. Inmiddels is iedereen op de verjaardag weer gezellig aan het kletsen en mijn moeder wil mijn vriendinnen nog wat wijn inschenken, maar ze houden hun hand boven het glas. “Wij gaan er weer vandoor, morgen weer vroeg op. Bedankt voor de gastvrijheid.” Ik sta op en begeleid ze naar buiten. We staan nog even te praten voor de deur en ik verontschuldig me voor mijn reactie over het behaalde tentamen van Sven. “Niemand in het huis is eerlijk, alleen ik spreek uit wat er aan de hand is. Het is alsof mijn ouders een toneelstukje opvoeren en ik sta ernaar te kijken, wetend als enige dat het nep is. Mijn familie heeft geen idee. Ze weten zelfs niet dat Sven ziek is. Ze denken dat hij een burn-out heeft gehad door de drukte van zijn twee studies.” Mijn vriendinnen geven me een knuffel en zeggen dat ze me begrijpen. Ze zijn trots dat ik na alles wat er gebeurd is het zo goed heb gedaan op school. Ik vind het fijn om te horen, maar van de personen van wie ik het het liefst zou willen horen, hoor ik het niet. En dat zal wel nooit gebeuren ook. Daar moet ik mee leren leven.







'Ik prikte in mijn ogen. Als ik tranen van bloed zou huilen, zou mijn vader wel weer terugkomen'




Negentig vragen Susanne Beernink




Voor kinderen is het vaak moeilijk te begrijpen waarom ouders scheiden. Ze denken dat zij de oorzaak zijn of dat zij hun vader en moeder weer bij elkaar kunnen krijgen. Je leest over de ervaringen van de ouders of een psycholoog vertelt in een programma hoe je kinderen buiten je scheiding moet houden. Maar is het kind ooit weleens aan het woord geweest? In dit verhaal lees je vanuit het perspectief van Susanne Beernink. Haar ouders scheidden toen zij drie jaar oud was.

“Papa, geef mama nou gewoon een hand. Dan is het toch weer goed! Waarom geef je mama niet gewoon een hand.” Ik hoor het mijzelf nog zeggen, drie jaar oud, huilend en schreeuwend. “Papa houdt nog heel veel van mama,” dat was het enige dat mijn vader zei. Weekend na weekend heb ik gehuild, geschreeuwd, gesmeekt totdat mijn vader mij moegestreden naar bed deed. Ze moesten weer bij elkaar komen, dat moest gewoon. Ik probeerde tijd te rekken wanneer mijn vader mij en mijn twee zussen kwam ophalen bij mijn moeder. Dan kon hij namelijk nog met mijn moeder praten. Daar stond ik dan, met grote ogen te kijken, gaan ze het goedmaken? Op die momenten stond de wereld om mij heen even helemaal stil. Het was een soort trance waar ik in belandde. Doen ze aardig tegen elkaar? Lachen ze? Als we in de auto moesten stappen keek ik naar het gezicht van mijn moeder. Gaat ze huilen? Wil ze wel dat ik met papa meega? Ik heb vaak tranen in haar ogen gezien. Wat voelde ik mij schuldig als ik bij mijn vader in de auto stapte en mijn moeder alleen liet. Alsof ik naar links en tegelijkertijd naar rechts getrokken werd en iemand ondertussen op mijn maag aan het springen was. Ze was zo eenzaam. Ik zag mijzelf als enige kans om mijn doel te bereiken. Ik moest ervoor zorgen dat mijn ouders weer bij elkaar kwamen. Op een dag bedacht ik me, dat als ik tranen van bloed zou huilen, dat mijn vader kon zien hoeveel pijn het mij deed en dat hij dan weer terug zou komen. Ik prikte in mijn ogen, maar de tranen van bloed kwamen niet. Toen ik de woorden bezat om mijn gevoelens te uiten, vond ik toevlucht in het schrijven van gedichten en liedjes. Het probleem was alleen dat ik die woorden nog niet bezat toen ik drie jaar was. En ook niet toen ik vier was of vijf, zes, zeven. Ik had geen woorden, maar wel ontzettend veel emoties. Angst, woede, verdriet, schuld. Maar geen uitleg, geen handleiding, geen idee wat ik hier mee aan moest.




De hoop dat mijn ouders weer bij elkaar zouden komen heb ik nooit durven laten gaan. Die hoop had voor mij een functie, ik hoefde niet te voelen wat ik voelde, het kon immers zo weer goed komen. Dan zouden al die emoties ook zo weer weg gaan. Het bij elkaar brengen van mijn ouders was niet mijn enige doel. Het zorgen voor mijn moeder was mijn tweede doel. Ik heb haar verdriet gezien, haar pijn gevoeld en dat verscheurde me. Niemand zou haar nog pijn gaan doen, dat wist ik zeker. Vanaf het moment dat mijn vader haar in de steek liet heb ik haar altijd in de gaten gehouden. Praatte iemand raar tegen haar? Lachte iemand haar uit? Zei iemand gemene dingen? Is ze verdrietig? Ik hield het allemaal in de gaten. Die bescherming gaf ik mijn twee zussen ook. We hadden geen vader in huis die dat kon doen. Ik was acht jaar oud toen ik de Communie deed. We werden katholiek opgevoed door mijn moeder. Elke zaterdag gingen we naar de kerk, en voor het eten en slapengaan baden we. Ik heb God vaak gevraagd of hij mijn ouders weer bij elkaar wilde brengen. Ik moest me er langzamerhand bij neerleggen dat het niet ging gebeuren, maar toch hield ik hoop. In elke blik en uit elk woord dacht ik signalen te zien dat mijn ouders misschien toch nog bij elkaar kwamen, omdat ze bij elkaar hoorden. Dat wist ik zeker. De ergste jaren zaten erop voor mijn ouders en langzamerhand konden ze omwille van ons weer op redelijk normale voet met elkaar omgaan. Mijn vader kwam bij ons thuis als we jarig waren, maar ook op speciale gelegenheden. Hij kwam altijd alleen. Ook op mijn Communie. Zijn vriendin was namelijk ooit onze buurvrouw. Daarbij was ze een goede vriendin van mijn moeder, voordat mijn vader met haar vreemdging. Op de momenten dat mijn vader bij ons thuis kwam kon ik mij altijd verheugen. Ik kon mijn ouders bij elkaar zien. Ik kon even doen alsof ze bij elkaar waren, ook al zaten ze altijd ver uit elkaar. Het was een zonnige dag, ik had mijn nieuwe kleding aan, een wit jurkje met sandaaltjes en een bijpassend hoedje. Als ik nu naar de foto kijk die die dag is gemaakt en nog steeds in een omlijsting met plastic rode rozen op mijn nachtkastje staat, zie ik een meisje dat haar geluk niet op kan. Mijn ogen stralen, ik heb een glimlach van oor tot oor en ik houd de handen van mijn ouders, die aan beide kanten van mij zitten, stevig vast. Mijn vader kijkt strak voor zich uit en mijn moeder doet haar best om te glimlachen. Ik zit iets verder naar voren dan hen en ik ben letterlijk het stralende middelpunt.




In mijn basisschooltijd heb ik vaak het gevoel gehad dat ik niet normaal was. Mijn klasgenootjes hadden, op één iemand na, allemaal nog hele gezinnen. Ik was daar jaloers op. Mijn hartsvriendin had een hele leuke vader. Als hij thuiskwam uit zijn werk liep hij naar haar toe, tilde hij haar op en vroeg hij hoe haar dag was geweest. Ik keek toe, jaloers, maar vooral verdrietig. Dat zou bij mij nooit gebeuren. De scheiding heeft mijn ontwikkeling toen nooit in de weg gestaan. Ik wilde op de basisschool overal de beste in zijn. Ik ging altijd voor een tien en was teleurgesteld als het cijfer lager uitviel. Ik vroeg om huiswerk van een klas hoger en plande zelf proefwerken in omdat ik mijn kennis van landen wilde toetsen. Ik was bloedfanatiek en zat in alle schoolteams. Toen kwam ik in de puberteit. Ik ging naar de middelbare school en kwam in een gymnasiumklas waar ook allemaal kinderen zaten met perfecte gezinnetjes, zo leek het. Ik had een grote mond, luisterde slecht en gedroeg me soms ronduit asociaal. Mijn ouders snapten mij niet. Zij snapten niet waarom ik het zo aan het verkloten was en ook niet waarom ik de scheiding nog niet had verwerkt. Het was al zo lang geleden, ik moest nu maar eens doorgaan met mijn leven. Ik werd op mijn veertiende, toen ik in de tweede klas zat, van school gestuurd. In deze periode begon ik alcohol te drinken en drugs te gebruiken. Dag in dag uit zat ik stoned op school. Ik kwam in een wereld terecht van junks, kraakpanden, dealers en bracht het meest van mijn tijd door in een park. Als ik liedjes en gedichten teruglees die ik in die tijd heb geschreven, dan wordt al snel duidelijk dat ik dit als gelukkige momenten beschouwde. Geen pijn en vooral geen zorgen. Die kwamen pas weer terug toen ik uit mijn wietverslaving kwam. Ik was toen zeventien jaar. Inmiddels was ik gezakt van het gymnasium, via het atheneum, naar havo en bleef uiteindelijk in havo vier zitten. Gelukkig had ik toen door dat ik een toekomst wilde en dat niemand behalve ikzelf hier wat aan kon doen. De school bleef in mij geloven en gaf me elke keer weer een kans. Ik merkte dat ik een basis had waar ik op terug kon vallen. Die basis had mijn moeder mij gegeven en mijn respect voor haar groeide enorm toen ik dat eenmaal doorhad. Ik haalde mijn havodiploma en koos voor de opleiding Communicatie op Hogeschool Windesheim in Zwolle. Ik wist helemaal niet wat ik wilde met mijn leven, maar ik wilde een opleiding doen en omdat deze opleiding zo ‘breed’ was koos ik hier maar voor. Ik voldeed aan de verwachtingen die mijn ouders hadden en hoopte dat ik de schade kon




inhalen. Toch zat iets me in de weg. Vorig jaar besloot ik dat het niet langer zo kon. Eind augustus ging ik naar school voor een kennismakingsgesprek met mijn stagedocent. Over een week zou ik beginnen aan mijn tweede stage, want mijn eerste stage was compleet misgelopen. Een bedrijf in Amersfoort. Nieuwe stad, nieuw huis, nieuwe mensen. Ik deed dat wel even, want ik hield van een uitdaging en ik was sociaal vaardig. Ik durfde vanaf dag één de telefoon niet op te nemen, ik ontvluchtte de gezamenlijke lunch, ik sportte elke avond en als ik ’s weekends thuiskwam voelde ik me pas weer mezelf. Nadat ik mijn verhaal verteld had zei mijn stagedocent: “Je vond het moeilijk om je moeder en zussen alleen te laten, ik denk dat dat met de scheiding van je ouders te maken heeft. Je hecht waarde aan je thuisbasis.” Hij was zelf ook gescheiden en herkende zijn eigen dochters in mij. Tranen rolden over mijn wangen toen het gespreksonderwerp veranderde in de scheiding van mijn ouders. Wat gênant. Toen ik in de trein terug naar huis zat maakte mijn verdriet plaats voor woede. Hier zat ik dan, achttien jaar later en nog steeds had ik de scheiding niet verwerkt. Vanaf dat moment wist ik het zeker. Ik ging hulp zoeken. Ik ging mijn gevoel niet langer onderdrukken. Mijn hele leven heb ik gedacht dat het zwak en dom zou zijn om hulp te zoeken, maar ik heb me nog nooit sterker gevoeld dan de dag dat ik besloot het wel te doen. Het leek alsof ik een korset aanhad en de strik ineens werd losgetrokken. Het maakte me niet meer uit wat andere mensen hiervan zouden denken, ik ging dit voor mezelf doen. Ik was mijzelf dit verschuldigd. Ik moest eerst naar de dokter om een verwijsbrief te halen. Ik was bang dat hij zou zeggen dat ik me niet zo moest aanstellen, maar hij nam mijn verdriet serieus. De verwijsbrief werd naar de HSK Groep gestuurd, een organisatie die me was aangeraden door een vriend van mijn zusje. Nu moest ik er zelf naartoe om een afspraak te maken. HSK Groep zat in een straat naast het treinstation, tegenover hetzelfde park waar ik in mijn puberteit veel tijd had doorgebracht. Er stonden drie gebouwen naast elkaar. Ik moest bij het middelste gebouw zijn. Derde verdieping. Ik herinner mij het stekende gevoel in mijn maag, toen ik de verdieping opliep richting de receptie. Ik keek schichtig om me heen en voelde het zweet op mijn voorhoofd broeien. Straks kwam ik een bekende tegen. Ik maakte bij de receptie een afspraak voor een intakegesprek.




Diezelfde dag ontving ik thuis een mail met de bevestiging van het intakegesprek, maar ook met de vraag of ik voor dat gesprek een test wilde maken. Ik weet nog dat ik die test uiteindelijk een dag van te voren heb gemaakt. Ik wist van tevoren niet dat het negentig vragen waren. In de vragen werden situaties geschetst, waarbij ik moest antwoorden of ik ze herkende en zo ja, welk gevoel ik erbij had. Toen was het zo ver. Mijn intakegesprek. Ik kwam weer bij het middelste gebouw en ging met de lift naar de derde verdieping. Ik dacht dat ik mij moest melden bij de receptie, maar al snel bleek dat je gewoon kon gaan zitten in de wachtkamer. Ik durfde niet om me heen te kijken naar wie er nog meer in de wachtkamer zaten. Mijn hart ging tekeer en het zweet brak me uit toen ik in die wachtkamer zat. Ik kan nu nog weg, dacht ik toen. Kan ik nu nog weg? Ik keek op de klok en zag dat het precies kwart voor elf was. Shit, waar was ik aan begonnen. “Susanne?” hoorde ik iemand zeggen. “Ja, dat ben ik.” Ik liep naar haar toe, gaf haar een hand en stelde me voor. Te laat. Nu moest ik wel. Ik nam plaats in een saai, wit kamertje. Het gesprek begon. Ik vertelde wat over mezelf en vanaf het moment dat ze vragen stelde over de reden waarom ik hulp had gezocht rolden de tranen weer over mijn wangen. “Sorry,” zei ik elke keer als het gesprek even stil viel omdat ik aan het snotteren was. Er stond wel een doos met huildoekjes, maar daar durfde ik geen doekje uit te pakken. Nee, ik verroerde geen vin. Ik zocht een vast punt waar ik naar weg kon kijken. Er hing een bord achter haar waar een magneet aan plakte. Het was een woord: Smile. Dat effect had het niet op mij, maar ik had een wegkijkpunt. Daar kijk ik op de dag van vandaag nog steeds naar in mijn sessies. Ik stoorde me aan de ronde magneetjes die er ongestructureerd omheen plakten. In mijn gedachten was ik ze aan het verschuiven. Ik kreeg niet alle vragen even goed mee, waardoor er soms akelige stiltes vielen en ik niets anders kon doen dan vragen om herhaling. Eén vraag is me bijgebleven van dat eerste gesprek: “Hoe denk jij dat je leven eruit ziet als je dit probleem hebt opgelost?” Ik had geen flauw idee. Toch wist de psycholoog in de loop van de gesprekken mijn vertrouwen te winnen. Dat was voor mij heel belangrijk want ik vertrouw mensen niet snel. Ik merkte dat ze niet oordeelde, dat is iets waar ik juist zo bang voor was. Daarnaast had ik altijd het idee dat een psycholoog zich niet




meer om je zou bekommeren vanaf het moment dat je de deur uit liep, maar dat gevoel kreeg ik niet bij haar. Ze schroomde niet om mij na een sessie te mailen dat ze onder de indruk was van hoe ik mijn gevoelens aan haar durfde te vertellen. Ik mocht haar ook mailen als ik vragen had. Er viel voor mij een puzzelstuk op zijn plek toen mijn psycholoog mij vertelde dat ik teveel verantwoordelijkheid op me had genomen toen ik jong was en dat ik toen niet de begeleiding heb gehad die ik nodig had. Die verantwoordelijkheid nam ik op mij omdat ik mijn moeder zag lijden. Omdat mijn moeder mij zei dat ik door moest gaan, kreeg ik het idee dat ik geen reden had voor het verdriet dat ik nog zo heftig voelde. Daarom kreeg het ook geen plek. Ik nam mijn moeder dit niet kwalijk. Het enige dat ik haar kwalijk heb genomen is dat ze dat ze het raar vond toen ik zei dat ik hulp ging zoeken. Maar nu kon ik haar voor het eerst uitleggen waarom ik hulp had gezocht, ik had een reden voor mijn verdriet. Mijn moeder was zich er helemaal niet bewust van geweest dat ze zo had gereageerd toen ik haar vertelde dat ik hulp had gezocht. “Sorry meisje, dat ik zo heb geantwoord. Ik ben heel trots op jou dat je hulp hebt gezocht.” Ze gaf me een knuffel en al mijn emoties kwamen eruit. De leegte die ik zo lang heb gevoeld, werd gevuld.




'Hij kijkt me glimlachend aan en zegt echt wel even alleen te kunnen zijn'




Het blauwe boekje Melisa Verheijen




Kan je iemand helpen die in een depressie zit en het leven niet meer ziet zitten? Cynthia probeerde haar huisgenoot te helpen omdat ze zelf ook zo’n moeilijke periode heeft gehad. Ze voelde zich verantwoordelijk om hem het mooie van het leven weer in te zien. Bereikt ze haar doel?

De vanillevla, pasta en couscous vliegen door de keuken in huize Beldenmol. Een echt studentenhuis met drie meiden en twee jongens: Lianne, Kirsten, Roland, Luuk en ik. Allemaal studeren we aan het Saxion in Enschede. We hebben een hechte band met elkaar, ouwehoeren veel en genieten van het studentenleven. Samen eten, stappen en films kijken doen we graag. Afwassen in de badkuip omdat de vieze borden en glazen niet meer op het aanrecht passen, komt geregeld voor. Roland woont het langste aan de Beldenmol. Hij is twintig jaar en studeert vol passie archeologie. Met zijn lange haren, legerbroek, mouwloze shirts, kisten en piercings in zijn neus en wenkbrauw kwam hij, toen ik hem voor het eerst ontmoette, ruig over. Hij ziet er misschien ruw uit, maar hij is erg behulpzaam. Ik heb nooit geweten dat je zo goed bevriend kunt zijn met een jongen. Als ik bijvoorbeeld ongesteld ben, brengt Roland vaak een kruikje en een kopje thee. We kijken samen graag naar voetbal en we kunnen urenlang met elkaar praten. Het gaat de laatste tijd niet goed met Roland en ik maak mij zorgen om hem. Hij loopt bij de schoolpsycholoog, waar ze hem niet serieus nemen, en hij is zichzelf niet meer. Hij onderneemt niets en ligt vaak alleen nog maar in bed. Zijn minor op zijn opleiding gaat niet meer door en hij kan ook al niet meer werken bij RAAP: een archeologisch adviesbureau. Ik wil dat hij weer gaat leven en dat hij weer de mooie dingen in het leven gaat zien. Daar ga ik hem bij helpen. Vanavond heeft Lianne een evenement van school en ze moet een bar runnen in de stad. Iedereen gaat mee, iedereen behalve Roland. Hij heeft geen zin om uit te gaan. Ik wil bij hem blijven, maar hij haalt mij over toch te gaan. We hebben afgesproken dat als er iets is of als hij wil praten dat hij moet bellen. De kroeg zit vol met studenten die zich bezatten en dansen op de dansvloer. Hoe gezellig het ook is om hier met mijn huisgenoten te zijn, mijn gedachten blijven bij Roland. Mijn hand gaat steeds naar mijn bovenveen om te voelen of mijn telefoon in mijn broekzak trilt. Na de




zoveelste keer voel ik hem nu echt trillen en ik haal mijn telefoon snel uit mijn zak. Het is Roland. “Ik trek het niet meer. Ik wil niet alleen zijn.” Ik vraag Luuk of hij samen met mij naar huis wil gaan omdat Roland zich niet goed voelt. We besluiten meteen te gaan. Ik had gehoopt dat Roland ondertussen al wat gekalmeerd was, maar hij zit trillend op de rand van zijn bed in zijn kamer. Luuk gaat naast hem zitten en legt een arm om hem heen. Ik kan zien dat het hem goed doet, want hij stopt met trillen. Hij wil gewoon niet alleen zijn, denk ik. Ik vraag of hij vannacht bij mij komt slapen, zodat hij niet alleen hoeft te zijn. Roland pakt zijn deken van zijn bed en loopt met mij mee de trap af om naar mijn kamer te gaan. In bed praten we veel en lachen we om herinneringen die we samen hebben. Ik hoop dat hij beseft dat hij niet alleen is en dat hij weer dingen gaat ondernemen. Ik kan me goed in hem inleven en herken zijn gedrag van een moeilijke periode die ik zelf heb gehad. Ik was depressief en dacht eraan om uit het leven te stappen. Ik had het fijn gevonden als er dan ook iemand voor mij was geweest. Gelukkig denkt Roland niet aan zelfmoord. Hij belooft dat hij zichzelf nooit van het leven zou beroven, omdat dat voor hem geen oplossing is. Het stelt mij gerust. Roland kruipt dicht tegen mij aan en we slapen samen nog één uurtje in de vroege ochtend. Ik pak snel mijn tas, stop mijn notitieblokken erin en kijk vluchtig op de klok. Over tien minuten begint de les. Ik moet nu echt gaan. Ik laat Roland liever niet alleen, maar ik weet dat Lianne over een hafuur alweer thuis is, omdat ze net even belde. Roland kijkt mij glimlachend aan en zegt echt wel even alleen te kunnen zijn. Oke, dan ga ik maar. Ik zet in de klas mijn mobiel uit want het is een belangrijke dag vandaag: de terugkomdag van stage. Als mijn mobiel afgaat, zal ik waarschijnlijk meteen de les uitgestuurd worden. Straks als de les voorbij is, ga ik meteen naar huis en kijken hoe het met Roland gaat. Misschien kunnen we vanmiddag samen iets leuks doen. Ineens wordt de les verstoord door mijn studie loopbaan begeleider. Hij heeft een telefoon in zijn handen en vraagt of ik even mee wil lopen. Ik weet het meteen. Er moet iets met Roland zijn. Ik sta op de gang en pak de telefoon van mijn leraar met trillende handen aan. Het is even stil aan de andere kant van de lijn.




“Er is iets mis met Roland.” “Luuk, zeg dat het niet waar is. Het is niet waar.” Alles om mij heen draait en ik laat de telefoon vallen. Het voelt alsof ik dronken ben en ik kan nauwelijks nog op mijn benen staan. Ik moet zo snel mogelijk naar huis. Ik ren naar buiten en pak mijn fiets. Ik zie Luuk in de verte naar mij toe komen fietsen. Op het pleintje voor ons huis staan twee ambulances en ik gooi mijn fiets op de grond. Ik heb mijzelf niet meer onder controle. Schreeuwend en huilend vraag ik of Roland dood is en hoe hij het heeft gedaan. Gebeurt dit echt? Is hij er echt niet meer? Iedereen in de straat komt kijken wat er aan de hand is, maar ik kan mijzelf niet in bedwang houden. Ik laat mij op de grond zakken en huil. Een paar dagen later vind ik de afscheidsbrief van Roland op zijn kamer. ‘Ik wil rust en het is goed zo.’ Naast de brief ligt een blauw boekje. Ik zag hem er weleens in schrijven of in tekenen en begin erin te bladeren. ‘18.15 uur – Ik ben met Cynthia aan het eten en een oude man loopt achter haar langs. Een klein jongetje zit in het raam.’ Op de bladzijde ernaast staat een oude man getekend. Hij heeft een hoed op en een lange zwarte regenjas. Hij staat in een hoekje naast de deur van Rolands kamer en je kunt zien dat het nacht is. Het lijkt een soort schaduw. Op de volgende pagina staat weer een stukje tekst. ‘Ik durf niet naar de supermarkt, ik durf helemaal niet meer naar buiten. Iets of iemand achtervolgt mij. Ik krijg geen rust, want ’s nachts trekt iemand de dekens van mij af en klopt iemand op de deur. Ik zie mensen in mijn kamer staan die ik niet ken.’ Wat griezelig, ik krijg rillingen over mijn rug en ik zie dat de rest van de bladzijden uit het boekje zijn gescheurd. Waar is hij doorheen gegaan? Ik wist dat hij het moeilijk had, maar dit is onbeschrijfelijk. Hij wilde rust en zag dit als enige uitweg, terwijl hij mij had beloofd dit nooit te doen. Het duizelt in mijn hoofd, ik heb hem niet kunnen helpen. Ik sta achter een desk dat naast de kist van Roland staat en ik kijk in de zaal naar mijn huisgenoten en familie en vrienden van Roland. Mijn huisgenoten en ik hebben samen een brief voor hem geschreven. Ik vertel dat hij altijd zo goed voor andere mensen zorgde, dat hij het huis altijd opknapte, onze fietsen repareerde, hield van een biertje en graag vrouwen versierde. Ik vertel ook over de leuke dingen waar we het over hebben gehad die ene nacht bij mij in bed. We hadden het over gezel-




lige stapavonden en we keken nog even naar een serie die nacht waar we samen hard om moesten lachen. Je kroop toen dicht tegen mij aan, achteraf denk ik dat je toen al afscheid van mij aan het nemen was. Toen je bij mij in bed lag, wist je al wat je de volgende dag zou gaan doen. Na de dood van Roland slaapt Lianne vaak bij mij in bed. Ze durft de bovenste trap niet meer op, omdat Rolands kamer daar is. Als het donker is, verbeeldt ze zich dingen en daarom slapen we altijd met het licht aan. Ze zit zo met dat geestengedoe van Roland in haar hoofd dat ze bang is dat ze zelf ook figuren gaat zien. Ze denkt dat die oude man en dat kind uit het boek van Roland misschien wel echt zijn. Ze is áltijd op haar hoede en loopt geen trap op zonder achterom te kijken. Voor haar gevoel kan er op elk moment iets engs gebeuren. Kirsten barst soms ineens in huilen uit. Ze heeft Roland gevonden en hem aan het plafond zien hangen met een oranje touw om zijn nek. Hij had de veiligheidsstang van het raam aan het plafond gemonteerd. Het plafond was erg laag en zijn tenen raakten volgens Kirsten de vloer net niet. Zijn ogen waren dicht, zijn handen hingen naast zijn lichaam en zijn hoofd hing schuin. Ze durft geen deuren meer te openen. Ze vraagt altijd of iemand anders dat voor haar wilt doen. Als ze een ruimte inloopt, moet eerst het licht aan. Ze slaapt niet veel, maar als ze slaapt, ziet ze iedereen die ze lief heeft, net als Roland, hangen aan een touw. Luuk wil de dood van zijn huisgenoot meteen een plek geven. Hij werkt veel en gaat door met het leven. Hij vindt het belangrijk dat we geen enge plek maken van de kamer van Roland dus hij laat het licht daar altijd branden en de deur altijd open staan. Ik ben er niet in geslaagd om hem uit de depressie te halen. Ik vind het erg dat Roland tegen mij gelogen heeft, maar hij is mij voor altijd dierbaar en ik ben niet boos op hem. Ik zie jammer genoeg geen vanillevla, pasta en couscous meer door de keuken vliegen. Het studentenhuis zal zonder hem niet meer hetzelfde zijn.




'You can't imagine,' zegt hij hoofdschuddend, 'it was the devil's place'




De wonderbaarlijke ontsnapping Yannick La Gordt Dillié




Hoe is het om gemarteld te worden, in een cel te zitten van vier bij twee meter en geen uitzicht te hebben op vrijlating? Als je op een dag toch de kans krijgt om te ontsnappen, hoe voelt dat en gaat het lukken? Yannick La Gordt Dillié beschrijft het verhaal van de Oegandese vluchteling George. In life writing kan de schrijver ook een belangrijke rol in het verhaal spelen. In dit stuk komt dat duidelijk naar voren. Yannick is onder de indruk en deelt zijn bewondering voor de Oegandese vluchteling met jullie.

George pakt een pen en begint het martelhuis te schetsen. Hij tekent een rechthoek met een klein vierkant ernaast. Vervolgens deelt hij de plek op in vier ruimtes. Eerst een kleine eetruimte in de hoek van het huis, waar de bewakers samen – maar nooit met z’n allen tegelijk – hun maaltijden nuttigden in de pauze. Daar precies tegenover, in de andere hoek, vlak bij de in- en uitgang, tekent hij de cel van iemand waar hij slechts een glimp van heeft opgevangen. Daarnaast beeldt hij nog een cel af. Daarin schrijft hij: ‘cel van George’. In werkelijkheid is deze niet groter dan vier bij twee meter. De grond was koud en ruw, de tralies donkergrijs met witte motieven en het oneffen eenpersoonsbed was niet gemaakt voor jarenlang gebruik. George slaakt een diepe zucht; voor het uitblazen heeft hij minstens drie seconden nodig. Hij trekt zijn broekspijpen omhoog. Enkele littekens worden zichtbaar. Vervolgens knoopt hij zijn gladgestreken, blauwe blouse los. Ik zie minstens vijf littekens op zijn onder- en bovenarm en op zijn schouder. Mijn mond valt open. Wat een woede zou ik voelen wanneer iemand mijn lichaam zou verminken. Dan draait hij zich om. Drie littekens, waarvan één bijna twintig centimeter lang, bedekken de bovenkant van zijn rug. Hij zwijgt. Ik ook. De geboren Oegandees tekent langzaam verder, terwijl zijn wenkbrauwen nu zo ver dalen dat zijn donkerbruine ogen nog maar half zichtbaar worden. De vierde en laatste ruimte is overduidelijk de grootste, zo’n dertig vierkante meter, gelegen in het midden van het verblijf. Dit was een open ruimte die hij vanuit zijn cel kon zien. Hij tekent een simpel poppetje, en vertelt, nadat hij hoorbaar slikt, dat hij daar meerdere malen een mens heeft zien liggen. Bebloed. Dood. Of zo goed als dood. Dan ging hij op bed liggen en dacht hij bij zichzelf: morgen kan ik daar liggen. George begint te gapen. Hij is niet moe, maar doet alsof om een




andere verklaring te geven voor zijn vochtige ogen. “You can’t imagine,” zegt hij hoofdschuddend, “it was the devil’s place”. De zon straalt op deze lentedag in Ermelo, maar het lijkt alsof zijn appartement is gevangen in de schaduw. Even is hij niet meer die vrolijke, altijd lachende Afrikaan, maar een getraumatiseerde vluchteling. Een vluchteling met een pijnlijk verleden en een wonderbaarlijke ontsnapping die letterlijk en figuurlijk littekens heeft achtergelaten. Het leven in Oeganda was nooit gemakkelijk voor George. Hij kon immers zijn werk, zijn grote passie, nooit goed uitvoeren. Jarenlang streed hij als campagnevoerder van mensenrechten in zijn geboorteland. Dit deed hij bij een kleine, particuliere organisatie waar hij de naam niet van wil noemen in verband met geheime diensten die nog wel eens vanuit Oeganda vluchtelingen opsporen. (Vandaar dat ik ook zijn achternaam niet zal gebruiken in dit verhaal). George wilde wel bij een internationale mensenrechtenorganisatie werken, maar volgens hem was dit niet verstandig geweest. ‘De grote jongens’ worden namelijk in de gaten gehouden door veiligheidsagenten. Vaak dringen zij de bovenste laag van de organisatie binnen, zodat ze de werknemers kunnen intimideren en bedreigen. George kon met name de ongelijke rechten en de discriminerende behandeling van lesbiennes, homo’s, transgenders en biseksuelen niet meer aanzien. Zo vinden er wel eens moorden op homoseksuelen plaats in het Oost-Afrikaanse land, en is er veelvoudig geprobeerd een anti-homowet aan te nemen binnen het parlement. Landgenoten die hier tegen in opstand komen, worden hard aangepakt. In februari 2012 werd het ineens ook levensgevaarlijk voor de particuliere organisatie waar George werkzaam voor was. Zijn collega’s, velen van hen ook vrienden van George, werden een voor een opgepakt en afgevoerd naar zogenaamde safe houses. Deze plekken waren echter allesbehalve veilig. Ze werden gebruikt om mensen te martelen en onvindbaar te maken voor de buitenwereld. Geen wonder dat de buitenlandse pers vaak de term torture houses gebruikt. George bleef werken als campagnevoerder. Natuurlijk was hij doodsbang, maar twijfelen of hij zijn werk nog wel moest blijven doen, had hij nooit gedaan. Zijn organisatie hield al vanaf het begin dat ze werd opgericht verborgen vergaderingen uit angst voor chantage, maar




via opgepakte collega’s werden de overige namen binnen de organisatie doorverteld. Op een regenachtige, winterse middag werd ook George opgepakt door onbekende personen in veiligheidsuniform. Hij vroeg wie ze waren, waarom hij werd opgepakt, wat er met hem ging gebeuren – geen antwoord. George werd zonder verklaring meegenomen. Een halfuur later werd hij uit de auto getrokken en vlak bij de heuvel Kololo in de hoofdstad Kampala naar een safe house gebracht. George wil er liever niet over praten. Nooit meer. Want zoals hij het zegt: “Het brengt gevoelens naar boven van een en al verdriet. Ik heb er trauma’s aan overgehouden.” Toch maakt hij voor mij een uitzondering en vertelt hij voor één keer het hele verhaal. Een aantal weken lang – hoeveel precies weet hij niet – zat hij opgesloten in zijn cel. Onzeker, angstig, uitgeput. Vooral ‘s nachts kon hij geen seconde tot rust komen. De korte nachten werden willekeurig gekozen voor een martelbeurt. Dan hoorde hij degene in de cel naast hem snikken of smeken wanneer twee bewakers met hun gummiknuppel tegen de tralies tikten. Of, nog erger, wanneer het wapen bij hém de metalen staven raakte. Soms liepen ze door, dan had hij geluk. Vaak niet. Dan sloegen ze hem een bloedneus of een blauw oog, of mepten ze het vlees van zijn schouder, van zijn arm, of van zijn rug. Vaak stond George voor de tralies, met beide handen om het metaal geklemd. Vanuit zijn cel kon hij slechts verlangend staren naar het licht. Het licht dat, iedere keer als de deur werd geopend, heel even zijn weg naar binnen vond, maar iedere dag opnieuw onbereikbaar was. Op een dag kreeg hij, zoals gewoonlijk, rond het middaguur wat voedsel van een van de bewakers. Oud brood en water. Alweer. Op die dag was er echter een duidelijk verschil: de bewaker zweeg niet. “(achternaam)?” vroeg hij. George knikte. “Ben jij familie van oud-minister (...)?” Georges ogen werden groter. Hij knikte nog eens: dat was zijn oom. De bewaker vertelde dat hij een voormalig bodyguard van zijn oom was. George knikte en schudde zijn hoofd tegelijkertijd, en keek vervolgens naar de grond. “Hij was een goede vriend van mij,” zei de bewaker. George keek op. Hij voelde dat deze bewaker anders was dan de anderen.




Hij ging staan en stapte op de man in uniform af. “Ik heb geld,” fluisterde hij. “Ik zal je betalen. Help mij, alsjeblieft, help mij.” George wierp een korte blik op de tralies. Niemand. Hij keek de bewaker snel weer recht in de ogen aan, klemde zijn handen in elkaar en hield ze tegen zijn eigen borstkas aan. En hij wachtte. “Oké,” antwoordde de bewaker. Georges wenkbrauwen schoten omhoog. Stamelend vroeg hij of de man hem echt wilde helpen. De bewaker knikte en verliet de cel. Een halfuur later kwam hij terug. “Ja, ik ga je helpen. Dit is het plan..” George voelde zijn buikspieren samentrekken en wist niet waar hij zijn handen moest laten. Aandachtig luisterde hij naar de bewaker. Na ruim een kwartier begreep hij het plan en vroeg hij wanneer de ontsnapping zou moeten plaatsvinden. “Vannacht,” was het antwoord. George slikte, en knikte. Voordat de bewaker de cel verliet, vertelde hij zijn naam: Michael. Diezelfde avond sliep George geen seconde. Zijn benen trilden en zijn voeten bewogen op en neer. Plotseling plofte er iets neer bij de tralies. Het uniform. Hij pakte het op en kleedde zich om. Het bekende, inmiddels gehate uniform dat hem zo afschrikte, trok hij nu zelf aan. Bij de pijpen struikelde hij bijna, maar het ging verder makkelijk en snel. Op het teken van Michael sloop hij zijn cel uit. “Nee gewoon rechtop.” George knikte en probeerde zo normaal mogelijk naast hem te lopen. Nu waren ze bij de deur. De uitgang. De weg naar buiten. Georges hart begon sneller te bonzen. Hij keek naar Michael, en kon nauwelijks nog bevatten wat er gebeurde. Deze man zette zijn eigen leven op het spel om George te redden. Michael draaide het slot open en duwde tegen de deur. Pikdonker. George herkende direct de oneffen stenen. Ze liepen verder, schuin naar rechts, richting het hek. Nog twintig meter. Toen Michael die middag het plan had uitgelegd, vertelde hij al dat hij zou gaan wisselen van shift met een andere bewaker. Op dat moment, op nog geen vijftien meter afstand, liep er dus een andere bewaker langs hen heen. Die gedachte bezorgde George een immense warmte in zijn hoofd. Hij was doodsbang. Maar de nacht was inmiddels gevallen. Het duister, wekenlang de aanleiding voor angst, werd plotseling zijn redding. Het




hek verscheen in Georges zicht. De weg naar vrijheid. Geen absolute vrijheid, geen verzekerde of veilige vrijheid, maar wel de verlossing van de martelingen, van de duistere nachten. Van de pijn. Michael opende zachtjes het donkergrijze hek. “Ga! Niet meer achterom kijken, mijn vrienden helpen je,” zei Michael zachtjes. “Bedankt voor alles, mijn vriend,” antwoordde George, en hij glipte door de smalle opening. Twee felle koplampen verblindden hem. Met een arm voor zijn gezicht rende hij naar de auto. Hij dook naar binnen en smeet hem dicht. Twee totaal vreemde mannen zaten voorin. Ze zwegen. De bestuurder stapte acuut op het gaspedaal. George keek van links naar rechts en van rechts naar links, naar voren, naar achteren, naar links, rechts, links, naar achteren.. Iedere seconde gaf hem meer hoop. Maar iedere seconde erna kon er zomaar een jeep voor hen de weg blokkeren om George terug te brengen. Na een halfuur arriveerden ze bij een klein, wit huis. Vanuit daar werd George verteld hoe nu verder. Hij zweeg. Hij gehoorzaamde. Hij vertrouwde. Dat was wat Michael hem met klem had gezegd. George moest weg uit Oeganda. Dit was pas deel één van de ontsnapping. Maar ondanks dat hij totaal niet wist waar hij uiteindelijk terecht zou komen en of dat ook daadwerkelijk veilig en wel zou zijn, krulden zijn mondhoeken voorzichtig omhoog. George lachte. Eindelijk weer. Met diezelfde, brede glimlach komt hij aanlopen met een blad met koffie in zijn handen. We spreken tegenwoordig regelmatig af. De ene keer bij mij thuis, de andere keer in zijn appartement twee straten verderop. “Kijk, koffie voor Yan en George.” Maar George, nu 37, zorgt graag goed voor zijn gasten. En, zoals hij dat zelf toegeeft: zoveel komen er niet over de vloer. Maar ja, dat is een kwestie van contact zoeken en vervolgens onderhouden. En daar werkt hij hard aan. Hij tennist op de plaatste vereniging, solliciteert regelmatig en is van plan een vervolgstudie op Hogeschool Windesheim in Zwolle te volgen. Op Koninginnedag besloot hij zelfs om in zijn eentje naar onze hoofdstad te gaan. Hij legt vier ronde spritskoekjes in de hoek van het koffieblad. “En een lekker koekje.” George spreekt het niet uit als ‘koekjuh’, zoals wij Nederlanders dat doen bij iedere –e of –en, maar als ‘koekjeh’. Oost-Afrikanen zijn die klank




gewend aan het einde van de zin. Het klinkt meteen vrolijk, waardoor ik begin te gniffelen. Georges reageert daarop met zijn herkenbare schaterlach, en voor we het weten hebben we samen de grootste lol om niets. Zijn verhaal heeft indruk op me gemaakt. Iedere keer dat ik hem in de ogen kijk, denk ik aan zijn traumatische, treurige verleden. Maar aan deze man zie je dat niet. George is opgewekt en doet vriendelijk tegen iedereen. Altijd. Want, zoals hij dat zelf beweert, zorgt dat er weer voor dat anderen vrolijk reageren. “I just want to see people laugh.” Bij mij is dat gelukt. Ik voel me ontspannen bij hem. Het klikt. Ik denk even terug aan de eerste keer dat ik George ontmoette. Dat was in de zomer van 2012, toen ik nog in de supermarkt werkte. Hij vroeg me waar de biefstuk lag. Op dat moment was een bewogen verleden, van vele martelingen tot aan een wonderbaarlijke ontsnapping, wel het laatste dat ik achter hem gezocht had. En dat is ook niet zo gek. Hij lachte.




'De allereerste keer dat een Jordaanse man mij geen hand wilde schudden, dacht ik dat ik vies was'




Jordanië en ik Melisa Verheijen




Daar stond ze dan met haar diploma in haar hand. Geen baan, geen woning en geen idee wat ze met haar leven zou gaan doen. Tessa wilde niet eeuwig blijven wachten tot er iets op haar pad zou komen en gooide haar leven 180 graden om.

Ik leerde de liefde van mijn leven kennen tijdens een schoolproject in Jordanië. Ik zat op een stoepje voor het hotel waarin ik verbleef. Mohammed kwam langs en hij begon een Nederlands liedje te zingen. Mijn blonde haren moeten mijn afkomst hebben verraden. “Hey schatje, hey schatje, kom met me mee schatje,” zong hij uit volle borst. Ik vond het eerst maar raar. Een Jordaanse man die een Nederlands liedje begon te zingen. Hij oogde als een echte badboy en ik dacht nog: “Daar moet ik echt niet voor vallen.” Toch had zijn charme mij veroverd en ik bracht meteen 24 uur met hem door. Wat was het spannend. Ik, een Nederlands meisje helemaal alleen op stap in het buitenland met een jongen die ik nog maar net kende. We hadden paardgereden en de hele dag pratend doorgebracht. Ik voelde me fantastisch bij hem. Een paar maanden later studeerde ik af in Nederland en had ik mijn diploma voor Commerciële Economie binnen. Ik solliciteerde veel, maar ik kon geen baan vinden. Ik had geen idee wat ik met mijn leven wilde doen. Ik kon op vakantie gaan naar Mohammed, maar zo leerde ik hem nooit echt beter kennen. Ik vind dat je elkaar pas echt leert kennen als je gaat samenwonen. Dus besloot ik dat ik het maar gewoon moest gaan proberen. Waarom ook niet? Als ik in Nederland een baan had gevonden, was het misschien anders geweest. Ik zou bij mijn liefde zijn, ik zou werk zoeken in de toeristische sector en zo mijn toekomst verder uitstippelen. Als het niets werd, had ik buitenlandervaring. Lukte het wel? Dan zag ik wel weer verder. Ik vond het moeilijk om mijn familie achter te laten, want mijn ouders bekeken het anders dan ik. Ze zagen het niet zitten dat ik in het Midden-Oosten ging wonen. Het was volgens hen




daar een rommeltje. De islamitische cultuur conflicteerde met hun Westerse denkbeelden. “Moet je dan een Burka aan?” “Als je kinderen krijgt, kan je ze nooit meenemen naar Nederland.” Toch weerhield het me niet om te gaan. De ouders van Mohammed waren juist heel bang dat ik de kinderen mee naar Nederland zou nemen. Kinderen bleven immers meestal bij de moeder. In het Midden-Oosten hadden ze dezelfde vragen als in Nederland. In Jordanië moest ik in het begin erg wennen. Mohammed komt uit een groot gezin en heeft een heleboel zussen die hem op en top verzorgen. Hij is hartstikke verwend. Er wordt geregeld een glaasje water gebracht of een dekentje voor hem klaargelegd. Ik, als Nederlandse vrouw wil dat niet doen. Daar hoef je bij mij écht niet mee aan te komen. Hij kan best voor zichzelf zorgen. Ik zie zulke dingen heel anders dan de mannen en vrouwen in Jordanië. Door die verschillen kregen Mohammed en ik weleens ruzie. Als ik een dag gewerkt had, was ik te moe om nog langer te discussiëren en Mohammed gelukkig ook. We verschillen en dat moeten we maar gewoon van elkaar accepteren. In Jordanië vond ik wel snel werk, maar dat viel vies tegen. Ik was receptioniste in een hotel en werkte fulltime voor maar een klein beetje geld. Ik had weinig vrije tijd en geen weekenden. Ik probeerde mensen te verstaan, maar het was heel lastig. Ik kon alleen goed met de toeristen communiceren. Ik probeerde Arabisch te leren, maar het ging heel moeizaam door alle nieuwe indrukken die ik opdeed. Ik was niet de enige die nieuwe indrukken opdeed. Mannen keken me altijd na als ze me zagen op straat. Er is hier een soort stereobeeld over blonde vrouwen. Dat zulke vrouwen bijvoorbeeld alleen maar heupbroeken dragen. Ik had één keer een heupbroek aan en bukte iets naar beneden om iets van de tafel te pakken. Nou, dat kan hier echt niet. Mannen en vrouwen weten niet wat hen overkomt als ze dat zien. Ik zal hier nooit met een korte broek en hemdje over straat kunnen lopen. Ik draag nu alleen maar lange, 


bedekte broeken en bedek mijn schouders, maar een burka of hoofddoek dragen, gaat me toch echt te ver. Halfnaakt rondlopen en constant nagekeken worden, is voor jezelf natuurlijk ook niet fijn. En respect moet van twee kanten komen. Respect toon je in Jordanië niet alleen met kleding, maar ook met de manier waarop je elkaar groet. Op een dag stak ik mijn hand uit naar een man om mezelf voor te stellen, maar hij trok zijn hand terug, omdat hij later nog wilde gaan bidden. Oei, het voelde alsof ik een blauwtje gelopen had, maar dan met handen schudden. Ik wist namelijk niet dat als een man gaat bidden in de moskee, hij een vrouw geen hand wil geven. Dan moet hij zichzelf opnieuw wassen. Die allereerste keer dat een Jordaanse man mij geen hand wilde geven, dacht ik dat ik vies was en dat er iets mis was met mij. Maar zo zit het niet. Het heeft ermee te maken dat als mannen vrouwen aanraken dat er dan seksuele gedachtes opgewekt kunnen worden. Vooral als je getrouwd bent, schudden mannen je liever geen hand. Het laat zien dat ze respect hebben voor je echtgenoot. Ik dacht juist dat ik beleefd was. In Nederland is dat de normaalste zaak van de wereld. Sindsdien wacht ik maar totdat iemand de hand uitreikt naar mij. Dan kan het niet misgaan. Ik pak het maar niet persoonlijk op. Ik ben gewoon ‘too hot to handle.’ In Nederland zijn we opgevoed met het idee dat we altijd ‘waarom’ moeten vragen. Toen ik een jaar of vier was, vroeg ik altijd: “Waarom is dat zo?” Hier wordt die vraag niet gesteld. Als ik vroeg waarom iets zo was, kreeg ik als antwoord: “Het is zo, want het staat in het heilige boek.” Dat was heel frustrerend. Ik wilde juist dingen leren over Jordanië zodat ik me meer thuis zou gaan voelen en alles beter zou begrijpen. Ik had er iets op gevonden. Ik besloot veel boeken te lezen over de Islam. Niet omdat ik me wilde bekeren, maar omdat ik wilde weten waarom mannen bijvoorbeeld geen handen schudden. Ik kwam erachter dat het vaak iets cultureels was en helemaal niet islamitisch. Na een halfjaar zijn Mohammed en ik getrouwd. We hebben geen bruiloft gehad, omdat iemand in onze familie was overleden en dan




mag je in die drie maanden die volgen geen feest hebben. Als jong meisje droom je natuurlijk over een mooie witte jurk, een grote taart en je vader die je naar het altaar brengt. Maar hier gaat het heel anders dan in Nederland. Een Westerse bruiloft zou het in ieder geval nooit worden. Ik heb een bruiloft mogen meemaken van iemand anders uit het dorp. Ik ga niet vaak naar bruiloften, omdat ik als buitenlander vaak meer aandacht krijg dan de bruid zelf. Waarom precies weet ik eigenlijk niet. Het zal liggen aan mijn uiterlijk. Een vrouw met een blanke huid en blonde haren valt op tussen de Turkse vrouwen. Een bruiloft gaat hier heel anders dan in Nederland. Mannen en vrouwen zijn gescheiden van elkaar. De mannen staan buiten met machinegeweren te schieten in de lucht en ze dansen een soort polkadans in een rij. Vrouwen doen deze dans ook, maar dan binnen. Daar doen ze hun haar en make-up en zijn ze schaars gekleed. Ze kunnen dan volledig zichzelf zijn. Er is alleen een klein probleempje bij het kopen van deze feestoutfits. Deze worden altijd verkocht door mannen. In het dorp waar ik woon, werken er nauwelijks vrouwen. Vrouwen passen geen kleding als er een man in de winkel werkt, dus moeten ze gokken of de maat goed is. Veel te korte rokjes en veel te strakke kleding is het eindresultaat. Heel grappig om te zien. Ik vind het niet jammer dat Mohammed en ik geen bruiloft hebben gehad. Als je hier trouwt, is je trouwjurk waarschijnlijk toch pim pom paars of gifgroen. Dat is hier misschien de mode, maar niet die van mij. Een bruidstaart is een stuk cake, je hebt geen openingsdans en je gaat naar de Sjeik in het dorp om je handtekening te zetten. Het stelt eigenlijk niet zoveel voor. Ze hebben wel hele leuke tradities die ze in Nederland niet hebben. Een bruiloft is hier bijvoorbeeld een week lang. Op het einde van de bruiloft wordt de bruid door het dorp gereden in een hele mooie auto en toeteren ze heel hard. Dat had ik eigenlijk wel willen meemaken, maar uit respect voor de overledene hebben we dit niet gedaan. Mohammed en ik hebben afgesproken dat we met ons tienjarige jubileum een groot feest gaan geven. Dat is misschien nog wel veel belangrijker dan de bruiloft zelf.




Omdat ik getrouwd ben, hebben mijn schoonouders een bepaalde verwachting van mij. Ik moet de eer van mijn schoonfamilie in stand houden en kinderen krijgen. Ze vinden het gek dat ik wil werken en nog geen kinderen wil. Ik heb goed nagedacht hoe ik mijn schoonmoeder dit het beste kon uitleggen. Uiteindelijk vertelde ik het als volgt: “Stel je voor dat Mohammed en ik gaan scheiden of hij krijgt een ongeluk. Dan heb ik iets nodig wat mij in Jordanië houdt. Juist omdat de kinderen hier dan ook wonen. Om de kans kleiner te maken dat ik de kinderen mee zou nemen naar Nederland, moet ik hier mijn eigen leven op kunnen bouwen en werk hoort daarbij.” Gelukkig begreep mijn schoonfamilie dit. Ze houden denk ik rekening met mij omdat ik uit het buitenland kom. Ze weten dat ik anders ben opgevoed. Werken in het hotel hield ik niet lang vol. Dit was niet het toekomstbeeld dat ik voor me zag. Daarom ben ik samen met Mohammed een reisbureau begonnen. De Jordaanse manier van zaken doen kan veel beter, concreter, sportiever en spontaner. Ik wil reizen organiseren van A tot Z. Zodra reizigers in Jordanië staan, staat er een chauffeur met een naambordje klaar. We organiseren overnachtingen en dagtrips zoals wandeltochten in de woestijn met een gids. Ik vind deze werkzaamheden wél erg leuk om te doen en zie in ons bedrijf een mooie toekomst. De zussen van Mohammed en andere vrouwen in het dorp zien dat ik aan het werk ben en dat ik daarom geld heb om kleding voor mezelf te kopen en dat ik leuke dingen kan doen. Nu willen zij dat ook en dat is leuk om te zien. Ik wil niet zeggen dat ik een voorbeeld voor deze vrouwen ben, want dan vind ik mezelf automatisch beter dan de rest en dat hoeft niet zo te zijn. Ik zou tegen de vrouwen in Jordanië willen zeggen dat je best zelfvoorzienend mag zijn en dat als je een beetje van beide culturen hebt, je een hartstikke leuk leven kunt hebben. De verschillen tussen Jordanië en mij zullen altijd blijven bestaan. Ik zal dat vrolijke, nuchtere, Nederlands meisje blijven en de




Jordaanse mensen zullen hier blijven leven uit het heilige boek. Ik heb misschien geen sprookjesbruiloft gehad, zal nooit eens met een jurkje over straat kunnen lopen en kan een man niet zomaar een hand geven. Maar ik heb een lieve echtgenoot, een leuke baan in het toerisme en ben best een beetje trots dat de vrouwen in het dorp door mij ook willen werken. Ik wil kinderen, maar nu nog niet. Mohammed en ik zijn eerst van plan om een huisje te bouwen. Mijn kinderen zullen Moslim worden, omdat ze een islamitische vader hebben. Mohammed zal onze toekomstige kinderen de islamitische cultuur en religie bijbrengen. Als ik een meisje zou krijgen, zou ze niet over de hele wereld mogen reizen zoals ik dat wel heb gemogen. Dat vind ik erg jammer. Maar voordat het zover is, zijn we al zeker twintig jaar verder en dan is het hier vast wat moderner. Toen ik in Jordanië op dat stoepje voor het hotel zat en Mohammed voor de eerste keer ontmoette, had ik nooit kunnen vermoeden dat mijn leven zo radicaal zou veranderen. Jordanië en ik moesten even aan elkaar wennen, maar als we elkaar allebei accepteren, komen we een heel eind.




'Mijn zus was altijd de klos'




Mijn zus Melisa Verheijen




Het laatste verhaal dat ik met jullie wil delen, is het verhaal waar het allemaal mee begon. Het eerste levensverhaal dat ik schreef, schreef ik over twee zusjes De oudste zus werd constant door haar ouders vernederd, naar beneden gehaald en misbruikt, terwijl het jongere zusje alleen maar machteloos toe kon kijken. Met zo’n moeilijke jeugd kan je alleen nog maar op het slechte pad raken, verkeerde vriendjes krijgen en je school verwaarlozen. Toch?

Het eerste wat ik me van mijn vader kan herinneren is een nachtmerrie: ik lag in een houten bedje en naast mij stroomde water. Ik was een klein poppetje en ik viel iedere keer in het koude water. Ik probeerde steeds weer op het houten bedje te klimmen. Ik was en ben nog steeds bang voor water. Toen ik mijn vader zag, was ik even opgelucht. Maar dat duurde niet lang, hij pakte me vast in zijn vuist en begon te lachen alsof hij me in zijn macht had. Mijn biologische vader heet Henk, Henk de Vries. Bij de naam alleen al krijg ik rillingen over mijn rug. Die naam staat voor mij synoniem aan het woord duister. Je kunt hem herkennen aan zijn donkere krullen, blauwe ogen en bierbuik. De donkere krullen heb ik van hem. Op zijn handen heeft hij een paar tatoeages. Drie puntjes tussen zijn duim en wijsvinger en wat onafgemaakte figuurtjes. Om zijn ringvinger draagt hij een brede gouden ring. Als hij nerveus is, schokt hij met zijn hoofd naar voor en achter. Daarbij maakt hij een soort tikkend geluid. Mijn zus en ik zijn ontzettend verschillend. Ik houd van pop, hiphop en r&b. Zij houdt van musicals, opera en Keltische muziek. Ze is meestal te vinden achter haar piano waar ze zichzelf begeleid bij het zingen of ze is bij haar verzorgpaarden. De paarden zijn haar beste vrienden. Als zij op een zaterdagavond aan het zingen is in de achterkamer ben ik aan het dansen in de discotheek. Zij moet er niet aan denken: al die drukke mensen bij elkaar die allemaal alcohol drinken. Mijn zus heeft nog nooit een vriend gehad en heeft zelfs nog nooit gezoend. Ze draagt geen make-up en houdt niet van de kleding die ze ziet in de reclame. Als iedereen in de zomer wit draagt, draagt zij rood. Ze heeft geen Facebook en je zult haar nooit betrappen op het hebben van een Twitter account. Ik vind het fijn om mensen om me heen te hebben. Als ik alleen ben, voel ik me al snel eenzaam. Ella heeft hier geen last van. Misschien komen deze verschillen doordat we eigenlijk halfzus-




sen zijn. We hebben allebei een andere vader. Eén ding hebben wij wel gemeen: onze jeugd. We delen de angst voor mijn biologische vader, het onbegrip voor onze moeder en een zoektocht naar stabiliteit. Als ik naar mijn zus kijk wanneer zij piano aan het spelen is en haar liedjes zingt, merk ik hoe erg zij aan het worstelen is met die zoektocht. De droom van mijn zus is om uiteindelijk met deze liedjes door te breken. Tot nu toe zingt ze deze liedjes alleen in de achterkamer, waar één raampje te vinden is. De kamer is donker en op de muren hangen ingelijste posters: The Sound of Music, Audry Hepburn en een indianenvrouw. De kamer wordt een beetje verlicht door de geurkaarsjes die zij heeft aangestoken. Onze moeder heet Carla. Sinds mijn veertiende heb ik geen moederdochter band meer met haar. Mijn moeder belde me laatst nog om te vragen of ze geld mocht lenen. Ik heb vijftig euro aan haar overgemaakt, terwijl ik mezelf had voorgenomen dit niet meer te doen. Een gevoel van schuld overspoelde me, omdat ik niet bij haar ben, haar niet steun en haar niet als moeder zie. Ik heb afstand genomen, omdat ik geen ouder kan zijn voor mijn eigen moeder. Mijn zus had al afstand genomen op zeer jonge leeftijd. Mijn moeder heeft mij tot op zekere hoogte weten te verzorgen en te beschermen. Bij mijn zus deed ze dit niet, het was juist het tegenovergestelde. Ella en ik speelden in de woonkamer en mama was boven. We deden net alsof we dolfijnen waren en we bewogen ons zwemmend over de vloer. Doordat we zo laag op de grond lagen konden we goed onder de bank kijken. Daar lag een doorzichtige koker met allemaal snoepjes erin. Ella sprong meteen op en probeerde de bank aan de kant te schuiven. Na hard drukken ging de bank een stukje opzij. Ze had de koker te pakken en nam er een paar snoepjes uit. Ik kreeg ook wat, want mijn zus deelde altijd alles met mij. Het waren gummies van dropsmaak. Ella zei dat ik naar boven moest en op de uitkijk moest gaan staan. Als mama kwam, moest ik ‘ja’ roepen en dan deed zij snel de snoepjes weg en zette ze de bank weer op zijn plaats. Ik liep naar boven en mama merkte dat ik me vreemd gedroeg. Ze rende de trap af en voordat ik ‘ja’ kon roepen, was mijn moeder al beneden. Ze liep rechtstreeks op mijn zus af. Haar gezicht zag strak en haar ogen waren groot. Ze pakte de koker af en sloeg Ella




tegen de houten kast aan. Ze deinsde met haar hoofd schuin naar achteren en stootte zich hard tegen de punt van de kast. Ik zie het bloed en vooral de blik van mijn zus nog voor me. Haar arm schuin voor haar hoofd om zichzelf te beschermen voor nog een knal. Over die arm kijken voorzichtig een paar oogjes. Haar ogen schreeuwden om troost van haar moeder, maar die kreeg ze niet. Ella bleef stil en rustig. Een klein meisje met warrige lichtbruine haren en lichtbruine ogen, haar huid lichtblank, maar doorweekt met rode druppels, alsof elk klein stukje vel open was gescheurd. Ik nam mijn zus mee naar de badkamer en depte haar bloed met toiletpapier af. We zeiden allebei geen woord en mijn moeder bleef in de kamer alsof er niks gebeurd was. Ik kreeg nooit straf. Mijn zus was altijd de klos. Ook al was het mijn fout, zij moest ervoor opdraaien. Ze kreeg straf omdat ze als jong meisje niet kon vouwen, niet altijd met mes en vork kon eten of als ze alleen al te lang naar mijn moeder of vader keek. Ze kon nooit iets goed doen. “Jij kunt niks”,“je moet naar een internaat”, “jij zal nooit een man krijgen”, “je bent niet goed genoeg.” Ik keek juist altijd erg op naar mijn zus. Zij kon en kan nog steeds alles. Ze haalde op school hoge cijfers en was altijd op haar kamertje aan het zingen, lezen of studeren. Haar woordenschat was al bijzonder goed op jonge leeftijd. Ze vertelde mij dat ze zo haar best deed om een goede toekomst te creëren. Mama was een boze vrouw in haar ogen en daarom wilde ze zodra ze achttien zou worden meteen het huis uit. Voor haar gevoel zou haar intelligentie hierbij helpen. Als mijn zus iets wilde, moest ik het van haar vragen, want als ik het vroeg, mocht het waarschijnlijk wel. Ik vond dit maar niks. Ook al wist ik dat mijn zus inderdaad op haar kop zou krijgen, ik wilde niet elke keer mijn mond open trekken. In mijn dagboeken van vroeger staat dat ik het hier moeilijk mee heb. In kinderhandschrift beschrijf ik de tweestrijd tussen kiezen voor mijn moeder of mijn zus: Lief dagboek, De 11e: Dan ben ik voor mama en dan ben ik voor Ella. Misschien ben ik ook wel voor niemand. Als mijn moeder met iemand ruzie heeft dan word ik gek, want dan kan ze heel erg schreeuwen en dat vind ik niet leuk, want dat doet zeer voor een ander. Mijn zus en ik wonen samen en sinds twee jaar geeft ze zanglessen. Het




achterkamertje van ons huis wordt dan omgetoverd in een echte zangpraktijk. Daar hangt een grote lange spiegel met een brede donkerbruine rand en daarvoor staat een muziekstandaard zodat de lesklanten zichzelf kunnen zien zingen. Ella begeleidt de klanten met haar piano als ze aan het zingen zijn en doet stemoefeningen met hen. “Mimimimimimimi” en “Miaauuw” galmen door het huis. Ze heeft het druk met het geven van zanglessen. Kinderen, mannen en vrouwen komen graag bij haar langs en krijgen drie kwartier zangles. Als ze les geeft hoor ik het enthousiasme in haar stem. Ze motiveert en straalt haar passie voor het zingen uit. Het lijkt wel alsof ze in haar ware ik stapt en volledig zichzelf is. Om door te breken met haar eigen muziek auditeert en treedt ze op bij verschillende evenementen. Toch lukt het haar niet om bijvoorbeeld juryleden te overtuigen van haar kunnen. Ze kan supergoed zingen en is cum laude afgestudeerd aan de German Musical Acadamy, dus daar kan het niet aan liggen. Haar onzekerheid zit haar in de weg. Als ze een auditie heeft, vraagt ze mij tien keer of haar kleding goed zit, haar haar mooi zit en haar liedje goed gekozen is. “Echt? Zit het echt goed? Moet ik een bloemetje in mijn haar doen? Aan welke kant? Maar echt mooi of een beetje mooi?” Ik probeer steeds geruststellende antwoorden te geven, maar ik heb het gevoel dat wat ik ook zeg, ze het niet hoort. Ik denk dat het mijn plicht is om haar door die onzekerheid te slepen. Om elke keer weer te zeggen dat ze het goed doet. Een gevoel van schuld overspoelt me. Schuldgevoel, omdat ik haar niet heb kunnen helpen toen mijn moeder haar weer onterecht straf gaf en dat ik altijd met stoute dingen weg kwam. Het grootste schuldgevoel komt echter door mijn vader. Henk was bij ons thuis en hij rook zoals altijd naar bier. Ik moest van hem en van mijn moeder net doen alsof ik straf had. Ik snapte er niks van, maar als ik dat zou doen, zou ik wat lekkers krijgen. Ik ging maar in bed liggen en toen mijn zus thuis kwam, liep ze naar boven. Ze zag mij in bed liggen en vroeg wat er aan de hand was. Ik vertelde dat ik straf had en perste zelfs nog wat tranen uit mijn ogen. Ella pakte haar witte chocoladeletter, die ze nog bewaard had van Sinterklaas, uit haar kamer en gaf mij een stukje om mij te troosten. “Hier, eet maar lekker op.” Ik staarde naar het afgebroken chocolade stukje en toen ik mijn hoofd




weer naar boven bracht, zag ik Henk in de deuropening staan. Ella kreeg ineens straf. Ik moest de kamer uit en Ella bleef alleen met hem achter. Ik weet nog steeds niet waarom zij straf kreeg en heb het er ook nog nooit met haar over gehad. Ik snap ook niet waarom ik niet in de gaten had dat ik mijn eigen zus in de val aan het lokken was. Ik zal dit nooit meer vergeten. Jaren dacht ik: het is mijn vader en daarom mijn schuld. Om de situatie van mijn zus te verbeteren ben ik na veel twijfel naar de huisarts gegaan, dat was een grote stap voor mij. Mijn zus en ik hebben nooit écht over vroeger gepraat. Soms heel eventjes tussen neus en lippen door. Ik kan nooit mijn zinnen afmaken als het daarover gaat. Als ik mijn zin probeer af te maken voelt het alsof iets van buitenaf mijn keel heel hard dichtknijpt. Waardoor het lijkt alsof het nog echter wordt en het nog een keer gaat gebeuren als ik het zeg. Ik voel twee pinnen die in mijn ogen prikken en dat maakt het onmogelijk om niet te huilen. Tegelijkertijd voelt het alsof mijn ziel zo snel mogelijk uit mijn lichaam wil springen. Omdat dit niet gaat heb ik de drang met alles te gooien wat ik zie. Om dit te voorkomen begin ik maar niet aan die zinnen. Of beter nog, we beginnen er helemaal niet aan. Nu probeer ik professionele hulp te krijgen. Ik leg alles netjes uit aan dokter Kienstra. Ik heb er geen moeite mee het haar kort te vertellen. Zij staat immers niet dicht bij mij. Het is een lieve vrouw met doordringende ogen. Alsof ze met haar ogen meer woorden uit me wil trekken. Ik glimlach naar haar alsof ik haar net verteld heb dat ik een voldoende heb gehaald voor mijn tentamen. Kienstra vertelt mij dat mijn zus vrijwillig naar haar toe moet komen om een verwijsbrief te krijgen naar een psycholoog. Ik baal, want ik wil dit eigenlijk regelen voor mijn zus. Ik krijg ook een verwijsbrief, terwijl ik niet eens voor mezelf ben gekomen. “Je moet eerst jezelf helpen, voordat je iemand anders kan helpen,” zegt Kienstra en ze knikt diep met haar hoofd. Ze schuift een foldertje met duim, wijs en middelvinger naar voren. Ik fiets naar huis en mijn hart klopt zo hard dat ik het gevoel heb dat mijn hele lichaam mee deinst. Ik hoop dat Ella ook een afspraak gaat maken en dat ze met iemand kan gaan praten die haar zelfvertrouwen terug kan geven. Ik loop naar haar kamer en zie dat ze net wakker is. Haar warrige lichtbruine haar zit voor haar lichtblanke gezicht. Ik laat




haar de folder zien die ik gekregen heb. Ze kijkt en laat haar hoofd zakken alsof ze wist dat deze dag zou komen. “Misschien is het wel goed om er eens over te praten,” zeg ik. Ella knikt. Onlangs droomde ik over mijn vader: ik ging met de bus terug naar de geboorteplaats van mijn vader. Ik stapte uit bij voetbalkantine ‘de Storm’, dé drankkantine van mijn vader. Ik liep naar binnen en zag alle mensen staan die een of andere relatie hadden met hem. Ze keken mij allemaal aan en herkenden mij meteen als een dochter van de Vries. Ik liep langzaam naar achter. Het leek alsof de blikken mijn pas vertraagden. Achterin zit een oude man met een hoed. Hij ziet mij, maar herkent me niet. “Hallo dame,” zegt hij nietsvermoedend. Ik kijk hem recht in zijn ogen. “Hoi, pap.”




'..............................................................................'




Jouw verhaal Lezer van het boek










Afstudeerproduct Dat had ik niet achter je gezocht Melisa Verheijen 28 mei 2014 Met dank aan: Johan Bouwmeester, Margriet de Groot, Annelies van der Goot, Sjoerd-Jeroen Moenandar Facebook: https://www.facebook.com/pages/Life-Writing/428018857301337?fref=ts


Dat had ik niet achter je gezocht Bijzondere levensverhalen van gewone mensen. Neem een kijkje in het leven van jonge mensen die in hun studietijd zitten of net zijn afgestudeerd. Ze bevinden zich aan het begin van hun leven en willen zich ontwikkelen. Ze staan voor moeilijke keuzes die belangrijk zijn voor hun toekomst. Die toekomst kan nog weleens heel anders uitpakken dan dat ze in eerste instantie hadden verwacht.

Afstudeerproduct Melisa Verheijen