Issuu on Google+

Design and Materials


GRONDSTOF Onder grondstof worden materialen verstaan die in een proces gebruikt worden om iets te maken of te fabriceren. Specifiek natuurlijke grondstoffen zijn stoffen die in de natuur gevonden worden, zoals vruchtbare aarde, olie, mineralen, hout en andere gewassen. In productieprocessen kunnen ook niet-natuurlijke grondstoffen gebruikt worden: dit wordt ook wel een halffabricaat genoemd. De aanwezigheid van natuurlijke grondstoffen in een land is vaak bepalend voor de rijkdom, status in de wereldeconomie en politieke invloed. De laatste jaren blijkt dat grondstoffen steeds schaarser worden, bijvoorbeeld: aardolie, aardgas, steenkool, metaalerts enzovoort. Het is daarom van belang dat economieen zo min mogelijk afhankelijk zijn van eindige grondstoffen en zich meer richten op hernieuwbare grondstoffen.


NATUURLIJK Natuurlijke vezels komen van dieren of van planten af. Je hebt dan ook veel verschillende soorten zoals: Katoen Linnen, Ramie, Cocos, Sisal, Hennep, Bamboo, Zijde, wol, Leer, hout etc.


KATOEN Katoen is een zeer waardevol gewas, omdat slechts ongeveer 10 procent van het ruwe gewicht bij de verwerking verloren gaat. Als sporen van was, eiwit, en dergelijke zijn verwijderd, blijft een natuurlijke polymeer van zuivere cellulose over. Deze cellulose is gerangschikt op een manier die katoen unieke eigenschappen geeft wat betreft sterkte, duurzaamheid en absorptie, de elasticiteit van katoen is echter gering. Elke vezel is samengesteld uit twintig tot dertig laagjes cellulose die keurig om elkaar heen gedraaid zijn.


WOL Wol onderscheidt zich van haar doordat het schubben heeft, waardoor er zaden en takjes in blijven hangen. Hierdoor wordt de huid van het schaap beschermd tegen beschadigingen. Hierdoor wordt de lucht goed vastgehouden, waardoor wol een goede warmte-isolator is. ’ s Zomers houdt de wollen vacht de warmte van buitenaf juist tegen. de schubben en de kroes maken dat wol ook makkelijk gespAnnen kan worden. De vezels haken namelijk makkelijk in elkaar en blijven daarna aan elkaar vastzitten. Onder scheerwol verstaan. geschoren

wordt van een

de onbeschadigde wol gezond en levend schaap.


PULP Hout is de (primaire) bron van papier en karton. De houtvezel wordt gebruikt om pulp te maken. De houtvezel wordt via recycling ook uit oud papier gehaald. De pulp word in productie met water vermenigvuldigd, het word gemalen en gedroogd waardoor er een dikke laag papier ontstaat.


SPIJKERSTOF Spijkerstof / denim is een bijzonder sterke en slijtvaste stof meestal uitgevoerd in katoen of een katoen/lycra menging. Van origine wordt de spijkerstof geweven in een keperbinding, tegenwoordig ook wel in platbinding. We kennen natuurlijk allemaal de indigo blauwe spijkerstof, indigo is namelijk de kleurstof waarmee de spijkerstof vroeger altijd mee gekleurd werd.


SYNTHETISCH Vezels die gemaakt worden uit een kunstmatige grondstof worden synthetische vezels genoemd. Er worden steeds weer nieuwe vezels ontwikkeld waar onder andere kleding van wordt gemaakt. Ze worden vaak samen gebruikt met andere, natuurlijke vezels om bijvoorbeeld een sterker weefsel te verkrijgen. Viscose, Polymadide, Nylon, Polyester en Polyacryl zijn de synthetische stoffen die het meest bekend zijn.


POLYESTER De moderne ontwikkelingen maken de vezels steeds beter voor hun doel geschikt en ook nieuwe weeftechnieken hebben dit euvel grotendeels opgelost. De nieuwe synthetische stoffen zijn luxueus en comfortabel. Polyester heeft een zeer groot kreukherstellend vermogen. Kleding van polyester ziet er daardoor, in bijna alle omstandigheden verzorgd uit en is zeer gemakkelijk in het onderhoud.


ACRYL Acryl is een synthetische vezel die, vooral gebreid, met het blote oog moeilijk te onderscheiden kan zijn van wol. De vezel is weinig elastisch en komt, Het nadeel van de lage elasticiteit kan worden ondervangen door een elastische breitechniek van fijngesponnen garens of door een menging met wol en/of polyester. Het voordeel van gebreid acryl is het grote draagcomfort,


WEVEN De draden lopen kruislinks door elkaar. De kant dat gespannen is heet de ketting en de andere kant is de breedte kant dat heet de inslag. Ze worden geweven in een weefmachine of een weefgetouw. De ruimte ertussen word gevuld, en daardoor word het sterker. Daardoor kan het niet makkelijk meer los. De draden lopen in een hoek van 90 graden. Verschillende soorten bindingen:

Platbinding = Een soort van vlechtwerk maakt het de stof sterk. Het gaat erop en eronder, erop en eronder. Heel regelmatig, hier gebeurd het met 1 op 1 draden. Basket weave = Een soort van platbinding. Hier doe je 2 of 3 draden naast elkaar. Gerstekorrel = Hier worden af en toe lossen garen door gedaan waardoor het ongelijkheid vormt. Dan krijg je een soort van patroon. Twill Weave = Een binding die steeds verspringt. 2 op en 1 neer, een soort van driehoeken die er ontstaan. Je ziet het vaak bij spijkerbroeken Vissegraad = De gaan elke keer spiegelend, en het gaat elke keer op en neer en op en neer. PiquĂŠ = Ze maken verdikkingen, het komt ook voor in breisels. Polo word bijna altijd gemaakt van piquĂŠ. Cotele = Draden die naar boven gehaald worden die verdikkingen, dat word regelmatig gedaan waardoor je van die rijtjes krijgt die op en neer gaan. Soort van ribbel, onregelmatigheid. Cord = Een soort van ribstof Bedford cord = hele dikke draden en hier word een soort werkstof van gemaakt. Satijn = Daar slaan ze er een paar over, heel veel onderbroken lijnen waardoor het gladder word. Het word ook soepel! Jacquard (damast) = Het weven van patronen is stof. Ajour = Sommige draden gaan hier een beetje opzij, hierdoor krijg je meer open stukjes in de stof. Stoffen met ingebreid of ingeweven garen. Pool/lussen weefsel = de inslag word soms gewoon los erin gedaan, het word niet vast getrokken maar gewoon los gelaten.


NABEHANDELING EN SAMENGESTELDE STOFFEN Een stof word nabewerkt, soms zijn ze onzichtbaar en soms zichtbaar. Voordat het verkocht is moet er nog van alles gedaan worden. Als het uit een weefgetouw komt is het onbewerkt en ongeverfd. Sommige garens zijn al gekleurd die heten garen geverfde stof. Bij. Bij denim staat is dat al wel geverfd. Kalibreren is om het sterkt te maken. Er word aan de stof getrokken, de strekte word gestabiliseerd.


Mercerizing: vaak word het gedaan bij beddengoed en servetten Singeing: Branden, waardoor losse eindjes worden weggebrand Raising: flanel achtige stof heel zacht Calendering: een machinaal proces om het glanzend te krijgen Shrinking: een stof die uit een weefgetouw komt, en als ze worden nabehandeld, Door de hitte krimpt het stof soms wel 20cm. Dyeing: hier word de stof geverfd Tie-dye: verschillende soorten verf Ikan dyeing: ikat stoffen die hebben altijd een soort motief, daarna worden ze geweven. Printing: Je kan ook printen op kan er klaar stof. Batik printing: met was verven op een stof, daarna gewoon verven onder het was blijft het wit


COATINGS Varnish: Een soort transparant laagje eroverheen en het glanst Lacquer: dit is gekleurd vernis, er zit vaak een dikke laag op. En het word verstevigd Waterproof: Zoals regenjassen Waterproof/breathebale: Dat zijn verschillende lagen, de buitenkant en de binnenkant hebben verschillende gaatjes, het garen zit dicht op elkaar of iets verder weg Gore-tex: Verschillende lagen stof DWR (durable water repellent): Dit word er gewoon opgesprayt Stain Protection: vlekkenprotectie Nomex/ Kevlar: Kleine deeltjes die in de stof worden geperst, bijna altijd voor brandwerende pakken en kan goed tegen hoge temperaturen. Nano coating: Een van de kleinste deeltjes, je kan er bijvoorbeeld bij schoenenwinkels, bestand tegen water en beschermd ook het leer en suede tegen vieze vlekken Silvercoating/ sunblock: zilver is lichtwerend bijvoorbeeld bij rolgordijnen zie je het vaak. Touchclean anti-bacterial coating: Word vaak gebruikt in een medische omgeving.



Design and Materials