Page 1

Self-fashioning in “De Zeeusche Nachtegael”

Nota Vroegmoderne Letterkunde


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Maurice Dumont (#3421406)

Cursus: “Verkoop- en leesstrategieën: de dynamiek van teksten en parateksten.”

Docent: M. Prandoni

5 November 2009

Inhoud Inhoud....................................................................................................................................................2 Inleiding..................................................................................................................................................3 Productie: Een Zeeuwse dichtkring?.......................................................................................................5 Literaire realisering van de lokale dimensie in teksten en parateksten..................................................9 Parateksten in de Zeevsche Nachtegael, Ende Des selfs dryderley gesang........................................9 Voorwoord: Tot den Kunst-lievende Leser.....................................................................................9 Voorwoorden der drie delen: Liefdighe Leser, Reden-rijcke Leser, Aendachtighe Leser .............10 Self-fashioning in de primaire teksten van de Zeevsche Nachtegael................................................11 Parateksten in Tafereel van Sinne-mal.............................................................................................14 Voorwoord: Adriaen vande Venne Tot de Cunst-gunstighe Leser, ende Sanger..........................14 Nawoord: Sinnighe Leser..............................................................................................................18 Self-fashioning in de primaire teksten van het Tafereel van Sinne-mal............................................19 Conclusie..............................................................................................................................................21 Verantwoording illustraties..................................................................................................................22

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Inleiding In 1623 verscheen bij uitgever “Ian Pietersz vande Venne, Cunst ende Boeck-vercooper, woonende op den hoeck vande nieuwe Beurse, inde Schildery-winckel” de bundel Zeevsche Nachtegael, Ende Des selfs dryderley gesang: Geheel anders inder vvaerheyt verthoont, als de selve voor desen by sommighe uyt enckel mis-verstant verkeerdelijck is gheoordeelt. Door Verscheyden treffelijcke Zeeusche Poëten by een ghebracht; ende verciert met Copere Plaeten. Hier is noch by-ghevought een Poëtisch vverck ghenaemt Tafereel van Sinne-mal, hierna aangeduid als Zeeusche Nachtegael of kortweg ZN. Het betreft een bundel met diverse op rijm gezette teksten. Het merendeel valt onder poëzie te scharen, sommige teksten zijn meer prozaïsch van karakter 1. De bundel is opgedeeld in vier katernen. De eerste drie vormen de ‘originele’ Zeeusche Nachtegael, Minne-sang, Seden-Sang en Hemel-sang. Daar is in latere instantie – zoals ook in de titel valt te lezen - nog het Tafereel van Sinne-mal aan toegevoegd. Anders dan de oorspronkelijke drie delen, is dit vierde deel geschreven door één auteur, te weten Adriaen vande Venne. Hij had dermate veel materiaal aangeleverd dat de verhouding scheef was komen te liggen wanneer dit allemaal in de eerste drie bundels was opgenomen 2. Hieruit blijkt al dat het doel van deze bundel is geweest om een aantal Zeeuwse dichters bij het publiek onder de aandacht te brengen. Een dergelijke literaire streekpromotie was niet uniek in die tijd. In 1621 verscheen de Friesche Lust-Hof en in Vlissingen werd in 1911 al het Walchers Liedboek uitgegeven3. L. Grijp wijdt in 1992 een artikel in het Volkskundig Bulletin 4 aan een reeks van dergelijke bundels. Hij beschrijft hierin een ‘pastoraal chauvinisme’ 5, dat in boeken van M. van den Velden en Constantijn Huygens te bespeuren valt en nog duidelijker tot uiting komt in lokale liedboeken: ook in Holland, Overijssel en Brabant verschenen in diezelfde periode dergelijke bundels. Grijp beschouwt de Zeeusche Nachtegael als “een prestigeproject, een initiatief van Zeeuwse dichters die de Hollanders wilden tonen dat er ook in Zeeland een letterkundig leven bestond” en constateert verder dat voor dit project “vooral in Holland belangstelling bestond,” 6 hetgeen o.a. blijkt uit het verschijnen van de bundel Hollands Nachtegaeltjen in Amsterdam (1633). Bovendien verscheen van de Zeeusche Nachtegael alleen de eerste druk in Middelburg. Alle latere edities (1632, 1633 en 1651) werden in Holland uitgegeven 7. In deze nota wil ik gaan onderzoeken of er uit de parateksten en de teksten in de Zeeusche Nachtegael aanwijzingen te vinden zijn dat de bundel bedoeld is als ‘prestigeproject’ dat de Zeeuwse dichters op de landelijke literaire kaart moet zetten, kortom of er in de bundel sprake is van bewuste self-fashioning. 1

Meertens (1943) stelt bijv. dat “voor de dichters van de Zeeusche Nachtegael de poëzie meer een aangelegenheid van het hoofd dan van het hart” was (p. 238/239). Overigens lijkt zijn oordeel over de bundel in 40 jaar tijd wel milder te zijn geworden. Hij verzorgde immers ook de fascimile-editie. 2 ZN p. 256. Ook Ising (1889) p. 136 concludeert: “het was er dus zeker wel voor bestemd geweest.” 3 Grijp (1992) p. 26. 4 Grijp (1992). 5 Grijp (1992) p. 38. 6 Grijp (1992) p. 58/59. 7 Meertens, Verkruijsse (1982) p. 9.

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Vraagstelling en aanpak

Hierboven viel te lezen dat Grijp voor zijn kwalificatie ‘prestigeproject’ voor de Zeeusche Nachtegael als belangrijkste argument aandraagt dat de bundel vooral in Holland werd afgenomen. Bovendien verklaart hij in hetzelfde artikel het verschijnen van lokale (lied)bundels 8 tegen een achtergrond van rivaliteit en jaloezie tussen de gewesten. Beide verklaringen zijn impliciet. Het is daarom interessant om te onderzoeken of er ook expliciete aanwijzingen te vinden zijn – in de bundel zelf, dus – wat het doel van de makers is geweest. In de bundel zijn een aantal parateksten aanwezig die ons daarbij verder kunnen helpen, maar daarnaast wordt in diverse teksten in de bundel zelf op meta-niveau gecommuniceerd: de dichters zijn dan zelf onderwerp van de teksten, bijvoorbeeld lofdichten. Ook deze kunnen ons verder helpen. De hoofdvragen van dit onderzoek zijn derhalve: •

Valt uit de parateksten en teksten in de Zeeusche Nachtegael af te leiden dat de bundel bedoeld is om het Zeeuwse literaire leven buiten het gewest op de kaart te zetten?

Welk beeld schetsen de Zeeuwen van het literaire leven in hun gewest?

Zonder deze voor wat betreft de Zeeusche Nachtegael verder te bespreken, geeft Grijp een aantal factoren waarmee het lokale karakter van een literaire uitgave valt te beschrijven. Hij onderscheidt twee aspecten: ten eerste de productie, zowel de literaire als de fysieke productie van de bundels, én de doelgroep - hij noemt dit de ‘functionele lokale factoren’ 9; het tweede aspect is de ‘literaire realisering van de lokale dimensie’: de ‘couleur locale’ en de ‘presentatie’ in de parateksten. Over de fysieke productie zal ik mij verder niet buigen; de vraag waarom de latere drukken niet in Zeeland maar in Holland werden gedrukt laat ik dus buiten beschouwing. De literaire kant van de productie, oftewel de vraag wie er bijdroegen aan deze bundel, bespreek ik wel. Ook besteed ik aandacht aan de ‘literaire realisering van de lokale dimensie’ en ga in op de door Grijp genoemde aspecten ‘presentatie’ en ‘couleur locale’. Hierbij let ik scherp op strategieën om de bundel buiten Zeeland onder de aandacht te krijgen en op positionering ten opzichte van andere gewesten door zich af te zetten of juist toenadering te zoeken. Bij dit onderzoek maak ik gebruik van de fascimile-editie uit 1982, verzorgd door Meertens en Verkruijsse. Rondom de oorspronkelijke teksten uit 1623 staan nog o.a. een voorwoord, dankwoord etc. door Meertens en Verkruijse. Deze beschouw ik in het kader van mijn onderzoek uiteraard niet als paratekst bij de originele uitgave, maar als secundaire literatuur.

8

Grijp heeft het over liedbundels, maar ik vind het moeilijk om de teksten in de Zeeusche Nachtegael als liederen te beschouwen. Daarom prefereer ik in dit kader het neutralere woord ‘bundel’. 9 Grijp (1992) p. 61.

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Productie: Een Zeeuwse dichtkring? De redactie van de Zeeusche Nachtegael heeft waarschijnlijk bestaan uit J. vande Venne en Jacob Cats, al is niet helemaal duidelijk hoe groot het aandeel van elk is geweest. Over het algemeen wordt gesteld Cats het initiatief nam tot de bundel en auteurs uitnodigde een bijdrage te leveren, maar dat de redactie bij Vande Venne lag.10 Dat laatste wordt ondersteund doordat een aantal redactionele teksten verzorgd van zijn hand zijn, namelijk het voorwoord Tot den kunst-lievende leser, geheel aan het begin van de bundel, de daaropvolgende Tweede noodige waerschovwinge Aen alle Balljuvven, Schouttetten ende andere Officieren der vereenichde Nederlanden, mitsgaders de Cunst-gunstighe Leser en het voorwoord Aen de soet vermaeck-soeckende lesers dat aan het Tafereel van Sinne-mal vooraf gaat. Voorin de bundel treffen we een lijst aan met De namen der gene, die haer stemmen by ghebracht hebben, tot de Zeevsche Nachtegael. Opvallend is dat bij de meeste namen ook het beroep wordt vermeld. De lijst bevat een hoog aantal notabelen: burgemeesters, advocaten, een schoolmeester (die toen ook nog onder de notabelen gerekend konden worden). Johanna Coomans is weliswaar ‘slechts’ huisvrouw, maar ze is dan toch in ieder geval getrouwd met een rentmeester. Meertens stelt vast: “De Zeeuwse dichters behoren bijna zonder uitzondering tot de aristocratie, tot de regentenkringen of tenminste tot de geleerdenstand.”11 Hij merkt bovendien op: “Dat Cats pas de zesde plaats inneemt in de rij der medewerkers aan de ‘Zeeusche Nachtegael’ bewijst maar al te duidelijk, dat alleen de maatschappijke stand, en allerminst de letterkundige betekenis de doorslag gaf voor de rangorde der medewerkers.” 12 Met deze lijst, waarin de maatschappelijke stand van de auteurs zo’n belangrijke rol speelt, wil men naar mijn mening vooral laten zien dat het gewest überhaupt een culturele elite heeft: het zijn niet de minsten die hier aan het dichten geslagen zijn. Dit werd waarschijnlijk nodig geacht om eventuele vooroordeelen over het landelijke karakter van het gewest en dus ook van de lokale poëzie weg te nemen.

Een interessante vraag zou zijn of er dichters in de lijst ontbreken. Meertens meent dat hoewel “alle beschikbare dichters zijn opgeroepen om hun aandeel te leveren voor dit boek, dat de mondigheid der Zeeuwen aan de Hollanders zou moeten bewijzen,” 13 de bundel “geen volledig beeld toont van

10

Zie o.a. Ising (1889) p. 132, Jonckbloet (1890) p. 8. Meertens (1943) p. 218., 219. Meertens (1943) p. 238. 12 Meertens (1943) p. 230. 13 Meertens (1943) p. 237-238. 11

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont de Zeeuwse poëzie uit die dagen - daartoe hadden Petrus Hondius en Cornelis Liens niet gemist mogen worden -, maar in elk geval dan toch die poëzie in haar hoofdtrekken typeert.” 14 Overigens zijn niet alle auteurs in de lijst geboren en getogen Zeeuwen. Anna Roemers woonde in Amsterdam en verbleef slechts een tijdje in Zeeland, op uitnodiging van Simon van Beaumont 15. Zij neemt niettemin een prominente plaats in de bundel in: ze levert elf teksten en is daarnaast het onderwerp van een negental teksten van anderen. Simon van Beaumont was een geboren Dordtenaar en woonde en werkte van 1601 tot 1634 in Middelburg 16. Enkele van zijn teksten in de Zeeusche Nachtegael zijn ook ondertekend met H.V.D., ‘Hollander van Dordt’ 17. Johanna Coomans is ‘een geboren Haagsche, maar sinds 1611 door haar huwelijk met den rentmeester van Zeeland, Johan van der Meershen, eene Zeeuwsche geworden.’ 18 De broers Adriaen en Johan Pietersz. Vande Venne waren in Delft geboren. Hun ouders waren naar Holland getrokken Brabanders. 19 Tussen 1614 en 1625 dreven zij een kunsthandel annex drukkerij in Middelburg 20. Daarna vertrok Adriaen naar Den Haag om lid te worden van het St. Lucasgilde 21. Uiteraard hoeft dit niet te betekenen dat deze auteurs zich in de periode dat de bundel tot stand kwam met Zeeland, of met een eventuele Zeeuwse dichterskring identificeerden. Of een dergelijke dichterskring daadwerkelijk bestaan heeft, daarover lopen de meningen uiteen. Ising (1889) heeft het over ‘de kring van Jacob Cats’22, maar lijkt zich daarbij vooral te baseren op de lijst auteurs in de bundel zelf. Meertens heeft het weliswaar over ‘de Zeeuwse dichtersgroep’ en ziet de bundel als ‘een uiting van verhoogd zelfbewustzijn,’ 23 verderop in zijn studie stelt hij echter: ‘dat te Middelburg iets dergelijks bestaan zou hebben, is mogelijk, maar niet waarschijnlijk. […] De regenten zullen elkaar ambtelijk geregeld ontmoet hebben in de vergaderzaal, maar er is geen enkele plaats in het boek, noch daarbuiten in de literatuur van die tijd, die wijst op het bestaan van letterkundige bijeenkomsten. Waarschijnlijk is, dat we in de bundel alleen een gelegenheidsuitgave moeten zien en dat de medewerkers elkaar nooit elders gezamenlijk ontmoet hebben dan in de namenlijst, die voorafgaat.’

Ik meen hieruit te kunnen concluderen dat we de zogenaamde Zeeuwse dichterskring vooral als iets artificieels moeten beschouwen, dat hier gepresenteerd wordt om het beeld van een Zeeuwse culturele, dan wel literaire elite te versterken.

14

Meertens (1943) p. 221. Meertens (1943) p. 220 en Bork & Verkruijsse (1985) p. 601. 16 Bork & Verkruijsse (1985) p. 62. 17 Meertens, Verkruijsse (1982) p. 369. 18 Te Winkel (1923) p. 341. 19 Ising (1889) p. 130. 20 Bork & Verkruijsse (1985) p. 585. 21 Ter Laan (1952) p. 552. 22 Ising (1889) p. 132. 23 Meertens (1943) p. 217 15

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont Het al dan niet bestaan van een Zeeuwse dichterskring speelt ook in de bundel een rol. Een illustratief voorbeeld vinden we in het vierde deel van de bundel, het Tafereel van Sinne-Mal, te weten Middelbvrchsche Lavwer-Hof Ofte Rust-plaetse, van Mercvrivs, ende Des selfs aenspraecke tot alle Const-beminders (zie illustratie hiernaast), waar het hele gezelschap zich gebroederlijk heeft verenigd in een Middelburgse lauwerhof. In Apollo-Feest: ofte Goden-Cvnst-Offer. Toe-geeygent Aen de hoogh-geleerden Heer Iacob Cats. Pensionaris ende Raet der stadt Middelburgh: ende nu der stadt Dordrecht van Johanna Coomans vraagt de god der muziek, Apollo, vraagt zich af waarom de Zeeuwen op het toneel der kunsten lijken te ontbreken. “Is Zeelandt dan ontbloot, van die de cunste minden? En is de wetenschap by hun niet meer te vinden? Wat ist dat haer weerhout? veracht men 't hoogh gebot? Off ist van hooverdy? of zijnse veel te bot?”

De Zeeuwen beklagen zich daarop dat er geen leider (geen (figuur als) ‘Hooft’) is: Heinsius, die zijn jeugd in Zeeland doorbracht, zou voor deze rol in aanmerking kunnen zijn gekomen, als hij niet naar Leiden was vertrokken24. Er is een volwaardig schip, maar men heeft nog iemand aan het roer nodig. Apollo wijst daarop Cats aan als ‘voorzanger’. Wellicht is deze tekst van Coomans in zekere zin vrij waarheidsgetrouw, namelijk dat het Zeeland inderdaad aan een min of meer georganiseerde culturele dan wel literaire elite ontbrak, dat daar behoefte aan was en dat men hiertoe een leidersfiguur nodig had. Dat Cats de aangewezen persoon is om als centrale man van deze nieuw te vormen elite te dienen, is ook aannemelijk. Het feit dat iets dergelijks uiteindelijk niet van de grond is gekomen, valt wellicht te verklaren uit het feit dat Cats nog voordat de Zeeusche Nachtegael verscheen, in 1623, naar Dordrecht vertrok om daar pensionaris te worden25. Adriaen vande Venne verhuisde bovendien in 1625 naar Den Haag en Hobius, Peutemans, Valerius en Van Borsselen stierven allen kort voor of niet al te lang na het verschijnen van de bundel26. Naast de twee hierboven besproken voorbeelden, vinden we in de bundel nog lofdichten van Vander Myl aan Coomans, van Coomans aan Vander Myl(e), van Coomans aan Cats, van De Brune aan Cats, twee van Roemers Visser aan Cats, een lofdicht én een sonnet van Roemers Visser aan ‘de Zeeusche Poëten’27, een Eer-liedt Tot de Zeeusche Poëten van Van Meldert en een anoniem Ghedicht, Ter eer gedaen vande Zeevsche Nachtegael. Samenvattend lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de Zeeuwse poëten zich met deze bundel weliswaar als een min of meer hecht verbond wilde presenteren, maar dat het in de praktijk vooral 24

Zie ook Meertens (1943) p. 224 (noot 53). Bork & Verkruijsse (1985), p. 132-133. 26 Meertens (1943) p. 239. 27 Resp.: Aende deught-kunst ende geest-rijcke Joffrou Iohanna Coomans; Aenden Hooch-gheleerden Heer, D. Abraham vander Myle; Aenden Hoochgeleerden Heer D. Iacob Cats, Op zijn dry-sinnich Bouck; Devghds-Lof: Toe-geeygent Aen mijn heer Mr. Iacob Cats; Gedicht van de selve Ionck-vrouw aen de Zeeusche Poëten; Sonnet Aen de Zeeusche Poëten . 25

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont ‘wishful thinking’ was, niet in de laatste plaats doordat de spoeling aan dichterlijk talent dun was en bovendien de omstandigheden (dood en verhuizing) niet meezaten. In deze context zou het doel van de bundel dus tweeledig opgevat kunnen worden: als initiatief tot een hechte(re) literaire kring die het centrum van het literaire en culturele leven in Zeeland zou moeten worden én daarmee meteen ook het imago van het gewest verbeteren. Met name het prominente aandeel van Anna Roemers Visser wijst ook op dat laatste. Zij was in literaire kringen populair en er was tot dan toe bijzonder weinig werk van haar in druk verschenen 28. Het feit dat zij nu met een aantal teksten in deze bundel vertegenwoordigd was, zal zeker ook buiten Zeeland aandacht hebben getrokken.

Bork & Verkruijsse (1985) p. 601-602. Ook daarna zou er nauwelijks nog iets van haar in druk verschijnen.

23

28


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Literaire realisering van de lokale dimensie in teksten en parateksten Nadat in het vorige hoofdstuk duidelijk is geworden hoe we het literaire leven, anders gezegd: de literaire realiteit, in Zeeland kunnen kenschetsen, wil ik nu gaan kijken naar het beeld dat in de bundel van deze realiteit wordt geschetst. Daartoe breng ik elementen die de ‘lokale dimensie’ vormen in kaart en bekijk steeds in welke context deze elementen worden geplaatst, of, in de terminologie van Grijp: hoe deze literair worden gerealiseerd en welk beeld hiermee van het literaire leven in Zeeland wordt opgeroepen. Het begrip “lokale dimensie” kan enorm breed opgevat worden. In het kader van deze nota let ik vooral op de elementen waarmee deze Zeeuwse schrijvers hun lokale identiteit uitdragen: welke zaken worden als typisch Zeeuws bestempeld, en hoe komt dit hun schrijverschap – althans in hun eigen ogen – ten goede. (Niet voor niets sprak Grijp van ‘pastoraal chauvinisme’.)

Parateksten in de Zeevsche Nachtegael, Ende Des selfs dryderley gesang Voorwoord: Tot den Kunst-lievende Leser In het voorwoord, Tot den Kunst-lievende Leser29, geeft Ian Pietersz. vande Venne, de drukker/uitgever een uitgebreide toelichting bij de titel van de bundel. Opvallend is al meteen dat hij schrijft “desen boeck, dien ick nu uyt Zeelandt V.E. van nieus toesende.” Nemen we dit letterlijk, dan is dit een duidelijke aanwijzing dat de bundel gericht was op een publiek buiten Zeeland. Dat er onder de lezers “eenighe die Zeelandt niet en kennen” zijn, versterkt deze aanname: een publiek buiten Zeeland, dus, dat deels ook niet geheel bekend was met het Zeeuwse gewest. Met name voor deze mensen is an ook enige uitleg over de Zeeusche Nachtegael nodig. Vande Venne legt uit dat men tot op heden met een Zeeusche Nachtegael een kikker aanduidde, enigszins spottend, aangezien er geen echte nachtegalen in Zeeland voorkwamen. Echter, inmiddels leert de ervaring dat er wel degelijk nachtegalen in Zeeland voorkomen, die in plaats van te kwaken in de modder, een aangenaam gezang voortbrengen, mét een onderscheidend karakter, nota bene. De schrijver werkt een stukje Zeeuwse folklore uit tot een metafoor: hoewel Zeeland van oudsher niet bekend staat om zijn bijdragen aan de vaderlandse dichtkunst, is er de laatste jaren toch wel degelijk een kring van talentvolle dichters ontstaan, die zich bovendien kenmerken door een eigen geluid. Een ander vooroordeel over Zeeland, zo vervolgt de drukker, is dat de rauwheid van de zee ervoor zou zorgen dat onder de inwoners niets dan schorre kelen en stugge karakters te vinden zouden zijn. Ook van dit vooroordeel is, volgens Vande Venne, inmiddels het tegendeel bewezen. Deze bundel is bedoeld voor eenieder die nog steeds overtuigd is van deze achterhaalde ideeën. De lezer zal tot de conlusie komen dat er ware nachtegalen – zoete, zachte kunstlievende karakters – in Zeeland te vinden zijn, die zeer creatief met onze gemeenschappelijke taal weten om te gaan. (Deze gemeenschappelijke taal komt later in de bundel opnieuw ter sprake.) ZN p. 30-32.

23

29


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont Ter aanbeveling verwijst Vande Venne naar de reeks namen die de nachtegaal een “Pluymken” hebben toegebracht, met andere woorden: hun lof over hem hebben uitgesproken. (Welke namen hij hiermee bedoelt, is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk verwijst hij naar de lofdichten op de Zeeuwse nachtegaal en de Zeeuwse dichters die in de bundel staan.) Door deze lof is het vogeltje zo vlug geworden dat hij zich nu ook buiten het gewest wil begeven, om zijn stem ook daar te laten horen. Ook hier vinden we weer een aanwijzing dat de bundel, wat de drukker betreft, vooral op het publiek buiten Zeeland gericht is. Als de lezer de kunst een warm hart toedraagt, moge hij dan in het vervolg een milder oordeel over ‘onze Zeeuwse eilanden’ en hun inwoners vellen en bedenken dat velen misleid zijn over de naam van de Zeeuwse nachtegaal. Wie nog steeds in de oude vooroordelen geloofd, zal geheid over enige tijd positiever over de Zeeuwen denken, ook al zal hij het mogelijk niet hardop willen zeggen. Vande Venne beëindigt zijn voorwoord met een ‘vriendelijk dreigement’: mocht de verwachte erkenning onverhoopt uitblijven, dan zal hij in de toekomst nog meer drukwerk in en buiten het gewest verspreiden! Voorwoorden der drie delen: Liefdighe Leser, Reden-rijcke Leser, Aendachtighe Leser Elk van de drie delen30 heeft nog een apart voorwoord, dat steeds meer weg heeft van een inhoudsopgave. De teksten zijn niet ondertekend 31. In alle drie deze inleidingen komt de nachtegaal nog even voorbijfladderen. In het voorwoord van het eerste deel, Minne-sang, met de aanhef “Liefdighe Leser”32 wordt met de Zeeusche Nachtegael slechts de bundel aangeduid. Verder volgt er een korte kenschets van de toon van dit deel (“dwelck, toe-geeyghent wert aen de soet bloeyende Ieucht, om daer innerlijck mede de uyterlijcke bywoontselen der jonckheyt te kennen te geven”) en een opsomming van de teksten die in dit deel zijn opgenomen. Het tweede deel, Seden-sang, begint met een kwatrijn, “Hier gaet de Nachtegael zijn stem wat hooger drayen”33, ondertekend door A.P. (mogelijk A. P. Schotte), waarin de metafoor van de nachtegaal nog kort voortgezet wordt: behalve met het dichten van Minne-sangen, is deze blijkbaar ook bekend met het Seden-sanggenre. Het daaropvolgende voorwoord Reden-rijcke Leser haakt hier meteen op in: de nachtegaal zingt soms laag (“leegh”), soms hoog: zijn stem verschilt van tijd tot tijd. Na een opsomming van de teksten die zullen volgen, komen we aan het einde ook nog wat couleur locale tegen: Nogmaals, wat u hier hoort is geen kikkergesnurk (“Kick-vorssen ghesnorck”), maar het 30

Meertens (1943) verklaart deze driedeling als volgt: “Men herkent in deze indeling onmiddellijk de rederijkerstraditie der refereinen int vroede, int amoureuse en int sotte, maar met de tijd is de stof min of meer veranderd. Het amoureuze, dat immers de wereld in stand houdt, is gebleven, het vroede heeft alleen een andere naam gekregen, maar voor het zotte is in deze tijd van ernst, in een land dat nog steeds zijn grote bevrijdingsoorlog strijdt, geen plaats meer. Aldus is er een opschuiving gekomen, die ook aan de godsdienst recht doet weervaren, geheel in overeenstemming met het calvinistisch karakter der Zeeuwen, dat ook hun dichters eigen was. Vertegenwoordigden bij de rederijkers de refereinen int vroede zowel de geestelijke als de algemeen moralistische zijde der literatuur, thans hebben beide haar afzonderlijke plaats gekregen.” p. 221-222. 31 Het meest voor de hand liggende zou zijn dat deze zijn geschreven door de drukker/uitgever I. vande Venne. 32 ZN p. 34. 33 ZN p. 124-126.

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont schitterende geluid van een bijzondere, nooit gehoorde taal! De Zeeuwen zijn, ondanks de grove dampen van de zee, niet hersenloos; sterker nog: de gezonde lucht en de vruchtbaarheid van de eilanden werken juist in hun voordeel! Nog sterker dan hiervóór krijgt de nachtegaal, en daarmee ‘de Zeeuw’, iets miskends. Ook het derde deel, Hemel-sang, begint met een kwatrijn: “Dit lieffelijcke Dier, laet wederomme klincken”34, geschreven door Adriaen vande Venne 35. Het zal iedereen duidelijk zijn dat met ‘Dit lieffelijcke Dier” de nachtegaal bedoeld wordt, maar in de eerste zin van de direct daarop volgende inleiding Aendachtighe Leser36 wordt dit voor de zekerheid toch nog maar eens benadrukt: “Alhoewel dit kleyne Dier (dat wy een Nachtegael noemen)…” Enfin, in deze inleiding is te lezen dat de nachtegaal hoger dan enig ander gevogelte – laat staan enig mens – kan zingen, en om dat te bewijzen volgt nu een deel met het hoogst zingbare, namelijk ‘gezang van goddelijke dingen’. Het doel is, zo blijkt uit de laatste regels, dat de lezer in goede ‘Hemelghedachten’ afscheid neemt en zich de grote stem van de kleine nachtegaal toe te eigenen en aldus te getuigen van de kwaliteiten van deze Zeeuwse nachtegaal.

Self-fashioning in de primaire teksten van de Zeevsche Nachtegael In deze paragraaf wil ik onderzoeken of het in de parateksten uitgedragen beeld van Zeeland en/of de Zeeuwse culturele/literaire kring ook in de primaire teksten van de bundel terug te vinden is, oftewel of parateksten en primaire teksten elkaar ondersteunen, versterken. Hierbij heb ik niet de pretentie volledig te zijn; ik wil slechts een aantal gevallen kort aanstippen. Sfeerverhogende couleur locale komen we bijvoorbeeld tegen in het sonnet uit de reeks welkomstwoorden van Simon van Beaumont. 37 In het kwatrijn Een ander op de selve oorsake, gericht aan Anna Roemers Visscher, komen ook de Zeeuwse lucht en het Zeeuwse water ter sprake: “IOnck-vrou weest niet bevreest voor onse Zeeusche lucht, Tis maer een yd'le waen end' ongegront gerucht, Het lant is groen en versch, draecht vruchten en goet coren, Wt 'tsoute water is vrou Venus self geboren; Het laffe platte soet wort over al gelaeckt, En tis altijt wat brack, dat wel en aerdich smaeckt;” 38

Hoewel de geruchten over de lucht op onwaarheid berusten, volgens Van Beaumont, is er met dat zoute water wél iets aan de hand. Opvallend is immers de antithese zout-zoet: het zoute water hoort uiteraard bij Zeeland. Hij verkiest dit zoute water boven het laffe, platte zoete water, dat voor hem 34

ZN p. 188 Ondertekend met “I.S.E.V.”, d.i. “Ick Soeck en Vin”, het motto dat A. vande Venne regelmatig onder zijn werk zette. Zie bijv. ZN p. 371 36 ZN p. 189-190 37 ZN p. 43-44 38 ZN p. 45-46 r. 1-6 35

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont toch wat te kort schiet39. Interessant is nu waarvoor het zoete water symbool staat: Holland lijkt het voor de hand liggende antwoord. In de gedichten die Anna Roemers Visscher op haar beurt leverde aan de bundel, lezen we, in Gedicht van de selve Ionck-vrouw aen de Zeeusche Poëten: “Het luchtich pluym-gediert, al t'ilpende comt swieren, En springt van tack op telgh, met vrolick tierelieren. Dees Somer-teyckens die verneem ick altemael, En noch verneem ick niet u Zeeusche Nachtegael. “ 40

Dat we dit gedicht enigszins spottend op moeten vatten – ‘Waarom horen we toch niks van die Zeeuwse Nachtegalen?’ – blijkt wel uit het Sonnet Aen de Zeeusche Poëten van dezelfde schrijfster, dat druipt van de ironie: in de beginregels worden de Zeeuwen letterlijk de hemel in geprezen: ze zijn welkom bij de Goden en schuiven aan naast Jupiters wijste zoon (Apollo, uiteraard). Ze zijn het tegendeel van muffe kantoorbeambten, wat natuurlijk niet helemaal waar is: wanneer we de beroepen van deze dichters bekijken, zien we dat de meesten toch waarschijnlijk heel wat bureauwerk verrichten in het dagelijks leven. Tot slot stelt Visscher dat ze het heel knap zou vinden als deze alchemisten de Zeeuwse Nachtegael, die normaal gesproken “kick, borr kick, kick kick” zingt (een kikker, dus), als een échte nachtegaal weten te laten ‘tureluren’.41 Dat dit gedicht geplaatst is en dat de Zeeuwen er dus blijkbaar geen aanstoot aan namen, zegt óftewel iets over het aanzien van Anna Roemers Visscher (óf haar charme), óf iets over het zelfrelativeringsvermogen van de Zeeuwen. Is het dat laatste, dan is dat een welkome afwisseling na al die serieuze zelfpromotie in de voorwoorden. Wanneer we verder lezen, vinden we nog sfeerverhogende couleur locale in Visscher-praetie. Tsamen-sprekers Steven ende Martijntje Visschers-kinderen. Steven comt uytter zee 42 van J. Hobius, in Rien, que les premiers Amours43, waarin Cats liefdesverdriet presenteert met behulp van schelpen en Dubbel-boere-praetje, ofte 'tSoet ghevry van Lieven ende Mayken44 van A. Schotte (A.P.S.), waarin ook een nachtegaal voorkomt (gemarkeerd in de tekst, dus dat kan geen toeval zijn). Ook in het Zeeus-vreuchden-liedt heet Schotte de nachtegaal welkom en vraagt het vogeltje: “Troost yder 39

Voor de betekenis van ‘laecken’ baseer ik me dan op het Middelnederlandsch Woordenboek. Zie “laken”. ZN p. 53 r. 7-10 41 Op de webpagina http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/goudeneeuw/tekst/lgge103.html gaat men ook op dit gedicht van Visscher in. 42 ZN p. 63-66 43 ZN p. 78 44 ZN p. 89-90 40

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont jonck ghesel / Die claghen, en vraghen / Aen dy, om rechten raet voor haer ghequel.” 45 Voordat de nachtegaal verscheen hadden de Zeeuwen een slechte naam: de lucht was er ongezond en de Zeeuwen waren te eerlijk (lees: te bot). Nu het vogeltje zijn gezicht laat zien blijkt dat de Zeeuwse lucht niks mankeert en kunnen de Zeeuwen eindelijk aan de buitenlui laten zien dat hun vooroordelen niet kloppen. Opmerkelijk is ook de Zeevsche mey-clacht. ofte schyn-kycker van Adriaen vande Venne, ten eerste omdat hij zijn tekst voorziet van noten, waarin hij aanwijzingen geeft 46. Bovendien speelt de nachtegaal een flinke rol in het gedicht. De dichter vleit zich vroeg in de ochtend neer bij de kust en bespeelt zijn luit. Hiermee wekt hij de Zeeuwse nachtegaal (zie afbeelding 1). Opnieuw wordt hier de vergelijking tussen kikkers en nachtegalen gemaakt: Vande Venne verzekert ons er nogmaals van dat er in Zeeland échte nachtegalen voorkomen! Mede vanwege de onomatopeeën lijkt hij naar het Sonnet van Anna Roemers Visscher te verwijzen - hoewel andersom uiteraard net zo goed zou kunnen. Verderop (zie afbeelding 2) prijst Vande Venne de zegeningen van de zee en het zoute water voor Zeeland. Ook opmerkelijk is het Herders-dicht, gheschoncken aen den Eersamen Jong-man Clement van Sorgen, ende de Eerbare Joffrou Cornelia van Heems-kercke, voornamelijk vanwege de vraag: wie is Clement van Sorgen? De enige Clement van Sorgen uit de 17 E EEUW WAAROVER IETS TE VINDEN IS , WAS 47 EEN AMSTERDAMS KOOPMAN . Dat in dit gedicht tweemaal de Amstel wordt genoemd, zou de hypothese dat dit gedicht ter ere van deze koopman en zijn bruid geschreven is, ondersteunen. Waarom een Zeeuws dichter dit lied schrijft, EN HET VERVOLGENS IN DEZE BUNDEL WORDT OPGENOMEN, VALT ALLEEN TE RADEN . KWAM C ORNELIA MISSCHIEN UIT ZEELAND ? A LS WE ERVAN UITGAAN DAT DE CLEMENT VAN S ORGEN UIT DIT GEDICHT INDERDAAD EEN AMSTERDAMS KOOPMAN IS , DAN ZOU HET PLAATSEN VAN DIT GEDICHT IN DEZE BUNDEL WELLICHT GERICHT KUNNEN ZIJN OP DE VERKOOP ERVAN IN NOORDELIJKERE PROVINCIEËN .

De hierboven genoemde teksten kwamen allen uit het eerste deel van de bundel, Minne-Sang. In het tweede deel, Seden-Sang, is onder andere opmerkelijk het Solus vult scire videri van Adrianus Hofferus, burgemeester van Zierikzee waarin hij een pleidooi houdt voor het spreken van zuiver Nederlands: “ICk weet niet wat het is met onse Neder-landers, Want nevens hare taal soo spreken sy noch anders, 45

ZN p. 105 r. 6-8 Parateksten, dus! Toch leek het mij niet relevant om deze in de paragraaf over parateksten te behandelen, omdat het steeds zeer korte, nogal incoherente stukjes tekst betreft, die niet al te veel aan de primaire tekst toevoegen. 47 Zie: http://users.skynet.be/andre.both/genealogie_both_nl_ut/genea/amersfoort1-01.htm 46

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont Het is haar niet ghenoegh te spreken hare taal,” 48

Hij ergert zich - net als Adriaen vande Venne, zoals we hieronder nog zullen zien - aan het gebruik van allerlei leenwoorden, met name uit het Spaans en Frans. De vraag die in het gedicht níet aan de orde komt, is hoe zuiver Nederlands men gemiddeld in Zeeland spreekt. Ofwel vindt Hofferus een dialect of tongval geen probleem, ofwel negeert hij dit gewoon en wil hij het doen voorkomen dat de Zeeuwse elite niet uit een stelletje provincialen bestaat en dus goed en zuiver Nederlands spreekt. Naast lofdichten op de nachtegaal en de Zeeuwse poëten en het al eerder besproken Apollo-feest van Johanna Coomans is het Devghds-Lof: Toe-geeygent Aen mijn heer Mr. Iacob Cats van Joan de Brune nog het vermelden waard. Aan het eind schrijft De Brune, uiterst bescheiden: “En zoo dees Nachtegael te zeer in 't quincken beeft / Denckt, dat hy jongh, en teer by mieren eyers leeft.” In het derde deel, Hemel-Sang, komen we slechts een zekere couleur locale tegen in enkele opdrachten, gericht aan Zeeuwse predikanten, waaronder Philips van Lansberge, een omstreden predikant, die tevens natuur- en wiskundige was.

Parateksten in Tafereel van Sinne-mal Het vierde, later toegevoegde, deel van de bundel, het Tafereel van Sinne-mal, staat enigszins los van de rest van de bundel. Het is dus niet gezegd dat analyse van dit deel zal helpen de hoofdvragen van deze nota beter te beantwoorden. Vanwege de lange en complexe voorrede door A. vande Venne, is het echter sowieso interessant om er aandacht aan te besteden. Het Tafereel opent met twee voorwoorden. Het eerste is getiteld Aen de soet vermaeck-soeckende Lesers49 en is geschreven door de drukker, ‘U.E. Dienst-willighen Ian Pietersz vande Venne,’ en bevat geen verdere aanknopingspunten voor dit onderzoek. Het tweede heet Adriaen vande Venne Tot de Cunst-gunstighe Leser, ende Sanger.50 Bijna aan het eind vinden we nog een niet ondertekende tekst, getiteld: Sinnighe Leser, die we hoogstwaarschijnlijk aan Vande Venne kunnen toeschrijven 51, aangezien de focalisator dezelfde is als in het voorwoord. Bovendien stelt de auteur enkele aspecten uit het voorwoord opnieuw aan de orde. Derhalve lijkt deze tekst mij op te vatten als een nawoord. Voorwoord: Adriaen vande Venne Tot de Cunst-gunstighe Leser, ende Sanger Deze ‘Voor-rede’, zoals zij in de koptekst van de volgende pagina’s wordt aangeduid, is geschreven door Adriaen vande Venne, van wie heel het Tafereel afkomstig is. Dit voorwoord neemt ten opzichte van de eerdere voorwoorden een aparte plaats in, niet alleen door het ontbreken van de nachtegaal,52 maar ook doordat het een duidelijke leesinstructie bevat. Zowel het voorwoord als de teksten bevatten bovendien allerlei folkloristische elementen. Hieronder zal ik een aantal fragmenten uit het voorwoord door A. vande Venne nader analyseren. 53 48

ZN p. 154 r. 1-3 ZN p. 256 50 ZN p. 257-262 51 In de Index der auteurs, ZN p. 368-373, wordt deze tekst niet genoemd, wellicht omdat Meertens en Verkruijsse deze tekst als onderdeel van de erop volgende of eraan voorafgaande tekst beschouwen. In de inhoudsopgave op dbnl komt de tekst evenmin voor, maar heeft zij wel een aparte pagina. 52 Behalve de oproep om dit deel toch vooral te zien als behorende tot de Zeeusche Nachtegael. 53 Aangezien sommige passages m.i. behoorlijk complex geschreven zijn, zal ik bij de bespreking daarvan – omwille van de leesbaarheid - parafraseren. Bij de wat eenvoudigere passages zal ik vooral citeren. 49

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont Vande Venne, die waarschijnlijk bekender was als schilder en illustrator dan als dichter 54, vertelt ons eerst iets over het ontstaan van het werk: het is geteeld door een ongeleerd verstand, dat korte tijd van enige wijze55 invallen zwanger is geweest. Met andere woorden: het zijn geen teksten waar diep en lang over nagedacht is. Vande Venne noemt het werk een misgeboorte, dat beschouwd moet worden als een schilderij: zónder iets daadwerkelijk te zeggen – “door stomme beelden affgemaelt”56 – geeft de tekst ons een beeld. Het “door behulp vande teere pen, bestaen te verspreyen in dese vernuftighe eeuwe”57 van een paar regels eerder, is nu wellicht als volgt te interpreteren: Maar omdat nu eenmaal de ‘pen’ in deze vernuftige eeuw het aangewezen middel is om een boodschap te verspreiden, kies ik voor een tekst in plaats van een schilderij. Wellicht bedient Vande Venne zich hier (deels) van de bescheidenheidstopiek: vooral bekend als schilder en illustrator, wil hij zich mogelijk indekken tegen een te kritische oordeel van zijn dichtwerk. Dit staat dan wel haaks op de onbescheiden kwantiteit van het werk dat hij over het publiek uitstort. 58 Alles waar de mensheid mee wordt omringd, vervolgt Vande Venne, wordt “met omstandige versieringen, op vermaeckelijcke wijse al lachende SINNICH 59 aengewesen”.60 De betekenis van ‘sinnich’ is hier problematisch. Normaal gesproken zou ‘verstandig, met het verstand’ de meest waarschijnlijke betekenis zijn,61 maar dat staat nogal op gespannen voet met de ‘omstandige versieringen’ en het vermakelijke. In de volgende zinnen betoogt Vande Venne dat ‘het werelts doen’ zich belachelijk voordoet, dat geen enkel mens de wijsheid in pacht heeft, en derhalve iedereen min of meer ‘SINNE -MALT’. Wat ‘SINNE -MAL’ betekent, zo stelt hij - mijns inziens iets te optimistisch 62 - kan eenieder nu makkelijk bedenken: “den oorspronck, off hercomst des selfs schijnt te wesen een opworpsel vande Milt, die het Breyn tot kittel-lust verweckt; d' welck een opstijgen van SINNE MALLEN voort baert, door oeffening van de TONGE.”63 Hoe het nu ook precies zit, het feit dat zowel milt, brein en tong bij dit proces betrokken zijn én dat al eerder de schilderkunst erbij werd gehaald, doet mij vermoeden dat het woord ‘sinnich’ hier het best is te verstaan als ‘zinnelijk, zintuigelijk’ 64. Het gebruik, iets verderop, van het woord ‘Sinnen-driftich-mall’ ondersteunt dit. De betekenis van ‘mal’ roept ook vraagtekens op: wanneer deze dichter-schilder daadwerkelijk zo van woordspelingen

54

Ising (1889) p. 130-131 In de tekst staat “vijse”, maar dit lijkt me een drukfout. 56 ZN p. 257 r. 7 57 ZN p. 257 r. 4-5 58 Jonckbloet (1890) oordeelt: “Het geheel is niet onaardig, maar veel te uitvoerig, en houdt geen maat.” p. 17 59 Het woord staat in de bundel in een ander lettertype gedrukt. Zo ook de andere woorden die ik in dit lettertype gezet heb. 60 ZN p. 257 r. 8-10 61 Het Middelnederlandsch Woordenboek geeft aan dat het woord in Zeeuwse contreien (Walcheren en Beveland) tot op heden ook wel in de betekenis ‘eigenzinnig’ gebruikt wordt. 62 Vgl. Ising (1889): “In zijn voorrede, waaruit wij reeds aanhaalden, poogde Van de Venne op onbegrijpelijke wijs te verklaren wat ‘Sinne-mal’ beduiden moest.” p. 143. Ook Jonckbloet (1890) weet er geen raad mee. “Als hij in proza over zijn werk redekavelt, dan is hij niet zeer duidelijk.” p. 16 63 ZN p. 257 r. 14-17 64 Vgl. Ising (1889) p. 130: “Zijn tijd is die der zinnebeelden, zinnefabelen, zinrijke gedichten, en Adriaan Pieterszoon van de Venne schreef dan ook in die dagen zijn Zinnemal, zijn Zinnevonk en zijn Zinn edroom, schilderde zijne zinnebeelden in het grauw tot op de vensters van Zorgvliet toe, en teekende met liefde de zinnebeeldige prenten voor Vader Cats' werken.” “Ontzaglijk veel houdt Van de Venne van woordspelingen; hij is nooit tevreden met hetgeen er eerst staat: er moet altoos nog iets bij. Zoo schrijft hij bij voorbeeld in de voorrede van zijn Sinne-mal: ‘Doch de Leser wert gheseyt, dat hy niet blijft hanghen met de Sinnen aende Mallicheyt selve; maer neme dese oeffeninge tot vermaeck en tijd-corting, als een gering geschenck van een onbedreven Kunst-soecker, die het met goede meeninge yder opoffert, vol van betrouwen, dat men alle mis-slaghen sal inde beste vouwe slaen.’” 55

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont houdt65, zou het niet verbazen als er met het woord ‘mallen’ zowel wordt verwezen naar ‘zonder verstand handelen’ als naar ‘tekenen of schilderen’ 66. Vande Venne lijkt hier te pleiten voor een meer zintuiglijke en minder verstandelijke manier van beschouwen. ‘Sinne-mallen’ zou dan zoiets zijn als spontaan en onbevooroordeeld de werkelijkheid op je af laten komen, deze opnemen met de zintuigen en er niet te veel over na te denken. Een soort impressionisme avant la lettre? Er wordt wel gezegd, aldus Vande Venne, dat dit “Sinne-driftich-mal, nootsaeckelijcke hant-reycking van bedreven verstand-voeders heeft noodich ghehadt” 67, met andere woorden dat men hoe dan ook zijn verstand gebruikt bij het schetsen (zij het met de pen of met het penseel), zoals ook gebruikelijk is bij de ‘Reden-dichters’68, die “veel mede-hulpers […] kiesen tot bevoordering van hun werck”69, of om te bewijzen dat ze heel belezen zijn. Het motto van deze ‘reden-dichters’ is: “ ZOO VOOR GEDAEN IS NA GHELEERT ”70, en men ziet dan ook veel hedendaagse dichters en schilders die niet van de gebaande paden af durven en zich alleen verlaten op andermans “aff-palinge” 71. Dit betreurt Vande Venne, want hierdoor ziet men niet hoeveel voortreffelijks er aan de wereld te zien valt, zoals de oorsprong der volkomenheid en de natuurlijke kracht van de natuur. De betekenis van ‘sinnig’ lijkt hier te verschuiven in de richting van: ‘inspiratie’. Het volgende fragment maakt zijn woordspel zeker niet minder verwarrend: “nademael het menschen-breyn door SINNIGE opinien alle ander dingen, met uytnemende vvetenschap overheert (behalven dat de mensch sich selven can overvooghden:) gelijck als hier in dit vverck te speuren is, hoe dat de overheerde SINNEN aent MALLEN raecken, (vvanneermen van seltsame invallen vvert overhooft;) ghelijck dit TAFEREEL genoechsaem laet verluyden.”72

Aangezien dit vooral een kwestie van Vande Vennes persoonlijke poëtica is, wil ik hier niet al te ver op deze kwestie ingaan. Interessant in het kader van de hoofdvraag is met name dat Vande Venne hier, in ieder geval wat zijn eigen werk betreft, wil aantonen dat hij nieuwe paden betreedt door als een schilder te schrijven: vooral gericht op indrukken, zonder gefilosofeer (m.a.w. “dat hier geen oude off nieuwe reden-wijsers gheroemt werden” 73.) De volgende kwestie die Vande Venne aanroert, is die van de taal: “Men hoeft oock niet te dencken dat hier veel volcomenheydt in sy te vinden, ghelijck de Latijnsgesinde dat op hun uytheemsche vvijse doen verstaen: dan hier vvort alleen goed-rondicheydt by de handt ghenomen, om eenvoudich te ontmonden de soete eygenschap van onse vry-borstige inlandsche tael: (voornemelijck) op de H OLLANDSCHE en Z EEUSCHE vvijse.”74

65

Ising (1889) p. 136: “Ontzaglijk veel houdt Van de Venne van woordspelingen; hij is nooit tevreden met hetgeen er eerst staat: er moet altoos nog iets bij. Zoo schrijft hij bij voorbeeld in de voorrede van zijn Sinne-mal: ‘Doch de Leser wert gheseyt, dat hy niet blijft hanghen met de Sinnen aende Mallicheyt selve; maer neme dese oeffeninge tot vermaeck en tijdcorting, als een gering geschenck van een onbedreven Kunst-soecker, die het met goede meeninge yder opoffert, vol van betrouwen, dat men alle mis-slaghen sal inde beste vouwe slaen.’” 66 Vgl. o.a. de betekenissen van ‘malen’, ‘mael’ en ‘maelre’ in het Middelnederlandsch Woordenboek. 67 ZN p. 257 r. 18-19 68 Ik neem aan dat hiermee rederijkers bedoeld worden. Vgl. Grijp (1992) p. 68 69 ZN p. 257 r. 20-21 70 ZN p. 257 r. 22 71 ZN p. 257 r. 25 72 ZN p. 257 r. 36-41 73 ZN p. 257 r. 44-45 74 ZN p. 257 r. 48-53

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont Met behulp van, opnieuw, de bescheidenheidstopiek – er is in dit werk niet veel ‘volcomenheydt’ te vinden – breekt hij een lans voor ‘onse vrij-borstighe inlandsche tael’, door zich te distantiëren van de Latijns-gezinden. Als ‘inlandse’ taal ziet hij zowel het Hollands en het Zeeuws, verschillende ‘wijsen’ van dezelfde taal. Hij lijkt te willen benadrukken dat de gewesten verwant en wellicht in zijn ogen ook gelijkwaardig. Waarom zou anders bijvoorbeeld het Brabants niet ook genoemd worden? 75 Dat hij dit vermeldt, ondersteunt toch enigszins de stelling dat de Zeeuwen met deze bundel toenadering tot Holland zochten, of toch op z’n minst een afzetmarkt. Na een kort pleidooi voor het spreken van de eigen taal en het weren van ‘andere schraele menghelingen’ om ‘verbastering’ te vermijden, veronschuldigt Vande Venne zich dat in zijn teksten ook wel eens onzuiver Nederlands voorkomt, namelijk in het ‘BOERTIGH JOCKEN’, hetgeen zich misschien het beste laat vertalen als ‘kluchtig schertsen’, waarin eenvoudige lui (lees: lompe boerenpummels) centraal staan. Vervolgens geeft Vande Venne een opsomming van wat ons te wachten staat in de navolgende teksten. In de (in het vorige hoofdstuk reeds besproken) Lauwer-hoff, die het werk opent, spreekt Mercurius, ‘de cunst-vertaelder’, “in Zeeusche ronde woorden, van de cunst to de cunstbeminders […] ende nood de selve te coomen inde plaets, daer de cunste van Schilderen, ende Drucken gheoeffent wert76”.77 Daarop volgen moraliserende teksten, met thema’s als ‘nieusucht’ en ‘lymery’ tegenover ‘Boersche nedricheyt’, ‘ydel-hoop’, “de ombesuysde dommicheyt der jeught” en “watter voor onheyl van coomt alsmen naar alte hooch siet,” 78 blijkens de toelichting die Vande Venne bij deze teksten geeft. Aan het eind van zijn voorrede drukt hij ons – in alle bescheidenheid – nogmaals op het hart de teksten niet al te serieus te nemen: het is slechts een combinatie van ‘mallicheyt’ met ‘bevallicheyt’ onder een dun laagje ‘reden’. Dat laagje is er slechts opgestreken om het geen prutswerk te laten lijken, aangezien mensen, bewust of onbewust, toch altijd naar de betekenis van de tekst zoeken. Nogmaals wordt ons op het hart gedrukt dat dit slechts een oefening tot vermaak, eenvoudig tijdverdrijf en een gering geschenk van een ‘onbedreven Kunst-soecker’ is, die dit werk met goede bedoelingen aan eenieder aanbiedt, erop vertrouwende dat men hem zijn ‘mis-slaghen’ niet kwalijk neemt79. Vande Venne buigt nog wat dieper, wanneer hij de Zeeusche Nachtegael ter sprake brengt: “Dan ick hoop, off tvvijffel niet, oft ghy Leser sult V.E. hier beneffens verlusten int ontvouvven vande Zeeusche Nachtegael: de vvelcke met veel gheleerde voor-treffelijcke Sinnen vvert uytgesonghen, met dryderley ghesang: VVaerom die ten hoochsten dient voor ghedraghen, eermen sich aent Tafereel vergaept. Het schijnt dattet niet qualijck soud passen dit vverck by de Nachtegael te vougen, (doch) de vveerde Leser sal daer geen maet in ghestelt vverden: maer, hoope dat hy matelijck sal vvesen int oordeelen, ghelijck dit volghende veersken sich laet verluyden; Leser, siet ghy somtijts fout, Vonnist daerom niet te stout; Denckt de maecker is een mens! Niemant Soeckt en Vind' zijn vvens.”80

75

Zeker gezien het feit dat de voorouders van de Vande Vennes Brabanders waren, is dit opmerkelijk. …waaruit blijkt dat Vande Venne met deze ‘Lauwer-hoff’ waarschijnlijk de kunsthandel annex drukkerij van hem en zijn broer bedoelt. 77 ZN p. 257 r. 67-69 78 ZN p. 259-290 r. 72-82 79 Ook in deze passage veel woordspelingen. Zie nogmaals: Ising (1889) p. 136 80 ZN p. 261-262 r. 133-146 76

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont In deze laatste zin valt uiteraard het motto van Vande Venne, “Ick Soeck En Vin”, te herkennen. Om nu tot een bruikbare conclusie te komen, die ons verder helpt met de Zeeusche Nachtegael, valt nog niet mee, om te beginnen al omdat het moeilijk is te zeggen of Vande Venne hier alleen namens zichzelf spreekt, of ook namens zijn mede-auteurs van de originele drie delen. Het Tafereel lijkt toch dermate los te staan van de rest van de bundel, dat we hier niet zomaar van uit mogen gaan. Daarnaast lijkt Vande Venne zichzelf in zijn voorrede op bepaalde punten tegen te spreken, waardoor moeilijk vast te stellen is, waar hij nu heen wil. Samenvattend verpakt Vande Venne aanwijzingen over hoe de tekst te lezen in de vorm van verontschuldigingen: in zijn ‘smoesjes’ verpakt hij de argumenten waarom de tekst zo geworden is als hij is. Hij lijkt hier echter af en toe zelf verstrikt in te raken. Vande Venne presenteert zijn werk als kluchtige schetsen zonder diepe betekenis, slechts ter vermaak. Hij distantieert zich van bijvoorbeeld de Rederijkers, die met veel technisch en diepzinnig gebaar willen laten zien hoe belezen ze zijn, maar nooit eens van de gebaande paden afwijken. Daarnaast betoont hij zich een voorstander van het gebruik van de zuivere moedertaal – zij het Hollands of Zeeuws – dat wil zeggen: gezuiverd van buitenlandse, vooral Latijnse invloeden81. Al met al lijkt zijn standpunt vooral anti-intellectueel en dit past wel in het ‘pastoraal chauvinistische’ beeld van Grijp: er valt mijns inziens wel enige afgunst ten opzichte van de ‘echte’ culturele elite uit op te maken, ondanks alle bescheidenheid. Of Vande Venne het Hollandse lezerspubliek in het achterhoofd had, is moeilijk vast te stellen, en al was dat zo, dan is nog niet duidelijk wat zijn boodschap aan dit publiek was; of hij toenadering zocht of zich juist afzette. In dat laatste geval bevreemdt het wel dat hij een aantal jaren later een betrekking in Den Haag accepteert. Tot een redelijk bevredigende conclusie valt te komen wanneer we Vande Vennes voorrede leggen naast de eerste tekst van het Tafereel, Middelbvrchsche Lavwer-Hof Ofte Rust-plaetse, van Mercvrivs, ende Des selfs aenspraecke tot alle Const-beminders. Hierboven trok ik de conclusie dat onder andere uit deze tekst het beeld naar voren komt van een groep Zeeuwse kunstminnaars die een culturele elite willen laten ontstaan in hun gewest en daartoe hun krachten willen ‘bundelen’ in de Zeeusche Nachtegael. Het feit dat Vande Venne naast de kopergravures 82 ook nog eens een grote hoeveelheid teksten leverde, – meer dan enig andere bijdragende auteur en te veel om in de oorspronkelijke opzet van de bundel een plaats te geven –, getuigt van een grote inzet voor dit nobele doel. Of wellicht toch slechts van het feit dat Vande Venne bij deze nieuwe elite wilde horen, niet alleen als illustrator, maar ook als iemand die op papier iets te zeggen had. Een opportunist dus, die zich in zijn – ook weer breedsprakige – voorrede met veel kabaal (bedekt onder allerlei valse bescheidenheid) introduceert83.

Nawoord: Sinnighe Leser Opvallend aan deze tekst is om te beginnen de titel. Hoewel het moeilijk bleek te defeniëren wat Vande Venne eigenlijk met ‘Sinnigh’ bedoelt, is het duidelijk dat hij deze ‘Sinnigh-heid’ als iets 81

Saillant detail: “Zijne ouders waren uit Brabant naar Holland uitgeweken. Zij lieten hun zoon te Leiden Latijn leeren, maar hij hield meer van teekenen en schilderen.” Ising (1889) p. 130 82 Zie o.a. Ising (1889) p. 136 83 Wellicht dat hij als schrijver ook daadwerkelijk debuteerde in de Zeeusche Nachtegael. Ik heb geen vermelding van oudere gepubliceerde teksten van zijn hand gevonden.

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont positiefs en/of wenselijks beschouwt. Dat zijn nawoord gericht is op de ‘Sinnighe Leser’ kan twee dingen betekenen: hij gaat ervan uit dat iedereen die de bundel tot zover gelezen heeft, ‘Sinnigh’ is of is geworden, als het ware in de opvattingen van Vande Venne deelt, óf dat hij verwacht dat alle lezers die niet ‘Sinnigh’ zijn of willen worden, inmiddels afgehaakt zijn en het einde dus niet gehaald hebben. Hij benadrukt om te beginnen nogmaals dat het voorgaande “met een lachende, off jockig suchten door-lesen, en gesongen” diende te worden. Het doel moge duidelijk zijn: deze teksten dienen om “op vermaeckelijcke wijse, de nieusuchtige luyden de ronde waerheyt, ende leerlicke dingen 84” voor te houden,85 om tenslotte te leiden tot ‘BETERNIS DES LEVENS’. De teksten zijn dus toch (óók) moraliserend bedoeld86. Vervolgens stelt Vande Venne dat het menselijk brein “sich gheneycht na veranderingh”87 en dat zijn Tafereel daarom zo afwisselend (mogelijk verwijt: wisselvallig) is geworden: hij wil de lezers niet afschrikken met een langdradig verhaal. Aangezien we vrolijk begonnen waren, schijnen we nu droevig afscheid te gaan nemen. Op de illustratie bij de laatste tekst, De lijst van het Tafereel, Genaemt Sinne-Bommeken, zien we een bont gezelschap ogenschijnlijk op de maat van fluit en trom dansen. In werkelijkheid, legt Vande Venne uit, gaat ieder zijn eigen gang, zoals dat nu eenmaal ook in werkelijkheid gaat, vanwege “des werelts omloopende veranderinge” 88. Ook in dit nawoord verpakt Vande Venne aanwijzingen over hoe de tekst te lezen in de vorm van verontschuldigingen. Opnieuw lijkt hij zich tegen te spreken: hoewel hij aanvankelijk nogal luchtig doet over het doel van zijn teksten, blijkt er in een deel van de teksten toch wel degelijk een moraal te zitten.

Self-fashioning in de primaire teksten van het Tafereel van Sinne-mal Net als bij de Zeeusche Nachtegael wil ik onderzoeken of het in de parateksten uitgedragen beeld van Zeeland en/of de Zeeuwse culturele/literaire kring ook in de primaire teksten van het Tafereel terug te vinden is, oftewel of parateksten en primaire teksten elkaar ondersteunen, versterken. Ook nu heb ik niet de pretentie volledig te zijn en wil ik slechts de opmerkelijke gevallen eruit lichten. In ieder geval kan men vaststellen dat Vande Venne in zijn teksten de stijl van zijn voorwoord handhaaft: breedsprakig en vol van woordspelingen. Dit blijkt reeds uit titels als: Kalle-Mal, Sinnighe Zeevsche Slyper, Sinnighe Slypers-Liedt, Sinnighe Neep-Klvytiens… De Middelbvrchsche Lavwer-Hof kwam hierboven reeds ter sprake. In Minne-Mall Van DickeLeendert, en Lijsje Teunis, met Ioncker Maerten. Aenden Achtbaren, Const-rijcken, Iacob de Geyn, de Ionge werkt Vande Venne opnieuw met noten, 89 waarin hij uitleg geeft bij zijn tekst. Deels is deze uitleg nodig om de tekst voor buitenlui begrijpelijk te maken: “Daar is room mit suycker t'eeten;” wordt in de kantlijn voorzien van de noot: “Boereleckerny”; deels wordt duidelijk gemaakt hoe de 84

ZN p. 362 r. 7-8 Wie deze ‘nieusuchtige’ lieden zijn, wordt mij niet helemaal duidelijk. 86 Jonckbloet (1890): “Toch staat de leering wat te veel op den voorgrond en vervalt hij in Catsi-aansche langdradigheid.” p. 16 87 ZN p. 362 r. 11 88 ZN p. 362 r. 25-26 89 Zie mijn bespreking van de Zeevsche mey-clacht. ofte schyn-kycker hierboven. 85

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont tekst gelezen moet worden en welke boerenwijsheid we ervan op kunnen steken: “Dat Vrysters met de knechten spotten, is quaet.”, “‘t Is groot misverstande, datmen door toyen, ende moyen meent beter te doen als zijns ghelijck.”, “Vrouvve schoonheyt, is maer enckel vvaen, ende vergaet lichtelijck.” Los van deze wat merkwaardige redactionele aanpak heeft deze tekst inhoudelijk een nogal provinciaal karakter: aan couleur locale ontbreekt het niet. Interessant is het slot, waarin hij Huygens noemt en refereert aan diens ‘Voorhout’: Jonckbloet (1890) wijst erop dat de Minne-mal is ‘naar het Voorhout is gevolgd’90 en bespreekt kort de invloed van Huygens, die ook in andere gedichten te bespeuren is91. Verder wijst hij erop dat de tekst is opgedragen aan Jacob de Geyn. 92 Het bovengenoemde provinciale karakter herkennen we ook in Boertich-Liedt van Hollandts-Trijntje, en Zeevvse Leunis, waarin, zoals de titel al doet vermoeden, een confrontatie tussen Holland en Zeeland centraal staat: Mooie, trotse Trijntje lispelt ‘steetse praet’ en minacht de eerlijke, maar in haar in ogen ongemanierde Zeeuwse boer Leunis. Eerder kwam al de ‘rond’heyd’, de eerlijkheid, het ronduit zeggen, die kan doorslaan in botheid ter sprake. Andersom kan Leunis maar moeilijk wennen aan de maniertjes, de norsheid en het veinzen van de Hollandse meisjes. Vande Venne karakteriseert hier, enigszins karikaturaal, de tegenstellingen tussen het stedelijke, welvarende Holland en het landelijke Zeeland. Ook in het Tafereel vinden we enkele opdrachten: Sinnighe Zeeuwse slijper wordt opgedragen aan Magdalena vande Passe, graveur van beroep. 93 De Sinnighe Neep-Klvytiens worden opgedragen aan Willem Jacobsz. Delff, de graveur en schilder, die leefde van 1580 tot 1638. 94 Net als zijn voorrede zijn zijn teksten, enkele in het bijzonder, breedsprakig te noemen. Zijn woordkeus en spelling zijn zuiver en ook voor een modern publiek behoorlijk toegankelijk, maar zijn talloze uitweidingen, tot in noten toe, en de vele woordspelingen en -variaties maken de teksten soms moeilijk te volgen. Inhoudelijk beschouwd klopt zijn eigen beschrijving van deze teksten wel: het betreft kluchtige schetsen van volkse taferelen, waarin we nogal wat boerenwijsheid tegenkomen, die soms tegenover stadse gewoontes wordt geplaatst.

90

Jonckbloet (1890) p. 16-17 Wikipedia (Lemma: Huygens) meldt hierover: “In zijn jeugd had Huygens voornamelijk gedichten geschreven in de Latijnse en Franse taal. De Zeeuwse dichter Jacob Cats stimuleerde hem, te dichten in het Nederlands. In oktober 1621 stuurde Huygens Cats een lang gedicht, ’t Voorhout. Dit werk was een lofzang op zijn geboorteplaats Den Haag en meer in het bijzonder op het Voorhout, waar hij woonde.” 92 Waarschijnlijk is dit Jacques de Gheyn III. Wikipedia: “zoon van de kunstschilder Jacques de Gheyn II en kleinzoon van Jacques de Gheyn I. De Gheyn III werd waarschijnlijk in Amsterdam geboren, maar werkte in Den Haag en Utrecht. Hij is vooral bekend als tekenaar en etser. In 1618 maakte De Gheyn samen met Constantijn Huygens een reis door Engeland. In 1620 ging hij naar Zweden. De tekeningen van Jacques de Gheyn II en III zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. In elk geval had De Gheyn III een verzameling van onder andere schelpen die in de 17e eeuw zeer populair waren bij vermogende mensen om deze te verzamelen.”(http://nl.wikipedia.org/wiki/Jacques_de_Gheyn_III) 93 Informatie over Magdalena de Passe op: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/Passe 94 Meer informatie: http://en.wikipedia.org/wiki/Willem_Jacobsz_Delff 91

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Conclusie De hoofdvragen van dit onderzoek waren: •

Valt uit de parateksten en teksten in de Zeeusche Nachtegael af te leiden dat de bundel bedoeld is om het Zeeuwse literaire leven buiten het gewest op de kaart te zetten?

Welk beeld schetsen de Zeeuwen van het literaire leven in hun gewest?

De eerste vraag meen ik positief te kunnen antwoorden, althans: daar is de bundel in ieder geval óók voor bedoeld. Het ruime aandeel van de Hollandse literaire belofte Anna Roemers Visschers in de bundel lijkt een aanwijzing. Bovendien: in enkele parateksten richt de focalisator zich rechtstreeks tot het niet-Zeeuwse publiek. Wat de tweede vraag betreft: er wordt in diverse parateksten én teksten in de bundel gewag gemaakt van de klaarblijkelijk onjuiste vooroordelen die er buiten Zeeland over het gewest bestaan en de ambitie om deze vooroordelen teniet te doen. Deze kwestie wordt meermaals op humoristische wijze expliciet gepresenteerd door middel van de metaforische “Zeeusche Nachtegael” en de vraag of dit nu een kikker is of een zangvogel. Ik heb echter proberen aan te tonen dat er op de achtergrond nog een heel andere kwestie speelt: uiteraard spelen minder de grond en het water een rol bij het literair potentieel van een regio, maar meer de vraag of er een culturele of literaire infrastructuur is: een elite, die beschikt over middelen om cultuur en literatuur te verspreiden, en dus is de bundel het resultaat van een samenbundeling van krachten om Zeeland op de literaire kaart te zetten. Twee aspecten dienen hierbij echter opgemerkt te worden: ten eerste de grote rol van de maatschappelijke status in deze samenwerking – notabelen staan prominenter op de lijst dan schrijvers – , ten tweede het feit dat de samenwerking – achteraf bezien – vooral een gelegenheidsproject is geweest – immers: als er al van een dichterskring sprake was, is deze na het verschijnen van de bundel al gauw uiteen gevallen. Deze twee aspecten doen vermoeden dat het belangrijkste doel van de bundel voor sommigen misschien niet eens zozeer zuiver literair was, maar vooral om de bestuurlijke elite van het gewest een wat cultureler tintje te geven. Dat laatste lijkt in ieder geval niet het geval voor Adriaen vande Venne, die het verschijnen van deze bundel vooral lijkt aan te grijpen om zichzelf, naast schilder/illustrator ook als schrijver op de kaart te zetten, waarbij hij weinig bescheidenheid aan de dag legt wat betreft zijn kwantitatieve aandeel in de bundel. Het feit dat de eindredactie in handen van zijn broer, de drukker, lijkt te zijn geweest, zal hier waarschijnlijk een rol in gespeeld hebben. Het lijkt er daarom op dat het aandeel van Vande Venne een aparte plaats in de bundel inneemt. Bij hem lijkt de self-fashioning niet op het gewest Zeeland gericht, maar op zichzelf. Aangezien zijn teksten toch een zeker folkloristisch, chauvinistisch karakter hebben, heb ik daar toch geruime aandacht aan besteed. Opvallend was daarbij dat hij wat de taal betreft toenadering zoekt tot Holland, maar in zijn kluchtige schetsen vooral de tegenstelling tussen stad en platteland benadrukt.

23


Self-fashioning in de Zeeusche Nachtegael – M. Dumont

Geraadpleegde literatuur A. Ising, ‘Een schilder-dichter uit de zeventiende eeuw’. In: De Gids. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1889, p. 126-156. (Via dbnl). W.J.A. Jonckbloet, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Deel 4: de zeventiende eeuw (2). J.B. Wolters, Groningen 1890 (vierde druk). (Via dbnl). J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde III. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1). De erven F. Bohn, Haarlem 1923, tweede druk. (Via dbnl). P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw. N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, Amsterdam 1943. [Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Nieuwe Reeks, Deel XLVIII, No. 1.] (Via dbnl). P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982. (Ook via dbnl). G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985. (Via dbnl). L. P. Grijp, ‘De Rotterdamse Faem-Bazuyn. De lokale dimensie van liedboeken uit de Gouden Eeuw.’ In: Volkskundig bulletin 18 (1992), p. 23-78. (Via dbnl).

Verantwoording illustraties ZN, p. 27

pag. 5:

ZN, p. 29

pag. 7:

ZN, p. 269

pag. 10:

ZN, p. 124

pag. 11:

ZN, p. 188

pag. 12:

ZN, p. 54

pag. 13-1:

ZN, p. 94

pag. 13-2:

ZN, p. 103

23

pag. 1:


Self-fashioning in De Zeevsche Nachtegael  

Nota Vroegmoderne Letterkunde in het kader van de cursus "Verkoop- en leesstrategieën: de dynamiek van teksten en parateksten" onder leiding...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you