Page 1

EDITIE 5 * 2016-2017

SEMESTERBLAD LUCERNASCHOLEN

Gezond eten op school

Lieven Boeve

Petrus Van den Cruyce

Het Vlaams 08 onderwijslandschap

Het belang van het lokale overleg

Inspiractie-nr05-v8.indd 1

Debat

22

Het onderwijs voor 21ste eeuw

30

15-2-2017 16:00:21


Semesterblad lucernascholen Editie: 5 Druk: Februari 2017 uitgever: Vzw Inrichtende Macht Lucerna Industrielaan 31 1070 Anderlecht www.lucerna.be Redactie: Fevzi Yildirim Teun De Voeght Jo Verhaegen Vormgeving: Ali Uysal Contactinfo voor advertenties: pers@lucerna.be

Inspiractie-nr05-v8.indd 2

15-2-2017 16:00:22


Inspiractie-nr05-v8.indd 3

15-2-2017 16:00:28


Yildirim Fevzi Directeur Lucernacollege Brussel

Inspiractie-nr05-v8.indd 4

15-2-2017 16:00:30


VOORWOORD

Open, eerlijk en vernieuwend onderwijs Wanneer je het woord ‘inspiratie’ opzoekt in het Van Dale woordenboek, vind je het volgende synoniem: bezieling. Naar mijn mening is dit het perfecte woord om de wereld van het onderwijs te omschrijven. De leerkrachten van het Lucernacollege steken hun hart en ziel in de opleiding – en deels ook opvoeding - van hun leerlingen. Het is net dit bezielende karakter dat onze scholengroep zo speciaal maakt. Wanneer je naar de cijfers van het OESO kijkt, zie je dat België al jaar en dag in de wereldwijde top20 staat op vlak van onderwijs. We behalen deze plaats niet zomaar: de regering kwam de laatste jaren met verschillende hervormingen voor de dag. Deze hervormingen zijn broodnodig, zeker als je er bij stilstaat dat het Vlaamse onderwijs door verschillende onderwijsexperts als archaïsch beschouwd werd. Nu dat we al meer dan halfweg het tweede decennium van de 21e eeuw zijn, kan het onderwijs niet achterblijven. In deze fascinerende tijd zijn we in een stroomversnelling van informatie en technologie terechtgekomen. De leerlingen hebben na het afstuderen van het secundair onderwijs meer keuzemogelijkheden dan ooit tevoren. Het is de plicht en de primaire doelstelling van het secundaire onderwijs om onze leerlingen voor te bereiden op deze keuzes en op het beroepsleven. Door de leerlingen bloot te stellen aan een groot spectrum van leerdomeinen, zal het Vlaamse onderwijs almaar meer inspelen op de alomtegenwoordige nood aan differentiatie. Het is de bedoeling om in het curriculum van de eerste graad een meer verrijkend keuzegedeelte aan te bieden waarbij de nadruk ligt op de persoonlijke groei van de leerlingen. De Lucernascholen pikken hier ook op in door vanaf volgend schooljaar vakken aan te bieden zoals STEM en kunst. In deze vakken zal een grote diversiteit aan onderwerpen aan bod komen om zo de basiskennis van de leerlingen te vergroten en om hen zelf te laten proeven van alles wat de wereld te bieden heeft. Naast een groeiende nood aan een variatie in de keuzevakken, moet er ook meer ingezet worden op differentiatie. Binnen het onderwijs leeft het idee nog steeds dat zittenblijven de enige mogelijkheid is om te differentiëren bij substantiële tekorten. De leerlingen die niet passen binnen de ‘middenmoot’ moeten worden geaccepteerd in hun individuali-

teit en worden begeleid naar een (voor hen) gepast traject. Met een grote diversiteit aan culturen en nationaliteiten in het Vlaamse onderwijs is het vaak moeilijk om te differentiëren. Nochtans is het net dat waar de scholen op moeten inzetten. We mogen leerlingen niet allemaal door een trechter van homogeniteit duwen maar we moeten hun verschillen net omarmen en dit gebruiken om de leeromgeving te verrijken.

Het onderwijs is een veld vol uitdagingen, strubbelingen en tegenstrijdigheden.. Er is spijtig genoeg nog steeds een grote correlatie tussen socio-economische factoren enerzijds en het studieresultaat anderzijds. Deze sociale ongelijkheid blijkt diep verankerd in het hedendaagse onderwijs, dit zowel in Vlaanderen als in de rest van de wereld. De onderwijskansen en -uitkomsten van een leerling worden voor een - niet onbelangrijk - deel bepaald door zijn of haar sociale afkomst. In een onderzoek van PISA (Programme for International Student Assessment) blijkt dat op de schoolbanken in Vlaanderen de verschillen tussen de scores van autochtone en allochtone leerlingen groter blijkt dan in de 71 andere landen waar dit gemeten is. Dit onderzoek vond plaats in 2012, in het vorige onderzoek van 2003 was het verschil nog groter. We kunnen dus stellen dat we deze ‘kloof’ tussen autochtone en allochtone leerlingen aan het dichten zijn. De leerkrachten staan in deze strijd tegen ongelijkheid altijd aan frontlinie door dag na dag 100% van zichzelf te geven en door hun blik op de toekomst te richten. Het onderwijs is een veld vol uitdagingen, strubbelingen en tegenstrijdigheden. Het is enerzijds keer op keer onderzocht en geanalyseerd en anderzijds toch altijd anders door ontwikkelingen op vlak van technologie en de multiculturele samenleving. Wij, als scholengroep, moeten ons gooien in de strijd tegen onrechtvaardigheid en discriminatie en mee groeien in het streven naar een eerlijk, open en vernieuwend onderwijs. Onze leraren, het ondersteunend personeel en de directie zijn klaar voor deze uitdagingen, elke dag opnieuw.

5

Inspiractie-nr05-v8.indd 5

15-2-2017 16:00:31


is ! s e g c i c l l u a S v e o t t nie

Nieuwe (studie)richtingen Moderne Wetenschappen Schooljaar 2017-2018 Lucernacollege Brussel

optie

optie

Kunst

STEM

optie

optie

Sport

Inspiractie-nr05-v8.indd 6

Latijn

15-2-2017 16:00:41


InHOuDSTaFEl

08 22

Een wandeling door het Vlaams onderwijslandschap

18

Diverse steden

LOP: het belang van het lokale overleg

30 32

Het onderwijs voor de 21ste eeuw?

Gezond eten op school

36

Laat je STEM horen

Inspiractie.indd 44

38

Levensbeschouwing op school

5/06/16 08:20

40

Zomerschool voor jonge vluchtelingen

42

Alumni aan het woord

7

Inspiractie-nr05-v8.indd 7

15-2-2017 16:01:10


OnDERWIJSnETTEn

Soms is het beter om de middelen te clusteren en ervoor te zorgen dat alle leerlingen in de klas er beter van worden. Dat de inspanning die je doet voor die ene leerling ten goede komt aan alle leerlingen.

lieven Boeve directeur-generaal van het katholiek onderwijs.

8

Inspiractie-nr05-v8.indd 8

15-2-2017 16:01:12


Een wandeling door het Vlaams onderwijslandschap Nergens is het onderwijslandschap zo divers als in Vlaanderen en Brussel. De kwaliteit van ons onderwijs lijkt daar niet onder te lijden. Kijk je naar de cijfers van het OESO, dan staat België flink bovenaan de lijst wat kwalitatief onderwijs betreft. Als je de cijfers van het PISAonderzoek er echter bijneemt, scoort België ronduit slecht wanneer het gaat over ongelijkheid op de schoolbanken en sociale segregatie. De noodzakelijke hervormingen in het onderwijs komen maar traag op gang. Een van de redenen zou het bestaan van de verschillende netten en hun botsende belangen zijn. Zo is er vandaag het GO!, het gemeenschapsonderwijs ingericht door de Vlaamse Gemeenschap; het officieel gesubsidieerd onderwijs, georganiseerd door steden, gemeenten en provincies; en dan is er

nog het vrij gesubsidieerd onderwijs wat nog eens vertakt naar het confessioneel vrij onderwijs – waar het katholieke onderwijs in Vlaanderen veruit de grootste is – en het niet-confessioneel vrij onderwijs waartoe de methodescholen behoren. Hoe kijken de verschillende onderwijsnetten nu naar de uitdagingen van de 21ste eeuw? Hoe staan ze tegenover de onderwijshervormingen? Welke eindtermen zijn volgens hen noodzakelijk en welke niet? Om meer duidelijkheid te scheppen in de discussie gaat Inspiractie op pad en laat de verschillende netten aan het woord. Om dit dossier af te sluiten leggen we ook nog ons oor te luisteren bij wat de scholieren nu zelf denken over het onderwijs.

Inspiractie sprak met lieven Boeve, directeur-generaal van het katholiek onderwijs.

“Ik ben niet tegen één onderwijsnet, maar dan het vrije net.” Vanuit de academische wereld krijgt het onderwijs wel eens kritiek dat het verouderd is en niet opgewassen tegen de uitdagingen van de 21ste eeuw. Bent u het eens met die kritiek? Wat zijn volgens u de grootste pijnpunten? “Ik ben het niet fundamenteel eens met die kritiek. Ik denk dat er zeker pijnpunten zijn, maar ik denk ook dat het onderwijs niet elke nieuwe mode moet achterna lopen. Soms kan er in een soort gelijktijdige ongelijktijdigheid een voordeel zitten. Maar als je kijkt op internationaal vlak, doen wij het fundamenteel wel goed. Het is uiteraard wel zo dat we op een aantal punten moeten opletten en één daarvan is bijvoorbeeld de integratie in ons onderwijs van sociaal zwakkere groepen. Ook moeten we nadenken hoe we de multiculturaliteit in onze scholen pedagogisch kunnen vertalen. We weten dat dat belangrijke knipperlichten zijn. Dat betekent nog niet dat ons onderwijs slecht is, maar alleen dat er nieuwe situaties zijn waar we ons positief toe moeten verhouden en waar we op zoek moeten gaan naar een meer inclusief onderwijs. Deze drie zaken hebben fundamenteel te maken met de leerlingen. Zo gaan we naar de leerlingen kijken

in hun uniciteit, in hun specifieke onderwijs- en zorgbehoefte. Bijna alle leerlingen hebben nood aan een specifieke zorgbehoefte. Het kleutertje met leervoorsprong heeft ook een specifieke zorgbehoefte. Het gaat erom dat je het onderwijs als geheel op systematische wijze kan organiseren dat je een passend antwoord hebt op die individuele zorgbehoefte. Dan is differentiatie natuurlijk een belangrijk gegeven. Een tweede evolutie die hier nauw bij aansluit is het ‘één leraar één klas-systeem’ dat zwaar onder druk komt te staan. Je hebt heel wat expertise nodig als je meer gedifferentieerd wil werken. Die expertise hoeft niet noodzakelijk bij dezelfde leerkracht te zitten. Leerkrachten zouden bij elkaar terecht moeten kunnen als er zich specifieke zorgbehoeften voordoen. Op die manier kan de expertise van bepaalde leerkrachten ingezet worden waar nodig. Dat kan natuurlijk op verschillende manieren en het zal de school zijn die dat moet organiseren. Dat kan bestaan in de vorm van expertisedeling, maar ook dat een zorgleerkracht mee in de klas van een andere komt zitten tijdens de lessen. Het onderwijs zou meer een schoolgebeuren moeten worden, met lerarenteams die werken op de wijze waarop een school naar haar kinderen kijkt.”

9

Inspiractie-nr05-v8.indd 9

15-2-2017 16:01:13


Kan je een specifiek voorbeeld geven van die meer systematische aanpak? “Bijvoorbeeld de waarborgmiddelen, het extra geld dat is vrijgekomen door het M-decreet. Vroeger zou het zo zijn geweest dat we met de individuele leerling aan de slag zouden gaan. Soms is het beter om die middelen te clusteren en ervoor te zorgen dat alle leerlingen in de klas er beter van worden. Dat de inspanning die je doet voor die ene leerling ten goede komt aan alle leerlingen. Sociaaleconomische en multiculturele thema’s zijn twee elementen die ook dergelijke aanpak vragen. Voor het katholieke onderwijs zit dat natuurlijk vervat in het nieuwe pedagogische project van de katholieke dialoogschool. Wij zijn in de eerste plaats een goede school met kwalitatief onderwijs, met vorming voor elke leerling, uniciteit en solidariteit zijn hierin zeer belangrijke zaken. Een dialoogschool die zich beroept op het mens- en wereldbeeld dat uit onze katholieke traditie naar voren komt. Door het scheppingsverhaal staan we reeds in verbinding en relatie tot elkaar; onze vrijheid is een gekregen vrijheid waaruit een verantwoordelijkheid vloeit. Ten tweede: het mysterie van de werkelijkheid is ‘de liefde’. Buiten het feit dat dit fantastisch klinkt, is het dat waarover het gaat in een mensenleven. Een leraar kan perfect een professional zijn, maar de leerlingen gaan sowieso de leraar eruit halen die hen ook nog eens graag ziet. Een ander belangrijk begrip in het onderwijs vandaag is ‘de hoop’. De hoop dat leerlingen niet vastgepind worden, maar dat er echt gekeken wordt naar de mogelijkheden van morgen. Dit zijn christelijke basisintuïties. Ik ben er zeker van dat men dat in andere scholen ook kan, maar als wij dat doen weten we dat dit komt vanuit die intuïtie, die voortvloeit uit de christelijke traditie.”

Een open hand aan moslims en andersgelovigen hebben jullie een hand uitgestoken om hen een volwaardige plaats op de schoolbanken te geven. Past dat binnen die dialoogvisie? “Er is ons verweten dat we dat doen om politieke redenen, om meer leerlingen aan te trekken. Maar wij moeten die groep leerlingen helemaal niet meer uitnodigen om naar onze scholen te komen, ze zitten er nu al. We moeten ze wel verwelkomen. Hoe verwelkomen we andersgelovigen – moslims zijn daarbij maar één groep, weliswaar in sommige steden een grote groep - beter dan hen een volwaardige plaats op onze scholen te bieden?” Wat hebben jullie effectief al gedaan? “Het is een proces. Een manier van kijken naar de mens. Dat geldt ook voor levensbeschouwelijke identiteiten. Het is het verwelkomen van het feit dat er verschil is als pedagogische opportuniteit. Hoe zitten de mens en onze samenleving in elkaar? Welke plaats krijgt onze identiteit daar?” De schotten tussen het ASO, TSO, BSO mogen behouden blijven, maar scholen worden wel gestimuleerd de scheiding te laten vallen. Wat gaat het katholieke net doen? “Het secundair onderwijs is een van die knipperlichten waar we ons bewust van moeten zijn. Het heeft te maken met een sociaaleconomische zwakkere groep en multiculturaliteit, maar ook de perceptie die hangt rond

het secundair onderwijs. We denken nog steeds dat je in het ASO moet beginnen en pas later gaat kijken waar je terecht komt, het welbekende watervalsysteem. Dat systeem bestaat tussen de diverse onderwijsvormen en ook binnen het ASO zelf. Niet iedereen zit bijvoorbeeld in de economische of humane wetenschappen uit interesse, maar vaak ook omdat men voor de andere opties negatief geclausuleerd is geweest.

We zouden er in het secundair onderwijs moeten kunnen in slagen iedereen op de juiste tijd op de juiste plaats te krijgen. We zouden er in het secundair onderwijs moeten kunnen in slagen iedereen op de juiste tijd op de juiste plaats te krijgen, maar dan moeten we het geheel anders gaan bekijken. Dan moeten we ervoor zorgen dat het keuzeproces niet gebeurt in termen van een afvallingskoers, maar dat leerlingen na de eerste graad goed weten waar ze staan, cognitief en toepassingsgericht, uit noodzaak of interesse. Dan moet het bereikte niveau in alle vakken ook hetzelfde zijn.” Hoe gaat het katholiek onderwijs dat concreet aanpakken? “Wij hebben samen met andere onderwijsverstrekkers een voorstel van matrix gedaan aan de minister van Onderwijs op basis van een conceptnota die de Vlaamse regering voor de zomer heeft verspreid. We hebben daar een ruime consensus over en we hopen nu dat de minister ermee aan de slag gaat. Wat wij proberen te doen is heel helder en rationeel alle opleidingsrichtingen in die matrix te plaatsen, zodanig dat die matrix ook helderheid schept voor de jongeren, de ouders, het CLB,…” Moet de keuze volgens u later vallen? “Ik denk dat een getrapte studiekeuze het beste zal werken. Hoe je er ook naar kijkt, er is een eerste moment rond de leeftijd van tien, een tweede keuzemoment rond twaalf jaar, dan op veertien de keuze uit de matrix, maar nog steeds redelijk breed, met een substantiële algemene vorming om dan in de derde graad meer specifiek te gaan, naar het abstracte of meer het toegepaste en arbeidsgerichte.” Om in te gaan op het eindtermendebat. Wat is er voor het katholieke onderwijs belangrijk? “Ik denk dat de Vlaamse regering vooral moet doen wat ze in haar regeerverklaring geschreven heeft. De eindtermen moeten algemeen zijn, ze moeten gereduceerd worden en ze moeten concreet zijn. Er moet bijvoorbeeld niet instaan dat alle leerlingen hun tanden moeten kunnen poetsen, maar wel dat leerlingen voldoende kennis moeten hebben over het eigen lichaam en omgeving om gezond te kunnen leven. Hoe het dan vertaald wordt,

10

Inspiractie-nr05-v8.indd 10

15-2-2017 16:01:15


gebeurt dan in de scholen. En het zijn de scholen die er al dan niet op afgerekend worden door de inspectie of ze die eindtermen realiseren. Als netwerkvereniging zullen wij onze scholen daar natuurlijk in ondersteunen door bijvoorbeeld leerplannen aan te bieden of de leerkrachten bijstaan om met de eindtermen en leerplannen aan de slag te gaan om goed onderwijs te verschaffen.”

Vol verwachtingen “Uiteindelijk moet een samenleving weten wat ze wil. Dat de samenleving verwachtingen aan het onderwijs stelt is uiteraard begrijpelijk, maar vrijheid van onderwijs is ook een belangrijk element. Natuurlijk, hoe specifieker je je eindtermen maakt en hoe meer je er hebt, hoe meer je het onderwijs vastlegt in een bepaald kader. De eindtermen zijn eigenlijk een soort compromis tussen de overheid en de samenleving en de vrijheid van onderwijs. Je krijgt vrijheid, maar dit zijn de minimale doelstellingen die je moet realiseren bij zoveel mogelijk leerlingen. Een compromis is een overeenkomst waarbij je twee principes probeert te handhaven en de volle ruimte te geven. Heb je geen eindtermen dan is de vrijheid van onderwijs absoluut; heb je er teveel dan is er nauwelijks vrijheid van onderwijs.” Hoe ziet u de toekomst van het Vlaams onderwijslandschap en de rol van het vrije onderwijs hierin?

“Weet je, soms wordt er gezegd dat het beter zou zijn dat er één onderwijsnet is. Ik ben daar in principe niet tegen, zolang dat het vrije net is. Als dat onder dezelfde voorwaarden onderwijs kan aanbieden en de overheid het kader bepaalt waarin dit gebeurt.” Versplintert het onderwijslandschap zo niet nog meer? uit onderzoek blijkt dat zo’n scenario vooral de zwakkere leerlingen zou treffen. “Dan moet je dan incentiveren. Het grote probleem van onderwijsmaatregelen uit het verleden is dat men structurele maatregelen nam die niet op hetzelfde moment responsabiliseren, soms zelfs deresponsabiliseren. De dubbele contingentering bijvoorbeeld heeft ervoor gezorgd dat scholen zich niets meer hoeven aan te trekken van de sociale mix, want dat wordt voor hen geregeld. Wij hebben scholen die nu minder gemengd zijn door de dubbele contingentering dan voordien. We hebben er ook die meer gemengd zijn, maar waar het dan niet van harte is. Middelen voor sociaaleconomische zwakkere leerlingen, dat responsabiliseert dan weer wel. Je weet dat je op dat moment met dat geld iets moet doen voor die specifieke leerlingen. Het responsabiliseert dus positief, maar ook negatief: als je die leerlingen afstoot, heb je ook minder geld. Je zit daar m.a.w. met een maatregel die scholen voor een verantwoordelijkheid stelt. Structurele maatregelen werken maar als ook de mentaliteit goed zit en de bewustwording er is. Je moet verstandige structurele maatregelen nemen. Je moet het eigenaarschap van de school leggen, daar waar het zit. Bij de schooldirecteur, bij het bestuur, de ouders die hiervoor kiezen.”

Inspiractie sprak met Raymonda Verdyck, hoofd van het GO!.

“Leerlingen moeten de kans krijgen om met elkaar op te groeien, niet naast elkaar.” Wat zijn volgens u de grootste pijnpunten in het onderwijs vandaag? “Het grootste pijnpunt is dat we er nog steeds niet in slagen om gelijke onderwijskansen voor elke leerling te realiseren. Kijk maar naar de recente PISA-resultaten, de kloof tussen leerlingen die goed en leerlingen die niet goed presteren is nog nooit zo groot geweest. De groep sterke presteerders wordt ook kleiner, terwijl de groep minder sterke presteerders toeneemt. En de impact van een migratieachtergrond is nergens zo groot en bepalend als in Vlaanderen. Daarnaast is het uiteraard niet evident om bij te benen met nieuwe technologieën en om scholen open te breken door de buitenwereld binnen te halen en anders te organiseren. Met het GO! zetten we daarin natuurlijk wel stappen: door in te zetten op duaal leren, nieuwe technologieën te testen om het leren te ondersteunen en te verbeteren, ruimte te maken voor flexibele leertrajecten, co-teaching…”

u bent voorstander van een uitgestelde studiekeuze. Hoe ziet volgens u het schooltraject van een leerling secundair onderwijs er volgens u uit? “Wij kiezen voor een getrapte studiekeuze. In de eerste twee schooljaren moet oriënteren en observeren centraal staan. Leerlingen krijgen een brede basisvorming en proeven bijkomend van verschillende vakken. Zo maken ze kennis met wat er aan studierichtingen bestaat en leren ze ontdekken waar ze goed in zijn en wat ze graag zouden willen doen. Ook in de tweede graad moeten studierichtingen nog voldoende breed zijn zodat overgangen naar studierichtingen binnen een studiedomein en tussen bepaalde studiedomeinen mogelijk blijven. In de derde graad maken zij dan een definitieve studiekeuze binnen een bepaald studiedomein.” De schotten aSO, TSO, BSO mogen behouden blijven, maar scholen worden wel gestimuleerd de scheiding te laten vallen. Is die keuzevrijheid volgens u een goede zaak? Wat gaat het GO! doen?

11

Inspiractie-nr05-v8.indd 11

15-2-2017 16:01:18


“Die keuzevrijheid vinden wij geen goede zaak, het gekozen beleid zou voor iedereen moeten gelden. Op deze manier creëren we een onderwijs van twee snelheden, wat voor ouders en leerlingen de schoolkeuze zal bemoeilijken. Wij pleiten nog steeds voor het afschaffen van de schotten tussen ASO, TSO en BSO, omdat die het watervaleffect in de hand werken. Met het GO! willen wij evolueren naar domeinscholen waarin de volledige breedte van abstract tot praktische studierichtingen aan bod komen en de derde graad drie (uitstroom)perspectieven heeft: doorstroom naar het hoger onderwijs, doorstroom naar de arbeidsmarkt of naar het hoger (beroeps)onderwijs en doorstroom naar de arbeidsmarkt.”

Kerndoelen De eindtermen moeten algemener zijn, gereduceerd worden en concreter, zo stelt de Vlaamse overheid. Bent u het daar mee eens? “Het GO! vindt einddoelen nog altijd relevant: ze bieden meer garantie dat leerlingen het onderwijs krijgen waar ze recht op hebben. Ze garanderen mee een onderwijs waarin elke lerende gelijke kansen krijgt. De meeste deskundigen zijn het erover eens dat onderwijs drie grote doelen heeft: zorgen voor kennisverwerving en cultuuroverdracht, maatschappelijke toerusting en persoonlijke ontplooiing. Om voldoende toekomstgericht te zijn, moeten deze doelen vanuit competenties worden geherformuleerd en niet vanuit vakken of leergebieden, zoals nu het geval is. We kiezen voor één nieuw begrip, namelijk kerndoelen. In se zijn dat instapcompetenties voor een volgende fase in de onderwijsloopbaan. Ze moeten leerlingen uitdagen en inspelen op hun profiel, leerstijl en ontwikkelingsbehoeften. Eindtermen mogen niet vanuit een vacuüm worden ontwikkeld. Zo zijn einddoelen maar een van meerdere curriculuminstrumenten, waarbij ook de rol van de overheid moet worden verduidelijkt. Alle curriculuminstrumenten samen moeten het volgende doen: wenselijke leerinhouden formuleren via overleg met de samenleving en met de arbeidsmarkt; een basis formuleren die ruimte laat voor een eigen pedagogische benadering; de rechten van leerlingen garanderen; en een basis formuleren die de professionaliteit van scholen en leerkrachten aanspreekt. Het startpunt om de kerndoelen te formuleren, zijn de Europese sleutelcompetenties die alle leerlingen moeten verworven hebben zodra ze de school verlaten.” De Vlaamse Scholierenkoepel geeft aan dat leerlingen (en leerkrachten) erg onder druk staan om te moeten presteren. Stelt de samenleving niet te grote verwachtingen van het onderwijs? “Absoluut, er wordt te vaak en te snel in de richting van onderwijs gekeken om met maatschappelijke uitdagingen om te gaan. Onderwijs heeft natuurlijk een rol en wij nemen die ook op, wij kiezen niet zomaar de slagzin samen leren samenleven voor ons pedagogisch project.

Ook leerlingen ervaren vaak veel druk, scholen anders organiseren is hier de oplossing: co-teaching en flexibele leertrajecten kunnen zorgen voor onderwijs op maat van elke leerling. Een leertraject op maat, met aandacht voor het individuele leertempo en ruimte voor ondersteuning of uitbreiding houdt leerlingen gemotiveerd en geeft hen de kans om op hun eigen tempo te leren.”

Het GO! biedt neutraal onderwijs, dat betekent niet dat onze leerlingen of leerkrachten neutraal moeten zijn, maar dat onze scholen een neutraal kader bieden om met elkaar in gesprek te gaan.

Samen leren samenleven Het Katholiek Onderwijs reikt de hand aan de moslimgemeenschap en wil iedereen een volwaardige plaats geven op de schoolbanken. u droomt van een onderwijslandschap zonder netten. Is dit een stap in de goede richting? “Ik droom inderdaad van één groot onderwijsnet, de huidige structuren maken het moeilijk om een antwoord te bieden op de noden en uitdagingen die er zijn in ons onderwijs. Ze leiden te veel tot segregatie.

p

Het pedagogisch project van het katholiek onderwijs en dat van het GO! blijven heel erg verschillen. Het GO! biedt neutraal onderwijs, dat betekent niet dat onze leerlingen of leerkrachten neutraal moeten zijn, maar dat onze scholen een neutraal kader bieden om met elkaar in gesprek te gaan. Daarom willen we alle jongeren samen met elkaar op de schoolbanken te zien. Belangrijk voor ons is daarbij dat geen godsdienst of levensbeschouwing de voorkeur krijgt, we vertrekken op grond van gelijkwaardigheid. Wij gaan daarbij uit van wat leerlingen verbindt; leerlingen krijgen zo de kans om met elkaar op te groeien, niet naast elkaar. We willen onze leerlingen van jongs af aan laten inzien dat hun eigen handelen zich in een maatschappelijke context afspeelt. Het helpt hen om keuzes te maken en verantwoordelijkheid te dragen. Zo willen we in ons GO! werken aan een samenleving waarin mensen met elkaar samenleven, waar mensen elkaar écht ontmoeten op basis van gelijkwaardigheid, wederkerigheid en respect. Opnieuw onze baseline: samen leren samenleven.” Hoe ziet u de toekomst van het Vlaams onderwijslandschap evolueren? Of, hoe hoopt u dat het Vlaams onderwijslandschap gaat evolueren? “Een onderwijslandschap waarin elk kind en elke jongere de ruimte krijgt om zijn talenten te ontwikkelen, waarin elke leerling kan genieten van kwaliteitsvol onderwijs. Met een sterk basisonderwijs en een secundair onderwijs dat zo is opgebouwd dat elke jongere op de juiste plek terecht komt. We moeten daarbij onze schoolteams, leerkrachten en directies koesteren. Het zijn mensen die school maken.”

12

Inspiractie-nr05-v8.indd 12

15-2-2017 16:01:20


Inspiractie sprak met Patriek Delbaere, algemeen directeur van de Onderwijskoepel van Steden en Gemeenten (OVSG).

“Onderwijs moet de beste kansen geven aan alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond.” Vanuit de academische wereld wordt er kritisch naar onderwijs gekeken. Ons onderwijs zou hopeloos verouderd zijn en niet meer opgewassen tegen de uitdagingen van de 21ste eeuw.

De lokale autonomie en pedagogische vrijheid zijn voor ons het uitgangspunt. OVSG ondersteunt steden en gemeenten bij het organiseren van onderwijs. Hoe gaat dit juist in zijn werk? Wat is jullie functie juist? “OVSG is de onderwijskoepel van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs in Vlaanderen en Brussel. Wij zijn een ledenvereniging: alle steden en gemeenten die onderwijs inrichten zijn lid van OVSG. Voor hen verzorgen wij een ruim pakket van dienstverlening: we behartigen de belangen van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs in de onderhandelingen met de overheid, we bieden juridische en administratieve dienstverlening voor de schoolbesturen, we organiseren nascholing voor verschillende doelgroepen in basis, secundair, deeltijds kunstonderwijs, volwassenenonderwijs en CLB’s en ten slotte zijn wij ook de pedagogische begeleidingsdienst voor onze scholen, centra en academies. We doen nog wel meer: we begeleiden dossiers scholenbouw, we werken publicaties uit, we verzorgen de administratie voor scholen die op sportof openluchtklas gaan, etc. Bij onze werking gaan we altijd uit van respect voor de autonomie van het schoolbestuur. De lokale autonomie en pedagogische vrijheid zijn voor ons het uitgangspunt. Het schoolbestuur van een stedelijke of gemeentelijke school is democratisch verkozen en is voor iedereen herkenbaar en aanspreekbaar. Iedereen in de gemeente kent de schepen van Onderwijs of de burgemeester. Stedelijk en gemeentelijk onderwijs is openbaar onderwijs en moet dus ook neutraal zijn en open staan voor iedereen.”

“Dat wil ik graag nuanceren. Het correspondeert immers niet met de resultaten die ons onderwijs haalt in wetenschappelijke onderzoeken, zoals PISA en TIMMS. We blijven hier hoge scores halen. PISA geeft aan dat Vlaamse 15-jarigen kampioen zijn in wiskunde. Ons onderwijs behoort tot de top als we onszelf vergelijken met andere Westerse landen. Er is ook een ‘maar’. De verschillen tussen leerlingen zijn groot en een migratieachtergrond is daarbij een bepalende factor. De aanbevelingen die de onderzoekers doen moeten we verder in beleid omzetten, bijvoorbeeld via de modernisering van het secundair onderwijs. Toch kunnen we de kloof niet uitsluitend verklaren door het onderwijs dat wordt geboden. Onderwijs heeft een belangrijke rol te spelen in het geven van de beste kansen aan alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond of herkomst. Maar het onderwijs kan het niet alleen. Als scholen in buurten gevestigd zijn met een concentratie van kinderen met een lage sociaaleconomische status, dan heeft dat gevolgen. In dat geval moeten verschillende lokale beleidsdomeinen kunnen samenwerken om tot een goede sociale mix te komen. Ook wonen, werken, integratie … zijn beleidsdomeinen die we moeten inzetten om gelijke kansen waar te maken. Vandaar het belang van een sterk lokaal geïntegreerd beleid.

m

i

Een ander belangrijk aspect is de leraar voor de klas. Welke leraren hebben we nodig? Hoe lang blijven ze in de job? En ook: hoe divers zijn ze? We hebben nood aan meer leraren van diverse origine zodat de leerlingen op de schoolbanken zich kunnen identificeren met een rolmodel voor de klas. Hierop moet de herstructurering van de lerarenopleiding een antwoord bieden. Een derde pijnpunt is het capaciteitsprobleem. Vlaanderen kende al een achterstand in de schoolgebouwen en daarbovenop kwam een serieuze toename van het aantal leerlingen. Op heel wat plaatsen zijn er nu onvoldoende plekjes in de klas om ouders de kans te geven vrij te kiezen naar welke school hun kind gaat. Het recht op vrije keuze komt onder druk te staan door een capaciteitstekort. Om deze achterstand in schoolgebouwen in te halen, is een meerjaren-groeipad nodig. We zullen hiervoor uit alle segmenten van de samenleving middelen moeten mobiliseren.”

Duaal leren Scholen mogen zelf kiezen of ze de schotten tussen aSO, TSO en BSO laten vallen. Is die keuzevrijheid volgens u een goede zaak? Wat gaat het OVSG doen?

13

Inspiractie-nr05-v8.indd 13

15-2-2017 16:01:23


“We mogen bij de modernisering van het secundair onderwijs niet in een symbolendiscussie vervallen. Voor ons blijft het belangrijk dat het arbeidsmarktgericht onderwijs naar waarde wordt geschat. Ook moeten we de negatieve perceptie over BSO en TSO bij ouders kunnen ombuigen. Cijfers bewijzen overigens dat mensen die afstuderen in TSO of BSO vlot een goede baan vinden. Wij pleiten voor een sterke eerste graad, aangepast aan het profiel van de kinderen. Verder is het belangrijk dat scholen een goede, adequate uitrusting hebben en werken volgens de nieuwe methodieken. Leerkrachten in technische richtingen moeten mee zijn met de ontwikkelingen in hun vakgebied en met het werkveld. Wij geloven ook in sterk ‘duaal leren’, leren gecombineerd met werken.” Jullie streven naar echte brede scholen. Wat betekent dat juist voor jullie? “Een brede school werkt duurzaam samen met andere instellingen of partners voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Steeds meer gemeenten en steden voeren een integraal lokaal beleid voor welzijn, jeugd, sport, cultuur, milieu, integratie… De gemeente kan een brede school doen groeien rond de gemeenteschool. Zo wordt een sociaal netwerk gecreëerd dat is ingebed in de buurt. Een brede school geeft kinderen en jongeren een brede leer- en leefomgeving, zowel in de vrije tijd als tijdens de lesuren. Zo krijgen ze maximale ontwikkelingskansen en vinden ze de weg naar het aanbod aan sociale, culturele of sportactiviteiten van hun gemeente of buurt. Precies doordat de gemeente verschillende beleidsdomeinen heeft – niet alleen onderwijs, maar ook sport, cultuur, inburgering, kinderopvang – is die samenwerking lokaal eenvoudig te organiseren. Dat is een troef van ons stedelijk en gemeentelijk onderwijs. Kinderen, jongeren en alle burgers worden er beter van.”

Onderwijs moet ook aan burgerschapsvorming doen, moet EHBO geven, moet zorgen dat leerlingen financieel geletterd zijn... De eindtermen moeten algemener zijn, gereduceerd worden en concreter, zo stelt de Vlaamse overheid. Bent u het daar mee eens? “De eindtermen waar we vandaag mee werken zijn het resultaat van een oefening die eind jaren 80, begin jaren 90 werd gemaakt. De eindtermen voor het basis- en voor secundair onderwijs zijn los van elkaar opgemaakt, waardoor ze verschillen in opbouw en inhoud. Sommige eindtermen zijn zo gedetailleerd dat ze lijken op een leerplan, andere zijn meer algemeen. Voor het BSO zijn er dan weer geen eindtermen, enkel ontwikkelingsdoelen. Voor de nieuwe eindtermen moet er een maatschappelijke consensus zijn over wat men met ‘eindtermen’ bedoelt. Wij zien de eindtermen als iets dat zich op het niveau van de school situeert. Het is de opdracht van de leraar om hiermee aan de slag te gaan. De eindtermen moeten inderdaad algemeen zijn, maar ook voldoende concreet zodat de leraar duidelijk weet wat ermee be-

doeld wordt. Uit het maatschappelijk debat blijkt dat mensen heel wat verwachten van het onderwijs: onderwijs moet ook aan burgerschapsvorming doen, moet EHBO geven, moet zorgen dat leerlingen financieel geletterd zijn… En toch zijn er maar zoveel lesuren als er zijn. Het wordt dus een uitdaging om tot een aanvaardbaar evenwicht te komen. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden, waarbij men rekening houdt met de beschikbare onderwijstijd.”

Vrijheid blijheid De Vlaamse Scholierenkoepel geeft aan dat leerlingen (en leerkrachten) erg onder druk staan om te moeten presteren. Stelt de samenleving geen te grote verwachtingen van het onderwijs? “Leerlingen moeten bepaalde doelen bereiken, krijgen toetsen enzovoort. Dat kan een zekere druk geven. Toch komt die druk niet altijd van de school, ouders leggen soms ook zelf bijkomende druk op hun kinderen. Als een school bijvoorbeeld geen huiswerk geeft, zijn er ouders die protesteren. We leven in een prestatiegerichte maatschappij en onderwijs staat midden in die maatschappij. Wij pleiten er voor om realistische doelen te stellen op maat van de leerling.” Hoe ziet u de toekomst van het Vlaams onderwijslandschap evolueren? Of, hoe hoopt u dat het Vlaams onderwijslandschap gaat evolueren? “De vrijheid van onderwijs zien wij als een meerwaarde. Kies je voor levensbeschouwelijk onderwijs, gemeentelijk onderwijs, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap… die vrije keuze moeten ouders kunnen blijven maken. Professor Dirk Van Damme stelt overigens dat een gediversifieerd aanbod met een zekere concurrentie een goede voedingsbodem is voor innovatie. Wie ook het bestuur vormt, er mogen geen zwakke en sterke scholen zijn. Alle scholen moeten kwaliteitsvol onderwijs kunnen bieden, daar hebben alle leerlingen immers recht op. Kwaliteitsvol onderwijs wordt geboden door bestuurskrachtige scholen, ook op dat vlak inspireren en informeren wij onze besturen. De lokale verbondenheid van de school met de omgeving is eveneens cruciaal. Een school is meer dan een school. Het is de plek waar aan gemeenschapsvorming wordt gedaan en waar mensen van verschillende leeftijden – ouders, leerlingen, leraren, de buurtbewoners of winkels in de buurt, grootouders,… - elkaar ontmoeten en samenleven. Lokale verankering betekent echter niet dat de wereld ver weg moet zijn. Globalisering en internationalisering zijn even kenmerkend voor onze samenleving als diversiteit en pluralisme. Dat scholen daarvoor openstaan, maakt van hun leerlingen wereldburgers. Ook het feit dat het schoolbestuur van een gemeenteschool democratisch verkozen is, herkenbaar en aanspreekbaar, is een meerwaarde. Gemeentelijk onderwijs is ten slotte neutraal onderwijs. Wij staan open voor alle gezindheden en overtuigingen. Hierbij kiezen we niet voor onverschilligheid ten opzichte van elkaar maar voor actief pluralisme. Dat betekent voor ons dat mensen van verschillende overtuigingen met elkaar in dialoog gaan, interesse hebben in elkaar en een open houding aannemen.”

14

Inspiractie-nr05-v8.indd 14

15-2-2017 16:01:25


Inspiractie sprak met Céline Ibe (17), voorzitter van de Vlaamse Scholierenkoepel (VSK).

“Het onderwijs vormt de volgende generatie en heeft daarom een enorme verantwoordelijkheid.” Hoe lang ben je al bij de VSK betrokken? “Dit is nu mijn vierde jaar. De eerste twee jaar was ik algemeen raadslid en daarna was ik een van de tien vertegenwoordigers van de VSK. Het is in die rol dat ik ook mee aan het eindtermendebat heb gedaan. Dit jaar heb ik dan besloten om mij kandidaat te stellen als voorzitter van de VSK.” Wat doet de VSK juist? “Wij zijn de koepel van leerlingenraden over heel Vlaanderen en de officieel erkende spreekbuis van scholieren over onderwijs. Wij zorgen er dus voor dat de stem van leerlingen over thema’s als de eindtermen bij de minister terecht komen. We zitten in adviesraden en geven zelf ook vormingen op scholen. Naast het niveau van de ministers en de beleidsmakers proberen wij ook van onderuit de leerlingen te stimuleren om ook zelf op hun school iets te veranderen. We trekken naar de scholen, organiseren actiedagen, enz. De hele organisatie wordt bestuurd door scholieren. We hebben wel een team achter ons, maar in onze raad van bestuur zetelen allemaal jongeren. We sterven er echt naar om het motto ‘voor en door scholieren’ waar te maken.”

Wij zorgen er voor dat de stem van leerlingen over thema’s als de eindtermen bij de minister terecht komen.

Heb je in gesprekken met de minister of andere overheidsinstellingen het gevoel dat de VSK als een volwaardige gesprekspartner wordt beschouwd? “Ja zeker. We merken dat echt. Het is ook zo dat wij met onze ‘leerlingenbril’ vaak een andere draai aan de gesprekken kunnen geven en dat appreciëren ze echt. We worden vaak gevraagd op het kabinet van de minister; nu ook met de eindtermen zijn we gevraagd geweest door de commissie Onderwijs. Dat zijn voor ons wel signalen dat de overheid de stem van de scholieren zelf erg belangrijk vindt. Er is natuurlijk nog werk aan de winkel. De VSK zou niet moeten bestaan als alles helemaal in orde was. Soms merken we bij directies of ouders dat ze niet zo vertrouwd zijn met leerlingenparticipatie en daar dan ook wat wantrouwig tegenover staan. Daar is er dus wel nog werk te doen. Maar ik denk wel dat we als organisatie goed bezig zijn en we vooral zo moeten blijven verder werken.”

15

Inspiractie-nr05-v8.indd 15

15-2-2017 16:01:27


Jullie hebben een groot Scholierenrapport opgesteld over wat er volgens jullie in de eindtermen opgenomen zou moeten worden. Hoe zijn jullie juist te werk gegaan?

Het tweede overkoepelende thema is opvallend. leerlingen maken zich veel zorgen over stress en roepen om hulp om hen te helpen hiermee om te gaan. Welke concrete zaken kwamen hier naar voren?

“In het begin van 2016 hebben we de vraag gekregen om onze stem te laten horen in het eindtermendebat. We zijn dan op zoek gegaan naar tien vertegenwoordigers, waar ik dus één van was. Dan zijn we op werkweekend geweest. Op 3 februari 2016 was dan in het Vlaams Parlement de officiële start van het Eindtermendebat. Daar werden wij en ons project voorgesteld. Later die maand hebben we de ‘Dag van de Honderd’ georganiseerd. We hebben honderd scholieren uit vijftig verschillende scholen naar het Vlaams Parlement laten gaan met als doel aan te leren hoe je een debat moet opstarten op school. De verschillende meningen en visies die zij dan op hun school verzamelden, moesten zij dan terug naar ons communiceren.

“Het gaat hier in de eerste plaats dan over het doorbreken van taboes. Er moet meer ruimte komen om over stress te praten. Daarnaast ook een open dialoog over wat zijn nu juist al die ‘psychische aandoeningen’. Ook het mogen falen moet iets zijn waar over gepraat kan worden. Leerlingen willen meer het gevoel hebben dat ze mentaal in evenwicht zijn.

Daarnaast waren er ook nog de ‘Nachten van het Onderwijs’, daar hebben we samen met volwassenen ook een zegje gedaan. Op het Onderwijsfestival in mei zijn er dan een 800-tal mensen bij elkaar gekomen. Dat was zowat het laatste moment waarop de leerlingen hun mening over de eindtermen kwijt konden.”

Het Scholierenrapport Het Scholierenrapport is gebaseerd op de meningen van 17.000 leerlingen. Dat is heel wat. “Ja inderdaad. Onze taak was in de eerste plaats het stimuleren van scholieren om hun gedacht te zeggen, én om nog andere medeleerlingen aan te sporen hetzelfde te doen. Uit al die verschillende meningen en visies hebben we dan zes grote thema’s gedestilleerd. We hebben uiteraard niet alles in het Scholierenrapport kunnen opnemen, maar we hebben wel geprobeerd zo veel en zo breed mogelijke clusters te maken. Het was wel een hele opgave.” Is er voor jou iets wat er echt uitsprong? Iets wat je toch heeft verbaasd? “Uit de discussies blijkt dat leerlingen ‘gezondheid’ toch als een belangrijk thema zien op school. Dat zou meer uitgewerkt moeten worden en niet alleen beperkt blijven tot lichamelijke opvoeding. Ook burgerschap kwam steeds naar voren. Het is natuurlijk een onderwerp dat veel in het nieuws is gekomen. Maar leerlingen zijn er echt wel mee bezig.” leerlingen hechten inderdaad belang aan hun gezondheid. Hoe heeft zich dit vertaald in het Scholierenrapport? “Bewegen is meer dan lichamelijke opvoeding en L.O. is meer dan sport. We moeten echt wel kijken naar dat grotere verhaal, maar een gezond leven ook integreren in andere vakken. Gezondheid gaat ook verder. Bijvoorbeeld praten over verslavingen, betere eetgewoontes aanleren. Het is natuurlijk een moeilijke discussie van wat er van thuis uit meegegeven moet worden en wat er op de schoolbanken aangeleerd wordt. Maar de VSK vindt het toch belangrijk dat ook de school hier meer aandacht voor heeft. Niet iedere leerling heeft ouders die letten op gezonde eetgewoontes.”

Leerlingen ervaren vandaag dat de prestatiedruk op school erg hoog ligt. Volgens ons is de school de ideale plek om daar op een goede manier over te praten en een gesprek op gang te brengen tussen de leraar en de leerlingen. We weten heel veel niet van elkaar.” Het lijkt dat leerlingen het gevoel hebben dat ze hun eigen talenten onvoldoende kunnen ontwikkelen. “Het ontwikkelen van je eigen talenten is wel iets dat vandaag al gebeurt, zoals bijvoorbeeld het flexibel leertraject, ook keuzevakken, maar leerlingen vinden dat daar nog meer de nadruk op gelegd mag worden. Als je het gevoel hebt dat er een plaats is voor jouw talent, dan stimuleert dat leerlingen ook om graag naar school te gaan. Er zijn uiteraard scholen die daar meer op inzetten, maar je moet die als leerling dan ook weten te vinden.” Wat gebeurt er met leerlingen na de middelbare school? Het Scholierenrapport geeft aan dat jongeren het gevoel hebben niet genoeg basisvaardigheden meekrijgen om voor zichzelf te kunnen zorgen. “Heel concreet gaat het bijvoorbeeld over alle administratie die bij een volwassen leven komt kijken, hoe ga je om met centen, het belang van taal in de maatschappij. Ook willen de leerlingen dat E.H.B.O. echt aan bod komt in de klas. Vandaag wordt er heel veel ingezet op de theorie. Die moet er natuurlijk zijn, maar praktische vaardigheden over hoe je je CV moet opstellen, solliciteren,… Dat komt vandaag erg weinig aan bod op school.”

Wereldburgers Het omgaan met de diverse samenleving is voor leerlingen vandaag een hele uitdaging en ze willen daar meer tools voor in handen krijgen. “Het is natuurlijk erg schoolgebonden hoe er met diversiteit wordt omgegaan. Er is een groot verschil wanneer je bijvoorbeeld in Antwerpen naar school gaat of naar een meer landelijke school. Op scholen waar leerlingen minder in contact komen met die diverse samenleving is het belangrijk dat er moeite gedaan wordt om die diversiteit

16

Inspiractie-nr05-v8.indd 16

15-2-2017 16:01:29


naar de school te brengen. Hoewel er in de samenleving en de politiek dikwijls negatief over diversiteit gesproken wordt, is het volgens ons belangrijk dat een school hier het goede voorbeeld geeft. Als je als kind nooit met diversiteit in contact bent geweest en je na je studietijd opeens in die diverse realiteit terechtkomt. Daar hebben sommigen het dan moeilijk mee. Hoe vroeger we die diverse samenleving binnenlaten, hoe beter.” Het opleiden van leerlingen tot wereldburgers leeft ook bij de leerlingen zelf. Burgerschap blijft een belangrijk thema? “Er is bij jongeren echt die zin om je in te zetten voor de maatschappij, actief te zijn. Hoewel het vandaag al wel in de vakoverschrijdende eindtermen zit, missen veel leerlingen hier nog wat. Meer participatie op school is iets wat wij met de VSK dan weer zoveel mogelijk proberen te stimuleren. Dat zijn ook stappen richting het wereldburgerschap.” als je al die eindtermen nog in het curriculum moet opnemen, dan wordt het wel heel erg veel? “Dat is inderdaad een moeilijke vraag. Gaan we dingen schrappen die vandaag in het programma zitten, of niet? Wat krijgt er voorrang? We hebben zelf geprobeerd om zo weinig mogelijk in vakken te denken en ons louter gericht op de vraag: wat wil je leren op school? Nu is het de taak aan het Vlaams Parlement om daar rekening mee te houden.

Jullie hebben leerlingen uit aSO, TSO en BSO betrokken. Hebben jullie een verschil gemerkt tussen de verschillende jongeren? “Ja, een heel duidelijk verschil is dat leerlingen uit een meer technische richting om meer theorie en talen vragen. En bij leerlingen uit het ASO komt net naar voor dat zij ook meer praktijk willen.”

Persoonlijk parcours Zelf leg je een niet alledaags schooltraject af. “Ik ben inderdaad begin van dit jaar overgeschakeld. Toen ik in het vierde middelbaar zat begon ik steeds meer bij de VSK betrokken te raken. Daardoor begon ik ook kritischer te worden t.o.v. het onderwijs. Ik bleef een beetje op mijn honger zitten, met het gevoel van gebrek aan motivatie en uitdaging. Die keuze om examencommissie te doen is niet uit de lucht komen vallen. Ik heb nog even een andere school geprobeerd, maar dat werk-

te ook niet meer voor mij. Terug op mijn oude school ging ik steeds minder graag. Ik wil helemaal niet beweren dat het een slechte school was, integendeel, ik vond het dan ook enorm spijtig dat ik niet paste in dat plaatje.” Heb je het gevoel dat er nog meer leerlingen zijn die met hetzelfde gevoel worstelen? “Ik merkte wel dat vanaf het moment ik de knoop had doorgehakt ik veel mensen reacties kreeg dat ze die optie ook al hadden overwogen. Ik heb de stap uiteindelijk gezet, maar er zijn volgens mij ook veel leerlingen schoolmoe geraken, maar de stap niet durven of mogen zetten.” Dat wil toch zeggen dat er iets niet helemaal in orde is op de scholen vandaag? “Dat ligt natuurlijk aan veel factoren, dat is erg schoolgebonden volgens mij. Ik had bijvoorbeeld weinig leerkrachten die mij konden motiveren. Dat vond ik erg spijtig, want ik heb echt wel de zin om te leren en mij in te zetten voor de lessen.” Sinds oktober 2016 ben je nu voorzitter van de Vlaamse Scholierenkoepel. Wat hoop je nog te verwezenlijken? “Ik heb met de examencommissie een wat bijzonder profiel en ik denk dat het nu ook mijn taak is om dat onder de aandacht te brengen. Mensen spreken mij daar over aan en ik denk dat ik wel de geschikte persoon ben om daarover te praten. Hoe ik mijn rol als voorzitter zie, is vooral met mensen in gesprek gaan, scholen bezoeken, over schoolmoeheid praten zodat het geen taboe-onderwerp meer hoeft te zijn. Ik ben hier zeker niet om een pleidooi te geven voor zelfstudie, maar ik vind het wel belangrijk om dat debat te starten.” Wat staat er de komende maanden nog op de planning van de VSK? “We zijn nu volop bezig met de ‘Conflixers’. Dat is een project gestart op vraag van de minister van Onderwijs om iets te doen rond pesten. Conflixers zijn leerlingen die medeleerlingen ondersteunen. Dat gaat dan over peersupport, peter en meter projecten, oudere leerlingen die jongere leerlingen wegwijs maken in de school, leerlingenbemiddelaars die als neutrale persoon mee een conflict gaan oplossen, vertrouwensleerlingen bij wie je je hart kan luchten,… Een heleboel scholen waren daar al mee bezig, maar er was nog geen duidelijk platform voor ontwikkeld. Daar hebben wij nu als Scholierenkoepel het voortouw genomen en hebben al die vormen van peersupport gebundeld.” Is het onderwijs van vandaag volgens jou opgewassen tegen de uitdagingen van de 21ste eeuw? “De wereld is geëvolueerd, maar het onderwijs heeft de neiging om stil te blijven staan. We staan voor heel wat uitdagingen. Een veel meer diverse samenleving, we komen in contact met nieuwe technologieën, we kunnen veel makkelijker aan informatie komen waardoor leerlingen veel kritischer zijn geworden. Onderwijs heeft een heel belangrijke rol in onze samenleving. Net daarom moet het onderwijs zich aanpassen aan nieuwe realiteiten. Het onderwijs vormt de volgende generatie en heeft daar dus een enorme verantwoordelijkheid. Het is niet dat we slecht bezig zijn, verre van, maar het is wel belangrijk om niet stil te blijven staan en op onze lauweren te rusten.”-

17

Inspiractie-nr05-v8.indd 17

15-2-2017 16:01:30


InTERVIEW

Diverse steden Een interview met professor stedelijke sociologie Stijn Oosterlynck Europese steden zijn vandaag diverser dan ooit tevoren. Immigratie, socio-economische verschillen, ruimtelijke segregatie en een waaier aan identiteiten en leefstijlen dragen allemaal bij tot deze diversiteit. De uitdagingen voor stedelijke beleidsmakers en instellingen om de noden van Europa’s steeds diverser wordende bevolking te vervullen zijn talrijk en complex. Het project DIVERCITIES wil onderzoeken hoe Europa kan profiteren van deze diversiteit. We spraken met professor stedelijke sociologie Stijn Oosterlynck: ‘We willen de stroom aan negatieve berichtgeving over diversiteit openbreken en kijken welke positieve dimensies er bestaan.’ Wat houdt het project DIVERCITIES juist in? “Het is een Europees onderzoeksproject dat gesteund wordt door de Europese Unie. Het onderzoek gaat over hoe er in steden wordt omgegaan met diversiteit. Wij kijken in zestien steden in Europa en één Canadese stad, Toronto, naar hoe het beleid omgaat met diversiteit. Voor elke stad hebben we er een bepaalde wijk uitgekozen. Het begrip ‘wijk’ is ruim gedefinieerd, dat zijn minstens 100.000 personen. We zijn gaan kijken naar wat de perceptie is van de verschillende mensen die in die wijken wonen, hoe kijken de inwoners naar diversiteit, hoe speelt die diversiteit een rol in hun leven, in de publieke ruimte, in het onderwijs? In een volgende stap zijn we gaan kijken naar welke initiatieven er in die wijken worden opgezet rond diversiteit. Hierbij komen de civiele samenleving, de middenveldorganisaties, naar voren. Wat voor kleine projecten worden er opgezet rond diversiteit en hoe verschilt dat van het beleid? Loopt dat gelijk, met dezelfde doelstellingen, of gaan ze voor een andere aanpak?

Diversiteit reduceren? Zijn er tastbare voorbeelden van diversiteit? Zijn er economische voordelen, of eerder culturele? “Als je kijkt naar het beleid in zo goed als alle steden die we onderzochten, daar zie je een tendens naar wat wij een meer ‘assimilationistische kijk’ op diversiteit noemen. D.w.z. dat er wordt vanuit gegaan dat, om het allemaal nog leefbaar te houden, we die diversiteit eigenlijk een stuk moeten gaan reduceren. Assimilatie betekent eigenlijk gewoon dat de nieuwkomers of migranten zich een stukje moeten inpassen in de bestaande cultuur, de meerderheidscultuur. Dat fenomeen zie je in bijna alle zestien steden, met enkele uitzonderingen. Bijna over heel Europa wil de overheid dat de diversiteit gereduceerd wordt en het beleid daar deels op inspeelt. Een uitzondering is Londen. De stad heeft er lang geleden voor gekozen om diversiteit te zien als een talent. Die heb je nodig om een internationale stadseconomie te laten draaien.

Vervolgens zijn we gaan kijken naar het ondernemerschap. Niet alleen naar migranten-ondernemers, maar alle ondernemers. Hoe zien die eruit, wat voor activiteiten doen zij, hoe succesvol zijn ze, is diversiteit in de wijk belangrijk voor hun ondernemerschap, of helemaal niet, hoe worden zij door het beleid benaderd?

Diversiteit is gewoon een gegeven in wijken. Nu zitten we in de allerlaatste fase van het onderzoek. Vanuit de Universiteit Antwerpen hebben we hierover de leiding genomen. We kijken naar welke beleidconclusies we daar nu aan kunnen koppelen. Wat betekent dat nu juist voor beleidsmakers en middenveldorganisaties? Vandaag wordt er in toenemende mate zeer negatief over diversiteit gesproken, het is geen gemakkelijk thema, dus zijn we bij voorkeur op zoek gegaan naar positieve dimensies van diversiteit. Diversiteit is gewoon een gegeven in die wijken. We gaan ons niet afvragen hoeveel diversiteit goed of wanneer die negatief wordt.”

18

Inspiractie-nr05-v8.indd 18

15-2-2017 16:01:31


Kijk je naar initiatieven die in die wijken genomen worden, dan zie je eigenlijk iets helemaal anders. Langs de ene kant heb je een beleid gericht op de reductie van de diversiteit; zoveel mogelijk mensen in de bestaande waarden- en normenkaders laten passen. De initiatieven die in zo’n wijken plaatsvinden, zijn van een veel grotere diversiteit. Heel wat daarvan zetten helemaal niet in op het reduceren van de diversiteit en het assimileren van nieuwkomers. Ook vaak vanuit de observatie dat een meerderheidscultuur in die wijken gewoon niet meer bestaat. Het percentage inwoners met een migratieachtergrond is in veel gevallen al de meerderheid. De minderheden worden dan de meerderheid. Heel wat van die initiatieven vertrekken vanuit een andere insteek en onderhandelen tussen die verschillende groepen: wat is hier mogelijk, welke regels kunnen we afspreken? In Antwerpen is dat dan bijvoorbeeld Let’s Go Urban. Die organisatie kijkt naar wat we gemeenschappelijk hebben, in dit geval een stedelijke cultuur. Alle jongeren vandaag, ongeacht afkomst, hebben interesse in een stedelijke jongerencultuur. Populaire dingen als hip hop, breakdance of graffiti. Vanuit die gemeenschappelijke cultuur gaan zij initiatieven oprichten. Je hebt ook bijvoorbeeld taalinitiatieven. Ook daar stelden we vast dat initiatieven die dichter bij het beleid aansluiten assimilationistischer zijn. Terwijl initiatieven die meer vanuit het middenveld komen taal veel pragmatischer benaderen. Zij kijken niet naar welk niveau er is gehaald maar wel of mensen zich naar behoren kunnen uitdrukken. Kunnen we alle talen ook een plaats geven in de taalklassen. Niet alles moet rond het Nederlands draaien, maar wel rond het met elkaar kunnen communiceren. Zo is er veel meer openheid in die middenveldinitiatieven om de eigen taal een plaats te geven en naar waarde te schatten.” Is dat iets dat in alle steden naar voren komt? Onge-

acht de politieke kleur van het stadsbestuur? “Ja inderdaad. De reden dat bijvoorbeeld Londen afwijkt van die tendens heeft zeer weinig te maken met links of rechts; het is een constante doorheen de tijd. Dat is nogal een Angelsaksisch gegeven. Zowel in Toronto in Canada als in Londen hebben ze van diversiteit een economische agenda gemaakt. Ze besloten dat wanneer ze echte wereldsteden willen zijn en blijven meedraaien in de wereldeconomie, ze de beste talenten nodig hebben van overal ter wereld. Op dat moment maakt het niet uit wat de religieuze of culturele achtergrond is van die talenten. Dat het nu een rechtse burgemeester is als Boris Johnson of een linkse burgemeester als Khan, maakt eigenlijk niet zo’n verschil. Omgekeerd ook wanneer we bijvoorbeeld naar Antwerpen kijken vandaag en je vergelijkt dat met het beleid onder burgemeester Patrick Janssens, dan zie je wel dat het beleid vandaag radicaler is in zijn assimilatie, maar het is niet dat Janssens niet wilde assimileren. Ook hij heeft het multicultureel beleid mee afgeschaft. Of het hoofddoekenverbod aan het loket bijvoorbeeld. Hier werd heel duidelijk gesteld dat dat een vorm van diversiteit is die we niet kunnen appreciëren.”

Je krijgt een veel eenduidiger beeld van een samenleving als je naar het bestuur kijkt. Dat wil zeggen dat er altijd een tegenstelling is tussen de middenveldsonderbuik van een stad en het bestuur? “Klopt. Je krijgt een veel eenduidiger beeld van een samenleving als je naar het bestuur kijkt. Kijk je naar het middenveld, dan zie je een veel grotere diversiteit. Veel initiatieven die aansluiten bij het beleid, maar ook initiatieven die zich helemaal niets van het beleid aantrekken. Paradoxaal genoeg gaat het ook om initiatieven die financieel gesteund worden door het beleid.”

Een complex verhaal Wat is het hoofddoel van het project DIVERCITIES? “Het hoofddoel van het project is de stroom aan negatieve analyses over diversiteit wat open te breken en te kijken welke positieve dimensies er over bestaan. Het blijft natuurlijk wetenschappelijk onderzoek, wat wil zeggen dat wanneer bewoners zich negatief uitlaten over diversiteit, we dat gewoon registreren en over rapporteren. Wel hebben we geprobeerd om dat negativisme te doorbreken met de positieve initiatieven die we in de wijken zien. Die visies in de wijk zijn veel minder éénsluidend negatief dan het discours dat je in het beleid ziet.” Hoe naïef is zo’n benadering van diversiteit? “Dat is geen naïeve benadering, maar een empirische. We hebben ook vastgesteld dat als je bewoners interviewt er een heel groot scala van visies op diversiteit bestaat, van zeer positief naar zeer negatief, maar vooral heel veel er tussenin. Het eenduidige negativisme dat je ziet in het beleid is niet terug te vinden wanneer je mensen in de wijk gaat bevragen. Het is

19

Inspiractie-nr05-v8.indd 19

15-2-2017 16:01:32


een erg complex verhaal, en het is niet gemakkelijk om de vinger te leggen op het gevoel is in zo’n wijk. En verder, kijk je naar hoe verschillend de visies van de bewoners zijn over het omgaan met diversiteit, dan zie je dat daar nog veel ruimte is voor het beleid om daar mee om te gaan. Het grote scala aan meningen en visies dat je over diversiteit ziet - ook bij één persoon tijdens hetzelfde gesprek - toont aan dat de eenduidigheid van het beleid een keuze is om bepaalde meningen naar voren te schuiven en anderen niet. Dus dat is helemaal geen naïeve visie om per se iets positiefs te zeggen over diversiteit, het is gewoon een empirische.” Is er voor antwerpen iets wat eruit springt en waarmee de stad zich onderscheidt van andere steden? “Uit de verschillende steden die we onderzocht hebben springt Antwerpen er toch echt wel uit als een stad waar het beleid een zeer moeilijke omgang met diversiteit kent. Dat is een constante in de laatste 20 - 30 jaar. Er is nog nooit echt een open discussie en visie geweest over diversiteit. Het levert veel vrees op en je krijgt onmiddellijk een erg gepolariseerd debat. Er is een gebrek aan openheid om te kijken wat die diversiteit nu juist is, hoe die op wijkniveau functioneert, wat voor initiatieven zijn er, wat doen ondernemers daar nu mee; dat blijkt heel moeilijk te zijn. Je ziet al snel een soort verkramptheid optreden. In Antwerpen kan men maar moeilijk op een open manier over diversiteit nadenken. Dat heeft uiteraard te maken met de opkomst van extreem-rechts en de manier waarop de andere politieke partijen zich daar tegenover gepositioneerd hebben.”

die buurt, omdat de sociale controle te groot is. Zo zie je bijvoorbeeld ook grote verschillen in de wijze waarop een school wordt gekozen. Je hebt mensen die zeggen scholen te vermijden waar meer dan 50% van de leerlingen van een andere origine zijn. Maar die reflex vind je ook bij de allochtonen middenklasse, die hun kinderen ook niet naar een allochtone concentratieschool willen sturen en hen liever buiten de stad naar school stuurt. We hebben voor het onderzoek dus naar individuen gekeken die op een heleboel criteria van elkaar verschillen. Als je dat doet, dan zie je dat er ook binnen die zogenaamde ‘etnisch-culturele gemeenschap’ een ongelooflijke variatie bestaat aan visies op die diversiteit en manieren om ermee om te gaan. Vanuit het beleid worden er al snel uitspraken gedaan over ‘de Marokkaanse gemeenschap’ of over ‘allochtonen’, maar als je dichterbij gaat kijken, zie je zo’n grote diversiteit dat dat soort uitspraken eigenlijk niet overeenstemt met de realiteit. Als je diversiteit vanuit verschillende hoeken wil bekijken, dan moet je met individuen werken.”

Je hebt vandaag verschillende generaties migranten en het is ook opvallend dat die ook echt anders denken over de samenleving.

En is dat in andere steden wel het geval? “Antwerpen is niet de enige stad waar dat gebeurt, maar als we in gesprek gaan met collega-onderzoekers van andere steden, dan blijkt wel dat het in Antwerpen redelijk verregaand is.”

Kijken naar individuen Hoe definiëren jullie het begrip diversiteit? Gaat het enkel over etnisch-culturele diversiteit? “Nee. Je hebt de multiculturele diversiteit waar gekeken wordt naar mensen met een verschillende etnisch-culturele achtergrond en de verschillen tussen die groepen. Dat is niet wat wij gedaan hebben met DIVERCITIES. De etnisch-culturele achtergrond speelt uiteraard een belangrijke rol, maar die wordt gekruist met allerlei andere vormen van diversiteit. Zo heb je het verschil tussen man en vrouw, eerste generatie en derde generatie migranten, tussen mensen die hier legaal zijn en mensen zonder papieren, je hebt verschillende scholingsniveau’s, verschillende redenen waarom mensen hier zijn, veel meer verschillende herkomstlanden dan vroeger, … We zijn echt gaan kijken op individueel niveau. We hebben er natuurlijk wel voor gezorgd dat er voldoende etnisch-culturele diversiteit zit in de mensen die we hebben geïnterviewd. Bijvoorbeeld Marokkaanse Antwerpenaren die gekozen hebben om in Borgerhout te wonen, omdat ze zich hier meer op hun gemak voelen, de samenleving daarbuiten ervaren ze als vijandig. Maar we hebben evengoed andere Marokkaanse migranten geïnterviewd die juist lieten weten liever weg te blijven uit

Is die reflex er niet altijd al geweest? Dat groepen als één homogene groep bekeken worden? Dat die groepen ook ‘samenhokken’ in de stad? “Wanneer in de jaren ’70 Marokkaanse en Turkse gastarbeiders hier kwamen werken, had je natuurlijk ook interne diversiteit, maar die was wel een stukje kleiner, omdat die mensen om dezelfde reden hier waren en dikwijls uit eenzelfde streek afkomstig waren. Vandaag is dat absoluut niet meer het geval. Je hebt vandaag verschillende generaties migranten en het is ook opvallend dat die ook echt anders denken over de samenleving. De diversiteit is in die groep toegenomen omdat zij hier al lange tijd zijn. Sinds de jaren ’90 is er ook veel asielmigratie uit conflictgebieden bijgekomen. Dan heb je ook de Europese eenmaking met de uitbreiding naar het oosten, waardoor je nu ook veel Oost-Europese migranten hebt. De religieuze kwestie is veel belangrijker geworden, maar ook die is niet eenduidig. Die interne diversiteit is er altijd al wel een stuk geweest, maar de laatste 20-30 jaar, is die veel groter geworden. Wat maakt dat het steeds minder makkelijk is om over die groepen te spreken.” Zijn er in de wijken dan helemaal geen problemen? “Jawel hoor, die zijn er uiteraard. Ook in interviews kwamen geregeld problemen naar voren. Het fenomeen van te veel of net te weinig sociale controle is iets wat vaak terugkwam. Soms positief, soms negatief. Wat voor de ene een probleem is, is dat niet per se voor de andere.

20

Inspiractie-nr05-v8.indd 20

15-2-2017 16:01:33


Ook blijkt het erg moeilijk om initiatieven op poten te zetten in de wijken die verschillende groepen samenbrengen. Dat komt steeds weer naar voren als een probleem. We hebben meer dan 50 bewoners en meer dan 50 ondernemers geïnterviewd en wat je ziet is een heel grote diversiteit aan meningen en visies. Je kan daar niet gemakkelijk veralgemenend over gaan spreken.”

De school Wat zou de rol van het onderwijs of de school kunnen zijn in het leren omgaan met de diversiteit en het bevorderen van de sociale mix? “We hebben in ons onderzoek niet specifiek op scholen gefocust. Maar wat wel opvalt is dat diversiteit heel gevoelig ligt wanneer het om scholen gaat. Diversiteit in winkels, restaurants wordt positief benaderd. Diversiteit in publieke ruimte over het algemeen ook, maar als het over scholen gaat, wordt het plots zeer gevoelig. Dan hebben mensen opeens een erg duidelijk beeld over wat ze wel en niet zien zitten wat diversiteit betreft. Voor de meeste Vlaamse ouders is minder dan 50 % autochtone Vlaamse kinderen problematisch. Wat we daar uit concluderen is dat culturele diversiteit in scholen zo gevoelig ligt, omdat de school voor middenklassengezinnen de plaats is waar mensen hun goede positie in de samenleving overdragen op hun kinderen. In het onderwijs krijgen kinderen een ticket naar een goede positie in de samenleving. Daardoor, bij die Vlaamse middenklassenouders, die zich dikwijls voor de rest niet negatief uitlaten over diversiteit, wordt het plots veel gevoeliger. Het raakt aan de essentie van wat ze met hun opvoeding willen doen: ervoor zorgen dat hun kinderen het minstens even goed hebben als hun. De vrees is dan in concentratiescholen dat het onderwijs minder goed zal zijn. Of dat nu waar is of niet, hebben we niet gemeten, maar uit onderzoek van collega’s blijkt dat concentratiescholen niet per se slechter functioneren. Wat wij daar dan als beleidsuggestie aan koppelen is dat de overheid moet investeren in het vertrouwen van ouders in die scholen.” aan het einde van het onderzoek formuleren jullie aanbevelingen naar de overheid en vertegenwoordigers van het middenveld toe. Het zijn er een dertigtal, kan u enkele voorbeelden aanhalen? “Een belangrijke suggestie voor overheden en beleidsmensen op stedelijk niveau, is dat zij zich in hun visie wat meer open moeten stellen voor de diversiteit aan meningen die bij de bewoners leven. Misschien minder proberen zoals vandaag het geval is om alles af te stellen op hun eigen beleidsprioriteit. Het is goed om opnieuw te kijken naar wat het middenveld doet. Wellicht kan de overheid een stap terug zetten en het middenveld opnieuw in de pilootstoel zetten. Laat duizend bloemen bloeien om die diversiteit meer ruimte te geven. Een tweede beleidssuggestie heeft meer te maken met ondernemerschap in de wijk. Je ziet twee vormen van ondernemerschap. Enerzijds heel wat ondernemers, vaak van migrantenoorsprong, die moeilijk aan

de slag geraken op de arbeidsmarkt en er daarom voor kiezen om zelf ondernemer te worden. Zij komen heel vaak in de horeca en de detailhandel terecht. Veel van die zaken hebben het erg moeilijk om te overleven. Hun tarieven en inkomens zijn behoorlijk laag, waardoor de ondernemingen zeer fragiel zijn. Anderzijds zie je in die wijken ook heel wat creatief en cultureel ondernemerschap. Architectenbureaus, designers, mensen die met reclame bezig zijn. Die doen het doorgaans beter. Als je dan naar het beleid kijkt, gaat alle aandacht en steun naar die laatste groep creatieve en culturele ondernemers. Hieruit blijkt dat het beleid niet het hele scala van ondernemerschap in die wijk naar waarde schat en zich focust op één bepaalde sectie, de sterkste. Je zou kunnen stellen dat dat logisch is omdat daar het overheidsgeld het meeste rendeert, maar kijk je naar het belang van die migrantenondernemers en kleine zaken, komt er een heel belangrijke sociale functie naar voren. Het zijn vaak ontmoetingsplaatsen waar mensen informatie krijgen over heel uiteenlopende zaken en die fungeren als doorverwijspunten. Daarnaast hebben ze ook een economische functie voor de mensen die daar werken, hoewel het vaak zeker geen goudmijnen zijn. Bekijk je het vanuit deze hoek, dan is het wel wenselijk dat het beleid ook hier een ondersteunend beleid voor gaat ontwikkelen. Wat we ook vaak zien is dat de overheid toch wel wat verwachtingen heeft van diversiteit. Veel stedelijke overheden vertrekken van het gegeven dat diversiteit in de wijk te wensen overlaat. Wat ze bedoelen is dat één bepaalde groep, de middenklasse, er vaak ontbreekt. Daarom voert de stad een beleid om die blanke middenklasse daar een prominentere plaats te geven. De diversiteit van de wijk en zeker de rol van de middenklasse heeft geen grote impact op de sociale mobiliteit in die wijk. Het is dus niet omdat daar een middenklasse aanwezig zou zijn dat de sociale mobiliteit bij de anderen die het minder goed hebben daarom verbetert. De blanke middenklasse treedt niet op als rolmodel of gebruikt haar netwerk niet om de buurman te helpen. Daarom is onze aanbeveling dat als je wil werken aan de sociale mobiliteit een sociale mix-beleid daar niet geschikt voor is. Daarvoor kan je beter direct investeren in onderwijs en de arbeidsmarkt. Dat betekent natuurlijk niet dat een sociale mix op andere vlakken geen rol kan spelen. Zo zou het kunnen dat mensen daardoor toleranter worden tegenover elkaar.” Hoe gaan jullie de resultaten kenbaar maken? “We gaan een eindconferentie organiseren in Rotterdam in februari. We hebben gekozen om er geen academische conferentie van te maken, maar een conferentie voor mensen uit beleids- en middenveldsmiddens. Iedere stad mag drie vertegenwoordigers sturen. Daarbuiten doet ieder team in zijn eigen land pogingen om het onderzoek kenbaar te maken. De onderzoeksresultaten zijn ook belangrijk om wijkorganisaties een hart onder de riem te steken en hen aan te sporen voort te doen met waar ze mee bezig zijn. Ze hebben immers geregeld af te rekenen met een erg negatieve publieke opinie over diversiteit.”

21

Inspiractie-nr05-v8.indd 21

15-2-2017 16:01:34


aCTuEEl

Om in het kluwen van scholen en netten te voorzien in gelijke onderwijskansen voor alle leerlingen, zoals in 2003 afgesproken in het GOK I-decreet, zijn de Lokale Overlegplatformen (LOP) in het leven geroepen. Een platform waar alle betrokken partijen samenkomen om lokaal in dialoog met elkaar te treden.

22

Inspiractie-nr05-v8.indd 22

15-2-2017 16:01:35


Het belang van het lokale overleg Zo wil het LOP proberen alle leerlingen gelijke kansen te bieden om te leren en zich te ontwikkelen. Tegelijkertijd wil het platform elke vorm van uitsluiting, discriminatie en sociale scheiding tegengaan. Het verzamelt alle onderwijsverstrekkers uit de regio en een breed spectrum van lokale organisaties die van zeer nabij geconfronteerd worden met (on)gelijke kansen binnen het onderwijs. De onderzoeksopdracht van het LOP is zowel helder als complex: de lokale situatie van de gelijke onderwijskansen wordt in beeld gebracht en ontleed in een omgevingsanalyse. Zowel op lokaal, provinciaal als gewestelijk niveau wil het LOP de stuwende kracht zijn achter veranderingen en evoluties. Dit door zo veel mogelijk advies te verlenen op alle niveaus. Wanneer het gaat over het doorverwijzen van leerlingen treedt het LOP op als bemiddelaar en zoekt mee naar de beste oplossing voor de leerling in kwestie. De ondersteunende rol van het overlegplatform uit zich in de eerste plaats in het ontwikkelen en mee realiseren van het inschrijvingsrecht.

Benieuwd naar hoe het Lokaal Overlegplatform nu juist werkt, ging Inspiractie op bezoek bij de LOPvoorzitters van Brussel en Antwerpen, voor een gesprek over stedelijke problematiek, de toekomst van het onderwijs, engagement en vooral, hoe kunnen we leerlingen gelijke kansen geven in het onderwijs?

23

Inspiractie-nr05-v8.indd 23

15-2-2017 16:01:36


Petrus Van den Cruyce is sinds twee jaar voorzitter van het lOP-secundair in Brussel. Voor hij op pensioen ging was hij coördinerend directeur voor het vrij onderwijs.

“Mensen zijn niet gelijk, wel gelijkwaardig.” “Normaal wil dat zeggen voor het katholiek onderwijs, maar in Brussel valt ook het Lucernacollege onder het vrij onderwijs. Ik heb altijd geprobeerd Lucerna mee te trekken. Mijn leidmotief is altijd: ga het gesprek aan met de gematigden, anders ga je moeten vechten tegen de extremisten. Ik zit ook in de begeleidingsgroep van Lucerna. Vanaf het begin heb ik met het college proberen samen te werken rond de dialoog tussen de verschillende godsdiensten. Het is belangrijk dat we elkaar leren kennen. Wij hebben een stereotiep beeld over hen, en zij over ons. Je kan op zijn minst het gesprek aangaan en zien hoe ver je geraakt. Er is altijd een openheid geweest tussen het Lucernacollege en het katholieke onderwijs. Een interesse om te weten waar we beide mee bezig zijn. In de lessen katholieke godsdienst moeten we bijvoorbeeld spreken over de islam, zij moeten in hun lessen islam spreken over katholieke godsdienst. Wat vertellen we over elkaar? Daarom hebben we initiatieven genomen om hun leraar islamitische godsdienst in onze lessen katholieke godsdienst de islam laten komen voorstellen, en omgekeerd. Bezoek eens een moskee en dan ook omgekeerd. In een multiculturele samenleving als

Brussel kan je niet anders dan elkaar leren kennen.” De uitgestoken hand van het katholieke onderwijs naar andersgelovigen en in de eerste plaats naar de moslimgemeenschap lijkt hier helemaal in te passen. “Ja het werd wel eens tijd, nietwaar? We moeten daar juist in zijn. Als je in onze katholieke scholen zou tellen hoeveel leerlingen er echt praktiserend katholiek zijn, wat voor argumenten kunnen we dan aanbrengen tegenover andersgelovigen? Ik zal zelfs nog een beetje scherper zijn. Hoeveel praktiserende leraars zouden er zijn? Ik denk dat we die telling best niet maken. Dan denk ik, laat ons maar werken in de realiteit vandaag i.p.v. in een fictieve wereld waarin we allemaal brave katholieken zijn. Dat heeft eigenlijk niets te maken met mijn voorzitterschap bij het LOP, maar dat is wel mijn filosofie en die speelt natuurlijk mee in de manier hoe ik naar de dingen kijk. De eerste verbinding tussen mensen is niet katholiek, moslim, vrijzinnige, … maar eerst ga je op zoek naar mensen van goede wil. Vandaar ook dat ik me inzet voor het LOP, over de scholen en visies heen. Laat ons samen op stap gaan om het beter te maken voor de leerlingen.”

24

Inspiractie-nr05-v8.indd 24

15-2-2017 16:01:41


Hoe gaat het lOP Brussel te werk? “Brussel is altijd een speciaal geval geweest. Hier is er een andere verhouding van de netten t.o.v. Vlaanderen. Het is hier allemaal net iets gecompliceerder. Maar langs de andere kant hebben we mekaar hier ook gevonden. Wij kunnen heel veel dingen samen doen. Het hele inschrijvingssysteem in Brussel wordt breed gedragen. Iedereen staat erachter en werkt eraan mee. Dat heeft enorm veel energie, tijd en geld gekost, maar nu kunnen we ook aan de slag op andere domeinen. Andere dingen die wat mij betreft belangrijker zijn. Het uitsluiten van leerlingen bijvoorbeeld. Daar maken we nu afspraken rond. Hoe doe je dat? Hoe kan het belang van de leerling nog steeds verdedigd worden?

Elke leerling die uitgesloten wordt is er een teveel. We zijn in het verleden uitgegaan van een aantal principes. Een leerling wordt ingeschreven in een bepaald net. Gaat de leerling er in een school van het ene net uit, dan wordt die in een andere school van dat net opnieuw opgevist. Wanneer dat echt niet gaat, gaan we het gesprek aangaan met de coördinerend directeurs van de andere netten om te zien hoe we die leerling toch gaan opvangen. Nu proberen we verder te gaan en ook afspraken te maken over het uitsluiten zelf. Kan je zomaar leerlingen uitsluiten? Welke weg moet er afgelegd zijn? We willen meer vat krijgen op de situatie. Want elke leerling die wordt uitgesloten is er een teveel.” Werkt het lOP op individuele basis met de leerlingen en cases, of is het eerder een coördinerende functie hierin? “De bedoeling is om algemene afspraken te maken. Zo moet je bijvoorbeeld geen beslissingen nemen in crisissituaties. Je moet beslissingen nemen als er geen enkele reden is om iemand in een bepaalde richting te duwen. Los van een apart geval. Vanaf het moment dat we iets afspreken, probeert iedereen zich daaraan te houden. We gaan ook studies maken over de schooluitval hier in Brussel, die erg groot is. Wat kunnen we doen om dat te verhinderen? Hier in Brussel is het altijd wel moeilijk om cijfermatig iets zinnigs te zeggen; we zitten met de overloop van het Frans en het Nederlands.” Welke initiatieven zijn er zo nog op poten gezet door het lOP-Brussel? “Er is heel veel gebeurd, maar de meeste energie is gegaan naar het inschrijvingssysteem, omdat dat hier in Brussel zo moeilijk lag. Het was noodzakelijk dat we dat op een goede manier uitwerkten. Het inschrijvingsbeleid is belangrijk omdat het voor een stuk de gelijkheid waarborgt. Maar dat is in Brussel heel erg complex door die wisselwerking met het Franstalig onderwijs. En daarbij komt ook nog de wisselwerking met de rand rond Brussel. Als een leerling zich hier aanmeldt, weten we nooit of die effectief gaat komen, of dat die zich ondertussen ook in de rand heeft ingeschreven. Voor sommige scholen komt 70-80 procent van hun leerlingen uit de rand. Vandaar dat we gepleit hebben om ervoor te zorgen dat men moet kiezen wat de eerste keuze is. We zitten met Brussel vandaag ook in een transitiepe-

riode. Waar vroeger heel veel Vlamingen zaten, naar ook heel veel anderstaligen en ‘andersgekleurden’. Voor mij maakt dat niet uit, maar voor veel Vlamingen en gegoede anderstaligen maakt dat wel veel uit. We zijn allemaal voor een goede mix, maar we hebben toch liever dat onze kinderen toch op een witte school zitten. Op dat gebied bestaat er een gespletenheid in onze maatschappij. Men heeft schrik van de andere. Dat moeten we eruit krijgen.”

Vertrekken vanuit de eigen sterkte. Is onderwijs daar het middel bij uitstek voor? “Onderwijs heeft daar een opdracht. Maar als de maatschappij zelf niet volgt, dan creëer je een tijdbom. De beste manier om extremisten te maken is ze een goeie opleiding te geven, zodanig dat ze zich bewust zijn van alles wat er rondom hen en in de wereld gebeurt, en hen dan uit te sluiten. Zo creëer je extremisten. Vanaf het moment dat je als individu beseft dat je evenveel waard bent en even goed ben als die andere, maar niet dezelfde kansen krijgt, dan gaat dat individu andere wegen bewandelen. Daar schiet onze maatschappij volgens mij te kort. Ga je jezelf aanbieden en je heet Mohammed, krijg je dan dezelfde kansen dan wanneer je Jan zou heten? Ik ben ook actief in het vluchtelingenwerk. Wat je daar soms meemaakt, dan weet je dat er nog heel wat werk aan de winkel is.” Is dat in schoolverband volgens u ook een probleem? “Soms verdoken, denk ik. Ik ben het idee genegen om te vertrekken vanuit de eigen sterkte en waarde en zo het gesprek aan te gaan. Vanaf het moment dat je zelf aan het zoeken bent naar wie je bent in deze maatschappij, dan wordt het soms moeilijk. Op dit moment zijn er heel veel mensen op zoek naar waar zij achter staan in de samenleving; volgens mij zijn veel mensen de draad kwijt. Vroeger was het simpel. Het is niet meer zo eenduidig als vroeger; er worden vandaag veel meer vragen gesteld.”

ve zi ving

Kan het lOP daarbij helpen, naar het onderwijs toe? “Dat denk ik wel ja. Wij moeten tonen dat het gesprek tussen andere visies mogelijk is. Dat je ongeacht die verschillende achtergrond samen tot afspraken kan komen. In de meeste levensbeschouwingen staat ‘het respect voor andere opvattingen’ ook expliciet vermeld. Men focust zich vandaag veel te sterk op het ‘wij’ tegenover ‘zij’. Terwijl ‘wij’ effectief iedereen is. Het is heel belangrijk dat je, ondanks het feit dat daar mensen samen zitten die vanuit hun eigen belangen daar komen, toch op zoek gaat naar wat er in het belang van de leerlingen is. Dat is natuurlijk niet altijd even gemakkelijk, maar louter al het feit dat je andersdenkenden ontmoet en daarmee in gesprek gaat en hun redeneringen probeert te volgen; dat is niet gemakkelijk maar wel noodzakelijk.” Zijn er samenwerkingsverbanden tussen de lOP’s van verschillende steden? “Het verbeteren van kansen voor leerlingen, dat is waar iedereen uiteindelijk naar op zoek is. We moeten ervoor zorgen dat leerlingen niet uitvallen. Maar dat kan verschillen van streek tot streek. Er zijn wat overlegmomenten tussen verschillende steden, zowel de voorzitters als de LOP-deskundigen. Maar eerst moet je lokaal je huiswerk maken en er dan mee naar buiten komen. Maar ik kan ook niet anders

25

Inspiractie-nr05-v8.indd 25

15-2-2017 16:01:43


dan geregeld eens met mijn collega’s een gesprek te hebben. Als ze in Vilvoorde of Dilbeek iemand uitsluiten, komt die ook in Brussel terecht.” Wat zijn de grootste moeilijkheden waar u als voorzitter mee te maken hebt gehad? “Dat valt eigenlijk allemaal goed mee hoor. Je moet uw mensen leren waarderen. Dat een directeur van een school de dingen anders bekijkt dan een syndicaal afgevaardigde is logisch, en dat moet je leren aanvaarden. Je moet die mensen erkennen in datgene waarvoor ze opkomen en dan proberen samen op weg te gaan naar een gemeenschappelijk standpunt. Meestal lukt dat wel. Je moet elkaar respecteren, wat niet wil zeggen akkoord gaan. Wij komen regelmatig tot resultaten waar niemand het verwacht had, omdat we op voorhand heel veel onder mekaar hebben gediscussieerd. Zo krijg je mensen verder dan het standpunt dat ze aanvankelijk hadden. Ik probeer altijd te vetrekken vanuit ideeën, niet vanuit standpunten. Wanneer je iemand naar zijn of haar standpunt vraagt, rijd je je meteen vast.”

Je moet het gesprek aangaan. Iu bent lOP-voorzitter als vrijwilliger. Wat drijft u om niet rustig van uw pensioen te genieten? “Ik geniet van mijn pensioen, hoor. Dit is de kennis die ik in een loopbaan van veertig jaar heb opgebouwd binnen Brussel gebruiken en inzetten voor het onderwijs. Onze maatschappij mag niet uiteen vallen in ‘wij’ en ‘zij’. Op dat gebied ben ik zwaar ontgoocheld in de politiek. Zeker in het wij/zij denken van sommige politici. Zo maak je geen maatschappij. Zo creëer je spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen, en spanning weer weghalen is erg moeilijk. Zo ontstaan er langs beide kanten frustraties die op een gegeven moment gaan exploderen. Je moet het gesprek aangaan.” “Je zit in Brussel met een torenhoge werkloosheid in sommige wijken. Hoe wil je dat die jongeren een beeld krijgen van wat het waard is om te studeren en te werken? Ze hebben in hun hele familie niemand die als referentiefiguur kan dienen en hen kan aansporen vooruit te gaan in het leven. Het heeft dikwijls weinig te maken met godsdienst of afkomst, maar eerder met de situatie waarin zij zitten.”

Is het lokale werk belangrijk volgens u om de vinger aan de pols van de samenleving te houden? “Ik denk dat dat heel belangrijk is. Je moet niet zeggen dat er helemaal geen criminaliteit is in Brussel, maar dat kan ook niet anders. Je zit hier met zoveel mensen, zo dicht op elkaar. Daar komt dan nog bij dat je met een bevolking zit waarvan een heel stuk zich uitgesloten voelt uit de maatschappij. Dat is onze opdracht: ervoor zorgen dat die mensen opgeleid worden en dat ze daarna een toekomst hebben. Mensen moeten het gevoel hebben gelijkwaardig te zijn. Mensen zijn niet gelijk, wel gelijkwaardig. Ook het bedrijfsleven moet van die visie overtuigd worden.” Wat hoopt u als lOP-voorzitter nog te verwezenlijken? “Ik vind het LOP een erg belangrijk platform, maar je moet niet denken dat we meteen het licht gaan zien. Je moet elke keer een kleine stap zetten. Geen revolutie, maar een evolutie. Kleine stapjes in de juiste richting. De richting van het overleg, samen proberen iets waar te maken. Ik bouw mee aan de weg die ergens naar toe leidt, ik draag mijn steentje bij. Het gaat nog altijd over het belang van de leerlingen. Je mag nooit vergeten dat een leerling in een school binnenkomt met een hele rugzak; dat is geen wit blad. Het is belangrijk dat daar individueel rekening mee gehouden wordt. Dat is natuurlijk niet gemakkelijk en een moeilijke evenwichtsoefening. Maar je mag leerlingen niet gelijk behandelen, wel gelijkwaardig. Je krijgt ook leerlingen binnen die een hele grote druk leggen op de rest van de klas. Dan is de moeilijke vraag wat het recht is van het individu en wat het recht is van de groep? Is onderwijs nog de eerste keuze van onze leerkrachten? Of zijn het mensen die al iets anders geprobeerd hebben en gefaald? Vroeger was leerkracht een keuze, een roeping bijna. Het was een beroep met aanzien. Dat is nu toch wel iets minder geworden. De meeste studenten in de lerarenopleiding die hebben eerst iets anders geprobeerd en zijn dan ‘afgezakt’. Daarbij komt nog dat er veel te veel vrouwen voor de klas staan. Het lerarenkorps zou een afspiegeling van de maatschappij moeten zijn. Dus ook gekleurde leerkrachten. Wij doen echt een inspanning om met de hogescholen samen te werken om ook leraars met een allochtone achtergrond voor de klas te krijgen. Die rolmodellen zouden van onschatbare waarde zijn in onze klassen.”

26

Inspiractie-nr05-v8.indd 26

15-2-2017 16:01:44


Eric Boels is lOP-voorzitter van antwerpen. Zelf afkomstig uit de Kempen werd hij in de stad al snel geconfronteerd met de stedelijke problematiek.

“De wieg bepaalt vandaag jouw resultaat.” “Gerenommeerde colleges die hun mensen verloren. Scholen die tien jaar eerder 1500 leerlingen hadden, konden nauwelijks overleven. In die witte school verschijnen opeens leerlingen met een andere huidskleur. Dat stimuleerde mij om te kijken naar de interacties tussen de leerlingen. Daarna ben ik directeur geworden van het Sint-Lucascollege, de kunstschool. Daar heb ik een paar jaar meegedraaid en ontzettend veel geleerd. De helft van de tijd zitten die jongeren in het atelier in een meester-leerling verhouding onder peers. Wat heb ik daar nu uit geleerd? De helft van die leerlingen gaat zonder problemen naar het hoger kunstonderwijs. Niet dat die dan allemaal professioneel kunstenaar worden, maar ze kunnen zich in ieder geval redden met aansluitende activiteiten. De andere helft wordt er zich na vier jaar atelier van bewust dat ze het eigenlijk niet kunnen. Ze beseffen dat diegenen die naast hem of haar zitten beter zijn. Die kinderen moeten dus naar het hoger onderwijs in een heel beperkt segment. Wat blijkt nu? Die kinderen hebben dezelfde slaagkansen in het hoger onderwijs als de ASO-leerlingen. Wat concludeer ik daar dan uit? Het doet er niet toe wat je leert, het doet er toe dat je leert. De inhoud is niet zo belangrijk. Zet kinderen op hun plek en zij maken zichzelf wel. De vaardigheden die ze leren in het atelier kunnen ze wel transponeren. Daarna ben ik coördinerend directeur geworden van een aantal scholen; vijf witte en vijf gekleurde scholen. Vanuit die functie heb ik me gesmeten op cijfermateriaal van de stad. Het materiaal, dat zo voor handen is, heb ik netoverschrijdend in kaart gebracht. Alle netten onderschreven de visie van ‘we laten niemand achter’. Maar wat betekent dat juist? Welke interventies moet je doen? Hoe kan je dat staven? Door dat in kaart te brengen heb ik een ongelooflijk inzicht gekregen in de stedelijke problematiek. Vanuit die ervaringen heeft men mij, nadat ik op pensioen ging, gebombardeerd tot LOP-voorzitter.

Het doet er niet toe wat je leert, het doet er toe dat je leert. De inhoud is niet zo belangrijk. Zet kinderen op hun plek en zij maken zichzelf wel. Toen ik die ongeveer vijftig scholen in kaart bracht, zag ik dat witte scholen met zeer weinig C-attesten groeiden. Aan de andere kant van het spectrum had je de concentratiescholen. Op een paar jaar tijd werden die overrompeld door de stad, met veel leerlingen en ook relatief weinig C-attesten. Van succesvolle scholen

met alleen maar witte kinderen, naar niet succesvol en gekleurd. Men neemt de gekleurde leerlingen wel binnen, maar die worden er op termijn uitgestoten. Alleen de super slimme leerlingen worden meegenomen. De reactie daarop is: zij hebben een probleem, niet wij. Zij spreken geen Nederlands. Sommige scholen redeneren anders. Vooral de concentratiescholen stellen vast dat zij die grote variatie aan leerlingen niet zomaar aankunnen. Dat is natuurlijk erg confronterend. Het lijkt dat iedereen in die klas een probleem heeft, dus wordt het ons probleem. Hoe gaan we daar nu mee om? Een deel van de stedelijke problematiek ligt ook in de perceptie van de leerkrachten over gekleurde scholen.”

antwerpen zou een laboratorium moeten zijn van onderwijsvernieuwing. “Vlaams onderwijs is fantastisch. Bij allerlei internationaal onderzoek scoren we goed. Maar men snapt niet hoe dat kan. Zulke goede resultaten met dit systeem? Vanaf de jaren 50 was het onderwijs in Vlaanderen emanciperend. Na de oorlog zijn er overal scholen opgericht. Het systeem is toen vormgegeven. Maar wat loopt er vandaag verkeerd? De laatste 20 jaar emancipeert het systeem niet meer. De wieg bepaalt vandaag jouw resultaat. Je kan in het eerste studiejaar zeggen: jouw moeder heeft geen diploma, dus zal jij in het BSO terechtkomen. Je kan dat zo voorspellen, met een slaagkans van 90%. Bijna alle leerkrachten in Vlaanderen redeneren op dezelfde manier. ‘Samen naar de meet’ veronderstelt dus een andere aanpak. Het Vlaams onderwijslandschap wordt gekenmerkt door twee unieke kenmerken. Ten eerste is er de autonomie van de scholen en leerkrachten. Ten tweede is er nergens zo veel keuze dan in Vlaams onderwijs. Er zijn 800 richtingen. Men wil homogene klassen, dus wie niet meekan in een homogene groep, krijgt een eigen hokje. Allemaal aparte etiketten en hokjes. Het meetpunt is voor mij het aantal kinderen in het BuSo. Het aantal kinderen is de laatste 20 jaar verdubbeld. Zijn er opeens zoveel meer ‘domme’ kinderen dan? Er is iets anders gebeurd. In die 20 jaar hebben wij allemaal labels uitgedeeld. Elk kind heeft nu zijn eigen etiket. Ik heb het eerste autistische kindje weten binnenkomen. Toen was het iets uniek, iets waar we goed voor moesten zorgen. Nog geen vijf jaar later, zaten de scholen opeens vol met autistische kinderen.

27

Inspiractie-nr05-v8.indd 27

15-2-2017 16:01:44


Het aantal leerlingen in het BuSo is verdubbeld. Van 20.000 naar 50.000 leerlingen. We blijven zoeken naar hokjes waar we de leerlingen kunnen in plaatsen. Het laatste hokje is het BuSo. Als je ziet, zoals vandaag, dat dat niet meer functioneert, dan moet je dat onderwijs hervormen. En die hervorming wordt nu al heel mijn carrière tegengehouden. Een Vlaamse leerkracht voor een homogene groep presteert buitengewoon goed. Vanaf het moment dat de problematiek te divers wordt, is het eerste wat er gebeurt, het niveau laten zakken. Een volgende stap is dan het installeren van de leerlingbegeleidingen. Vanaf het moment dat er mensen worden aangesteld om de ‘problemen’ van leerachterstand bij te schaven, gaan leerkrachten bij het minste probleem hun leerlingen naar de begeleiding sturen, zonder zelf nog op zoek te gaan naar een andere aanpak.”

de nieuwkomer helemaal onderuit gehaald en is die nieuwe leerkracht conservatief geworden en grijpt hij terug naar zijn bekende manier van onderwijzen: lesgeven zoals je les gekregen hebt.” Waar heeft het lOP-antwerpen zich vooral mee beziggehouden? “Het LOP heeft zich tot nu toe bijna uitsluitend moeten bezighouden met de inschrijvingsproblematiek. De belangrijke opdracht, zorgen voor gelijke onderwijskansen en minder segregatie en uitsluiting, daar komen we gewoon niet aan toe. In de marge zijn we daar mee bezig, maar veel te weinig. Als LOP zou je eigenlijk moeten bezig zijn met de perceptie die bij de mensen leeft over diversiteit in het onderwijs. Je kan niet binnendringen in scholen, dus kunnen we alleen trachten een klimaat te creëren waar onderwijsvernieuwing gedijt.” Hoe ziet de toekomst van het onderwijs in de Vlaamse steden er volgens u uit?

Het duurt lang voor je meesterschap verwerft in het onderwijs. Is onderwijs te waardevol om in te gaan op de grillen van de dag? “Ik ben het daar niet mee eens. We kunnen het zelf. En een heleboel Antwerpse scholen bewijzen dat ze het kunnen. De stad Antwerpen zou een laboratorium moeten zijn van onderwijsvernieuwing. Dus, moeten we er op allerlei niveaus voor zorgen dat die leerkrachten de kans krijgen om uit hun denkwereld te komen, maar dat is erg moeilijk. We kunnen vandaag amper leerkrachten in de stad houden. Wel jonge leerkrachten die blij zijn werk te hebben, maar die verdwijnen weer snel. Het duurt lang voor je meesterschap verwerft in het onderwijs.” Zou dat in de lerarenopleiding zelf al aan bod moeten komen? “Ja en nee. Het gebeurt in de eerste plaats in de scholen. In de lerarenkamer kent men dat socialisatieproces: op zes maanden worden de frisse ideeën van

“Ik ben ongerust, want de stad is zo divers dat alle scholen gekleurd zullen zijn, met armoede te maken krijgen, en alle leerkrachten zullen ermee om moeten kunnen.

Het systeem emancipeert niet meer. Verander het dan! Ik zou graag hebben dat er toch een hervorming van het onderwijs komt. Wat voor mij echt noodzakelijk is, is een brede eerste graad, waar kinderen niet moeten kiezen, want in ons systeem is het nog steeds zo dat de zwakste het meeste te verliezen hebben. Dat mechanisme moet verdwijnen. Daar ben ik nu als LOP-voorzitter mee bezig. We hebben afgesproken om de kinderen van de B-stroom een traject te geven waardoor zij gemakkelijk kunnen wisselen of nog beter, niet moeten kiezen tot hun 15 jaar. Maar nu botsen we op politieke weerstand. De B-stroom in Antwerpen gaat ongeveer over duizend kinderen. Dat is een serieuze groep. Ofwel zorg je ervoor dat je de thuissituatie vanuit het onderwijs compenseert en daar zodanig op inzet dat kinderen toch slaagkansen krijgen. Uit we-

28

Inspiractie-nr05-v8.indd 28

15-2-2017 16:01:45


tenschappelijk onderzoek weten we dat elk Vlaams kind 10 tot 12% kans heeft om ongekwalificeerd uit te stromen. Als je blijft zitten in het basisonderwijs, is de kans vier maal groter of 48%. Blijf je zitten in het secundair dan is de kans bijna 30 procent dat je ongekwalificeerd uitvalt. In Antwerpen blijven elk jaar 5000 leerlingen zitten, d.w.z. dat de helft daarvan ongekwalificeerd gaat uitvallen. In een samenleving waar een diploma zo belangrijk is, mag zoiets toch niet? Dan moet je ook niet schrikken wanneer blijkt dat er jongeren zijn die radicaliseren. Het systeem emancipeert niet meer. Verander het dan!” u heeft uitgebreid OKan-leerlingen opgevolgd. Kan u daar wat meer over vertellen? “Ik heb gekeken naar de studieloopbaan van de OKAN-leerlingen. Ik heb die leerlingen 9 jaar lang gevolgd. Jaarlijks zitten ongeveer 1000 kinderen in OKAN-klassen. In 2004 zaten 700 kinderen in OKAN, waarvan er 60 een diploma behaalden, dat is nauwelijks 15% . Voor mij is dat een duidelijk bewijs dat het niet werkt. Van die OKAN-leerlingen die geen diploma behaalden, is na drie jaar niets meer terug te vinden. Er is geen opvolging voorzien, helemaal niets. Die verdwijnen gewoon in het systeem.” Wat is het belang van een goed tuchtbeleid? “Als LOP hebben we nu al een heel jaar overlegd om scholen mee te nemen in een traject zodanig dat zij een beter tuchtbeleid kunnen uitstippelen. Tuchtverwijdering is een symptoom van een veel groter maatschappelijk probleem. Een duidelijk beleid is ook belangrijk voor de andere leerlingen. In het midden van het schooljaar worden uitgesloten leerlingen in een andere school gedropt. Kinderen leren van elkaar. In kwetsbare groepen is een heel groot komen en gaan, wat wil zeggen dat er constant een nieuwe ‘pikorde’ moet geïnstalleerd worden. Zolang er geen rust in de klas is kan er niet geleerd worden. Dus telkens er iemand nieuw in die klas komt, kan er niet worden geleerd. Als je minder kinderen uit school zet, dan hebben ze een grotere kans om hun diploma te behalen. We hebben netoverschrijdend afgesproken om na Pasen geen kind meer van school uit te sluiten. Zelfs een kind dat na Pasen nog een agressieve daad stelt, moet de kans krijgen examen af te leggen. Dat is een maatregel die nergens anders in Vlaanderen bestaat en die hebben we er gekregen met het LOP.”

Wat zijn volgens u de belangrijkste verwezenlijkingen van het lOP? “We blijven met het LOP een overlegorgaan. De overheid brengt de LOP-voorzitters van de verschillende steden met elkaar in contact. We moeten nu ons tuchtbeleid voorstellen aan de rest van Vlaanderen. Voor Antwerpen hebben we afgesproken dat de stad en de rand gelijktijdig inschrijven. We stellen dat het niet verstandig is om kinderen in januari te dwingen een keuze te maken. Ik ben er dit schooljaar niet in geslaagd een aanmeldsysteem te lanceren door teveel weerstand. Het is vermoeiend om oeverloos te moeten palaveren om de inschrijvingsdatum van alle scholen gelijk te krijgen. Ik ben principieel tegen de wachtrijen voor de inschrijvingen op school. Het zit in de genen van Vlaamse ouders om inspanningen te doen om je kind in te schrijven. Wie eerst in de rij staat, mag zich als eerste inschrijven. Ik vind dat geen eerlijk systeem, want dan krijgen mensen met meer tijd een voorsprong. Zo ontstaan er allemaal toestanden die niet koosjer zijn en het zijn de rijken die hier vooral van kunnen profiteren. De snelheid van uw internetverbinding bepaalt dan uw succesratio. Dat is niet eerlijk. Een loterij lijkt mij een eerlijker systeem. Door loting gaan we volgens mij veel makkelijker de segregatie tegengaan. Maar dat botst dan weer op de keuze voor bepaalde pedagogische projecten als de Steinerschool, het College,…”

Onderwijs verandert de wereld niet, maar het moet wel mensen veranderen. Waarom bent u geëngageerd? “Ik kan nu bezig zijn met de problemen die me echt bezighouden. Onderwijs in de grootstad, dat vind ik de moeite. Ik heb niet de ambitie of de illusie dat we alles kunnen veranderen. Maar misschien wel een klein beetje. Onderwijs verandert de wereld niet, maar het moet wel mensen veranderen.”

29

Inspiractie-nr05-v8.indd 29

15-2-2017 16:01:47


Kris van den Branden Onderwijs voor de 21ste eeuw Hoofddocent faculteit letteren KULeuven.

Roger Standaert De becijferde school Onderwijsexpert en emeritus hoogleraar vergelijkende en internationale pedagogiek aan de UGent.

Els Castelein Binnenklasdifferentiatie Stafmedewerker onderwijsbeleid & praktijkgericht onderzoeker bij UC Leuven-Limburg

DEBaT

Het onderwijs voor de 21ste eeuw? Waar moet het onderwijs naartoe? Een debat. Op de jaarlijkse boekenbeurs in Antwerpen werden ook dit jaar tal van debatten georganiseerd. Één debat, georganiseerd door Acco uitgeverij en magazine IMPULS, sprong er voor ons uit en we gingen ook kijken wat het panel ons te vertellen had. De wereld verandert razendsnel. Moet ons onderwijs dan ook niet op hetzelfde ritme veranderen? Zes auteurs die recent een boek uitbrachten rechtstreeks verbonden aan dit thema, gingen op basis van enkele straffe stellingen in discussie met elkaar. “Wat zou je willen veranderen aan het onderwijs?” Kris van den Branden mag als eerste van start gaan. ‘Het is belangrijk dat we het curriculum en de eindtermen actualiseren. De wereld verandert constant, maar de school niet, waardoor die hopeloos is verouderd’, legt hij uit. ‘Het curriculum moet mee met de tijd evolueren.’ Ook het belang van goede en heldere eindtermen is volgens hem erg belangrijk. ‘Levenslang leren’, is volgens Roger Standaert hetgeen waar individuen de mogelijkheid moeten voor krijgen. ‘We moeten in kaart brengen welke competenties nodig zijn om naar een volgende fase te gaan. Er moet ingezet worden op onderwijs op maat met een blijvende trajectbegeleiding’, aldus Standaert. ‘De leerplicht moet een leerrecht worden.’ Volgens Els Castelein is de sleutel naar een beter onderwijs, differentiatie. Meer specifiek, binnenklasdifferentiatie. De diversiteit op de schoolbanken neemt alsmaar toe, dus moet ook de aanpak diver-

ser worden, zo stelt Castelein. Volgens Piet Van Avermaet is het simpel: ‘We weten wat er moet gebeuren, nu moeten we het gewoon invoeren in het onderwijssysteem.’ Verandering is belangrijk, maar leidt volgens Van Avermaet vandaag niet altijd tot echte vernieuwing. ‘Naast het veranderen van de bestaande schoolstructuren, moeten we ingrijpen in de mentale structuren van de mensen’, voegt hij er nog aan toe. ‘Een digitale leeromgeving is de weg naar de toekomst’, vindt Lars Matthys. Leerkrachten moeten professionaliseren, op technologisch vlak, maar ook op een heleboel andere vlakken. Daar moeten we volgens hem goed over nadenken. ‘Hoe moeten leerkrachten evolueren in de toekomst?’ Henk Weymeis wijst ons op de gedragsproblemen in het onderwijs vandaag en hoe we ons daar tegenover moeten verhouden. ‘Ook positief gedrag moet aangemoedigd worden, i.p.v. enkel negatief gedrag te bestraffen’, zegt Weymeis. ‘Als we er in slagen om proactief gedrag te veranderen, dan is dat veel duurzamer.’ Daarnaast is het belangrijk dat we onszelf in vraag durven stellen. Daar is een openheid tussen leraar en leerling volgens hem een belangrijk aspect.

30

Inspiractie-nr05-v8.indd 30

15-2-2017 16:02:16


Piet Van avermaet Haal meer uit meertaligheid

lars Matthys

Directeur van het Steunpunt Diversiteit & Leren, verbonden aan de vakgroep taalkunde aan de UGent.

Leerkracht Nederlands in Brussel.

De social teacher

Henk Weymeis Wij zijn gedrag Opvoeder en psycholoog en werkt met jongeren met ernstige gedrags- en emotionele problemen.

“Ons onderwijs is echt niet aangepast aan de hedendaagse uitdagingen.”

weg door te remediëren.’

‘Ons onderwijs is gestopt te veranderen’, legt Standaert uit. Er zijn drie functies van onderwijs. Ten eerste moet onderwijs de leerlingen socialiseren voor een bepaalde maatschappij. Ten tweede moet de school kinderen voorbereiden om later hun kost te verdienen. En ten derde moet gedegen onderwijs de persoonlijkheid van kinderen verrijken. ‘Het is bij deze laatste functie dat het onderwijs vandaag tekortschiet’, vindt Standaert. ‘We moeten die verrijkende functie opnieuw herdenken en verder uitbouwen.’

“Zolang scholen vasthouden aan het krijtbord missen we de boot van de vernieuwing.”

Van den Branden pleit dan weer om de grenzen tussen vakken te doorbreken. ‘Zowel vakoverschrijdend als van de school naar de buitenwereld, en omgekeerd.’ Hierbij is de rol van de individuele leerkracht nog steeds cruciaal volgens hem. ‘Onderwijs evolueert traag, maar is dat per se een probleem?’, vraag Castelein zich af. ‘We mogen niet te vlug ingaan op de hedendaagse trends en grillen van de dag.’ “Meer anderstaligen in het onderwijs doen de kwaliteit dalen.” Een uitgelezen vraag voor professor Van Avermaet. Volgens hem is er geen wetenschappelijk onderzoek dat die stelling bevestigt. ‘Uit onderzoek van collega’s blijkt ook dat concentratiescholen helemaal niet slecht scoren wat hun niveau van onderwijs betreft. Kenmerkend in die scholen is dat er een erg groot geloof is in hun leerlingen, en dan kan je bergen verzetten’, aldus Van Avermaet. Het positivisme van die scholen staat in contrast met scholen waar een cultuur hangt van ‘niet-onderwijsbaarheid’. ‘In scholen waar men in de leerlingen gelooft, hebben de jongeren een groter zelfbeeld. Jammer genoeg zien we in de perceptie van mensen een negatief verband tussen taal en de capaciteit van bepaalde leerlingen.’ Het taalbad is volgens Van Avermaet ook geen succesvolle oplossing. ‘De uitdagingen liggen in de ongelijkheid in het onderwijs, die krijg je niet zomaar

Matthys stelt niet dat het krijtbord per se weg moet, ‘maar 60 procent van de leerlingen op de schoolbanken zullen een job uitoefenen die vandaag nog niet eens bestaat. We moeten onze leerlingen voorbereiden op een toekomst die we nog niet kennen.’ Volgens hem hebben veel scholen de vernieuwingen van de afgelopen tien jaar gemist. ‘Ik pleit voor het introduceren van het vak “programmeren” op school. Als vak op zich en geïntegreerd in andere vakken. ‘Technologie is belangrijk’, vindt ook Van Avermaet, ‘maar je mag niet alle heil verwachten van technologische vernieuwing.’ Volgens hem moet die samengaan met het aanleren van andere competenties. ‘Technologische innovatie is belangrijk, maar we moeten opletten, want die kan ook de sociaaleconomische ongelijkheid in stand houden.’ Van den Branden is kritisch voor technologie: ‘Kinderen moeten eerst kritisch leren omgaan met allerhande nieuwe vormen van media. Dat is vandaag helemaal nog niet het geval. Kritisch gedrag aanleren, dat moet het doel zijn van innovatief onderwijs.’ “Wil je resultaten behalen, zorg dan voor homogene klassen.” ‘Homogene groepen lijken het gemakkelijkste voor leerkrachten’, legt Castelein uit. ‘Maar simpelweg alle leerlingen op dezelfde manier benaderen lijkt in de praktijk ook niet te lukken. Ook in ogenschijnlijk homogene klassen is differentiatie nodig.’ Homogene groepen kunnen wel volgens Castelein, maar dan op basis van specifieke competenties. ‘Maar voor de 21ste eeuw werkt dit misschien averechts. Ook hier is het belang van de leerkracht als individu weer cruciaal.’ Van den Branden sluit af met een andere stelling: ‘Wil je resultaat, ga dan voor echte variatie. Leerlingen leren van mekaar.’

31

Inspiractie-nr05-v8.indd 31

15-2-2017 16:02:46


Eli In DE KIJKER

d ga le d va

Gezond eten op school Obesitas is wereldwijd een echte epidemie aan het worden. In Vlaanderen is één op de zes kinderen tussen de 11 en de 18 jaar te dik. In totaal gaat het om 88.000 kinderen. Wereldwijd gaat het om minstens 41 miljoen jongens en meisjes, dat blijkt uit een rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De WHO spreekt van een angstwekkende toename van het aantal obese kinderen. In 1990 woog nog 4,8 procent van de kinderen te zwaar, vandaag is die curve omhooggeschoten tot 6,1 procent van de jonge kinderen. Het aantal groeit vooral in landen met lage en gemiddelde inkomens. Bijna de helft ervan woont in Azië en een kwart in Afrika.

van bijvoorbeeld absenteïsme en slechte prestaties op het werk.

Maar ook in rijkere delen van de wereld bedreigt zwaarlijvigheid de voordelen die een betere geneeskunde en gezondheidszorg met zich meebrachten teniet te doen en brengt de hogere levensverwachtingen in gevaar. In de Verenigde Staten heeft 70 procent van de volwassenen overgewicht en bij maar liefst 30 procent is er sprake van obesitas. Daar komt nog eens bij dat de gezondheidscomplicaties ten gevolge van overgewicht de samenleving handen vol geld kost. Zo blijkt uit een onderzoek van de Gentse Universiteit dat, wanneer we erin zouden slagen de BMI (Body Mass Index) van obese Belgen met één eenheid te laten dalen, dit over een periode van 20 jaar ons een besparing van vier miljard euro zou betekenen. Een dalende kost die de medicatie van zwaarlijvige patiënten met zich meebrengt is een directe besparing. Indirect zou er bespaard worden op kosten ten gevolge

Gezond eten en drinken klinkt dan misschien wel als vanzelfsprekend, maar kijk je naar de brooddozen van kinderen dan blijkt dat dat niet voor alle gezinnen een evidentie is. De school heeft daarin een grote verantwoordelijkheid. Als scholen meer gezonde maaltijden en tussendoortjes aanbieden, gaan kinderen thuis automatisch ook gezonder eten. Onderzoekers van de Michigan State University in de VS hebben voor het eerst een vergelijkende studie gemaakt tussen wat leerlingen op school eten en wat ze thuis voorgeschoteld krijgen. Wat blijkt? Als scholen gezonde lunches bereiden en gezonde tussendoortjes verkopen, dan gaan de leerlingen dagelijks 26 procent meer fruit, 14 procent meer groenten en 30 procent meer granen eten. Als leerlingen gezonde voeding aangeboden krijgen, zullen ze daarvoor kiezen en hun eetgewoontes verbeteren.

Het is niet moeilijk tientallen onderzoeken en publicaties te vinden die de gevaren van zwaarlijvigheid zwart op wit aantonen; zowel voor kinderen als voor volwassenen.

laat ons bewuster omgaan met voedsel. Op school, maar ook elders. Voedsel is de bron van ons leven en we gaan er zo respectloos of achteloos mee om.

32

Inspiractie-nr05-v8.indd 32

15-2-2017 16:02:58


Elisabeth Meuleman Enerzijds willen we dat kinderen gezonder gaan eten. anderzijds willen we armoede bestrijden door het probleem van de lege brooddozen aan te pakken.

De Refterrevolutie Dichter bij huis is het voorstel van Groen politica en Vlaams Parlementslid Elisabeth Meuleman het meest uitgewerkte initiatief om de strijd tegen overgewicht en obesitas naar de scholen te brengen. Meuleman pleit voor een ware revolutie in de refter: de Refterrevolutie.

er Op rs. n er e-

Waarom moet er volgens u een revolutie in de refter plaatsvinden? “Het gaat om een dubbele doelstelling. Een zorgwekkend hoog aantal kinderen in Vlaanderen kampt met overgewicht en obesitas. Tegelijkertijd zitten er nog elke dag kinderen met een lege maag op de schoolbanken. Enerzijds willen we dus dat kinderen gezonder gaan eten: jong geleerd is oud gedaan, zeker op het vlak van gezonde voeding. Anderzijds willen we armoede bestrijden door het probleem van de lege brooddozen aan te pakken. Bovendien kan eten in de refter niet alleen lekkerder maar ook stukken gezelliger: tafelen moet er weer tof worden en een echt sociaal moment zijn.” Mogen ouders niet zelf beslissen wat hun kinderen eten? “Natuurlijk, niemand is verplicht om warm te blijven eten op school. Wij willen er alleen voor zorgen dat

Interview met Elisabeth Meuleman wat er op school wordt aangeboden gezond en betaalbaar is. Als die twee voorwaarden vervuld zijn, zien we dat heel wat ouders er voor kiezen om hun kinderen warm te laten eten op school. In Groot-Brittannië zagen we bijvoorbeeld dat sinds de invoering van de goedkope en gezonde warme maaltijden 86% van de ouders er voor kiest om hun kind warm te laten eten op school. Een jaar na de lancering van de gratis schoolmaaltijden erkent 95% van de ouders de voordelen. Zoiets heeft een niet te onderschatten hefboomeffect op de volksgezondheid en op het reduceren van kinderarmoede. Maar ouders moeten er evengoed kunnen blijven voor kiezen om ’s avonds warm te eten in gezinsverband.” Hoe kunnen jullie met de Refterrevolutie garanderen dat er gezond eten wordt voorgeschoteld? “We zorgen voor een wettelijke standaard, een gezondheidsgarantie. In het Verenigd Koninkrijk werden in 2008 wettelijke standaarden ingevoerd voor schoolmaaltijden. Wat bleek? De kwaliteit van de schoolmaaltijden sindsdien is fel verbeterd. Ook eten de leerlingen die maaltijden met veel meer smaak op. Natuurlijk zijn hier bindende standaarden voor nodig, experts wijzen op het belang hiervan. Vandaar ons pleidooi voor een gezondheidsgarantie voor alle maal-

33

Inspiractie-nr05-v8.indd 33

15-2-2017 16:03:10


tijden op school! Maar het is even belangrijk dat eten weer iets aangenaam en gezellig wordt. Dat kinderen betrokken zijn bij het hele eetgebeuren op school.”

preventieve gezondheid, … Ook lokale besturen kunnen een verschil maken, kijk maar naar Gent.” Wanneer gaat de Refterrevolutie van start?

Een gezellige refter alle scholen zouden volgens het plan een gezellige refter moeten hebben. Vele scholen zitten al krap bij kas en dan is een sfeervolle refter misschien een luxe die ze zich niet meer kunnen permitteren? “Een aantal kleine slimme aanpassingen kunnen al een wereld van verschil maken. Maar het klopt inderdaad dat we serieuze investeringen vragen van de Vlaamse regering in scholen. Ons voorstel is om de financiële ruimte te gebruiken die is ontstaan door de daling van de btw op de scholenbouw van 21 naar 6 procent (sinds 1 januari 2016). Minister Crevits raamt die extra ruimte voor investeringen in de scholenbouw op 33 miljoen euro (netto) of 47 miljoen euro (inclusief de eigen inbreng van het gesubsidieerd onderwijs) per jaar. Ons voorstel is dus om van dit bedrag tien jaar lang ongeveer 45 procent of zowat de helft te besteden aan betere refters en keukenruimtes in de basisscholen in Vlaanderen.” Gaan de gezonde schoolmaaltijden niet duurder worden dan de maaltijden die vandaag in de refters worden geserveerd? “Dankzij het financieel plan dat we hebben opgesteld zeker niet. Het gaat hier om een zeer bewuste en slimme investering in de toekomst en gezondheid van onze kinderen. Zoiets is niet alleen een budgettaire verantwoordelijkheid van ons onderwijs. We verwachten van minister Homans dat ze een duit in het zakje doet vanuit haar bevoegdheid armoedebestrijding, van minister Vandeurzen om bij te dragen voor het luik

“Wat ons betreft is ze nu al begonnen! (lacht) Heel wat scholen en lokale besturen doen al fantastische dingen en denken verder na hoe ze stappen kunnen zetten. Maar natuurlijk willen we dat dit Vlaams beleid wordt. We willen ons plan dan ook laten goedkeuren in het parlement – de meerderheid overtuigen en een ruim draagvlak vinden. Daarom hebben we ook naar BV’s gezocht die ambassadeurs willen zijn van de refterrevolutie. Zo steunen Koen Wauters, Johan Boskamp en Peter Maes actief onze refterrevolutie.” Waarom engageert u zich persoonlijk voor een gezondere voeding op de scholen? “Een kind dat met een lege maag op de schoolbanken zit: dat raakt me. We zien dat gezond eten op school het probleem van de lege of ongezonde brooddozen structureel aanpakt, met betere schoolresultaten voor leerlingen die het thuis moeilijk hebben tot gevolg. Bovendien, ik ben zelf mama van drie kinderen. Zij vinden eten op school niet altijd lekker en aantrekkelijk terwijl ik bezorgd ben om de kwaliteit en evenwicht van hun dieet. Ik wil dat ze het eten op school lekker vinden terwijl ik er zeker van kan zijn dat het gezond is.” Wat hoopt u voor de toekomst? “Laat ons bewuster omgaan met voedsel. Op school, maar ook elders. Voedsel is de bron van ons leven en we gaan er zo respectloos of achteloos mee om. Onze boeren krijgen geen eerlijke prijs en het resultaat is altijd maar schaalvergroting. Dit zorgt voor ecologische problemen en vergroot de afstand tot ons voedsel nog meer. En natuurlijk hoop ik dat er in elke school in Vlaanderen een revolutie plaatsvindt in de refter!”

34

Inspiractie-nr05-v8.indd 34

15-2-2017 16:03:21


Inspiractie.indd 44

Inspiractie-nr05-v8.indd 35

5/06/16 08:20

15-2-2017 16:03:33


uITGElICHT

Laat je STEM horen Innovatief onderwijs in Vlaamse scholen In een complexe maatschappij als de onze is er een grote nood aan mensen met STEM-profielen, zo vindt de Vlaamse Regering. Om loopbanen in wiskunde, exacte wetenschappen en techniek te stimuleren, stippelde ze een actieplan uit: STEM. Dat letterwoord staat voor Science – Technology – Engineering – Mathematics en bundelt een waaier aan technologische en exacte wetenschappen. Vier jaar geleden kreeg het idee van STEM-onderwijs vorm. De bedoeling van het invoeren van STEM in de eerste graad is om leerlingen die normaal gezien doorverwezen zouden worden naar Latijn omwille van hun sterke leerprestaties, maar eigenlijk meer voeling hebben met wetenschappen en wiskunde, een goede plaats te geven op school. Met de toekomstige hervormingen in het secundair onderwijs wil de overheid de leerlingen in de eerste graad zoveel mogelijk in contact laten komen met eenzelfde, maar brede waaier aan leerdomeinen. STEM in een eerste jaar lijkt tegen het verbreden van de eerste graad in te gaan. Maar dat hoeft niet per se zo te zijn. STEM is een combinatie van wetenschappen en technologie, waar ook nog een hele waaier aan andere modules aan gekoppeld kunnen worden. De scherpste kritiek komt er uit de hoek van de technische

scholen. Zij vrezen dat STEM in het ASO vooral op hun leerlingen mikt en de TSO-richting Industriële Wetenschappen zal doen verzwakken. De scholen zouden volgens dezelfde sceptici ook niet over de juiste infrastructuur en de geschikte leraren beschikken om alle domeinen van STEM op een correcte manier in te vullen, een technische school heeft die wel. Maar scholen die vandaag al een STEM-klas hebben, laten weten enkel in te spelen op de behoefte die bestaat bij hun leerlingen en de noodzaak om mee te gaan met de tijd. STEM is juist bedacht om een antwoord te bieden aan al die richtingen in het hoger onderwijs waar een accent gelegd wordt op wiskunde, exacte wetenschappen, techniek of ICT, met als bedoeling dat afgestudeerden een wetenschappelijke of technisch georiënteerde job kunnen uitoefenen.

STEM op Lucerna Ondertussen heeft STEM-onderwijs al in meer dan 50 scholen in Vlaanderen een plaats gekregen, met groot succes. Ook de Lucernacolleges springen op de trein van de vooruitgang en geven in de eerste graad STEM. Inspiractie sprak met STEM-leraar Mehmet Yilmaz. Hoe bent u met STEM-onderwijs in contact gekomen? “In 2010 mocht ik van de directie een naschools roboticaclubje oprichten. Dit kreeg later de naam L-Botics. LBotics is officieel lid van de STEM-academie en is actief in Melle, Antwerpen, Brussel, Genk en Houthalen-Helchteren . Ik gaf woensdagnamiddagen twee uur lang roboticalessen aan interne en externe leerlingen. Maar eerlijk gezegd had ik toen het woord STEM nog nooit gehoord.” Toen u zelf nog op de schoolbanken zat, had u dan zelf ook graag STEM-onderwijs gekregen? “Ja, ik denk het wel. Ik ben nooit iemand geweest die urenlang stil kan zitten schrijven, luisteren of leren. Enkel met mijn handen werken doet het dan ook weer niet voor mij. Ik heb echt nood aan de combinatie van de twee. De theorie en de praktijk.” Wat betekent STEM-onderwijs voor u? “Heel kort betekent STEM-onderwijs voor mij projectmatig werken, leren uit je fouten (trial&error) en uitdagingen

36

Inspiractie-nr05-v8.indd 36

15-2-2017 16:03:38


op maat aangaan. Eerder evalueren op het leerproces dan op het eindproduct.” Hoe zien uw STEM-lessen eruit? Kan u wat meer uitleg geven over de pedagogische benadering van STEM-onderwijs? “Ik maak gebruik van de 4C-methode. Connect: Rekening houdend met de beginsituatie van de leerling starten met ‘low entry’, nieuwsgierigheid aanwakkeren en stimuleren om de intrinsieke motivatie te verhogen door een voorbeeld van hun dagelijks leven te geven. Laten zien dat wat ze gaan doen nuttig zal zijn voor hun verdere leven. Construct: Hands-on = Minds-on. Wanneer je constructies bouwt of werkt aan projecten met je handen ben je tegelijkertijd kennis aan het opbouwen in je brein. Contemplate: Reflecteren. Vragen stellen over verworven kennis, bewust maken van leerlingen dat ze nieuwe kennis hebben opgedaan en nu veel meer kunnen doen. Continue: Consolideren van de nieuw verworven kennis en vaardigheden door een vervolgopdracht of probleemstelling voor te leggen. Leerlingen uitdagen om in ‘the flow’ te blijven. Leerlingen uitdagen op maat.”

Leren met LEGO u engageert zich al enkele jaren bij lEGO Education. Waarom is uw oog op lEGO gevallen? Wat maakt dit product zo geschikt voor STEM onderwijs? “Door LEGO Education gaan kinderen spelenderwijs leren. Dat is al een groot pluspunt, want tegenwoordig is de motivatie aanwakkeren bij de leerlingen het knelpunt. Ook al denken leerlingen,dat ze meer gaan spelen dan leren. Maar wij zeggen altijd: wij spelen niet maar wij leren met LEGO. Achteraf tijdens de ‘contemplate fase’ met reflectie en feedback, laten we ze beseffen wat ze allemaal geleerd hebben. Met het LEGO Education-materiaal en de leermethodiek werken kinderen met handen en hoofd zodat ze creatief en probleemoplossend leren denken door samen te werken. Wel haal ik altijd aan dat LEGO Education producten eerder als tool kunnen gebruikt worden; dat je ze als hulpmiddel kan gebruiken in je lessen en niet een product dat je bijna elke les gaat gebruiken.” Bood lEGO Education een gespecialiseerde opleiding aan? “Ik heb in Billund (Denemarken) een opleiding gevolgd over LEGO Education. Die was specifiek bedoeld voor leerkrachten. Het was een “Teacher Trainer” opleiding.

Zelf ben ik vakwerkgroepverantwoordelijke Informatica en coördinator van de L-Botics naschoolse roboticaclubs in vijf vestigingen van Lucerna. Volgend jaar starten ook andere vestigingen met STEM, dus ideaal om mijn kennis over te dragen en te brainstormen met deze nieuwe STEM-leerkrachten. Moet elke leerling de lessen volgen, of is het een keuzevak? “Het is een keuzevak. Ze krijgen 2 uur per week STEM.” Hoe reageren de leerlingen op de lessen? “Tot nu toe heb ik alleen maar gemotiveerde leerlingen gehad. Soms hebben zij een schouderklopje nodig en dan zijn ze weer vertrokken.” Welke doelen heeft u voor ogen wanneer u met een nieuwe groep begint te werken? “Intrinsieke motivatie en externe motivatie aanwakkeren. Na elk project bewust leerlingen zelf aan het woord laten over wat ze allemaal gemaakt hebben en hoe ze aan die oplossing zijn geraakt. Hen bewust maken van hun kunnen en wat ze allemaal geleerd hebben.” Hoe houdt u ze gemotiveerd? Zijn er bijvoorbeeld wedstrijden? “Blijven uitdagen op maat. Het niet te simpel en niet te moeilijk maken. Hun projecten steeds verbeteren en kennis verwerven door deel te nemen aan verschillende wedstrijden. Op deze manier leren zij ook samenwerken en delen zij hun ideeën met anderen.” Wat vindt u van de kritiek van technische scholen op het STEM-onderwijs? Volgens hen is het technisch niveau onvoldoende en is het STEM-onderwijs in het leven geroepen om leerlingen van het TSO af te snoepen ten voordele van het aSO. “Onlangs las ik in het magazine Klasse dat 70% van de kinderen na hun 6de jaar voor het Algemeen Secundair Onderwijs kiezen. Dit kan ik niet veranderen als individu, maar wat ik wel kan doen is leerlingen die toch bij ons zijn warm maken voor Wetenschap en Techniek door de richting STEM.” Wat staat er in de toekomst nog op de planning? “Een bezoek brengen aan basisscholen en workshops geven aan leerkrachten over LEGO Education producten. Ik wil er voor zorgen dat leerlingen al op jonge leeftijd kennismaken met STEM.”

37

Inspiractie-nr05-v8.indd 37

15-2-2017 16:03:39


uITGElICHT

Levensbeschouwing op school Een grondwettelijk recht of een achterhaald concept? Er is de afgelopen jaren veel geschreven en gediscussieerd over de plaats die levensbeschouwing en religie in ons onderwijs moeten krijgen. Ons onderwijslandschap is opgedeeld in het officieel onderwijs dat door openbare besturen wordt ingericht: het GO! en het gesubsidieerd officieel onderwijs van steden en gemeenten; en het gesubsidieerd vrij onderwijs, ingericht door een private instantie. Daaronder valt het vrije confessionele onderwijs waarvan de katholieke scholen veruit de grootste groep zijn, maar ook de vrije niet-confessionele scholen, niet gebonden aan een godsdienst, zoals de methodescholen. Wij zetten alles nog eens op een rijtje.

Een debat over welke plaats levensbeschouwing in het onderwijs moet krijgen komt niet uit de lucht vallen. België worstelt al met die vraag sinds haar onafhankelijkheid in 1830. Tot 1846 kende de Belgische staat geen onderscheid tussen verschillende politieke partijen. Het is pas na het oprichten van de liberale partij in 1846 dat er een einde kwam aan het zogenoemde katholieke Unionisme. De liberalen behaalden in 1878 een meerderheid in het parlement en meteen was ook de eerste schoolstrijd geboren. Het zal de Wet Van Humbeeck zijn die een jaar later het rooms-katholieke monopolie op levensbeschouwing in het onderwijs radicaal doorbreekt. De Wet stelde dat de lessen godsdienst moesten wijken voor één neutraal vak zedenleer, dat moest onderwijzen over een universele moraal. Het godsdienstonderwijs werd voortaan overgelaten aan de familie of kon buiten de reguliere lesuren op uitdrukkelijk verzoek van de ouders nog onderwezen worden. Tot groot ongenoegen van de katholieke zijde.

Een grondwettelijk recht Lang zou de situatie niet standhouden. Al in 1884 haalt de katholieke partij een grote meerderheid in het parlement en nog datzelfde jaar worden de hervormingen van Van Humbeeck teruggedraaid. Het katholieke godsdienstonderwijs wordt opnieuw geïntroduceerd, met dat verschil dat er een mogelijkheid is een vrijstelling te krijgen. Wanneer in 1954 de kaarten opnieuw door elkaar worden geschud en de katholieke partij opnieuw in de oppositie belandt, geeft dat meteen aanleiding tot de tweede schoolstrijd. De schoolpactwet van 1959 is hier een rechtstreeks gevolg van. Alle leerlingen moeten een keuze maken uit een van de erkende godsdiensten, of uit de niet-confessionele zedenleer. Die gelijke behandeling van alle erkende levensbeschouwingen in de officiële scholen is nog steeds de basis van het huidige systeem. De schoolpactwet wordt in 1988 verankerd in de Belgische Grondwet als het befaamde artikel 24. In paragraaf 1 staat ondermeer: “Het onderwijs is vrij… De gemeen-

schap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.” Paragraaf 3 van artikel 24 wijst er dan weer op dat “…alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding.”

De poging van de Vlor tot meer actief pluralisme in het onderwijs werd op sterke kritiek onthaald door zowel katholieke als vrijzinnige belangengroepen.

In 2003 komt de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) met een voorstel om een nieuw vak in te voeren over ethiek en levensbeschouwing: levensbeschouwelijke oriëntatie. Dit als mogelijk antwoord op de leerlingen die jaarlijks een vrijstelling aanvragen voor een van de erkende godsdiensten of de niet-confessionele zedenleer. Volgens de Grondwet hebben de leerlingen die een vrijstelling krijgen ook recht op morele of religieuze opvoeding. Het zou een ‘levensbeschouwelijk neutraal vak zijn dat voldoet aan het concept van neutraliteit zoals bedoeld in artikel 24, §1 van de Grondwet’. De sociale en ethische grondslagen van onze democratische samenleving zouden het referentiekader worden voor de inhouden van het vak ‘levensbeschouwelijke oriëntatie’. De cursus zou worden opgebouwd uit vier grote velden: zinvragen en eventuele antwoorden, waarden en normen, mensbeeld en maatschappijbeeld en de ultieme zinvraag. Deze poging van de Vlor tot meer actief pluralisme in het onderwijs en een interlevensbeschouwelijke houding bij de leerlingen werd op sterke kritiek onthaald door zowel katholieke als vrijzinnige belangengroepen.

38

Inspiractie-nr05-v8.indd 38

15-2-2017 16:03:45


Dialoogscholen vs LEF Sommigen waren verbaasd, anderen vonden het dan weer een logische volgende stap toen het Katholiek Onderwijs Vlaanderen vorig jaar de hand uitstak naar de moslimgemeenschap en andersgelovigen. Voortaan gaan katholieke scholen hen een volwaardige plaats aanbieden in de scholen. Voor moslims betekent dat bijvoorbeeld het krijgen van een eigen gebedsruimte en de toelating een hoofddoek te dragen. ‘Het project van de katholieke dialoogschool vertrekt vanuit een christelijk mensbeeld van verbinding’, zo legt Lieven Boeve, hoofd van het katholiek onderwijs uit. ‘We kunnen er niet meer zomaar vanuit gaan dat we gemeenschappelijke waarden delen. Net daarom is het belangrijk om hierover met elkaar in gesprek te gaan. In de dialoog gaan we op zoek naar wat ons verbindt.’ De katholieke dialoogschool vertrekt niet vanuit het ik, maar vanuit het wij. ‘Van daaruit kan iemand dan tot een eigen identiteit komen. Iedereen die hieraan wil meewerken, is welkom in onze scholen’, voegt Lieven Boeve er nog aan toe. Met het aankondigen van de katholieke dialoogschool lijkt de katholieke tak van het vrij onderwijsnet zich sterk te maken om te voorzien in het eigen levensbeschouwelijk onderwijs. De kritiek dat het katholieke net zo moslimleerlingen wil afsnoepen van het gemeenschapsonderwijs legt Boeve naast zich neer. ‘De leerlingen zitten al in onze klassen, dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat ze zich ook welkom voelen.’ Dat het welbevinden van leerlingen belangrijk is voor hun studieresultaten weet ook moraalfilosoof Patrick Loobuyck, verbonden aan de Antwerpse universiteit. Elke inspanning in die richting is volgens hem een stap vooruit. ‘Het is belangrijk dat een school erkent wie de leerlingen zijn.’ Maar Loobuyck wil juist levensbeschouwing facultatief maken en een nieuw, verplicht vak invoeren met de naam LEF, kort voor levensbeschouwing, ethiek en filosofie. Hiervoor gaat hij verder in op het voorstel van de Vlor, rekening houdend met de kritieken. De inrichting van zo’n vak zou volgens Loobuyck het behoud van de levensbeschouwelijke identiteit niet in de weg staan, zodat ook het grondwettelijk recht op morele en religieuze vorming wordt gevrijwaard. ‘Er mag vrij initiatief zijn om levensbeschouwing in het onderwijs te organiseren, zolang men zich houdt aan de eindtermen en kwaliteitsnormen die voor alle scholen gelden. De school heeft het recht een levensbeschouwelijk vak en project uit te bouwen, naast het vak LEF’, aldus Loobuyck. Maar dan wel facultatief.

Religieuze minderheden Volgens critici is het systeem dat we vandaag kennen erg waardevol. Het confessioneel en levensbeschouwelijk onderwijs biedt een meerwaarde ten opzichte van het neutraal onderwijs, dat niet levensbeschouwelijk georiënteerd is. Het systeem in België van levensbeschouwelijke vakken die vandaag aangeboden worden op school is uniek in de wereld en houdt rekening met religieuze minderheden. Een meerwaarde die volgens critici niet onderschat mag worden. Hoewel zich daar volgens Loobuyck ook een merkwaar-

dige situatie voordoet. Het onderwijs voorziet binnen het christendom wel verschillende strekkingen – katholiek, protestants, anglicaans, orthodox – terwijl dat bijvoorbeeld voor de islam, waar er minstens een even grote diversiteit bestaat niet het geval is. De rectoren van de universiteiten van Gent en Brussel vragen zich af of het vandaag nog zinvol is afzonderlijke onderwijsnetten te hebben in Vlaanderen op basis van levensbeschouwing. En, of het niet beter zou zijn te evolueren naar één groot netwerk waar alle levensbeschouwingen tot hun recht komen?

Een algemeen pluralistisch onderwijs met een facultatief levensbeschouwelijk vak zou leerlingen meer op eenzelfde lijn brengen. Lieven Boeve zegt daarover: ‘Ik ben in principe niet tegen één onderwijsnet, zolang dat het het vrije net is.’ Niet onbegrijpelijk dat het Katholiek Onderwijs Vlaanderen niet staat te springen om mee te gaan in één pluralistisch openbaar net. Het katholieke net vertegenwoordigt 60% van de leerplichtigen voor het basisonderwijs en 75% voor het secundair onderwijs. 10% van die leerlingenpopulatie heeft een moslimachtergrond. De grondwettelijke vrijheid om onderwijs in te richten geeft ook het recht aan de moslimgemeenschap scholen op te richten. Als vrije gesubsidieerde scholen trekken zij nu paradoxaal genoeg aan hetzelfde zeel en willen artikel 24 van de grondwet gewaarborgd zien. Het katholiek onderwijs profileert zich vandaag als een katholieke dialoogschool. Volgens critici uit schrik om leerlingen met een moslimachtergrond te verliezen aan deze nieuwe scholen, naar eigen zeggen om die groep leerlingen een volwaardige plaats te geven op de schoolbanken. De katholieke dialoogschool ‘nodigt iedereen – christenen, moslims, joden, andersgelovigen, niet-gelovige humanisten – uit om in dialoog met elkaar op zoek te gaan naar het volle mens- en medemens-zijn. Vanuit haar opdracht brengt de school zelf in woord en daad op eigentijdse-tegendraadse wijze de christelijke stem in dit gesprek binnen.’ Voor sommigen legt de levensbeschouwelijke opdeling eerder de nadruk op het verschil tussen groepen. Een verschil dat vooral in het verleden gecreëerd is en vandaag in stand wordt gehouden door belanghebbende koepelorganisaties van de desbetreffende levensbeschouwingen. Een algemeen pluralistisch onderwijs met een facultatief levensbeschouwelijk vak zou leerlingen meer op eenzelfde lijn brengen. Voor anderen is het grondwettelijk recht om levensbeschouwelijk onderwijs in te richten heilig en juist vanuit dat geloof zou een sterkere dialoog met verschillende levensbeschouwelijke gemeenschappen tot stand kunnen komen.

39

Inspiractie-nr05-v8.indd 39

15-2-2017 16:03:51


InTERVIEW

Zomerschool voor jonge vluchtelingen lucerna Houthalen organiseert opvang en zomerschool voor jonge vluchtelingen. Martine Delorge is leerkracht Nederlands op het Lucernacollege Houthalen. Sinds 2014 is ze daar ook pedagogisch adjunct-directeur. Afgelopen zomer organiseerde Martine samen met de schooldirectie de opvang en zomerschool voor jonge vluchtelingen. Kan u meer uitleg geven over het initiatief van de opvang en zomerschool voor jonge vluchtelingen?

dat we hierin een rol moesten spelen.”

“In september 2015 opende een tijdelijk opvangcentrum in een voormalige legerkazerne in Houthalen-Helchteren. Dit centrum biedt ruimte aan ongeveer 600 vluchtelingen. Bij de opening van het centrum zijn we met een aantal leerlingen de vluchtelingen gaan verwelkomen. Sindsdien hebben we steeds een nauw contact onderhouden met het opvangcentrum. Zo is het idee gegroeid om voor de jongeren die in het opvangcentrum verblijven een zomerschool of taalkamp op te richten. Dat ging uiteindelijk door tijdens de eerste twee weken van de zomervakantie in juli 2016.

“De leerlingen kwamen gedurende veertien dagen telkens van 10u30 tot 14u naar het Lucernacollege waar zij opgevangen werden door twee begeleiders. Er werd voor iedere dag een gevarieerd programma uitgewerkt waarbij de begeleiders vooral op een speelse manier het Nederlands aanleerden aan de kinderen. Zo hebben de kinderen toneelstukjes moeten inoefenen, creatieve werkjes gemaakt met kranten, een stripverhaal gemaakt, we hebben een stadsbezoek georganiseerd, een film bekeken, heel veel taalspelletjes gespeeld, en nog een hele boel andere activiteiten.

Met spelletjes, film, uitstapjes en nog veel meer hebben we op het taalkamp geprobeerd de kinderen vertrouwd te maken met het Nederlands. Niet alleen de taal was belangrijk, maar ook – en vooral – dat de kinderen zich konden amuseren en even weg waren van dagelijkse beslommeringen.”

Op het einde van het kamp stond er een leuke trip naar Walibi op het programma. Dat vonden de jongeren een fijne afsluiter.”

Hoe zijn jullie op het idee gekomen om het kamp te organiseren? “Door de nauwe contacten met de begeleiders in het opvangcentrum. In overleg met het centrum werd het initiatief opgestart. Zo zijn we stap voor stap de mogelijkheden om een taalkamp te organiseren gaan onderzoeken. Als school vonden we

Hoe gaat het initiatief juist in zijn werk?

Wordt het initiatief door het hele lucernacollege gedragen? “Toen we op zoek moesten naar begeleiders voor het taalkamp, hebben we in eerste instantie het idee kenbaar gemaakt bij onze leerkrachten en bij hen gepolst of er vrijwilligers waren om de jongeren van het vluchtelingenkamp op te vangen op het taalkamp. De reacties van de leerkrachten op het initiatief

40

Inspiractie-nr05-v8.indd 40

15-2-2017 16:03:53


waren erg positief. We hadden heel wat vrijwilligers die zich één of meerdere dagen wilden vrijmaken om de jongeren te begeleiden. Uiteindelijk hebben we toch gekozen voor twee vaste begeleiders die de volledige veertien dagen het taalkamp zouden uitwerken. Zo hadden de jongeren een vast aanspreekpunt. Ook de algemene directie steunde natuurlijk het initiatief.” Waarom is het voor jullie belangrijk om zo’n initiatief op poten te zetten? “Als Lucernacollege vinden we het belangrijk om een brede school te zijn. Sinds verschillende jaren zetten we in op een goede buurtwerking en nauw contact met sociale partners. We vinden het belangrijk dat we als school geen afgesloten eiland zijn, maar deel uitmaken van de maatschappij. Uiteindelijk is het ook onze taak om de jongeren op te leiden tot kritische en verdraagzame burgers die hun plek in de maatschappij kunnen vinden. Het initiatief om een taalkamp te organiseren past dan ook perfect in het sociaal en maatschappelijk engagement dat wij als school aangaan. We zijn er ons van bewust dat het onderwijs immers een van de belangrijkste hefbomen is om sociale integratie te verzekeren.

op deze manier bieden we een opvang en opleiding voor de jonge vluchtelingen uit het centrum in Houthalen. Zij hebben in de onmiddellijke omgeving anders geen directe mogelijkheden om OKANonderwijs te volgen.” Is er een doorstroom voorzien van de zomerschool naar de reguliere klassen? “Vier leerlingen die na een jaar in de OKAN-klas het advies gekregen hebben om in de A-stroom te starten, zijn doorgestroomd naar de reguliere klassen van het Lucernacollege. We zijn ook erg blij om te zien dat ze het goed doen.” Wat hoopt u voor de toekomst? “Wij hopen als school nog te kunnen groeien en nog meer jongeren te kunnen inspireren. We zijn van mening dat het onderwijs een van de belangrijkste sleutels tot succes en integratie is voor jonge mensen en wij hopen dan ook in de toekomst een groot aandeel in dat succes te kunnen zijn. Want, zoals onze slogan het zegt, succes is niet toevallig.”

Ondertussen stellen we ook onze sporthal open voor vluchtelingen. Zij komen hier één keer per week voetballen.” Wat waren de reacties van de jonge vluchtelingen? “De reacties van de jonge vluchtelingen waren overwegend positief.” lucerna vindt de integratie van de school in de buurt erg belangrijk. Hoe reageert de buurt op jullie initiatief? “Toen de school op 1 september 2014 zijn deuren in Houthalen opende voor de leerlingen, reageerde de buurt in eerste instantie wat afwachtend. Maar al snel hebben we duidelijk gemaakt dat we een open school zijn. We hebben de buurtbewoners ook verschillende malen verwelkomd op onze school. Zo hebben we in samenwerking met het buurtcomité een brunch georganiseerd en was iedereen welkom op onze openingsreceptie. Die openheid heeft ervoor gezorgd dat we nu op goede voet staan met de buurtbewoners. Dankzij de goede banden en het vertrouwen dat we opgebouwd hebben, stond de buurt ook positief tegenover dit initiatief.” Gaan jullie ook volgende zomer opnieuw aan de slag met jonge vluchtelingen? “Indien de mogelijkheden er opnieuw zijn, zullen we dit initiatief zeker verder zetten. Sinds oktober hebben we ook een erkenning gekregen om OKAN-onderwijs te organiseren. Binnenkort richten we de eerste OKAN-klas in. Ook

41

Inspiractie-nr05-v8.indd 41

15-2-2017 16:04:01


aluMnI aan HET WOORD Naar goede gewoonte gaan we ook in deze editie van Inspiractie weer op bezoek bij een oud-leerling van het Lucernacollege. Hoe kijken ze terug naar hun tijd op de schoolbanken? Hoe ziet hun leven er vandaag uit?

Inspiractie sprak met

Fatima Laoukili

We ontmoeten Fatima Laoukili (22) in de gebouwen van de Antwerpse Universiteit. De examens staan voor de deur, maar in haar drukke studieplanning heeft ze even tijd vrijgemaakt voor een gesprek met Inspiractie. “Momenteel zit ik in mijn masteropleiding Sociaal Werk. Eerst heb ik een bachelor Orthopedagogie behaald aan wat vroeger de Plantijn Hogeschool heette. Na mijn bachelor wist ik al wel dat ik ook nog een master zou willen behalen; dan heb ik verschillende opleidingen bekeken en kwam ik bij de master Sociaal Werk terecht. Ik heb via een schakeljaar de overstap gemaakt van de hogeschool naar de universiteit. In het schakeljaar krijg je dan methodische vakken die je in de bacheloropleiding niet gekregen hebt.” In welk richting zat je op het lucernacollege? “Ik heb op het Lucernacollege van Antwerpen gezeten, daar deed ik Humane Wetenschappen.” Wist je zelf al wat je wilde gaan studeren na lucerna? “Ik wist dat ik iets in een sociale richting wilde doen, maar dat is ook wel erg breed natuurlijk. Ik wist nog niet of ik eerst een gewone bachelor wilde behalen in de hogeschool, of meteen naar de universiteit. Het was voor mij toch echt wel een moeilijke keuze. Het heeft tot september geduurd voor ik een beslissing heb genomen. Ik heb eerst verschillende opleidingen die me interesseerden naast elkaar gelegd, rond gehoord bij verschillende mensen met de vraag of ze die opleiding kennen, of ze andere mensen kennen die die richting studeren, ik ben naar infodagen geweest, kortom ik heb mij zo goed mogelijk geïnformeerd alvorens ik een keuze heb gemaakt.” Had je het gevoel dat het keuzeproces op het lucernacollege goed ondersteund werd? “Ja dat had ik zeker wel. Zo was er in het laatste jaar bijvoorbeeld les gegeven over de verschillende opleidingen en over het hoger onderwijs meer algemeen. Hoe zit alles nu juist in elkaar? Dat zijn vragen die je op dat moment echt wel bezighouden. Maar uiteindelijk blijft het wel een persoonlijke keuze die je zelf moet maken, en het is net dat wat het zo moeilijk maakt natuurlijk.”

42

Inspiractie-nr05-v8.indd 42

15-2-2017 16:04:09


Zit het sociaal werk bij jou in de familie? “Ik ben de oudste thuis en de eerste van ons gezin die nu de stap naar het hoger onderwijs heeft gezet. Mijn jongere zus zit nu ook in een sociale richting, dus die gaat mooi in mijn voetstappen treden (lacht). Ik heb wel enkele familieleden die een sociale opleiding hebben gedaan. Mijn tante is bijvoorbeeld maatschappelijk werkster.” Hoe verloopt de studie? “Het lukt, het moet lukken. Momenteel is het best wel druk nu de examenperiode voor de deur staat. Het masterjaar is ook drukker dan ik op voorhand had gedacht. Buiten de reguliere lessen komt daar nog het schrijven van een thesis bij en een heleboel kleinere opdrachten, papers en groepswerken. Maar ik heb een goede planning opgesteld en dus verloopt alles redelijk goed.” Was de overstap van het middelbaar naar de hogeschool een grote stap voor jou? “Langs de ene kant wel omdat je meer leerstof moet verwerken en je bent opeens een heel stuk vrijer dan je in het middelbaar was. Of je nu al dan niet naar de les komt, daarvoor moet je zelf je verantwoordelijkheid nemen. Met die vrijheid moet je leren omgaan. Maar langs de andere kant, ook in het secundair moet je veel studeren met tussentijdse toetsen. Ik had het gevoel dat ik als ik hetzelfde ritme zou aanhouden in het hoger onderwijs niet echt in de problemen zou komen. Ik was in de derde graad wel gewend om te werken met samenvattingen van de leerstof. Maar in het hoger onderwijs zit je al snel met boeken van zevenhonderd pagina’s. Voor mij werkte het beter om mijn studiemethode aan te passen en te leren studeren a.d.h.v. bijvoorbeeld slides en notities.”

Denk goed na wat je wil en wat je graag doet. als je die twee factoren combineert, dan kom je bij de studierichting uit waar je je goed gaat voelen..

Tips and tricks Hoe ziet jouw studentenleven er vandaag uit? “De examens staan voor de deur, dus het is nu net wat anders dan normaal. Na de examens heb ik een weekje vrij om te bekomen van de stress en hopelijk te genieten van de resultaten. Dan begint het echte schrijfwerk voor mijn thesis. Dat wil zeggen een strak schrijfschema aanhouden en dan komt het allemaal wel in orde.” Had je het gevoel dat lucerna je ook inhoudelijk goed had voorbereid op het hoger onderwijs? “De leerstof die ik had gezien in de Humane weten-

schappen kwam deels terug in het eerste jaar hogeschool. Het werd allemaal meer in de diepte besproken, maar het was wel herkenbaar, waardoor ik me meteen kon oriënteren in die materie. Op theoretisch vlak was ik zeker goed voorbereid. Ook de gesprekken die aan het einde van het zesde middelbaar gevoerd werden, praktische tips and tricks die ik kreeg van de leerkrachten hebben me erg geholpen.” Wat waren je verwachtingen over het hoger onderwijs na het middelbaar? Zijn die verwachtingen ingelost? “Aanvankelijk dacht ik dat ik er in het hoger onderwijs vrijwel alleen voor zou staan. Dat het zeer individueel werk ging zijn. Veel minder sturend dan in het middelbaar. Maar na enkele jaren op de hogeschool moest ik die gedachte wat bijschaven. Het hoger onderwijs is groter en breder, maar er is ook nog altijd een goede ondersteuning van de studenten. Je wordt niet gewoon losgelaten en je doet maar. Er is omkadering, projecten van leerlingen uit het tweede en derde jaar die nieuwe studenten begeleiden en wegwijs maken in het schoolgebouw. Er is dan wel weer een verschil tussen de hogeschool en de universiteit.” Moest je nu terug op de schoolbanken zitten. Wat zou je dan anders doen? “Voor de richting waarin ik nu zit was de keuze om Humane wetenschappen te volgen op het Lucernacollege een goede keuze. Wel had ik misschien wat meer wiskunde kunnen gebruiken. Dat bleek toch wel handig te zijn voor de methodische vakken, zoals statistiek, die ik aan de universiteit krijg.” Hoe kijk je terug naar je tijd aan het lucernacollege? “Het was een leuke tijd omdat ik een heleboel mensen heb leren kennen, medeleerlingen en leerkrachten. Het was natuurlijk ook wel hard werken om alles tot een goed einde te brengen. Ik kijk er tevreden naar terug. Ik heb ook nog geregeld contact met mijn vriendengroep van op het college.” Wat ga je na je studies doen? nog een andere richting studeren? “Je kan zo blijven studeren natuurlijk. De arbeidsmarkt vandaag vraagt ook ervaring. Dus hoe langer ik nog ga studeren, hoe langer het duurt voor ik die ervaring begin op te bouwen. Ik kijk er ook erg naar uit om in de praktijk te staan. Maar wat ik precies zou willen doen, dat weet ik nog niet.” Wat zou je nog willen meegeven aan de leerlingen die nu in het zesde jaar zitten aan het lucernacollege? “Je hoeft helemaal geen schrik te hebben om de stap naar het hoger onderwijs te zetten. Ik denk dat iedereen het kan. Als er een wil is, is er ook een weg. Denk goed na wat je wil en wat je graag doet. Als je die twee factoren combineert, dan kom je bij de studierichting uit waar je je goed gaat voelen. Het is ook niet erg om een verkeerde keuze te maken. Dat is normaal. Je kan vlot omschakelen naar een andere studiekeuze die jou beter ligt.”

43

Inspiractie-nr05-v8.indd 43

15-2-2017 16:04:23


Lucernacollege Brussel Industrielaan 31, 1070 Anderlecht T. 02/217 72 19 secretariaat.brussel@lucernacollege.be

Basisschool Lucerna Brussel Industrielaan 31, 1070 Anderlecht T. 02/521 82 98 secretariaat.brussel@bslucerna.be

Lucernacollege Antwerpen Stuivenbergplein 7, 2060 Antwerpen T. 03/677 15 61 secretariaat.antwerpen@lucernacollege.be

Basisschool Lucerna Hoboken Hendriklei 209, 2660 Hoboken T. 02/614 02 03 secretariaat.antwerpen@bslucerna.be

Lucernacollege Houthalen Huidevettersstraat 5, 3530 Houthalen T. 01/189 17 21 secretariaat.houthalen@lucernacollege.be

Basisschool Lucerna Genk Woudstraat 25, 3600 Genk T. 08/974 19 15 secretariaat.genk@bslucerna.be

Lucernacollege Melle Beekstraat 38, 9090 Melle T. 09/329 71 92 secretariaat.gent@lucernacollege.be

www.lucerna.be

Inspiractie-nr05-v8.indd 44

15-2-2017 16:04:23

Inspiractie Editie 5  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you