Issuu on Google+

EEN VERKENNING VAN DE BEELDSPRAAK IN RUUSBROECS DIE CHIERHEIT DER GHEESTELIKER BRULOCHT

Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” Maurice Dumont (#3421406) Docent: Paul Wackers


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

Inleverdatum: 4 november 2010

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

INHOUD Inhoud.......................................................................................................................................................................3 1. Inleiding ............................................................................................................................................................4 1.1 Probleemstelling – Doelstelling...................................................................................................................4 1.2 Methode: theoretisch kader.......................................................................................................................5 1.3 Methode: praktische uitvoering..................................................................................................................5 1.4 Definitie beeldspraak .................................................................................................................................6 2 Bespreking van de bestudeerde passages........................................................................................................7 2.1 Proloog........................................................................................................................................................7 2.2 Het eerste deel: “Siet” van het eerste boek: “Het werkend leven”............................................................8 2.3 Het eerste deel: “Siet” van het tweede boek: “Het innige leven”..............................................................9 2.4 Overige metaforen......................................................................................................................................9 3. Conclusies + suggesties voor vervolgonderzoek...............................................................................................9 Literatuur............................................................................................................................................................11

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

1. INLEIDING 1.1 PROBLEEMSTELLING – DOELSTELLING In de cursus “Perspectieven op Ruusbroec” heb ik mij verdiept in enkele werken van de 14 e-eeuwse mysticus Jan van Ruusbroec. Daarnaast heb ik drie secundaire werken over Ruusbroec en zijn werk bestudeerd. Door deze secundaire werken heb ik een globaal idee gekregen van werkwijze en stijl van Ruusbroec. Het lezen en begrijpen van de primaire teksten vind ik echter erg moeilijk. Ik ervaar de teksten als bijzonder hermetisch; globaal lezen biedt weinig bevrediging. Daarom wil ik deze nota gebruiken om een relatief klein stuk tekst grondig te bekijken – min of meer te ontcijferen - om zo meer grip te krijgen op Ruusbroecs stijl; er niet alleen in de termen van de secundaire literatuur over te kunnen praten, maar ook voor een deel uit eigen ervaring. Daarnaast wil ik proberen dit binnen een methodologisch kader te doen. Hierbij heb ik mij laten inspireren door de gelezen secundaire werken. Geert Warnar wijst in zijn boek Ruusbroec, literatuur en mystiek in de veertiende eeuw 1 op het belang van Ruusbroec voor de Nederlandse literatuur en wil hem in literair-historisch kader plaatsen. De vraag die dit oproept, is in hoeverre er sprake kan zijn van een literair-historisch kader in een tijd dat het begrip literatuur nog niet gangbaar was en in hoeverre we teksten van Ruusbroec als literatuur kunnen beschouwen. Zonder al te diep op deze moeilijke kwestie in te gaan, is het wellicht mogelijk om - als bijdrage aan deze kwestie - bepaalde heden ten dage als literair beschouwde aspecten in het werk van Ruusbroec aan te wijzen. Daarom wil ik in deze nota het gebruik van beeldspraak in een deel van Ruusbroecks bekendste werk Die chierheit der gheesteliker brulocht (De verhevenheid van de geestelijke bruiloft – hierna te noemen de Brulocht) in kaart brengen en beschouwen. 2 Hadewijch Ceulemans laat in haar boek Memorabele mystiek. De rationale-passages uit Jan van Ruusbroecs Vanden geesteliken tabernakel3 zien hoe Ruusbroec de rationale-passage voorzien heeft van allerlei stijlfiguren, waaronder beeldspraak, om ervoor te zorgen dat de tekst beter te onthouden en te internaliseren is. Ik hoop dan ook dat het bestuderen van de beeldspraak de Brulocht voor mij toegankelijker maakt. In mijn onderzoek wil ik vaststellen welke problemen en welke inzichten het in kaart brengen van de beeldspraak in deze Middeleeuwse religieuze tekst kan opleveren. Ik maak in deze nota gebruik van de editie van Moreels uit 1977. 4 Hierin staan de oorspronkelijke tekst in moderne spelling (op de even pagina’s) en een hertaling (op de oneven pagina’s). (Omdat Moreels een theoloog is en geen filoloog of mediëvist, volg ik niet altijd klakkeloos zijn hertaling.)

1

Warnar (2003) Een overweging hierbij is de vraag in hoeverre het gebruik van beeldspraak een tekst literair maakt. Immers, in zakelijke teksten wordt ook gebruik gemaakt van beeldspraak. Vgl. de poëtische functie van teksten volgens Roman Jakobson, o.a. besproken in Rigney (2009:48-49). 3 Ceulemans (2006) 4 Ruusbroec (1977) 2

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

1.2 METHODE: THEORETISCH KADER Per toeval kreeg ik juist toen ik zocht naar een bruikbare werkwijze voor mijn onderzoek nog een derde secundair werk, het proefschrift van Hilde Noë, In een verwonderen van al deser rijcheyt,5 in handen.6 In dit proefschrift behandelt Noë het beeldgebruik in Ruusbroecs Dat rijcke der ghelieven.7 Haar werkwijze8 lijkt me voor mijn onderzoek interessant, aangezien het in beide gevallen een werk van Ruusbroec betreft. Uiteraard ben ik in tijd en omvang beperkt. Daarom wil ik slechts enkele aspecten van haar probleemstelling overnemen en uitwerken. Verder heb ik nog een aspect (nr. 4) zelf toegevoegd: 1. van een qua omvang beperkte, samenhangende groep fragmenten breng ik alle beeldspraak in kaart; ik kies daarbij voor de proloog, het eerste deel: “Siet” van het eerste boek: “Het werkend leven” en het eerste deel: “Siet” van het tweede boek: “Het innige leven”. 2. bij deze beelden probeer ik het verbeelde (Noë spreekt van resp. de comparant en de comparé9) vast te stellen; 3. indien er bepaalde beeldvelden (paradigmata) te herkennen zijn, groepeer ik de beelden en beschrijf ik deze beeldvelden; ik vergelijk de resultaten met de indeling van Noë. Zij onderscheidt in Dat rijcke der ghelieven de beeldvelden ‘kosmos’, ‘engelen’, ‘feodaliteit’ en ‘licht, water, ruimte’. 4. is er – net als in ons hedendaags taalgebruik – een onderscheid te maken tussen beeldspraak die alledaags, onbewust, niet beladen en/of functioneel is en beeldspraak die specifiek, bewust, beladen en/of functioneel is? Een vraag die Noë stelt, maar waarvoor binnen de omvang van deze nota geen ruimte is, is hoe Ruusbroecs beeldspraak zich verhoudt tot de traditie. Voor een dergelijke vergelijking ben ik absoluut niet toegerust. Andere vragen die te complex zijn binnen het kader van deze nota, zijn: welke beeldspraak heeft Ruusbroec overgenomen uit de door hem gebruikte/besproken bijbelpassages, welke heeft hij zelf aangebracht en welke beeldspraak is geïnspireerd op beeldspraak uit de gebruikte/besproken bijbelpassages of een verdere uitwerking daarvan? Dergelijke vraagstukken zijn uiteraard interessant, maar binnen deze nota is daarvoor geen ruimte. Ruusbroec kiest als schrijver van deze tekst bepaalde beelden om te gebruiken. Daarom neem ik Ruusbroecs tekst zoals deze is. Ik kijk - in principe - niet naar de bijbel en zal deze vragen niet binnen deze nota proberen te beantwoorden. Bovendien, het draait ook niet om welke beeldspraak Ruusbroec bedacht heeft, maar welke beeldspraak hij gebruikt.

1.3 METHODE: PRAKTISCHE UITVOERING In een corpus leg ik een lijst aan van de beeldspraak die ik in de genoemde passages aantref. Ik citeer het beeld, (indien mogelijk) wat er letterlijk bedoeld wordt, en het type beeldspraak. 5

Noë (2001) Mijn exemplaar heeft nota bene een gedrukt register, dat bij de handelsversie van het boek niet meegeleverd werd en alleen digitaal beschikbaar is. Alleen letterenbibliotheken kregen een gedrukte versie (Zie Noë 2001:12) 7 Haar doctoraalscriptie handelde blijkens de inleiding over het beeldgebruik in de Brulocht! 8 Zie Noë (2001:8-13) 9 Noë (2001:9) 6

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

Bij het beeld citeer ik de woorden van de oorspronkelijke tekst. Bij het beschrijven van de letterlijke betekenis gebruik ik de woorden van de hertaling of – indien er niet naar iets concreets in de tekst verwezen wordt – een eigen formulering. Dit doe ik omdat mijn doel met deze exercitie niet alleen is om op technische wijze de tekst te ontleden, maar ook om doel en betekenis helder uit te kunnen leggen. Ik wil hiermee ook proberen dichter bij de betekenis van de tekst te komen. Voordat ik de gevallen van beeldspraak ga bestuderen, wil ik eerst helder afbakenen wat beeldspraak is en welke categorieën er te onderscheiden zijn.

1.4 DEFINITIE BEELDSPRAAK Een goed algemeen uitgangspunt is de definitie van Van Boven en Dorleijn: “Een beeld is een beeld als er op letterlijk niveau een interpretatieprobleem optreedt.” 10 Er is dan sprake van “semantische deviatie”.11 Hilde Noë spreekt in dit kader van “isotopiebreuk”. 12 Noë maakt in haar studie geen gebruik van een nadere indeling in categorieën (vergelijking / metafoor / metonymia), omdat dit af zou leiden van haar uiteindelijke doel: het in kaart brengen van de beeldvelden / paradigmata.13 Ik heb bij het zoeken en bestuderen wel gebruik gemaakt van een dergelijke indeling, al is deze voor de resultaten niet van bijzonder belang. In Bijlage 1 wordt deze indeling nader toegelicht. Noë beperkt zich in haar corpus tot het noteren van comparant, comparé en context. Van Boven en Dorleijn, die voor comparant de term vehicle gebruiken en voor comparé de term tenor, bespreken daarnaast het aspect ground, waarmee de motivatie van de relatie vehicle-tenor wordt gegeven.14 Aangezien ook dit aspect mij het onderzoeken waard lijkt, en het bovendien nodig is bij het nauwkeurig beschrijven van soorten beeldspraak, zal ik hierna vasthouden aan de terminologie van Van Boven en Dorleijn. Ten behoeve van mijn 5e onderzoeksvraag zal ik daarnaast nog proberen een onderscheid maken tussen dode (alledaagse, ongemerkte) beeldspraak en creatieve (unieke, door de context beladen) metaforen.15 Als dood beschouw ik beelspraak die níet direct samenhangt of gemotiveerd wordt door de context. Als creatief beschouw ik de beeldspraak die wél direct samenhangt of gemotiveerd wordt door de context.

10

Van Boven/Dorleijn (2003:162) Van Boven/Dorleijn (2003:170) 12 Noë (2001:9) 13 Noë (2001:8) 14 Van Boven/Dorleijn (2003:162) 15 Deze indeling is ontleend aan Rigney (2009). Zij onderscheidt ook nog een derde categorie: traditionele beeldspraak, waarmee zij clichés bedoelt. Aangezien ik mij niet capabel acht om te beoordelen of er bij Ruusbroec sprake is van clichés, negeer ik deze categorie. 11

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

2 BESPREKING VAN DE BESTUDEERDE PASSAGES Hieronder zal ik bespreken welke beeldspraak ik in de proloog en de twee ‘Siet’-delen in resp. ‘Het werkende leven’ en ‘Het innige leven’ ben tegengekomen. Eerst bespreek ik per deel de creatieve beeldspraak die een contextuele c.q. onderlinge samenhang vertoont. In de 2.4 bespreek ik eventuele dode beeldspraak.

2.1 PROLOOG In de proloog is sprake van een beeldveld, een aantal beelden die met elkaar samenhangen rondom het thema ‘bruiloft’. Deze bruiloft is uiteraard in de titel van het werk al aangekondigd. Daar werd ook al aangegeven dat het geen gebruikelijke, letterlijke, maar een geestelijke bruiloft betreft. Christus wordt als bruidegom geïntroduceerd en de menselijke natuur als zijn bruid. Even later wordt de menselijke natuur als ‘Bruyt Gods’ aangeduid. God en Christus lijken dus inwisselbaar. In dezelfde passage wordt aan Christus ook wordt gerefereerd als ‘sinen eenghebornen sone’. Het trouwen is te beschouwen als de vereniging van de menselijke natuur “met sinen persone vanden puersten bloeden der edelre maghet”. Hier wordt Christus dus als de menswording van God, tot stand gekomen uit het bloed van Maria, gepresenteerd. De passage geeft naar mijn idee geen (talig) uitsluitsel dat God en Christus synoniem zijn, of dat Christus een bepaalde verschijningsvorm of een deelaspect of de zoon van God is. Let ook op de rol van Maria: zij is de beminde van God, en Christus heeft als ongeboren vrucht in Maria gewoond als in een tempel. Hiermee samen hangt de rol van de Heilige Geest, het derde element van de drieëenheid, die ook een aparte rol krijgt, namelijk die van Priester, die de bruid trouwde. Ik heb geen tekstinterne ground achter deze rolverdeling kunnen vinden. Problematisch is ook de passage “Aldus hevet cristus […] ons ghevisiteert in vremden lande”. Binnen de tekst is naar mijn idee geen aanwijzing te vinden waar met het vreemde land op gedoeld wordt. Het zou een verwijzing naar een bijbelpassage kunnen zijn. Hiertegen pleit het gegevan dat Moreels bij bijbelverwijzingen tussen haakjes de betreffende passage vermeldt. Daarvan is bij deze passage geen sprake. ‘Vreemd’ is wellicht ook op te vatten als ‘niet-hemels’ en dus ‘vreemd’ voor Christus. Beide verklaringen zijn niet echt bevredigend. Tot slot worden in de proloog de beelden ‘bruidegom’ en ‘bruid’ gekoppeld aan Adam en Eva. Een dergelijke koppeling tussen het Oude en het Nieuwe Testament komt wel vaker voor bij Ruusbroec en sowieso bij bijbelexegese: vanuit een leeshouding die allegorisch of typologisch wordt genoemd, ziet men het Oude Testament als een voorafspiegeling van het Nieuwe Testament. Kan men hier nu ook daadwerkelijk spreken van beeldspraak? Het is verleidelijk om Adam en Eva in deze context bijvoorbeeld als symbolen op te vatten, maar ik heb gemeend deze verwijzingen naar het scheppingsverhaal niet als beeldspraak te moeten behandelen en voel mij daarin gesteund door Hilde Noë: De allegorie is in de Middeleeuwen meer dan een stijlfiguur. Zij duidt elke vorm van ‘extra’ betekenis aan, ook de geestelijke betekenis die God aan de wereld en aan de bijbel heeft gegeven. Daarnaast

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406 duidt allegorie, als specifieke term, de eerste van de drie geestelijke betekenissen aan die aan het ding waarnaar een woord verwijst, worden toegekend.16

Noë verwijst hier naar de ‘quator sensus scriptorum’, de vier manieren waarop men een bijbeltekst kan lezen.17

2.2 HET EERSTE DEEL: “SIET” VAN HET EERSTE BOEK: “HET WERKEND LEVEN” In de passage die handelt over ‘Gods algemene aanbieding der genade’ komen we opnieuw een klein beeldveld tegen, rond het thema ‘natuur’. Met de beelden ‘zon’, ‘boom’, ‘twijg’, ‘snoeien’, ‘planten’ en ‘vrucht’ wordt deze algemene aanbieding van de genade aanschouwelijk gemaakt: God is net als de zon, die iedereen belangeloos van licht, energie, kracht voorziet. De mens is in principe voor het eeuwige leven bestemd, net als een boom in principe bestemd is om vruchten te dragen, maar mensen ontplooiien zich net als bomen niet allemaal in gelijke mate. Een levenshouding die niet op het eeuwig leven is gericht is net als een wilde vrucht onbruikbaar voor de mensheid. Met een zuiver geweten en een vrijwillig naar God gekeerde wil kunnen we Gods genade ontvangen, net zoals we op een gesnoeide stam een vruchtbare twijg kunnen enten. En net als we een wildgroeiende, onvruchtbare boom moeten snoeien voordat we hem vruchtbaar kunnen maken, moeten we ons eigen geweten zuiveren als we Gods genade willen ontvangen. In deze passage wordt Gods genade al even kort voorgesteld als een ‘licht’. ‘Licht’ maakt deel uit van een beeldveld dat ook Noë in haar studie behandelt. 18 In de volgende passages komen we verwante beelden tegen: ‘die vonke der zielen’, die valt op te vatten als een begeerte naar het goede; ‘een heet wille’, moeilijk anders te interpreteren dan een hartstochtelijke wil; ‘de zon’, wanneer Gods genade als ‘een blic der zonnen’ wordt voorgesteld. 19 De koppeling van Gods genade aan de zon wordt in de tekst gemotiveerd doordat beide zonder belang (‘onverdient ende ombegheert na weerdidheyt ’) tot de mens komen. Opnieuw wordt Gods genade aan ‘licht’ gekoppeld: door Gods genade kan de mens ‘Sien’, krijgt hij inzicht. 20 En ook bevestigt dit dat Gods genade, net als zonlicht, een primaire levensbehoefte van de mens is. Overigens wordt het licht door God in de mens ‘ghestort’ of ‘ingevloeyd’, beelden die volgens Noë in het beeldveld ‘water’ thuishoren. 21 Bij een zo letterlijk mogelijke lezing van de tekst valt op dat de ‘ziel’ enkele malen als object wordt voorgesteld: ‘aldus die ziele ledich steet’, ‘god ende ziele vergaderen’. Dit zouden we kunnen zien als een pars pro toto, een vorm van metonymie: er wordt dan niet letterlijk gedoeld op de ziel, maar op de mens,22 handelend vanuit een gevoel of een hartstocht uit zijn ziel. Het is immers ook niet alleen de ziel die licht dan wel inzicht ontvangt, maar de mens, maar het noemen van de ziel verduidelijkt wel welk soort licht/inzicht hier bedoeld wordt. 16

Noë (2001: 8, noot 36). Interessant in deze context is dat Noë in het hoofdstuk ‘Engelen’ constateert dat engelen in de hoofdstukken die in Dat rijcke der ghelieven over de zintuiglijke weg geen beeld, maar realiteit zijn, maar in de hoofdstukken over de bovennatuurlijke weg als beeld van de geestelijke mens functioneren. Zij verklaart dit vanuit het blijkbaar in de Middeleeuwen algemeen aanvaarde gedachte dat de mens werd geschapen om na een goed leven in genade, de lege plaatsen van de gevallen engelen op te vullen. Zie Noë (2001:47-49). 17 Bij Van Bork (2002) vond ik een vrij heldere, beknopte uitleg over deze ‘quator sensus scriptorum’. 18 Zie: Noë (2001: 147) 19 Al deze voorbeelden behoren ook tot Noë’s ‘licht’-beeldveld. 20 Noë (2001: 147) noemt in deze context ook ‘claerheyt’ die in Dat rijcke der ghelieven een prominente rol speelt. 21 Vgl. Noë (2001:205). 22 Vgl. de uitdrukking ‘zieltjes winnen’.

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

2.3 HET EERSTE DEEL: “SIET” VAN HET TWEEDE BOEK: “HET INNIGE LEVEN” Na een introductie van ‘de drie eenheden’ worden deze vergeleken met een ‘rijk’ en een ‘eeuwige woning’. Net zoals we we de samenleving en onze woning met toewijding inrichten en verfraaiien, doen we dat ook met deze drie eenheden. Dat doen we door ‘innige oefeninghen’ in de vorm van zedelijke deugden. Dat het een eeuwige woning betreft, is een vooruitwijzing naar het eeuwige leven dat het uiteindelijke doel vormt. De laagste van de drie eenheden bereiken we door ons te spiegelen aan Christus, onder andere door ‘dat cruce te draghene met cristo’. Uit de tekst is niet duidelijk af te leiden waarop hiermee gedoeld wordt, al worden verderop deugden als ootmoed, geduld, zelfverloochening en onwankelbaar vertrouwen genoemd. Vervolgens ontstaat er een beeldveld waarin de mens als ‘vat’ wordt voorgesteld. ‘Vat’ blijkt hier breder op te vatten als iets dat een bepaalde inhoud kan be’vatten’. De mens krijgt het ‘inwendich begheerlijc leven’ als een drank, een likeur ingegoten, wanneer hij al zijn werken en heel zijn leven opdraagt aan God, met zuivere, naar God geheven mening. Zowel het ‘vat’- als het ‘licht’-beeldveld komt terug in de passage over ‘De verlichting in de opperste eenheid’ en ‘Den invlote der gracien gods in onsen gheeste’. Christus wordt daar ‘dat licht der waerheit’ en ‘dat licht des vaders’ genoemd en het spreken van Christus is ‘een invloeyen sijns lichts ende sire gracien’. Gods genade wordt voorgesteld als ‘der keersen inder lanternen ochte in eenen glasene vate; want si verhit ende verclaert ende doer-schijnt dat vat.’ De mens ervaart een krachtig gevoel en een helder inzicht, maar, net als bij een lantaarn het licht ook naar buiten schijnt, openbaart Gods genade zich dan ook aan andere mensen. Beladen met beeldspraak is ook de passage ‘Nu es die gracie gods, die ute gode vloeyt, een inwindich driven ochte jaghen des heylichs gheests die onzen gheest drivet van binnen en stoect in alle deughden,’ waarin de kracht van Gods genade aanschouwelijk wordt gemaakt. ‘Driven’ wordt door Noë in het beeldveld ‘Kosmos’ geplaatst.23 De overige varianten heb ik niet teruggevonden in haar register.

2.4 OVERIGE METAFOREN In de door mij bestudeerde passages is op enkele plaatsen ‘beeldspraak’ aan te wijzen, die los staat van de context, bijvoorbeeld “Dit sijn werke der vorecomender gracien” en “Aldus maect die voregaende gracie eene ghereetschap”. Het is bij deze gevallen echter onduidelijk of we hier daadwerkelijk met beeldspraak van doen hebben of dat we ‘werke’ en ‘maect’ gewoon als ‘letterlijke’ synoniemen van respectievelijk ‘effecten’ en ‘vormt’ moeten beschouwen. Het enige echte voorbeeld van een dode metafoor zou dan zijn: “Een ontblotinghe vremder beelden…” als beeld voor ‘zich ontdoen van’.24

3. CONCLUSIES + SUGGESTIES VOOR VERVOLGONDERZOEK Na dit bescheiden onderzoek naar de beeldspraak in enkele passages de Brulocht, kan ik de volgende conclusies trekken: 23

Vgl. Noë (2001:247).

24

‘Bloet’ en diverse daarvan afgeleide woorden hebben volgens Noë in Dat Rijcke de betekenis ‘onghebeeldet’ (binnen het beeldveld ‘Ruimte’). Noë geeft hier echter geen nadere uitleg bij. (Zie het register bij Noë 2001).

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

1. de hoeveelheid beeldspraak in de door mij bekeken passages is over het algemeen minder dan ik had verwacht op basis van alleen de proloog; 2. met name de hoeveelheid ‘dode’ beeldspraak is zeer gering, oftewel: de beeldspraak is overwegend contextgebonden; 3. de koppeling tussen beeld en verbeelde, (ground en tenor) is in de meeste gevallen vrij eenvoudig te herleiden en ook vrij eenduidig; slechts in enkele gevallen was het voor mij niet eenduidig te achterhalen wat letterlijk bedoeld werd; in deze gevallen vermoed ik dat de toenmalige lezer daar geen problemen mee heeft gehad vanwege bijbelkennis en wereldbeeld; 4. de beeldspraak maakte de betreffende passages voor mij makkelijker te doorgronden en makkelijker te onthouden; 5. de beeldspraak is over het algemeen goed te koppelen aan de door Hilde Noë onderscheiden beeldvelden in Dat rijcke der ghelieven. Ten aanzien van de tweede conclusie is het interessant om te onderzoeken of dit typisch is voor mystiek of exegetische teksten, waarbij meerduidigheid wellicht ongewenst is, of dat er in het algemeen weinig ‘dode’ beeldspraak werd gebruikt. En: speelt hierbij een rol dat het Nederlands als schrijftaal op dat moment nog vrij nieuw was? Ten aanzien van de laatste conclusie is het interessant om ook de beeldspraak in de rest van de Brulocht in kaart te brengen. Bij een groter corpus komen wellicht grotere en duidelijkere verbanden met Dat rijcke der ghelieven (en mogelijk andere werken van Ruusbroec, en van tijdgenoten) te voorschijn.25

25

Hilde Noë heeft de beeldspraak van de Brulocht al in kaart gebracht in haar doctoraalscriptie. Interessant is dus vooral of zij daarbij dezelfde beeldvelden heeft (kunnen) onderscheiden en hoe zij, in het licht van de bevindingen in haar promotieonderzoek terugkijkt op de bevindingen in haar doctoraalscriptie.

10


Eindnota Cursus “Perspectieven op Ruusbroec” – M. Dumont #3421406

LITERATUUR

PRIMAIR: Ruusbroec, Jan van, Die Gheestelike Brulocht of De innige ontmoeting met Christus (Ed. Lod. Moreels) Amsterdam, 1977.

SECUNDAIR: Bork, G.J. van, H. Struik, P.J. Verkruijsse, G.J. Vis, Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek (2002), via dbnl: http://www.dbnl.org/tekst/bork001lett01_01/bork001lett01_01_0018.php#q009 (laatst geraadpleegd op: 19-10-’10) Boven, Erica van, en Gilles Dorleijn, Literair mechaniek. Inleiding tot de analyse van verhalen en gedichten. Bussum, 20082. Ceulemans, Hadewijch, Memorabele mystiek. De rationale-passages uit Jan van Ruusbroecs Vanden geesteliken tabernakel. Leuven, 2006. Noë, Hilde, In een verwonderen van al deser rijcheyt. Het beeldgebruik in Jan van Ruusbroecs ´Dat rijcke der ghelieven´. Leuven, 2001. Rigney, Ann, “De veelzijdigheid van literatuur.” in: Kiene Brillenburg en Ann Rigney (red.) Het leven van teksten: een inleiding tot de literatuurwetenschap. Amsterdam, 20093. Warnar, Geert, Ruusbroec. Literatuur en mystiek in de veertiende eeuw. Amsterdam, 2003.

10


Een verkenning van de beeldspraak in Ruusbroecs 'Gheesteliker Brulocht'