Issuu on Google+

Bookfanatics Gotta read 'em all! “ S oc i a l m e d i a vs. h e t l e e sg e d ra g va n v mb o - l e e rl i n g e n.”

Kim Bazelmans 0884862 Melanie Kreukniet 0819174 Rick van Nes 0886115 Kristel van Schaik 0873969 Ellen Verbeek 0877644

NEDJL102X Jeugdliteratuur 1 | Januari 2014


Inhoudsopgave

Inleiding ................................................................................................................................. 3

1.

2.

Theoretisch kader........................................................................................................... 4 1.1.

Lezen ...................................................................................................................... 4

1.2.

Social media............................................................................................................ 7

1.3.

Stimuleren ............................................................................................................... 9

1.4.

Nu ..........................................................................................................................11

Praktijkonderzoek ..........................................................................................................13 2.1.

Enquête..................................................................................................................13

2.2.

Uitwerking enquête.................................................................................................13

3.

Conclusie .......................................................................................................................15

4.

Website .........................................................................................................................16 4.1.

Visie .......................................................................................................................16

4.2.

Link tussen het onderzoek en de website ...............................................................17

Bronnenlijst ..........................................................................................................................18

Bijlagen ................................................................................................................................20 Bijlage 1

Enquête...........................................................................................................20

2


Inleiding Onze onderzoeksvraag luidt als volgt: “In hoeverre wordt het leesgedrag van vmbo-leerlingen gestimuleerd door het gebruik van social media?” Om deze vraag te kunnen beantwoorden, hebben we een aantal theoretische deelvragen opgesteld die we beantwoorden in een theoretisch kader. 1) Waarom is lezen goed voor? 2) Wat is het belang van lezen voor vmbo-leerlingen? 3) Wat is het imago van lezen onder vmbo-leerlingen? 4) Wat is (social) media? 5) Hoe stimuleer je jongeren om te leren of om opdrachten te maken? 6) In hoeverre heeft de ‘nieuwe’ media invloed op het leesgedrag van jongeren? 7) Hoe wordt social media ingezet om de huidige leerlingen in het voortgezet onderwijs te stimuleren meer te lezen? © Bookfanatics. Gotta read ‘em all.

3


1. Theoretisch kader 1.1.

Lezen

Waarom is lezen goed voor je? Martijn Joosse heeft verschillende universiteiten in de wereld gevolgd terwijl ze onderzoek deden naar waarom en of lezen goed voor je is. De universiteit van Liverpool ontdekte dat het lezen van historische werken zoals die van Shakespeare en andere grootheden, een positief effect heeft op je gemoedstoestand. Je leert dan namelijk beter reflecteren op je eigen leven. In het onderzoek blijkt dat de kracht van literatuur is dat het gedachtegangen kan wijzigen en nieuwe gedachten en verbindingen in het brein kan creëren. De universiteit van Sussex heeft in 2009 bewezen dat lezen ook een stress verminderende werking heeft. Zo zou je van zes minuten lezen per dag, een derde minder stress hebben. Lezen werkt zelfs beter dan een rondje wandelen of rustige muziek luisteren. Je bent tijdens het lezen namelijk geconcentreerd aan het nadenken, waardoor je hartslag wat lager wordt. De onderzoekers van Stanford University hebben ontdekt dat als je iets gelezen hebt en er over na gaat denken, dit je concentratievermogen verbetert. Dit komt doordat het aandachtig lezen effect heeft op de cognitieve functies van je hersenen. Door steeds te kunnen schakelen tussen inspannend lezen en ontspannend lezen verbeter je je concentratievermogen. Volgens een onderzoek gepubliceerd in het blad Sience, is het mogelijk om door veel te lezen je sociale communicatievaardigheden te trainen. Dit doe je wel door zwaardere boeken te lezen (dus geen chicklits). Door het lezen van serieuze literatuur leer je situaties en mensen beter inschatten. De universiteit van Toronto voegt hier ten slotte aan toe dat je toleranter wordt van lezen. Door het gebruik van je inlevingsvermogen open je je brein voor nieuwe ideeën en manieren om tegen situaties aan te kijken. Ook kunnen mensen die fictie lezen beter met onzekerheid omgaan (Joosse, 2013). Inmiddels is duidelijk dat opgroeiende kinderen en jongeren minder lezen dan vroeger, maar de leeftijd speelt daarin een grote rol. Uit meerdere onderzoeken is namelijk gebleken dat jongeren naarmate ze ouder worden steeds minder gaan lezen (Monitor Bibliotheek op school, 2013). Van de 7-jarigen leest, zoals hieronder te zien: 68% vrijwel dagelijks een boek. Aan het eind van de basisschool, op 12-jarige leeftijd, is dat flink gedaald (nog 35%). Het percentage van kinderen dat nooit een boek leest neemt vanaf die leeftijd ook toe. De trend van een minder wordende leestijd zet zich door tot het vijftiende jaar. 21% leest op die leeftijd nog dagelijks in een boek, dat is ongeveer net zoveel als het percentage ‘nooit’-lezers (Huysmans, 2013).

4


Het populairste genre onder 7-jarigen tot 15-jarigen is het lees- of verhaalboek, gevolgd door het stripboek en het informatieve of weetjesboek. Als kinderen ouder worden, gaan ze al deze boekgenres minder vaak lezen. Gedichtenbundels vertonen met de jaren een stabiel niveau, terwijl boek-apps aan belangstelling winnen – al blijft de mate waarin deze genres worden gelezen beperkt (Huysmans, 2013). 7-jarigen tot 15-jarigen lezen vaker in boeken dan in kranten en tijdschriften. Deze media kennen, anders dan boeken, geen geleidelijke afname met de leeftijd. Als kinderen ouder worden blijven ze ongeveer evenveel tijdschriften lezen, terwijl het lezen van kranten zelfs toeneemt (Huysmans, 2013). De uiteenlopende lees- en genre voorkeuren tussen jongens en meisjes ontstaan al op jonge leeftijd (Monitor Bibliotheek op school, 2013). Meisjes lezen op 7-jarige leeftijd vaker in boeken dan jongens. Dit verschil blijft zichtbaar tot het vijftiende levensjaar. Uit onderzoek blijkt dat meisjes liever lees-, verhaal- en gedichtenboeken (fictie) lezen. Jongens lezen daarentegen liever informatieve boeken (non-fictie). De leesfrequentie van deze kinderen van tijdschriften is ongeveer gelijk, maar kranten zijn iets populairder onder jongens. Dit laatste geldt vooral voor leerlingen van de middelbare school (Huysmans, 2013). De leestijd van boeken, kranten en tijdschriften neemt volgens veel onderzoekers af, maar dat betekent niet direct dat er sprake is van ‘ontlezing’. Veel activiteiten met digitale media hebben te maken met lezen en/of schrijven. Deze activiteiten zijn samen goed voor 2,2 uur van de 3,8 uur per week computertijd in het SCP tijdsbestedingsonderzoek van 2005. Bijvoorbeeld het werken met tekstverwerkingsprogramma’s (0,3 uur), e-mailen (0,4 uur), chatten (0,7 uur) en online kranten lezen (0,1 uur). Ook het zoeken naar informatie (0,4 uur) en zomaar wat op het web rondkijken (0,3 uur) zijn activiteiten die met lezen en schrijven te maken hebben (SCP, 2010). In het SPOT tijdsbestedingsonderzoek bestaat vrijwel alle internettijd uit lees- en schrijf gerelateerde taken. Van de totale 11,6 uur per week in 2012, besteden Nederlanders 4,4 uur aan e-mailen, 2,8 uur aan sociale media en 3,9 uur aan het bezoeken van webpagina’s (SPOT, 2012). Op het online lezen van kranten na, gaat het hier niet om ‘traditionele’ leesactiviteiten. Uit een SCP onderzoek uit 2008, waarin respondenten boven de 16 jaar zowel een dagboek bijhouden in de werk- als in de vrije tijd, blijken zij nog nauwelijks een plaats te hebben veroverd in het digitale domein. Nederlanders in de leeftijd 16-80 jaar lezen wekelijks 0,1 uur in online kranten, tegen 2,7 uur in gedrukte kranten. Boeken (papier: 1,6 uur) en tijdschriften (papier: 2,2 uur) worden nog helemaal niet digitaal gelezen (SCP, 2010). 5


Met de introductie van de e-reader en de tablet zijn de cijfers uit het SCP mediatijdsbestedingsonderzoek uit 2008 inmiddels deels achterhaald. Deze digitale leesapparaten zorgen voor een sterkere positie voor e-boeken, e-kranten en e-tijdschriften. Volgens SPOT is het online lezen van kranten nagenoeg stabiel: 0,1 uur per week in 2008, 0,2 uur per week in 2010 en 0,1 uur per week in 2012. Boeken lezen op de tablet is in 2012 eveneens goed voor een wekelijkse 0,1 uur, tijdschriften worden nog verwaarloosbaar weinig digitaal gelezen (SPOT, 2012). De digitale ontwikkelingen zorgen er dus niet voor dat jongeren minder lezen. Het lijkt er op dat we niet echt minder lezen en schrijven, maar dat we vooral andere teksten en media gebruiken. Minder boeken, kranten en tijdschriften, tegenover meer e-mail, sociale media en websites.

Wat is het belang van lezen voor vmbo-leerlingen? Vincent van Grinsven, Liesbeth van der Woud, Lenie van den Bulk en Menno Kouveld beschrijven in hun behoefteonderzoek onder vmbo-docenten Nederlands over het bevorderen van lezen: Wie leest, heeft de wereld binnen handbereik (2010), de belangrijkste redenen om het lezen te stimuleren in het vmbo. Ten eerste helpt het om de technische leesvaardigheden te verbeteren. Denk hierbij aan: woordenschat, begrijpend lezen en technisch lezen. Ten tweede helpt het de algemene ontwikkeling en de eigen meningsvorming te bevorderen, het inlevingsvermogen te vergroten en de fantasie en creativiteit van de leerlingen te prikkelen. Ten derde helpt het de leerlingen het plezier en de rust van lezen te ervaren en leerlingen te enthousiasmeren voor lezen in het algemeen.

Wat is het imago van lezen onder vmbo-leerlingen? Over het algemeen hebben de leerlingen in het vmbo geen moeite met lezen, maar vinden zij het wel saai. Uit onderzoek blijkt dat leerlingen hun vrije tijd het liefst besteden aan televisie kijken, computeren, met vrienden afspreken, (buiten) spelen en muziek luisteren. Na deze activiteiten komt lezen pas aan de beurt, voornamelijk onder meisjes. De leerlingen besteden hun vrije tijd dus het liefst aan andere bezigheden. Naar mate de leerlingen ouder worden, worden er ook minder boeken gelezen. De tendens van ‘ontlezing’, die al langer gaande is, wordt hiermee bevestigd. Daarentegen wordt de krant wel vaker gelezen door de wat oudere jeugd. Martin Siebelhoff, Maaike Caarels en Weng Shen Cheung beschrijven dit in hun artikel De wereld van Jeugd- en Jongeren en de plek van de bibliotheek (2010). De leerling is vaak een betere lezer wanneer hij of zij plezier heeft in het lezen. Op het vmbo vindt de leerling zichzelf over het algemeen geen goede lezer. Hierdoor vinden ze lezen ook minder leuk. Er wordt namelijk vaak minder en slechter gelezen door jongeren die verwachten dat zij niet goed presteren. Vmbo-leerlingen, met name brugklassers, vinden het lastig om hun eigen leesvaardigheid in te schatten. Het zelfbeeld van leerlingen wat betreft hun leesvaardigheid, kan een rol spelen bij hun leesgedrag en leesprestaties. Vincent van Grinsven, Liesbeth van der Woud, Lenie van den Bulk en Menno Kouveld schrijven dit in hun behoefteonderzoek onder vmbo-docenten Nederlands over het bevorderen van lezen: Wie leest, heeft de wereld binnen handbereik (2010). Het lezen op zich en het bezoeken van een bibliotheek zien kinderen meer als een verplichting, het moet van school of van hun ouders. Bijna de helft van de kinderen vindt een bibliotheekbezoek ‘niet zo leuk.’ Voor sommigen is lezen het mooiste dat er is, voor anderen is het verplicht en noodzakelijk. Jelle Jolles schrijft dit in zijn onderzoek ‘Ik ben geen goede lezer’ (2013).

6


1.2.

Social media

Wat is (social) media? Positieve en negatieve effecten wisselden elkaar al snel af sinds de komst van media in het leven van kinderen. Patti Valkenburg schrijft in haar boek Beeldschermkinderen (2008) dat dit komt door een samenhang tussen de - in de loop der tijd - wisselende opvattingen over media en de visie op kinderen. Tot de achttiende eeuw waren er geen aparte media voor volwassenen en kinderen. In die tijd werden er door iedereen dezelfde teksten, zoals de Bijbel en de krant gelezen. Zo werden kinderen op jonge leeftijd al geconfronteerd met onderwerpen zoals politiek maar ook seksualiteit, geweld en armoede. Halverwege de achttiende eeuw veranderde dit en deze verandering ging samen met de verlichtingsideeën. Volgens verschillende verlichtingsfilosofen zouden kinderen met een gelukkige en onbezorgde jeugd later als volwassenen minder argwanend en opvliegend gedrag laten zien. Op school werden er daarom kinderboeken aangeboden in plaats van de kranten. Ook werden sommige Bijbelverhalen aangepast, omdat deze niet geschikt waren voor kinderen. In het begin was het begrip jeugd, dus de gelukkige en onbezorgde periode van kind tot volwassene, alleen voor de hogere klasse van de bevolking. De kinderen uit de lagere klasse van de bevolking gingen niet naar school, maar maakten lange werkdagen in de fabrieken. Daarom konden veel arbeidersgezinnen niet lezen en dus geen gebruik maken van verschillende teksten, zoals de krant of kinderboeken. Toen in 1874 het verbod op kinderarbeid en in 1900 de Wet op de Schoolplicht werd ingevoerd, begon het begrip jeugd zich pas een weg te banen door alle klassen van de bevolking. De zorgeloze jeugdperiode van veel kinderen speelde zich ver af van de ‘grote, boze’ volwassen mediawereld. Onderwerpen zoals armoede, seks en de dood werden niet met kinderen besproken, laat staan dat deze terug kwamen in de media voor de jeugd. Toen in de jaren ’60 jongerenbewegingen zoals de hippies hun opkomst maakten, werd het gedachtenpatroon over het ‘kwetsbare’ kind steeds vaker bediscussieerd. Zij vonden juist dat kinderen in een schijnwereldje leefden en dat onderwerpen zoals de dood geen taboe moesten zijn voor de jeugd (Valkenburg, 2008). Uiteraard waren er in die tijd mensen het niet eens met dat standpunt. Zo zegt bijvoorbeeld de kinderpsycholoog Elkind (1981) in zijn boek dat kinderen op die manier te snel volwassen worden. Volgens Postman (1983), een cultuurcriticus, wordt de jeugd belast met informatie die lang taboe is geweest voor ze. Dit kan zelfs tot gevolg hebben dat de jeugd gestrest en onzeker is, leidt aan depressies en agressief gedrag vertoont. (Elkind, 1981). Nu kun je het effect zien van het ‘belasten’ van de jeugd; kinderen gedragen zich onafhankelijk zoals een volwassene dat doet, maar de taken van een volwassene, zoals werken en het krijgen van kinderen blijven voorbehouden voor op latere leeftijd (Valkenburg, 2008). Inmiddels zijn de gedrukte media, zoals de krant, online verkrijgbaar, samen met allerlei andere teksten. Ook kun je gemiste radio en/of televisie uitzendingen via het medium internet terugluisteren- en kijken. In 2013 wordt het begrip media op Vandale.nl uitgelegd als een middel om informatie over te dragen (Vandale.nl, 2013). Wanneer je deze middelen zelf ook gebruikt om informatie te delen en over te dragen, noemen we het social media. Zelf hebben we social media als volgt gedefinieerd: ‘’een verzamelbegrip voor toegankelijke online media waar gebruikers hun eigen inhoud kunnen plaatsen en delen – zonder tussenkomst van een redactie. Ook kun je met social media samen tot leren komen door te communiceren met andere gebruikers en te reageren op hun inhouden.’’ Om tot deze eigen definitie van social media te komen, hebben we gebruik gemaakt van een viertal definities uit diverse bronnen. Volgens Remco Pijpers (2012, p. 4) kun je social media definiëren als: ‘’een verzamelbegrip voor platforms op internet waar de gebruikers de inhoud verzorgen.’’ Erno Mijland (2012, p. 17) zegt dat social media ‘’een online gereedschapskist is met digitale middelen die het mogelijk maken om tijd- en plaats onafhankelijk samen te werken, te

7


communiceren en te leren.’’ Ook hebben we gebruik gemaakt van de definitie van Segers (2012, p. 21): ‘’Social media zijn online platforms – zeg maar ontmoetingsplaatsen – waar je zonder noemenswaardige tussenkomst van een redactie, je eigen inhoud kunt plaatsen: je eigen verhaal, ervaringen, kennis, vragen, profiel, foto’s. Een andere voorwaarde waar het aan moet voldoen, is dat het zich leent voor interactie. Je kunt reageren op andere gebruikers van het platform en zij op jou.’’ En tot slot hebben we gekeken naar hoe het Kennisplatform voor social media (n.d.) “social media” definieert en dat doen zij als volgt: ‘’Social media zijn een verzamelnaam voor alle internettoepassingen waarmee het mogelijk is om informatie met elkaar te delen op een gebruiksvriendelijke en vaak leuke wijze.’’ Bekende voorbeelden van social media zijn Facebook, Twitter, Hyves en Youtube, maar ook Skype en WhatsApp zijn social media met veel gebruikers over de hele wereld.

8


1.3.

Stimuleren

Hoe stimuleer je jongeren om te leren of om opdrachten te maken? Om leerlingen te blijven stimuleren is het soms beter om verschillende aspecten af te wegen tegen elkaar. Zo kun je bij een opdracht creatief schrijven de creativiteit van de leerlingen beter stimuleren als je in eerste instantie minder aandacht besteedt aan de spellingsfouten. Bevorder in plaats daarvan bij een opdracht vooral de creativiteit en het eigen idee van de leerling. Geef ze duidelijke opdrachten en duidelijke leiding. Als een opdracht vaag uitgelegd is werkt dit demotiverend voor veel leerlingen. Bij het lesgeven aan onderbouwklassen is het verstandig om af en toe een opdracht in spelvorm te doen. Gebruik bijvoorbeeld strookjes tekst met onderwerpen die passen bij de opdracht en laat de kinderen een onderwerp uit de pot trekken. Op deze manier zijn ze speels bezig met het voorbereiden van opdrachten. Verneder een leerling nooit om wat hij of zij gedaan heeft. Op deze manier zal het nooit meer lukken om de leerling te stimuleren tot het gebruik maken van zijn creativiteit (Zonneveld, 2009).

De universiteit van Amsterdam heeft onderzoek gedaan naar welke vier kerndoelen er opgesteld kunnen worden om leerlingen zelfstandig te laten werken en motiveren. Er is hernieuwde aandacht voor het leren in samenwerkingsverband in kleine groepen. Ze hebben het procesmodel opgesteld in onderstaande vier delen: 1) tonen 2) uitleggen 3) verantwoorden 4) reconstrueren In het onderdeel tonen geef je de leerlingen een voorbeeld van andere studenten of een voorbeeld vanuit eigen werk. Zo geef je ze een idee van wat ze moeten doen. Bij uitleggen verwacht men dat de docent het voorbeeldwerk toelicht en de opdracht verder uitlegt. Dit doet hij/zij door te vertellen hoe de persoon van het voorbeeldwerk te werk is gegaan. Zo kunnen de leerlingen de gedachtegang die in het uiteindelijke werk resulteerde volgen. Ze zien zo welk pad ze kunnen volgen om de opdracht te voltooien. Bij het verantwoorden wordt uitleg gegeven over begrippen die de leerlingen nodig hebben om de opdracht te maken. Bij reconstrueren, ook wel het opnieuw construeren genoemd, wordt de opdracht bekeken en daarna gereflecteerd. Door deze strakke vorm van uitleggen aan te houden wordt de leerlingen voorgelegd wat ze moeten doen en vooral hoe. Hierdoor kan stimulatie plaatsvinden omdat de leerlingen weten dat als ze het volgens plan uitvoeren ze eigenlijk niet meer kunnen falen. Het nadeel is wel dat de creativiteit van leerlingen absoluut niet gestimuleerd wordt omdat alles zo is voorgekauwd (Dekker & Elshout-Mohr, 1996). Omdat in ons theoretisch kader een deel gefocust is op vmbo-leerlingen hebben we uit het tijdschrift voor lerarenopleiders 2012 een artikel gehaald. Volgens dit artikel kun je vmboleerlingen stimuleren door op vier terreinen te letten. Dit artikel gaat uit van de ABCDmethode. A = aansluiten bij de leerlingen. Om leerlingen te stimuleren moet je je pedagogisch en vakdidactisch aanpassen aan het niveau van de leerlingen. Te hoog of te laag niveau demotiveert. B= beroepsgericht werken. Bij het stimuleren van VMBO-leerlingen is het heel erg nodig om ze te vertellen wat ze er mee kunnen bereiken, en waarom ze juist deze bepaalde opdracht moeten doen. Als het nut heeft om te doen en het doel is duidelijk stimuleert dit de leerlingen om hun uiterste best te doen. C = contextgericht werken, Leren vindt zoveel mogelijk plaats in een voor de leerling levensechte context, situatie, of activiteit uit de werkelijkheid, al dan niet gesimuleerd. Theorie en praktijk worden zoveel mogelijk samengevoegd.

9


Voorbeelden van leren in levensechte contexten: werkplekleren, leren tijdens stage, werken met casussen, praktijkgerichte opdrachten, voor het vak Nederlands een stageverslag maken of een sollicitatiebrief voor je stage. Deze categorie heeft te maken met didactiek, de didactische competentie en samenwerken met omgeving en leraren. Door de echtheid van de situatie te gebruiken stimuleer je de leerling. D = doorlopende leerlijnen in het toekomstperspectief van het kind. Om kinderen in het vmbo te stimuleren moet je als docent heel erg gericht zijn op wat het kind wil worden. Hierin moet je hem of haar kunnen ondersteunen, wegwijzen en helpen oriĂŤnteren.

10


1.4.

Nu

In hoeverre heeft de ‘nieuwe’ media invloed op het leesgedrag van jongeren? De nieuwe media, zoals de televisie en de computer zouden de lezers bedreigen. Zo vreesden Roald Dahl en zijn generatie dat de kijkbuis ervoor zou zorgen dat er niet voor gelezen werd door kinderen. Zo schrijft Dahl in Sjakie en de chocoladefabriek (1964) over Mike. Deze jongen doet de hele dag niets anders dan televisie kijken. Het volgende citaat is een typering van hoe Dahl over het televisie kijken denkt. “Hun hersens rotten in hun hoofd Verbeeldingskracht wordt uitgedoofd Zintuigen worden afgestompt Iets dat door al dat staren komt Die kinderen worden blind en dom Hun hersens trekken langzaam krom Totdat ze niets meer kunnen snappen Geen goed verhaal , geen leuke grappen Ze denken niet meer – ze kijken maar Alle programma’s na elkaar” (Dahl, 1964: geciteerd uit Van Coillie, 2007) In de jaren zeventig en tachtig bleek uit diverse onderzoeken dat er minder gelezen werd door kinderen en gaven de televisie de schuld. Echter blijkt uit het onderzoek naar het leesgedrag van Vlaamse jongeren (1993) van Rita Ghesquiere dat het niet zo hoeft te zijn dat een kind het boek vervangt voor de televisie. Kinderen gebruiken boeken en de televisie voor verschillende redenen. Verfilmingen zouden er juist voor kunnen zorgen dat kinderen ook het boek gaan lezen (Tellegen en Catsburg, 1987). Vanaf 1995 verandert de vrijetijdsbesteding van de jeugd opnieuw door de uitvinding van de computer. Vooral na de eeuwwisseling gaat het heel snel met het computergebruik: de jeugd speelt spelletjes op de computer, surft op het internet en maakt gebruik van social media. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt er minder gebruik gemaakt van gedrukte media, zoals de krant. Hiervoor wordt de computer als boosdoener bestempeld. Onder tieners is de toename van online computergebruik het grootst. Andere onderzoekers toonden aan hoe populair de computer is onder de jeugd. Voordat boeken lezen ter sprake komt, wordt eerst internetten, spelletjes spelen, sporten, televisie kijken en muziek beluisteren als vrijetijdsbesteding genoemd (Breeveld e.a., 2006). Stalpers (2003) concludeert het volgende in zijn onderzoek: “Jongeren lezen minderen dan andere generaties, minder dan ze als kind deden en minder dan jongeren in eerdere decennia.” (Stalpers, 2003: geciteerd uit Van Coillie, 2007, p. 63). Maar uit zijn onderzoek blijkt ook dat 49% van de negen- tot twaalfjarigen één of meerdere keren in de week fictie leest. Ook geeft een groot deel van de jeugd aan een positief houding te hebben tegenover het lezen. Zo’n 42% zegt lezen leuk te vinden. Daarnaast komt er uit het onderzoek van Stalpers (2003) dat 41% van de jongeren het nuttig vindt om te lezen, tegenover 28% overbodig. Bijna de helft van de twaalf- tot twintigjarigen leest niet graag in hun vrije tijd, volgens een onderzoek van de Nationale Jeugdraad (Lezen, 2006). Maar 66% van hen vindt lezen wel degelijk belangrijk: ter vergroting van hun woordenschat en algemene ontwikkeling of ter ontspanning (Lezen, 2006). Om terug te komen op welke invloed de ‘nieuwe’ media heeft op het leesgedag van jongeren, een citaat van Francine Oomen: “Ik denk dat kinderen nu juist meer lezen en schrijven dan ooit. Maar het gebeurt op een manier die we ons nooit hadden kunnen

11


voorstellen: via het beeldscherm. Dat contact is niet per definitie oppervlakkig.” (Francine Oomen, 2005: geciteerd uit Van Coillie, 2007, p. 65) De computer heeft gezorgd voor een nieuwe manier van lezen. Als lezer van een boek interpreteer je de informatie die je in een bepaalde volgorde wordt aangereikt. Als computergebruiker ligt dit anders en moet je eerst zelf de voor jou relevante informatie selecteren. Deze manier van lezen vindt je bijvoorbeeld terug in tijdschriften. Je kunt het tijdschriften doorbladeren en zelf kiezen wat je wel en niet wilt lezen. Daarnaast ben je bij het spelen van een computerspel een actieve deelnemer en lijkt het net alsof je het verhaal echt meemaakt. Dit heeft invloed gehad op schrijvers van boeken. Zij verwerken meerdere aflopen in hun verhaal en laten de lezer zelf het einde verzinnen. Als laatste noemt van Coille (2007) het sneller lezen op het beeldscherm en het meer als een film laten verlopen van een verhaal. J.K. Rowling heeft Harry Potter zo opgebouwd dat de lezer direct gegrepen en meegevoerd wordt door het verhaal.

Hoe wordt social media ingezet om de huidige leerlingen in het voortgezet onderwijs te stimuleren meer te lezen? We weten dat sociale media erg populair zijn onder jongeren, maar er is nog niet veel bekend over de effecten ervan voor onderwijs gerelateerde doeleinden op de middelbare school (VO). Een groot onderdeel van het sociale leven van jongeren is de school. Ook met gebruik van sociale media kan de betrokkenheid bij de school in stand gehouden worden. Het gebruik van media is in de loop der jaren erg veranderd. Onder mediagebruik wordt radio luisteren, televisie kijken, lezen van kranten en tijdschriften en het gebruik van de computer bedoeld. Hoewel de totale tijdsduur voor mediagebruik al jaren hetzelfde blijft met zo’n negentien uur per week, is de invulling van deze negentien uur aan vele veranderingen onderhevig geweest (Huysmans, De Haan, Van den Broek & Van Ingen, 2006). Zo blijkt uit een onderzoek van Huysmans, De Haan en Van den Broek (2004) dat in 1975 jongeren tussen de 12 en 19 jaar gemiddeld 4,6 uur per week aan lezen besteedden, terwijl dit in 2000 nog maar 1,4 uur per week was. We leven in een cultuur waarin media erg belangrijk zijn. op ieder moment van de dag zijn we omringd door een enorme verscheidenheid aan media. Vooral jongeren maken gebruik van sociale media. Zij staan ermee op en gaan ermee naar bed. Ze voorzien jongeren van informatie, communicatie en amusement. Voor jongeren is ‘whatsappen’, ‘facebooken’ en TV kijken tweede natuur geworden. De rol van ouders en leraren is erg belangrijk bij het ‘mediawijs’ maken van jongeren. Met ‘mediawijs’ bedoelen we het leren omgaan met media: wat kan wel en wat kan (nog) niet. Er zijn in Nederland verschillende projecten actief die zich hierop richten. Deze ondernemingen zijn gericht op het gebruik van sociale media door jongeren, zodat zij zich bewust worden van de betekenis en het gebruik van beelden. Ook is het belangrijk om duidelijk te maken dat de invloed van de media schadelijk kan zijn voor gevoel en identiteit. Ook privacy is een van de meest belangrijke onderdelen waar jongeren zich bewust van moeten zijn. Om leerlingen zelfstandig te laten leren en om hen bewust te maken van de werking en het gebruik van de media, is leerlinggericht onderwijs opgezet. Hierbij wordt de klassieke driehoek leraar, leerling, leerstof ingeruild voor de nieuwe driehoek: leerling, leerbronnen, leerorganisatie. De jongere staat in het midden van deze driehoek. Docenten zijn dan trainers en coaches met een begeleidende functie. Op deze manier zijn er geen verschillende leraren met afwijkende visies meer, maar allen met een visie. Het centrale doel is het leerproces en de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen. Nieuwe media spelen als hulpmiddel en als lesstof een belangrijke rol in dit proces (Van Acht, 2003).

12


2. Praktijkonderzoek 2.1.

Enquête

De enquête kunt u vinden in bijlage 1.

2.2.

Uitwerking enquête

Gewapend met de vragenlijst gingen we langs bij het Munnikenheide college te Etten-leur en het Goesse lyceum te Goes. De resultaten van de enquête zijn hieronder uitgewerkt.

Over jezelf In totaal waren er 72 deelnemers, waarvan 35 jongens, 32 meisjes en vijf van hen die geen geslacht hebben ingevuld (onzijdig). Deze 72 deelnemers zitten op de middelbare school, op het vmbo. Zes van hen zijn tussen de tien en twaalf jaar oud, 54 deelnemers zijn tussen de dertien en vijftien jaar oud en 13 van hen zijn zestien jaar of ouder. Wat vooral de jongens graag in hun vrije tijd doen is computeren/televisie kijken en sporten, ruim 84% kiest voor deze activiteiten. De computer en televisie zijn ook populair bij de meisjes, 40% van hen kiezen hiervoor. Voor ongeveer een derde van de meisjes is sociaal contact erg belangrijk, want 34,3% vindt ‘afspreken met vrienden’ het leukst om te doen na schooltijd.

Over lezen 96% van de ondervraagden lezen nul tot twee boeken per maand. Dit is de meest opvallende uitkomt van ons onderzoek. Zo zijn er maar twee meisjes die drie tot vijf boeken lezen per maand en slechts één meisje dat aangeeft zes of meer boeken per maand te lezen. Dit betekent dat alle jongens, 35 in totaal, die deze enquete hebben ingevuld nul tot twee boeken lezen. Van de 35 jongens geven er 28 aan dat zij alleen boeken lezen voor school en vijf van hen zeggen zowel te lezen voor school als voor zichzelf. Bij de meisjes is de uitkomst minder schokkend. 16 meisjes lezen voor school en in hun vrije tijd boeken en 17 meisjes lezen deze alleen voor school, dus alleen als het moet. Uit ons onderzoek is gebleken dat de meeste vmbo-leerlingen, wanneer zij een boek kiezen, letten op de titel van het boek. Namelijk: 29,3% van de leerlingen kijkt naar de titel van een boek. Ook de kaft (23,3%), het aantal bladzijden (17,2%) en de flaptekst (19,8%) spelen een grote rol in het maken van de beslissing voor een boek. De overige 10% van de leerlingen kijkt vooral naar de schrijver en het thema van het te kiezen boek.

Over social media Social media zijn populair onder jongens, maar opvallend genoeg is uit ons onderzoek gebleken dat slechts 11,4% van de jongens meer dan 6 uur per dag gebruik maakt van social media. Bij de meisjes is dit 28,1%. De meerderheid (80,5%) van de jongeren zegt dus maar tussen de 0 en 5 uur te spenderen op sociale media. De helft van de jongens geven aan social media te gebruiken ter ontspanning, namelijk 18 van de 35 jongens, dit is 51,43%. (Dit percentage is tot stand gekomen, doordat de jongeren meerdere antwoorden konden invullen bij desbetreffende vraag). Het merendeel van de meisjes zegt social media te gebruiken om contact te leggen met anderen. 78,1% van de ondervraagde meisjes kiest voor bovengenoemde optie.

13


De ondervraagde vmbo’ers zeggen allemaal gebruik te maken van social media, de een meer dan de ander natuurlijk. De filmpjessite YouTube is de populairste versie van social media onder deze groep jongeren. 68 (94,4%) van de 72 leerlingen gebruiken YouTube, waaronder 32 jongens, 31 meisjes en ook alle 5 leerlingen die het geslacht helaas niet hebben ingevuld. Het verschil tussen jongens en meisjes is bij deze vraag dus minimaal. Whatsapp (90,3%), Facebook (70,8%) en Twitter (57%) volgen in de lijst van populaire social media.

Social media vs. lezen Erg veel van de jongeren geven aan niet door social media te worden gestimuleerd om te gaan lezen. 54,3% van de ondervraagde jongens geeft dit aan. De helft van de meisjes geeft aan niet te weten of deze stimulance aanwezig is, deze is dus onbekend voor hen. 40,7% van deze meisjes zegt niet te geloven dat social media enige stimulans kan zijn om boeken te lezen.

De mogelijkheden die social media bieden om leerlingen te stimuleren boeken te lezen zien de leerlingen wellicht niet, of er wordt nog te weinig aandacht aan besteed in het huidige onderwijs. Wij zijn namelijk van mening dat social media wel degelijk een handvat kan zijn om lezen aantrekkelijk(er) te maken. Social media is volgens de meeste leerlingen interessant, interessanter dan lezen zegt bijna 10% van de ondervraagde studenten. Ook 10% zegt lezen gewoon niet leuk te vinden.

14


3. Conclusie “In hoeverre wordt het leesgedrag van vmbo-leerlingen gestimuleerd door het gebruik van social media?” Als je er even bij stilstaat hoeveel tijd vmbo-leerlingen doorbrengen met het gebruik van social media en hoeveel leerlingen er gebruik van maken, kun je tot de conclusie komen dat dingen als facebook en twitter een gigantisch groot wapen kunnen zijn. Je zou zeggen dat daar mogelijkheden liggen om de interesse in literatuur bij leerlingen aan te wakkeren. Toch geven de resultaten van onze enquête een compleet ander beeld.

Imago van lezen We zouden hier graag een positief antwoord neerzetten, maar dat is helaas niet de realiteit. Uit onze enquête blijkt dat vmbo-leerlingen tussen de 14 en 16 jaar oud amper lezen. Er waren van de 72 deelnemers slechts drie leerlingen die aangaven meer dan ‘nul tot twee’ boeken per week te lezen. Een optimistische conclusie zou kunnen zijn dat alle andere leerlingen misschien twee boeken per week lezen, het antwoord zegt immers nul tot twee. Maar op basis van reacties als ‘lezen is saai’ en ‘door social media heb ik minder tijd om te lezen’ zou dat bijzonder naïef zijn. Het lezen van jeugdboeken (tenzij voor school) is onder vmbo-leerlingen totaal niet populair. Dit komt overeen met de conclusies die terugkomen in de literatuur die we hebben geraadpleegd. De tijd die leerlingen besteden aan lezen wordt aanzienlijk minder als ze van de basisschool af komen. Wellicht dat lezen dan niet ‘stoer’ genoeg meer is, wie zal het zeggen. Het imago is vooral: Lezen is saai.

Stimuleren tot lezen Het zal in deze tijd per definitie lastig zijn om vmbo-leerlingen te stimuleren meer te lezen. Het imago van lezen is immers niet zo goed. Toch zijn er mogelijkheden. In de eerste plaats door het enthousiasme voor literatuur zelf over te brengen. Dit kan door hartstochtelijk te vertellen over een jeugdboek dat je zelf hebt gelezen, of door op een leuke manier fragmenten voor te lezen. De vmbo-leerlingen moeten zien dat lezen niet saai is maar juist hartstikke leuk. Door extra aandacht te geven aan de interesses van individuele leerlingen kun je veel beter inschatten watvoor boek bij hem of haar past. Als je dan een boek aanraadt is de kans groot dat de leerling in kwestie het ook leuk vindt. Leerlingen geven vooral aan juist minder te lezen, omdat ze daar minder tijd voor hebben vanwege de sociale media. Dit is ook niet zo gek bedacht. Als je meer tijd besteedt aan bijvoorbeeld filmpjes kijken op Youtube, dan heb je minder tijd om te lezen. Uit dit gegeven kunnen we overigens nog een conclusie trekken: vmbo-leerlingen vinden dingen als computeren, televisie kijken en sporten leuker dan lezen. Een eventuele stimulans van het leesgedrag vanuit social media is volgens ons dus ver te zoeken. De meeste leerlingen geven ook aan niet of nauwelijks via social media te worden aangespoord om boeken te lezen. Dat is jammer, want de mogelijkheden zijn er zeker. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het aanprijzen van jeugdliteratuur via Twitter, of de verschillende websites (die er al zijn) die boekrecensies aanbieden zodat leerlingen kunnen zoeken op wat ze graag willen lezen. Maar wat de leerlingen ons hebben verteld middels de enquête is dat social media op dit moment totaal geen stimulans biedt om meer te lezen.

15


4. Website 4.1.

Visie

Welkom op Bookfanatics! De naam van de site laat al zien waar het om gaat: middelbare scholieren net zo enthousiast maken voor het lezen van jeugdboeken als wij zijn. De visie die wij voor ogen hebben is niet zo zeer een pure recensiesite. We willen meer zijn dan dat. We willen het makkelijker maken voor scholieren om een boek te vinden dat bij ze past. In zekere zin willen we ze dus koppelen aan boeken dat ze leuk (gaan) vinden. De visie kan vergeleken worden met een datingsite voor boeken. Zo kwamen we aanvankelijk op het idee om een zoekmachine op de site te plaatsen, waar scholieren konden invoeren wat ze leuk vinden in een boek. Onze site zou dan antwoord geven met een boek dat zo dicht mogelijk bij deze zoektermen ligt. Zo zou iemand bijvoorbeeld kunnen zoeken op ‘spannend’, ‘makkelijk te lezen’ en ‘magie’, en onze site zou dan zeggen: “Dan moet je Harry Potter lezen!”. Helaas is deze zoekmachine er uiteindelijk niet gekomen, omdat onze technische vaardigheden met betrekking tot het bouwen van de website tekort schoot. Toch hebben we het voor de scholieren makkelijk kunnen maken om boeken te vinden. Op de homepagina staat uitgelegd hoe: Een scholier beweegt met zijn muis over de knop met zijn of haar leeftijd en vervolgens kan hij of zij kiezen tussen verschillende genres. Met een klik komt de scholier dan terecht bij verschillende recensies van boeken die bij het gekozen genre passen. Misschien is dat iets minder spectaculair dan het originele idee, maar het is zeker net zo effectief. Door hier te klikken kunt u zelf een kijkje nemen op de website.

16


4.2.

Link tussen het onderzoek en de website

Allereerst hebben wij onderzoek gedaan naar onze hoofdvraag: ‘In hoeverre wordt het leesgedrag van vmbo-leerlingen gestimuleerd door het gebruik van social media?’ Hieruit is naar voren gekomen dat de vmbo-leerlingen die aan ons onderzoek hebben deelgenomen aangeven juist minder te lezen, omdat ze daar minder tijd voor hebben vanwege de sociale media. Dit lijkt ons een logische verklaring. Wij zijn echter wel van mening dat social media op een interessante manier kan worden ingezet ter stimulatie van het leesgedrag van jongeren.Tijdens het ontwerpen van onze website hebben we deze gedachte meegenomen. We hebben ervoor gekozen onder iedere recensie een koppeling te maken met Twitter en Facebook. Deze twee sociale media zijn een van de populairste varianten, vandaar onze keuze. Ook hebben we een eigen Bookfanatics-pagina op Twitter. Deze gebruiken we bijvoorbeeld nieuwe jeugdboeken te promoten. Bookfanatics op Twitter is de koppeling tussen de website en de jongeren. 96% van de ondervraagden lezen nul tot twee boeken per maand. Dit is de meest opvallende uitkomt van ons onderzoek. Hier kunnen wij in directe zin niets aan veranderen. Wij proberen wel, door onze website zo aantrekkelijk mogelijk te maken, de jongeren te stimuleren met boeken bezig te zijn. Sommige boeken zijn erg populair, zoals de serie van Harry Potter en de serie ‘Hoe overleef ik’-boeken. Deze boeken hebben wij een ereplaats gegeven op onze website. De series worden toegelicht ter informatie en om ervoor te zorgen dat de lezer enthousiast wordt. Vervolgens hebben wij de lezers uitgedaagd een boek van een serie te lezen die wij nog niet hebben gerecenseerd. Op deze manier hopen wij een stimulans te geven aan de lezer om meer boeken te lezen, van dezelfde serie of een andere. Ook bij de series hebben wij de boekenkaft weergegeven, zodat het zichtbaar is over welke boeken het gaat. Uit ons onderzoek is gebleken dat de meeste vmbo-leerlingen, wanneer zij een boek kiezen, letten op de titel van het boek. Namelijk: 29,3% van de leerlingen kijkt naar de titel van een boek. Ook de kaft (23,3%) speelt een grote rol bij het kiezen van een jeugdboek. De titel hebben wij op onze website zo duidelijk mogelijk weergegeven en herhaald. De kaft hebben wij bij iedere recensie terug laten komen, omdat wij hopen dat het op deze manier nog meer visueel wordt voor de jongeren. Wij hopen dat op deze manier het boek en de kaft in combinatie met de recensie van het boek blijven hangen in het hoofd. De lezer kan op dee manier het boek misschien makkelijker vinden in de bibliotheek en onthoud waarschijnlijk langer het onderwerp van het boek.

17


Bronnenlijst Breeveld, K. (2006). De tijd als spiegel. Hoe Nederlanders hun tijd besteden. Sociaal en Cultureel Planbureau Dekker, R. & Elshout-Mohr, M. (1996). Zelfstandig leren doe je niet alleen. Universiteit van Amsterdam

Elkind, D. (1981). The Hurried Child: Growing Up Too Fast Too Soon. Reading, Mass.: Addison-Wesley Pub. Co. Ghesquiere, R. (1993). Leesbeesten en kijkcijfers. Onderzoek naar het leesgedrag van Vlaamse jongeren tussen 9 en 15 jaar. Averbode Huymans, F., De Haan, J. & Van den Broek, A. (2004). Achter de schermen: Een kwart eeuw lezen, luisteren, kijken en internetten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau Huymans, F., De Haan, J., Van den Broek, A. & Van Ingen, E. (2006). De tijd als spiegel. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau

Huijsmans, F. (2013). Van woordjes tot wereldliteratuur. Geraadpleegd op 02-12-2013 via http://www.lezen.nl/publicaties/van-woordjes-tot-wereldliteratuur Jolles, J. (2013). Ik ben geen goede lezer. Geraadpleegd op 15-12-2013 via http://www.hersenenenleren.nl/ik-ben-geen-goede-lezer

Joosse, M. (2013). Boeken & Cultuur en Onderzoek. http://mustreads.nl/waarom-lezen-goedvoor-je-is/ Kennisplatform. (n.d.). Docenten basisonderwijs. Geraadpleegd op 26-11-2013 via http://www.cmo.nl/pmre/website-docentenbasisonderwijs.pdf Mijland, E. (2012). Smihopedia. Middelbeers: InnoDoks Monitor Bibliotheek op school. (2013). Lezen meten. Een basis voor beleid. Geraadpleegd op 0212-2013 via http://www.leesmonitor.nu/page/10002/wie-lezen-er

Pijpers, R. (2012). Inspiratieboek Sociale media op de basisschool. Stichting Mijn Kind Online Postman, N. (1983). The Disappearance of Childhood. New York: Delacorte Press SCP door Huijsmans, F. & De Haan, J. (2010). Alle kanalen staan open. De digitalisering van mediagebruik. Geraadpleegd op 02-12-2013 via http://www.leesmonitor.nu/page/10002/wielezen-er

Segers, M. (2012). Soci@l kids. Schiedam: Scriptum Siebelhoff, M., Caarels, M. & Shen Cheung, W. (2010). De wereld van jeugd en jongeren en de plek van de bibliotheek. The Choice: marktonderzoek en advies SPOT. (2012). Alles over tijd. Geraadpleegd op 02-12-2013 via http://www.spot.nl/docs/tijdsbestedingsonderzoek-2012/boekje-alles-over-tijd-2012.pdf

Stichting Lezen. (2006). Onderzoeksverslag Nationale Jeugdraad.

18


Tellegen, S. & Catsburg, I. (1987). Waarom zou je lezen? Het onderdeel van scholieren: anders dan men wel eens dacht. Wolters-Noordhoff Valkenburg, P. (2008). Beeldschermkinderen. Boom Lemma Uitgevers Vandale.nl. (2013). Geraadpleegd op 03-12-2013 via http://www.vandale.nl/opzoeken? pattern=media&lang=nn Van Acht, A. (2003). Media-educatie en het ‘Nieuwe Leren’ : een onderzoek naar de inhoud van media-educatie en de inpassing van media-educatie in het ‘Nieuwe Leren’. Taal- en Cultuurstudies Universiteit Utrecht

Van Coille, J. (2007). Leesbeesten en boekenfeesten. Uitgeverij Biblion Van Grinsven, V., Van der Woud, L., Van den Buik, L. & Kouveld, M. (2010). Wie leest, heeft de wereld binnen handbereik. Stichting Lezen Zonneveld, M. (2009). Educatie en school. http://educatie-en-school.infonu.nl

19


Bijlagen Bijlage 1

Enquête

20


Nedjl102x jeugdliteratuur 1 - januari'14