Page 1

BelgiĂŤ - Belgique

LVSV

GENT EST

PB - PP

BC 31407

1930

NEOHUMANISME

1e kwartaal 2014-2015 Afzendadres - Verantwoordelijke uitgever Niek Van Kerckvoorde Achterdries 55, 9860 Oosterzele Afgiftekantoor Stapelplein Gent 4 edities per jaar P91 11 96


INHOUD VISIE

6 De Baltische weg

Filip Batselé

11 Ethiek als intersubjectieve relatie

24 Over de obstructie en productie van welvaart

Philippe Baert

HET LEZEN WAARD 30 Bloodlands Filip Batselé

Jonathan Peck

17 Waarom minder overheid ook menselijk kan zijn

VARIA

19 Good intentions and bad outcomes Niek Van Kerckvoorde

3 Voorwoord 4 Editoriaal 21 Ereleden 16 Het bestuur

Arno Morsa

22 Limieten aan de vrijheid Arno Couwenbergh

Het Neohumanisme is een forum voor discussie over politiek, economie, filosofie en alles wat binnen de liberale beweging gezegd moet worden. Wie een artikel wil schrijven; neem contact op met redactie@lvsvgent.be!

REDACTIE

Hoofdredacteur Timon Lesage Redactie: Filip Batselé Lay-out Timon Lesage Julie Van Pée Jonathan Peck Jasper Janssens Arno Couwenbergh

LVSV

GENT EST

2

1930


Niek Van Kerckvoorde Voorzitter LVSV Gent

Voorwoord Niek Van Kerckvoorde Vrienden van de vrijheid, we zijn terug! Eerst en vooral wil ik je bedanken om het LVSV te steunen. Het doet goed om te weten dat we niet alleen zijn, want de strijd voor vrijheid is nog niet gestreden. Zowel in binnen- als buitenland wordt het individu nog steeds beknot in zijn vrijheid. De fiscus, een bepamperende overheid, IS… noem maar op. Daarom slaet het LVSV ook dit jaar weer opten trommele, omdat wij vol ontzag neerbuigen over elken kleinen mensch, hem zoo groot voelen in zijn dagelijkschen slenter en banalen kommer, alleen omdat hij mensch is. Na een hopelijk deugddoende vakantie kunnen jullie uiteraard niet wachten om het nieuwe academiejaar weer aan te vatten. Het bestuur heeft tijdens de vakantie niet stilgezeten en heeft de nodige voorbereidingen getroffen om onze kalender weer op te vullen met pareltjes van activiteiten.

Het LVSV biedt voor ieder wat wils. Wekelijks staan onze deuren open en verwelkomen we jullie graag voor een lezing of debat met gerenommeerde nationale of internationale sprekers. Omdat we studenten zijn en nu en dan graag eens een potje gerstenat drinken, zijn er ook geregeld studentikoze activiteiten zoals onze quiz, bierbowling, cantus, kroegentocht… Maar in de eerste plaats zijn we dé studentenvereniging bij uitstek waar je vrij kan denken en discussiëren over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarbij grenzen absoluut taboe zijn. Na de succesvolle casinoavond van vorig jaar zullen we ook dit jaar tonen dat echte solidariteit vrijwillig is. Deze keer kiezen we voor een diner met keynote speaker ten voordele van Vuchtelingenwerk Vlaanderen. Dit zal plaatsvinden in de prachtige gebouwen van het Gentse Augustijnenklooster op zaterdag 1 november. Allen daarheen! Ik hoop alvast jullie snel te mogen verwelkomen op één van onze activiteiten de komende weken.

3


Timon Lesage Hoofdredacteur LVSV Gent

Editoriaal Timon Lesage Beste lezers, Ook dit jaar neem ik weer het Neohumanisme onder mijn hoede. Een blik op de edities en artikels van vorig jaar laat er geen twijfel over bestaan dat dit een hele eer is. Deze publicatie is hopelijk ook dit jaar weer een forum voor innovatief en radicaal nadenken over hoe een maatschappij geordend moet zijn. In dit eerste nummer van het jaar vind je essays terug over o.a.de productie van welvaart en welke ethiek we moeten volgen. Nadenken over de maatschappij is dan ook het bepalen welke wegen we als individu en samenleving dienen in te slaan om te komen tot een welvarend en menswaardig bestaan. Verfrissende ideeën, die nodig blijven. Op het moment van dit schrijven onderhandelt de “Zweedse coalitie” over een nieuwe federale regering. In deze Zweedse coalitie zitten zogenaamd “rechtse partijen” die volgens de “linkse partijen” in de oppositie de welvaartstaat willen vernietigen en ongemeen

Europa. Het overheidsbeslag ligt op 55%. In de jaren sinds de financiële crisis (u weet wel, die jaren met de sociale bloedbaden door de keiharde besparingen) nam dit toe met zeven procentpunt. De overheid geeft hiervoor natuurlijk terug, horen we vaak. Een eerste bemerking hierbij is dat dit gelijk staat aan een dief bedanken die €100 van je steelt en er dan €45 van teruggeeft (let op – bedankt u hem uitvoerig, de volgende keer is het misschien erger!). Een tweede bemerking is dat de overheidsdiensten naar prijs/kwaliteitsverhouding bij de slechtste van Europa behoren – andere landen doen hetzelfde met minder. België kreunt dus onder de belastings- en overheidsdruk. De besparingen die de Zweedse coalitie zal doorvoeren worden dan ook als een “sociaal-economisch herstelplan” voorgesteld. In werkelijkheid verandert er niets. De CD&V is om te beginnen helemaal geen economisch rechtse partij. Die vleugel van de partij is leeggezogen door de N-VA. De

Het hele boeltje van rechtse en linkse partijen samen (die laatste claimen trouwens “de arbeiders” te vertegenwoordigen) heft de grootste lasten op arbeid van heel Europa. brutale besparingen zullen doorvoeren. Een blik op de uitdagingen van deze regering en de voorgestelde oplossingen toont aan hoe irrelevant deze beschuldigingen zijn.

CD&V klampt zich vast aan het binnen de CD&V in belang toegenomen ACW, in essentie een linkse lobbygroep. Die partij bepleit dan ook een “tax shift”, in plaats van de broodnodige belastingvermindering. Ze pleit voor een belasting op winst uit vermogen. Een van de meest prangende problemen zijn de las- Ze blokkeert een indexsprong of –hervorming. Een ten op arbeid. Het hele boeltje van rechtse en linkse achterhaald systeem dat koopkracht net vernietigt partijen samen (die laatste claimen trouwens “de ar- door de prijzen en lonen in een eeuwige spiraal te beiders” te vertegenwoordigen) heft de grootste last- duwen. Het “ambitieuze” besparingsplan van de en op arbeid van heel Europa. Een werkgever die zijn OVLD was al voor de verkiezingen duidelijk – een werknemer €1 wil uitkeren, betaalt in totaal €2.34. vermindering van vijf procentpunten op het overDaarmee laten we al onze buurlanden ver achter heidsbeslag. De N-VA tenslotte wil uiteindelijk een ons (en dan vraagt men zich af waarom er in België Vlaamse staat, geen liberale samenleving. Nu al geen maakindustrie meer is). De belastingen zijn bij bereidden the powers that be ons voor op nieude hoogste in de wereld. De Tax Freedom Day ligt op we belastingen. De maatregelen die de Vlaamse drie augustus. Dit betekent in de praktijk dat iemand en federale regeringen zullen nemen zijn eigenlijk in dit land tot drie augustus voor de staat werkt, pas gerommel in de marge. De recente ophef over het daarna voor zichzelf. Alleen Hongarije doet slechter in optrekken van het inschrijvingsgeld aan universi4


teiten en hogescholen toont dit uitstekend aan. Een gemiddelde student aan de universiteit kost de samenleving meer dan tienduizend euro. De discussie waarin ons doembeelden van elitarisme en privileges worden voorgeschoteld, gaan dus over een optrekking van het inschrijvingsgeld van 5% naar 10% van het eigenlijke bedrag. De besparingen waarover we zoveel horen, zijn in vele gevallen een afremmen van de toename van het overheidsbeslag en het opschorten van uitgaven. De “vested interests”, de vastgeklonken privileges in dit land demoniseren elke verandering als een regelrechte aanval op iedereens welvaart. Typerend zijn artikels en discussies waarin men uitrekent hoeveel de besparingen een gezin zullen kosten. Alsof enkel de staat voor welvaart kan zorgen. Alsof niet elke euro die de staat snoeit in haar uitgaven, er een meer is aan de inkomenskant van de gezinnen. Indien het overheidsbeslag en dus alle mogelijke vervangende en aanvullende inkomens van vandaag op morgen nul wordt, heeft iedereen ook dubbel zoveel om te spenderen. Een simpele rekensom die blijkbaar niet thuishoort in ons irrationeel debat. De “sociale verwezenlijkingen” waar we zo veel over horen zijn dan ook loopgraven waarin iedereen zich ingraaft

om zoveel mogelijk van de slinkende welvaart veilig te stellen. In “After the welfare state” (gratis te verkrijgen bij het LVSV!) noemt Tom Palmer dit “mutual plunder”: iedereen grabbelt maar in de grote pot, en schuift zijn falen af op de gemeenschap. Het is ellebogenwerk tot het bittere einde. Het geweldsmonopolie van de overheid wordt via lobbywerk aangesproken om zoveel mogelijk voor de eigen achterban, voor de eigen sociale groepen, voor de eigen kiezers te scoren. We moeten op korte termijn af van de “putmentaliteit” zoals Ronnie Leten, CEO van Atlas het onlangs in De Tijd benoemde: niet steeds vragen wat de maatschappij voor jou kan doen maar vice versa. Op lange termijn moeten we af van de te machtige staat, en naar een samenleving op basis van vrijwillige transacties. Zoals steeds zal het LVSV dit jaar deze boodschap uitdragen, en er alles aan doen om jonge geesten te prikkelen. Ook dit jaar staat er trouwens weer kunst op de cover. Die behoeft dit keer weinig uitleg: la liberté (et le LVSV) guidant le peuple!

Kris Peeters looks at things! 5


Filip Batselé Politiek secretaris LVSV Gent

Visie

De Baltische weg Filip Batselé Veel mainstream economen en politici waarschuwen tegenwoordig voor een te hard besparingsbeleid, om de groei niet te hypothekeren. Bestuurslid Filip toont aan hoe structurele hervormingen en echte besparingen net de oplossing zijn. Ruim 25 jaar geleden organiseerden Esten, Letten en Litouwers één van de grootste politieke demonstraties aller tijden. De Baltische Ketting, bestaande uit bijna 2 miljoen mensen, bond een menselijke kring rond de drie landen, die voor eens en altijd uit de invloedsfeer van de Sovjet-Unie trachtten te geraken. Enkele democratische omwentelingen en verdubbelingen van het BBP later, zijn de drie landen gezonde, Europese democratieën. Elk van de drie landen werd tijdens de recente financiële crisis hard getroffen, maar elk hadden ze ook hetzelfde effectief middel om de crisis te doen omslaan: besparen, hervormen, besparen. Keynesiaan bij uitstek Paul Krugman stond op zijn achterste poten, maar de “rechtse” besparingsregeringen bleven relatief goed scoren. Reden genoeg om een kijkje te nemen.

De drie landen werden pas onafhankelijk in 1918, gebruik makend van het feit dat Rusland en het Duitse Keizerrijk elkaar de voorbije vier jaar de kop hadden ingeslaan. Niet dat ze hier lang van konden profiteren, want (opnieuw) de Sovjet-Unie en (opnieuw) Duitsland zagen de drie landen al gauw als hapklare brokjes. Het diner moest enkel nog maar worden opgediend toen de heren Molotov en Ribbentrop in 1939 besloten om de drie landjes in de invloedssfeer van de SU in te delen. Wat volgde was niet één, niet twee, maar drie bezettingen. Na de Sovjets, die de elite probeerden uit te moorden, volgden de Duitsers, die de Joden uitmoordden, om nadien opnieuw ruimte te moeten maken voor de Sovjets. De komende decennia bleven de drie landen onder de dictatuur staan, terwijl Moskou bewees dat het evengoed kon liegen als Joëlle Milquet

Begin 2009 ging Riga over tot een naar hedendaagse normen bijna ongeziene vorm van besparingen. Van 2008 tot 2010 bedroeg de fiscale aanpassing ongeveer 14% van het BBP, vooral aan de uitgavenkant. Sovjet-verzuchtingen Of je nu naar Tallinn, Riga of Vilnius gaat, de aandachtige toerist ziet het onmiddellijk: de Baltische staten bloeien. Groeicijfers stijgen consistent boven de Europese gemiddeldes uit en de drie landen staan met gemak boven ons vaderlandje als het aankomt op “ease of doing business”. Dan zag de wereld er voor deze landen enkele decennia eerder toch net wat minder goed uit. 6

door, ondanks al het bewijs van het tegendeel, een Russische “Wir haben es nicht gewusst” omtrent het zogezegde niet-bestaan van het Molotov-Ribbentrop pact te verdedigen (een pact waarvan de communisten in 1989 plots toegaven dat ze wel hadden “gewusst”). Intussen trokken ook vele etnische Russen naar de indertijd relatief ontwikkelde Baltische staten, wat na de onafhankelijkheid nog steeds voor veel gênante situaties zorgt met de etnische Balten.


Eind jaren ’80 spraken perestrojka en glasnost de drie landen alleszins aan, waarna ze prompt terug onafhankelijk werden. Om zichzelf definitief uit de invloedszone van Rusland te houden, werden de drie zo vlug mogelijk lid van de EU en de NAVO. Eveneens als wapen tegen Russische invloed, kozen de drie landen voor eigen munten, waarvan de waarde werd gebonden aan Westerse munten (eerst de Duitse Mark, later de euro). Dit betekende dat de drie landen dus zelf geen echte volledige onafhankelijke monetaire politiek voerden nadien. Voor wat volgt, zal ik mij grotendeels fixeren op Letland. Alhoewel elke economische kwestie per land moet worden bekeken, is het wel zo dat de drie landen gedurende hun bestaan vaak in dezelfde richting hebben gekeken. Meestal was Estland de voorloper van de vernieuwende ideeën, waarna Letland en Litouwen in de Estse voetstappen volgden. Boom en bust Omdat economie en politiek nauw verbonden zijn, is een snelcursus Letse politiek op zijn plaats. Hoe werkt Letland? Het land is een parlementaire re-

publiek, waarbij een president beperkte krachten heeft. De parlementaire krachtverhoudingen zijn redelijk simpel. De communistische partij, die tot begin jaren ’90 de touwtjes in handen hield, moest al gauw de weg ruimen. Alhoewel sommigen zichzelf omtoverden tot socialisten of sociaal-democraten, is het centrumrechts dat de trom slaat in het land. Het woord “partij” resoneert wel niet goed in het land, waar de meeste politieke groeperingen (soms vage en kort bestaande) eerder ontstaan rond een bepaalde charismatische figuur. De Russische minderheid heeft haar eigen partijen, die zich sinds enige jaren verenigd hebben in de partij “Harmonie Centrum”, de partij die het dichtst naar links aanleunt. Doordat deze partij onder andere weigert om te erkennen dat de Baltische Staten een halve eeuw bezet werden door de SU (ze prefereren om “illegaal geïncorporeerd” te gebruiken), werden ze tot nu toe altijd geweigerd in de regeringen. Een historische kwestie dwingt de andere grote partijen er dus bijna toe om een centrumrechts verhaal te schrijven. Een andere scheidingslijn, is deze tussen zogenaamde ‘hervormingspartijen’ en ‘oligarchische’ partijen, waarvan de laatste zich meestal op de gevestigde

7


belangen van een kleine groep oligarchen richten. Die maakten gebruik van het wettelijk vacuüm na de val van de SU om vlug veel macht te verwerven. Dit doet al vermoeden dat veel regeringen zijn omgevallen door corruptieschandalen, een geest die de Letse politiek wel geregeld kwelt. Het economische verhaal dan. Na de implosie van de SU, gingen de Letten vlug over tot de orde van de dag. De democratische grondwet van 1922 werd nieuw leven ingeblazen, een nieuw belastingsysteem met een flat tax werd ingevoerd, internationale overeenkomsten versterkten de werking van de “rule of law” enzovoorts. Enige probleem was de opkomst van een kleine schare oligarchen, die

De grote devaluatie-vraag Kredietcontractie en het openspatten van een huizenbubbel zorgden er dus voor dat de Baltische tijger opeens een bang poesje werd. Zeker toen Parex Bank, een Letse bank, door financieel wanbeleid plots aan de rand van het faillissement stond. Alhoewel het Letse publiek met argusogen de zaak volgde, besliste de overheid om de hele bank te “redden” door een nationalisatie, die het land uiteraard met een gigantisch schuldprobleem opzadelde. De Letse politiek, die aanvankelijk niet geloofde in de doemberichten en rustig geld bleef uitgeven, zag echter dat donderwolken zich begonnen te verzamelen in Riga: de ene na de andere dramatische statistiek kwam binnen, die waarschuwden dat het BBP in één

De groeicijfers van de Baltische staten stijgen consistent boven de Europese gemiddeldes uit en de drie landen staan met gemak boven ons vaderlandje als het aankomt op ease of doing business. via hun contacten binnen de overheid het privatiseringsproces soms naar hun hand konden zetten en sindsdien hun belangen, vooral in de zeehavens Riga en Daugavpils, blijven verdedigen. Nuance is hier wel dat, ondanks het probleem van de oligarchen, de privatiseringsoperatie beter verliep dan in Rusland of Oekraïne, onder andere door die vorige grondwet en de aanwezige civil society. Begin jaren 2000 was Letland dan ook een stevig huis dat haar overheidsschulden in orde had, een liberale marktdemocratie had ontwikkeld en aan sneltempo investeringen aantrok. De komende jaren werd het land gekenmerkt door een gigantische kredietexpansie, veel buitenlandse investeringen etc. Doordat de kredietmogelijkheden bleven stijgen, kreeg het land een groot handelsdeficit, door de stijgende import. De overheid maakte van haar kant geen gebruik van de grote groei die het land kenmerkte om slank te blijven, maar begon in tegendeel meer en meer uit te geven. Door dit alles, aangewakkerd door de losse monetaire politiek van de ECB en de Fed, ontwikkelde zich een Letse bubbel, onder andere in haar bankindustrie en de huizenmarkten. Toen de geldkraan na de val van Lehman Brothers plots werd dichtgedraaid, waardoor kredietcontractie en een daling van de vastgoedprijzen volgden, bevond Letland zich dan ook in nauwe schoentjes. 8

jaar meer dan 10% zou kunnen zakken. Het duurde niet lang, of Letland zag zich genoodzaakt om de hulp van het IMF in te roepen. Deze gingen samen met de Europese Unie, de Wereldbank en enkele van de buren van Letland (o.a. Denemarken, Polen, Noorwegen en Zweden) om de tafel zitten om een hulppakket voor Letland samen te stellen. Alhoewel dit plan sowieso besparingen voorzag, was de grootste vraag de volgende: moest Letland gaan voor een interne of een externe devaluatie? Een externe devaluatie, waarbij de munt wordt gedevalueerd, is volgens vele economen het standaardmiddel om te gebruiken in een crisis. Het argument is dan dat door de devaluatie, waardoor de munt in waarde zakt, de export gestimuleerd zou worden en het land haar handelsbalans kan herstellen. Deze oplossing kan er tegelijk wel voor zorgen dat structurele maatregelen aan de economie niet worden ondernomen. Voor Letland was dit nooit een optie, omdat ze haar munt strak aan de euro gebonden wou houden (om zo ook tot de euro toe te kunnen treden) en zo haar binding met het Westen stevig wou behouden. Internationale economen, vooral langs de kant van de keynesianen, dachten hier anders over. Paul Krugman noemde Letland al vlug het nieuwe Argentinië, waarbij hij onder andere vergat dat er gigantische verschillen


waren in overheidsschulden, politieke constellaties (centrumrechts vs. Argentijns populisme), openheid van de economie, … Met andere woorden, alles om toch maar een historisch precedent te zoeken waar het gebruikte voorbeeld duidelijk verkeerd was. Het meest voorkomende argument was echter dat Letland uiteindelijk wel gedwongen zou zijn om een devaluatie van de munt door te voeren. Tegenover deze armada van pro-devaluatie economen, stond een kleinere groep, bestaande uit economische experten aangaande Oost-Europa én de Letse regering zelf. Ook zij keken naar de geschiedenis, waarbij ze verwezen naar de Russische devaluatie van de roebel in 1998, die resulteerde in een crisis die Rusland klaarmaakte voor het populisme van Poetin en de banken massaal in het faillissement had gedreven. De vrees was ook dat het land er een enorme netto buitenlandse schuld aan zou overhouden. Maar misschien wel de belangrijkste reden was dat de binding met de euro, het land wel dwong om structurele maatregelen te nemen.

Besparing, hervorming en herstel Begin 2009 zetten de politieke tenoren in Riga zich uiteindelijk aan het werk. Wat zou volgen, was een naar hedendaagse normen bijna ongeziene vorm van besparingen. Niet de voor ons bijna normale, West-Europese “besparingen” -waarbij de bedoeling niet zozeer is om het overheidsbeslag naar beneden te halen, maar eerder om de stijging in het overheidsbudget ietwat af te remmen-, maar wel besparingen om effectief diep te snijden in het budget. Van 2008 tot 2010 bedroeg de fiscale aanpassing ongeveer 14% van het BBP, waarbij de overgrote meerderheid (ongeveer 10.5%) aan de uitgavenkant plaatsvond, naast enkele belastingverhogingen aan de inkomstenkant (die gelukkig beperkt bleven). Om dit te verwezenlijken, moest het land op verschillende koorden tegelijk dansen: fiscale consolidering, structurele hervormingen, behoud van een (naar West-Europese normen klein) sociaal zekerheidsnet en diplomatie met de internationale partners. De fiscale consolidering en structurele hervormingen kwamen eerst, waarbij

9


vooral onderwijs, gezondheidszorg en de administratie het moesten ontgelden. De Sovjet-erfenis van “meer ziekenhuizen dan zieken” werd opgelost door fusies en het sluiten van een boel ziekenhuizen, de bijna even degoutante erfenis van “meer scholen dan leerlingen” kuiste men nadien ook op. Zo kregen onderwijsinstellingen nu steun van het ministerie die gebaseerd is op een systeem waarbij elke leerling een bepaald bedrag oplevert voor de school, eerder dan te subsidiëren per school of per aantal leraren. Hervormingen in de administratie bleken simpeler, want het clichébeeld van “de ambtenaar” resoneert in Letland tot op heden even goed als in België. Het aantal staatsagentschappen knipte men in twee en de lonen in de publieke sector, die sneller stegen dan de privé, kregen ook een beurt. Dit alles hielp om te komen tot deregulering, die zich uitte in versimpelde belastingregels, lagere registratierechten bij de overheid en gemakkelijkere registratie van eigendom. Het gevolg was dat Letland de komende jaren zou stijgen op de meeste indicatoren van zakenklimaat. Het

tegenstelling tot Spanje, Italië of Griekenland. Na de dramatische terugval van 2009, knoopt het land sinds 2011 terug aan met groeicijfers rond de 4 à 5%. Conclusies Op 1 januari 2014 kon Letland haar droom verwezenlijken, zijnde toetreding tot de euro. Of dit nu een goede beslissing is of niet, het voldoen aan de voorwaarden van het verdrag van Maastricht toont aan dat Letland haar financiële schapen terug op het droge heeft gezet. Wat leert de Baltische ervaring aan de wereld? Ten eerste een genuanceerd beeld, waarbij er gewezen moet worden op de bijzonderheden van de landen. De liberaal-conservatieve consensus, de ervaring van het volk met de slechte Sovjet-tijden, de wil om de euro aan te nemen en de open economieën zijn zaken die niet in elk land aanwezig zijn. Wat echter wel interessant is, is dat de landen hebben bewezen dat zware besparingen in moderne democratieën helemaal niet onmogelijk zijn, zeker als ze op korte termijn worden

De Baltische Weg is meer dan ooit tevoren alive and kicking. sociaal zekerheidsnet werd intussen behouden en op bepaalde punten versterkt, om op die manier de tijdelijke stijging in het aantal werklozen op te kunnen vangen en de steun van de sociale partners te kunnen behouden. Tot slot waren er ook vele vergaderingen met het IMF, de EU en de regionale partners, om zo de steun voor het Letse plan te behouden. Na de implementering van dit plan vielen de voorbije jaren verschillende zaken op. Ten eerste bleek de eerste besparingsronde van 2009, die uiteindelijk veel groter was dan die van de volgende jaren, politiek veel gemakkelijker te verdedigen tegen het publiek. De latere, kleinere besparingsrondes, zorgden steeds voor veel meer problemen met de sociale partners. Dit doet vermoeden dat het, alleszins in dit geval, veel interessanter was om de hervormingen er zo vlug mogelijk door te krijgen, wanneer het gevoel dat dit noodzakelijk is het grootst is bij het volk. Ten tweede werd de besparingsregering niet bestraft door het volk. In tegendeel, Valdis Dombrovkis, toenmalig premier, lukte het om in 2010 herverkozen te geraken en premier te blijven tot 2013. Besparen is dus niet noodzakelijk electorale zelfmoord. Tot slot keerde het land ook snel terug naar economische groei, in 10

uitgevoerd. Ook bleek dat de relatief lage belastingen, een gegeerde zaak van vele Balten, veel optrekken, helemaal niet nodig was. Desalniettemin is het werk voor de landen helemaal niet gedaan. Premier Dombrovkis werd eind 2013 tot aftreden gedwongen, toen een ingestort winkelcentrum zorgde voor 54 doden. Aan het tragische ongeval bleef een nare geur hangen, doordat de hete aardappel der aansprakelijkheid van de ene aan de andere hand werd doorgegeven, zonder dat er een onmiddellijk antwoord kwam. Het toonde de gebreken in het Lets rechtssysteem eens te meer aan. De gevestigde interesses van oligarchen blijven ook in Letland meespelen, terwijl de overheid nog steeds met corruptieproblemen kampt. Intussen blijft ook de kwestie van de Russische minderheden een prangend probleem, dat door de Russische invasie in Oekraïne alleen maar voor meer spanningen en stijgende defensieuitgaven zorgt in de Baltische staten. Ook moeten de landen erop letten dat hun sociaal zekerheidsnet geen West-Europese mastodont wordt. Eindigen met een negatieve noot zou de Balten echter oneer aan doen. Een grote conclusie blijft namelijk overeind staan: de Baltische Weg is meer dan ooit tevoren alive and kicking.


Jonathan Peck Webmaster LVSV Gent

Visie

Ethiek als intersubjectieve relatie Jonathan Peck In dit essay gaat Jonathan in op hoe verschillende ideologieën omgaan met het uitoefenen van dwang over mensen, en waarom anarcho-kapitalisme het meest geschikte kader is om dit te vermijden.

Wat geeft een mens het recht om dwang uit te oefenen over een ander? Dit is misschien de meest fundamentele vraag van alle maatschappijfilosofie. Inderdaad, ik heb ondervonden dat zowat elke ideologie, of het nu gaat om liberalisme, socialisme, marxisme, communisme of iets anders, in essentie gedefinieerd wordt door hoe men antwoordt op die ene vraag. Men kan meestal de hele filosofie opbouwen louter op basis van hoe dwang in het plaatje past (modulo eventuele denkfouten die er wellicht ingeslopen zijn), dus het is van cruciaal belang dat de kwestie van gerechtvaardigd geweld grondig en voorzichtig behandeld wordt. Binnen het liberalisme bestaat hier een zeer uitgebreide literatuur rond. Een school die al enkele eeuwen teruggaat is de traditie van filosofisch denken die voornamelijk gestoeld is op het principe van non-agressie: de idee dat geweld enkel gerechtvaardigd is ter verdediging tegen geweld dat eerder al geïnitieerd was. Hoewel veel liberale discussies dit principe als axiomatisch aanvaarden, zijn er eveneens pogingen ondernomen om andere, meer fundamentele ideeën te vinden waaruit het non-agressieprincipe kan worden afgeleid (de Argumentation Ethics van Hoppe is een voorbeeld hiervan). Iemand die een stevige basis voor ethiek wil vinden, zou dus blijkbaar keuze genoeg hebben. Ik ben echter meer en meer tot de realisatie gekomen dat de bestaande literatuur (voor zover die mij bekend is alleszins) mij nooit een volledig overtuigend antwoord heeft kunnen verschaffen op die ene fundamentele vraag. Bij elk argument dat ik las, was er al-

tijd wel ergens een gaatje, een aanname die volgens mij niet vaak genoeg geldig kon zijn, een redenering die net iets te kort door de bocht ging of termen die niet concreet genoeg gedefinieerd waren (één van de grootste zonden der argumentatie naar mijn bescheiden mening). Die overpeinzingen hebben mij een tijd lang angst aangejaagd: als er gaten zitten in de argumentatie voor het meest fundamentele principe van de hele filosofie, wat zegt dit dan over de rest? Die angst werd echter snel geneutraliseerd toen ik mij realiseerde dat de argumenten van de “tegenstanders” in de meeste gevallen minstens even grote tekortkomingen hadden. Daarmee is het probleem wel nog altijd niet opgelost: welke redenen kunnen er verantwoorden dat een mens baas gaat spelen over een ander? Wat is mijn idee van gerechtvaardigde dwang? Om het antwoord daarop te vinden, is een discussie over de oorsprong en aard van ethiek nodig. Ethiek en wetenschap Ethiek is niet zoals een “normale” wetenschap. In de ex11


acte wetenschappen houdt men zich bezig met het formuleren van stellingen die “objectief empirisch waar” zijn: stellingen die iedereen in principe kan waarnemen in de realiteit en die niet afhankelijk zijn van persoonlijke overtuigingen (zwaartekracht is bv. van toepassing op alle massa’s, ongeacht wat de favoriete film van die massa is of in welke cultuur die

dat de gevolgen van ongehoorzaamheid geheel in de handen liggen van mensen die zichzelf hebben uitgeroepen tot ordehandhavers, brengt mij tot de conclusie dat ethiek in de praktijk altijd subjectief is ongeacht welke argumenten er ook mogen zijn voor het tegendeel. Persoonlijke overtuigingen spelen wel degelijk een rol, want die zullen bepalen of men

is opgegroeid). Humane wetenschappen zijn meestal niet exact, maar de empirische kern is normaal gezien ook sterk aanwezig en het doel is nog steeds tot kennis te komen die in zekere mate objectief is, meestal door het toevoegen van randvoorwaarden die een cultureel kader scheppen. Ethiek contrasteert met exacte wetenschappen. Als ik de zwaartekracht tracht te overwinnen door uit een venster te springen, dan val ik onvermijdelijk naar beneden; als ik een ethisch voorschrift overtreed door bijvoorbeeld iemand te vermoorden, dan kan er van alles gebeuren. Misschien word ik nooit gevat en leef ik nog lang en gelukkig; misschien word ik wel gevat maar ontsnap ik aan de straf, of misschien staat er in mijn specifieke cultuur wel helemaal geen straf op de moord in kwestie (rituele moorden bijvoorbeeld). De notie dat ethiek objectief zou zijn, wringt bij mij om die reden: een ethische code die objectief is, schrijft regels voor die “juist” zijn ongeacht de concrete situatie waar men zich in bevindt en de specifieke overtuigingen van de betrokken partijen. De praktijk leert echter dat dit zinloos is: een moordenaar die veroordeeld wordt door heel zijn gemeenschap, zal niet spontaan in rook opgaan of neergebliksemd worden; de gevolgen van zijn daden worden grotendeels bepaald door wie de macht en de wil heeft om er gevolg aan te geven. Natuurwetten kunnen gewoonweg niet overtreden worden omwille van de aard van de realiteit; ethische wetten kan men vaak vrij eenvoudig met de voeten treden. Het is soms zo belachelijk eenvoudig de voorschriften van een bepaalde ethische school te overtreden, dat dit in een groot deel van de gevallen zelfs onbewust gebeurt.

overtuigd is van de correctheid van een bepaalde verzameling ethische regels en dus of men al dan niet zal proberen die te volgen. Keuze is hier het grote sleutelwoord: mensen bepalen altijd zelf wat zij goed of slecht vinden op basis van criteria die in feite persoonlijk zijn. Een persoon die de rede hoog in het vaandel draagt, zal argumenten trachten te baseren op eenduidige premissen en strikte logica; iemand die gelooft dat rede niet alles is, zal allicht meer ruimte laten voor emoties en beroep doen op een notie van “menselijkheid” of “solidariteit”.

Natuurwetten kunnen gewoonweg niet overtreden worden omwille van de aard van de realiteit; ethische wetten kan men vaak vrij eenvoudig met de voeten treden.

De observatie dat mensen de keuze hebben al dan niet te gehoorzamen aan ethische voorschriften en 12

Bemerk wel dat een theorie van vrije wil hier niet nodig is: ik hoef geen enkel concreet concept van vrijheid aan te wenden om te stellen dat mensen ethische proposities beoordelen volgens hun eigen arbitraire voorkeuren. Ik moet de lezer er enkel van overtuigen dat mensen uiteenlopende voorkeuren hebben, dat zij zullen handelen in overeenstemming met die voorkeuren en dat zij niet noodzakelijk via al dan niet rationele discussie hun conflicterende voorkeuren zullen bijleggen. Het maakt niet uit op welke manier deze voorkeuren tot stand komen en of men dat proces “vrij” kan noemen. Het punt is nu dat het geen verschil maakt wat voor redenen men heeft om bepaalde zaken ethisch of onethisch te achten; wat telt is het feit dat niemand objectief verplicht kan zijn deze redenen te aanvaarden. Er is immers maar één mogelijkheid (die ik ken) die zou verklaren waarom een reden R objectief aanvaard zou moeten worden, in de zin dat R waar is ongeacht of men dit toegeeft: als R een objectieve eigenschap van de realiteit is. In dat geval is het namelijk fysiek onmogelijk om R te overtreden. De wet van de zwaartekracht is hiervan een typisch voorbeeld: men kan die wet in woorden


zoveel ontkennen als men wil, ze blijft toch geldig en is dus een objectieve waarheid. Die optie is volgens mij duidelijk niet van toepassing in het geval van ethiek: ethische voorschriften hebben meestal weinig tot niets te maken met natuurwetten. Het fundamenteel probleem met elke poging om één ethische code te verantwoorden tegen alle andere meningen in, is volgens mij dan ook het feit dat mensen alle argumenten gewoon kunnen negeren als ze dat willen, en dat dit niet noodzakelijk negatieve gevolgen heeft voor de overtreder. Men kan nu het bezwaar opwerpen dat mensen die X of Y niet gehoorzamen zich gewoon vergissen en dat we ernaar moeten streven een maatschappij op te bouwen waarin ze dat wel doen. Het maakt niet uit of dat terecht is of niet, want tenzij men de macht en de wil heeft om die mensen tegen te houden, is die uitspraak het einde van de discussie en het punt waarop iedereen gewoon weer verder doet alsof er niets gebeurd is. De feitelijke correctheid van een redenering hoeft geen verband te hebben met of mensen die de redenering overtuigend vinden en of hun gedrag al dan niet strijdig met de conclusie kan zijn. Een tegenargument dat ik hierop allicht zal krijgen, luidt dat mensen die een

immorele levensstijl hebben zichzelf de das omdoen en geen lang en gelukkig leven kunnen leiden. Ik geloof dat echter niet: • De Sovjet-Unie heeft het uitgehouden van 1922 tot 1991, net geen 69 jaar. • Noord-Korea bestaat in haar huidige vorm al sinds ongeveer 1948 en lijkt nog niet binnenkort aan een einde te komen. • Fidel Castro is geboren in 1926 en leeft nog steeds. • Robert Mugabe, geboren in 1924, is nog steeds de president van Zimbabwe en leeft in relatieve luxe ten koste van de rest van de bevolking. • Nelson Mandela heeft ongeveer 18 jaar vastg zeten voor zijn strijd tegen apartheid. • Het bloedbad van My Lai is zo netjes in de doof pot gestopt dat er slechts één militair ongeveer drie jaar voor in de gevangenis heeft gezeten. • De NSA. Ik durf te wedden dat voor elke serieuze morele regel er een voorbeeld bestaat van iemand die de regel overtreden heeft zonder achteraf negatieve gevolgen ondervonden te hebben in proportie met zijn overtreding, laat staan dat er een causaal

13


verband aangetoond zou kunnen worden tussen die gevolgen en de overtreding. Het fenomeen waar een persoon die immorele daden verricht, door de natuur zelf vervolgd wordt in de vorm van ongeluk of poëtische gerechtigheid, staat bekend als karma. De voorbeelden die ik hierboven echter heb aangehaald, zouden moeten aantonen dat dit een heel arbitrair en onbetrouwbaar iets is, wellicht het gevolg van een confirmation bias. Ethiek als intersubjectieve relatie Als er geen mensen waren die de macht en de motivatie hadden om bepaalde acties te bestraffen, dan zou er mijns inziens nauwelijks iets bestraft worden. Het dichtst dat de natuur immers lijkt te komen bij het opleggen van “wetten”, zijn de fysische wetten die men niet direct als morele edicten kan bestempelen. Geldt de wet van de zwaartekracht omdat het immoreel zou zijn als massa’s elkaar niet aantrokken? Ik mag hopen van niet, want anders lijkt de natuur een heel vreemde notie van moraliteit te hebben, één die niet direct nuttige toepassingen heeft in het dagelijkse leven. Het maakt dus niet uit wat de concrete funderingen van een ethisch principe zijn: mensen aanvaarden dergelijke principes enkel maar als ze die overtuigend vinden, en er staat hen meestal niets in de weg om ze te negeren mocht dit niet het geval zijn (de obstakels die hen toch in de weg zouden staan, zijn er vaak geplaatst door relatief machtige mensen die wél overtuigd waren, zodat men een soort argumentatieve schaakmat bereikt). Wat zegt het over de aard van ethiek dat de acceptatie van ethische proposities zo arbitrair is? Het brengt mij tot de conclusie dat ethiek een intersubjectieve relatie is tussen de verschillende leden van een bepaalde gemeenschap, analoog aan taal. De analogie met taal gaat zelfs nog vrij sterk op: • Men kan een bepaalde opvatting van ethiek niet zomaar door ieders strot duwen en verwachten dat men dit gaat slikken, net zoals men een hele bevolking niet zomaar kan verplichten een bepaalde taal te spreken. Een historisch voorbeeld hiervan is de κρυφό σχολειό (kriefo scholio, verborgen school) in Griekenland tijdens de Ottomaanse bezetting, waar de Grieken hun taal en cultuur clandestien trachtten te onderhouden. 14

• Men kan ethiek niet zomaar standaardiseren en formaliseren, want net als taal heeft iedereen wel zijn eigen “dialect” dat bovendien continu evolueert. • Ethiek ontwikkelt zich in de praktijk altijd op een organische manier via interacties tussen de verschillende leden van de gemeenschap. Men kan niet ex nihilo een nieuwe maatschappij oprichten met een bepaalde ethische filosofie in het achterhoofd, net zomin als men een nieuwe taal kan uitvinden en er zomaar een ganse gemeenschap rond kan opbouwen. De acceptatie van ethische standaarden verloopt gradueel, organisch en vrijwillig. De mensen die hier Amerika als tegenvoorbeeld zouden opwerpen, mogen niet vergeten dat de sentimenten die tot de afscheiding van het Britse Rijk hebben geleid, zich al jarenlang gradueel ontwikkelden. Het succes van een ethische code in een gemeenschap hangt volgens mij enkel en alleen af van de mate waarin de code gebaseerd is op de gemeenschappelijke waarden van de leden van de groep, en deze waarden hoeven aan geen enkel criterium van rationaliteit te voldoen. Ethiek in de praktijk Het belangrijkste concrete gevolg van deze opvatting van ethiek is, volgens mij, dat mensen geen morele claims over elkaar kunnen hebben zonder wederzijdse erkenning. De idee dat ethiek een intersubjectieve relatie is, houdt in dat mensen enkel die verplichtingen hebben die zij zichzelf opleggen, hetzij onbewust (bv. door culturele impulsen), hetzij bewust (bv. door expliciete filosofische overpeinzingen); mensen kunnen enkel moreel verplicht worden dingen te doen waarvan zij ook zelf overtuigd zijn dat ze onder hun morele plichten vallen. Dit is geen normatieve uitspraak (anders zou ik in een cirkelredenering vastzitten); het is een logisch gevolg van de observatie dat mensen ethische proposities beoordelen volgens subjectieve criteria, dat geen enkel tegenargument hen noodzakelijkerwijs zal overtuigen en dat ethische proposities geen natuurwetten of logische axioma’s zijn. Het principe dat hieruit volgt, is een extreme vorm


van het welgekende liberale axioma van individuele soevereiniteit (het individu is de enige en finale arbiter inzake zijn activiteiten). Opnieuw: gebaseerd op de voorgaande discussie is dit geen normatieve uitspraak, maar een herformulering van het doodgewoon feit dat mensen ethische regels nooit echt moeten opvolgen, zolang ze ofwel kunnen ontsnappen aan de straf (als er zelfs maar een straf is), ofwel de straf kunnen verdragen. Dit alles doet eerder denken aan libertinisme dan liberalisme. Inderdaad, de voorgaande interpretatie van individuele soevereiniteit komt overeen met de libertijnse notie van absolute vrijheid en staat mijns inziens ook het dichtst bij de objectieve

het geval is: elke voldoende grote geografische zone heeft een diversiteit aan gemeenschappen met hun eigen ethische opvattingen. De meeste conflicten worden mijns inziens dan ook veroorzaakt wanneer bepaalde gemeenschappen hun waarden trachten op te leggen aan andere (zie zeker de actualiteit omtrent de Islamitische Staat, maar ook de menselijke geschiedenis in het algemeen). Mensen zullen hun eigen weg in het morele landschap zoeken, of anderen dat nu goedkeuren of niet, en hen daarin storen kan die weg alleen maar langer en gevaarlijker maken. Als men daadwerkelijk wereldvrede beoogt, dan ligt de oplossing niet in het unificeren van alle wetgevingen (bv. door het scheppen van een wereldregering), integendeel: de oplossing ligt,

De idee dat ethiek een intersubjectieve relatie is, houdt in dat mensen enkel die verplichtingen hebben die zij zichzelf bewust of onbewust opleggen.

feiten van ons bestaan. Wat voor maatschappij zou deze visie tot stand brengen? Een goeie kandidaat is de anarcho-kapitalistische samenleving, waar het principe van vrijheid van associatie centraal staat en alle menselijke interacties dus vrijwillig horen te zijn. Dat is echter niet de enige mogelijkheid: er is geen enkele reden waarom mensen zich niet zouden kunnen organiseren in communistische maatschappijen of in sektes gebaseerd op ĂŠĂŠn of andere totaal gestoorde wereldvisie. De diversiteit aan samenlevingen die via deze filosofie tot stand zou komen, zou wellicht gelijken op de wereldwijde diversiteit aan talen. Het zet mijn argument wellicht kracht bij als ik de lezer er nu op attent maak dat dit reeds

naar mijn bescheiden mening, in het aanvaarden dat mensen over het algemeen niet hoeven of zullen leven volgens onze persoonlijke ethische code, en dat de beste koers dan ook meestal isolatie is in plaats van interventie. Een politiek van interventie geeft immers des te meer reden om het conflict te laten escaleren, terwijl een beleid van non-agressie en pure defensieve actie wellicht enkel de meest radicale en extremistische gemeenschappen nog te vijand zal houden. Zo verantwoord ik voor mijzelf het non-agressieprincipe en bijgevolg de filosofie van het klassiek liberalisme, hoewel ik er ook sterke anarcho-kapitalistische tendensen aan overhoud.

15


Bestuur LVSV Gent 2014-2015

Voorzitter: Niek Van Kerckvoorde

Politiek Secretaris Filip Batselé

Politiek Secretaris Philippe baert

Penningmeester: Anthony desmet

Hoofdredacteur Timon lesage

PR Marylène Madou

Secretaris thomas buysse

Webmaster Jonathan peck

Sponsoring jan-alexander nédée

Activiteiten Pieter-jan van de weghe

Bestuurslid megi rroku

Bestuurslid arno couwenbergh

Bestuurslid Dries glorieux

Bestuurslid Jasper janssens

Bestuurslid Julie van peée

Bestuurslid Sander casier

16


Arno Morsa Oud-bestuurslid LVSV Gent

Visie

Waarom minder overheid ook menselijk kan zijn Arno Morsa In de hedendaagse retoriek stellen politici vaak dat een kleinere, slankere overheid welvaartsverlies betekent voor heel wat mensen. Oud-bestuurslid Arno gaat in tegen deze beperkte redenering. Het jaar van de moeder aller verkiezingen, 2014. Het jaar waarin het liberale gedachtegoed nog nooit zo zwaar bestookt werd. In alle mogelijke debatten en verkiezingsshows werd er tekeer gegaan tegen het liberalisme. Een slanke, minder optredende overheid zou namelijk de mensen nog dieper in de put duwen. Volgens bepaalde stromingen is het net de taak van de overheid om de burger te begeleiden en te sturen om zo hun geluk te kunnen verwezenlij-

Het steeds meer planmatig en alomvattend optreden van overheden is problematisch om diverse redenen. Eerst en vooral is het een economisch probleem. Een samenleving moet gefundeerd zijn op een goed werkende private economie en niet op een te groot overheidsapparaat. Verder zijn er op ethisch vlak sterke bedenkingen te maken. In een steeds planmatigere samenleving worden kernwaarden van een liberale democratie fundamenteel aan-

ken. De overheid als partner van de wieg tot het graf als het ware. Dit moet volgens hen gebeuren via een hoop plannen, maatregelen en wetgevingen. Deze maatregelen worden soms zelfs via dwang opgelegd. Los van het feit dat zo een organisatie van onze samenleving economisch onhoudbaar is, valt het ook sterk te betwijfelen of dit de goede weg is die we als democratie willen inslaan op menselijk vlak.

getast, namelijk de zin voor verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid, initiatief en creativiteit.

Mensen verliezen hun zin voor onderneming en verantwoordelijkheid omdat hun levensweg voor hen geplaveid wordt.

De doorgeslagen welvaartsstaat Doordat jarenlang stap per stap meer bevoegdheden aan de staat werden gegeven en dit vaak onder de radar bleef, leven we nu in een maatschappij waar de overheid alomtegenwoordig is en waar haar optreden steeds dwingender wordt. De voorbeelden zijn legio: van de GAS-boetes tot de camera’s die het laatste stukje privacy van de burger ontnemen.

Dit heeft gevolgen voor alle burgers, arm en rijk. Decennialang ging men steeds verder in het uitbouwen van de welvaartsstaat, vaak met succes, maar men ging ook te ver. Het heeft er voor gezorgd dat mensen altijd eerst naar de overheid kijken vooraleer ze zelf aan de slag gaan. Bij ieder mogelijk probleem verwacht men dat de overheid hen zal helpen. Een overheid kan echter nooit inspelen op de kwaliteiten en noden van alle individuen, ze beschikt namelijk niet over de kennis om dit te kunnen doen voor iedereen. In mindere tijden kan men al die beloften niet nakomen en laat het de burgers verweesd achter. Door17


dat hun levenspad geplaveid wordt, ontbreekt zin voor onderneming, verantwoordelijkheid en deze zijn net noodzakelijk- zeker voor minderbedeeldenom hun mannetje te staan in de samenleving. Op lange termijn zijn ze dus slechter af bij een overheid die alles regelt. Een kleinere overheid is ook sociaal Hier kan een slanke overheid oplossing brengen. Ze kan een kader creĂŤren waar de individuele capaciteiten en preferenties van iedereen tot uiting komt. Sommigen hebben nu eenmaal meer capaciteiten dan anderen. Deze zullen dan ook nooit via correctie door de overheid bereikt kunnen worden, hoe hoog deze correctie ook is. Een samenleving die gebaseerd is op een kader waar iedereen op een vrije manier de mogelijkheid krijgt zich te ontwikkelen zou het doel moeten zijn. Dit zou ook de minderbe-

18

deelden ten goede komen. Door de burger zijn lot in eigen handen te laten nemen, zullen ook zij sterker staan en meer kansen krijgen. De overheid kan hier een helpende hand in bieden door voor een gepaste opleiding, bijscholing en activering te zorgen. Tenslotte zou veel meer ruimte komen voor solidariteit, via private initiatieven. Waarom zouden burgers zich privaat organiseren als de overheid hier manifest alle taken op zich neemt en dus de stimulans tot solidariteit wegneemt? Moet er daarom een beperkte solidariteit van overheidswege verdwijnen? Neen, indien we echter op lange termijn een succesvolle maatschappij willen uitbouwen, is een slanke overheid die de burgers stimuleert om zich af te vragen wat zij voor de samenleving kunnen doen en niet omgekeerd, een noodzakelijke voorwaarde om te slagen.


Niek Van Kerckvoorde Voorzitter LVSV Gent

Visie

Good intentions, bad outcomes Niek Van Kerckvoorde Waarom hebben we een welvaarsststaat, en wat doet die nu eigenlijk? Schiet ons uitgebreid systeem van sociale zekerheid niet haar eigen doel voorbij?

Iedereen kent wellicht iemand die het, ondanks zijn of haar afkomst, toch ver geschopt heeft. Roger De Clerck ‘boer Clerck’, Karel Torfs (stichter van Schoenen Torfs), Ronny Deschacht (vader van voetballer Olivier) zijn allemaal voorbeelden van ondernemers die zonder steun van de ouders een succesvolle onderneming uit de grond stampten en miljoenen of zelfs miljarden verdiend hebben. Mijn vader startte in zijn garage met een manuele drukpers die hij gespaard had door naast zijn job als drukker ’s avonds te gaan werken als ober. Vandaag stelt hij 120 mensen tewerk. Al deze mensen heb-

Er zijn wellicht meerdere verklaringen. Een veelgehoorde verklaring is dat naarmate we rijker worden, onze persoonlijke behoeftes veranderen. We hechten meer belang aan zaken zoals ontspanning, sociaal contact en tijd voor het gezin. Dit leert de behoeftepiramide van Maslow ons. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat mensen uit minder welvarende regio’s massaal naar Vlaanderen komen om hier hard te werken en een betere toekomst op te bouwen voor zichzelf en hun gezin. Omdat we welvarender zijn hebben we ook meer hobby’s. Kinderen van werkende ouders hebben vaak meerd-

Onze samenleving is er een geworden waarin we als gemeenschap sommige mensen hinderen die wel vooruit willen. ben iets verwezenlijkt waar ze fier mogen op zijn. Veel en hard werken loont. En de Vlaming heeft het in zijn bloed. Iedereen kent het toneelstuk ‘Het gezin van Paemel’ van Cyriel Buysse. Vader Van Paemel die nog liever werkt tot hij er bij neervalt in plaats van te staken of honger te hebben. Maar ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat er vandaag minder noeste werkers zijn dan een paar decennia geleden. Werkgevers klagen dat ze geen gemotiveerd personeel vinden, dat hun personeel te laat komt of “dat het personeel niet meer hetzelfde is als vroeger”. Zijn er nog boeren Van Paemel in Vlaanderen? Zeker, maar ze heten Kowalski, García of Popescu in plaats van Peeters, Janssens of De Clercq. Waarom hebben de meeste harde werkers in Vlaanderen vaak de Poolse, Spaanse of Roemeense nationaliteit?

ere hobby’s: muziekschool, scouts, voetbal… Ouders moeten na hun werk taxi spelen voor hun kinderen. Dit vraagt enorm veel tijd en energie. Tijd en energie die we niet in werk kunnen steken. Dit zijn allemaal zeer aanneembare verklaringen. Het is de individuele keuze van mensen om minder te werken. Daar kunnen we als liberalen niets op tegen hebben. De vraag is of er ook niet-individuele keuzes aan de basis liggen van dit fenomeen. We moeten dus op zoek naar gewijzigde omgevingsfactoren die ervoor zorgen dat we minder hard willen werken. Daarom gaan we even terug naar de behoeftepiramide van Maslow. De eerste behoefte die we willen bevredigen is ons eigen voortbestaan. De tweede behoefte is veiligheid en zekerheid. Dit zijn enorm belangrijke incentives om te werken. 19


Maar sinds de tweede wereldoorlog is onze samenleving enorm veranderd. In de jaren ’60 kenden we een enorme welvaartstoename. Er was plots veel meer rijkdom. Zoveel rijkdom dat we die wel konden herverdelen zodat iedereen in deze welvaart kon delen. En zo is onze welvaartsstaat ontstaan. Onderwijs is ‘gratis’, als je geen werk hebt, krijg je een werkloosheidsuitkering, als je geen woning hebt, krijg je er een van de overheid, als je ziek bent kan je bijna kosteloos naar een arts. Met andere woorden: we hebben een systeem op poten gezet die voorziet in onze twee belangrijkste behoeftes. Ideaal toch? Op het eerste zicht lijkt dit systeem inderdaad ideaal. Ware het niet dat het opzetten dit systeem enkel mogelijk was omdat er veel welvaart was omdat mensen veel en hard werkten. Nu de incentives hiervoor grotendeels wegvallen, valt ook de welvaart weg. Ondanks dat dit systeem met de beste bedoelingen op poten gezet is, zorgen onbedoelde gevolgen dat de welvaartsstaat zichzelf onmogelijk maakt. Velen vragen zich af of dit zo erg is. Ik zou durven zeggen dat dit inderdaad erg is. Ten eerste omdat bepaalde mensen hier veel meer last van ondervinden dan anderen. Mensen die wel vooruit willen, worden vaak geremd door anderen. Als liberalen

20

vinden we dat mensen hun vrijheid mogen beleven zolang dat ze die van anderen niet hinderen. Onze samenleving is er een geworden waarin we als gemeenschap sommige mensen hinderen die wel vooruit willen. Ten tweede omdat we de gevolgen niet meer kunnen ontkennen. Sinds 2007 zit onze economie in het slop. De crisis die ondertussen al zeven jaar aansleept kent geen gelijke. Het is de grootste economische crisis sinds de tweede industriële revolutie waar ondertussen weinigen de gevolgen niet van voelen. Gelukkig zijn er ondertussen genoeg mensen overtuigd dat onze welvaartsstaat te ver is doorgeschoten. Maar zelfs als politici dit monster zouden willen teugelen, zullen we nog meer dan even met de gevolgen moeten leven. Nu de welvaarsstaat al enkele generaties bestaat zijn er weinigen die een leven zonder gekend hebben. De welvaartsstaat is een deel van onze cultuur en levensstijl geworden. Ons hieraan aanpassen was niet moeilijk. De klok terugdraaien zal veel moeilijker zijn. Als we onze welvaartsstaat een halt toeroepen zal dit op korte termijn bijzonder pijnlijk zijn voor velen, maar we hebben geen andere keuze. Het is een sluipend gif die onze samenleving doet vastroesten en dat is bijzonder jammer.


Ereleden LVSV Gent 2014-2015

Philippe De Backer Europees parlementslid Open VLD

Bart Tommelein Vlaams Parlementslid Open VLD

Alexander De Croo Minister van Pensioenen

Annemie Turtelboom Vlaams Minister van FinanciĂŤn, Begroting en Energie

Herman De Croo Minister van Staat, Vlaams volksvertegenwoordiger

Lawrence Vanhove Oud-voorzitter LVSV Gent

Peter Dedecker Volksvertegenwoordiger N-VA

Mieke De Regt Oud-voorzitter PFK

Guy Vanhengel Brussels Minister van FinanciĂŤn, Begroting, Externe Betrekkingen

Marc De Vos Oud-voorzitter LVSV Gent, algemeen directeur Itinera

Guy Verhofstadt Europees parlementslid Open VLD

Mattias De Vuyst Oud-politiek secretaris LVSV Gent

Geert Versnick Gedeputeerde provincie Oost-Vlaanderen

Vincent Laroy Schepen Lovendegem-Vinderhoute (Open VLD)

Thibault Viaene Oud-voorzitter LVSV Gent

Elisabeth Matthys Advocate, praktijkassistente sociaal recht UGent

Patrice Viaene Oud-voorzitter LVSV Gent

Annemie Neyts Europees parlementslid Open VLD

Christophe Peeters Schepen Gent

Hans Pijpelink Regiovoorzitter Jong VLD Waas en Dender

Michiel Rogiers Oud-voorzitter LVSV, oud-bestuurslid LVSV Gent

Gwendolyn Rutten Voorzitter Open VLD Gilbert Strumane Ereschepen De Pinte

21


Arno Couwenbergh Bestuurslid LVSV Gent

Visie

Limieten aan de vrijheid Arno Couwenbergh Over de symbiose tussen vrijheid en grenzen.

Grenzen inherent aan het bestaan Op het eerste gezicht lijken grenzen en vrijheid totale tegenpolen te zijn. Dit komt mede door de spraakverwarring in het dagelijks taalgebruik en het concept vrijheid. We associëren vrijheid immers zeer gemakkelijk met grenzeloosheid, vrijheid van restricties of regels en het ‘doen waar je zin in hebt’. In het liberale discours echter gaat vrijheid maar zo ver als die compatibel is met iedereen die dezelfde, gelijke mate van vrijheid geniet. Vrijheid is dus de limiet van vrijheid als het ware. Ze blijft met andere woorden inherent beperkt tot de lijn waar die botst met andermans morele ruimte om te ageren. Vrijheid kan niet zonder grenzen bestaan en dit hoeft zeker niet enkel bewezen te worden op het theoretische niveau. Het menselijk bestaan staat grotendeels gelijk aan het leren leven met de grenzen die ons te beurt zijn gevallen. We worden om te beginnen geboren in deze wereld, onderhevig aan fysieke wetmatigheden die ons hele bestaan bepalen. Vanaf dan en zelfs nog vóór de geboorte is er al de grens van onze biologische eigenschappen die ons lichamelijk en geestelijk op een heleboel vlakken beperkingen oplegt. Eén van de grootste en waarschijnlijk meest diepgewortelde daarvan is de dood die ons, meer dan elke andere belemmering, verplicht om keuzes te maken doordat ons bestaan beperkt is tot een vluchtige reis in een eindeloze zee van tijd. Zelfs de vrijheid om te kiezen wanneer we ons vluchtige bestaan leiden hebben we niet, laat staan hoe lang het zal duren. De mens is dus een inherent begrensd wezen dat overal in zijn bestaan op die uitersten stuit.

22

Oproep tot bevrijding Bij menig persoon volgt hierop een gedachte, gevuld met verbazing, over hoe weinig vrijheid we eigenlijk genieten en hoe afgegrensd onze mogelijkheden zijn. Hierbij mijn uitdaging om eens verder te gaan dan het blindstaren op afbakeningen en de focus te verleggen naar wat er zich daarbinnen bevindt. De mogelijkheden zijn niet te bevatten. Zelfs in een gedemarqueerd bestaan lopen de opties nagenoeg eindeloos en onbevattelijk op. Daar zit dan ook de valkuil waar we dagelijks in trappen, door onze fixatie op de omkadering lopen we voorbij aan de rijkdom die zich binnenin verschuilt in alle openbaarheid. Er bestaat nooit slechts één te bewandelen weg. Meestal ontbreekt ons enkel de wakkere blik om de andere paden te ontwaren. Elk einde vormt een nieuw begin en net zo kunnen we de begrippen vrijheid en limieten aan elkaar linken en beseffen dat ze twee kanten van dezelfde munt vertegenwoordigen. De een verliest zijn betekenis zonder de ander. Ironisch genoeg ook blijkt het concept grenzeloosheid te veel voor onze bescheiden geest. Als men al moeite heeft om binnen een beperkt aanbod de mogelijkheden te zien, hoeft dit dan ook niet te verbazen. Neem nu het voorbeeld van verveling, eigenlijk niets minder dan het niet slagen om een bezigheid te identificeren die ons bevredigt. De gelimiteerde hoeveelheden zaken die we kunnen ondernemen omvatten reeds te veel om te bevatten, dus a fortiori is oneindigheid dat ongetwijfeld. Dit kan geïllustreerd worden met een gedachtenexperiment: stel, er bestaat een entiteit zonder ook maar enige beperking. Alleen al het inbeelden is moeilijk,


gezien dit wezen los staat van elk deel van onze realiteit als mens. Desondanks, wat zou dit creatuur doen met haar grenzeloze vrijheid? Ik meen dat er niets zou gebeuren, de entiteit is zodanig onbeperkt dat keuze ook een beperking is. Totale vrijheid werkt dus geestelijk verlammend. Beperkte vrijheid staat ons m.i. toe om te focussen, te dwingen om de rijkdom binnen de grenzen te ontdekken. Het geeft ons de mogelijkheid om te kiezen en te handelen zonder verlamd in een limbo van besluiteloosheid te blijven zitten. Immers, zelfs het niet nemen van een keuze is in onze realiteit een selectie en zal gevolgen ressorteren voor ons bestaan. Waar liggen de maatschappelijke grenzen van vrijheid? Ondertussen wordt het reeds duidelijk dat een kader onontbeerlijk is voor een betekenisvolle invulling van vrijheid. Waar deze grenzen juist moeten liggen, werd reeds algemeen beschreven: vrijheid gaat zo ver als deze compatibel is met iedereen die dezelfde, gelijke mate van vrijheid geniet. Echter, deze algemene omschrijving voldoet niet om meteen een werkbare realiteit op te bouwen en is dus ook veel meer onderhevig aan verhitte discussie binnen de liberale stroming. Over het algemeen wordt dan een negatieve definitie gehanteerd die als volgt luidt: vrijheid wordt niet geschonden zolang men geen interventie op deze vrijheid pleegt, oftewel het non-interventie principe. Deze definiëring laat opnieuw open wat dan als interventie moet worden verstaan. Zeker is al dat het moet gaan om een ongeoorloofde aantasting van andermans vrijheid en dat dit een cultureel/maatschappelijk gegeven is. Er bestaat namelijk geen onpersoonlijke standaard waaraan we universeel kunnen ‘aflezen’ wat de juis-

te invulling van de algemene omschrijving van vrijheid is. Het gaat immers telkens om een evenwicht dat gezocht moet worden binnen een gemeenschap, door interactie maar zonder een planmatige vooruitgang naar dat evenwicht. Men ziet dat het voordeliger is om een zekere graad van respect te tonen dan steeds voor het eigenbelang te kiezen. Het wordt in het eigen belang om respectvol te zijn. Zodoende kan men op wederkerigheid rekenen van de ander die dezelfde redenering maakt. Een afstraffing voor het niet tonen van dezelfde graad van respect gebeurt door de ander die dan ook minder deferentie gaat tonen. Verder dan dit worden de meesten het vaak niet eens want dan komen de praktische invullingen van ‘interventie’, wat de discussies zeer afhankelijk maakt van de ingevulde en meegetelde parameters. Zeker is in elk geval dat er in elke maatschappij grenzen zijn aan de vrijheid van elke persoon. Conclusie Limieten zijn alomtegenwoordig in ons bestaan en dit zowel op het fysische (en alles daaruit vloeiend) alsook op het maatschappelijk vlak. Het grote verschil zit hem in de manier waarop we naar beiden kijken. De eerstgenoemden zijn immers vast en dagen uit om de opties te onderzoeken. Laatstgenoemden behoren echter tot de maakbare grenzen en zijn onderhevig aan eerstgenoemde. Er is dus ruimte voor speling om de grenzen te verleggen en al naargelang de omstandigheden meer of minder vrijheid te bereiken als optimum. De uitdaging voor ons mensen ligt uiteindelijk in het erkennen en grijpen van onze vrijheid binnen een beperkt kader.

23


Philippe Baert Politiek secretaris LVSV Gent

Visie

Over de obstructie en productie van welvaart Philippe Baert Volgens welke regels organiseren we het best onze samenleving? Hoe maximaliseren we de productie van welvaart? Steeds meer goederen worden in de moderne welvaartstaat door de overheid verschaft of gefinancierd. Naast de creatie van deze “publieke” goederen worden er in een dergelijke “gemengde economie” ook via andere kanalen heel wat middelen door de staat herverdeeld en wordt voorts de contractvrijheid als maar sterker aan banden gelegd, wat op zijn beurt een rechtstreekse invloed heeft op de productie en distributie van de overige “private” goederen. In wat volgt zullen de socio-economische implicaties van dergelijke regulering en herverdeling worden toegelicht. Dit om vervolgens een argumentatie op te kunnen bouwen die aantoont waarom zelfbeschikking, vrije mededinging en spontane orde, de werkelijke fundamenten van een welvarende samenleving uitmaken. 1.Regulering Wanneer de overheid ingrijpt in de contractuele verhoudingen tussen private personen, heeft dit een onmiskenbaar effect op de distributie van het contractueel surplus1 tussen de contractanten: stel dat de overheid een regel van dwingend recht invoert die er toe leidt dat de verhuurder het huurcontract – zelfs na maandenlange wanbetaling van zijn huurder - enkel nog langs gerechtelijke weg kan ontbinden en daarbij een wachttermijn van minimaal 1 maand dient te respecteren, dan is dit over1 Het contractueel surplus is niet anders dan het verwachte voordeel dat de contractanten uit het uitwisselen van de overeengekomen prestaties menen te halen. 24

duidelijk gunstig voor de huurder en nadelig voor de verhuurder. Hetzelfde geldt wanneer de overheid de huurprijzen blokkeert zodat de verhuurder gebonden is aan een bepaald maximumbedrag. Ook dit is een rechtstreekse ingreep op de verdeling van het contractueel surplus, die - op het eerste zicht - in het voordeel is van huurders. Een tweede effect van dergelijke maatregelen doet zich evenwel voelen op het niveau van de productie van dergelijke contracten en beïnvloedt met andere woorden de aanbodzijde: verhuurders koesteren bepaalde verwachtingen wanneer zij investeren in huurwoningen of in het ter beschikking stellen van dergelijke onroerende goederen. Zij zullen dan ook het rendement van hun investering in de huurwoning afwegen tegen andere vormen van kapitaalbesteding. Wanneer de overheid ingrijpt in hun contractuele verhoudingen, zullen zij hun verwachtingen bijstellen en zo nodig hun bij elkaar gespaarde middelen op een andere manier aanwenden. Niemand wil immers verhuren met verlies… Bijgevolg zal de verhuurder bij het bepalen van zijn huurprijs rekening houden met het risico dat hij mogelijks met zeer hoge gerechtskosten en maandenlange achterstal van huur kan worden geconfronteerd. Het gevolg is dan ook dat een huurwetgeving die huurders te veel beschermt, er toe leidt dat de huurprijzen stijgen. Dit wordt nog versterkt door het gegeven dat het aanbod aan huurwoningen zal verkleinen doordat bepaalde verhuurders omwille


van het risico zullen afzien van verdere verhuring.2 De uiteindelijke slachtoffers zijn dus de overgrote meerderheid van toekomstige huurders die elke maand correct hun huur betalen. Hetzelfde doet zich voor wanneer de overheid de huurprijzen blokkeert: verhuurders zullen in eerste instantie nalaten om verdere investeringen aan hun goed te doen om hun initieel inkomstenverlies op te vangen. Op langere termijn zullen zij – geconfronteerd met verder inkomstenverlies – afzien van

is dan de kosten die zij moeten maken om hem in dienst te nemen. Dergelijke vormen van regulering bevoordelen weliswaar de huidige werknemers, maar zijn dus onmiskenbaar sterk in het nadeel van toekomstige werknemers en huidige werklozen. 2.Herverdeling Wanneer de overheid meent dat regulering niet volstaat om een bepaalde hypothetische imperatief te bereiken, zal zij aan herverdeling van inkomens trachten te doen: via het heffen van belastingen

Wanneer de staat systematisch welvaart herverdeelt, ontstaat de facto een negative sum game waarin iedereen tracht om zoveel mogelijk de reële kosten van zijn handelen te verschuiven naar het collectief.

verdere verhuring, hun goed van de hand doen en vervolgens de vrijgekomen middelen op een andere manier benutten. Opnieuw zijn toekomstige huurders hiervan de dupe, aangezien zij nog maar moeilijk een huurwoning zullen vinden. Wanneer de prijsblokkering dan uiteindelijk wordt opgeheven, zullen de huurprijzen de pan uitrijzen ten gevolge van het krappe aanbod. Ook op de arbeidsmarkt doen zich vergelijkbare situaties voor wanneer de overheid een strenge ontslagregeling en strikte minimumlonen invoert: dergelijke regelgevingen hebben inderdaad een duidelijk zichtbare weerslag op de verhoudingen tussen ondernemers en hun medewerkers (= effect op niveau van de contractuele distributie). Ook hier is er evenwel een tweede - ietwat minder zichtbaar - gevolg van het overheidsingrijpen en dat is de toename van de werkloosheid doordat ondernemers hun verwachtingen bijstellen en minder snel iemand in dienst gaan nemen (= effect op niveau van de contractuele productie). Zij zullen immers pas overgaan tot een aanwerving wanneer zij verwachten dat de toegevoegde waarde die de potentiële medewerker in kwestie aan hun onderneming zal bieden groter 2 Dit verklaart natuurlijk ook heel wat leegstand: een pand dat leegstaat betekent gederfde inkomsten. Een eigenaar zal zijn pand dan ook maar bewust laten leegstaan indien hij verwacht dat de potentiële inkomsten van een verhuring niet opwegen tegen de potentiële nadelen ervan.

neemt zij unilateraal middelen weg bij a en b en verdeelt die vervolgens onder x en y. Een van de meest perverse voorbeelden hiervan is de zogenaamde woonbonus: dit is een fiscale aftrekpost die is ingevoerd vanuit de nobele intentie (jonge) gezinnen het makkelijker te maken een eigen woning te verwerven. Wat zich in realiteit echter voordoet is heel wat minder nobel. In eerste instantie vindt er een transfer van inkomen plaats vanuit de middelen van iedere belastingbetaler (waaronder zich dus ook personen bevinden die niet over de nodige fondsen beschikken om zich een eigen huis te kunnen verwerven) naar de personen die van de aftrekpost kunnen gebruik maken, aangezien het deze eersten zijn die het inkomstenverlies van de overheid ten gevolge van de aftrekpost moeten compenseren. In tweede instantie zal er zich een nieuwe transfer voordoen doordat kopers hun relatieve verwachtingen bijstellen: door de aftrekpost beschikken zij plots over een groter budget en kopen zij gewoon een duurdere woning; verkopers spelen daar binnen de kortste keren op in en drijven gewoon hun verkoopprijzen op. Er ontstaat dus een tweede verschuiving van inkomen en dit van de belastingbetaler in de richting van de verkopers van woningen (= mensen die dus over behoorlijk wat eigen middelen beschikken). Het gevolg is dat jonge gezinnen eigenlijk dubbel gerold zijn: terwijl zij aan het sparen zijn, betalen zij mee aan de instandhouding van de aftrekpost en wanneer ze dan eindelijk 25


voldoende kapitaal bijeen gespaard hebben, worden ze geconfronteerd met aanzienlijk hogere woningprijzen.

betekenis van muntontwaarding ten gevolge van artificiele geldcreatie) die daarbovenop nodig is om het systeem in stand te houden.

Wanneer de staat systematisch welvaart herverdeelt, ontstaat de facto een negative sum game waarin iedereen tracht om zoveel mogelijk de reële kosten van zijn handelen te verschuiven naar het collectief. Zo zullen alle mogelijke belangengroepen (de seniorenbond, de plaatselijke chiro-afdeling, allerlei maatschappelijk werkers, bepaalde linkse studentenverenigingen, kunstenaars, maar ook vakbonden, ondernemers, wapenconcerns…) met elkaar wedijveren om zoveel mogelijk middelen via subsidies en het verschaffen van publieke goederen naar zich toe te kunnen trekken en dit om de meest uiteenlopende redenen (die evenwel één grote constante hebben en dat is dat ze stuk voor stuk “noodzakelijk” zijn in het kader van het “algemeen belang”).

Welvaart is dus geenszins een statisch gegeven, maar de uitkomst van een proces van reeël menselijk handelen. Een welvarende samenleving valt bijgevolg niet te verwezenlijken vanuit een optiek van doorgedreven regulering en de distributieve herallocatie van welvaart, maar is daarentegen afhankelijk van factoren en instituties die de productie van welvaart mogelijk maken. Zelfbeschikking (of de afwezigheid van dwang en predestinatie) is ongetwijfeld de belangrijkste factor.

Het gevolg is dat de samenleving in haar geheel verarmt door (1) de gebrekkige allocatie3 van goederen die hierdoor ontstaat , (2) de talloze middelen en tijd die definitief verloren zijn gegaan door onsuccesvolle lobbypogingen en (3) niet in het minst het als maar groter worden van het totale kostenplaatje: op een intercommunale of een straaljager meer of minder zal het uiteraard niet aankomen, maar de totale optelsom van alle onnodige publieke goederen en overheidsubsidies wél. Neem daar het gegeven bij dat prijzen in de eerste plaats een allocatieve functie van goederen hebben, en kunstmatig laaggehouden prijzen leiden tot overconsumptie, en je begrijpt waarom de reële kosten van het totale plaatje alleen maar groter en groter worden, de begrotingstekorten opstapelen, de staatsschuld alleen maar toeneemt en we collectief verarmen door alle inflatie4 (in zijn ware 3 Dit ten gevolge van de logge besluitvorming en het gebrek aan afdoende kennis waar collectieve entiteiten mee kampen als zij op individuele behoeften willen inspelen zonder aan de hand van het marktmechanisme directe feedback van die individuen terug te krijgen. 4 Dit ten gevolge van de logge besluitvorming en het gebrek aan afdoende kennis waar collectieve entiteiten mee kampen als zij op individuele be26

3.Zelfbeschikking Het zelfbeschikkingsrecht vloeit voort uit de objectieve natuur van de mens5 en houdt meer bepaald in dat elk individu dient te worden beschouwd als een soeverein rechtssubject die de exclusieve heerschappij heeft over zijn eigen somatische middelen6. Hij wordt daarbij slechts gehinderd door het gegeven dat ook de andere individuen om hem heen soevereine rechtssubjecten zijn. Hij dient bijgevolg hun eigenheid te respecteren en heeft geenszins het recht om op onrechtmatige wijze in hun somatische sfeer te interveniëren. Met andere woorden: x zijn recht om met zijn vuisten te zwaaien eindigt waar de neus van y begint. hoeften willen inspelen zonder aan de hand van het marktmechanisme directe feedback van die individuen terug te krijgen. 5 het gegeven dat ik besta en dat jij bestaat is een objectief waarneembaar gegeven: elk redelijk denkend wezen kan zien dat wij twee verschillende personen zijn; ik ben ik en jij bent jij. De handelingen die ik stel zijn zijn dan ook objectief te onderscheiden van de handelingen die jij stelt en vice versa. Idem dito wat de gevolgen van die handelingen betreft: zonder inmenging van derden draag ik de kosten van mijn handelen, maar verkrijg ik er ook de baten van. Het zelfbeschikkingsrecht is niet meer dan de juridische vertaling van dit “natuurrechtelijke” gegeven. 6 In de eerste plaats zijn eigen lichaam, maar somatisch dient ruimer te worden geïnterpreteerd in de zin dat alle goederen die iemand op rechtmatige wijze kan verwerven, onder diens soevereiniteit vallen.


Aangezien x niet meer kan of mag dan y en vice versa, zijn ze op vrijwillige interactie of coöperatie aangewezen om hun doelen te verwezenlijken. Dwang en uitbuiting, waarin vele vormen van armoede hun oorzaak vinden, worden bijgevolg een halt toe geroepen. Ervan uitgaande dat individuen

4.Vrije Mededinging Uit individuele soevereiniteit volgt dat mensen gelijke rechten hebben. Het hebben van gelijke rechten (= politieke inclusiviteit) leidt er toe dat niemand een (hogere) claim kan leggen op de somatische middelen van een ander en impliceert bijgevolg vrije

Aangezien een persoon niet meer kan of mag dan een ander zijn mensen op vrijwillige interactie of coöperatie aangewezen om hun doelen te verwezenlijken. redelijk zijn, zullen ze slechts die interacties aangaan waaruit ze beide voordeel halen7. Het gevolg is dat elke interactie zich kenmerkt door een verdeling van het contractueel surplus over de verschillende contractanten. Met die meerwaarde kunnen zij vervolgens hun somatische middelen uitbreiden. Zelfbeschikkingsrecht impliceert eigendomsrecht: de vruchten die x uit het inzetten van zijn arbeid en gespaarde goederen haalt, vallen eveneens onder zijn somatische sfeer (oorspronkelijke verwerving van eigendom) waarna hij deze - al dan niet via een koop-verkoopcontract – kan ruilen tegen andere middelen (afgeleide verwerving van eigendom). De implicatie van eigendomsrecht is dat x zeer sterke incentives heeft om zijn beschikbare middelen zo doeltreffend en innovatief mogelijk in te zetten. Dit in tegenstelling tot wat er gebeurt in maatschappelijke constructies waarin een elite - al dan niet in naam van de collectiviteit – beslag legt op die middelen: in situaties van collectieve eigendom ontstaat immers vaak overgebruik (cfr: tragedy of the commons) doordat individuen de werkelijke kosten van hun handelen kunnen uitsmeren over anderen. Evenzeer worden technologische vernieuwingen bij gebrek aan private eigendom vaak niet toegepast omdat omgekeerd de baten aan anderen toekomen waardoor de vereiste investeringen voor de individuen in kwestie verlieslatend zijn.

7 Dat voordeel kan zowel monetair als niet monetair zijn: wanneer een individu een bepaalde daad stelt uit liefdadigheid, dan doet hij dat omdat hij daar een zekere voldoening uithaalt, een zeker schuldgevoel door verzacht,...

mededinging (socio-economische inclusiviteit) aangezien niemand het recht heeft om 1) op ongeoorloofde wijze anderen de toegang te ontzeggen tot middelen die hem eveneens niet toebehoren 2) hen het opstarten van soortgelijke activiteiten te verbieden en 3) hun fysiek te dwingen om af te zien van het stellen van handelingen die geen onrechtmatige daad inhouden. Het wordt met andere woorden onmogelijk om de eigen “markt” voor anderen af te schermen, laat staan hen te dwingen om (nog langer) een bepaalde maatschappelijke “rol” te vervullen. Door het slopen van dergelijke toetredingsbarrières maakt vrije mededinging aldus concurrentie op socio-economisch vlak mogelijk: individuen ervaren uiteraard nog steeds externe beperkingen (wat inherent is aan het mens- en sterfelijk zijn), maar worden wel reëel in staat gesteld om hun talenten zo optimaal mogelijk te ontplooien nu anderen hun dat niet langer onrechtmatig kunnen belemmeren (cfr. Apartheid). De socio-economische monopolieposities die door dwang in stand gehouden werden (zoals bvb. dat van hertog, markgraaf, shogun, dorpsoverste,...) worden doorbroken door zogenaamde “nieuwe mannen” waardoor er ook voor anderen exit drempels ontstaan (cfr. de opkomst van de steden in Middeleeuws West-Europa) die op hun beurt leiden tot een billijkere verdeling van het contractueel surplus. Het grote voordeel dat vervolgens voor de samenleving in haar geheel ontstaat, ligt hem in de creatieve vernietiging die door socio-economische concurrentie wordt veroorzaakt: inefficiënte instituties, achterhaalde technologieën en verouderde processen moeten onverbiddelijk plaats ruimen voor nieuwe 27


instituties met een hogere toegevoegde waarde, efficiëntere processen en verbeterde technologieën, waardoor de ganse samenleving er in haar geheel op vooruitgaat. Dit terwijl in extractieve samenlevingen dergelijke innovatieve processen en revolutionaire vernieuwingen vaak – letterlijk – de kop worden ingedrukt uit vrees voor de chaos in de maatschappelijke orde die ze onvermijdelijk zouden veroorzaken. Nochtans is dit proces van “creatieve vernietiging” onontbeerlijk voor het ontstaan van een welvarende samenleving, omdat dit proces er net voor zorgt dat schaarse middelen kunnen worden geheralloceerd, zodanig dat vernieuwingen hun intrede kunnen vinden in het bestaande economische weefsel en nieuwe innovaties er vervolgens op kunnen verder bouwen. De vrije mededinging (socio-economische inclusiviteit) die volgt uit de erkenning van de individuele soevereiniteit en het hebben van gelijke rechten (politieke inclusiviteit) ligt aldus onmiskenbaar aan de basis van een duurzame economische groei en maakt bijgevolg een van de belangrijkste factoren uit die een stijgend welvaartsniveau mogelijk maken8 5.Spontane Orde De kennis waarover een samenleving in haar geheel 8 de faillissementen en werkloosheid die dergelijke creatieve vernietiging initieel tot gevolg heeft, wegen daar niet tegen op: het eerste maakt precies de herallocatie van schaarse middelen in de richting van de efficiëntere activiteit mogelijk. Het tweede is vooral een gevolg van hoge transactiekosten ten gevolge van overgereguleerde en bijgevolg te rigide arbeidsmarkten. 28

beschikt is niet alleen onmetelijk groot maar vooral ongelooflijk versnipperd over de talrijke individuen die er deel van uitmaken. Je kan die versnipperde individuele kennis dan ook niet zomaar centraliseren om vervolgens op individuele behoeften te kunnen inspelen: --Ten eerste is de hoeveelheid kennis waarover we individueel beschikken zeer groot, zo groot zelfs dat het onmogelijk is om de optelsom van al onze kennis - in de hypothese dat het überhaupt mogelijk zou zijn om zo een optelsom te maken - nog cognitief te kunnen verwerken. Ten tweede evalueren onze inzichten voortdurend omdat de kennis waarover we beschikken zeer vaak tijds- en plaatsgebonden is. --Ten derde leent heel veel individuele kennis zich niet tot doorgeven of objectivering, omdat deze vergaard is op een empirische of onbewuste manier en aldus persoonsgebonden is: zo stelt iemand die aan het autorijden ontzettend veel handelingen binnen een zeer korte tijdspanne (schakelen, bijsturen, remmen, opnieuw gas geven,...) op een bijna instinctieve manier (wat ons brein doet om impulsen uit de omgeving toch nog binnen een fractie van een seconde te kunnen verwerken zonder daarbij overbelast te worden). Evenzeer is er bij mijn weten niemand die exact onder woorden kan brengen welke handelingen hij nu precies uitvoert om zijn evenwicht niet te verliezen op een fiets zonder steunwieltjes. Om het “kennis-coördinatie” probleem in de praktijk te illustreren: ooit al eens een verjaardagscadeautje voor je beste vriend(in) gekocht? Best moeilijk, toch? Doe er nog een kleine 20 personen bij: stel


dat je voor al je voormalige klasgenoten uit het middelbaar een passend geschenkje moet kopen... Doe er nog eens 200 mensen bij en probeer nu het zelfde voor je studiegenoten in de aula. Onmogelijk zeg je? Wel dat is nochtans waar de Vlaamse overheid zou moeten toe in staat zijn om voor +- 6,5 miljoen mensen passende zorg, onderwijs, e.d. te kunnen aanbieden... Ondernemingen worden eveneens met dergelijke problematieken geconfronteerd, maar krijgen aan de hand van het prijsmechanisme wel heel wat informatie over hun product: stijgen productiekosten, dan omvat die prijsstijging heel wat nuttige informatie (zoals bvb een stijging van de olieprijzen door de latere productie van ruwe olie ten gevolge van de oorlog in Irak). Daalt de verkoopprijs van het eindproduct en stijgt daardoor de verkoop met 200 000 eenheden, dan betekent dit dat voor 200 000 consumenten nu wel de middelen die ze moeten opofferen om het product te kunnen verwerven, in overeenstemming zijn met de (potentiële) baten die ze menen dat het product hun zal verschaffen. Nog fundamenteler: ondernemingen krijgen in tegenstelling tot overheden wel directe feedback van hun consumenten: maakt de onderneming winst, dan betekent dit dat zij de samenleving een zekere toegevoegde waarde biedt. Draait zij aanhoudend verlies waarna ze failliet gaat, dan duidt dit er op dat zij de samenleving onvoldoende meerwaarde kon bieden. Bovendien komen zo opnieuw schaarse middelen vrij voor ondernemingen die wel succesvol zijn. Niet alleen toont de kennis-coördinatieproblematiek de onmogelijkheid van centrale planning aan inzake de allocatie van goederen; het wijst eveneens op de onmogelijkheid om het menselijke handelen in goeie banen te leiden aan de hand van complexe regelgeving. Eenvoudige en transparante regels kunnen daarentegen perfect in staat zijn om het menselijk handelen te coördineren: zo is het - voor juristen welbekende - artikel 1382-1383 Burgerlijk Wetboek een open norm die aan de hand van 3 eenvoudige concepten (schade, schuldige onrechtmatigheid en een juridisch causaal verband tussen beide) heel wat conflicten rond schade beslechten. Foutaansprakelijkheid is overigens een concept dat voortvloeit uit het eigendomsrecht en meerbepaald de onrechtmatige schending ervan . Eigendomsrecht

is op zijn beurt - zoals we reeds gezien hebben een implicatie van het zelfbeschikkingsrecht. Zelfbeschikkingsrecht is dan ook als juridisch concept in staat om het fundamenteel rechtsbeginsel van een coherente rechtsorde uit te maken. Om hier nog even kort op door te gaan: in feite zijn er twee manieren waarop mensen met elkaar kunnen interageren. Stel: jij hebt 5 broden en ik heb 5 kaasblokken. 1) We kunnen overeenkomen om bijvoorbeeld 2 broden te wisselen tegen 2 kaasblokken(wat onze beider welvaart verhoogt, alsook de totale welvaart van de gehele samenleving ten gevolge van de stijgende productiviteit die ontstaat door deze vorm van arbeidsdeling). Deze vorm noemen we een contract of vrijwillige coöperatie. 2) jij kan een mes tegen mijn keel zetten en vervolgens 5 broden stelen. Deze vorm van interactie noemen we dwang of onrechtmatige daad of nog eenvoudiger: diefstal. Of je die broden vervolgens lekker zelf op eet, of ze verdeelt onder 5 hongerige daklozen blijft daarbij irrelevant, het blijft diefstal. Het gevolg voor de samenleving blijft eveneens negatief: deze interactie heeft geen toegevoegde waarde aangezien jouw winst mijn verlies uitmaakt (= loutere verschuiving van vermogen ofwel effect op de distributie). Er ontstaat in tegenstelling tot vorige interactie geen vorm van arbeidsdeling. Mogelijks is het verlies aan welvaart in de toekomst zelfs nog groter aangezien ik zeer waarschijnlijk mijn verwachtingen ga bijstellen en meer middelen aan (zelf)verdediging zal willen spenderen: ik zal een groter mes kopen dan het jouwe waardoor ik evenwel maar 3 broden meer zal kunnen bakken. (= effect op de productie) Deze fictieve casus is uiteraard een simplicering van het complexe menselijke handelen, maar illustreert wel aan de hand van een aantal cruciale elementen (die eerder ook in het kader van regulering en herverdeling ter sprake kwamen), waarom liberalen vrijwillige interactie verkiezen boven vormen van gedwongen interactie; onder welk “democratisch” kleedje deze laatsten zich ook mogen verhullen... 29


Filip Batselé Politiek secretaris LVSV Gent

Boekbespreking “Bloodlands: Europe - between Hitler and Stalin” (Timothy Snyder) De onvermijdelijke vraag uiteraard: wat doet een boek over de twee grootste dictators van de 20ste eeuw, Adolf Hitler en Jozef Stalin, in een Neo’tje? Zoek het antwoord bij Tom Palmer, die dit boek met stip noteerde in zijn “Summer Reading Recommendations”. Een ongelofelijk verdiende stip, voor een boek dat revisionistische geschiedenis op zijn best wist te combineren met pure menselijke tragiek. “Bloodlands”, dat vraagt uiteraard om enige uitleg. Met de term doelt Snyder op het gebied dat tussen nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie lag, grosso modo hedendaags Estland, Letland, Litouwen, Polen, Oekraïne, delen van West-Rusland en de Belarus. Met een ongelofelijk brede waaier aan bronmateriaal overloopt Snyder de verschillende massamoorden, etnische zuiveringen en executies die de Sovjets en nazi’s in het midden van de vorige eeuw uitvoerden.

Sovjets om de Bloodlands te verdelen en elk hier haar moorden, waaronder de onthoofding van de Poolse maatschappij, te laten uitvoeren. Na het Duitse verraad, gevolgd door Operatie Barbarossa, is het vooral Hitler die het moet ontgelden. De genocide op de Joden is uiteraard bekend, maar ook de wraakacties op Belarussen en Oekraïners komen uitgebreid aan bod. Vervolgens gaat het boek om met het stalinistisch anti-semitisme, waarbij Stalin na de oorlog toch nog redenen vond om het oplaaiende Joodse nationale gevoel, deels veroorzaakt door het ontstaan van de staat Israël, uit te roeien. Wie goed gevolgd heeft, kan hier een duidelijke trent ontwaren. De nadruk verschuift van Stalin (de Holodomor, klassenterreur,...) naar een evenwichtspunt (Molotov-Ribbentrop) om uiteindelijk verder te schrijden naar de moorden van Hitler (genocide, moorden

Dit is geen boek over de tactiek van Hitler, noch over de grote veldslagen van WOII, maar in de eerste plaats een boek over mensen.

Aanvangen doet hij met de Holodomor, de doelbewuste uithongering van miljoenen Oekraïners door Stalin. Reden? De collectivisering van Oekraïne verliep niet volgens plan, waardoor Stalin in dat falen een daad van verzet zag van het Oekraïense volk. Zelfs stervende mensen, schreeuwend om hulp en kruipend over de straten, zag hij als een soort impliciete verzetsdaad tegen de Sovjet-Unie. Het stuk over Oekraïne is ook zeer interessant in hedendaags opzicht, om de breuklijnen in het land beter te begrijpen. Vervolgens gaat Snyder over naar de klassenterreur en de nationale terreur, waarbij vooral Stalin zich wederom toont als de massamoordenaar die hij was: etnische minderheden uitroeiend waarvan hij vermoedde dat ze mogelijks tegen de Sovjet-staat wilden ingaan. Nadien komt Ribbentrop-Molotov Europa aan de beurt, de geestescreatie van de nazi’s en de 30

op Oekraïners en Belarussen,...). Eindigen doet hij met een pakkende epiloog, waarbij hij het argument maakt om niet de triviale vragen te stellen als “Was Hitler slechter dan Stalin?”, maar om te kijken naar de dodelijke symbiose die ontstond uit deze twee regimes samen, waarbij de slachtingen van de één de andere beïnvloedde om verder te gaan en vice versa. Ook legt hij de nogmaals de nadruk op de slachtoffers, nl. de 14 miljoen personen die rechtstreeks stierven als een gevolg van de politiek van uitroeiingen door beide regimes (dus exclusief de vele miljoenen gesneuvelden onder de soldaten etc.!). Waarom raad ik aan om dit boek te lezen? Drie redenen staan centraal Ten eerste bespreekt Snyder de ideologie van het


stalinisme en het nazisme uitvoerig in zijn boek. De economische positie van het stalinisme, met haar gedwongen collectiviseringen en industrialisering, is bekend, maar de mythe dat het nazisme ook maar iets te maken heeft met kapitalisme, komt geregeld boven, meestal in één of andere nietszeggende grafiek of bewering dat het kapitalistische bankiers waren die Hitler hielpen, ergo Hitler was een kapitalist. Met deze ongefundeerde claims maakt Snyder korte metten, door aan te tonen wat de droom van Hitler was: een machtig Duits Rijk, waarbij kolonisten de gronden van Oost-Europa zouden bewerken en ervoor zouden zorgen dat Duitsland een zelfvoorzienende entiteit werd die de markten niet meer nodig zou hebben. Een bewijs voor die politiek kan gevonden worden in het feit dat Hitler, toen hij Oekraïne binnentrok, de verplichte collectieven gewoon ongemoeid liet. Ten tweede steunt het werk op een ongelofelijke hoeveelheid bronnenmateriaal, een serieuze prestatie voor de jonge historicus Snyder. Een groot gebrek van

oudere werken is vaak het eenzijdig bronnenmateriaal, waarbij men zich moet steunen op vooral Westerse bronnen. Na de val van het Ijzeren Gordijn en de re-integratie van Oost-Europa binnen de Europese familie, zijn de staatsarchieven van Oekraïne & co eindelijk opengegaan, wat ons pas de voorbije jaren een goed beeld gegeven heeft op historische feiten zoals de Holodomor. Maar de allerbelangrijkste reden om dit boek te kopen, is omdat het diep menselijke gevoelens raakt. Dit is geen boek over de tactiek van Hitler, noch over de grote veldslagen van WOII, maar in de eerste plaats een boek over mensen. 14 miljoen mensen, die voor de twee regimes een quota waren, een cijfer, een grafiek, en hun vreselijke lot. Een lot dat werd veroorzaakt door twee ideologieën, die beiden het individu opzij zetten voor een utopie, het idee van “socialisme in één land” of de “raciale superioriteit van het Duitse Überras”. Zulke zaken moet en mag een liberaal nooit vergeten.

31


Neo 1 '14 '15  

Neohumanisme 1, jaargang 78

Neo 1 '14 '15  

Neohumanisme 1, jaargang 78

Advertisement