Page 1

Pim Derks

Onder een massa schijn bedolven

Friedrich Weinreb in de geschiedwetenschap, letterkunde en journalistiek 1998-2013

www.massaschijn.blogspot.nl 1


‘Ik geloof dat de mens niet zo heel veel verandert in de loop van de geschiedenis. Zeker niet in die van slechts enkele generaties. Wat verandert, dat zijn de omstandigheden, de namen, de begrippen. En daarom geloof ik, dat het wezenlijke van wat zich in de jaren 1940-1945 heeft afgespeeld, ook voor ons heden vrijwel ongewijzigd gelding heeft. De intensiteit van het beleven is wat men in vredestijd noemt, minder sterk, meer gecamoufleerd, met ziet de afschuwelijke naaktheid van het roofdier in de mens minder goed en met ziet ook veel minder duidelijk het verlossende karakter van de simpele menselijke daad. Het is allemaal onder een massa schijn bedolven; het leven is in dit opzicht trager geworden, moeilijker te herkennen.’

Friedrich Weinreb, Collaboratie en verzet, p. xi. 2


Inhoudsopgave

Inleiding

5

1. De zaak Weinreb

7

De bezetting

7

De affaire

9

Het rapport

14

2. Hermans en Weinreb

17

Oplichter

17

Het inschrijfgeld

18

De keuringen

20

Polemiek

21

Literatuur

24

De zaak Turksma

26

Lui en aanmatigend

29

3. Grabbelen in een ton

31

De emigratie

31

Van Walt van Praag

33

Ritmeester/Gerdes Oosterbeek

36

Kelder

39

Loujetzky

41

Reinkenstraat

42

Szmulewicz/Distenfeld

46

Kalker

47 3


Perlmutter

48

Van Baaren

49

De ommezwaai van Krom

50

Monasch

52

Hurwicz/Barenholz

53

Langendijk

54

De Jong

55

De overval in BelgiĂŤ

56

Het begin van oproepen in Den Haag voor werkkampen

57

Marres over Nuis

59

Een alomvattende samenzwering

60

Laster

63

Alle lof (of niet?)

65

Een beschuldiging

68

4. Weinreb leeft voort

71

Het begrip van Paul Damen

71

Een onsmakelijk verhaal

72

De mythe van Igor Cornelissen

79

Aspekt, Anbeek en amok

81

Wetenschap volgens J.H. Laenen

85

Het Nederland van Aad Nuis

87

Bregstein en de hete brij

91

Dick Houwaart kijkt even om

93

Onvolledig en onwaarachtig

94

Bibliografie

97

4


Inleiding

Eind 1999 krijg ik een boek onder ogen waar ik in de pers al het een en ander over heb gelezen: Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Friedrich Weinreb. Het boek is geschreven door dr. René Marres, universitair docent moderne Nederlandse letterkunde in Leiden. Ik weet dat er over Friedrich Weinreb in 1976 een omvangrijk rapport is gepubliceerd door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, het huidige NIOD) waarin is aangetoond dat Weinreb een oplichter en verrader is geweest: door zijn toedoen zijn er tijdens de bezetting tenminste honderdachttien personen in Duitse gevangenschap geraakt van wie er zeventig zijn omgekomen. Serieuze pogingen om de conclusies van het Weinreb-rapport te weerleggen, zijn nooit ondernomen. Het is daarom groot nieuws dat René Marres beweert dat hij wel kan aantonen dat Weinreb onschuldig is. Ik lees het boek van Marres met grote belangstelling, maar zelfs met de geringe kennis die ik van de zaak Weinreb heb, moet ik vaststellen dat Marres het bij het verkeerde eind heeft. Wel ben ik door zijn betoog in Weinreb geïnteresseerd geraakt en ga ik meer over het onderwerp lezen. Ik ontdek daardoor steeds meer onjuistheden in Marres’ boek en ik besluit het als onbelangrijk terzijde te schuiven. Dit is ook wat de meeste recensenten met het boek hebben gedaan. Tot mijn verbazing publiceert Marres in het najaar van 2002 bij Uitgeverij Aspekt een aantal hoofdstukken van zijn boek in een herziene en uitgebreide versie. Marres lijkt in dit boek nog zekerder van zijn zaak te zijn. In 2005 doet hij het nog eens over in een opnieuw uitgebreide editie die ook bij Aspekt verschijnt. Nog in 2013 publiceert hij een beschouwing waarin hij ijvert voor de heruitgave van Weinrebs leugenachtige memoires Collaboratie en verzet. Omdat Marres zijn standpunt blijft herhalen, begint bij mij het idee op te komen om uitgebreid in te gaan op zijn publicaties, ook al om dat ik merk dat zijn standpunt door sommige mensen wordt overgenomen. Bovendien lijkt mij het interessant om dieper op de zaak Weinreb

5


in te gaan en zo meer te leren over de bezettingstijd. Marres verwijt de critici van zijn boek dat zij niet zijn ingegaan op de verraadzaken die hij behandelt. Ik heb geprobeerd dat wel te doen. Deze studie is verdeeld in vier hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk geef ik een korte beschrijving van Weinrebs activiteiten tijdens de bezetting en van de affaire die na de oorlog rond zijn persoon losbarst. In het tweede hoofdstuk behandel ik de visie van Marres op de Weinreb-polemiek van Willem Frederik Hermans. In het derde hoofdstuk wordt ingegaan op de verraadzaken en Marres’ visie op het Weinreb-rapport. In het vierde en laatste hoofdstuk worden verschillende uitlatingen over Weinreb die de laatste jaren door verschillende personen zijn gedaan nader onderzocht. Tot slot wil ik hier graag mijn dank uitspreken aan de heren Rob Delvigne, Ronald Havenaar, Johannes Houwink ten Cate, Johan Jansen en mevrouw Regina Grßter die zo behulpzaam zijn geweest om onderdelen van deze studie kritisch te lezen en van commentaar te voorzien. Mijn uitspraken zijn uiteraard voor eigen rekening.

Pim Derks Augustus 2014

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder toestemming van de auteur. 6


1. De zaak Weinreb Friedrich Weinreb wordt in 1910 in Lemberg geboren.1 In 1916 vlucht het Joodse gezin Weinreb voor het geweld van de Eerste Wereldoorlog naar Nederland. Het vestigt zich in Scheveningen, waar meer Joden uit Oost-Europa zijn komen wonen. In 1927 verwerft het gezin de Nederlandse nationaliteit. Na zijn eindexamen van de hbs gaat Weinreb economie studeren. Aan het begin van zijn studie overlijden zijn vader en moeder kort na elkaar. In 1936 trouwt hij en in 1938 legt hij het doctoraal examen af. Hij gaat werken bij het Nederlands Economisch Instituut in Rotterdam en hij richt met enkele studiegenoten een economisch adviesbureau op.

De bezetting In september 1941 wordt Friedrich Weinreb vanwege de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter ontslagen bij het Nederlands Economisch Instituut. Eind 1941 begint hij aan Joden te vertellen dat hij de mogelijkheid heeft om voor hen een emigratie te regelen. Omdat de antiJoodse maatregelen door de bezetter steeds worden verscherpt, trekt de mogelijkheid om te emigreren veel Joden aan en tot december 1941 houden de Duitsers voor dat emigratie mogelijk is.2 Weinreb zegt dat hij de emigratie mag regelen omdat hij een hooggeplaatste NSB’er kent. Later heeft hij het over een Duitse generaal die Dr. Herbert Joachim von Schumann heet. Hij laat geïnteresseerden een brief van deze militair zien. In werkelijkheid heeft Weinreb geen enkele mogelijkheid om Joden te laten emigreren, want hij heeft generaal Von Schumann verzonnen. Wanneer Joden vanaf mei 1942 een ster moeten gaan dragen en er oproepen voor werkkampen komen, wordt de wens om te emigreren nog groter. In de loop van de zomer van

1

Giltay Veth, Van der Leeuw, Rapport door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uitgebracht aan de minister van Justitie inzake de activiteiten van drs. F. Weinreb gedurende de jaren 1940-1945, in het licht van nadere gegevens bezien, p. xxii e.v. (hierna: Rapport). 2 Presser, Ondergang (1965), dl. 1, p. 473.

7


1942 stijgt het aantal deelnemers aan Weinrebs emigratielijst met duizenden. Weinreb laat deelnemers honderd gulden inschrijfgeld per persoon betalen, maar kinderen tot achttien jaar en sommige volwassenen plaatst hij gratis op de lijst. De deelnemers worden medisch gekeurd door een semi-arts. Zelf voert Weinreb ook keuringen uit. Hij zegt tegen deelnemers dat hij een bevoegd arts is. Na enige tijd worden Weinrebs activiteiten door de bezetter opgemerkt: op 11 september 1942 wordt hij door de Sicherheitspolizei (Sipo) gearresteerd. Kriminalsekretär Fritz Koch is de degene die zich van Duitse zijde met Weinreb gaat bezighouden. Weinreb probeert zich uit de situatie te redden door te vertellen dat hij generaal Von Schumann vroeger een dienst heeft bewezen en dat hij daarom als dank een emigratie mag regelen. Wanneer de Sicherheitsdienst (SD) ontdekt dat Von Schumann niet bestaat, neemt de zaak voor Weinreb een verrassende wending: Koch vermoedt niet dat Weinreb de generaal heeft verzonnen. Hij denkt dat Weinreb het slachtoffer is geworden van een oplichter. Weinreb speelt hierop in en nadat hij heeft beloofd mee te zullen werken aan het opsporen van de oplichter, wordt hij vrijgelaten. Bij de lijstdeelnemers ontstaat door Weinrebs vrijlating de indruk dat de emigratie betrouwbaar is. Bovendien worden deelnemers die zich al in het doorgangskamp Westerbork bevinden niet verder gedeporteerd: zolang de oplichter niet is gevonden, krijgen zij een zogenaamde Sperre. Weinreb belooft de deelnemers dat de emigratie op 24 december 1942 en in de weken daarna zal plaatsvinden. Maar op 8 januari 1943 wordt de Sperre door de Duitsers opgeheven en worden bijna alle deelnemers in Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Op 19 januari 1943 wordt Weinreb opnieuw gearresteerd omdat de Duitsers zijn bedrog hebben ontdekt. Eind januari wordt zijn gezin naar Westerbork gedeporteerd. Wanneer de Duitsers hun onderzoek hebben afgerond, wordt Weinreb als strafgeval ook naar Westerbork overgebracht. Hiermee lijkt Weinrebs rol te zijn uitgespeeld, maar Antonie Bolland, een van Fritz Kochs assistenten, bedenkt zich dat hij bij de opsporing van ondergedoken Joden en verborgen Joods vermogen Weinrebs hulp kan gebruiken. Hoewel zijn superieuren aanvankelijk aarzelen, krijgt Bolland uiteindelijk toch toestemming om Weinreb terug te halen, onder andere omdat Weinreb tijdens zijn gevangenschap al verschillende keren waardevolle tips aan de SD heeft gegeven. 8


Weinreb wordt uit Westerbork gehaald en in de Scheveningse gevangenis geplaatst. De SD wil zeker weten of hij bereid is om mee te werken en daartoe laat men hem in de gevangenis mensen uithoren. De SD vertrouwt Weinreb hierna en wil hem vrijlaten als hij meewerkt aan het opsporen van ondergedoken Joden. Weinreb verzint hiervoor samen met de SD een tweede emigratielijst. Hij vestigt zich met zijn gezin (waarvan één kind in Westerbork is overleden) in Den Haag en begint een bureau voor emigratie. Er komen niet veel Joden op af, maar in Westerbork is de belangstelling groot: veel gevangenen denken hun deportatie naar Polen met een Sperre te kunnen uitstellen. Op 3 januari 1944 wordt de tweede lijst door de Duitsers opgeheven en de deelnemers in Westerbork verliezen hun Sperre. Zij worden, voor zover zij niet over een andere Sperre beschikken, alsnog gedeporteerd naar Auschwitz. Weinreb besluit na de opheffing van de tweede lijst verdere maatregelen van de SD niet af te wachten: hij duikt met zijn gezin onder. Ongeveer een maand na de bevrijding wordt hij in Den Haag gearresteerd. Na een langdurig vooronderzoek wordt in 1947 door het Bijzonder Gerechtshof bewezen geacht dat Weinreb het inschrijfgeld van de lijstdeelnemers voor andere doeleinden dan emigratie heeft gebruikt, maar niet ten eigen bate. Verder wordt bewezen geacht dat hij één keer verraad en één keer celspionage heeft gepleegd en dat door zijn doorslaan (het noemen van gegevens tijdens verhoren door de SD) vier personen zijn gearresteerd. Het verraad heeft volgens het Bijzonder Gerechtshof echter geen ernstige gevolgen gehad. Weinreb wordt veroordeeld tot drie en een half jaar gevangenisstraf. Tegen dit vonnis tekenen zowel de aanklager als Weinreb beroep in cassatie aan. De Bijzondere Raad van Cassatie bepaalt in 1948, nadat nieuwe aanklachten tegen Weinreb zijn ingediend, de gevangenisstraf op zes jaar. Op 11 december 1948 komt Weinreb vrij omdat hij gratie krijgt in verband met het gouden regeringsjubileum van koningin Wilhelmina.

De affaire In 1965 publiceert de historicus Jacques Presser zijn veelgelezen boek Ondergang. Hij beschrijft hierin de geschiedenis van de Nederlandse Joden tijden de Duitse bezetting. Een aparte

9


paragraaf is gewijd aan Friedrich Weinreb.3 Presser betwijfelt daarin of het enige geval van verraad waarvoor Weinreb is veroordeeld wel bewezen is en of Weinreb door zijn lijstenactie verantwoordelijk kan worden gehouden voor de dood van Joden. Volgens Presser heeft Weinreb in een aantal gevallen deportatie weten tegen te houden. Ook vraagt hij zich af of de rechter die Weinreb heeft veroordeeld wel voldoende van de oorlogssituatie op de hoogte is geweest. Presser is ervan overtuigd geraakt dat Weinreb een zondebok is die heeft moeten boeten voor het tekortschieten van talloze niet-Joden. De columniste Renate Rubinstein is na het lezen van Ondergang geĂŻnteresseerd geraakt in Weinreb en zij vraagt hem of hij zijn herinneringen aan de bezetting wil opschrijven. Weinreb gaat op het verzoek in en Rubinstein redigeert zijn manuscript. Het verschijnt in 1969 in drie delen als Collaboratie en verzet 1940-1945. Een poging tot ontmythologisering bij uitgeverij Meulenhoff. Presser verzorgt een voorwoord bij de uitgave en Aad Nuis, de voormalige echtgenoot van Rubinstein, levert een nabeschouwing over het naoorlogse proces. Collaboratie en verzet blijkt een listig mengsel van fictie en werkelijkheid te zijn: Weinreb presenteert zich als een onafhankelijke verzetsman die met zijn verzonnen emigratielijst de Duitse administratie saboteert en daardoor veel Joden weet te redden. In het boek begint hij zijn eerste lijst met goede bedoelingen en als de Sicherheitsdienst de tweede lijst opzet, werkt hij daar alleen aan mee om nog meer Joden te kunnen redden. Hulp krijgt Weinreb nauwelijks, want de meeste Nederlanders werken gehoorzaam met de Duitsers samen. Niet alleen over de Duitsers, maar vooral over de Nederlanders, zowel Joden als niet-Joden, wordt in Collaboratie en verzet hard geoordeeld. Weinreb schrikt er niet voor terug om mensen persoonlijk aan te vallen. Collaboratie en verzet wordt met lof ontvangen: veel recensenten zijn onder de indruk van het boek.4 Ook kan Weinreb rekenen op de waardering van de progressieve jongeren die in de jaren zestig voor veel opschudding zorgen. Weinreb-verdediger Aad Nuis speelt een rol binnen D66, een politieke partij die door vooruitstrevende journalisten en intellectuelen is opgericht.5 Eerder heeft hij een lovend pamflet over Provo geschreven.6 In progressieve kringen 3

Presser, Ondergang (1965), dl. 2, p. 101-110. GrĂźter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 125. 5 Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 116-119. 4

10


wordt het gewoon om de maatschappelijke verhoudingen van het heden te vergelijken met die van tijdens de bezetting.7 Weinrebs beschrijving van onafhankelijk verzet tegen een bureaucratische overmacht spreekt de antiautoritaire jeugd aan: zij vinden in Collaboratie en verzet een toepasselijke kritiek op de denkbeelden van hun ouders. Ook Renate Rubinstein heeft er geen bezwaar tegen om de maatschappij van het heden te vergelijken met die van tijdens de bezetting.8 Politiek is zij links georiënteerd en zij heeft grote sympathie voor Roel van Duyn.9 Dit Amsterdams gemeenteraadslid voor de Kabouterbeweging wordt bij het schrijven van een anti-bureaucratische nota door Weinreb geïnspireerd.10 Collaboratie en verzet wordt door Van Duyn nota als studiemateriaal aanbevolen. Later zal in het blad van de Kabouters een door Weinreb geschreven artikel verschijnen en Weinreb wordt door hen gevraagd om zich kandidaat te stellen voor de parlementsverkiezingen.11 Naast lof is er ook verontwaardiging, vooral van personen die in Collaboratie en verzet genoemd worden, maar die zich niet kunnen herkennen in Weinrebs beschrijvingen. Dit geldt vooral voor Bep Turksma, een Joodse vrouw die tijdens de bezetting uit Westerbork heeft weten te ontsnappen en naar Londen is uitgeweken. Weinreb schrijft in zijn boek dat Turksma tijdens een verhoor door de SD zijn naam heeft genoemd en daarmee de oorzaak is geweest van zijn eerste arrestatie. Turksma, die nog nooit van Weinreb heeft gehoord, wil deze passage geschrapt zien. Zij wordt door de president van de Amsterdamse rechtbank, mr. U. W. H. Stheeman, in het ongelijk gesteld.12 In 1971 publiceert zij haar oorlogsmemoires onder de titel Vraag me niet waarom… Het Tweede Kamerlid I.A. Diepenhorst vraagt aan de minister van Justitie om een revisie van de rechtszaak tegen Weinreb. De minister geeft het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, het huidige NIOD) de opdracht om een rapport uit te brengen over Weinreb omdat herziening van het vonnis van 1948 niet mogelijk is als er geen nieuw 6

Nuis, Wat is er gebeurd in Amsterdam? Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 276. 8 Rubinstein, Mijn beter ik, Verspreide stukken 1952-1990, p. 409. 9 Ibid., p. 399. 10 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 279. 11 Ibid., p. 280. 12 Houwaart, Weinreb. Een witboek, p. 129, Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 218. 7

11


bewijsmateriaal wordt gevonden. Namens het RIOD gaat onderzoeker A.J. van der Leeuw zich met het geval Weinreb bezighouden. Voor de juridische aspecten van de zaak wordt de jurist mr. D. Giltay Veth aangetrokken. Inmiddels hebben veel schrijvers van naam zich in de discussie rond Weinreb gemengd. Abel Herzberg heeft in zijn Kroniek der Jodenvervolging uit 1950 met begrip over Weinreb geschreven, maar na lezing van Collaboratie en verzet plaatst hij kritische kanttekeningen bij Weinrebs bedoelingen.13 Een lange polemiek met Aad Nuis is het gevolg.14 De publiciste Henriette Boas merkt in artikelen op dat Weinrebs beweringen lang niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid.15 Ook Willem Frederik Hermans meent dat het door Weinreb geschetste beeld van de bezetting onjuist is. Hij toont fouten en tegenstrijdigheden aan in Weinrebs boek. Zijn teksten richten zich vooral tegen Renate Rubinstein en Aad Nuis: zij hebben meegewerkt aan een boek waarin een onschuldige vrouw wordt belasterd. Rubinstein blijft beweren dat Bep Turksma tijdens haar verhoor de naam van Weinreb heeft genoemd en dat Fritz Koch en Antonie Bolland dit na de oorlog hebben bevestigd in het strafdossier.16 Zij beweert zelfs dat Turksma het toen ook heeft verklaard. Dit blijkt niet juist te zijn: Weinreb, Koch, Bolland en Turksma zijn er na de oorlog niet over gehoord. Bovendien heeft Rubinstein het strafdossier nooit ingezien, zoals zij ook in haar nabeschouwing bij Collaboratie en verzet al heeft geschreven.17 Zij blijft ervan overtuigd dat Weinreb de waarheid spreekt en Turksma niet. In haar positie van columniste kan Rubinstein in Vrij Nederland blijven beweren dat Turksma tijdens haar verhoor is doorgeslagen en Weinrebs naam heeft genoemd. Ook noemt zij Turksma naïef, egocentrisch, niet moedig, dom en onnadenkend.18 Volgens Rubinstein is Turksma iemand die tijdens de bezetting geluk heeft gehad: haar boek Vraag me niet waarom… komt niet overeen met de werkelijkheid en bestaat uit clichés. Rubinstein benadrukt dat na Turksma’s ontsnapping uit Westerbork iemand anders het quotum voor de trein naar Polen

13

Kuiper, Een wijze ging voorbij, p. 536 Ibid., p. 526-543. 15 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 301-302. 16 Ibid., p. 289-290. 17 Rubinstein, ‘Nabeschouwing’, in: Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 3, p. 1827. 18 Rubinstein, Mijn beter ik, Verspreide stukken 1952-1990, p. 392-409. 14

12


heeft moeten volmaken. Dat plaatsen in de deportatietreinen ook zijn volgemaakt door Joden die geen Sperre van Weinreb hebben gehad, ziet zij, net als Presser, over het hoofd. Turksma heeft na haar verloren proces geen middelen meer heeft om zich te verdedigen, maar wordt in de pers gesteund door W.F. Hermans. Vooral zijn artikelen maken de polemiek scherper en lokken verontwaardigde reacties uit van Rubinstein. Ook in eigen kring krijgt zij steeds meer tegenstand: mensen die aanvankelijk waardering voor Weinreb tonen, zoals Rudy Kousbroek, stellen hun mening bij. Rubinstein reageert hier buitengewoon fel op. 19 Iedereen die aan de oprechtheid van Weinreb twijfelt, deugt volgens haar niet.20 De polemiek verloopt golfsgewijs: steeds wanneer de gemoederen enigszins bedaard lijken, ontstaat er om de een of andere reden weer opschudding. Begin 1971 wordt Collaboratie en verzet voorgedragen voor de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam. Burgemeester en Wethouders volgen het advies van de jury echter niet op omdat Weinreb omstreden is. De Amsterdamse Kunstraad is woedend en adviseert alle jury’s voor kunstprijzen van Amsterdam hun werkzaamheden op te schorten. De gemeenteraadsfractie van D66 en enkele leden van de PvdA dienen een motie in waarin staat dat Weinreb zijn prijs alsnog moet krijgen. Deze motie wordt verworpen. Harry Mulisch spreekt van een grof schandaal en stelt voor om een alternatieve prijs aan Weinreb toe te kennen indien B en W bij hun standpunt blijven.21 Mulisch heeft grote bewondering voor Weinreb: hij ziet in hem ‘Che Guevara van de bureaucratie’ .22 Hij roept op tot een bureaucratische guerrilla in de geest van Weinreb tegen ambtenaren en gezagsdragers.23 Mulisch heeft eerder een geestdriftig boek over Provo geschreven en daarin kritiek geuit op rechter Stheeman.24 Bep Turksma, die door Stheeman in het ongelijk is gesteld, hoeft echter niet op de steun van Harry Mulisch te rekenen. Mulisch legt liever een bezoek af aan Weinreb, die inmiddels in het buitenland woont om een gevangenisstraf te ontlopen. In 1957 is Weinreb wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde veroordeeld

19

Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 287. Kuiper, Een wijze ging voorbij, p. 535. 21 Dütting, Profiel Harry Mulisch, p. 131, 289. 22 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 277. 23 Venema, De databank, p. 40. 24 Mulisch, Bericht aan de rattenkoning, p. 153-154. 20

13


tot tweemaal een boete van duizend gulden.25 Toch zet hij zijn pseudo-medische praktijken voort.26 Een gevolg hiervan is dat hij in 1968 opnieuw in een rechtszaak verwikkeld raakt. Deze keer wordt hij wegens mishandeling met voorbedachten rade en schennis der eerbaarheid aanvankelijk tot vier maanden en in hoger beroep tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld.27 Om deze straf te ontlopen, besluit Weinreb Nederland te verlaten. Op 2 juni 1973 publiceert het Haarlems Dagblad gegevens uit een vertrouwelijk interimrapport van het RIOD. Het oordeel over Weinreb blijkt zeer ongunstig te zijn: volgens de onderzoekers heeft hij zich onder andere schuldig gemaakt aan celspionage en verraad. De Tweede Kamerleden Joop Voogd van de PvdA en Hans van Mierlo, oprichter van D66, betreuren het dat Weinreb geen gelegenheid heeft gekregen om op het interim-rapport te reageren. Een opmerkelijke eis, want Weinreb heeft zijn visie in zijn naoorlogse verklaringen en in Collaboratie en verzet al uitgebreid verwoord. Er volgt ook veel kritiek van Dick Houwaart, de latere perschef van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Hij is zo woedend dat hij eist dat de onderzoekers van hun taak worden ontheven. Twee jaar later publiceert hij Weinreb. Een witboek, waarin hij het voor Weinreb opneemt. Aad Nuis schrijft er een welwillende inleiding bij.

Het rapport Uiteindelijk wordt de uitkomst van het RIOD-onderzoek in 1976 gepubliceerd in het Weinrebrapport. De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat Friedrich Weinreb zijn eerste lijst niet is begonnen om Joden te redden, maar om er zelf beter van te worden. Ook heeft hij voor de Sicherheitsdienst verraad gepleegd en bestaan zijn memoires voor het grootste deel uit leugens, fantasieĂŤn en verdachtmakingen. Weinreb neemt juridische stappen tegen de Staat der Nederlanden omdat hij vindt dat zijn goede naam schade lijdt door onjuistheden in de hoofdstukken 2 en 37 van het rapport. De bezwaren van Weinreb worden onderzocht, maar

25

GrĂźter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 104. Ibid., p. 105. 27 Ibid., p. 108. 26

14


tasten de conclusies van het rapport niet aan. Weinreb onderneemt hierna geen stappen meer tegen het rapport.28 In de pers worden de conclusies van het RIOD-onderzoek overgenomen. Abel Herzberg bespreekt het rapport in twee lange weekbladartikelen die hij later verwerkt in de herdrukken van zijn Kroniek der Jodenvervolging.29 Henriette Boas publiceert enkele overzichtsartikelen.30 Dick Houwaart blijft het rapport als buitengewoon partijdig zien en noemt het zelfs ondeskundig. Hij schrijft een beschouwing in het progressieve weekblad De Nieuwe Linie dat het voor Weinreb blijft opnemen.31 Van Harry Mulisch en zijn alternatieve prijs wordt niets meer vernomen, maar W.F. Hermans stelt vast dat hij gelijk heeft gehad over Weinrebs rol tijdens de bezetting. Hij blijft er echter woedend en verbitterd over dat Renate Rubinstein en Aad Nuis nog steeds niet willen toegeven dat zij zich in Weinreb hebben vergist en dat zij geen excuses maken aan de door Weinreb belasterde mensen. 32 Rubinstein verzekert haar lezers dat zij op het rapport zal ingaan, maar zij doet dit uiteindelijk niet. Jaren later verklaart zij door ziekte en echtscheiding geen tijd te hebben gehad om op het onderzoek te reageren.33 Niettemin blijft zij over allerlei andere zaken wel driftig publiceren. Aad Nuis wil aannemen dat Weinrebs gedrag niet geheel smetteloos is geweest, maar hij is er niet van overtuigd dat Weinreb grote fouten heeft gemaakt.34 Hij publiceert in 1979, drie jaar na het verschijnen van het rapport, de brochure Het monster in de huiskamer. Met dit boekje van nog geen honderd bladzijden probeert Nuis het omvangrijke rapport te weerleggen. Zelfs in deze korte tekst krijgt hij het voor elkaar om de onschuld van Bep Turksma in twijfel te trekken.35 Renate Rubinstein is door het boekje van Nuis overtuigd.36 D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw tonen later aan dat Nuis de inhoud van het rapport stelselmatig verkeerd weergeeft. Hun conclusies blijken onweerlegbaar te zijn, maar Nuis en Rubinstein weigeren dit te erkennen.

28

GrĂźter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 150-152. Kuiper, Een wijze ging voorbij, p. 544. 30 Accent, 9-10-1976, 16-10-1976. 31 De Nieuwe Linie, 6-10-1976. 32 Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 206-251. 33 Rubinstein, Overgangscursus, p. 162. 34 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 79. 35 Ibid., p. 88-90. 36 GrĂźter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 152. 29

15


In de Tweede Kamer wordt de zaak Weinreb pas in 1981 afgesloten. Het parlement kan niet meteen over het rapport debatteren omdat Kamerlid Joop Voogd het voor elkaar weet te krijgen dat het RIOD eerst moet bewijzen dat Weinreb zelf in de loop van het onderzoek voldoende is gehoord. Verder moet bekeken worden of de onderzoekers in geval van twijfel niet te veel in het nadeel van Weinreb hebben geoordeeld.37 Om deze vragen te kunnen beantwoorden worden de documenten die betrekking hebben op Weinrebs juridische stappen tegen de Staat gebundeld in de Aanvulling op het Weinreb-rapport. Hierin wordt ook de reactie van de onderzoekers op de brochure van Aad Nuis opgenomen. Het parlement wil echter geen oordeel uitspreken over de zaak en beschouwt deze als afgedaan. Niet lang daarna komt Joop Voogd bij zijn afscheid als Kamerlid terug op de affaire. Voogd blijkt het Weinreb- rapport niet gelezen te hebben en alleen af te gaan op de brochure van Aad Nuis. Hij beweert dat Weinrebs schuld onbewezen is.38 Het Kamerlid R.E.M.F. Nijhof van DS’70 redt de eer van de Kamer door als enige de onwaarheden van Voogd tegen te spreken en hem te wijzen op de ernstige tekortkomingen van zijn betoog. De conclusies van het rapport vinden ook hun weg naar de historici: Friedrich Weinreb gaat als oplichter de geschiedenisboeken in. Na de verjaring van zijn veroordeling uit 1968 komt Weinreb niet meer terug naar Nederland. Hij is in Zwitserland gaan wonen waar hij een kring van bewonderaars om zich heen heeft verzameld. Zijn levenslange belangstelling voor de Joodse religie en mystiek uit zich in vele lezingen en publicaties. Weinreb zet zijn godsdienstige werk voort en overlijdt in 1988. 39

37

GrĂźter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 155. Ibid., p. 156. 39 Ibid., p. 157. 38

16


2. Hermans en Weinreb Over geen zaak heeft Willem Frederik Hermans zoveel geschreven als over Friedrich Weinreb. 40 In bijna alle artikelenbundels die hij vanaf 1970 publiceert, wordt Weinreb genoemd. De zaak heeft niet alleen gevolgen gehad voor zijn polemisch werk, ook zijn fictie is er door beïnvloed: de roman Herinneringen van een engelbewaarder uit 1971 is door Hermans aanvankelijk bedoeld als het eerste deel van een oorlogstrilogie. Volgens Hermans bewijst de waardering die Weinreb van veel opiniemakers krijgt echter dat niemand meer geïnteresseerd is in de werkelijkheid van de bezetting en daarom schrijft hij de vervolgdelen niet.41 Over de literaire en stilistische middelen die Hermans in zijn polemiek toepast is nog niet zoveel geschreven. Deze ambitie heeft René Marres, die al vaker over Hermans heeft gepubliceerd, wel. Aan het begin van zijn analyse formuleert hij enkele hoofdvragen over de polemische rol van Hermans: ‘Welke argumenten bracht hij daarbij in het spel? Welke daarvan zijn typerend voor hem? Welke retorica paste hij toe?’42 In dit hoofdstuk zal onderzocht worden of Marres op deze vragen bevredigende antwoorden heeft gevonden.

Oplichter In zijn eerste artikelen over Friedrich Weinreb beweert W.F. Hermans al dat de schrijver van Collaboratie en verzet een oplichter is. René Marres, die Weinreb voor een verzetsman en een groot schrijver houdt, is het hier niet mee eens en probeert met veel voorbeelden aan te tonen dat Hermans zich vergist. Hij slaagt hier maar zelden in. Wanneer hij Hermans wijst op het feit dat onderduiken op geweldloze kan geschieden, bijvoorbeeld door het vervalsen van

40

Havenaar, Muizenhol, p. 38. Hermans, Door gevaarlijke gekken omringd, p. 504. 42 Marres, Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Friedrich Weinreb, p. 31 (hierna: Marres (1999)). 41

17


distributiebonnen, is dat een goede aanvulling. 43 Hermans beweert namelijk dat onderduiken wel degelijk op geweld berust omdat er onder andere distributiekantoren gekraakt moeten worden.44 Ook schrijft Hermans dat Weinreb de advocaat Ernest O. Goldstein heeft verraden. 45 Terecht merkt Marres op dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw dit niet beweren in hun rapport: zij concluderen slechts dat Weinreb vertrouwelijke gegevens van Goldstein aan de Sicherheitsdienst (SD) heeft doorgegeven.46 Ook constateert Marres dat Hermans niet precies duidelijk maakt waarom Weinreb bij het samenstellen van zijn lijst soms grote bedragen van geĂŻnteresseerden afslaat en tegelijkertijd Joden helpt met onderduiken.47 Dat de polemiek van Hermans grotendeels uit loze beweringen, scheldwoorden en een verdraaiing bestaat, zoals Marres schrijft, is echter niet waar.48 Volgens Hermans zit de lezer van Collaboratie en verzet al op bladzijde 28 tot over de oren in de leugens.49 In het tweede hoofdstuk beschrijft Weinreb hoe hij aan het begin van de oorlog met brieven en een doosje diamanten wordt aangehouden aan de Nederlands-Belgische grens. Een hoge Duitse officier die weet dat Weinreb Joods is, laat hem vrij, biedt hem een versnapering aan en brengt hem persoonlijk naar Den Haag. Volgens Marres zijn zulke mensen er geweest in 1940: hij raadt de lezer aan het verhaal in Weinrebs memoires na te lezen. 50 Hermans noemt het verhaal onwaarschijnlijk.51 Wie het verhaal naleest, zal het met Hermans eens zijn.

Het inschrijfgeld In Collaboratie en verzet beschrijft Friedrich Weinreb hoe hij sommige arme Joden gratis op zijn

43

Marres (1999), p. 33. Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 202. 45 Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 246-247. 46 Marres (1999), p. 46-47. 47 Ibid., p. 36. 48 Ibid., p. 54. 49 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 215. 50 Marres (1999), p. 34. 51 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 214. 44

18


emigratielijst plaatst omdat hij van bemiddelde Joden al geld heeft ontvangen. Volgens W.F. Hermans is dit oplichting: Weinreb zegt eigenlijk dat alleen met bedrog geld kan worden losgekregen voor arme Joden.52 René Marres gaat op dit argument niet in. ‘Hoe had Weinreb echter anders aan geld moeten komen?’ vraagt hij zich af.53 Hij staat niet lang stil bij het feit dat Weinreb niets terugbetaalt aan Joden die ondanks hun inschrijving op de lijst toch zijn opgepakt. Hij maakt slechts een algemene opmerking over hoe moeilijk het moet zijn om de rechthebbenden na de oorlog op te sporen.54 Ook in een ander geval blijkt Marres niet goed op de hoogte te zijn van de feiten. Volgens Hermans zijn mensen geneigd om Weinreb te geloven en te steunen omdat hij godsdienstig is. Marres vindt dat godsdienstigheid geen invloed heeft op Weinrebs rol in de oorlog.55 Hij vergeet dat Hermans het lot van Weinreb vergelijkt met dat van Ans van Dijk.56 Deze Joodse vrouw heeft Joden verraden aan de Sicherheitsdienst en krijgt na de oorlog de doodstraf.57 Hermans merkt op dat haar zaak geen opschudding verwekt, maar die van Weinreb wel omdat Weinreb doctorandus is, hoge relaties heeft en vroom door het leven gaat. Veel geestelijken, geleerden en andere vooraanstaande personen zijn inderdaad door Weinreb en zijn verdedigers benaderd.58 Sommige van hen hebben het voor hem opgenomen en zijn blijkbaar gevoelig geweest voor Weinrebs vroomheid. Hermans vermeldt ook dat Weinreb zijn financiën na de oorlog niet verwaarloost: hij vraagt vierhonderd gulden per jaar voor godsdienstige cursussen.59 Volgens Marres bewijst dit niet dat Weinreb op geld belust is en vierhonderd gulden is volgens hem niet zoveel geld.60 Hij licht deze opvallende bewering niet toe. Voor hem blijft geldbelustheid een omstreden karaktertrek van Weinreb. Toch zal iedere lezer die Weinrebs levenswandel bestudeert, stellig de indruk krijgen dat bepaalde menselijke ondeugden hem beslist niet vreemd zijn geweest. 61

52

Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 201. Marres (1999), p. 34. 54 Ibid., p. 35. 55 Ibid., p. 39. 56 Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Supplement, p. 62. 57 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 189. 58 Ibid., p. 204-212. 59 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 205. 60 Marres (1999), p. 39. 61 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 326. 53

19


De keuringen Friedrich Weinreb laat de deelnemers aan zijn verzonnen emigratie keuren door een semi-arts. Ook voert hij persoonlijk keuringen uit. Dit wordt door RenĂŠ Marres niet ontkend, maar hij vergeet te vermelden dat Weinreb in Collaboratie en verzet zwijgt over de keuringen die hij persoonlijk uitvoert. Marres vindt het niet vreemd dat Joden gekeurd worden voor een emigratie die niet bestaat: de keuringen dragen bij aan de geloofwaardigheid van de lijsten.62 Het is merkwaardig dat Marres beide lijsten noemt: voor de tweede lijst, die Weinreb samen met de Sicherheitsdienst opstelt, worden namelijk geen deelnemers gekeurd. Weinreb schrijft er in Collaboratie en verzet dan ook niet over.63 Het Weinreb-rapport en andere bronnen kunnen het ook niet bevestigen. Wel valt aan verklaringen van deelnemers op dat velen de keuringen vreemd vinden, vooral omdat Weinreb ook zelf keurt. 64 Sommige deelnemers voelen zich beschaamd. Anderen komen geheel overstuur en huilend van de keuring terug. Ook zijn er meldingen van ongewenste en soms ernstige handtastelijkheden. Deze voorvallen zullen de geloofwaardigheid van de lijst zeker niet hebben versterkt. Marres schrijft dat de keuringen vanuit het standpunt van vredestijd ongetwijfeld niet correct zijn, maar dat Weinrebs handelingen volgens de huidige wet zijn toegestaan. 65 Deze bewering wordt nauwelijks toegelicht en Marres vraagt zich niet af of de deelnemers allerlei handtastelijkheden dulden omdat de keuringen een noodzakelijke indruk maken. Volgens hem is niet gebleken dat Weinreb zich in oorlogstijd meer heeft gepermitteerd dan wat bij een keuring gebruikelijk is. Marres baseert zich voor deze bedenkelijke uitspraak op Aad Nuis. 66 Wie de verklaringen van de deelnemers leest, zal een andere conclusie trekken. Marres neemt het W.F. Hermans ook kwalijk dat hij Weinrebs naoorlogse veroordelingen voor het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde in verband brengt met Weinrebs handelen tijdens de oorlog.67 Wat dit betreft loopt Hermans in zijn artikel uit 1970 echter alleen maar op

62

Marres (1999), p. 39. Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 3, p. 1601-1605. 64 Rapport, p. 77-85. 65 Marres (1999), p. 39. 66 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 71. 67 Marres (1999), p. 39. 63

20


de zaken vooruit: jaren later ontdekken Giltay Veth en Van der Leeuw dat Weinreb zich in documenten van de naoorlogse zaken uitlaat over de keuringen.68 Het is voor de geschiedkunde daarom zinvol dat het verband tussen de verschillende zaken wordt gelegd.

Polemiek René Marres heeft uitgesproken meningen over de manier waarop W.F. Hermans zijn polemiek voert. Zo vindt hij het een ‘beetje flauw’ dat de bebaarde Weinreb door Hermans vergeleken wordt met het stripfiguur Koning Hollewijn.69 Dat kan Marres wel vinden, maar het blijft een kwestie van smaak. Als letterkundige en schrijver van boeken over Hermans hoort Marres te weten dat Hermans agressieve en grappige kritieken wil schrijven zoals Multutali en Lodewijk van Deyssel dat eerder hebben gedaan.70 Een terugkerend onderwerp van spot in Hermans’ polemiek is de waardering die Friedrich Weinreb ontvangt van progressieve weekbladen als De Nieuwe Linie en Vrij Nederland. Volgens Marres beschuldigt Hermans de Vrij Nederland-redactie van kwade trouw: redacteur Martin van Amerongen kiepert volgens Hermans stukken met onweerlegbare aantijgingen tegen Weinreb eigenhandig in de prullenbak. Hermans levert inderdaad geen bewijs voor deze bewering, maar hij toont later wel aan dat Martin van Amerongen zich alles behalve dapper heeft gedragen in de Weinreb-affaire.71 Regelmatig vermeldt Hermans dat Vrij Nederland financieel afhankelijk is van seksadvertenties. Marres vindt dit ‘loze retorica’. Hij vermeldt niet waarom Hermans deze opmerking maakt: Weinreb wordt door het progressieve blad gepropageerd, terwijl hij een tegenstander is van grote seksuele vrijheid.72 Ook maakt Hermans zijn opponenten vaak uit voor subsidievangers. Voor Marres is dit geen steekhoudend argument.73 Ook hier verzwijgt hij waarom Hermans dit argument gebruikt: Rubinstein en Nuis hebben nooit excuses gemaakt aan 68

Rapport, p. 76-77 Marres (1999), p. 40. 70 Maatstaf, 1984, nr. 3. 71 Hermans, Door gevaarlijke gekken omringd, p. 291-296. 72 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 198. 73 Marres (1999), p. 40. 69

21


de slachtoffers van Weinreb, maar zij kunnen evengoed rekenen op de waardering van collega’s en subsidieverstrekkers.74 Hermans is overigens niet de enige die dit beweert.75 Dat hij zijn opponenten monddood wil maken en belasteren, zoals Marres beweert, is niet waar.76 Hermans verwijt Rubinstein immers dat zij over het Weinreb-rapport blijft zwijgen.77 Hij verlangt juist naar een weerwoord. Hermans ergert zich aan de vele schrijvers en journalisten die wel met Rubinstein en Nuis in redacties, comités en jury’s blijven zitten, maar zwijgen over Weinreb. Het is achteraf niet meer na te gaan hoeveel medewerkers van Vrij Nederland en de Haagse Post voor deze strategie hebben gekozen. De toon in Vrij Nederland is tijdens de affaire ten gunste van Weinreb, de meningen op de redactie van de Haagse Post moeten verdeeld zijn geweest.78 Toch kan Aad Nuis ook na de verschijning van het Weinreb-rapport zijn onwaarheden over Bep Turksma blijven publiceren in de Haagse Post. Opmerkelijk is een beschouwing over de Weinreb-affaire van Haagse Post-medewerker John Jansen van Galen: hij geeft de feiten goed weer, maar hij vermeldt niet dat Renate Rubinstein en Aad Nuis hun ongelijk nooit hebben toegegeven.79 Veel van de kritiek die Marres op Hermans heeft is overdreven: zo vindt hij het een ‘kinderachtig foefje’ van Hermans dat hij Nuis, die zonder titelvermelding publiceert, aanduidt als doctorandus.80 Volgens Marres beroept Hermans zich hiermee indirect op zijn academische superioriteit. Dit is grote onzin: Hermans schermt in Van Wittgenstein tot Weinreb niet met zijn doctorstitel en hij duidt Nuis alleen aan met doctorandus om aan te geven dat een iemand die gestudeerd heeft kennelijk niet intelligent genoeg is om de leugens van Weinreb te doorzien. Daar komt nog bij dat Hermans tegenstanders als J. B. Charles en Jacques Presser met professor aanduidt. Naast de weinig zinvolle opmerkingen die Marres maakt over de manier waarop Hermans zich uitdrukt, heeft hij ook kritiek op de feiten die Hermans onder de aandacht van de 74

Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 222, 239. Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 87. 76 Marres (1999), p. 56, 59. 77 Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 237. 78 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 282. 79 Jansen van Galen, Het Ik-Tijdperk, p. 57-59. 80 Marres (1999), p. 40. 75

22


lezer brengt. Marres betwijfelt of Nuis, zoals Hermans beweert, tekstvervalsing pleegt. 81 Nuis noemt een artikel ten onrechte een interview. Ook beweert hij dat er bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie iets in de stukken staat, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. 82 Renate Rubinstein is blijkbaar niet de enige geweest die dingen heeft gezien die nooit bestaan hebben. In een ander geval gaat het om een zin uit een brief van Hermans waarvan Nuis slechts een gedeelte citeert. Na deze behandeling door Nuis wordt die zin een soort steunbetuiging aan Weinreb, terwijl de volledige zin een neutraal standpunt verwoordt. 83 Marres moet niet beweren dat tekstvervalsing hier een veel te zwaar woord is: een zin zo citeren dat een neutraal standpunt een soort steunbetuiging wordt, mag gerust tekstvervalsing worden genoemd. In de laatste bladzijden van zijn hoofdstuk tegen Hermans windt Marres zich behoorlijk op. Hermans probeert volgens hem Nuis en zijn familie van verraad te betichten.84 Hermans schrijft na het verschijnen van het Weinreb-rapport dat Nuis in zijn brochure Het monster in de huiskamer niet meer spreekt over het Mauretania-dossier.85 Dit dossier is een Weinrebs verzinsels: het bevat volgens hem vele belastende gegevens over Nederlanders die gecollaboreerd hebben. Hermans vraagt zich af waarom Nuis, die eerst verfrissend over het dossier geschreven heeft, nooit de moeite heeft genomen om aan te tonen dat hij zelf niet in het dossier voorkomt. Nuis vertelt in zijn brochure dat hij elf jaar oud is in 1945 en dat brengt Hermans op de gedachte dat Nuis, of iemand van zijn familie, misschien Joden heeft verraden. Vanzelfsprekend is dit bedoeld als spot: Hermans zegt zelf dat hij niet houdt van zulk gewroet in vijfendertig jaar oude modder.86 Volgens Marres is deze opmerking het absolute dieptepunt in de polemiek. Hij vindt het niet geestig, vooral omdat Hermans onvermeld laat dat hij zelf niet in het Mauretania-dossier gelooft.87 Dit is grote onzin: de opmerking over het dossier sluit een lange reeks beschouwingen van Hermans af. Hij heeft al veel eerder gezegd dat hij niets van het

81

Marres (1999), p. 50. Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 216-217. 83 Ibid., p. 220. 84 Marres (1999), p. 57. 85 Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Supplement, p. 62. 86 Ibid., p. 62, 66. 87 Marres (1999), p. 56-57, Marres, Frederik Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 24 (hierna: Marres (2005)). 82

23


dossier gelooft.88

Literatuur René Marres vindt dat Friedrich Weinreb een groot schrijver is en hij merkt op dat aan Weinrebs naoorlogse verklaringen te zien is dat zijn stijl zich al heeft ontwikkeld voordat hij Collaboratie en verzet gaat schrijven.89 Marres geeft hiermee precies aan wat het literaire mankement van het boek is en waarom Weinreb geen groot schrijver is: Collaboratie en verzet is niet meer dan een verklaring, bovendien een door Renate Rubinstein geredigeerde verklaring. W.F. Hermans heeft hier verschillende keren op gewezen maar Marres zegt daar niets over. 90 Hij is niet in staat om duidelijk te maken of hij Weinrebs boek ziet als memoires of als een roman: hij ziet het deels als een roman, maar hij zegt niet welk deel hij bedoelt. Hij vindt Collaboratie en verzet wijdlopig, maar verder indrukwekkend en overtuigend. Hij vraagt zich af van hoeveel boeken men dat kan zeggen.91 Hermans valt Weinreb aan omdat hij wordt uitgeroepen tot een betekenisvol schrijver die een fraai beeld geeft van de bezetting, terwijl hij in werkelijkheid een schoft is die collaboreert.92 Marres vindt dit tegenstrijdig van Hermans.93 De schrijver Louis-Ferdinand Céline, door Hermans bewonderd, collaboreert ook en schrijft antisemitische pamfletten. Dat is juist, maar Hermans bewondert alleen Célines eerste twee romans, zoals Marres ook schrijft, en die zijn vóór de Tweede Wereldoorlog en eerder dan de pamfletten geschreven. De romans van na de Tweede Wereldoorlog, waarin Céline zich niet openlijk uitlaat over zijn antisemitisme, noemt Hermans dan ook onwaarachtig.94 Dit uitstapje naar het werk van Céline kan Marres ook al niet volbrengen zonder de weg kwijt te raken.

88

Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 206. Marres (1999), p. 42. 90 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 241. 91 Marres (1999), p. 45. 92 Janssen (red.), Scheppend nihilisme, p. 290. 93 Marres (1999), p. 43. 94 Hermans, Ik draag geen helm met vederbos, p. 120. 89

24


Hoewel hij toegeeft dat het een subjectief protest is, vindt Marres dat Weinreb zijn rol in Collaboratie en verzet geloofwaardig beschrijft.95 Subjectieve protesten zijn van geen enkel nut bij het zoeken naar de waarheid. Omdat Weinreb de historische feiten verdraait, kan de beschrijving van zijn rol onmogelijk geloofwaardig zijn. De uitgever en essayist Johan Polak heeft over Collaboratie en verzet geschreven: ‘Bij aandachtige lezing, mits toegerust met summiere kennis van de toedracht van de Jodenvervolging in Nederland, blijft er niets heel van de hovaardige en op aanmatigende toon gestelde memoires van de aartsbedrieger.’96 Marres is met deze summiere kennis beslist niet toegerust. Hij vindt het ‘heel gewoon’ dat Weinreb zich zo gunstig mogelijk wil voordoen in zijn memoires.97 Of dit ten koste gaat van de betrouwbaarheid vraagt hij zich niet af. Daarom is het vreemd dat hij het onoprecht vindt dat Hermans, met zijn zwarte visie op de mens, het Weinreb kwalijk neemt dat hij een aantal mensen ongunstig afschildert. Met deze uitspraak laat Marres opnieuw merken hoe slecht hij het werk van Hermans kent: Hermans zoekt voortdurend de confrontatie met bekende politici, geleerden en schrijvers, terwijl Weinreb onophoudelijk mensen belastert die niet of nauwelijks de publiciteit zoeken. Marres noemt Weinreb een toonbeeld van een humanistisch schrijver omdat in Collaboratie en verzet de personages pas echte mensen worden na het volbrengen van een ‘verlossende daad’.98 Weinrebs beschrijving van Hendrik Gerard Kotte laat hij voor het gemak buiten beschouwing. Marres vermeldt hem slechts terloops en hij noemt hem een bajesklant.99 Weinreb maakt van Kottes diensten gebruik in de tijd dat de Sicherheitsdienst zijn eerste lijst nog aan het onderzoeken is. Kotte valt hierbij door de mand en wordt door de Duitsers naar een concentratiekamp gedeporteerd waar hij de dood vindt. Weinreb heeft nooit de moeite genomen om uit te zoeken hoe het met Kotte is afgelopen.100 De beschrijvingen van Weinreb zijn alles behalve humanistisch: Kotte wordt voorgesteld als een mensaap, als een willoze leemklomp.101 Zelfs Aad Nuis heeft toegegeven dat Weinreb hier bijzonder bot is.102 Wanneer 95

Marres (1999), p. 44. Bzzletin, nr. 126. 97 Marres (1999), p. 51. 98 De Groene Amsterdammer, 16-8-2003. 99 Marres (2005), p. 143. 100 Rapport, p. 344. 101 Weinreb, Collaboratie en verzet, p. 656. 96

25


hij zijn nawoord bij Collaboratie en verzet schrijft, ziet Nuis dit kennelijk over het hoofd. Ook in de door Nuis bezorgde verkorte editie van het boek zijn de botte beschrijvingen van Kotte gehandhaafd. Als de lezer René Marres moet geloven, dan is Kottes dood in een concentratiekamp geen ‘verlossende daad’ geweest en is Kotte nooit echt mens geworden.

De zaak Turksma Wanneer Bep Turksma ontdekt dat zij in Collaboratie en verzet van doorslaan wordt beschuldigd, wil zij dat de betreffende passage geschrapt wordt. Haar klacht wordt geseponeerd, maar jaren later toont het Weinreb-rapport aan dat er voor de beschuldiging geen enkel bewijs bestaat.103 René Marres wil dit feit niet zomaar aannemen: hij schrijft dat Nuis zich moet distantiëren van Weinrebs verwijt aan het adres van Turksma en dat W.F. Hermans enigermate gelijk heeft.104 Omdat er voor Turksma’s schuld nooit enig bewijs is gevonden, heeft Hermans niet enigermate, maar volledig gelijk. Op verwijtende toon vermeldt Marres dat Hermans het geval Turksma precies meent te kennen alsof hij er bij is geweest. Marres vervalst zelfs de hele schuldvraag door te stellen dat de onschuld van Turksma nooit is bewezen.105 Hoewel Marres geen jurist is, behoort hij te weten dat iemand pas schuldig is wanneer zijn of haar schuld is aangetoond. Uiteindelijk is Friedrich Weinreb met zijn emigratiezwendel zelf de oorzaak geweest van zijn arrestatie. De verklaringen van de Sicherheitsdienst bevestigen dit.106 Weinreb is in Collaboratie en verzet dan ook niet verbaasd over zijn arrestatie.107 Marres vindt het vreemd dat Turksma niets van de Weinreb-lijst weet, terwijl veel Joden in Den Haag er wel van op de hoogte zijn.108 Hij benadrukt dat een niet-Joodse vriendin van Turksma de naam van Weinreb kent, maar hij verzwijgt dat deze vriendin ook verklaart dat zij

102

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 79. Rapport, p. 124-125. 104 Marres (1999), p. 54. 105 Ibid., p. 53. 106 Rapport, p. 123. 107 Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 1, p. 322-325. 108 Marres (1999), p. 48. 103

26


Turksma nooit over Weinreb en zijn lijst heeft horen spreken. 109 Marres schrijft: ‘Hermans had ondertussen, evengoed als ik, uit het boek van Turksma kunnen opmaken dat het onzeker is of zij niets over Weinreb gezegd heeft.’110 Dit is een grove misleiding. Turksma heeft Weinreb niet gekend: de vraag of zij iets over hem heeft gezegd, is daarom irrelevant en suggestief. Turksma hoort pas voor het eerst van Weinreb in 1969. Hermans heeft al geopperd dat Weinreb tegenover de SD altijd heeft kunnen ontkennen dat Turksma op zijn lijst heeft gestaan. De SD heeft de lijst immers nooit gehad omdat die alleen in Weinrebs hoofd heeft bestaan.111 Volgens Marres is vanuit het heden moeilijk te begrijpen waarom er zoveel ophef is gemaakt over de vraag door wiens toedoen Weinreb is gearresteerd: Turksma overdrijft volgens Marres sterk.112 De journalist en verzetsman Mathieu Smedts schrijft over deze zaak: ‘Sterke mensen, die onder de behandeling van de SD zijn doorgeslagen – wat gewoonlijk onvermijdelijk was vanwege de nazi-methodes! – gaan voor de rest van hun leven onder dit ‘verraad’ gebukt.’113 Turksma is wel degelijk door Weinrebs verwijt in de grond getrapt, zoals Hermans beweert.114 Marres ontkent dit maar hij zegt vreemd genoeg ook: ‘Nu hoeft iemand die de oorzaak is nog geen schuld te hebben, maar het wordt wel dikwijls zo aangevoeld.’115 Net als Rubinstein en Nuis onderschat hij de uitwerking van Weinrebs beweringen op de gevoelens van Turksma, die in de tijd van de affaire kampt met moeilijkheden bij het verwerken van de oorlog en in verband met de aanvraag voor een verzetspensioen psychiatrisch wordt onderzocht.116 Marres doet veel moeite om de handelwijze van Renate Rubinstein te verdedigen. Zo schrijft hij dat Rubinstein nooit heeft beweerd dat zij verklaringen van Turksma en de SD die Weinrebs beweringen bevestigen, heeft gelezen.117 Toch beweert Rubinstein wel dat de verklaringen bestaan en dat zij in het strafdossier zitten, wat niet waar is.118 Marres moet niet

109

Rapport, p. 124. Marres (1999), p. 53. 111 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 218. 112 Marres (1999), p. 50-51. 113 Smedts, ‘Inleiding’ in: Turksma, Vraag me niet waarom…, p. 9. 114 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 222. 115 Marres (2005), p. 74. 116 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 292. 117 Marres (1999), p. 51-52. 118 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 289-290. 110

27


ontkennen dat Rubinstein welbewust onwaarheid spreekt.119 Zijn opmerking dat zij zich wel aan misleiding schuldig maakt, maar niet aan leugens, is dan ook een uitvlucht.120 Volgens W.F. Hermans kunnen Rubinstein en Nuis weten dat het Turksma-verhaal na de oorlog niet gecontroleerd is: zij beschikken immers over de pleidooien en verdere documenten van Weinrebs advocaten. Marres meent dat Rubinsteins bewering toch waar kan zijn omdat het in het strafdossier nog meer kan zitten. Met deze uitspraak gaat hij voorbij aan wat Hermans precies zegt. Hermans schrijft dat Weinrebs verdedigers na de oorlog een grote hoeveelheid materiaal verzamelen dat voor Weinrebs onschuld moet pleiten. Indien Weinrebs versie in Collaboratie en verzet juist is, dan is Turksma een van de Joden geweest die hij heeft willen helpen. Toch is zij door Weinrebs verdedigers na de oorlog nooit gevraagd om dit in Weinrebs voordeel te verklaren.121 Een ander misverstand doet zich voor wanneer Marres de verkorte editie van Collaboratie en verzet behandelt. In de eerste editie weet Weinreb nog heel wat te vertellen over Turksma.122 In de verkorte editie die Rubinstein en Nuis bezorgen zijn Weinrebs herinneringen aan Turksma verdwenen. Hermans noemt dit laf en stiekem van de bezorgers. 123 Marres merkt op dat Hermans content hoort te zijn met het wegvallen van de passage die Turksma belast.124 Hij geeft daarmee toe dat Weinrebs boek belastend is voor Turksma, terwijl hij ook zegt dat Turksma overdrijft. Vreemd is zijn bewering dat het voor de hand ligt dat bij de bekorting van de oorspronkelijke tekst ook in het Turksma-verhaal is gesneden.125 Van een Weinreb-bewonderaar als Marres is deze uitspraak onbegrijpelijk: de arrestatie van zijn held moet iets zijn waar hij geen woord van wil missen en het gaat slechts om drie bladzijden. Marres heeft geen oog voor de situatie tijdens de Duitse bezetting. Hij zegt dat Hermans niet het recht heeft om te beweren dat Turksma van een misdaad wordt beticht: indien zij de oorzaak is van Weinrebs arrestatie, is dat een weldaad omdat Weinreb volgens Hermans een

119

Marres (1999), p. 50. Ibid., p. 56. 121 Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Supplement, p. 60. 122 Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 1, p. 338-340 123 Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 230. 124 Marres (1999), p. 53. 125 Ibid., p. 52. 120

28


oplichter en een verrader is.126 De Jodin Turksma die de Jood Weinreb moet aangeven bij de politie: dit noemt Marres een weldaad. Overigens is iemand die zoiets ongelooflijks heeft gedaan Weinreb zelf geweest: in 1942 dient hij een strafklacht in tegen zijn tante.127 Marres geeft toe dat dit er niet zo best uitziet.128 Meer zegt hij er niet over. Net als Weinreb, die deze zaak buiten Collaboratie en verzet houdt, wil hij er niet over schrijven.

Lui en aanmatigend René Marres maakt sommige fouten omdat hij verkeerd leest en andere fouten omdat hij niet wil lezen. Zo vertelt hij dat hij de editie uit 1979 van W.F. Hermans’ essaybundel Van Wittgenstein tot Weinreb niet te pakken heeft kunnen krijgen.129 In de bibliotheek van Marres’ jarenlange werkgever, de Universiteit Leiden, is het boek echter gewoon in te zien. Een boek uit de jaren zeventig is ook nog wel in antiquariaten verkrijgbaar. Het is alleen de vraag of Marres wel in antiquariaten komt, want hij beweert dat Weinrebs memoires daar alleen nog met veel moeite zijn te vinden, terwijl dit niet het geval is.130 Waarschijnlijk heeft Marres niet goed gezocht: Collaboratie en verzet staat in boekwinkels meestal in het schap met oorlogsboeken, waar het als curiosum nog wel hoort, maar bij de literatuur is het terecht onvindbaar. Marres’ werkwijze doet enigszins denken aan die van prof. dr. J. J. Oversteegen. In 1982 publiceert deze hoogleraar een boekje over W.F. Hermans. Oversteegen gebruikt voor dat boekje een verouderde druk van een roman van Hermans omdat hij geen zin heeft om geld uit te geven voor een herziene druk.131 Volgens Hermans moet Oversteegen te opgeblazen of afgetakeld zijn om een boek uit de universiteitsbibliotheek te gaan halen. 132 Marres gebruikt Oversteegens boekje als studiemateriaal en is wellicht door Oversteegens luiheid aangestoken. Het probleem van letterkundigen die niet willen lezen blijft Hermans ook na zijn dood achtervolgen. 126

Marres (1999), p. 53-54. Rapport, p. 517-523. 128 Marres (1999), p. 46. 129 Ibid., p. 116. 130 De Groene Amsterdammer, 16-8-2003. 131 Hermans, Mandarijnen op zwavelzuur. Supplement, p. 42-44. 132 Ibid., p. 10. 127

29


Marres maakt zich ondertussen wel druk over uitspraken van Hermans die hun ‘effect op de gewone lezer, die de opstellen niet bestudeert, maar vlot doorleest, niet gemist hebben.’133 t Marres vindt het blijkbaar nodig om aandacht te besteden aan wat er omgaat in de hoofden van vlotte lezers die niets bestuderen. De zaak Weinreb is bijzonder veelomvattend: wie er zicht op wil krijgen, zal veel boeken en documenten moeten lezen. Het is daarom van geen enkel belang dat volgens Marres een ‘aantal min of meer geïnteresseerden’ het laatste deel van Collaboratie en verzet niet heeft kunnen naslaan ‘omdat dit derde deel minder goed verkocht is dan het eerste’.134 Het lijkt eerder onwaarschijnlijk dat iemand die ‘min of meer geïnteresseerd’ is in deze zaak niet de moeite zal nemen om tenminste alle delen van Weinrebs memoires te lezen. Het is bijzonder kwalijk dat Marres het Weinreb-rapport als moeilijk leesbaar voorstelt.135 Het rapport is juist zeer leesbaar geschreven en overzichtelijk uitgegeven, zoals ook Hermans al heeft gezegd.136 Marres heeft het rapport niet eens volledig gelezen. Hij beweert dat de lezer door Hermans’ razende uitvallen bijna vergeet dat hij enigermate gelijk heeft.137 Dit is een enorme onderschatting van de lezer. Marres’ uitspraken zijn aanmatigend, vooral omdat hij in zijn boek op een volstrekt onaanvaardbare manier met teksten omgaat. Zijn boek over de rol van Friedrich Weinreb in het werk van Willem Frederik Hermans is dan ook in alle opzichten een grote teleurstelling geworden.

133

Marres (1999), p. 33. Ibid., p. 36. 135 Ibid., p. 46. 136 Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, p. 224. 137 Marres (1999), p. 54. 134

30


3. Grabbelen in een ton

In 1999 publiceert René Marres zijn boek over de rol van Willem Frederik Hermans in de zaak Friedrich Weinreb. In 2002 publiceert hij de hoofdstukken die betrekking hebben op het Weinreb-rapport in een afzonderlijk boek. In 2005 publiceert hij hier een herziene en uitgebreide druk van. Volgens Marres heeft nog niemand naar behoren geanalyseerd wat Aad Nuis in zijn brochure Het monster in de huiskamer tegen het Weinreb-rapport poneert .138 Hij zegt dat de auteurs van het rapport, D. Giltay Veth en A. J. van der Leeuw, de conclusies van Nuis niet ondergraven.139 Marres besteedt dan ook het grootste gedeelte van zijn boek aan het navertellen van de brochure van Aad Nuis, al geeft hij toe dat hij ook dankbaar citeert uit het Weinreb. Een witboek van Weinreb-verdediger Dick Houwaart.140 Marres uit veel kritiek op het Weinreb-rapport, maar hij geeft toe dat hij het niet volledig heeft gelezen.141 Toch beweert hij dat hij de zaak in intellectuele zin heeft beslist.142 Ook merkt hij op dat er niet is ingegaan op de zaken die hij behandelt. 143 In dit hoofdstuk zal onderzocht worden of Marres er echt in geslaagd is om de conclusies van het Weinreb-rapport te weerleggen. Uiteraard zal hierbij uitvoerig worden ingegaan op de afzonderlijke zaken die hij in zijn boek behandelt.

De emigratie In het Weinreb-rapport wordt uitgebreid ingegaan op de inschrijfgelden die Friedrich Weinreb aan zijn eerste lijst overhoudt. René Marres laat zich er zeer summier over uit: hij zegt dat hij niet alles gaat bespreken.144 Hij verwijst maar één keer in een voetnoot naar het Weinreb-

138

Marres, Frederik Weinreb. Verzetsman en groot schrijver, p. 21 (hierna: Marres (2005)). Ibid., p. 48. 140 Ibid., p. 14. 141 Ibid., p. 62. 142 Ibid., p. 37. 143 Ibid., p. 141. 144 Ibid., p. 147. 139

31


rapport.145 Marres probeert het totaalbedrag aan inschrijfgelden zo laag mogelijk voor te stellen. Om dit te bereiken beweert hij opmerkelijk genoeg dat Weinreb veel minder Joden heeft ingeschreven dan Giltay Veth en Van der Leeuw aannemen. Halverwege zijn betoog houdt hij het voor mogelijk dat Weinreb tweeduizend Joden heeft ingeschreven en enkele alinea’s verderop wordt deze veronderstelling als een vaststaand feit gepresenteerd. Marres schrijft dat Weinreb honderd gulden vraagt voor een inschrijving en dat hij arme Joden voor niets op zijn lijst plaatst.146 Dit is niet geheel juist: er worden Joden voor niets op de lijst geplaatst, maar dat gebeurt nogal willekeurig. Zo is er bijvoorbeeld het verhaal van een arme Joodse kleermaker die voor een plaats op de lijst tweehonderd gulden moet betalen en ook nog een mantel moet maken voor Weinrebs dochter. 147 Marres vindt het vreemd dat Weinreb na de oorlog wordt veroordeeld voor het uitgeven van inschrijfgelden van lijstdeelnemers.148 Volgens Marres helpt Weinreb veel Joden met onderduikadressen, persoonsbewijzen, distributiebonnen en geld voor levensonderhoud. 149 Omdat hij zijn stelling niet onderbouwt met voorbeelden, wordt het niet duidelijk hoeveel onderduikers hij bedoelt. Marres beweert dat Weinreb het inschrijfgeld goed besteedt, grotendeels aan het laten onderduiken van Joden.150 Door gebruik te maken van het woord grotendeels geeft hij in ieder geval toe dat Weinreb niet al het inschrijfgeld uitgeeft, maar hij zegt niet wat Weinreb met de rest van het geld doet. In het rapport staat dat Weinreb in de tijd van zijn eerste lijst aanzienlijke aankopen van boeken doet.151 Marres zwijgt hierover, terwijl het duidelijk is dat Weinreb niet al zijn inkomsten besteedt aan het helpen van Joden. Als er iets opvalt aan de door Marres zo bewonderde memoires van Weinreb, dan is het wel dat er in die memoires nauwelijks aandacht wordt besteed aan de manier waarop Weinreb onderduikers helpt. Voor een dergelijke hulpactie is een enorm netwerk nodig maar daar zal de lezer in Collaboratie en verzet niet veel over vinden: Weinreb lijkt vooral alleen te opereren en dat maakt het boek niet bepaald geloofwaardig. RenÊ Marres vindt het blijkbaar niet belangrijk 145

Marres (2005), p. 148, noot 267. Ibid., p. 38. 147 Rapport, p. 67. 148 Marres (2005), p. 41. 149 Ibid., p. 40, 148. 150 Ibid., p. 149. 151 Rapport, p. 532-533. 146

32


om hier op in te gaan. Volgens Marres is het Weinreb niet kwalijk te nemen dat sommige Joden hun inschrijving op de lijst als een geruststelling zien: zij zijn door Weinreb gewaarschuwd en hij heeft gezegd dat zij moeten onderduiken.152 Meerdere lijstdeelnemers ontkennen dit achteraf.153 Marres beweert ook dat Weinreb dikwijls tegen lijstdeelnemers heeft zegt dat de emigratie onzeker is.154 Hij verwijst hiervoor naar de bladzijden 1913 en 1914 van Collaboratie en verzet. Er is op deze bladzijden maar één lijstdeelnemer die verklaart dat Weinreb hem erop wijst dat de emigratie onzeker is. Dat is niet genoeg om te spreken van dikwijls, zoals Marres doet.

Van Walt van Praag Hendrik Maurits van Walt van Praag werkt tijdens de bezetting voor het verzet. Aan Friedrich Weinreb levert hij valse persoonsbewijzen in de tijd dat Weinreb tegenover de Sicherheitsdienst (SD) doet alsof de Von Schumann-lijst echt bestaat.155 Op 5 oktober 1942 wordt Van Walt van Praag direct na een bezoek aan Weinreb door mannen van Fritz Koch gearresteerd. Tijdens zijn verhoor merkt Van Walt van Praag dat Koch op de hoogte is van gegevens die hij alleen met Weinreb heeft besproken. Een dag later weet hij te ontsnappen. Volgens René Marres is de zaak Van Walt van Praag de belangrijkste zaak van het Weinreb-rapport.156 Weinreb is er na de oorlog voor veroordeeld. Merkwaardig genoeg noemt Marres de verraadzaken eerder minder belangrijk. 157 Renate Rubinstein heeft bij het redigeren van Collaboratie en verzet de passage over Van Walt van Praags arrestatie weggelaten ‘ter wille van de beknoptheid’.158 Marres besteedt aan dit opmerkelijke feit geen enkele aandacht. Als mogelijke reden voor de arrestatie voert hij aan dat er geruchten de ronde doen dat Van Walt van Praag voor de Britse geheime dienst werkt. 159 Hij baseert zich hiervoor op een verklaring 152

Marres (2005), p. 42. Rapport, p. 445-447. 154 Marres (2005), p. 39. 155 Rapport, p. 163. 156 Marres (2005), p. 66. 157 Marres (1999), p. 29. 158 Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 1, p. 548. 159 Marres (2005), p. 71. 153

33


van verzetsman Willem Hammacher. Wanneer Hammacher echter in een andere zaak een belastende verklaring over Weinreb aflegt, neemt Marres hem niet serieus.160 Marres herinnert de lezer eraan dat Koch na de oorlog aanvankelijk verklaart dat Van Walt van Praag persoonlijk door Weinreb aan hem is verraden. 161 Later, tijdens de rechtszitting, beweert Koch dat Weinreb het alleen aan zijn ondergeschikte, de SD’er Antonie Bolland, heeft medegedeeld. Marres vermeldt niet dat Koch op deze tegenspraak is gewezen. Op bladzijde 178 van het Weinreb-rapport zegt Koch: ‘Ik heb het op die manier ook zwak in mijn herinnering. Het is ook mogelijk, dat ik het van Bolland gehoord heb en dat Weinreb het toen daarna voor mij heeft bevestigd.’ Eerder heeft Koch over de tip betreffende Van Walt van Praag al gezegd: ‘Ja, inderdaad heeft Weinreb, blijkbaar om met wat te kunnen aankomen, toen reeds bereidheid getoond om voor ons te werken.’ Omdat Marres dit negeert, is de grote stelligheid waarmee hij over de verklaringen van Koch uitspraken doet, onterecht. Hij neemt het D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw kwalijk dat zij niet ingaan op bladzijde 178 van het rapport, terwijl dit juist de bladzijde is die hij zelf negeert. 162 ‘Iemand zou kunnen tegenwerpen dat het er niet toe doet of Koch iets al of niet onder ede verklaarde, omdat SD’ers toch altijd logen als dat dienstig was om hun huid te redden,’ schrijft Marres. Hij maakt met deze opmerking duidelijk dat hij het rapport niet goed heeft gelezen: de onderzoekers toetsen de verklaringen van alle betrokkenen aan de werkelijkheid, of die nu stammen van SD’ers, verzetsmensen of lijstdeelnemers. Het is daarom onbegrijpelijk dat Marres de verklaringen van Weinreb zelf nauwelijks behandelt. Ook met de verklaringen van verzetsman Van Walt van Praag is volgens Marres iets aan de hand. Zoals hierboven al is vermeld, merkt Van Walt van Praag tijdens zijn verhoor dat Koch op de hoogte is van gegevens die hij alleen met Weinreb heeft besproken. Marres neemt het Van Walt van Praag erg kwalijk dat hij na de oorlog niet meer precies weet van welke vertrouwelijke gegevens Koch op de hoogte is geweest. Blijkbaar vindt Marres het ongewoon dat iemand zich allerlei details jaren later niet meer voor de geest kan halen. Er bestaat volgens hem ook een groot verschil tussen de diverse verklaringen van Van Walt van Praag, maar op de 160

Marres (2005), p. 97. Ibid., p. 67. 162 Ibid., p. 68. 161

34


inhoud van de verklaringen gaat hij nauwelijks in. Ook vermeldt hij niet dat Weinrebs verklaringen van na de oorlog behoorlijk van elkaar verschillen. Bovendien verschilt Weinrebs boek Collaboratie en verzet weer van de naoorlogse verklaringen. Marres zegt daar alleen over dat niet elk detail hoeft te kloppen.163 Marres vraagt zich af waarom Koch het verraad aan Van Walt van Praag laat merken: ‘Indien Weinreb de verrader geweest was, zou Koch zijn informant afgeschermd hebben om hem nog verder te kunnen gebruiken.’164 Marres vergeet dat het moment van Van Walt van Praags arrestatie valt in oktober 1942, wanneer de samenwerking tussen Weinreb en de SD nog geen vaste vormen heeft aangenomen. De onderzoekers schrijven: ‘Weinreb nam in zijn spel met de Sipo in die weken enorme risico’s en moet Koch het ene verzonnen verhaal na het andere verteld hebben.’165 Het is onzeker dat Koch in dit stadium al van plan is geweest om Weinreb als vaste informant te gebruiken. Willem Frederik Hermans heeft in 1970 al betoogd dat Weinreb en zijn verdedigers zich in de zaak Van Walt van Praag tegenspreken.166 Zo beweert Renate Rubinstein op bladzijde 548 van Collaboratie en verzet dat Van Walt van Praag niet door mannen van Koch is gearresteerd, terwijl op bladzijde 1888 door Aad Nuis wordt bevestigd dat de arrestatie wél door mannen van Koch is verricht. Weinreb weet dat de SD, op zoek naar de oplichter achter de emigratielijst, zijn huis in de gaten houdt. Hij heeft ook nooit ontkend dat de Duitsers hem al in de gaten houden in de tijd voorafgaande aan zijn eerste arrestatie.167 Dat hij in deze situatie iemand met valse persoonsbewijzen op zak in zijn huis ontvangt, is bijzonder onvoorzichtig en de gedachte dat hij opzettelijk heeft meegewerkt aan Van Walt van Praags arrestatie dringt zich sterk op. Hermans is er verbaasd over dat Weinreb zich in zijn memoires niet verontschuldigt voor zijn grote onvoorzichtigheid. Zijn verdedigers Rubinstein en Nuis hebben hem daar nooit op gewezen. René Marres beweert zelfs dat Van Walt van Praag vermoedelijk al op de hoogte is geweest van

163

Marres (2005), p. 39. Ibid., p. 70. 165 Giltay Veth, Van der Leeuw, “Onderzoek naar de activiteiten van de heer Weinreb in de Duitse bezettingstijd. Aanvulling op het Weinreb-rapport” in: Handelingen Tweede Kamer, 1980-1981, 12 355, nr. 4., p. 37 (hierna: Aanvulling). 166 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 220. 167 Rapport, p. 120. 164

35


de contacten tussen Weinreb en de SD.168 Deze bewering is onzinnig en volledig in strijd met het beschikbare materiaal: een verzetsman zal zeker niet met valse persoonsbewijzen een huis bezoeken waarvan hij vermoedelijk weet dat de SD er op de loer ligt. Marres noemt de onderzoekers vooringenomen omdat zij alle mensen die naar aanleiding van Van Walt van Praags aanhouding zijn gearresteerd op Weinrebs conto schrijven.169 Deze kritiek is ongegrond: zonder het verraad van Weinreb heeft de SD niet tot verdere arrestaties over kunnen gaan. Het is geoorloofd van de onderzoekers om te beweren dat Weinrebs verraad voor sommige mensen gevolgen heeft gehad.170 Na zijn ongefundeerde kritiek op het rapport concludeert Marres dat het weinig waarschijnlijk is dat Van Walt van Praag door Weinreb is verraden: hij kan door anderen verraden zijn. 171 Met dit voorbehoud geeft Marres in ieder geval toe dat hij niet geheel overtuigd is van Weinrebs onschuld. De weerlegging van de conclusies van de onderzoekers moet hij verdedigen met een zin als: ‘Vermoedelijk ging het anders toe.’172 Omdat hij essentiële onderdelen negeert, is Marres niet in staat om over de zaak Van Walt van Praag een zinnig oordeel te geven.

Ritmeester/Gerdes Oosterbeek Wanneer de Sicherheitsdienst in 1943 Friedrich Weinreb uit Westerbork terughaalt, wordt hij in de Scheveningse gevangenis geplaatst. Hij krijgt daar een aantal celgenoten die hij in opdracht van de SD uithoort. René Marres beweert dat het bewijsmateriaal tegen Weinreb niet deugt. 173 Net als Aad Nuis zwijgt hij over de zaak Edersheim: dit is het eerste geval van celspionage door Weinreb. Giltay Veth en Van der Leeuw hebben geschreven dat in deze zaak Weinrebs celspionage buiten iedere twijfel vaststaat.174 Over een andere celgenoot van Weinreb, ir. Willem Ritmeester, laat Marres zich wel uit. Ritmeester vraagt aan Weinreb om buiten de gevangenis mr. J. W. Gerdes Oosterbeek te waarschuwen. Weinreb krijgt van de SD namelijk 168

Marres (2005), p. 71. Ibid., p. 50. 170 Rapport, p. 1589-1590. 171 Marres (2005), p. 71-72. 172 Ibid., p. 70. 173 Ibid., p. 100. 174 Aanvulling, p. 53. 169

36


toestemming om af en toe buiten de gevangenis te komen: een opmerkelijk feit waar Marres geen verklaring voor geeft. Gerdes Oosterbeek wordt korte tijd later gearresteerd. Ritmeester vertrouwt Weinreb hierna niet meer. Volgens Marres kan er van celspionage in volledige zin geen sprake zijn omdat Ritmeester niet door Weinreb is uitgehoord, maar uit eigen beweging heeft gevraagd om Gerdes Oosterbeek te waarschuwen.175 Marres vermeldt niet dat deze bewering van Weinreb zelf afkomstig is.176 Ritmeester zegt na de oorlog dat Weinreb zelf heeft aangeboden om berichten over te brengen.177 Marres mag zijn bewering daarom niet met zoveel zekerheid doen. Hij merkt op dat Ritmeester een verklaring later aanpast, maar hij verzwijgt dat Weinreb dat ook doet.178 Ritmeesters overtuiging van verraad is volgens Marres enkel en alleen gebaseerd op verklaringen van gevangenisbewakers die waarnemen dat er steeds arrestanten van Fritz Koch bij Weinreb in de cel worden geplaatst.179 Marres beweert dat het Weinreb-rapport geen bewijs levert voor de stelling dat Kochs arrestanten in dezelfde cel zijn ondergebracht. 180 Hij verwijst hiervoor naar een zin die staat op de bladzijden 501 en 502 van het rapport. Deze zin slaat echter op Weinrebs eerste periode in de gevangenis. Over de zaak Ritmeester, die zich afspeelt na Weinrebs terugkeer uit Westerbork, staat alleen een opmerking op bladzijde 502. Dit is ook de enige bladzijde waar de onderzoekers naar verwijzen om hun stelling te onderbouwen. 181 Dat Marres bladzijde 501 erbij betrekt om de lezer de indruk te geven dat de zin die daar gedeeltelijk te lezen is, ook slaat op de zaak Ritmeester, is bedrog. Bedrieglijk is ook Marres’ beroep op een verklaring van Kochs secretaresse Reinschmidt. Volgens Marres heeft zij niet zelf meegemaakt dat Weinreb als celspion is gebruikt: hij verwijst hiervoor naar bladzijde 492 van het rapport.182 Op die bladzijde staat dat een stenotypiste genaamd Fey aanwezig is als Weinreb verslag uitbrengt aan Koch. Wie de bladzijde terugslaat en

175

Marres (2005), p. 160, noot 87. Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 2, p. 1192-1195. 177 Rapport, p. 799. 178 Marres (2005), p. 73. 179 Ibid., p. 74. 180 Ibid., p. 101. 181 Aanvulling, p. 35. 182 Marres (2005), p. 101, noot 165. 176

37


bladzijde 491 leest, zal ontdekken dat Reinschmidt dezelfde vrouw is als Fey. Tijdens de bezetting is zij namelijk bekend onder de naam van haar eerste echtgenoot die Fey heet. Tegen de tijd dat het Weinreb-rapport verschijnt, heeft zij inmiddels de naam van haar latere echtgenoot Reinschmidt aangenomen. Dat Marres de lezer wil doen geloven dat Fey en Reinschmidt twee verschillende personen zijn en dat Reinschmidt daarom geen getuige is van Weinrebs celspionage, is een grove misleiding. De lezer die ook de rest van het hoofdstuk leest, zal ontdekken dat er nog heel wat meer verklaringen over Weinrebs celspionage bestaan. Niet voor niets schrijven de onderzoekers dat niemand zich ‘aan de welhaast verpletterende indruk’ kan onttrekken die dit materiaal bij eerste kennismaking maakt. 183 Een andere reden waarom Ritmeester zijn vertrouwen in Weinreb verliest, wordt door Marres verzwegen. Hij schrijft: ‘Ritmeester heeft niet verklaard dat hij andere dingen aan Weinreb gezegd heeft dan dat hij Gerdes moest waarschuwen.’184 Hij verwijst voor deze bewering onder andere naar bladzijde 800 van het rapport. Wie deze bladzijde raadpleegt, zal lezen dat Ritmeester verklaart dat hij Weinreb op de hoogte brengt van een in Bilthoven verborgen geldsom. Tijdens zijn verhoor wordt Ritmeester door de SD over dit feit ondervraagd. Hoe de SD van de geldsom heeft kunnen weten, vraagt Marres zich niet af. In zijn memoires vertelt Weinreb dat de SD hem laat werken aan een plan om ondergedoken Joden en verborgen Joods vermogen op te sporen. Marres vindt het blijkbaar niet vreemd dat Weinreb hierbij voortdurend bezoek krijgt van celgenoten. Hij verzwijgt dat de SD vooral mensen bij Weinreb onderbrengt van wie bepaalde inlichtingen worden verlangd.185 Indien Weinreb geen verrader is geweest, heeft de SD er bijzonder onverstandig aan gedaan om deze mensen in contact te brengen met iemand die buiten de gevangenis mag komen. Dit feit is alle bewonderaars van Weinreb blijkbaar ontgaan. Interessant is Marres’ toevoeging aan het relaas van Aad Nuis. Hij schrijft dat genummerde textielkaarten in het bezit van Ritmeester de oorzaak zijn van Gerdes Oosterbeeks arrestatie en dat Ritmeester er daarom belang bij heeft om Weinreb van verraad te

183

Rapport, p. 497. Marres (2005), p. 75. 185 Rapport, p. 502. 184

38


beschuldigen.186 Ritmeester heeft echter nooit ontkend dat de SD Gerdes Oosterbeek gekend kan hebben door gegevens die bij hem zijn gevonden. Overigens wordt deze beschuldiging door Marres later weer ontkracht omdat hij het alleen voor waarschijnlijk houdt. 187 Niettemin is het interessant om te zien dat Marres iemand begint te beschuldigen die in de geschriften van Weinreb en Nuis buiten schot is gebleven. Ook in deze zaak heeft Weinrebs verraad voor andere personen ernstige gevolgen gehad.188 Marres kan wel beweren dat Weinreb dit niet verweten mag worden, maar het blijft een feit dat de SD niet op dit spoor heeft kunnen komen zonder het verraad. Het leggen van het verband tussen het verraad en de gevolgen van het verraad is daarom geoorloofd.

Kelder Dirk Kelder wordt op 16 augustus 1943 door de Duitsers gearresteerd omdat hij illegaal werk verricht.189 Hij wordt verhoord, maar hij bekent niets. Enige dagen hierna wordt hij door de collaborateur en Jodenjager Han Krom benaderd. Krom maakt Kelder wijs dat hij niet veel op heeft met de Duitsers. Hij beweert Kelder vrij te kunnen krijgen in ruil voor goud of diamanten. Kelder heeft sieraden in huis. Deze zijn eigendom van mr. Leendert Davidson, die bij Kelder in huis ondergedoken heeft gezeten. Davidson heeft Kelder toestemming gegeven om de sieraden te gebruiken als hij daar iemand mee kan vrijkopen. Krom wil de sieraden wel accepteren, maar alleen als hij daarvoor een verklaring van Davidson krijgt. Kelder geeft een adres op waar Davidson mogelijk is ondergedoken. Wanneer Kelder later verneemt dat de Sicherheitsdienst het adres heeft bezocht en daar mensen heeft gearresteerd, begint hij zijn vertrouwen in Krom te verliezen. Dit speelt zich allemaal af vóór 31 augustus 1943, de dag waarop Kelder met Friedrich Weinreb en ir. Wilko Drenth in de cel wordt geplaatst.190 Weinreb weet het vertrouwen van celgenoot Kelder te winnen. Omdat Weinreb buiten de gevangenis mag komen, verzoekt Kelder hem naar zijn vrouw te gaan en haar een aantal 186

Marres (2005), p. 74. Ibid., p. 76. 188 Rapport, p. 813. 189 Ibid., p. 865. 190 Ibid., p. 859. 187

39


mensen te laten waarschuwen. Twee van deze mensen, van wie Kelder ook de adressen noemt, worden kort daarop gearresteerd.191 Volgens René Marres is dit gebeurd omdat Kelder ‘de gegevens’ aan Krom heeft verteld.192 Hij vergeet echter dat Kelders verzoek aan Weinreb over iets anders gaat. Tegen de tijd dat Kelder zijn verzoek aan Weinreb doet, heeft hij zijn vertrouwen in Krom verloren: hij vraagt Weinreb zelfs om zijn vrouw voor Krom te waarschuwen.193 Weinreb schildert Krom tegenover de Kelders af als een gevaarlijk man, terwijl hij in werkelijkheid de gegevens van de Kelders doorspeelt aan Krom. Toegegeven moet worden dat Marres de onderzoekers op een fout betrapt: zij schrijven dat Weinreb tegen Kelder en Drenth zegt dat hij met een goede agent de stad ingaat. Dit staat volgens Marres niet in de verklaringen van Kelder en Drenth.194 Dit is juist: D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw noemen het ten onrechte bewijsmateriaal.195 Toch staat in de verklaring van Kelder dat Weinreb beweert in de gevangenis een vertrouwenspositie te bekleden. 196 Dit argument gebruikt Weinreb met succes om het vertrouwen van zijn celgenoten te winnen. Het is opmerkelijk dat Marres het de onderzoekers kwalijk neemt dat zij bij de behandeling van de zaak van de goede agent verwijzen naar Weinrebs memoires. Hij vindt dat zij in de eerste plaats moeten afgaan op de getuigen. Marres zegt hiermee dat de verklaringen van Kelder en Drenth te verkiezen zijn boven Collaboratie en verzet. Hij slaat hiermee in één klap de bodem weg onder de betrouwbaarheid van Weinrebs memoires. Niet dat die betrouwbaarheid erg groot is: de goede agent, die in Collaboratie en verzet onder de naam Jansen keer op keer opduikt en in werkelijkheid Mulder moet hebben geheten, heeft nooit bestaan.197 De rest van Marres’ betoog is niet overtuigend: hij verwijt de onderzoekers de betekenis van de verklaringen van ir. Drenth te bagatelliseren en die ook nog vals voor te stellen. 198 Wie

191

Rapport, p. 888-890. Marres (2005), p. 77. 193 Rapport, p. 878. 194 Marres (2005), p. 76. 195 Rapport, p. 905. 196 Ibid., p. 878. 197 Ibid., p. 881. 198 Marres (2005), p. 77. 192

40


alle verwijzingen naar Drenth in het Rapport bestudeert, zal voor deze bewering geen bewijzen vinden. Ook in deze paragraaf moet Marres zijn weerlegging van de conclusies van het rapport onderbouwen met het woord waarschijnlijk.

Loujetzky In de zaak Loujetzky gaat het erom of Friedrich Weinreb tijdens verhoren door de Sicherheitsdienst namen noemt van mensen van wie hij geld in bewaring heeft. Aad Nuis schrijft dat Weinreb volhoudt dat de SD via andere personen of via buitgemaakte notities achter de namen is gekomen.199 Nuis besteedt slechts één alinea aan de zaak Loujetzky: zijn summiere mededeling dat andere personen namen genoemd kunnen hebben, is onvoldoende. De buitgemaakte notities hebben volgens Weinreb op een strookje krantenpapier gestaan. 200 Of de notities werkelijk op dit strookje hebben gestaan is onzeker en het staat zelfs niet vast of het strookje wel bestaan heeft.201 René Marres, die de zaak gecompliceerd noemt en er slechts een halve bladzijde aan besteedt, zegt niets over de notities: hij verwijst alleen naar bladzijde 40 van Nuis’ brochure. De opmerking over de notities staat nog net op bladzijde 39. Marres is blijkbaar te lui om tenminste beide argumenten van Nuis te herhalen. Net als Nuis heeft hij geen onderzoek gedaan naar de andere personen die kunnen zijn doorgeslagen, maar hij durft wel te concluderen dat zij evenzeer, of zelfs meer in aanmerking komen om verdacht te worden van doorslaan.202 Schokkend is het om te lezen dat Marres de zaak Loujetzky minder belangrijk noemt dan die van Kelder. De zaak Kelder is een verraadzaak die ongetwijfeld zwaarder weegt dan het doorslaan in de zaak Loujetzky. Het resultaat van de zaak Kelder is de detentie van twee personen.203 Bij Loujetzky gaat het om zes personen.204 Marres schrijft: ‘Als gevolg van deze

199

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 39-40. Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 2, p. 889-890. 201 Rapport, p. 610. 202 Marres (2005), p. 78. 203 Rapport, p. 1591. 204 Ibid., p. 1589. 200

41


zaak zaten enkele mensen een paar maanden vast.’205 Voor de helft van de zes gedetineerden gaat het om straffen van een half jaar of langer. Marres probeert de ernst van de zaak af te zwakken en net als Weinreb en Nuis spreekt hij niet de waarheid.

Reinkenstraat In de jaren 1942 en 1943 verleent Sara Walbeehm onderdak aan Joden in haar flat aan de Reinkenstraat in Den Haag.206 In de nacht van 22 op 23 maart 1943 valt de Sicherheitsdienst de woning binnen en arresteert alle vijfentwintig onderduikers. Zij overleven de oorlog niet. Volgens D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw is de arrestatie het gevolg van verraad door Friedrich Weinreb. Hij verkeert in maart 1943 in handen van de SD, want het onderzoek naar zijn eerste lijst is dan nog niet afgerond. René Marres beweert dat de onderzoekers hun aanvullende materiaal in deze zaak van betrekkelijk geringe waarde noemen en dat hij het daarom niet meer hoeft te behandelen.207 Deze bewering is volkomen onjuist, want de onderzoekers zeggen dat het materiaal ‘niet zonder belang is.’208 Vervolgens gaan zij er uitgebreid op in. Marres begint zijn uiteenzetting met een verwijzing naar Aad Nuis, die beweert dat de eerste aanwijzing tegen Weinreb, de verklaring van een celgenoot, onmogelijk juist kan zijn. De celgenoot heeft gehoord dat Weinreb in arrestatie het onderduikadres aan de Reinkenstraat opgeeft. De lezer die alleen Marres’ samenvatting van de zaak leest, zal misschien denken dat deze verklaring doorslaggevend is. Dat beweren de onderzoekers beslist niet: zij noemen de verklaring interessant, maar het door de celgenoot opgevangen gesprek kan vrijwel zeker niet het verraadgesprek zijn geweest.209 Marres beweert dat het onduidelijk is hoe Weinreb achter het adres heeft kunnen komen.210 Het exacte adres heeft Weinreb inderdaad niet kunnen weten. Helemaal onwetend is 205

Marres (2005), p. 77-78. Rapport, p. 709. 207 Marres (2005), p. 78-79. 208 Aanvulling, p. 41. 209 Rapport, p. 732, Aanvulling, p. 41. 210 Marres (2005), p. 79. 206

42


hij echter niet geweest: volgens Sara Walbeehm is een van haar onderduikers, een zekere Alex Podchlebnik, ondergedoken geweest bij een helper van Weinreb.211 Weinreb heeft nooit ontkend dat hij Podchlebnik heeft gekend.212 Hij heeft hem volgens eigen zeggen na 24 december 1942 niet meer gezien: in die tijd weet Podchlebnik mogelijk wel dat er een onderduikadres voor Joden in een flat in de Reinkenstraat is, maar hij weet het exacte adres nog niet. Dat weet hij pas na 24 december, als hij daar intrekt. Wanneer de SD’ers in de nacht van 22 op 23 maart 1943 tot arrestatie overgaan, kunnen zij eerst het juiste adres niet vinden en zoeken zij in een andere flat in de Reinkenstraat.213 Indien Podchlebnik het verraad heeft gepleegd, zal hij dat vlak voor de inval hebben gedaan en niet drie maanden daarvoor. Ook zal hij in dat geval het exacte adres hebben genoemd, waardoor de SD niet eerst de verkeerde flat is binnengevallen. Marres beweert, in navolging van Nuis, dat overlevenden niet aan Weinreb denken als de verrader.214 Giltay Veth en Van der Leeuw onderzoeken in hun rapport echter alle andere mogelijkheden van verraad en kunnen er geen bevestiging voor vinden, terwijl de aanwijzingen tegen Weinreb talrijk en overtuigend zijn.215 Marres neemt het de onderzoekers kwalijk dat zij in hun Aanvulling op het Weinreb-rapport niet ingaan op de tegenwerpingen van Nuis. Hij vergeet dat alles wat er over gezegd kan worden al in het rapport staat. Van de onderzoekers eisen dat zij in hun Aanvulling uitgebreid gaan herhalen wat zij in het rapport al hebben beweerd, is onzinnig. Een belangrijke verklaring tegen Weinreb is die van SD’er Antonie Bolland. Volgens Bolland heeft Weinreb aan de SD verteld dat er zich onderduikers bevinden in een flat in de Reinkenstraat. In navolging van Nuis beweert Marres dat Bolland er belang bij heeft om het verraad van de Reinkenstraat aan Weinreb toe te schrijven: hij wil Weinreb immers uit Westerbork laten terugkeren. Bollands superieuren, onder wie zijn chef Fritz Koch, zijn er aanvankelijk op tegen om Weinreb terug te halen, maar iemand die al eerder waardevolle tips heeft doorgegeven kan voor de SD nog van nut zijn. De onderzoekers voeren aan dat wanneer 211

Rapport, p. 723. Ibid., p. 722-723. 213 Ibid., p. 711-712. 214 Marres (2005), p. 79. 215 Rapport, p. 732. 212

43


Bolland het verraad aan Weinreb heeft willen toeschrijven, hij dit met Weinreb heeft moeten doorspreken. Zoiets is, ook volgens Weinreb, nooit gebeurd. Marres gaat hier niet op in en heeft het slechts over de risico’s die Bolland tegenover zijn superieuren zal hebben genomen.216 Meerdere keren citeert Marres een uitspraak van Koch: ‘Toen dus Weinreb uit Westerbork terugkwam, wilde ik het bewijs van hem hebben, dat hij inderdaad voor ons wilde werken.’217 Volgens Marres kan met deze uitspraak bewezen worden dat Weinreb niet eerder gegevens aan Koch heeft verraden.218 Toch bewijst deze uitspraak niets. Het is zelfs misleidend dat Marres deze zin uit Kochs verklaring plukt, want enkele zinnen zegt Koch: ‘Ik zelf heb het proces-verbaal contra Weinreb opgemaakt en het staat voor mij vast, dat hij de door ons gearresteerde Joden in de Reinkenstraat heeft verraden.’219 Als Marres de moeite neemt om het Weinreb-rapport volledig te lezen, zal hij kunnen zien dat deze uitspraak van Koch nog een paar keer in het rapport wordt geciteerd.220 Dat de SD’ers Weinreb ook na de oorlog van het verraad beschuldigen komt volgens Marres omdat zij door Weinreb in hun hemd zijn gezet en daarom revanche willen nemen. 221 Het rapport beweert iets anders: ‘Koch c.s. zagen in Weinreb slechts een bijzonder handige bedrieger, die hen enige malen met geld had opgelicht en ten slotte kans had gezien met zijn gezin tijdig te verdwijnen. Maar zij wisten ook van de talrijke arrestanten, die hij door zijn verraderswerk had geleverd.’222 De verdere vragen die Marres stelt zijn ook te verklaren uit zijn neiging om de inhoud van het rapport stelselmatig te negeren. Hij zegt dat Bolland na de oorlog zijn beschuldiging tegen Weinreb intrekt en later weer bevestigt. 223 Hoe dit heeft kunnen gebeuren wordt in het rapport uitgebreid toegelicht: Bolland trekt zijn verklaring tegen Weinreb in na een confrontatie met hem op 4 juni 1946. Deze confrontatie grijpt Bolland zeer aan en daarom trekt hij zijn verklaring in. Later komt hij hier weer op terug. Marres’ verwijt dat de onderzoekers niet

216

Marres (2005), p. 80. Ibid., p. 69, 81. 218 Ibid., p. 69. 219 Rapport, p. 485. 220 Ibid., p. 710, 945. 221 Marres (2005), p. 80. 222 Rapport, p. 499. 223 Marres (2005), p. 80-81. 217

44


uitleggen waarom zij waarde hechten aan Bollands verklaringen is onterecht. Ook de tegenstrijdigheden die de verklaringen van de SD’ers volgens Marres bevatten, worden in het rapport behandeld.224 Naar aanleiding van de publicatie van het Weinreb-rapport in 1976 publiceert de journalist Igor Cornelissen een artikel over de Reinkenstraat in Vrij Nederland.225 Marres beweert dat door het artikel van Cornelissen het gerucht dat een weggestuurde of weggelopen onderduiker de verrader moet zijn geweest, een ernstig te nemen mogelijkheid is geworden. 226 Hierna plukt hij wat zinnen uit een conclusie van de onderzoekers en de lezer moet zelf maar uitzoeken dat deze conclusie in de Aanvulling staat en niet in het rapport. Even verderop heeft Marres het over de weggegane onderduiker.227 De weggestuurde, weggelopen en weggegane onderduikers zijn drie verschillende personen, maar Marres maakt niet dit niet aan zijn lezers duidelijk. De zogenaamde weggegane onderduiker, zijn naam is Bob Blom, komt in het artikel van Cornelissen niet eens voor. Eerder wijst Marres nog op een persoon die door de SD is gearresteerd en het adres kan hebben verraden.228 Bob Blom is echter nooit gearresteerd en hij heeft ook niet met de SD kunnen praten omdat hij tijdens zijn verblijf in de Reinkenstraat het adres niet heeft verlaten en uiteindelijk onder begeleiding naar een ander onderduikadres is overgebracht.229 Bovendien wordt uit dit geval niet duidelijk waarom de SD eerst de verkeerde flat in de Reinkenstraat binnen is gevallen, terwijl dit wel duidelijk is wanneer bedacht wordt dat Weinreb mogelijk wel met de straat, maar niet met het exacte adres bekend is geweest. Omdat Marres veel fouten maakt en feiten achterhoudt, kan hij over deze zaak geen zinnige uitspraken doen.

224

Rapport, p. 712-716, 730-731. Vrij Nederland, 6-11-1976. 226 Marres (2005), p. 82. 227 Ibid., p. 83. 228 Ibid, p. 81. 229 Aanvulling, p. 19. 225

45


Szmulewicz/Distenfeld Friedrich Weinreb laat sommige deelnemers aan zijn eerste emigratielijst onderduiken en hierbij schakelt hij hulp in van anderen. Zo worden de Joodse Blima Szmulewicz en Minna Distenfeld door Weinrebs helpers Willem Hammacher en Han Mulder ondergebracht op een onderduikadres. Wanneer deze twee mannen worden gearresteerd en kort daarna ook Weinreb, valt het adres in handen van de Sicherheitsdienst. De vrouwen worden gearresteerd, maar Blima Szmulewicz weet later te ontsnappen. Minna Distenfeld wordt gedeporteerd en komt om. D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw menen dat Weinreb het adres niet opzettelijk heeft verraden, maar dat hij het wel heeft genoemd tijdens zijn verhoor. Zij baseren zich voor deze conclusie op een verklaring van Hammacher.230 De verklaring van Han Mulder is niet serieus te nemen omdat hij zijn verklaring later onaanvaardbaar wijzigt.231 ‘Eén van de drie mannen zal het adres genoemd hebben,’ schrijft René Marres.232 Hij geeft blijkbaar toe dat Weinreb het adres genoemd kan hebben en daarmee acht hij hem mogelijk schuldig. Waarom de onderzoekers de verklaring van Hammacher hoger aanslaan dan die van Weinreb, laat Marres buiten beschouwing. Daarom is zijn uiteenzetting onvolledig. De arrestatie van Hammacher en Mulder en hun confrontatie met de iets later gearresteerde Weinreb is in het rapport verdeeld over de hoofdstukken 23 en 36. Dit heeft misschien enige verwarring bij Marres veroorzaakt, maar de onderzoekers verwijzen in de eerste zin van hoofdstuk 36 al naar hoofdstuk 23.233 Dat Marres hoofdstuk 23 niet behandelt, komt omdat hij alleen de brochure van Aad Nuis navertelt. Nuis verwijst in zijn behandeling van de zaak slechts één keer naar hoofdstuk 23, zonder echt op de inhoud in te gaan.234 Marres vermeldt ook niet dat Weinreb zijn verklaringen voortdurend bijstelt. Dit geldt ook voor Collaboratie en verzet: daar spreekt Weinreb bijvoorbeeld niet meer over adressen van onderduikers die hij na de oorlog nog wel kent.235 Ook in deze zaak geeft Marres geen verklaring 230

Rapport, p. 706. Ibid., p. 703-704. 232 Marres (2005), p. 97. 233 Rapport, p. 699. 234 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 49. 235 Rapport, p. 699-702. 231

46


waarom Weinreb zich met onwaarheden probeert te verdedigen.

Kalker De Joodse arts Joseph E. Kalker wordt in de zomer van 1943 bij Friedrich Weinreb in de cel geplaatst. Na de oorlog wordt Weinreb beschuldigd van het verraden van gegevens die Kalker aan hem heeft toevertrouwd. Aad Nuis vindt dat Weinreb onschuldig is. 236 René Marres is er minder zeker van: hij acht het waarschijnlijk dat Kalker tijdens zijn verhoor is doorgeslagen.237 Marres wijst er twee keer nadrukkelijk op dat het in deze zaak slechts gaat om het verraad van één persoon: een vrouw die door de Sicherheitsdienst wordt vrijgelaten omdat zij kleine kinderen heeft.238 Hoe de SD een vrouw zonder kleine kinderen zal hebben behandeld, vraagt Marres zich niet af en hij bestrijdt niet dat de vrouw door Weinreb is verraden. Omdat hij in navolging van Nuis het woord slechts gebruikt, zwakt hij de ernst van de zaak wel af. Marres neemt het D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw kwalijk dat zij hun oordeel baseren op een getuigenis uit de derde hand.239 Toch maakt dit verwijt weinig indruk. Het Weinreb-rapport is immers een historisch onderzoek en geen juridisch. Materiaal dat in een rechtszaak geen enkel bewijs kan leveren, kan in een historisch onderzoek wel van belang zijn. Wat de onderzoekers in hun Aanvulling schrijven, kan voor het hele rapport gelden: ‘Overigens is in deze zaak het ‘wettig’ bewijs zeker niet aanwezig. Het ‘overtuigend’ bewijs is echter zo sterk, dat wij het in een historisch rapport verantwoord blijven achten tot verraad door Weinreb te concluderen.’240 Volgens Marres beroepen de onderzoekers zich voor hun conclusie op Weinrebs correspondentie uit de cel, maar wijst niets in deze correspondentie op Weinrebs schuld.241 Hij verwijst voor deze bewering naar bladzijde 758 van het rapport. De onderzoekers hebben het in hun Aanvulling echter niet alleen over Weinrebs correspondentie, maar ook over zijn 236

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 50. Marres (2005), p. 97. 238 Rapport, p. 764. 239 Marres (2005), p. 98. 240 Aanvulling, p. 45. 241 Marres (2005), p. 98. 237

47


naoorlogse verklaringen en die staan op de bladzijden 759 en 760. Zij menen daaruit te kunnen opmaken dat Kalker het verraad van Weinreb heeft ontdekt.242 Dat Weinrebs schuld hier niet rechtstreeks uit blijkt, zoals Marres zegt, is niet verrassend: het zijn immers verklaringen van Weinreb zelf. Marres schrijft dat de onderzoekers vinden dat een door Weinreb aangebrachte wijziging in een verklaring zeer te denken geeft: Weinreb is er niet zeker van op welke datum Kalker bij hem in de cel wordt geplaatst. Dat is volgens Marres niet bijzonder. Hij verzwijgt dat Weinreb de datering aanvankelijk juist weergeeft en later weer verandert wanneer dit ontlastend voor hem kan werken.243 Marres beweert dat de onderzoekers toegeven dat Kalker kan zijn doorgeslagen. Hij citeert hiervoor een zin van de onderzoekers waarin zij slechts een mogelijkheid aangeven, die zij direct weer verwerpen. Zelf geeft Marres toe dat Weinreb onderling tegenstrijdige mededelingen doet, maar opnieuw gaat hij daar verder niet op in. Soms wordt Marres het slachtoffer van zijn eigen onzorgvuldigheid. Zo vraagt hij zich af waarom Kalker eerst door de SD wordt gemarteld en daarna pas bij Weinreb in de cel wordt geplaatst.244 In de zaak Kelder is duidelijk geworden dat Dirk Kelder eerst wordt verhoord en mishandeld en daarna pas bij Weinreb in de cel wordt gezet. Kelder komt later bij Weinreb in de cel dan Kalker: zelfs na succesvol verraad door Weinreb in de zaak Kalker blijft de SD in eerste instantie arrestanten martelen. Marres maakt deze fout omdat hij zich, net als Aad Nuis, niet wenst te houden aan de volgorde waarin de onderzoekers de verschillende zaken in hun rapport behandelen.

Perlmutter David Josef Perlmutter is een door de Sicherheitsdienst gearresteerde man die bij Friedrich Weinreb in de cel wordt geplaatst.245 Perlmutter wordt door de SD voor een Engelse spion

242

Rapport, p. 767. Ibid., p. 765-766. 244 Marres (2005), p. 99-100. 245 Rapport, p. 768. 243

48


aangezien. In de cel ontdekt Weinreb dat Perlmutter Joods is.246 Volgens D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw heeft Weinreb dit aan de SD verteld. René Marres gelooft echter wat Weinreb in Collaboratie en verzet beweert: Weinreb raadt Perlmutter aan om zelf aan de SD te vertellen dat hij Joods is.247 Hij is namelijk in het bezit van een Hongaars paspoort en hij moet daarom naar Hongarije worden teruggestuurd. Op deze manier kan hij deportatie ontlopen. Marres vermeldt niet waarom de onderzoekers menen dat Weinreb het verraad heeft gepleegd: er bestaan verklaringen van Fritz Koch en Han Krom die Weinrebs verraad bevestigen. In een niet onbelangrijke toevoeging schrijven de onderzoekers: ‘Over de vraag of het met Perlmutter beter afgelopen zou zijn indien hij was blijven weigeren zijn ware identiteit te onthullen, kan men slechts speculeren.’248 Vreemd is het dat Marres op een ander aspect van de zaak niet ingaat. In de brieven die Weinreb vanuit de gevangenis aan zijn vrouw schrijft, heeft hij weinig goede woorden over voor Perlmutter. In Collaboratie en verzet schrijft hij vriendelijk over hem.249 Marres vindt het blijkbaar niet nodig om op deze tegenstrijdigheid in te gaan.

Van Baaren Kort voor Kerstmis 1943 worden twee Joodse echtparen, Jacques en Sara van Baaren-Sijes en Louis en Rebecca van Baaren-Harfon, op hun onderduikadres door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Beide echtparen overleven de oorlog niet. Han Krom verklaart na de oorlog dat Friedrich Weinreb het onderduikadres heeft verraden. Weinreb ontkent deze beschuldiging: hij beweert dat hij het adres niet eens heeft gekend.250 Toch menen D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw dat Weinreb het verraad heeft gepleegd. René Marres, die de zaak niet voor de lezer samenvat, vertelt dat betrokkenen aan andere verraders denken, maar hij noemt geen namen.251 Hij verwijst hier min of meer naar Aad Nuis die vertelt dat de eigenaar van het

246

Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 2, p. 1165-1166. Marres (2005), p. 143. 248 Rapport, p. 774. 249 Ibid., p. 768-770. 250 Ibid., p. 1167. 251 Marres (2005), p. 102. 247

49


onderduikadres van het verraad is beschuldigd.252 Nuis verzwijgt dat deze beschuldiging na de oorlog is onderzocht en de zaak wegens gebrek aan bewijs is geseponeerd. Marres wil dit blijkbaar niet oprakelen. Marres schrijft dat er geen robuust bewijsmateriaal beschikbaar is, zoals uitspraken van onafhankelijk van elkaar getuigende personen die elkaar bevestigen en aanvullen. Dit is onjuist: de onderzoekers vergelijken in hun rapport voortdurend verklaringen van onderduikers, verzetsmensen en SD’ers met elkaar. Kennelijk getuigen die personen volgens Marres niet onafhankelijk van elkaar. Zelf negeert Marres, net als Nuis, in bijna alle zaken de verklaringen van Weinreb zelf. Het blijft een merkwaardig feit dat het boek van Weinreb door zijn verdedigers nauwelijks gebruikt wordt als bewijsmateriaal. Niettemin durft Marres te beweren dat de onderzoekers in deze zaak iets verzwijgen.253 Verzwijgen is vooral een methode van Marres zelf. Zo zegt hij dat het volkomen onduidelijk is hoe Weinreb van het onderduikadres van de Van Baarens op de hoogte kan zijn geweest. Hij verzwijgt dat de onderzoekers hier weliswaar geen zekerheid kunnen bieden, maar wel enkele mogelijkheden aangeven.254 Het is interessant dat Weinreb in Collaboratie en verzet niet op deze zaak is teruggekomen.255 Dat is voor de volledigheid van het boek geen aanbeveling. Het zal de lezer niet meer verbazen dat Marres hier geen woord over zegt.

De ommezwaai van Krom Na de oorlog worden Friedrich Weinreb en Han Krom gearresteerd. Omdat zij na enige tijd denken nog iets aan elkaar te kunnen hebben, stemmen zij hun verklaringen op elkaar af. Krom trekt zo zijn voor Weinreb belastende verklaringen weer in. D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw zijn er zeker van dat de aangepaste verklaring van Krom leugens bevat.256 Volgens RenĂŠ Marres baseren de onderzoekers zich voor deze stelling enkel op twaalf doorgehaalde regels in een

252

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 51. Marres (2005), p. 102. 254 Rapport, p. 1174. 255 Ibid., p. 1172. 256 Ibid., p. 1470. 253

50


brief van Krom.257 Wie het rapport leest, weet dat de onderzoekers zich zelden baseren op een enkel feit en altijd proberen meer gegevens bij hun oordeel te betrekken. Over de twaalf doorgehaalde regels schrijven zij dat ook zonder hun opmerking daarover de zaak duidelijk is. 258 Wellicht oordeelt Marres verkeerd omdat hij onzorgvuldig gebruik maakt van bronnen: van twee brieven die hij behandelt, moet de lezer zelf maar uitzoeken waar die precies in het rapport staan.259 De argumenten van de onderzoekers kunnen Marres niet helemaal overtuigen: hij houdt leugenverhalen voor mogelijk, maar hij wil ook aannemen dat Weinreb en Krom de waarheid vertellen.260 Marres houdt het kennelijk voor mogelijk dat Krom geen antisemiet en Jodenjager is geweest, maar een verzetsheld die samen met Weinreb Joden uit handen van de Duitsers weet te houden. Marres gaat op dit hoogst ongeloofwaardige verhaal van Krom niet in. Weinreb heeft er handig gebruik van gemaakt voor zijn verdediging.261 In Collaboratie en verzet voert hij Krom op als een gespleten figuur die gebukt gaat onder innerlijke twijfel over zijn werk met de Sicherheitsdienst.262 In werkelijkheid weet Krom heel goed wat hij doet: Joden opsporen voor deportatie. Het is duidelijk dat Weinreb met zijn beschrijvingen van Kroms zogenaamde twijfel de ommezwaai minder verrassend wil voorstellen. Het is een raadsel hoe Marres als letterkundige kan geloven in deze doorzichtige leugens. Hij vindt Weinreb zelfs een beter psycholoog dan Willem Frederik Hermans: volgens Marres doen in Collaboratie en verzet mensen ook wel eens iets goeds, terwijl Hermans eenzijdiger is.263 Of Weinrebs beschrijvingen voortkomen uit opportunisme, vraagt hij zich niet af.

257

Marres (2005), p. 105. Rapport, p. 1470. 259 Marres (2005), p. 162, noot 175. 260 Ibid., p. 104. 261 Rapport, p. 1437 e.v. 262 Ibid., p. 1460-1462. 263 Marres (1999), p. 44. 258

51


Monasch Nadat Marres de lezer eindelijk heeft ingelicht over de ommezwaai van Han Krom, gaat hij verder met de zaak Monasch. In Collaboratie en verzet laat Friedrich Weinreb zich gunstig over Herbert Monasch uit. Monasch werkt, totdat hij met zijn vrouw en schoonouders wordt opgepakt, bij de cartotheek van het Judenreferat van de Sicherheitsdienst in Den Haag. Volgens Weinreb gebruikt Monasch gegevens van het Referat om Joden te waarschuwen. Marres weerlegt dit laatste niet, maar het is niet duidelijk of hij Weinrebs verklaring voor waar aanneemt.264 Volgens D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw is Weinrebs verklaring onjuist.265 Marres beweert dat de SD’er Antonie Bolland pertinent ontkent dat Monasch door Weinreb is verraden. Hij neemt het de onderzoekers kwalijk dat zij Bollands verklaring achteloos terzijde schuiven omdat Bolland een slecht geheugen heeft. Afgezien van het feit dat de onderzoekers gelijk hebben over Bollands geheugen, is het toch Marres zelf die een verklaring achteloos terzijde schuift: in navolging van Nuis beweert hij dat Bollands chef, Fritz Koch, in deze zaak geen getuige uit de eerste hand is. 266 In werkelijkheid wordt Weinrebs verraad door Koch bevestigd.267 Marres citeert de verklaring van Koch wel, maar hij heeft die ook ernstig verminkt.268 Na dit bedrog durft hij nog te beweren dat de onderzoekers zonder Kroms getuigenis met lege handen staan.269 Aanvankelijk verklaart Han Krom dat Monasch door Weinreb is verraden. Na zijn ommezwaai ontkent Krom dit. Marres beweert dat Kroms eerste en tweede getuigenis even geloofwaardig zijn. Hoe hij dit kan verdedigen na zijn paragraaf over Kroms ommezwaai is onbegrijpelijk. Opnieuw eist Marres onafhankelijke getuigen, maar hij eist die alleen in gevallen die voor Weinreb belastend zijn. Ook in deze zaak vindt Marres het niet nodig om Collaboratie en verzet in zijn betoog te betrekken.

264

Marres (2005), p. 106-107. Rapport, p. 1202. 266 Marres (2005), p. 107. 267 Rapport, p. 1198. 268 Marres (2005), p. 107. 269 Ibid., p. 108. 265

52


Hurwicz/Barenholz Friedrich Weinreb brengt in januari 1944 brieven voor gevangenen naar Westerbork en neemt ook brieven mee terug. Volgens Weinreb worden deze brieven niet gecontroleerd. Ook beweert hij dat hij tegen kampgevangenen zegt dat zij geen gevaarlijke gegevens in de brieven mogen vermelden.270 Dit is tegengesproken door een gevangene, maar daar zegt René Marres niets over.271 Volgens Fritz Koch worden de brieven wel gecontroleerd.272 Het is inderdaad moeilijk voorstelbaar dat de Sicherheitsdienst dit niet doet, zoals D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw ook zeggen.273 De aanleiding voor de arrestatie van het ondergedoken gezin Barenenholz en hun contactpersoon Hurwicz is een in het Jiddisch geschreven brief uit Westerbork. In navolging van Aad Nuis doet Marres veel moeite om de lezer duidelijk te maken dat deze brief niet door Weinreb voor de SD is vertaald. Weinreb is echter de enige van de betrokkenen die het Jiddisch machtig is. Volgens Marres is de brief onschuldig van inhoud. 274 Hij schuift de mogelijke schuld af op ‘een zekere Van Gheel Gildemeester’, die het verraad evengoed kan hebben gepleegd.275 Hij verzwijgt dat deze beschuldiging van Weinreb komt en daarom hoogst onbetrouwbaar is.276 Francis van Gheel Gildemeester biedt voor en ook tijdens de bezetting hulp aan Joden die willen emigreren.277 Weinreb komt hem daarom regelmatig tegen.278 Nuis vindt geen afdoende bewijs om Van Gheel Gildemeester te beschuldigen, maar hij spreekt de aantijging van Weinreb niet tegen.279 Marres besteedt maar één alinea aan Van Gheel Gildemeester. Het bewijsmateriaal dat hij aanvoert, voldoet niet. Van Gheel Gildemeester heeft namelijk tegen de vrouw van Hurwicz gezegd dat hij bij Weinreb een brief heeft gezien bestemd voor het ondergedoken gezin Barenholz en aan Hurwicz geadresseerd. Marres ziet over het hoofd dat wanneer Van Gheel Gildemeester het gezin heeft willen verraden, hij dit nooit tegen mevrouw 270

Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 3, p. 1661. Rapport, p. 1240. 272 Ibid., p. 1243. 273 Ibid., p. 1250. 274 Marres (2005), p. 112. 275 Ibid., p. 111. 276 Rapport, p. 1241-1243. 277 Ibid., p. 1230. 278 Ibid., p. 1235. 279 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 54. 271

53


Hurwicz zal hebben gezegd. Bovendien vindt de arrestatie pas enkele dagen na Van Gheel Gildemeesters bezoek aan mevrouw Hurwicz plaats.280 Een verrader zal onderduikers niet zoveel tijd geven om te ontkomen. Het Weinreb-rapport bevat een hoofdstuk geheel gewijd aan Van Gheel Gildemeester, maar dat wordt door Marres niet behandeld. Verbazend is het niet dat ook Han Krom na zijn ommezwaai Van Gheel Gildemeester aanwijst als de verrader. 281 Aad Nuis en RenĂŠ Marres nemen het voor waar aan.

Langendijk De Joodse onderduiker Willem Langendijk wordt begin februari 1944 gearresteerd bij het postkantoor waar hij sinds enige maanden brieven afhaalt die hij daar laat bezorgen. Hij wordt afgevoerd en overleeft de oorlog niet. Volgens nabestaanden heeft Langendijk gezegd dat Friedrich Weinreb hem verraden kan hebben. Weinreb is er na de oorlog niet voor veroordeeld. D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw menen dat Weinreb het verraad wel heeft gepleegd. Volgens RenĂŠ Marres is het toeval dat Langendijk wordt gearresteerd kort nadat hij zijn postadres aan Weinreb vertelt.282 Hij verwijst naar Aad Nuis, die zich in zijn brochure zeer summier over deze zaak uitlaat.283 Ook Marres behandelt de zaak niet volledig: hij verzwijgt dat Weinreb in 1945 schrijft dat hij vlak voor zijn eigen onderduik hoort dat Langendijk is gearresteerd. In 1947 verklaart Weinreb echter dat hij nooit heeft gehoord dat Langendijk is gearresteerd.284 Het is opmerkelijk dat degenen die Langendijk hebben staan opwachten, handelen in opdracht van Han Krom, die met Weinreb samenwerkt en blijkbaar op de hoogte is van Langendijks doen en laten.285 Nog opvallender is dat Langendijk enige maanden ongestoord zijn

280

Rapport, p. 1246. Ibid., p. 1245. 282 Marres (2005), p. 113. 283 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 59-60. 284 Rapport, p. 1273. 285 Ibid., p. 1275. 281

54


post kan ophalen, maar dat hij na het vertellen van zijn adres aan Weinreb binnen enige dagen wordt gearresteerd.286 Deze feiten worden niet door Nuis en Marres behandeld en zij hebben daarom geen enkel recht om over deze zaak uitspraken te doen.

De Jong De laatste verraadzaak die René Marres behandelt, is die van de familie De Jong. De gebeurtenissen worden niet door Marres samengevat. Hij confronteert de lezer met namen van getuigen die hij verder nergens toelicht. Het is op deze manier niet mogelijk om te begrijpen waar de zaak over gaat. Marres besteedt er veel te weinig ruimte aan. Het grootste gedeelte van zijn betoog is een herhaling van zijn standpunt over de betrouwbaarheid van Han Krom. ‘Mijn verhaal dreigt eentonig te worden of is dat helaas al,’ schrijft Marres.287 Hij zegt dat er in deze zaak drie doden zijn gevallen.288 Hij verzwijgt dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw rekening houden met vijf doden.289 Opnieuw probeert Marres de ernst van Weinrebs misdaden af te zwakken. Marres vergeet de lezer zelfs te vertellen dat de gearresteerde familie De Jong zich laat inschrijven op Weinrebs tweede lijst. Deze lijst is door de Sicherheitsdienst opgezet om Joodse onderduikers op te sporen.290 De zaken Van Baaren, Monasch, Hurwicz/Barenholz en Langendijk spelen zich ook af na de opzet van de tweede lijst. Wie zich buiten Westerbork op deze lijst laat inschrijven, kan rekenen op arrestatie. In Collaboratie en verzet stelt Friedrich Weinreb zijn medewerking aan de tweede lijst voor als een verzetsdaad. Marres laat deze ongeloofwaardige verklaring buiten beschouwing. Hij zegt niet veel meer dan dat Weinreb na zijn verblijf in Westerbork met een tweede Sperre begint.291 Marres neemt het de onderzoekers kwalijk dat zij verkeerd met getuigenissen omgaan. Dit onterechte verwijt maakt geen indruk, want Marres

286

Rapport, p. 1277. Marres (2005), p. 115. 288 Ibid., p. 114. 289 Rapport, p. 1272. 290 Ibid., p. 965. 291 Marres (2005), p. 39. 287

55


verzwijgt ook in deze zaak opnieuw dat de verklaringen van Weinreb zelf hoogst onbetrouwbaar zijn.292

De overval in België Na de behandeling van de verraadzaken staat René Marres nog even stil bij een zaak waar Aad Nuis over zwijgt. Marres leidt de zaak niet voor de lezer in. Tijdens de bezetting houdt Han Krom zich bezig met het ontdekken van vluchtroutes voor ondergedoken Joden over de Belgische grens.293 Hij doet zich hierbij voor als verzetsman. Hij brengt een Joods gezin naar een Belgisch onderduikadres en later wordt dit gezin op aanwijzen van Krom en in aanwezigheid van Friedrich Weinreb gearresteerd door Fritz Koch, Antonie Bolland en een andere SD’er. Terwijl de drie SD’ers huiszoeking doen, past Weinreb op de arrestanten. Marres noemt de behandeling van deze zaak door D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw een ‘doortrapt verhaal’.294 Hij beweert dat voor de beschuldiging dat Weinreb aan deze overval meedoet de vraag essentieel is of Weinreb een pistool in zijn hand heeft. 295 De onderzoekers schrijven echter: ‘Wij menen overigens, dat het al of niet met een pistool uitgerust zijn van Weinreb voor de beoordeling van zijn optreden in deze zaak nauwelijks verschil maakt.’296 Marres beweert verder dat SD’er Bolland na de oorlog verklaart dat Koch geen vuurwapen aan Weinreb geeft.297 Het is opmerkelijk dat Marres zich beroept op deze verklaring van Bolland, want die is niet bepaald ontlastend: volgens Bolland vraagt Weinreb aan Koch om een pistool en doet hij bij het wegvoeren van de gearresteerden alsof hij een pistool in zijn jaszak heeft.298 Volgens Marres verklaart een dokter die tijdens de overval een bezoek brengt aan het onderduikadres dat Weinreb geen wapen bij zich draagt. Het is waar dat de dokter verklaart dat hij Weinreb niet in het bezit van een pistool heeft gezien.299 De vraag is echter of Weinreb een 292

Rapport, p. 1270-1272. Ibid., p. 1014. 294 Marres (2005), p. 121. 295 Ibid., p. 55. 296 Aanvulling, p. 68. 297 Marres (2005), p. 119. 298 Rapport, p. 1023. 299 Ibid., p. 1024. 293

56


pistool draagt tijdens het bewaken van de arrestanten in het huis. De dokter, die van de SD’ers toestemming krijgt om het huis te verlaten, is al vertrokken als Weinreb het huis binnengaat en hij kan hem daarom niet in huis hebben gezien. Zo beschrijft Weinreb het zelf ook in Collaboratie en verzet.300 Marres’ beroep op de verklaring van de dokter is daarom onzinnig. Of Weinreb tijdens het bewaken van de bewoners een pistool gebruikt, wordt niet door alle betrokkenen bevestigd. De vrouw die beweert dat Weinreb een pistool in zijn hand heeft, kan volgens Marres zijn beïnvloed omdat men haar laat lezen wat Weinreb over haar schrijft in Collaboratie en verzet.301 Dit is een valse voorstelling van zaken: de getuige doet haar uitspraak over het pistool voordat zij met Weinrebs beschrijvingen wordt geconfronteerd.302 Marres’ bewering dat drie SD’ers geen versterking nodig hebben van Weinreb is ook vals.303 De drie SD’ers doen huiszoeking, onder andere boven in de woning, terwijl Weinreb op de bewoners past. Het is heel goed mogelijk dat hij hiervoor een pistool krijgt. Belangrijker is dat Weinreb in zijn naoorlogse verklaring en in Collaboratie en verzet beweert dat hij de gearresteerden probeert te redden door hen vrij te kopen.304 Anders dan over het pistool zijn de bewoners het nu wel met elkaar eens: Weinreb heeft een dergelijk voorstel nooit gedaan en hij heeft zich op dezelfde wijze gedragen als de SD’ers.305

Het begin van oproepen in Den Haag voor werkkampen Het moment waarop Friedrich Weinreb Joden begint in te schrijven voor zijn eerste lijst is van groot belang. Wanneer hij met inschrijven is begonnen nog voordat iemand in Den Haag een oproep voor een werkkamp heeft ontvangen, is het waarschijnlijk dat hij zijn lijst alleen voor eigen voordeel heeft willen gebruiken. In Collaboratie en verzet dateert Weinreb het begin van de lijst in maart 1942.306 René Marres schrijft dat hij er vanaf 1942 mee begint.307 Hij probeert 300

Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 3, p. 1483-1485. Marres (2005), p. 120. 302 Rapport, p. 1025-1026. 303 Marres (2005), p. 120. 304 Rapport, p. 1019, Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 3, p. 1485-1488. 305 Rapport, p. 1025-1026. 306 Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 3, p. 1818. 307 Marres (2005), p. 38, 60. 301

57


Weinrebs verklaring te verdedigen met uitgebreide verwijzingen naar veel studies die moeten bevestigen dat de oproepen in Den Haag begin 1942 beginnen.308 Wie wil weten hoe de eerste lijst ontstaat, is niet alleen op Collaboratie en verzet aangewezen. Het Weinreb-rapport bevat vele verklaringen van Joden die hun inschrijving eerder dan maart 1942 en zelfs al in 1941 situeren.309 Een verband tussen een oproep voor een werkkamp en de inschrijving op de lijst wordt niet door alle getuigen bevestigd: vaak noemen zij alleen de door Weinreb aangeboden mogelijkheid tot emigratie. Volgens Marres bezitten de verklaringen geen enkele waarde omdat alle getuigen door D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw zijn beïnvloed.310 Voor deze bewering bestaat geen bewijs: na de publicatie van het rapport zijn er geen getuigen die tegen de weergave van hun getuigenissen protesteren. Heel anders is het gesteld met sommige getuigen die tijdens het naoorlogse proces door de verdedigers van Weinreb worden benaderd: het staat vast dat die getuigen zijn beïnvloed en mogelijk zijn er zelfs getuigenissen vervalst. 311 Een getuige die ook in Collaboratie en verzet wordt geciteerd, verklaart later dat hij zijn getuigenis met opzet ten gunste van Weinreb heeft afgelegd.312 Marres zegt hier niets over en neemt de voor Weinreb gunstige getuigenissen zonder voorbehoud voor waar aan. Verbazingwekkend genoeg besteedt Marres geen woord aan Weinrebs latere uitspraken over het ontstaan van de eerste lijst. Wanneer het rapport in 1976 verschijnt, zegt Weinreb: ‘Het staat zo vast dat het in de herfst eind 1941 begon. Ik praat over maart ’42 in mijn boek, maar het was al lang gaande.’313 Met dit soort uitspraken heeft Weinreb de geloofwaardigheid van Collaboratie en verzet voorgoed tenietgedaan en het is onbegrijpelijk dat Marres in zijn boek blijft beweren dat de lijst vanaf 1942 is ontstaan. Daar komt nog bij dat Weinreb in de eerste weken na de bevrijding aan een getuige vertelt dat generaal Von Schumann echt bestaat, terwijl dat op dat moment niet meer nodig is.314 Blijkbaar weet Weinreb kort na de bevrijding nog niet precies wat hij moet gaan vertellen. 308

Marres (2005), p. 131-133. Rapport, p. 23-28. 310 Marres (2005), 120, 130. 311 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 212-215. 312 Rapport, p. 426. 313 Haarlems Dagblad 11-9-1976 314 Rapport, p. 13-14. 309

58


Marres weet er kennelijk ook geen raad mee, want hij verzwijgt dit feit.

Marres over Nuis René Marres maakt er een gewoonte van om fouten van Aad Nuis over te nemen, zelfs wanneer hij weet dat het om fouten gaat. In een bespreking van het Weinreb-rapport beweert de jurist G. E. Langemeijer dat Nuis in zijn brochure een noot van het rapport citeert, maar het grootste gedeelte daarvan weglaat, met het gevolg dat de strekking van de noot vrijwel de omgekeerde lijkt van de werkelijke. Volgens Marres is dit niet juist, maar toch heeft Langemeijer gelijk: Nuis beweert namelijk dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw in de betreffende noot de SD’ers excuseren en hun optreden begrijpelijk maken.315 De onderzoekers vertellen er in de andere helft van de noot echter bij dat het optreden van de SD’ers huiveringwekkend en moorddadig is. Langemeijer heeft gelijk als hij hier op wijst en Marres bewijst eens te meer dat hij niet wil lezen, want in zijn boek probeert hij de onderzoekers aan te vallen door juist naar deze passage van het rapport te verwijzen en daar, in navolging van Nuis, niet de volledige gegevens te vermelden.316 Bijzonder kwalijk is het dat hij hierbij opmerkt dat de onderzoekers zich vereenzelvigen met de Jodenvervolger Fritz Koch. Marres beweert dat de onderzoekers niet ingaan op Nuis’ kritische beschouwing over de rechterlijke vonnissen tegen Friedrich Weinreb.317 In hun Aanvulling schrijven de onderzoekers echter dat zij in het rapport wel op de nabeschouwing ingaan: zij die kunnen weerleggen in de tweehonderdveertig bladzijden die zij aan de rechtsgang wijden.318 Hier leest Marres blijkbaar overheen. Hoewel Marres over het algemeen de brochure van Aad Nuis navertelt, bestaan er toch verschillen tussen zijn geschriften en die van Nuis. Volgens Nuis zuigt Weinreb in zijn memoires vrijwel zeker het een en ander bewust uit de duim en kan Collaboratie en verzet niet voetstoots

315

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 25. Marres (2005), p. 127-128. 317 Ibid., p. 84. 318 Aanvulling, p. 29. 316

59


worden geloofd.319 Marres vindt Weinrebs memoires daarentegen betrouwbaar.320 Verder is het opvallend dat de verdraaiingen en misleidingen van Nuis ingenieuzer bedacht zijn dan die van Marres. Wellicht is het mogelijk dat Nuis bij het plegen van zijn iets slimmere bedrog profijt heeft van zijn ervaring als politiek schrijver en spreker.

Een alomvattende samenzwering René Marres beweert verschillende keren dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw bevooroordeeld zijn in hun onderzoek: zij nemen volgens hem geen juridische, intellectuele of morele normen jegens Weinreb in acht.321 Hij vindt hun rapport voor een groot deel waardeloos en zelfs perfide.322 Giltay Veth en Van der Leeuw misbruiken volgens Marres hun onderzoeksopdracht om er een requisitoir van te maken.323 Hij ondersteunt deze laatste bewering met één zinnetje uit een rechtspsychologische studie. Kennelijk heeft hij wel tijd om deze studie te lezen, terwijl hij het Weinreb-rapport grotendeels ongelezen laat. Hij meent te mogen concluderen dat de lezer er goed aan doet op voorhand geen woord van Giltay Veth en Van der Leeuw te geloven.324 Volgens Marres is het rapport ondoorzichtig, waardoor bijna niemand erover kan oordelen.325 Dat hij zelf wel over het rapport oordeelt, terwijl hij niet eens volledig heeft gelezen, geeft te denken. Marres ontwikkelt een eigen theorie die antwoord moet geven op de vraag waarom Giltay Veth en Van der Leeuw er belang bij hebben om Friedrich Weinreb te beschuldigen: ‘Weinreb bezorgde velen die in de oorlog niets gedaan hadden om de deportatie van de Joden te voorkomen een slecht geweten.’326 Omdat Marres verder niets te melden heeft over de eventuele motieven van de onderzoekers, blijft deze uitspraak een slag in de lucht. Hij vergeet bovendien dat er ook Joden zijn die Weinreb bekritiseren. Verder zullen velen niet door 319

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 78, 80. Marres (2005), p. 128. 321 Ibid., p. 51. 322 Ibid., p. 54. 323 Ibid., p. 85. 324 Ibid., p. 62. 325 Ibid., p. 19. 326 Ibid., p. 34. 320

60


Collaboratie en verzet in gewetensnood zijn geraakt, want het boek heeft lang niet zoveel lezers gevonden als bijvoorbeeld Pressers Ondergang, waarin toch ook een hard oordeel wordt uitgesproken over het tekortschieten van veel Nederlanders tijdens de bezetting. 327 Indien Weinreb werkelijk ten onrechte is veroordeeld, dan moet zijn rehabilitatie iets zijn waar elke serieuze onderzoeker aan wil meewerken. Marres weet met dit feit geen raad. Hij komt niet verder dan het presenteren van een theorietje over de groepsmens die niet kan begrijpen hoe individueel verzet in zijn werk gaat.328 Dit theorietje stamt van prof. dr. Joop Goudsblom, socioloog en vriend van Renate Rubinstein. Hij heeft het genoegen om het oorspronkelijke manuscript van Collaboratie en verzet nog voor publicatie te mogen lezen.329 Goudsblom trekt nog in 2003 de conclusies van het Weinreb-rapport in twijfel, beveelt de brochure van Aad Nuis aan en besmeurt onderzoeker Van der Leeuw. Marres citeert deze aantijging op het omslag van zijn boek. Het zint Goudsblom niet dat Regina Grüter, die in 1997 promoveert op de voor Weinreb zeer kritische dissertatie Een fantast schrijft geschiedenis, meer waardering oogst dan René Marres.330 Goudsblom schrijft dit allemaal in het Amsterdamse studentenblad Propria Cures: buitengewoon veilig, want studenten van tegenwoordig zijn niet zo goed op de hoogte van Weinreb als de krantenlezers in de jaren zestig en zeventig. Marres’ beroep op het groepsmens-theorietje van Goudsblom zegt veel over zijn kennis van de personen die deelnemen aan het Weinreb-debat. Niemand zal ontkennen dat Abel Herzberg, Henriette Boas en W.F. Hermans onafhankelijke denkers zijn. Kort na het begin van het RIOD-onderzoek naar Weinreb merkt Hermans al op dat het uit de duim zuigen van een alomvattende samenzwering de beproefde truc is wanneer je helemaal geen raad meer weet. 331 Volgens Hermans wordt het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie door de verdedigers van Weinreb als een verdachte instelling gezien die niet objectief kan zijn. Marres zegt niet te willen spreken van een complot.332 Toch breidt hij zijn indruk van een samenzwering uit over het hele wetenschappelijke establishment, zoals hij het noemt.333 Wanneer hij wil aantonen dat NRC 327

Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 285. Marres (2005), p. 125-127. 329 Rubinstein, ‘Verantwoording’, in: Weinreb, Collaboratie en verzet, dl. 1, p. ix. 330 Propria Cures, 2003-02-03. 331 Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 212. 332 Marres (2005), p. 34. 333 Ibid., p. 57-58. 328

61


Handelsblad partij kiest voor het NIOD, beroept hij zich op een anonieme kennis.334 Het is altijd moeilijk om bewijzen te leveren voor een samenzwering. Mensen die de conclusies van het Weinreb-rapport accepteren, lijden volgens René Marres aan een blinde verering van autoriteit.335 De acceptatie van het rapport berust volgens hem op het gezag van het NIOD. Toch is ook Marres gevoelig voor autoriteiten: hij probeert Collaboratie en verzet aan te prijzen door te vermelden dat oud-verzetsman Pieter ’t Hoen het boek lovend bespreekt.336 De rij van vooraanstaande personen die Weinrebs memoires aanvankelijk bejubelen is alles behalve indrukwekkend: deze bewonderaars zijn gewoon door Weinreb voor de gek gehouden. In de vermelding van de juryleden die Weinrebs memoires voordragen voor de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam is Marres onvolledig: hij noemt het jurylid Rein Bloem, maar hij zegt er niet bij dat Bloem tegen de voordracht stemt.337 Ook de omvang van het Weinreb-rapport draagt volgens Marres bij aan het prestige ervan: ‘Hoeveel men ook behandelt, altijd zeggen schrijvers en aanhangers van het rapport: je hebt veel belangrijks buiten beschouwing gelaten. De kwantiteit van het rapport werd en wordt gebruikt als dommekracht om het gebrek aan kwaliteit aan het oog te onttrekken.’338 Het argument dat het rapport veel te omvangrijk is wordt wel vaker door bewonderaars van Weinreb gebruikt. Dat het rapport vooral omvangrijk is omdat Weinreb de wereld heeft opgezadeld met duizenden bladzijden verklaringen en memoires vertellen zijn bewonderaars er nooit bij. Marres is verontwaardigd dat een RIOD-medewerker de brochure van Nuis een perversie noemt: ‘Ik zou, voordat ik deze bent in geschrifte leerde kennen, verwacht hebben dat zij zouden zeggen: ‘het werk van Nuis heeft niveau, maar gelijk heeft hij niet.’ Zo zouden wetenschappers het formuleren die het met zo’n boek oneens zijn.’ 339 Marres moet eens lezen hoe zijn grote held Friedrich Weinreb zich uitdrukt: die heeft het over de ‘viezigheid van het

334

Marres (2005), p. 35. Ibid., p. 57. 336 Marres (1999), p. 43, Marres (2005), p. 52-53, 126, 155. 337 Marres (2005), p. 41, Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 246. 338 Marres (2005), p. 22. 339 Ibid., p. 24. 335

62


stumperdje van Van der Leeuw’ en over de ‘perverse Loe de Jong.’340 Marres zegt er niets over. Wel beweert hij dat veel RIOD-medewerkers niet als wetenschappers optreden.341 De vraag wat wel of niet wetenschappelijk is, houdt Marres erg bezig. Enkele jaren na zijn pensionering als docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden publiceert hij een onthullend artikel waarin hij verklaart dat de studie van de moderne Nederlandse literatuur eigenlijk geen wetenschap is. 342 Veel literatuurbesprekers worden in dit artikel bekritiseerd, maar ook in deze aanval op de literatuurwetenschap herhaalt Marres zijn standpunt over Weinreb. Het moet voor Marres ontmoedigend zijn om te beseffen dat hij na jaren doceren aan een universiteit niet eens een echte wetenschap heeft beoefend. Van zoiets wordt een mens onzeker. Marres beseft niet dat hij dit allemaal over zichzelf afroept. Als letterkundige spreekt hij een oordeel uit over boeken die hij niet of slecht leest. Hij verklaart dat hij nooit een echte wetenschap heeft gedoceerd en dat het door Renate Rubinstein regel voor regel geredigeerde gewauwel van Friedrich Weinreb even waarachtig en tijdloos is als het werk van Franz Kafka en Primo Levi.343

Laster Volgens René Marres maken D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw zich in het Weinreb-rapport schuldig aan laster. Marres heeft het bijvoorbeeld over het ‘delict van G & L’ en hij haalt vermanend het Wetboek van Strafrecht tevoorschijn.344 Marres richt zijn quasi-juridische dreigement niet alleen tot de inmiddels overleden onderzoekers, maar ook tot de ‘velen die hen gedachteloos napraatten’: zij maken zich schuldig aan laster ‘die niet meteen verjaard is’. Het is opvallend dat Marres belangstelling heeft voor de gevolgen van laster: Weinrebs verdedigers

340

Haarlems Dagblad, 11-9-1976, citaat ook opgenomen in: Hermans, Houten leeuwen en leeuwen van goud, blz. 210. 341 Marres (2005), p. 24. 342 Marres, ‘De onwetenschappelijkheid van de studie van de moderne Nederlandse literatuur’, in: Kritische beschouwingen over Nederlandse literatuur en literatuurstudie, p. 15-38. 343 Marres (2005), p. 58. 344 Ibid., p. 123.

63


worden volgens hem geschoffeerd.345 Hij zegt geen woord over de laster die Weinreb over onschuldige mensen uitstort. Wel beweert hij dat het schrijven van serieuze, hedendaagse geschiedenis ongecensureerd moet kunnen geschieden.346 Het schaden of benadelen van nog levende personen kan volgens Marres geen argument zijn om zaken niet te publiceren. Als het RIOD echter iets bekend maakt over Friedrich Weinreb, gaat Marres in het Wetboek van Strafrecht opzoeken of dat wel geoorloofd is. Het is daarom tegenstrijdig van Marres dat hij van sommige personen in de namenindex van zijn boek geen voornamen of voorletters toevoegt ‘in het geval dat er iets of veel ongunstigs over hen gezegd wordt.’347 Marres benadrukt dat onderzoeker Van der Leeuw ooit een fout heeft gemaakt in het RIOD-onderzoek naar de politicus Willem Aantjes.348 Volgens Marres is het Weinreb-rapport uit 1976 even gebrekkig als het Aantjes-onderzoek van twee jaar later. Deze vergelijking stamt oorspronkelijk van Aad Nuis.349 Wat een fout in het Aantjes-onderzoek zegt over de kwaliteit van het Weinreb-rapport maakt Marres niet duidelijk. Hij lijkt niet te weten dat uitgesproken tegenstanders van Weinreb als Abel Herzberg en Henriette Boas het juist voor Willem Aantjes hebben opgenomen.350 Ook houdt Marres zich niet aan zijn woord, want hij beweert dat hij niet stelt dat Weinreb onschuldig is.351 ‘Sommige journalisten hebben dit ervan gemaakt,’ schrijft hij, maar hij noemt geen namen. Toch heeft hij eerder beweerd: ‘Mijn conclusie is dat Weinreb onrecht is aangedaan. Men behoort hem als onschuldig te beschouwen.’352 Marres heeft daarom niet het recht om journalisten die dit citeren iets te verwijten. Marres beweert dat hij prijs stelt op wetenschappelijke discussie. 353 Wie echter denkt dat hij met zijn publicaties over Weinreb een discussie op gang probeert te brengen, vergist zich. Marres wil geen discussie: hij accepteert alleen instemming. Krijgt hij die instemming niet, dan laat hij zich neerbuigend uit over zijn critici. Zo wijdt de schrijfster Marja Brouwers een 345

Marres (2005), p. 37. Ibid., p. 158, noot 58. 347 Ibid., p. 15. 348 Ibid., p. 51. 349 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 85. 350 Kuiper, Een wijze ging voorbij, p. 630-635, Nieuw Israëlitisch Weekblad, 9-10-1981. 351 Marres (2005), p. 48. 352 Marres (1999), p. 9. 353 Marres, Kritische beschouwingen over Nederlandse literatuur en literatuurstudie, p. 18-19. 346

64


vernietigende beschouwing aan Marres’ boek.354 Volgens Marres heeft Brouwers de mentaliteit van een ‘onwetend, adorerend schoolkind’.355 NIOD-medewerker David Barnouw schrijft ook kritisch over Marres’ boek.356 Hij neemt volgens Marres het ‘nazi-standpunt’ in.357 Een kritische bespreking die Regina Grüter publiceert, wekt bij Marres alleen maar woede op.358 Grüters dissertatie over Weinreb is volgens Marres een smaadschrift.359 Hij noemt haar een roddelaarster, een marionet van het NIOD en een papegaai van Giltay Veth en Van der Leeuw.360 Ergens in zijn verhitte betoog schrijft hij: ‘De nazi’s zouden het dus roerend met Grüter eens zijn geweest.’361 Ook binnen de passage waaruit deze suggestieve zin afkomstig is, blijft het een onaanvaardbare opmerking. Marres neemt het Grüter kwalijk dat zij Weinreb een geschiedkundig vervalser noemt, want Weinreb pretendeert niet dat hij met Collaboratie en verzet een historisch werk wil schrijven.362 Marres is blijkbaar de ondertitel van Weinrebs boek vergeten: Een poging tot ontmythologisering. Het is duidelijk dat Weinreb zijn boek bedoelt als een weerlegging van bepaalde mythes in de geschiedschrijving over de bezetting. Dat hij de inleiding bij zijn boek laat schrijven door een bekend historicus als Jacques Presser, versterkt die indruk alleen maar.

Alle lof (of niet?) De boeken van René Marres over Friedrich Weinreb lokken niet alleen afwijzende reacties uit. Wanneer Marres in 1999 zijn eerste boek over Weinreb publiceert, bespreekt Camiel Hamans het lovend in het Brabantse dagblad BN De Stem.363 In zijn boek uit 2005 haalt Marres deze bespreking dankbaar aan.364 Hamans benadrukt dat hij met zijn loflied op Marres niet een oude 354

Vrij Nederland, 4-12-1999. Marres (2005), p. 23. 356 NRC Handelsblad, 19-9-2003. 357 Marres (2005), p. 34. 358 Historisch Nieuwsblad, 2000, nr. 3. 359 Marres (2005), p. 155. 360 Ibid., p. 90, 146-147, 151, 155. 361 Ibid., p. 153. 362 Ibid., p. 39. 363 BN De Stem, 11-12-1999. 364 Marres (2005), p. 25. 355

65


vete met W.F. Hermans hoopt te beslechten. Hij heeft met Hermans namelijk in het verleden een meningsverschil gehad over de spelling.365 Het feit dat Hamans de enige is die de lezer aan dit meningsverschil herinnert, doet vermoeden dat hij juist wel probeert om Hermans postuum aan te vallen. Hamans wil niet dat de lezer denkt dat hij en Marres ‘deel uitmaken van een elkaar bewierokende parochie.’ Toch is er sprake van een overeenkomst: Hamans drukt zich net zo dubieus uit als Marres. Zo schrijft hij dat A.J. van der Leeuw ‘van de Jodenvervolging zijn brood gemaakt heeft’. Hamans zal wel bedoelen dat Van der Leeuw veel kennis bezit van het onderwerp, maar door deze formulering kan het lijken alsof Van der Leeuw zijn brood heeft verdiend als Jodenvervolger. Hamans hoort zijn gedachten veel zorgvuldiger te verwoorden. Marres neemt de formulering braaf over. Een andere enthousiaste bespreking die Marres aanhaalt verschijnt in het maandblad van de Documentatiegroep ‘40-’45, een hobbyclub van amateurhistorici.366 Hij vertelt er gelukkig wel bij dat de lovende recensie geschreven is door een leerling van Weinreb: een neutrale visie is in dit stuk dan ook niet te vinden.367 De eerste echte recensie die Marres voor zijn boek beweert te ontvangen, verschijnt in het Belgisch Israëlitisch Weekblad.368 Volgens Marres wordt in deze recensie de materie goed uitgelegd. Wie het artikel leest, zal echter merken dat het niet veel meer doet dan Marres’ boek instemmend navertellen.369 Het Belgisch Israëlitisch Weekblad heeft namelijk een traditie hoog te houden: in de jaren zeventig kiest het overtuigd de kant van Weinreb.370 De Nederlandse Bibliotheekdienst verspreidt in 2002 een bespreking van Marres’ tweede boek. Marres vindt het blijkbaar belangrijk om deze bespreking aan de lezer voor te leggen. Volgens hem is het een ‘neutraal stukje’.371 In de bespreking wordt beweerd dat Weinreb zijn lijsten in stand heeft kunnen houden omdat hij de Duitsers om de tuin weet te leiden. Dat Weinreb een tweede lijst samen met de Duitsers heeft opgezet om ondergedoken 365

Hermans, Door gevaarlijke gekken omringd, p. 171-185. Marres (2005), p. 28-29. 367 Terugblik ‘40-’45, 2003, nr. 3. 368 Marres (2005), p. 27. 369 Belgisch Israëlitisch Weekblad, 03-01-2003. 370 Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 1999, nr. 3-4, p. 416. 371 Marres (2005), p. 27. 366

66


Joden op te sporen, wordt in het stukje niet vermeld. Het is raadselachtig dat de Nederlandse Bibliotheekdienst deze bespreking verspreidt, want over Marres’ eerste boek uit 1999 laat de dienst een artikel schrijven door de historicus Hans Renders die bepaald niet onder de indruk is: ‘Het nogal moeizaam gepolemiseer van Marres leidt niet tot de door hem gewenste rehabilitatie

van

Weinreb.’

Over

deze

bespreking

zegt

Marres

geen

woord.

Marres besteedt ook aandacht aan een recensie die in het Contactblad van de Stichting 1940-1945 staat.372 Hij zegt niet te weten wie de auteur van de recensie is: ‘Op de mij verstrekte kopie stond geen naam’.373 Kennelijk wil Marres geen moeite doen om te achterhalen dat de recensent Enno van der Eerden heet.374 De bespreking is oppervlakkig want er wordt niet in verteld wat Weinreb tijdens de bezetting heeft gedaan: de emigratielijsten komen niet aan de orde. De recensie mag verder neutraal worden genoemd omdat Van der Eerden duidelijk aangeeft dat de lezer te maken heeft met de mening van Marres. Het is alleen jammer dat Van der Eerden beweert dat Marres op de punten die hij aansnijdt, overtuigend is. Hij voegt daar nog aan toe: ‘Voor een afgewogen oordeel over Marres’ aantijgingen moet je als lezer wel zeer goed ingevoerd zijn in de materie.’ Gezien zijn oordeel is Enno van der Eerden dat zeker niet. Marres merkt tevreden op dat in het Nieuw Israëlitisch Weekblad zijn werkwijze wetenschappelijk wordt genoemd.375 Dit is inderdaad het geval, maar of het weekblad een goede of een slechte wetenschappelijke werkwijze constateert, maakt hij niet duidelijk. De oorspronkelijke bespreking in het Nieuw Israëlitisch Weekblad is geen lofzang op Marres’ boek: er wordt alleen melding gemaakt van zijn standpunt en verder wordt er geen oordeel uitgesproken.376 Dit geldt ook voor het Dagblad De Limburger. Zonder enige toelichting schrijft Marres: ‘De Limburger was door mijn boek overtuigd.’377 Hij baseert zich op een ongedateerd knipsel van de knipseldienst van Uitgeverij Aspekt.378 De Limburger wijdt op 16 oktober 2002 slechts drie regels aan zijn boek. Het dagblad schrijft: ‘Marres laat in het nieuwe boek zien dat de 372

Marres (2005), p. 28, 37. Ibid., p. 156, noot 19. 374 Contactblad Stichting 1940-1945, voorjaar 2003. 375 Marres (2005), p. 29. 376 Nieuw Israëlitisch Weekblad, 25-10-2002. 377 Marres (2005), p. 29. 378 Ibid., p. 156, noot 22. 373

67


rechterlijke veroordelingen van Weinreb, het NIOD-rapport over hem en het proefschrift dat aan hem werd gewijd onvoldoende werden gefundeerd en onbetrouwbaar zijn.’ Waarschijnlijk heeft het dagblad de strekking van het boek willen weergeven en heeft het vermoedelijk in de haast verzuimd om duidelijk te vermelden dat het gaat om de mening van Marres. Dat De Limburger door het boek overtuigd is, zoals Marres stelt, is in ieder geval overdreven. Marres beweert dat zijn boek door J. S. Wijne lovend is besproken in Mars et Historia, het kwartaalblad van de Nederlandse Vereniging voor Militaire Historie.379 Het zal de lezer wellicht verbazen dat een blad voor krijgsgeschiedenis aandacht besteedt aan Weinreb. Dat is dan ook niet geval: er heeft nooit een bespreking van Marres’ boek in Mars et Historia gestaan.380 Marres doet zijn bewering op basis van een opgave van Aspekt-redacteur Perry Pierik.381 Het blijft echter onduidelijk waar de bespreking van Wijne is verschenen. Het is daarom niet mogelijk om vast te stellen of Wijne inderdaad heeft geschreven dat Marres’ boek een ‘spannend geschreven pamflet’ is, waarin terecht een vergelijking wordt gemaakt ‘met wat het RIOD indertijd met Willem Aantjes heeft uitgehaald.’ Toch staat deze uitspraak afgedrukt op het omslag van Marres’ boek, compleet met de onjuiste verwijzing naar Mars et Historia. Concluderend mag gezegd worden dat sommige kritieken die Marres ontvangt niet lovend zijn. Andere kritieken zijn bevooroordeeld, oppervlakkig of in strijd met de feiten. Er is zelfs een kritiek onvindbaar. Er kan dan ook beslist niet gezegd worden dat het boek van Marres alle lof heeft ontvangen.

Een beschuldiging René Marres besteedt in zijn boek ook nog aandacht aan een zaak die met Friedrich Weinreb eigenlijk niet veel te maken heeft. In 1999 wordt onderzoeker A. J. van der Leeuw ervan beschuldigd dat hij tijdens de bezetting is doorgeslagen. 382 De beschuldiging wordt geuit door

379

Marres (2005), p. 36. Bevestigd door de heer T.L.D. Postma, redactie Mars et Historia, op 7-8-2005. 381 Marres (2005), p. 157, noot 33. 382 NRC Handelsblad, 24-7-1999. 380

68


een aanhanger van Weinreb. Dit soort mensen treedt zelden fijngevoelig op en de beschuldiging is dan ook onterecht: Van der Leeuw heet verantwoordelijk te zijn voor de dood van twee leden van een gezin waarbij hij ondergedoken heeft gezeten. Van der Leeuw, die tijdens de bezetting voor het verzet werkt, wordt in 1944 door de Sicherheitspolizei gearresteerd, maar snel weer vrijgelaten. Enkele dagen hierna valt een arrestatieploeg zijn onderduikadres binnen. Volgens de beschuldiging gaat de ploeg rechtstreeks naar zolder waar onder een losse plank illegaal materiaal is verborgen. Dit moet Van der Leeuw tijdens zijn verhoor hebben verteld. Een familielid dat bij de inval aanwezig is, verklaart echter dat zij de arrestatieploeg heeft verteld dat het huis een zolder bezit. De zaak is kort na de oorlog al uitgezocht en er is toen geen verraad vastgesteld. De hele affaire loopt daarom ook in 1999 met een sisser af omdat hard bewijsmateriaal ontbreekt. In zijn boek herinnert René Marres de lezer aan deze zaak. Zoals wel vaker houdt hij belangrijke feiten achter. Zo verzwijgt hij bijvoorbeeld dat de beschuldiging afkomstig is van een aanhanger van Weinreb. Marres presteert het verder om aan de niet bewezen beschuldiging evenveel waarde toe te kennen als aan de verklaring van het familielid dat bij de inval aanwezig is. Hij probeert de vrouw in diskrediet te brengen door te schrijven dat zij zelf de arrestatieploeg opmerkzaam maakt op de ‘betreffende plaats’.383 Zij heeft echter alleen gezegd dat het huis ook een zolder bezit. Over de losse plank heeft zij niets gezegd. Marres probeert haar als partijdig af te doen, want hij benadrukt dat zij familie is van Van der Leeuw. ‘Wat moet men nu geloven?’ vraagt Marres zich af. Oordelen op basis van de feiten behoort kennelijk niet tot de mogelijkheden. Marres is te beklagen dat hij deze zaak niet buiten zijn boek houdt. Hij schrijft zelf dat er niet zomaar een verband mag worden gelegd tussen deze zaak en het Weinreb-rapport. Hij doet dat echter wel: hij noemt de kwestie in een boek over Weinreb. Hoewel hij het rapport niet volledig heeft gelezen, vindt Marres het wel geoorloofd om erover te oordelen. Hij valt bovendien een van de auteurs aan onder de insinuerende kop Het oorlogsverleden van A. J. van der Leeuw.

383

Marres (2005), p. 138.

69


In de teksten van René Marres over Friedrich Weinreb duikt een citaat op van de historicus Gerard Aalders, die overigens jaren bij het door Marres verfoeide NIOD werkzaam is geweest: ‘De verschillende verklaringen lijken uit een grabbelton te komen waaruit men naar believen datgene kon graaien wat voor de eigen doeleinden het nuttigst was.’384 Marres wil met dit citaat aantonen hoe de auteurs van het Weinreb-rapport volgens hem hebben gehandeld. Hij bereikt echter iets anders: hij levert met dit citaat een perfecte beschrijving van zijn eigen manier van werken. Marres heeft niets anders gedaan dan grabbelen in een ton en hij heeft er slechts halve waarheden, loze verdachtmakingen en grove beledigingen uit te weten te halen.

384

Marres (1999), p.89, (2005), p. 96, Marres, ‘Friedrich Weinreb. Verzet en een na-oorlogse discussie’, in: Pierik (red.), Verzet! Swastika onder vuur, p. 80.

70


4. Weinreb leeft voort In de loop van de jaren tachtig verstilt de affaire rond Friedrich Weinreb langzaam. 385 De dissertatie Een fantast schrijft geschiedenis uit 1997 van Regina Grüter en de boeken van René Marres hebben tot gevolg dat er sinds de jaren negentig weer regelmatig meningen over Weinreb naar voren worden gebracht in kranten, tijdschriften en boeken. Een nieuwe visie op Weinrebs optreden tijdens de bezetting is er echter niet ontstaan en het debat wordt nog steeds op dezelfde wijze gevoerd: de critici van Weinreb proberen de feiten te respecteren, terwijl zijn verdedigers de feiten niet willen erkennen. In dit hoofdstuk zullen de uitspraken en motieven van enkele verdedigers nader onderzocht worden.

Het begrip van Paul Damen Sommige verdedigers van Friedrich Weinreb hebben vroeger zelf in zijn leugens geloofd en hebben er nog steeds moeite mee om dit toe te geven. Soms kan ook een grote bewondering voor Renate Rubinstein de reden zijn dat dat men bereid is om historische feiten te ontkennen of te verdraaien. Zo publiceert de journalist Paul Damen in 1993 een kleine biografie over Renate Rubinstein. Damen beweert in dit boekje dat Rubinstein al haar vrienden op de Weinreb-affaire ijkt.386 Toch besteedt hij maar iets meer dan drie bladzijden aan dit belangrijke feit uit Rubinsteins leven. Die bladzijden lopen over van begrip voor Rubinstein en eigenlijk ook voor Weinreb. Volgens Damen heeft Weinreb tijdens de bezetting ‘in elk geval zichzelf en misschien anderen’ gered. Op de vraag waarom Rubinstein nooit uitvoerig op het Weinreb-rapport heeft willen ingaan, geeft Damen een onbevredigend antwoord: Rubinstein, die lijdt aan multiple sclerose, is

385 386

Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 156-157. Damen, Renate Rubinstein, p. 44.

71


daar in 1976 al te moe en te ziek voor.387 Damen beschrijft echter uitgebreid wat Renate na 1976 allemaal onderneemt: zij heeft een geheime liefdesverhouding met Simon Carmiggelt, maakt ruzie met feministes en herleest Tolstoj, een auteur die niet bepaald kort van stof is. Waarom Rubinstein niet de kracht kan opbrengen om op het Weinreb-rapport te reageren, maakt Damen dan ook niet duidelijk. De rest van de Weinreb-affaire wordt door Damen alles behalve juist beschreven. Hij beweert dat de bladzijden 322 tot en met 419 van Collaboratie en verzet aan Bep Turksma zijn gewijd.388 In werkelijkheid wordt Turksma voor het eerst genoemd op bladzijde 336. Damen noemt bewust een groter tekstgedeelte omdat hij dan ook naar Weinrebs arrestatie kan verwijzen. Kennelijk heeft hij er behoefte aan om een verband te leggen tussen Weinrebs arrestatie en Bep Turksma. Schokkend is het om te lezen dat volgens Damen voor een buitenstaander het conflict over Turksma even futiel lijkt als de vraag aan welke kant je een eitje tikt. Hij probeert luchtig over de ernstige feiten te schrijven, maar het resultaat is bedenkelijk: Turksma wordt symbolisch opgevoerd als een messentrekster en in zijn summiere behandeling van de affaire weet Damen te vermelden dat de polemiek onder andere gaat over de vraag of in de strafgevangenis van Scheveningen tijdens de bezetting wel of geen baarden gedragen mogen worden. Er valt uit dit boekje over Renate Rubinstein eigenlijk niets te leren over de Weinrebaffaire. Wie echter wil weten wat er bij de tweede trouwpartij van Renate Rubinstein allemaal op tafel verschijnt, mag het beslist niet missen: het menu wordt door Paul Damen uitgebreid weergegeven.389

Een onsmakelijk verhaal Martin van Amerongen is van 1965 tot 1984 redactielid van Vrij Nederland. In 1985 wordt hij hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, een functie die hij tot 1997 vervult. Op 1 juni 1999 wordt hij opnieuw hoofdredacteur van het weekblad en hij zal dat blijven tot zijn dood in mei 2002. In de Weinreb-affaire speelt Van Amerongen als auteur geen rol van betekenis. Zijn 387

Damen, Renate Rubinstein, p. 47. Ibid., p. 46. 389 Ibid., p. 50. 388

72


belangrijkste wapenfeit is de publicatie in Vrij Nederland van enkele kreten uit een reclasseringsrapport over Weinreb.390 In de dissertatie van Regina Grüter wordt dit niet vermeld en in de levensschets die Hans Schoots over Van Amerongen publiceert, is de naam Friedrich Weinreb onvindbaar. Toch is Van Amerongen tot aan zijn dood op een merkwaardige manier met de kwestie Weinreb omgegaan. Het begint eigenlijk al in 1966, wanneer de dan 25-jarige Martin van Amerongen een opstel over de Duitse bezetting publiceert.391 Wie het artikel leest, zal ontdekken dat het antisemitisme een typisch kenmerk is van de Nederlandse volksaard. In het naoorlogse Nederland moeten vele honderdduizenden antisemieten leven. Het bewijs voor deze stelling is een rekensommetje waaruit moet blijken dat ongeveer 75000 Nederlanders zich tegen de Duitse bezetter hebben verzet. ‘De rest collaboreerde met de vijand,’ aldus Van Amerongen. 392 Om tegenspraak op voorhand te voorkomen, schrijft Van Amerongen dat zijn stelling onweerlegbaar is: de meeste historici die over de bezetting publiceren, hebben die periode zelf meegemaakt en zijn daarom partijdig.393 Van Amerongen denkt misschien dat hij goed kan rekenen, hij ziet ook een aantal feiten over het hoofd. Hoewel hij beweert dat de generatie die de bezetting heeft meegemaakt niet in staat is om er onbevooroordeeld over te schrijven, baseert hij zich voor zijn oordeel op Loe de Jong, Jacques Presser en ook Abel Herzberg, die in 1966 onder Weinreb-aanhangers nog niet in ongenade is gevallen. Volgens Van Amerongen is Nederland niet alleen het land van Gerrit van der Veen en Rudolph Cleveringa, maar ook het land van Robert van Genechten en Anton van der Waals geweest. Het is waar dat Nederland nazi-meelopers heeft voortgebracht, maar Van Genechten is in 1895 in België geboren en pas Nederlander geworden in 1930. Blijkbaar is het Nederlandse antisemitisme zo aanstekelijk dat het ook Belgen besmet. Waarschijnlijk ontdekt Van Amerongen pas later dat Van Genechten in België is geboren: een artikel over deze collaborateur neemt hij op in een bundel uit 1975. 394

390

Vrij Nederland, 7-6-1969. Amerongen, ‘Over de ‘fouten’ niets dan goeds’ in: Lammers en Van den Berg (red.), Wat denken wij eigenlijk wel?, p. 8-17. 392 Ibid., p. 16. 393 Ibid., p. 13. 394 Amerongen, Tien krullen op een kale kop, p. 113-121. 391

73


Een reactie blijft niet uit: de jurist en essayist Huib Drion merkt op dat een heldhaftige mythe over de bezetting nooit heeft bestaan. Van Amerongen moet deze mythe eerst scheppen om die vervolgens te kunnen ontluisteren.395 Drion heeft scherp in de toekomst gekeken door juist op het woord mythe in te gaan: enkele jaren later publiceert Friedrich Weinreb zijn memoires met de ondertitel Een poging tot ontmythologisering. Drion beweert in een artikel uit 1965 naar aanleiding van Pressers hoofdstuk over Weinreb al dat deze bladzijden een dieptepunt zijn in Ondergang.396 Mede naar aanleiding van dit artikel gaat Renate Rubinstein de zaak Weinreb uitzoeken.397 Het opstel van Martin van Amerongens toont uitstekend aan in welk klimaat de leugens van Friedrich Weinreb hebben kunnen gedijen. Van Amerongen is goed bevriend met Renate Rubinstein. Het is bijna onmogelijk om met haar bevriend te zijn zonder haar meningen te delen. Rubinsteins vrienden delen haar visie op Weinreb waarschijnlijk, of zij verzwijgen het onderwerp in Rubinsteins aanwezigheid. De historicus Richter Roegholt bekent in zijn memoires dat hij zoveel vriendschap heeft voor Renate Rubinstein en Aad Nuis dat hij geen zin heeft om zich in de Weinreb-affaire te mengen.398 De schrijver Adriaan Morriën komt wel eens een visje voor Renate koken, maar hij heeft het aan tafel blijkbaar nooit met haar over Weinreb. 399 Vrij Nederland-collega Martin Koomen geeft in zijn memoires toe dat hij en de redacteuren van het weekblad na de publicatie van het Weinreb-rapport behoorlijk bang zijn. Van Amerongen wordt door Koomen beschreven als een behendig diplomaat die zijn vriendin Renate vooral niet wil tegenspreken als het om Weinreb gaat.400 Achteraf kan gezegd worden dat Martin van Amerongen na de publicatie van het rapport steeds vreemder met het onderwerp Weinreb omgaat. In 1971 geeft hij Rubinstein en verschillende andere publicisten in Vrij Nederland nog de ruimte om zich lovend over Weinreb uit te laten.401 In 1986 kan hij zich dit niet meer precies herinneren.402 In het artikel dat Van 395

Drion, Denken zonder diploma, p. 5. Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 117. 397 Rubinstein, ‘Verantwoording’, in: Weinreb, Collaboratie en verzet, p. viii. 398 Roegholt, De stad is een gesprek, p. 247. 399 Morriën, Ik heb nu weer de tijd, p. 184-187. 400 Koomen, Een man van letters, p. 8-9. 401 Vrij Nederland, 18-9-1971, ook opgenomen in: Amerongen, Tien krullen op een kale kop, p. 82-98. 396

74


Amerongen naar aanleiding van Rubinsteins overlijden schrijft komt Weinreb niet voor.403 Rudy Kousbroek gaat in zijn herdenkingsartikel wel in op Weinreb. 404 In een artikel van Van Amerongen over Jacques Presser uit 1999 wordt Weinreb wel genoemd, maar het wordt niet duidelijk wat Weinreb tijdens de bezetting heeft misdaan.405 Ook in De Groene Amsterdammer besteedt Martin van Amerongen aandacht aan Weinreb. Als een dappere hoofdredacteur doet hij dat niet zelf, maar zet hij een jongere medewerker in: journalist René Zwaap, die bij De Groene is komen werken omdat hij in Van Amerongen een geestverwant herkent.406 Zoals alle Weinreb-verdedigers hebben Van Amerongen en Zwaap een hekel aan het RIOD en aan de auteurs van het Weinreb-rapport. Op 9 september 1998 publiceert De Groene een artikel van Zwaap waarin wordt beweerd dat A.J. van der Leeuw zich tijdens de bezetting onbehoorlijk heeft gedragen. Volgens Zwaap zet dat ‘vette vraagtekens bij de morele superioriteit die hij zichzelf toekende in zijn jacht op Weinreb’. Op feiten is dit artikel niet gebaseerd, maar lezers van De Groene zitten daar ook niet op te wachten: hoofdredacteur van Amerongen beweert immers zelf dat je een zaak niet kapot moet checken, omdat er dan geen smakelijk verhaal overblijft.407 Van der Leeuw voelt zich aangetast door Zwaaps artikel en beklaagt zich bij de Raad voor de Journalistiek. Op 20 juli 1999 acht de Raad de klacht gegrond en hoofdredacteur Van Amerongen moet overgaan tot rectificatie. 408 Het moet Van Amerongen ongetwijfeld verheugd hebben dat pal na deze onfortuinlijke uitspraak het boek van René Marres verschijnt. Onder zijn hoofdredacteurschap schrijft Zwaap een kritiekloos artikel waarin het boek van Marres instemmend wordt naverteld. 409 Een week later publiceert hij een aanvullende beschouwing waarin nog eens wordt uitgelegd wat voor een vrome wonderrebbe Weinreb wel niet is.410 Blijkbaar heeft Zwaap in 1999 net zo weinig argumenten in handen als de verdedigers van Weinreb in 1969. In zijn beschouwing citeert hij

402

Hermans, Door gevaarlijke gekken omringd, p. 291-296. De Groene Amsterdammer, 28-11-1990. 404 NRC Handelsblad, 30-11-1990, ook opgenomen in: Goudsblom (red.), Renate. Herinneringen van vrienden, p. 66-69. 405 De Groene Amsterdammer, 11-8-1999. 406 Schoots, Van Amerongen, letterknecht, p. 99. 407 Ibid., p. 72. 408 De Groene Amsterdammer, 11-8-1999. 409 De Groene Amsterdammer, 29-9-1999. 410 De Groene Amsterdammer, 6-10-1999. 403

75


vijf verklaringen van Joden die beweren door Weinreb te zijn gered. Volgens Zwaap zijn deze en andere dankbetuigingen door D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw achtergehouden of in het rapport weggemoffeld. Deze manier van redeneren heeft hij van Aad Nuis afgekeken die de onderzoekers het onmogelijke verwijt maakt dat zij gegevens in het rapport verstoppen.411 Van de vijf dankbetuigingen die volgens Zwaap zijn achtergehouden of weggemoffeld, staan er maar liefst drie zwart op wit in het rapport. Bovendien worden van een schrijfster van een ontbrekende dankbetuiging andere verklaringen geciteerd en die zijn gunstig voor Weinreb. Van Amerongen krijgt gelijk: er blijft van sommige verhalen niet veel smakelijks over na controle. Dat René Zwaap maar weinig waardering kan opbrengen voor Regina Grüter is niet verrassend. Hij noemt haar dissertatie over Weinreb een wetenschappelijk wangedrocht. 412 Een echte bespreking van Grüters boek schrijft Zwaap echter nooit. Wel beweert hij dat het boek antisemitische stereotyperingen bevat die niet zouden misstaan in het nazi-weekblad Der Stürmer: ‘Het resultaat is een boek dat zo’n beetje suggereert dat de hele holocaust op het conto van de tien jaar geleden overleden Joodse econoom Weinreb en zijn bizarre spel van list en bedrog moet worden geschreven.’413 Grüter beschikt volgens Zwaap niet over de ‘primair menselijke emotie van het begrip’ voor de omstandigheden waarin Weinreb zich tijden de bezetting bevindt.414 Deze kenmerkende uitspraak biedt misschien de oplossing voor het raadsel waarom journalisten als Renate Rubinstein en Martin van Amerongen hun verkeerde beoordeling van Weinreb niet toegeven. Welke ‘primair menselijke emoties’ historici ook mogen hebben: op het moment dat zij uitspraken doen, dienen zij zich aan de feiten te houden. Dat is precies wat Regina Grüter doet. Rubinstein en Van Amerongen handelen anders. Renate Rubinstein houdt niet van uitgebreid onderzoek en bij het schrijven gaat zij vooral intuïtief te werk.415 Dit heeft met het zoeken naar de waarheid weinig te maken. Willem Frederik Hermans heeft al geschreven dat Weinrebs verdedigers nooit met iets anders dan

411

Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 34. De Groene Amsterdammer, 10-3-1999. 413 De Groene Amsterdammer, 20-5-1998. 414 De Groene Amsterdammer, 29-9-1999. 415 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 295. 412

76


emoties te voorschijn komen.416 Voor Rubinstein is het toegeven van eens gemaakte vergissingen een vorm van gezichtsverlies. 417 Ook Van Amerongen kan volgens een zeer goede vriend, de dirigent Winfried Maczewski, tegenspraak slecht verdragen: ‘Hij kon ook niet zo goed tegen kritiek. Je kon zoiets niet rechtstreeks tegen hem zeggen.’418 Maczewski noemt zijn vriend een ‘selfmade intellectueel’ die veel citeert om te laten zien hoe intelligent hij is. Het is waar dat Van Amerongen van huis uit weinig cultuur meekrijgt. Zijn vader leest geen boeken en luistert niet naar muziek. Hij wil nooit een boek van zijn zoon inkijken. De jonge Van Amerongen gaat al vroeg zijn eigen weg: hij ontdekt boeken en klassieke muziek.419 Vertederd en ongetwijfeld vol herkenning schrijft Martin van Amerongen over Jacques Presser, die zich als kind van eenvoudige komaf met veel inspanning de cultuur eigen maakt. 420 Toch citeert Van Amerongen instemmend Gerard Reve, die schrijft dat Presser geen persoonlijke smaak heeft en alleen houdt van algemeen erkende grootheden. Het is niet helemaal terecht dat Van Amerongen dit aanhaalt, want veel van zijn eigen boeken gaan over grootheden als Shakespeare, Bach, Heine en Wagner. Wellicht is een typering die Henriette Boas van Presser geeft ook wel van toepassing op Van Amerongen: ‘Ik vond hem gekunsteld. Hij stamde zelf niet uit een cultureel milieu, maar was evengoed dol op cultuur. Hij probeerde zich altijd anders en mooier voor te doen dan hij was.’421 Daar komt nog bij dat de lezer die echt iets wil leren over Shakespeare, Bach, Heine of Wagner, vanzelfsprekend niet gaat lezen wat een slordige weekbladjournalist over deze grootheden vertelt. Martin van Amerongen en Renate Rubinstein zijn columnisten die zonder enige aarzeling uitspraken doen. Wanneer die uitspraken met feiten onderbouwd moeten worden, hebben zij opeens geen zin meer om te reageren. Blijkbaar zijn de lezers van Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer tientallen jaren geïnteresseerd geweest in de snelle meningen van deze ‘plaatsvervangende dominees en schoolmeesters’, zoals Van Amerongen opiniejournalisten noemt.422 Ook de grove verdachtmakingen van René Zwaap vinden moeiteloos hun weg naar de 416

Hermans, Van Wittgenstein tot Weinreb, p. 191. Damen, Renate Rubinstein, p. 48, 78. 418 De Groene Amsterdammer, 24-8-2002. 419 Schoots, Van Amerongen, letterknecht, p. 13-15. 420 De Groene Amsterdammer, 11-9-1999. 421 Historisch Nieuwsblad, 1997, nr. 6. 422 Schoots, Van Amerongen, letterknecht, p. 42. 417

77


lezers van De Groene Amsterdammer. Door Weinreb tot verzetsheld uit te roepen en de leugenachtigheid van Collaboratie en verzet buiten beschouwing te laten, zegt Zwaap eigenlijk dat de mensen die door Weinreb worden belasterd allemaal liegen. Daarom is hij, net als Rubinstein en Nuis, een schrijver die onschuldige mensen (postuum) beschadigt. Ook in een ander opzicht is er een treffende overeenkomst tussen René Zwaap en andere Weinreb-verdedigers: in het jaar 2000 krijgt hij de tijdschriftenprijs Mercur toegekend en wordt hij door de jury uitgeroepen tot redacteur/columnist van het jaar. Niet slecht voor iemand die door collega Gerard Mulder wordt omschreven als een auteur die zonder kennis van zaken en zonder na te denken apodictische standpunten over van alles de wereld in slingert.423 Verbazend is het allemaal niet, want Zwaap maakt gewoon deel uit van de groep Weinrebverdedigers die ondanks hun onwaarheden en beledigingen op bijval van vakgenoten mogen rekenen: Renate Rubinstein ontvangt ook na het verschijnen van het Weinreb-rapport verschillende literaire prijzen en wordt door de Rijksvoorlichtingsdienst gevraagd om een boek te schrijven over kroonprins Willem-Alexander.424 Aad Nuis mag voor D66 in 1994 staatssecretaris van Cultuur worden en hij wordt later door de NCRV gevraagd om op te treden in een televisiespot over respect als kernwaarde in relatie tot de media. 425 Wie zich bedenkt hoe weinig respectvol Nuis in de media met de slachtoffers van Weinreb is omgegaan, moet concluderen dat de NCRV een wel heel eigen inhoud geeft aan het woord respect. Na de dood van Martin van Amerongen in 2002 zet René Zwaap de verdediging van Weinreb voort. In de zomer van 2003 stelt hij in De Groene Amsterdammer vast dat de rehabilitatie van Weinreb langzaam maar zeker vorm begint te krijgen.426 Het blad wordt dan inmiddels geleid door Hubert Smeets, wiens vader in de jaren zeventig advocaat van Weinreb is.427 Nieuw onderzoek doet Zwaap echter niet en na 2003 wordt er niets meer van Weinrebs vermeende rehabilitatie vernomen. Wellicht is alle aandacht in De Groene voor deze oplichter alleen maar bedoeld als een postuum eerbetoon aan Martin van Amerongen. Als dit inderdaad het geval is, dan is het wel een zeer onsmakelijk eerbetoon geworden. Niet dat Van Amerongen 423

De Volkskrant, 24-10-1998. Damen, Renate Rubinstein, p. 49, 74, 80. 425 Mell en Kaptein, Ze laten mensen in hun waarde, 75 jaar NCRV, p. 147. 426 De Groene Amsterdammer, 16-8-2003. 427 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 136-137. 424

78


beter heeft verdiend: hij heeft er gezien zijn manier van werken uitdrukkelijk om gevraagd.

De mythe van Igor Cornelissen De journalist Igor Cornelissen speelt een redelijk belangrijke rol in de Weinreb-affaire. Hij is de eerste die Friedrich Weinreb gaat interviewen nadat Ondergang van Jacques Presser in 1965 verschijnt.428 In zijn boek Van Zwolle tot Brest-Litowsk uit 1983 is Cornelissen nogal trots op zijn aandeel in de affaire: mede door zijn interview met Weinreb is Collaboratie en verzet gepubliceerd. Cornelissen vindt dat Willem Frederik Hermans hem daar een beetje dankbaar voor moet zijn, gezien de vele stukjes die de affaire voor Hermans oplevert.429 De lijvige en voor Weinreb zeer ongunstige dissertatie uit 1997 van Regina Grüter moet een behoorlijk diepe indruk op Cornelissen hebben gemaakt: als hij in 1998 zijn herinneringen aan Vrij Nederland publiceert onder de titel Raamgracht 4, is zijn aandeel in de Weinreb-affaire versmald tot ‘een klein rolletje’.430 Het siert Cornelissen dat hij zijn aanvankelijke geloof in Weinreb niet buiten zijn memoires houdt: ‘Ook ik was er, in navolging van Presser, ingevlogen.’ Helemaal betrouwbaar is zijn geheugen echter niet: Cornelissen vertelt dat hij na het verschijnen van het Weinrebrapport een artikel schrijft over het verraad in de Reinkenstraat.431 In Raamgracht 4 beweert hij dat de passage over de Reinkenstraat in het Weinreb-rapport niet deugt en dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw vooringenomen zijn. Cornelissen doet hierna geen verder onderzoek meer. Hij zegt daar in 1998 over: ‘Ik had geen zin meer. Soms moet je zelf een onderwerp afkappen. W.F. Hermans ging wel door en ik smulde van zijn stukken tegen die verwaten exPropria Cures-redacteuren Nuis en Rubinstein.’ Hier wordt Cornelissen door zijn geheugen in de steek gelaten: hij vergeet te vermelden dat Giltay Veth en Van der Leeuw naar aanleiding van zijn artikel aanvullend onderzoek doen en

428

Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 117. Cornelissen, Van Zwolle tot Brest-Litowsk, p. 327. 430 Cornelissen, Raamgracht 4, p. 85. 431 Ibid., p. 87. 429

79


dat levert niets op.432 Al wat Cornelissen in 1976 boven water weet te halen, is kort daarop al niet meer belangrijk. Dit mag hij in Raamgracht 4 wel even vermelden. Dat hij geniet van de stukken van W.F. Hermans tegen Nuis en Rubinstein zal ongetwijfeld waar zijn, maar dat Hermans verschillende keren kritisch schrijft over ‘niksweter’ Cornelissen, zal de lezer in Raamgracht 4 niet kunnen vinden. Het geheugen van Cornelissen bevat nog een ander blind vlekje: naast het artikel over de Reinkenstraat publiceert hij in hetzelfde nummer van Vrij Nederland uit 1976 een algemene beschouwing over het Weinreb-rapport.433 ‘Een dik rapport hoeft niet per definitie goed te zijn,’ staat er met grote letters boven. Hoewel na het verschijnen van het rapport de teneur in de meeste kranten en tijdschriften is dat de discussie over Weinreb gesloten kan worden, beweert Cornelissen juist dat de discussie is geopend.434 Volgens Cornelissen heeft de kritische zin van de onderzoekers plaats gemaakt voor vijandschap. Verder benadrukt hij dat Weinreb ook mensen heeft geholpen en dat daarmee het ‘raadsel-Weinreb blijft bestaan’. Hij eindigt zijn betoog met de waarschuwing aan andere schrijvers en journalisten dat zij het rapport beter moeten lezen voordat ze de conclusies ervan onderschrijven. Van deze beschouwing is in Raamgracht 4 niets meer terug te vinden. Dat is opmerkelijk voor een journalist die beweert dat zijn woning bijna bezwijkt onder de archiefstukken die hij sinds zijn middelbare schooltijd verzamelt.435 Martin Koomen noemt in zijn memoires, die een jaar later verschijnen dan die van Cornelissen, de beschouwing wel.436 Koomen is niet voor niets jarenlang de documentalist van Vrij Nederland geweest. Na de publicatie van Raamgracht 4 gaat Cornelissen verder met het schrijven van zijn memoires. Hij is van plan om zijn gehele levenswandel vast te leggen: ‘Je moet de mythe die je opgebouwd hebt zorgvuldig in stand houden. Anders komt er niks van terecht.’437 Blijkbaar heeft Cornelissen als journalist meer behoefte aan het opbouwen van een mythe dan aan het vastleggen van de werkelijkheid. Door echter zijn eerder gepubliceerde beweringen tegen te

432

Aanvulling, p. 15-16. Vrij Nederland, 6-11-1976. 434 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 144. 435 Vrij Nederland, 8-8-2009. 436 Koomen, Een man van letters, p. 9. 437 De Groene Amsterdammer, 1-3-2000. 433

80


spreken en zelfs te verzwijgen, draagt hij niet bij aan de overtuigingskracht van zijn mythe. Er valt, om met Friedrich Weinreb te spreken, dus niet veel te ontmythologiseren in de memoires van Igor Cornelissen omdat hij na tientallen jaren van journalistiek werk nog steeds niet schijnt te weten wat een mythe eigenlijk is.

Aspekt, Anbeek en amok In 1999 verschijnt bij Uitgeverij Aspekt de biografie Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven van Hans van Straten. Ton Anbeek, neerlandicus aan de Universiteit Leiden, recenseert het boek. 438 Anbeek is niet te spreken over de biografie: Van Straten is niet aan de belangrijke thema’s in het werk van Willem Frederik Hermans toegekomen omdat hij te weinig greep heeft op het beschikbare materiaal. Bovendien is Van Straten niet in staat om hoofdzaken en bijzaken van elkaar te scheiden in een samenhangend betoog. Anbeek heeft ook kritiek op Van Stratens uitgever: ‘Was er dan werkelijk niemand bij uitgeverij Aspekt die durfde zeggen: ‘Allemaal heel leuk en aardig wat je daar verzameld hebt, Hans, maar vat het nu eens even kernachtig voor je lezers samen. Want wat je nu maakt is een documentatie. Dus het mes erin!’ De vernietigende kritiek van Anbeek is niet helemaal terecht. Van Straten is wel eens onzorgvuldig, maar dat is begrijpelijk wanneer iemand een lijvige biografie schrijft. Over Friedrich Weinreb schrijft Anbeek: ‘Zo krijgt ook de affaire Weinreb veel te veel ruimte – daarover is toch zo langzamerhand genoeg bekend in makkelijk toegankelijke bronnen.’ Dit kan Anbeek wel beweren, maar het lijkt er eerder op dat er over Weinreb nog steeds niet genoeg bekend is, zeker niet bij sommige docenten van de Universiteit Leiden. De affaire Weinreb speelt een grote rol in het werk van een aantal bekende schrijvers. Johan Polak schrijft: ‘De verheerlijking die Weinreb ten deel viel van geleerde en pseudo-geleerde zijde na het verschijnen van zijn leugenachtige boeken, vormt een duistere bladzijde in de Nederlandse ideeëngeschiedenis…’439 Dat is niet gering. In Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985 komt Weinreb echter niet voor. Ook in zijn samen met Jaap

438 439

Vrij Nederland, 13-3-1999. Polak, ‘Klassieke schoonheid in de proëmia van de romans van Willem Frederik Hermans’, in: Bzzlletin, nr. 126.

81


Goedegebuure geschreven boek Het literaire leven in de twintigste eeuw ontbreekt Weinreb. Zelfs in het omvangrijke boek Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, waarvan Anbeek redacteur is, komt de affaire Weinreb niet ter sprake. Tegen het einde van zijn recensie komt Anbeek nog even terug op Weinreb: ‘Als de werkelijkheid onkenbaar is, waarom probeerde Hermans dan te bewijzen dat Renate Rubinstein en anderen in de affaire Weinreb ongelijk hadden?’ Dit is een vraag die ook René Marres stelt in zijn boek over Hermans en Weinreb. Blijkbaar hangt de kwestie eind jaren negentig in de lucht bij de beoefenaren van de neerlandistiek aan de Universiteit Leiden. René Marres bekent dat zijn collega’s hem waarschuwen voor het omstreden onderwerp.440 Blijkbaar is hij de enige die het aandurft om erover te publiceren. Voor de publicatie van zijn eerste boek over Weinreb kan Marres terecht bij het Internationaal Forum voor Afrikaanse en Nederlandse Taal en Letteren in Leiden. Twee jaar later publiceert hij een aanvullend artikel in het Derde Bulletin van de Tweede Wereldoorlog. Dit wat rommelig uitgegeven boek verschijnt in 2001 bij Uitgeverij Aspekt onder redactie van Martin Ros en Perry Pierik. Ros heeft het boek van Marres op de radio al spectaculair en grondig genoemd.441 De beide Aspekt-redacteuren schrijven in hun inleiding niet meer dan dat Marres aandacht besteedt aan het voortdurende Weinreb-debat.442 Een jaar later publiceren zij het tweede boek van Marres over Weinreb. Dat is opmerkelijk wanneer bedacht wordt dat Aspekt in 1999 het boek van Hans van Straten uitgeeft waarin het Weinreb-rapport correct wordt weergegeven. Uitgeverij Aspekt durft nog een stap verder te gaan en deinst niet terug voor geschiedvervalsing. In mei 2005 verzorgt de uitgeverij de heruitgave van Jacques Pressers Ondergang. Martin Ros noemt deze heruitgave zijn mooiste wapenfeit als uitgever. 443 Op het eerste gezicht lijkt de uitgave een exacte weergave van Pressers oorspronkelijke tekst. Wie echter nauwkeurig leest, zal ontdekken dat aan de heruitgave één nieuwe noot is toegevoegd.444 Deze noot gaat over Friedrich Weinreb en is ondertekend door de erven J. 440

De Groene Amsterdammer, 16-8-2003. Marres (2005), p. 16. 442 Pierik, Ros (red.), Derde Bulletin van de Tweede Wereldoorlog, p. 7. 443 De Limburger, 23-3-2006. 444 Presser, Ondergang (2005), dl. 2, p. 497. 441

82


Presser. Er wordt de suggestie in gewekt dat de schuld van Weinreb nog steeds onbewezen is. Tevens wordt er vermeld dat Aad Nuis in zijn brochure ‘zeer kritisch over de opzet en de inhoud van het rapport door het RIOD’ is. Waarom de erven J. Presser zo ingenomen zijn met de brochure van Nuis is raadselachtig: in 1985 wordt Ondergang nog herdrukt met een voorwoord van dr. Loe de Jong. Hij zegt daarin dat Pressers behandeling van Weinreb onjuist is.445 Waarom hebben de erven Presser in 1985 niet tegen dit voorwoord geprotesteerd? Bijzonder kwalijk is het dat zij in hun noot ook nog reclame maken voor het boek van René Marres. De naam van deze schrijver, die er niet voor terugdeinst om historische bronnen te verdraaien of te negeren, hoort niet te staan in een heruitgave van een standaardwerk over de Jodenvervolging in Nederland. Het is overigens interessant dat de erven Presser nooit toestemming hebben willen geven aan Regina Grüter om het Weinreb-archief van Presser in te zien.446 Eerdere edities van het boek van René Marres roepen diverse reacties op. Marres gaat in de herdrukken van zijn boek op deze reacties in. Hij geeft toe dat zoiets niet gebruikelijk is, maar het onderwerp Weinreb is volgens hem ongewoon. Ook heeft hij ‘speciale redenen’ om op kritiek te reageren.447 De heruitgave van Pressers Ondergang maakt goed duidelijk wat de ‘speciale redenen’ van René Marres zijn om in de herdrukken van zijn boek vele bekende publicisten zwart te maken: Marres en Uitgeverij Aspekt willen aandacht voor hun boeken en om dat doel te bereiken, is ieder middel geoorloofd. De heren doen zich objectief voor, maar zijn dat niet: in zijn boek heeft Marres het over de schrijver Martin Ros.448 Hij verzwijgt dat Uitgeverij Aspekt mede door Ros is opgericht.449 Ook is Ros als redacteur werkzaam geweest bij Aspekt.450 De schandaalzucht van Aspekt bereikt een publicitair hoogtepunt wanneer de Volkskrant op 17 januari 2006 op de voorpagina bericht dat de uitgeverij een boek gaat uitgeven waarin wordt beweerd dat Harry Mulisch volgens getuigen lid is geweest van de Jeugdstorm, de jongerenafdeling van de NSB. Het boek is geschreven door journalist Dick Verkijk. Mulisch ont-

445

Presser, Ondergang (1985), dl. 1, p. ix. Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 371. 447 Marres (2005), p. 27. 448 Ibid., p. 35. 449 Pierik (red.), Martin Ros vijftig jaar op wacht, p. 54. 450 Ibid., p. 76. 446

83


kent. Een rel is geboren: de kwestie krijgt veel aandacht in de media. Verkijk baseert zijn uitspraak op twee getuigen die Mulisch kennen uit de tijd dat hij in Haarlem woont. Zij beweren de schrijver in het uniform van de Jeugdstorm te hebben gezien. 451 Verkijk benadrukt dat hij Mulisch niet verwijt lid te zijn geweest van de Jeugdstorm, maar wel dat deze ‘vleesgeworden anti-nazi, in al zijn geschriften met geen woord vermeldt dat hij deel heeft uitgemaakt van een nazi-organisatie’.452 Overtuigend is het allemaal niet: Verkijk heeft geen schriftelijk bewijs dat Mulisch lid is geweest van de Jeugdstorm en hij heeft ook geen foto’s kunnen vinden waarop Mulisch in uniform is te zien. Toch wil Perry Pierik van Uitgeverij Aspekt het verhaal graag publiceren.453 Het is opvallend dat Verkijk benadrukt hoe betrouwbaar getuigenverklaringen kunnen zijn. 454 René Marres stelt in zijn betoog juist de geloofwaardigheid van getuigenissen voortdurend ter discussie. Voor historicus Pierik is dat allemaal geen bezwaar: niets is hem te dol voor een beetje lawaai. Nader archiefonderzoek van het Historisch Nieuwsblad leert dat de doorgaans grondig te werk gaande politieke recherche in 1946 niet kan vaststellen dat Harry Mulisch ooit lid is geweest van de Jeugdstorm.455 Dit feit is kennelijk hard aangekomen bij Perry Pierik, want twee jaar later geeft Aspekt het boek Profiel Harry Mulisch van Hans Dütting uit, waarin deze het pamflet van Dick Verkijk rigoureus naar de prullenmand verwijst: ‘Een boekje waarvan ik niet begrijp dat mijn uitgever het ooit heeft kunnen uitgeven!?’456 Wie vertrouwd is met de handelwijze van Uitgeverij Aspekt, zal het echter uitstekend begrijpen. Uitgeverij Aspekt is bereid om ieder boek, hoe kwetsend en in strijd met de werkelijkheid het ook is, uit te geven als het maar amok oplevert. Wat Weinreb betreft, hoeft Aspekt daar alleen nog maar een heruitgave van Collaboratie en verzet voor te verzorgen. René Marres heeft deze wens al eens uitgesproken.457 Nog in het jaar 2013 hoopt hij op een ‘stevig

451

Verkijk, Harry Mulisch. Fel anti-nazi. Vanaf wanneer?, p. 12-15. Ibid., p. 42-43. 453 Ibid., p. 46. 454 Ibid., p. 47-50. 455 Historisch Nieuwsblad, 2006, nr. 3. 456 Dütting, Profiel Harry Mulisch, p. 271. 457 Marres (2005), p. 155. 452

84


gebonden dundrukuitgave in één deel’.458 De inmiddels overleden slachtoffers van Weinrebs laster zullen tegen een nieuwe uitgave van dit leugenachtige boek niet meer kunnen protesteren. Gezien zijn steun aan Marres, schijnt Perry Pierik het niet zo erg te vinden om onschuldige mensen postuum te besmeuren. Het is dan ook te hopen dat een heruitgave van Collaboratie en verzet nooit zal verschijnen.

Wetenschap volgens J. H. Laenen In 2003 verschijnt Frederik Weinreb en de Joodse mystiek van J. H. Laenen. Het boek ontvangt een lovende recensie van Dick Houwaart.459 Houwaart vertelt daarin niets over zijn verleden met Weinreb, zodat deze lofzang bij de goed ingelichte lezer een onvolledige indruk achterlaat. Laenen zegt dat hij het in zijn boek niet wil hebben over het optreden van Weinreb tijdens de Tweede Wereldoorlog.460 Toch ontkomt hij er niet aan om ook iets over Weinrebs levensloop te vermelden. Hij krijgt het voor elkaar om de vraag te stellen of Weinreb tijdens de bezetting een collaborateur is geweest.461 Waar hij het vandaan haalt om deze vraag op te werpen, maakt hij niet duidelijk. Hij behandelt Collaboratie en verzet nauwelijks, maar andere autobiografische boeken van Weinreb noemt hij wel.462 Laenen roept zelfs de toekomstige biografen van Weinreb op om zijn autobiografische geschriften aan de werkelijkheid te toetsen. Dit is in het Weinreb-rapport met Collaboratie en verzet gedaan en er is vastgesteld dat het boek voor een groot deel uit leugens en fantasieën bestaat. Het is duidelijk dat Laenen niet over Collaboratie en verzet en Weinrebs oorlogsverleden wil schrijven. Tegenover René Zwaap in De Groene Amsterdammer is hij spraakzamer: hij heeft er grote twijfels over of Weinreb in de oorlog Joodse vrouwen heeft misbruikt.463 Het is weer een uitspraak die hij niet kan onderbouwen met feiten.

458

Marres, ‘Friedrich Weinreb. Verzet en een na-oorlogse discussie’, in: Pierik (red.), Verzet!, p. 94. Vrijzicht, 2003, nr. 6. 460 Laenen, Frederik Weinreb en de Joodse mystiek, p. 1. 461 Ibid., p. 25. 462 Ibid., p. 5. 463 De Groene Amsterdammer, 16-8-2003. 459

85


Wie Laenens beschrijving van Weinrebs levensloop nauwkeurig leest, zal ontdekken dat hij de geschriften van Weinrebs verdedigers anders behandelt dan die van Weinrebs tegenstanders. De teksten van Abel Herzberg en Willem Frederik Hermans ontbreken volledig, terwijl het voor Weinreb zeer gunstige boek van Dick Houwaart niet ontbreekt. Laenen noemt het nawoord van Aad Nuis bij Collaboratie en verzet een ‘gedetailleerde en vernietigende analyse’. Ook het tegenstrijdige en onvolledige boekje Het monster in de huiskamer is volgens Laenen een ‘kritische analyse’.464 D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw hebben aangetoond dat het boekje van Nuis alles behalve kritisch is. Laenen noemt hun uitgebreide behandeling slechts een ‘reactie’. Ook het boek van René Marres uit 1999 wordt door Laenen een ‘kritische analyse’ genoemd.465 Met de dooddoener dat hij slechts een summier overzicht van de affaire wil geven, maakt hij zich er vanaf.466 Hij signaleert slechts dat de meningen over Weinreb verdeeld zijn.467 In zijn beschrijving van Weinrebs levensloop gebruikt Laenen opvallend weinig jaartallen. Hij beweert dat Weinreb hoogleraar is geweest in Calcutta. In werkelijkheid is Weinreb nooit in Calcutta werkzaam.468 Voor Weinrebs definitieve vertrek uit Nederland geeft Laenen geen reden.469 Hij zegt alleen dat Weinreb zich ziet om Nederland te verlaten.470 Weinreb verlaat Nederland echter om een gevangenisstraf te ontlopen. Laenen probeert dit voor de lezer achter te houden. Zijn boek is verre van volledig: Regina Grüters dissertatie, waar Laenen dertien bladzijden aan besteedt, bevat een fragment uit een brief van Weinreb waarin deze verklaart dat de watersnoodramp van 1953 een straf is van God voor Nederland.471 De lezer zal graag van Laenen vernemen hoe deze opvallende uitspraak binnen Weinrebs godsdienstige geschriften beoordeeld moet worden. Helaas zwijgt hij over deze kwestie. Laenen heeft met zijn boek vooral willen aantonen dat Weinreb op het gebied van de Joodse mystiek geen oplichter is en dat het werk ook in wetenschappelijke zin aandacht verdient. Hij heeft nogal wat kritiek gekregen op zijn keuze voor Weinreb. Mensen die Weinrebs

464

Laenen, Frederik Weinreb en de Joodse mystiek, p. 2. Ibid., p. 3. 466 Ibid., p. xi. 467 Ibid., p. 184. 468 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 82-83. 469 Laenen, Frederik Weinreb en de Joodse mystiek, p. 6. 470 Ibid., p. 37. 471 Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 78-79. 465

86


werk niet gelezen hebben, maar het toch bedrog vinden omdat vrome geschriften niet te rijmen zijn met misdaden, noemt hij onwetenschappelijk.472 Hij heeft de moeite genomen om vier jaar lang te werken aan zijn studie. Naast bewondering heeft hij soms ook kritiek op Weinrebs werkwijze en standpunten, maar hij vraagt zich geen moment af wat de mystieke en morele uitspraken van Weinreb eigenlijk waard zijn wanneer die bezien worden in het licht van Weinrebs levenswandel. Het lijkt er dan ook op dat Laenen zo onder de indruk is van het belang van zijn studieonderwerp, dat hij de schaduwzijde ervan wil verhullen. Dat is bijzonder onwetenschappelijk.

Het Nederland van Aad Nuis In 2004 publiceert Aad Nuis zijn autobiografie Op zoek naar Nederland. Nuis beschrijft in dit boek zijn wording van gereformeerde knaap uit Sliedrecht tot staatssecretaris van Cultuur in Zoetermeer. Het is bewonderenswaardig dat Nuis zijn boek zelf schrijft: veel Nederlandse politici zijn immers zo welbespraakt dat zij bij het schrijven van hun memoires direct de hulp van een journalist inschakelen. Nuis heeft met zijn boek ook de ambitie om een portret te maken van de Nederlanders zoals die zich de laatste vijftig jaar hebben ontwikkeld. 473 Hij schuwt het diepzinnige niet: als een wijze grijsaard heeft hij zich op de kaft van zijn boek laten fotograferen en hij beweert oog te hebben voor de ‘gemene koraalriffen, vlak onder de oppervlakte van het voortkabbelende sociale verkeer’. Niettemin moet Nuis tegen het eind van zijn boek erkennen dat zijn schets van het Nederlandse volk vluchtig en intuïtief is.474 Zijn bespiegelingen zijn inderdaad niet veel diepzinniger dan het gebruikelijke gekeuvel van columnisten en andere krantenschrijvers. Wie Op zoek naar Nederland leest, zal moeten vaststellen dat Nuis zelden een oorspronkelijk denker is geweest. Zijn levensloop valt veelal samen met de dominante maatschappelijke ontwikkelingen. In de tijd dat veel Nederlanders nog kerkelijk zijn, gaat Nuis naar de kerk. Wanneer veel Nederlanders de kerk voorgoed verlaten, doet hij dat ook. In de 472

Trouw, 20-5-2003. Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 14. 474 Ibid., p. 220. 473

87


jaren zestig schrijft Nuis geestdriftig over Provo en is hij betrokken bij een nieuwe progressieve partij. Als de vooruitstrevende maatschappijvisie later wordt ingeruild voor een meer zakelijk wereldbeeld, stelt ook Nuis zijn mening bij. Volgens Aad Nuis omvat zijn gereformeerde erfenis meer dan een geloofsleer. 475 Het is een levenswijze die hij niet helemaal is kwijtraakt. Tot zijn verbazing vindt Nuis in zijn denken over politiek nog steeds sporen terug van de visie op staat en maatschappij zoals die op de gereformeerde jongelingsvereniging is onderwezen. Nuis hoeft hier niet verbaasd over te zijn. Willem Frederik Hermans heeft er in de jaren zeventig al op gewezen dat progressief links in het moderne Nederland precies dezelfde functie vervult als de orthodoxe protestanten in het puriteinse negentiende-eeuwse Nederland: ‘Dat zijn de fijnen, die zijn Nederlandser dan Nederlands. Al die kleine haat en nijd... o, verschrikkelijk.’476 Niet voor niets noemt Hermans de Weinreb-affaire een voorbeeld van dit verschijnsel. In zijn autobiografie besteedt Aad Nuis slechts enkele bladzijden aan Friedrich Weinreb. Al in de eerste alinea krijgt hij het voor elkaar om twee onwaarheden te verkondigen. Hij beweert dat de deelnemers aan de Von Schumann-lijst voorlopig van deportatie zijn vrijgesteld.477 Maar tijdelijke vrijstellingen hebben nooit bestaan: Joden zijn opgeroepen of vrijgesteld zonder termijn.478 Verder maakt Nuis niet duidelijk dat er twee lijsten hebben bestaan: de door Weinreb persoonlijk verzonnen Von Schumann-lijst en de door de Sicherheitsdienst in samenwerking met Weinreb opgestelde tweede lijst. Wat hij verder over Weinreb schrijft, is ook in strijd met de werkelijkheid. In navolging van René Marres beweert hij dat Weinrebs veroordeling voor het ongeoorloofd uitoefenen van de geneeskunde tegenwoordig niet meer strafbaar is.479 Hij verzwijgt dat Weinreb zich ook tijdens de bezetting voordoet als arts. Aad Nuis heeft altijd een onduidelijke mening gehad over de zedenaffaires rond Friedrich Weinreb. In de jaren dat het RIOD-onderzoek naar Weinreb loopt, wordt Nuis’ visie op de

475

Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 49-50. Janssen (red.), Scheppend nihilisme, p. 289-290. 477 Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 119. 478 Rapport, p. 31. 479 Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 122. 476

88


zedenzaken niet echt duidelijk.480 Na de publicatie van het Weinreb-rapport staat het voor Nuis vast dat Weinreb zich voor ‘medicijnheer heeft lopen uitgeven en dat hij daarbij toch ook iets raar-gluurderigs had.’481 Wanneer Nuis hier drie jaar later in zijn brochure Het monster in de huiskamer op terugkomt, zwakt hij de ernst van de beschuldigingen af.482 In Nuis’ autobiografie van vijfentwintig jaar later blijkt Weinreb niets strafbaars te hebben gedaan en worden de keuringen niet eens genoemd. Nuis beweert dat de journalist Louis Sinner van het Algemeen Dagblad de enige is geweest die kritisch over het Weinreb-rapport schrijft.483 Hij vermeldt niet dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw in de Aanvulling op hun rapport aantonen dat Sinners kritiek ongegrond is.484 Belangrijker is dat Sinner schrijft dat Collaboratie en verzet een smerig boek is waarin Weinreb volkomen onterecht de goede naam van tientallen mensen besmeurt. Nuis zegt er niets over. In zijn brochure uit 1979 geeft Aad Nuis toe dat Collaboratie en verzet niet voetstoots kan worden geloofd en dat Weinreb soms bijzonder bot is.485 Hier zegt hij in Op zoek naar Nederland echter niets meer over: de titel van Weinrebs memoires komt in het boek niet eens voor. Toch noemt Nuis de door Renate Rubinstein geredigeerde tekst een uniek boek in de Nederlandse literatuur.486 Hij beweert zelfs dat het boek heeft bijgedragen aan de moderne visie op de bezetting: voor een simpele tegenstelling tussen helden en schurken is mede dankzij Weinreb geen plaats meer.487 Aad Nuis, die in zijn politieke loopbaan lid is van het parlement, de senaat en het kabinet, moet er blijkbaar aan herinnerd worden dat er in de jaren 1947-1956 een parlementaire enquêtecommissie actief is die de Duitse bezetting onderzoekt. Uit de publicaties van deze commissie blijkt duidelijk dat Nederland zich tijdens de bezetting niet heldhaftig heeft gedragen. Ook als kenner van de moderne Nederlandse literatuur hoort Nuis

480

Grüter, Een fantast schrijft geschiedenis, p. 130. Haagse Post, 23-10-1976 482 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 69-71. 483 Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 123. 484 Aanvulling, p. 64-65. 485 Nuis, Het monster in de huiskamer, p. 78-79. 486 Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 124. 487 Ibid., p. 121. 481

89


dit te weten: W.F. Hermans is een verwoed lezer van de publicaties van de commissie en hij maakt er voor het schrijven van enkele werken gebruik van.488 Hoewel Aad Nuis wat betreft Weinreb bij zijn oude standpunten blijft, is zijn visie op de Duitse bezetting veranderd. Hij schrijft dat tijdens de onveilige bezettingsjaren veel mensen hun heil zoeken bij de eigen politieke of religieuze groep. Dat heeft volgens Nuis ook een schaduwkant: in een minder verdeeld Nederland ‘zou het percentage Joodse slachtoffers hier misschien niet zoveel hoger zijn geweest dan in andere bezette gebieden.’489 Blijkbaar krijgt Nuis in de loop der jaren meer begrip voor de niet-Joodse Nederlanders die zich niet actief tegen de Duitse bezetter verzetten. Volgens Nuis heeft geen enkele historische onderzoeker de moeite genomen om zijn brochure naast het Weinreb-rapport te leggen. Nu is het naast elkaar leggen van boeken een eenvoudig te voltrekken handeling, maar Nuis verzwijgt dat Giltay Veth en Van der Leeuw de stellingen van zijn brochure volledig hebben ontkracht. De historici die dit feit vermelden, worden door Nuis genegeerd. Het omvangrijke boek van Regina Grüter over Weinreb is volgens hem een ‘proefschrift uit de school van het RIOD’ waarin het Weinreb-rapport klakkeloos wordt nagepraat.490 Verontwaardigd merkt Nuis op dat Grüter niet ingaat op de argumentatie van zijn brochure. Alleen René Marres doet dat volgens hem: ‘En eindelijk kwam er iemand waarop ik zo lang had gewacht, iemand die mijn boekje grondig en kritisch vergeleek met het dikke rapport, en die in twee onweerlegbare publicaties mijn conclusies bevestigt en in sommige opzichten nog klemmender maakt.’ Nuis vindt Het monster in de huiskamer nog steeds een ‘helder en sluitend betoog’ en hij beweert dat het ‘in kleine kring’ ook als zodanig wordt gewaardeerd.491 Dat laatste is niet verrassend: het feit dat Friedrich Weinreb een oplichter is, wordt door de officiële geschiedschrijving al tientallen jaren erkend. Alle personen die tot nu toe hebben geprobeerd om het Weinreb-rapport onderuit te halen, hebben gebruik moeten maken van tekstvervalsing. Aad Nuis lijkt zich in deze kring van Weinreb-verdedigers uitstekend thuis te voelen. Dat hij door de jaren heen wel wat schade heeft opgelopen in het ‘papegaaiencircuit van de publiciteit’ 488

Havenaar, Muizenhol, p. 161. Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 34-35. 490 Ibid., p. 124. 491 Ibid., p. 123. 489

90


deert hem niet.492 Dat is begrijpelijk: ondanks het feit dat Nuis de misdaden van Weinreb niet erkent en geen verontschuldigingen aanbiedt voor het feit dat hij heeft meegewerkt aan de publicatie van een boek waarin onschuldige mensen met naam en toenaam worden belasterd, lijdt zijn loopbaan daar niet onder. Hij brengt het zelfs tot staatssecretaris. Zo gaat dat in het Nederland van Aad Nuis.

Bregstein en de hete brij De cineast en auteur Philo Bregstein publiceert in 2006 een boek over Jacques Presser. Het is een verzameling teksten die hij vanaf 1970 heeft geschreven. Het boek verschijnt bij Uitgeverij Aspekt. Bregstein publiceert wel vaker bij deze uitgeverij. Ook houdt hij een toespraak bij de presentatie van de door Aspekt verzorgde heruitgave van Ondergang in 2005.493 Bregstein koestert een grote bewondering voor Jacques Presser. Hij heeft Presser ook persoonlijk gekend en maakt in 1970 een film over hem. Bregstein noemt deze periode een breuk in zijn leven. 494 De zaak Weinreb lijkt Bregstein nogal hoog te zitten want in bijna alle artikelen die hij in zijn bundel opneemt komt de zaak voor. Ook in een artikel over Presser uit 2010 brengt Bregstein de zaak Weinreb weer ter sprake. 495 Bregstein stelt dat mede door de Weinreb-affaire Pressers reputatie als historicus grote schade heeft geleden.496 Hij maakt niet duidelijk waar hij deze uitspraak op baseert. Het lijkt er meer op dat Presser niet als historicus, maar als beoordelaar van Friedrich Weinreb schade heeft opgelopen. Zo wordt Ondergang ook na de ontmaskering van Weinreb nog verschillende keren herdrukt, zoals Bregstein zelf ook opmerkt.497 Daarnaast geeft Bregstein zelf voorbeelden van recente ontwikkelingen in de geschiedwetenschap die mede door Presser in gang zijn gezet. Bovendien is de Jodenvervolging niet het enige onderwerp waar Presser over heeft gepubliceerd. Het is tamelijk overdreven om Pressers reputatie voor een groot deel te laten afhangen van een enkele paragraaf over 492

Nuis, Op zoek naar Nederland, p. 125. Bregstein, Over Jacques Presser, p. 119. 494 Ibid., p. 35. 495 De Groene Amsterdammer, 8-4-2010. 496 Bregstein, Over Jacques Presser, p. 21. 497 Ibid., p. 53. 493

91


Weinreb. Ten aanzien van Weinreb neemt Bregstein overigens een onduidelijk standpunt in: hij is niet overtuigd van zijn volledige onschuld.498 Toch is hij onder de indruk van de twee boeken die René Marres over Weinreb heeft geschreven: hij noemt die serieus. Van iemand die publiceert bij Uitgeverij Aspekt kan zoiets verwacht worden. In navolging van Marres herhaalt hij het argument dat het Weinreb-rapport juridisch geen stand houdt: ‘Het Weinreb-rapport van het RIOD pretendeert de autoriteit van een gerechtelijk vonnis te hebben, wat het niet heeft.’499 Hij ziet over het hoofd dat D. Giltay Veth en A.J. van der Leeuw hun onderzoek niet een juridisch, maar een historisch rapport noemen.500 Net als Marres geeft Bregstein toe dat hij het Weinreb-rapport niet volledig heeft gelezen.501 Hoewel hij niet overtuigd is van Weinrebs volledige onschuld, meent hij toch dat Presser, Rubinstein en Nuis zwaar onrecht is aangedaan. Hij bekritiseert de rol van Willem Frederik Hermans in de polemiek, maar hij gaat niet in op Hermans’ belangrijkste argument: Presser, Rubinstein en Nuis hebben hun medewerking verleend aan een boek waarin onschuldige mensen beticht worden van tekortkomingen en misdaden. Ook hebben Rubinstein en Nuis na het verschijnen van het Weinreb-rapport nooit hun verontschuldigingen aangeboden aan de door Weinreb belasterde personen. Bregstein filosofeert liever over de vraag wat de waarde is van Weinrebs memoires als egodocument en bron van geschiedenis.502 Die vraag is door Regina Grüter in haar boek Een fantast schrijft geschiedenis afdoende beantwoord: Collaboratie en verzet is het werk van een kwaadwillend fantast die erin geslaagd is om een reeks als kritisch bekend staande auteurs te bedriegen. Weinrebs boek zegt dan ook veel over de periode waarin het is verschenen en weinig over de periode waar het beweert over te gaan. Bregstein wil maar niet inzien dat Collaboratie en verzet nooit heeft mogen verschijnen omdat in het boek onschuldige mensen worden belasterd. Hij gaat nergens in op het Weinreb-rapport of het boek van Grüter en haalt

498

Bregstein, Over Jacques Presser, p. 21. Ibid., p. 23. 500 Aanvulling, p. 45. 501 Bregstein, Over Jacques Presser, p. 48. 502 Ibid., p. 24. 499

92


slechts het Propria Cures-artikel van Joop Goudsblom aan als weerwoord.503 Diezelfde Goudblom wordt, evenals Aad Nuis, bedankt voor het feit dat hij kritisch commentaar op het artikel heeft gegeven.504 In navolging van zijn vriend Martin van Amerongen noemt Bregstein zich een leerling uit de school van Presser.505 Dat betekent volgens Bregstein onder andere dat hij zijn eigen oordeel voortdurend kritisch toetst. Hoe hij deze houding in verband kan brengen met Martin van Amerongen, die allesbehalve zelfkritisch is geweest, blijft onduidelijk. Iemand die zijn eigen oordeel kritisch toetst, baseert zich niet op loze beweringen van Aad Nuis, Joop Goudsblom of René Marres. Zo iemand doet geen uitspraken over boeken die hij niet of nauwelijks heeft gelezen. Bregstein weet al heel lang dat Weinreb een oplichter is. Hij heeft het zelfs over Weinrebs ‘pathologische zwendelaarschap’.506 Alle hoop is dus nog niet verloren voor Philo Bregstein. Zolang hij echter om de hete brij heen blijft draaien, valt er van hem geen evenwichtig oordeel in de zaak Weinreb te verwachten.

Dick Houwaart kijkt even om In 2012 publiceert Dick Houwaart zijn memoires onder de titel Even omkijken. Het boek telt meer dan tweehonderdvijftig pagina’s, maar Houwaart doet de zaak Weinreb slechts af in enkele pagina’s. Erg nauwkeurig gaat Houwaart daarbij niet te werk: zo geeft hij de titel van Weinrebs memoires verkeerd weer en hij beweert dat Weinrebs trilogie mede door Aad Nuis is geredigeerd, terwijl dat alleen door Renate Rubinstein is gedaan. De lezer die niet van de zaak Weinreb op de hoogte is, zal uit Even omkijken niet op kunnen maken dat Houwaart een groot verdediger van Friedrich Weinreb is geweest. ‘Ik begon Weinreb een beetje te geloven,’ is alles wat Houwaart over zijn toenmalige standpunt kwijt wil.507 Hij doet het voorkomen alsof zijn publicatie Weinreb. Een witboek uit 1975 een objectief boek over de affaire is, terwijl het geschreven is om Weinreb te verdedigen. Het is dan ook niet 503

Bregstein, Over Jacques Presser, p. 23-24. Ibid., p. 29. 505 Ibid., p. 36. 506 Ibid., p. 19. 507 Houwaart, Even omkijken, p. 114. 504

93


verbazend dat het destijds is verschenen bij Meulenhoff, de uitgeverij die ook de memoires van Weinreb heeft uitgegeven. Dick Houwaart is na meer dan dertig jaar nog steeds niet overtuigd door het Weinrebrapport. Net als andere verdedigers van Weinreb is hij van mening dat de daden die in het rapport aan Weinreb worden toegeschreven onmogelijk bewezen kunnen worden. 508 Houwaart beweert dat onderzoeker A.J. van der Leeuw wat vooringenomen is, maar hij maakt niet duidelijk waar dat uit blijkt. Kwalijk is het dat Houwaart een ander belangrijk aspect van de affaire helemaal niet noemt: Weinreb beticht in zijn memoires onschuldige mensen van allerlei misdaden. Dit is voor Houwaart nooit een reden geweest om Weinreb niet te verdedigen en blijkbaar heeft hij er in 2012 nog steeds geen behoefte aan om zich hiervoor te verontschuldigen. Wat Weinreb betreft kijkt Dick Houwaart in zijn memoires maar heel even om en ziet hij alleen wat hij wenst te zien.

Onvolledig en onwaarachtig In 2013 publiceert Maarten Asscher de bundel beschouwingen Appels en peren. Lof van de vergelijking. De naam Friedrich Weinreb komt in het boek niet voor. Toch zal de lezer die op de hoogte is van de zaak Weinreb het boek met belangstelling lezen. De bundel bevat namelijk een beschouwing over de beroemde Leidse hoogleraar Rudolph Pabus Cleveringa.509 Uiteraard staat Asscher stil bij de bekende protestrede van Cleveringa tegen het ontslag van Joodse hoogleraren in november 1940. Hij besteedt ook aandacht aan het naoorlogs protest van Cleveringa tegen de herbenoeming bij de Hoge Raad van een raadsheer die tijdens de bezetting is benoemd en met de bezetter heeft gecollaboreerd. In zijn beschouwing prijst Asscher Cleveringa’s scherpe oordeelsvermogen en zuivere rechtsgevoel.510 Wat Asscher in zijn beschouwing niet vermeldt, is dat Cleveringa na de bezetting nog eens in het openbaar heeft geprotesteerd. Wanneer Weinreb in 1969 Collaboratie en verzet publiceert, zijn er nogal wat personen 508

Houwaart, Even omkijken, p. 115. Asscher, Appels en peren, p. 33-45. 510 Ibid., p. 38. 509

94


die zich niet kunnen herkennen in de wijze waarop zij in het boek worden beschreven. Een van die personen is Jentinus ter Heide. Hij is tijdens de bezetting als bibliothecaris werkzaam in de Scheveningse gevangenis en ontdekt daar dat Weinreb voor de Sicherheitsdienst werkt.511 Hij legt hier na de bezetting een verklaring over af. In Collaboratie en verzet wordt Ter Heide door Weinreb afgeschilderd als een agressieve antisemiet die voor de Duitsers werkt.512 Dit wekt grote verontwaardiging bij veel verzetsmensen die tijdens de bezetting in Scheveningen gevangen hebben gezeten en veel aan Ter Heide te danken hebben. In persoonlijke brieven en ook in de pers protesteren zij tegen Weinrebs beweringen. Eén van hen is Ruldolph Pabus Cleveringa.513 Terecht concluderen de auteurs van het Weinreb-rapport dan ook dat de door Weinreb ten nadele van Ter Heide gedane kwalijke mededelingen lasterlijke verzinsels zijn. 514 In 1988, twaalf jaar na de publicatie van het rapport, publiceert Weinreb in Duitsland het boek Die Haft. Geburt in eine neue Welt. Erinnerungen 1945 bis 1948. Een jaar later verschijnt bij Weinrebs Nederlandse uitgever Meulenhoff een vertaling onder de titel De gevangenis. Herinneringen. 1945-1948. Het boek kan worden opgevat als het vervolg op Collaboratie en verzet. Weinreb beschrijft wat hem tijdens zijn naoorlogse detentie overkomt. Ook geeft hij zijn visie op het Weinreb-rapport, waarbij hij niet ingaat op de inhoud van het onderzoek, maar wel de auteurs ervan in een kwaad daglicht probeert te stellen.515 Ook herhaalt Weinreb verschillende beschuldigingen die hij eerder in Collaboratie en verzet heeft geuit. Jentinus ter Heide wordt bijvoorbeeld opnieuw afgeschilderd als een antisemitische meeloper van de Duitsers.516 Hoewel Cleveringa niet persoonlijk wordt genoemd, zal het duidelijk zijn dat hij door Weinreb tot de ‘bekende Nederlanders’ wordt gerekend die het voor Ter Heide hebben opgenomen. Op het omslag suggereert Weinrebs uitgever dat Weinreb het slachtoffer is geworden van een hetze. Die uitgever is niemand minder dan Maarten Asscher. De uitgave van De gevangenis wordt door Asscher verdedigd omdat hij Weinrebs boek een interessant geschrift vindt waarvan de publieke beschikbaarheid gerechtvaardigd of zelfs

511

Rapport, p. 916. Ibid., p. 917-919. 513 Rapport, p. 929. 514 Ibid., p. 936. 515 Weinreb, De gevangenis, p. 111-114. 516 Ibid., p. 62-64. 512

95


geboden is.517 Hij vindt het blijkbaar niet nodig om aan Weinrebs lasterlijke tekst een kritisch commentaar toe te voegen. Ook heeft hij er geen enkele moeite mee om dertien jaar na de publicatie van het Weinreb-rapport een boek uit te geven waarin dat rapport zonder behoorlijke argumentatie wordt aangevallen. Op het omslag van De gevangenis wordt Collaboratie en verzet bovendien een ‘uiterst beklemmend boek’ over de bezettingstijd genoemd. Het is uitgerekend dit leugenachtige geschrift waar Cleveringa zo tegen geprotesteerd heeft. Op de lezer die op de hoogte is van de feiten maakt Asschers latere beschouwing over Cleveringa dan ook een onvolledige en zelfs onwaarachtige indruk.

517

Haarlems Dagblad, 15-4-1989.

96


Bibliografie

Amerongen, M. van, Tien krullen op een kale kop, Baarn, 1975. Anbeek, T., Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen 1885 en 1985, Amsterdam, 1990. Anbeek, T. en Goedegebuure, J., Het literaire leven in de twintigste eeuw, Leiden, 1988. Asscher, M., Appels en peren. Lof van de vergelijking, Amsterdam, 2013. Bregstein, P., Over Jacques Presser, Soesterberg, 2006. Cornelissen, I., Raamgracht 4. Mooie jaren bij het weekblad, Amsterdam, 1998. Cornelissen, I., Van Zwolle tot Brest-Litowsk. Onstuimige herinneringen, Amsterdam, 1983. Damen, P., Renate Rubinstein, Amsterdam, 1993. Drion, H., Denken zonder diploma, Amsterdam, 1986. Dütting, H., Profiel Harry Mulisch. Een documentaire, Soesterberg, 2008. Giltay Veth, D. en Leeuw, A. J. van der, Rapport door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uitgebracht aan de minister van Justitie inzake de activiteiten van drs. F. Weinreb gedurende de jaren 1940-1945, in het licht van nadere gegevens bezien, 2 delen, Den Haag, 1976. Giltay Veth, D. en Leeuw, A. J. van der, “Onderzoek naar de activiteiten van de heer Weinreb in de Duitse bezettingstijd. Aanvulling op het Weinreb-rapport” in: Handelingen Tweede Kamer, 1980-1981, 12 355, nr. 4. Goudsblom, J. (red.), Renate. Herinneringen van vrienden, Amsterdam, 1992. Grüter, R., Een fantast schrijft geschiedenis. De affaires rond Friedrich Weinreb, Amsterdam, 1997. Havenaar, R., Muizenhol. Nederland volgens Willem Frederik Hermans, Amsterdam, 2003. Hermans, W. F., Door gevaarlijke gekken omringd, Amsterdam, 1988. Hermans, W. F., Houten leeuwen en leeuwen van goud, Amsterdam, 1979. Hermans, W. F., Ik draag geen helm met vederbos, Amsterdam, 1979. 97


Hermans, W. F., Mandarijnen op zwavelzuur. Supplement, Parijs, 1983. Hermans, W. F., Van Wittgenstein tot Weinreb. Het sadistische universum 2, Amsterdam, 1976. Houwaart, D., Even omkijken, Elburg, 2012. Houwaart, D., Weinreb. Een witboek, Amsterdam, 1975. Jansen van Galen, J., Het Ik-Tijdperk, Amsterdam, 1980. Janssen, F. A. (red.), Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans, Amsterdam, 1979. Koomen, M., Een man van letters. Over Vrij Nederland en andere kronieken, Baarn, 1999. Kuiper, A., Een wijze ging voorbij. Het leven van Abel J. Herzberg, Amsterdam, 1997. Laenen, J. H., Frederik Weinreb en de Joodse mystiek, Baarn, 2003. Lammers, H. en Berg, J. van den (red.), Wat denken wij eigenlijk wel?, Amsterdam, 1966. Marres, R., Frederik Weinreb, verzetsman en groot schrijver, Soesterberg, 2002, 2005. Marres, R., Kritische beschouwingen over Nederlandse literatuur en literatuurstudie, Leiden, 2004. Marres, R., Willem Frederik Hermans, de geschiedkunde en het fenomeen Friedrich Weinreb, Leiden, 1999. Mell, F. en Kaptein, A., Ze laten mensen in hun waarde. NCRV 75 jaar, Hilversum, 1999. MorriĂŤn, A., Ik heb nu weer de tijd, Amsterdam, 1996. Mulisch, H., Bericht aan de rattenkoning, Amsterdam, 1966. Nuis, A., Het monster in de huiskamer, Amsterdam, 1979. Nuis, A., Op zoek naar Nederland, Amsterdam, 2004. Nuis, A., Wat is er gebeurd in Amsterdam?, Amsterdam, 1966. Pierik, P. en Ros, M. (red.), Derde Bulletin van de Tweede Wereldoorlog, Soesterberg, 2001. Pierik, P. (red.), Martin Ros vijftig jaar op wacht, Soesterberg, 2009. Pierik, P. (red.), Verzet! Swastika onder vuur, Soesterberg, 2013. Presser, J., Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, 2 delen, Den Haag, 1965, 1985, Soesterberg, 2005. Roegholt, R., De stad is een gesprek. Terugblik op mijn leven, Amsterdam, 2003. 98


Rubinstein, R., Mijn beter ik, Verspreide stukken 1952-1990, Amsterdam, 1995. Rubinstein, R., Overgangscursus, Amsterdam, 1990. Schenkeveld-Van der Dussen, M. A., Anbeek, T., e.a. (red.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, Groningen, 1993. Schoots, H., Van Amerongen, letterknecht, Amsterdam, 1997. Straten, H. van, Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven, Soesterberg, 1999. Turksma, B., Vraag me niet waarom‌, Baarn, 1971. Venema, A., De databank, Amsterdam/Brussel, 1972. Verkijk, D., Harry Mulisch. Fel anti-nazi. Vanaf wanneer?, Soesterberg, 2006. Weinreb, F., Collaboratie en verzet 1940-1945. Een poging tot ontmythologisering, 3 delen, Amsterdam, 1969. Weinreb, F., De gevangenis. Herinneringen. 1945-1948, Amsterdam, 1989.

99

Onder een massa schijn bedolven  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you