Page 12

12

Mare · 15 oktober 2015

Het clubje

Column

Dresscode

Foto Marc de Haan

‘Meer survival dan revival’ Het Leidsch Studenten Jazz Gezelschap uit 1956 Henk Versnel (aankomstjaar 1956, banjo en vocaal): ‘Het begon met ons Groenorkest. Iedereen die een instrument bespeelde, of dacht te bespelen – mondharmonica’s uitgesloten, sloot zich in de groentijd van 1956 aan.’ Lex Roberti (aankomstjaar 1965, trombone): ‘De jongerejaars stonden daarna elk jaar te trappelen. Minerva was nog niet gemengd. De jongens verveelden zich rot en gooiden vooral veel met bier.’ Versnel: ‘Het corps barstte destijds van de ambassadeurszoontjes, met van die dubbele achternamen. Als de koningin jarig was, regelden hun vaders een optreden. Jonge meisjes die in het paleis werkten kwamen als vliegen op ons af. Dat bedoel ik niet macho hoor. Mijn vriendin kwam ook mee.’ Roberti: ‘In 2009 ontstond het idee om de oudste nog levende bezettingen van corporale jazzorkesten tegen elkaar te laten strijden in een tweejaarlijks concours. In 2014 wonnen we, dus 18 okto-

ber organiseren wij het.’ Karel van Lelyveld (aankomstjaar 1964, piano): ‘We spelen een oude stijl van jazzmuziek, uit New Orleans.’ Frank van Haastert (aankomstjaar 1956, trompet en bugel): ‘Wij beheersen dat nog. Of we vinden het in elk geval leuk om te spelen.’ Martin Planje (aankomstjaar 1956, klarinet): ‘Het leuke is dat je al die oude rakkers weer terugziet. Of wat er nog van leeft.’ Van Lelyveld: ‘Het is meer survival- dan revivalmuziek.’ Versnel: ‘Een van onze twee trompettisten is overleden, maar met één lukt het ook wel. De afgehaakte trombonist is vervangen door iemand uit een jonger jaar. De jongen op de drums is zelfs pas in 1968 aangekomen. En onze pianist, Ton Hameeteman die aankwam in 1957, heeft zijn heup gebroken. Zo hebben we allemaal tegenwoordig wel wat. Hij wordt vervangen door Karel van Lely-

veld. Die is niet zo briljant als Hameeteman, maar wel heel goed.’ Roberti: ‘Hameeteman zit wel in de jury, zodat we opnieuw zeker zijn van winst.’ Van Lelyveld: ‘Ik viel al vaker in. Ook met al die andere corporale orkesten heb ik gespeeld. Er waren altijd te weinig pianisten. Met het Groningse gezelschap Bragi ben ik naar Amerika geweest.’ Roberti: ‘Niet leuk om te noemen, maar het Delftse orkest is áltijd blijven bestaan. Halverwege de jaren zestig kon iedereen die in Leiden aankwam alleen nog maar op gitaren rammen, onder invloed van The Rolling Stones en The Beatles. Zo is bij ons een gat ontstaan.’ Versnel: ‘Pas in de jaren tachtig ging het LSJG verder, met een fenomenaal goede semi-bigband.’ Roberti: ‘Zij wonnen het Breda Jazz Festival, waarmee ze op tv kwamen. Zelf zijn we ook op tv geweest, toen we

in 1966 de Jazzaward van Wenen wonnen, maar die opnames ontdekten we pas veertig jaar later.’ Versnel: ‘In de jaren tachtig is het ook weer uitgestorven.’ Roberti: ‘Misschien ontstaat er na zondag weer iets. Dan kunnen wij weer vaker met onze toeters naar feestjes, zonder dat iemand durft te zeggen dat we steeds valser spelen.’ Versnel: ‘Anders zou het mooi zijn om ons vaandel over te dragen aan een bestaand orkest, zoals de Leidsche Studenten Bigband, of Vier voor half Jazz, dat het concours inleidt. Een overtuigende binding met Minerva is wel nodig. Ons vaandel moet niet verdwijnen in de burgermaatschappij.’ DOOR MARLEEN VAN WESEL

Jazzconcours Ceres Award, Sociëteit Minerva Zondag 18 oktober, 13.00, gratis entree

Op de universiteit is er gelegenheid voor allerlei soorten clubjes om zich hard te maken voor dat waar zij in geloven. Sportclubjes, stageclubjes, schrijfclubjes, toneelclubjes, presenteerclubjes en gewoon clubjes die een clubje willen zijn. Je ziet ze ook wel eens naast mij op deze pagina prijken. De meeste van die clubjes hebben ook een aantoonbaar nut; naast persoonlijk welzijn en plezier is het natuurlijk uitermate belangrijk dat je op een wetenschappelijke wijze kunt schrijven en presenteren en dat je de kans hebt om in het buitenland te gaan studeren. You name it, we have it. Er is slechts nog één gezelschap waar ik al mijn hele universitaire carrière lang op zit te wachten; het kleedclubje. Al zo lang als ik op het Lipsius rondloop, geniet ik van de kakafonie aan studenten die hun weg naar de geesteswetenschappen hebben gevonden. Dit is een plek waar subculturen kunnen gedijen en waar mainstream de underdog is. Alto, gothic, lolita’s, hippie, emo, hipster: het Lipsius is een dierentuin aan stijlen. Met je zwartblauwe haren op een bankje in de kantine zitten janken op de schouder van je vriend terwijl hij anime kijkt? Geen probleem. In kleermakerszit op de grond je broodje hummus smeren? Kan allemaal. In je laatste jaar naar college gaan met je haren in twee staartjes en een compleet roze outfit aan? Helemaal leuk. En dat is precies waar ik het kleedclubje mis. Hoewel we door de universiteit zo goed en kwaad als het gaat op het echte leven worden voorbereid, is er niemand die ons kinders even aan het oor trekt. Iemand die vertelt dat het allemaal leuk en aardig is terwijl je rondloopt, maar dat je potentiele werkgever het tijdens een sollicitatiegesprek misschien wel fijn zou vinden om je aan te kunnen kijken terwijl hij met je praat en niet constant je ogen hoeft te zoeken door die zee van zwart haar. Of dat je staartjes en roze kleding niet helemaal in de bedrijfscultuur van je droombaan passen. Gewoon iemand die je vertelt dat de tijd van onbezorgdheid voorbij is, vandaag de lange weg naar morgen begint en dat je subcultuurgebonden kleding daar niet meer bij past. Het is heus niet zo dat ik pleit voor inperking van de creatieve vrijheid of deelname aan de eenheidsworst, absoluut niet. Ook hoeven studenten wat mij betreft niet aan het handje langs het leven worden gevoerd. Maar als de universiteit op andere gebieden al vier jaar lang heeft bijgedragen aan de algemene opvoeding van een student dan kan, gezien de overkill aan hulpclubjes, een beetje kledingadvies voor en na de studie er heus wel vanaf. ESHA METIARY

Bandirah

Profile for Mare Online

Mare 7 (39)  

Leids universitair weekblad

Mare 7 (39)  

Leids universitair weekblad

Advertisement