Issuu on Google+

Humor & fysieke aantrekkelijkheid van mannen

Namen:

Lukie Stalenhoef

3027740

Anne van Engelen

0346438

Matthijs Aukema

0472921

Cursus:

Methoden en technieken van receptie – en publieksonderzoek

Docent:

Frank Hakemulder

Datum:

29-06-2007

Opdracht:

Essay


Abstract

Uit recente studies bleek dat vrouwen mannen aantrekkelijker vinden wanneer zij grappig worden gevonden. In dit onderzoek wilden wij dit testen door vrouwen een aantal mannen voor te leggen waarbij de helft een grappig fragment van de man te lezen kreeg en de andere helft slechts de foto zag. Wij verwachtten dat de vrouwen die het fragment er bij lazen, de mannen aantrekkelijker zouden vinden. Daarnaast verwachtten wij dat de minder aantrekkelijke man met humor zijn aantrekkingskracht meer vergroot dan de man die al aantrekkelijk is. 100 deelnemers (vrouwen) hebben een vragenlijst ingevuld. Deze vragenlijst werd onder twee condities ingevuld. Een experimentele conditie, waarbij 50 vrouwen een vragenlijst kregen met een foto van een mannelijke cabaretier en een cabaret fragment, en een controlegroep, waarbij 50 andere vrouwen een vragenlijst kregen met alleen een foto. Vijf foto’s van cabaretiers zijn er gebruikt, een hele mooie, twee hele onaantrekkelijke en twee personen die hier tussenin vallen. Per foto was er een experimentele groep van tien vrouwen en een controle groep van tien vrouwen. Na het kijken naar de foto en lezen van het fragment kregen de participanten een vragenlijst met vragen over het uiterlijk van de man. Uit de resultaten van ons onderzoek bleek dat wij niet aan konden tonen dat mannen aantrekkelijker worden naarmate ze grappig worden gevonden door vrouwen. Ook konden wij niet aantonen dat er bij minder aantrekkelijke mannen een groter effect op treedt wat aantrekkingskracht bij humor betreft dan bij mannen die al aantrekkelijk worden gevonden.

1. Introduction

Vrouwen vallen voor grappige mannen, door humor wordt een man fysiek aantrekkelijker. Naar dit gegeven zijn verschillende onderzoeken gedaan, een voorbeeld hiervan is een onderzoek waarin de proefpersonen moesten aangeven wat ze belangrijk vonden in een relatie. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat een “goed gevoel voor humor” hoog gewaardeerd werd (Buss & Barnes, 1986; Feingold, 1981; Goodwin, 1990; Hendel, 1978 geciteerd in Bresseler). Het doel van ons onderzoek is het bepalen in hoeverre er een relatie bestaat tussen uiterlijk en humor. Volgens het onderzoek van Bresseler e.a. vinden vrouwen een humor producent aantrekkelijk, vinden ze een grappige man dan ook knapper? Naar aanleiding van 2


het onderzoek ‘Production and appreciation of humor as sexually selected traits’ (Bresseler e.a) hebben wij de keuze voor dit onderzoek gemaakt. Dit onderzoek is gebaseerd op het onderzoeksresultaat dat vrouwen in een relatie een partner prefereren die humor produceert, mannen hadden deze voorkeur nier (Bresseler & Balshine, 2004; Lundy, Tan, & Cunningham, 1998 geciteerd in Bresseler). Vrouwen vallen volgens dit onderzoek op een humorproducent. Het aspect dat we missen in dit onderzoek is de factor fysieke aantrekkelijkheid, we vragen ons af of een humorproducent die aantrekkelijk wordt gevonden door vrouwen ook fysiek aantrekkelijker wordt gevonden. Wat we hebben onderzocht is dat volgens het onderzoek van Bresseler e.a. vrouwen een humor producent aantrekkelijk vinden, zijn grappige mannen dan fysiek aantrekkelijker. We verwachten dat hoe lelijker de man, hoe groter het effect van de humor productie op zijn fysieke aantrekkelijkheid zal zijn. We verwachten dat als een man aantrekkelijker wordt gevonden door een vrouw omdat deze man grappig is, deze vrouw de man ook fysiek aantrekkelijker zal vinden dan wanneer deze man niet grappig is. We verwachten ook dat dit effect groter zal zijn bij een minder mooie man omdat een mooie man al mooi is, ook al is hij niet grappig. Een minder mooie man is dit niet, we verwachten dat humor een grote rol zal spelen met betrekking tot zijn fysieke aantrekkelijkheid. In dit onderzoek hebben wij ons gericht op de mate waarin een man fysiek aantrekkelijker wordt bevonden door een vrouw als hij grappig is. De keuze om alleen de reactie van vrouwen op mannen te bestuderen hebben wij gebaseerd op het onderzoek van Bresseler e.a. Hierin wordt vermeld dat vrouwen een partner prefereren die humor produceert, mannen geven deze voorkeur niet aan (Bresseler & Ballshine, 2004; Lundy, Tan, & Cunningham, 1998, geciteerd in Bresseler). Voor mannen is deze voorkeur niet aanwezig, door vrouwen in relatie tot mannen te bestuderen verwachten wij een significant effect te vinden.

2. Methode

Participanten

Honderd vrouwen met de leeftijd van 18 tot 25 jaar zijn willekeurig verdeeld over twee condities. Voor deze leeftijdsgroep is gekozen, omdat Bressler e.a. zich ook hebben gericht op deze leeftijdsgroep. Op die manier kan er een betere vergelijking gemaakt worden. Er waren

3


twee condities die bestonden uit (a) een experimentele conditie, waarbij 50 proefpersonen naast een foto van één van de 5 cabaretiers ook een grappig fragment te lezen kregen en (b) een controlegroep, waarbij 50 andere proefpersonen enkel een foto te zien kregen. Op drie vragen over het fragment na verschilden de questionnaires die beide condities kregen niet. Per cabaretier waren er twee condities dus uiteindelijke ontstonden er tien condities met elk tien proefpersonen.

Design en procedure De proefpersonen zijn via de e-mail benaderd en gevraagd om mee te doen aan het onderzoek met de boodschap dat we onderzoek deden naar de eerste indrukken van cabaretiers. Op een willekeurige manier zijn de mensen gemaild met één van de 5 cabaretiers in één conditie. Hiervoor is gekozen om verschillende redenen. Ten eerste konden de proefpersonen de questionnaires invullen zonder dat de onderzoekers aanwezig waren. Op deze manier kon mogelijke invloed hiervan vermeden worden. Gauntlett toont in zijn artikel Ten things wrong with the media ‘effects’ model aan dat de aanwezigheid, het uiterlijk en het geslacht van de onderzoeker invloed kan hebben op het gedrag van proefpersonen. Ten tweede konden we op deze manier makkelijker veel mensen bereiken. Ook konden mensen het onderzoek invullen wanneer het hun zou uitkomen. De aantrekkingskracht van de vijf cabaretiers is bepaald door middel van een pretest in een klas. Ze zijn geselecteerd uit in totaal tien foto’s van mannen. Hier zijn geen statistische gegevens van. De vijf foto’s die uiteindelijk zijn gebruikt kunnen worden gevonden in bijlage 3. Door middel van de pretest hebben we één man met een hoge fysieke aantrekkelijkheid (Dennis), twee mannen met een lage fysieke aantrekkelijkheid (Martijn en Stefan) en twee mannen die hier tussenin vallen (Thijs en Henry) geselecteerd. We verwachtten dat hoe lelijker de man, hoe groter het effect van de humor productie op zijn fysieke aantrekkelijkheid zou zijn. Vandaar dat het noodzakelijk was om de aantrekkelijkheid van de mannen van te voren te bepalen. De foto van de man met de hoge fysieke aantrekkelijkheid, Dennis, komt van het castingbureau Harry Klooster. De vier andere foto’s zijn van echte cabaretiers en hebben we via de website van de Comedytrain bemachtigd. Achternamen van de mannen zijn niet vermeld om te voorkomen dat mensen de cabaretiers makkelijk konden traceren. Het fragment Image (uit spreken als imitsj) van Robert Derksen is geselecteerd, omdat het een relatief onbekende column en cabaretier is. Ook was het fragment niet erg beledigend, waardoor sommige mensen het fragment niet grappig zouden kunnen vinden. We hebben een

4


aantal mensen het fragment laten lezen om te kijken of het fragment daadwerkelijk grappig werd gevonden en dit bleek zo te zijn. De questionnaire met het fragment (bijlage 1) bevat drie vragen over het fragment, vraag 1, 2 en 3. Deze vragen controleerden of mensen het fragment daadwerkelijk grappig vonden en diende dus als manipulatie check. Beide questionnaires hadden twee vragen die ingingen op de aantrekkelijkheid van de mannen (vraag 6 en 9). Ook werd er gevraagd om een rapportcijfer te geven aan de mannen op basis van hun algemene indruk. Overige vragen dienden als covariates en om het doel van ons onderzoek te verdoezelen. Onderaan de questionnaire geven wij onszelf aan als contactpersoon om mensen de mogelijkheid te bieden te vragen naar de resultaten en/of andere aspecten van het onderzoek. De laatste twee vragen en de persoonlijke gegevens controleerden of mensen niet uitgesloten hoefden te worden. Wanneer mensen het fragment of de persoon kenden, buiten de leeftijdsgroep vielen, van het mannelijke geslacht waren of niet op mannen vielen konden ze niet meedoen aan het onderzoek.

3. Resultaten

Verschillende berekeningen moesten worden gedaan om tot een beantwoording van onze hypothesen te komen. Allereerst was het nodig om te weten of de manipulatie wel goed is gelukt. Werd het fragment inderdaad grappig gevonden door de proefpersonen? Om dit na te gaan werden hier drie vragen over gesteld in de questionnaire die de vijftig proefpersonen die de versie met fragment kregen, namelijk ‘hoe grappig vind je het fragment dat je net hebt gelezen’, ‘moest je lachen om het fragment dat je net hebt gelezen’ en ‘beschouw je dit fragment als een vorm van humor’? Aan de hand van een ‘Reliability Analysis’ wilden wij weten of deze vragen samen konden worden gevoegd tot één nieuwe variabele. Met een chronbach alpha van ,875 bleek dit het geval en leidt tot de nieuwe variabele ‘Manipulatie Check’. Om vervolgens te weten te komen of de manipulatie inderdaad grappig werd gevonden door de proefpersonen, kijken we naar de beschrijvende gegevens van deze nieuwe variabele. Het gemiddelde dat hier uit kwam was 4,16 op een schaal van 1 tot 7 met een standaarddeviatie van 1,16. De spreiding was dus niet overdreven groot en er waren geen extreme resultaten. De mediaan was 4,34 en daarmee iets hoger dan het gemiddelde, wat inhoudt dat iets meer dan de helft van de proefpersonen het fragment grappiger dan het gemiddelde vond. Het gemiddelde viel waarschijnlijk dus iets lager uit doordat een paar

5


proefpersonen relatief lage scores gaven, maar geen van hen gaf extreem lage scores. Met een gemiddelde score van 4,16 op een schaal van 1 tot 7 kunnen wij concluderen dat het fragment wel redelijk grappig werd gevonden, maar niet zo grappig als wij hadden gehoopt. Toch zit het gemiddelde boven de neutrale waarde, dus is het op zijn minst enigszins grappig en daarmee een vorm van humor te noemen. Voor dit onderzoek wilden wij de resultaten hebben van 100 hetero vrouwen. Uit de resultaten bleek echter dat slechts 96 van de 100 proefpersonen aan gaf inderdaad op mannen te vallen. 3 proefpersonen gaven aan op zowel mannen als vrouwen te vallen en één viel zelfs enkel op vrouwen. We hebben besloten om de gegevens van de biseksuele proefpersonen alsnog mee te nemen, want deze vallen ook gewoon op mannen. De lesbische proefpersoon hebben we uit de verdere resultaten weg moeten laten. De leeftijden van de proefpersonen vielen allemaal binnen de door ons bepaalde grenzen van 18 tot en met 25. Geen van de proefpersonen gaf aan het fragment te kennen en slechts één proefpersoon wist niet zeker of ze de man op de foto al dan niet kende, maar niemand gaf aan één van de vijf mannen zeker te kennen. Op basis van de controlerende vragen moesten we dus uiteindelijk 1 van de 100 proefpersonen uitsluiten bij de berekeningen van de resultaten. Vervolgens wilden wij overgaan op het beantwoorden van de eerste hypothese. Deze luidde dat wij verwachtten dat als een man aantrekkelijker wordt gevonden door een vrouw omdat deze man grappig is, deze vrouw de man ook fysiek aantrekkelijker zal vinden dan wanneer deze man niet grappig is. Om deze stelling te testen wilden wij in eerste instantie het verschil meten tussen de resultaten die gegeven werden door de negenenveertig proefpersonen die de versies mét fragment kregen en de vijftig proefpersonen die de versies zónder fragment kregen. Dit is volgens ons een valide vergelijking, omdat beide groepen even vaak (op één uitgesloten proefpersoon na) de foto’s van de verschillende mannen te zien kregen. Elke man werd immers 10 keer beoordeeld in elke versie. Op deze manier konden wij dus een antwoord geven op de vraag of mannen over het algemeen knapper worden gevonden naarmate ze grappig zijn. De resultaten die wij wilden gebruiken om deze eerste hypothese te toetsen, waren de antwoorden op drie vragen die de proefpersonen in beide versies moesten geven op basis van aantrekkelijkheid van de persoon die ze op de foto hadden gezien. Deze vragen waren; ‘vind je deze man aantrekkelijk?’, ‘vind je deze man lekker?’ en ‘geef een afgerond rapportcijfer (1 t/m 10) aan deze man op basis van de algemene indruk die je van hem krijgt’. Voor de eerste twee vragen wilden wij weten of we deze samen konden voegen tot één nieuwe variabele. Uit een ‘Reliability Analysis’ bleek dat dit wel kon, maar deze gaf ook aan (met een chronbach 6


alpha van ,944) dat de twee vragen eigenlijk teveel van hetzelfde waren en daarmee nogal dubbelop waren. Een van beide vragen had dus eigenlijk niet te hoeven worden gesteld, maar voor de berekeningen was het alsnog praktischer om de twee vragen samen te voegen tot de nieuwe variabele ‘aantrekkingskracht’. Nu wilden wij weten of de variabelen aantrekkingskracht en ‘rapportcijfer’ (de resultaten op de derde bovengenoemde vraag) normaal verdeeld waren. Uit twee Kolmogorov-Smirnov testen bleek dit voor beide variabelen, met in beide gevallen een significantie van ,000, niet het geval te zijn. Dit was enerzijds jammer, anderzijds te verwachten, daar beide versies vijf mannen waarvan wij al wisten dat deze verschilden in aantrekkingskracht telden. Om de eerste hypothese te testen moesten we nu dus enkel nog een ‘non-parametric 2 independent samples test’ te doen, waarbij de versie (met of zonder fragment) de onafhankelijke variabele was en aantrekkingskracht en rapportcijfer als afhankelijke variabelen werden ingevoerd. Uit de resultaten bleek dat de proefpersonen die de versies met een grappig fragment kregen, zowel hogere scores aan de mannen gaven op basis van aantrekkingskracht als op basis van een algemeen rapportcijfer, dan de proefpersonen die de versies zonder grappig fragment kregen. De proefpersonen die de versies met fragment geven gaven een gemiddeld rapportcijfer van 6,45 op een schaal van 1 tot 10 en een gemiddelde aantrekkingskracht van 3,26 op een schaal van 1 tot 7. Dit tegenover de proefpersonen die de versies zonder fragment kregen en een gemiddeld rapportcijfer van 5,78 en een gemiddelde aantrekkingskracht van 2,85 lieten noteren. Er was dus het verwachtte verschil tussen beide groepen. Maar, helaas voor onze eerste hypothese, bleek dit verschil niet significant. Uit de Mann-Whitney test kwam dat het gemiddelde rapportcijfer een significantie had van ,053 en de aantrekkingskracht ,183. Wij wilden de hypothese pas aannemen bij een significantie van ,05 en deze variabelen zitten daar beide boven. Op basis van deze gegevens kunnen wij onze eerste hypothese dus niet aannemen en kunnen wij niet stellen dat mannen knapper worden naarmate ze grappig worden gevonden. Nu we de eerste hypothese hebben verworpen lijkt het in eerste instantie niet zinvol om de tweede hypothese nog te testen. Wij ondervonden namelijk dat mannen niet knapper worden naarmate ze grappiger worden. Maar wellicht is het, zoals onze tweede hypothese stelt, wel zo dat het vooral de lelijke mannen zijn die met humor knapper worden en is het daarmee ook zo dat de knappere van onze vijf mannen de gemiddelden dermate dicht bij elkaar hebben gebracht dat er over het algemeen geen significant verschil meer was. Daarom is het nu nuttig om dezelfde berekeningen te doen als hierboven, maar dan niet voor alle vijf de mannen tegelijk, maar per man. 7


Eerst is het handig om te bekijken hoe knap de mannen op basis van hun foto nou eigenlijk werden gevonden. Zo kunnen we de mannen ook op aantrekkingskracht indelen. Aan de hand van de vijftig proefpersonen die de versie zonder fragment (en dus met slechts de foto) kregen, kunnen we de volgende top vijf maken van de mannen op basis van hun aantrekkingskracht op een schaal van 1 tot 7 (met tussen haakjes hun algemene rapportcijfer van 1 tot 10). Deze ziet er als volgt uit, gebaseerd op de gemiddelden: 1. Dennis 4,45 (6,60) 2. Henry 3,65 (6,80) 3. Stefan 2,60 (5,50) 4. Martijn 1,80 (4,80) 5. Thijs 1,75 (5,20) Iets wat direct opvalt, is dat de top 5 gebaseerd op aantrekkingskracht niet overeenkomt met de top 5 gebaseerd op rapportcijfer. Zo scoort Henry bij laatstgenoemde variabele ineens hoger dan de aantrekkelijkere Dennis. Hetzelfde gebeurt bij Thijs en Martijn. Het is dan ook aardig om eens te bekijken in hoeverre deze twee variabelen eigenlijk met elkaar samen hangen. Uit een correlatietest blijkt dat deze variabelen toch significant positief samenhangen (,000 bij een correlatie van ,581). Toch zullen we de versies op beide punten met elkaar blijven vergelijken. Nu gaan we over op het testen van de tweede hypothese. Hiervoor moeten we eerst weer weten of de data per versie per foto al dan niet normaal is verdeeld. Om dit te weten te komen, zullen we per versie, per foto, per variabele een Kolmogorov-Smirnov test uitvoeren. Opvallend is dat bij de versie mét fragment Dennis de enige man is waarbij de data bij de variabele ‘rapportcijfer’ normaal is verdeeld (,055), maar hij is ook de enige waarbij de variabele ‘aantrekkingskracht’ níet normaal is verdeeld (,002). Bij alle andere mannen is het precies andersom. Bij de versie zonder fragment zien we eigenlijk eenzelfde patroon. Hier zijn het Dennis en Henry waarbij de data niet normaal zijn verdeeld bij de variabele rapportcijfer (,011 en ,000), terwijl zij weer de enige zijn die bij de variabele aantrekkingskracht wel een normale verdeling kennen (beide ,200). Er zitten dus veel verschillen en veel toevalligheden in deze resultaten en om het allemaal overzichtelijker te houden lijkt het ons verstandiger om alle vijf de mannen bij alle variabelen door dezelfde nonparametric 2 independent samples test te laten te testen. Hiervoor zullen wij de eerder genoemde top 5 op basis van aantrekkingskracht doorlopen op basis van de gemiddeldes tussen de versies met en zonder grappig fragment en de significantie van deze eventuele verschillen. De meest aantrekkelijke man was Dennis 8


(foto 5). Hij kreeg als rapportcijfer een 6,6 van de proefpersonen die de versie hadden met fragment (vanaf nu versie 1) en ook een 6,6 van de proefpersonen die de versie zonder fragment (versie 2) hadden. De aantrekkingskracht van Dennis was bij versie 1 een 5,25 en bij versie 2 een 4,45. Uit de Mann-Whitney test blijken beide verschillen (hoewel er bij het rapportcijfer überhaupt geen verschil was) niet significant (rap= ,481, aantr= ,353). Henry (foto 2) kreeg in versie 1 een 7,00 als rapportcijfer en een 3,75 voor zijn aantrekkingskracht, tegenover een 6,80 en een 3,65 in versie 2. Ook deze verschillen bleken niet significant (,436 voor rap en ,579 voor aantr). De gemiddeld aantrekkelijke Stefan (foto 1) kreeg in versie 1 een 6,3 als rapportcijfer en een 2,7 voor zijn aantrekkingskracht. Dit tegenover respectievelijk een 5,5 en een 2,6 in versie 2. Ook deze verschillen zijn niet significant (rap= ,165 en aantr= ,912). Dan de twee minst aantrekkelijke mannen. Martijn kreeg in versie 1 als rapportcijfer een 6,3 en voor zijn aantrekkingskracht een 2,00. In versie 2 was zijn rapportcijfer een 4,8 met een aantrekkingskracht van 1,8. De aantrekkingskracht is hier wederom niet significant (,684), maar het verschil tussen rapportcijfers (,007) wél en in de verwachte richting. Thijs (foto 4), tot slot, kreeg in versie 1 als rapportcijfer een 6,00 en voor zijn aantrekkingskracht een 2,50. In versie 2 moest hij het doen met een 5,20 en een 1,75. Deze verschillen waren beide weer niet significant (,356 en ,113). Uiteindelijk is er dus slechts één significant verschil en dat is het verschil tussen gemiddeld rapportcijfer dat Martijn kreeg van proefpersonen uit versie 1 en versie 2. Diegene die het fragment er bij hebben gelezen gaven Martijn een significant hogere beoordeling op basis van de algemene indruk die ze van hem kregen dan de proefpersonen die slechts zijn foto zagen. Dit verschil is echter te karig om de tweede hypothese mee aan te nemen, zeker omdat het slechts zijn algemene rapportcijfer betreft en niet zijn aantrekkingskracht. Daarbij hebben de evenmin aantrekkelijke Thijs en de slechts gemiddeld aantrekkelijke Stefan op beide variabelen geen significante vooruitgang geboekt wanneer er een grappig fragment bij hun foto stond. Op basis van deze gegevens kunnen wij naast de eerste dus ook de tweede hypothese niet aannemen.

4. Discussie

Zoals in de resultaten beschreven hebben wij beide hypothesen moeten verwerpen. Dit is opvallend, want onze hypothesen kwamen grotendeels voort uit een eerder onderzocht theoretisch kader. Uit onze resultaten blijkt eigenlijk dat dit theoretische kader niet klopt.

9


Toch willen wij dat niet stellen dat dit het geval is. Hier zullen wij bespreken waarom wij niet op basis van ons onderzoek het bestaande theoretische kader willen verwerpen. Met ons onderzoek wilden wij bekijken of mannen inderdaad knapper worden gevonden door vrouwen als ze grappig zijn. Dit hebben wij willen onderzoeken door de helft van de vrouwelijke proefpersonen een foto zonder fragment en de andere helft een foto met fragment voor te leggen. Uit onze manipulatie check bleek dat het fragment wel redelijk grappig werd gevonden, maar wellicht is een redelijk grappige column niet direct de soort humor waardoor vrouwen een man aantrekkelijker gaat vinden. Een vervolg onderzoek zou daarom beter de aandacht kunnen besteden aan een vorm van humor die dichter bij de man staat dan het geschreven woord in combinatie met een foto. Wellicht moet een vrouw een man daadwerkelijk grappig zien zijn, om hem ook knapper te gaan vinden. Het feit dat wij onze proefpersonen hebben benaderd door ze een emailbericht te sturen waaruit zij zelf in hun eigen tijd een man moeten beoordelen, draagt niet erg goed bij aan het verwerven van een hoge mate van externe validiteit. Wellicht is het zo dat vrouwen een man op een bepaald moment en in een bepaalde situatie moeten beoordelen om hem aantrekkelijk te gaan vinden. Dit zijn zaken waarop wij nu geen controle hadden, maar het zou kunnen dat deze controle wel nodig is om significante verschillen te vinden. Het aantal proefpersonen dat wij per versie hebben kunnen gebruiken is waarschijnlijk ook te klein geweest. Zeker bij het vergelijken tussen de foto’s lijkt dit de statistische validiteit te hebben aangetast. Iedere foto werd per versie door slechts tien proefpersonen beoordeeld en de kans is groot dat dit aantal te klein was om de verschillen te vinden, die wel waren gevonden wanneer meer proefpersonen dezelfde foto hadden gezien. Deze stelling kan op meerdere manieren beargumenteerd worden. Het eerste argument is dat we alleen bij het rapportcijfer van Martijn een significant verschil hebben gevonden, maar dat op het rapportcijfer van Dennis na steeds weer bleek dat de gemiddelde scores bij versie 1 hoger lagen dan bij versie 2. De kans is groot dat bij meer proefpersonen deze verschillen op dezelfde manier hadden bestaan en dan wellicht wel significant waren geweest. Het tweede argument is dat het met zo een klein aantal proefpersonen per foto niet evident is om een normale verdeling in de data aan te treffen. Met een normale verdeling hadden we veel sterkere tests kunnen doen, zoals ANOVA’s en hadden wij de geplande covariates een rol kunnen laten spelen. Dit konden we nu niet. Wellicht hadden we er toch ook beter aan gedaan geen vijf verschillende foto’s te nemen voor de beantwoording van de eerste hypothese, want door de verschillen in aantrekkingskracht tussen de mannen op de vijf foto’s is ook de kans op een normale verdeling in de data van vijftig proefpersonen erg klein. In een vervolgonderzoek 10


zouden dus meer proefpersonen moeten worden betrokken en zou er beter moeten worden nagedacht over de indeling van deze proefpersonen. Met dit onderzoek willen wij dus niet het bestaande theoretische kader verwerpen. Toch denken wij dat dit een goede insteek is geweest om aan te tonen dat het goed is om de stellingen uit het theoretische kader op meerdere manieren en op veel verschillende soorten humor te testen, om zo er achter te komen wanneer het inderdaad zo is dat mannen met humor grappiger worden en wanneer dit effect niet zo groot meer is.

11


References •

Bresseler, R. e.a. Production and appreciation of humor as sexually selected traits. Evolution and Human Behavior 27 (2006) 121–130.

Gauntlett, D. Ten things wrong with the media ‘effects’ model (1998). Uit: reader Media, cultuur en maatschappij (2007).

www.comedytrain.nl

www.cabaret.nl

www.harrykloostercasting.nl

www.robertderksen.nl

12


Bijlage 1: questionnaire fragment

Questionnaire Fragment Voor een onderzoek naar eerste indrukken van personen, in opdracht van de Universiteit Utrecht, willen wij door middel van deze vragenlijst onderzoeken hoe de eerste indruk van deze cabaretier is. Geef eerlijk antwoord op de volgende vragen over deze cabaretier. De resultaten zullen anoniem blijven. Omcirkel bij de volgende vragen een cijfer van 1 tot 7.

1. Hoe grappig vind je het fragment dat je net gelezen hebt? Niet grappig 1

Neutraal 2

3

4

Heel grappig 5

6

7

2. Moest je lachen om het fragment dat je net hebt gelezen? Niet grappig 1

Neutraal 2

3

4

Heel grappig 5

6

7

3. Beschouw je dit fragment als een vorm van humor? Niet grappig 1

Neutraal 2

3

4

Heel grappig 5

6

7

4. Hou je van cabaret? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

5. Zou je een voorstelling van deze man willen bekijken? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Erg graag 5

6

7

13


6. Vind je deze man aantrekkelijk? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

7. Lijkt deze man jou gezellig? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

8. Lijkt deze man jou aardig? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

9. Vind je deze man lekker? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

10. Lijkt deze man je een grappig persoon? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

11. Lijkt deze man je intelligent? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

Geef van de onderstaande eigenschappen aan in hoeverre je ze belangrijk vindt aan een man. 12. Humor Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

14


13. Uiterlijk Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

14. Vriendelijkheid Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

15. Intelligentie Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

16. Geef een afgerond rapportcijfer (1 t/m 10) aan deze man op basis van de algemene indruk die je van hem krijgt. …………….. 17. Ken je dit fragment? Ja / nee / weet niet zeker

18. Ken je deze persoon? Ja / nee / weet niet zeker

Persoonlijke gegevens Leeftijd

……….......

Geslacht

m/v

Val je op…. (omcirkel wat van toepassing is) Mannen / Vrouwen / Beide

15


Bedankt voor je medewerking! Als je ge誰nteresseerd bent in de resultaten kan je eind juni contact opnemen met een van de onderzoekers. Lukie Stalenhoef Anne van Engelen Matthijs Aukema

16


Bijlage 2: questionnaire foto

Questionnaire Foto Voor een onderzoek naar eerste indrukken van personen, in opdracht van de Universiteit Utrecht, willen wij door middel van deze vragenlijst onderzoeken hoe de eerste indruk van deze cabaretier is. Geef eerlijk antwoord op de volgende vragen over deze cabaretier. De resultaten zullen anoniem blijven. Omcirkel bij de volgende vragen een cijfer van 1 tot 7.

2. Vind je deze man aantrekkelijk? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

3. Lijkt deze man jou gezellig? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

4. Lijkt deze man jou aardig? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

5. Vind je deze man lekker? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

6. Lijkt deze man je een grappig persoon? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

7. Lijkt deze man je intelligent? Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

17


Geef van de onderstaande eigenschappen aan in hoeverre je ze belangrijk vindt aan een man. 8. Humor Totaal niet 1

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

9. Uiterlijk Totaal niet 1

Neutraal 2

10.

3

6

Neutraal 2

11.

3

7

4

Heel erg 5

6

7

Intelligentie

Totaal niet 1

5

Vriendelijkheid

Totaal niet 1

4

Heel erg

Neutraal 2

3

4

Heel erg 5

6

7

12. Geef een afgerond rapportcijfer (1 t/m 10) aan deze man op basis van de algemene indruk die je van hem krijgt. …………….. 13.

Ken je deze persoon?

Ja / nee / weet niet zeker

Persoonlijke gegevens Leeftijd

……….......

Geslacht

m/v

Val je op…. (omcirkel wat van toepassing is) Mannen / Vrouwen / Beide

18


Bedankt voor je medewerking!

Als je ge誰nteresseerd bent in de resultaten kan je eind juni contact opnemen met een van de onderzoekers. Lukie Stalenhoef Anne van Engelen Matthijs Aukema

19


Bijlage 3: foto’s

1. Stefan

2. Henry

20


3. Martijn

4. Thijs

21


5. Dennis

22


Bijlage 4: het fragment Dit is een column van de cabaretier die je zojuist op de foto hebt gezien. Lees hem door en beantwoord daarna de vragen over het fragment en de foto. Image (spreek uit al imitsj) Voor me loopt een giraffe. Daarnaast Elvis en de Duivel. Ze lallen a-ritmisch en onverstaanbaar, maar sowieso hard met minimaal 1 hand in de lucht. Het moment erop haal ik al fietsend een kennis in. Ik schrijf kennis omdat ik haar naam niet eens weet. Zij weet de mijne waarschijnlijk ook niet, maar we weten dat we elkaar kennen. Na een vriendelijk ‘hoi’ fietsen we een stukje met elkaar op, maar waar begin je het gesprek als je niets van elkaar weet. Aan haar gewone kleren te zien viert zij ook geen carnaval. Ze fietst op een racefiets en dus roep ik maar: “sportief!”. Ook zij doorbreekt het protocol niet. Zwijgen is voor beiden namelijk ongemakkelijk pijnlijk. Als sociale dieren, wat wij mensen in ons diepste zijn, lossen we dit op door te praten. U kent ongetwijfeld de woorden die nergens over gaan maar die de spanning van stilte vullen en elkaar op het gemak stellen. Gelukkig slaan wij de standaard “Hoe gaat het?” en “goed, met jou?“ over. Eerlijk gezegd hebben we zelfs nog een leuk gesprek ook. Na mijn: “sportief!” volgt haar: “Image he!”. We hebben het over dat het handig is als je image klopt bij wie je bent. Je staat toch raar te kijken als Rita plots haar gevoelige kwetsbare kant laat zien en een gedicht voordraagt over haar cellulitus. En zo verbaas ik me bij een Fast Food Keten toch elke keer weer dat ik zo lang moet wachten. Je zal raar opkijken als je langs Talpa zapt en je ziet wél een leuk programma. Of trouwens Talpa is intussen van naam veranderd en blijkt als soort van beloning vernoemd te zijn naar het aantal trouwe kijkers dat ze hadden. Je kan Rita, de Mac of Talpa lekker en leuk vinden of je vindt het niets, maar je weet wel wat je krijgt. Het is handig als je image klopt met wie je bent. Dan weet de buitenwacht meteen met wie je van doen hebt. Zie je er aardig uit dan trek je ook lieve mensen aan. Zie je er sportief uit dan trek je sportieve mensen aan. Zie je er als een crimineel uit dan trek je Bram Moskovitsj aan. Maar je image laten kloppen met wie je bent is nog niet zo gemakkelijk. Eerst moet je weten wie je bent. Nou sjappo, sjappo als je dat weet. Vervolgens moet je weten waarmee je dat imago uitdraagt. En het moeilijkst is dat als je weet wie je bent je niet bloot te stellen aan de massa. Je image kan je namelijk vooral bepalen met in eerste instantie je kleding. Hier gaat het dan toch voor een groot deel fout, want ik kan me toch niet voorstellen dat zoveel mensen denken dat ze een etalagepop zijn. Aan de andere kant willen velen misschien wel helemaal niet dat hun image klopt bij wie ze zijn. Toch lijkt me dat het makkelijkst. Als mensen aan mijn kleren, uiterlijk, spullen en gedrag kunnen zien wie ik ben. Mochten ze dan denken “Ja” dan komen ze naar me toe, hebben we een leuke avond en worden we misschien vrienden. Mochten ze denken “ja echt niet he” dan leer ik ze niet kennen en dan is het ook goed. Intussen slaat mijn kennis af en fiets ik rechtdoor. Ik bedenk me dat mensen misschien daarom carnaval wel zo gaaf vinden. Even iemand anders. Even onbekommerd lallen en dronken worden. Even andere extreem uitgedoste kleren en zo misschien wel die Prins zijn die je altijd al wilde zijn. En iedereen die dat oke vindt staat bezopen naast je in een vogeltjespak. Terwijl de mensen die er niets mee hebben er ook niet bij zijn.

23


Methoden van publieksonderzoek