Page 1


De vergeten wonderen uit de Bijbel De wonderen van Christus

1


2


D av i d M aasbach

Gazon Uitgeverij Apeldoornselaan 2, 2573 LM Den Haag, Nederland Telefoon 070-3469729 Fax 070-3107111 E-mail info@bijbelhuis.nl Website www.bijbelhuis.nl

3


4


Voorwoord Ongetwijfeld heeft Jezus duizenden wonderen verricht die niet allemaal in de Bijbel beschreven zijn. De wonderen die ik voor dit boek heb uitgekozen, zijn de wonderen die Jezus heeft gedaan betreffende genezing. Het zijn slechts een aantal voorbeelden die wij hebben die model zouden kunnen staan voor de toepassing van Goddelijke genezing in onze dagen, door de gaven van de Geest! De Bijbel zegt in Hebreeën 13:8: ‘Jezus Christus was, is en blijft voor altijd Dezelfde.’ Dit boek draag ik met liefde op aan onze kinderen: - Queeny Jesselyn - Priscilla Alissa - John-Henry De nieuwe generatie! ‘U moet ze uw kinderen inprenten en erover praten als u thuis bent of buiten loopt. Ja, ook tijdens het opstaan en naar bed gaan.’ - Deuteronomium 6:7 David Maasbach

5


Copyright © David Maasbach Alle rechten voorbehouden Redactie Irene van der Heijden Opmaak Elly Lo Correcties Gerie van der Dussen Uitgever Gazon Uitgeverij Omslagontwerp Danny Grootveld De aangehaalde Bijbelteksten zijn ontleend aan de vertaling van Het Boek. CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG Maasbach, David De vergeten wonderen uit de Bijbel / David Maasbach, ‘s-Gravenhage. Gazon Uitgeverij, ‘s-Gravenhage; ISBN 978 906 442 109 9 Trefwoorden: Geloofsopbouw / Bijbelstudie NUR 707

6


Inhoud 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21

7

De melaatse De dienaar van de hoofdman De bezeten man in de synagoge De schoonmoeder van Petrus De jongen uit Na誰n De bezeten man op de begraafplaats De verlamde man die door het dak werd neergelaten De bloedvloeiende vrouw De dochter van Ja誰rus De twee blinde mannen De verlamde man bij het badwater van Bethesda De blindgeboren man De opwekking van Lazarus De bezeten dochter van de Kananese vrouw De doofstomme man De blinde man te Bethsa誰da De kromme vrouw in de synagoge De epileptische jongen De waterzuchtige mens De blinde Bartime端s De tien melaatsen

9 15 21 25 31 37 47 53 57 61 63 69 75 87 93 97 101 105 113 117 121


8


Hoofdstuk 1

De melaatse ‘In één van de stadjes waar zij kwamen, viel hun oog op een man die zwaar melaats was. Toen de man Jezus zag aankomen, viel hij voor Hem neer met zijn gezicht in het stof. Here, smeekte hij, als U wilt, kunt U mij genezen. Jezus stak Zijn hand uit, raakte de man aan en zei: Natuurlijk wil Ik dat. Wees genezen van deze ziekte. En de melaatsheid verdween onmiddellijk. Jezus zei dat hij er met niemand over mocht praten. Ga naar de priester en laat u onderzoeken. Doe wat in de wet van Mozes staat en breng het offer voor de genezing van melaatsheid. Dan zal niemand kunnen ontkennen dat u genezen bent. Toch wist iedereen binnen de kortste tijd wat voor kracht er van Jezus uitging. Van alle kanten stroomden de mensen toe om te luisteren naar wat Hij zei en om genezen te worden.’ - Lukas 5:12-15 Een grote menigte stroomde samen om Jezus te horen spreken op de berg der zaligsprekingen, zoals dat heet. Daar heeft Hij de mensen enkele bijzondere waarheden geleerd aangaande gerechtigheid. De berg der zaligsprekingen ligt ten noorden van Kapernaüm. De plaats lijkt erg veel op een amfitheater en wordt vaak getoond aan de toeristen op hun toer. Er wordt ons gezegd dat de mensen versteld stonden van Zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als een schriftgeleerde. Op een afstand was er een melaatse die Jezus volgde en niet onder de menigte durfde te komen. De reiniging van 9


deze melaatse man door Jezus openbaart ons een paar belangrijke lessen aangaande genezing. De ziekte die deze man tergde, was de verschrikkelijkste ziekte van die tijd: melaatsheid. Het was een beangstigende ziekte, want buiten Jezus om was er geen enkele mogelijkheid op overleving. De melaatsheid uit de dagen van de Bijbel tastte je hele wezen aan. Er was geen kuur en geen behandeling mogelijk; je was gedoemd te sterven. De melaatse die tot Jezus kwam, vertegenwoordigt de ellendige, miserabele, wanhopige toestand van de ziel, vervloekt door de ziekte die zonde heet. De ziel is ziek en verlaten zonder God, waarbij er geen hoop is op overleving. De situatie van die melaatse was beklagenswaardig! Hij moet ongetwijfeld in zijn zorgeloze jeugd hebben uitgezien naar de vele gelukkige jaren die voor hem lagen. Maar op zekere dag bemerkte hij een klein rood vlekje op zijn huid. De angst sloeg hem om het hart toen hij de daarop volgende dagen de infectie op zijn huid in rap tempo zag verspreiden. Anderen begonnen het nu ook op te merken, waarop de man genoodzaakt was om voor inspectie naar de priesters te gaan. Daar werd zijn angst bewaarheid: hij was melaats! Ogenblikkelijk moest hij huis en haard verlaten om zijn dagen te slijten als een levende dode. Nooit zou zijn hand ooit nog een van zijn geliefden aanraken. Als iemand hem zou naderen, moest hij uitroepen: ‘Onrein! Onrein!’ Melaatsen waren gedoemd om rond te zwerven en verworpen te worden door de maatschappij tot de dag van hun dood. 10


Maar op zekere dag hoort hij iets waardoor er een sprankje hoop in zijn binnenste opspringt. Er deed een gerucht de ronde dat er een man was met de naam Jezus die in staat zou zijn om zieke mensen te genezen. Zou het mogelijk zijn dat hij, een melaatse, ook door Jezus genezen kon worden? De man durfde zich niet onder het volk te begeven, want dat was ten strengste verboden. Maar op een afstand wachtte hij op het juiste ogenblik om tot Jezus te gaan. Terwijl de menigte haar weg naar huis zocht, ging Jezus met Zijn discipelen bergafwaarts naar Kapernaüm. In een fractie van een seconde zag hij zijn kans schoon om bij Jezus te komen en viel voor Zijn voeten neer om Hem te aanbidden. Aanbidding is de ware benadering voor genezing! Vandaag zijn er vele methoden van benadering, zoals: positief denken, stralen, de bediening van engelen, kracht over materie enz. enz. Maar al die methoden trekken alleen maar de aandacht weg van de ware Heelmeester, Jezus Christus. Het heeft geen nut om voor genezing te komen, als je niet gewillig bent om Jezus te aanbidden. Iedereen die ziek is, wil genezen worden, maar genezen worden om God te verheerlijken, is iets anders. De melaatse had maar één ding aan Jezus te geven, en dat was zijn aanbidding. Daarom viel hij neer voor de voeten van Jezus. Op datzelfde moment maakt hij zich gereed om zijn vraag aan Jezus voor te leggen, en het eerste wat hij zegt is: ‘Here!’ Hij noemt Jezus ‘Here’! Dat woord betekent eigenlijk: ‘Meester’. Zij die voor genezing komen, moeten Jezus 11


erkennen als Heer, als Meester, als Zoon van God. Als Heer der heren en Koning der koningen! Nadat de melaatse Jezus erkende als Heer, komt hij met zijn vraag: ‘Here, als U wilt, kunt U mij genezen.’ - Lukas 5:12 Hier leren we een belangrijke les. De melaatse had geen enkele twijfel of Jezus bij machte was om hem te genezen van zijn melaatsheid, maar omdat hij niet kon weten of Jezus hem wel wílde genezen, zei hij: ‘Als U wilt…’ Iedereen die vandaag een Bijbel bezit, heeft echter beslist geen enkel excuus om bij ziekte hetzelfde te vragen aan Jezus. De belofte van genezing en een gezond leven was al aan de kinderen van Israël gegeven op de dag dat zij uit Egypte werden bevrijd. ‘Als u naar de stem van de HERE, uw God, luistert, Hem gehoorzaamt en doet wat recht is in Zijn ogen, zal Ik u niet laten lijden onder de straffen die Ik de Egyptenaren heb gegeven. Want Ik, de HERE, ben uw Heelmeester.’ - Exodus 15:26 ‘U zult alleen de HERE, uw God, vereren. Als u dat doet, zal Ik u zegenen met brood en water en de ziekten bij u wegnemen.’ - Exodus 23:25 ‘De HERE zal ook alle ziekten voor u afweren en u niet laten lijden aan de ziekten uit Egypte, die u zo goed kent; Hij zal ze naar uw vijanden sturen!’ - Deuteronomium 7:15

12


De belofte van genezing van al onze ziekten staat naast de belofte van vergeving van al onze zonden in de Psalmen. ‘Mijn ziel, prijs de HERE en vergeet vooral nooit wat Hij allemaal voor goeds heeft gedaan. Hij vergeeft mij al mijn zonden en geneest mij van elke ziekte.’ - Psalm 103:2-3 Als de belofte van God niet inhoudt: AL onze ziekten, dan kan het ook niet inhouden: AL onze zonden. Om deze belofte te proberen aan te passen aan ons beperkt geloof, is een belediging voor God. Te meer omdat het Nieuwe Testament in overvloed de belofte van genezing aanhaalt. ‘De mensen die het geloven, zullen hieraan te herkennen zijn: (...) zij zullen zieke mensen de handen opleggen en genezen.’ - Markus 16:17-18 Jezus geeft ons eens en voor altijd een overduidelijk antwoord op de vraag van de melaatse: ‘Natuurlijk wil Ik dat. Wees genezen van deze ziekte.’ - Lukas 5:13 Onmiddellijk werd de man genezen en terstond verliet de melaatsheid hem! De afschuwelijke ziekte die van hem een verschoppeling had gemaakt, verdween als sneeuw voor de zon en zijn huid werd zo schoon en mooi als dat van een kind.

13


14


Hoofdstuk 2

De dienaar van de hoofdman ‘Nadat Jezus was uitgesproken, ging Hij het plaatsje Kapernaüm in. Een hoofdman van het Romeinse leger had een dienaar die veel voor hem betekende. Die dienaar was ernstig ziek geworden en lag op sterven. Toen de hoofdman over Jezus hoorde, stuurde hij enkele voorname Joodse burgers naar Hem toe met de vraag of Hij wilde komen om zijn dienaar te genezen. Zij kwamen bij Jezus en vroegen Hem dringend of Hij wilde meegaan om de man te helpen. Als er één is die verdient dat U hem helpt, is hij het wel! zeiden ze. Hij houdt van ons volk en heeft zelfs op eigen kosten een synagoge voor ons laten bouwen. Jezus ging met hen mee. Maar toen Hij bijna bij het huis was, stuurde de hoofdman een paar vrienden naar Hem toe met de boodschap: Here, ik wil het U verder niet lastig maken. Ik ben het niet waard dat U in mijn huis komt. Daarom heb ik het ook niet gedurfd zelf naar U toe te komen. Eén woord van U is genoeg om mijn dienaar te genezen. Want ik moet doen wat mijn overste zegt. En mijn soldaten moeten doen wat ik zeg. Als ik tegen de één zeg: Ga, gaat hij. En tegen de ander: Kom, komt hij. En zeg ik tegen mijn dienaar: Doe dit, dan doet hij het. Jezus was verbaasd. Hebt u dat gehoord? zei Hij tegen de mensen die met Hem waren meegekomen. Nergens in Israël heb Ik iemand ontdekt die zoveel vertrouwen in Mij heeft! De vrienden van de hoofdman gingen het huis weer binnen en zagen dat de dienaar helemaal genezen was.’ - Lukas 7:1-10 15


Er wordt ons verteld dat nadat Jezus Zijn boodschap van zaligsprekingen had gebracht, Hij de stad Kapernaüm binnenging en ontvangen werd door een delegatie van Joodse ouderlingen. Zij vertelden Hem dat een dienaar van een zekere hoofdman ernstig ziek was en op sterven lag. Het is goed om te weten dat deze hoofdman een Romein was en geen Jood. Hij was waarschijnlijk een officier in het leger van Herodes en had gehoord van de genezingen die hadden plaatsgevonden door Jezus. De hoofdman had wel respect en eerbied voor het Joodse geloof. Hij had hen immers van zijn eigen geld een prachtige Joodse synagoge gebouwd en daarmee blijkbaar hun erkentelijkheid en dankbaarheid weten te winnen. Het eerste wat aan deze hoofdman opvalt: hoewel hij een Romein en een heiden was, stond zijn hart open en had hij geloof in de God van Israël. De Romeinen hadden op het moment van deze gebeurtenis Israël in een houdgreep en regeerden het met een ijzeren vuist. Maar deze hoofdman, die een zekere mate van gezag en autoriteit had, toonde grote liefde voor het Joodse volk. Een Romeinse hoofdman zou onder normale omstandigheden nooit een synagoge bouwen, maar omdat hij dit om de een of andere reden wel had gedaan, was zijn situatie uitzonderlijk en zeiden de Joodse ouderlingen tot Jezus: ‘Hij is het waard!’ Hoewel goede werken een mens niet kunnen redden, laten zij vaak wel onze houding tegenover God zien. Er wordt ons verteld dat de hoofdman de dienaar erg op prijs stelde en dat het hem aan zijn hart ging dat deze man 16


ernstig ziek was en op sterven lag. Dit laat ons duidelijk zien dat de hoofdman vriendelijk en goedaardig was. Dit zijn eigenschappen die niet altijd gevonden werden in het Romeinse leger. Romeinse officieren werden getraind in strenge discipline om zonder pardon bevelen van hoger hand uit te voeren. Het is wonderbaarlijk dat een goed hart op onverwachte plaatsen gevonden kan worden. Deze hoofdman had een buitengewone zorg voor zijn dienaar. Toen de hoofdman zag dat zijn dienaar voor de deur van de dood stond, dacht hij aan Jezus en de geruchten van wonderen die hem ter ore waren gekomen. Maar omdat hij het niet fatsoenlijk vond dat hij als zondaar tot Jezus zou gaan, zond hij een delegatie van ouderlingen om Jezus uit te nodigen en zijn dienaar te genezen. De ouderlingen die de hoofdman schuldig waren voor het bouwen van hun synagoge, konden moeilijk zijn verzoek afslaan en gingen heen om Jezus te ontmoeten. Bij Jezus aangekomen, beschreven zij de hoofdman met zijn verzoek. ‘Zij kwamen bij Jezus en vroegen Hem dringend of Hij wilde meegaan om de man te helpen. Als er één is die verdient dat U hem helpt, is hij het wel! zeiden ze. Hij houdt van ons volk en heeft zelfs op eigen kosten een synagoge voor ons laten bouwen.’ - Lukas 7:4-5 In de ogen van deze Joodse mannen was een gift om het mogelijk te maken voor hen een synagoge te bouwen, wel het mooiste wat een mens kon doen. En daarom was hij het waard dat Jezus zou komen om zijn verzoek in te wil17


ligen. Goede werken zijn goed, maar zijn geen verdienste om genezing te ontvangen. Vaak vinden deze mensen dat God hen een gunst moet verlenen, omdat zij bijvoorbeeld een gift aan de kerk hebben gegeven, of zich uitermate hebben ingezet voor Gods werk, of de armen hebben geholpen. Al die dingen zijn natuurlijk goed, maar vormen geen basis om genezing van God te ontvangen. Genezing is een gift van God en ontvang je door het volbrachte werk van Christus op Golgotha, door wiens striemen je genezen bent! Jezus, niet ingaande op hun foute zienswijze, zei: ‘Ik zal komen om hem te genezen!’ Maar nu gebeurt er wel iets heel wonderbaarlijks. Terwijl de delegatie Jezus verzocht om te komen, begon de hoofdman te twijfelen, met de gedachte dat zij hem bij Jezus te hoog zouden aanschrijven vanwege zijn aandeel in de bouw van hun synagoge. Uit bezorgdheid zond hij een tweede delegatie tot Jezus met een nieuwe boodschap, zeggende: ‘Here, ik wil het U verder niet lastig maken. Ik ben het niet waard dat U in mijn huis komt. Daarom heb ik het ook niet gedurfd zelf naar U toe te komen. Eén woord van U is genoeg om mijn dienaar te genezen.’ - Lukas 7:7 Zijn nederige benadering is heel veelzeggend. Hij heeft in ieder geval meer inzicht en begrip hoe de zegen van God werkt, dan veel christenen vandaag. Niet door verdienste, maar door de genade en compassie van God ontvangen wij de zegen des Heren. In nederigheid strekt de hoofdman 18


zich in geloof tot Jezus uit ten behoeve van zijn dienaar. Zijn geloof strekt zich zo buitengewoon uit, dat hij gelooft dat alles wat Jezus hoeft te doen, slechts het spreken van één woord is, en zijn dienaar zal gezond worden. Wat een inzicht! Wat een geloof! Zijn eenvoudige en gezonde redenering was: hoewel hij maar 100 man onder zich had staan, kon hij met zijn beperkte autoriteit een bevel geven aan zijn manschappen, en ze zouden hem gehoorzamen. Als Jezus ‘Heer’ is over alle overheden en machten, zou Hij dan geen bevel kunnen geven dat uitgevoerd zou worden? De psalmist schreef: ‘Hij zond Zijn woord en genas hen.’ - Psalm 107:20 Dat is alles wat nodig is! Waar geloof is in God en Zijn Woord, kan God wonderen doen. Jezus zei: ‘Ik heb alle macht in hemel en op aarde gekregen.’ - Mattheüs 28:18 Het antwoord dat Jezus aan de hoofdman gaf, is zeer verhelderend. Hij zei: ‘Ga naar huis. Het gebeurt zoals u gelooft.’ - Mattheüs 8:13 Op datzelfde moment werd de dienaar genezen. Maar dat was niet alles wat Jezus zei. Hij prijst het geloof van de hoofdman en zegt daarover iets opmerkelijks: 19


‘Nergens in Israël heb Ik iemand ontmoet die zoveel geloof heeft!’ - Mattheüs 8:10

20


Hoofdstuk 3

De bezeten man in de synagoge ‘Jezus en Zijn metgezellen kwamen in Kapernaüm aan. Op zaterdag (de plechtige rustdag die de Joden ‘sabbat’ noemen) ging Hij naar de synagoge en sprak de mensen toe. Zij waren verbaasd, want Hij sprak als iemand die wist waarover Hij het had. Dit was iets heel anders dan zij gewend waren. In die synagoge was een man met een boze geest. Hij begon te schreeuwen: Wat komt U doen, Jezus van Nazareth? Waar bemoeit U Zich mee? Bent U van plan ons kapot te maken? Denkt U dat ik niet weet wie U bent? U bent de Zoon van God! Zwijg, zei Jezus tegen de boze geest. Ga onmiddellijk uit die man! De boze geest rukte en trok aan de man, gilde vreselijk en verliet hem. De mensen keken hun ogen uit en begonnen opgewonden te praten. Zoiets hebben wij nog nooit gehoord. Hier staat gezag achter! Deze Jezus zegt tegen de boze geesten dat zij moeten gaan en ze gaan nog ook!’ - Markus 1:21-27 In rap tempo verspreidde zich overal in de hele omgeving het nieuws van alle wonderen die Jezus deed. Spoedig zou Jezus de stad verlaten vanwege de grote menigte mensen die een wonder nodig had. Maar op deze sabbat ging Hij naar de synagoge, waar Hij uitgenodigd was om te spreken. Het hoofd van de synagoge was een man genaamd Jaïrus. In tegenstelling tot vele andere Joodse leiders, was deze Jaïrus vriendelijk ten opzichte van Jezus. Later, wanneer de dochter van Jaïrus ernstig ziek was en op sterven lag, en in feite stierf voordat Jezus haar kon bereiken, heeft 21


Jezus haar opgewekt uit de dood. Op deze bijzondere sabbat toen Jezus voor het eerst Zijn intrede deed in deze synagoge, zat deze vol met mensen. Het gerucht van deze Man, dat Hij de kracht had om te genezen, was al wijd en zijd verspreid. Er is geen twijfel mogelijk dat de genezing van de melaatse man de ronde had gedaan door de hele stad en omgeving. Daarom zat de synagoge al om negen uur ‘s morgens stampvol! Petrus, Andreas en de vrienden van de ZebedeĂźs familie waren er ook. Jezus kwam binnen en nam stilletjes Zijn plaats in, ergens tussen de menigte. De leider van de synagoge stond op en opende in gebed. Een rabbi las uit de boekrollen en Jezus werd uitgenodigd om naar voren te komen. Hij aanvaardde de uitnodiging en liep naar voren. Terwijl ieders oog op Hem gericht was, sprak Hij hen toe als gezaghebbende en niet als schriftgeleerde. Maar plotseling werd Hij midden in Zijn boodschap onderbroken door een man in de menigte die zichzelf niet meer onder controle had en de orde hevig verstoorde. Elke spreker weet hoe vervelend het is als de aandacht wordt weggetrokken en de dienst verstoord wordt. Bij Jezus is dit geen uitzondering! Hij ondervond dezelfde hinder, problemen en overlast als elke spreker. Er was een geschreeuw en iedereen keerde zich van Jezus af en keek verbaasd naar de man die als een gek stond te schreeuwen. Deze persoon was bezeten door demonen en schreeuwde: 22


‘Wat komt U doen, Jezus van Nazareth? Waar bemoeit U Zich mee? Bent U van plan ons kapot te maken? Denkt U dat ik niet weet wie U bent? U bent de Zoon van God!’ - Markus 1:24 Het bezeten zijn door demonen is een reëel probleem. Vreemd genoeg ontkennen vele wetenschappers en theologen vandaag de realiteit van demonen en zien deze als fabeltjes. Al de psychische vertoningen zien zij als fantasieën van de menselijke gedachten of geest. Als deze mensen de zieken zouden benaderen zoals Jezus dat deed, en hen die door de duivel overweldigd zijn, zouden genezen, zouden ze anders praten en denken over demonen. Demonen zijn een verschrikkelijke realiteit voor hen die in hun handen zijn gevallen. De activiteiten van demonen op deze aarde zijn zo wijd verspreid, dat iemand die de naam ‘christen’ draagt en demonen ontkent, een ongelooflijke onkunde laat zien. Het brullende geschreeuw van de demon in de synagoge is van voldoende belang om te noteren. Twee volkomen tegenover elkaar staande geesten kwamen hier in botsing. De ene was puur, rein en reflecteerde de heiligheid van de hemel. De andere was goddeloos, boos, onheilig en verbonden met het kwaad. De twee geesten waren in totale disharmonie. Dat is ook precies de reden dat er geen enkel samengaan mogelijk is tussen de burgers van de hemel en de hel. De aanwezigheid van de een, betekent automatische benauwdheid voor de ander. En als dat wat heilig is sterker is, zal de boze ervan wegvluchten. In dit geval riepen de demonen tot Jezus om hen met rust te 23


laten en niet te vernietigen. De bezeten man is misschien wel eens eerder in de synagoge geweest, maar in een lome atmosfeer was er niets wat hem stoorde. Maar toen Jezus binnenkwam, was het anders. Hij die het Licht der wereld is, kwam in hun tegenwoordigheid, en het verblindende Licht verblindde hen. Demonen zijn heel fijngevoelig als het gaat om de tegenwoordigheid van Goddelijke kracht! Dat weet ook iedere prediker die met hen te maken heeft gehad. Boze machten raken totaal overstuur wanneer een gezalfde Godsman of -vrouw in hun nabijheid komt. Ze kronkelen en spartelen van benauwdheid wanneer de Heilige Geest van God Zich manifesteert. Onmiddellijk herkende Jezus de bron van deze verstoring. Terwijl Hij Zijn boodschap voor een moment onderbrak, bestrafte Hij de demon en beval hem om uit die man te komen. De kracht van de hemel sloeg de demon als een elektrische schok en de demon viel stuiptrekkend en schreeuwend op de vloer. Het gebeurt vaak dat demonen schreeuwen naar hen die hen uitwerpt. Maar nu was het allemaal voorbij! De man stond in hun midden en had een volkomen gezond verstand. Hij was totaal genezen!

24


Hoofdstuk 4

De schoonmoeder van Petrus ‘Uit de synagoge ging Hij naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder lag met hoge koorts in bed. Haar huisgenoten vroegen Jezus of Hij haar wilde genezen. Hij kwam bij haar bed staan en zei dat de koorts moest verdwijnen. Haar temperatuur werd onmiddellijk normaal. Zij stond op en maakte eten voor Jezus en de anderen klaar.’ - Lukas 4:38-39 De samenkomst in de synagoge was afgelopen en de mensen bleven nog even na om met elkaar te praten over de wonderbare bevrijding die daar zojuist had plaatsgevonden. Jezus vertrok daar echter onmiddellijk en werd vergezeld door Petrus, Johannes, Jakobus en Andreas, op weg naar het huis van Petrus. Archeologen hebben niet lang geleden naast de synagoge een huis opgegraven waarvan men zegt dat die van Petrus is geweest. Of dit werkelijk hetzelfde huis is, weet ik niet, maar zijn huis was dicht bij de kust en waarschijnlijk ook dicht bij de synagoge. Jezus begreep dat Hij na dit wonder niet in de synagoge kon blijven, anders zou er binnen een mum van tijd een rij zieke mensen voor Hem staan om genezen te worden. Maar al gauw zou er weer een beroep op Hem gedaan worden om iemand te genezen, want in het huis van Petrus bevond zich een zieke vrouw. Het was de schoonmoeder van Petrus die met hoge koorts op bed lag! Ze kon die morgen niet naar de samenkomst 25


in de synagoge vanwege haar ziekte. Toen Jezus en Zijn gezelschap bij het huis aankwam, was de koorts erg hevig. Petrus, die die morgen getuige was van het wonder van de bevrijding van de bezeten man, liet er geen gras over groeien en smeekte Jezus om zijn schoonmoeder te genezen. Het is belangrijk om notitie te maken op welke manier Jezus haar genas. Hij bad niet voor haar, maar deed twee dingen: 1) Hij nam haar bij de hand; 2) Hij bestrafte de koorts. Er schuilt iets belangrijks in het opleggen van handen op de zieken door een gezalfde dienstknecht van God. Er is een stroom van genezende kracht, zoals in het verhaal van de vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed in Lukas 8:43-48. In de grote opdracht die Jezus aan Zijn discipelen gaf, zegt Hij: ‘... zij zullen zieke mensen de handen opleggen en genezen.’ - Markus 16:18 Het is goed om te weten dat het opleggen van handen niet een noodzakelijk vereiste is om genezing van God te ontvangen. Het is echter wel bevorderlijk en zet de tijd voor genezing vast. Ons wordt hier verteld dat Jezus de koorts bestrafte. Jezus zag een geest van onderdrukking waardoor deze vrouw hoge koorts had, en in plaats van te bidden, voert Hij het gezag uit door bevrijding te gebieden. Gewoonlijk vindt koorts zijn oorsprong in een virus of infectie. De fysieke reactie van het lichaam op het virus of de infectie maakt dat de temperatuur gaat stijgen, waardoor 26


de patiĂŤnt zich beroerd en zwak voelt. En deze beroerde en zwakke situatie van de zieke is de meest gunstige positie voor boze machten om de mens te onderdrukken. De eerste stap die we daarom moeten zetten bij een ziekte als deze, is de geest van onderdrukking bestraffen. Wanneer de persoon bevrijd is van de geest van onderdrukking, zal het ingewortelde genezingsproces van het lichaam het systeem weer in de normale conditie brengen. De schoonmoeder ontving onmiddellijke genezing toen de stroom van kracht door haar lichaam stroomde, en op datzelfde moment verliet de koorts haar. Op het bevel om op te staan, kwam zij direct uit bed en hielp mee om het eten voor te bereiden. Hier enkele opmerkelijke punten. Ten eerste: geloof is een handeling! Als geloof je vastgrijpt, dan is het belangrijk het te voeden met een handeling. Vele mensen hebben in geloof hun handen op de belofte van God gelegd en, hoewel ze nog geen enkele verandering voelden, hebben zij God gedankt voor hun genezing. In deze handeling van geloof ontvingen zij kracht en genezing. Deze waarheid is te zien in vele andere gevallen van genezing in de bediening van Jezus Christus. ‘Zij stond op en maakte eten voor Jezus en de anderen klaar.’ - Lukas 4:39 Dit is zo belangrijk! Wij zijn gered om te dienen! Helaas falen velen op dit punt. Zij willen genezing en bevrijding ontvangen, maar alleen zodat zij naar hun oude levenswijze kunnen terugkeren. Dit is gevaarlijk, omdat men 27


daarmee de fundamentele wetten van het leven overtreedt. Het is op z’n zachtst gezegd vreemd dat sommige mensen genezing willen ontvangen, waar Christus Zijn leven voor moest geven, om vervolgens geen enkele acht te slaan op de nood van anderen, maar enkel en alleen denken aan hun eigen, zelfzuchtige verlangens. Het is triest dat velen dit doen. Op hetzelfde moment ontstond er in Kapernaüm een groeiend enthousiasme. De gebeurtenis in de synagoge ging als een lopend vuurtje door de stad heen. Er waren vele andere zieken die ook genezing nodig hadden. Daarom ontstond er een hype onder het leger van zieke mensen die door het nieuws van de genezing van de bezeten man ook hoop kregen om genezen te worden. Maar het was sabbat en de regels zeggen dat je dan niet mag reizen. Toen de zon echter eenmaal onderging, vergaderde zich een menigte voor de deur van Petrus’ huis, en zij hadden alle zieken meegenomen die naar genezing verlangden. Moet u zich eens voorstellen: al die zieken samen voor de deur van het huis van Petrus! De aanblik alleen al moet het hart van ieder mens doen smelten. Hoeveel leed, somberheid, bedroefdheid en smart kan ziekte wel niet brengen in een gezin. De hoeveelheid zieken in ons eigen land is vandaag ook ontelbaar. Grote ziekenhuizen en klinieken zijn gebouwd om humanitaire hulp te verlenen aan de vele zieken met hun krankheden. Velen stappen door de deur van zo’n ziekenhuis of kliniek, om niet meer met de adem des levens in hun binnenste terug te keren. 28


Daar lagen zij voor de deur van het huis van Petrus. De kreupelen, de lammen, de blinden, de doven, de stommen, de bezetenen, de ongeneeslijk zieken enz. enz. enz. En zij wachtten totdat Jezus hen zou genezen. ‘Daarmee werd werkelijkheid wat de profeet Jesaja had gezegd: Hij heeft onze kwalen op zich genomen en onze ziekten.’ - Mattheüs 8:17 In de Bijbel zien we dat Jezus de zieken genas, omdat Hij de ziekten van het menselijke ras op Zich heeft genomen en gedragen heeft aan het kruis. Het Woord in Mattheüs 8:17 is niet van een mens, maar van de Heilige Geest die dit al gesproken heeft in Jesaja 53:4, waarna Hij dit in het volgende vers bevestigt met de woorden: ‘Hij werd geslagen en daardoor werden wij genezen!’ - Jesaja 53:5 Het duurde waarschijnlijk wel tot in de nacht voordat de laatste in de gebedsrij aan de beurt was om genezen te worden. De Bijbel zegt dat Hij de boze geesten uitdreef met Zijn woord en Hij genas iedereen die ziek was. ‘Hij legde Zijn handen op hen en genas hen allemaal. Het deed er niet toe wat voor ziekte het was. Ook joeg Hij uit vele mensen boze geesten weg.’ - Lukas 4:40-41

29


30


Hoofdstuk 5

De jongen van Naïn ‘De volgende dag ging Jezus met Zijn discipelen naar het dorp Naïn. Zoals gewoonlijk liepen er drommen mensen achter Hem aan. Bij de poort van het dorp zag Hij een lange begrafenisstoet aankomen. De dode was de enige zoon van een vrouw, die ook haar man al had verloren. Toen Jezus de vrouw zag, kreeg Hij diep medelijden met haar. Huil maar niet, zei Hij. Hij liep naar de baar en legde Zijn hand erop. De dragers bleven stil staan. Jongen, zei Hij, word weer levend. De dode jongen ging zitten en begon te praten. Jezus zei tegen de moeder: Hier is uw zoon weer. Er ging een golf van ontzag door de mensen. Zij eerden en prezen God. Wat een geweldige profeet heeft God naar ons toegestuurd! Vandaag hebben wij gezien wat God kan doen! zeiden zij. Het nieuws over wat gebeurd was, ging door heel Judea en de omliggende streken.’ - Lukas 7:11-17 Door al die genezingen begon zich rondom Jezus een grote menigte te verzamelen. Met elk wonder werd het enthousiasme groter. De Heer zag dat Hij op de een of andere manier weg moest zien te komen, voordat de grote menigte onbestuurbaar zou worden. Maar zelfs als Hij Zijn toevlucht zocht in woestijngebieden, volgden de mensen Hem. Zo was het ook de dag na weer een geweldig wonder. Jezus en Zijn discipelen stapten in de boot om hun weg te vervolgen naar het meest zuidelijke punt van het meer van Galilea, waar de stad Naïn lag. Deze stad ligt niet ver weg van de plaats waar de waarzegster van Endor eens leefde, 31


waar koning Saul naartoe was gegaan voor raad. Terwijl ze hun boot achterlieten, vervolgden zij hun weg naar de stad, waar zij ergens in de middag aankwamen. Naïn kun je vandaag vanaf de snelweg zien, en de aanblik zal niet veel anders zijn dan in de dagen van Jezus. Een toeschouwer in die tijd, op een heuvel dicht bij de stad, moet een heel interessante gebeurtenis hebben gadegeslagen. Aan de ene kant een stoet met Jezus en Zijn volgelingen die de poort van de stad naderden, en aan de andere kant een stoet die de poort van de stad uitging. Het was niet te voorkomen dat de twee stoeten elkaar op een gegeven moment zouden kruisen. De stoet die de stad uitging, was een begrafenisstoet die op weg was naar een oude begraafplaats, die in feite vandaag nog altijd bestaat. De plaats ligt ongeveer anderhalve kilometer buiten de stad. Op dat moment waren alle stukken van een groot drama samengevoegd, en het gordijn, zo dachten de rouwenden, zou vallen over een droevig verhaal. Op zeker moment leefde in die stad een gerespecteerde familie, een man, een vrouw en een zoon. Hun toekomst zag er schitterend uit, maar een vreselijke tragedie zou hun huis treffen. Op zekere dag werd de vader ziek en kwam te overlijden. De zoon, die net een jongeman was geworden, was mama’s enige steun. Maar ook hij kreeg een fatale ziekte en, ondanks mama’s lieflijke zorg, overleed hieraan. De moeder was overmand door pijn en verdriet, maar er zat niets anders op dan de begrafenis voor te bereiden. Toen alles gereed was, volgden zij en de mensen van het 32


dorp de begrafenisondernemer naar de begraafplaats. Maar vreemd genoeg zou de begrafenisstoet zijn bestemming nooit bereiken, want onderweg zouden ze Jezus, de Prins van het Leven, ontmoeten. En wanneer Zijn woord van Leven zou uitgaan, zou het niet leeg wederkeren, maar de dode doen opstaan uit de dood. In de Bijbel zien we verschillende malen het wonder van de opstanding uit de dood, en in bijna alle gevallen betreft het jonge mensen. De jongens die Elia en Elisa uit de dood opwekten, waren nog in hun jeugd. Ook de dochter van Ja誰rus was nog jong. We nemen aan dat Lazarus ook nog jong was, omdat geen van zijn zussen, Martha en Maria, reeds getrouwd waren. Jezus was ook nog maar 33 toen Hij door Zijn Vader uit de dood werd opgewekt! Ook Eutychus, die van het vensterbank naar beneden viel en door Paulus uit de dood werd opgewekt, was een jonge man. De anderen waren wat ouder, maar toch nog in de bloei van hun leven. Ondanks dat de belofte van genezing aan iedereen is gegeven zolang we leven op deze aarde, is de opstanding van de dood toch weggelegd voor speciale gevallen, en bijna in alle gevallen gebeurde dat in de lente van hun leven. Toen Jezus dichter bij de begrafenisstoet gekomen was, waren de rouwende mensen duidelijk te horen. Het was de gewoonte van de Joden om hun smart en verdriet voor de nabestaanden tot uitdrukking te brengen met luid gejammer. Begrafenissen zijn droevige gelegenheden, maar deze helemaal, want de weduwe had haar enige zoon verloren. 33


De discipelen onderbraken hun weg uit eerbied en respect voor de overledene in de passerende doodskist. De moeder, wier hart was gebroken, lette in haar pijn en verdriet niet op de Man die langs de weg stond. Het licht des levens was voor haar uitgedoofd. Maar voor de onwetende moeder waren de omstandigheden volledig op hun plaats en gereed voor een groot wonder, dat de hele stad op zijn kop zou zetten en wat niemand meer zou vergeten voor de rest van hun leven. De dood kon immers niet staan in de tegenwoordigheid van Hem die de Opstanding en het Leven is. Plotseling riep Jezus uit: ‘Huil maar niet.’ - Lukas 7:13 De stoet hield stil. Ontzet door de woorden van autoriteit, dachten sommigen waarschijnlijk: wie is hier zo respectloos dat hij de orde wil verstoren voor hen die de laatste eer willen bewijzen aan de dode? Aan de andere kant: als zij de ontferming en compassie zouden zien waarmee deze Man deze woorden gesproken had, zouden ze een ingeving kunnen hebben gehad dat er iets moois stond te gebeuren. De opstanding uit de dood is niet alleen bedoeld om verwondering op te wekken; het is bedoeld voor twee zaken: 1) Om het leven terug te geven aan iemand die te vroeg uit het leven is gegrepen; 2) Om God de Schepper te eren en te verheerlijken. Jezus kwam naderbij en raakte de doodskist aan. Met een stem vol autoriteit zei Hij:

34


‘Jongen, word weer levend.’ - Lukas 7:14 Dat woord klonk door de hele geesteswereld heen en bracht de geest die uit de jongeman was vertrokken, weer terug in zijn lichaam. De wetenschap laat zien dat er binnen een paar minuten na de dood al hersenbeschadiging optreedt, waarna de persoon hersendood is. Na de vele uren, of zelfs dagen, dat deze jongeman gestorven was, moest daar een wonder van compleet herstel plaatsvinden. Ook van de hersencellen die al onomkeerbaar verslechterd of zelfs dood waren. Maar alles vond plaats op één en hetzélfde ogenblik! De mens kan het proces van een wonder niet verklaren, net zo min als de schepping van de mens. Maar Jezus zegt: ‘Voor wie gelooft, is alles mogelijk.’ - Markus 9:23 Het was een zeldzame gebeurtenis van een ongelooflijk drama. Seconden lang gebeurde er niets. Het was muisstil en niets bewoog. Ieder oog was gericht op Jezus en de jongen, ofwel het Leven en de dood. Maar dan, plotseling, gebeurt het! Alsof hij uit een diepe slaap ontwaakt, staat de jongen op en begint te speken. Tranen van verdriet maken plaats voor tranen van uitzinnige vreugde. Wie kan de blijdschap van deze moeder beschrijven, die haar zoon weer levend en wel in haar liefdevolle armen heeft? Het doet overkomen als de oefening van de grote opstandingsdag, wanneer alle geliefden samengebracht worden om, in heerlijkheid verenigd, te genieten van het eeuwige leven. 35


36


Hoofdstuk 6

De bezeten man op de begraafplaats ‘Zij kwamen aan de overkant van het meer in het gebied van de Gerasenen. Jezus was nog maar net aan land gestapt of er rende een man op Hem toe die een boze geest in zich had. Hij woonde tussen de rotsgraven en was zo sterk dat niemand hem in bedwang kon houden. Men had hem vaak aan handen en voeten gebonden, maar hij rukte de kettingen en boeien dan gewoon stuk. Niemand kon iets met hem beginnen. Dag en nacht zwierf hij rond tussen de graven en ging ook vaak de bergen in. Hij liep altijd te schreeuwen en sloeg zichzelf met scherpe stenen. Toen hij Jezus zag aankomen, rende hij op Hem toe en viel voor Hem neer. Jezus zei tegen de boze geest, die in de man zat: Duivelse geest! Ga eruit! De geest begon vreselijk te krijsen: Waarom bemoeit U Zich met mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? In Gods naam, doe mij geen pijn! Hoe heet je? vroeg Jezus. Legioen, antwoordde de boze geest, want wij zijn hier met velen. En hij smeekte: Jaag ons niet ver weg! Wij willen in deze buurt blijven! Nu liep er op de helling een grote troep van zo'n 2000 varkens eten te zoeken. De boze geesten smeekten: Laat ons alstublieft in die varkens gaan! Stuur ons daar maar in! Jezus vond dat goed. De geesten kwamen uit de man en gingen in de varkens. Op hetzelfde moment stormde de hele kudde de helling af, het meer in. Ze verdronken allemaal. De varkenshoeders sloegen op de vlucht en vertelden overal wat zij hadden meegemaakt. Van alle kanten kwamen mensen naar Jezus toe om te zien wat er gebeurd was. Zij zagen de 37


man die een boze geest had gehad. Hij had nu kleren aan en was volledig bij zijn verstand. Zij werden bang. De mensen die het hadden gezien, vertelden hoe de boze geesten uit de man in de varkens waren gegaan. Nu ze allemaal wisten wat Jezus had gedaan, vroegen zij Hem dringend weg te gaan. Hij ging weer in de boot. De man die bezeten was geweest, zei dat hij graag met Hem meewilde, maar Jezus vond dat niet goed. Ga naar huis, zei Hij, naar uw familie en vrienden en vertel hun wat God voor u heeft gedaan, hoe goed Hij voor u is geweest.’ - Markus 5:1-19 Nadat Jezus de zoon van de weduwe had opgewekt uit de dood, ging Hij terug naar Kapernaüm. Maar blijkbaar niet voor lang, want Hij verzocht Zijn discipelen om in de boot te gaan en naar de overkant te varen. Onderweg was Jezus in het achterschip gaan liggen en viel in slaap, toen er een grote stormwind opstak. Overvallen door de zware storm, sloegen de golven zo hard tegen en in het schip, dat het dreigde te zinken. Uiteindelijk werd de storm zo hevig dat de discipelen in paniek naar Jezus vluchtten, die nog altijd in het achterschip lag te slapen, en riepen: ‘Meester, kan het U niets schelen dat wij vergaan!’ - Markus 4:38 Wat zaten zij er in hun angst toch ver naast, want geen boot waar Christus Zich in bevond, is ooit gezonken! Hij stond op, bestrafte de wind en onmiddellijk werd het volkomen stil. Aan de overkant gekomen,werden zij geconfronteerd met een razernij, die precies leek op de woeste 38


storm die zij net op het meer hadden meegemaakt. Vlak bij de oever was er een begraafplaats. Twee mannen die met krankzinnigheid geslagen waren, terroriseerden de plaats en zwierven rondom de graven, terwijl ze zich pijnigden door zichzelf met stenen te slaan. Vele malen had men geprobeerd om hen te binden met ketenen en voetboeien, maar tevergeefs, want elke keer trokken zij die stuk en vernielden zij die. De ene bezetene was nog gevaarlijker en agressiever dan de ander, en niemand was bij machte hen te bedwingen. Dit verhaal gaat grotendeels over de meest wanhopige van de twee. Het is een wonderbaarlijk verhaal van de bevrijding van een van de twee, die bezeten was met een legioen van demonen. Als Jezus deze man ontmoet, verandert er onmiddellijk iets in zijn houding. Meteen erkennen de demonen Jezus als degene die heerschappij over hen heeft. Met de ondergeschikte houding die zij aannemen, hopen zij dat Jezus hen niet in gevangenschap zal zenden naar de poel van zwavel en vuur. We zien hier een unieke gebeurtenis in de vorm van een samenspraak tussen een heilig en een onheilig wezen. De man in wie de demonen waren, valt in een houding van aanbidding voor de voeten van Jezus neer, terwijl hij met een luide stem uitroept: ‘Waarom bemoeit U Zich met mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? In Gods naam, doe mij geen pijn!’ - Markus 5:7

39


Het is twijfelachtig of de man zelf enig idee had wat er gaande was en wat hij zei, want de demonen hadden volledige heerschappij over hem. Wanneer dit soort mensen bevrijd worden, weten zij vaak niets over hun tijd van bezetenheid. Demonen zijn verdoemd en weten dat zij verloren zijn, daarom leven zij zonder hoop op redding. Zij willen hun staat van verdoemenis vergeten door bezit te nemen van de gedachten en lichamen van onheilige personen. Zij wensen in het geheel niet in de tegenwoordigheid te komen van een man van God, omdat het een pijniging voor hen is om herinnerd te worden aan hun onomkeerbare verloren staat. Daarom riepen zij toen Jezus naderde: ‘Wat wilt U van ons, Zoon van God? U hebt het recht niet ons nu al te kwellen!’ - Mattheüs 8:29 Demonen hebben geen enkel recht om een mens die God is toegewijd, te pijnigen. Als daar echter bepaalde grenzen worden overschreden, dan behoort een inbezitneming van demonen tot een reële mogelijkheid. Als je door zonde de grens overgaat, dan treed je namelijk buiten Gods bescherming. Demonen zijn snel van begrip en zullen hier meteen hun voordeel uithalen. Daarom zegt Jezus: ‘Als een boze geest uit iemand is weggegaan, zwerft hij door onherbergzame streken op zoek naar rust. Maar hij vindt geen rust en besluit naar die persoon terug te gaan. Als hij daar aankomt, ziet hij dat zijn oude woning helemaal schoon en opgeknapt is.’ - Lukas 11:24-25 40


In deze zaak vochten de demonen blijkbaar een punt van de wet aan of zij het recht hadden om in deze man te blijven of niet. Dit is eigenlijk wel een belangrijk punt. Een Godsman, hoe gezalfd ook, mag niet zomaar een vrijplaats binnenwandelen en klakkeloos duivels uitwerpen uit bezetenen. Degenen die in de winkel van de duivel neuzen, zullen ook met de duivel moeten dealen! Met andere woorden: als je opzettelijk de wetten des levens overtreedt en satan toelaat om in je te wonen, kun je hem niet zomaar afslaan als de deal je niet bevalt. Kijk maar naar Judas Iskariot en wat er van hem geworden is. Maar in het verhaal van de bezeten man werd het bezwaar van de demonen verworpen, en Jezus zei: ‘Duivelse geest! Ga eruit!’ - Markus 5:8 Als je met demonen te maken krijgt, is het belangrijk te weten of er één of meerdere in de patiënt zijn. In veel gevallen zien we dat er meerdere boze machten verenigd zijn in een persoon. Wanneer boze geesten goed en wel genesteld zijn, hebben zij de nare gewoonte om andere, sympathiserende geesten uit te nodigen om zich bij hen aan te sluiten, waardoor zij in staat zijn hun krachten te bundelen. Als niet al die geesten door de uitdrijver onderscheiden worden, kunnen er altijd geesten achterblijven, waardoor een persoon niet helemaal bevrijd wordt en gebonden blijft. In deze zaak zag Jezus dat de man bezeten was met vele geesten. Daarom eiste Jezus dat zij hun naam zouden onthullen. De demonen antwoordden:

41


‘Legioen, want wij zijn hier met velen.’ - Markus 5:9 De term ‘legioen’ stamt uit de tijd van de Romeinen en betekende een legerafdeling van 6.000 man sterk. Er waren dus zeer vele demonen in deze man, en het doel van Jezus was om de hele kolonie boze geesten eruit te gooien. Het opgeschreven gesprek tussen Jezus en de demonen geeft ons een goed inzicht waarom deze demonen deze man hadden bezet en ook wat hun uiteindelijke toekomst is. Eén ding is zeker: Jezus had gezegd dat demonen geesten zijn die door dorre plaatsen gaan om rust te zoeken. Zij zijn dus lichaamloze geesten die alleen maar rust kunnen vinden in een menselijk lichaam. Wanneer zij eenmaal in het lichaam zijn getreden, zijn zij in staat om tot op zekere hoogte te delen in de gewaarwording en zintuigen van het lichaam en de zintuigen te stimuleren tot in het extreme. Dat is de reden dat de geesten enorm uit hun doen waren toen Jezus hen naderde, met de bedoeling om hen uit te werpen en te sturen naar hun uiteindelijke woonplaats. Aangaande hun woonplaats schrijft Lukas dat zij vreesden om geworpen te worden in de poel van zwavel en vuur. ‘Wat wilt U van mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God! Doe mij alstublieft geen pijn!’ - Lukas 8:28-29 Maar Mattheüs zegt dat zij zeiden: ‘Wat wilt U van ons, Zoon van God? U hebt het recht niet ons nu al te kwellen!’ - Mattheüs 8:29

42


Zij vroegen Jezus dus of Hij ze nog niet in de put wilde gooien, omdat het hun tijd nog niet was. De Bijbel laat ons zien dat Jezus ze niet stuurde naar de plaats waar zij uiteindelijk terecht zullen komen (Openbaring 20:1-3), maar toestond om in de zwijnen te varen. Dit laat ons zien dat demonen toch een zekere mate van vrijheid hebben tot hun tijd is aangebroken. Het laat ons ook zien dat demonen de man van God moeten gehoorzamen wanneer zij hun slachtoffer moeten verlaten. Als de boze geest zich echter verzet en weigert om los te laten, overschrijdt hij de grens van zijn vrijheid, en kan hij gebonden worden en voortijdig naar zijn uiteindelijke woonplaats vertrekken. Jezus deed dit niet met het legioen boze machten. Blijkbaar verlangden zij ernaar om in het gebied van de Gerasenen te blijven. De mensen in Gerasenen waren zeer goddeloos en hun uitgangspunt was dat zij daar het beste nieuwe slachtoffers konden vinden voor hun doeleinden. Daarom vroegen zij toestemming om in de 2.000 zwijnen te varen, niet ver daarvandaan. Zwijnen waren immers verboden om te eten volgens de wet van Mozes, en de mensen van Gerasenen handelden moedwillig en opzettelijk in iets wat God verboden had. Zo gezegd, zo gedaan. Het legioen boze geesten verhuisde als een onzichtbare zwerm kwaad vanuit de man in de zwijnen. Of ze het allemaal haalden, weet ik niet, maar het resultaat was dat de zwijnen een ontembare wilde kudde werden en in paniek langs de helling de zee in stortten en omkwamen. Misschien dat het legioen niet besefte wat het resultaat zou zijn wanneer zij allemaal in een keer in 43


de zwijnen zouden varen. Hoe dan ook, de verbijsterde boze geesten waren zonder lichaam en genoodzaakt om opnieuw op zoek te gaan naar nieuwe slachtoffers. Laat ons toch nog even kijken naar de man die bevrijd was. Een paar minuten geleden gedroeg hij zich nog als een doldwaze stier. Nu was hij gekleed en goed bij zijn verstand! Het eerste wat hij zich realiseerde, was dat hij naakt was en dat hij kleding nodig had om zich te bedekken. Zolang hij bezeten was, droeg hij geen kleding. Maar op het moment dat hij bevrijd werd, was hij gereed om gekleed te worden. Door deze gebeurtenis waren de herders van de zwijnen totaal ontzet. Op het moment dat de bezeten man bevrijd werd van de boze machten, gebeurde er iets geks met hun zwijnen. Eén en één optellend, vermoedden zij dat Jezus hier verantwoordelijk voor was. Ze zagen de man die het hele gebied lange tijd met machtsvertoon geterroriseerd had, gekleed en wel een intelligent gesprek met Jezus voeren, terwijl al hun zwijnen in paniek de helling waren afgestormd en verdronken. Zich realiserende dat hun hele bezit vernietigd was en dat ze verantwoording verschuldigd waren aan hun meesters, vluchtten zij de stad in om iedereen te vertellen wat er gebeurd was. Je zou toch denken dat een dergelijk groot wonder als de bevrijding van deze bezeten maniak grote blijdschap en vreugde teweeg zou brengen. Maar het tegendeel is waar.

44


Het verlies van zo’n grote horde zwijnen bracht een gevaar in de levensomstandigheden van een heleboel mensen. Jezus was niet langer welkom in het land van de Gerasenen en Hem werd verzocht om hun gebied te verlaten. Hoewel Hij voelde om te vertrekken, liet Hij hen niet achter zonder dat zij het evangelie zouden horen. Er zouden dierbare zielen tot geloof komen als zij slechts een kans zouden krijgen om het evangelie te horen. En hiervoor kwam de bevrijde man als geroepen tot Jezus en smeekte Hem of hij bij Hem mocht blijven. ‘De man die bezeten was geweest, zei dat hij graag met Hem meewilde.’ - Markus 5:18 Jezus stond hem niet toe om mee te gaan, want Hij had een betere taak voor hem weggelegd. Natuurlijk was de genezen man teleurgesteld dat hij niet mee mocht, maar gelukkig was hij gehoorzaam aan het verzoek van Jezus en ging weg naar de steden van Dekapolis om te verkondigen wat Jezus voor hem gedaan had. De mensen in het gebied van de Gerasenen en omgeving wilden Jezus het liefst zo snel mogelijk vergeten. Maar hoe kon dat nu met een man die eens bezeten en niet met ketenen te temmen was, volkomen genezen overal rondging om te vertellen wat Jezus gedaan had? De man in wie eens het legioen van verdoemde geesten woonde, werd een grote evangelist, en de mensen die zich van Jezus afkeerden, verenigden zich met de verdoemde geesten.

45


46


Hoofdstuk 7

De verlamde man die door het dak werd neergelaten ‘Toen Jezus op een dag de mensen weer over God vertelde, zaten er ook Farizeeërs en godsdienstleraars te luisteren. Het leek wel of zij overal vandaan kwamen. Uit Galilea, Judea en uit Jeruzalem. Jezus was vol van Gods genezende kracht. Er kwamen enkele mannen met een verlamde op een draagbaar. Zij probeerden hem het huis binnen te dragen tot vlakbij Jezus. Maar er stonden zoveel mensen dat het niet lukte. Daarom gingen zij het platte dak op en haalden daar enkele tegels weg. Vervolgens lieten zij de man op zijn draagbaar door het gat zakken tot vlak voor de voeten van Jezus. Bij het zien van zoveel geloofsvertrouwen, zei Jezus tegen de verlamde man: Vriend, uw zonden zijn u vergeven.’ - Lukas 5:17-20 We zijn niet zeker van de chronologische volgorde van sommige wonderen die Jezus gedaan heeft, maar dat is niet de essentie van dit boek. Mattheüs vertelt ons dat Jezus net terugkeerde van een reis over zee, toen er een menigte mensen op Hem afkwam. Hij ging direct naar een huis – dat kon dat van Petrus zijn, of gewoon van iemand die het Hem leende. Hoe dan ook, de hele meute verzamelde zich op de binnenplaats voor de deur, en terwijl Hij binnen was, begon Hij hen te leren. Terwijl Jezus aan het prediken was, wordt ons verteld: ‘Jezus was vol van Gods genezende kracht.’ - Lukas 5:17 47


Er bestaat zoiets als een atmosfeer van geloof. Deze atmosfeer maakt het makkelijk voor mensen om genezen te worden. Een tegenovergestelde atmosfeer had op een zeker moment de overhand in Nazareth, en de consequenties ervan worden ons verteld. ‘Omdat zij erg wantrouwig waren, kon Hij bij hen geen grote wonderen doen. Wel genas Hij een paar zieken door hun de handen op te leggen.’ - Markus 6:5 Maar hier was kracht om te genezen! Terwijl Jezus aan het prediken was, wordt er een soort bed in de binnenplaats gebracht. Het was echter zo druk van de mensen, dat het onmogelijk was voor hen die het bed droegen, om dichter bij Jezus te komen. Er ontstond dus een oponthoud, waarop de verlamde man die op het bed lag, de gelegenheid kreeg om naar de woorden van Jezus te luisteren. Zonder twijfel groeide met het horen van de woorden van Jezus zijn geloof binnen in hem. Hij voelde dat hij genezen kon worden, als hij maar dichter bij Jezus kon komen. Maar op geen enkele wijze was daar door de drukte de mogelijkheid toe. De vier mannen die de verlamde man hadden gebracht, waren niet snel te ontmoedigen. Er ontstond een wanhopige situatie, maar zij waren vastbesloten om hun verlamde vriend bij Jezus te krijgen. Ze besloten om het dak van het gebouw op te gaan door de trap aan de zijkant te nemen, wat je vaak had in die tijd. Daar aangekomen, zagen zij dat het dak betegeld was. Het nam even tijd, maar eindelijk 48


waren zij in staat om genoeg tegels weg te halen om de verlamde man op zijn bed door het dak heen te laten zakken. Wat de verlamde man tijdens deze manoeuvres dacht, wordt ons niet verteld. Maar als mensen echt wanhopig zijn, zullen ze zich niet door schaamte laten tegenhouden om genezing te ontvangen. Toen de man eenmaal voor Jezus lag, protesteerde Hij niet tegen de vier mannen die het dak hadden opengebroken. Er was nu iets veel belangrijker dan de kosten van die paar tegels te berekenen. Hier lag een erbarmelijke schepping van God die door satan was aangetast en als een zielig hoopje mens, verlamd was achtergelaten. ‘Bij het zien van zoveel geloofsvertrouwen, zei Jezus tegen de verlamde man: Vriend, uw zonden zijn u vergeven.’ - Lukas 5:20 De belangrijkste zinsnede is hier: hun geloof! Sommige mensen zijn door de duivel zo overweldigd, dat ze niets anders kunnen doen dan zich overgeven aan hun omstandigheden. Ze zijn kapot en gebroken door de aanvallen van de boze. Het is opmerkelijk dat Jezus het niet heeft over ‘zijn’ geloof, maar ‘hun’ geloof. Zo is het vaak met een persoon die in dezelfde situatie verkeert als deze verlamde man. Heel moeilijk kunnen zij zichzelf begeven naar de plaats van genezing. Daarom moeten zij die de zieken brengen, in het geloof handelen! Jezus laat hier zien dat het mogelijk is voor anderen om het nodige geloof te leveren voor de zieke, wanneer de zieke dat zelf niet kan opbrengen. 49


‘Vriend, uw zonden zijn u vergeven.’ - Lukas 5:20 Deze woorden brachten een opschudding onder de trotse theologen die daar aanwezig waren. Jezus zag dat Zijn woorden aanstoot gaven en dat zij blikken van afkeuring naar elkaar uitwisselden, met het gefluister: ‘Wat denkt die Man wel? Hij beledigt God! Wie kan zonden vergeven dan God alleen?’ - Lukas 5:21 Met de onweerlegbare bewijsgrond dat Hij zonden kon vergeven, zei Jezus tot de verlamde: ‘Sta op, neem uw draagbaar en ga naar huis.’ - Lukas 5:24 Onmiddellijk stond de man voor hun ogen op, nam zijn bed op en ging naar zijn huis, God verheerlijkende. Het feit dat God aan Jezus de macht had gegeven om de verlamde man te genezen, was het bewijs dat Jezus ook de macht had om zonden te vergeven. Goddelijke genezing is altijd een bewijs geweest dat het evangelie de waarheid is. Jezus zei: ‘Sta op’, en de man deed wat Jezus zei. Dat noemen we een handeling van geloof, want het was voor de man onmogelijk om op te staan van zijn bed. Hij was verlamd en kon zijn ledematen totaal niet gebruiken. Toch zei Jezus dat hij moest opstaan en zijn bed moest opnemen en gaan lopen. Hoe kan dat in hemelsnaam? zou je zeggen. Het geheim ligt in het feit dat hij een krachtsinspanning deed om aan het woord dat Jezus had gesproken, gehoorzaam te zijn. Op het moment dat hij dat deed, handelde hij in ge50


loof. En het moment dat hij in geloof handelde, stroomde gelijktijdig Gods genezingskracht door zijn lichaam heen, in zijn spieren en ledematen, waarop hij ging staan. De man ging naar huis, God lovende en prijzende. Ja, wat verwacht je anders van iemand die net genezen is! Toch zijn er ook mensen die genezen zijn, en God daar nooit voor hebben bedankt door Hem te verheerlijken met lofprijs en aanbidding. Toen de man van zijn ziekbed opstond en God verheerlijkte, begonnen ook de omstanders die hier getuigen van waren, God te verheerlijken. In dezelfde tijd bracht het een vreze des Heren in de harten van de mensen, waardoor ze zeiden: ‘We hebben vandaag ongelooflijke dingen gezien.’ - Lukas 5:26

51


52


Hoofdstuk 8

De bloedvloeiende vrouw ‘Aan de overkant van het meer ontvingen de mensen Hem met open armen. Zij hadden op Hem gewacht. Er kwam een man naar Hem toe die voor Hem neerviel. Het was Jaïrus, de leider van een synagoge. Hij smeekte of Jezus wilde meegaan naar zijn huis. Zijn enige kind, een meisje van twaalf jaar, lag op sterven. Jezus ging met hem mee en baande Zich een weg door de opdringende mensenmenigte. Onderweg slaagde een vrouw erin bij Hem te komen en Hem van achteren aan te raken. Twaalf jaar lang had zij voortdurend bloed verloren. Niemand had haar kunnen genezen. Maar zodra zij de kwast van Jezus’ mantel aanraakte, hield het bloeden op. Wie heeft Mij aangeraakt? vroeg Jezus. De mensen zeiden allemaal dat ze Hem niet hadden aangeraakt. Maar Meester, protesteerde Petrus, de mensen dringen immers van alle kanten tegen U op! Maar Jezus hield vol: Er is iemand die Mij opzettelijk heeft aangeraakt, want Ik voelde dat er kracht uit Mij ging. Toen tot de vrouw doordrong dat Jezus het wist, kwam zij naar voren. Bevend viel zij voor Hem neer en vertelde waarom zij Hem had aangeraakt en dat zij nu genezen was. Allen die erbij stonden, hoorden het. U bent genezen door uw geloof, zei Hij. Ga in vrede.’ - Lukas 8:40-48 Jezus was net naar een feest geweest van Zijn nieuwe discipel Mattheüs. Velen van Zijn persoonlijke vrienden waren hierbij aanwezig geweest. Het feest was nog niet afgelopen, of de leider van de synagoge, Jaïrus genaamd, 53


kwam tot Jezus met een dringend verzoek. Voor de voeten van Jezus neervallend, smeekte hij Jezus om mee naar zijn huis te gaan, omdat zijn enige dochter, die twaalf jaar oud was, op sterven lag. Toen eenmaal duidelijk was dat zijn dochter zou sterven, glipte Jaïrus het huis uit om zich te haasten naar Jezus met de vraag: ‘Heer, kom snel, want er is geen tijd te verliezen!’ Op het moment dat Jezus hem wilde antwoorden, was daar een zeer onverwachte onderbreking. Terwijl het feest gaande was, was een vrouw niet ver daarvandaan aan het wachten. Zij was niet op het feest uitgenodigd en durfde daarom niet naar binnen te gaan. Maar wachtend op een geschikte plaats, hoopte zij dat als Jezus voorbij zou komen, zij in staat zou zijn om alleen maar even Zijn klederen aan te raken. Ze zei bij zichzelf: ‘Ik hoef alleen maar Zijn mantel aan te raken, dan ben ik genezen.’ - Mattheüs 9:21 Blijkbaar was de vrouw nogal verlegen. Terwijl anderen in volle vrijmoedigheid voor hun genezing tot Jezus gingen, was zij meer timide. Misschien dacht zij wel dat ze niet waardig was om zomaar de tijd van de Meester in beslag te nemen, of misschien aarzelde ze wel, omdat ze niet direct wilde dat de aard van haar ziekte openbaar zou worden. In feite was haar zaak heel ernstig, want ze leed al twaalf jaar lang aan bloedvloeiingen. Gedurende die tijd had ze al haar geld aan artsen gespendeerd om van haar kwaal af te komen. Maar in plaats van beterschap, werd 54


het alsmaar erger. In haar grote wanhoop kwam ze nu tot Jezus, en geloofde dat als ze Zijn klederen kon aanraken, ze gezond zou worden. Er wordt ons verteld dat op het moment dat ze dit deed: ‘hield het bloeden onmiddellijk op en zij merkte dat ze genezen was. Ze verloor geen bloed meer.’ - Markus 5:29 Voor het eerst sinds al die jaren van lijden, voelde zij weer de glans van een gezond leven. Vol van vreugde begon zij zich stilletjes weg te bewegen van de drukke menigte rondom Jezus. Ze had ontvangen wat zij nodig had en was in haar verwachtingen niet teleurgesteld. Maar haar handeling van geloof bleef niet onopgemerkt! Jezus stopte, want Hij voelde dat er kracht van Hem was uitgegaan. Hij keerde Zich om en vroeg: ‘Wie heeft Mij aangeraakt?’ - Lukas 8:45 Natuurlijk kon Jezus de vrouw ook ontdekken in de menigte, maar Hij koos ervoor dat zij zich bekend zou maken en naar voren zou treden. Iedereen ontkende dat ze hier verantwoordelijk voor waren, en Petrus antwoordde ongeduldig: ‘Maar Meester, de mensen dringen immers van alle kanten tegen U op!’ - Lukas 8:45 Petrus was altijd eenvoudig en recht door zee en kon de vraag van Jezus niet begrijpen. Iedereen zat immers 55


rondom Jezus te trekken en te duwen. Maar in de daaropvolgende vraag laat Jezus ons een belangrijke les van geloof zien. Vele mensen raakten Jezus aan, maar de vrouw raakte Jezus ‘echt’ aan! Zo raken ook vandaag vele mensen Jezus aan, maar de ware gelovige raakt Jezus ‘echt’ aan in het geloof! Jezus was echter volhardend en met Zijn ogen keek Hij rond om onderscheid te maken tussen hen die aanwezig waren uit nieuwsgierigheid, en degene die Hem in het geloof had aangeraakt. Toen viel Zijn blik op de arme vrouw die bemerkte dat ze niet meer onopgemerkt kon blijven. Bevend van angst viel ze voor Zijn voeten neer en vertelde Jezus de waarheid van wat haar overkomen was, waarop Jezus zei: ‘Vrouw, u bent genezen door uw geloof in Mij. Ga met een gerust hart naar huis.’ - Markus 5:34

56


Hoofdstuk 9

De dochter van Jaïrus ‘Iemand uit het huis van Jaïrus kwam vertellen dat het zieke kind al gestorven was. Het heeft geen zin de Meester nog langer lastig te vallen, zei hij. Jezus hoorde wat er was gebeurd en zei tegen de vader: Wees niet bang! Heb vertrouwen in Mij, want het meisje zal weer helemaal gezond worden. Zij kwamen bij het huis aan en Jezus wilde niet dat iemand met Hem mee naar binnen ging behalve Petrus, Jakobus en Johannes en de ouders van het meisje. Er waren allemaal mensen aan het huilen en jammeren om de dood van het kind. Maak toch niet zoveel lawaai! zei Jezus. Houd op met huilen. Zij is niet dood; ze slaapt alleen maar. De mensen lachten Hem in Zijn gezicht uit, want zij wisten zeker dat het meisje dood was. Jezus ging naar haar toe, nam haar bij de hand en riep: Sta op, meisje! Op dat moment keerde het leven in haar terug en stond zij op. Geef haar wat te eten, zei Hij. De ouders wisten niet wat zij zagen. Jezus wilde niet dat zij iemand zouden vertellen wat er gebeurd was.’ - Lukas 8:49-56 Met het verhaal van de bloedvloeiende vrouw mogen we niet vergeten dat Jezus eigenlijk op weg was naar het huis van Jaïrus, omdat zijn dochter op sterven lag. Maar toen de vrouw Hem had aangeraakt, voelde Jezus dat er kracht van Hem was uitgegaan, en daarom stopte Hij om de vrouw onder de menigte te zoeken. Er ontstond dus een oponthoud. Omdat zijn dochter op sterven na dood was, moet deze onderbreking voor Jaïrus zeer beklemmend 57


zijn geweest. Elke seconde telt in zo’n geval. Hoewel het geen lange onderbreking moet zijn geweest, moeten die minuten wel uren hebben geduurd in de ogen van Jaïrus. Maar met zijn emoties onder controle, zei hij niets en wachtte geduldig. Toen het gezelschap weer verder op weg ging, gebeurde hetgeen waar Jaïrus al bang voor was. Een boodschapper bracht het droevige nieuws: ‘Het heeft geen zin de Meester nog langer lastig te vallen.’ - Lukas 8:49 Wat moeten deze woorden gestoken hebben in het hart van de vader. Als Jezus maar net iets eerder was geweest, dan had zijn dochter nu nog geleefd. Was het nu nog wel nodig dat Jezus zou komen? Zou het de Meester niet in verlegenheid brengen om in zijn huis te komen, waar er niets anders dan rouw is? Het nieuws dat de boodschapper bracht, was niet voor Jezus bedoeld, maar gericht aan Jaïrus. Jezus hoorde het echter, waarop Hij iets zei wat het gezelschap op z’n minst verbaasde. Jezus zei: ‘Wees niet bang! Heb vertrouwen in Mij, want het meisje zal weer helemaal gezond worden.’ - Lukas 8:50 De vader, zich vastgrijpende aan deze laatste strohalm, vatte weer moed om verder te gaan. Dichter bij het huis gekomen, hoorden zij het geluid van een rouwende menigte steeds sterker worden. Toen zij aankwamen, sprak 58


Jezus opnieuw en zei: ‘Maak toch niet zoveel lawaai! Houd op met huilen. Zij is niet dood; ze slaapt alleen maar.’ - Lukas 8:52 De mensen in het huis, en ook de professionele rouwklagers die aanwezig waren, hadden het wonder van de genezing van de bloedvloeiende vrouw niet meegemaakt. Zij namen de woorden van Jezus als een of andere flauwe grap en lachten Hem uit. Jezus ging er verder niet op in en deed ook geen moeite om hen te antwoorden. Het was hard nodig om dit ongeloof buiten de deur te zetten. Daarom stuurde Hij iedereen, behalve de ouders van het meisje, het huis uit. Ook nam Hij niet alle discipelen met Zich mee naar binnen: alleen Petrus, Johannes en Jakobus. Deze handeling is erg belangrijk. In een serieus geval als deze is het namelijk niet betamelijk dat er een geest van ongeloof heerst wanneer wij tot God bidden voor een wonder. Ongeloof kan wel degelijk het wonder hinderen of zelfs tegenhouden! Een alleen maar nieuwsgierige, op sensatie beluste menigte is beslist geen aanwinst in de bediening van moeilijke gevallen. Elia en Elisa deden hetzelfde. Toen zij beiden een jongeman uit de dood opwekten, stuurden zij ook iedereen weg. Sympathie, bedroefdheid, somberheid en rouw zijn geen hulp in het opwekken van een dode. Toen de menigte weg was, nam Jezus de hand van de kleine meid en zei: ‘Sta op, meisje!’ - Lukas 8:54

59


Terwijl Jezus deze woorden van leven sprak, kwam de geest uit de eeuwigheid weer terug in het lichaam van dit meisje, en zij stond op en liet zich aan de mensen zien. De ouders hadden gemengde gevoelens van verbazing en vreugde. De mensen die Jezus hadden uitgelachen, hadden wel even wat te slikken toen het meisje levend en wel voor hen stond. Om niet de hele stad op de kop te laten zetten vanwege dit grote wonder, verbood Jezus de ouders om het nieuws verder naar buiten te brengen. Door alle opwinding die zou ontstaan, zou het heel moeilijk – zij het niet onmogelijk – voor Jezus worden om Zijn bediening in die stad voort te zetten. Het wonder verborgen houden zou onmogelijk zijn, want het nieuws van een dergelijk groot wonder loopt natuurlijk als een lopend vuurtje door de stad en omgeving heen. Jezus zei dit wel eens meer, omdat het nooit Zijn opzet is geweest om Zijn kracht te bewijzen aan de ongelovigen. Jezus heeft genoeg wonderen verricht die Zijn Goddelijkheid bewijzen!

60


Hoofdstuk 10

De twee blinde mannen Toen Jezus het huis van Jaïrus verliet, legde Hij geen verantwoording af aan de mensen die buiten aan het wachten waren en wilden weten wat er binnen geschied was. Degenen die Hem hadden uitgelachen toen Hij zei: ‘Het meisje slaapt’, namen Zijn zwijgen op als een teken dat Hij toch tot de ontdekking was gekomen van de stille waarheid en het huis in stilte verliet. Spoedig zouden zij echter tot ontnuchtering komen met het zien van het meisje, levend en wel! Terwijl Jezus Zich naar huis haastte, kwamen er plotseling twee blinde mannen op Zijn pad. Zich realiserende dat als Hij zou stoppen om hen te genezen, er een genezingsrij zou volgen en het nog uren zou duren voordat Hij thuis was, vervolgde Hij haastig Zijn weg. Maar de twee blinde mannen lieten zich niet afwijzen en, waarschijnlijk met hulp van anderen, volgden zij Jezus en riepen met een luide stem: ‘Zoon van David! Heb toch medelijden met ons!’ - Mattheüs 9:27 Hoewel Jezus zonder stoppen naar Zijn huis doorliep, slaagden de blinde mannen erin om het huis te bereiken waar Jezus was binnengegaan. Terwijl zij bij de deur nog altijd bij Hem aandrongen, kon Jezus hen niet langer 61


negeren en draaide Zich om en vroeg hen: ‘Gelooft u dat Ik uw ogen kan genezen?’ - Mattheus 9:28 Toen Jezus zag dat zij geloof hadden om genezen te worden, raakte Hij hun ogen aan en zei: ‘Wat u gelooft, zal gebeuren.’ - Mattheüs 9:29 Deze uitspraak is wel een van de meest belangrijke uitspraken aangaande het geheim van genezing. De reden dat Jezus hun vroeg: ‘Geloof je dat Ik het doen kan?’ was dat Hij van hen een belijdenis van hun geloof zou krijgen. Hun antwoord op die vraag was dus cruciaal! Velen zouden misschien gezegd hebben: ‘Ik hoop het, Heer!’ Of: ‘Heer, als het Uw wil is dat ik genezen word, dan graag, maar als het niet Uw wil is, dan zal ik mijn kruis wel dragen.’ Het zijn allemaal van die vage antwoorden, maar die uitdrukkingen zijn niet genoeg. Er moet een echte geloofsbelijdenis zijn, kort en krachtig: ‘Ja, Heer!’ Dat was het antwoord waarop Jezus wachtte en waarop Hij kon zeggen: ‘U geschiede naar uw geloof!’ Jezus was geen wonderdoener die rondging om zomaar iedereen in het wilde weg te genezen. Nee, Hij leerde mensen om hun geloof in werking te stellen, waarop er genezing kon plaatsvinden. Toen Jezus de woorden had gesproken: ‘U geschiede naar uw geloof’, scheen terstond het licht in hun ogen, en het eerste wat zij zagen, waren de ogen van de Man met compassie die hen zojuist had genezen. 62


Hoofdstuk 11

De verlamde man bij het bad van Bethesda ‘Jezus ging enige tijd later terug naar Jeruzalem om een van de Joodse feesten bij te wonen. Bij de Schaapspoort in Jeruzalem was de vijver Bethesda met vijf zuilengalerijen. In die zuilengalerijen lagen talloze zieke mensen, zoals blinden, lammen en kreupelen, te wachten tot het water in beweging zou komen. Want van tijd tot tijd raakte een engel uit de hemel het water aan. Wie dan het eerst in het water stapte werd genezen, wat voor ziekte hij ook had. Er lag ook een man die al 38 jaar ziek was. Jezus zag hem daar liggen en wist dat hij al heel lang ziek was. Hij vroeg: Wilt u gezond worden? De zieke man antwoordde Hem: Ja, Here, maar ik heb niemand die mij het bad inhelpt als het water in beweging komt. En als ik het alleen probeer, ben ik altijd te laat. Jezus zei tegen hem: Sta op! Pak uw matras en loop! De man werd direct gezond. Hij pakte zijn matras op en liep!’ - Johannes 5:1-9 Rond deze tijd was er een feest van de Joden gaande in Jeruzalem. Wanneer Jezus naar de stad ging, werd Hij altijd nauwlettend in de gaten gehouden. Het comité van het Sanhedrin had namelijk een rapport opgemaakt en Hem zware beschuldigingen ten laste gelegd van Zijn werken in Galilea. Hij zat met zondaren aan, beweerde dat Hij de macht had om zonden te vergeven en had de wet van de sabbat gebroken. Sommigen beweerden dat Hij ook schuldig was aan godslastering. In Jeruzalem zouden 63


ze Hem goed in de gaten houden. Terwijl Jezus in de stad was, ging Hij naar een bad genaamd Bethesda, welke vlak bij de Schaapspoort lag. In de galerij, die door vijf zuilen werd gedragen, bevond zich een menigte van zieke mensen. Het bad, zo geloofde men, bevatte namelijk een merkwaardige genezingskracht. Er werd gezegd dat van tijd tot tijd een engel neerdaalde en het water in beroering bracht. ‘Wie dan het eerst in het water stapte werd genezen, wat voor ziekte hij ook had.’ - Johannes 5:4 Onder alle zieke mensen die zich rondom dat bad bevonden, was een man in een van de meest erbarmelijke omstandigheden, die al 38 jaar verlamd was. Blijkbaar moest hij altijd naar het bad kruipen, omdat hij geen hulp had. Alleen gelaten en zonder hulp was het onmogelijk om tijdig het bad te bereiken, wanneer het water in beweging kwam. Daarom was een ander hem altijd voor. Zo was het ook op deze dag. Toen hij lusteloos aan de kant van het bad lag en nog nauwelijks kon geloven dat er iets zou kunnen gebeuren, kwam Jezus langs. Hij trok geen aandacht, want alle ogen waren altijd op het bad gericht. Plotseling bracht Jezus de man uit zijn lusteloze toestand door hem te vragen: ‘Wilt u gezond worden?’ - Johannes 5:6

64


De man was al zo lang aan zijn hopeloze toestand gewend geraakt, dat hij door deze vraag niet geroerd werd en dacht dat deze vreemdeling wel zo aardig zou kunnen zijn om hem het bad in te helpen wanneer het water in beweging zou komen. Terwijl deze man zijn droevige verhaal van zijn jarenlange frustratie uitlegt, zegt Jezus: ‘Sta op! Pak uw matras en loop!’ - Johannes 5:8 De stem van Jezus had zo’n enorme autoriteit en kracht in zich dat de man in gehoorzaamheid een spontane ‘geloofskrachtsinspanning’ deed om op te staan. Op zo’n moment is een directe handeling van gehoorzaamheid en geloof van vitaal belang! Er is geen tijd om te redeneren of het nu mogelijk is of niet. Geloof en gehoorzaamheid zijn een handeling. Toen de zwakke, verlamde man een poging deed om te gaan staan, bemerkte hij tot zijn grote vreugde dat zijn verschraalde ledematen reageerden op zijn poging. Het is opmerkelijk dat zijn daad om te gaan staan, geen aandacht trok van de omstanders. Waarschijnlijk was hun oog zo sterk op het water gericht en waren hun gedachten zo in beslag genomen – dat als het water zou bewegen, zij de eerste zouden zijn om in het water te springen – dat ze niet eens bemerkten dat de man die daar al 38 jaar lang verlamd aan het bad lag, zijn bed opnam en wegliep. Zonder dat de mensen doorhadden wat voor groot wonder daar had plaatsgevonden, kon Jezus wegkomen van de zieke menigte die zich aan het badwater bevond. Dit is een belangrijk punt om opgemerkt te worden. Vooral 65


voor degenen die geloven dat je zomaar een ziekenhuis kunt binnenwandelen en iedereen maar klakkeloos kunt genezen, zonder dat deze mensen het minste besef hebben aangaande de condities waarop Goddelijke genezing plaatsvindt. Het frappante is: hoewel de mensen bij het bad zich niet realiseerden wat er gebeurd was, realiseerden de FarizeeĂŤrs en schriftgeleerden zich dat wel! Zij merkten niet op dat de man genezen was van zijn 38-jarige verlamdheid en verheugden zich niet met de man, maar zij merkten op dat hij op de sabbat zijn bed droeg, en dat stoorde hen. Blijkbaar gaven zij niets om de armen, de zieken en de verbrokenen, maar wel om de vorm waarin de man de wet van de sabbat verbrak door zijn bed te dragen. Het houden van de sabbat kan voor vele mensen een afgodische verering worden, en dat was het hier. De FarizeeĂŤrs en schriftgeleerden konden half vermoeden dat de bron van deze genezing Jezus was. Daarom begonnen ze hem te ondervragen wie het was die tegen hem gezegd had dat hij zijn bed moest opnemen. Let op: zij vroegen niet wie hem genezen had, want dat interesseerde hen niet! Ze wilden weten wie er verantwoordelijk was voor de in hun ogen zo zware overtreding van de wet. Nu gaan we hier niet in discussie over de sabbat, maar iedereen kan toch zien dat de religieuze leiders van die tijd er helemaal naast zaten en niets begrepen van het ware doel van de sabbat. Daarom zei Jezus ook dat de sabbat was gemaakt voor de mens en niet de mens voor de sabbat. De man kon echter geen antwoord geven op hun vraag wie het was die 66


hem genezen had, want Jezus had hem dat eenvoudigweg niet verteld. Na verloop van tijd ging de genezen man naar de tempel. Het is goed dat genezen mensen naar de kerk gaan en niet hun leven indelen zonder het huis Gods. Als deze man niet naar de kerk was gegaan, had hij waarschijnlijk nooit meer de Man ontmoet die hem genezen had. Jezus was daar namelijk ook en Hij had een belangrijke persoonlijke boodschap voor de man. Het is eigenlijk een boodschap voor alle mensen die genezing hebben ontvangen. Jezus zei: ‘Nu u gezond bent geworden, wil Ik u dit nog zeggen: zondig niet meer, want anders zal u iets ergers overkomen.’ - Johannes 5:14 Jezus is heel duidelijk geweest dat niet iedere ziekte te maken heeft met zonden. Jezus zei tegen de man die blind geboren was, dat noch hij, noch zijn ouders hadden gezondigd, maar dat de werken Gods in hem geopenbaard moesten worden (Johannes 9:3). In dit geval legt Jezus wel een relatie tussen zijn ziekte en zonde, door de man te waarschuwen om niet naar zijn oude leven terug te keren, opdat hem niet iets ergers zou overkomen. Het betekent heel eenvoudig dat als je de zegen van God in je leven ontvangt, er geen vervanging bestaat voor je wandel met God.

67


68


Hoofdstuk 12

De blindgeboren man ‘Jezus liep verder en zag een man die al sedert zijn geboorte blind was. Zijn discipelen vroegen: Meester, heeft deze man zelf gezondigd of is hij blind geboren doordat zijn ouders gezondigd hebben? Nee, antwoordde Jezus. Hij heeft geen zonde gedaan. En zijn ouders ook niet. Maar door hem van zijn blindheid te genezen, toont God Zijn macht. Zolang het dag is, moeten wij doen wat God ons opdraagt. Als de nacht komt, kan niemand meer iets doen. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld. Daarna spuugde Hij op de grond en maakte wat modder van stof en speeksel. Dat deed Hij op de ogen van de blinde man en zei: Ga u wassen in de vijver van Siloam. De man ging er heen en waste zich. Toen hij terugkwam, kon hij zien.’ - Johannes 9:1-7 Terwijl Jezus en Zijn discipelen op de dag van de sabbat door de stad Jeruzalem liepen, zagen zij een bedelaar die vanaf de dag van zijn geboorte blind was. De discipelen maakten zich meer druk over de vraag waarom hij vanaf zijn geboorte blind was, dan om hem te genezen van zijn ziekte. ‘Wie heeft gezondigd?’ speculeerden zij onderling. ‘De blinde man zelf of zijn ouders?’ Jezus antwoordde: ‘Nee, hij heeft geen zonde gedaan. En zijn ouders ook niet. Maar door hem van zijn blindheid te genezen, toont God Zijn macht.’ - Johannes 9:3 69


Jezus was niet geïnteresseerd om in een onvruchtbare discussie te komen en te gissen naar de oorzaak van de ziekte, noch om een oordeel te vellen over de zonde. Deze dingen kun je niet raden. Daarom is het ook niet gepast om iemand te veroordelen dat hij verantwoordelijk is voor zijn ziekte, tenzij het bewijs waarom iemand ziek is, overduidelijk aanwezig is. In deze zaak werd Jezus met ontferming bewogen en voelde Hij Zich geleid om de blinde man te genezen van zijn ziekte. Hiervoor gebruikte Hij een nogal nieuwe methode. In de meeste gevallen sprak Jezus een woord of Hij raakte iemand aan voor genezing. Maar niet in deze zaak. Hij spuugde op de grond, maakte slijk van dit speeksel en smeerde het op de ogen van de blinde man en zei: ‘Ga u wassen in de vijver van Siloam.’ - Johannes 9:7 De man ging heen, waste zich en kwam ziende terug! Waarom verrichtte Jezus dit wonder op zo’n buitengewone manier? We moeten ons eraan herinneren dat alles wat Jezus deed, een speciale reden had. Blijkbaar had deze man een creatief wonder nodig! De man had immers niet zijn zicht verloren, maar had vanaf zijn geboorte nooit gezien. Oorspronkelijk is de mens uit het stof der aarde geschapen. Voor dit wonder van schepping van iets wat bij de man gemist werd, nam Jezus wat stof van de grond, maakte er met Zijn speeksel klei van en creëerde nieuwe ogen. Toen zij gewassen werden, kon de man zien. De man was een welbekende bedelaar in Jeruzalem. Met 70


zijn verschijning met ogen die konden zien, ontstond er een grote hype. De Joden konden nauwelijks zijn getuigenis geloven, waardoor hij het opnieuw en opnieuw moest herhalen. Toen zij hem aangaande zijn genezing ondervroegen, vertelde hij hen dat hij genezen was door een man genaamd Jezus. De kerkleiders van die tijd waren in het geheel niet blij met dit nieuws, en zochten een aanleiding om Jezus gevangen te nemen. In feite hoefden ze niet lang te zoeken, want het was sabbat en zij waren ontsteld dat de man op de sabbat door Jezus genezen werd. Daarom zeiden zij van Jezus: ‘Die Jezus is niet door God gestuurd. Anders zou Hij niet op de sabbat werken.’ - Johannes 9:16 Zoals gewoonlijk zijn zij die de meeste kritiek hebben, de luidste schreeuwers. Daarom stelden zij een onderzoek in om de man die genezen was, te ondervragen. Toen zij hem vroegen wat hij dacht van Jezus, antwoordde hij: ‘Hij is een profeet.’ - Johannes 9:17 Het is een droevige zaak dat mensen door hun ongeloof en tegenstand uiteindelijk ook de mogelijkheid verliezen om te geloven, ook al is het wonder onweerlegbaar. De geest van ongeloof neemt zijn intrek in een theorie dat het allemaal oplichterij en bedrog is. Zo was het met vele theologen in die tijd, en zo is het helaas ook met vele theologen in onze tijd. De kerkleiders wilden niet geloven dat de man een wonder van genezing had ontvangen. 71


Totdat de man door zijn ouders geïdentificeerd was als hun zoon, die blind geboren was en nu kon zien. Tegen hun wil in, konden zij niet anders dan erkennen dat er een wonder had plaatsgevonden. Verder dan identificatie van hun zoon, dat hij blind geboren was en nu kon zien, wilden de ouders niet gaan. Om niet in de zaak betrokken te worden, zeiden zij: ‘Dit is onze zoon en hij is blind geboren. Maar wij weten niet hoe het komt dat hij nu kan zien. Wij weten ook niet wie zijn ogen genezen heeft. Vraag het hem zelf. Wie weet het beter dan hij? Hij is oud en wijs genoeg.’ - Johannes 9:20-21 Dit zeiden zij, omdat ze bang waren om door de Joden uit de synagoge gegooid te worden. De Joden waren al overeengekomen dat iemand die in Jezus geloofde, uit de synagoge gebannen zou worden. Nog steeds vermoedend dat zij door een slimme list werden bedrogen, riepen zij de zoon nogmaals bij zich. Ze begonnen met een vrome betuiging: ‘Geef alle eer aan God. Wij weten dat die Jezus een slecht mens is.’ - Johannes 9:24 De man was echter geen zwakkeling, maar hield stand en weerlegde hun schoonschijnende argumenten met een prachtig getuigenis dat onweerlegbaar was: ‘Of Hij slecht is, weet ik niet. Ik weet maar één ding: ik was blind en kan nu zien.’ - Johannes 9:25 72


Zij bleven hem maar ondervragen, maar hij liet zich niet intimideren door deze arrogante aanklagers. Zij hadden nog nooit iets voor hem gedaan, dus voelde hij zich ook niet verplicht tegenover hen. In feite voelde hij zich meer verplicht tegenover Jezus, die hem uit een wereld van duisternis had gebracht en zijn ogen had geopend, opdat hij kon zien. Toen zij hem bleven ondervragen, terwijl hij toch een duidelijk getuigenis had gegeven van wat er met hem gebeurd was, vroeg hij hen of zij misschien niet discipelen van Jezus wilden worden. Zij scholden hem uit en antwoordden dat zij discipelen van Mozes waren. En dan zien we dat de man vrijmoediger wordt in zijn getuigenis en meer de nadruk legt op het grote wonder dat heeft plaatsgevonden. Hij zegt: ‘Ik vind het maar vreemd dat u niet weet waar Hij vandaan komt. Hij heeft nog wel mijn ogen genezen! Wij weten allemaal dat God niet naar slechte mensen luistert. Maar als iemand eerbied voor Hem heeft en doet wat Hij wil, luistert God wel. Nog nooit heeft iemand de ogen van een blindgeborene genezen. Als deze Man niet van God kwam, had Hij zoiets nooit kunnen doen.’ - Johannes 9:30-33 Die kerkleiders konden hun oren niet geloven! Terwijl zij de ondervragers waren, werden zij nu door de man ondervraagd. Het is duidelijk dat zij zich nu realiseerden dat dit gesprek nergens meer toe leidde. Het enige wat zij verder nog konden doen, was hun autoriteit laten gelden en hem de kerk uitzetten. En boos als zij waren, zeiden ze:

73


‘U bent zelf een zondaar! U moet niet denken dat u ons de les kunt lezen!’ - Johannes 9:34 En zij gooiden hem uit de synagoge. Hun laatste woorden waren precies hetgeen waarvan Jezus had gezegd dat dat niet waar was, namelijk: dat zijn blindheid voortkwam uit zijn zonde. Toen Jezus hoorde dat de man uit de synagoge was gegooid en hem vond, vroeg Hij: ‘Gelooft u in de Zoon van God?’ - Johannes 9:35 De man die genezen was, geloofde de woorden van Jezus onvoorwaardelijk en zei: ‘Ik weet niet wie dat is, Here. Anders zou ik in Hem geloven.’ - Johannes 9:36 Jezus, die Zijn openbaring aan de hoogmoedigen, de trotsen en de arroganten onthoudt, openbaart Zich nu aan de voormalige bedelaar en zegt: ‘Ik ben het.’ - Johannes 9:37 Slechts twee keer maakte Jezus Zijn identiteit zo spontaan openbaar: aan de verschoppeling van Samaria (Johannes 4:26) en deze gelegenheid aan de verschoppeling van de synagoge. De man antwoordde: ‘Ja, Here, ik geloof in U.’ - Johannes 9:38 En hij aanbad Jezus! 74


Hoofdstuk 13

De opwekking van Lazarus ‘Lazarus uit Bethanië, de broer van Maria en Martha, was ziek. Maria was de vrouw die kostbare parfumolie over de voeten van Jezus uitgoot en deze met haar lange haar afdroogde. De twee zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: Here, Uw vriend Lazarus is ziek. Toen Jezus dit hoorde, zei Hij: Hij zal niet sterven. Deze ziekte is tot eer van God. Hierdoor zal de Zoon Zijn grootheid en macht bewijzen. Hoewel Jezus veel van Martha, Maria en Lazarus hield, maakte Hij geen aanstalten naar hen toe te gaan. Pas twee dagen later zei Hij tegen Zijn discipelen: Kom, wij gaan naar Judea ... Toen Jezus in Bethanië aankwam, bleek Lazarus al vier dagen daarvoor begraven te zijn ... Zodra Martha hoorde dat Jezus er aankwam, ging zij Hem tegemoet. Maar Maria bleef thuis. Here, zei Martha tegen Jezus, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar ik ben er zeker van dat God U ook nu zal geven wat U Hem vraagt. Je broer wordt weer levend, Martha, zei Jezus. Ja, dat weet ik, antwoordde zij. Hij zal weer levend worden als hij op de laatste dag uit de dood terugkomt. Ik geef de doden het leven terug, zei Jezus tegen haar. Ik ben Zelf het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, zelfs als hij gestorven is. Wie leeft en in Mij gelooft, zal nooit sterven. Geloof je dat? Ja, Here, antwoordde zij. Ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.’ - Johannes 11:1-7,17,20-27

75


De opwekking van Lazarus uit de dood is een van de hoogtepunten in de wonderen die Jezus gedaan heeft. In het huis van Lazarus en zijn zussen Martha en Maria kon Jezus altijd genieten van de rust en vrede die daar heersten. In hun huis kon Hij Zich terugtrekken van de drukke menigte en vond Hij verkwikking na een dag zwoegen. Maar op zekere dag kwam er in het vredige en gelukkige leven van Martha en Maria een donkere wolk opzetten, doordat hun broer Lazarus plotseling aangevallen werd door een gevaarlijke en kwaadaardige ziekte, die zijn verwoestende werk snel en met kracht in zijn lichaam voltrok. Instinctief konden zij maar aan één ding denken: hun vriend Jezus! Als Hij hier zou zijn, zou Hij hun broeder genezen. Daarom werd er meteen een boodschapper op pad gestuurd om Jezus, die Zich een aardig eind voorbij de Jordaan bevond, te vertellen wat er met Zijn vriend Lazarus aan de hand was. Terwijl de zussen zich nog altijd vol kalmte en rust aan het bed van hun doodzieke broer bevonden, zagen ze dat de toestand van hun broer in rap tempo verslechterde. Ze hadden Jezus geen verzoek gedaan, maar slechts de eenvoudige boodschap gezonden: ‘Here, Uw vriend Lazarus is ziek.’ - Johannes 11:3 Hoe anders is het met hen die geen enkele hoop hebben en in de uren van beslissing worden opgeslokt door vrees en angst, en uiteindelijk verzwolgen worden in hun catastrofe? Het was een lange reis, maar uiteindelijk bereikt de koerier de plaats van zijn bestemming om de boodschap over te brengen. Jezus zond hem terug met de volgende 76


boodschap: ‘Hij zal niet sterven. Deze ziekte is tot eer van God. Hierdoor zal de Zoon Zijn grootheid en macht bewijzen.’ - Johannes 11:4 Jezus kende de afloop van deze situatie al vanaf het begin. Hij was Zich ervan bewust dat toen de koerier Hem eenmaal bereikt had, Lazarus reeds gestorven was. Hij wist wat Hij zou doen, maar ook dat er een vertraging zou zijn, waardoor de genezing niet ogenblikkelijk zou plaatsvinden. Geloof vereist een toewijding die niet ziet op de omstandigheden of op de symptomen, maar alleen op Gods Woord en Zijn beloften. Soms is er een wereld van verschil tussen wat je met je eigen ogen kunt zien, en wat God zegt in Zijn Woord. Geloof is echter gewillig om te wachten! De koerier kwam terug in Bethanië met het woord van Jezus dat de ziekte van Lazarus niet ten dode was. Maar toen de koerier zijn boodschap had overgebracht, bemerkte hij dat dit woord geen blijdschap bracht, omdat Lazarus al voorbij het punt was dat iemand hem nog kon redden. De broer van Martha en Maria was al gestorven. Natuurlijk ging het geloof van de zussen met deze crisis door een beproeving. Wanneer je naar de omstandigheden kijkt, was het woord van Jezus ongegrond. Het is niet onwaarschijnlijk dat sommigen dachten dat het woord zelfs vals en bedrieglijk was. Hoe de zussen het woord 77


van Jezus ook wilden geloven, de harde realiteit van het feit dat hun broer Lazarus dood voor hen lag, sprak boekdelen. Hoe konden zij de troostende woorden van Jezus in overeenstemming brengen met het feit dat hun broer al dood was? Zou het misschien een verschrikkelijke verleiding zijn om te denken dat ze misleid zijn? Het is zeker niet ondenkbaar dat die gedachten voorbijgingen, terwijl zij de wacht hielden bij de eenzame dode. Op de een of andere wijze hebben ze die gedachte wederstaan en zeiden zij net als Job: ‘Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen.’ - Job 13:15 In die droevige uren was er maar één ding dat zij konden doen, en dat was: vertrouwen op Jezus. De psalmist zegt: ‘Vertel alles wat u bezighoudt aan de HERE en vertrouw Hem. Hij zal in alles voor u zorgen.’ - Psalm 37:5 Vertrouwen is het sleutelwoord in de donkere uren! De begrafenis was al voorbij en Jezus was nog steeds niet gekomen. In feite verbleef Jezus nog twee dagen langer voorbij de Jordaan om Zijn werk daar af te maken. Al zou Jezus meteen zijn meegegaan met de koerier, dan nog was Hij niet op tijd geweest, omdat de terugreis twee dagen zou duren. Op de derde dag zei Jezus dat het tijd was om naar Bethanië te gaan. De discipelen waren zich niet bewust van alles wat er gaande was en maakten zich zorgen over 78


de veiligheid van hun Meester. Zij zeiden: ‘Kort geleden probeerden de Joden daar U te stenigen, Meester. En nu wilt U er weer naar toe?’ - Johannes 11:8 Jezus verzekerde hen dat Gods bescherming op Hem was tot Zijn tijd was aangebroken. Hij informeerde hen ook dat hun vriend Lazarus slapende was en dat Hij moest gaan om hem uit zijn slaap te wekken. De discipelen waren nog altijd onwetend van wat er allemaal echt gebeurd was in het huis van de twee zussen en begonnen door te vragen. Uiteindelijk zei Jezus ronduit: ‘Lazarus is dood!’ Het is heel opmerkelijk hoe Thomas hier op reageert. Hij was een goede man, maar zag altijd alles door een donkere bril en zei: ‘Laten we meegaan om samen met Hem te sterven.’ - Johannes 11:16 Wetende dat Lazarus dood was en er een prijs op het hoofd van Jezus stond, had hij geen betere optie dan ook maar te sterven. Vandaag de dag zijn er ook Thomassen die alles door een donkere bril zien. Zij kunnen nooit door hun pessimisme en somberheid heen kijken, naar het gebied waar geloof heerst. Omdat hun ogen altijd op de omstandigheden zijn gericht, kunnen zij nooit de belofte van Gods overwinning zien. Na verloop van tijd bereikten Jezus en Zijn discipelen Bethanië. Martha ontving als eerste het woord dat Jezus in 79


aantocht was en ging Hem tegemoet. Zo actief als zij altijd was, kon zij haar intense verdriet niet langer voor zichzelf houden. Eerder had Martha Jezus ook al benaderd, toen zij zo hard werkte en Maria aan Zijn voeten zat. Nu sprak zij weer tot Hem, bijna verwijtend: ‘Here, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar ik ben er zeker van dat God U ook nu zal geven wat U Hem vraagt.’ - Johannes 11:21-22 Toch zijn de woorden: ‘Maar ik ben er zeker van...’ erg mooi, omdat dit laat zien dat zij nog niet alle hoop verloren had. Nabestaanden zullen altijd proberen om de laatste strohalm vast te grijpen als die er is. Misschien was daar dan toch een diepe hoop in het hart van Martha, die zij niet durfde uit te spreken, dat Jezus het onmogelijke zou doen door Lazarus uit de dood op te wekken. Jezus antwoordde: ‘Uw broeder zal opstaan.’ - Johannes 11:23 Met deze woorden zonk zij alleen nog maar dieper weg in haar verdriet. Als Jezus nu had gezegd: ‘Uw broeder zal weer levend worden’, dan was haar hoop niet tevergeefs. Maar voor Martha betekenden de woorden: ‘Hij zal opstaan’, dat haar broer zou opstaan op de grote opstandingsdag. Dat was echter nog zo ver, ver, ver weg! Maar dan doet Jezus een van de meest geweldige uitspraken die Hij ooit heeft gedaan:

80


‘Ik geef de doden het leven terug. Ik ben Zelf het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, zelfs als hij gestorven is.’ - Johannes 11:25 Gelooft u dit? Deze woorden waren een grote uitdaging toen, en zijn ook vandaag een grote uitdaging voor hen die lijden onder ziekte, pijn en verdriet, dat de opstandingskracht van Jezus beschikbaar is voor een ieder die gelooft. Gods belofte van genezing is uitgegaan naar elke gelovige die ziek is en genezing nodig heeft. De psalmist zegt: ‘Mijn ziel, prijs de HERE en vergeet vooral nooit wat Hij allemaal voor goeds heeft gedaan. Hij vergeeft mij al mijn zonden en geneest mij van elke ziekte.’ - Psalm 103:2-3 De meeste christenen geloven wel de eerste belofte, maar hebben grote moeite met de tweede! Martha had de uitdaging toen, en wij hebben de uitdaging nu. U die ziek bent, Jezus geneest al uw ziekten. Jezus is de grote Heelmeester. Gelooft u dit? Martha geloofde het. Hoewel ze niet eens ten volle begreep wat Jezus hier bedoelde, toonde ze haar groot geloof en zei: ‘Ja, Here, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou.’ - Johannes 11:27 Nadat zij deze grote belijdenis had gedaan, ging ze naar Maria om te vertellen dat Jezus gearriveerd was en dat Hij naar haar gevraagd had. Maria was emotioneel gezien het tegenovergestelde van haar zus, en bij Jezus aangekomen, 81


viel ze huilend aan Zijn voeten en zei: ‘Here, als U hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn!’ - Johannes 11:32 Maria was zo intens verdrietig, dat ze alleen maar deze paar woorden kon uitspreken. Jezus keek naar deze liefde en ellende en zag hierin de erbarmelijke vertoning van wat een verdriet en ellende een sterfgeval van een mens kon voortbrengen. Jezus werd tot tranen toe bewogen met het zien en voelen van de lijdende mensheid en zei: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ - Johannes 11:34 Iemand in de menigte zei: ‘Kom maar kijken!’ Met warme tranen rollend over Zijn wangen, liep Jezus naar het graf van Lazarus. In die tijd was het de gewoonte dat een begraafplaats ongeveer een kilometer van de stad of het dorp aflag. De gidsen van vandaag laten zien dat het graf van Lazarus aan de oostzijde van de Olijfberg lag. Zoals zovelen die tot de wat rijkere families behoorden, was het graf van Lazarus uit een rots gehouwen, met een grote zware steen voor de ingang. Toen het gezelschap het graf bereikte, zei Jezus: ‘Haal die steen weg. Maar, Here, protesteerde Martha, er hangt al een lijklucht. Hij ligt er al vier dagen!’ - Johannes 11:39

82


De altijd op de praktijk gerichte Martha had zo haar bedenkingen en maakte bezwaar, want het was warm en er hing al een lijklucht. Maar Jezus herinnerde haar aan Zijn belofte en zei: ‘Ik heb toch gezegd dat je, als je op Mij vertrouwt, de macht en grootheid van God zult zien?’ - Johannes 11:40 Hoe vaak heeft Jezus mensen in nood er niet aan herinnerd om hun geloof in actie te brengen! Zonder geloof is het onmogelijk om van God te ontvangen. Want wie tot Hem komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken (Hebreeën 11:6). Geloof is de mentaliteit en houding van de ziel die niet op de omstandigheden ziet, maar op Gods beloften die ‘ja’ en ‘amen’ zijn in Christus Jezus. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Gods Woord zal altijd blijven bestaan (Mattheüs 24:35)! Hier zien we het grote vertrouwen van Jezus als Hij voor het graf staat in de personage van Bevelhebber over leven en dood, in een van de droevigste gebeurtenissen aller tijden. Lazarus was al vier dagen dood! Tegen deze tijd hadden de bacteriën hun verwoestende arbeid reeds verricht en waren de cellen van het lichaam al in staat van ontbinding. Alle functies van de vitale organen waren al lang opgehouden te bestaan, en slechts de wanorde van de dood was achtergebleven. Jezus daagde de macht van de dood uit zoals Hij nog nooit had gedaan! Deze gebeurtenis betekende meer dan alleen een opwekking uit de dood: 83


het was een voorteken van de ware opstanding! Door het woord van de levende God moest de Heilige Geest Zijn werk doen en miljarden lichaamscellen herscheppen en herschikken. Jezus zag dit grote wonder echter al als geschied. Terwijl het lichaam van Lazarus nog levenloos in het graf lag, bad Jezus een dankgebed: ‘Vader, dank U wel dat U mijn gebed verhoort. Ik weet dat U Mij altijd hoort, maar Ik wil graag dat de mensen hier zullen geloven dat U Mij gestuurd hebt. Daarom zeg Ik dit.’ - Johannes 11:41-42 Na dit gezegd te hebben, riep Jezus met een luide stem, zo vol van autoriteit dat het tot in de diepste gangen van de ongeziene wereld echode: ‘Lazarus! Kom naar buiten!’ - Johannes 11:43 Toen Jezus gesproken had, was daar een geestverschijning die zich bewoog in de schaduw van het donkere graf, en uit de oneindige eeuwigheid keerde de geest van Lazarus weer terug in zijn lichaam. Gebonden met grafdoeken en een zweetdoek om zijn gezicht, kwam Lazarus als een spook uit het donkere graf tevoorschijn. En Hij die de macht over het leven en de dood heeft, gaf de opdracht: ‘Haal die doek en die windsels eraf, en laat hem naar huis gaan.’ - Johannes 11:44

84


Toen de mensen eenmaal waren bijgekomen van de grote shock die zij kregen met het zien van dit grote wonder, kwamen de gewillige handen om de grafdoeken die hem bonden, te verwijderen. En zie, zijn gezicht was als dat van een jongeman, stralend in jeugdige gezondheid. Wie kan het moment beschrijven dat volgde? De verwondering, de verbazing van de menigte, de blije hereniging van de geliefden, de verbijstering van de tegenstanders. Vele Joden die aanwezig waren bij de opwekking van Lazarus, bekeerden zich en namen Jezus aan als hun Messias. Geen enkele demonstratie was meer nodig om te bewijzen dat Jezus inderdaad de Messias was. Enkele Joden begaven zich echter op weg naar de overpriesters in Jeruzalem, om hen te vertellen wat Jezus in BethaniĂŤ gedaan had. Daarop kwam het Sanhedrin bijeen om koortsachtig te brainstormen wat zij hiertegen konden doen. Met boosheid beraadslaagden zij om te zien hoe zijn Jezus konden stoppen. Het wonder was immers niet te ontkennen, en zij zagen duidelijk wat voor groot effect dat had op de mensen. Een man die dood en begraven was, leefde nu gezond en wel, nog geen kilometer van de stad af. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en er ontstond een grote hype rondom Jezus. Als ze Hem zouden uitroepen tot koning, dan zou alles voor hen verloren zijn. Zij zagen geen ander alternatief dan Jezus te doden. De hogepriester loofde een beloning uit voor degene die de gouden tip had waar Jezus zich bevond, om Hem zodoende te kunnen arresteren. Natuurlijk moest dit plan geheim blijven; anders zou er een opstand onder het volk 85


uitbreken. Lang hoefden zij echter niet te wachten, want het was al bijna Pasen, waarop Jezus en Zijn discipelen zouden terugkeren naar Jeruzalem. Toen moet Judas al gedacht hebben...

86


Hoofdstuk 14

De bezeten dochter van de Kananese vrouw ‘Jezus verliet dat deel van het land en ging op weg naar de streek van Tyrus en Sidon. Een Kananese vrouw, die daar woonde, kwam naar Hem toe en zei smekend: Here, Zoon van David, heb medelijden met mij. Mijn dochter is in de macht van een boze geest. Maar Jezus gaf haar geen antwoord. Zijn discipelen zeiden dat Hij haar maar moest wegsturen. Zij loopt steeds achter ons aan te zeuren, zeiden zij. Jezus zei tegen de vrouw: Ik ben gestuurd om de Joden te helpen en niet de andere volken. De vrouw viel voor Hem op haar knieën en smeekte: Here, help mij! Het is niet goed het brood van de kinderen af te nemen en aan de honden te geven, zei Hij. Inderdaad, Here. Maar de honden mogen toch wel de kruimels opeten die van de tafel vallen, was haar antwoord. Wat hebt u een groot geloof! zei Jezus. U krijgt wat u hebt gevraagd. En haar dochter werd op datzelfde moment genezen.’ - Mattheüs 15:21-28 Op een van de gelegenheden verliet Jezus Israël en ging naar de steden Tyrus en Sidon, omdat Hij ernaar verlangde om met Zijn discipelen alleen in de rust te zijn. Het was een gebied waar de Joden niet zo gauw naartoe zouden gaan, dus een plaats waar rust te vinden was zonder de menigte. Maar die hoop bleek niet te realiseren, want Zijn bekendheid was al voor Hem uitgegaan, door de mensen uit dat gebied die Zijn wonderen in Galilea hadden gezien en waren teruggekeerd. Hij was nog niet op Zijn plaats van 87


bestemming, of er kwam een Kananese vrouw die Hem benaderde en om hulp vroeg, zeggende: ‘Here, Zoon van David, heb medelijden met mij. Mijn dochter is in de macht van een boze geest.’ - Mattheüs 15:22 Je zou veronderstellen dat Jezus hier onmiddellijk op in zou gaan en zou toestemmen met de bevrijding van haar dochter. Maar God werkt op verschillende manieren en zoekt altijd een weg om ons geestelijke lessen te leren, niet alleen om genezing te brengen in ons lichaam, maar ook in onze ziel. In deze zaak handelt Jezus op een hele eigenaardige manier met deze vrouw. In plaats van acht te slaan op haar hulpgeroep, negeert Hij haar volkomen. We kunnen hieruit leren dat een gebrek aan een onmiddellijk antwoord geen bewijs is dat het antwoord niet zal komen. We zullen zien dat Jezus hiermee een doel voor ogen had. Wanneer Jezus de vrouw meteen in haar nood had voorzien, dan had zij niet de belangrijke geestelijke openbaring gehad, die veel belangrijker voor haar en haar huis was dan de bevrijding van haar dochter van satans macht. Er zijn enkele omstandigheden in deze zaak waar we op moeten letten. Ten eerste: de dochter was ernstig ziek, niet alleen lichamelijk, maar ze was door demonen bezeten. Wat een strijd in een huis waar demonen een van de kinderen is binnengetrokken! Het meisje was blijkbaar niet meer bij haar gezonde verstand. Voor zover er nog hulp geboden kon worden, was er geen enkele hoop meer op 88


genezing voor dat arme kind. Ook vandaag bevinden zich vele mensen in dezelfde positie. Zij zitten in inrichtingen en opvangcentra en reageren niet op de meest moderne methodes van de psychiatrie en wetenschap. Een vroegtijdige dood is hun enige hoop op bevrijding. Ten tweede: deze vrouw was een heiden en stond buiten het gemeenschappelijke verbond met Israël. Jezus had nog niet het offer op Golgotha gebracht dat de deur naar alle mensen zou openen. Deze vrouw stond dus buiten Gods belofte aan Israël: ‘...door Zijn striemen is ons genezing geworden’, zoals de profeet Jesaja gesproken had. Ten derde: de vrouw vond het ene obstakel na het andere op haar weg voor genezing van haar dochter. Jezus antwoordde haar niet en in plaats van weglopen – wat velen zouden doen – keerde zij zich naar de discipelen voor hulp. Zouden zij misschien iets kunnen doen? Maar zij dachten: als Jezus haar afwijst, wie zijn wij dan om haar dochter te helpen? Voor enige tijd negeerden zij haar smeekbede, maar door haar aandringen werden zij verlegen. De vrouw, die om hulp bleef smeken, begon vervelend te worden. Niet wetende wat ze met die vrouw aanmoesten, gingen zij maar naar Jezus om er bij Hem op aan te dringen de vrouw weg te sturen. Jezus gaf geen gehoor aan hun verzoek, maar legde wel de kern van het probleem voor haar op tafel, door te zeggen: ‘Ik ben gestuurd om de Joden te helpen en niet de andere volken.’ - Mattheüs 15:24 89


Was er daarom geen hoop voor de vrouw en haar dochter? Nee, die was er wel, maar die had enige instructies nodig! Jezus legde de vrouw uit welke voorwaarden er verbonden waren aan het ontvangen van genezing. Hoewel niet velen, waren er toch ook andere heidenen genezen. Denk aan de zaak van de vijfsterren generaal Naäman, die melaats was. Hij dacht genezen te kunnen worden door een gulle gift. O, wat zat die man ernaast. Pas toen hij in nederigheid gehoorzaam was aan de instructies van de man Gods, ontving hij waar hij voor kwam. De Kananese vrouw had een ongelooflijk groot geloof en Jezus zag dat. Door Zijn onorthodoxe manier van optreden, trok Jezus als het ware dit grote geloof uit de vrouw, wat genezing betreft. Om dit echter te kunnen doen, moest Jezus zeer pijnlijke woorden tegen haar gebruiken. Zou de vrouw deze enorme zware test doorstaan? Jezus zei: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen af te nemen en aan de honden te geven.’ - Mattheüs 15:26 Wat een prachtige waarheid zit er in de woorden van Jezus voor alle mensen die zich afvragen of genezing wel voor hen bestemd is. Vaak geloven zij wel in de vergeving van zonden en vertrouwen erop dat Jezus hen gered heeft en dat ze kinderen van God zijn geworden. Maar als het om geloof gaat voor genezing, dan staan de zaken vaak anders! Misschien voelen zij zich niet waardig om genezing te ontvangen. Misschien is het wel niet Gods wil om hen te genezen. Kan het misschien niet zijn dat God wil dat zij ziek blijven en hun kruis dragen? Elk huisje heeft immers 90


zijn kruisje. Ik kan mij eigenlijk helemaal niet voorstellen dat mensen dit geloven, want gaan deze zelfde mensen niet ook naar de dokter of arts als zij ziek zijn? Besteden ze hun geld niet ook aan medicijnen om hen te genezen? Als je écht gelooft dat het Gods wil is om ziek te blijven, is het dan niet hypocriet om naar de dokter voor genezing te gaan? Jezus haalt met Zijn woorden – dat genezing het brood van Gods kinderen is – deze hele theorie onderuit. Als u een kind van God bent, dan is genezing ook voor u. Geloof het en ervaar het! Als genezing het brood voor de kinderen Gods is, dan is het in dezelfde tijd niet voor de goddelozen. Er zijn er die genezen willen worden met maar één doel, en dat is om door te kunnen gaan in hun oude, goddeloze levensstijl. Dit is natuurlijk de verkeerde reden om aan God genezing te vragen. De reden dat wij naar genezing verlangen, moet altijd zijn om Jezus met heel ons hart en in heel ons leven te dienen, te gehoorzamen en te volgen. Wat was het antwoord van de vrouw toen Jezus haar hier een hond noemde? In haar diepste nederigheid bood ze geen weerstand, maar was ze gewillig de laagste plaats in te nemen die je maar kunt bedenken. Hier drong het Licht van de Waarheid haar hart binnen, toen ze zei: ‘Inderdaad, Here. Maar de honden mogen toch wel de kruimels opeten die van de tafel vallen.’ - Mattheüs 15:27 Met deze welgemeende nederige uitspraak bereikte zij het punt waar zij de zegen die zij van Jezus nodig had, 91


kon verkrijgen. Haar antwoord was zo onbetwist en onweerlegbaar, dat zelfs Jezus in bewondering pauzeerde. Hij verleende niet alleen bevrijding van haar dochter, maar zei ook: ‘Wat hebt u een groot geloof!’ - Mattheüs 15:28 Groot geloof is altijd zichtbaar in volharding. Hoewel Jezus ons in deze geschiedenis leert dat genezing niet altijd onmiddellijk komt, hebben we geen reden om ontmoedigd te worden als genezing uitblijft. Als de Kananese vrouw, die niet tot het huisgezin van geloof behoorde, door haar volharding haar wonder ontving, hoeveel te meer zullen de kinderen Gods, die geloven en niet opgeven, vragen en ontvangen!

92


Hoofdstuk 15

De doofstomme man ‘Daar werd een dove man bij Hem gebracht, die ook nauwelijks kon praten. De mensen vroegen Jezus of Hij Zijn hand op deze man wilde leggen om hem te genezen. Jezus nam hem apart. Hij stak Zijn vingers in de oren van de man, spuugde en raakte zijn tong aan. Daarna keek Hij naar de hemel en zei met een zucht: Ga open. De man kon ineens goed horen en spreken. Jezus verbood de mensen het verder te vertellen. Maar hoe meer Hij dat zei, hoe meer de mensen het rondbazuinden. Zij konden er gewoon niet over zwijgen. Het is geweldig wat Hij doet, zeiden ze. Hij geneest zelfs dove mensen. En wie niet kunnen praten, geneest Hij ook!’ - Markus 7:32-37 Omdat Jezus nergens een plaats van afzondering kon vinden, keerde Hij terug naar Israël en kwam bij een berg, vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over het meer van Galilea. Het duurde echter niet lang of de lammen, de kreupelen, de blinden, de stommen en vele andere zieken werden voor de voeten van Jezus gebracht om genezing te ontvangen. Ons wordt verteld dat de menigte buiten zichzelf raakte van verbazing toen de man die doofstom was, weer kon horen en praten, de lammen weer konden lopen en de blinden weer konden zien. ‘De God van Israël werd door iedereen geëerd en geprezen.’ - Mattheüs 15:31 93


Een van de meest ongelukkige schepsels die tot Jezus werd gebracht, was de dove man met een spraakstoornis. Dit was een ongewone zaak van doofheid, want een dove geest was de oorzaak dat de man niet kon horen. Wanneer het gehoor verder niets mankeert en de dove geest wordt uitgeworpen, is het in het algemeen zo dat de dove direct weer kan horen. Als het gehoor echter ook nog eens is vernietigd door een ziekte, dan is de uitwerping van een dove geest niet voldoende. Dan zal er ook nog een scheppingswonder moeten plaatsvinden. In deze zaak was de man niet alleen doof, maar had hij ook een spraakstoornis. Er was een soort obstructie die een effect had op zowel zijn horen, als zijn spreken. Jezus deed niet alleen Zijn vingers in de oren van de man, maar spuwde en raakte zijn tong aan. Pas toen kon de man spreken. Dit was ongetwijfeld een ongewone zaak. Omdat het lichaam van de mens ongelooflijk ingenieus is geschapen, zijn de ziekten soms ook erg ingewikkeld. In feite is de gave van genezing een meervoudige bediening voor de vele complexe ziekten die er zijn. In sommige gevallen is er ziekte vanwege een boze geest, maar het kan ook zijn dat de organen zijn aangetast door ziektekiemen, waardoor het lichaam niet goed functioneert. Daarom kan genezing te maken hebben met het herstel van meerdere tegenstrijdige omstandigheden in het lichaam van de mens. De Bijbel leert ons hier dat de doofstomme man meer dan ĂŠĂŠn ding mankeerde. Het feit dat Jezus spuugde en zijn tong aanraakte, doet mij heel sterk denken aan het 94


verhaal van de blindgeboren man. Jezus spuugde op de grond, maakte slijk en smeerde dat op zijn ogen, waarna hij zich moest gaan wassen in het badwater van Siloam. Blijkbaar werd hier een soort scheppingswonder verricht. Jezus stak Zijn vingers in de oren van de man. Dit wordt ook veel gedaan in de genezingsbediening van vandaag. De genezingskracht stroomt dan via de vingertoppen in de zieke persoon. In de meeste gevallen bad Jezus niet voor de zieken zoals de oudsten geïnstrueerd worden te doen in Jakobus 5:1415, wat de correcte Bijbelse methode is. Jezus gebruikte Zijn autoriteit en gebood de zieke om gezond te worden. Tegen deze man zei Hij: ‘Effata’, wat betekent: ‘Word geopend!’ Hier werd de compassie en ontferming van Jezus in deze erbarmelijke zaak geopenbaard. Zij werd getoond in het feit dat Jezus de tijd nam voor deze man. Soms is het nodig om de tijd te nemen voor een zieke om het kanaal van genezing te openen. Het opzien naar de hemel en het zuchten van Jezus reflecteerde Zijn diepe betrokkenheid met de zieken, de ellendigen en de verworpenen. Nadat de man zijn glorieuze genezing ontvangen had, riepen de mensen in de hele omgeving: ‘Het is geweldig wat Hij doet. Hij geneest zelfs dove mensen. En wie niet kunnen praten, geneest Hij ook!’ - Markus 7:37

95


96


Hoofdstuk 16

De blinde man te Bethsaïda ‘Ze kwamen in Bethsaïda. Enkele mensen brachten een blinde man bij Jezus en vroegen of Hij hem wilde aanraken. Hij pakte de blinde man bij de hand en nam hem mee buiten het dorp. Hij spuugde hem in de ogen, legde Zijn handen erop en vroeg: Ziet u al iets? De man keek om zich heen en zei: Ja, ik zie de mensen lopen. Maar, wat raar, het lijken net bomen. Jezus legde Zijn handen nog eens op de ogen van de man. Hierna kon hij weer normaal zien. Hij was genezen en zag alles duidelijk. Jezus stuurde hem naar huis en zei: Ga het dorp niet in.’ - Markus 8:22-26 Jezus en Zijn discipelen gingen terug naar het noordelijke deel van de zee van Galilea, waar men een blinde man tot Jezus bracht om genezing te ontvangen. In plaats van meteen in te gaan op hun verzoek, nam Hij de man bij de hand en leidde hem buiten het dorp. Er was een reden waarom Jezus het wonder niet in die stad deed en waarom Hij niet toestond dat er getuigenis van werd gegeven. Bethsaïda was een van de steden die Jezus verworpen had. Het lag dicht bij Kapernaüm, waar Jezus een groot werk had verricht. Ondanks de manifestatie van Gods heerlijkheid en glorie, hadden de mensen zich niet bekeerd. Deze steden waren voorspoedig en lagen op de hoofdwegen waar veel handelsverkeer gaande was. Hun voorspoed was echter ook hun ondergang. Zij waren zo behept met hun handel dat, terwijl zij getuigen waren van de grote wonderen die 97


Jezus deed, en daar ook zeer van onder de indruk waren, zij geen acht sloegen op Zijn woorden van bekering. Daarom misten zij de dag van bezoek. Zoals er voor ieder mens een moment van redding is, zo is er ook voor iedere stad een moment van bezoek. Daarom nam Jezus de man bij de hand en leidde hem buiten de stad. Ook hier zien we dat er een wachten is op het wonder. Zoals Jezus het lichaam wil genezen, zo wil Hij ook altijd de ziel genezen. Stap voor stap zoekt Jezus altijd naar wegen om onze ziel te leiden naar Zijn volmaakte wil. Deze wonderbare dag dat Jezus tot hem sprak en hem persoonlijk bij de hand nam en hem uit de stad leidde, zou nooit meer door de man vergeten worden. Zijn hele leven lang zal hij zich het uur herinneren dat Jezus zijn hand vasthield en met hem sprak, terwijl zij samen liepen. In zijn gedachten zou hij dit uur opnieuw en opnieuw beleven! Toen Jezus de man de stad had uitgeleid, deed Hij iets eigenaardigs. Het was echter niet de eerste keer dat Hij zoiets wonderlijks deed. Jezus spuwde in zijn ogen en legde hem de handen op. Natuurlijk herinneren we ons het verhaal dat Jezus op de grond spuugde en slijk maakte en dat op de ogen van de blindgeboren man smeerde. Na zich gewassen te hebben in het badwater van Siloam, kon de man weer zien. Ook bij de doofstomme man spuugde Hij en raakte zijn tong aan, en de man werd genezen van zijn spraakstoornis. Het was alsof er in deze wonderen een soort van schepping werd verricht! In vele gevallen van 98


genezing zijn de organen van het zieke lichaam gezond en werken correct. In andere gevallen kan het zijn dat de organen vernietigd zijn of niet volgroeid zijn bij de geboorte. In zulke gevallen is er meer nodig dan genezing alleen. Dan zal Gods wonderbare scheppingskracht geactiveerd moeten worden, zoals Hij Adam schiep uit het stof der aarde. We zien hier duidelijk dat de man niet meteen genezen werd. Sommige mensen veronderstellen dat Gods genezingen altijd direct plaatsvinden. Maar dat is niet het geval. Genezing kan ook al gaande plaatsvinden, in een periode van uren of zelfs dagen. De genezing kan de ziektekiemen doden, waarna het genezingsorganisme in het menselijke lichaam de rest doet en de genezing voltooit! Nadat Jezus op zijn ogen had gespuugd en Zijn handen had opgelegd, vroeg Hij aan de man: ‘Zie je iets?’ Waarop de man antwoordde: ‘Ik zie de mensen wandelen als bomen!’ Opnieuw legde Jezus Zijn handen op zijn ogen, waarop de man volkomen gezond werd en alles scherp kon zien. Dit beantwoordt meteen de vraag of we soms meer dan één keer voor een zieke moeten bidden. Jezus diende de man twee keer met het opleggen van Zijn handen. De eerste keer zag hij niet scherp, maar de tweede keer wel! ‘Werkte het de eerste keer dan niet?’ hoor ik mensen zeggen. Natuurlijk wel. Het kan goed zijn dat de eerste keer de optische zenuw bevrijd werd van de boze onderdrukking, waardoor het licht terug in zijn ogen kwam. De man zag onscherp, doordat hij al zo lang de spieren om scherp te stellen, niet had gebruikt. Maar toen Jezus de tweede keer de handen oplegde, stroomde genezing in zijn spieren, 99


zodat de man kon focussen en alles scherp kon zien. Het gebeurt dat een persoon die al zo lang met een ziekte leeft, niet meteen de belofte van genezing ten volle kan grijpen. Het is dan belangrijk dat wij hen bemoedigen om te blijven belijden: ‘Door Zijn striemen is mij genezing geworden!’ De blinde man heeft de eerste keer iets van zijn genezing ontvangen, en de tweede keer werd hij volkomen gezond!

100


Hoofdstuk 17

De kromme vrouw in de synagoge ‘Toen Jezus op een sabbat in een synagoge sprak, viel Zijn oog op een vrouw die helemaal krom liep. Zij had deze ziekte al achttien jaar en kon helemaal niet rechtop lopen. Jezus riep haar bij Zich en zei: U bent van uw ziekte verlost. Hij legde Zijn handen op haar en op hetzelfde moment werd haar rug recht. De vrouw loofde en dankte God. Maar de leider van de synagoge was boos, omdat Jezus de vrouw op de sabbat had genezen. De week heeft zes dagen om te werken! zei hij tegen de mensen. Dan kunt u komen om genezen te worden. Maar niet op de sabbat! Huichelaar! antwoordde Jezus. U werkt nota bene zelf op de sabbat! Maakt u soms niet op de sabbat uw vee los van de voerbak om het buiten te laten drinken? Mocht Ik deze gelovige vrouw dan niet verlossen uit de greep van satan, die haar achttien jaar gevangen heeft gehouden? Enkel en alleen omdat het sabbat is? Zijn tegenstanders schaamden zich. Maar de andere mensen waren heel blij over de geweldige dingen die Hij deed.’ - Lukas 13:11-17 Deze geschiedenis vond zo’n beetje plaats aan het einde van de bediening van Jezus. Het ziet ernaar uit dat tegen de tijd van de genezing van deze vrouw er een excommunicatie actief was vanuit de synagoge naar Jezus toe. Blijkbaar sprak Jezus tegen het einde van Zijn bediening niet zo veel meer in de synagoge. Als Hij Zich er echter toe voelde, ging Hij ondanks de ban toch naar de synagoge toe. 101


De kerkleiders van die tijd wilden zonder twijfel van Jezus af, maar Jezus had iets in de manier van Zijn doen en in de geest van Zijn autoriteit, dat hen ervan weerhield om in te grijpen. Maar nog meer dat Hij de genegenheid van de mensen bezat, waardoor zij bang waren om hun woede uit te lokken, als ze Hem zouden aanpakken. Het was tijdens Zijn spreken in de synagoge op de sabbatdag dat Jezus deze vrouw zag die door een boze geest krom was, alsof ze onder een zwaar drukkende last gebukt ging. Moderne theologen zullen niet altijd geloven dat deze kromming in haar rug voortkwam uit een boze geest, maar de Bijbel maakt duidelijk dat Jezus de oorzaak van de kromming toeschrijft aan de duivel. Op het moment dat Jezus deze vrouw zag, werd Hij met innerlijke ontferming over haar bewogen en riep haar bij Zich. Terwijl Hij Zijn handen op haar legde, zei Hij: ‘U bent van uw ziekte verlost.’ - Lukas 13:12 En onmiddellijk richtte zij zich op en verheerlijkte God. Dit was natuurlijk koren op de molen van de overste van de synagoge. Dit was precies het moment waarop hij gewacht had! Deze onverdraaglijke, klein denkende angsthaas begon zijn tirade om Jezus direct aan te spreken, met de woorden dat er zes dagen in de week zijn waarop je kunt werken. Hij zei dat de mensen maar tijdens een van deze dagen moesten komen om genezen te worden, maar niet op de sabbat. Jezus openbaarde echter zijn huichelarij door op het feit te wijzen dat iedereen op de sabbat ook 102


zijn os of ezel losmaakt en van stal haalt om die te drinken te geven. Hoeveel te meer moest deze vrouw, die reeds achttien jaar gebonden was, niet losgemaakt worden van haar gebondenheid op de sabbatdag. De sabbat is gemaakt voor de mens en niet andersom! Jezus zag de sabbat als een dag van aanbidding en rust waar je je even ontwart van alle zaken des levens. Deze geestelijke probeerde met zijn uitspraken de sabbat zogenaamd heilig te houden. In feite was hij boos op de vrouw. Niet omdat hij niet wilde dat ze genezen werd, maar omdat Jezus met dit wonder de aandacht van alle aanwezigen naar Zich toetrok. Hierdoor werd de positie en autoriteit van de leider van de synagoge zwakker. Zo worden er ook vandaag vele obstakels opgeworpen tegen de bediening van genezing. Maar laten we wel wezen: vele mensen hebben Jezus als Redder in hun leven gevonden ten gevolge van hun genezing. Wat in dit verhaal heel duidelijk naar voren komt, is de verbintenis tussen de ziekte van deze vrouw en boze geesten van krankheid. Er zijn mensen die niet kunnen geloven dat ziekte voort kan komen uit boze machten. De duivel vindt het prima om in deze genegeerd te worden en anoniem te blijven, want dan staat het hem vrij om zijn boos werk in de mens voort te zetten. Jezus maakt echter duidelijk dat de vrouw achttien jaar door de duivel gebonden was. Petrus, die getuige was van de vele genezingen die Jezus gedaan had en ook in dezelfde bediening wandelde, zei in zijn prediking bij Cornelius over Jezus: 103


‘Hij trok het land door en deed heel veel goeds. Hij genas alle mensen die in de macht van de duivel leefden, want God was met Hem.’ - Handelingen 10:38

104


Hoofdstuk 18

De epileptische jongen ‘Uit de mensen die aan de voet van de berg stonden te wachten, kwam een man naar Jezus toe. Here, zei hij smekend en viel voor Hem op de knieën. Heb medelijden met mijn zoon. Hij lijdt aan vallende ziekte. Het is heel erg met hem. Hij valt vaak in het vuur en in het water. Daarom heb ik hem bij Uw discipelen gebracht. Maar zij konden hem niet genezen. Och, zuchtte Jezus. Wat zijn jullie toch ongelovig en verdorven! Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen? Breng die jongen maar hier. Hij bestrafte de boze geest in de jongen en die ging er meteen uit. Van dat moment af was de jongen genezen.’ - Mattheüs 17:14-18 Dit is de waarneming van Mattheüs. Markus en Lukas voegen nog andere details toe aan deze gebeurtenis. Jezus was net met Petrus, Jakobus en Johannes teruggekeerd van de berg der verheerlijking, waar Hij een ontmoeting had met Elia en Mozes. De slechtgehumeurde Farizeeërs en schriftgeleerden, die Jezus volgden om Hem te vangen op Zijn woorden, waren naar deze plaats ten noorden van Israël gekomen. Omdat Jezus niet aanwezig was, vuurden zij hun vragen af op de negen discipelen die aan de voet van de berg verbleven. Een man kwam op het toneel wiens zoon zich in een wanhopige toestand bevond. Hij was krankzinnig, doofstom en kreeg regelmatig gewelddadige aanvallen van epilepsie. 105


De discipelen hadden van Jezus macht ontvangen om duivels uit te werpen en hadden daar ook aanmerkelijk veel succes in. Zonder twijfel gingen zij ook deze zaak met vol vertrouwen tegemoet. Maar tot hun grote verlegenheid, in de tegenwoordigheid van die Farizeeërs en schriftgeleerden met hun scherpe tongen, werden zij geconfronteerd met een absoluut falen. De boze geest weigerde niet alleen om op hun commando uit te gaan, maar wierp de jongen ook nog eens met groot geweld op de grond. Dit was natuurlijk koren op de molen van de Farizeeërs en schriftgeleerden, die meteen van de situatie gebruikmaakten om de discipelen voor het volk in diskrediet te brengen. Op datzelfde moment kwamen Jezus, Petrus, Jakobus en Johannes op het toneel. De arme vader liet geen tijd verloren gaan, rende naar Jezus toe, wierp zich aan Zijn voeten en stortte zijn hart bij Hem uit. De hele scène was een en al opschudding en verwarring. De jongen op de grond met een epileptische aanval; de vader naar Jezus toe rennend; de discipelen ontgoocheld; de Farizeeërs en schriftgeleerden met hun afkeurende blik, en de menigte in grote verbazing. Toen Jezus bemerkte dat de Farizeeërs en schriftgeleerden Zijn discipelen vragen hadden gesteld aangaande de man en zijn bezeten zoon, vroeg Hij hun meteen wat hun vragen waren. Blijkbaar waren zij in verlegenheid gebracht door deze directe benadering. De vader aarzelde echter geen seconde om zijn verhaal te doen. Hij gaf Jezus alle details aangaande zijn zoon. Hoe hij zijn zoon, die onder epileptische aanvallen leed, bij de discipelen had gebracht met de smeekbede 106


om hem te bevrijden. Hoe de discipelen dit geprobeerd hadden, maar het niet konden. Het antwoord dat Jezus aan de man gaf, is heel eigenaardig: ‘Och, wat zijn jullie toch ongelovig en verdorven!’ - Mattheüs 17:17 Zijn ergernis betrof hen allemaal. De nieuwsgierige menigte, de kritische Farizeeërs en schriftgeleerden, en de halfslachtige discipelen. Hij wilde hiermee eigenlijk zeggen dat als Gods volk eens wakker zou worden en hun privileges zou ontdekken, er nooit een falen zou zijn zoals hier. Dit is toch wel iets om over na te denken voor de hele Kerk van Christus vandaag! De discipelen maakten geen excuus waarom zij hadden gefaald. Zij wisten dat zij gefaald hadden, maar begrepen niet waarom. Zij vonden het niet verstandig om deze conversatie met Jezus aan te gaan in de tegenwoordigheid van de menigte en zouden dat later wel doen. Nadat Hij dit gezegd had, keerde Jezus Zich tot de vader en ondervroeg hem aangaande zijn zoon. ‘Hoe lang heeft hij dit al?’ - Markus 9:21 De vader reageerde door te zeggen dat het allemaal al begonnen was toen de jongen nog een kind was. Het werd van kwaad tot erger, totdat hij er zo slecht aan toe was dat hij zichzelf regelmatig in het vuur of in het water gooide. Blijkbaar was het te danken aan zijn familie, die een oogje in het zeil hield, dat de jongen nog leefde. De vader smeekte Jezus om hulp, zoals zovelen doen in zo’n 107


wanhopige situatie, wanneer zij genezing nodig hebben. Hij zei: ‘Heb medelijden met ons en doe iets als U kunt.’ - Markus 9:22 Dit zijn woorden van een mens die geen uitweg meer ziet. Het zijn echter geen woorden van geloof, en dat kon Jezus niet zomaar voorbij laten gaan. Hij berispte de man lieflijk door te antwoorden: ‘Als U kunt? Voor wie gelooft, is alles mogelijk.’ - Markus 9:23 Medelijden kan geen compromis zijn voor het basisprincipe van geloof. Medelijden, compassie en ontferming motiveert de Heelmeester om te genezen, maar medelijden op zichzelf kan niet genezen. Dat doet alleen geloof. We moeten altijd voor ogen houden dat genezing niet voortkomt uit de basis van onze nood, maar uit de basis van ons geloof. Als een christen vraagt: ‘Wat kan ik doen om genezing te ontvangen?’ dan vraagt hij eigenlijk of er nog een andere manier is om genezing te ontvangen dan uit geloof. Er is geen andere manier! En dit is de reden dat Jezus deze man moest corrigeren op zijn misvatting en zei: ‘Natuurlijk kan Ik hem genezen, maar wat aangaande u?’ Het was op dit moment dat de arme man brak en hij huilde: 108


‘Ik geloof! En toch twijfel ik nog. Help mij!’ - Markus 9:24 Toen Jezus zag dat de man onder zijn ondraaglijke lasten zou bezwijken, werd Hij zo vol ontferming over hem bewogen, dat Hij Zich tot de jongen keerde en zei: ‘Eruit! Jij, die dit kind doof en stom maakt. Eruit! En kom nooit meer in hem terug! De jongen gilde vreselijk en kreeg hevige stuiptrekkingen toen de boze geest uit hem wegging. Daarna lag hij zo stil dat het leek of hij dood was. De mensen begonnen al te mompelen: Hij is dood.’ - Markus 9:25-26 Jezus sprak en Zijn woord was vol van autoriteit. Hij gaf niet alleen bevel aan de demon om eruit te komen, maar Jezus bond hem ook, opdat hij niet meer zou terugkeren. Dit deed Jezus niet bij alle boze geesten. Jezus waarschuwde dat je moet oppassen, anders komt de boze geest terug en is het nog erger dan voorheen! Tegen de verlamde man bij Bethesda zei Hij: ‘Zondig niet meer, zodat je niet iets ergers overkomt.’ Jezus bond hier echter de boze geest, omdat de jongen al vanaf zijn kinderjaren het slachtoffer was van deze demon en hij niet zou weten hoe hij zich zou moeten verdedigen tegen de duivel. Volwassenen kunnen leren hoe ze zichzelf kunnen verdedigen tegen de boze en hoe ze hem kunnen wederstaan, maar voor kinderen en degenen die zwak zijn, moet de duivel gebonden worden, zodat hij niet meer kan terugkeren. Met deze woorden van Jezus gebeurde er iets wat voor de menigte een onverwacht schouwspel werd. Toen Jezus 109


zei: ‘Kom eruit!’ leek het net of het met de jongen erger werd dan ooit tevoren. Er kwam een luid geschreeuw en de jongen kreeg hevige stuiptrekkingen. Vervolgens lag de jongen onbeweeglijk op de grond, zodat de mensen dachten dat hij dood was. Maar wat er gebeurde, was dat de woorden van Jezus als een bliksemflits de demonische geest raakten, waardoor de demon met een gil van angst zo vlug het lichaam verliet, dat deze begon te stuiptrekken. Terwijl de menigte nog vol verwondering met elkaar sprak over wat er gebeurd was, pakte Jezus de hand van de jongen en richtte hem op. De jongen stond op en werd aan zijn vader gegeven. De Farizeeërs en schriftgeleerden hadden niets meer in te brengen en dropen langzaam en stilletjes af. De mensen waren echter blij en verheerlijkten God. Terwijl Jezus en Zijn discipelen een huis waren binnengegaan en zij alleen met Jezus waren, wilden zij weten waarom zij gefaald hadden en de boze geest niet hadden kunnen uitwerpen. Klip en klaar legt Jezus uit waarom: ‘Boze geesten gaan alleen maar op de vlucht voor gebed.’ - Markus 9:29 Dit feit laat zien dat niet iedere boze macht even sterk is, maar dat er machten zijn die sterker zijn dan andere. Zwakke machten gaan zonder veel poeha uit, maar andere, de sterkere, gaan alleen uit als een bliksemflits van de Heilige Geest hen raakt. Om ten volle in de kracht van de Heilige Geest te zijn, zodat je in staat bent om die sterke 110


boze machten uit te werpen, is een gedisciplineerd leven van bidden en vasten nodig, zegt Jezus. Veertig dagen en veertig nachten heeft Jezus biddend en vastend in de woestijn doorgebracht, waarna Hij eruit kwam in de kracht van de Geest, zegt de Bijbel. Vandaag moet de Kerk van Christus het geheim van bevrijding gaan herontdekken, namelijk: bidden en vasten. Er is een plaats in God waar alle dingen mogelijk zijn. Jezus maakt dit duidelijk in Mattheüs’ verslag van deze gebeurtenis, waar Hij zegt: ‘Als jullie geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje en je zegt tegen deze berg: Ga weg, dan gaat hij weg. Dan is niets onmogelijk voor je.’ - Mattheüs 17:20

111


112


Hoofdstuk 19

De waterzuchtige mens ‘Op een sabbat ging Hij bij een vooraanstaande Farizeeër thuis eten. Zij hielden Hem daar goed in het oog, want er was iemand bij Hem komen staan die last van waterzucht had. Jezus vroeg aan de Farizeeërs en godsdienstleraars in dat huis: Mag men volgens de wet van Mozes iemand op de sabbat genezen of niet? Zij zwegen in alle talen. Jezus nam de zieke man bij de hand, genas hem en liet hem gaan. Daarna keek Hij hen weer aan en zei: Als uw zoon op een sabbat in een put valt, haalt u hem er toch ook uit? En een koe laat u er ook niet in liggen. Ze wisten niet wat ze moesten antwoorden.’ - Lukas 14:1-6 Kort nadat de kromme vrouw in de synagoge op de sabbat genezen werd, deed zich opnieuw een andere gebeurtenis voor waarin Jezus in controverse werd gebracht over de sabbat. Jezus had van een Farizeeër een uitnodiging gekregen om te komen dineren in zijn huis. De man had een hoge positie in de synagoge, want er wordt gesproken van een overste van de Farizeeërs. Bij dit diner zaten ook andere Farizeeërs en schriftgeleerden aan. Het lijkt er niet op dat dit diner in de geest van vriendschap verliep, want er wordt ons verteld dat zij Jezus nauwkeurig in de gaten hielden. Het was in die tijd de gewoonte om de deuren van het huis open te laten, zodat de ongenode gasten binnen konden komen om te luisteren naar hen die uitgenodigd waren, en helemaal natuurlijk als het notabelen betrof. In deze gebeurtenis kwam er iemand binnen die leed aan de 113


ziekte van waterzucht. Omdat het sabbat was, keken de Farizeeërs nauwlettend toe om te zien of Jezus een poging zou doen om hem te genezen. Waterzucht is een pijnlijke ziekte van zwelling in de voeten en de ledematen onder de heupen. De man die niet in dit gezelschap was uitgenodigd, zei niets, maar hoopte natuurlijk wel dat Jezus hem zou opmerken. Jezus bemerkte hem, maar Hij zag ook dat de heren van de wet op Hem letten of Hij de man op de sabbat zou genezen. Volgens de wet mocht er op de sabbat alleen maar een geneesmiddel worden toegediend als de persoon in levensgevaar verkeerde. Omdat het er niet naar uitzag dat de man die dag zou sterven, moest hij wachten tot de volgende dag. Jezus kon echter hun gedachten lezen en was niet van Zijn stuk te brengen. Hij raakte meteen het hart van de zaak door de huichelarij van hun traditie te openbaren met de woorden: ‘Mag men volgens de wet van Mozes iemand op de sabbat genezen of niet?’ - Lukas 14:3 Hadden de Farizeeërs enig greintje compassie, dan hadden zij de arme man niet beroofd van zijn kans op genezing. Maar de ellende van de man maakte geen enkele indruk op hen. Jezus, verontwaardigd over de hardheid van hun hart, sloeg de spijker meteen op z’n kop met de opmerking:

114


‘Als u maar één schaap had en het zou op de sabbat in een put vallen, wat zou u dan doen? Het eruit halen natuurlijk!’ - Mattheüs 12:11 Er was maar één antwoord! Als een van hun eigen dieren op de sabbatdag in de put zou vallen, dan zouden zij alles in het werk stellen om het arme dier eruit te halen. Nadat Hij hiermee de oppositie de mond gesnoerd had, genas Jezus de man van zijn ziekte.

115


116


Hoofdstuk 20

De blinde Bartimeüs ‘Zij kwamen in Jericho aan. Later, toen Hij met Zijn discipelen uit de stad vertrok, liepen er heel veel mensen met hen mee. Langs de weg zat een blinde bedelaar, Bartimeüs. Zodra deze hoorde dat Jezus van Nazareth eraan kwam, begon hij te schreeuwen: Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij! Houd je mond! snauwden de mensen. Maar Bartimeüs trok er zich niets van aan en schreeuwde nog harder: Zoon van David, heb toch medelijden met mij! Jezus bleef staan: Roep hem eens hier, zei Hij. Zij riepen de blinde man. Je boft, zeiden ze. Kom, Hij roept je! De man gooide zijn jas neer, sprong op en liep naar Jezus toe. Wat kan Ik voor u doen? vroeg Jezus. Och, Here, antwoordde de blinde man, ik wil zo graag kunnen zien! Dat kan, zei Jezus. Omdat u op Mij vertrouwt, bent u genezen. Op datzelfde moment kon de man weer zien. En hij ging met Jezus mee naar Jeruzalem.’ - Markus 10:46-52 De bediening van Jezus hier op aarde begon tegen het einde te lopen en Hij en Zijn discipelen waren hiervoor op weg naar Jeruzalem. Het was bijna Pasen en op hun reis passeerden zij de stad Jericho, waar zich vele pelgrims bevonden die voor het paasfeest dezelfde tocht maakten. Jericho was een opzichtige stad. Herodes de Grote had in de Romeinse architectuur vele dure gebouwen laten bouwen. Het was een heidense plaats met een schouwburg en een grote paardenrenbaan, zoals in de film Ben-Hur. 117


Vlak bij die stad was er een blinde man genaamd Bartimeüs, de zoon van Timeüs, aan het bedelen. Er was nog een blinde man, maar Bartimeüs is in dit verhaal de hoofdrolspeler. Terwijl de man, teruggetrokken in zijn altijd donkere en saaie wereld, zoals altijd aan het bedelen was, hoorde hij het geluid van een menigte die hem naderde. Terwijl de voetstappen luider werden, vroeg Bartimeüs de anderen om zich heen wat deze commotie te betekenen had. Hem werd verteld dat Jezus van Nazareth voorbij zou komen! Bartimeüs had wonderbare verhalen van Jezus gehoord en met dit nieuws stroomde er een golf van hoop en opwinding door hem heen. Al voor lange tijd had Bartimeüs het grote verlangen om Jezus te ontmoeten en om door Hem genezen te worden van zijn blindheid. Maar wat voor een kans had nu een eenzame, blinde bedelaar om Hem ooit te vinden en te ontmoeten? Zou hij dan nu eindelijk zijn weg naar Jezus kunnen vinden? De situatie leek onmogelijk, want als hij eenmaal zijn weg had gevonden, zou Jezus al weer voorbij zijn en was de kans op genezing volkomen verkeken. Het zou allemaal maar een hopeloze droom zijn geweest. Maar toen hem gezegd werd dat Jezus nu heel dichtbij was en hem bijna zou passeren, sprong zijn hart op van extase. Natuurlijk kon hij als een blinde Jezus nooit vinden in de menigte, maar hij had een stem, en die zou hij gebruiken ook! Hij wist dat de kans van zijn leven maar enkele seconden zou duren, en dat die kans zich nooit meer zou voordoen. Zonder ophouden begon hij luidkeels te roepen: 118


‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ - Markus 10:47 Dit was ook het moment dat de nieuwsgierige menigte rondom Bartimeüs verzameld was om een glimp van Jezus op te vangen. Velen konden zijn geschreeuw niet waarderen en wilden hem tot zwijgen brengen. Zij waren ervan overtuigd dat Jezus de koning van Israël zou worden, en hadden al plannen uitgestippeld om Hem tot koning uit te roepen op zijn triomfantelijke tocht naar de stad Jeruzalem. Des te meer de omstanders Bartimeüs tot zwijgen wilden brengen, des te luider hij begon te roepen. Plotseling stond Jezus stil en zei: ‘Roep hem eens hier.’ - Markus 10:49 Toen Bartimeüs hoorde dat Jezus hem riep, stond hij op en, in zijn grote haast om naar Jezus te gaan, gooide hij zijn mantel af. Wat een prachtige geestelijke les leren we hier! Wanneer wij tot Jezus gaan om ons wonder te ontvangen, moeten ook wij onze vuile vodden van eigengerechtigheid van ons afwerpen, om Zijn zegen te ontvangen als een pure handeling van genade. Veel te vaak denkt een zoeker van genezing dat je genezing kunt verdienen door goed te doen. Maar als wij tot God gaan om een zegen te ontvangen, ontvang deze dan als een vrijwillige gift van God, op basis van Zijn grote goedertierenheid en genade. Het duurde niet lang of Bartimeüs was in de tegenwoordigheid van Jezus en hoorde Zijn tedere en lieflijke woorden:

119


‘Wat kan Ik voor u doen?’ - Markus 10:51 Natuurlijk wist Jezus wat hier nodig was, maar Hij wil dat we leren om precies te zijn in onze gebeden naar Hem. Met een trillende stem van emotie antwoordde Bartimeüs: ‘Och, Here, ik wil zo graag kunnen zien!’- Markus 10:51 Toen raakte Jezus de ogen van Bartimeüs en zijn kompaan aan en zei: ‘Door uw geloof bent u genezen.’ - Lukas 18:42 En terstond werden zij ziende. Zij begonnen God te verheerlijken en volgden Jezus naar Jeruzalem, waar Hij de striemen op Zich zou nemen om allen die geloven, te genezen van hun ziekten.

120


Hoofdstuk 21

De tien melaatsen ‘Op weg naar Jeruzalem kwam Jezus bij de grens tussen Galilea en Samaria. Toen Hij een dorp binnenging, liepen tien melaatse mannen Hem tegemoet. Ze bleven op een afstand staan en riepen: Meester! Jezus! Heb medelijden met ons! Hij keek hen aan en zei: Ga naar de priester om te laten zien dat u genezen bent. Terwijl ze gingen, verdween hun melaatsheid. Een van hen kwam bij Jezus terug en juichte: Wat is God goed! Ik ben genezen! Hij viel uit eerbied languit voor Jezus neer, met zijn gezicht in het stof. En hij dankte Hem voor wat Hij had gedaan. Deze man was een Samaritaan. Jezus vroeg: Zijn niet al die tien mannen genezen? Waar zijn de negen anderen? Is alleen deze man teruggekomen om God te prijzen en te danken? En hij is niet eens een Jood! Jezus zei tegen de man: Sta op. U kunt gaan. U bent gered door uw geloof.’ - Lukas 17:11-19 Terwijl Jezus met Zijn discipelen op Zijn weg naar Jeruzalem Samaria passeerden, zagen zij in de verte tien melaatsen naar hen kijken. Wanneer zij op een bepaalde afstand naderden, gingen de melaatsen opzij, omdat het bij de wet voor hen verboden was om zich onder de mensen te begeven. Daar zij niet dichterbij durfden te komen, zonden zij naar Jezus een hartverscheurende symfonie van geween. Hun lot was immers dat zij door de melaatsheid ten dode waren opgeschreven. Zij zaten hun dagen in dit dorpje in Samaria in wanhopige ellende uit, totdat zij 121


zouden sterven. Hun orkest bestond uit zowel Joden als Samaritanen, want door hun ziekte telde het onderscheid van ras niet meer. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om te bedenken wat voor ellendig bestaan deze arme schepselen te verduren hadden. De verwoestende ziekte trok langzaam zijn spoor in de bloedbanen en verspreidde zich over het hele lichaam, vooral in de handen en voeten. Deze verschoppelingen van de maatschappij waren door alles en iedereen verlaten en hadden niets en niemand meer. En toch is dit niet helemaal waar, want de levende God zag naar beneden en zag hen vol ontferming aan. Eerder in de bediening van Jezus, vertelt de geschiedenis ons dat toen Jezus een reis maakte tussen Jeruzalem en Galilea, Hij door Samaria moest. Die missie bracht Hem bij een andere verschoppeling uit de maatschappij, een vrouw met een berucht verleden. Als gevolg van Zijn conversatie met haar, accepteerde zij Jezus als haar Messias. In haar vreugde van haar nieuw gevonden leven, vertelde zij iedereen die het maar horen wilde wat er gebeurd was. Velen kwamen door haar getuigenis tot het geloof. Dit wonderbare verhaal werd van mond tot mond verspreid, en op de een of andere manier moeten deze tien melaatse mannen het nieuws van de Man uit Nazareth gehoord hebben. Hoe het ook zij, er moet een hoop in hun binnenste ontsprongen zijn, toen zij het nieuws van Jezus’ bediening hoorden. ‘Ach, als Hij nu toch maar eens een keer langs Samaria zou komen’, hoopten zij. Nu hoorden zij dat Hij 122


langs zou komen! Met grote opwinding in hun hart, wachtten zij zo dicht mogelijk langs de weg waar Hij voorbij zou komen. Toen Jezus dichterbij kwam, riepen zij eenparig: ‘Meester! Jezus! Heb medelijden met ons!’ - Lukas 17:13 Jezus zag hen aan en onmiddellijk werd Hij met ontferming over hen bewogen. Omdat Hij Zich in vijandig gebied bevond, was het niet verstandig om de tien melaatsen uit te nodigen om naar de weg te komen waar veel mensen elkaar passeerden. Daarom zei Hij naar de wet van Mozes op de reiniging van melaatsheid: ‘Ga naar de priester om te laten zien dat u genezen bent.’ - Lukas 17:14 Jezus heeft vele zieken die Hij genas aangeraakt, en op velen ook de handen gelegd. Het was een soort punt van contact, een teken van een handeling in geloof dat plaatsvond. God wordt echter niet begrensd of beperkt door een methode. Terwijl de melaatsen naar hun huid keken, zagen zij geen verandering. Misschien dat zij verleid werden om te denken dat er niets gebeurd was. Maar hun handeling om op het woord van Jezus naar de priesters te gaan, toonde hun geloof. Ver waren zij nog niet gegaan, of er gebeurde iets wonderlijks. Terwijl zij heengingen, werden zij genezen van hun melaatsheid. Vaak vraagt Jezus een handeling van geloof van iemand die komt voor genezing. Handelend in geloof, werd hun geloof beloond met genezing! 123


Toen zij zagen dat ze genezen waren, ontstond er een scheiding tussen hen. Negen waren de Man die hen genezen had, totaal vergeten. Ze konden niet wachten om weer naar het maatschappelijke leven terug te keren en te genieten van alles waar mensen van genieten. Slechts één herinnerde zich de Weldoener die hem genezen had en ging terug om Hem te bedanken. Wat een waarheid ook voor vandaag! Hoe intens verlangen vele mensen ernaar om genezen te worden van de kwalen waar zij onder lijden. En als zij eenmaal genezen en verlost zijn van hun ziekte, vergeten zij God en gaan hun eigen weg. Gebrek aan dankbaarheid is volgens de Bijbel een zonde. Jezus hield van de mensen in Samaria, en welk een groot getuigenis zou dit wonder niet geweest zijn voor de mensen daar. Helaas keerde alleen de Samaritaan terug om te getuigen, terwijl de anderen part noch deel hieraan wilden hebben. Toen de Samaritaan bij Jezus terugkwam en zich voor Zijn voeten wierp om God te verheerlijken, zei Jezus: ‘Zijn niet al die tien mannen genezen? Waar zijn de negen anderen? Is alleen deze man teruggekomen om God te prijzen en te danken? En hij is niet eens een Jood! Jezus zei tegen de man: Sta op. U kunt gaan. U bent gered door uw geloof.’ - Lukas 17:17-19

124


‘Jezus heeft trouwens nog veel meer gedaan. Maar als dat allemaal opgeschreven werd, zou de wereld misschien wel te klein zijn voor al die boeken.’ - Johannes 21:25

125


Gebed voor genezing ‘Vader in de hemel, ik kom tot U in de naam van Jezus. Ik geloof dat U mijn Heelmeester bent, zoals U in Uw Woord zegt. Dank U dat U nog altijd dezelfde God van wonderen bent. De wonderen van genezing die U toen deed in de Bijbel, kunt U ook vandaag voor mij doen. Dank U, Here Jezus, dat U aan het kruis niet alleen al mijn zonden, maar ook al mijn ziekten gedragen hebt. Ik kom tot U met mijn ziekte (vertel Hem wat u mankeert). Laat Uw genezende kracht op dit moment door mijn lichaam stromen. Ik dank U dat door Uw striemen mij genezing is geworden en dat ik nu volkomen gezond mag zijn. Ik dank U, ik loof U en ik prijs U! Halleluja! In Uw naam bid ik dit.’ Amen!

126


Andere werken van David Maasbach

127


Iedere dag met God

Dagboeken voor al uw dagelijkse geloofsbelevenissen ‘Uw geloof zal versterkt worden wanneer u elke dag omgang met God hebt door de dagelijkse overdenkingen en geloofsbelevenissen vanuit deze dagboeken!’ In dit haastige leven waar alles om ons heen jaagt en druk bezig is met het bestaan van het leven, is het heerlijk om even rustig en vastbesloten tijd te nemen om samen met God te zijn. Kan dat? Ja, dat kan! Iedere dag met God is bedoeld om je te helpen een dagelijkse geloofsbelevenis met de levende God te hebben. ‘De innerlijke mens wordt van dag tot dag vernieuwd’, zegt de Bijbel in 2 Korintiërs 4:16. Ontdek de lengte, de breedte, de diepte en de hoogte van Gods rijkdommen en schatten! Het is onmogelijk om een overwinnend leven te hebben, wanneer je jezelf geen tijd gunt om even tijd te nemen voor Gods Woord en gebed. 128


Deze twee gaan altijd samen, hand in hand! Anders zul je niet in staat zijn Gods vreugde en kracht in je leven te ervaren. Het is ook zeer geschikt om voor of na het eten hardop aan tafel te lezen, wanneer je als gezin of met je partner samen bent. Iedere dag met God is een essentiële voorwaarde en een sleutel voor een overwinnend leven! Volume 1 - ISBN 978 90 6442 221 8 Volume 2 - ISBN 978 90 6442 097 9

Wereldschokkende gebeurtenissen Jezus komt terug

‘Het klinkt allemaal als een spannende thriller, maar het strijdtoneel van het einde der tijden ontvouwt zich al enige tijd voor onze ogen.’ De wereld is in chaos. Onder de mensen heerst grote angst 129


en onzekerheid. Ook in Nederland. Niemand is meer veilig voor terreur en aanslagen. De wereldwijde kredietcrisis. Zal er ooit vrede komen in het Midden-Oosten? De opkomst van een sterk en machtig Europa. Hongersnoden, natuurrampen en oorlogen. Het klinkt allemaal als een spannende thriller, maar het strijdtoneel van het einde der tijden ontvouwt zich al enige tijd voor onze ogen. Onopgemerkt, misschien? Maar alles begint tot een climax te komen. David Maasbach maakt de lezer van dit boek deelgenoot van de geheimenissen over de eindtijd, uit het oudste, veelgelezen en meest verkochte Boek ter wereld: de Bijbel. Met onderwerpen als: • Waar gaat het met deze wereld naartoe? • Bestaat de ‘antichrist’? • Waarom Jezus terugkomt • De rol van Europa in de eindtijd ISBN 978 90 6442 242 3

130


Verlies nooit je geloof Autobiografie

‘Als ik niet geloofd had in de goedheid van God, dan was ik omgekomen!’ David Maasbach – bekend van zijn televisieprogramma op SBS 6 – schrijft over zijn jeugd, zijn huwelijk, levenslessen, zijn toewijding, zijn keuzes, zijn intensieve verdriet en pijn. Hij schuwt niet onderwerpen aan te snijden als: splitsingen, beschuldigingen, muiterij, het zwartboekschandaal, het diepgaande onderzoek door Justitie en de dood van zijn vader, de welbekende Evangelist Johan Maasbach. Maar vooral schrijft hij over het herstel, het vergeven, de groei, de zegen, de heropening van het zendingskantoor, de vreugde, de overwinningen en nog zo veel andere dingen. De ervaringen die hij te midden van strijd en beproeving heeft opgedaan, waren de aanleiding tot het schrijven van dit boek. ISBN 978 90 6442 087 0 * Ook verkrijgbaar in het Engels als ‘Never lose faith!’ 131


Ik hou van haar / Ik hou van hem

Tips voor een succesvol huwelijk ‘Wanneer je twee mensen samenbrengt die in harmonie met God wandelen, zullen ze ook in harmonie met elkaar leven.’ David en Regina Maasbach hebben in dit boek hun beste tips gegeven om de basisprincipes van het huwelijk en relaties voor u neer te leggen, zodat uw huwelijk en uw gezinsrelatie alleen maar beter zullen worden. Zij gaan hierbij taboes niet uit de weg. Het zijn eigenlijk twee boeken in één (flip-over boek). De tips voor de vrouw staan aan de kant van Regina en de tips voor de mannen aan de kant van David. Het wordt dus als man en vrouw samen lezen! Eén huwelijk, één boek. Maak uw huwelijk sprankelend! Gemakkelijk te begrijpen, boeiend, levensveranderend, onmisbaar in deze tijd. ISBN 978 90 6442 177 8 132


Gebed

De geestelijke ademhaling van de christen ‘Het is tijd voor een overwinnend gebedsleven!’ Verlangt u ook naar een gebedsleven dat de hemel voor u openmaakt? Verlangt u er ook naar om op de juiste manier te komen in de tegenwoordigheid van God? Wilt u de zekerheid van gebedsverhoring? David Maasbach belicht in dit boek vele aspecten van het gebed, wijst de zwakke plekken aan en geeft aanwijzingen tot verbetering van uw gebedsleven. Lees dit dynamische boek over het gebed, de geestelijke ademhaling van de christen. Een boek dat u zal helpen een overwinnend gebedsleven te leiden! ISBN 978 90 6442 459 5

133


Preken van David Maasbach Volume 1 en 2

‘Het staat u geheel vrij om deze preken te gebruiken om uw eigen artikelen, predikingen en/of spreekbeurten te verrijken.’ Volledige predikingen van David Maasbach, welbekend spreker met een eigen tv-programma op de Nederlandse televisie, opgeschreven in deze boeken. ‘Lectuur is een machtig wapen. Op plaatsen waar wij menigmaal niet kunnen komen doet de lectuur haar werk. Talloos zijn de vele getuigenissen van mensen die door een eenvoudig traktaat of blad tot Christus zijn gekomen. Moge ook deze boeken als zaad zijn, waarvan een deel zeker in goede aarde zal vallen. Dat God ons mag helpen vruchten van eeuwige waarde voort te brengen.’ – David Maasbach Volume 1 - ISBN 978 90 6442 166 2 Volume 2 - ISBN 978 90 6442 170 9 134


Nieuw Leven

Het geloofsopbouwende magazine van Nederland Wilt u meer geloofsopbouwend materiaal lezen van David Maasbach en vele andere schrijvers, iedere maand? Dan is het Nieuw Leven magazine iets voor u!

Een jaarabonnement kost slechts €10,U kunt Nieuw Leven op 3 manieren aanvragen: 1. Vraag een abonnement aan via www.maasbach.nl. 2. Stuur uw naam en adres naar: David Maasbach, Postbus 44, 2501 CA, Den Haag. 3. Stuur een e-mail met als onderwerp: ‘Aanvraag Nieuw Leven’ en uw naam en adres naar info@maasbach.nl. Kijk voor andere geloofsopbouwende en bemoedigende boeken van Gazon Uitgeverij op:

www.bijbelhuis.nl

135


www. ma a s ba c h. nl


136

De vergeten wonderen uit de bijbel  

De vergeten wonderen van Christus

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you