't Polleken van september 2021

Page 1

Ledenblad van

België – Belgique

KONINKLIJKE

P.B. – B.P.

IMKERSGILDE

1840 Londerzeel

NEERBRABANT

BC25171

Verschijnt 5x per jaar: jan/feb. – mrt/april – mei/juni – sept/oct – nov/dec. Afgiftekantoor 1840 Londerzeel Erkenningsnr. P509236 Afzender: Jef Beuckelaers, Sneppelaar 4, 1840 Londerzeel Tel: 0479/51 46 04 e-mail: info@imkersgildeneerbrabant.be 21ste jaargang, nummer 4, sept – okt 2021

Basiscursus Imker

KONINKLIJKE IMKERSGILDE NEERBRABANT


Secretariaat:

Imkersgilde Neerbrabant, Eeckhout 39, 1840 Londerzeel Tel: 0479/51 46 04 E-mail: secretariaat@imkersgildeneerbrabant.be Rekeningnummer: BE55 9731 4593 7544

Bestuur: Voorzitter:

Jef Beuckelaers, Sneppelaar 4, 1840 Londerzeel Tel: 0479/51 46 04 E-mail: mex.b.j.snep@gmail.com

Secretaris, penningmeester:

Ria De Donder, Eeckhout 39, 1840 Londerzeel

Ledenadministratie:

Tel: 0473/48 26 13 E-mail: ria.dedonder@telenet.be

Bestuursleden:

Marc De Bont Tom De Pauw

Redactie:

Jef Beuckelaers

Lay-out:

Rudi Moeyersons

Opleidingsteam:

Jef Beuckelaers, Marc De Bont,

Bijenweide:

Marc De Bont

Webbeheer:

Marnik De Bont

Onze website:

www.imkersgildeneerbrabant.be

Tel: 0477/23 33 02 Tel: 0479/60 79 53

In de kijker Basiscursus imker Zie pagina 108 82


Woordje van de voorzitter, In ons maandblad van de Vlaamse Imkersbond maakt de hoofdredacteur in zijn bedenkingen over bedrijfsbegeleiding, de suggestie dat de dierenartsen een opleiding moeten volgen over de bijenteelt. Wij hebben sinds lange tijd als Imkersgilde Neerbrabant een goede naam in het opleiden van imkers, en in het educatief informeren van de gewone man en vrouw, over de bijen! Zo hadden we ook in 2018 een opleiding sessie voor dierenartsen, die goed onthaald en gevolgd werd en waar ook herhaling en voortzetting van de opleiding levendig is. Toch is het zo, en de hoofdredacteur vermeldt het ook, dat een ervaren imker die jaren geleden opgeleid en bijgeschoold werd terwijl hij ervaring opdoet met de bijen meer afweet van de bijen dan de hooggeschoolden. Ook speelt de portemonee een rol in de verhouding imker en dierenarts om samen aan de bijen wat te doen! In 2019 was er sprake om in onze regio een opleiding voor beginnende imkers op te zetten, de oprukkende Coronaplaag heeft er evenals in 2020 en 2021 een stokje voor gestoken. In 2020 moesten we stilzitten met een mondkapje op. Vandaag, iets voorbij half zomer, wordt er samen met de bond van Grimbergen een opleiding voor beginnende imkers voorbereid. Wanneer alles meezit zal je verder in ’t Polleken het programma en de inschrijf mogelijkheden terug vinden om mee te volgen. De eerste les zal op 31 october 2021 in de Charleroy hoeve te Grimbergen doorgaan. ’t Is al kort dag!!! Veel dingen rondom ons kunnen we op een eenvoudige manier uitleggen en begrijpen, maar wanneer we echt het fijne er van willen te weten komen is dikwijls 83


het gepaste inschattingsvermogen te kort, zoals we meerdere keren rondom ons in het milieu versteld zijn van wat er veranderd is. De laatste jaren merken we meer en meer dat het veranderd maar we weten niet waar naartoe we zijn er iets te klein voor. Zo zijn er de planten die eertijds voor de bijen nectar aanboden en dat nu in mindere mate doen. Wetenschappers zeggen ons dat het eiwitgehalte in het stuifmeel daalt. Het ziet er voor onze bijen en de andere insecten niet goed uit met de klimaatverschuiving. Zal het in de zoogdieren wereld en bij de mens ook zichtbaar worden? De Corona besmettingen dalen wel en de veiligheidsmaatregelen versoepelen maar voorzichtigheid is toch geboden. Zo is de jaarlijkse imkersreis in de Kempen, waar leden van onze gilde jaren mee reisden niet doorgegaan, hopelijk in 2022 wel, want het is een lust om er bij te zijn! Voor meerdere van onze imkers zit het bijenseizoen er op omdat de omgeving uitgebloemd is. Na de laatste slingerbeurt kan er een behandeling tegen de varroa uitgevoerd worden, die door heel wat van onze imkers met natuurlijke middelen gebeurd en ze gebruiken mierenzuur op een doek, bovenop de raten. Er zijn ook apparaatjes om het zuur in het volk te laten verdampen. Wie naar de overlarf dag geweest is en een goede kweek van koninginnen bekomen heeft kan nu oude koninginnen vervangen door een jonge, leggende koningin. Het maken van een kunstzwerm of een aflegger met een jonge koningin behoord nog tot de mogelijkheden om een nieuw volk op te starten. Mocht het weer nog een beetje mee zitten en er is voldoende zonneschijn dan kunnen oude raten nog gesmolten worden, om de was volgend jaar opnieuw te wafelen. Van een beginnende imker kreeg ik de prangende vraag “ Wat voor een kast moet ik mij aanschaffen?” 84


Dikwijls antwoord ik dan, Tot pakweg 100 jaar terug leefden onze bijen in de bossen in holle bomen, waar er meestal geen grote ruimten beschikbaar waren want kapotte bomen werden gekapt voor het brandhout. Wanneer we enkel dit facet beschouwen zou ik zeggen dat de bijen geen grote kast nodig hebben om in te leven en in te overwinteren. In de periode van de gevlochten strokorf – wie wil er nog leren om een korf te vlechten? Laat het weten – waren er veel uitvoeringen maar wat er duidelijk opviel was het verschil in inhoud. In een kleinere korf hield men bijen op het erf en met een grote korf ging men op reis naar rijke drachtvelden , zoals de heide, het fruit of het koolzaad. Vandaag hebben we bijenkasten in meerdere afmetingen en we kijken in welk drachtgebied we onze bijen zullen huisveten. Op de plaatsen met een groot nectar aanbod worden de grotere kasten ingezet en in kleinere bloemenweiden is een kast met gemiddelde afmetingen beter gepast. Kasten met gelijke raamafmetingen kunnen op mekaar geplaatst worden wanneer er een grotere ruimte vereist is, hierdoor wordt een kleine kast een grote kast. Het voordeel van gelijke ramen is dat ze kunnen uitgewisseld worden van boven naar onder en omgekeerd, ook in verschillende kasten, en tussen collega imkers! Nu we stilaan de herfst inschuiven komt het jaareinde dichterbij en moeten er enkele aandachtspunten in het oog gehouden worden : de winterbehandeling die we traditioneel tussen kerst en nieuwjaar uitvoeren, de hele gilde samen! Een administratieve handeling is het overschrijven van het lidgeld voor 2022! Voorzichtig hopen we er op dat we de nieuwjaars bijeenkomst met alle leden en hun partner mogen meemaken en de herwonnen vrijheid kunnen vieren! De voorzitter. 85


Leven, en leven doorgeven Jef Beuckelaers Leven en leven doorgeven is een proces dat rondom ons en in de natuur voortdurend bezig is. Elk levend wezen – waarbij ook de planten horen, is er op gericht om zichzelf in leven te houden en om voor nakomelingen met eigen eigenschappen te zorgen. In iets meer vaktaal betekend dit “genen doorgeven” wat wil zeggen, het eeuwige leven betrachten. In de drang om te blijven leven spelen heel wat factoren mee die zowel de levensdrang helpen verwezenlijken maar evenzeer om deze drang af te remmen of in een andere richting af te buigen. We beschrijven hier niet de microsystemen of de biofenomenen om de diversiteit in ons milieu, want daar gaat het over, te belichten. We zullen het hebben over de continue bewegingen en rituelen van meerdere leefwijzen die we rondom ons vaststellen, maar ze dikwijls, ja meestal niet zien of opmerken. We kijken er naar maar zien niet wat er gaande is of hoe een proces verloopt. Een bioloog legt haar of zijn object onder een microscoop en stelt vast wat er bezig is! Met onze ogen zien we de grove dingen. In een natuurfilm over vissen in de zee kunnen we zien dat vrouwtjesvissen voor hun voortplanting een massa eieren over de bodem uitspreiden, de massa moet een waarborg zijn om de genen in stand te houden. Direct komen er mannetjesvissen die een nog grotere massa spermacellen over het eierbed uitstrooien, met de intentie om de eigen genen op zoveel mogelijk eitjes te laten terecht komen. Het is een nog vrij primitieve manier om voor de eigen genen te zorgen. Kijken we naar het voortplantingsgedrag van 86


de Wantsen in de tuin, dan stellen we vast dat bij een copulatie het mannetje tot 7 dagen op het vrouwtje blijft en regelmatig, maar dat merken we niet, een zaadlozing uitvoert. We kunnen ook zeggen dat het vrouwtje gedurende 7 dagen het mannetje op haar rug wil hebben. Dit samenspel is er op gericht om een rijpe geslachtsopening te bedekken zodat geen andere man er zijn zaadcellen kan inbrengen. Voor we het over de bijen hebben, nog over een andere vergelijkbare genen stroom in het kippenhok. Vandaag minder, maar destijds waren er overal boerderijtjes waar een toom van 5 á 6 hennen met een haan rond scharrelden. Je kon de boer horen verkondigen wat voor een viriele en slimme haan hij op het erf wel had. Die haan trapt iedere hen meerdere malen per dag, hij slaat er geen enkele over. De boer gaat er van uit dat de haan onthoud wie hij al bezocht heeft. Wat er juist gebeurd is wel anders. Een kip die in haar eierstokken eieren aan de groei heeft zal de klim van de haan op haar rug nodig hebben om bevruchte eieren te kunnen leggen waarmee ze haar genen kan doorgeven. De pikorde tussen de hennen speelt hier zeker een belangrijke rol mee. Iedere morgen zal de hen die het hoogst in de pikorde staat zich als eerste aanbieden naast de haan en door haar lichaamstaal – een beetje door de poten zakken – en een 87


feromonenovervloed de haan uitnodigen voor het bevruchten van haar groeiende eieren. De haan zal de hen bestijgen, haar in de kop pikken en met trappende bewegingen sperma afzetten op het verenkleed van de hen – er is geen intiem contact - . De zaadcellen zullen migreren naar en binnen treden in de cloaca. Zo komen alle hennen van de toom gedurende de volgende uren naast hun haan die de van hem verwachte taak uitvoert. Wanneer de dagen op hun langst zijn zal het ritueel meerdere malen per dag uitgevoerd worden. We zien dat het niet de haan is die bepaald of zijn genen zullen doorgaan maar het zijn de hennen die hun genen vooruit schuiven. Bij onze bijen vliegen er vanaf de zwermperiode , dagelijks, darren uit en keren meestal terug naar hun volk al zijn er die op een ander adres durven binnen gaan. In geïsoleerde gebieden zoals in valleien met hoge bergen omzoomd gebeurd het dat op sommige plaatsen, meestal zonnig en warm, een flink aantal darren vertoeven zonder enige samenhang, tijdens hun dagelijkse uitvlucht. Men spreekt dan van een darrenverzamelplaats zonder dat er enig paringsgedrag aanwezig is . Mocht er geen beperking door de bergen zijn zouden ze niet samen vliegen maar wel verder de natuur in. Een jonge koningin zal vanaf haar 5de levensdag uitvliegen zonder dat ze zal paren, ze is er niet rijp voor! Wanneer enkele dagen later die jonge koningin bronstig wordt zal ze bij het uitvliegen – en alleen dan – seks feromonen uitstrooien in de lucht. Deze feromonen zullen darren prikkelen en aanzetten om naar de koningin te vliegen. Een geslachtsrijpe dar – en alleen hij – zal de koningin bestijgen en haar vastklemmen met zijn poten. Hierdoor ontstaat de drang om te paren en zal het hele bevruchtingsapparaat uit zijn lichaam springen. Door paarbewegingen van zowel de dar als 88


van de koningin met geopende vagina komt de penis tegen de vagina. Er is geen of bijna geen intiem contact, wel tegen elkaar drukken. Vervolgens loost de dar een hoeveelheid sperma dat er een tijdje zal over doen om naar de spermateek te zwemmen, samen met sperma dat al aanwezig was of dat nadien nog ingebracht wordt. Meegebracht vocht zal de zaadcellen omgeven om de genen te bewaren. Een dar die zijn sperma geloosd heeft zal de koningin loslaten en de bestijging beëindigen. Door het grote volume van het geslachtsorgaan dat de dar niet meer in zijn lichaam kan opbergen is hij uit evenwicht en kan niet meer vliegen maar valt naar beneden op de grond waar hij als voedsel van mieren, pissebedden en andere opruimers als voedsel dient. Dit abrupte einde voor de dar is ingebouwd om te vermijden dat een dar met meerdere koninginnen zou paren. Zodra de dar van de koningin is en ze laat het toe dwz. ze strooit nog seks feromonen rond ,zal een volgende dar haar bestijgen. Ook hier is het dat het vrouwelijk wezen bepaald wanneer er gepaard wordt om de eitjes een kans op bevruchting te geven waardoor de genen kunnen verder gezet worden. Zo zien we dat wat we zien niet altijd is wat we menen te zien en dat er verschillende manieren bestaan om genen door te geven afhankelijk hoe de evolutie het uitgewerkt heeft.

Over een zwerm in april , vervolg Jef Beuckelaers We hadden dus drie 5 raams kastjes met een ingebrachte dop en een grote kast, ook met een dop die ik nadien nog ophaalde. Boven 89


de 4 doppen werd een schaaltje deeg gezet dat na 4 dagen leeg was en gewisseld werd met een vol schaaltje, behalve in de grote kast waar het maar half leeg was en de bijen weg waren. Na 10 dagen werden de kastjes nagezien en de doppen waren uitgelopen, een nieuw schaaltje werd er op geplaatst. Weer 10 dagen later, een nazicht: 1 kastje, leeg 1 kastje, broed aanwezig – koningin gemerkt – wit 41 1 kastje, koningin aanwezig – niet aan de leg Weer 10 dagen later Bij wit 41 is 3,5 raam belegd – deeg is op - kastje met niet leggende koningin – deeg is op Ik merk in de bijenhal dat er onder een lege kast gevlogen wordt, maar schenk er geen verdere aandacht aan. Een poos later: de ramen met wit 41 overgeplaatst in een grote kast In de hal vliegen de bijen nog steeds onder de lege kast en ik besluit om het na te kijken. Ik neem de 2 lege rompen van de bodem en doorheen het bodemrooster zie ik was bouw en bijen. Ik draai de bodem om en stel vast dat een mooie ratenbouw van acht raten aanwezig is, wel van beperkte hoogte vanwege het gebrek aan plaats (zie foto) Ik maak het rooster een beetje los en schuif er een plankje tussen zodat de bijen er door kunnen. Vervolgens zet 90


ik een romp met uitgebouwde raten op de plaats van de bodem en zet de bodem er boven op, waarna ik er nog een romp op zet. Ik plaats dus de bodem tussen twee uitgebouwde rompen om bijen en de koningin de gelegenheid tot kiezen te geven welke richting ze uit willen. Ik plaats een schaaltje deeg bovenop en sluit af met folie en deksel. Twee weken later kijk ik na en wat ik stilletjes gehoopt en verwacht had was juist. De koningin zat in de bovenste romp en er waren twee ramen met broed. Na een poos heb ik de bodem met onderbouw vervangen door een proper exemplaar. In de raten van de onderbouw was het broed uitgelopen en hadden de bijen al het eten mee naar boven genomen. Nu de vraag: Waarom was er in april een grote zwerm? Er is één verklaring: Een volle kast bijen, en plaats gebrek voor een actieve leggende koningin! Van waar kwamen de bijen onderaan de lege kast? Waarschijnlijk , maar niet zeker, van de eerste 5 ramer toen de koningin haar eerste uitvlucht maakte zijn de bijen haar gevolgd, en zijn ze niet terug gekeerd naar de 5 ramer maar hebben ze – was er een regenbui – ruimte gevonden onder de bodem van een lege kast in de bijenhal. En waarom bleef in de 3de 5 ramer een niet leggende koningin? Mogelijk eenniet gepaard geraakte koningin of een onvruchtbare. Zo zie je maar dat er over de bijen wel een en ander kan verteld en geschreven worden! 91


Zomerplaag in 2021 Jef Beuckelaers In de tuin vraten de vieze bruine monsters onze sla, de kolen, andijvie en zelfs de rabarber op! Op de bevruchtingstand staan 5 schuthuisjes met ieder 2 eenraamskastjes, voor 10 koninginnen, en die hebben ze ook gevonden

Maar dat ze het op de inhoud van eitjes, larven en pollen gemunt hebben, is wel uitzonderlijk.

De jonge eierleggende koningin, met gesloten broed, verlaat met haar kroost het nest! En zeggen dat bijen het broed niet achterlaten. In 2021 bij een dergelijk bezoek dat het broed en de raat op eet, zijn ze weg! 92


Ik stel vast dat er in een eenraamskastje dat verlaten was, er terug bijen inzitten met twee koninginnen, met een geknipte linkervleugel. Ze hebben dus lopend de afstand naar een veilige woonst afgelegd

Deze 2 koninginnen zullen, in een koninginnenkooitje, in een 5 raams aflegger geplaatst worden.

Vermeerdering van drachtplanten (deel 5)Knolgewassen Zowel bol- als knolgewassen zullen van nature zorgen voor overleving door het aanmaken van nieuwe bolletjes en knolletjes. Voor sommige ijverige tuiniers gaat dat proces echter te traag en te ongecontroleerd. Soms wil hij van één plantje op korte tijd vele identieke nakomelingen. Daarom heeft men technieken ontwikkeld om deze Dahlia-tekening door Pierrenadelen weg te werken. Willen we met succes Joseph Redouté, Belgisch schilder en botanicus (1759knolgewassen vegetatief vermenigvuldigen, dan 1840) 93


moeten we eerst de bouw van de knol bestuderen. We maken een onderscheid tussen wortelknollen en stengelknollen. Onthoud steeds dat je een stukje stengel nodig hebt om een plant vegetatief te vermenigvuldigen, althans op de klassieke manier. Wortelknollen, zoals de term laat vermoeden, zullen dus enkel uitgroeien tot een nieuwe plant als er aan de wortelknol een stukje gelede stengel vast zit. De term “geleed” wijst erop dat aan de stengel minstens één knop (oogje) aanwezig is. Je zal misschien al gemerkt hebben dat als je één enkel knolletje van een dahlia in de grond poot er zich geen plantje ontwikkelt. Het heeft dus zeker geen zin om een dahliaknol in stukjes te snijden en deze stukjes proberen op te kweken. De dahlia krijgt weinig aandacht als bijenplant. Toch trekken de enkelbloemige dahlia’s (Dahlia mignon species) vlinders, hommels en bijen aan. Deze soorten zijn het meest verwant met de wilde dahlia. De bloem heeft maar één krans bloembladen en vele kransen meeldraden rijkelijk bezet met stuifmeel. Interessante variëteiten zijn Edge Of Joy, Fancy Pants, Happy Single Kiss, Kelsey Annie Joy, Kelsey Sunshine, Verrone’s Obsidian, Wishes N Dreams en Yellow Bird. De naam dahlia zou afgeleid zijn van Andreas Dahl, een Zweeds botanicus en leerling van de bekende Carl Linneaus. In die periode ontstonden door kruising de eerste cultuurvormen. De veredelaars zagen dat sommige bloemen meer bloembladen en minder meeldraden hadden. Deze bloemen waren onmiddellijk een rage en zo ontstonden dubbelbloemige hybride-cultivars, zoals we die nu kennen. Deze ontwikkeling is jammer voor de insecten maar een streling voor het oog. In de handel vindt men tegenwoordig zelfs 94


dubbelbloemig zaaidahlia’s. Dubbelbloemigheid vinden we bij vele sierplanten, denk maar aan rozen en pioenen. Met stengelknollen kunnen we met meer succes experimenteren. Een gelede knol gebruikt tijdens het groeiseizoen al het opgeslagen reservevoedsel om te overleven en om één of meerdere nieuwe knollen te vormen (krokus, gladiool, aardappel,…).De eenjarige knol sterft af na het groeiseizoen. Gelede knollen kunnen naakt of bedekt zijn. Een naakte gelede stengelknol, zoals de aardappel, is niet omgeven door vliezige rokken. Deze knol kunnen we in stukjes snijden. Als ieder stukje op zijn minst één knopje heeft en als we de snijvlakken goed laten indrogen, is er een grote kans dat ieder stukje uitgroeit tot een nieuwe plant. Voorbeelden van bedekte gelede stengelknollen zijn krokussen en gladiolen. Ook deze kunnen in stukken gesneden worden, maar omdat ze omgeven zijn door vliezige rokken is het iets moeilijker omdat we niet precies zien waar de ogen zitten. Gelukkig worden er in de oksels van de rokken in de zone tussen de oude en de nieuwe knol, kleine knolletjes, ook kralen genoemd, gevormd Vorming van kralen (zie figuur). Door de knol te verwonden of Bron: Planten voortkweken, groenboekerij door hem door te snijden kunnen we dit proces stimuleren. De verwonde knollen worden in een bloempot of in volle grond geplant. Zorg weer dat de wonden goed ingedroogd zijn voor het planten. Men heeft gemerkt dat hoe dieper de oude knol geplant wordt, hoe meer kralen er gevormd worden. Voor de 95


winter moeten de kralen verzameld en bewaard worden op een droge plek bij 3 à 4 °C (frigotemperatuur). Plant de kralen in het eerste voorjaar uit dicht bij mekaar. Hou er wel rekening mee dat de plantjes het eerste jaar niet zullen bloeien. Voor de winter worden de éénjarige knollen gerooid en na de winter terug geplant op de definitieve plaats.

Een ongelede stengelknol is een verdikte hypocotyle stengel met enkel één of meerdere eindknoppen. Met hypocotyl bedoelt een botanicus het gedeelte van de stengel dat zich onder de zaadlobben bevindt. Een ongelede stengelknol bewaard ook voldoende reservevoedsel om de rustperiode te overleven. Snijden we de knol in stukken dan moeten we per stuk zeker één eindknop behouden. Voorbeelden zijn cyclamen en knolbegonia.. Voor imkers zijn krokussen interessante plantjes omdat vele soorten zeer vroeg in het voorjaar reeds stuifmeel (4*) en nectar (2*) verschaffen aan onze bijen. Het geslacht Crocus behoort tot de familie van de irisachtigen (IRIDACEAE). Andere irisachtigen zijn de geslachten Acidanthera, Allium, Crocosmia, Gladiolus, Iris, Ixia en Sparaxis. Naast de voorjaarsbloeiers (Crocus chrysanthus, Crocus flavus en de Vernus groep) kennen we ook herfstbloeiende krokussen (Crocus speciosus en Crocus sativus). De Crocus sativus is bij keukenpieten bekend als de safraankrokus. Volgende keer komen afleggers aan de beurt. Geniet nog van de nazomer en bereid je tuin voor op het volgend bloemenjaar. 96


* Deze scores komen uit Das Trachtpflanzenbuch van Anna Maurizio en Ina Grafl. 4 is in deze bron de hoogst mogelijke score, zowel voor stuifmeel als voor nectar. Freddy Franck

MELIPONA, the Stingless bee. Melipona beechei, heet ze, de Mexicaanse bij. Drieduizend jaar geleden werd de honing van de Melipona bij reeds gebruikt door de Maya cultuur in Yucatan, nog tot op heden bij de afstammelingen van de Maya’s. Honingproductie is niet het monopolie van de de bijen uit het geslacht Apis. Men vindt het geslacht Melipona in tropische en subtropische gebieden van alle continenten, behalve, spijtig genoeg in Europa. En spijtig genoeg, omdat deze bijensoort van de Schepper geen angel gekregen heeft ! geen kapruin, geen rookgenerator, handschoenen nodig. Daarenboven heeft ze blauwe ogen ! pogingen tot acclimatatie van dit juweeltje in gematigd klimaat zijn tot op heden mislukt. Meliponicultuur, zo noemt men de imkerij met deze bij, is tot op heden gevrijwaard gebleven. Maar de bijen worden schaars, omdat overgeschakeld wordt naar Apis mellifera die productiever is. De productie is inderdaad bescheiden, maar de honing, door zijn kwaliteit, en vooral geneeskrachtige kenmerken, is ook duur en zeldzaam. Ah Muzen Cab is de god van de bijen in de Maya cultuur. Bij de Maya’s wordt de honing, tweemaal per jaar, geoogst tijdens een 97


religieuse ceremonie. Het nest is verschillend opgebouwd dan bij de Apis Mellifera. De bouw is pyramidaal, en de cellen zijn niet zeshoekig. Honing en pollen wordt opgeslaan rond de cellen in een soort vaten. Zoals bij Apis wordt, in het wild, het nest gebouwd in holtes van bomen. De ingang wordt permanent bewaakt door een « portier ». Er is een enkele leggende, bevruchte koningin, maar onbevruchte koninginnen lopen vrij rond (soms tot 25% van de totale populatie). Alle werksters, daarenboven, kunnen eieren leggen : dit maakt deel uit van een merkwaardig ritueel : de koningin communiceert haar intentie om eieren te leggen, hierdoor gaan de werksters cellen opbouwen, voedsel in de cel opslaan, en, joep, in de gauwte, een eitje leggen. Dat eitje wordt dan door de koningin opgegeten, die nadien haar eigen eitje legt. De cel wordt dan afgesloten. Er bestaat dus geen open broed. De ontwikkeling tot volwassen bij duurt 50-55 dagen. De honing is zeer vloeibaar, en heeft weinig neiging tot cristallisatie. Honing kan geoogst worden met behulp van een injectiespuit doorheen de vaten, die zodoende niet beschadigd geraken ! In Cuba krijgt de Meliponicultuur meer en meer aandacht. Hierdoor bestaat de kans dat melipona honing aan belang kan winnen. Zoals hoger vermeld bezitten de bijen geen angel. Ze zijn ook zeer zachtaardig, ook wanneer de honing geoogst wordt. Er ontstaat hierdoor ook vaak een hechte, sentimentele, band van de Melipona houder voor zijn bijtjes. Honing wordt ook eerder aanzien als geneeskracht dan als voedsel, wat de dankbaarheid voor de bijtjes in de hand werkt. Deze bijen kunnen zelfs beschouwd worden als gezelschapsdier ; het is daarom ook dat de Melipona imkers weinig 98


geneigd zijn om van de honing een commerciele activiteit te maken. De honing is ook moeilijk te vinden. Henri Van Lierde

File:Stingless bee 3, f, side, peru 2014-07-30-13.17.15 ZS PMax (15839098322).jpg - Wikimedia Commons

melipona beecheii creative commons – Recherche Google Weaver, EC Weaver : « Beekeeping with the Stingless Bee Meupona Beecheii, by the Yucatecan Maya » - Bee World, 1981 - Taylor & Francis. https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/0005772X.1981.11097806?journalCode=tbee20 L'élevage des abeilles mélipones sur l'île de Cuba: une enquête ethnozoologique réalisée dans la plaine du río Mayabeque. SPL Rouzic, WL Peña, JD Lorenzo - Études caribéennes, 2014 journals.openedition.org

99


Uit een oud bijenboek deel 2 samengesteld door jef Beuckelaers Op het einde van de 16de eeuw geraakte de bijenteelt sterk in verval. Verschillende oorzaken droegen hiertoe bij, zoals de binnenlandse onlusten en oorlogen onder het Spaans beheer, doch vooral de ontdekking van Amerika door Christoffel Columbus. Naast rietsuiker, een nieuwe zoetigheid, zou Amerika ook honing naar onze gewesten brengen waardoor ons binnenlands product gedeeltelijk van de markt verdrongen werd. Er werden ook vervangingsproducten voor was in de handel gebracht. Ging de bijenteelt als zodanig achteruit, de kennis over het bijenleven nam toe, dank zij priesters en onderwijzers, die het wondere leven van de bijen gingen bestuderen. Zo was er Jan Zwammerdam die op 12 februari 1637 geboren werd te Amsterdam en dokter in de medicijnen werd Hij onderzocht het leven van de insecten en kwam na zorgvuldige waarneming in 1673 tot de ontdekking dat de Koning van de bijen eieren legt, het is dus een moederbij die vrouwelijk is. Alhoewel Swammerdam ontdekte de ware samenstelling van een bijenvolk ontdekte, meent hij dat de werkbijen mannetjes zijn. Hoe deze mannelijke bijen hun geslachtelijke rol vervullen, of welke de taken van de werkbijen zijn, vindt hij niet. Pastoor Schirach kwam in 1772 tot de ontdekking dat de bijen uit een gewone larve een koningin kunnen kweken, door vergroting van de cel. De werkster bijen moeten dus vrouwelijk zijn! De blinde natuurvorser Frans Huber, geboren te Prigny bij Genève in 1750 en overleden in 1830, ontsluiert met de medewerking van zijn knecht Frans Burnens, het 100


geheim van de bevruchting van de moederbij en vindt de oorsprong van de wasvorming. Dr. Dzierzon op 16 januari 1811 te Lowkowitz, in Opper-Silezië geboren, was gedurende 54 jaren pastoor te Karlsmarkt, waar hij honderden kasvolken bestuurde. Hij stamde uit een eenvoudige landbouwersfamilie en ontving van zijn vader enige magazijns kasten waarin hij zeven raamlatjes hing voorzien van een stukje wasraat. Daaraan konden de bijen voortbouwen. Door deze werkwijze ontdekte hij de losse bouw en droeg hij bij tot de verspreiding er van. Geleid door zijn schrandere geest en zijn scherpe opmerkingsgave, ontdekte Dzierzon ook, dat, een onbevruchte koningin ook eieren legt, maar dat er enkel darren uit ontwikkelen, zo ook uit de eieren die werksters soms leggen. Hieruit ontstond de leer, Parthenogenesis, of de leer van de maagdelijke voortplanting, die veel verwondering verwekte. Als algemene regel gold toen dat ieder nieuw wezen voortkomt uit een bevrucht ei. Thans weten wij dat maagdelijke voortteling niet zo zeldzaam is en zich voor doet bij tal van andere insecten als mieren, vlooien, wespen, enz … De juistheid van deze leer werd later dan ook wetenschappelijk vastgelegd door Professor Nachtsheim. Dickel, onderwijzer te Darmstadt, was een verwoed bekamper van de leer van de maagdelijke teling Hij beweerde dat een bevruchte koningin enkel bevruchte eieren kan leggen en het de werksters zijn die de macht hebben om de eieren om te zetten in werksterbijen of darren te vervormen. Volgens Dickel zouden de werksters beschikken over twee paar klieren. Eén paar zou het nodige vocht afscheiden tot vorming van de mannen en de andere zou uit de tweeslachtige eieren, werksters maken. Nooit leerde Dickel waar deze klieren zich bevinden en hij beweerde dat uit onbevruchte eieren enkel 101


misvormde darren geboren worden, die de geslachtsdelen missen en dus voor de voortplanting ongeschikt zijn. Tegen het al of niet leggen van bevruchte eieren in kleine, en onbevruchte in grote cellen, kwamen Wagner en Dadant in verzet. Wagner beweerde dat de moederbij zulks niet naar goeddunken doet. In de kleine cellen legt zij bevruchte eieren omdat er , terwijl zij het ei in de cel legt, een drukking op het achterlijf plaats heeft, waardoor het ei in aanraking komt met de zaadzak en dus bevrucht wordt; terwijl die drukking er niet is wanneer het ei in een grote cel gelegd wordt en bijgevolg onvruchtbaar blijft omdat het niet met de zaadzak in aanraking komt. Dadant van zijn kant beweerde, dat door de breedte van de grote cellen, de moeder verplicht is, zich met haar achterste poten aan het bovenste deel van de cellen vast te klampen en ze breed open te zetten, waardoor de zenuwen onmachtig zijn om de zaadzak te openen. Door die reden worden de eieren niet bevrucht. Was Dzierzon dan een sterke persoonlijkheid voor de leer, dan moeten we Baron van Berlepsch getuigen dat hij vooral de man was van de praktijk. In 1852 werd door hem de losse bouw mogelijk gemaakt door het uitvinden van het raampje. Toen in 1858 het kunstraam ontstond bij Mehring begon de bijenteelt aan een zonnige toekomst. Nog enkele grote namen vermelden: Langstroth in 1810 geboren wordt aanzien als de uitvinder van de losse bouw. Van Hruschka vondt in 1865 de honingslinger uit. Gravenhorst was de uitvinder van de boogkorf. In België mogen we Baudoux vermelden die zich als doel gesteld had om grotere, sterkere bijen te kweken, die zouden beschikken over een langere tong, bekwaam om gemakkelijker honing te puren uit diepere bloemkelken. Aan dat werk zou hij 40 jaren besteden en toen hij 102


eindelijk de kroon op die moeizame arbeid zou kunnen zetten kwam in 1934 de onverbiddelijke dood onze voorzichtige natuurvorser ontrukken aan de genegenheid en de achting van de Belgische imkers. De verwachtingen van de heer Baudoux werden niet teleur gesteld. Hij slaagde volkomen in zijn proefnemingen. De in-en uitwendige organen van de honingbij werden groter.

Bijenvolken wegen Het gezegde “ meten is weten” is in de imkers wereld ook een waarheid als een koe! Hoe kunnen we weten hoeveel er in een bijenvolk aanwezig is als we het niet wegen? Het wegen van een bijenvolk kan heel het jaar door gebeuren en best is dan ook om te 103


noteren wat er gewogen wordt. We beginnen met een lege kast te wegen op een personen weegschaal, vervolgens wegen we ze als er bijen inzitten, later tijdens de honingdracht kan er gewogen worden wat er binnenkomt per dag, per week en ook wat er uit gaat bij een drachtloze periode. Een bijenkast wegen in de praktijk kan op verschillende manieren en met diverse weegtoestellen gebeuren, van heel nauwkeurige electronische apparaten over de omgebouwde personen wegschaal en teruggaan naar de simpele handweger – nen eugsel – die nu als koffer weger op de markt is. We houden het bij den eenvoudige eugsel die we achteraan onder de kast vast hechten en dan oplichten. Dit is zeker geen nauwkeurige meting maar een grove indicatie. Beter een grove indicatie dan geen indicatie! We moeten onze werkwijze voorbereiden en vastleggen. Wanneer ge met een lege kast begint en haar gewicht vaststelt op een personen weegschaal en dan de weging doet met de eugsel stel je de afwijking vast. Vervolgens hangen we er ramen in waarvan we het gewicht kennen en met de eugsel stellen we een nieuwe identicatie vast. Zetten we een emmer met 5 liter water in het midden op de kast zal een volgende meting een nieuwe waarde geven. Op die manier doorheen het jaar de productievolken wegen en noteren zal een beeld geven van het gewichts verloop waardoor we weten of we iets moeten doen vb. slingeren, voeding toedienen. Voor het inwinteren hebben we zo een beeld van de situatie in het volk en kunnen we er naar handelen. 104


Galleria mellonella (grote wasmot) Achroia grisella (kleine wasmot) Henri Van Lierde De wasmot galleria mellonella (grote wasmot; grande fausse teigne) en achroia grisella – achroea alvearia (kleine wasmot; petite fausse teigne); gallerie; fausse teigne de la cire. ETIO: De mot behoort tot de Lepidoptera. Terloops kan men vermelden dat de larven gekweekt worden als voeding voor reptielen (11)– gezelschapsdieren. en door het FAVV goedgekeurd als menselijke voeding. De larve voedt zich met was, hout, pollen, honing en graaft galerijen; ze hebben een voorkeur voor onbezette ramen. Buiten de kast kunnen onzorgvuldig bewaarde ramen ook aangetast worden De mot zelf neemt geen voeding op, maar beperkt zich tot reproductie. Na bevruchting legt de mot eieren op beschutte plaatsen, buiten het bereik van de werksters, in de kast. In 2017 is men tot de constatatie gekomen dat de wasmot ook poyethyleen kan afbreken; dit opent de deur tot biodegradatie van plastiek (9). Galleria wordt ook als proefdier gebruikt in diverse onderzoeken (10). PATH: Het betreft hier, sensu stictu geen bijenziekte, aangezien de wasmot enkel de behuizing van de bijen vernietigt. Wasmot kan echter 105


andere ziekten overdragen, zoals vuilbroed. Met het spinsel kan de rups echter bijenlarven omwikkelen, zodat deze omkomen. DIAG: Men vindt spinsel bovenop het operculum van de broedcellen Aanwezigheid van spinsel, zwarte vierkante feces, was en houtresten, rupsen, larven, cocons, motten. Vernietigen van was, hout van de raten en de kast. THER: Bijen kunnen zich verdedigen tegen de wasmot, op voorwaarde dat het volk niet afgezwakt is: ze vernietigen de eieren, doden de rupsen, verjagen de motten. Het is best de raten regelmatig te vervangen. Teneinde ongebruikte raten te vermijden kan men in de kast slechts een raam gelijktijdig ter beschikking stellen voor opbouw door de werksters. Lege raten en was worden opgeslagen in zorgvuldig afgesloten ruimtes. Besmette raten worden vernietigd. Lege raten kunnen ontsmet worden met ijsazijn. Motten vrezen licht en tocht: ramen en kasten kunnen in een open, tochtrijke plaats opgeslagen worden. De ramen kunnen met Bacillus thuringensis behandeld worden. Men kan ook de ramen bevriezen. Een andere vorm van biologische bestrijding wordt verwezenlijkt met Trichogramma wespjes die de eieren van de wasmot parasiteren. 106


De grote wasmot kan lelijk huishouden in een kast. De lege gele schaaltjes zijn bestemd om ijsazijn te verdampen in de kast. Foto H.Van Lierde 2021

Spinsels en links onderaan de larven van de wasmot. Foto H.Van Lierde 2021

Larven van de grote wasmot. Foto H.Van Lierde 2021

Grote wasmot

Kleine wasmot

Larve 107


Basiscursus

IMKER een mooie start voor een leven met de bijen najaar 2021 – voorjaar 2022 Koninklijke Maatschappij De Bieëntelers van Grimbergen en omstreken Koninklijke Imkersgilde Neerbrabant – educatieve bijenstand – Merchtem

Wat kan er op de cursus geleerd worden? -

31/10 : Het nut van de bijen, organisatie en verenigingsleven 07/11 : Groei en evolutie van een bijenvolk 21/11 : Bijenteelt materieel 05/12 : Over de bloemetjes : plantkunde en bijenweide 16/01 : Van honingraam tot honingpot 23/01 : Bijenziekten en belagers 06/02 : Inwinteren en uitwinteren 20/02 : Zwermen en zwermbeheersing 03/04 : Wetgeving – cursustest 00/00 : 3 praktijklessen worden afhankelijk van het weer ingelast

Inschrijving : meld u aan op : info@imkersgildeneerbrabant.be en geef uw identificatie, en ge ontvangt alle nodige informatie

* Prijs : 75 euro – max. 50 cursisten! * Plaats theorielessen : Charleroyhoeve, Lierbaan 16, 1850 Grimbergen praktijklessen : educatieve bijenstand Tuinbouwschool Molenbaan 54 Peizegem * Lessen op zondagochtend van 9 tot 12 u ( met een pauze ) 108