Page 1

*  Groep 5 Basisschool Het Talent


* 


Stappen: 1) Schrijf of teken het gegeven woord in het midden van het papier. Je mag gebruik maken van kleuren, tekeningetjes en symbolen 2) Rondom het woord schrijf of teken je plaatjes die te maken hebben met dit woord 3) Maak gebruik van pijlen, bruggen of takken die de verbanden duidelijk maakt


*  Probeer nu in je groepje verschillende breinkaarten te maken met de volgende woorden in het midden:

-  De misdadiger -  De suppoost -  De baai -  De braderie -  De uiterwaard -  Ontvoeren -  Overstroming


*  * Probeer met je schoudermaatje de volgende woorden in de juiste volgorde te plaatsen:

Aanstaande Afgelopen Spoedig Uiteindelijk Zo direct

Eenmalig Aldoor Zelden Eeuwenlang Maandelijks


*  Stappen: 1) In de hoeken van het lokaal hangen woorden. 2) De leraar leest een (of een paar) zinnen op. 3) Je denkt na over de zin en gaat naar de hoek van het lokaal die overeenkomt met de zin van de leraar. 4) Je bespreekt jouw keuze met een leerling in dezelfde hoek. 5) De leraar vraagt terug aan een leerling.


*  Er hangen 4 woorden in de hoeken: Achterbaks, vredelievend, merkwaardig en beeldig 1) Ik wil niet dat iemand ruzie maakt. 2) Ik ben niet te vertrouwen, omdat ik niet eerlijk ben. 3) Ik ben een opvallend en een beetje raar persoon. 4) Ik ben mooi en lief


* 


* De misdadiger:

Iemand die slechte dingen doet

* De suppoost: De bewaker


* De baai Inham van zee in het land

* De braderie Een feestmarkt

* De uiterwaard Gebied tussen een rivier en de hoogste dijk


* Ontvoeren Iemand tegen zijn wil meenemen Filmpje ter verduidelijking

* De overstroming Het onder water lopen van land dat normaal gesproken droog is Filmpje ter verduidelijking


* Zelden = bijna nooit Het gebeurt zelden dat iemand van 80 jaar whatsappt met andere mensen.

* Voorgoed = voor altijd Hij gaat voorgoed terug naar zijn land.

* Spoedig = direct, zo snel mogelijk We zullen spoedig de toetsen nakijken.

* Aldoor = de hele tijd Jullie zitten aldoor maar te gapen.


* 


*  Stappen

1)  2)  3) 

4) 

Op je rug wordt een stuk papier geplakt. Daarop staat een persoon. Je wandelt door het lokaal tot je een partner vindt. Je kijkt bij elkaar op het papier. Jullie proberen erachter te komen wat er op het papier staat en stellen vragen aan elkaar. Je mag alleen met ja/nee antwoorden. Wanneer Je het antwoord nee krijgt, moet je stoppen en verder gaan met een andere leerling. Als je raadt wie je bent, mag je subtiele hints gaan geven aan andere leerlingen.


* Woorden bij ‘Wie ben ik’: De misdadiger De suppoost De stroper De schildknaap De astronaut De penningmeester De secretaris


*  Stappen

1)  2)  3) 

4) 

Op je rug wordt een stuk papier geplakt. Daarop staat een plaats. Je wandelt door het lokaal tot je een partner vindt. Je kijkt bij elkaar op het papier. Jullie proberen erachter te komen wat er op het papier staat en stellen vragen aan elkaar. Je mag alleen met ja/nee antwoorden. Wanneer Je het antwoord nee krijgt, moet je stoppen en verder gaan met een andere leerling. Als je raadt waar je bent, mag je subtiele hints gaan geven aan andere leerlingen.


* Woorden bij ‘Waar ben ik’: De braderie De tentoontstelling Het riool Het moeras De wildernis De veerpont De loods De baai De kajuit De pier De riviermonding De uiterwaard


*  * Stappen 1.  2.  3. 

De leraar heeft op een aantal papiertjes woorden geschreven. Deze papiertjes zijn in vieren gevouwen. Een teamlid vouwt het vel open en kijkt naar de inhoud. Het teamlid gaat voor het team staan en beeldt zijn rol uit. Het teamlid dat het goed raadt, mag het volgende vel uitvouwen en dit gaan uitbeelden.


* Woorden bij ‘Teamhints’: Ontvoeren Roddelen Zich bezeren Het weer slaat om Actie voeren overstroming


*  Probeer met je schoudermaatje de volgende woorden te rubriceren in 3 groepen: Eenmalig, aldoor. eens, voortderend, een poosje, keer op keer, constant, een tijdje.


* 


*  Stappen

1. 

Ieder teamlid (groepje van 6) gooit met een dobbelsteen.

2. 

Probeer met de 6 plaatjes samen een verhaal te maken.

3.  4. 

Help elkaar als iemand het moeilijk vindt. Deel het verhaal met de rest van de klas d.m.v. de werkvorm Commentaar Op Tournee.


*  1.  Ieder team schrijft zijn verhaal op een flap. 2.  Deze flap wordt opgehangen in de klas. 3.  De teams lezen elkaars verhalen en geven elkaar feedback d.m.v. post-it papiertjes.

4.  Wanneer het team terugkeert naar de eigen flap, hangen er commentaren van andere teams.


* De juf houdt bij of je de woordbetekenissen

kent. Er hangt een groot vel in de klas met de 36 woorden van de dobbelstenen. Ook alle namen van de kinderen zijn op dit vel geschreven. Wanneer de juf heeft gezien dat je een woordbetekenis kent krijg je een sticker bij dit woord. Wanneer je alle woorden van een dobbelsteen kent heb je een beloning verdiend.


*  De kinderen van groep 5 gaan naar het bejaardentehuis en interviewen in groepjes van 3 naar veel voorkomende gezegdes en de betekenissen daarvan. Ieder groepje onderzoekt 10 gezegdes. Terug in de klas presenteren ze aan elkaar wat ze geleerd hebben. Het is belangrijk dat ieder teamlid alle gezegdes kent omdat het vervolgens getoetst wordt door de quiz: Genummerde koppen bij elkaar De leraar noemt een gezegde op. De teams steken hun koppen bij elkaar en zorgen ervoor dat ieder teamlid de betekenis kent. De leraar noemt een getal tussen 1 en 4 en dat teamlid geeft het antwoord van de groep.


*  * De leerkracht hoeft niet alleen maar les te

geven en te instrueren. De leerkracht wordt een raadgever en kan zijn meeste aandacht richten op de leerlingen die het meeste baat hierbij hebben.

De leerkracht neemt vooral een begeleidende rol in: - luisteren, samenvatten, doorvragen - De ander tot inzichten brengen - Tweerichtingsverkeer


*  * De voorkeur gaat uit naar heterogene teams

(gemengd op basis van bekwaamheidsniveau, cultuur en sekse), omdat heterogene teams de mogelijkheid van tutorbegeleiding maximaal maken, en bovendien de relaties tussen verschillende culturen en seksen verbeteren (Kagan, 2004). * Bij de verteldobbelstenen kan gekozen worden voor een homogeen team, met kinderen die dezelfde moedertaal delen. De leerkracht kan bij deze kinderen de woorden in de moedertaal aanbieden.


* Bij de verteldobbelstenen kan er gedifferentieerd worden:

* Bepalen hoeveel dobbelstenen er gebruikt worden.

Hoe minder dobbelstenen, hoe makkelijker het is. * De leerkracht bepaalt welke woorden er op de dobbelstenen staan. Er kan gekeken worden naar bepaalde thema’s bijvoorbeeld: de waterpolitie, de uiterwaard, overstroming, afgelopen, verschrikkelijk. Het is makkelijker voor kinderen om een verhaal te verzinnen met woorden die passen bij 1 thema. Wanneer de leerkracht merkt dat bepaalde woorden erg lastig zijn, kan er extra uitleg gegeven worden door; modeling, contextrijke tekst, filmpje en/of afbeelding. Bij de werkvormen zijn alle kinderen bezig, de leraar kan nu rondlopen en tips geven aan taalzwakke kinderen.

De verteldobbelstenen  

Presentatie aan kinderen en leerkracht van groep 5 om de woordenschat van de kinderen te vergroten