Issuu on Google+

Geschreven door Hubertine van den Biggelaar (www.text4kids.nl)

Illustraties van Dick Rink (www.blog.dickrink.nl)

Š januari 2014 Hubertine van den Biggelaar en Dick Rink


Het was een mooie, zachte lentedag, zo een die ruikt naar nieuw leven. Niet dat Wally al iets zag. Het was pas zeven over zeven. In de schemer scharrelde hij rond, net als elke vroege morgen. Op zoek naar iets wat hij niet vond. Zijn geheim bleef goed verborgen. Wat hij was en waar hij werd geboren ‌ Dat raadsel bleef goed bewaard. Toch bleef bij elk ochtendgloren Wally zoeken naar zijn ware aard.


Zijn vrienden hadden het zo vaak gezegd: ‘Je lag op een mooie dag op het mos. Door je ouders te vondeling gelegd. Je vond je thuis hier in ons bos.’ ‘Wally, die naam gaven wij aan jou. Het komt van woud, daar is jouw plek. We zijn je vrienden, we blijven je trouw. Dit woud is toch jouw eigen stek?’


‘Dat is mooi en lief,’ zei Wally dan. ‘Maar van wie ik afstam weet ik niet. Daar word ik vaak verdrietig van. Snappen jullie dat dan niet?’ ‘Wally, we houden van je zoals je bent. Je bent lief, zorgzaam en oprecht. Aan jouw roze vacht zijn we gewend. We zijn heel erg aan je gehecht.'


Wally knikte dan gelaten. Zijn thuis, dat was dit woud met alle bomen. Maar toch kon hij het niet laten om over zijn echte ouders te dromen. Zijn ze roze en groot, net als ik? Zijn ze donzig, lief en zacht? Of zaaien ze verderf en schrik en gaan ze graag op vossenjacht? Stel dat hij op een vroege morgen oog in oog zou staan met pa en ma. Zou hij dan goed voor ze zorgen? Of boos roepen: ‘Wegwezen, ga?’


Al die vragen en die dromen waren te groot voor Wally’s kop. Daarom wilde de slaap vaak niet komen. Dus stond hij in alle vroegte op. De frisse lucht deed hem vaak goed. Al kon hij het dan toch niet laten om in de zachte ochtendgloed te speuren in alle hoeken en gaten. Zo ging het elke ochtend weer. Wally wandelde tussen vrees en hoop. ‘Misschien dat ik op een keer toch tegen mijn ouders aanloop.’


Langzaam ontwaakte vandaag de zon. En met aarzelende stralen kondigde ze aan dat de dag begon. Zo liet ze Wally’s wensen verdwalen. En in dit vale ochtendlicht, keek Wally eens goed om zich heen. Opeens zag hij een vreemd gezicht dat achter een dennentak verdween! Wat was dat voor raar, groot beest? Vast iets dat roze wezens lekker vindt. En die hij daarom tijdens een groot feest samen met zijn vrienden verslindt ‌


Met kloppend hart bleef Wally staan. Wat voor indringer sloop door het woud? Waar kwam dat rare beest vandaan, met zijn harige vacht van goud? Dáár, achter de oude eikenboom blonken gouden lokken in de zonsopgang. Wally fluisterde zacht: ‘Is dit een droom? O, help: ik ben echt bang!’ Wally moest zichzelf bedwingen om er niet als een haas vandoor te gaan. Om niet tussen de bomen weg te springen, maar stilletjes te blijven staan. ‘Kijk nou eens, wat een beest. Zo groot en harig en met een mand … Ik ben nog nooit zo bang geweest. Wat is er hier toch aan de hand?’


‘Waarom struint dat reusachtig konijn zo geheimzinnig tussen de bomen? Zou het verre familie van Haas zijn? Of zou het hier willen gaan wonen?’ ‘Is het een vondeling net als ik? Wat moet ik doen, ik weet het niet. Mijn knieën bibberen van de schrik. Ik hoop dat het beest dat niet ziet.’ ‘Ik vraag Haas maar gauw om raad. Die heeft een scherpe blik. Hij ziet meteen waar het om gaat. Hij is echt heel anders dan ik.’


Zachtjes sloop Wally door het woud om geen slapende honden wakker te maken. En óók niet dat reuzedier van goud. Anders eindigde Wally vast tussen zijn kaken … Bij het hol van Haas was het heel stil. Logisch, omdat het hele woud nog sliep. Wally slaakte een zachte gil. Maar Haas sliep veel te diep. Pas na een duw door Wally’s klauw schoot Haas wakker en uit zijn huis. ‘Haas ,’siste Wally zacht, ‘kom gauw! Er is iets helemaal niet pluis.’ ‘Door het bos sluipt een reuze konijn. In zijn poot heeft hij een rieten mand. Kan dat een oude vriend van je zijn? Of is het anders een verre verwant?’


Haas had last van een ochtendhumeur. ‘Wat bazel je nou, zo ’s morgens vroeg? Hou eens op met dat rare gezeur. Mij wakker maken is al erg genoeg.’ Een traan rolde over Wally’s wang. ‘O Haas, kom nou met me mee. Ik vond het eng, ik ben zo bang.’ Haas bond al in en zei: ‘Oké.’ ‘Ik ga wel met je mee op pad. Eens kijken wat jij hebt gezien. Of heb je een dagdroom gehad en een soort van spook gezien?’


Haastig rende Haas door het zand. Wally volgde hem op de voet. Opeens piepte Haas: ‘Verhip, da’s frappant. Wally, dat is een giga-hazensnoet.’ ‘Maar wacht, er klopt iets niet. Waar zijn de lange hazentanden? Ik zie ze niet, ik zie ze niet! En kijk eens naar die handen!’ ‘Veel te lomp en veel te groot. En kijk dan eens naar benee. Dat is beslist geen hazenpoot. Dit geen familie, o nee!’


De reus draaide zich plots om. ‘Mijn naam is Haas,’ zei het grote dier. ‘Ik breng kinderen veel plezier. En daar gaat het mij net om.’ Haas keek verbaasd naar de reus. ‘Wally, geen idee waar dit over gaat. Dit dier maakt mij heel nerveus. Haal Uil, die weet vast raad.’ Wally stampte snel het bospad af, op weg naar de grote, holle boom. Hij mopperde tijdens zijn halve draf. ‘Zie je wel dat ik niet droom!’


Uil had bezoek van zijn neven en zijn nicht. Ze hadden de hele nacht gefeest tot aan het eerste ochtendlicht. Wat was het toch leuk geweest! De familie maakte bij de eerste zonnestralen een einde aan hun samen-zijn. Dus dat Wally ze zo vroeg kwam halen vonden ze niet echt heel erg fijn. Moeizaam kwam Uil uit zijn nest, met een dijk van een ochtendhumeur. Hij mopperde: ‘Ik heb nou echt de pest aan al dat gevraag en dat gezeur.’


Maar Wally kende Uil goed genoeg. Hij bleef rustig en beleefd. Vandaar dat hij heel netjes vroeg: ‘Ik hoop dat u tijd voor me heeft.’ ‘Dat ik u stoor, dat doet me spijt. Maar ik heb zoiets raars gezien. Heeft u even tijd om met me mee te kijken, misschien?’ Uil mompelde: ‘Het is al goed. Oké, oké. Ik roep mijn familie bij elkaar. En dan lopen we even met je mee.’ ‘Allemaal? ’riep Wally uit. ‘Dat vind ik raar.’ Uil zei toen heel gevat: ‘Twee weten meer dan een. En jij heb dus geluk gehad. Ik kom met vier en niet alleen.’ ‘We lossen elk raadsel op, goed en snel. Dat durf ik wel te beweren. Geheimen zijn voor ons kinderspel. Van ons kun je veel leren.’


Maar dat viel best wel tegen! De uilen wisten niet wat ze zagen. Ze werden zelfs verlegen. Eén kon de aanblik niet eens verdragen! Hij keek gauw weg van 't enge dier, zo groot en harig en onbekend. Hij piepte: ‘Zo’n rare snuiter hier. Dat ben ik niet gewend!’ ‘Stuur hem maar gauw weer weg naar zijn eigen moederland. Hij heeft gewoon de pech Dat hij hier is beland.’


Wally zei boos: ‘Ik stuur hem niet naar huis. Ik kwam hier ook als vondeling en nu is dit bos mijn thuis. Dat gun ik ook deze vreemdeling.’ Uil zei: ‘Wat komt hij doen, wat wil hij dan? Hij voelt zich hier nooit thuis. En hij heeft vast een naar plan. Echt, er is hier iets niet pluis.’ Inmiddels was het hele bos ontwaakt en op de herrie afgekomen. De vreemdeling werd nu goed bewaakt door alle dieren tussen de bomen.


De wijze uilen wisten zich geen raad. Ze overlegden druk met elkaar. ‘Ach, zo’n schattig dier doet echt geen kwaad. En vormt vast geen enkel gevaar.’ ‘Toch wel,’ krijste Kip, die woest kwam aangesneld. ‘Ik heb een gouden tip. Hij heeft mijn ei gepeld.’


Onder haar kontje hing een stukje schaal van wat eens haar ei was geweest. ‘Eh. .. daar ging ik mee aan de haal,’ zei jonkie Vos zacht en bedeesd. ‘Het was zo mooi en bruin en rond. Voor ik het wist zat het in mijn poot. Daarna zat het ineens in mijn mond. En eerlijk gezegd: ik genoot!’ Ma Vos werd van schaamte rood. Ze sloeg haar staart voor haar gezicht. ‘O, ik schaam me echt helemaal dood. Voor dit rare overlijdensbericht.’ Vader Vos keek ineens vol verlangen naar dat lekkere reuze konijn. ‘Als ik het dier voor Pasen kon vangen zou dat een heerlijk feestmaal zijn!’


De gouden reus met rieten mand snapte niets van al het gekrakeel. Hij wapperde met zijn hand en riep: ‘Wat zijn jullie met veel.’ ‘Echt lief hoor, dat jullie mee willen doen. Samen verstoppen we mijn spullen in het mooie lentegroen. Maar je mag er niet van smullen.’ ‘Natuurlijk niet, dat ei is voor mij,’ klonk het schel van bovenaf. Krijsend kwam Meeuw dichterbij. ‘Dat wezen daar verdient straf.’ ‘Hoe kan het dat hij eitjes heeft? Ik zie ze liggen in zijn mand. Ik wil dat hij ze aan mij geeft. Dan broed ik verder op het strand.’


Fel haalde meeuw uit naar het konijn. Woedend pikte ze naar de harige kop. Maar toen – met veel venijn – brulde Wally: ‘STOP!’ ‘Hou op, doe niet zo rot.’ Maar zijn kreet kwam te laat. De dierenkop was al kapot. En kijk eens wat daar nou staat! Een mens in een hazenpak, verbijsterd en bedeesd. Plots zijn alle dieren mak. Wat zijn ze stom geweest! Zij waren bang of stoer of dom. En dat maakte die vreemdeling raar. Hij is geen dief, niet eng of stom. Hij speelt gewoon de paashaas maar!


Mijn naam is haas