Page 1

JAARGANG 1 - EDITIE 3

MAGAZINE OVER MILIEU, DUURZAAMHEID EN INNOVATIE

Schept clusterbeleid orde in innovatielandschap?

INFOGRAFIEK

Water & jobs

THE SHIFT:

P 919239 - Tweemaandelijks - Editie mei-juni 2016

VAN DENKNAAR DOETANK Gesprek met co-CEO David Leyssens

WAT LEREN ONS DE DUITSE

bio-energiedorpen? EN VERDER: Rotterdam en co: klimaatadaptatie in de stad I Duurzame coating van sporttextiel I Postgraduaat Cleantech Management gestart


we kunnen biogas winnen uit afvalwater om bussen te laten rijden.

bent u klaar? Met BioGNVAL, reikt SUEZ de steden een oplossing aan om biogas, afkomstig van hun eigen afvalwater, om te zetten in biodrandstof. Het afvalwater wordt dus gevaloriseerd onder de vorm van een hernieuwbare energiebron. Gezien het lokaal wordt geproduceerd en eenvoudig is om op te slaan, vormt deze biologische brandstof een ideale energiebron voor de bussen en/of huisvuilwagens van steden en gemeenten. meer info op ready-for-the-resource-revolution.com


INHOUD ■

Tijd voor een wissel Biomassa: over geen andere grondstof werd de laatste tijd in meer tegenstellingen gesproken en geschreven. Voor sommigen het ultieme middel om de Vlaamse klimaatdoelstellingen te halen, voor anderen het zwakke, niet-ecologische broertje van wind- en zonne-energie. Het veiligstellen van onze energetische toekomst is een immens belangrijk vraagstuk, daarover is iedereen het eens. Maar waar zit voor Vlaanderen de perfecte match tussen wind, zon, waterkracht en biomassa? Nog voordat minister Turtelboom ontslag nam, Bart Tommelein de eed aflegde als nieuwe Vlaamse Energie­ minister en de regering afzag van subsidies voor de Gentse biomassacentrale, ging onze redacteur op excursie in Duitsland. De Duitsers behoren tot de Europese koplopers op het vlak van groene energie. Vooral de manier waarop ze het doen, is frappant. “Liever onze lokale economie steunen dan investeren in internationale olieconcerns”, klinkt het in Jühnde, dat sinds 2004 op de kaart staat als eerste bio-energiedorp. Intussen telt Duitsland meer dan 800 energiecoöperaties (waarvan 500 wind- en zonnecoöperaties en ruim 300 bio-energiedorpen). Ook treffend: ondanks de hogere belastingen blijft 92% van de Duitsers de Energiewende steunen, zo toont een recente studie aan. De Duitse case een-op-een overzetten naar Vlaanderen? Zo eenvoudig is het niet. Maar eens te meer is het overduidelijk: de energietransitie behoeft niet alleen technologische innovatie; maatschappelijke verandering én verankering zijn even noodzakelijk. Het is nog niet te laat voor de Vlaamse Energiewissel.

04

10

BEDRIJF 04 Textiel- en elektronica-industrie reduceren voetafdruk met nanocoatings 36 Tapazz stelt digitaal platform voor autodelen

MAATSCHAPPIJ 10 Duitse Energiewende geeft boost aan coöperaties

“The Shift wil bedrijven helpen om niet alleen meer te denken aan duurzaamheid maar er ook naar te handelen” David Leyssens, co-executive officer bij The Shift

15

26 Eerste postgraduaat Cleantech Management in Vlaanderen

BELEID 18 Klimaatlogica in de stad: van stadsbos tot waterplein

En verder: 08 Initial, wassen zonder water 23 Ingezoomd: rijden over zonnepanelen

INNOVATIE

26 Facts & Figures: geen water, geen zaken

31 Nieuw innovatiebeleid Vlaamse overheid

38 Ingezoomd: PermaFungi

Katelijne Norga, hoofdredacteur

[COLOFON] Mblad is een vakblad over milieu, duurzaamheid en innovatie Redactie, concept en realisatie: Pantarein Editorial ■ Verantwoordelijk uitgever: Katelijne Norga, Sint-Hubertusdreef 12, 3150 Haacht ■ Contactpersoon: Eline Van Assche, eline.vanassche@mblad.be ■ Werkten mee aan dit nummer: Inès Aoun, Reinhart Croon, Rein De Block, Hilde Devriese, Pascale Goossens, Eline Van Assche, Heleen Van Grootven ■ Fotografie: ID/ photo agency (Lieven Van Assche), Bart Dewaele, Initial, LVT Benelux PR, Benny Vangansewinkel, Tractebel, David Rozing, Gemeente Rotterdam, Colas, PermaFungi.

53520-1512-1007

3


TEXTIEL- EN ELEKTRONICA-INDUSTRIE REDUCEREN VOETAFDRUK MET NANOCOATINGS

Lagedrukplasma zorgt voor waterdichte loopschoenen Joggen doet u het liefst met waterbestendige schoenen en oortjes die niet stuk gaan van regen of zweet. Nanocoating is een methode om sporttextiel en verbruikerselektronica waterproof te maken met veel minder energie en chemicaliën en zonder water. Het Vlaamse bedrijf Europlasma is een wereldspeler. Jaarlijks levert deze kmo uit Oudenaarde zo’n 40 machines aan productiebedrijven over heel de wereld.

4


“Door de evolutie van de technologie is het nu ook mogelijk om zeer dunne coatings af te zetten op complexe structuren”

Filip Legein, CEO van Europlasma

O

m verbruiksproducten zoals outdoorkleding, loopschoenen, koptelefoons en smartphones te beschermen tegen vocht, wordt er een waterafstotend deklaagje op afgezet. Klassiek gebeurt dat met een natchemisch proces, waarbij het product wordt ondergedompeld in een bad met chemicaliën. Maar die methode verbruikt veel water, energie en chemicaliën. Plasmatechnologie biedt een alternatief om oppervlakken te behandelen. Er is geen water nodig, en veel minder energie en chemische producten. Geen toeval dus dat de belangstelling voor plasmagebaseerde technieken groeit.

Geen spoelwater

Met zijn lagedrukplasmatechnologie zet Europlasma mooie duurzaamheidsprestaties neer. CEO Filip

Legein: “Met ons procedé heeft de fabrikant 80 procent minder chemische behandelingsstoffen nodig en de helft minder energie. Hij hoeft zelfs helemaal geen water te gebruiken.” Bij een jaarlijkse productie van 2 miljoen lopende meter textiel betekent dat zomaar even een verlaging van 1 miljoen naar 500.000 kilowattuur. Bovendien valt ook het verbruik van bijna 500.000 liter spoelwater per jaar weg. De technologie die Europlasma toepast, maakt gebruik van de vierde aggregatietoestand van stoffen: plasma. Met behulp van een elektromagnetisch veld wordt een plasma gegenereerd met energetische, actieve deeltjes: fotonen, elektronen en ionen. Die zorgen ervoor dat een ultradun laagje van een functionele stof, bijvoorbeeld een waterafstotende compo-

nent, wordt afgezet op het oppervlak. Nagelnieuw is plasmabehandeling niet, aldus Filip Legein: “Ze bestaat al zo’n twintig jaar en wordt al geruime tijd toegepast om oppervlakken te activeren, bijvoorbeeld om inkten en verven te hechten. Andere industriële toepassingen zijn onder meer het etsen van printplaten en het reinigen van medische materialen. Door de evolutie van de technologie is het nu ook mogelijk om zeer dunne coatings af te zetten op complexe structuren.”

5


MILIEUBONUS BECIJFERD • reductie van chemicaliën met 80 procent: 1 kg chemicaliën versus 5 kg bij een nat proces • besparing van 115 liter water • reductie van de CO2-uitstoot met

80 kg

(milieuprestaties van de PlasmaGuard)

Vacuüm

Eigen aan het procedé van Euro­ plasma is dat het werkt bij lage druk. “Anders dan bij atmosferisch plasma, waarbij lucht of andere gasmengsels op atmosferische druk worden gebruikt om de plasmatoestand te creëren, werken wij met vacuümkamers. Het te behandelen voorwerp plaatsen we in een gesloten kamer in de machine. Vervolgens pompen we de kamer luchtledig en creëren zo een lage druk. In die

6

toestand injecteren we procesgas. Zodra we gas op lage druk hebben, brengen we een elektromagnetisch veld aan dat de gasmolecules ontlaadt. Dan vormt zich plasma, dat zich afzet op het voorwerp.” “Doordat we de kamer eerst vacuüm trekken, zitten de reactieve bestanddelen overal. De coating zet zich niet enkel op de buitenkant van het voorwerp af, maar dringt ook door tot in de kern van de structuur. Dat is een groot voordeel.”

De meest in het oog springende milieubonus is de waterreductie, maar er zijn nog veel meer voordelen. “Bij onze manier van werken komt helemaal geen water kijken. Het gaat om een volledig droog proces. Dat is een enorm verschil met de klassieke natchemische processen. Daarbij worden textiel of andere producten in een bad met water en chemicaliën gedompeld. Nadien moet dat water gezuiverd worden. Als je geen water gebruikt, hoef je het ook niet te behandelen en te recycleren. Ook dat bespaart kosten. Bovendien moeten de stukken nadien niet de oven in om te drogen en om de chemische stoffen te polymeriseren: die energieverslindende stap slaan wij over. Omdat onze nanocoatings veel dunner zijn dan de klassieke coatings, hebben we ook veel minder chemische producten nodig. Over de hele lijn is de milieuwinst dus groot.”

Van oortjes tot mondmaskers

Nanocoatings kennen een breed toepassingsgebied: er zijn nagenoeg geen technische beperkingen. Ze kunnen aangebracht worden op onder meer plastic, metaal en glas. “De enige voorwaarde is dat het product vacuüm getrokken kan worden. Om het ook economisch rendabel te maken, moet er voldoende oppervlakte zijn om de coating op af te zetten”, zegt Filip Legein.


NANOCOATINGS ■

Europlasma focust momenteel op drie markten. Filip Legein: “Onze belangrijkste markt is de verbruiks­ elektronica. Mensen willen speakers, oortjes en smartphones overal kunnen gebruiken. Daar is een zekere waterbestendigheid voor nodig. Die elektronica heeft bovendien een complexe structuur. Ideaal dus voor een plasmabehandeling. De tweede markt bestaat uit medische toepassingen en filtratie. Ook hier biedt ons proces vaak de ­beste oplossingen. Als we bijvoorbeeld een mondmasker olieafstotend maken, is het belangrijk dat ademen wel nog lukt. Doordat onze coatings zo dun zijn, kunnen ze zich in elke opening tussen de vezels nestelen zonder die opening af te sluiten.”

Asics

“Sporttextiel vormt onze derde markt. Speciaal daarvoor lanceerden we een apart label, PlasmaGuard. We zien hier veel potentieel in. Loopschoenen en kledij voor buitensporten vragen bescherming tegen water, maar

moeten ademend blijven. Nog een belangrijk verschil met een natchemisch proces is dat wij het product ook in zijn geheel kunnen coaten, en niet al het gebruikte textiel apart. Het waterafstotend effect is zo ook beter gegarandeerd. We werken inmiddels samen met verschillende merken, waaronder Asics. Dat heeft drie modellen van sportschoenen met onze coatings in het gamma.” Duurzaamheid is vooral bij sportkledij een belangrijke drijfveer om naar Europlasma te stappen, en dat is vandaag een groot verschil met de elektronicaproducenten, vertelt Filip Legein: “Meer dan andere sectoren is de sporttextielsector vragende partij voor milieuvriendelijke productieprocessen. Dat heeft veel te maken met de kritiek van Greenpeace van de voorbije jaren. Hoewel de outdoormerken vooral de natuur in de kijker zetten in hun reclame, is

“De sector van het sporttextiel is vragende partij voor milieuvriendelijke productieprocessen. Dat heeft veel te maken met de kritiek van Greenpeace”

Lagedrukplasma is erg geschikt voor het coaten van complexe structuren, zoals de moederborden van smartphones of speakers.

7


■ NANOCOATINGS

hun productieproces vaak schadelijk voor het milieu. Greenpeace maakte dat publiek en sprak van een schande. Die campagne heeft duidelijk effect gehad. Ik vermoed dat Greenpeace en andere milieuorganisaties in de toekomst ook de elektronicaproducenten zullen aanpakken.”

Fluorvrije chemie

De toekomst ziet er rooskleurig uit voor Europlasma, want met zijn nieuwe technologie kan het bedrijf nog tal van markten aanspreken. Ondertussen rust Legein niet op zijn lauweren. “We willen onze drie doelmarkten eerst in de diepte bereiken. Nu heeft u wellicht nog geen sportschoenen in huis die door ons gecoat zijn. Maar binnen vijf jaar zal die kans veel groter zijn. Er is ook nog een flinke evolutie mogelijk. We concentreren ons nu op de waterafstotende effecten, maar met een andere chemie kan de coating een andere functie krijgen. We doen nog volop onderzoek naar de mogelijkheden van het technologisch platform dat we nu aanbieden.” R&D staat bij Europlasma hoog op de agenda. Het bedrijf heeft acht mensen in dienst die continu onderzoek doen en werken aan innovatie. Ook lopen er in samenwerking met de universiteit twee onderzoeksprogramma’s. Filip Legein: “Een daarvan is gericht op het halogeenvrij maken van de gebruikte chemicaliën. We zoeken, tegelijk met vele andere researchers in de wereld, naar een milieuvriendelijke chemie. Fluorverbindingen leveren uitstekende prestaties maar breken slecht af in de natuur. De druk om naar kortere fluorverbindingen te gaan, die dus minder lang sporen nalaten, is groot. Momenteel is er nog geen alternatief dat dezelfde prestaties levert. Maar in de tussentijd bieden wij onze klanten een duurzaam technologieplatform. De klant beslist zelf wanneer hij ook overschakelt naar kortere verbindingen of fluorvrije chemie.”

8

INITIAL

INTRODUCEERT WASSEN ZONDER WATER IN EUROPA

“ Per wasbeurt sparen we 12 liter water uit” Dat waterbesparende installaties meestal tegelijk het energie- en het chemicaliënverbruik van een bedrijf doen dalen, toont ook Initial aan. De wereldmarktleider in sanitaire dienstverlening en bedrijfskleding nam een industriële machine in gebruik die kan wassen zonder water: een Europese primeur. Frederick Vereecke, verantwoordelijk voor Business Development: “Een duurzame wasserij is mogelijk. Met deze machine willen we het voorbeeld geven aan de hele sector.”


D

e innovatieve wasmachine die Initial eind april voorstelde, is gepatenteerd door het Amerikaanse Tersus. Het toestel maakt gebruik van vloeibare koolstofdioxide (LCO2). Koolstofdioxide wordt in gasvorm in de machine gebracht. Onder hoge druk (tot 50 bar) en bij een temperatuur tussen 12 en 22 graden Celsius gaat die over in een vloeibare vorm. Qua wasprestaties biedt vloeibare CO2 heel wat voordelen vergeleken met water. Frederick Vereecke: “Omdat de moleculen veel kleiner zijn dan watermoleculen, dringt de LCO2 veel dieper in de vezels van de kleren door. Met deze machine kunnen we ook chemicaliën gedoseerd toevoegen om vlekken te verwijderen. Uiteindelijk wordt de vloeibare CO2 terug naar gastoestand gebracht en opgevangen in een distillatievat.”

Minder water, minder detergenten Water is in het wasprocedé volstrekt overbodig. Frederick ­Vereecke: “De koolstofdioxide zorgt voor het reinigen van de

kledij. Per wasbeurt van 25 kg verbruiken we doorgaans 12 liter water, maar dat sparen we nu volledig uit. Geen water betekent dat de was droog uit de machine komt. Onze machine maakt de stap van het drogen dus overbodig. Die fase verbruikt bij een klassiek wasproces ontzettend veel energie.” Het nieuwe wastoestel van Initial vraagt ook minder detergenten, zegt Frederick Vereecke. “Bovendien komen de detergenten niet in water terecht, dat dus niet gezuiverd hoeft te worden. Chemicaliën blijven wel nodig om hardnekkig vuil van de kleren te halen, maar ze worden gedoseerd toegevoegd. Samen met het vuil komen ze via een filter in een aparte tank terecht. Momenteel onderzoeken we nog met verschillende partners op welke manier we dat afval kunnen verwerken.”

Gesloten circuit “Onze machine heeft een vrijwel volledig gesloten circuit. Het afval wordt opgevangen, en ook CO2 wordt hergebruikt. Daar zit slechts een verlies van 2 procent op, het equivalent van het vrijgekomen gas bij het openen van een flesje spuitwater. De overige 98 procent gaat telkens van gas naar vloeibare toestand en omgekeerd.” Tot slot heeft deze manier van wassen nog een ander groot voordeel: de kledij zelf wordt amper aangetast. Frederick Vereecke: “Reiniging met CO2 doet de vezels niet zwellen en ook een droogfase is niet nodig. Zo blijven de stoffen veel langer intact en moeten de kleren minder snel vervangen worden.”

Gezonde werkkledij Dat de Europese lancering van de machine op 28 april plaatsvond, is niet toevallig. Op deze International Health & Safety Day vraagt de VN aandacht voor een veilige en gezonde werkomgeving. “Onze wasmethode verwijdert 98 procent van de paks (polyaromatische koolstoffen), en dat is significant meer dan bij het wassen met water. Dat is vooral belangrijk voor bedrijfskleding die wordt blootgesteld aan chemische verontreiniging, zoals brandweerkleding. Het LCO2-wasproces draagt dus bij aan een gezondere werksituatie voor brandweermannen.” Initial stelde op 28 april de nieuwe machine voor aan de pers.

9


DUITSE ENERGIEWENDE GEEFT BOOST AAN COÖPERATIES

“Beter investeren in eigen economie dan in internationale olieconcerns” Op het vlak van hernieuwbare energie is Duitsland een van de beste leerlingen van de Europese klas. Niet de grote energiebedrijven mogen die pluim op hun hoed steken, maar wel de Duitse bevolking. Sinds het land een groen energiebeleid voert, is het aandeel van de coöperaties in de totale elektriciteitsproductie gestegen tot 30 procent. In het spoor van Coopburo ging Mblad mee op excursie naar Jühnde, het eerste bio-energiedorp.

“Momenteel gaat 25 procent van de landbouwopbrengsten naar de biogasinstallatie” GERD PAFFENHOLZ (JÜHNDE)

10

D

e strijd aangaan met de klimaatverandering en tegelijk een einde maken aan de risico’s van kernenergie en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen: dat is het doel van het Duitse energiebeleid, ook bekend als de Energiewende. Duitsland heeft de ambitie om tegen 2022 al zijn kerncentrales te sluiten, tegen 2020 de CO2-uitstoot met 40 procent terug te schroeven en de consumptie van primaire energie met 20 procent te verminderen. De kiem van dit progressieve energiebeleid ligt in het verleden.

Teruglevertarief

Het was de conservatieve regering van Helmut Kohl die in 1990 de deur opende voor hernieuwbare energie. Om een aantal kleine waterkrachtcentrales te laten overleven, voerde ze het zogeheten teruglevertarief in: de stroomnetwerken werden verplicht om de stroom van waterkrachtcentrales te kopen. Dat leidde tot een eerste groeibeweging van de windmolenparken in Duitsland: ondanks het relatief lage teruglever­ tarief werden windmolens in windrijke streken rendabel. De wet op de hernieuwbare energie die de rood-groene regering in 2000 schreef, verhoogde de teruglevertarieven gevoelig. Zon en biogas werden op die manier echt rendabel. Maar vooral in de nasleep van de ramp in Fukushima kwam het Duitse hernieuwbare-energieprogramma echt in een stroomversnelling. Dat gebeurde onder impuls van een groep activisten-ondernemers en een groot deel van de Duitse bevolking. Zij waren ervan overtuigd dat Duitsland zonder Atomkraft verder moest. De Energiewende was een feit.

800 coöperaties

Het slimme Duitse energiebeleid leidde op korte termijn tot een opmerkelijke stijging van het aantal energie­ coöperaties. Vandaag telt het land


De energiecoöperatie in Jühnde investeert nog verder in de uitbreiding van de installatie.

ENERGIEWENDE BLIJFT POPULAIR, ONDANKS BELASTINGDRUK

er meer dan 800. Die voorzien zo’n 140.000 huishoudens van energie, wat neerkomt op een productie van 830 kilowattuur groene energie per jaar. De Duitse energiecoöperaties laten zich onderverdelen in twee groepen: de zonne- en windcoöperaties aan de ene kant en de biomassacoöperaties aan de andere kant. De 500 zonne- en windcoöperaties bundelen het eigen vermogen van hun particuliere investeerders en vullen dat aan met vreemd vermogen. Met dit totaalvermogen kopen ze lokale productiecapaciteit aan. De biomassacoöperaties bezitten en beheren warmtenetten, ter vervanging van hun stookolieverwarming. Plaatselijke landbouwers leveren organische stromen aan de coöperaties, die met een kleine biomassacentrale elektriciteit en warmte leveren aan de leden en aan het net.

Modelcoöperatie

Met zijn ruim 750 inwoners, 8 landbouwbedrijven en een biomassacentrale is het Nedersaksische Jühnde het eerste echte bio-energiedorp. Sinds de oprichting van de coöperatie in 2004 staat het model voor vele andere coöperatieve initiatieven. Het begon als een universitair project: het interdisciplinair Centrum voor Duurzame Ontwikkeling van de universiteit van Göttingen wilde uittesten of het mogelijk is de totale

energievoorziening van één dorp hernieuwbaar te maken. De onderzoekers trokken al in 2001 met hun plannen naar de dorpsbewoners, maar pas na intensief studie- en sensibiliseringswerk werd in 2004 de coöperatie feitelijk opgericht. Momenteel telt die 195 leden. Die hebben elk één stem, licht woordvoerder Gerd Paffenholz toe. “Zowat driekwart van de huizen in het dorp is aangesloten op ons warmtenet. Toen de mensen van de universiteit hun project de eerste keer kwamen voorstellen, zeiden we niet meteen ja of neen. Je mag niet vergeten dat het ging om een investering van meer dan 5 miljoen euro. Maar tijdens een van de vele informatievergaderingen raakten we overtuigd. Hoe een gemeenschap sensibiliseren om een energiecoöperatie op te richten? Dat was een van de aspecten die in het project onder de loep werden genomen.” Behalve op het engagement van de bevolking steunt de coöperatie ook op de medewerking van de landbouwbedrijven. De 8 landbouwbedrijven van het dorp stapten mee in het project. Gerd Paffenholz: “De boeren voorzien de centrale van biomassa. Momenteel gaat 25 procent van de landbouwopbrengsten naar de biogasinstallatie. Het gaat vooral om graan, triticale (een kruising tussen tarwe en rogge, red.) en gras.”

Het succes van de Duitse coöperaties is deels te danken aan een bijzondere wet uit 2000, de Erneuerbare-Energien-Gesetz (EEG). Die maakt het mogelijk dat Duitse burgers zelf energie produceren. De beheerders van het net zijn verplicht om die groene energie aan te kopen tegen een wettelijk bepaalde prijs, die vaststaat voor 20 jaar. De kosten die deze wet met zich meebrengt, worden via een algemene belasting op energie gerecupereerd. Het effect van de wet is onbetwistbaar: 15 jaar later staan de coöperaties in voor 30 procent van de Duitse elektriciteitsproductie. Toch is er ook een kanttekening. De belastingen oefenen druk uit op de reguliere energieprijzen, die de voorbije jaren stelselmatig de hoogte in gingen. De ‘vaste’ prijs voor groene energie in Duitsland werd dan ook al meerdere keren bijgesteld, en verwacht wordt dat dit nog vaker nodig zal zijn. Ondanks de belastingdruk blijft het gros van de Duitse consumenten (maar liefst 92 procent) achter de Energiewende staan. Dat bleek uit een onderzoek van consultancybedrijf PwC in maart 2015. Dat brede draagvlak is mede te danken aan het coöperatieve model.

11


Gerd Paffenholz legt de werking van de wkk-installatie uit.

20 cent per kilowattuur

De biomassa-wkk-installatie in Jühnde werkt met een bekende technologie: uit agrarische biomassastromen worden warmte en elektriciteit opgewekt. Gerd Paffenholz: “Biomassa gaat in de biogasinstallatie. De vrijgekomen gassen worden in een centrale omgezet in elektriciteit en warmte. In het warmtenet stroomt water van 85 graden naar de aangesloten huizen. De biogasinstallatie voorziet in 60 procent van onze warmtebehoefte. 35 procent komt van een houtverbrandingsoven. Dat hout halen we uit de lokale bossen en drogen we in de zomer met de warmte die we dan zelf niet nodig hebben. Uiteindelijk is nog 5 procent afkomstig van een verbrandingsketel op olie. Wij noemen dat ons ‘pieksysteem’, omdat we het enkel in extreme winters nodig hebben.” De coöperatieve onderneming injecteert de geproduceerde elektriciteit momen-

teel in het elektriciteitsnet. Daarvoor krijgt ze een vergoeding volgens de EEG-wet. Gerd Paffenholz: “Op dit moment is dat een vaste prijs van 20 cent per kilowattuur. Het contract loopt nog 10 jaar, daarna zullen de inkomsten dalen. Dat verlies compenseren we nu al gedeeltelijk door veel meer te produceren dan we nodig hebben. Recent kwamen er twee nieuwe elektriciteitscentrales bij in het dorp. We willen evolueren naar een systeem waarbij we de elektriciteit zelf gebruiken in plaats van ze op het net te plaatsen.” De explosie van de Duitse energiecoöperaties valt volgens Paffenholz voor een deel te verklaren door de

“De deskundigheid en de grondige aanpak die we in Duitsland zien, moeten we hier in Vlaanderen proberen over te nemen” HANNES HOLLEBECQ (COOPBURO)

12

financiële crisis: “Terwijl vroeger vele mensen rekenden op de hoge rendementen in de financiële sector, doet het openspatten van die luchtbel hen inzien dat ze hun geld beter investeren in een lokale en duurzame economie en niet langer in internationale olie- en gasconcerns. Ook het milieubewustzijn speelt daarin mee.”

Lessen voor Vlaanderen

Het energieproject in Jühnde loopt internationaal in de kijker. Geïnteresseerden uit de hele wereld, zowel energie-experts als leken, kwamen de voorbije jaren op excursie naar het dorp. Vaak met de bedoeling er inspiratie op te doen voor het oprichten van een eigen coöperatie. Jühnde gold ook als voorbeeld in een onderzoek naar de ecologische, maatschappelijke en economische haalbaarheid van bio-energieregio’s in Vlaanderen in een Vlaams MIP-project (Milieu- en energietechnologie Innovatie Platform) van 2010-2012, onder leiding van de Bond Beter Leefmilieu. Toch bleek uit de analyse dat het principe van het energiedorp niet zomaar overgezet kan worden naar de Vlaamse of Belgische context. De conclusie van het rapport was


ENERGIECOÖPERATIES ■

Foto’s: Benny Vangansewinkel

Coopburo bezocht op 17 en 18 maart met een groep van experts drie Duitse energiecoöperaties, waaronder het dorp Jühnde.

dat de situatie in Vlaanderen erg verschilt van de Duitse. De ruimtelijke ordening is in onze regio heel anders. De lintbebouwing staat haaks op de geconcentreerde dorpsstructuur in Duitsland. Warmtenetten liggen dan niet voor de hand. Duitsland heeft ook een veel uitgestrekter landbouwareaal. En ook het woningpark verschilt: de Vlaamse woningen zijn gemiddeld al veel beter geïsoleerd dan de Duitse en we beschikken over een uitgebreid aardgasnetwerk. De investering in een warmtenet is dan ook economisch moeilijker te rechtvaardigen. Het studierapport toont anderzijds wel dat Vlaanderen kan leren van Jühnde op het sociaal-maatschappelijke vlak. De grote betrokkenheid van omwonenden en de bewustmaking van de biomassaleveranciers over de waarde van hun stromen zijn essentieel.

Wel in mijn achtertuin

Energiecoöperaties overstijgen het individualisme in onze samenleving. De Energiewende schept mogelijkheden voor mensen om dingen samen te doen, en de Duitsers zijn daar klaarblijkelijk vatbaar voor. Maar Hannes Hollebecq, adviseur bij Coopburo (de dienstverlener van Cera die informeert en adviseert over coöperatief ondernemen), ziet ook in Vlaanderen potentieel. “Wat opvalt in Duitsland, is het grote draagvlak binnen een lokale gemeenschap: een heel dorp schaart zich achter een gezamenlijk project. Wie een dergelijke onderneming wil opstarten, kan er maar beter zeker van zijn dat die behoefte ook werkelijk gevoeld wordt. En dat men bereid is om te investeren.” Een stevig draagvlak is de beste remedie tegen het ‘not in my back yard’-fenomeen. De weerstand van omwonenden tegen grote projecten zoals windmolens, kan verholpen worden door hen actief te betrekken, meent Hannes Hollebecq: “Als burgers mee investeren en meteen ook afnemer zijn van de elektriciteit of warmte, ontstaat er een veel nauwere

band. De lokale projecten, zoals we die in Duitsland gezien hebben, lenen zich daar perfect toe. In België bezitten enkel in het dorp Malempré de bewoners samen een warmtenet.” Dat ons land minder geschikt is voor dergelijke lokale warmtenetten, kan in de toekomst veranderen. De technologie van het warmtenet is momenteel volop in ontwikkeling. Hannes Hollebecq gelooft sterk in de toekomst van de coöperatie: “We merken veel interesse in het model, ook vanuit de energiesector. Er zijn nog steeds mensen die energiecoöperaties oprichten. We raden hen aan zich grondig voor te bereiden en de haalbaarheid te laten berekenen, ook de financiële. Ze moeten er voor zorgen dat hun verhaal goed zit, zodat ze van in het begin iedereen mee hebben. De deskundigheid en de grondige aanpak die we in Duitsland zien, moeten we hier in Vlaanderen proberen over te nemen. Al hebben we ook in Vlaanderen enkele coöperaties waar we trots op mogen zijn en die in Europa als voorbeeld dienen, zoals Ecopower.”

13


DEC creëert… ruimte om te wonen

Vervuilde site Bekaert in Zwevegem wordt woongebied Leanderhof.

Als aannemer van bodemsaneringswerken transformeert DEC verwaarloosde terreinen tot duurzame sites om te wonen, te ondernemen, te ontspannen. Een win-win voor mens én milieu. DEC creëert ook ruimte om te ontspannen NMBS Dam wordt Park Spoor Noord Antwerpen: een tuin voor de buurt, een park voor de stad.

DEC creëert ook ruimte om te ondernemen 63 ha braakliggend Petroleum Zuid wordt duurzaam en eco-efficiënt Blue Gate Antwerp.

DEME: creating land for the future

DEME Environmental Contractors nv (DEC) Member of the DEME Group Haven 1025 - Scheldedijk 30 B-2070 Zwijndrecht, België T +32 3 250 54 11 info.dec@deme-group.com www.deme-group.com/dec


ESTAFETTE-INTERVIEW In deze rubriek vertellen bevlogen professionals aan Mblad hoe zij concreet werk maken van duurzaam ondernemen in hun job. Om dan de estafettestok door te geven aan iemand bij wie ze zelf inspiratie vinden.

THE SHIFT:

HET DUURZAAMHEIDSNETWERK VAN BELGIË

“Krachtig signaal van een groep weegt meer dan een individuele stem” 350 bedrijven, ngo’s en academici zijn lid van het Belgische duurzaamheidsnetwerk The Shift. David Leyssens, co-executive officer: “Wij geloven dat er een radicaal andere maatschappij en economie nodig zijn. De samenwerking tussen bedrijven en middenveld speelt daarin een cruciale rol. Die samenwerking willen we tot stand helpen brengen.”

T

he Shift ontstond in 2015 uit een fusie tussen KAURI en Business&Society. KAURI was een netwerk van 270 bedrijven en middenveldorganisaties. Het wilde bedrijven en ngo’s meer met elkaar in contact brengen. Van Business&Society waren 85 grote bedrijven lid. Door de samensmelting is het landschap van de duurzaamheidsorganisaties niet langer versnipperd. David Leyssens ziet dat als een v­ oorwaarde voor de

15


■ TITEL

volgende stappen in de richting van een duurzame maatschappij in België: “Bewustmaking en het organiseren van workshops kunnen we stilaan aan de markt overlaten. The Shift wil bedrijven helpen om niet alleen meer te denken aan duurzaamheid maar er ook naar te handelen.”

Ngo’s en bedrijven

Wat kan The Shift de 350 leden bieden? The Shift is een duurzaamheidsnetwerk op generalistisch niveau. We krijgen dagelijks telefoons van bedrijven met erg uiteenlopende vragen. Onze eerste taak is om hen in contact te brengen met de juiste experts. We organiseren ook activiteiten waarbij we organisaties samenbrengen om impact te genereren. Die activiteiten delen we op in drie categorieën: connect, commit en change. Bij connect gaat het over onze echte netwerkfunctie, bij commit over het engagement dat onze leden aangaan. Met de activiteiten binnen change proberen we multi-actorsamenwerking tot stand te brengen. Werken alle duurzaamheidsorganisaties op dezelfde manier en bieden ze gelijkaardige activiteiten aan? In België zijn we het belangrijkste duurzaamheidsnetwerk, en dus ook het Belgische contactpunt voor verschillende internationale netwerken, zoals CSR Europe (het Europese netwerk voor Corporate Social Resonsibility), United Nations Global Compact en World Business Council for Sustain­ able Development. Binnen die netwerken merk je duidelijke verschillen. Vooral Oost-Europese landen werken eerder volgens een filantropische benadering: ze zetten bedrijven aan om goede doelen te steunen. Onze klemtoon ligt op duurzaamheid als de kernactiviteit van bedrijven. En bij ons zijn ngo’s en bedrijven gelijkwaardige leden.

David Leyssens, co-executive officer bij The Shift

16

Mag elk bedrijf en elke ngo lid worden van jullie organisatie? Of wordt er streng geselecteerd? Iedereen die een concreet engagement wil aangaan, kan lid worden. Voor de engagementsverklaring vragen we de bedrijven te kijken naar de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties (de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen opgesteld door de VN worden wereldwijd gepromoot als de doelstelling voor een duurzame ontwikkeling, red.). We vragen onze leden een concrete ambitie te formuleren volgens een van deze doelen. Daarnaast tekenen ze het door ons opgestelde charter. Daarmee geven ze aan actief bij te dragen aan onze missie en open te staan voor discussie en samenwerking met andere stakeholders. Het belangrijkste is dat ze stappen vooruit willen zetten.

“We vinden het belangrijk dat de doelstellingen van de bedrijven gelinkt worden aan de wereld­ agenda”

Netwerkfunctie

Netwerkactiviteiten vormen een groot deel van jullie aanbod. Zien jullie dit als de eerste stap om tot een diepere samenwerking te komen? We brengen onze leden inderdaad samen om ze te stimuleren in de richting van een hechte samenwerking. Dat doen we bijvoorbeeld nadrukkelijk bij onze Job Switch Days. Daarbij ruilen de directeurs van een ngo en een bedrijf minstens één dag van job. Een goed begrip van elkaars manier


ESTAFETTE ■

van werken kan heel wat barrières overwinnen. Er zijn twee soorten Job Switch Days: tussen stakeholders die al samenwerken, en tussen stakeholders die elkaar nog niet kennen maar wel een gezamenlijke maatschappelijke uitdaging hebben. Leidden die Job Switch Days al tot concrete samenwerking? Onlangs ruilde de directeur van Nearly New Office Facilities, die duurzaam kantoormeubilair produceert, een dag van job met de directeur van de sociale-economie­ organisatie Manus. Vooraf zagen beide organisaties elkaar eerder als concurrenten. Sinds de uitwisseling zetelen de directeurs in elkaars raad van bestuur. Ze denken er ook over een joint venture op te richten. Zij hebben elkaar dus duidelijk gevonden. Ook andere ontmoetingen leidden al tot concrete samenwerking, al zullen we onze leden nooit pushen. Wel blijven we graag op de hoogte van het vervolg. Als ze dat wensen, nemen we een begeleidende rol op. Jullie brengen niet alleen leden samen met het oog op samenwerking. Jullie schalen ook bestaande initiatieven op. We hebben een ondersteunende rol bij het overschakelen van dialoog naar samenwerking, maar ook het uitbreiden van samenwerkingsverbanden zien we als onze taak. Zo willen we de maatschappelijke meerwaarde nog vergroten en initiatieven bekendmaken bij een groter publiek. De Kantoorbus is een van de projecten die we ondersteunen. Het Vlaams Instituut voor Mobiliteit en de Beroepsvereniging voor autobus- en ­autocarondernemers ontwikkelden een nieuwe visie op woon-werk­ verkeer. Met een mobiele werkplaats zou ook de verplaatsingstijd in de toekomst werktijd kunnen worden. Het plan is om werknemers thuis op te halen met een bus die ingericht werd als kantoor. De werkdag begint op het moment dat ze op de bus stappen. Vanaf september wordt de bus zes maanden getest, vooral op bedrijventerreinen die slecht bereikbaar zijn.­

Engagementsverklaring

Heel wat van jullie activiteiten hebben te maken met commitment. Wat is de bedoeling van de uitdrukkelijke engagementsverklaring die jullie aan alle leden vragen? Transparantie is essentieel. We willen de duurzaamheidsambitie van al onze leden kennen. Daarbij vinden we het belangrijk dat de doelstellingen van de bedrijven gelinkt worden aan de wereldagenda. Daarom vragen we onze leden hun ambitie te verbinden met een van de Sustainable Development Goals van de VN. We hopen ook zo de individuele ambities wat meer aan elkaar te koppelen, om ze op die manier op een grotere schaal te brengen.

ze om een ambitieus klimaatakkoord. Tegelijk verbonden ze zich ertoe zelf een langetermijnvisie te ontwikkelen en hun eigen uitstoot met 40 tot 70 procent te verminderen. Met deze actie haalden we de voorpagina van enkele kranten. Een krachtig signaal van verenigde groepen kan wegen op het beleid. We merken dat de stem van bedrijven en middenveldorganisaties meer meetelt dan vroeger.

De ambities van afzonderlijke bedrijven aan elkaar verbinden: hoe doen jullie dat concreet? De oefening die we deden rond de klimaattop in Parijs, is een duidelijk voorbeeld van ‘hoe groter de groep, hoe krachtiger het signaal’. In 2015 stelden we met de belangrijkste milieu­ organisaties en een aantal bedrijven een engagementsverklaring op. Die werd door 120 bedrijven, academici en ngo’s ondertekend. In die brief vroegen

David Leyssens geeft de estafette­ stok door aan de winnaar van de Sustainable Partnerships Award. Die wordt bekendgemaakt op 24 mei. Het interview leest u in de juli-editie van Mblad.

GENERATION T DAAGT UIT Werken rond duurzaamheid is werken met een langetermijnvisie. Daarom selecteerde The Shift samen met jongerenorganisatie Act4Change honderd inspirerende jongeren tussen 18 en 35 jaar die duurzame acties opzetten. Dit initiatief wil het leiderschap van deze jongeren versterken op drie manieren: door hen zichtbaarheid te geven, door hen actief te coachen en door hen bedrijven en organisaties te laten bevragen op hun duurzaamheidsbeleid. Enkele deelnemers vertellen wat ze van het initiatief verwachten:

“De deelnemers aan Generation T willen ondernemen op een vernieuwende manier. Dat kan het bedrijfsleven inspireren om buiten de kaders van hun gebruikelijke werking te denken en de transitie naar een duurzame maatschappij echt serieus te nemen.” MARJON MEIJER (ALGEMEEN COÖRDINATOR BIJ FAIRFIN)

“Via Generation T komen we in contact met tal van andere jongeren die de transitie naar een andere economie willen waarmaken. Het is de perfecte stimulans om samen projecten op te zetten.” ELISE ELSACKER (ARCHITECTE BIJ NEY & PARTNERS)

“Ik verwacht dat we met Generation T ideeën over de noodzakelijke stappen richting een duurzamere samenleving kunnen bespreken met mensen die de macht hebben om zaken op grote schaal te veranderen.” NICK MEYNEN (PROJECTLEIDER BIJ EUROPEAN ENVIRONMENTAL BUREAU)

17


KLIMAATLOGICA IN DE STAD: VAN STADSBOS TOT WATERPLEIN

“Stadsontwikkelaars en bedrijven moeten adaptatiereflex ontwikkelen”

In Vlaanderen wordt het steeds warmer. Ook de neerslagpatronen veranderen in onze contreien. In opdracht van Ruimte Vlaanderen ging studiebureau Tractebel na welke aanpassingen onze steden nodig hebben om die klimaatverandering te trotseren. “We mogen klimaatadaptatie niet langer beschouwen als een curatieve ingreep. De winst op ruimtelijk en maatschappelijk vlak is enorm.”

T

ijdens het onderzoek stelden de medewerkers van Tractebel kwalitatieve en kwantitatieve richtlijnen op voor steden die hun ruimtelijke planning willen aanpassen aan de klimaatverandering. Koen Couderé van Tractebel: “In onze studie komen twee opgaven samen: de klimaatopgave – wat zijn de wijzigingen in de klimaatparameters, wat is de te verwachten impact op de stad? – en de stadsregionale

18


opgave, die bepaalt wat een stedelijke omgeving nodig heeft om veerkrachtig te zijn. Door verschillende klimaat­ scenario’s te onderzoeken en de twee opgaven aan elkaar te koppelen, konden we richtlijnen opstellen om de stad klimaatbestendig te maken. We gingen telkens ook expliciet op zoek naar de meerwaarde voor ruimte, stedenbouw en maatschappij. Ten slotte illustreerden we voor enkele goed uitgekozen stedelijke gebieden hoe de concrete uitwerking van de richtlijnen er kan uitzien.”

Klimaatcatalogus

De resultaten van de studie zijn een methodologie om op stadsniveau met adaptatie om te gaan en een overzichtelijk portfolio van mogelijke strategieën en ingrepen. Die zijn opgedeeld in zes categorieën: ontharden, bebossen, ventileren, warmteopname beheersen, ruimte creëren voor water en afschermen. Birgit Fremault van Tractebel: “Wij raden een combinatie aan van quick wins en structurele aanpassingen. Quick wins kun je snel en eenvoudig toepassen. De inzet en de kosten zijn beperkt. Denk maar aan groendaken of hemelwater opvangen en gebruiken. Structurele ingrepen kosten meer en vragen meer tijd. Het herbestemmen van gebieden en de aanleg van nieuwe groene ruimte zijn daar voorbeelden van. De maatregelen kunnen zowel gelden voor nieuwe stadsontwikkelingsprojecten als voor de transformatie van bestaande wijken of stedelijke zones.”

Adaptatiereflex

“Een overheid die werken plant aan de stad en het openbaar domein, houdt best altijd rekening met het steeds dwingender gegeven van de klimaatverandering”

Koen Couderé: “Aanpassingen doen, betekent kiezen uit een breed palet van mogelijkheden. Welke maatregelen KOEN COUDERÉ (TRACTEBEL) je uiteindelijk toepast, hangt af van de specifieke omgeving. Sommige steden, zoals Rotterdam, hebben meer problemen met water, andere kampen met de gevolgen van hardnekkige droogte. Ons algemene devies is dat een overheid die werken plant aan de stad en het openbaar domein, best altijd rekening bouwexperts, architecten en projecthoudt met het steeds dwingender geontwikkelaars de richtlijnen goed geven van de klimaatverandering. Een kennen. Dat is vandaag nog niet het voorbeeld: een riolering wordt slechts geval, zegt Birgit Fremault: “Iedereen één keer in de vijftig jaar vernieuwd. die betrokken is bij stadsontwikDus moet je vijftig jaar vooruitkijken. keling, zou een aanpassingsreflex We merken dat nog lang niet alle moeten hebben. Wij pleiten ervoor dat lokale besturen en projectontwikkede aandacht voor klimaatadaptief boulaars op die manier denken. Over het wen en inrichten ook in de opleiding algemeen worden nog veel kansen van architecten, stedenbouwkundigen, gemist omdat te veel steden nog niet ontwerpers en stadsplanners wordt redeneren in termen van klimaatbeopgenomen.” stendigheid.” Ook de overheid moet helpen om Het probleem is ook dat de buddie impuls aan te kweken en inwoners getten van de Vlaamse steden vaak te sensibiliseren, vindt Fremault. “Beontoereikend zijn, meent Birgit sturen doen er goed aan om burgers, Fremault. “Precies daarom is het organisaties en bedrijven te bewegen zo belangrijk klimaatadaptatie vast tot adaptatie en ze enthousiast te te hangen aan investeringen die om maken voor de kansen die daarmee andere redenen al gebeuren.” gepaard gaan. Het kan de stad heel Kansen wat aangenamer en de leefomgeving Om vandaag werk te kunnen maken gezonder maken. Meer groen, meer van de klimaatbestendige steden van open ruimte en meer biodiversiteit: morgen, is het van groot belang dat dat is niet moeilijk te verkopen.”

In Nederland vind je boven de bibliotheek van de Technische Universiteit Delft een groendak van 5.500 m2.

19


Vlaams adaptatieplan

Ondanks de talrijke positieve effecten van klimaatadaptatie staat het onderwerp veel minder in de kijker dan de reductie van de CO2-uitstoot (mitigatie). Birgit Fremault: “Ook bedrijven focussen nu vaak nog uitsluitend op die reductie. Dat is begrijpelijk, want het brengt voordelen mee op kortere termijn. Bij adaptatie zie je de baten vooral pas later. Toch zijn ze er wel degelijk: door nu te anticiperen op klimaatrisico’s, kunnen kosten in de toekomst vermeden worden. Denk bijvoorbeeld aan grondstoffen die schaarser worden door droogte, of transport dat moeilijker wordt door extreme weersomstandigheden. Niet alleen bedrijven, ook het internationale beleid en de politiek hebben meer aandacht voor mitigatie. Europa raadt de lidstaten wel aan een klimaatadaptatieplan op te stellen, maar dat is erg vrijblijvend. Het Vlaamse adaptatieplan is dat evenzeer. Concrete becij­ferde doelstellingen zijn er niet.” Adaptatiedoelstellingen voor een heel grondgebied vastleggen, het ligt in elk geval niet voor de hand. De risico’s van de klimaatverandering zijn overal anders. Koen Couderé: “Adaptatie is eerder lokaal of regionaal gestuurd. Al bestaat er sinds maart 2014, naar analogie met het Convenant of Mayors, het engagement dat lokale besturen kunnen aangaan om hun CO2-uitstoot terug te dringen, ook een Europees convenant rond adaptatie: het Mayors Adapt. Op dit moment zijn een honderdtal Europese steden lid. Onlangs nog sloot Leuven zich aan. Maar vooral de grotere steden in de wereld hebben vandaag al strategieën voor klimaatadaptatie in de steigers staan.”

6

RUIMTELIJKE INGREPEN

Het rapport ‘Klimaatadaptatie en kwalitatieve en kwantitatieve richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van gebieden’ ontleedt zes ruimtelijke ingrepen die de stad klimaatadaptief maken. Deze zes strategieën grijpen in op verschillende klimatologische effecten. Ze bestrijden het hitte-effect (overdag of ’s nachts), gaan wateroverlast tegen en bieden een oplossing voor droogte. Bijna altijd is er een bijzondere meerwaarde voor de stad: die wordt groener en aangenamer.

Ventileren Wind zorgt voor verse lucht en verkoeling. Door gebouwen gericht te plaatsen kunnen windstromen makkelijker door de stad waaien.

Bebossen Het aanplanten van bomen, struiken en houtkanten heeft vooral een invloed op de temperatuur in de stad. Daarnaast levert dat ook een positieve bijdrage aan waterbeheer, biodiversiteit, de woonkwaliteit en het imago van de stad.

Info: www.ruimtevlaanderen.be

Het Toegangspark van de Gentbrugse Meersen is zo minimaal mogelijk verhard.

Ontharden Door de bodemverharding weg te nemen komt er meer groen en kan het regenwater weer in de grond sijpelen. Dit zorgt voor minder hittestress, wateroverlast en droogte.


Ruimte creëren voor water Ruimte voor water in de stedelijke omgeving heeft een onmiddellijk effect op de hitte overdag en ’s nachts, maar biedt vooral een oplossing voor droogte. Door waterpartijen te combineren met buffering kan ook wateroverlast worden opgelost.

Afschermen Harde infrastructuur kan de klimaateffecten in de stad tegenhouden. Het gaat over infrastructurele ingrepen die enkel lokaal een effect hebben, bijvoorbeeld een dijk die water tegenhoudt of een scherm dat de zon weert.

Warmteopname beheersen Sommige materialen houden meer warmte vast dan andere. Om hitte te bestrijden, worden op gevels en daken en voor publieke ruimten best materialen gebruikt die zonnestralen reflecteren en warmteabsorptie verhinderen.

Rotterdam als proeftuin voor klimaatadaptatie Tachtig procent van Rotterdam ligt onder het zeeniveau. Daarmee is het een van de laagst gelegen deltasteden ter wereld. De stijging van de zeespiegel kan een enorme bedreiging vormen. Een doorgedreven klimaatadaptatieplan moet de toekomst van deze Nederlandse stad verzekeren.

D

ijken en gemalen beschermen bewoners vandaag tegen het water. Maar dit robuuste systeem staat onder druk, vertelt Jorg Pieneman, programmamanager bij Gemeente Rotterdam. “Daarom begonnen we in 2001 al met het eerste waterplan. In 2008 volgde Waterplan 2, waarin we een ruimtelijk beeld vormden van Rotterdam als aantrekkelijke waterstad. Meteen daarna startten we met de Rotterdamse adaptatiestrategie. Daarin brachten we de verwachte klimaatveranderingen en de effecten op de stad in kaart, en stelden we concrete oplossingen voor. We focusten niet alleen op water, maar bekeken alle mogelijke veranderingen. Deze maand stellen we opnieuw een plan voor, de resilience-strategie. Dit

21


■ KLIMAATADAPTATIE

gaat niet enkel over het klimaat, maar over alles wat nodig is om de stad veerkrachtig te maken.”

Al doende leren

Het blijft in Rotterdam niet bij de theorie. Inmiddels zijn heel wat projecten uit de verschillende waterplannen en het adaptatieplan in uitvoering gebracht. Jorg Pieneman: “We zien klimaatverandering nu niet meer als een bedreiging, maar als een kans voor de stad. Daarom maken we niet alleen plannen, we voeren ze ook uit. We proberen allerlei maatregelen uit, learning by doing. Rotterdam fungeert als proeftuin voor de klimaatadaptatie. Vooral voor water. Niet dat de andere elementen niet worden meegenomen. Maar op het vlak van droogte laten we het initiatief over aan steden waar droogte op dit moment een grotere uitdaging vormt dan hier.”

Waterplein

Voorbeelden van pilootprojecten vind je in Rotterdam onder meer in de vooroorlogse wijk Zomerhofkwartier, ten noordoosten van het centraal station. Verschillende ingrepen maken de wijk klimaatbestendiger. Het Benthemplein, het eerste grootscha-

22

lige waterplein ter wereld, vormt een ware showcase voor klimaatadaptatie. Op verschillende plaatsen in de wijk worden harde oppervlakten vervangen door groen, zodat het regenwater opnieuw in de bodem kan sijpelen. De bedoeling is dat het regenwater vastgehouden wordt in de bodem op de plaats waar het valt. Dat kan met behulp van regenwaterriolen en infiltratiemogelijkheden.

3.600 jobs

Bij al deze projecten is de overheid de spil. Ze initieert nieuwe plannen en financiert ook vaak de uitwerking. Jorg Pieneman: “Maar de grootste uitdaging voor de overheid is werken aan de bewustwording. Ze moet burgers en bedrijven overtuigen van de noodzaak van klimaatadaptatie. Niet gemakkelijk, want de voordelen zijn niet meteen zichtbaar.” Het klimaatadaptatieplan spreekt ook over bijzondere bijdragen die bedrijven moeten en zullen leveren. Vandaag al zijn ongeveer 3.600 arbeidsplaatsen in de regio direct verbonden aan adaptatie. Jorg Pieneman: “Bedrijven kunnen verdienen aan klimaatadaptatie. Kleine ondernemingen kunnen zich met adaptieve

maatregelen profileren. Die pioniers moeten we omarmen.”

Economisch belang

Voor bedrijven in Rotterdam is klimaatadaptatie niet enkel een kans maar ook een noodzaak. Jorg Pieneman: “Grote bedrijven liggen vaak buitendijks. Op langere termijn kunnen die bedrijven kwetsbaar worden voor een stijging van de zeespiegel en voor hoge rivierstanden. De maatregelen die we nemen, hebben dus ook een economisch belang. Tot nu toe worden de meeste projecten nog gefinancierd door de overheid en met Europese steun, maar we komen stilaan op het punt dat ook de private sector en burgers mee willen investeren. Het is niet ondenkbaar dat verzekeraars of projectontwikkelaars binnenkort een financiële bijdrage leveren aan de adaptatie. Of een bedrijf met belangen in toerisme. Dat heeft alleen maar baat bij meer groen. Misschien hebben ze daar dan ook geld voor over.”

Info: www.rotterdamclimateinitiative.nl


INGEZOOMD

Rijden we binnenkort over zonnepanelen?

D

ie kans bestaat. Het Franse bedrijf in transportinfrastructuur Colas ontwikkelde de voorbije jaren in samenwerking met INES (Institut national de l’énergie solaire) een nieuwe visie op wegen. Binnenkort kunnen zonnepanelen worden ingezet voor de elektriciteitsproductie van een stad. Het idee is simpel: Colas brengt zonnepanelen op de markt die op elke verharde weg kunnen worden geïnstalleerd. De panelen zijn slechts enkele millimeter dik en zijn bestand tegen alle weersomstandigheden evenals – erg belangrijk – tegen het gewicht van zwaar vrachtverkeer. Binnenkort kunnen straten, pleinen en parkings dus energie produceren. 20 vierkante meter kan één gezin van elektriciteit voorzien, 1 kilometer weg met zonnepanelen kan het straatlicht van een dorp van 5.000 inwoners elke nacht doen branden. Een eerste toepassing komt er in ons land wellicht volgend jaar.

Info: www.wattwaybycolas.com

23


FACTS & FIGURES

Geen water, geen zaken

Per 1° Celsius globale opwarming beschikt 7% van de wereldpopulatie over 20% minder

hernieuwbare waterbronnen.

Drie van de vier jobs wereldwijd zijn afhankelijk van water. Watertekort kan dus grote economische gevolgen hebben. Een recent rapport van de Unesco, The United Nations World Water Development Report 2016, analyseert de relaties tussen waterschaarste en economische activiteiten wereldwijd.

TOEGANG TOT WATER 663 miljoen mensen

watertekort wereldwijd

in 2030

beschikken niet over water voor veilige menselijke consumptie.

TOTAAL WATERVERBRUIK

15%

energiesector

(aan het huidige tempo)

Recyclage

Bouw

Transport

70%

waarvan 1/3 voor vlees & zuivel

19%

10%

60 jaar à 0 er of $ 5rd pm de kaloanbod ljanodig oaag en dichten i m i s n v r er te

huishoudens, publieke instanties grote industrie en en kmo’s verwerkende nijverheid

se at t us a n w v

AGRO VOEDINGSSECTOR Bedreigd door waterschaarste tegen 2050:

Tegen 2040 stijgt het waterverbruik van de maakindustrie met 400%

Investeren in stormwering en bescherming van de waterkwaliteit in de VS is goed voor

1,9 miljoen jobs (direct en indirect)

52%

van de wereldbevolking

INVESTEREN IN DE WATERSECTOR

24

Landbouw

landbouw

industrie

4%

50% van alle jobs wereldwijd zit in 8 industrieën die afhankelijk zijn van water en natuurlijke bronnen.

40%

hebben geen directe toegang tot drinkwater.

1,8 miljard mensen

WATER EN JOBS

Investeren in kleinschalige projecten in Afrika kan een return opleveren van

$ 28,4 miljard per jaar

JOBS IN DE WATERSECTOR Er is een grote nood aan meer opleiding, expertise en capaciteit in de watersector wereldwijd.


WATER EN KLIMAATVERANDERING Schade door overstromingen:

$ 50 miljoen in 2012

INDUSTRIE Sommige van de meest waterverbruikende sectoren zorgen voor veel jobs.

(en stijgend elk jaar)

De totale kost van waterveiligheid:

22 miljoen jobs

$ 500 miljard per jaar

Voedsel en drank

Chemie, farmaceutica, rubber en banden

18 miljoen jobs Elektronica

78%

van alle jobs is afhankelijk van water

De industrie vreest voor waterschaarste

53%

36%

in ‘eigenlijke industriële activiteiten’

matig afhankelijk Energie

20 miljoen jobs

Bosbouw

26%

in aanleverketens

42%

sterk afhankelijk

Grondstofintensieve maakindustrie

Visserij

ENERGIESECTOR 40%

van de graanproductie

g

1% jobs in de watersector wereldwijd

Veel landen kampen met een afnemende knowhow en verliezen hun interesse voor de watersector.

Elektriciteitsproductie is erg afhankelijk van water

45%

voor opwekking en voor koeling.

van het bruto binnenlands product

De watersector in Europa

9000 600.000

directe jobs kleine en middelgrote ondernemingen

n: i o n s Brod Natn te pme t. i n U 6 o TheDeveol r t 201obs. nd j Re p a r e Wa t

Hernieuwbare energie zorgt voor nieuwe dynamieken: weinig waterverbruik in PV, wind en geothermie, wel groei in aantal jobs

25


Cleantech professionals terug naar de schoolbanken EERSTE POSTGRADUAAT CLEANTECH MANAGEMENT IN VLAANDEREN

Technologieën die bijdragen aan een schoner milieu en energie helpen besparen, zijn een must voor kleine en grote ondernemingen. Het postgraduaat Cleantech Management aan de Universiteit Hasselt, de eerste academische opleiding in Vlaanderen over milieuvriendelijke technologieën, biedt professionelen de kans om hun cleantechkennis aan te scherpen.

B

edrijven zijn vragende partij voor een diepgaande, academische opleiding over cleantech. Daarom sloegen de UHasselt School for Expert Education (SEE), de vzw CleanTechPunt en de hogescholen PXL en UC Leuven-Limburg de handen in elkaar om een postgraduaat Cleantech Management uit te bouwen. Tom Kuppens, milieueconoom aan de UHasselt: “We merken dat cleantech veel belangstelling krijgt. Bedrijven moeten of willen verduurzamen of zich heroriënteren in de kringloop­ economie, maar weten vaak niet hoe eraan te beginnen. Met deze opleiding helpen we hen op weg.”

26


Enhanced landfill mining

Sinds februari 2016 volgen 17 deelnemers het postgraduaat Cleantech Management. De opleiding lokt vooral ingenieurs en mensen met een economisch profiel. Ze zijn verantwoordelijk voor de investerings- of beleidsbeslissingen in hun bedrijf of organisatie, of ze willen het bedrijf waar ze werken verduurzamen. Niet toevallig, zegt Tom Kuppens: “Je merkt dat bedrijven met veel vragen zitten over schone technologieën. We krijgen regelmatig de vraag om samen onderzoek te doen. Bedrijven voelen aan dat ze te winnen hebben bij een duurzame bedrijfsvoering, maar ze willen geen foute keuzes maken. De opleiding heeft drie doelstellingen. We willen wetenschappelijke en technologische kennis bijbrengen, van de biogebaseerde economie tot enhanced landfill mining. Daarnaast willen we de vaardigheden bijschaven die leiden tot het nemen van juiste beslissingen aan de hand van de methodiek voor techno-economische analyse die onze onderzoeksgroep ontwikkelde. De deelnemers zullen bijvoorbeeld economisch haalbare strategieën kunnen formuleren om bedrijventerreinen te verduurzamen. Tot slot willen we de deelnemers doen inzien dat het belangrijk is te redeneren vanuit de kansen die deze technologieën bieden, en niet vanuit de problemen.”

Techno-economische analyse

Wat leren de deelnemers in de 26 sessies? Tom Kuppens: “Alle aspecten van schone technologieën komen aan bod. Eerst en vooral krijgen de deelnemers een stand van zaken in het vak Clean Technologies. We reiken nieuwe inzichten aan in de mogelijkheden, werkingsprincipes en toepassingen.” In het tweede vak, Cleantech Analyse

Tom Kuppens, milieueconoom aan de UHasselt

“Onze methodiek voor techno-economische analyse helpt om investeringsbeslissingen te nemen” TOM KUPPENS (UHASSELT)

en Impact, leren de studenten juiste en onderbouwde beslissingen te nemen over welke technologieën het verschil maken voor hun bedrijf. “Op het einde van de rit kunnen ze zelfstandig een techno-economische analyse (TEA) maken. We leren onder meer een marktstudie en een investeringsanalyse uitvoeren en de duurzaamheids-, milieu- en maatschappelijke aspecten en risico’s in kaart brengen. Ook wordt besproken hoe het best wordt gecommuniceerd over duurzaamheid naar een brede groep van stakeholders, zoals de CEO en het personeel van het bedrijf maar ook investeerders, politici, klanten en omwonenden. Al die vaardigheden trainen we de hele opleiding door. De lesgevers

27


Deelnemers over het postgraduaat Cleantech Management komen uit allerlei organisaties. We hebben academici in het team, maar ook mensen uit het bedrijfsleven. Telkens proberen we de expert ter zake aan het woord te laten.”

Momenteel volgen 15 deelnemers de eerste jaargang van het postgraduaat. Waarom schreven zij zich in? Wat zijn hun verwachtingen? En waarom voelen zij de nood aan bijkomende opleiding?

CleanTechConsultant

Er bestaan ook niet-academische alternatieven voor het postgraduaat van UHasselt. De SYNTRA-opleiding CleanTechConsultant is er een van. Ook deze cursus startte in samenwerking met CleanTechPunt. Hij is bedoeld voor zelfstandigen die bedrijven willen adviseren bij het kiezen van de juiste cleantechoplossing. Sinds september volgen 9 studenten de avond­lessen. Ze halen hun diploma na 21 sessies, gespreid over een jaar en na het verdedigen van een eindwerk. Edith Bijnens van SYNTRA Limburg: “De cursisten hebben een diverse achtergrond. Dat gaat van energiedeskundigen tot werkzoekenden die zich willen vervolmaken in duurzame technologieën.” Daarnaast kunnen geïnteresseerden op heel wat plaatsen terecht voor workshops, lezingen of kortere opleidingen over duurzaam ondernemen. CSR Campus bijvoorbeeld richt zich tot professionals die duurzaamheid in hun bedrijf willen integreren.

28

“Clean technologies kun je niet meer los zien van elkaar” Ingenieur Felix Lacroix, adviseur Duurzame warmte & koude van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, steekt elke donderdag de grens over om de opleiding te volgen. “We worden geconfronteerd met steeds performantere clean technologies. Maar de interactie tussen deze verschillende technologieën blijft onderbelicht. Ik verwacht dat deze opleiding mij een helder beeld geeft van alle mogelijkheden, zodat ik een neutraal advies kan geven. Als werknemer van een overheidsinstantie mag ik mensen niet de indruk geven dat ik bevooroordeeld ben of een adept ben van een bepaalde technologie.” Felix Lacroix is ook tevreden over het niveau van de opleiding. “Ik vind de combinatie van lesgevers met praktijkervaring en academici interessant. Wat mij over de streep trok, is dat ons wordt aangeleerd hoe we bedrijven en instellingen met gedegen businessmodellen kunnen overtuigen om zich in te zetten voor duurzaamheid. Het aspect communicatie is in mijn job essentieel.”


“Je leert economische haalbaarheid analyseren” Een carrièreswitch kan ook een aanleiding zijn om bij te studeren. Dat is het geval voor Toon Wassenberg, zelfstandig consulent en Chief Sustainability Officer bij Aerocircular. “Ik heb al heel wat beleidservaring opgedaan, maar heb nu een eigen bedrijf opgericht. Het postgraduaat is dus een mooie aanvulling op mijn cv.” Zou hij de opleiding ook aanraden aan collega’s? “Jazeker. Deze opleiding opent je perspectief op clean technologies. Meestal ben je enkel bezig met je eigen vakdomein, maar in deze opleiding komen alle technologieën aan bod. Bovendien leer je de economische haalbaarheid analyseren en ook communiceren over cleantech. Nuttige vaardigheden voor mensen die actief zijn in de milieusector.” Volgens Toon Wassenberg heeft de bedrijfswereld wel degelijk nood aan zo’n opleiding. “Vele klassieke bedrijven willen wel meestappen in deze revolutie, maar weten niet hoe. De opleiding biedt een stoomcursus cleantech, wat hen zal helpen om een duurzame speler te worden in de circulaire economie.”

“Ook voor kmo’s” Milieuconsultant Leen Scheers volgt de opleiding geboeid. “Ik wil mij specialiseren in duurzame technologieën en de manier waarop die geïntegreerd kunnen worden in de procesindustrie. Met deze opleiding wil ik daar meer over te weten komen. Ik koos dit postgraduaat omdat het een uitgebreide opleiding is waar verschillende facetten van cleantech aan bod komen.” Haar verwachtingen worden ingelost. “De lat ligt hoog. Je moet niet alleen de lessen bijwonen, maar ook bijkomende research doen. Ik neem dat er met plezier bij omdat de materie mij fascineert.” Volgens Leen betekent de opleiding een meerwaarde voor alle soorten bedrijven. “Duurzaam produceren is niet alleen iets voor grote bedrijven maar ook voor kmo’s. Ook die worden zich meer en meer bewust van het belang van een duurzame economie. Naast milieu- en financiële voordelen kan cleantech ook een belangrijk strategisch voordeel opleveren.”

29


Word nu lid van VMx Leer, informeer, netwerk en evalueer met 900 milieuprofessionals Geïnteresseerd? Vraag naar je gratis kennismakingspakket bij Sylvie@vmx.be • Gratis opleidingen. U vindt in onze kalender tal van boeiende, opleidingen, werkgroepen en bedrijfsbezoeken die gelden als verplichte vorming. • Netwerking, kennis- en ervaringsuitwisseling. Ontmoet en wissel ervaringen, tips en cases uit met meer dan 900 collega’s op ledencontactdagen, studiedagen, werkgroepen en via het ledenextranet. • Exclusieve informatie. Ontdek belangrijk nieuws uit uw sector op de website, in de elektronische nieuwsbrief, het jaarboek en het ledenextranet. • Belangenbehartiging. Ondervindt u een probleem in uw job of gaat u niet akkoord met een wetsvoorstel? Breng ons dan op de hoogte. Wij kaarten dit aan bij de overheid. • Korting op studiedagen van onze partners, publicaties, verzekering, …

VMx vzw  Beroepsvereniging voor alle milieuprofessionals Kerkstraat 108, 9050 Gentbrugge  Tel. 09 324 40 44  info@vmx.be  www.vmx.be


NIEUW INNOVATIEBELEID VLAAMSE OVERHEID

Speerpuntclusters moeten innovatie aanzwengelen De Vlaamse economie staat of valt met innovatie. Opdat vernieuwing ook werkelijk de markt zou kunnen veroveren in binnen- en buitenland, hertekent de Vlaamse overheid haar innovatiebeleid. “We moeten niet alleen geld uitdelen maar ook drempels weghalen, zodat bedrijven makkelijker kunnen innoveren. Dat vraagt een grondige hertekening van het beleid.”

A

nno 2012 was het Vlaamse innovatielandschap te versnipperd, inefficiënt en niet effectief genoeg. Dat waren slechts enkele van de snoeiharde conclusies van twee rapporten geschreven door professor Luc Soete (Universiteit Maastricht). Eric Sleeckx, Raadgever Economie en Innovatie van het kabinet van minister Muyters: “Er ontbrak een duidelijke overkoepelende visie op hoe je innovatie kunt stimuleren vanuit het beleid. Niet alleen Vlaanderen worstelt met dit probleem. Heel Europa kampt met de ‘innovatieparadox’: er wordt fors geïnvesteerd in innovatie, maar de return blijft beperkt.”

Stakeholders groeperen

De Soete-rapporten legden twee pijnpunten bloot: de interactie tussen

Eric Sleeckx, Raadgever Economie en Innovatie van het kabinet van minister Muyters

de universiteiten en de bedrijven verloopt stroef, en de bedrijven krijgen de innovatieve ideeën vervolgens maar moeilijk gevaloriseerd. Om die knelpunten aan te pakken, tekende minister voor Werk, Economie, Innovatie en Sport Philippe Muyters een clusterstrategie uit, met als voornaamste doel: de versnippering tegengaan door stakeholders te groeperen rond innovatieve waardeketens. “Dit soort clusterbeleid is uniek in Europa. Europa telt al wel wat kennisclusters, maar een wisselwerking tussen bedrijven en de kenniscentra op deze schaal is uitzonderlijk”, aldus Eric Sleeckx. Hoe wordt het clusterbeleid in de praktijk omgezet? “In een aantal strategische domeinen gaan we speerpuntclusters creëren. Die domeinen worden gekozen op basis van enkele cruciale criteria: wetenschappelijke en technische innovatie moet centraal staan, maar er moet ook voldoende aandacht zijn voor het economisch potentieel en het maatschappelijk draagvlak.” De Vlaamse overheid vroeg alvast aan vier sectoren om zo’n speerpuntcluster te vormen: de chemie- en farmasector

(FISCH), het Strategisch Initiatief Materialen (SIM), de logistieke sector (VIL) en de agro- en voedingssector (Flanders’ FOOD).

Duurzaamheid als rode draad

Ook andere clusters kunnen zich aandienen. Zo zou er ook een clustervoorstel rond cleantech in de maak zijn. Duurzame ontwikkeling zal overigens een rode draad zijn in alle clusters, benadrukt Sleeckx: “Duurzaamheid is geen vereiste op zich maar zit wel mee vervat in alle strategische domeinen. Het vergt bijvoorbeeld inspanningen op het vlak van onder meer logistiek, chemie, materialen en voeding. Duurzaamheid is iets waar iedereen aan moet meewerken en bijdragen. Het is geen speerpuntcluster, eerder een overkoepelend programma waarvoor wellicht ook middelen beschikbaar gesteld zullen worden.”

Voor de helft eigen geld

De lijst met doelen die de speerpuntclusters moeten realiseren, is lang. Zo moet er een aantoonbare wisselwerking of triple helix ontstaan tussen kenniscentra, ondernemin-

31


■ SPEERPUNTCLUSTERS

gen, de overheid en andere relevante actoren. Daarnaast moeten de actoren concreet betrokken zijn bij de strategische onderzoeksagenda’s van kennisinstellingen en kenniscentra. Ook moet de speerpuntcluster het innovatie-ecosysteem actief blijven stimuleren. De laatste doelstelling is de meest uitdagende: de cluster zal voldoende overtuigingskracht aan de dag moeten leggen om geld los te weken bij bedrijven. De partners moeten bovendien ook investeren in het project. Sleeckx: “De cluster moet zelf 50 procent van de financiën op tafel leggen. De industrie moet er dus zelf voldoende van overtuigd zijn dat het project zal slagen.”

Snel zelfredzaam

Tegen de zomer moeten de eerste speerpuntclusters hun voorstellen voor concrete initiatieven klaar hebben. Wellicht zal de Vlaamse overheid uiteindelijk een vijftal speerpuntclusters selecteren. Eric Sleeckx: “We selecteren de clusters op basis van de beoogde competitiviteitsverbetering,

OOK STEUN VOOR KLEINERE INITIATIEVEN Het beleid van speerpuntclusters wekt de indruk dat enkel grootschalige clusterprojecten financiële steun kunnen aanvragen. Maar volgens Eric Sleeckx is dat niet het geval. “We willen ook kleinschaliger initiatieven steunen. Het gaat dan om bedrijfsnetwerken die potentieel hebben om uit te groeien tot een voor Vlaanderen belangrijke waardeketen. In een innovatief bedrijfsnetwerk werken minimaal tien ondernemingen, kennisinstellingen, federaties en/of (semi)publieke organisaties een concreet actieplan uit waarin de economische meerwaarde wordt aangetoond. Ze krijgen drie jaar lang 150.000 euro per jaar. Daarna wordt bekeken of ze kunnen aansluiten bij een van de speerpuntclusters. Dit voorjaar dienden dertig netwerken hun voorstel in. Tegen de zomervakantie zullen we beslissen welke projecten we steunen.”

de noodzaak van clusterwerking in het domein, de gedragenheid van het initiatief, de voorgestelde organisatie en werking, de kwaliteit van de aanpak en aandacht voor activiteiten dicht bij de markt. We verwachten dat de geselecteerde clusters tegen het einde van het jaar met een engagementsverklaring naar buiten komen om die ambities te realiseren.” Die geselecteerde clusters krijgen 10 jaar ondersteuning. Jaarlijks ontvangen ze elk maximaal 500.000 euro subsidie. Dit type van steun is geregeld in de verordening van de Europese Commissie van 17 juni 2014. “Om de twee jaar volgt een evaluatie. Maar de bedoeling is dat de clusters zo snel mogelijk zelfredzaam worden en steeds minder nood hebben aan overheidssteun. De financiële ruggensteun is niet onze belangrijkste bijdrage. Wij zullen vooral een faciliterende rol spelen en proberen de drempels, bijvoorbeeld als de wetgeving of de administratie innovatie in de weg staat, weg te werken.”

Bruikbaar onderzoek

Volgens Eric Sleeckx reageert het bedrijfsleven positief op de ommezwaai. “De bedrijven vinden het logisch dat de nadruk van het innovatiebeleid op de marktwaarde van onderzoeksprojecten ligt. Daarnaast wordt een van hun grootste grieven nu weggewerkt: de aanvraagprocedure voor financiële steun voor innovatieve projecten wordt veel eenvoudiger. De procedure wordt transparanter en het taalgebruik minder ambtelijk.” “Ook de kennisinstellingen vinden het uiteraard belangrijk dat hun onderzoek effectief gebruikt wordt. Ze zien dus zeker de voordelen van een samenwerking”, besluit Eric Sleeckx.

WORDT VERVOLGD Het nieuwe clusterbeleid schudt het Vlaamse innovatielandschap door elkaar. Nog niet alle kandidaat-clusters zijn uitgekristalliseerd, en de definitieve selectie zal zeker nog op zich laten wachten. Mblad volgt dit hete hangijzer op de voet. Op de volgende pagina’s leest u meer over de vier clusters die gevraagd werden om een voorstel in te dienen. In de volgende maanden geven we het woord aan andere kandidaat-clusters.


Al zeker vier organisaties dienen dossier in om cluster op te richten

1

Voor haar kersverse innovatiebeleid vroeg de Vlaamse overheid aan vier organisaties om een clustervoorstel in te dienen: Flanders’ FOOD, het Vlaams Instituut voor Logistiek (VIL), de Flanders Innovation Hub for Sustainable Chemistry (FISCH) en het Strategic Initiative Materials Flanders (SIM). Ze werken momenteel aan hun erkenning, maar zekerheid daarover hebben ze nog niet. Mblad sprak alvast met vertegenwoordigers van de vier organisaties. Wat denken zij van het nieuwe beleid? Hoe bouwen ze hun dossier op? Hoever staan ze? En welke rol speelt duurzaamheid in hun dossier?

“SAMENWERKEN IN DE WAARDEKETEN”

F

landers’ FOOD is het innovatieplatform voor de agrovoedingsindustrie. “Samenwerken op verschillende niveaus is nodig voor de toekomst en des te meer in het kader van de toekomstige speerpuntcluster”, vertelt Inge Arents, Algemeen Directeur Flanders’ FOOD: “Niet alleen tussen kennisinstellingen, overheid en bedrijven, maar ook over de sectoren heen, in alle delen van de waardeketen. Als we binnen het hokje van onze eigen sector blijven, is het onmogelijk om een duurzame economische groei te realiseren.”

Roadmaps en bevragingen Het dossier van Flanders’ FOOD zal bestaan uit twee niveaus: een niveau

op lange termijn met een horizon van 10 tot 15 jaar, en een niveau op kortere termijn van 3 à 4 jaar. Inge Arents: “Om invulling te geven aan het dossier organiseerden we de eerste maanden van dit jaar al verschillende workshops samen met de bedrijven, kennisinstellingen en belangrijke stakeholders. Met hen willen we roadmaps opstellen: waar willen wij over 10 jaar met de voedingsindustrie staan en hoe gaan we daar geraken? Naast deze workshops zullen we de komende maanden ook verschillende partijen bevragen over de roadmaps en wat ze van een speerpuntcluster verwachten. Dat destilleren we allemaal in ons dossier.”

Minder voedselverlies En wat met duurzaamheid? Inge Arents licht toe: “In dit kader werken we rond 3 subthema’s: valorisatie van nevenstromen, reductie van voedselverliezen en alternatieve voedselbronnen. Duurzaamheid wordt een steeds belangrijker thema voor onze maatschappij, de bedrijven en dus ook Flanders’ FOOD.”

2

“NIETS ONDERZOEKEN WAAR BEDRIJVEN GEEN BEHOEFTE AAN HEBBEN”

L

iesbeth Geysels, managing director van het Vlaams Instituut voor Logistiek (VIL), heeft het dossier voor de logistieke sector bijna afgerond. “We hopen dat dit beleid een eind zal maken aan de versnippering van initiatieven en vinden de beslissing om te focussen op een beperkt aantal strategische sectoren een goede zaak”, vertelt zij. “Nog voor VIL de vraag kreeg om een dossier in te dienen, waren we al gestart met een externe en anonieme bevraging bij transporteurs, logistieke dienstverleners en producenten. Nadien volgde een interne ledenbevraging. Vanuit die bevragingen stelden we uiteindelijk vier grote programma’s op: automatisering en digitalisering, zoals het gebruik van robots en drones; duurzaamheid, waaronder bijvoorbeeld nieuwe economische modellen (circulaire of deeleconomie); Flanders gateways, dat zich richt op onze zeeen luchthavens en de connectie met het hinterland; en e-commerce en omnichannel. In dat laatste domein staan onze buurlanden al veel verder en moeten we dringend een inhaalbeweging maken. We werken momenteel ons werkplan uit voor de eerste drie jaar van de clusterwerking. Daarna dienen we ons businessplan in. We onderzoeken niets waar bedrijven geen behoefte aan hebben.”

Cofinanciering “Vroeger kregen bedrijven tot 80 procent overheidssteun bij collectieve onderzoeksprojecten. Nu zal dat nog maar 50 procent zijn. Dat maakt cofinanciering een stuk moeilijker, maar de bedrijven in de logistieke sector staan voor innovatie en zijn gemotiveerd. We moeten dus die projecten detecteren die een nood in de sector aanpakken”.

33


3

“MOTIVATIE VAN BEDRIJVEN NIET VERLOREN LATEN GAAN”

D

e Flanders Innovation Hub for Sustainable Chemistry (FISCH) vertegenwoordigt de chemische en de kunststoffenverwerkende sector en heeft al ervaring op het vlak van clusterwerking. Managing director Jan Van Havenbergh vertelt: “FISCH is opgericht in 2012 met een gelijkaardig idee in het achterhoofd. De bedrijven waren enkele jaren geleden al vragende partij voor een clusterwerking rond innovatie. Ze zijn dus zeer gemotiveerd.”

Streefcijfer

“Enkele weken geleden diende ik het dossier in. We stelden een werkplan op met vijf hoofdactiviteiten die de bedrijven als prioritair aanduidden en het streefcijfer dat we in de eerste drie jaar willen behalen”, zegt Jan Van Havenbergh. “We hopen nu zo snel mogelijk van start te kunnen gaan. Het engagement bij de bedrijven in onze sector is zeer groot, en die motivatie mogen we niet verloren laten gaan.”

Nieuwe duurzame producten Duurzaamheid zit bij FISCH in de genen. Jan Van Havenbergh: “Natuurlijk speelt de duurzaamheidsproblematiek een belangrijke rol. Die zit verweven in onze hele werking en dus ook in het dossier dat we bij de Vlaamse overheid hebben ingediend. We zoeken naar nieuwe producten die ecologisch en economisch een meerwaarde bieden aan de maatschappij en die de aarde sparen. Hoe meer uitgesproken de focus op duurzaamheid ligt, hoe beter.”

34

4

“GEEN PRODUCTEN DIE NIET DUURZAAM ZIJN”

V

oor de materialensector dient het Strategic Initiative Materials (SIM) Flanders een dossier in. “De huidige regering heeft een goede visie op wat er moet gebeuren”, vertelt general manager Guido Verhoeven. “Het nieuwe beleid sponsort niet alleen onderzoek, maar ook hogere technology readiness levels die dichter bij de markt liggen. Het is een enorme uitdaging om een beleid als dit volledig en correct uit te werken. Dit is ook een mooi moment om het Vlaamse innovatielandschap te herbekijken.”

Programma’s “Bij SIM werken we niet met losse projecten, maar met programma’s”, vertelt Guido Verhoeven. “Eerst vormen bedrijven en kennisinstellingen een consortium dat de hele waardeketen zo veel mogelijk overspant. Een consortium kan nooit maar één bedrijf of kennisinstelling bevatten. Pas als meerdere partijen een samenwerking aangaan en hun einddoel en strategie

helder zijn, geven we het akkoord en kan het consortium projecten definiëren. Idealiter is het resultaat van een samenwerkingsverband een hele keten van aan elkaar gelinkte projecten die leiden tot duurzame economische activiteit. De partijen werken aan eenzelfde einddoel, en realiseren dan achteraf allemaal hun eigen meerwaarde in hun deelgebied.”

Circulaire economie

Zonder duurzaamheid geen projecten bij SIM. Guido Verhoeven: “Duurzaamheid zit in al onze projecten vervat. We laten geen producten ontwikkelen die niet duurzaam zijn. Specifiek hebben we ook een programma rond recyclage en plannen we er een rond circulaire economie, belangrijke deelaspecten van duurzaamheid.”


4

Contentbureau voor mens en omgeving

Wij zijn: een deskundige partner om uw duurzaam­heidsrapport te realiseren een redactiebureau met inzicht in duurzaamheids- en milieuthema’s, technologie en innovatie ervaren schrijvers die uw complexe of technische bedrijfscontent met kennis van zaken vertalen voor een ruimere doelgroep een team van exacte wetenschappers, taalkundigen, communicatiedeskundigen en vormgevers die mee nadenken over uw bedrijfs- of duurzaamheidscommunicatie

BEKIJK ONZE REFERENTIES OP

OFFERTE? OF ALVAST EVEN KENNISMAKEN? Contacteer Katelijne Norga via katelijne.norga@pantarein.be of O473 37 18 75

www.pantareinpublishing.be


STARTER Duurzame ondernemers maken de toekomst. Mblad houdt de vinger aan de pols in deze snelgroeiende markt en stelt opmerkelijke nieuwbakken bedrijven aan u voor. In deze editie: het digitale platform voor autodelen van Tapazz.

“Veel bedrijfswagens worden weinig gebruikt” BEDRIJFSPASPOORT Start: januari 2013 Oprichter: Maarten Kooiman Aantal werknemers: 7 Plaats: Antwerpen Missie: duurzaam autodelen zo eenvoudig mogelijk maken voor particulieren en bedrijven Contactgegevens: support@tapazz.com www.tapazz.com

Delen is in, ook in Vlaanderen. Volgens een onderzoek van 2015 van ING International Survey doet momenteel 8,5 procent van de Belgen mee aan de deeleconomie. Het Antwerpse Tapazz speelt in op die nieuwe behoefte en lanceerde in 2013 een digitaal platform voor autodelen. Met Tapazz4Business bedient het sinds kort ook het bedrijfsleven.

80

procent van onze spullen gebruiken we maar één keer per maand. Doordat we ze zelf aankopen, leggen we een grote druk op het milieu en onze grondstofvoorraden. Door voorwerpen te delen, uit te lenen, te huren of te verhuren via deelplatformen verkleinen we onze ecologische voetafdruk. Een win-winsituatie: de eigenaar haalt geld uit een voorwerp dat hij weinig gebruikt, en de huurder hoeft het voorwerp niet zelf aan te kopen. “Bijna elk gezin heeft een wagen, maar de gemiddelde wagen zit maar twee uur per dag in het verkeer”, vertelt Maarten Kooiman, medeoprichter van Tapazz. “Via ons onlineplatform kun je je eigen wagen uitlenen of andermans auto lenen. Eén gedeelde wagen vervangt zo wel twaalf andere.”

Sleutel wisselen

Tijdens zijn studies was Maarten Kooiman al gefascineerd door mobiliteit en duurzame energie. “Eerst wilde ik een dienst met elektrische wagens op de markt brengen, maar autodelen heeft een veel grotere positieve impact op het milieu. Er zijn minder wagens op de weg en er moeten ook minder wagens geproduceerd worden. Ook op financieel en sociaal vlak betekent het een vooruitgang. Ons systeem is voordelig voor zowel huurders als verhuurders, en het brengt mensen samen die elkaar anders nooit zouden ontmoeten.” Het principe van Tapazz is eenvoudig: wie een auto heeft, kan die ter beschikking stellen via een melding op het platform. Wie een auto zoekt, maakt een account aan,

36


TAPAZZ ■

“Een eigen wagen is voor veel Belgen nog een statussymbool. Het is dus niet altijd makkelijk om mensen over de streep te trekken”

uploadt een scan van zijn rijbewijs en kan dan door de lijst met beschikbare wagens bladeren. Als de auto gekozen is, spreken huurder en verhuurder af om de sleutels te overhandigen. Betalingen gebeuren rechtstreeks via het Tapazz-platform. Alleen wie voldoende krediet in zijn account heeft, kan een wagen huren. “Een eigen wagen is voor veel Belgen nog een statussymbool. Het is dus niet altijd makkelijk om mensen over de streep te trekken. Maar bij veel jongeren verandert die mentaliteit, en de interesse in de deeleconomie neemt toe. Tapazz geeft onze gebruikers de mogelijkheid om zelf het heft in handen te nemen. In het begin kwam de belangstelling traag op gang, maar de laatste jaren zien we dat delen in het algemeen en autodelen in het bijzonder wint aan populariteit. Veel mensen zien het nut niet meer van een wagen die het merendeel van de tijd in de garage staat. Intussen hebben we al zo’n 1.600 gebruikers, vooral in steden, maar ook op het platteland”, aldus Maarten Kooiman.

Cambio

Traditionele autodeelsystemen zijn vaak minder actief buiten de drukke stadscentra. Om de kosten van de aankoop en het onderhoud te dekken, moeten de wagens bijna de hele dag in gebruik zijn. Buiten de stad is dat niet altijd gegarandeerd. Maarten Kooiman: “In de Belgische autodeelwereld is Cambio vooralsnog koning. Het initiatief krijgt ook steun van de overheid. Dat maakt het moeilijk om ertegen op te boksen.” Kleine autodeelbedrijven die volgens het principe van Cambio werken, hanteren vaak prijzen die drie tot vier keer zo hoog liggen. Daar maakt Tapazz het verschil. Maarten Kooiman: “Onze dienst is kleiner, maar we hebben geen eigen wagenvloot die onderhouden moet worden en geen vaste standplaatsen, en ons aanbod reikt verder dan drukke steden. Onze verhuurders moeten ook niet leven van de wagenverhuur, waardoor de prijzen lager

blijven. In Vlaanderen zijn we voorlopig uniek. In het buitenland passen enkele bedrijven hetzelfde concept al toe.”

Award

Vorig jaar werd Tapazz beloond met een Ashden Award, uitgereikt door Eurostar en de Britse non-profitorganisatie Ashden, die inzet op duurzame energie. Maarten Kooiman: “Al enkele uren na de prijsuitreiking kregen we telefoontjes van geïnteresseerden. We hebben veel steun van verschillende partijen: Ashden en Eurostar, Stad Antwerpen en verzekeringsmaatschappij P&V, die voor onze gebruikers een specifieke polis maakte.”

Ook voor bedrijven

“Met het prijzengeld van de Ashden Award konden we Tapazz4Business ontwikkelen, een speciaal platform voor de bedrijfsmarkt dat we enkele maanden geleden lanceerden”, zegt Maarten Kooiman. “40 procent van de wagens in ons land is een bedrijfswagen, maar lang niet iedereen heeft er een nodig voor zijn beroep. Meestal is er geen ander, gelijkwaardig voordeel. Autodelen is een perfect alternatief.” Met Tapazz4Business kan een bedrijf enkele wagens aankopen en intern ter beschikking stellen aan zijn werknemers. Er is geen nood meer aan bedrijfswagens voor alle werknemers, en via een aangepaste versie van de Tapazz-app kunnen ze zelf inboeken wanneer ze een wagen nodig hebben. Maarten Kooiman: “Nu werken we Tapazz4Business verder uit, en we maken een versie van onze app voor alle courante mobiele systemen. In de toekomst hopen we ook samen te werken met vzw’s en scholen.”

37


INGEZOOMD

Oesterzwammen kweken op koffiedik

D

e Brusselse start-up PermaFungi maakt furore met oesterzwammen gekweekt op koffiedik. Het bezinksel dat overblijft na het zetten van koffie is rijk aan eiwitten en suikers en heeft een hoog vochtgehalte: een ideale groeibodem voor zwammen. In 2015 produceerde het bedrijf 3.000 kg oesterzwammen. Het recycleerde daarbij 12 ton koffiedik. Met zijn bedrijfsmodel wil PermaFungi duurzame stadsecologie promoten. De oesterzwammen worden lokaal en biologisch gekweekt. Het koffiedik haalt het bedrijf in Brusselse wijken op met de bakfiets. Zo wordt verhinderd dat deze grondstof over lange

38

afstanden getransporteerd moet worden. Verschillende plaatselijke restaurants, biowinkels en biomarkten werken mee. PermaFungi maakt uit het koffiedik ook meststoffen, die het verdeelt aan verschillende Brusselse stadsboerderijen. Het bedrijf wil de lokale economie prikkelen door jobs te creĂŤren en laaggeschoolden op te leiden. En het besteedt aandacht aan sensibilisatie. Zo kan iedereen een workshop bijwonen of online een kit bestellen om de oesterzwammen thuis zelf te kweken. Info: www.permafungi.be


In het julinummer van Mblad:

Stortplaatsen: MILIEUPROBLEEM OF VOORRAADSCHUUR?

CO2-captatie in de betonsector

Biodiversiteit

DE WINNAAR VAN

op het

bedrijventerrein

DE SUSTAINABLE PARTNERSHIPS AWARD AAN HET WOORD

[ MAGAZINE OVER MILIEU,

[ MAGAZINE OVEREN MILIEU, DUURZAAMHEID INNOVATIE]

DUURZAAMHEID EN INNOVATIE] Lees in Mblad over • Energie en klimaat • Water, bodem en lucht • Afval, materialen en ketenbeheer • Duurzaam bouwen en wonen • Transport en mobiliteit • Nieuwe businessmodellen • Biodiversiteit • …

[ Mblad, een magazine gemaakt door Pantarein Publishing

Surf naar www.mblad.be ­ en neem een abonnement. U ontvangt zes keer per jaar een magazine vol interviews, achtergrondstukken, analyses en reportages. Meer info? Mail naar abonnement@mblad.be

www.mblad.be


DUURZAME TECHNOLOGIEËN EN ONDERZOEK VITO is een op Europees vlak toonaangevend, onafhankelijk onderzoeks- en adviescentrum op het gebied van cleantech en duurzame ontwikkeling. VITO werkt aan oplossingen voor de grote maatschappellijke uitdagingen van vandaag: klimaatverandering, voedselzekerheid, grondstoffenschaarste, duurzame energievoorziening, vergrijzing ‌

VITO NV Tel. + 32 14 33 55 11 vito@vito.be | www.vito.be

Mblad mei 2016  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you