Issuu on Google+

Inhoud Redactioneel

130

The First War of the World H.G. Wells en zijn oorlogszucht Igo Galama

131

De Boissevains in brieven Een case study naar de relatie tussen vaders en zoons uit de gegoede burgerij in negentiende-eeuws Amsterdam Willemijn Koning

144

Het Carnegie-onderzoek naar het Zuid-Afrikaanse ‘armblanke vraagstuk’ Politieke implicaties van vernieuwend sociaalwetenschappelijk onderzoek Dennis de Widt

157

Hoogleraar met een missie Interview met Leo Lucassen Robbert Kant en Jan Julia Zurné

169

De promovendus Interview met Merel Leeman Willemijn Koning

175

Recensies

178

Personalia

188

Colofon

189

Abstracts

190


Redactioneel Geachte lezer, Als iets de professionele geschiedschrijving van de twintigste eeuw kenmerkt, dan is het haar verschoven interesse van individu naar massa. Zo bepleitte rond de Eerste Wereldoorlog de Zwitserse kunstcriticus en historicus Heinrich Wölfflin een ‘geschiedenis zonder namen’. Het bestuderen van het verleden van personen of families zou ons niets meer te bieden hebben. Pas als het individu is weggecijferd uit de geschiedenis, worden de onderliggende structuren van de maatschappij en de kunst zichtbaar. De historische biografie heeft deze revolutie gelukkig overleefd en staat vaak nog in het middelpunt van de belangstelling. De opwinding in de Nederlandse pers over de biografie van Prins Bernhard door Annejet van der Zijl toont aan dat er voor deze vorm van geschiedschrijving nog steeds veel interesse is. Daarnaast zijn er veel hedendaagse historici die het belang van het onderzoek naar personen en hun ideeën benadrukken, zoals Henk te Velde en Ronald Havenaar. Er is echter veel veranderd in deze vorm van geschiedschrijving. Veel historici zijn niet alleen op zoek naar verklaringen voor het gedrag van een persoon, maar willen via de bestudering van die persoon een historisch verschijnsel beter begrijpen. In dit nummer van Skript vindt u twee artikelen van jonge historici die zich bewust beperken tot een persoon of een familie. Zo behandelt Igo Galama de oorlogszucht van H.G Wells en onderzoekt Willemijn Koning de vader-zoon relatie in de familie Boissevain. In het derde artikel hanteert Dennis de Widt een gelijke methode, maar in plaats van een persoon of een familie stelt hij een onderzoekscommissie centraal, met als doel inzicht te geven in de problematiek omtrent de arme blanke Afrikaners. Deze herwaardering voor het ‘persoonlijke’ in de geschiedenis heeft uiteraard niet iedereen overtuigd. Hoe staat het bijvoorbeeld met sociale en economische historici die door middel van verfijnde wetenschappelijke methodes de maatschappelijke structuren achter de belevingswereld proberen te reconstrueren? Skript ging op bezoek bij Leo Lucassen, hoogleraar sociale en economische geschiedenis in Leiden, om hem te vragen naar de stand van de sociale geschiedschrijving. De ‘geschiedenis zonder namen’ is volgens Lucassen nog steeds in bloei en levert veel op. Skript blijft natuurlijk voor alle visies een podium bieden, zoals ook dit nummer weer bewijst. Misschien durft u zelf na het lezen van dit exemplaar een keuze te maken tussen de ‘harde wetenschap’ of het persoonlijke perspectief. Ook buiten het geschreven woord blijven wij actief en biedt dit tijdschrift steeds meer verdieping. Zo organiseerden wij in juni samen met de Koninklijke Bibliotheek een lezing rond het thema Oranje Bitter: Nederland bevrijd!. Voor een kort verslag en sfeer impressie van deze lezingen kunt u terecht op onze website: www.skript-ht.nl.

Skript Historisch Tijdschrift 32.3

130


The First War of the World

H.G. Wells en zijn oorlogszucht Igo Galama De Britse schrijver H.G. Wells (1866-1946) was, net zoals zijn tijdgenoten, enthousiast over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Achteraf begreep hij niet hoe hij ooit zo naïef had kunnen zijn. In dit artikel maakt Igo Galama aan de hand van literaire bronnen duidelijk hoe H.G. Wells in de greep raakte van de heersende oorlogsstemming en duidt deze ‘waanzin’ als een poging om bevrijd te worden uit het verstikkende Engelse burgermilieu. Na de Eerste Wereldoorlog schreef de H.G. Wells in zijn autobiografie: ‘My prowar zeal was inconsistent with my pre-war utterances and against my profounder convictions’1. Werkelijke verklaringen voor zijn oorlogsstemming geeft hij echter niet. ‘As I recovered concioussness (…)’2 schrijft hij vervolgens, alsof zijn toestand tijdens de oorlog dermate koortsachtig en ziekelijk was dat hij, onder de onweerstaanbare invloed van iets, nauwelijks verantwoordelijk was voor zijn eigen handelen. Of in zijn eigen woorden: ‘The fount of sanguine exhortation in me swamped my warier disposition towards critical analysis and swept me along.’3 Waarom werd hij zozeer meegesleept door de gebeurtenissen dat hij het zelf achteraf haast ongeloofwaardig achtte? In dit artikel wordt getracht een verklaring te geven voor de verleidingen van de Eerste Wereldoorlog, waar zowel Wells als zijn tijdgenoten geen weerstand tegen konden bieden. Verscheidene historici hebben reeds geschreven over de opmerkelijke stemming in Europa in 1914 en de tijd daarna. De Amerikaanse historicus Roland Stromberg, gespecialiseerd in Europese intellectuele geschiedenis, beargumenteerde in zijn Redemption by War dat de verschillende Europese intellectuele elites zich voorafgaand aan de oorlog verzetten tegen de, in hun ogen, gezapige sociale orde, en dat ze het uitbreken van een immense oorlog aanvankelijk als een schier apocalyptische bevrijding voelden.4 En in het met prijzen bekroonde Rites of Spring van de Canadese historicus Modris Eksteins blijkt dat dergelijke romantische ideeën niet beperkt bleven tot salonbijeenkomsten en vrijwel ongelezen meesterwerken, maar dat ook soldaten juist massaal Nietzsche lazen en verwachtten zichzelf te ontdekken aan het front, als ware het front de grens van een nieuwe wereld die ontdekt moest worden.5 In aanvulling op deze literatuur zal aan de hand van de uitspraken van H.G. Wells getracht worden deze bevrijdingsgevoelens te expliciteren. Daartoe zal allereerst het oorlogsenthousiasme van Wells in kaart worden gebracht. Daarna wordt betoogd dat dit oorlogsenthousiasme gevoed werd

131


De Boissevains in brieven

Een case study naar de relatie tussen vaders en zoons uit de gegoede burgerij in negentiendeeeuws Amsterdam Willemijn Koning Van de negentiende-eeuwse koopmansfamilie Boissevain is een uitgebreid correspondentiearchief bewaard gebleven. Willemijn Koning onderzocht de brieven die vaders aan hun zoons schreven en beschrijft in dit artikel de onderlinge verhoudingen op zakelijk, publiek en persoonlijk vlak. ‘Adieu Giet! Reis verder gelukkig en voorspoedig, ik had er bijna bijgevoegd kort, doch laat zulks geheel en al aan U over. Vrijheid, Blijheid!’1 Dit citaat neemt ons mee naar de welgestelde kringen van vroeg negentiende-eeuws Amsterdam. Koopman Daniel Boissevain (1772-1834) geeft een duidelijke boodschap af aan zijn 29-jarige zoon Gideon Jeremie Boissevain (1796-1875). Enerzijds toont hij zijn affectie, anderzijds benadrukt hij de vrijheid die hij zijn zoon geeft. De koopmansfamilie Boissevain, die in dit artikel als case study dient, nam een voorname plaats in binnen het Amsterdamse elitenetwerk en fungeerde als een spil in de wereld van handelsbeurzen, diners, commissies en genootschappen. Dit artikel behandelt de correspondentie van drie generaties vaders aan hun oudste zoons. De hoofdpersonen in dit artikel zijn achtereenvolgens Daniel (17721834), Gideon Jeremie (1796-1875) en Jan (1836-1904); Charles Daniel Walrave (1866-1944) zal enkel als briefontvanger behandeld worden. Door middel van een analyse van een vijftigtal brieven probeer ik een beeld te geven van de verhouding tussen vaders en zoons uit de Nederlandse gegoede burgerij in de negentiende eeuw. Welke levenshouding en welke ideeën wilden de vaders aan hun zoons meegeven? Op welke manier probeerden zij hun zoons, bewust dan wel onbewust, te sturen in hun standpunten en keuzes? En welke mate van intimiteit was er in het contact tussen de vaders en de zoons? Daarnaast zal ik aandacht schenken aan de overeenkomsten en verschillen tussen de vaders, en de mate waarin bepaalde waarden door de generaties heen van vader op zoon werden doorgegeven. Voor zover mogelijk zal gepoogd worden verklaringen te geven voor de continuïteiten en discontinuïteiten. Welke rol speelden familietraditie, historische context en persoonlijke elementen als levensloop en karakter?

Skript Historisch Tijdschrift 32.3

144


Het Carnegie-onderzoek naar het Zuid-Afrikaanse ‘armblanke vraagstuk’

Politieke implicaties van vernieuwend sociaalwetenschappelijk onderzoek Dennis de Widt In dit artikel neemt Dennis de Widt een grootschalig sociaalwetenschappelijk onderzoek naar arme blanke Afrikaners onder de loep. Hij onderzoekt hoe deze conclusies begin jaren dertig tot stand kwamen en vervolgens hoe deze, eind jaren veertig, door de Afrikaner Nationalisten selectief werden aangewend in hun strijd om de politieke macht. Sinds de afschaffing van apartheid vormen blanken in Zuid-Afrika niet langer een door de overheid bevoorrechte groep. Het door het African National Congress (ANC) gevoerde beleid van positieve discriminatie heeft steeds duidelijker negatieve gevolgen voor in het bijzonder, lager opgeleide blanke Zuid-Afrikanen. Hoewel het bestaan van arme blanken in het huidige Zuid-Afrika geleidelijk de Westerse media bereikt, is minder bekend dat arme blanken geen nieuw verschijnsel vormen binnen de Zuid-Afrikaanse geschiedenis.1 Het aan de macht komen van de Afrikaner nationalisten onder leiding van premier D.F. Malan in 1948 en de hierop volgende uitbouw van het apartheidssysteem blijkt niet los te kunnen worden gezien van het ontstaan van een snelgroeiende groep arme blanken op het Zuid-Afrikaanse platteland vanaf het einde van de negentiende eeuw. Ondermeer schaalvergroting door industrialisatie en vernietigingen tijdens de Tweede Boerenoorlog (1899-1902) kunnen als enkele van de oorzaken worden genoemd voor armoede onder plattelandsblanken. Hoewel de regering Smuts (regeerperiode: 1919-1924) en in het bijzonder de regeringen Hertzog (regeerperiode: 1924-1939) diverse maatregelen troffen om de armoede onder blanken te bestrijden, zoals het creëren van duizenden banen bij de staatsspoorwegen en industrie, werden deze regeringen verweten onvoldoende te ondernemen voor arme plattelandsblanken. Dat deze kritiek vooral voortkwam uit de Afrikaner gemeenschap – i.e. de nakomelingen van de zich vanaf halverwege de 17e eeuw aan de Kaap vestigende Nederlandse kolonisten – kan worden verklaard uit het feit dat ook het overgrote deel van de arme blanken Afrikaanssprekend was.2 Dit artikel analyseert een grootschalig sociaalwetenschappelijk onderzoek dat in de periode 19291932 met steun van de Amerikaanse Carnegie Corporation in Zuid-Afrika is uitgevoerd naar de precieze achtergronden van deze blanke armoede, in het Afrikaans bekend als het ‘armblanke vraagstuk’. Allereerst worden de werkwijze en bevindingen van de

157


Hoogleraar met een missie Interview met Leo Lucassen Robbert Kant en Jan Julia Zurné Tijdens de verkiezingcampagne klonk vaak het commentaar dat economisch beleid de politieke agenda zou domineren in deze tijden van crisis. Toen in de nacht van 9 juni de stemmen waren geteld, bleek een ander onderwerp voor veel kiezers doorslaggevend. Migratie en integratie waren nog steeds hete hangijzers in de Nederlandse politiek. Leo Lucassen (1959) is een autoriteit op het gebied van migratiegeschiedenis en bekleedt sinds 2005 de leerstoel Sociale en Economische geschiedenis in Leiden. Hij is een hoogleraar die niet bang is om zich te mengen in de politieke discussie. Jan Julia Zurné en Robbert Kant gingen met hem in gesprek over migratie, integratie, het publieke debat en de stand van de sociale geschiedenis. ‘Het is uitkijken dat je als migratiehistoricus niet te makkelijk een upbeat boodschap verkoopt die ook te simplistisch is.’ Allereerst: waarom heeft u besloten geschiedenis te studeren? Ik vond geschiedenis interessant en het was mijn beste vak op de middelbare school. In die periode was ik nog, zoals veel pubers, vooral geïnteresseerd in de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast zat het in de familie: mijn vader was een actief amateurhistoricus en mijn oudste broer, Jan Lucassen, heeft ook geschiedenis gestudeerd. Hij is net als ik doorgegaan in het vak en we publiceren wel eens samen. Had de sociale geschiedenis meteen al uw voorkeur? Nee, niet gelijk. De studie viel aanvankelijk tegen, vooral het eerste jaar waarin we allerlei feiten in ons hoofd moesten stampen. In de doctoraalfase kwam ik in contact met Dik van Arkel, mijn voorganger op deze leerstoel. Hij was erg bevlogen en hield zich bezig met het verschijnsel antisemitisme, wat me aansprak omdat ik van mening ben dat geschiedenis maatschappelijk relevant moet zijn. Zijn theoretische aanpak, met vergelijkend onderzoek, en zijn interesse voor algemene mechanismen bevielen mij ook. Hij was een fantastische docent, dus ik liep echt met hem weg. Sekte is een groot woord, maar het kwam wel in de buurt. Rondom Van Arkel ontstond een groepje studenten dat zich met verschillende racismeverschijnselen bezig hield. Vanaf dat moment werd ik gegrepen door het doen van wetenschappelijk onderzoek, zonder dat ik van plan was hiervan mijn beroep te maken. Dat leek me meer iets voor bollebozen. Ik was actief bij de Historische Informatie Courant en later bij Leidschrift, en was van plan de journalistiek in te gaan. Totdat Van Arkel voorstelde dat ik een promotieonderzoek zou aanvragen. Dat overviel me nogal. Promoveren leek me te hoog gegrepen, maar het doen van onderzoek sprak me wel erg aan. Zo ben ik er als het ware ingerold.

169


De promovendus

Transatlantische cultuurhistorica Interview met Merel Leeman Willemijn Koning ‘Het verbaast me eigenlijk wel. Ik ben nu bijna drie jaar bezig en ik werk elke dag met plezier.’ Ze lacht: ‘Nou ja, dat is misschien ietwat overdreven’. Merel Leeman, promovendus Nieuwste Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, heeft in ieder geval een grote passie voor het vak. Met aanstekelijk enthousiasme vertelt ze over haar promotieonderzoek, waarin drie Joods-Duits-Amerikaanse cultural historians centraal staan: Peter Gay (1923), George Mosse (1918-1999) en Fritz Stern (1926). Alle drie de mannen zijn vanwege hun Joodse afkomst in de jaren ’30 van de twintigste eeuw op relatief jonge leeftijd van Duitsland naar Amerika geëmigreerd. Leeman richt zich specifiek op de dynamiek tussen hun ervaring van emigratie en hun ontwikkeling als culturele historici. Hoewel er al meer onderzoek gedaan is naar Joods-Duitse intellectuelen die zich in Amerika vestigden – denk bijvoorbeeld aan Theordor Adorno en Hannah Arendt – benadrukt Leeman in haar dissertatie dat Gay, Mosse en Stern deel uitmaakten van een aparte generatie en daardoor afzonderlijk onderzocht dienen te worden. Juist doordat zij in hun tienerjaren naar de Verenigde Staten waren gevlucht, waren zij nog niet intellectueel gevormd in Duitsland. In tegenstelling tot de oudere generaties wortelden zij zich daardoor dieper in het Amerikaanse intellectuele milieu. Wel realiseerden zij zich dat ze een andere positie innamen dan de Amerikanen: hun Joods-Duitse achtergrond is dan ook duidelijk aanwezig in de historische én autobiografische werken van de mannen. De fascinatie van Leeman voor de bijzondere trans-Atlantische relatie tussen Duitsland en Amerika is via een omweg ontstaan. Naast Geschiedenis studeerde Leeman ook Literatuurwetenschappen, waardoor ze zich gaandeweg steeds meer bezighield met het werk van Thomas Mann. In haar scriptie beschreef ze de wonderlijke connectie die zij ontdekte in Von Deutscher Republik, waarin de elitaire Mann zichzelf tot democraat uitriep, en het werk van de Amerikaanse dichter Walter Whitman, die bekend stond als de poet of democracy. Allebei probeerden ze de rol te verwerven van culturele representanten van hun vaderland. In haar promotieonderzoek concretiseert Leeman de abstracte relatie tussen Duitsland en Amerika door zich op emigratie te richten. Haar bezieling voor het onderwerp is duidelijk niet afgenomen: ‘Eerst was Duitsland een voorbeeld voor Amerika en na de Tweede Wereldoorlog was Amerika een voorbeeld voor Duitsland, dat maakt de interactie tussen de twee landen bijzonder interessant.’ Lange tijd was het voor Leeman niet duidelijk of ze zich verder wilde specialiseren binnen Geschiedenis of Literatuurwetenschappen. Uiteindelijk sloeg de balans door naar het eerstgenoemde vakgebied, vanwege haar interesse in de kritische reconstructie van verhalen. Toch is haar literatuurwetenschappelijke achtergrond onmiskenbaar aanwezig in haar onderzoek. Zo startte ze haar onderzoek met het doornemen van de complete

175


Recensies NSB-Buurman, “konijn� Napoleon, vrome kruisvaarder, elitaire reiziger en een hartstochtelijk politicus


Abstracts Igo Galama, The First War of the World. H.G. Wells en zijn oorlogszucht H.G. Wells was more than thrilled in 1914 at the outbreak of the First World War. He foresaw a new and cleaner page in the history of mankind. After the war he couldn’t quite grasp his own bellicosity and spoke of it as a mere fever. He said that his pro-war sentiment was in contrast with pre-war utterances. In this article Igo Galama claims the opposite and seeks, mostly in Wells’ pre-war literature, for deeper reasons to explain what Wells himself could not: his bellicosity. Willemijn Koning, De Boissevains in brieven. Een case study naar de relatie tussen vaders en zoons uit de gegoede burgerij in negentiende-eeuws Amsterdam In the scholarly literature on nineteenth-century cultural history, the relationship between fathers and sons has been given little attention. This article is based on the analysis of fifty personal letters of the nineteenth century bourgeois Boissevain family from Amsterdam. The letters of three generations of fathers to their oldest sons provide a new perspective on their relationship. Willemijn Koning shows that the fathers actively tried to grand their sons the freedom so strongly advocated by the enlightened philosophers. Moreover, the intimate way in which the fathers wrote to their sons illustrates their affection and love for them, which contradicts statements from other historians. Dennis de Widt, Het Carnegie-onderzoek naar het Zuid-Afrikaanse ‘armblanke vraagstuk’. Politieke implicaties van vernieuwend sociaalwetenschappelijk onderzoek In the early 1930s the American Carnegie Foundation commenced a scientific study to investigate the causes of poverty amongst white Afrikaners. In this article Dennis de Widt researches their methods and explains how the conclusions of the Carnegie study were later used for political purposes during the political rise of the Afrikaner nationalists. Carnegie recommended a temporary positive discrimination of white people versus black people in order to relieve economic stress amongst the Afrikaners, but without – as is sometimes assumed – delivering a blueprint for the system of apartheid. However, the political victory of the Afrikaner nationalists in 1948 made these recommended temporary measures permanent. The Carnegie study forewarned many of the negative economic and social consequences that developed decades later in South Africa as a result of Apartheid policy.

Skript Historisch Tijdschrift 32.3

190


Skript 32.3