Issuu on Google+

15 april 2014

nummer 2

Als het slakkenhuis stil valt. Gehoorimplantaat brengt een nieuw

geluid â—? Zwaar beveiligd lab. Virusonderzoek vraagt om voorzichtigheid â—? Te oud voor screening? Waarom bevolkingsonderzoeken een leeftijdsgrens kennen


foto Arno Massee

Zichtbare hulp Voor mensen met oogaandoeningen zijn er allerlei visuele hulpmiddelen. Met deze elektronische schuifloep kan iemand woorden tot tien keer vergroten. “Maar hij kan ook het contrast verbeteren, in tegenstelling tot een gewone loep”, vertelt optometrist Anton Verezen van Elvea. Verezen is drie keer per maand in het LUMC om mensen met een zichtbeperking te adviseren. Iemand die onderweg wil lezen krijgt een ander hulpmiddel geadviseerd dan iemand die alleen thuis de krant wil lezen. Mensen die moeite hebben hun handicap te accepteren, of andere problemen hebben vanwege hun slechte zicht, wijst hij de weg naar het expertisecentrum Visio. Zie ook pagina 23. (RH) ■

2

15 april 2014 | nummer 2


Een vriendin van mij werd onlangs vijftig. Ze is de eerste uit onze vriendinnengroep die deze mijlpaal bereikt en dat hebben we natuurlijk uitgebreid gevierd. We boden haar als vriendinnen een dagje uit aan; eerst een sieradenworkshop en daarna een high wine. Ik belde de dame van de workshop om te reserveren. Of het voor een kinderpartijtje was? Enthousiast legde ik uit dat we de vijftigste verjaardag van onze vriendin kwamen vieren. Er viel een stilte aan de andere kant. Enigszins aarzelend kwam de vraag of ze dan ook rekening moest houden met beperkingen. Nu viel er een stilte aan mijn kant. Pardon? Wat dacht ze wel niet, dat we met de rollator voor kwamen rijden? Op hoop van zegen plaatste ik de reservering. Het werd uiteindelijk een erg leuke middag, waarbij de enige beperking bestond uit het opzetten van een leesbril (uiteraard door de kersverse vijftigjarige). De rest van de avond hebben we gegierd als een stel jonge meiden. Je bent zo oud als je je voelt, concludeerden we. Toch is het even slikken als je vijftig wordt. Je behoort ineens tot de doelgroep van omroep Max en bij mijn vriendin viel de uitnodiging voor deelname aan het bevolkingsonderzoek naar borstkanker op de mat. Fijn dat de Nederlandse gezondheidszorg dit biedt, maar het is even wennen om tot een nieuwe doelgroep te behoren. Zo werden we als redactie benaderd door een tachtigjarig echtpaar, via mail nota bene. Ook zij moesten even schakelen bij de leeftijdsgrenzen van het bevolkings­ onderzoek. Zij vroegen zich juist af waarom de bevolkingsonderzoeken naar darm- en borstkanker bij 75 jaar stoppen. “Mensen zijn tot op steeds hogere leeftijd vitaal”, betoogden ze. “Wij krijgen de indruk dat we met 75 eigenlijk worden afgeschreven, omdat we toch met één been in het graf staan”, aldus het echtpaar. Cicero legde dit vraagstuk voor aan een aantal deskundigen. U leest hun visie verderop in dit blad. Leeftijd is een gevoelige zaak, zo blijkt maar weer, ook als het gaat om landelijke screenings. Of je nou vijftig of tachtig bent.

Inhoud

Vijftig

4 16

4

Een nieuw gehoor

7

De Kennismaking: stamcellen inspuiten tegen hartklachten

8

Het Vraagstuk: leeftijdsgrens aan bevolkingsonderzoek

10

Nieuw zorgpad voor oudere nierpatiënt

11

Ik heb gezegd: Nic van der Wee Hoogleraar onderzoekt biologische basis psychiatrie

12

Chemotherapie alléén voor de lever

13

Hoe zit dat: staand of zitten plassen? Kankercellen doden met elektriciteit

14 16

Beveiligd to the max Op reportage door het viruslab

18

Betere zorg met sterftecijfers Hoe het LUMC stuurt op kwaliteit

19

Toen en Nu: Samen de zorg verbeteren Adviseur Kwaliteit en veiligheid Eveline van der Plas

21

Jeugdgezondheidszorg dichter bij gezinnen Curium-LUMC grijpt kansen bij transitie jeugdzorg

22 Schoot Literaire column 23

Speciale LUMC-poli voor slechtzienden

24 Arts & Patiënt: borsthernia

21

Christi Waanders (44)

26 Ik heb gezegd: Alberto Pereira Arias Hoogleraar zet zich in voor zeldzame tumoren 28 Variatie in vaccinonderzoek 29 Agenda 31 Blijvertje: Sarah Melief (Immuno­ hematologie en Bloedtransfusie) 32

Uit de kunst: Lynn Leegte Schoonheid in verdriet

24 L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

3


Een nieuw gehoor Het echte gehoor is vooralsnog niet te evenaren, weten KNO-artsen. Toch kan een kunstmatig gehoor in de vorm van een implantaat voor dove patiënten een uitkomst zijn. In het LUMC krijgen volwassenen en kinderen regelmatig een cochleair implantaat aangemeten, waarbij elektroden het slakkenhuis stimuleren. Relatief nieuw is het hersenimplantaat, waarbij direct het gehoorcentrum in de hersenen wordt aangesproken. Inmiddels kregen vier kinderen in het LUMC zo’n ABI aangemeten, als eersten in Nederland. Mats Van (6) is een van hen. door Willy van Strien foto’s Arno Massee

Linksboven een cochleair implantaat, dat in het slakkenhuis geschoven wordt. Het ‘gaasje’ daarnaast is een ABI, een hersenimplantaat. De ronde ontvangstspoel ontvangt draadloos het signaal van de uitwendige geluidsontvanger

4

15 april 2014 | nummer 2


D

Precisiewerk

e zesjarige Mats Van uit Amsterdam lijkt zich helemaal thuis te voelen op de afdeling audiologie. Hij komt er vaak, als een van vier Nederlandse kinderen die een hersenstamimplantaat dragen om te kunnen horen. Energiek bouwt hij een hoge toren van kleurige blokken terwijl zijn moeder, Ellen van Ruler, vertelt hoe moeilijk ze de beslissing vond om hem de hersenoperatie te laten ondergaan waarmee het implantaat werd aangebracht. “Maar achteraf gezien was het de juiste beslissing”, zegt ze. Ook KNO-arts prof. ir. Johan Frijns vond het een stap om hersenstamimplantaten bij jonge kinderen te gaan plaatsen. “Pas toen ze er elders succes mee hadden, zijn wij eraan begonnen.”

Hoge en lage tonen

Sinds 1985 plaatsen Nederlandse KNO-artsen gehoorimplantaten bij mensen die niet of nauwelijks kunnen horen. Tot voor kort waren dat altijd cochleaire implantaten, die een deel van het hoorproces overnemen. Dat proces begint als geluidstrillingen in de lucht het trommelvlies van een oor raken. Via de gehoorbeentjes gaan die trillingen door naar het slakkenhuis, een met vloeistof gevuld, slakkenhuisvormig orgaantje. Talloze trilhaartjes op haarcellen binnenin zetten de vloeistof beweging om in een elektrisch signaal en sturen dat naar de hersenen via zenuwvezels die samen de gehoorzenuw vormen.

Audioloog Jeroen Briare: “Het afregelen van een implantaat gaat bij kinderen anders dan bij volwassenen

De elektroden stimuleren de zenuwvezels in het slakkenhuis elk op een andere plek

Langzaamaan beter

Als de haarcellen in het binnenoor beschadigd zijn, kan een cochleair implantaat ze soms vervangen. Frijns legt een aantal modellen op tafel. De apparaatjes bestaan uit twee onderdelen. “Het ene deel, dat achter het oor wordt gedragen, vangt geluid op en stuurt het naar het andere deel, dat in de schedel wordt bevestigd. Dat verdeelt het signaal over een aantal elektroden, draden die als een bundeltje in het slakkenhuis geschoven worden. De eindpunten van de elektroden liggen op een rij en stimuleren de zenuwvezels in het slakkenhuis elk op een andere plek. De zenuwvezels aan de basis geven hoge tonen door, de vezels verderop lage.” Na plaatsing volgen hoortesten waarbij audiologen het implantaat elektrode voor elektrode afregelen voor een optimaal resultaat. “Dankzij een intensieve revalidatie en de plasticiteit van de hersenen wordt het spraakverstaan dan langzaamaan beter”, zegt Frijns.

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

Voorwaarde voor succes met een cochleair implantaat is dat slakkenhuis en gehoorzenuw goed functioneren. Anders gaat het geluidssignaal alsnog verloren. Maar sinds 2007 is er in het LUMC voor volwassenen een gehoorimplantaat beschikbaar dat ook dat deel van het hoorproces overneemt: het hersenstamimplantaat. Dat ziet er uit als een cochleair implantaat, maar de elektroden eindigen in een matje. “Dat plaatsen we op de hersenstam, op de plek waar het signaal van de gehoorzenuw verwerkt wordt”, zegt Frijns. Het hersenstamimplantaat (ABI: auditory brainstem implant) vraagt specialistenwerk. “Het is een veel ingrijpender operatie om het in te brengen”, vertelt Frijns. “Je moet achter het oor langs en dan de kleine hersenen optillen. Dat doet een neurochirurg. Het plaatsen luistert nauw, want in de hersenstam liggen niet alleen zenuwcellen die gehoor verwerken, maar ook zenuwcellen voor andere functies. Daardoor kunnen elektroden bijvoorbeeld tintelingen veroorzaken.” Tijdens deze operaties doet een audioloog een BERA om de chirurg te ondersteunen bij het plaatsen. Na de operatie volgt een complexe afregeling, vertelt Briaire, die meteen na de operatie begint: “We gaan dan na welke elektroden een gehooreffect geven en schakelen de andere uit. Later bepalen we voor de goede elektroden welke toonhoogten ze moeten doorgeven.”

Oefenen en revalideren Knipperen

Kinderen die doof geboren worden kunnen ook zo’n cochleair implantaat krijgen. Frijns: “Het slakkenhuis groeit na de geboorte niet meer, dus we kunnen de elektroden meteen goed plaatsen. Hoe eerder we dat doen, hoe beter het is, want een kind kan de eerste twee jaar goed taal leren.” Audioloog dr. ir. Jeroen Briaire vertelt dat het afregelen bij kinderen anders gaat dan bij volwassenen. Met een BERA (Brainstem Evoked Response Audiometry, of hersenstamaudiometrie), een EEG van het hersengebied waar het gehoor wordt verwerkt, kunnen audiologen vaststellen of kinderen geluid waarnemen als de elektroden een signaal geven. Briaire: “We letten ook op hun reactie, bijvoorbeeld of ze met hun ogen knipperen bij een hard geluid.” De kinderen komen vervolgens zes keer een week terug voor verder afregelen, gehoortrainingen en logopedie, en daarna nog twee keer per jaar.

Tot nu toe hebben in Leiden drie volwassen patiënten een hersenstamimplantaat gekregen. Marly Vlaar (48) kreeg er zelfs twee. Ze had aan beide zijden een brughoektumor, een tumor aan de gehoorzenuw. Zo’n tumor is niet kwaadaardig, maar moet eruit als er klachten zijn. Vlaar mailt: “In 2008 werd de linker brughoektumor weggehaald. Daardoor zou ik aan die kant doof worden. Omdat ik in de toekomst waarschijnlijk ook rechts doof zou worden, besloten we om bij de operatie meteen een hersenstamimplantaat te plaatsen.” Een jaar later moest ook de rechter tumor eruit en werd ze inderdaad helemaal doof. “Bij die tweede operatie is de elektrode waarschijnlijk iets verschoven. Het implantaat had het aardig gedaan, maar werkte nu heel slecht en werd zelfs hinderlijk. De arts stelde voor aan de rechterkant een nieuw hersenstamimplantaat te plaatsen. Ik vond dat heel spannend. Het zou opnieuw een langdurige en risicovolle operatie worden met een maandenlange revalidatie. Maar ik heb de

5


stap gezet. Vorig jaar ging ik weer onder het mes.” Toen de audioloog vier weken later het implantaat aansloot, bleken zeven elektroden bruikbaar te zijn. “Ik ben er heel blij mee. Ik kan meer verstaan, maar het gaat niet zonder mondbeeld en kost veel energie. Televisie en muziek hoor ik niet, telefoneren lukt niet. Het wordt nooit meer als vroeger. Maar door veel oefenen thuis en revalideren in het ziekenhuis ben ik een heel eind gekomen.”

Eerst genezen

Het echte oor blijkt vooralsnog niet te evenaren, en een hersenstamimplantaat geeft een slechter resultaat dan een cochleair implantaat. Omdat een hersenstamimplantaat bovendien makkelijk verkeerde functies stimuleert, voelde Frijns er aanvankelijk niet voor om deze apparaatjes bij kinderen te implanteren. Maar toen bleek uit onderzoek elders dat een hersenstamimplantaat betere resultaten gaf bij volwassenen die geen brughoektumor hadden. “En bij jonge kinderen bij wie slakkenhuizen of gehoorzenuwen ontbraken behaalden artsen in Ankara verbluffende resultaten”, vertelt Frijns. “Onze resultaten bij volwassenen met brughoektumoren bleken overigens ook niet slecht. We vermoeden dat het komt doordat we de operatie in twee

‘Mats wil nu alles horen en kan inmiddels al wat woordjes nazeggen’

Mats oefent met benoemen

stappen zijn gaan doen. We verwijderen eerst de tumor, en pas een paar maanden later, als dat genezen en tot rust gekomen is, brengen we het gehoorimplantaat in.” In 2011 durfde hij het aan om ook bij kinderen zonder slakkenhuis of gehoorzenuw een hersenstamimplantaat te plaatsen. Het LUMC is het enige ziekenhuis in Nederland dat deze ingreep doet. En dat zal waarschijnlijk ook zo blijven, want er zijn maar weinig kinderen die een hersenstamimplantaat nodig hebben.

Groot moment

Amsterdam liet zien dat Mats slechts één slakkenhuis en gehoorzenuw had, en dat slakkenhuis was onvolledig. De artsen stelden voor een cochleair implantaat te plaatsen. Dat vonden we ingrijpend, maar we wilden het proberen. Mats was toen net een jaar oud.” Maar het mislukte. Een flinke tegenvaller dus, en het vervelende was dat pas na een paar jaar zeker was dat het implantaat geen effect had. Mats ging inmiddels naar een dovenschool en Van Ruler leerde gebarentaal, net als de vader en het oudere zusje van Mats. Anderhalf jaar geleden lazen Mats’ ouders in de krant over het hersenstamimplantaat en ze namen contact op met Frijns. Pas een jaar na de eerste gesprekken in Leiden durfden ze een beslissing te nemen. Van Ruler: “Het zou een zware operatie worden zonder garantie op succes.” Ze besloten uiteindelijk om het te doen en wapenden zich geestelijk tegen een nieuwe teleurstelling. “We waren enorm opgelucht toen na de operatie bleek dat hij er goed was doorgekomen en geen uitvalverschijnselen had.” Afgelopen december werd het implantaat aangesloten. Toen bleek dat Mats op geluiden reageerde, was dat een groot moment. “Hij zal waarschijnlijk nooit zonder liplezen een gesprek kunnen voeren. Ik denk dat hij blijft aangewezen op gebarentaal. Maar hij wil nu alles horen en kan inmiddels al wat woordjes nazeggen.” ■

Mats is de oudste van de vier kinderen die inmiddels zo’n implantaat dragen. Daar ging een lange weg aan vooraf, vertelt zijn moeder, Ellen van Ruler. “Al kort na de geboorte bleek Mats doof te zijn. Een MRI-scan aan het Academisch Medisch Centrum in

Mis geen LUMC-nieuws! Wilt u weten welke hoogleraren er net aan het LUMC benoemd zijn? Welke prijzen en subsidies er door LUMC’ers bemachtigd zijn en welke spannende wetenschappelijke publicaties er verschenen zijn? Dat kan heel eenvoudig: abonneer u op de digitale nieuwsbrief van het LUMC, via www.lumc.nl/nieuwsbrief. Een aantal onderwerpen uit de afgelopen edities: • • • • •

6

Invloed probiotica op afweer Hersenbloeding ongeborene soms door afweer van moeder Nieuwe bacheloropleiding Klinische Technologie geaccrediteerd Tumor en urineleider zichtbaar met nieuwe stof Nieuw mechanisme van DNA-reparatie ontdekt

15 april 2014 | nummer 2


Stamcellen inspuiten tegen hartklachten In het LUMC werken veel onderzoekers - in laboratoria, achter hun pc of bij een MRI-scanner. Velen van hen spreken zelden of nooit een patiënt. De rubriek De Kennismaking brengt daar verandering in. In deze editie ontmoeten hartpatiënt Denis Janssen en onderzoeker Anke Smits elkaar. Janssen onderging driemaal een transplantatie van stamcellen in het hart. Smits doet in het laboratorium onderzoek naar reparatie van het hart met stamcellen. door Maaike Roefs foto Marc de Haan

tiënten mee zouden kunnen doen dacht ik: hij praat over mij, hij beschrijft nu Denis Janssen!” Janssen stuurde diezelfde dag nog een e-mail. Na overleg met zijn eigen cardioloog en een groot aantal onderzoeken kon hij deelnemen aan de studie. Driemaal werden stamcellen uit zijn beenmerg geïsoleerd en vervolgens via een katheter geïnjecteerd in het hart. Inmiddels gaat het stukken beter met Janssen. Anke Smits (33), onderzoeker bij de afdeling Moleculaire Celbiologie, is benieuwd hoe de hartpatiënt deze behandelingen heeft ervaren. “Wanneer merkte je verschil, en wat voelde je dan?” Janssen: “Ik heb de periode daarna vergeleken met wat ik denk dat zwangere vrouwen voelen. Het was heel spannend, het gevoel dat er iets gebeurt in je lichaam, maar dat je niet precies weet wat. Na ongeveer twee maanden merkte ik het verschil. Ik had minder pijn en ik kon steeds verder lopen, ik deed het fluitend. En ik kon weer plannen gaan maken voor de toekomst!”

Willen weten hoe het werkt

D

Smits onderzoekt in het laboratorium hoe stamcellen kunnen worden gebruikt voor reparatie van het hart. Voor de stamceltransplantatie van Janssen werden stamcellen uit het beenmerg gebruikt, maar er zijn veel verschillende soorten stamcellen. “Veel weefsels of organen hebben hun eigen stamcellen. Deze cellen zijn al uitgerijpt in een bepaalde richting, maar kunnen nog uitgroeien tot verschillende soorten gespecialiseerde cellen”, legt Smits uit. “We weten dat het hart

ook stamcellen heeft, maar toch kan het hart zichzelf niet repareren. Ik wil weten hoe we deze cellen als het ware aan kunnen zetten. Misschien kunnen we de stamcellen die zich in het hart bevinden stimuleren, zonder dat we ze eruit hoeven halen, in het laboratorium moeten vermeerden en weer terug moeten spuiten. Want met het kleine aantal hartstamcellen dat we van een patiënt kunnen krijgen, is dat een heel ingewikkeld en tijdrovend proces.”

‘Twee maanden na de stamcelbehandelingen merkte ik het verschil. Ik had minder pijn en kon steeds verder lopen’ “Ik vind het mooi om te zien hoe gedreven jij bent. Heb je dat altijd al gehad?”, wil Janssen weten. “Ik studeerde biomedische wetenschappen en wist dat ik in het lab wilde werken. Ik wil weten en begrijpen hoe iets werkt. Dit onderzoeksveld was nog heel nieuw toen ik in 2004 met mijn promotieonderzoek begon. Onlangs heb ik twee beurzen binnengehaald, waaronder een LUMC research fellowship, waarmee ik mijn onderzoek kan voortzetten. Het is fijn om te horen dat anderen ook geloven dat ik op de goede weg zit.” ■

enis Janssen (65) heeft het wereldrecord dotteren verbroken, zo zegt hij gekscherend. Na twee openhartoperaties, dertien dotterbehandelingen en twaalf stentplaatsingen wisten de artsen niet meer wat te doen. Janssen had in het dagelijks leven veel last van zijn hartklachten. “Ik was hijgerig, had pijn op de borst en haalde lopend nauwelijks het einde van de straat. Maar ik wilde niet accepteren dat ik in een scootmobiel terecht zou komen. Internet is toen mijn grote vriend geworden”, vertelt hij.

Als een zwangere vrouw

“Ik ben op het internet de hele wereld afgereisd. Overal heb ik mijn case neergelegd, van Bangkok tot Bombay. Ik wilde me er niet bij neerleggen dat er niets meer te doen was.” Uiteindelijk vond Janssen een radio-interview met Douwe Atsma, cardioloog en hoogleraar cardiale celtherapie in het LUMC. “Professor Atsma vertelde in dat interview over een experimentele behandeling met stamcellen. Toen hij beschreef welke pa-

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

Onderzoekster Anke Smits wijst patiënt Denis Janssen waar zij werkt in het LUMC

7


H E T V R A AG S T U K

75! En nu… afgeschreven? Mijnheer en mevrouw Verhagen, beiden 80 jaar en naar eigen zeggen nog vrij fit, benaderden de redactie van Cicero. Mensen zijn tot op steeds hogere leeftijd vitaal, schrijven ze, zoals ook in Cicero regelmatig te lezen staat. Waarom stoppen de bevolkingsonderzoeken naar borst- en darmkanker dan bij 75 jaar, en dat naar baarmoederhalskanker zelfs al bij 60? “Wij krijgen de indruk dat we met 75 jaar eigenlijk afgeschreven worden, omdat we toch met één been in het graf staan”, aldus de schrijvers. Cicero legde de vraag voor aan een aantal deskundigen: zijn de leeftijdsgrenzen wel goed gekozen? Of is er sprake van leeftijdsdiscriminatie? door Caroline van der

8

15 april 2014 | nummer 2

foto Marc de Haan

Schaaf


Hadewych Cliteur, directeur CSO, de koepel van Ouderen­ organisaties: “Mensen worden steeds ouder en verkeren in relatief betere gezondheid. Het Sociaal Cultureel Planbureau liet al eens zien dat hoe ouder we worden, hoe later gezondheidsproblemen ontstaan. Juist daarom beginnen leeftijdsgrenzen voor ‘preventieve screening’ op te vallen. Het lijkt wel of die leeftijdsgrenzen niet of nauwelijks zijn opgeschoven met de vitaal ouder wordende oudere. Op een groot deel van de ouderen komt deze grens over als een ‘afschrijfdatum’. Het zou natuurlijk wetenschappelijk gezien zo kunnen zijn dat je na je 75ste geen enkele vorm van kanker meer ontwikkelt. Of, anders geformuleerd, als je het dan nog niet hebt, dat het onwaarschijnlijk is dat je het nog zult krijgen. Maar er zit nu eenmaal een emotionele component aan het stellen van leeftijdsgrenzen. Het uitgangspunt van de CSO zou zijn: als er sprake is van een wetenschappelijk bewezen bovengrens, omdat de kans dat iemand de ziekte na die leeftijd krijgt heel klein is, moet die worden meegenomen in de voorlichting. Als dit niet zo is, rek de grens dan op en laat mensen zelf kiezen of ze de screening willen doormaken. Het komt geregeld voor dat een levensbedreigende ziekte wordt geconstateerd, die behandeld wordt hoewel de levensduur er maar weinig door stijgt. Daarbij hebben mensen vaak geen keuze. Terwijl wij in zo’n geval juist pleiten voor een bezinningsmoment met keuze­ mogelijkheden. Het voert te ver om te spreken van leeftijdsdiscriminatie, maar de CSO wil wel een pleidooi houden voor het oprekken van de grenzen, conform de populatie en met een eigen keuze. Mensen worden steeds ouder en wellicht is de eerste mens die 135 jaar wordt al geboren. Met die wetenschap is het zeker zinvol om ook de oudere ouderen mee te nemen in de preventieprogramma’s. Daarvoor moet er wel meer kennis komen over de oudere ouderen van morgen.”

Prof. Rudi Westendorp, directeur van het kennisinstituut Leyden Academy on Vitality and Ageing en hoogleraar Ouderengeneeskunde (LUMC): “In het algemeen moeten leeftijdsgrenzen met een argwanend oog worden bekeken. Met name wanneer een hoge leeftijd uitsluiting betekent van de toepassing van preventieve of curatieve trajecten. Dit kan immers duiden op ‘ageism’; discriminatie puur op basis van leeftijd. Dit is van belang omdat

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

Sommige mensen zijn in jaren jong, maar het lijf is oud. Ook het omgekeerde komt voor: dat het lijf op hoge leeftijd nog verrassend goed is

kalenderleeftijd en biologische leeftijd ver uiteen kunnen lopen. Sommige mensen zijn in jaren jong, maar het lijf is oud. In dat geval is er snel sprake van overbehandeling. Ook het omgekeerde komt voor: dat het lijf op hoge leeftijd nog verrassend goed is. In die gevallen ligt onderbehandeling op de loer. De vraag is of dit laatste het geval is bij bovengrenzen voor het bevolkingsonderzoek naar kanker. Om deze vraag te beantwoorden, moet een volgend principe in de discussie worden geïntroduceerd. Screening is alleen gewenst wanneer de combinatie van vroege opsporing van ziekte en de daarop volgende behandeling meerwaarde heeft. Wanneer dat niet het geval is, moet screening achterwege blijven, want dan is screening onethisch. Men realiseert zich vaak onvoldoende dat screenings ook nevenwerkingen hebben. Die variëren van foute diagnoses en overbodige behandelingen tot complicaties van ingrepen en ongerustheid. Ten slotte kunnen de daarvoor noodzakelijke middelen niet elders worden ingezet. Er is over de talloze vormen van vroege opsporing van kanker discussie, maar er is onder wetenschappers consensus dat bij borst-, darm- en baarmoederhalskanker de totale opbrengst van gewenste en ongewenste effecten negatief uitvalt. De leeftijdscriteria worden dus op juiste gronden toegepast; screening boven deze leeftijd leidt tot overbehandeling en moet worden vermeden.

Het niet toepassen van leeftijdscriteria zou in deze gevallen als een vorm van leeftijdsdiscriminatie kunnen worden geïnterpreteerd.”

Prof. Anne Stiggelbout, hoogleraar Medische Besliskunde (LUMC): “Bevolkingsonderzoek heeft niet alleen maar voordelen, er zitten ook nadelen aan. Allereerst kost het veel geld. Je besteedt geld aan gezonde mensen om potentieel zieke mensen op te sporen. Daarnaast belast je iedereen die meedoet aan het bevolkingsonderzoek. Bovendien roep je vervolgens een heleboel mensen op met een zogeheten ‘fout-positieve’ test: veel van hen krijgen een afwijkende (‘positieve’) test, gaan de molen in en dan blijkt dat ze toch geen kanker hebben. In het vervolgtraject worden die mensen natuurlijk gerustgesteld, maar dan hebben ze wel een tijd in ongerustheid geleefd. Het gebeurt ook dat er bij iemand kanker wordt geconstateerd die anders ongemerkt voorbij zou zijn gegaan, omdat de betrokkene aan iets anders overlijdt. Dat is met name bij oudere mensen het geval. Als bij een vrouw borstkanker in een vroeg stadium wordt geconstateerd terwijl zij binnen een paar jaar aan een hartaanval zal bezwijken, dan vul je die periode op met diagnostiek, de medische mallemolen en ellende, terwijl die patiënt alsnog aan iets anders doodgaat. Het klinkt cru, maar de vraag is of dat voor de patiënte zinvol is? De bovengrens van baarmoederhalskanker is op 60 jaar gesteld, omdat de kans heel klein is dat een vrouw de ziekte na die leeftijd nog ontwikkelt. Het kán natuurlijk wel, maar je kunt ook blaaskanker krijgen of nierkanker. Je kunt niet alles afdekken. Dan is er dus ook nog het al genoemde kostenaspect. Iedere euro die je besteedt aan het screenen van duizenden gezonde mensen om er enkelen met de ziekte te vinden, kun je niet uitgeven aan goede zorg aan mensen in verpleeghuizen, om maar wat te noemen. De screening op darmkanker gaat ons waarschijnlijk geld opleveren - omdat de behandeling bij vroege opsporing veel minder kost -maar bij borstkanker en baarmoederhalskanker stoppen we er meer geld in dan we terugverdienen door vroege diagnostiek. Dus nee, ik vind niet dat we aan leeftijdsdiscriminatie doen bij deze screening. Er worden heel weloverwogen grenzen getrokken op basis van kosten en effecten. Er wordt steeds afgewogen of de screening winst oplevert in termen van langere overleving als je er vroeger bij bent, ten opzichte van de schade die je aanricht en de kosten. Er zijn op dit moment onvoldoende sterke wetenschappelijke argumenten om die leeftijdsgrens te verhogen.” ■

9


Nieuw zorgpad voor oudere nierpatiënt Oudere mensen met chronische nierziekte krijgen sinds begin dit jaar een extra uitgebreide en intensieve begeleiding in het LUMC. Wetenschappelijk onderzoek moet bovendien achterhalen wat nierziekte en behandeling doen met de lichamelijke en geestelijke conditie van oudere patiënten. door Willy van Strien foto Marc de Haan

W

elke gevolgen hebben nierziekte en de behandeling daarvan op patiënten? “Daar weten we nog te weinig van”, zegt nefroloog (‘nierarts’) André Gaasbeek. “En dat maakt het soms moeilijk om een keuze te maken tussen verschillende behandelopties.” Sinds 2005 draait in het LUMC de predialyse-poli voor mensen bij wie de nierfunctie zo slecht is dat behandeling in zicht komt. “Zo’n behandeling, niertransplantatie of dialyse, is ingrijpend”, vertelt verpleegkundig specialist Noeleen Berkhout. “Op de predialyse-poli hebben we een aantal maanden de tijd om mensen daarop voor te bereiden. We ondersteunen hen bij het kiezen tussen mogelijke behandelingen. We meten regelmatig de nierfunctie, proberen de ziekte af te remmen met een dieet en medicijnen, en behandelen eventuele complicaties.”

We kijken ook hoe kwetsbaar de patiënten zijn

Maar voor oudere mensen is meer nodig, merkte ze. Zij kampen vaak met een slechtere gezondheid of met geestelijke achteruitgang waar de nierziekte misschien mede schuldig aan is en waar behandeling wellicht invloed op heeft. Dat roept allerlei dilemma’s op bij de artsen. Tot welke leeftijd is een niertransplantatie verantwoord? Wanneer kun je een oudere patiënt gaan voorbereiden op dialyse? Wanneer is het beter om niets te doen? Bij gebrek aan kennis kunnen ze die vragen niet goed beantwoorden. De patiënten willen weten wat ziekte en behandeling gaan betekenen voor hun dagelijks leven, en ook dat kunnen artsen niet goed vertellen.

MRI-scan van het brein

de predialysefase vanaf 65 jaar. Naast de gebruikelijke zorg krijgen zij een algeheel lichamelijk onderzoek en een neuropsychologisch onderzoek. Berkhout: “We kijken ook hoe kwetsbaar de patiënten zijn, vragen hoe ze hun ziekte beleven en brengen de mantelzorg in kaart.” Deze mensen worden bovendien uitgenodigd om mee te doen aan een studie naar de invloed van ziekte en behandeling op lichamelijke en geestelijke achteruitgang, de COPE-studie (Cognitive Decline in Older patients with End Stage Renal Disease). Daarvoor on-

dergaan ze extra bloedtesten en laten ze een MRI-scan van de hersenen maken om de hersendoorbloeding te meten en eventuele afwijkingen op te sporen. In vijf jaar denken de onderzoekers voldoende gegevens te verzamelen om oudere patiënten beter maatwerk te kunnen leveren. Gaasbeek: “Het HagaZiekenhuis in Den Haag doet mee en we verwachten dat nog meer ziekenhuizen zich aansluiten.” Vanwege de nieuwe zorg voor ouderen met nierziekte ontving Berkhout op 1 april de Maria ter Welle Prijs van de Nierstichting en de Willem Kolffstichting voor zorgkwaliteit. ■

Onverwacht goed Riet Artist (81 jaar) komt sinds 2008 op de predialyse-poli. Na een operatie functioneerden haar nieren zeer slecht. Dialyse was de enige oplossing, maar het was de vraag of de noodzakelijke voorbereiding niet te lang zou gaan duren. Het liep anders. Dankzij de begeleiding, een dieet en medicijnen gingen de nieren vooruit, veel meer dan verwacht. De dialyse is nog steeds niet nodig. Ze vertelt: “Het is fantastisch dat het zo goed gaat. De begeleiding hier op het LUMC was optimaal en dat steunde me. Thuis was er alle begrip van mijn man, kinderen en vrienden. Ik ben ontzettend dankbaar.” Ze is een van de eersten die een controle-nieuwe-stijl onderging. “Het is goed dat de begeleiding nu veelzijdiger is. En de testen waren leuk om te doen. Ik ga ook deelnemen aan het onderzoek, uit dankbaarheid en om andere patiënten te helpen.” Ook haar man, Reinier Artist, is enthousiast: “Het is bijzonder zoals artsen hier nauw samenwerken met de patiënten en hen bij de zorg betrekken. Dat is heel stimulerend.”

Vandaar dat er een nieuw ‘nefrogeriatrisch’ zorgpad is opgesteld voor nierpatiënten in

10

15 april 2014 | nummer 2


IK HEB GEZEGD

Nicolaas van der Wee Wat maakt kwetsbaar of veerkrachtig? Zoals de gelijknamige titel van zijn oratie aangaf is psychiater prof. Nic van der Wee door dat probleem ‘Gebiologeerd’. “Biologische Psychiatrie is een kwestie van puzzelen.” tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Nicolaas van der Wee (48) groeide op in Bergen op Zoom, startte na het VWO met de studie biologie in Utrecht en later ook met geneeskunde. Werkte tijdens zijn militaire dienst als basisarts, ging bij prof. René Kahn in opleiding tot psychiater en promoveerde in 2005 bij Kahn en prof. Herman Westenberg op hersenscans van patiënten met dwangstoornissen. Is sinds 2001 als staflid verbonden aan het LUMC, vanaf 1 juli 2013 als hoogleraar Psychiatrie, in het bijzonder Biologische Psychiatrie.

Uw leeropdracht is biologische psychiatrie. Wat houdt dat in? “Al in 1845 stelde een Duitse psychiater dat geestesziekten hersenziekten zijn. Toen na WOII de eerste medicijnen tegen psychose, depressie en angst waren ontdekt, probeerde men uit te vinden hoe die werkten, en zo raakte de psychiatrie met recht ‘gebiologeerd’. Het onderzoek naar erfelijkheid en naar stresshormonen, en de betere beeldvormings­ technieken voor het brein hebben het vakgebied gestimuleerd. Dat geldt ook voor de biologische psychologie, waar men kijkt naar de biologische basis van verschillen in normaal menselijk gedrag.” Waarom kwam u 13 jaar geleden naar Leiden? “Prof. Frans Zitman begon hier een ver­nieuwend onderzoeksprogramma, waarin psychiatrische stoornissen vanuit verschillende vakgebieden werden aangepakt. Dat sprak me aan en er was hier behoefte aan mijn expertise.” Wat zijn op dit moment de grote uitdagingen? “We kennen nu een aantal biologische

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

puzzelstukjes voor angst en depressie, zoals genetische codes die de bedrading van de hersenen sturen en de rol van stresshormonen. We weten ook hoe mensen psychologisch reageren op stressvolle omstandigheden en wat de biologische gevolgen voor het brein zijn van vroegere psychologische trauma’s. We proberen die losse puzzelstukjes in elkaar te passen en te kijken hoe ze aansluiten op andere puzzelstukken. Ook puzzelen we niet langer binnen één aparte aandoening, maar over aandoeningen heen.” Wat heeft dat gepuzzel opgeleverd voor patiënten? “Er is meer inzicht in onderliggende mechanismen, maar de vertaling naar nieuwe behandelmethoden of preventie is nog beperkt gebleven. De neurobiologische benadering zal hopelijk gaan leiden tot nieuwe, meer op het individu gerichte therapieën. Dan kunnen we beter voorspellen hoe patiënten op behandelingen reageren en wat op lange termijn het beloop zal zijn.”

Bij welke onderzoeksprojecten bent u zoal betrokken? “We kijken bijvoorbeeld naar hoe de hersenen werken bij jongeren met depressie en angst of die een psychologisch trauma hebben meegemaakt, en wat behandeling daarmee doet. We proberen te achterhalen welke biologische factoren worden overgedragen binnen families van sociaal angstige mensen. We analyseren hersenen van patiënten die de ziekte van Cushing hebben doorgemaakt en dus langdurig blootstonden aan torenhoge stresshormoonspiegels. Bij politieagenten onderzoeken we veerkracht en kwetsbaarheid voor zware stress. En er is een groot meerjarig onderzoek: de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst, een samenwerking tussen diverse universiteiten en instellingen.” Hebt u naast uw werk bijzondere passies? “Mijn vrouw en ik voeden samen een tweeling op, een jongen en meisje van 16. Verder heb ik altijd graag allerlei sporten beoefend, ben ik dol op koken en lees ik graag Engelstalige moderne literatuur.” ■

11


Chemotherapie alléén voor de Ruim een op de drie patiënten met dikkedarmkanker krijgt te maken met uitzaaiingen in de lever. Bij een deel van deze patiënten zijn de leveruitzaaiingen niet operatief te verwijderen en slaat ook chemotherapie niet aan. Het LUMC biedt die groep patiënten een nieuwe experimentele behandeling. door Thomas Snoeks foto’s Marc de Haan

“W

ij behandelen patiënten met leveruitzaaiingen van dikkedarmkanker. De patiënten in onze studie hebben vaak al een of meerdere operaties en chemokuren achter de rug. Zonder onze behandeling zouden ze uitbe-

handeld zijn.” Radioloog dr. Mark Burgmans vertelt met enthousiasme over de nieuwe experimentele behandeling die het LUMC nu uitvoert: percutane geïsoleerde leverperfusie, oftewel toevoeging van vocht (‘perfusie’) via de huid (‘percutaan’) aan al-

De precedure voor de lever vraagt om teamwork

léén de lever. Doordat de hoge dosis chemotherapie uitsluitend in de lever belandt, heeft de patiënt veel minder last van bijwerkingen.

Keihard werken

Aan het begin van de behandeling plaatst de radioloog via de lies een katheter in de leverslagader en een tweede op het punt waar de leverader uitmondt in de onderste holle ader. Een derde katheter komt in de halsader. Via de katheter in de leverslagader loopt een hoge dosis chemotherapie de lever in. Het bloed dat de lever weer verlaat, komt in de katheter in de holle ader terecht. Daarna stroomt het naar een pomp en filterapparaat buiten de patiënt, waar de dosis chemotherapie eruit verwijderd wordt. Eenmaal gereinigd stroomt het schone bloed via de derde katheter, in de halsader, weer terug de patiënt in. Een team van specialisten voert de behandeling uit. Naast de radioloog zijn ook de perfusionist en anesthesist onmisbaar. “Als perfusionist ben ik gespecialiseerd in het kunstmatig in stand houden van de bloedsomloop door machines buiten het lichaam”, vertelt Fred Tyl. “Uniek aan deze behandeling is het koolstoffilter waarmee we de dosis chemotherapie uit het bloed halen.” Ook voor de anesthesist is het een bijzondere procedure, vult anesthesist dr. Jaap Vuyk aan. “De ka-

“Al die slangen en aansluitingen vind ik eigenlijk nog het minst prettig van alles.” Henk van Liempd kreeg twee dagen geleden voor de tweede keer een percutane geïsoleerde leverperfusie. “Het is natuurlijk niet niks. Ik moet thuis nog drie tot vier weken heel rustig aan doen. Na mijn eerste behandeling, zes weken terug, zat ik na vijf weken weer op de fiets.” Henk van Liempd heeft geen dikkedarmkanker maar kreeg in 2004 een oogmelanoom, waarna zijn oog verwijderd werd. Sindsdien onderging hij verschillende behandelingen tegen uitzaaiingen in zijn lever. “Je hebt eigenlijk geen keuze, beter maken kunnen ze me niet. Op deze manier probeer ik wel wat extra tijd te krijgen. Bij gewone chemotherapie is er een heel kleine kans dat het helpt, maar j e bent er wel vier maanden heel erg ziek van. Ik denk niet dat ik dat ervoor over zou hebben. Voor mij staat de kwaliteit van leven altijd voorop.”

12

foto Arno Massee

‘Het gaat mij om de kwaliteit van leven’

15 april 2014 | nummer 2


theter die het bloed uit de lever opvangt, sluit door middel van twee ballonnetjes de bloedsomloop van de onderste helft van het lichaam af. Het is voor mij als anesthesist dan keihard werken om de patiënt stabiel te houden. Toch knappen patiënten na deze zware procedure opvallend snel weer op, ze kunnen meestal binnen drie dagen al naar huis.”

Unieke behandeling

Bij mannen op leeftijd gaat plassen niet altijd meer vanzelf. Kun je dan beter gaan staan of juist zitten tijdens het plassen? Drie Leidse studenten Geneeskunde zochten het uit. “Het idee is in de kroeg geboren. Hoe gaat zoiets? Je staat met drie jongens bij elkaar, je drinkt een potje bier, en opeens vraagt er één: hoe pies jij eigenlijk, zittend of staand?” “We wilden uitzoeken of een van de twee nou beter is - we houden alle drie van onderzoek - en er bleek veel meer over geschreven dan gedacht. Vanaf dat moment hebben we het serieus aangepakt, vroegen we uroloog professor Lycklama à Nijeholt erbij, en ten slotte is er een wetenschappelijk artikel uitgerold.” Student geneeskunde Robin ten Brinck (24) is, net als zijn medestudenten Ype de Jong en Hans Pinckaers, druk doende met zijn coschappen. Toch hebben zij de tijd gevonden voor een degelijke literatuurstudie naar de beste plashouding voor mannen met plasklachten. Het onderzoek maakt geen deel uit van hun curriculum - ze krijgen er geen studiepunten voor - maar ze hebben nu wel een publicatie op hun naam staan, in het Tijdschrift voor Urologie. “Het begon als een grap, maar ondertussen snijden we een serieus probleem aan”, vertelt Robin. “Veel mannen op leeftijd kunnen niet makkelijk urineren, en vaak vragen zij hun arts of het daarbij uitmaakt of zij zitten of staan. Die kan dan geen antwoord geven, omdat niet duidelijk is wat de wetenschap erover zegt. Wij hebben nu een literatuuroverzicht gemaakt en zijn tot de conclusie gekomen dat het bij plasklachten beter is om te gaan zitten. Twee voordelen zijn dat de bekkenbodemspieren en de spieren rond de anus dan ontspannen zijn, waardoor het plassen soepeler verloopt. Bovendien zijn ouderen soms slecht ter been, wat het lastig maakt om lang te staan.” Goed ‘uitplassen’, zoals dat heet, is heel belangrijk. Het gaat erom dat in de blaas geen urine achterblijft, want die kan voor problemen zorgen, zoals blaasstenen of blaasontsteking. “Veel oudere mannen gebruiken medicijnen om het urineren te bevorderen, maar wij laten zien dat je hetzelfde effect kunt bereiken door gewoon te gaan zitten.” Samen met een medisch bibliothecaris hebben de drie studenten zo’n 2000 artikelen boven water gehaald, en daarvan bleken er uiteindelijk 15 geschikt voor hun onderzoek. Op dat moment dook een onverwachte culturele component op: van de 15 artikelen is meer dan de helft afkomstig uit het MiddenOosten: Turkije (4), Egypte (2), Iran (2) en Saoedi-Arabië (1). “In sommige islamitische kringen is staand plassen taboe, en mogelijk is het onderzoek bedoeld om deze praktijk medisch te rechtvaardigen. Maar dat laatste is speculatie mijnerzijds.” Wel is duidelijk dat de plashouding voor mannen én vrouwen internationaal nogal kan verschillen. Wie kent niet van zijn vakanties de hurktoiletten, die al langs de Franse snelwegen beginnen? Ondertussen hebben Robin en zijn maten een tweede artikel geschreven, dat nu bij een tijdschrift ligt. Over de inhoud kan hij nog niets zeggen. (JO) ■

“Wereldwijd zijn er ongeveer zeventig mensen op deze manier behandeld”, vertelt Burgmans. “In het LUMC kijken we voor het eerst specifiek naar patiënten met leveruitzaaiingen van colorectaal carcinoom. In totaal gaan we 32 patiënten twee keer behandelen; inmiddels hebben we de behandeling vijfmaal uitgevoerd.” In Nederland wordt percutane geïsoleerde leverperfusie voor uitzaaiingen van dikkedarmkanker uitsluitend in het LUMC uitgevoerd. Als er voldoende ervaring is opgedaan, zullen de specialisten uit het LUMC assisteren bij het opzetten van deze behandelmethode in het Erasmus MC in Rotterdam. ■

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

foto Arno Massee

Het koolstoffilter (boven) zuivert het bloed van de patiënt

Hoe mannen plassen

KORT N I E U WS

lever

13


Kankercellen doden met elektriciteit Tumoren in de alvleesklier zijn soms zo vergroeid met belangrijke bloedvaten dat chirurgen ze niet weg kunnen snijden. Met de ‘nanoknife’, dat gebruikmaakt van elektrische spanning om cellen te vernietigen, is dat wél mogelijk. Chirurg Bert Bonsing en interventieradioloog Arian van Erkel van het LUMC doen er onderzoek naar. door Diana de Veld foto Arno Massee

Z

et een cel onder elektrische spanning en zijn poriën gaan open. Haal de spanning eraf en de poriën gaan weer netjes dicht. Tenminste, in eerste instantie. Want doe je dit vaak genoeg achter elkaar, dan blijven de poriën open staan - en dat overleeft een cel niet. Sneu? Misschien, maar niet als het om een kankercel gaat. “Je kunt er gebruik van maken als je tumoren uit de weg wilt ruimen”, vertelt chirurg dr. Bert Bonsing (Heelkunde). Dat kan met de ‘nanoknife’, oftewel ‘irreversibele elektroporatie’ (IRE). Het gaat als volgt: je plaatst een aantal naalden rondom de tumor die achter elkaar veel korte, elektrische stoten afgeven. De tumorcellen gaan daardoor permanent open, en sterven af. Onderzoekers in het

LUMC gebruiken deze techniek bij patiënten met alvleesklierkanker.

Geen schade aan omliggend weefsel

In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 1670 mensen alvleesklierkanker (pancreascarcinoom). De vooruitzichten zijn niet gunstig, zeker niet als de kanker pas in een laat stadium ontdekt wordt - en dat is jammer genoeg vaak het geval. Alleen wanneer de tumor nog niet is uitgezaaid, bestaat er kans op genezing. De patiënt ondergaat dan een operatie om de tumor te verwijderen, vaak aangevuld met chemotherapie. “Helaas blijkt soms tijdens de operatie dat de tumor toch niet te verwijderen is”, zegt Bonsing. “Soms is de

tumor zo stevig vergroeid met belangrijke bloedvaten dat het compleet wegsnijden niet meer gaat. Als dat tijdens de operatie zo blijkt te zijn, dan moeten we de tumor noodgedwongen laten zitten.” Tijdens dezelfde operatie legt de chirurg dan nog wel bypasses voor de galweg en het voedselkanaal aan, zodat die doorgangen niet (meer) door de tumor geblokkeerd worden. Maar genezing zit er voor de patiënt niet meer in. Gelukkig is snijden met het scalpel niet de enige manier om een tumor te verwijderen. Interventieradioloog dr. Arian van Erkel (LUMC): “Er bestaan methoden als radiofrequente ablatie, cryo-ablatie of microwaveablatie. Zulke technieken, waar geen mes aan te pas komt, gebruiken artsen onder andere

Arian van Erkel (l) en Bert Bonsing: “De resultaten met deze techniek in Amerika zijn bemoedigend”

14

15 april 2014 | nummer 2


KORT N I E U WS

om tumoren te vernietigen.” Het nadeel van al deze vormen van ‘ablatie’: er ontstaat ook schade aan het omliggende weefsel. “De hitte of kou die gebruikt wordt om de cellen te doden, beschadigt ook het weefsel vlakbij de tumor”, legt Van Erkel uit. Daarom zijn deze technieken niet geschikt voor moeilijk gelegen alvleeskliertumoren die met belangrijke bloedvaten zijn vergroeid. Het bijzondere van de nanoknife (IRE) is dat er vanwege de korte duur van de stroomstootjes juist weinig hitte vrijkomt. “Het weefsel rond de tumor wordt bijna niet verhit. Op die manier kun je bloedvaten en andere belangrijke structuren in de buurt van de tumor dus wél sparen”, zegt Van Erkel. Bonsing en Van Erkel voeren nu samen met onderzoekster Noor de Leede een studie uit naar de veiligheid en haalbaarheid van IRE voor alvleeskliertumoren. Patiënten die in aanmerking komen voor chirurgie kunnen voorafgaand aan de operatie toestemming geven om IRE toe te passen, mocht de tumor tijdens de operatie onverhoopt niet weggesneden kunnen worden. Bonsing en Van Erkel verwachten elke maand één patiënt met de nanoknife te gaan behandelen.

Dankzij de korte stroomstootjes geeft de nanoknife maar weinig hitte af “Het gaat ons nu nog niet om hoe goed het werkt”, benadrukt Bonsing. “We richten ons vooral op de veiligheid en uitvoerbaarheid van de techniek, zoals: waar kun je die naalden het best plaatsen?” De effectiviteit van de behandeling komt pas later aan bod. Maar de onderzoekers hebben uiteraard wel redenen om te geloven dat het werkt. “In Amerika zijn al alvleesklierkankerpatiënten behandeld met IRE”, zegt Bonsing. “En de resultaten daar zijn bemoedigend. De patiënten doen het beter dan vooraf was ingeschat.”

Afweersysteem

Waarom die patiënten het zo goed deden? Misschien hielp hun eigen afweersysteem een handje mee, hopen de onderzoekers. “Er zijn aanwijzingen dat door gebruik van IRE het afweersysteem de tumorcellen leert herkennen”, licht Van Erkel toe. “Het idee is dat het afweersysteem dan ook tumorcellen op andere plekken in het lichaam herkent en opruimt. We weten nog niet of dat echt zo is, het is nog een theorie”, zegt Bonsing. “In onze studie nemen we bloedtesten af om te zien of het afweersysteem van de patiënt zich na de behandeling inderdaad meer op tumorcellen richt.” Beloften genoeg dus voor deze nieuwe techniek. Of ze bewaarheid worden, is nog even afwachten. ■

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

foto Marc de Haan

Beter dan verwacht

Eerste jongerenhospice opent deuren Hartje Leiden bevindt zich sinds 4 april, te midden van de stadse drukte, een rustige plek voor jongeren met een levensbedreigende ziekte: jongerenhospice Xenia. Voor tijdelijk verblijf, of om er te sterven. Wie de Leidse Kloosterpoort binnen loopt, ervaart opeens een oase van rust. De drukke straat pal ernaast is nauwelijks nog hoorbaar. “We waren zelf ook verrast door deze plek”, vertellen Jacqueline Bouts en Piet van Veen, twee initiatiefnemers van jongerenhospice Xenia. Op 2 april is het precies vijf jaar geleden dat zij de eerste stappen zetten tot de oprichting ervan, op 4 april gingen de deuren open. ‘Waar doe je het toch allemaal voor? Waarom een huis voor jongeren met een levensbedreigende ziekte?’ wordt Jacqueline vaak gevraagd. “Jongeren hebben nu de keuze waar zij intensieve zorg willen krijgen, en ik vind het vooral erg dat zij die keuze al die tijd niet hadden.” Jacqueline Bouts (50), verpleegkundige in het LUMC, is directeur van het nieuwe centrum. Piet van Veen (60) is een van de architecten van het pand aan de Kloosterpoort. De geknikte lijnen in de gevel en het dak geven het gebouw, vooral van binnen, een speels aanzien. “We hebben het centrum gevoegd rond de fraaie beuk voor het pand”, zegt Piet. Op een stukje karton schetst hij de contouren van het gebouw. “Vandaar die nietrechte lijnen.” Xenia is er vooral voor overbruggingszorg en respijtzorg, legt Jacqueline uit. “Als een jongere ontslagen wordt uit het ziekenhuis, kan hij of zij niet altijd direct naar huis. Xenia kan dan voor overbrugging zorgen. Respijtzorg houdt in dat we een tijdelijk alternatief bieden voor de zorg thuis, zodat mantelzorgers op adem kunnen komen.” Ten slotte is Xenia de plek waar jongeren, wanneer zij weten dat het leven voor hen afgelopen is, hun laatste dagen, weken of maanden kunnen doorbrengen. Xenia biedt plaats aan zes gasten, die begeleiding krijgen van een of twee verpleegkundigen (van thuisorganisatie ActiVite) en van een team van vrijwilligers. “We streven naar een pool van 100 medewerkers, we hebben er nu 65”, zegt Jacqueline. Vrijwilligers werken er maximaal acht uur per week, krijgen scholing, en regelmatig vindt intervisie plaats. “Het eerste trainingsweekend is achter de rug.” Jacqueline is erg blij met de steun vanuit de directe omgeving. “De bewoners van de studentenhuizen rondom waren eerst terughoudend, later kwamen ze hulp aanbieden.” Ook de steun vanuit de gemeente is groot. “De directe zorg wordt vergoed vanuit de AWBZ, voor de overige financiering zijn we afhankelijk van fondsen en vrijwillige bijdragen.” (JO) ■

15


Beveiligd to the max In een van de labs in het LUMC bestuderen onderzoekers virussen die voor de mens gevaarlijk zijn, zoals het in 2002 opgedoken SARS-virus. Hier gelden dan ook speciale veiligheidsmaatregelen. Slechts één keer per jaar gaat de bezem (lees: voor virussen dodelijk gas) door het lab. Daarna kan de Cicero-verslaggever zonder beschermende kleding naar binnen. door Raymon Heemskerk foto’s Marc de Haan

O

p het eerste gezicht is het een normaal lab. Er staan spullen die in elk biomedisch laboratorium te vinden zijn: incubatoren, centrifuges en flowkasten. Vandaag kan iedereen er zelfs in zijn gewone kleren rondlopen. “Dat kan maar gedurende een paar weken per jaar, wanneer het lab wordt schoongemaakt en onderhouden”, zegt dr. Martijn van Hemert, onderzoeker op de afdeling Medische Microbiologie. Normaal gelden in dit biosafety level 3 lab juist extra veiligheidsregels. Het begint al bij de deur. Elke medewerker heeft zijn eigen pincode en moet ook een vingertop scannen. Pas als alles klopt, gaat de deur van het slot. Erachter bevindt zich een ruimte die dient als kleedkamer. Hier gaan de overalls aan en de maskers met luchtfilter op. Er heerst al een lichte onderdruk ten opzichte van de gang. In het lab zelf, nog een deur verder, is de druk nog lager. “Die stapsgewijze luchtdrukdaling voorkomt dat er lucht vanuit het lab naar buiten ontsnapt”, vertelt Eric Snijder, hoogleraar Medische Microbiologie.

wrichtspijn kan veroorzaken. Bijna het hele jaar komt er geen schoonmaker in dit lab, maar vorige week wel. Toen is het lab grondig gedesinfecteerd (‘uitgegast’) met waterstofperoxide door speciale, Star Wars-achtige robots. Om er zeker van te zijn dat het gas zijn werk goed heeft gedaan, worden in allerlei hoekjes strips met bacteriën opgehangen. Pas wanneer zij allemaal dood blijken te zijn wordt het lab vrijgegeven voor schoonmaak en onderhoud. De jaarlijkse ontsmetting met waterstofperoxide gebeurt voor alle zekerheid; de geldende veiligheidsmaatregelen moeten al voorkomen dat er virussen in het lab vrijkomen. Zo mogen buisjes met virus alleen in de flowkasten, een soort grote stofzuigers, geopend worden. Zelfs daar wordt geprobeerd de lucht te vrijwaren van aerosolen, minuscule druppeltjes vloeistof waarin virusdeeltjes kunnen meeliften. “Heb je een buisje per on-

geluk een beetje geschud, dan draai je het even af in de centrifuge en wacht een minuut. Dan zijn eventueel ontstane aerosolen neergedaald”, legt van Hemert uit. “Proeven duren hier vanwege de extra regels en veiligheidsmaatregelen soms wel twee keer langer dan elders.”

Besmettingsgevaar

Bij sommige virussen heb je een vergunning nodig om erover te publiceren

Terroristisch wapen

Proeven duren door de veiligheidsmaatregelen vaak langer

Via de webcam heb je zicht op het hele lab

Symbolen wijzen op ‘biologische gevaren’

Alle veiligheidsmaatregelen gelden niet voor niets. In dit extra beveiligde lab wordt gewerkt met het potentieel dodelijke SARS-virus, zijn ‘broertje’ MERS-virus en met het chikungunya-virus, dat door muggen wordt verspreid en zeer ernstige, langdurige ge-

16

Gewoon ‘griepje’

Besmetting van medewerkers is door alle veiligheidsmaatregelen erg onwaarschijnlijk, maar nooit uit te sluiten. Om er in zo’n geval vroeg bij te zijn nemen alle labmedewerkers twee keer per dag hun temperatuur op. Bij waardes boven 38 graden Celsius moeten zij worden afgezonderd, totdat diagnostisch onderzoek heeft uitgewezen of het om een labgerelateerde besmetting gaat of, meer waarschijnlijk, om een gewoon ‘griepje’. Een onderzoekster vertelt dat ze een keer in isolatie is geplaatst. “Ik ben de enige bij wie dat in tien jaar tijd nodig is geweest. Ik werkte hier toen net. Gelukkig bleek het een gewone verkoudheid.” Om veiligheidsredenen mag de locatie van het lab niet vermeld worden. Dat het lab niet gemakkelijk te vinden is, bleek twee jaar geleden. “We hebben speciaal getrainde medewerkers van het Korps Landelijke Politiedienst de opdracht gegeven het lab te zoeken

15 april 2014 | nummer 2


Een speciaal pak en een masker met luchtfilter beschermen de medewerker tegen de gevaarlijke virussen

en te proberen binnen te komen. Dit team had het lab na een paar dagen nog niet in het vizier”, vertelt dr. Gijsbert van Willigen, biosafety officer in het LUMC. Hij houdt zich onder meer met de wet- en regelgeving rond-

om het lab bezig, zoals gebruiks- en exportvergunningen. “Die zijn nodig om materialen te versturen of artikelen te publiceren waarvoor virussen zijn gebruikt die als mogelijk terroristisch wapen zijn aangemerkt, wat voor het chikungunya-virus het geval is.” Het ministerie van Buitenlandse Zaken beoordeelt of een exportvergunning verleend wordt. “Daar kunnen zo een paar maanden overheen gaan, wat uit concurrentieoverwegingen vervelend kan zijn. Je kunt dan worden ingehaald door een onderzoeker uit een ander land, bijvoorbeeld de VS, waar de regels net anders zijn”, aldus Van Willigen. Hij is blij dat de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW) dit probleem ook onderkent en hierover in overleg gaat met het ministerie.

Geheim Papieren labjournaals mogen niet naar binnen, alles gaat via de labcomputer

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

Op calamiteiten is het lab goed voorbereid. Zo hangt er een tot nu toe werkloze nooddouche waarmee iemand zich kan schoonspoelen; het water wordt dan opgevangen in

een zogeheten kill tank. Met een webcam kan iemand van buiten het lab meekijken en -luisteren, om medewerkers die alleen werken eventueel te hulp te schieten. Regelmatig worden er ontruimingsoefeningen gehouden. Snijder: “Met de bedrijfshulpverleners is afgesproken dat zij de zorg voor eventuele slachtoffers overnemen vanaf de drempel van het lab. Gelukkig is dat nog nooit nodig geweest.” Het LUMC doet het altijd goed bij inspecties voor bioveiligheid en biobeveiliging, vertelt Van Willigen. Wat is het geheim? “De communicatie tussen de Raad van Bestuur, de afdeling Beveiliging, de onderzoekers, mij als veiligheidsfunctionaris en de afdeling Infra, die de techniek beheert, is erg laagdrempelig. Er worden geen barrières opgeworpen, alles gaat in goed overleg. En er heerst een open meldcultuur. Dat is erg prettig.” De onderzoekers in het lab: “We discussiëren veel over de regels en spreken elkaar aan als ons iets opvalt. Daarmee houd je elkaar scherp.” ■

17


Betere zorg met sterftecijfers Het is terecht dat het nut van sterftecijfers als vergelijkingsmiddel tussen ziekenhuizen ter discussie staat, vindt dr. Jouke Tamsma, directeur Medische zaken van het LUMC. Maar de cijfers zijn - na een vertaalslag - wél bruikbaar om de kwaliteit van zorg intern te monitoren. Hoe gaat het LUMC hiermee aan de slag? door Masja de Ree

S

inds dit jaar moeten alle ziekenhuizen hun sterftecijfers publiceren. Dat levert veel discussie op. Want zijn die getallen wel waar? Zijn ze precies? En voor wie zijn ze eigenlijk bestemd? Het sterftecijfer oftewel de HSMR (Hospital Standardized Mortality Ratio) laat zien in hoeverre het aantal sterfgevallen in een ziekenhuis afwijkt van de verwachting. Die verwachte sterfte wordt berekend met behulp van een model dat onder meer rekening houdt met diagnose, leeftijd van de patiënt en bijkomende aandoeningen. “Maar het rapport dat we sinds drie jaar in november aangeleverd krijgen van het CBS, zegt ons niet zoveel”, legt dr. Perla Marang (Medische besliskunde) uit. “Als wij de uitkomsten bespreken met onze zorgverleners, dan willen zij weten om welke patiënten van welke afdelingen het precies gaat. Dat vertellen de cijfers niet.”

Professionals willen graag meedenken en graag verbeteren

mende aandoeningen van patiënten onvoldoende registreert, dan komt je verwachte sterfte lager uit.”

Maatschappelijke rol

De gesprekken met de professionals van de afdelingen voerden Marang en Tamsma samen. Tamsma: “Het verraste me hoe goed dat werkte en ook hoe goed zij het signaal dat wij zagen, konden duiden. We begonnen steeds met een open vraag: herkennen jullie het beeld? Soms was dat het geval en had de afdeling zelf al onderzoek gedaan in de dossiers en eigen administratie; soms moesten ze nog op zoek naar een mogelijke verklaring. Vervolgens is het natuurlijk zaak om te bekijken of er iets te leren is.” Uit de cijfers over 2012 bleek bijvoorbeeld een hogere sterfte op de afdeling die patiënten met een bepaalde leveraandoening behandelt. “De meest zieke mensen met deze aandoening in Nederland komen naar deze afdeling”, legt Tamsma uit. “Niet omdat de behandelaars zeker weten dat ze deze mensen kunnen genezen, maar omdat ze vinden dat ze de laat-

ste kansen samen met de patiënt en familie moeten verkennen. Dat zie je wel terug in de sterftecijfers. Maar hier gaat het niet meer alleen om leven en dood, maar om compassie en de maatschappelijke rol van een UMC als last resort ziekenhuis.”

Door het jaar heen

“De link met onze eigen data bleek heel belangrijk in de gesprekken”, zegt Marang. “Professionals willen graag meedenken en graag verbeteren. Maar ze willen wel eerst weten over welke patiënten de cijfers precies gaan.” De ruwe sterftecijfers van een afdeling vormen in het LUMC nu een van de indicatoren - naast bijvoorbeeld de complicatieregistratie - die zorgverleners de kans geven de kwaliteit van hun werk continu te monitoren en actie te ondernemen zodra daar aanleiding voor is. “Dat is de winst van onze aanpak”, zegt Marang. “Zorgverleners zijn meer betrokken bij de cijfers en kijken er gerichter naar. En dat doen ze door het jaar heen, niet alleen op het moment dat de HSMR wordt gepubliceerd.” ■

Toch gebruikt het LUMC de cijfers nu. “Als hulpmiddel om de kwaliteit van ónze zorg voor ónze patiënten te verbeteren”, aldus Tamsma. Dat kan dankzij een vertaalslag. Marang legt uit: “We kunnen nu beschikken over het bronbestand met alle LUMC-data waarop de HSMR is gebaseerd. In dat bestand staan gegevens per patiënt en een sleutel waarmee ik de patiënt aan de juiste afdeling in het LUMC kan koppelen. Zo kan ik heel gericht zoeken naar afwijkende uitkomsten.”

Om de tafel

Omdat bij de HSMR de opgetreden sterfte wordt gedeeld door de te verwachten sterfte, kan een toename van de HSMR twee oorzaken hebben, legt Marang uit. Of de sterfte binnen een groep patiënten neemt toe - dat is reden om met een afdeling om de tafel te gaan - óf het is juist de verwachte sterfte die afneemt. “Dan laatste heeft vaak met coderen te maken: als je bijvoorbeeld de bijko-

18

15 april 2014 | nummer 2


TOEN : fysiotherapeut NU : adviseur kwaliteit en veiligheid

Samen de zorg verbeteren Als klein meisje droomde ze ervan de wereldzeeën te bevaren, maar daar stak haar moeder een stokje voor. Ze werd fysiotherapeut. Toen ze tijdens haar werk in een ziekenhuis op allerlei beter te regelen zaken stuitte, besloot ze zich te laten omscholen. Inmiddels werkt Eveline van der Plas (37) bijna twee jaar in het LUMC als adviseur kwaliteit en veiligheid. door Caroline van der Schaaf foto Arno Massee

Wat wilde je vroeger worden? “Als kind wilde ik zeeman worden. Mijn vader was stuurman op de grote vaart en was maanden onderweg met van die grote containerschepen. Daar keek ik enorm tegenop. Ik liep ook vaak met zijn pet rond. Omstreeks mijn veertiende heb ik een keer een folder van de Koninklijke Marine aangevraagd, maar mijn moeder heeft die verdonkeremaand. Die had al een man op zee en wilde niet ook nog een dochter op zee. Ik denk dat ik het niet graag genoeg wilde om het toch door te zetten. Uiteindelijk heb ik me ingeschreven voor de studie Fysiotherapie.” Kon je gelijk aan de slag? “Toen ik aan Fysiotherapie begon, verklaarde iedereen me voor gek, want er was geen baan in te vinden. Maar ik heb geen dag zonder werk gezeten. Ik kon meteen terecht bij twee stageplaatsen: twee dagen in een revalidatiecentrum en twee dagen in een particuliere praktijk. Dat heb ik een jaar gedaan. Vervolgens heb ik vier jaar gewerkt als fysiotherapeut in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis in Amsterdam.” Waarom ben je op een gegeven moment een heel andere weg in geslagen? “In het ziekenhuis kwam ik allerlei zaken tegen die beter konden worden geregeld. Dan stonden er crashkarren voor de nooduitgang, of waren apparaten die we gebruikten voor een patiënt over de controledatum. Ik snapte niet dat dat niet beter was georganiseerd, en ging daar dan achteraan. Op een zeker moment heb ik gesolliciteerd op een vacature van kwaliteitsadviseur, maar werd afgewezen omdat ik geen ervaring had. Toen realiseerde ik me dat het tijd was om te bedenken wat ik écht wilde. Ik heb mijn baan opgezegd en ben aan de VU een twee jaar durende fulltime studie gaan doen: Gezondheidsweten-

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

schappen met als master Beleid, Organisatie en Management.” Hoe kwam je in het LUMC terecht? “Kort na mijn afstuderen ben ik gaan werken als adviseur kwaliteit en veiligheid in het Erasmus MC in Rotterdam. Dat heb ik vijf jaar gedaan. Op een gegeven moment wees mijn zusje, die ook in het LUMC werkt, mij op de vacature van mijn huidige functie.” Is je baan hier vergelijkbaar met die in het Erasmus MC? “Inhoudelijk wel, organisatorisch is het totaal anders. Het grootste verschil is dat ik daar deel uitmaakte van een team van 22

mensen, hier werk ik centraal alleen. In het Erasmus MC is kwaliteit behoorlijk centraal georganiseerd, hier is dat decentraal belegd. Afdelingen zijn hier zelf verantwoordelijk voor de organisatie van hun kwaliteit van zorg. De kracht van het LUMC zit ’m in de zelfredzaamheid en de enorme flexibiliteit van de medewerkers als het gaat om dingen oppakken. En uiteindelijk gaat het ook over hún kwaliteit van zorg. Zíj zijn degenen die aan het bed staan van de patiënt. Zij hebben de touwtjes in handen als het gaat om bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal postoperatieve wondinfecties. Mijn taak is dus niet om het vóór, maar om het mét de collega’s op de werkvloer te verzinnen.” ■

19


Jeugdgezondheidszorg dichter Kinderen met psychiatrische stoornissen die bij Curium-LUMC behandeld worden, leggen vaak eerst een onnodig lange reis langs allerlei zorginstellingen af. Dat kan anders met de nieuwe Jeugdwet. Voortaan kijkt de specialistische jeugd-ggz direct mee als kinderen of gezinnen in de problemen komen. door Dick Duynhoven foto Arno Massee

D

e nieuwe Jeugdwet moet een eind maken aan de bureaucratie en aan de sterk versnipperde hulpverlening in de jeugdzorg. Vanaf 1 januari 2015 worden gemeenten verantwoordelijk voor de hele organisatie en financiering van de jeugdzorg. Niet alleen voor begeleiding, opvoedingsondersteuning of lichte zorg, maar ook voor complexe specialistische zorg. Dus ook voor kinderen met een psychose, anorexia nervosa of andere psychiatrische problemen. Jeugd- en gezinsteams, met daarin vertegenwoordigers van verschillende zorginstellingen, bepalen voortaan welke ondersteuning een kind of een gezin krijgt. In de regio Holland Rijnland (*) gaat ook CuriumLUMC deel uitmaken van die teams.

Uit de zorgverzekering

In de aanloop naar de nieuwe wet was er veel kritiek. Vooral op het feit dat de jeugdggz uit de zorgverzekering wordt gehaald. Meer dan 96.000 mensen - zorgprofessionals maar ook veel ouders - tekenden de petitie ‘Zorg over de jeugd-ggz’. Ook prof. Robert Vermeiren, directeur van het kinder- en jeugdpsychiatrisch centrum Curium-LUMC, stak zijn bezorgdheid niet onder stoelen of banken. Als inspreker in de Eerste en Tweede Kamer, in vakbladen, op radio en televisie, maar ook via Twitter, verwoordde hij de bezwaren vanuit de kinder- en jeugdpsychiatrie. “Waarom wordt een kind met autisme anders bejegend dan een kind met astma?” En: “Voortaan hangt het van je woonplaats af of je de juiste zorg krijgt.” De Tweede en Eerste Kamer hebben de wet wel aangenomen. Maar het verzet heeft toch effect gehad, constateert Vermeiren: “Iedereen die dat nodig heeft, krijgt toegang tot de specialistische zorg. Staatssecretaris Van Rijn heeft dat diverse malen benadrukt. Bovendien mogen ook de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts blijven doorverwijzen naar de kinder- en jeugdpsychiatrie. Dit heeft ons wel enigszins gerustgesteld.”

Verhogen van de kwaliteit

Monique Verbout, programmaleider op Curium-LUMC, deelt de bezorgdheid. Samen met Vermeiren ziet ze ook kansen voor de

20

ggz. “Curium zit nu meestal aan het eind van de zorgketen. Veel kinderen die bij ons komen zijn al bij allerlei hulpverleners geweest voordat duidelijk werd dat ze specialistische, psychiatrische, zorg nodig hebben. Doordat straks in elk jeugd- en gezinsteam iemand van Curium-LUMC of van Rivierduinen aanwezig is, kunnen we vanaf het begin onze ggz-expertise inbrengen.”

oefend. Samen met de andere professionals ontwikkelt Curium-LUMC een methodiek om goed en efficiënt te kunnen beoordelen wat er aan de hand is en wat er aan begeleiding, hulp, behandeling of bescherming nodig is. Verbout: “In de toekomst willen we dit model uiteraard gaan evalueren en vergelijken met jeugd- en gezinsteams in andere regio’s.”

Niet eerst twintig vragenlijsten

Meedoen wordt gewaardeerd

Verbout en Vermeiren beamen dat die werkwijze de zorg dichter bij de gezinnen kan brengen. In de regio Holland Rijnland, waar veel Curium-LUMC patiënten vandaan komt, gaan 26 teams aan de slag. Volgens het regionale ‘Toekomstmodel Jeugdhulp’ gaan ze een cruciale rol vervullen bij het verhogen van de kwaliteit van de jeugdhulp en bij de vermindering van het gebruik van (zware) specialistische voorzieningen.

Er zullen altijd kinderen zijn met psychische of gedragsproblemen. Zij en hun gezinnen moeten zo snel mogelijk de juiste hulp krijgen “Het uitgangspunt is: licht inzetten waar mogelijk, maar snel en zwaar inzetten waar nodig”, zegt Verbout. “We moeten problemen niet groter maken dan ze zijn, maar als we vermoeden dat er meer aan de hand is, dan is verder onderzoek nodig. Daartoe is het belangrijk dat de Jeugd- en gezinsteams­ medewerkers zijn toegerust met screeningsen triage-instrumenten, zonder dat ouders en hulpverleners twintig vragenlijsten moeten invullen.” Vooruitlopend op het ingaan van de wet op 1 januari 2015 - wordt in zes teams al ge-

Marion Goedhart, programmamanager van de gemeente Alphen aan den Rijn, is de regionale aanvoerder van de jeugdzorgtransitie. Al in een vroeg stadium heeft zij met de ggz-instellingen gesproken over het jeugdbeleid en over de bedreigingen en kansen van de nieuwe Jeugdwet. De gemeenten willen graag dat Curium-LUMC en Rivierduinen meedoen in de jeugd- en gezinsteams. Ook in de proeftuinen. Dat laatste was aanvankelijk niet mogelijk, want het ministerie en de zorgverzekeraar wilden daar vóór 1 januari geen budget voor geven. “Uiteindelijk hebben de gezamenlijke gemeenten dat geld bijeengebracht”, vertelt Goedhart. Waarmee zij nog eens wil benadrukken hoe zeer het meedoen van de specialistische ggz-zorg in de eerstelijnsteams wordt gewaardeerd.

Ook aandacht voor context

Dat de regie en de financiering van de gehele jeugdzorg straks bij de gemeenten liggen, heeft volgens Goedhart nog een andere meerwaarde. “De aanpak van een probleem blijft niet alleen beperkt tot de behandeling van een kind. Er is ook aandacht voor de brede, sociale context van kinderen en gezinnen. Gemeenten zullen ook nagaan welke ondersteuning er thuis, op school of in de buurt nodig is om de behandeling te ondersteunen en succesvol te maken. Ook dat is winst. In het huidige systeem is die integrale aanpak niet mogelijk doordat het geld en de verantwoordelijkheid gefragmenteerd zijn.” Goedhart kan zich de bezorgdheid van Vermeiren en anderen wel indenken, maar deelt die niet voorzover het ‘haar’ regio Holland Rijnland betreft. “Gelukkig ver-

15 april 2014 | nummer 2


bij gezinnen

schillen we niet van mening over wat we willen bereiken. Maar inderdaad, we moeten het met elkaar nog wel zien waar te maken.”

Minder bureaucratie

Een belangrijk aspect van de decentralisatie is de financiering. Tegelijk met de overheveling van de jeugdzorg naar de gemeenten, bezuinigt het Rijk op het budget daarvoor. Door preventie en tijdig ingrijpen, zo luidt de redenering, zullen kinderen en gezinnen minder vaak gebruik gaan maken van dure, specialistische, zorg. Goedhart relativeert die veronderstelling. “Ik ben er helemaal niet zo van overtuigd dat je met preventie van alles kunt voorkomen. We moeten ons heel goed realiseren dat er altijd kinderen zijn met psychische stoornissen of met zware gedragsproblemen. Die zijn niet zo eenvoudig te voorkomen.” De ‘winst’ is volgens Goedhart wel te behalen doordat kinderen en gezinnen sneller de juiste hulp krijgen. “Als we het huidige systeem van die vreselijke bureaucratie en verkokering kunnen ontdoen, dan is dat zonder meer kostenbesparend.”

Gemeenten hebben zorgplicht

Maar toch nog even voor de zekerheid: Specialistische ggz-zorg - zoals een plaatsing in een besloten jeugdinstelling of in een kinderpsychiatrisch centrum - is duur. Wat gebeurt er als het gemeentelijk of regionaal budget voor de jeugdzorg op is? Wat gebeurt er dan met het kind voor wie kinderpsychiatrische zorg noodzakelijk is? Goedhart kan zich de situatie voorstellen. “Het budget is niet eindeloos, maar gemeenten hebben een zorgplicht en zullen er alles aan doen een oplossing te vinden als dat nodig is. Dan maar wat minder lantaarnpalen.” ■

(*) In Holland Rijnland werken vijftien gemeenten samen: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnwoude, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

21


Literatuur en Geneeskunde - LitMed - geeft inzicht in de beleving van ziek-zijn. Dat kan de zorg verbeteren. Voor iedere Cicero verdiept prof. Ad Kaptein (Medische Psychologie) zich in een boek waarin ziekte een rol speelt.

foto Marc de Haan

Schoot “U bent onvruchtbaar. En daar is niet alleen niets aan te doen, het is bovendien altijd zo geweest.” De man is lacherig verbijsterd als de dokter hem vertelt van het resultaat van het vruchtbaar­ heidsonderzoek, hij is immers vader van een dertienjarige zoon. “Er zijn dossiers verwisseld.” Maar zijn ontkenning werkt niet: hij is meedogenloos onvrucht­ baar, al zijn hele leven.

“Een op de tien kinderen is niet verwekt door de man van wie men aanneemt dat hij de vader is.” Deze stelling is een broodje aap. Genetici maakten al eerder gehakt van deze hetzerige uitspraak: een op vijftig komt dichter in de buurt. De speurtocht van de verteller begint. Hij is ­ dacht te zijn ­ de vader van zoon Bo. “Ik wil weten wie de vader is … wie de dader is.” Karel Glastra van Loon (1962­2005) maakt van De passievrucht (1999) een donkere roman. Van begin tot eind verstopt hij hints in de tekst naar hoe een onvruchtbare man een kind bij diens vrouw kan hebben verwekt. De vader start zijn zoektocht naar de echtbreker, “een inbreker, maar dan in de echt.” De speurtocht voert langs de mannen met wie Bo’s moeder, Monika, zo’n 20 jaar eerder contact had. De moeder overleed recent aan een hersenvliesontsteking. Een niet zo bizarre doodsoorzaak in een roman, geschreven door een man die zelf zou overlijden aan een hersentumor. De eerste kandidaat­dader is de huisarts die de hersenvliesontsteking vaststelde. “Je hoort wel meer van dokters die wat met hun patiënten hebben.” De huisarts staat perplex van de insinuatie maar houdt zijn roer recht: “Ik kan met de hand op mijn hart … .” Een mislukte rechtenstudent met een adviesbureautje hangt een opgeblazen verhaal op vol seks met de moeder van Bo toen ze jong was: het blijkt gebakken lucht. De reisleider die altijd met alle meisjes uit het reisgezelschap het bed deelde, liep bij haar een blauwtje. Bo’s biologische vader moet ergens anders zijn. De vader van de verteller overlijdt. Bij het opruimen van het huis van de overledene vindt de onvruchtbare verteller, Armin, een doos met foto’s, schoolrapporten, liefdesbrieven. Plus een briefje gericht aan de vader, nu overleden: “Ik ben zwanger. M.” Bo en Armin gaan een weekend naar Ameland ­ waar eerder Monika en Armin hun liefde vierden. Bo belandt voor het eerst in zijn leven in bed met een meisje. Armin explodeert en slingert in een alcoholische waas Bo de waarheid naar het hoofd.

Op reis? Haal uw prik in het LUMC! Wist u dat u in het LUMC terecht kunt voor vaccinaties voordat u op vakantie gaat naar een verre bestemming? U hoeft namelijk helemaal geen patiënt te zijn om uw prikken bij onze vaccinatiepoliniek te halen. En die poli heeft zo haar voordelen. “De vaccinatiepoli is goedkoop en betrouwbaar”, valt polikliniekassistente Kitty Suijk met de deur in huis. Suijk legt uit dat de polikliniek geen winstbeding heeft en daarom de prijzen laag kan houden. De vaccinatiepoli maakt onderdeel uit van de afdeling Infectieziekten van het LUMC en beschikt over de benodigde kwaliteitscertificaten en wettelijke erkenningen voor alle vaccinaties. Naast Kitty Suijk werken er nog vier verpleegkundig consulenten. De hoofdtaak van de medewerkers is het vaccineren van reizigers vanuit het hele land, zo’n 5.000 mensen per jaar, en adviezen geven over bijvoorbeeld vaccinaties, beschermende maatregelen en malariapillen. Daarnaast zijn ook een aantal bedrijven op het Bio Science Park klant. Kitty Suijk en haar collega’s gaan daar soms op locatie vaccineren. Deze bedrijven ontwikkelen bijvoorbeeld vaccins tegen rabiës, maar willen dan natuurlijk wel hun medewerkers goed beschermen”, vertelt ze. De vaccinatiepoli valt onder dr. Leo Visser, internist-infectioloog en gespecialiseerd in tropische infectieziekten, reizigersgeneeskunde en vaccinatieleer. Visser vertelt dat er ook wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd. “De poli werkt bijvoorbeeld mee aan onderzoek naar vaccins tegen malaria of tuberculose, naar het oplopen van bijzonder resistente micro-organismen na een tropische reis of naar de medische risico’s van een tropenstage.” De polikliniek is gespecialiseerd in de toediening van vaccins in de huid. Visser legt uit dat hierdoor met minder vaccin toch een goede bescherming kan worden opgewekt. “Hierdoor kan bijvoorbeeld vaccinatie tegen hondsdolheid tegen een veel lagere prijs worden uitgevoerd.” Kitty Suijk vervolgt dat de vaccinatiepoli extra interessant is voor mensen die medicatie gebruiken. “Omdat we onderdeel uitmaken van een gespecialiseerd universitair medisch centrum, profiteren zij van de kennis die hier aanwezig is.” Suijk voegt toe dat reizigers met complexe medische problemen eerst een afspraak krijgen bij de infectioloog en dan op de vaccinatiepolikliniek komen voor vaccinaties en verdere voorlichting. “Daarnaast is het voor elke reiziger handig dat er altijd deskundige artsen als achterwacht aanwezig zijn, voor als er extra expertise nodig is.” (CW) ■

Bo en hij zijn broers. De moeder van Bo schreef hem voor ze stierf een brief: “Lieve Bo, het is een geheim tussen mij en de man die jij je opa zult gaan noemen.” De vrouwen winnen: de nieuwe vriendin van Armin kreeg deze brief van Monika, voor als het nodig zou zijn. De vrouwen informeerden elkaar toen het nodig was zorgvuldig over seks, semen en schoot. De mannen vinden een manier hun verhouding opnieuw te definiëren. Ze strooien de as van hun vader uit over het graf van Monika. “Aan de voet van Monika’s graf vormde zich een klein wit bergje.” Het motto van het boek is van Dolly Parton, zelfbezongen expert in zaken van de liefde: “Elk gebroken hart is de schuld van een man.” Passie, liefde, trouw ­ wat wint? ■

22

15 april 2014 | nummer 2


Ketenzorg voor als een bril niet helpt

‘Ik weet niet wat ik zie!’ Lucy (63) komt samen met haar dochter op de poli Oogheelkunde. De oogarts kan haar slechte zicht niet genezen en verwijst haar naar het gecombineerde slechtziendenspreekuur. Daar bezoekt ze eerst een gespecialiseerde optometrist en daarna een medewerker van Koninklijke Visio: ketenzorg voor mensen die slecht zien. door Masja de Ree foto Arno Massee

L

ucy hoopt dat ze een nieuwe bril kan krijgen, met dunnere glazen, waarmee ze ook kan lezen. Optometrist Anton Verezen: “Ik denk dat een nieuwe bril geen oplossing is. Maar misschien kan ik u op een andere manier helpen.” Verezen werkt bij Elvea, een bedrijf dat hulpmiddelen levert om beter te zien. De patiënten op zijn spreekuur hebben vaak een aangetast netvlies of problemen met de oogzenuw. Dan helpt een bril niet meer.

Naar de musical

Lucy moet letters oplezen op een monitor aan de andere kant van de spreekkamer. Ze zijn behoorlijk groot maar ze vindt het lastig. “U mag niet naar voren buigen mevrouw”, maant Verezen. “Zeg jij het maar”, zegt Lucy tegen haar dochter. Lucy blijkt een

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

visus van 0,1 te hebben en dat betekent dat ze maar tien procent ziet, met de best mogelijke bril op. “En bij het lezen moeten de letters voor u tien keer groter zijn dan in de krant”, zegt Verezen, nadat een leestest en een contrasttest is uitgevoerd. Hij laat een elektronische loep zien. “Ja! Die is handig om de prijzen in de winkel te lezen, dan kunnen ze me niet meer belazeren.” De loep kan de kleur van letters en achtergrond ook aanpassen. Lucy leest het liefst gele letters op een zwarte achtergrond. Om ver te zien monteert Verezen twee verrekijkertjes - telescooploepen - op haar bril. Die halen het beeld dichterbij. “Ik weet niet wat ik zie!”, roept Lucy. “Dit is handig voor thuis, bijvoorbeeld bij het televisie kijken”, legt Verezen uit. “Je moet de kijkertjes instellen op de afstand waarop het object dat je wilt zien zich bevindt.” Lucy: “Zo kan ik naar de musical!”

Minder afhankelijk

Lucy spreekt met Verezen af om na te denken over de telescooploep-bril en bezoekt vervolgens Obbe Albers van Visio, het expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen. Albers inventariseert in hoeverre het slechte zicht Lucy belemmert in haar dagelijks leven. Kan ze bijvoorbeeld foto’s van de kinderen zien? “Nee. Ik probeer het wel. Dan zet ik, lach niet, mijn leesbril over mijn gewone bril. Het glas is vier centimeter dik.” Naar buiten gaat ze met haar stok, boodschappen doet ze niet meer. “Maar ik kook

wel zelf. Af en toe verbrand ik me, maar ach.” Er blijken veel hulpmiddelen te bestaan die Lucy nog niet kent. Een apparaatje dat de ondertiteling voorleest, bijvoorbeeld. En er is een nieuwe versie van het softwareprogramma Supernova, waarmee je letters op de computer kunt vergroten en laten voorlezen. “Het lijken misschien kleine dingen”, zegt Lucy. “Maar dan ben ik minder afhankelijk van de kinderen.” Albers wijst ook op een cursus koken met de ergotherapeut. “Dan leert u nog efficiënter en veiliger koken, want het is natuurlijk niet de bedoeling dat u zich verbrandt.”

Vergoed

Lucy is voor vandaag klaar. Bij een vervolgafspraak bij Visio wordt precies uitgezocht welke ondersteuning nodig is en welke praktische hulpmiddelen voor haar het meest geschikt zijn. Anton Verezen ziet haar over drie weken terug om een beslissing te nemen over de kijkhulpmiddelen. De meeste hulpmiddelen worden vergoed door de verzekeraar. ■ Het LUMC, Koninklijke Visio en Elvea tekenden in december een samenwerkings­ overeenkomst. Koninklijke Visio en Elvea zijn voortaan gezamenlijk in het LUMC aanwezig tijdens spreekuren voor slechtziende patiënten.

23


Zware operatie voor een versteende borst Mariëlle Corbeau krijgt heftige rugpijn. Haar borstwervels blijken aangedaan door een grote, verkalkte hernia. Neurochirurg Willem Pondaag slaagt erin om haar van de pijn te verlossen én verlamming te voorkomen. “Sporten was altijd mijn uitlaatklep, maar dat gaat niet meer.” door Dick Duynhoven foto’s Arno Massee

‘Het is een echt ambacht’ Vaak gaat het om een stukje van nog geen centimeter groot. Maar het weghalen is ‘een hele toer’ zegt dr. Willem Pondaag. “Het gevaar van dwarslaesie is altijd aanwezig.���

Z

ijn vader was neurochirurg. Maar dat was voor dr. Willem Pondaag niet de reden waarom hij hetzelfde vak koos. “Wat mij aantrekt is dat je voor neurochirurgie, behalve veel medische kennis, ook veel technische vaardigheden nodig hebt. Het is een vak dat je met je handen uitvoert, een echt ambacht.”

Zeldzame hernia

De ruggengraat bestaat uit zeven nekwervels, twaalf borstwervels en vijf lendenwervels. Tussen elke twee wervels bevindt zich een tussenwervelschijf, gemaakt van kraakbeen. Als in zo’n tussenwervel een scheurtje ontstaat - meestal door slijtage - dan stulpt de zachte, geleiachtige kern eruit. Zo’n uitstulping - hernia genoemd - drukt op de zenuwen in de wervelkolom en geeft meestal uitstraling in arm of been. In Nederland wordt ongeveer 15 procent van de rughernia’s operatief verwijderd. In de overige gevallen zijn

oefentherapie en medicatie (pijnstillers of ontstekingsremmers) afdoende. Behalve de ‘gewone’ rughernia opereert Pondaag ook de veel zeldzamere borstwervelhernia’s. Omdat die heel langzaam groeien en niet altijd pijn veroorzaken, duurt het soms heel lang voordat de juiste diagnose wordt gesteld. “Het eerste symptoom is meestal krachtvermindering in de benen”, vertelt Pondaag. “De hernia, die meestal al verkalkt is, beknelt dan het ruggenmerg, de hoofdkabel tussen je hoofd en je benen. Door die druk komt er letterlijk een kink in de kabel en komen de signalen vanuit je hersenen niet goed door naar je benen.”

Boren en peuteren

“Een rughernia is goed te opereren via de achterkant van wervels”, vertelt Pondaag. “Maar bij een borsthernia zit het ruggenmerg in de weg. Dat kun je niet opzij duwen. Daarom moeten we aan de zijkant van de

wervel opereren. We maken een snee van zes tot tien centimeter en duwen de ribben opzij om erlangs te kunnen. Onderweg heb je dan ook nog met de longen te maken. Daarom laten we één long leeglopen, zodat je ook die opzij kan schuiven. Dan is de weg vrij naar de tussenwervelschijf en kunnen we, kijkend door een microscoop, de hernia wegboren en -peuteren. Dat is een hele toer, terwijl het

Het eerste symptoom van een borsthernia is meestal krachtvermindering in de benen om een stukje gaat dat meestal niet groter is dan een centimeter.” Hij vertelt het simpel, maar het is een langdurige en risicovolle operatie. De ingreep gebeurt vlakbij het ruggenmerg, dus het gevaar van een dwarslaesie is altijd aanwezig. “Technisch gezien een uitdaging, dus je moet wel goed opletten”, zegt de 41-jarige chirurg met gevoel voor understatement.

Afweging

“Bij een borstherina zit het ruggenmerg in de weg. Daarom moeten we aan de zijkant van de wervel opereren”, aldus Willem Pondaag

24

Net als bij andere gecompliceerde behandelingen staan arts en patiënt ook hier voor een afweging: opereren of niet? Pondaag: “Ik vertel onder meer dat we de ribben kneuzen bij het wegduwen en dat patiënten daardoor nog weken, soms zelfs maanden, pijn hebben. Als een patiënt relatief weinig klachten heeft, moet je je afvragen of het middel niet erger is dan de kwaal. Niet alleen vanwege de napijn, maar vooral vanwege het risico van een neurologische beschadiging. Dat is niet alleen een schrikbeeld voor de patiënt, maar ook voor de arts. Maar als iemand door de hernia misschien in een rolstoel terecht zal komen, dan zal ik dringend een operatie adviseren.” ■

15 april 2014 | nummer 2


thernia

Arts & Patiënt

‘Ik mag blij zijn…’ Ondanks de lichamelijke en psychische gevolgen van de operatie aan haar borstwervelhernia is Mariëlle Corbeau positief. “Want voor hetzelfde geld had ik nu in een rolstoel gezeten.”

T

erwijl ze nog herstelt van haar nekherniaoperatie, krijgt Mariëlle Corbeau hevige rugpijn. Volgens de arts is dat spierpijn als gevolg van de operatie: dat zal wel wegtrekken. Maar het wordt alleen maar erger. Een MRI-scan laat een afwijkende plek over twee borstwervels zien van wel acht centimeter groot. Dat is reden om haar door te sturen naar het LUMC.

Mogelijke verlamming

De diagnose: een verkalkte borsthernia. Corbeau komt op de wachtlijst voor een operatie. Maar de pijn wordt steeds erger en ze krijgt uitvalverschijnselen. “Ik kon bijna geen stap meer zetten of ik zakte door mijn benen.” Neurochirurg Wilco Peul van het LUMC vertelt haar dat er mogelijk meer aan de hand is dan een borsthernia op één hoogte. “Op de scan waren op andere tussenwervelschijven ook plekken te zien waar een hernia zou kunnen ontstaan. Dat kan volgens hem wijzen op een zeldzame aandoening die ze de Japanse ziekte noemen, omdat het vooral daar voorkomt.” Bij deze ziekte, OPLL, ontstaan er verkalkingen in de banden die de wervels bij elkaar houden

Operatie geslaagd

In het gesprek met de neurochirurg leert de 44-jarige Corbeau ook dat de operatie niet zonder risico is: zij kan verlamd raken. Maar lang wil ze daar niet over na denken. “Zonder de operatie zou de hernia uiteindelijk ook tot verlamming leiden. Dus wat mij betreft was er maar één optie: opereren. En liefst zo snel mogelijk, want de pijn was vreselijk. Zelfs de zwaarste pijnstillers hielpen niet meer.” Op 17 januari 2013 om 08.00 uur wordt zij de OK binnen gereden en om 17.30 uur komt ze weer bij uit de verdoving. De operatie door de artsen Willem Pondaag en Wilco Peul is geslaagd. Om het versteende stuk hernia te kunnen verwijderen, hebben zij van

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

Mariëlle Corbeau: “Wat mij betreft was opereren de enige optie”

twee wervels een stuk afgeboord. De wervelkolom is op die plek verstevigd met een metalen plaat. Elf dagen na de ingreep mag Corbeau naar huis. Een bed beneden in de huiskamer, fysiotherapie en heel voorzichtig, stapje voor stapje, revalideren.

Onbegrip

Nu, een goed jaar later, kijkt ze met gemengde gevoelens terug. “Professor Peul had benadrukt dat de operatie niet alleen lichamelijk, maar ook psychisch heel belastend zou zijn. Toch heb ik dat onderschat. Sporten was altijd mijn uitlaatklep, maar dat gaat niet meer. En dat is moeilijk te accepteren.

‘Je kunt beter je been breken, dan zien ze wat je hebt’

Ik doe alleen fitness om mijn spieren te versterken. Soms wil ik weer voluit gaan, zoals vroeger bij het sporten. Eigenwijs, want ik weet dat ik het daarna moet bezuren. En bij een lange wandeling voel ik pijn op de plek waar de stalen plaat zit. Dat zal waarschijnlijk zo blijven.” Ook de reactie van sommige mensen heeft haar getroffen. “Je kunt beter een gebroken been hebben, dan zien ze wat je hebt. Nu zien ze me wandelen en boodschappen doen en ze denken: het valt best mee. Dat onbegrip, ook van sommige vrienden, heeft me al heel wat tranen gekost.”

Meestal positief

Bij de controle in februari blijkt ‘alles in orde’. Corbeau: “Dokter Pondaag is heel tevreden. De bouten zitten nog op hun plek. Zelf ben ik ook positief. Meestal. Ik mag blij zijn dat ik er zo goed uit gekomen ben, want voor hetzelfde geld had ik nu in een rolstoel gezeten.” ■

25


Patiënten worden er wel eens moe van. Moeten ze voor nu de zoveelste keer hun naam en geboortedatum controleren? Traumachirurg Peter van Luijt, hoofd van het OK-centrum van het LUMC, benadrukt hoe belangrijk al die controles zijn. “Je wilt niet weten hoe vaak het voorkomt dat op dezelfde dag twee mensen met dezelfde naam geopereerd moeten worden. Het is dus heel belangrijk om behalve de naam ook de geboortedatum te controleren!” Tot nu toe waren patiënten niet bewust aanwezig bij de laatste controle. Die gebeurde altijd als zij al onder narcose waren. Sinds 1 april is dat veranderd. Het operatieteam doet de laatste voorbespreking nu eerder, zodat de patiënt eventuele vragen zelf nog kan beantwoorden. Van Luijt vertelt: “We hebben dat nooit gedaan omdat we dachten dat de besproken informatie te verontrustend zou zijn voor de patiënt, bijvoorbeeld als het gaat over mogelijke complicaties. De meeste andere ziekenhuizen in Nederland werken echter al op deze manier, en hun ervaringen

foto Arno Massee

Sinds 1 april is de procedure rondom operaties in het LUMC veranderd. De laatste voorbespreking van de operatie wordt nu gedaan vóórdat de patiënt onder narcose gaat. Zo kun je als patiënt eventueel nog vragen beantwoorden en ben je niet langer onder narcose dan noodzakelijk is.

De voorbespreking vlak voor de operatie geeft de patiënten een veilig gevoel

zijn positief. Het geeft patiënten een gevoel van veiligheid en transparantie. Het voordeel is dat eventuele onduidelijkheden direct bij de patiënt kunnen worden nagevraagd. Medicijnen zoals antibiotica kunnen precies op het juiste moment worden toegediend en de patiënt is niet langer onder narcose dan noodzakelijk is. Eerst was dat lastiger te plannen, bijvoorbeeld als een voorgaande operatie uitliep of de chirurg in de file stond. We verwachten dat het ook de effi-

ciëntie van het OK-centrum zal verhogen.” De artsen houden natuurlijk wel rekening met bijzondere situaties, zoals operaties bij kinderen of mensen met psychische aandoeningen. In dat geval wordt de procedure aangepast. “Vergelijk het met een piloot die alle controles doet voordat een vliegtuig opstijgt. Tot nu toe deden we de laatste controles terwijl het vliegtuig al een rondje laag over de grond vloog. Nu doen we alles van tevoren.” (EvdB) ■

Screening op reuma: andere plaats, andere tijd Vanaf 4 april is de reumapoli gevestigd op de begane grond, in de B0-zone. Alle poliklinische patiënten worden d aar verwacht. Ook de patiënten met beginnende klachten, die door hun huisarts naar de screeningspoli zijn verwezen. Juist voor hen biedt de nieuwe locatie voordelen.

“De reumapatiënt van nu is een heel andere dan die van twintig jaar geleden”, zegt Annette van der Helm. “Dat komt niet alleen door de medicijnen die de laatste decennia ontwikkeld zijn, de zogeheten biologicals. We weten nu dat het van groot belang is om zo snel mogelijk een diagnose te stellen. En als het reumatoïde artritis (RA) is, kun je het

foto Arno Massee

KORT N I E U WS

Je eigen operatie voorbespreken

“Het succes van de screeningspoli voor reuma is mede te danken aan de goede verwijzingen van de huisartsen”, aldus Annette van der Helm

26

best de behandeling zo vroeg mogelijk starten.” In die vroege herkenning speelt de huisarts een cruciale rol, benadrukt Van der Helm. “Wij zeggen: bij twijfel niet afwachten maar doorsturen! Bij onze screeningspoli kun je met een verwijzing van de huisarts zonder afspraak binnenlopen, elke donderdagochtend tussen 8.45 en 9.00 uur.” Het percentage mensen met RA bij wie de aandoening binnen 12 weken herkend is, liep door de screeningspoli op van 31 naar 68. “De poli is dus echt een groot succes”, vindt Van der Helm. “Dat is mede te danken aan de goede verwijzingen van huisartsen.” Tot nu toe was de poli op dinsdag en donderdag, aan het einde van de middag. “Onhandig, want daarna was er onvoldoende tijd voor een volledig medisch consult en waren bloedafname en röntgenafdeling meestal al weer gesloten. Daar moesten patiënten dan voor terugkomen. Nu kunnen ze meteen doorlopen.” De doorlooptijd tussen de vaststelling dat er een gewrichtsontsteking is en de uiteindelijke diagnose zal teruggebracht worden tot een week. Van der Helm: “Sneller kan niet, want er moeten antistoftesten gedaan worden.” (MvB) ■

15 april 2014 | nummer 2


IK HEB GEZEGD

Alberto Pereira Arias Zorg en opleiding ziet hij als zijn ‘core business’. In zijn oratie ‘De zorg om stress’ prijst internistendocrinoloog prof. Alberto Pereira Arias het LUMC voor het nemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid voor ‘weesziekten’ als endocriene tumoren. tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Alberto Pereira Arias (47) ging na zijn Rotterdamse middelbare­ schooltijd geneeskunde studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij volgde de opleiding interne geneeskunde en endo­ crinologie in het AMC, waar hij onder de inspirerende begeleiding van prof. Hans Sauerwein ook een promotieonderzoek voltooide naar de suikerstof­ wisseling in de lever van diabetespatiënten. Vanaf 2000 werkt Pereira als internistendocrinoloog in het LUMC. Sinds 2009 is hij opleider Endocrinologie. Op 1 november 2012 werd hij benoemd tot hoogleraar Inwendige Geneeskunde, in het bijzonder Endocriene Tumoren.

U bekleedt de leerstoel Endocriene Tumoren. Wat zijn dat? “Dat zijn goed- of kwaadaardige gezwellen die ontstaan uit organen of weefsels in het hormoonstelsel, oftewel het endocriene sys­teem. Hele zeldzame ziektebeelden die zich zeer verschillend kunnen presenteren. Bij de helft van de patiënten is sprake van hormonale veranderingen. Zo wordt bij het syndroom van Cushing te veel van het stresshormoon cortisol aangemaakt. Hoewel endocriene tumoren chirurgisch meestal goed zijn te verwijderen, blijven mensen vaak langdurig allerlei klachten houden. Deed men dat vroeger af als ‘psychische labiliteit’, tegenwoordig denken we aan biologische oorzaken. Hormonale ontregeling veroorzaakt soms verandering die onherstelbaar blijken en langdurige zorg vereisen. Optimale zorg vraagt om wetenschappelijk inzicht in de langetermijn­ effecten van die hormonale veranderingen. Ik werk daar hier in huis aan, samen met psychiater prof. Nic van der Wee (zie ook pg. 11).

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

Waar is uw leerstoel op gericht? Met mijn leerstoel wil het LUMC de zorg voor patiënten met endocriene tumoren goed verankeren, zowel binnen Leiden als nationaal en internationaal - dat laatste als onderdeel van een Europees netwerk van expertisecentra. Bij bijzondere gespecialiseerde behandelingen eisen ziektekostenverzekeraars steeds vaker aantoonbare ervaring en routine. Een ziekenhuis dat te weinig van bepaalde operaties uitvoert zet de vergoeding ervoor op het spel. Vandaar de trend om de zorg voor dit soort zeldzame tumoren zoveel mogelijk te centreren in een beperkt aantal gespecialiseerde ziekenhuizen.” Vandaar ook uw voorzitterschap van het Centrum voor Endocriene Tumoren Leiden? “Het probleem bij endocriene tumoren is dat deze patiënten meer dan één type specialist nodig hebben. Soms moeten ze met wel zes specialisten afspraken maken. Om die multidisciplinaire zorg te stroomlijnen hebben we twee jaar geleden het CETL opgericht. De endocrinoloog voert daarbij de regie, is voor de

patiënt het centrale aanspreekpunt. De neurochirurg, radiotherapeut, oogarts, oncoloog, klinisch geneticus of psychiater verschijnt als dat nodig is. Zeer patiëntvriendelijk, maar het vereist van hulp­ verleners veel flexibiliteit.” Bij uw naam had ik trouwens een klein en donker iemand verwacht. “Mijn betovergrootvader vertrok ooit vanuit het Noord-Portugese Pereira ‘perenboom’ - naar het Spaanstalige Uruguay. Toen mijn vader in de zestiger jaren in Europa zijn geluk kwam beproeven als gitarist, leerde hij een Nederlandse vrouw kennen. Ik ben geboren in Uruguay, maar mijn ouders zijn naar Nederland teruggekomen en ik groeide op in Rotterdam. Nog altijd ben ik een hartstochtelijk Feijenoord-fan, hoewel ik tijdens mijn studie, opleiding en promotieonderzoek in Amsterdam woonde. Overigens koester ik ook nog altijd mijn Joodse afkomst - we hebben onze kinderen Eva en David genoemd. En ik ga nog bijna jaarlijks voor familie­ bezoek naar Uruguay. Klein landje, maar al meer dan eens voetbalkampioen van Zuid-Amerika!” ■

27


Variatie in vaccinatieonderzoek In 2012 is het Europese project VacTrain gestart. Het doel: jonge onderzoekers opleiden tot vaccinoloog. Dit houdt in dat elf jonge promovendi zich naast hun promotieonderzoek richten op alle aspecten die te maken hebben met de ontwikkeling van een vaccin. Het LUMC coördineert dit project, en drie van de elf onderzoekers zijn hier vorig jaar begonnen - elk op een ander terrein. door Maarten Mulder foto’s Marc de Haan

D

e productie van een bepaald vaccin, van idee tot uiteindelijk product, kost veel tijd en veel geld. Bovendien sneuvelen de meeste onderzoeken halverwege, om uiteenlopende redenen. Het is niet veilig, het blijkt niet goed genoeg te werken of er is geen geld meer beschikbaar voor onderzoek. De elf onderzoekers binnen het Europese project VacTrain krijgen training in allerlei facetten rondom dit proces, van Europese en landelijke regelgeving tot het management van de ontwikkeling van een vaccin. Daarnaast is hun eigen onderzoek ook toegespitst op vaccins. Alledrie de pro-

movendi in het LUMC zijn werkzaam op een ander gebied.

CMV behandelen met een vaccin

Eleni Panagioti (Klinische Oncologie) uit Griekenland verdiept zich in het zogeheten cytomegalovirus (CMV), een soort herpesvirus dat vooral bij mensen met een verzwakt immuunsysteem, zoals HIV-patiënten, heftige aandoeningen kan veroorzaken. CMV staat hoog op de lijst van pathogenen om een vaccin tegen te ontwikkelen. Dat er nog geen vaccin tegen bestaat, komt doordat het virus uiterst behendig ons immuunsysteem

Eleni Panagioti zoekt naar onderdelen van CMV waar het immunsysteem op reageert

28

kan omzeilen. “Er is weinig bekend over deze infectie. Ik kijk niet zozeer naar het virus zelf, maar naar de interactie tussen het virus en de gastheer - in dit geval de muis.” Panagioti probeert te kijken welke peptiden - onderdelen van eiwitten - een reactie oproepen bij het immuunsysteem van de muis, en op wat voor een manier deze peptiden gebruikt kunnen worden als vaccin: niet zozeer om een infectie te voorkomen, maar om deze te kunnen behandelen.

Besmet kind opsporen

Ook de Italiaanse Roberta Rovito (Medische

Roberta Rovito wil de onschuldige CMV-infecties leren onderscheiden van de schadelijke

15 april 2014 | nummer 2


In memoriam prof. Joep Dörr (1951-2014) Op zaterdag 8 maart is prof. Joep Dörr, hoogleraar Medische Vervolgopleidingen in het LUMC, overleden.

Vaccins dragen veel bij aan de hogere levens­ verwachting

Mariateresa Coppola onderzoekt de afweerreactie tegen TBC

Microbiologie) houdt zich bezig met CMV, maar dan op een heel ander gebied. “Een half procent van alle pasgeborenen in Nederland heeft een congenitale infectie met CMV. Dat wil zeggen dat de baby het virus al in de baarmoeder heeft opgelopen. Een gedeelte van deze kinderen zal hier in hun leven geen last van ondervinden, maar het andere deel zal na verloop van tijd wel ernstige symptomen krijgen.” Tot dusver is bij geboorte niet te zien tot welke van de twee groepen een besmet kind behoort. Door te kijken naar immuunreacties tegen CMV in de pasgeborene wil Rovito verschillen vinden tussen de twee groepen, om zo schadelijke gevolgen op de lange termijn in een vroeg stadium te kunnen voorspellen en eventueel voorkomen.

Vaccin tegen tuberculose

Mariateresa Coppola (Infectieziekten), eveneens uit Italië, doet onderzoek naar een ziekte waar ook nog geen voldoende werkend vaccin tegen bestaat: tuberculose (TBC). “Tuberculose is na HIV wereldwijd de tweede doodsoorzaak door infectie”, zegt ze. Van de bacil die TBC veroorzaakt bestaan vele diverse varianten, variërend van relatief ongevaarlijk tot agressief en dodelijk. Coppola vergelijkt het genenpakket van verschillende met de tuberkelbacil geïnfecteerde muizen. Sommige van die muizen zijn zeer gevoelig voor de bacterie, andere ongevoelig. Coppo-

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

la bestudeert in hoeverre de ongevoelige muizen anders reageren op de bacterie dan de zieke muizen, door de genen in verschillende stadia van de infectie te vergelijken. Het uiteindelijke doel is om te kijken of de immuunrespons van de ongevoelige groep ook bij mensen succesvol is. In tegenstelling tot CMV is TBC bovenal een groot probleem in de derde wereld. “Maar desondanks komt het ook weer op in de Westerse wereld, bijvoorbeeld door de HIV-pandemie, en door behandelingen die het immuunsysteem tijdelijk plat leggen.”

Joep Dörr was voorzitter van de Regionale Opleidingscommissie (OOR) en lid van het Management Team van het Directoraat Onderwijs en Opleidingen in het LUMC. In januari dit jaar nam hij als gynaecoloog afscheid van het Medisch Centrum Haaglanden. Tijdens zijn afscheidssymposium ontving hij de onderscheiding tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Hij bleef actief als hoogleraar in het LUMC. Joep was een geliefde persoon en collega, die zijn kennis en ervaring als medisch specialist graag inzette ten behoeve van de verdere ontwikkeling van de medische vervolgopleidingen. Hij was ook nauw betrokken bij de visitatie van de opleiding Geneeskunde en de inrichting van het schakeljaar. Joep bracht altijd een nieuwe en brede blik naar binnen en dacht op zeer constructieve wijze mee bij de realisatie van uitdagingen in het onderwijs en de onderwijsorganisatie. Vernieuwing en verbetering van onderwijs, opleidingen en kwaliteit waren zijn drijfveren. Daarom ook initieerde Joep het doen van wetenschappelijk onderzoek naar onderwijs en opleidingen.

Niet bang zijn voor vaccins

De drie promovendi zijn vooralsnog zeer enthousiast over het project. “Het eerste jaar is voorbij gevlogen”, zegt Panagioti. Ze vinden tegelijkertijd wel dat vaccins en hun ontwikkeling in het algemeen meer aandacht verdienen in de maatschappij. “Sommige mensen lijken bang te zijn voor vaccins, terwijl vaccins een belangrijke oorzaak zijn van de hogere levensverwachting die we nu hebben”, aldus Coppola. “Bovendien voorkom je er allerlei ziekten mee, die je dan ook niet meer hoeft te behandelen.” Coppola, Rovito en Panagioti zijn in elk geval van plan hun bijdrage te leveren. Nu als onderzoeker, en hopelijk binnen drie jaar als eerste Europese vaccinologen. ■

We hebben Joep leren kennen en ervaren als een zeer opgewekte, plezierige, betrokken en wijze collega. Het plotse overlijden van Joep is een grote schok voor ons allen. Wij zullen hem zeer missen. Hedwig Darley, directeur Onderwijs en Opleidingen, Arend-Jan de Beaufort, hoofd Medische opleidingen, en Ferry Breedveld, voorzitter Raad van Bestuur ■

29


Agenda Mijn Kunst: de keuze van de medewerker Van 18 april t/m 15 juni kunt u in de Galerie van het LUMC (op de begane grond) een tentoonstelling bewonderen van werken uit eigen bezit. Deze kunstwerken zijn nu voor één keer bij elkaar te zien op één locatie. Medewerkers van het LUMC maakten zelf de keuze. Van 2009 tot en met 2013 stond in het personeelsblad Lumens de rubriek ‘Mijn kunst’. Daarin vertelde elke maand een medewerker over zijn of haar favoriete kunstwerk. In de tentoonstelling kunt u bij elk werk een citaat uit de rubriek lezen. Gedurende de tentoonstelling kunnen bezoekers stemmen op hun favoriete kunstwerk uit de selectie. . Op donderdag 24 april organiseert Curium­LUMC tussen 13.00 en 16.30 uur een informatiebijeenkomst over eetstoornissen. De bijeenkomst is bedoeld voor professionals, verwijzers en andere betrokkenen bij de hulpverlening aan jongeren met een eetstoornis. Tijdens de bijeenkomst komen nieuwe ontwikkelingen in de behandeling van eetstoornissen aan de orde, zoals e­health, dialectische gedragstherapie en Meerdaagse Gezins­ Dagbehandeling. Meer informatie is te vinden op www.curium-lumc.nl. Meld u voor 20 april aan door uw naam, organisatie, functie en telefoonnummer te mailen naar info@curium.nl.

Op dinsdag 29 april van 16.00 tot 17.00 uur wordt hersenonderzoeker prof. Dick Swaab, bekend van zijn boek Wij zijn ons brein, geïnterviewd door Cisca Dresselhuys, journalist en voormalig hoofdredacteur van het maandblad Opzij. Dresselhuys zoekt uit hoe het met de

vitaliteit van Swaab is gesteld en hoe hij ouder worden ervaart. Swaab (1944) is de vierde master in de serie Masters of VITALITY!, een lezingenreeks van de Leyden Academy gegeven door vitale sprekers (70+). Meer informatie op www.leydenacademy.nl.

Van 12 tot en met 16 mei verandert het LUMC weer even in het Teddy Bear Hospital. 900 Kleuters van verschillende scholen in Leiden en omgeving komen dan langs met hun zieke knuffel om die door de berendokter te laten genezen. Ze mogen zelf bedenken waar hun knuffelbeest voor behandeld moet worden. Het Teddy Bear Hospital wordt jaarlijks georganiseerd door internationale studievereniging IMFSA­NL. Leidse geneeskundestudenten nemen de rol van berendokter op zich en willen zo kinderen bekend maken met de gezondheidszorg en hun angst voor het ziekenhuis wegnemen.

Tijdens de dag van de beroerte op dinsdag 13 mei biedt het LUMC u samen met zorgpartners uit de regio extra informatie over een beroerte. Patiënten kunnen van 13.00 tot 16.30 uur in het Rijnlands Revalidatie Centrum terecht op een sportbeurs en informatiemarkt waar ook het LUMC een stand heeft. U kunt onder meer aangepaste sporten uitproberen, uw bloeddruk en bloedsuiker laten bepalen en een workshop volgen waarin u leert hoe bewegen somberheid kan verminderen. Meer informatie: www.rrc.nl.

Zaterdag 17 mei organiseert het LUMC een terugkomdag voor alle deelnemers aan de Samen Oud, Samen Thuis-studie. Deze studie richt zich op mensen

met genen voor langlevendheid en hun ‘gewone’ partners. Doel is te onderzoeken welke invloed een gezonde leefstijl heeft op allerlei gezondheidswaarden in beide groepen. Op de terugkomdag krijgen studiedeelnemers tussen 10.30 en 16.00 uur veel informatie over het onderzoek ­ wat gebeurt er met de verzamelde gegevens, wat zijn de resultaten en hoe nu verder? Ook kunnen zij hun persoonlijke ervaringen delen.

Op vrijdag 23 mei vindt in het LUMC het derde Arts en voeding-congres plaats. Het thema van deze bijeen­ komst is insulineresistentie in relatie tot voeding ­ met name suiker. Sprekers zijn onder andere prof. Robert Lustig (VS), prof. Hanno Pijl (LUMC), prof. Jaap Seidell (VU) en Kris Verburgh (o.a. auteur van De voedselzandloper). Het congres is vooral bedoeld voor huisartsen, bedrijfsartsen en jeugd­ artsen, maar medisch specialisten en diëtisten zijn ook wel­ kom. Meer info en inschrijven op www.artsenvoeding.nl.

Op donderdag 26 juni opent in Galerie LUMC de tentoonstelling Souvenir de Voyage, in samenwerking met de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Leiden. Ter gelegenheid van de tentoonstelling organiseert fotografienetwerk Scherpte­ diepte van 14.00 tot 16.00 uur een symposium over fotografie, toerisme en de blik op de ander. De tentoon­ stelling toont foto’s uit de negentiende en vroeg twintigste­ eeuwse reisalbums in een interactieve digitale installatie, waarbij ook historische geluiden klinken. Daarnaast tonen hedendaagse fotografen foto’s die zij tijdens hun reizen maakten. Meer informatie over de expositie en aanmelden voor het symposium vindt u op www.lumc.nl/galerie.

In memoriam prof. Henriëtte Delemarre - van de Waal (1952-2014) Na een lange en moedige strijd tegen een verwoestende ziekte is Henriëtte Delemarre - van de Waal op 13 februari 2014 overleden. Henriëtte studeerde geneeskunde in Leiden en werd opgeleid in de kindergeneeskunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam (VUmc). Na een fellowship kinderendocrinologie in Utrecht verdedigde ze in 1984 haar proefschrift getiteld Centrale regulering van de puberteit cum laude aan het VUmc. Vanaf 1982 werkte zij als kinderendocrinoloog in het VUmc en werd in 1994 hoogleraar. Augustus 2008 werd Henriëtte benoemd tot hoogleraar en afdelingshoofd Kindergeneeskunde aan het Leids Universitair Medisch Centrum. Ze werd in deze periode geconfronteerd met een ingrijpende reorganisatie. Henriëtte heeft geprobeerd om vanuit het hart, met enorme persoonlijke inzet, de afdeling als

30

publicaties, begeleidde 33 promoties, verkreeg 23 grants en ontving diverse prestigieuze prijzen. Ze was lid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de medische sectie van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW).

Willem-Alexander Kinderziekenhuis sterker dan ooit op de kaart te zetten. Henriëtte leverde talrijke belangrijke bijdragen aan de kindergeneeskunde in binnen- en buitenland, maar was ook een toegewijd arts voor haar patiënten. Ze schreef meer dan 225 internationale

We zullen Henriëtte missen vanwege haar tomeloze energie en toewijding. Naast de opmerkelijke professionele prestaties in haar carrière, vormde Henriëtte met haar man Ben en hun kinderen Eveline en Steven een hecht gezin. Onze gedachten gaan uit naar hen. Edmond Rings, afdelingshoofd Kindergeneeskunde en Wouter Kollen, opleider Kindergeneeskunde Willem-Alexander Kinderziekenhuis

15 april 2014 | nummer 2


Sara Melief (31) deed promotieonderzoek naar cellen die het afweersysteem kunnen remmen. Die cellen zijn mogelijk bruikbaar tegen ziektes waarbij de afweer te actief is. Als postdoc gebruikt ze een heel andere type cel, dat de afweer tegen melanomen juist moet aanzwengelen. door Raymon Heemskerk foto Marc de Haan

In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken Je hebt onderzoek gedaan naar multipotente stromale cellen (MSC). Wat zijn dat? Het zijn cellen die de afweer kunnen remmen, en die nog botcellen, vetcellen en kraakbeencellen kunnen worden. Ze zijn ontdekt in beenmerg maar ze komen waarschijnlijk overal in het lichaam voor. We kunnen ze nu ook uit vetweefsel halen, dat is veel makkelijker dan uit beenmerg.

met melanomen. Tumoren bevatten altijd Tcellen die zich tegen de tumor richten, maar blijkbaar lukt het ze niet om het gezwel op te ruimen. Door deze cellen in het lab te vermeerderen hopen we de afweerreactie tegen de tumor een boost te geven. Werkt deze immuuntherapie? Er loopt nu een experimentele studie bij patiënten met uitgezaaide melanomen. Bij de eerste tien patiënten sloeg het bij vijf wel aan, bij vijf niet. Ik onderzoek vervolgens waar dat aan kan liggen: aan de tumor zelf, aan de T-cellen, of aan andere kenmerken van de patiënt. Op die manier proberen we de therapie te verbeteren. Wil je voorlopig in het LUMC blijven werken? Niet per se, het kan goed zijn om van plek te wisselen. Ik heb op meerdere plekken gesolliciteerd en merkte dat voor mij het be-

langrijkste is dat ik het project interessant vind, waar het is maakt me minder uit. Het leukste project was toevallig in het LUMC. Wat me aanspreekt is dat het onderzoek direct relevant voor patiënten is. Ik kan me goed voorstellen dat ik hierna naar een ander onderzoeksinstituut overstap, of een baan in het bedrijfsleven aanneem, bij een farmaceut bijvoorbeeld. Als postdoc ga je meestal van project naar project. Misschien wil ik over een paar jaar toch wat meer vastigheid. ■ Sara Melief promoveerde op 6 maart op het proefschrift Immunomodulatory properties of human multipotent stromal cells bij prof. Wim Fibbe (Immunohematologie en Bloedtransfusie). Ze werkt nu als postdoc aan een driejarig project op de afdeling Klinische Oncologie van het LUMC.

Zijn het stamcellen? Daar is veel discussie over. Ze worden ook wel mesenchymale stamcellen genoemd, en behandeling met deze cellen heet vaak ‘stamceltherapie’, maar dat kan verwarrend zijn. Je denkt daarbij aan cellen die weefsels vervangen. Dat is bij deze cellen niet het geval. Hoe werken ze dan? We denken dat MSC van nature een rol spelen bij het in de hand houden van afweerreacties. Bij therapie spuiten we ze in het bloed. Ze zijn kort daarna nauwelijks terug te vinden in het lichaam, terwijl ze wel een langdurige werking kunnen hebben. Uit mijn onderzoek blijkt dat ze niet alleen direct de afweer remmen, maar ook een ander type afweercel, de monocyt, daartoe aanzetten. Ook nadat ze door het lichaam zijn afgebroken, kan dat effect dan doorwerken. Je bent nu postdoc, maar wel op een heel andere afdeling in het LUMC. Ja, ik doe nu eigenlijk het tegenovergestelde: ik probeer de afweer tegen kanker op te schroeven. Dat doen we met afweercellen, T-cellen, bij patiënten

Colofon Cicero is een uitgave van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Cicero wordt geproduceerd door het directoraat Communicatie. Overname van artikelen, met bronvermelding, na verzoek om toestemming via cicero@lumc.nl. Oplage 10.000, issn 0920-2900 Redactie Mieke van Baarsel, Raymon Heemskerk, Diana de Veld, Christi Waanders Eindredactie Diana de Veld Aan dit nummer werkten mee Els van den Brink, Jan Hein van Dierendonck, Dick Duynhoven, Astrid Hageman, Ad Kaptein, Menno Kröse, Maarten Mulder, Sandrine van Noort, Jos Overbeeke, Masja de Ree, Maaike Roefs, Caroline van der Schaaf, Thomas Snoeks, Willy van Strien Fotografie Marc de Haan, Arno Massee Redactieraad Kees Bartlema - div. 1, Jaap Fogteloo - div. 2, Tom Hammer (voorzitter) - div. 4, Roeland Dirks - div. 4, Ruud Kukenheim - directeuren, Eldrid Bringmann - DOO, Martie van Beuzekom - verpleegkundige adviesraad, Sabine Bezstarosti - m.f.l.s., Maaike Roefs - promovendi Vormgeving en layout Tigges aanstekelijke communicatie, Voorburg Prepress en druk Groen Media, Leiden Contact Directoraat Communicatie, Postbus 9600, 2300 RC Leiden, 071-5268005, fax 071-5248134, cicero@lumc.nl, www.lumc.nl/cicero Abonnementsvoorwaarden Zie www.lumc.nl/cicero Abonnementen Jaarabonnement € 26,50 (studenten € 19,60), Postabonnementen voor medewerkers lumc € 9,55 Cicero nr. 3 verschijnt op 17 juni 2014.

L e i d s U n i v e r s i ta i r M e d i s c h C e n t r u m

31

BLIJ V ERT J E

Twee kanten van celtherapie


Schoonheid in verdriet Ze hangen hoog in de ruimte: acht levensgrote banieren van Lynne Leegte in de beeldentuin van het LUMC. Op deze zijden doeken fotografeerde Lynne Leegte een hand van een vrouw die een kanten zakdoekje aanreikt of vasthoudt. Aan de schaduwwerking, de aandacht voor de lichtinval is te zien dat zij zich laat inspireren door de 17de eeuwse meesters van het licht. Net als Johannes Vermeer of Pieter Saenredam gebruikt ze gedempte kleuren en hebben haar voorstellingen gelijkenis met 17de­eeuwse stillevens. Zakdoekjes keren geregeld terug in haar foto’s en beelden. Zo maakte ze zakdoekjes van doorschijnend albast. Een beetje verkreukeld lijkt het of ze achteloos zijn weggegooid. Ook maakte ze albasten boeken. Opengeslagen, met soms een boekenlegger

ertussen, vormen ze wonderschone, zinnelijke objecten. Lynne Leegte (1965) is een beeldhouwer die fotografeert. Ideeën voor haar werk ontstaan intuïtief en gaan vaak over herinneringen en gebeurtenissen uit haar eigen leven. Zodra een idee is ontstaan, kiest ze het materiaal dat hieraan het beste uitdrukking kan geven. Met deze foto wilde ze haar eigen verdriet verbeelden. ‘Aan tafel zitten huilen is zo herkenbaar voor iedereen.’ Met het hoofd in haar handen en het gezicht iets afgewend brengt ze zichzelf anoniem in beeld en creëert ze een intiem moment van in zichzelf gekeerd zijn. Tranen worden parels. Versteend verdriet. (SvN) ■ Lynne Leegte, At the Table, kleurenfoto, 45 x 30 cm, 2009 Locatie: halverwege C0 en C1, trappenhuis

De kunstwerken in deze rubriek zijn onderdeel van de kunstcollectie van het LUMC.


Cicero (2014, nummer 2)