Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel

Page 1

Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Deze verzameling bevat volgende rubrieken: Honderd korte volksverhalen uit Londerzeel, Malderen, Steenhuffel (en Peizegem) De meeste warden verzameld en opgeschreven door meester Kamiel Baeyens uit Peizegem. Vijf langere verhalen met en hun historische raakpunten. - De verdwenen en verzonken kastelen van Londerzeel, Malderen en Steenhuffel. - De heks Roze Lappers en haar vriendinnen. - De Bende van de Vuile Voorschoot. - De betoverde katten van het Armemensenhof. - Fuivende Framassons op het kasteel van den Bouw.

2


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

100 VOLKSVERHALEN UIT LONDERZEEL, MALDEREN EN STEENHUFFEL

Bij 't zwakke licht van de oude haard Of glimmend uit de keukenstoof Verried ‘t verhaal het volk zijn aard, Zijn angst, zijn droom en zijn geloof Wie 't volk van nu begrijpen wil, Hij luistre naar de oude saag' Met open hart en ziel heel stil, Want gistren leeft nog in vandaag Vrijmetselaars (met muziek) door de lucht vliegend. Uit: Volkssage, volksgeloof en volksgebruik door Alfons de Cock, versierd met 77 platen, pag. 180. Antwerpen: Gust Janssens, 1918.

3

Kamiel Baeyens, Peizegem


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Ten Geleide In de jaargangen 1985 tot 1992 van het tijdschrift De Brabantse Folklore verschenen een groot aantal volksverhalen die door prof. dr. Stefaan Top van commentaar werden voorzien. Dezelfde heer Em. prof. dr. Stefaan Top ligt ook (mede) aan de basis van het project 'Op verhaal komen' dat zich voorgenomen heeft om “in het kader van de permanente ontsluiting van het cultureel erfgoed” zo’n 70.000 sagen uit heel Vlaanderen te digitaliseren. Op dit ogenblik zijn al samenvattingen van meer dan 10.000 verhalen op de website van de Vlaamse Volksverhalenbank (VVB) te vinden. Vanzelfsprekend verwijs ik de geïnteresseerden voor alle achtergronden over deze materie graag door naar: - de betreffende nummers van het tijdschrift De Brabantse Folklore, en - de website http://www.volksverhalenbank.be/index_nieuw.htm Uit beide bronnen heb ik – met toelating om ze hier over te nemen - de verhalen geselecteerd die op de deelgemeenten van groot-Londerzeel betrekking hebben. Ik ben zo vrij geweest om daar ook een paar sagen uit Peizegem (en meer bepaald uit de “achterste Boskant, de Steenhuffelstraat en de Bouw) aan toe te voegen. Dat grensgebied tussen Merchtem, Steenhuffel, Malderen en Buggenhout heeft zeer lang een aaneengesloten gemeenschap gevormd. De mensen uit de verschillende gemeenten hadden daar meer elkaar dan met hun respectieve dorpsgenoten uit het centrum gemeen De verhalen uit de Brabantse Folklore werden hoofdzakelijk door oud-onderwijzer Kamiel Baeyens uit Peizegem verzameld en geschreven. De verhalen uit de Vlaamse Volksverhalenbank werden in 1977 onder leiding van professor Tops verzameld door J. Wauters (in 1962), L. Smets (in 1963), maar vooral door mevrouw Nicole Coremans in 1977. Ze werden door mevrouw Katrien Van Effelterre genotuleerd. De gebeurtenissen waar ze naar refereren dateren doorgaans van het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. De vertellingen uit onze deelgemeenten wijken nauwelijks af van die uit de rest van Brabant en Vlaanderen,. Ze zijn in te delen in een aantal grote categoriën: Deel I Deel II Deel III Deel IV

Volksgeloof- en bijgeloof i.v.m. bovennatuurlijk geachte verschijnselen. Volksremedies tegen ziektes en andere ongemakken. Volksoverlevering: vertellingen over de oude tijd, meestal op ware feiten gebaseerd. Volkse humor.

Categorie I is misschien niet de belangrijkste maar wel de meest gestoffeerde. Ofschoon de inhoud elkaar kan overlappen heb ik de verhalen in volgende rubrieken ingedeeld; ik ga daarbij van kwaad naar erger. Rare snuiters 1 Framassons, Brabassons en hoe ze hun tijd passeerden Vervelende maar relatief ongevaarlijke plaaggeesten 2 Kludde of Klerre met zijn keet 3 De Witte Madam 4 Door de Maar bereden 5 Stallichten. Schrikaanjagende spokerijen 6 Spoken 7 Spoken op het kerkhof. 8 Spookkastelen. 9 De banende vrouw en andere Spookachtige natuurverschijnselen

4


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Waarlijk gevaarlijke toverij 10 Toveressen, Heksen, Tovenaars en de Kwade Hand. 11 Toverij in vreemde gedaantes. Een lot, erger dan de dood 12 Duivels 13 Duiveluitdrijving Iedereen die een aantal goed vertelde volksverhalen uit Londerzeel (en speciaal uit Londerzeel SintJozef wenst te lezen) moet zeker met “De Wereld van Soo Moereman” van Gerard Walschap kennis maken. Zowat alle thema’s die hierna behandeld worden komen daarin in al hun aspecten aan bod. Hier alvast de hoofdstuktitels... Eerste avond Van Anneke Waters die Lieneke van Asteren betovert. Hoe Lienekes lief, Gust Van Riet, daar achterkomt, zelf in de macht van de Boze geraakt, maar verlost wordt volgens de aanwijzingcn van Pater Ildefonsus. Tweede avond De reis van vader zaliger, die te Kobbegem 't Hof ter Bollen van de Spanjool bevnjdt, duzenden en duzenden stallichten dooft, Ossaart tegenkomt en de Bokkepoot van de kaarttafel doet verjagen met het SintJansevangelie. Derde avond Hoe vader zaliger bijna geradbraakt wordt door de frammessons en Vinus de Overlezer vaststelt dat Lieneke betoverd is in de derde graad. Van Asteren en Liza Voet vinden een kindeke en de oude koster ondervindt dat er met heksen niet te spotten valt. Vierde avond Verloop van Soo's bemiddeling bij Zijne Heiligheid de Pans ten voordele van Tiske De Greef, hoe Gust Van Riet met Kalfortkermis aan zijn einde gekomen is door een ontmoeting met de Witte Uffra, hoe Anneke Waters haar gangen gegaan heeft tijdens de cholera van ’t jaar 1867 en hoe Soo met Gods hulp verschillige levens heeft kunnen redden. Vijfde avond Hoe de Scheve Van Eenoogh van de cholera genezen wordt met zjenevel en hoe Fiel Aerts op reis naar Amerika maar tot aan de statie geraakt. De stichtelijke dood van Lieneke Van Asteren. Soo neemt Anneke Waters de zwarte kunst af, laat twee pastoors Vermeylen bij het sterfbed en, zelf van zljn naderend einde verwittigd, werpt Soo een blik op onze toekomst.

5


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Deel I – Volksgeloof en bijgeloof

Rare maar ongevaarlijke Snuiters 1. Framassons, Brabassons en hoe ze zich vermaken 1.1 Framassons in de slaapkamer. Een man uit Steenhuffel beweerde dat zes of zeven framassons 's nachts met mooie muziek over zijn bed sprongen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23177, nr. NCORE0732-0732, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

1.2 Framassons op ’t Hof van Pier Van Overstraeten De framassons verbleven ook op het hof van Pier Van Overstraeten in Merchtem. Die vlogen hier over de Kouter (Peizegem) naar hun vergaderingen. Die kon je van ver horen afkomen, als ze op weg waren. Dat was een muziek in de lucht. Het was meest op Kerstmis of op een andere hoogdag dat ze op zwier gingen. 'k Weet niet of ik jullie dat zou mogen zeggen, maar ja, als je denkt dat het niet mag, zeg het dan niet verder. Maar dat waren de beste vrienden van onze eerste pastoor, van pastoor Van Zeebroeck. Hij kon van hen alles bekomen. Hij ging ook naar Brussel bij de framassons, als hij het een of het andere moest hebben. Die mannen waren de bazen van 't land. "Wat kom jij hier doen?" vroegen ze hem dan. "Ah, ik kom jullie vragen wat ik moet hebben, waar ik recht op heb", antwoordde hij dan. "Ik Weet dat jullie mij dat zullen geven."En die mannen luisterden naar hem en hij kreeg wat hij wou. Ze zegden dat de framassons de pastoors levend zouden opgegeten hebben. Maar onze pastoor trok zijn stoute schoenen aan en kreeg wat hij vroeg. Dat was nogal een man, zulle! Op dat hof van Van Overstraeten zat kludde ook veel, daar in de grote wei en in het water. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Leonie H. (° 29.03.1889) landbouwster

1.3 Door hagen en heggen. De vader van Frans Haverals vertelde eens dat hij een heer en een dame gekend had die een knecht hadden. Deze had ondervonden dat zijn meesters konden toveren en had ze afgeluisterd. Op een avond had hij ze horen zeggen: “over hagen en heggen naar de wijnkelder van Leuven”, en - flits - weg waren ze. De knecht wilde dat ook eens proberen. Hij kwam ook in die wijnkelder te Leuven terecht, maar hoe! Zijn gezicht was vol bloed en zijn kleren gescheurd. Hoe kwam dat nu? Wel in plaats van “Over” hagen en heggen, had hij gezegd “Door” hagen en heggen... Het was niet te verwonderen dat hij helemaal “geschallotterd” was van dwars door doornenhagen en heggen te vliegen.

6


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

1.4 De tent van de Framassons. Een man was op een zondag in de herbergen 'De vuile voorschoot' en 'De hemel' gaan kaarten. Toen de man langs de Steenhuffelstraat terugkwam, hoorde hij orgelmuziek en gelach. De man zag een grote tent staan en ging er naar binnen. In de tent zaten chique dames en heren en jonge juffrouwen. De man werd vriendelijk ontvangen en mocht met de juffrouwen dansen. Nadat de man kreeg honger en besloot wat te eten. Vóór hij begon te eten, maakte hij een kruisteken. Het volgende ogenblik was het hele tafereel verdwenen en zat de man op een molshoop. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23017, nr. NCORE0640-0641, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

Ziehier het volledige verhaal... 1.4b De tent van de Framassons in de Biezenwei. Meestal zeggen de mensen framassons, maar sommigen zeggen daar ook brabassons tegen, maar dat is hetzelfde. Mang van Boerkes (Clement Luypaert) kwam een keer van de Steenhuffelstraat (Peizegem). Hij had daar in de Vuile Voorschoot en in de Hemel gezeten, twee herbergen dicht bij mekaar. Wat gekaart, wat gebabbeld en een pintje gedronken zoals dat 's zondags gaat, nietwaar. En hij kwam af langs dat baantje om aan Dalia's Juul (Jules De Nil) uit te komen. Maar aan de Biezenwei hoorde hij muziek, een orgel dat speelde, zingen, lachen, plezier maken. Hij zei: “Nu heb ik in de Vuile Voorschoot en in de Hemel gezeten, maar wat zie ik hier nu?” In die diepe weide stond een grote tent. Een ander zou gezorgd hebben dat hij weg was, maar... “Daar wil ik 't fijne van weten”, zei Mang en hij sprong over de gracht. Hij ging naar de deur en loerde eens naar binnen. Dat zat daar vol chic volk: meneren en madammen en jonge juffrouwen. Ze waren daar allemaal zeer vriendelijk tegen hem en hij mocht met de juffrouwen dansen. Toen hij zich zo'n poosje geamuseerd had en wijn gedronken, kreeg hij nog wat goesting om te eten. Daar stonden tafels vol met al wat goed was. Hij had al gezien dat de ene en de andere daar een stuk uit de vuist at, en Mang ging ook naar zo’n tafel. Thuis maakte Mang niet dikwijls een kruisje, maar hij peinsde: “Hier met al dat chic volk zal ik dat maar doen.” Hij maakte een kruiske en in een keer was alles weg en Mang zat op een molhoop. “Ha, zo zit dat hier”, zei Mang. Dat waren de framassons! Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pieter Van der Stappen (° 24.06.1905) landbouwer.

1.5 Twee bultenaars zagen op een avond in het Molenstraatje (Merchtemse Kouter) een tent staan. Er kwam een mooi meisje naar buiten, dat de bultenaars uitnodigde binnen te komen. De ene bultenaar ging naar binnen, maar de andere vertrouwde het zaakje niet en bleef buiten wachten. De bultenaar die was binnengegaan, mocht met de vrouwen dansen. Toen de dans was afgelopen, zeiden de vrouwen: "Wat zullen we deze man nu geven? We zullen zijn bochel wegnemen". De man bedankte de vrouwen en ging naar buiten, waar hij aan zijn vriend vertelde wat er was gebeurd. De tweede bultenaar wilde ook van zijn bochel verlost worden en ging ook naar binnen. Nadat de tweede bultenaar met de vrouwen hadden gedanst, zeiden deze laatsten: "Wat zullen we deze man geven? We zullen hem de bochel van zijn vriend geven, zodat hij in evenwicht is". Toen de tweede bultenaar naar buiten kwam, had hij zowel op zijn rug als op zijn borst een bochel. Dat waren de brabassons. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23018, nr. NCORE0641-0642, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

7


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

1.5b Framassons in 't Molenstraatje Er waren eens twee bulten. Hadden ze geen bult gehad, het zouden nog zo geen lelijkaards geweest zijn, maar nu... Op een avond kwamen ze eens door 't Molenstraatje en daar stond een tent. “Wat staat die hier te doen?” dachten ze. En terwijl ze daar stonden te denken wat ze zouden doen, een keer gaan zien of verder gaan, kwam een schoon meisje buiten. Kom, deed ze teken, kom maar binnen. De ene durfde meegaan, maar de andere bleef maar buiten wachten. Die daar binnengegaan was, werd daar door de ene juffrouw na de andere gehaald om te dansen, en hij amuseerde zich goed. Toen ze moe waren, zegden de juffrouwen tegen mekaar: “Wat zouden we deze jongen nu geven?” “Wel”, zei er ene, “we zullen zijn bult afpakken.” Zo gezegd, zo gedaan: ze namen die bultenaar zijn kas van zijn rug en hij was in ene keer een “pronte”, schone kerel. Hij bedankte de juffrouwen zeer en hij ging buiten waar zijn kameraad nog altijd stond te wachten. “Kijk nu eens”, riep hij naar zijn maat, “nu ben ik goed gevaren. “Verdomme zeg, gij zijt uw buit kwijt”, riep de andere, “'k zou ook eens willen binnengaan. En op datzelfde moment kwam er weer een juffrouw in 't deurgat die teken deed dat hij moest binnenkomen. Deze bult amuseerde zich ook goed met de "mokken”. En na een poosje vragen ze aan mekaar: “En wat zullen we deze nu geven?” “Wel”, zei de ene, “geef hem de bult van zijn maat, dan weegt hij aan weerskanten gelijk.” Ze pakten de bult van de eerste vast, die ze op een tafel gelegd hadden en zetten hem vooraan op de borst van de tweede. Toen hij bij zijn maat buiten kwam, was hij niet zo gelukkig en hij vertelde wat ze met hem gedaan hadden. “Trek het je niet aan, makker”, zei de andere, “nu ben je aan weerskanten gelijk. Dat is veel schoner...” “Dat waren de brabassons”, zei Viene van Peer van Leemans. Hij heeft het mij verteld. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Lievin Hermans (° 26.07.1905) arbeider in brouwerij.

1.6 Geen echte framasson. Op een kasteel (in de buurt van Merchtem) was een advocaat gestorven, over wie men vertelde dat het een tovenaar was. Die man was een vliegende framasson. Wanneer hij naar het parlement moest, vertrok hij slechts een kwartier vóór tijd en toch kwam hij nooit te laat. De man werd in de kerk begraven, dus zal hij toch geen echte framasson zijn geweest. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23159, nr. NCORE0725-0726, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

1.7 Framassons op het kasteel van den Bouw. Op den Bouw tussen Steenhuffel en Malderen stond er vroeger zo een kasteel. Daar woonde maar raar volk in. Die hadden geen goeie naam. Daar was dikwijls feest. Daar werd gedanst, gegeten en gedronken. De buren hoorden daar 's nachts altijd lawaai, precies of ze boven op dat kasteel zaten en daar was dan muziek en gelach als op een kermis. Dat waren de framassons die daar bijeenkwamen. Ze kwamen daar aan zo door de lucht gevlogen op een bezemsteel. En als ze vertrokken, zegden ze: "Over hoven, hagen en heggen naar 't kasteel van den Bouw.” En dan waren ze daar seffens. Er waren eens mannen die dat afgeluisterd hadden en ze wilden dat daar eens gaan bekijken. Dat waren echter geen geleerde mensen en die hadden dat zeker niet goed verstaan. Ze namen ook plaats op een bezemsteel en zegden: "Door hoven en hagen en heggen" in plaats van over hoven, hagen en heggen. En ze kwamen daar op den Bouw aan met kapotte kleren en hun armen en hun gezicht vol schrammen. De framassons hebben die kerels eens goed uitgelachen. Ze hebben nooit meer goesting gehad om dat nog eens te gaan afloeren. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Maria De Ridder (23.06.1899) landbouwster 8


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Vervelende plaaggeesten 2. Klerre met zijn keet 2.1 Ze hoorden een ketting rammelen. Enkele mensen die terugkwamen van de kermis in Londerzeel, hoorden in Westrode (gehucht van Wolvertem) een ketting rammelen. De mensen geloofden dat het Klerre was. Even later zagen ze echter dat er een hond met een ketting kwam aangelopen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 22693, nr. NCORE0445-0446, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

2.2 Klerre van ’t Molenstraatje. Een man die van Steenhuffel naar de Boskant (gehucht van Peizegem) was geweest om zijn vriendin te bezoeken, kwam terug langs het Molenstraatje. Daar werd de man vaak besprongen door Klerre. Hij moest Klerre dragen tot hij voorbij een poort kwam, met aan de bovenzijde een ijzeren stuk. De man heeft Klerre nooit gezien, maar hij moest hem vaak dragen. Klerre vertoefde vaak bij de Brabantse beek tussen Opwijk en Peizegem. Hij zag eruit als een grote zwarte hond met vurige ogen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23015, nr. NCORE0639-0640, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

Het hele verhaal volgt hier: 2.2 Pee van Leemans (Pier Hermans), woonde, toen hij een jongen was, op de Heirbaan in Steenhuffel. Maar hij vertoefde veel in de Boskant. Hij heeft er ook gevrijd en heeft ‘t grootste deel van zijn leven in de Kottekes gewoond, toen hij met zijn Pauline getrouwd was. Als hij naar de Boskant kwam, ging hij door het Molenstraatje. Dat was de kortste weg. Het Molenstraatje was vroeger zo’n diepe weg met twee bermen opzij en daar waren twee “bergenaf” in, als je naar de Heirbaan toe ging. Op een zondagavond in de donker ging Pee eens terug naar huis. En in ‘t diepste van het Molenstraatje sprong daar ineens Kludde op zijn weg. Ja, willen of niet, hij moest kludde dragen. Hij wou eerst nog wat tegenspartelen, maar kludde trok zo nijg aan zijn oren, precies of hij ze wou uittrekken. Hij zweette lijk een paard van kludde te dragen en van schrik. Toen hij thuiskwam op de Heirbaan, ging hij langs achter binnen. Daarvoor moest hij door een poortje met zo een ijzer boven. En toen hij daar doorstapte, was hij kludde kwijt. Pee van Leemans heeft dikwijls kludde gedragen, maar hij heeft hem nooit gezien. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Lievin Hermans (° 26.07.1905) arbeider in brouwerij.

2.3 Nog van kludde Groef (Jef De Groef) ging een keer op een tweede paasdag ‘s avonds langs Jean De Block (Steenhuffelstraat, Peizegem), Bloksken zoals ze nu zeggen. Hij zag zo een eindje voor zich precies een mens naar zich toekomen. Toen hij er nog zo'n dertig meter van was, was dat precies in ene keer een grote hond. En op zo'n tien meter werd dat ineens een groot bruin paard met ogen als vuur. Groef dacht: wat is dat nu? Dat is kludde! Ze gingen alle twee recht naar mekaar toe, kludde en Groef. En toen ze nog een stap vaneen waren en op mekaar gingen botsen, ging kludde ineens opzij voor Groef. Ja, dat was de eerste de beste niet, zulle! Die had van

9


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

niets schrik. Kludde kon zo van alle gedaanten hebben. Op ‘t Brusselbaantje (Peizegem) lag die dikwijls dwars over de weg en daar was hij altijd een paard. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Lievin Hermans (° 26.07.1905) arbeider in brouwerij.

2.4 Kludde was dood Een boerenknecht had op 't veld mest gevoerd en had zijn mesthaak vergeten mee te nemen naar huis. Het was op een zaterdag tegen de avond en hij ging zijn haar laten knippen. Toen zijn haar af was, dacht hij aan die mesthaak en hij ging door 't veld langs de kleine wegjes naar de plek waar hij gewerkt had om die haak op te halen. Hij zou niet graag gehad hebben dat hij gestolen was. Maar opeens sprong kludde daar op zijn rug en hij moest hem dragen. Hij ging verder naar dat veld, waar hij moest zijn en kludde liet hem doen. Nu kwamen ze op dat veld en opeens gooide die knecht kludde van zijn rug, greep zijn mesthaak en stak daarmee zo hard hij maar kon in kluddes lijf. Kludde begon te huilen en te kermen, maar die knecht deed maar verder tot hij niets meer hoorde. Kludde was dood. Maar het was de echte niet, 't was een valse. En nu wisten ze wie kludde nadeed. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Jozef Van der Ranst (° Steenhuffel 23.01.1910) landbouwer

3. De Witte Madam Gerard Walschap noemde haar de Witte Uffra en dat was zijn goed recht. Toch komen we dit verschijnsel veelvuldiger tegen als de Witte Madam. 3.1 De witte madam Mensen van de Boskant, die vroeger halve nachten deden op hun werk, kwamen met de laatste trein van Mechelen of Brussel. Die van de Kottekes (deel van de Middelstraat) en de Peizegemstraat stapten, als ze van Mechelen kwamen, veelal af in Malderen. Ze kwamen te voet af en gingen dan zo een eind door 't Buggenhoutbos. Daar resideerde de witte madam nogal. Ze liet zich ook dragen, net als kludde. Die zagen daar verschrikkelijk veel van af en zweetten als een paard. Als ze aan de draaiboom kwamen, zo een eindje voor de woning van Manken Van den Broek, daar liet de witte madam hen gaan en waren ze verlost. Dat moet een "kwaai ros" (gevaarlijk vrouwmens) geweest zijn, de witte madam. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Victor De Maeyer (° 04.01.1927) betonmaker

3.2 Nog van de witte madam Op de Steenhuffelstraat was er zo eens een die ze niet alle vijf had, geen echte zot maar toch zo'n "troeteken" (halve gare), een sukkelaartje, allez je verstaat me wel. Het was een duivenmelker. Hij had naar de molenaar een "bakzak" (hoeveelheid graan om brood te bakken) gevoerd om hem te laten malen en hij had meteen zijn duiven meegegeven voor Louis De Maeyer. 't Werd al wat donker, toen hij met zijn kruiwagen naar huis reed. Je weet, vroeger als de mensen met een kruiwagen reden die geladen was, duwden ze die voor zich uit, en als hij leeg was, trokken ze hem achter zich aan. Wel die snul reed ook zo met zijn kruiwagen achter hem naar huis. Toen hij aan Amedee Servaes was in de Processiebaan, voelde hij zo een snak aan zijn singel op zijn schouders en het was precies of zijn "bakzak" lag weer op zijn kruiwagen. Hij moest goed trekken. Hij keek eens benauwd over zijn schouders en zag zo iets wits zitten. "Voor je kijken", zei de witte madam die op zijn "berrewet" (kruiwagen) gesprongen was, "en geen streken uithalen, zulle, of je kunt me de hele nacht voeren. Gelukkig was het nu niet ver

10


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

meer. Ginds op 't einde van 't veldbaantje tegen Theofiel van Dikkes (Meskens) was de witte madam ineens verdwenen. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Louis H. (° 29.11.1905) landbouwer

3.3 Is dit de Witte Madam? Jammer genoeg kennen we niet het hele verhaal, maar in het Antwerpse deed het gerucht de ronde – of wa&s het een vaststaand feit - dat er te Londerzeel een vrouw op een brug stond, die iedereen in het water gooide. Misschien was dat ook wel de Witte Madam. Bron: De volkssage in de provincie Antwerpen in de 19de en 20ste eeuw, Volume 1, M. Van den Berg, blz. 626.

4. Door de Maar bereden 4.1 Duivenmelkers door de Maar bereden. Enkele duivenmelkers brachten hun dieren naar een man die bij het station van Opwijk woonde. De duiven moesten namelijk naar Noyon (Frankrijk) vliegen. Toen de mannen naar huis gingen, raakten ze verdwaald, hoewel ze de streek heel goed kenden. Toen het op de torenklok van de Boskant (Merchtem-Peizegem) drie uur sloeg, stonden de mannen in de Ravenstraat. De mannen liepen door het veld en waren in een mum van tijd thuis. Ze geloofden dat ze door de maar waren bereden. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23026, nr. NCORE0645-0646, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

4.2 Van de maar bereden Als er zo een wat “schots” doet, dan zeggen de mensen van tijd: “Die is zeker van de maar of van de maan bereden?” De Groef heeft ook eens iets vies voor gehad. Hij heeft eens een hele nacht in de Kouter rondgedoold en hij geraakte maar niet thuis. Hij kende de Kouter nochtans goed, beter dan zijn broekzak, zoals ze zeggen. ‘s Morgens toen het klaar begon te worden, kwam hij aan een huis, waar hij de weg ging vragen. Hij was er wel duizend keren geweest en toch herkende hij zich daar niet. Hij was bij Willockx in Steenhuffel. Die mensen zetten hem op de goede weg en hij was subiet thuis. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Kamiel L. (° 13.03.1907) hoofdonderwijzer.

4.3 Die is van de maan bereden De oude Keppens, de vader van Gust en Albert, was door de mist een keer verdwaald. Als hij al ik weet niet hoe lang gegaan had, kwam hij aan een huisje. En hij dacht: waar ben ik hier nu? En hij klopte op de deur. Hij hoorde daar binnen iemand roepen: “Wie zou daar nu nog zijn?” “Wie ben je?” vroeg een man binnen achter de deur. “Nel Keppens van de Middelstraat”, zei Frans. “Ik ben verdwaald in de smoor (mist). “Ach ja”, zei die man en hij wou al de grendel van de deur wegschuiven. “Niet binnenlaten zulle”, riep de vrouw, “want die man is van de maan bereden. 't Is goed om heel ons huis te betoveren”. Ze zegden hem waar hij was, ergens in de Steenhuffelstraat. En zeggen dat hij langs een heel andere kant moest zijn. En met veel moeite is hij dan toch nog naar huis gesukkeld. Mena was kontent toen haar man thuis kwam. Ze had al gedacht: waar blijft die zo lang zitten? Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Clothilde Keppens (° 11.09.36) huisvrouw.

4.4 In de sneeuw Staf van Groeves (De Backer) kwam eens van de (Brandewijn)Hoeve, daar vooraan in Steenhuffel. Het had gesneeuwd en hij werd van de maar bereden. Hij toerde twee keer rond de

11


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Kouter en geraakte maar niet thuis. Nie zat op hem te wachten en zei tegen haar meter: "Waar blijft hij toch?" Tegen de morgen kwam hij er aan, zo moe als een hond. Hij had de hele nacht gegaan. Op een kwartier had hij thuis kunnen zijn, had hij dat niet tegengekomen. Dat was ook iets vreemds. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Leonie H. (° 29.03.1889)

4.5 Het onbereikbare Sparrenbosken. De mensen moeten niet denken dat al die geschiedenissen over de Maar en zo al meer dan honderd jaar oud zijn. Dat er hier 70 jaar geleden ook nog onverklaarbare dingen gebeurden, is absoluut waar, verzekerde ons F.M uit S. Als klein meisje woonde ze op de hoek van de Steenhuffelstraat en de Bouw en in die tijd - we hebben het over 1933 of daaromtrent - heeft ze niet één keer, niet twee keer, maar verschillende keren de volgende vreemde zaken meegemaakt. Finne van Bertes, een wat ouder meisje uit de geburen, had het aan de longen, maar gelukkig niet zeer erg. Voor de zekerheid had dokter Willems haar toch veel gezonde lucht en in het bijzonder de heilzame atmosfeer van dennenbossen voorgeschreven. Een reis naar Zwitserland of zelfs maar naar de Ardennen zat er toen om diverse redenen niet in en daarom vergezelde F.M. de zieke bijna iedere dag op een wandeling naar het Sparrenbosken, een deel van Buggenhout-bos in de buurt van het Achterdenken. Nu mogen sparren niet met dennen worden verward, dat spreekt vanzelf, maar probeer binnen wandelafstand maar eens een verzameling dennen te vinden... Tot zover was er dus niks bijzonders aan de hand. Maar luister nu goed... want zie, nauwelijks hadden de meisjes de eerste stappen in dat bosken gezet of ze stonden pardoes - zonder daar ook maar de minste inspanning te moeten voor doen - terug aan de Konijnenberg, die ze zo’n 400 meter eerder gepasseerd waren. In de omgeving van die Konijnenberg is de populatie naaldbomen – zoals ingewijden weten - zeer beperkt en ze hadden daar dus eigenlijk niks te zoeken. Toch geraakten ze er de eerstvolgende uren niet meer weg... Dat voorval heeft zich, zoals we al zegden, meerdere keren herhaald. En telkens wanneer het gebeurde kwamen ze, na een tijdje ronddolen op een plek die ze blindelings kenden, een oud vrouwtje tegen dat daar in het bos varing aan het trekken was. Of dat een toverheks was is niet met zekerheid te zeggen, maar evenmin uit te sluiten. Wat er ook van zij, zodra dat vrouwtje hen in de gaten kreeg voltrok zich altijd weer hetzelfde ritueel. “Mannekes, hoe laat is’t ?” riep ze hen toe en zonder op een antwoord te wachten verdween ze daarna ongemerkt in het struikgewas. Of misschien keerde ze wel terug naar de hel, wie zal het zeggen? In ieder geval, pas nadat dat vrouwtje verdwenen was, en geen seconde eerder, wist ons tweetal de weg naar huis terug te vinden. Om dan nog naar het Sparrenbosken te trekken was het dan toch al te laat geworden. Bron: Door Louis De Bondt in 2005 uit de mond van de hoofdgetuige opgetekend.

4.6 Als je verdwaald bent 'k Heb jullie, geloof ik, al viermaal verteld van mensen die van de maar of de maan bereden waren. Spijtig dat die sukkelaars dat niet wisten, want nu heb ik gehoord wat je moet doen als je zo verdwaalt en niet meer weet waar je bent. Zie, als je dat zou voor hebben, wel dan moet je gaan zitten, een Onze Vader bidden en je bent verlost. Je weet weer waar je bent en je kunt naar huis gaan of waar je moet zijn. 'k Heb gedacht dat ik jullie dat moest vertellen. Je kunt nooit weten wat je in je leven nog tegenkomt. Een vrouw van in de 80 jaar heeft me dat geleerd. Die oude mensen weten meer dan je denkt. Bron: De Brabantse Folklore, door Kamiel Baeyens opgetekend uit de mond van Maria H. (° Opwijk 10.09.1891).

Alle voorafgaande verhalen over de Maar zijn vrij gelijkluidend. Hierna volgt echter een verhaal over een verschijnsel met dezelfde naam, dat toch iets helemaal anders is. 12


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

4.7 Door de maar bereden Persoonlijk heeft Frans Haverhals maar twee gevallen aan den lijve ervaren. Toen hij 13 jaar oud was werd hij eens door de “maar bereden”. Ge ziet het op u komen afgekropen; het ligt zo zwaar op u dat ge naar asem snakt. Men kan de “maar” weghouden door zijn blokken gekruist voor zijn bed te zetten, maar een mens denkt daar niet altijd aan. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

5. Stallichten. Dwaallichten kende men vroeger in Londerzeel en omstreken niet. Stallichten daarentegen... Ofschoon ik deze stallichten bij de vervelende plaaggeesten heb ingedeeld konden ze ook wel eens redelijk gevaarlijk zijn (zie 5.5). 5.1 Zigeuners In de bossen van Londerzeel waren enkele mannen bomen aan het omhakken, toen er plots een zigeunerwagen voorbijkwam. Precies op dat moment viel er een boom naar beneden, waardoor een oude vrouw omkwam. Sinds dat ongeval vertelde men dat in die bossen een spooklicht te zien was. Later ontdekte men dat het spookverschijnsel werd veroorzaakt door iemand die met een licht aan een stok stond te zwaaien. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23116, nr. NCORE0704-0704, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

5.2 Van een stallicht Jef Van der Straeten en Frans De Baerdemaeker kwamen eens van Merchtem op een avond. Op de (Steenhuffelse) Kouter zagen ze langs de kant van de Galgestraat een stallicht. "Als je geen kwaad gedaan hebt", zei Leontine van Assche eens bij ons, toen ik nog een kind was, "dan mag je naar een stallicht wijzen. Maar als je zo maar een halve bent, moet je oppassen. Want als je dan naar een stallicht wijst, dan staat de duivel opeens bij je." Frans De Baerdemaeker "deed ze bijeen" (had schrik). Hij had zo al van alles beleefd en hij durfde niet naar dat stallicht wijzen. Maar Jef Van der Straeten wel. En er gebeurde niets. Dit heeft Tine bij ons thuis zelf verteld. Tine was Jefs moeder. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Leontine Van Assche, huishoudster, vroedvrouw

5.3 Dit is een stallicht 't Was in de winter. De kinderen van Pier Hermans (uit de Steenhjuffelstraat) waren naar de school geweest, maar ze waren onderweg blijven glijden, voor ze naar huis kwamen. 't Begon al donker te worden, toen ze thuis kwamen. Boven Lamberts huis hadden ze een licht gezien, zegden ze. Pier ging eens kijken en hij zag het ook. "Maak dat jullie binnen zijt", zei hij tegen zijn kinderen. "Dat is een stallicht!" Ze sprongen dat ze binnen waren en deden alles op slot. Opeens hoorden ze een harde slag op de voordeur. Niemand durfde nog buiten gaan. 's Anderendaags was er een grote plaats in hun deur gebrand gelijk een hoefijzer. Jullie Vien weet dat nog zeer goed. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Livien Hermans (° 26.07.1905) brouwerijarbeider

5.4 Stallichten op de zweep Pier Hermans (geboren op de Heirbaan in Steenhuffel maar wonend in de Steenhuffelstraat te Peizegem) reed eens naar Brussel met rapen. In die tijd waren er nog geen wegen als nu: 13


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

meestal aardewegen en geen lichten langs de straten. De mensen moesten in het midden van de nacht van thuis vertrekken om 's morgens vroeg in Brussel te zijn. Opeens zat er op zijn zweep, waarmee hij zijn honden aanspoorde, een stallicht. En er kwamen er altijd maar bij. Hij kon zijn zweep niet meer opheffen, zoveel zaten erop. Maar ze hebben hem geen kwaad gedaan. Ze waren ineens allemaal weg. Hij had gelukkig zijn paternoster bij zich. Die zat altijd in zijn broekzak. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Livien Hermans (26.07.1905) brouwerijarbeider

5.5 En dat paard brak in tweeën "Jef, haal eens ons paard uit de wei", zei een boer van Steenhuffel tegen zijn knecht. En die gast deed dat. Hij ging naar de wei en riep dat paard: "Kom, Lis!" En het kwam tot aan de draaiboom. Jef deed de poort open, sprong op zijn paard en was weg. In de Plas waren ze toen bezig met buizen te steken langs de straat. Ze hadden al een gracht gemaakt om die buizen erin te leggen. "Vooruit Lis", zei Jef, "vooruit!" En Lis sprong om over die gracht te geraken. Maar dan is het gebeurd, iets heel raars. In een boom daar vlakbij zat een stallicht. En op 't moment dat dat paard over die gracht wou springen, brak het ineens in twee stukken en viel die knecht pal in de gracht. Dat is gebeurd aan de Plas in Steenhuffel en dat had dat stallicht gedaan. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Jozef Van der Ranst (° Steenhuffel 23.01.1910) landbouwer

14


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Schrikaanjagende spokerijen 6. Spoken 6.1 Overuren Tussen Londerzeel en Breendonk woonde een man die zijn baas bedroog door veel meer uren aan te geven dan hij effectief had gewerkt. Toen die man al een tijdje dood was, werd de baas op een nacht wakker door een geluid in de werkplaats. De geest moest terugkomen tot hij alle verzuimde werkuren had ingehaald. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 48288, nr. JWAUT0122-0122, verzamelaar: J. Wauters, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1962.

6.2 Aan dat kasteel van den Bouw Aan het kasteel van Op den Bouw zaten er altijd framassons, dat weet je wel. Maar in heel die buurt deugde het ook niet, daar toverde het altijd. Dat zat daar vol slecht volk. Die deugden daar voor niets. Je bleef daar best weg, als je er niet "per fors" moest zijn. En als je daar voorbij moest, deed je nog best een omweg, want je werd er steeds door geesten tegengehouden, zodat je niet vooruit kon. Dat heb ik gisteren nog horen zeggen. Bron: De Brabantse Folklore, door Kam.Baeyens opgetekend uit de mond van Leonie H. (°29.03.1889) landbouwster

6.3 Ja maar, ik ben het Drie oude juffrouwen van Steenhuffel, drie zussen - zo maar kwezeltjes - gingen iedere morgen naar de mis. In de winter was dat maar benauwelijk, want dan was het lang donker. Ze moesten voorbij het Armbosje. Op een keer sprong er een soort spook met een ketting aan zijn lijf uit dat bosje, vlak voor die juffrouwen. En bang dat ze waren! Ze liepen zo hard ze konden de kerk binnen. Dat duurde zo een paar dagen na mekaar, en heel Steenhuffel was er vol van. De mensen durfden bijna niet meer langs dat bosje passeren. Maar zo een grote, stevige man wou dat toch eens gaan bekijken. Met zijn blote handen riskeerde hij dat niet. Uit de elzenkant kapte hij een goeie dikke stok. Daarmee stapte hij op een morgen achter de kwezeltjes. Aan het Armbosje sprong dat spook weer voor de juffrouwen, die vlug wegrenden naar de kerk. Die man met zijn knuppel pakte al zijn moed bijeen en begon zonder ophouden op dat spook te kloppen. "Hou op, hou op", riep dat spook, "ik ben het, Peer." "Dat weet ik al", zei de andere, "daarom is het dat je een pandoering krijgt." En hij gaf dat spook nog een paar ferme meppen op zijn lijf. Een echt spook, een geest, daarop zou je niet kunnen slaan. Daar klop je los door zoals door de lucht. En die spokerij aan het Armbosje in Steenhuffel was gedaan en die drie juffrouwen konden nu zonder schrik 's morgens naar de mis gaan. En de andere mensen waren ook niet meer bang, als ze daarlangs moesten gaan. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Jozef Van der Ranst (° Steenhuffel 23.01.1910) landbouwer

7. Spoken op het Kerkhof Omdat het ene spook het andere niet is en omdat een spook in de buurt van een lijk toch altijd een paar gradaties angstaanjagender is, heb ik ze in een aparte onderrubriek gezet.

15


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

7.1 Van een die ze eens schrik wilden aanjagen Dat moet ooit in Steenhuffel gebeurd zijn, waar ik nu over zal vertellen. Daar was een mens gestorven, een man die nogal een wildebras geweest was. We zullen hem maar Sooi noemen. 't Was in die tijd nog het gebruik dat de buren bij een dode gingen waken, zolang het lijk nog boven de aarde lag. Onder die buren waren nogal eens "schuwe" (rare) burgers, en omdat die dode ook maar een "vies man" (een eigenaardige kerel) geweest was - met een serieuze mens zouden ze dat niet gedaan hebben - kwamen ze overeen om Tist, die nogal graag dronk, eens schrik aan te jagen. Ze vroegen hem of hij de eerste nacht wou waken. Hij zou de fles jenever, die anders voor drie, vier man was, voor hem alleen krijgen. "Met veel plezier", zei hij. "Kom dan maar tegen een uur of tien", zegden ze. Zij zouden waken van acht tot tien. En dat deden ze ook. Zo rond kwart voor tien kroop er een van die mannen in het bed achter het hoofd van die dode. Daar brandde maar een kaarsje, en als je van niets wist, kon je dat niet zien. Wat later stond die dronkaard in de kamer. "Alla Tist, tot morgen", zegden die andere mannen. "Ja", zei Tist. Tist nam de ene slok jenever na de andere en op het einde had hij al een goed stuk in zijn kraag. Nu is het moment dacht diegene die bij die dode in bed lag. En terwijl Tist weer een slok nam, zei die andere: "Als men bij een dode waakt, mag men geen jenever drinken" en hij duwde dat lijk wat omhoog. "Wat", zei Tist, "wat, ik zou nog geen druppel mogen drinken? Weet je wat, Sooi, als je dood bent, moet je, godver, blijven liggen!” en hij gaf dat lijk een goeie klap rond zijn oren. Gelukkig viel die zatterik een poosje daarna in slaap en kon die andere, die zelf bijna in zijn broek gedaan had, uit dat bed komen. Hij ging zijn kameraden vertellen wat hij meegemaakt had. 's Morgens gingen ze zelf weer waken en iemand deed de dronkaard naar huis. Hij ging overal vertellen wat hij beleefd had. Later is het uitgekomen hoe dat precies in mekaar zat. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pieter Van der Stappen (° 24.06.1905) landbouwer

7.2 Een levend graf te Peizegem Op het kerkhof van Peizegem was een graf verzakt. De mensen waren daardoor zo onder de indruk dat ze van Steenhuffel en van de streek rond Vilvoorde naar het graf kwamen kijken. Men vertelde zelfs dat de bloemen die 's nachts op het kerkhof lagen, er overdag af vielen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 22236, nr. NCORE0151-0151, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

Er bestaan nog een paar andere varianten van dit waar gebeurde verhaal. 7.2b Op het kerkhof van Peizegem was de grafsteen van een jong gehandicapt meisje omhoog gekomen. Talloze mensen kwamen van heinde en ver naar het graf kijken. Wellicht was de grafsteen omhoog gekomen door het gewroet van een mol. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23179, nr. NCORE0733-0734, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

7.2c Op het kerkhof van Merchtem lag een ongehuwd meisje begraven. In 1928 of 1929 was de grafsteen zo erg omhoog gekomen dat het dode meisje bijna met haar voeten bloot lag. De pastoor heeft de grafsteen een beetje naar beneden gedrukt. Van heinde en ver kwamen de mensen naar deze spookverschijning kijken Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23153, nr. NCORE0721-0722, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977, relatieve datering, 1928-1929.

En nu een langere versie... 16


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

7.3d Van een graf dat omhoog kwam Er was een jong meisje gestorven ze was van de Galgestraat. De familie had dat graf zo een keer gekuist en weer wat opgehoogd, zoals de mensen nu doen tegen Allerheiligen. Vroeger werden de graven niet zo goed onderhouden als nu. Er was op dat graf daarna ook gras gegroeid zoals op de andere. Op een keer viel het iemand op dat dat graf niet zakte. Dat was toch vreemd. Dat werd voortverteld en de ene na de andere ging daar eens gaan kijken. Dat werd zo bekend tot in de naburige parochies. Er kwam steeds maar meer en meer volk, ja ook vreemdelingen. Dat kwam ook ter ore van de mannen van Het Laatste Nieuws, en die kwamen ook eens zien en luisteren wat er zoal verteld werd. In die tijd woonden er hier zo een paar "charels", die niet graag werkten en veel tijd hadden: Frans De Baerdemaeker, Desiré Kets, Alphons Luypaert. En die deden er nog wat bij, zodat dit in Het Laatste Nieuws in 't lang en in 't breed uitgelegd werd. De Baerdemaeker had altijd zijn meter bij zich. "Ja, vannacht is het weer twee centimeters omhoog gegaan", had hij gezegd. Zo geraakte de Boskant in heel België bekend. Dat werd toch een beetje erg. Er waren mensen die gras en aarde van dat graf meenamen als relikwie van dit heilig meisje. En pastoor Schuermans, die toen hier pastoor was, Wanneske werd hij genoemd, die deed dat graf "afsteken" door Jef Ballon, die in die tijd grafmaker was. Dat graf kwam niet meer omhoog en het geloop was voorbij. De herbergen hadden wel spijt, want zij hadden een tijdje veel pinten getapt. 'k Denk dat dit al meer dan veertig jaar geleden is, maar dat weten ze nog op veel plaatsen. Onlangs heb ik de koster horen uitleggen hoe dat moet gegaan zijn. Die familie moet niet meer juist geweten hebben waar dat graf was en een nieuw grafheuvelke tussen twee graven gemaakt hebben. Die graven zakten en dat grafheuvelke bleef, en zo was dat alsof dat omhoogging. En als dat errond nog plat gelopen werd, zou je gezegd hebben dat het nog hoger geworden was. Ja, dat zou wel eens waar kunnen zijn. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens. Algemeen gekend in de kindertijd van K. Baeyens

8. Spookhuizen- en kastelen 8.1 Een man uit Londerzeel moest voor een ondertrouw naar Steenhuffel. Toen de man bij een spookkasteel kwam, wilde zijn paard plots niet meer voort. Bij de poten van het paard lag een arm. In het kasteel hoorde de man gelach. De man werd met een boerenkar over de gracht gezet en kon dan weer voort. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 22331, nr. NCORE0216-0216, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977; relatieve datering: 1890.

9. Banende vrouwen, spokende natuurverschijnselen 9.1 De barende vrouw. Mensen die de dokter moesten halen omdat er een vrouw moest bevallen, raakten onderweg vaak verdwaald. Een man (uit Peizegem) die om die reden naar Steenhuffel moest gaan, zag onderweg de struiken allemaal tegen de grond vliegen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23147, nr. NCORE0719-0719, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

9.2 Op een plaats in Steenhuffel spookte het zo erg dat de takken van de struiken er tegen de grond sloegen.

17


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23041, nr. NCORE0653-0653, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

9.3 De banende vrouw 'k Heb al verteld van de "barende" vrouw. Wel, ze zeggen daar ook de "banende" vrouw tegen. Zo heb ik ze laatst horen noemen. Die kan de bladeren in de stallen, waarmee de koeien gestrooid waren, omhoog doen vliegen precies of het stormde. Maar in 't veld heeft die (vrouw) ook toeren gedaan. Die nam zo hele bussels klaverzaad op, die daar te drogen stonden, en wierp die - ik weet niet hoever - weg, ja wel honderd meter. Als die ros een keer voorbij kwam, kon je naar je bussels klaverzaad zoeken, die al voor meer dan de helft gedorsen waren. 't Schijnt dat de "banende" vrouw klaverzaad noch horen noch zien wilde. Maar soms konden de tienlingen van 't graan (tien bussels) ook hun deel krijgen, precies of ze die met haar klein vingertje kon oppakken en in de lucht doen vliegen. De "banende" vrouw kon zo ineens een furie krijgen. Als het in de zomer zo heet en laf (warm en vochtig) weer was en zo wat veranderlijk, dan moest men oppassen. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Maria De Ridder (° 23.06.1894) landbouwster

9.4 Ik denk dat dat terugkomt Zie, gisteren heb ik horen zeggen hoe dat precies in mekaar steekt als de "banende" vrouw haar furie krijgt. Die doet de lucht zo bijeenkomen en die begint dan te draaien. Je ziet dat zeer goed. Dat wordt steeds groter en groter. En overal waar dat voorbijkomt, pakt dat alles mee tot daken van huizen toe. Als je dat ziet aankomen, maak dan maar een kruisje. Hier in de Boskant heeft de "banende" vrouw eens een heel platendak van een werkhuis meegepakt. En je kunt niet denken waar ze daarvan stukken gevonden hebben. In Steenhuffel in de Plas! Niet te geloven hé? En toch is het waar. Ik denk dat die rare dingen van in de oude tijd allemaal terugkeren. Er is veel te veel slecht volk op de wereld tegenwoordig, hier zowel als elders. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Leonie H. (29.03.1889) landbouwster

9.5 Vreemde kruisen. In het jaar 1604 of daaromtrent zag men in gans de streek kruisen van allerhande grootte verschijnen. Zij stonden niet alleen in de lucht, maar ook op de kleren van de mensen en in het bijzonder op linnengoed zoals hemden, hoofddoeken, servetten en lakens. De kruisen waren van verschillende kleuren, meestal op bloed gelijkend en zij konden niet verwijderd worden met te wassen ... Bron: uit een voordracht, gegeven op 21 juni 1998, door Marcel Slachmuylders, ter gelegenheid van de voorstelling van zijn boek “De Kroniek van Londerzeel”.

18


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Waarlijk gevaarlijke toverij 10. Toveressen, Heksen, Tovenaars, de Kwade Hand Onze streek is altijd goed voorzien geweest van heksen en toveressen. Misschien zijn er nu nog. Eén van de meest illustere was zeker Anneke Waters van Londerzeel Heide. Die stamde uit een nobel maar helaas verdoemd geslacht. Gerard Walschap heeft veel over haar geschreven en dat mogen we niet zomaar overnemen. Gelukkig zijn er nog voorbeelden genoeg. We beginnen- ere wie ere toekomt - met Roze Lappers, die heel Buggenhout, Steenhuffel en Malderen voor haar rekening nam. Ze was de laatste grote “zwarte” toverheks van de streek. Roze woonde op de grens van Steenhuffel en den Boskant. In de Steenhuffelstraat of in de Boskantstraat, zo precies is dat niet meer geweten. Veel maakt het trouwens niet uit want vroeger was dat toch een buurt die op zijn eigen leefde. De bomen van het Buggenhout-bos wierpen daar sombere schaduwen op de scheve lemen huizekens en in de ziel van de mensen die er woonden. Van hen komen de volgende verhalen (zie ook deel 2). 10.1 Van Roze van Lappers Nu zijn er geen toveressen meer, maar vroeger wel. De laatste die hier was, was Roze Lappers. Die had dat geërfd van haar moeder, Nelle Lappers, die reed 's nachts op een varken. Van Roze Lappers weten de mensen nog het ene en het andere te vertellen. Pee van Leemans (Pier Hermans) was ook een “kafman”. Die kocht kaf van haver op de grote boerderijen tot in Zellik toe. Dat kaf werd gewand en dan verkocht om in beddezakken te steken. Roze Lappers had bij Pee van Leemans ook eens kaf besteld, en Pier voerde dat weg met zijn hondekar. Een van zijn kinderen, Belske, mocht meegaan. 't Was die dag zeer koud en ze gaf Pier een warme kop koffie. “En hier voor dat ventje ook een”, zei ze. En ondertussen streek ze eens over dat manneke zijn hoofd. Een dag of twee daarna was Belske ziek, zo ziek, dat er een dokter moest gehaald worden. Maar de dokter kon er geen kop of staart aan krijgen. Dat kind vermagerde dat je het zag. En op een keer kroop er een grote spin uit zijn bedje, zo groot als 't bovenste van een pint. Ze zegden dat tegen de dokter, toen die nog eens kwam, en hij zei: “Daar kan ik niets tegen doen. Daarvoor moet je naar de paters gaan.” Ze gingen naar Dendermonde, en de pater die bij hen kwam, zei: “Zie, wij kunnen iets doen, maar jullie moeten ook iets doen. Ga bij de toveres en zeg dat ze de toverij van dat kind moet wegnemen.” Pee is dan met Belske bij Roze Lappers geweest en Roze deed wat hij vroeg. Heksen doen die toverij niet altijd voor hun plezier. Dat moeten ze doen, dikwijls tegen hun goesting. Daar kunnen ze maar alleen vanaf geraken door te sterven. Had ze dat niet gedaan, Pee had haar doodgeslagen. En wat later was Belske genezen. Hij leeft nog altijd. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Livien Hermans (° 26.07.1905) brouwerijarbeider

10.2 Nog van Roze Lappers Pee van Leemans en zijn broer Do (Steenhuffel) kwamen een keer van de Boskant, nadat ze met de duiven gespeeld hadden. In de Middelstraat aan de Brusselaar (Henri Laenens) vloog plots iets tussen Do zijn benen door. “Wil je wedden dat dat Roze Lappers is?” zei Do. Wat verder zagen ze een grote zwarte kat met ogen als kolen vuur. “We moeten iets doen of we hebben het aan ons been”, zei Do. “Maak een kruisteken,” zei Pee. Ze deden dat en de kat was weg.

19


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Lievin Hermans (° 26.07.1905) arbeider in brouwerij

10.3 Opnieuw van Roze Lappers Bij Sus Bol (Meskens) is het ooit nog herberg geweest. Ik ben daar, toen ik nog jong was, nog binnen geweest. Dat heette daar “In de Meiboom”. Daar is vroeger ook nog een winkel geweest. Maar dat heb ik nooit geweten. En Mena Keppens, dat was de halfzuster van Sus Bol, die heeft daar voor ze getrouwd was, nog geholpen. Eén van de klanten van Sus Bol was Roze Lappers, een uit de Steenhuffelstraat. Daar is al over verteld. Als die naar de winkel kwam, ging ze altijd naar de kinderen eens kijken, en iedere keer waren die sukkelaartjes 's anderendaags ziek. “Die zou ik toch niet meer binnen laten”, zegden de mensen tegen Sus en Treze, zijn vrouw. “Dat is een toveres.” “Je kunt dat toch zo tegen haar niet zeggen”, zei Sus. Ze dachten eens goed na en ze hadden het gevonden. Ze staken een gewijde kaars onder de dorpel. Maar het was net of Roze dat geraden had en ze ging langs achter binnen. 's Anderendaags was er weer een kind niet goed. En dan staken ze onder de dorpel van de achterdeur ook een gewijde kaars. En Roze is bij hen nooit meer over de dorpel of op hun hof geweest. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Clothilde Keppens (° 11.09.1936) huisvrouw

10.4 Van betoverde kinderen en Roze Lappers Bij de vrouw van Viene van Pier Leemans in Steenhuffel hebben ze achttien kinderen gehad. Daarvan zijn er zeven gestorven. Die werden allemaal ziek, nadat Roze Lappers daar binnen geweest was. En toen er zeven dood waren, dacht hun vader dat dat Rozes fout moest zijn. En toen hij haar eens tegenkwam, zei hij haar: “Roze, je mag nooit meer over mijn dorpel komen. Als je het nog een keer riskeert, sla ik je dood.” Roze zag dat die man dat meende en dat hij het zou gedaan hebben ook. Ze vroeg hem niet waarom of iets, en ze bleef stilletjes buiten dat huis. Ze is er nooit meer binnen geweest en de elf andere kinderen zijn allen groot geworden. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Livien Hermans (° 26.07.1905) arbeider in brouwerij

In de Vlaamse Volksverhalenbank staat het zo: 10.4b Bij een gezin in Steenhuffel had men achttien kinderen. Zeven kinderen stierven aan een ziekte die ze hadden gekregen nadat er een vrouw op bezoek was geweest. De man ging naar die vrouw en zei: "Jij mag nooit meer bij mij over de drempel komen, want anders sla ik je dood!" Daarna is die vrouw niet meer op bezoek geweest. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23031, nr. NCORE0649-049, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

10.5 Neeles Dokes van de Over de Beek Toen Frans Haverals een jongen was heeft hij zijn vader ‘s avonds rond de haard heel veel horen vertellen over heksen, spoken enz. Iedereen geloofde toen aan die dingen en de meesten onder hen, zijn vader zijn nonkels enz., hadden ze trouwens zelf ondervonden. Hij zelf had nog een heks gekend, Neeles Dokes, van Over de Beek te Steenhuffel die zich vooral bezighield met het boteren te doen mislukken. Het was echter gemakkelijk die boze plannen te verijdelen door een takje gewijde palm onder de dorpel te leggen. Vergat men die voorzorg en zat men met miserie in stal en zo, dan ging men bij de paters naar Dendermonde. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

20


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

10.6 Partinne van den Haan. Vóór de eerste wereldoorlog woonde er op de Haan een speciale vrouw die doorging voor Heks. Men noemde haar de Partinne. Iedereen wist haar huis staan en vermeed van er langs te komen. Het werd een toponiem, maar het is na het overlijden van de vrouw vergeten geraakt. Bron: Toponymie van Steenhuffel, J. Vertonghen en L. Verhasselt, 1971.

10.7 Een toveres uit Steenhuffel In Steenhuffel woonde een vrouw over wie men vertelde dat ze een toveres was. Die toveres greep de kinderen brutaal vast, waardoor ze wel drie weken huilden. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23170, nr. NCORE0730-0730, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

10.8 Nog een toveres uit Steenhuffel Een vrouw uit Steenhuffel had een kind betoverd, waardoor het de hele tijd huilde. Uiteindelijk heeft het kind dan toch opgehouden met huilen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23172, nr. NCORE0731-0731, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

10.9 En alweer een toveres uit Steenhuffel Op een boerderij in Steenhuffel lagen alle dieren dood. De boer geloofde dat een oude toveres dat onheil had veroorzaakt. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23168, nr. NCORE0729-0729, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

10.10 En nu naar Londerzeel Op een boerderij in Londerzeel stierf iedere week een dier. Een pater uit Dendermonde kwam de stal overlezen en gaf de boer de raad om de stal helemaal schoon te maken en te ontsmetten. Daarna had de veehandelaar geen problemen meer met zijn dieren. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 22240, nr. NCORE0152-0153, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

10.11 Nog altijd in Londerzeel In Brussegem kwam een voddenraapster uit Londerzeel. Veel mensen waren bang voor die voddenraapster omdat ze geloofden dat ze een toveres was. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 22797, nr. NCORE514-0515, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

10.12 We blijven in de buurt van Londerzeel Op de weg van Londerzeel naar Breendonk kwam men voorbij een toveres. Daarom gingen de meeste mensen langs Londerzeel-Heide. Een boer die lachte met de angst van de mensen en toch voorbij het huisje van de toveres liep, kreeg daarna wekenlang de kwade hand in zijn stallen. Alle dieren werden ziek en stierven. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 48361, nr. JWAUT0152-0152, verzamelaar: J. Wauters, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1962.

10.13 Inleiding tot de Hexologie Een zwarte madam was een toveres. Zo kon een zwarte madam de kwade hand over iemand brengen. Dergelijke mensen werden dan ziek. Als er een toveres in de stallen was geweest en als er daarna een koe ziek werd, dan gingen de mensen op bedevaart naar Diegem, Leest of Londerzeel. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23271, nr. NCORE0795-0795, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

21


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Ik eindig deze rubriek met verhalen die zodanig waarachtig zijn dat ze in de archieven van onze lokale schepenbanken en later in de klachtenboeken van de champetter terecht gekomen zijn. Ik zal daarbij een chronologische volgorde respecteren. 10.14 Tovenaar stuurt zijn kat Jeroom Beeckman en zijn vrouw werden beschuldigd van toverij en tot driemaal toe, bij kerkgebod opgeroepen om zich voor de vierschaar van Londerzeel te komen verantwoorden, maar ze stuurden hun kat. Er is niet meegedeeld of dat een zwarte was. Toen meier Willem Vorsthuijs zich op 3 november 1603 naar hun woning op de wijk "Den Berg" begaf, waren zij op de vlucht geslagen en verdwenen. De meier nam, zoals dat de gewoonte was, allé goederen in beslag die in hun armoedige verblijfplaats gevonden werden. Dat waren een gescheurde deken en twee versleten lakens, een slechte tijk, een vuile kussensloop en een kast. Verder werden er onder meer ook nog een wiel, een vijzel, drie hespen, een kapotte ketel, een houten schotel, een buidel met rogge, een hekel, een zoutvat, een aarden kom, een val, een schop, een vlegel en twee lege bijenkorven aangetroffen... Geen vliegende bezemstelen dus, maar die hadden de vluchtelingen misschien meegenomen. Bron: naar een voordracht, gegeven op 21 juni 1998, door Marcel Slachmuylders, ter gelegenheid van de voorstelling van zijn boek “De Kroniek van Londerzeel”.

10.15 Genoveva Jacobs van Steenhuffel In 1633 werd Genoveva Jacobs uit Steenhuffel in de vrunte (gevangenis) opgesloten omdat ze gedurende vele jaren verboden en vooral superstitieuze middelen had aangewend om zieke mensen te genezen. Of ze daarbij, medisch gezien, succes gehad heeft wordt nergens gezegd, maar ze werd door de vierschaar veroordeeld om “bij monde van de pastoor haar medeburgers vergiffenis te vragen, iedere zon- en feestdag mis en sermoen bij te wonen, en twee jaar lang viermaal per jaar tot de Heilige Sacramenten te naderen”. Dat viel eigenlijk zeer goed mee. Genoveva was dan ook één van de allereerste meisjes die naar de in 1594 aangestelde patrones van Steenhuffel was vernoemd. Bovendien was ze geen zwarte maar een witte heks; en dat zijn de kwaadste niet. Bronnen: - Acta vicariatus in het aartsbisschoppelijk archief in Mechelen 1380-1900, Constant van de Wiel, Catholic Church. Archdiocese of Mechelen-Brussels, Institut historique belge de Rome, 1996, blz. 51. - Nederlandse incantatieliteratuur: een gecommentarieerd compendium van Nederlandse bezweringsformules, Jozef van Haver, Secretariaat van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1964, blz. 34.

10.16 Jacquemijne Petercelie van Steenhuffel Elf jaar later, in 1644, werd Jacquemijne Petercelie voor dezelfde vierschaar gedaagd. Ook zij was van Steenhuffel. Wij hebben weliswaar haar naam niet in de parochieregisters gevonden. Mogelijk was zij een duivelskind dat geen doopwater verdroeg maar waarschijnlijker is dat Petercelie de naam van één van haar toverdrankjes was. Laat ons er geen misverstand over bestaan: ook Jacquemijne was een heks, of deed althans flink haar best om er op te lijken. Ze had “zich “met waerseggherije soo van gheesten, tooverije als andere sieckten” te Steenhuffel, Merchtem en omgeving en te Sint-Kwintens-Lennik ingelaten. Bovendien had ze de mensen ervan overtuigd met de een of andere ziekte behept te zijn en had ze hen beloofd om hen met de tussenkomst van een valse heilige daarvan te genezen. Toen ze geld voor haar diensten vroeg, liep ze tegen de lamp. Want in plaats van dat voor een bedevaart te sparen, zoals ze aan haar klanten vertelde, ging ze dat meteen in de herbergen verbrassen. Wat haar straf was werd niet meegedeeld. Bron: Heksenprocessen in de Nederlanden; Fernand Vanhemelryck, Davidsfonds, 1982, blz. 138-139

22


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

10.17 Het pak van haar moeder gekregen Op 28 november 1881, rond 5 uur ’s avonds, verweet Louis Van Nieuwenhuizen (terecht of onterecht, het is niet aan ons om dat te beoordelen) aan Colette Van Gucht (de vrouw van Jan Van de Voorde) “dat zij eene tooverheks was en dat zij het pak van haar moeder had gekregen”. Houtzager Jan Van Laer en zijn zoon Pierre hebben deze verwijten gehoord. Bron: hedendaags archief van de gemeente Londerzeel 1826-1914, bewerkt door Louis De Bondt en Robert De Roeck.

10.18 Toveren kan gevaarlijk voor de tenen zijn Een duidelijk geval van contaminatie oftewel ziekteoverdracht door de Kwade Hand kregen we op 30 maart 1885 te horen. Babbelend met Elisabeth Moerenhout en Rosalie Van Hemelrijck vertelde Elisabeth Carleer (de vrouw van Jozef d’ Hertefelt) dat ze een tijd eerder “op de koopdag van Remory eenen stamp had gekregen van eene vrouw van Londerzeel-heide, en ze voegde daar aan toe “dat de vrouw van Judo De Vil niet ver van daar stond, dat het zeker complicie was en dat zij zoo betooverd was geworden.” De stampster van de Heide werd daarbij niet bij naam genoemd, maar tegenover vrouw Van Moer (Antonette Van Riet), preciseerde ze:“ik heb dezelve ziekte gelijk de dochter van bakker De Maeyer. Die is door Lucie Lauwers betooverd en ik ben van haar ook betooverd. Zij zit ook aan mijn lijf.”Overigens mag met die betovering niet lichtvaardig gelachen worden, want ze was zeer ernstig. Zo ernstig – vertellen de annalen – dat Jozef d’ Hertefelt en zijn schoonbroer Charel besloten om niet langer bij de pakken te blijven zitten. Samen zijn ze op een dag vastberaden en wit van koleire naar De Vil getrokken om het daar eens goed te gaan zeggen. Vrouw De Vil liet zich evenwel niet zien. Ten einde raad hebben ze hun boodschap dan maar bij Rosalie Van Hemelrijck achtergelaten, samen met de waarschuwing dat vrouw De Vil maar beter haar blokken kon aanhouden want“dat ze haar de teenen zouden afsteken”. Of tenen afsteken een probaat middel tegen hekserij is valt te betwijfelen en wordt bij ons weten door geen enkele andere bron bevestigd.

11. Toverij in vreemde gedaantes Een heks of toveres die ge bij naam kent en waarvan ge het gezicht op straat herkent, daar kunt ge u nog een beetje tegen verdedigen door een grote omweg te maken of zo. Maar wat doe je met die exemplaren die zomaar van uiterlijk kunnen veranderen? 11.1 Witte bolletjes. Een jongen (uit Merchtem) die bij het flauwe schijnsel van de maan terugkwam van de kermis in Steenhuffel, zag in de Robbroeckstraat witte bolletjes ter grootte van een ei in de gracht liggen. De jongen schopte naar de bolletjes en hoorde: "Oe...oe...oeh!" Doodsbang bleef de jongen vijf minuten stokstijf staan. Bij zijn thuiskomst ging de jongen onmiddellijk een mestvork halen in de stal. Toen de vader hoorde wat de jongen van plan was, zei hij: "Halt, ga er niet heen". De jongen gehoorzaamde en bleef thuis. Wat de jongen had gezien, was een toveres Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23096, nr. NCORE0686-0687, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977; relatieve datering: 1919

11.2 De zwarte kat of de heks van de Kwaadbeekmolen Een kleine honderd jaar geleden werd er op de windmolen van Steenhuffel nogal veel ‘s nachts gemalen. Dat werd gedaan door een knecht. Op een morgen vond men hem dood. Aan een tweede overkwam kort nadien hetzelfde. Telkens waren die jongens gestorven op het ogenblik dat het molenlicht uitgegaan was. Er werd een derde aangeworven. Maar die kon wat meer dan een andere. Hij was de jongste zoon van een toveres en het is gewoonlijk aan haar jongste 23


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

kind dat een toveres haar kennis overdraagt. Op een nacht dus zag die derde knecht een kat op de molen binnenkomen en naar het licht gaan, maar hij had de voorzorg genomen een groot broodmes mee te nemen. Voordat de kat het licht kon uitblazen, gaf ze een klap op haar poot, zodat ze jammerend wegvluchtte. ‘s Anderendaags lag de molenaarsvrouw te bed met een half afgekapte arm. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

11.3 Nog een zwarte kat Twee duivenmelkers die langs de Steenhuffelstraat (Peizegem) naar huis wandelden, zagen plots iets tussen hun benen door lopen. Wat verderop zagen ze een zwarte kat met ogen als vuurkolen. Omdat de mannen ervan overtuigd waren dat de kat een toveres was, maakten ze snel een kruisteken. Even later was de kat verdwenen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23032, nr. NCORE0649-0649, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

11.4 Witte katten zijn geen haar beter Een jongen uit Merchtem reed per fiets naar zijn broer in Steenhuffel. De jongen was nog maar tien minuten onderweg, of hij zag een witte kat vóór zijn wiel springen. De kat was wel veertig of vijftig centimeter lang en had een zwarte vlek op haar rug. Haar staart was haast zo dik als de arm van de man. De kat volgde de jongen een kwartier, sprong dan over de gracht en verdween. Een tijdje later zag de jongen de kat vreemd genoeg opnieuw verschijnen. Die kat was een heks of een toveres. De jongen is die kat onderweg vaak tegengekomen. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23095, nr. NCORE0686-0686, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977; relatieve datering: 1919.

11.5 De babbelende haas Een man wandelde samen met zijn vriend door het Molenstraatje (Merchtemse Kouter). De man die zo'n twintig meter voorop liep, zag plots een dikke haas lopen. De haas sprak tot hem: "Pak mij dan". De man vertrouwde het zaakje echter niet en liep de haas lopen. Even later sprak zijn vriend tot hem: "Waarom heb je die haas nu niet gevangen?" De man antwoordde: "Met die haas was iets mis". De vriend antwoordde: "Als ik de haas eerst had gezien, zou ik hem wel gepakt hebben!" Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23020, nr. NCORE0643-0643, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

11.6 De broer van de babbelende haas Een man ging in de maneschijn stropen in een bos. Toen de torenklok van Boskant (MerchtemPeizegem) middernacht sloeg, had de man echter nog geen enkele haas gezien. Even later kwam er een reusachtige haas aangelopen, waarop de man snel zijn geweer bovenhaalde en een schot loste. De man, die nochtans een goede jager was, had gemist. Even later kwam er een tweede haas aangelopen, waarop de man opnieuw schoot. Ook deze keer miste hij echter. Toen de torenklok voor de laatste keer sloeg, kwam er een derde haas aangelopen, die mankte. De haas kwam bij de jager en vroeg: "Zijn die andere al lang voorbij?" De man ging doodsbang naar huis. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23021, nr. NCORE0643-0644, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

11.7 De chique juffrouw en de haas Een man ging op een avond met zijn geweer naar de Kouterstraat (Merchtem-Steenhuffel). Toen de man een grote haas zag lopen, schoot hij naar het dier. De haas lag morsdood op de 24


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

grond. De man kwam dichterbij om het dier op te rapen, maar net op dat ogenblik stond de haas op en liep weg. Wat verderop bij 'de zeven dagwand' meende de man diezelfde haas te zien zitten. Hij schoot opnieuw, maar weer gebeurde hetzelfde. Toen de jager tot driemaal toe hetzelfde had meegemaakt, ging hij naar huis. Onderweg kwam hij een chique juffrouw tegen, die mooie kleren droeg. De man was ervan overtuigd dat die juffrouw zich in een haas had veranderd. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23022, nr. NCORE0644-0644, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

Hier volgt het volledige verhaal: 11.7b De chique juffrouw, de haas en Groef Jef Groef (De Groef) ging op een nacht met zijn geweer de Kouter in. Dat was een kwade stroper. Die heeft van zijn leven veel wild geschoten! Hij kwam daar aan de Zeven Dagwand en hij zag door een “temp” (diepe voor) een grote haas naar hem toe komen. Jef schoot ernaar en hij had hem. De haas tuimelde en draaide en lag daar morsdood. Groef ging er naar toe om hem op te rapen, maar roef, in een keer sprong die haas omhoog en hij was de pijp uit. Wat is dat nu, peinsde Groef. Hij ging verder langs de Zeven Dagwand en daar zag hij dezelfde haas zitten. Dat dacht hij toch. Hij schoot er opnieuw naar en de haas “roefelde” weer naar beneden, morsdood. Maar toen Jef hem wou oprapen, weer weg. En zo, driemaal na een. Dat zit hier niet juist, dacht hij en hij ging , dik over dun, (dwars over 't veld) naar huis. Toen hij op 't Bijl kwam, ontmoette hij daar een chique juffrouw, chic gekleed. Groef was er zeer door aangedaan. Hij dacht dat het die juffrouw was die zich in een haas getoverd had. En hij maakte dat hij thuis was. Van vrouwvolk heeft Jef Groef nooit moeten hebben en zeker niet van zulke. Maar dat was daarmee nog niet gedaan. 's Anderendaags vroeg Louis De Groef, dat was Jefs neef, en die had schoten gehoord: “Wel, Jef, hoeveel had je er gisteren?” “Geen een jong”, zei Jef en hij vertelde wat hij beleefd had. En die nacht ging Louis mee met hem. Nu schoot Louis een haas. Hij ging hem oprapen, maar hij sprong Louis bijna omver, boef op zijn hart. 't Eerste moment was hij er dan zeer van aangedaan. “Maar nu moet het gedaan zijn” zei hij. Ze gingen naar huis en deden iets gewijds in hun zaad, zo een paar druppels van een gewijde kaars. Ze stapten weer de Kouter in en die haas zat daar weer. Louis schoot ernaar en hij had hem. Maar nu was het gedaan met de “fissefaiskes” (grappen). Hij was voor goed dood. Met die mannen van De Groefs mocht je niet te lang de zot houden! En een toveres of niet, ze hebben die haas smakelijk opgegeten. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Kamiel L. (° 13.03.1907) hoofdonderwijzer.

11.8 Met hazen moest je voorzichtig zijn Ja, met hazen moest je voorzichtig zijn. Dat heeft meer dan een ondervonden. Manes Pee (Pier van Emmanuel Geeroms) ging in de maneschijn eens “plavei staan” aan 't bosje van boer Sergoeynne, ginds op de Nachtegaalhoek. Ja, voor de jonge mannen die niet weten wat “plavei staan” betekent, zal ik dat maar uitleggen. “Plavei staan", dat was op een plaats waar vaak hazen passeerden, een hazevoor op 't veld of zoiets, stilletjes gaan staan met een geweer om een haas te schieten. Manes Pee was zo rond half twaalf 's nachts thuis vertrokken en hij had nog geen enkele haas gezien, toen het twaalf uur sloeg op de toren van de Boskant. Ineens ziet hij daar een haas afkomen, een “klopper” zoals hij van zijn leven nog niet gezien had. En lopen dat hij deed. Manes Pee schoot ernaar, maar geen kans om erop te zijn. Nog voor de haan van zijn geweer goed afgetrokken was, was de haas hem al voorbij en was hij niet meer te zien. Hij kende er nochtans wat van, Pee, meer dan de beste jager. Terwijl het nog aan 't slaan was op de kerk, kwam er een tweede haas af en Pee dacht: die moet eraan! Maar niets 25


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

van, weer ernaast. Toen het juist de laatste keer sloeg op de kerk, kwam er een derde af, een manke haas. Pee was nog niet op zijn effen van zo twee keer een haas te missen, toen die manke haas al bij hem stond en vroeg: “Zeg maat, zijn de andere twee al lang door?” Manes Pee, die anders ook een held was, had die nacht genoeg van “plavei staan”. Hij ging naar huis. Op een andere keer had hij ook een haas gemist. Dat was ook geen gewone, want hij zei: “Het is niets dat je ernaast zit, er komen er nog!” Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pieter Van der Stappen (° 24.06.1905) landbouwer.

11.9 Ook iets vies De zus van Pauline van Jean Van Lier kwam, toen ze nog jong was, eens van Steenhuffelkermis met haar kameraad, iemand uit de buurt. Aan de manke Van den Broeck sprong er opeens een grote zwarte hond op Paulines zuster. Je moet niet vragen hoe dat meisje verschoot. Ze gaf een schreeuw dat je het ik weet niet hoe ver kon horen. Ineens was die hond weg en ze zagen een oud vrouwtje met een witte doek op haar hoofd. Dat vrouwtje ging een eindje met hen mee en dan was ze ook opeens weg. Dat moet ook ergens een toveres geweest zijn. 't Was in alle geval iets vies. Daar aan manke Van den Broeck is dat ook maar een vieze hoek. Zo dicht tegen 't bos. Hoe de mensen daar durven wonen, dat versta ik niet. En die meisjes moesten dan nog zo ver naar huis, naar den Opstal. Hun hartje was niet groter dan een boontje. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pauline Van Lier (° Buggenhout 3.5.1911) huisvrouw

Toverheksen kunnen – in plaats van zichzelf in een dier te veranderen – dieren ook bij hun fratsen betrekken. 11.10 Van twee schapen Bij de bakker van Steenhuffel was een meisje ziek. Een buurman die op bezoek kwam, sprak tot de mensen: "Morgen zal jullie dochter sterven. Er zullen twee blatende schapen rond jullie huis lopen. Wanneer dat gebeurt, zal je weten dat je dochter aan het sterven is". De voorspelling van de man kwam uit. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23044, nr. NCORE0654-0654, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

11.10b Bij de bakker van Steenhuffel, die hier (in Peizegem) nog ooit met brood rondgegaan heeft, was een meisje ziek. Ze kon niet meer genezen. Dat wist ze en ze lag altijd te bed. Op een keer komt daar een oud peetje uit de geburen en zei: "Morgen zal jullie Mieken sterven. Er zullen twee schapen rond het huis lopen en schreeuwen. Zo zul je weten dat ze aan het sterven is." Dat is ook zo gebeurd. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Livien Hermans (26.07.1905) brouwerijarbeider

11.11 Van klaverbloempjes Een man ging 's nachts de veearts halen omdat zijn koe een kalf moest werpen. De veearts ging samen met de man langs de Heirbaan (Merchtem-Steenhuffel) naar de boerderij. Onderweg kwamen de twee mannen een vreemde kerel tegen, die tien klaverbloemetjes plukte, die voor hun voeten wierp en zei: "Hier, kies er de mooiste uit!" Het volgende ogenblik veranderden de tien bloemetjes in tien honden. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23045, nr. NCORE0654-0654, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

Hetzelfde maar minder anoniem:

26


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

11.11b Van klaverbloempjes Wannes De Smedt heb ik nog goed gekend. Die woonde in de Boskant (Steenhuffelstraat). Maar hij was afkomstig van Steenhuffel. Wel, de vader van Wannes zijn vader - zo lang is het al geleden - moest een keer ‘s nachts naar Merchtem gaan om een “paardemeester” (veearts) te halen voor een koe, die niet kon kalven. De veearts ging met hem mee langs de Heirbaan en onderweg kwamen ze iemand tegen, die ze niet kenden. Die vreemde trok tien klaverbloempjes af, smeet ze voor hun voeten en zei: “Hier kijk, kies er de schoonste uit.” Dat waren ineens tien honden geworden. Dat was toch wel echte toverij, peins ik. Wannes heeft dat meer dan eens aan Willem verteld. Ge weet wel, diegene die met Fine van Wannes De Smedt getrouwd is, Muntebol dat ze zeggen. En van die weet ik het ook. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Willem Caluwaerts (° Londerzeel, 6.11.1910) suikerbakker.

11.12 “Platte muttens Een man die terugkwam van de kermis in Steenhuffel, zag bij een huis in de Molenbaan (Merchtemse Kouter) een kalf van het dak schuiven. De man hoorde ook lawaai, maar hij stapte voort alsof er niets aan de hand was. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23038, nr. NCORE0652-0652, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

11.12b “Platte muttens” bis Groef (Jef De Groef) kwam eens van Steenhuffelkermis. Als hij aan Fideles' hof kwam, hoorde hij iets abnormaals. En toen hij rechtover de ast was, zag hij daar echt de pasgeboren kalveren van 't dak glijden. Maar Groef maakten ze zo gemakkelijk niet bang; die was veel meer gewoon. Hij stapte verder precies of er niets gebeurd was. Ja, zo was Groef. Weet je het nog? Voor hem ging Kludde uit de weg! Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Kamiel L. (° 13.03.1907) hoofdonderwijzer.

11.13 Een verdachte uil De Geus in Steenhuffel, daar tegen de Hoeve, dat was maar een vieze “côté” (buurt). Het spookte er. Groef heeft van zijn leven gezien dat daar de takken van de struiken zo geweldig tegen de grond sloegen, dat het kletterde. Viene van Leemans Pier (Livien Hermans) zijn vrouw heeft daar ook eens wat voor gehad. Zij met Viene en hun kinderen waren 's zondags een keer bij hun ouders geweest, en ze kwamen langs De Geus naar huis. Juist toen ze daar over een grachtje stapten, kreeg Marie ineens zo'n slag op haar kaak, dat zij “singelde” (zinderde). “Wat is dat nu?" zei ze tegen Viene. Maar die had niets ondervonden. Toen Marie vertelde wat er gebeurd was, zaten ze toch allemaal met schrik. Toen ze verder wilden gaan langs dat wegje naast 't spoor van Leireken, komt er een uil boven Marie haar hoofd gevlogen, en die volgt hen tot ze thuis zijn. Daar laat hij dan in ene keer een grote schreeuw. Ze maken dat ze binnen zijn. Marie had van Viene een voorschoot en een blauwe broek gewassen en dat hing nog buiten te drogen. Maar nog voor geen duizend frank zou ze dat die avond nog binnengehaald hebben. Duizend frank was in die tijd nochtans veel geld. Marie heeft wel een hele week een blauwe plek op haar gezicht gehad. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Lievin Hermans (° 26.07.1905) arbeider in brouwerij.

27


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

11.14 De katten van het Armemensenhof Jef Van der Ranst van Steenhuffel heeft me vroeger al eens iets verteld en nu dit. Aan het Armemensenhof in Steenhuffel spookte het altijd. Daar zaten altijd katten, ik weet niet hoeveel, ambetante beesten. Soms kon je geen stap zetten of er liep er een tegen je benen. Nu en dan pakte er iemand een stuk hout en sloeg er een kat, die hem wat te veel tempteerde, dood. Maar dat verminderde daarmee niet. Hoe meer je er dood sloeg, hoe meer katten er kwamen. Voor een die een klop had gekregen, kwamen er wel drie of vier in de plaats. De mensen wisten met die katten geen raad meer. En dat duurde zo totdat er eens ene op het idee kwam om daar een kapelletje te zetten. Dat was toen opeens gedaan met dat spoken en die katten. Dat kapelletje staat daar nog steeds. De mensen van Steenhuffel weten dat wel, maar ze weten niet allemaal hoe dat kapelletje daar gekomen is aan het Armemensenhof. Frans Suys, die komt van naast het Armemensenhof in Steenhuffel, vraag hem dat maar eens. Misschien heeft hij dit van die katten ook ooit gehoord. Jean Van Parijs, die ook van Steenhuffel is, weet dat kapelletje wel staan, maar van die spokerij en die katten, daar wist hij gisteren niets van. 'k Heb het hem verteld. God weet hoelang dat al geleden is. Je kunt ook niet alles weten van de oude tijd. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Jozef Van der Ranst (° Steenhuffel 23.01.1910) landbouwer

11.15 Een grote zwarte hond Op een avond omstreeks 11 uur - hij was te vrijen geweest – kwam Frans Haverals eens door het Kloosterbos, toen er plotseling een grote zwarte hond naast hem kwam, die met hem bleef meegaan. Water en bloed zwetend en stijf van schrik geraakte hij toch thuis, maar nooit heeft hij die hond nog teruggezien. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

11.15 De kennis van de mierezijkers Als men aan een kruising van wegen op een nest “mierezijkers” (mieren) gaat zitten en met een wilgenstokje in de hoop roert, komen de mieren bij u en zeggen ze u alles wat ge gaarne weet. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

28


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Een lot, veel erger dan de dood Als ge dood gaat en ge gaat naar de Hemel, dan is het iedere dag rijstpap met gouden lepelkens. Als ge dat lust is dat niet erg. Maar als ge uw ziel aan de Duivel verkocht hebt of van de een of de andere mindere duivel bezeten zijt, dan zult ge eeuwig branden. Dat is een lot erger dan de dood want in de Hel kunt ge geen tweede keer meer sterven. Met deze groep van volksverhalen komen we nu echt wel op zéér gevaarlijk terrein.

12. De baarlijke Duivel 12.1 De Duivel op bezoek in Steenhuffel. Op een boerderij in Steenhuffel geloofde men dat de duivel in huis was geweest. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 22824, nr. NCORE0528-0528, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

12.2 Een Duivelsschuur in Londerzeel. In Londerzeel zou een duivelsschuur hebben gestaan. Een boer had een gevel in zijn schuur gemetseld, maar 's ochtends lag die gevel er altijd uit. Er kwam een duivel, die zei: "Tegen dat de haan driemaal heeft gekraaid, zal de gevel erin staan en erin blijven". De boer moest wel zijn ziel verkopen. De gevel is erin blijven staan en de boer was zijn ziel kwijt. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 44514, nr. LSMET0166-0166, verzamelaar: L. Smets; notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1963.

Opmerking: dit verhaal werd opgetekend in Heindonk in de Rupelstreek. De enige echte Duivelsschuur staat natuurlijk in Oppem-Amelgem. En dàt verhaal gaat zo: 12.2b De enige echte duivelsschuur van Amelgem. Dit verhaal heb ik al horen vertellen, toen k nog een klein kind was. 'k Zat in school bij meester Cassiman en die vertelde dat eens aan ons. Het moet al honderden jaren geleden gebeurd zijn. In Oppem, een gehucht van Brussegem, was er eens een boer. Hij was een keer op een zondagnamiddag in 't veld naar zijn oogst gaan zien. Die was buitengewoon gelukt. Zo'n graanjaar had die boer van zijn leven nog niet geweten. Zowel de tarwe als het koren waren allebei om 't best gelukt. En toch was die boer niet gelukkig, hij liep met zijn kop in de grond. Daar kwam een vreemde heer naar hem toe, mooi in 't zwart gekleed van kop tot teen: zwart kostuum, een zwarte hoed, zwarte schoenen en kousen, zwarte handschoenen, een gaanstokske. Alla, een chique typ. Een rijke heer van Brussel of van ergens een kasteel zou men gezegd hebben. "Wel boer”, zei die heer, "scheelt er iets thuis? Je ziet er zo verdrietig uit. Is je vrouw misschien ziek of de kinderen?" De boer verschoot zo een beetje. Hij had die heer niet zien afkomen daar hij zo aan 't dubben was. "Neen, meneer", zei hij, "dat is het niet. Maar zie die oogst daar eens staan.” "Nu nog niet kontent", vroeg die heer. "Mijn schuur is veel te klein", zei de boer. "Een laten zetten, hé man", zei die heer.

29


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

"Ja", zei de boer, "maar dat hé?" En hij wreef zo eens met zijn duim over zijn wijsvinger. Hij had geen geld en bovendien "wie zou er mij nog een schuur kunnen zetten? Morgen moeten we al aan 't koren beginnen." "Aa, daar wil ik wel voor zorgen", zei die heer "Als je wil, staat er hier morgen vroeg de grootste en schoonste schuur uit heel de omgeving, genoeg om de oogst van de helft van Oppem in op te bergen. Die boer stond daar met zijn mond open. "Morgen vroeg”, zei hij ongelovig, "nu doe je me toch lachen.” "Wel”, zei die heer, "is ze niet af voor jouw haan morgen vroeg kraait, dan krijg je ze gratis. Maar als ze af is, kom ik later om je beste pand. Akkoord?" "Akkoord", zei die boer, en hij lachte dat hij schokte. Hij geloofde er niets van. Ze sloegen hun hand opeen en de koop was gesloten. De heer stapte verder 't veld in en de boer ging naar huis. Ze gingen op het hof vroeg slapen om 's anderendaags op tijd op te staan. Maar die boer kon geen oog dicht doen. Hij dacht altijd op die heer en op die schuur. En doordat hij daar altijd lag te wroeten, hield hij zijn vrouw ook wakker. "Ben je ziek", vroeg ze aan haar man? "Bah, neen", zei hij, "het zal van de warmte zijn. Maar rond de morgen, zo rond een uur of drie, vier kon de vrouw zich niet meer inhouden. "Je moet mij gauw zeggen wat er scheelt, of ik stap het hier voor altijd af", zei ze. En dan vertelde hij wat er in zijn hoofd speelde. "Gij stomme ezel", zei de vrouw, "je beste pand. Maar je hebt je ziel verkocht!" En meteen sprong ze uit het bed, liep in huis de lantaarn aansteken en liep zo vlug ze kon naar het kiekenkot. Daar begon ze haar klompen tegen mekaar te kletsen. De kiekens werden wakker en de haan, toen hij dat licht zag, begon te kraaien, te kraaien... Ineens een gevloek en een getier en een lawaai van alle duivels... Ja, van de duivels, die bij het horen van de haan langs alle kanten wegstoven en een vreselijke stank achterlieten. Toen 't klaar werd, zagen ze de grootste en de schoonste schuur staan, die ze ooit gezien hadden. Die hadden de duivels daar op één nacht gezet. De boer peinsde: nu ben ik eraan, mijn ziel kwijt! Die heer in 't zwart dat moet Lucifer geweest zijn. Gelukkig was het nog niet waar. Daar was nog een klein stukje van het dak dat nog niet dicht was... Ze probeerden dikwijls dat gat dicht te maken, maar 's nachts braken ze dat altijd opnieuw open, de duivels. Zo bleef dat tot ze er een gewijd kruis inwerkten. Dan bleef het dak dicht. Nu spreken de mensen nog steeds van de duivelsschuur van Oppem. Bron: De Brabantse Folklore, door Kamiel Baeyens opgetekend uit de mond van Achiel C., onderwijzer

12.2c Nog over de enige echte Duivelsschuur. Boerke Pamel van Ophem wandelde eens door zijn veld. De oogst was rijp; hij had nog nooit zo schoon gestaan. Daar komt een heer bij hem en zegt: "Awel, boer, waarom doe jij je oogst niet af? Hij is rijp hoor.” " 'k Heb nog geen schuur", zei de man, "en 'k heb geen geld om er een te laten bouwen." "Verkoop iets, hé man, dan zul je geld hebben. Verkoop mij 't waardevolste dat je hebt", zei die heer, "en ik zal je vannacht een schuur bouwen waar heel jouw oogst in kan. Vooraleer jouw haan driemaal gekraaid heeft, morgen vroeg, moet ze er staan of de koop gaat niet door. Als ze er wel staat, kom ik binnen drie dagen jouw waardevolste zaak halen." "Goed", zei die boer. Die heer trok een pluim uit zijn hoed, haalde een stuk papier uit zijn zak en zei: "Teken dat met spoed met je eigen bloed." Die boer deed dat en ging naar huis. Zijn vrouw kwam juist terug van Brussel, waar ze met boter en eieren naar de markt geweest was.

30


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

"Belle", zei Boerke Pamel, "morgen doen we onze oogst af.” “ ‘t Zal tijd worden", zei Belle. Boerke Pamel kon die nacht niet slapen. Hij had al uren aan een stuk liggen woelen en wroeten. "Wat scheelt er toch?" vroeg zijn vrouw. En Boerke Pamel vertelde dat hij zijn waardevolste zaak verkocht had voor een schuur, die klaar moest zijn voor dat de haan driemaal gekraaid zou hebben. "Belle, ik ben toch niet gerust", zei hij. "Laat mij maar doen", zei Belle. En ze trok met een lantaarn naar het kippenhok en begon met haar klompen op elkaar te slaan. De haan werd wakker en hij kraaide, kraaide, kraaide zo hard hij kon. En de boer was zijn waardevolste zaak niet kwijt. Wie zou dat denken dat die boerin slimmer is dan honderdduizend duivels zonder de opperste van de hel? Ja, honderdduizend duivels hadden daar aan die schuur gewerkt. Er was nog een klein gat in en daarom ging de koop niet door. Maar die boer had zijn schuur en kon er zijn oogst in steken. Trieneke Bettens, de meter van Maarten uit de Huisjesstraat, was geboren in 1823 en is in 1916 gestorven. Die heeft de nacht dat dat gebeurd is de duivels zien voorbijvliegen. Ze trokken in 't Buggenhoutbos hele bomen uit voor het houtwerk van de schuur en daarmee vlogen ze naar Ophem. In Boom haalden ze Boomse stenen en pannen. Dat moet nogal wat geweest zijn, honderdduizend duivels. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Maria H. (° 28.08.1890) landbouwster

12.3 Al drie jaar zijn pasen niet meer gehouden. Een man die op zondagavond langs de Steenhuffelstraat (Peizegem) terugkwam van de herberg, zag naast iedere telefoonpaal die langs de weg stond, een man staan, die nog groter was dan die paal. Plots bedacht de man dat het al lang geleden was dat hij met Pasen nog naar de mis was geweest. De man haastte zich naar huis, want hij was ervan overtuigd dat hij duivels had gezien. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23029, nr. NCORE0647-0648, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

Het hele verhaal volgt hier: 12.3b Clement had in drie jaar zijn pasen niet meer gehouden. Mang van Boerkes (Clement Luypaert) kwam de zondagavond, als hij zijn pintjes gepakt had, naar de Steenhuffelstraat af langs de Biezenwei. Alvorens naar huis te gaan, ging hij eerst nog eens binnen in “De Zwierbol”, bij Jules De Nil en daarna nog even bij Jean De Velder. Nu moest hij om naar huis te gaan een beetje naast de route (weg) stappen. Je weet, vroeger stonden er naast de weg allemaal telefoonpalen. Dat was niets buitengewoons, dat zag Mang alle dagen. Maar nu stond naast iedere paal een man die nog groter was. Mang begreep er niets van. Maar dan dacht hij eraan dat het drie jaar geleden was dat hij nog zijn pasen had gehouden. Mang, die anders zo'n held was, zorgde ervoor dat hij thuis was en vergat nog een keer bij Wannes De Smedt binnen te gaan, zoals hij gewoon was. Hij had duivels gezien! Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Clothilde Keppens (11.09.1936) huisvrouw

12.4 Loodgieter van de Duivel bezeten. Die mensen hebben die nog weten staan, daar op de Kouter tegen Van der Stappen, op de hoek van de Eeneikbaan, die naar de Galgestraat loopt. Dat was een tronkeik. Die heeft daar misschien wel honderd jaar gestaan. Tijdens de oorlog is die uitgekapt. 'k Denk door de ene of de andere die geen hout had om vuur te maken. Aan de Eeneik is ooit eens iets vreselijks gebeurd. Een loodgieter zat onder die boom. Hij had zo iets bij zich om lood in te smelten en hij 31


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

smolt zo een groot stuk lood. "Neem mond", zei hij," dat is het laatste dat je krijgt." Hij deed zijn mond open en hij goot dat lood daarin. Heel zijn binnenste was verbrand. Hij heeft daar nog een poosje liggen huilen en krinkelen van de pijn, en dan was hij dood. Om zoiets te doen, moet je toch bezeten zijn van de duivel. Je mag nu nog meer dan één vijs los hebben, dan doe je dat nog niet. Aan de Eeneik moet ooit een kapelletje gehangen hebben, omdat dat daar gebeurd was. Maar ik kan niet zeggen dat ik dat geweten heb. Maar die boom, die heb ik nog weten staan. Daar ben ik zeker van. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Leonie H. (° 29.03.1889) landbouwster

13. Duiveluitdrijvers Van de duivel bezeten zijn was erg, heel erg, maar gelukkig konden sommigen er soms nog iets aan doen. Dat moesten dan wel heel straffe kerels zijn. En het was zeker niet zonder gevaar. 13.1 Een duiveluitdrijver. Op de weg naar Malderen in Steenhuffel liet iemand een geestelijke komen om het kwaad af te nemen. De geestelijke sprak tot die persoon: "Ik zal het kwaad afnemen en alles op mij nemen, maar binnen drie dagen moet je naar mijn begrafenis komen". De geestelijke is inderdaad gestorven aan zijn interventie. Bron: Vlaamse Volksverhalenbank, ID 23106, nr. NCORE0693-0694, verzamelaar: Nicole Coremans, notulist: Katrien Van Effelterre, opgetekend in 1977.

13.2 Een licenciaat in de medicijnen schrijft een duiveluitdrijving voor. Hetgeen nu volgt is geen volksverhaal maar is in Londerzeel echt gebeurd. De hoofdrolspeler is Joannes Nicolaes Raeymaeckers, een licenciaat in de medicijnen. Hij was in Londerzeel van 1741 tot 1760 actief. Omdat licenciaten of dokters in de medicijnen niet met hun handen mochten werken, werkte hij gewoonlijk samen met barbier Antoon Vanden Poel. Historicus Alphonse Wauters misbruikte deze licentiaat in zijn beroemde oeuvre uit 1855 “l’Histoire des environs de Bruxelles, boek 5, blz. 272” om ons, mensen van Londerzeel, een beetje belachelijk te maken. Verwijzende naar Cannaert, Olim, Procès des sorcières en Belgique, blz. 118, schreef hij in het Frans, zodat wij het nog moesten vertalen ook: “In dit dorp (Londerzeel) werd het geloof in de toverkunsten een eeuw geleden nog aangehangen door een man die vanwege zijn studies het volgende certificaat nooit had mogen schrijven: ‘Na door talrijke proeven en dikwijls herhaalde experimenten ons gedacht gevormd te hebben, getuigen en bevestigen wij dat François Van Bevere en Joanna Maria De Pauw, zijn vrouw, wonend in Ham, aangedaan zijn door verschrikkelijke pijnen die veroorzaakt worden door een bovennatuurlijke ziekte en die door geen enkel medicijn gestopt konden of kunnen worden, noch door enige andere remedie die door de wetenschap wordt onderwezen, aangezien ze het gevolg zijn van de beheksing van de genoemde echtgenoten Van Bevere. Bijgevolg stellen we hen ter beschikking van de Heilige Kerk om hen door gebeden en duiveluitdrijving te laten helpen.’ Dit merkwaardige document dateert van 31 augustus 1754 en is ondertekend F. (sic) Raymaekers, licentiaat in de medicijnen te Londerzeel. In het gehele Belgische medische corps, dat door namen als die van Vesalius, Van Helmont, Réga, Palfyn en Van Mons zo’n stralende reputatie heeft, is er geen enkel lid meer dat er nog dergelijke doctrines op nahoudt. Maar ik zou niet durven beweren dat de ze door de nakomelingen van de medeburgers van deze gediplomeerde Raymaekers totaal verworpen zijn.”

32


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Deel II – Volksremedies tegen ziektes en andere ongemakken

De bedevaarten Er was geen ziekte of ongemak waartegen er niet minstens één heilige bestond. En er waren ook vele manieren om die te consulteren. 1. Om te beginnen waren er de huisheiligen die men meestal onder stolp, en niet zelden op de kleerkast bewaarde, voor de keren dat men hen nodig had. Sint Antonius van de verloren zaken was altijd erg populair (Heilige Antonius, beste vrind, maak dat ik m'n sleutels vind). 2. Er waren, nog altijd dicht bij huis, de kapellekensheiligen, voor wie men al eens een kaars liet branden als men er toevallig moest passeren. Sint-Rochus bijvoorbeeld was altijd goed om de pest buiten de deur te houden als die in de wijde omgeving resideerde. 3. En dan waren er de heiligen die uitsluitend thuis ontvingen. Om hen te consulteren moesten de mensen zich verplaatsen. Vroeger noemde men dat “een beeweg doen”. - Wie met vervelende zweren zat ging naar Mariekerke. - In Liedekerke kende men een remedie tegen de “kleine oude man”, - Het Quirinus-beeld in de kerk van Imde had een pijnstillende werking tegen de “rumatik”. Ook in onze dorpen waren er een aantal tot ver buiten de grenzen befaamde bedevaartsoorden: - Bij Sint-Amandus te Malderen moest men zijn als men geen of moeilijk kinderen kon krijgen. - Met de al wat oudere bedplassers kon men bij het “Berrezeikerskapelletje” in de Holstraat te Malderen terecht. - Voor wie een heilige kruisverering had was er de Londerzeelse Bergkapel. - De patroonheilige van de kerk van Londerzeel St.-Jozef was een ervaren kinkhoestspecialist. - Die van Londerzeel Sint-Christoffel had een remedie tegen waterzucht en opgezwollen benen. - Bij Genoveva in Steenhuffel kon men van het spreeuw, mondblaasjes en zelfs mond- en klauwzeer afgeraken. Bovendien kon men er O-benen bij kleine kinderen en bacterievuur in het vlas mee voorkomen. 4. Heiligen die wat meer konden dan de anderen en veel patiënten tegelijk konden behandelen, ontvingen bij voorkeur in groep. - Gedurende de 9 dagendie volgden op de derde zondag na Pasen (de Bosschijning) zag men dagelijks hele klassen schoolkinderen te voet van Steenhuffel en elders naar de Boskapel te Buggenhout trekken. - Op tweede paasdag wasiedere goede katholiek haast verplicht om op bedevaart naar de heilige Cornelius in Rossem te gaan. - Ook de boskapel te Imde had zijn speciale bedevaarts- en begankenisdagen. 33


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

-

En wie kent er in Londerzeel de speciale zitdag van Sint Christoffel voor de jaarlijkse voertuigenwijding niet? Mensen die op geen moeite keken gingen, bijna altijd in groep en dikwijls begeleid door een bezemwagen, te voet naar Halle of naar Scherpenheuve. Sommige lieden werden zelfs helemaal tot in Compostella of Rome gezonden, maar dat was dan vooral als boetedoening en straf. Zonder de pretentie te willen hebben om volledig te zijn, volgt nu nog wat extra informatie. 1.1 Het geneeskrachtige water van Sinte Rijve en Sinte Genoveva (Steenhuffel) In Steenhuffel ontsprong in de oude tijd – dat is voor 1600 – een bron die haar water in de Molenbeek loosde. Men noemde die het Sinte Rijveputteke. Haar water was zeer zacht en volgens de legende geneeskrachtig. Men raakte er huidkorsten door kwijt. Na 1594, toen Genoveva de nieuwe patrones van Steenhuffel geworden was, werd deze bron tot het SintGenovevaputteke omgedoopt. Het werd (mogelijk opnieuw) een druk bezochte pelgrimsplaats. De naamsverandering heeft echter ook de waterkwaliteit veranderd. Vanaf nu was het vooral aangewezen tegen het “Steenhuffels”, het “spreeuw”, het “spruw”, het “wit in de mond” en zelfs tegen “le muguet”. Genoveva kende ook wat Frans want ze was een Parisienne. In ieder geval waren dat allemaal namen voor dezelfde zuigelingenziekte. Ook bij gewone mondblaasjes of bij het veel ergere mond- en klauwzeer kon het soms de moeite lonen om eens naar Steenhuffel te gaan. In 1795 werd het Sinte-Genovevakapelletje en het putteke dat eronder lag, van de kerkenboomgaard verplaatst naar de plek achter de kerk waar het nu nog altijd te vinden is. Ofschoon de constructie nu danig aan het roesten is, zou ze nog altijd haar helende krachten bezitten. Wie dat wilt controleren moet wel de goede procedure volgen. Men begint met driemaal rond de kerk en daarna driemaal rond het kapelletje te lopen, wandelen mag ook. Daarna schept men - voorzichtig vanwege het verroeste afsluitwerk - met een aan een ketting bevestigde kroes wat water uit de bron. Men mag vooral ook niet vergeten om een slokje van dat water tot zich te nemen of er een fles mee te vullen voor eventueel later gebruik. In zijn onuitgegeven meesterwerk “Hortus delicarum” (1982) schreef Pater Joris Vertonghen dat een groot deel van de heilzame werking van het Genoveva-putteke – althans in zijn jeugd te wijten was aan het feit dat de jongens van de Over-de-Beek er in pisten. De officiële versie gaat er echter nog steeds van uit dat de bron geneeskrachtig is omdat ze ieder jaar op tweede Sinksendag wordt gewijd. Bron: algemeen bekend in Steenhuffel.

1.2 Den Ouden Man en Steenhuffel. Ook voor kleine kinderen met het Oude Man-syndroom moest men naar Steenhuffel op beeweg gaan. ’t Is te zeggen, alleen voor kinderen met “den groten ouden man”; voor “den kleinen ouden man” kon men beter in Liedekerke zijn. Die fameuze oudemannenziekte kennen we nu niet meer. Ze komt niet veel meer voor en bovendien hebben ze er de Latijnse naam Rachitis aan gegeven. Het is een ziekte bij zuigelingen en zeer jonge kinderen waardoor bot en kraakbeen niet genoeg verkalken en waardoor onder meer O-benen kunnen ontstaan. Een evenwichtige voeding kan dat probleem in de meeste gevallen voorkomen, en anders volstaat het toedienen van enkele flinke dosissen vitamine D. Maar vroeger, dat wil zeggen toen de mensen het nog niet over Rachitis hadden maar over de Ouden Man, dan kon men voor de zwaardere gevallen maar beter op beeweg naar Steenhuffel gaan. Men moest dan een hemdje en een mutsje van de zuigeling meedragen, en beide kledingstukken in een nabijgelegen put werpen. Als ze naar beneden zonken, dan zou het kind binnen de negen dagen sterven; bleven ze boven drijven, dan zou het herstellen. Persoonlijk zou ik toch voor een extra dosis vitamine D opteren. 34


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Bronnen: - Volkskunde, jaargang 1940, volumes 42-45, blz.29. - Volksgeneeskunde in Vlaanderen, Alfons De Cock, 1891, blz. 82.

1.3 Vlasoffers voor Genoveva (Steenhuffel en Onze Lieve Vrouw (Buggenhout) Vlasoffers waren courant in katholieke gebieden en kwamen ook in Vlaanderen voor. In Buggenhout woonde iedere Vlasboer de Vlasdienst bij op de zaterdag van de derde week na Pasen. In 1890 kwam een grote massa volk bijeen in de kapel van O.L.V. van Smarten te Buggenhout: op het altaar lagen de offergaven van de boeren, die bestonden uit gezwingeld vlas van het vorige jaar, hoog opgestapeld. Deze Vlasdienst werd ook nog in de periode 1970-1980 gehouden. Gezien het grote belang van het Vlas is het niet verwonderlijk dat er vele volks-cultussen bestonden om de Vlas-oogst gunstig te beïnvloeden. Dat was tot voor kort ook nog het geval in Vlaanderen. In sommige plaatsen in Vlaams-Brabant gingen de mensen op bedevaart tegen het bacterievuur in het vlas. De inwoners van Merchtem en Londerzeel gingen daarvoor naar de H. Genoveva in Steenhuffel. Als er op het land een plek was waar het vlas schraal groeide en als die plek een enigszins ronde vorm, dan werd deze meteen in verband gebracht met het wiel van de H. Catharina van Alexandrie (Sinte-Catharinawiel). Dan was alleen van een bedevaart naar St. Catharina-Lombeek of naar Kalfort (Puurs) heil te verwachten... Bron: Compendium of Symbolic and Ritual Plants in Europe: Herbs - Marcel Cleene, Marie Claire Lejeune – 2002 – blz. 235.

1.3 Kousen offeren in Londerzeel Te Leuven, te Londerzeel, te Sint-Kwintens-Lennik offerde men kousen gevuld met graan, tegen beengezwellen en waterzucht. Ook te Imde werden vroeger kousen met gebedeld graan geofferd, vooraan op de communiebank Bron: Revue belge de philologie et d'histoire: Volume 28, Issues 3-4 , pag. 1548.

1.4 Voor kinderen naar Malderen. Een bedevaart naar Sint-Ama dus te Malderen was goed voor wie geen kinderen kon krijgen of een moeilijke zwangerschap had. Bron: Volkskunde, volume 103, 2002, blz. 313

1.5 Naar Sint-Jozef om van de kinkhoest af te raken. Toen in 1871 in Londerzeel de nieuwe parochie Sint-Jozef gesticht werd, was dat goed nieuws voor alle kleine kinderen uit de, streek. Sint-Jozef was namelijk een gereputeerde kinklhoestbestrijder. Ook de heilige Margareta in Baardegem kon op dat gebied haar mannetje staan. Zo’n anti-kinkhoest beeweg werd meestal wel preventief gedaan. 1.5 En voor een goede loting naar Halle Om een goed nummer in de loting te trekken, werd in die tijd wat grond van het kerkhof in de zakken gestoken of wel, wat beter was, een bedevaart naar Halle ondernomen. Een medaille van O.L.V. werd dan in de kleren genaaid. Voor 9 uur 's avonds moest men van de bedevaart thuis zijn anders had het geen uitwerksel. Het laatste middel moet wel afdoend geweest zijn, want een Haverals trok er zich nooit in, bij zover dat iedereen daarvoor op hen kwaad en afgunstig werd. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

35


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Alternatieve geneeswijzen 2.1 Een remedie om tyfus te voorkomen Als ge een tyfuslijder gaat bezoeken moet ge een “sjik” pruimtabak in de mond houden, en ze bij bet verlaten van het huis wegwerpen, dan is er geen gevaar voor besmetting. Uit “Eigen Schoon en de Brabander”, jaargang 1956; nr. 11-12. Opgetekend door C.Theys uit de mond van Frans Haverals, geboren in Steenhuffel in 1881, brouwersgast te St.-Genesius-Rode

36


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt

Deel III – Volkoverlevering vertellingen over de oude tijd

Verdwenen en verzonken kastelen Zoals overal elders werden ook bij ons vroeger verhalen verteld over kastelen die om mysterieuze redenen verdwenen of in de grond gezonken zijn. Omdat intussen de historische achtergrond van een aantal van deze legendes ontdekt werd, worden ze naar het 2de deel van deze samenvatting verwezen.

Andere overleveringen 1.5

De groeiende Gijselberg

Verteller 1: Jaak Wouters in Plaatsnamen van Steenhuffel, verschenen in De Brabantse Folklore, 5de jaargang nr. 29, april 1926, blz. 201 tot 215. Het volk zegt dat die berg wast. Daar steekt “hoelie” (kolen) onder beweren de mensen. Verteller 2: Pater Joris Vertonghen in Toponymie van Steenhuffel, 1971. Tijdens onze vroegere schoolwandelingen vertelde de onderwijzer ons destijds alhier dat we juist zo hoog stonden als de galmgaten van de kerktoren. Dat zal wel ongeveer kloppen. De Gijselberg, die de valleien van Quatbeek en Meer van elkaar scheidt, is immers een kleine bodemverhevenheid van 17 m. boven zeeniveau. Maar is dat nog altijd zo? Want van de Gijselberg zegt men dat hij "groeit". Hoe stelt men dit vast, zou men zich afvragen? Wel, een oude man die er naast woonde vertelde dat hij vroeger de vensters kon zien van een huis aan de overkant, en nu alleen nog een stuk van het dak. 1.6

Op Galgevelt aan Abbeloos kerkhof.

Verteller 1: Jaak Wouters in Plaatsnamen van Steenhuffel, verschenen in De Brabantse Folklore, 5de jaargang nr. 29, april 1926, blz. 201 tot 215. Op het Galgevelt aan Abbeloos kerkhof zou de “galg”‘ (de justitie) van Steenhuffel gestaan hebben. Op het “Caertboeck” van Jan Van Acoleyen uit 1699 staat die galg – in tegenstelling tot die van Malderen – echter niet (meer) aangetekend. Bij het Galgevelt vindt men ook een plaats die “Abbeloos kerckhoff” heette. Het volk vertelt nu nog dat daar een zekere Abbeloos onschuldig werd gehangen. Men vindt er nog mensenbeenderen. Verteller 2: Pater Joris Vertonghen in Toponymie van Steenhuffel, 1971. Werden op het Abbeloos kerkhof, dat in de nabijheid van het Galgevelt lag, de terechtgestelden er begraven? De naam kerkhof is van christelijke oorsprong en kan voor onze streek niet ouder zijn dan de negende of tiende eeuw. Voor er een kerk en parochie bestond moesten de mensen ergens begraven worden, misschien, was het hier. Het is niet uitgesloten dat hier in primitieve

37


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

tijden mensen begraven werden. Dan zouden we opteren voor de Frankische tijd, want de Romeinen en de voorhistorische volkeren deden veelal aan lijkverbranding. Er wordt door mensen van ter plaatse beweerd dat hier een zekere Abbeloos onschuldig gehangen werd. Verder zouden hier soms mensenbeenderen ontgraven worden. Zulke volksgezegden zijn uiteraard moeilijk, te controleren, en we geven ze voor hetgeen ze waard zijn. 1.7

De klokput

Verteller 1: Pater Joris Vertonghen in Toponymie van Steenhuffel, 1971. Deze put, die stilaan verdwijnt (hij ligt schuin tegenover de Ebbing, aan de rechterkant van de veldweg die over de Molenbeek en de Rossemstraat voert) was vroeger vrij groot. Er zijn meerdere legenden aan verbonden, wellicht met een kern van waarheid. De meest verspreide legende is deze: tijdens troebele tijden in vroegere eeuwen zouden de klokken aldaar verstopt geweest zijn. 1.7b Een veronderstelling. Pater Joris vervolgt zelf: Deze legende is zo goed als zeker onjuist, daar we de geschiedenis van de klokken vrij goed kennen, dank zij het naarstig vorserswerk van Cl. De Roover, onderpastoor van Steenhuffel, die er een artikel over schreef in Eigen Schoon, jg II, 1912, nr. 7, blz. 101. Ik wou graag volgende beschouwing in het midden gooien, die niet meer is dan een poging tot interpretatie, maar met een "fundamentum in re". Wij weten dat er in 1637 een klok werd gegoten in Steenhuffel zelf. Welnu, hieraan komt een klok-kern en klokmantel in speciale klei te pas. Zou het niet best mogelijk zijn dat de klokput oorspronkelijk een kleiput was, waar men voor die gelegenheid klei gestoken heeft voor de klokkengieter. Vanaf die tijd kan de naam Klokput aan die put gegeven zijn. Het bezienswaardig en niet alledaags feit van het gieten ener klok kan best aanleiding geweest zijn tot een of ander lidteken, en waarom niet in de toponymie?

38


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Deel IV – Volkse humor 1.1 De wereld is rond In 't Molenstraatje (Kouter Peizegem) gebeurde er veel. Tisken de Mulhond (Cornelis), die 's zaterdags zijn klanten thuis hun baard kwam afdoen, die kon daar mee zijn brood niet verdienen en in de week ging hij rond met stinkkaas. Hij kwam zo eens door 't Molenstraatje en hij moest eens pissen. Hij zette zijn korf neer en ging tegen de berm staan om zijn commissie te doen. Ineens ziet hij daar een groot mollegat en hij pist erin. Hij had een “goede mond” op. Je weet wel hé, de baangasten hebben dikwijls dorst en ze pakken een goeie pint en d' ene klandizie is de andere waard. Terwijl hij daar aan 't pissen is, hoort hij ineens vanuit dat mollegat roepen: “Mie, haast je, haal je was binnen, want 't is aan het regenen!” Tiske de Mulhond had al dikwijls horen zeggen dat de wereld rond was. En hetgeen hij nu aan de hand gehad had, was voor hem het bewijs dat het waar was. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pieter Van der Stappen (° 24.06.1905) landbouwer.

1.2 "Schuwe" burgers 't Was met een Boskantkermis. Steenhuffel ging daar nogal veel naartoe. Die van de Boskant gingen ook veel naar Steenhuffel. Dat vlotte goed tussen die twee parochies. En twee mannen van Steenhuffel gingen 's avonds naar huis, te voet zoals ze naar de kermis geweest waren. Ze hadden een goeie pint op. Wat hadden de mensen vroeger meer dan een pint bier of een scheut jenever om wat pret te beleven? Klappend gingen ze voort, tot er een wat beweging voelde in zijn buik, toen ze aan de Geus waren. "Waar, ik moet een keer schijten", zei hij tegen zijn maat. "Ik ook, Pier", zei de andere. Ze deden allebei hun broek uit en zetten zich met hun rug tegen mekaar om zich recht te kunnen houden. Waar was vooral een deugniet, en als hij iemand een peer kon stoven, wachtte hij niet. En hij trok Pier zijn broek onder zijn gat. Ze deden hun boodschap, stonden recht en trokken hun broek op. "Waar, ik heb godverdomme in mijn broek gescheten", zei Pier meteen toen hij iets gewaar werd tegen zijn billen. "Ik ook", zei Waar. En Pier, die had dat nog niet door. Waar heeft dat verteld. Ik heb hem dat al horen vertellen, toen ik zo een jaar of tien was. Dat moet voor 1914 gebeurd zijn, maar nu wordt dat nog af en toe eens verteld. In Steenhuffel moeten er vroeger veel “schuwe" (rare) burgers geweest zijn. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Jan D.B. (° ± 1880) schoenmaker en Jozef Van der Ranst (° Steenhuffel 23.01.1910) landbouwer

1.3 Sint-Pietersvuur Vroeger maakten ze 's avonds voor Sint-Pieter op het einde van juni ergens in een diepe wei wat vuur. Sint-Pietersvuur heette dat. Daar achter Boekskes (Nieuwbaan-Nachtegaalhoek) of naar de Kottekes (Middelstraat) toe is er zo'n diepe wei. De Visput noemden ze die. Enkele mannen - 'k weet niet wie allemaal, maar een ken ik er toch van, van horen zeggen hoor, het was Pier Hermans Hermans (geboren op de Heirbaan in Steenhuffel maar wonend in de Steenhuffelstraat te Peizegem)- gingen daar vuurke stoken.

39


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Pier moest stoken en de anderen moesten hout aanbrengen. Eerst haalden ze een grote hoop hout in 't Buggenhoutbos. Maar toen hun vuurtje goed aan 't branden was, vonden ze dat wat ver. Ze wisten dat Pier een grote mijt goed mutsaardhout had staan. Ze maakten zo een draai, opdat Pier niets gezien zou hebben en ze brachten steeds maar aan. "Mannen, dat is eerste klas hoor", zei hij, "haal maar". En dat deden ze ook. Pier stookte tot tegen de morgen, tot het al wat klaar begon te worden. Toen hij thuis op het hof kwam, zag hij dat hij zijn eigen hout opgestookt had. En als hij nu moest bakken, moest hij eerst naar 't Buggenhoutbos wat droge takken gaan zoeken. Hij heeft dan van zijn Pauline wat moeten horen van snul en stomme ezel. En dat waren zijn kameraden die hem dat "gelapt" hadden. Van je vrienden moet je het hebben, zeggen ze altijd... Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pieter Van der Stappen (24.06.1905) landbouwer

1.4 "Schavakken" vangen Als er zo een sukkelaartje was, die ze niet alle vijf had, daar wilden ze nog wat mee de zot houden. Dat is niet mooi, maar ja, de mensen zijn nu zo. Zo was er ook eens een die ze wijs gemaakt hadden dat, als je 's nachts vuur maakt, de "schavakken" daar naar toe komen. Dat was een soort grote vogel, zegden ze. Je moest die dan maar doodslaan en opeten. Dat snulleke moest dan bij 't vuur staan, terwijl de anderen de "schavakken" in 't veld gingen opjagen. Ze brachten allen tegelijk hout aan, staken 't vuurtje in brand en gingen naar huis slapen. Ondertussen zat die clown, die dat niet wist, te wachten met een goeie knuppel in zijn hand en op het vuur te passen. Maar er kwamen geen “schavakken" af. En toen zijn hout op was en zijn vuur uit, ging die sukkelaar dan ook maar naar huis. Hij had geen enkele "schavak" gezien. Dat kon ook niet, want er bestaan geen "schavakken". De mannen van de Steenhuffelstraat moeten dat ooit uitgestoken hebben. Toen ik nog klein was, heb ik dat horen vertellen. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Jan D.B. (° ± 1880) schoenmaker

1.5 Oorlog in de Steenhuffelstraat Boeren, boeren, schept maar moed, en schiet maar goed op Engels bloed. Dat zongen de kinderen als de Engelsen tegen de Boeren van Transvaal aan 't vechten waren. Op de Steenhuffelstraat werd de herberg van Vic "In Transvaal" genoemd en die van Jan Elleboog "in Engeland". De ene deed mee met de Boeren, de andere met de Engelsen. Op een zondagnamiddag gingen ze slag leveren: die voor Transvaal tegen die voor de Engelsen. Ze waren verdeeld in twee ploegen. Sooi van Tistnuves deed met de Boeren mee en Mie-Jef, zijn vrouw ook. Ze was gewapend met haar steenputhaak. 't Was nogal gemeend: ze sloeg erop dat het ruiste. En Mie-Jef weerde zich meer dan een man. Ze hingen lijf aan lijf en het was moeilijk uit elkaar te houden wie er Boer of Engelsman was. Mie-Jef dacht daar een Engelsman een goeie klop te geven met haar haak, maar zoiets lang is moeilijk te hanteren. Terwijl de vechters zo ondereen liepen, riep ze: "Hier zie, smerige Engelse bandiet, pak vast." En ze sloeg zo hard ze kon op Sooi zijn arm. Ze had zelf een van hun mannen lam gelegd en dan nog haar eigen vent. Ja, in de oorlog kun je van alles verwachten. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Julia E. (° 31.10.1905) huisvrouw

1.6 Zakken, Tist Vroeger begon Steenhuffelkermis op de tweede Sinksendag in plaats van met Sinksen zelf. Twee broers vroegen na de noen aan hun moeder hun pree (loon). Maar die was niet goed gezind, waarom weet ik niet. "Neen", zegde ze tegen haar zonen.

40


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Ze hadden het al dikwijls gevraagd en op het einde werden ze het beu. “Ik ga mij verdrinken", zei er ene. Dat was Jef, en Tist was de andere. Ze trokken naar de steenput. Jef kroop in een emmer. Dat was een put met een winde (windas). "Zakken, Tist", zei hij. En Tist liet hem zakken tot de emmer aan het water kwam. "Krijgen we onze pree, moe?" vroeg Tist. "Neen", riep moe. "Zakken, Tist", riep Jef. En Tist liet hem zakken tot hij met zijn navelbuik in ‘t water zat. Moe kwam eens kijken naar de put, en "neen” riep ze al, vooraleer Tist iets gevraagd had. "Zakken, Tist", riep Jef. En Tist liet hem zakken tot hij met zijn schouders in 't water zat. "Krijgen we nu onze pree, moe?" riep Jef. "Neen", riep Mie. En Tist liet hem zakken tot het water bijna in Jefs mond liep. "Krijgen we onze pree, moe?" "Komt eruit, nagel aan mijn doodskist", zei moe. Tist draaide Jef omhoog. Ze kregen hun pree en ze gingen meteen naar de kermis, Tist en Jef. Maar moe bleef kwaad thuis en kroop van koleire in haar bed in plaats van ook naar de kermis te gaan. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Pieter Van der Stappen (° 24.06.1905) landbouwer

1.7 Hij pakte mijn kippen Jan van Doef (de hoeve, Kouter Steenhuffel) was een stroper. Hij was de beste schutter van heel de omtrek. Als een haas het geluk had door één, twee, drie schutters - zo van die leergasten - gemist te worden, dan mocht hij het ongeluk niet hebben in de buurt van Jan te komen. Van zodra hij het eerste schot gehoord had, stond Jan al gereed met zijn tweeloop. Geen enkele haas, die in de kouter opgejaagd was, ontsnapte als Jan geschoten had. Jan verkocht nu en dan een haas. Hij ging daarmee naar zijn gewone klanten: de brouwer, de pastoor en nog een paar mensen. Op een keer was hij met een haas bij de pastoor. "Maar Jan toch", zei de pastoor, "je weet toch dat je dat niet mag doen, dat dit door de wet verboden is. Zo'n mooi beest." "Ja, meneer pastoor, dat is waar", zei Jan, "maar hij pakte mijn kippen!" "Dat is een verschil", zei de pastoor en hij kocht de haas. Bron: De Brabantse Folklore, geschreven door Kamiel Baeyens, opgetekend uit de mond van Kamiel L. (° 13.03.1907) schoolhoofd

41


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

5 VOLKSVERHALEN UIT LONDERZEEL, MALDEREN EN STEENHUFFEL en hun historische achtergrond

Verdwenen en verzonken kastelen Momenteel vertellen de mensen elkaar geen verhaaltjes meer. Maar vroeger, toen de geburen elkander nog kenden, en ’s avonds als ’t goed weer was in de droge grachtberm zaten, of tijdens de winteravonden bij de open haard of de Leuvense stoof, toen werd er door de ene generatie nog veel aan de volgende doorgegeven. Met iedere nieuwe verteller verloren die verhalen wel een beetje van hun substantie of werden ze een beetje aangedikt. Of misschien waren ze van bij de aanvang al wel helemaal verzonnen. Het is moeilijk om bij een volksoverlevering waarheid en fictie uit elkaar te halen... Tot de bewijzen uit de grond of uit een bijna vergaan stuk perkament opgedolven worden... Verhalen over verzonken kastelen werden overal verteld, dus ook in Londerzeel.

De legende over een verzonken kasteel in de Lakeman. Verteller 1 - Jaak Wouters in Plaatsnamen van Steenhuffel, verschenen in De Brabantse Folklore, 5de jaargang nr. 29, april 1926, blz. 201 tot 215. In de Lakemansplas, op een plaats geheten “den berch”, moet volgens de volksoverlevering een kasteel gestaan hebben. De onnatuurlijke hoogte (berch) doet dit vermoeden, evenals de benaming den duijffhuijs. Hier wassen vele schone bloemen zoals orchideeën. De meeste legenden over een verzonken kasteel, over Kleurren, Sipenessen en Stallichten zijn aan deze plaats verbonden. In de volksoverlevering over het verzonken kasteel etc. leeft de herinnering hieraan nog voort. Ik weet dat mensen van Malderen en Steenhuffel hier opgravingen begonnen, met het gedacht er schatten te vinden, want, zegden ze, hier hebben kaboutermannekens gewoond. Ze vonden slechts steen. Misschien is dit wel een tumulus; want “de berch” is nabij de heirbaan van Merchtem over Steenhuffel naar Londerzeel gelegen. Deze baan heet nu nog de Heirbaan. Rond

42


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

den berg lag in 1699 een wal en van uit deze wal liep de logenbeke weg; die een weinig verder voorbij den Diepenstijnmolen in de Molenbeek uitmondde. Verteller 2 - Cyriel Laenens in Steenhuffel, verleden en heden, 1973, blz. 201. In deze omgeving (Lakeman) moet er vroeger volgens de volksoverlevering een kasteel gestaan hebben. De vormgeving van de grond (enigszins heuvelachtig) en de gevonden resten van stenen getuigen dit ten volle. Werd dit kasteel gebouwd voor de familie van Bouchout het kasteel Diepensteyn bouwde of was het een burcht die bewoond was door de heren van de commanderij van Pitzemburg? Uit volksoverleveringen blijkt dat de inwoners opgravingen deden ‘over den bergh en weije in den duijfhuijs’ om er zekere schatten te kunnen vinden. Verteller 3 – Pater Joris Vertonghen en pastoor L. Verhasselt in Toponymie van Steenhuffel, 1971 (diverse plaatsen). In de Lakeman kwam men het toponiemen “Eersgat” of “Jeersgat” tegen. Daar vond men blijkbaar "gaten in de jeir" of gaten in de aarde. Tot voor kort lagen daar inderdaad elsbossen met putten. Volgens het volksgeloof waren dat geen natuurlijke putten maar inzakkingen, die verband houden met de legende van het verzonken kasteel. Aan deze plaats, evenals het aangrenzende “Appelenbos”, dat tijdens het Frans Bewind als Nationaal Goed verkocht werd (n.v.d.r. en dat waarschijnlijk de vroegere “Kerkenboomgaard” was), waren de meeste legenden van Steenhuffel verbonden. ... Wij zien daar ook een zeer interessant toponiem, het Druijfhuijs... Ook dat zou kunnen wijzen op de oorsprong van de legende van het "verzonken kasteel". Ingezakt omwille van het drijfzand. ... (Uit een andere toponiem) “den berch” blijkt dat we hier te doen hebben met een aarden dam of motte, wellicht een relict van een oude vesting, de voorganger van het latere Diepensteyn. Deze plaats was eertijds strategisch van enig belang: de overtocht van de Heirbaan over de Molenbeek. ... Wij hebben redenen om aan te nemen dat het versterkte kasteel of steen in de Lakeman, dat zoveel legenden heeft nagelaten, en ook aardrijkskundige sporen, de naam Steenhuffel heeft doen ontstaan, als een aparte entiteit die loskwam van Merchtem. Het bestaan van een “berch of motte aldaar” – zoals J. Verbesselt terecht opmerkt – moet als een spoor hiervan worden beschouwd. Als de eerste heren van Steenhuffel en de Schepenbank hun intrede doen in onze geschiedenis kiezen ze een andere plaats om zich te vestigen. Ze verlaten hun berg (het steen op de heuvel) om naar de diepte te trekken, want ze bouwen een slot, door wallen omringd, en geven het de naam “Diepensteyn”

De herontdekking van het kasteel in de Lakeman. In het fonds de la Faille (rijksarchief te Gent) herontdekte de heer Jozef Verheyden uit Antwerpen een verslag van Adriaen van Marselaer over zijn wandeling in Steenhuffel in het jaar 1593. De tekst van deze dichter, humanist en oud-schepen van Antwerpen was bij velen al eerder bekend, maar niet bij iemand die Steenhuffel voldoende kende om hem in de juiste context te kunnen plaatsen. Op 25 april 1593 maakte Adriaen van Marselaer onder meer de volgende aantekeningen: “Ik Adriaen van Marselaer, oudt schepen der stadt van Antwerpen, heb gegaen den 25 april 1593, met Jan de Smedt, schepen en borgemeester van Steenhuffel en met Joos Verstappen, koster aldaer, en zijn gegaen den nevenwegh naer Merchten, langs de beemden, welke men heet den leegeren wegh’. En gaende over tkerckhoff sijn voorbij gegaen den groote berg, daer … op te woonen plagh en soo voort tot dat wij quaemen aen de beek die ter slinkerhand, enz…” 43


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Elders noteerde hij: “Links van het kerkhof ligt het hof “den bergh” achter een grote boomgaard. Het is daar sinds mensengeheugen altijd geweest, met brede wallen op een hoge berg. Daar heeft ooit nog Gijzelbrecht de Luu gewoond met vrouwe van Marselaer. Na hem kwam jonker Daneel Vilain, stadhouder van Diepensteyn. Zijn zoon Hendrik is nu burgemeester van Aalst. Nu woont daar Gielis van Meldert.” Dank zij deze tekstfragmentjes is het mogelijk gebleken om een niet onbelangrijk deel van de geschiedenis van dit kasteel op de berg (of misschien wel het steen op de heuvel) in de Lakeman te reconstrueren.Alles daarover is op deze website te vinden. Kijk daarvoor op Steenhuffel: Het Steen op de Heuvel.

Nog een legende over een Steenhuffels verdwenen kasteel. Verteller 1 – Pater Joris Vertonghen In zijn “Geschiedenis van Steenhuffel”, 1975. De Bontestraat (recentere naam voor d’oude baan) is zeer oud. Haar naam wijst naar een belangrijke aristocratische familie uit de middeleeuwse geschiedenis van Brabant… De aansluiting op Breestraten in Merchtem wijst eveneens op een hoge ouderdom. De volkslegenden over een kasteel aldaar in vroegere tijden, tussen de Oude Baanbeek en de Molenbeek, zijn wellicht geen verzinsel. Ook het bestaan van de Marselaermolen op die plaats kan een litteken zijn van een vroegere vesting van 2de rang, centrum van het domein der Bonte’s.

En de verbluffende werkelijkheid. Joris Vertonghen was er zo dichtbij. Toch werd het Hof van de Bonte’s nog niet gevonden. Het Hof van Marselaer (wie had dat kunnen denken) daarentegen wel. Toen Adriaen van Marselaer, dichter, humanist en oud-schepen van Antwerpen, in 1593 zijn wandeling in Steenhuffel maakte was dat niet om naar het Hof op de Berg in de Lakeman te komen kijken, maar om de restanten van het voorouderlijke Hof van Marselaer in de Bontestraat te vinden. Hij vond niet alleen getuigen die hem nog de plek konden wijzen, maar hij had ook oude documenten gevonden die het daarover hadden. Eén daarvan was het Leenboek van Pitzemburg waarin, in het jaar 1388, geschreven was: “De heer Jan van Marselaer voornoemd, heeft x bunderen in den aert en op het nederveld bij Robbroeck met huis en hof, waar hij in woont, en land daarbij gelegen, en die liggen tussen onzen beemd (dus de beemd van Pitzemburg) en de Roest.”Een veel nauwkeuriger beschrijving van iemands woonplaats zal men in oude documenten zelden vinden. Een Jan van Marselaer (en geen Bonte) woonde dus in een huis en hof tussen de Oude beek en de Molenbeek, tegen de grens met Merchtem. Dat is precies de plaats die door de volkslegenden, zelfs nog in 1975, als de plek van een voormalig kasteel werd aangewezen. Meer hierover is op deze site te vinden in “de Hoven van Marselaer te Steenhuffel en Malderen”

De Burcht van Londerzeel. Verteller 1: Mieke Meskens in een grondige en zeer waardevolle studie over de Burcht (1983). Regelmatig keert eenzelfde verklaring terug die door alle auteurs wordt overgenomen, zonder dat zij er een wetenschappelijke fundering voor geven. In de maand november van het jaar 1582 zou te Londerzeel een mooi kasteel, gelegen in het westen van het dorp, door de hertog van Parma met de grond gelijk gemaakt zijn, omdat het dienst deed als vergaderplaats voor Willem de Zwijger en de graven van Egmont en Hoorn. Noch in de correspondentie van Philips II met Allessandro Farnese, hertog van Parma, noch door een grafische voorstelling van het gebeuren hebben we bewijsmateriaal voor dit feit gevonden...” 44


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Verteller 2: Marcel Slachmuylders in een voordracht, gegeven op 21 juni 1998, ter gelegenheid van de voorstelling van zijn boek “De Kroniek van Londerzeel”. Wanneer en door wie de Burcht van Londerzeel verwoest is, blijft tot er controleerbare feiten gevonden worden, in mistige nevelen gehuld. Men schreef dat zij in 1582 door de hertog van Alva stormenderhand ingenomen en tot op de grond gesloopt werd, om reden dat er bijeenkomsten plaatsvonden van de graven Egmont en Hoorn met andere vrijheidsstrijders tegen de Spaanse overheersing. Ook gaat het verhaal dat de graaf van Egmont in de Burcht werd opgesloten, tijdens de nacht van zijn overbrenging van de gevangenis in Gent naar Brussel, waar hij zou onthoofd worden. Tenslotte wordt ook verteld dat Willem de Zwijger, prins van Oranje, aan wie de Burcht toebehoorde, er soms overnachtte. Dat gebeurde als hij op doorreis was naar Brussel, waar hij hof hield en niet in zijn kasteel van Grimbergen wilde komen. De prins van Oranje-Nassau deed op de motte van de Burcht geneeskrachtige planten kweken, waaronder een heester - de Gele Kornoelje - waarvan de kleine steenvruchten dienden voor het helen van verse wonden en het stelpen van bloed. Deze struik heeft de prins tot op vandaag overleefd en moet minstens 450 jaar oud zijn. Men vertelde ons ook toen we school liepen, dat er een onderaardse gang bestond van de Burcht naar het kasteel van Diepensteijn in Steenhuffel. Hij liep onder de wal van de Burcht door, onder de bedding van de Molenbeek in Londerzeel, en zo een uur gaans verder, onder door de beek en de kasteelvijver van Diepensteijn. De onderaardse gang was gebouwd met kareelstenen en gemetseld met een mengeling van kalk, gekapt stro en roggemeel.

Nieuwe bedenkingen bij het einde van de Burcht van Londerzeel. Dat er in het dorp van Londerzeel ooit een omwalde burcht gestaan heeft, is nooit een geheim geweest; er zijn immers nog altijd wat restanten van terug te vinden. Dat die bovendien de eigendom was van Willerm van Oranje, toen heer van Grimbergen, tevens heer van Londerzeel, was ook algemeen bekend. De omstandigheden waarin ze aan haar einde kwam werden met de jaren echter meer en meer in vraag gesteld. ’t Is te zeggen, het betrouwbaarheidsgehalte van de oude volksverhalen werd steeds sterker in twijfel getrokken. Zowel Mieke Meskens als Marcel Slachmuijlders wilden, zoals we hierboven merkten, de overlevering niet zonder meer, dat wil zeggen zonder harde bewijzen, accepteren. Het is natuurlijk prima dat echte wetenschappers niet voortgaan op geruchten, maar als volgende bronnen al niet meer voldoende zijn ... - Hareus (datum onbekend): “Tijdens de regering van Philips II werd in 1582 de versterking van Londerzeel veroverd” (In de Latijnse tekst staat “expugnavit”, wat zowel “veroverd” als “vernietigd” kan betekenen). - Alphonse Wauters in Histoire des environs de Bruxelles, deel 5, 1855: “In november 1582 werden vele eigendommen van Willem van Oranje aangevallen en vernietigd in het land van Grimbergen door de hertog van Parma. Dit was ook het lot van de burcht te Londerzeel. Zij zou deze klap nooit meer te boven komen. De burcht werd niet meer heropgebouwd, wel hersteld en opnieuw bewoonbaar gemaakt”. Gewone mensen hoeven er niet langer meer aan te twijfelen dat de burcht van Londerzeel in derdaad in november 1582 door Farnese, de hertog van Parma (niet door de hertog van Alva) werd verwoest. De gebruikte methode was met die van zijn andere bewezen activiteiten te vergelijken, hij werd op het gemelde tijdstip op de plaats van het delict waargenomen en bovendien had hij ook een geldig motief. Londerzeel was namelijk de eigendom van zijn aartsvijand Willem van Oranje. Of wraakgevoelens voor hulp aan de graven van Egmont en Hoorne daar nog een rol bij speelden staat evenwel niet vast. Non-believers zouden kunnen 45


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

zznvoeren dat die twee Geuzen al op 5 juni 1568, dus meer dan 14 jaar eerder, in Brussel waren onthoofd. Anderen, zoals ik, ervaren telkens opnieuw dat men vroeger een zeer sterk collectief geheugen had. Meer daarover op deze site in Londerzeel gedurende de geuzentijd Voor de vermoede onderaardse gang blijft toch enige scepsis aangewezen. Om te beginnen worden aan alle oude kastelen geheime plekken toegeschreven. Bovendien lijkt een onderaardse gang naar Diepensteyn mij – althans in afstand - een beetje van het goede teveel. Tenslotte zou men geen geheime verbinding tussen een goed van Grimbergen en een goed van de hertog van Brabant verwachten, als er in de Steenhuffelse Lakeman (dat is iets dichterbij) nog een ander goed van Grimbergen lag.

De Bogaerden, het verzonken kasteel van Londerzeel. Verteller 1: Pier April in een krantenartikel in de gazet van Mechelen (1958). Ooit stond in Londerzeel het kasteel “Bogaerden”. Wist gij dat Egmont en Hoorn, die te Brussel onthoofd werden, zich lange tijd verborgen hebben gehouden en dat zij dààr gevangen werden genomen?” Wij wisten het niet en uit gesprekken die wij nadien met Londerzelenaren hadden, bleek dat niemand ons kon meedelen dat het kasteel ‘Bogaerden’ had bestaan, evenmin dat Egmont en Hoorn daar gevangen genomen werden. Verteller 2: Marcel Slachmuylders in een voordracht, gegeven op 21 juni 1998, ter gelegenheid van de voorstelling van zijn boek “De Kroniek van Londerzeel”. Volgens sommige verhalen liep er niet alleen een onderaardse gang van de Burcht van Londerzeel naar het Steenhuffelse Diepensteyn, maar bestond er ook een vluchtgang naar het verzonken kasteel “De Bogaarden”, gelegen op de grens van Londerzeel met Westrode. Dat kasteel zou op een nacht, heel lang geleden, in de grond verzonken zijn omdat - zo zeiden de mensen - de duivel er zich meester van gemaakt had. Wat er juist met de Bogaarden aan de had geweest is, weet niemand met zekerheid te vertellen, Er zouden geheimzinnige rituelen gehouden zijn en 's avonds met het donker brandde achter allé ramen kaarslicht Men zag, vooral in de winter, vreemde gedaanten door de lucht rond het kasteel scheren. Volgens sommigen leken ze op gevleugelde paarden, volgens anderen op wolven, nog anderen zagen er... bijenkorven en zelfs ... hespen in ! Ook waren er 's nachts eigenaardige geluiden te horen die leken op het stampen in vijzels ... Niemand kende de eigenaar en ook de bewoners zag men nooit. Op één der pinakels flapperde een soort vlag met een rood kruis op zwarte grond. Het kruis stond ondersteboven. De mensen waren er niet gerust in en zij liepen met een wijde boog om het kasteel heen. Van de vluchtgang van de Burcht is nooit een spoor gevonden. Maar de mensen weten zeker dat hij bestaan heeft en ... hij is niet met de blote hand afgebroken. Neen, op een gegeven ogenblik is hij door overvallers volgestouwd met buskruit. Toen stak men een lont aan en ... het gevolg laat zich raden. Allés werd verwoest, niet alleen de gemetselde gang, maar ook de Burcht zelf, en doordat de onderaardse gang - volgens een bepaalde versie - naar de Bogaarden leidde, ontplofte ook dat kasteel en de brokstukken zonken in de grond. In elk geval was het daar van toen af gedaan met die geheimzinnige bijeenkomsten. Wij hebben zelf sporen gevonden van stenen en stukken aardewerk in de uitgedroogde vijvers van de Bogaarden ... Maar of er nu een verband bestaat tussen de ondergang van de twee kastelen en een reeks merkwaardige voorvallen die later op verschillende tijdstippen gebeurd zijn, blijft een vraagteken.

46


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Bedenkingen. Toen Marcel Slachmuijlders zijn voordracht gaf waren “de Bogaerden” - zowel op papier als in de grond - al een poosje teruggevonden; het was hetzelfde omwalde domein als Oudenhoven op de grens van Londerzeel en Wolvertem, dat– hoogst waarschijnlijk samen met de burcht – in de 16de eeuw door de Spaanse troepen werd verwoest. In de late 19de eeuw schijnen de Londerzelenaars de legende van een geheimzinnig kasteel met de verhalen over de Framassons verweven te hebben. Dat dit samenviel met het verschijnen van de eerste Libertaen in de Londerzeelse dorpspolitiek, zal misschien niet helemaal toevallig zijn. De volledige geschiedenis van de Bogaarden is in “Het Goed van Voorspoel en Oudenhove” na te lezen.

47


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

De katten van het Armemensenhof. De legende. Overgenomen uit ‘Volksverhalen uit Merchtem-Peizegem’ verschenen in ‘Brabantse Folklore en Geschiedenis, jaargang 1993 nr. 280, opgetekend door Kamiel Baeyens uit de mond van Jozef Van de Ranst (° 23-01-1910) uit Steenhuffel.

Aan het Armemensenhof in Steenhuffel spookte het altijd. Daar zaten altijd katten, ik weet niet hoeveel, ambetante beesten. Soms kon je geen stap zetten of er liep er een tegen je benen. Nu en dan pakte er iemand een stuk hout en sloeg er een kat, die hem wat te veel "tempteerde" dood. Maar dat verminderde daarmee niet. Hoe meer je er dood sloeg, hoe meer katten er kwamen. Voor een die een klop had gekregen, kwamen er wel drie of vier in de plaats. De mensen wisten met die katten geen raad meer. En dat duurde zo totdat er eens ene op het idee kwam om daar een kapelletje te zetten. Dat was toen opeens gedaan met dat spoken en die katten. Dat kapelletje staat daar nog steeds. De mensen van Steenhuffel weten dat wel, maar ze weten niet allemaal hoe dat kapelletje daar gekomen is aan het Armemensenhof. God weet hoelang dat al geleden is. Je kunt ook niet alles weten van de oude tijd.

Waarheid en verzinsel. De (inmiddels verdwenen) schuur op de Meir, waartegen het bewuste kapelletje aangebouwd werd, werd tussen 1798 en 1814 (her)opgetrokken. Oorspronkelijk stond ze in Sint-Amands aan de Schelde. Misschien was ze eigendom van een abdij en werd ze als aangeslagen abdijgoed verkocht. De kapel zelf werd gebouwd in 1898 ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Mesen, die aanroepen wordt voor verschillende kwalen als lamheid, reuma, verzweringen, fluibit, ciathica, zenuwziekten, exceem... voor zover bekend is, niet tegen een uit de hand gelopen kattenpopulatie. De verering van Onze-Lieve-Vrouw van Mesen is onze streek vrij zeldzaam. Is het toeval dat in dezelfde periode (1902) ook in Lippelo een aan haar toegewijde kapel werd gebouwd? Meer gegevens over schuur en kapel, die in 1998 afgebroken werden, verschenen in nr. 1998/4 van het tijdschrift van de Geschied- en Heemkundige Kring van Londerzeel. Toponymie. De naam ‘Armemensenhof’ heeft niets te maken met ‘arme mensen’ maar alles met de familie Ermens, die in de 19de en 20ste eeuw deze hoeve op de Meir bewoonde. Ongeveer 60 jaar geleden is het goed door huwelijk eigendom van de familie Langbeen geworden. Een authentiekere naam voor deze hofstede is het Vlierpoelhof.

48


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Roze Lappers en haar vriendinnen De volgende verhalen spelen zich af op de achterste Boskant en op den Bouw, dat is dat vage en eigenlijk door niemand opgeëiste grensgebied tussen de gemeenten Buggenhout, Malderen, Steenhuffel en Merchtem. Naast het feit dat ze een eigen entiteit vormen, hebben deze wijken nog iets anders met elkaar gemeen, ze lagen en liggen namelijk aan de rand van Buggenhout-Bos. Tot aan de eerste wereldoorlog (toen talloze bomen voor privé-brandhout en voor de oorlogseconomie gekapt werden) was dat bos veel uitgestrekter en dreigender dan nu. Een betere broedplaats voor het ontstaan van volksoverleveringen en legenden valt haast niet te bedenken; temeer daar de realiteit zelf al genoeg aanleiding tot fantaseren gaf.

Onze locaties: 1. Vermoedelijke woon-plaats van Roze Lappers. 2. Kasteel Ten Bouw. 3. Rovershol ‘De Vuile Voorschoot’

Over Anneke Waters, Neeles Dokes en Roze Lappers Hier bij ons hebben er altijd veel toverheksen rondgelopen en misschien lopen er hier nog. Anneke Waters van Sint-Jozef was waarschijnlijk de bekendste maar dat komt alleen omdat onze grote volksheemkundige Gerard veel over haar heeft geschreven. Maar Anneke was zeker de kwaadste en de laatste niet. In Steenhuffel zijn er tot ver in de 20ste eeuw twee actief geweest, die nog een heel stuk erger waren dan zij. Toverheksen, moet je weten, had men vroeger van diverse pluimage en in verschillende kleuren. Zo had je de witte heksen die eigenlijk niemand kwaad deden en hun kunsten en brouwsels vooral gebruikten om mensen van kwalen als longtyfus en cholera te genezen die ze doorgaans door de vervloeking of aanraking door een zwarte heks hadden opgedaan. Zwarte heksen hadden namelijk hun macht aan een verbond met de duivel te danken en als er ergens te koeioneren valt, zal die zich zeker niet laten pramen. Rond 1900 was Neeles Dokes van de Over de Beek bijvoorbeeld wis en waarachtig zo’n zwarte heks. We zouden dat waarschijnlijk al lang vergeten geweest zijn ware het niet dat we over haar in jaargang 1956 (nr.11-12) van ‘Eigen Schoon en de Brabander” het volgende verhaal hebben gevonden. Het werd opgetekend door ene C. Theys uit de mond van Frans Haverals, die op dat moment weliswaar in een brouwerij in Sint-Genesius-Rode werkte maar in 1881 in Steenhuffel geboren was. “Toen Frans Haverals een jongen was,” schreef Thijs, “heeft hij zijn vader ‘s avonds rond de haard heel veel over heksen en spoken horen vertellen. Iedereen geloofde toen aan die dingen en zijn vader, zijn nonkels en de meeste andere al wat oudere familieleden hadden ze trou-

49


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

wens zelf ondervonden. Hij zelf had nog een heks gekend, Neeles Dokes, van Over de Beek te Steenhuffel die zich vooral bezighield met het boteren te doen mislukken. Het was echter gemakkelijk die boze plannen te verijdelen door een takje gewijde palm onder de dorpel te leggen. Vergat men die voorzorg en zat men met miserie in stal en zo, dan ging men bij de paters naar Dendermonde.” Veel, ontiegelijk veel erger, was men er aan toe als men met Roze Lappers te maken had. Heel Buggenhout, Steenhuffel en Malderen kende en vreesde Roze Lappers. Ze was de laatste grote “zwarte” toverheks van de streek. Zelfs in 1935 kon men nog regelmatig in Buggenhout-bos een oud krom vrouwtje tegen het lijf lopen dat daar in de buurt van de konijnenberg hout aan het sprokkelen was. Wel, dat moet – ofschoon ze toen eigenlijk al een tijdje dood was - Roze Lappers geweest zijn. Wanneer in het bos spelende kinderen die tegenkwamen, dan viel er niet aan te denken om voor het donker nog thuis te geraken. Die liepen dan altijd maar in het rond en kwamen steeds terug op de plaats waar Roze Lappers aan het sprokkelen was. Of ze nu naar links gingen of naar rechts, of ze vooruit of achteruit liepen, nergens vonden ze nog hun weg die ze anders blindelings konden herkennen. Pas als Roze verdwenen was werd de vervloeking verbroken en konden ze terug naar huis. De ouders van die kinderen begrepen dat, want tegen de hekserij van Roze viel maar weinig te ondernemen. Roze Lappers woonde, toen ze nog leefde, op de grens van Steenhuffel en den Boskant. In de Steenhuffelstraat of in de Boskantstraat, zo precies is dat nu niet meer geweten. Veel maakt het trouwens niet uit want vroeger was dat toch een buurt die op zijn eigen leefde. De bomen van het nabije Buggenhout-bos wierpen daar sombere schaduwen op de scheve lemen huizekens en in de ziel van de mensen die er woonden. Bijna overal waar Roze kwam manifesteerden zich zonder uitstel de symptomen van “de kwade hand”. Waaruit deze bestonden valt te lezen in diverse verhalen die rond 1975 door de Peisegemse onderwijzer Kamiel Baeyens werden opgetekend en die in de periode 1985-1992 onder de titel ‘Volksverhalen uit Merchtem-Peizegem’ in het tijdschrift ‘Brabantse Folklore en Geschiedenis,’ werden gepubliceerd. Omdat die verhalen ook een beetje van Steenhuffel zijn, zijn we zo vrij om ze hier over te nemen. Het eerste verhaal komt van een zekere Livien H., die op 26 september 1905 in Peisegem geboren werd en daar lang in de brouwerij heeft gewerkt... Al heeft die omstandigheid vrijwel zeker niets te maken met hetgeen volgt. “Nu zijn er geen toveressen meer,” vertelde hij in 1975, “maar vroeger wel. De laatste die hier was, was Roze Lappers. Die had dat geërfd van haar moeder, Nelle Lappers, die reed 's nachts op een varken. Van Roze Lappers weten de mensen nog het ene en het andere te vertellen. Pee van Leemans (Pier Hermans) was een “kafman”. Die kocht kaf van haver op de grote boerderijen tot in Zellik toe. Dat kaf werd gewand en dan verkocht om in beddezakken te steken. Roze Lappers had bij Pee van Leemans ook eens kaf besteld, en Pier voerde dat weg met zijn hondenkar. Een van zijn kinderen, Belske, mocht meegaan. 't Was die dag zeer koud en Roze gaf Pier een warme kop koffie. ‘En hier voor dat ventje ook een’, zei ze. En ondertussen streek ze eens over dat manneke zijn hoofd. Een dag of twee daarna was Belske ziek, zo ziek, dat er een dokter moest gehaald worden. Maar de dokter kon er geen kop of staart aan krij-

50


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

gen. Dat kind vermagerde dat je het zag. En op een keer kroop er een grote spin uit zijn bedje, zo groot als 't bovenste van een pint. Ze zegden dat tegen de dokter, toen die nog eens kwam, en hij zei: ‘Daar kan ik niets tegen doen. Daarvoor moet je naar de paters gaan.’ Ze gingen naar Dendermonde, en de pater die bij hen kwam, zei: ‘Zie, wij kunnen iets doen, maar jullie moeten ook iets doen. Ga bij de toveres en zeg dat ze de toverij van dat kind moet wegnemen.’ Pee is dan met Belske bij Roze Lappers geweest en Roze deed wat hij vroeg. Heksen doen die toverij niet altijd voor hun plezier. Dat moeten ze doen, dikwijls tegen hun goesting. Daar kunnen ze maar alleen vanaf geraken door te sterven. Had ze dat niet gedaan, Pee had haar doodgeslagen. En wat later was Belske genezen. Hij leeft nog altijd... Bij de vrouw van Viene van Pier Leemans in Steenhuffel hebben ze achttien kinderen gehad. Daarvan zijn er zeven gestorven. Die werden allemaal ziek, nadat Roze Lappers daar binnen geweest was. En toen er zeven dood waren, dacht hun vader dat dàt Rozes fout moest zijn. En toen hij haar eens tegenkwam, zei hij haar: ‘Roze, je mag nooit meer over mijn dorpel komen. Als je het nog een keer riskeert, sla ik je dood.’ Roze zag dat die man dat meende en dat hij het zou gedaan hebben ook. Ze vroeg hem niet waarom of iets, en ze bleef stilletjes buiten dat huis. Ze is er nooit meer binnen geweest en de elf andere kinderen zijn allemaal groot geworden. Pee van Leemans en zijn broer Do kwamen een keer van de Boskant, nadat ze met de duiven gespeeld hadden. In de Middelstraat aan de Brusselaar (Henri Laenens) vloog plots iets tussen Do zijn benen door. ‘Wil je wedden dat het Roze Lappers is?’ zei Do. Wat verder zagen ze een grote zwarte kat met ogen als kolen vuur. ‘We moeten iets doen of we hebben het aan ons been’, zei Do. ‘Maak een kruisteken,’ zei Pee. Ze deden dat en de kat was weg.” Clothilde K. herinnerde zich, ofschoon ze zelf pas in 1936 geboren was, ook een verhaal dat ze had horen vertellen. Ze zei: “Bij Sus Bol (Meskens) is het ooit nog herberg geweest. Ik ben daar, toen ik nog jong was, nog binnen geweest. Dat heette daar “In de Meiboom”. Daar is vroeger ook nog een winkel geweest. Maar dat heb ik nooit geweten. En Mena Keppens, dat was de halfzuster van Sus Bol, die heeft daar voor ze getrouwd was, nog geholpen. Eén van de klanten van Sus Bol was Roze Lappers, een uit de Steenhuffelstraat. Als die naar de winkel kwam, ging ze altijd naar de kinderen eens kijken, en iedere keer waren die sukkelaartjes ’s anderendaags ziek. ‘Die zou ik toch niet meer binnen laten’, zegden de mensen tegen Sus en Treze, zijn vrouw. ‘Dat is een toveres.’ ‘Je kunt dat toch zo tegen haar niet zeggen’, zei Sus. Ze dachten eens goed na en ze hadden het gevonden. Ze staken een gewijde kaars onder de dorpel. Maar het was net of Roze dat geraden had en ze ging langs achter binnen. 's Anderendaags was er weer een kind niet goed. En dan staken ze onder de dorpel van de achterdeur ook een gewijde kaars. En Roze is bij hen nooit meer over de dorpel of op hun hof geweest.”

Heksen en andere trawanten van de duivel in het 19de eeuwse Londerzeel Ofschoon de titel van deze bijdrage eigenlijk ‘legendes uit Steenhuffel’ is, zullen we het toch ook even over de hekserij in Londerzeel en vooral die op de Heide hebben. Bij onze zoektocht naar andere dingen zijn we namelijk op een aantal feiten en namen gestoten die de lezer volgens ons gerust mag weten. Voor de wetenschap zou het trouwens nuttig kunnen zijn, dat degenen die in de volgende verhalen een voorouder herkennen, zelf eens uitzoeken of er bij hen van dat talent misschien nog wat is overgebleven. In 1853 leefde in de buurt van de Topmolen een zekere Kobus Van Obberghen. Die dacht – maar hij vergiste zich zoals zal blijken – dat hij een verbond met de duivel gesloten had. Op 4 51


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

februari van dat jaar heeft hij dat tijdens een slaande ruzie aan zijn broer Philip bekend. “Gij zijt waarlijk den broeder van den Duivel!” riep hij uit met luide stem en, de keel van zijn broer dichtknijpend, voegde hij daar ter verduidelijking aan toe: “Ik ben den duivel zelve, gij moet van mijne handen sterven.”. Zijn nochtans alles behalve cryptische voorspelling is evenwel niet uitgekomen; hetgeen, me dunkt, zijn ongelijk bewijst. (Dit verhaal werd aan burgemeester Hermans verteld door de champetters Petrus Josephus Goossens en Ferdinandus Janssens, die het zelf hadden gehoord van Clara en Philip Van Obberghen, die het dus had kunnen navertellen.)

Zeldzame foto van een toverheks, betrapt bij het werk, toen ze de webcam was vergeten af te zetten.

Op 28 november 1881, rond 5 uur ’s avonds, verweet Louis Van Nieuwenhuizen (terecht of onterecht, het is niet aan ons om dat te beoordelen) aan Colette Van Gucht (de vrouw van Jan Van de Voorde) “dat zij eene tooverheks was en dat zij het pak van haar moeder had gekregen”. Houtzager Jan Van Laer en zijn zoon Pierre hebben deze verwijten gehoord. Een duidelijk geval van contaminatie oftewel ziekteoverdracht door de Kwade Hand kregen we op 30 maart 1885 te horen. Babbelend met Elisabeth Moerenhout en Rosalie Van Hemelrijck vertelde Elisabeth Carleer (de vrouw van Jozef d’ Hertefelt) dat ze een tijd eerder “op de koopdag van Remory eenen stamp had gekregen van eene vrouw van Londerzeel-heide, en ze voegde daar aan toe “dat de vrouw van Judo De Vil niet ver van daar stond, dat het zeker complicie was en dat zij zoo betooverd was geworden.” De stampster van de Heide werd daarbij niet bij naam genoemd, maar tegenover vrouw Van Moer (Antonette Van Riet), preciseerde ze: “ik heb dezelve ziekte gelijk de dochter van bakker De Maeyer. Die is door Lucie Lauwers betooverd en ik ben van haar ook betooverd. Zij zit ook aan mijn lijf.” Overigens mag met die betovering niet lichtvaardig gelachen worden, want ze was zeer ernstig. Zo ernstig – vertellen de annalen – dat Jozef d’ Hertefelt en zijn schoonbroer Charel besloten om niet langer bij de pakken te blijven zitten. Samen zijn ze op een dag vastberaden en wit van koleire naar De Vil getrokken om het daar eens goed te gaan zeggen. Vrouw De Vil liet zich evenwel niet zien. Ten einde raad hebben ze hun boodschap dan maar bij Rosalie Van Hemel52


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

rijck achtergelaten, samen met de waarschuwing dat vrouw De Vil maar beter haar blokken kon aanhouden want “dat ze haar de teenen zouden afsteken”. Of tenen afsteken een probaat middel tegen hekserij is valt te betwijfelen en wordt bij ons weten door geen enkele andere bron bevestigd. Op 16 september 1893 kwam Marie Moortgat, de vrouw van Louis De Bondt, bij burgemeester Petrus Van Assche haar beklag doen dat haar eigen dochter Anne Marie haar ‘oude toverheks’ verweet, en dat vrouw De Donder (Marie Van Hoeck) haar daarin bijtrad. Precies één maand later, op 16 oktober 1893, alweer een tragisch geval. Tussen de geburen Jozef Buggenhout en Jacques De Smedt heerste enige onenigheid over het al dan niet onrechtmatig gebruik van een losweg. Nadat De Smedt, om zijn argumenten kracht bij te zetten, een kruiwagen met voeder van Van Buggenhout had omgekwikt, trokken de zonen Henri en Frans Van Buggenhout naar het huis van De Smedt om “er eenen doorsteek toe te leggen langswaar het water van De Smedt afliep.” Dat was niet met de goesting van De Smedt, die dat al dan niet beleefd verbood. “En dan,” aldus Van Buggenhout, “gebeurden de verwijtingen van heks en tooveren die de vrouw De Smedt en hare dochter mijn vrouw toestuurden”. Zowel op donderdag 20 mei als op vrijdagochtend 21 mei van het jaar 1897 – terwijl Joannes Verrijcken, zijn dochter Katrien en Maria Josepha De Boeck dat goed konden horen – verweet Marie Aelbrecht (vrouw Bogaerts) uit de Pikstraat haar gebuur Colette Adriaensens (vrouw Piet Van Ingelgem) “dat zij een tooverheks was”.“Hetzelfde,” aldus het slachtoffer, “wordt ook door haar verweten aan mijn dochter Hortense en aan mijn zoon August verweet zij dat hij een zot is.” Waarbij ze in het midden liet wat ze het ergste vond... De namiddag van 17 mei 1898 verliep rustig tot op het moment dat de 67 jaar oude MarieJanne Vleminckx, de vrouw van Egide Verbruggen, plotseling op straat door Frans De Bondt (Patat) en door metser Jozef Hermans, de zoon van Guilelmus, werd aangesproken en “aangerand”. Ze “stuurden haar veel herhaalde malen de verwijten van tooverheks toe.” Francisca Broothaers (vrouw De Vos), Jean De Bondt, Frans Van Delm (de zoon van Vital) en Urbanie Van Stappen konden dat getuigen, maar het is niet zeker of ze dat ook hebben gedaan.

Waarheid en verzinsel Zowel Neeles Dokes als Roze Lappers hebben echt bestaan. Met een heel klein beetje moeite moet hun echte naam zo te achterhalen zijn. Maar waarom zouden we? Zelfs nà hun dood zijn zwarte heksen immers nauwelijks te vertrouwen. Ikzelf heb in de jaren ‘50 en ’60 mijn eigen grootmoeder, die ook van de Steenhuffelstraat afkomstig was, talloze angstaanjagende en echt gebeurde verhalen over Roze Lappers horen vertellen. Maar ik ben ze allemaal vergeten. Dat kan haast geen toeval zijn en zal wel met de Kwade Hand te maken hebben... Het geloof in de Kwade Hand werd tot in de vijftiger jaren nog in ruime kring beleden. Het was immers eenvoudiger om zuur geworden melk door de invloed van toverij dan door de aanwezigheid van bacteriën in slecht ontsmette melkemmers te verklaren. Bovendien – maar het is ons slecht karakter dat ons dit doet zeggen – waren er hele paters(h)orden die met “overlezen” de kost moesten verdienen. Een steeds terugkerend motief in de heksenverhalen was de angst van de mensen voor het verlies van kostbaarste en dierbaarste bezit. Dat waren de voortbrengselen van hun arbeid, het vee, en uiteraard de kinderen. Dat er honderd jaar geleden goede redenen bestonden om zich over de gezondheid van die kinderen ongerust te maken, zal wel niemand betwijfelen. Volgende harde cijfers zullen dat alleen maar duidelijker maken.

53


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Kindersterfte in Steenhuffel in de 19de eeuw Ofschoon onderstaande cijfers niet het resultaat van een echte wetenschappelijke studie zijn, geven ze ons toch te denken. We hebben 4 periodes van telkens drie jaar genomen en hebben daarin de overlijdens in functie van de ouderdom van de overledene onderzocht. De periodes werden met een tussenruimte van 30 jaar gekozen en “gekende” epidemiejaren werden daarbij vermeden. Leeftijd Jonger dan 1 jaar 1 tot en met 9 jaar 10 tot en met 17 jaar 18 jaar en ouder Totaal aantal begraf.

Begrafenissen in de parochie Sint-Genoveva Steenhuffel in de 19de eeuw 1806-1808 % 1836-1838 % 1866-1868 % 1896-1898 22 20,18 23 22,55 35 30,17 33 22 20,18 17 16,67 18 15,52 13 4 3,67 7 6,86 8 6,90 1 61 55,96 55 53,92 55 47,41 53 109 100,00 102 100,00 116 100,00 100

% 33,00 13,00 1,00 53,00 100,00

Evolutie van het aandeel van de kindersterfte in het totaal aantal overlijdens. % van het totaal aantal overlijdens

60 50 40

Jonger dan 1 jaar 1 tot en met 9 jaar 10 tot en met 17 jaar Totaal onder 18 jaar

30 20 10 0 1806-1808

1836-1838

1866-1868

1896-1898

Met andere woorden, de hele 19de eeuw lang betrof ongeveer de helft van alle begrafenissen in Steenhuffel een kind van 17 jaar of jonger. Het overgrote deel ging over kinderen jonger dan 10 jaar. In tegenstelling tot wat we zouden verwachten was de toestand in 1900, vergeleken met die van 1800, nauwelijks verbeterd. Wat de babysterfte betreft valt er zelfs een continue en opmerkelijke verslechtering te noteren (van 20 over 23 en 30 naar 33 % !). De eerste resultaten die door de plaatselijke chirurgijnen 1 bij de bestrijding van de kinderziekten geboekt werden kon deze stijging slechts zeer gedeeltelijk compenseren.

1

We treffen aan: dr. Vanderlinden (van 1859 tot 1879), dr. Bamps uit Merchtem (van 1874 tot 1885), dr. Hillaert (in 1877) en dr. Petrus Van Assche uit Londerzeel (tussen 1880 en 1887). We kwamen in 1874 ook vroedvrouw Jacoba Van den Bossche tegen. 54


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Fuivende Framassons op het kasteel van den Bouw Maar eerst nog een pas binnengekomen bericht over Roze Lappers Dat er hier 70 jaar geleden een oud vrouwtje rondliep dat onverklaarbare toeren uithaalde, is absoluut waar, verzekerde ons F.M uit S. Als klein meisje woonde ze op de hoek van de Steenhuffelstraat en de Bouw en in die tijd - we hebben het over 1933 of daaromtrent - heeft ze niet één keer, niet twee keer, maar verschillende keren de volgende vreemde dingen meegemaakt. Finne van Bertes, een wat ouder meisje uit de geburen, had het aan de longen, maar gelukkig niet zeer erg. Voor de zekerheid had dokter Willems haar toch veel gezonde lucht en in het bijzonder de heilzame atmosfeer van dennenbossen voorgeschreven. Een reis naar Zwitserland of zelfs maar naar de Ardennen zat er toen om diverse redenen niet in en daarom vergezelde F.M. de zieke bijna iedere dag op een wandeling naar het Sparrenbosken, een deel van Buggenhout-bos in de buurt van het Achterdenken. Nu mogen sparren niet met dennen worden verward, dat spreekt vanzelf, maar probeer binnen wandelafstand maar eens een verzameling dennen te vinden... Tot zover was er dus niks bijzonders aan de hand. Maar luister nu goed... want zie, nauwelijks hadden de meisjes de eerste stappen in dat bosken gezet of ze stonden pardoes - zonder daar ook maar de minste inspanning te moeten voor doen - terug aan de Konijnenberg, die ze zo’n 400 meter eerder gepasseerd waren. In de omgeving van die Konijnenberg is de populatie naaldbomen – zoals ingewijden weten - zeer beperkt en ze hadden daar dus eigenlijk niks te zoeken. Toch geraakten ze er de eerstvolgende uren niet meer weg... Dat voorval heeft zich, zoals we al zegden, meerdere keren herhaald. En telkens wanneer het gebeurde kwamen ze, na een tijdje ronddolen op een plek die ze blindelings kenden, een oud vrouwtje tegen dat daar in het bos varing aan het trekken was. Of dat de geest van Roze Lappers was is niet met zekerheid te zeggen, maar gezien de reputatie van die heks is die mogelijkheid niet uit te sluiten. Wat er ook van zij, zodra dat vrouwtje hen in de gaten kreeg voltrok zich altijd weer hetzelfde ritueel. “Mannekes, hoe laat is’t ?” riep ze hen toe en zonder op een antwoord te wachten verdween ze daarna ongemerkt in het struikgewas. Of misschien keerde ze wel terug naar de hel, wie zal het zeggen? In ieder geval, pas nadat dat vrouwtje verdwenen was, en geen seconde eerder, wist ons tweetal de weg naar huis terug te vinden. Om dan nog naar het Sparrenbosken te trekken was het dan toch al te laat geworden.

De legende van de feestvierende Framassons Op den Bouw tussen Steenhuffel en Malderen stond er vroeger een kasteel. Daar woonde maar raar volk in. Die hadden geen goeie naam. Daar was dikwijls feest. Daar werd gedanst, gegeten en gedronken. De buren hoorden daar 's nachts altijd lawaai, precies of ze boven op dat kasteel zaten en daar was dan muziek en gelach als op een kermis. Dat waren de framassons die daar bijeenkwamen. Ze kwamen daar aan zo door de lucht gevlogen op een bezemsteel. En als ze vertrokken, zegden ze: "Over hoven, hagen en heggen naar 't kasteel van den Bouw.” En dan waren ze daar seffens. Er waren eens mannen die dat afgeluisterd hadden en ze wilden dat daar eens gaan bekijken. Dat waren echter geen geleerde mensen en die hadden dat zeker niet goed verstaan. Ze namen ook plaats op een bezemsteel en zegden: "Door hoven en hagen en heggen" in plaats van over hoven, hagen en heggen. En ze kwamen daar op den Bouw aan met kapotte kleren en hun armen en hun gezicht vol schrammen. De framassons hebben die kerels eens goed uitgelachen. Ze hebben nooit meer goesting gehad om dat nog 55


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

eens te gaan afloeren. (Uit ‘Volksverhalen uit Merchtem-Peizegem’ in ‘Brabantse Folklore en Geschiedenis, jg.1987 nr. 256, opgetekend door Kamiel Baeyens uit de mond van Marie De Ridder, geboren in 1899).

Andere facetten van het verhaal Onderwijzer Kamiel Baeyens uit Peizegem heeft rond 1975 nog een aantal andere verhalen over de framassons opgetekend. Gelukkig maar, want niemand anders heeft daar aan gedacht. Met gepaste erkentelijkheid laten wij zijn getuigen verder spreken: “Aan het kasteel van Op den Bouw zaten er altijd framassons. Maar in heel die buurt deugde het ook niet, daar toverde het altijd. Dat zat daar vol slecht volk. Die deugden daar voor niets. Je bleef daar best weg, als je er niet "per fors" moest zijn. En als je daar voorbij moest, deed je nog best een omweg, want je werd er steeds door geesten tegengehouden, zodat je niet vooruit kon.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 113) “Je weet dat de framassons door de lucht vliegen en muziek maken, als ze naar hun sabbat gaan. Als je dat hoort, moet je de oren dichtdoen. Door daarnaar te luisteren, zijn er vroeger veel mensen misleid geweest. Hun gedachten stonden op die muziek en ze letten niet op de weg, waar ze gingen. En zo zijn er in putten en beken gelopen, en sommigen zijn ook verdronken.” (Victor De Maeyer, ° Peisegem 1927 in Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 161) “Victorine De Baerdemaeker (° Peisegem 1919) heeft ook over de brabassons (framassons) horen vertellen. Zoals de oude mensen zegden, kwamen ze samen in Broevinkbos. Dat was daar niet te vertrouwen. En vandaar vlogen ze samen weg en onderweg maakten ze muziek. Waar ze vlogen, daar zag je zo'n klaarte in de lucht, zo klaar als een zoeklicht. Ze kwamen vaak over de Holbeek gevlogen.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis nr. 73) “Toen Jean De Maeyer (° Peisegem 1898) zo’n negen à tien jaar oud was heeft hij daar (aan het wijmenbosje bij de put van Peke de mandenmaker (Petrus Vrijders) ge-regeld de framassons hoog in de lucht voor-bij horen stappen: stap, stap, stap. Precies een compagnie soldaten of een fanfare die daar ging. Ze speelden op instrumenten en dat was heel schoon. Ze kwamen steeds uit het Noorden en ze vlogen naar 't Zuiden. Horen kon je ze, maar niet zien. Dat was steeds in de voormiddag, als de zon op was, vroeger niet.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 148) “De vroegere meester van de privé-school van den Opstal heeft nog de Brabassons door de lucht zien rijden met koetsen. En ze maakten muziek, als ze over den Opstal voorbijkwamen.” (B.F.G., nr. 132)

Het kasteel op de Bouw was natuurlijk niet de enige vergaderplaats van deze musice-rende hoogvliegers. Zo vernamen wij, nog steeds van dezelfde bron, onder meer: 56


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

“Wannes van Manes Pee diende, toen hij nog jong was, op de Opstal, je weet wel op Timmermans' hof. Als er een zeug aan 't bevallen was of reeds bevallen was, moesten de meiden en de knechten op de biggen passen. Toen ze op een nacht daar weer zaten, hoorden ze de framassons voorbijvliegen, hoog in de lucht met schone muziek. De framassons kwamen beneden in een grote wei, daar niet ver verwijderd. Daar werd het zo klaar, zo klaar, en zo schoon, zo schoon! De framassons vierden daar hun sabbat: dansen, feesten, eten en drinken... Dat duurde zo bijna een hele nacht. Niemand durfde daarnaar gaan zien voor het morgen was en al goed klaar. En op de plaats waar de framassons gezeten hadden, stond dat vol giftige paddestoelen.” (Brabantse Folkl. en Geschied., nr.192) “Een jongen (die twee vrouwen bespioneerde) loerde door een klein spleetje van zijn één oog. In de schouw hing een pot met iets zwarts in. Die vrouwen streken daarvan wat onder hun voeten en ze zegden: ‘Duivel, voer ons weg over haag en heg naar Leuven in de wijnkelder.’ Roef! en ze waren weg. Die jongen dacht: ik zal eens zien wat dat ginder is. Hij streek ook wat zwarts aan zijn voeten en zei: ‘Duivel, voer me weg door haag en heg naar Leuven in de wijnkelder.’ Hij kwam daar aan vol bloed.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 119) “Daar heeft ooit eens iemand van de Boskant, die in Brussel werkte, met een framasson gesproken. Dat kon je aan die man niet zien dat het een framasson was. Hij zei dat ze dikwijls bijeenkwamen in een grote zaal te Brussel op de Chaussée d'Anvers.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 138) “Meter Thérése van Mettekes (Mertens, Peizegem) heeft in haar tijd de framassons nog door de lucht zien vliegen. En terwijl ze vlogen, blaasden ze op trompetten. Dat was nogal een lawaai, zeg, als die 's nachts voorbij trokken. De ‘staat’ heeft hun dat eens verboden, omdat ze te veel lawaai maakten. Sommige mensen hadden gereclameerd. In plaats van te vliegen mochten ze 's nachts om twaalf uur met de trein rijden.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 138) Deze staatsinterventie betekende het onherroepelijke einde van de framasson als ‘bekend vliegend voorwerp’. In de hemel werd plaats gemaakt voor andere hemelse verschijnselen, zoals uit de volgende getuigenis zal blijken. “Het was rond 1900, misschien een jaar of twee, drie later, zo nauw steekt dat nu ook niet. Toen spraken de mensen nog veel over de framassons en ze hoorden ze dikwijls voorbijvliegen, ook terwijl ze muziek maakten in de lucht. Lêrn uit ‘t bos (Willem Hofmans), zijn vrouw en hun kinderen waren allemaal gelijk patatten aan het uitdoen; de ene steken, de andere 't loof afschudden of de patatten oprapen, de dikke en de kleine apart. Tist van Kozaaines was daar ook ergens op 't veld aan 't werken. Opeens hoorden ze een lawaai van de duivels in de lucht. ‘Mensen, leg jullie allemaal neer’, riep Tist, ‘de framassons komen af’. En hij legde zichzelf zo vlug als hij tellen kon op de grond. Dat lawaai kwam boven hun hoofd en ging dan stilletjes weg. Durfden ze hun hoofd omhoog steken, dan zagen ze het eerste vliegtuig, dat hier ooit over gevlogen is. De mensen hadden dat nog nooit gehoord of gezien. Niet te verwonderen dat ze dachten dat het de framassons waren. Maar het was Jan Olieslagers, een Antwerpenaar, de eerste vliegenier van ons land die hier overvloog.” (Uit Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 155).

Waarheid en (veel) verdichtsel Verhalen over vliegende, musicerende en feestende brabassons en framassons zijn legio in onze gewesten. Op het einde van de 19de eeuw vervingen zij de op bezems overvliegende toverhek57


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

sen, waarvan ze grotendeels de karakteristieken behielden, al waren ze eerder losbandig dan kwaadaardig van aard. Hun verschijning valt samen met de opkomst van de Vrijmetselarij waaraan ze hun naam ontleenden (franc maçon is Frans voor vrijmetselaar). Deze religieus-humanistische beweging was weliswaar reeds in 1717 in Engeland ontstaan maar werd in België pas in 1833 “georganiseerd”. De verdeling in loges en groot-loges en de geheimzinnigheid waarmee de samenkomsten van de logeleden gepaard gingen konden niet anders dan een resem verhalen en speculaties doen ontstaan. Waarom deze framassons door de lucht vlogen en daarbij persé muziek moesten maakten, valt wellicht niet meer met zekerheid te verklaren, maar hierna wil ik toch een poging wagen. In de ogen van de “volksmens” was alles wat niet katholiek was en niet door de pastoor werd getolereerd werkelijk één pot nat. De sterke opkomst van het Liberalisme in de 2de helft van de 19de eeuw uitte zich niet alleen in de nationale politiek (zie de schoolstrijd in 1870) maar in even sterke mate ook in de dorpspolitiek. De stichting van een plaatselijke liberale partij werd bovendien doorgaans het eerst geconcretiseerd door de oprichting van een liberale fanfare (zoals fanfare Union in Londerzeel). De meeste vrijmetselaars waren van nature niet zeer katholiek. En de socialisten waren toen nog niet rijk genoeg om zich met andere dan levensnoodzakelijke dingen bezig te houden. Bijgevolg kon het niet anders of de vrijmetselaars moesten liberalen zijn, de rijken des volks, de kapitalisten die zich konden permitteren om feestjes in te richten, ook als er in feite niets te vieren viel. Het kasteel Ten Bouw is sedert midden vorige eeuw verdwenen, maar tot dan stond het op de plek waar zich nu ‘Camping Bouw’ bevindt. Eigenlijk is dat net over de grens van Steenhuffel en op het grondgebied van Buggenhout, maar als we onze grenzen te nauw gaan nemen dan zijn we snel door onze verhaaltjes heen. Voor een beetje geschiedenis over dat kasteel konden we gelukkig bij de Heemkring “ter palen” uit Buggenhout terecht. In het jaarboek 1988 “Van Heuvel tot Bauw”, samengesteld door P. Servaes, troffen we op blz. 202 het volgende aan: “Dit goed van 3 ha werd ooit gebruikt als buitenverblijf voor een adellijke familie. Nadien werd het bewoond door rentenier De Maeyer die in 1911 naar Merchtem verhuisde. Daarna kwam het in gebruik als kostschool, tot Albert Tanghe in 1922 naar Izegem vertrok 2. In 1930 bleek het betrokken te zijn door landbouwer Fideel C. Van den Elsen en Hortense Van den Bossche. Zij hadden er gezelschap aan hun dochter Barbara Justine die het jaar tevoren was gehuwd met Albert De Ridder. Dit jonge echtpaar zou midden 1831 naar Malderen verhuizen. In hun plaats kwam er dan op het einde van dat jaar haar broer Frans. Frans was veekoopman en gehuwd met Maria Rottiers. Een echtpaar dat voordien in de Zavelstraat te Malderen had gewoond maar op “Ten Bouw” zijn bestemming had gevonden. Bij hun aankomst hadden zij reeds een kroost van zes kinderen maar daar zouden weldra nog drie eenheden worden aan toe gevoegd. Einde 1936 verhuisden de ouders, of het echtpaar Van den Elsen - Van den Bossche, naar Steenhuffel en kreeg het gezin van onze veehandelaar er nog meer armslag.” Het kasteel Ten Bouw was, toen het nog geen kostschool was, vanwege zijn ligging vlak tegen Buggenhout-bos en op een plek waar haast niemand kwam die er niet perse moest komen, uitermate geschikt als locatie voor een mysteriespel. Voeg daar bewoners bij die men alleen maar kende van de wazige schimmen achter de ruit van de koets die zo nu en dan in de Bouwdreef passeerde, en alle elementen zijn voorhanden om een mens aan het fantaseren te doen slaan.

2

Het pensionaat Tanghe had naar schatting zo’n 70 à 80 kostgangertjes in de leeftijd van 6 tot 14 jaar. 58


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Kasteel Ten Bouw rond 1920

Kasteel Ten Bouw (kostschool Tanghe) rond 1920

59


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

De bende van de Vuile Voorschoot Vijf losse stukjes van een ingewikkelde puzzel Wat nu volgt is eigenlijk geen legende maar historie. Ooit moet er over deze dingen veel gepubliceerd zijn. Voorlopig zullen we het echter met volgende losse fragmenten moeten doen. In zijn "Geschiedenis van Steenhuffel" vertelde Joris Vertonghen het volgende verhaal. Hij had het uit de krant ‘le Républicain du Nord, nr. 403, overgeschreven. In de nacht van 9 op 10 nivose IV (31 december 1796), verscheen een bende van 7 of 8 personen aan het huis van citoyen De Greef te Steenhuffel, rond 10 u. ’s avonds. De boer was thuis, samen met zijn vrouw en zijn meid. De deur was goed afgegrendeld, maar ze werd ingebeukt door de bandieten die verklaarden leden te zijn van de burgerwacht. Ze richtten hun pistolen op de keel van de bewoners, braken alle kasten en koffers open en gingen aan de haal met al wat niet te heet of te zwaar was. Twee van hen werden door de politie gesnapt, en veroordeeld tot 20 jaar dwangarbeid.” Een ander verhaal van Joris Vertonghen komt eveneens uit de “Geschiedenis van Steenhuffel” en gaat als volgt: In dezelfde jaren woonden op de Smisstraat een Franciscus en Engelbertus Vertonghen, smeden van beroep. Vooral Suske moet legendarisch sterk geweest zijn. Een smid die met de voorhamer zwaait maakt natuurlijk altijd een sterke indruk. Op zekere winteravond kreeg hij bezoek van een bende die hij toevallig op afstand zag naderen. Hij riep hen onvervaard toe: halt ! mijn leven of het uwe... en wellicht nog een paar schietgebeden... De bandieten zijn op de vlucht geslagen. “Ging het hier over een aanval van de beruchte bende der Binders?” vroeg Joris Vertonghen zich af, en hij antwoordde: “Wellicht wel. Deze bende had haar “hoofdkwartier” in de Boskant, in de herberg die men de “Vuile Voorschoot” noemde. Over deze bende werd al voldoende geschreven, zelfs vrij sterke verhalen, waarvan we de lezing graag aanbevelen 3. Zulke dingen worden op afstand gemakkelijk “episch” of sagen van de volksoverlevering. Wellicht onbetrouwbaar voor de details, maar “cum fundamento in re” voor de essentie. Binders overvielen de rijke boeren en bonden hen vast. Voor een moord schrokken ze niet terug. De voeten van de slachtoffers verwarmen om de bergplaats van de zwarte kous te ontdekken was één der gebruikte methodes al waren zekere andere bendes daarin meer gespecialiseerd.

Het verhaal van Eugeen Meltens (° Buggenhout 1867), gepubliceerd in het tijdschrift ‘Ter Palen’, december 1998.

3

Welke verhalen? En waar kunnen wij ze vinden ? Het enige wat we weten is dat in “de Bende van Bakelandt” van J. Van Contich en J. Verdijck, de Binders regelmatig ter sprake komen. Als onze lezers andere verhalen kennen, liefst van hier, dan houden wij ons erg graag aanbevolen. 60


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

In dat oude huis met een wal rond (de Cruyvelt-stede in de Maricolenweg), woonde lange tijd geleden een geestelijke: Verhavert. Op zekere nacht werden er de bewoners overvallen door een bende rovers. De meid werd gegrepen en aan de trapleuning gebonden. De priester kon vluchten naar de bovenverdieping. Hij trok een raam open en schreeuwde om hulp: “Geburen-man Heymans, help mij ! Geburenman Maes, kom mij helpen !” Veel volk woonde er vroeger niet in de vroegere Winkelstraat (nu Hanenstraat), maar de genoemden woonden allebei rechtover de walle. De avonturen van de daders en van de slachtoffers werden waarschijnlijk kleurrijk in de verf gezet, maar eindigden steevast met de onverwachte ontknoping: “Die gebuur Heymans behoorde zelf tot de bende en gebuur Maes was de roverskapitein !” Het verhaal van Leontine Van den Bossche (° Buggenhout 1912), eveneens verteld in het tijdschrift ‘Ter Palen’, december 1998. Franciscus Boeykens was de waard van de herberg Sint-Sebastiaan op de hoek van de Hanestraat en de Bovendonkstraat. Op 21 mei 1783 huwde hij met Petronilla Van den Eede. Bij de geboorte van hun zoveelste kind was in de familie geen peter meer beschikbaar. Hun dichtste buur Karel Maes – een deftig en zeer welstellende heer – was bereid daarvoor in te springen. De kleine Boeykens had er een goede peter aan, waar hij regelmatig zijn buikje mocht gaan vullen aan de rijke-mensen-tafel en telkens een gulle nieuwjaar kreeg. Vader Franciscus, die behalve herbergier ook landbouwer was, wilde op zekere dag een kalf verkopen op de Brusselse beestenmarkt. Dus vertrok hij met het kalf en vergezeld van een zoon te voet naar Brussel langs de Bosstraat en dwars door het lugubere bos te midden van de nacht. Zeer tevreden dat ze behouden en wel de Achterste Boskant hadden bereikt, bemerkten ze nog licht in de beruchte herberg De Vuile Voorschoot. Ze dronken er een druppel om hun emoties weg te spoelen. Gezeten in de lege gelagzaal, hoorden ze nochtans veel tumult in een aangrenzende kamer. Toen de deur toevallig werd geopend, zag men een lange tafel met spijs en drank en aanzittend een menigte druk pratende mannen, met aan het hoofdeind... Karel Maes. Ten zeerste van streek maakten onze nachtelijke reizigers zich uit de voeten.

Is er een verband met de Boerenkrijg ? Voor zover we weten – maar zoals al gezegd weten we niet veel – werd Karel Maes in geen ander document met de bende van de Binders of met de bende van de Vuile Voorschoot geassocieerd. Jozef Tilley van heemkring Ter Palen ontdekte dat hij op 29-6-1757 in Buggenhout geboren was als zoon van Jacob uit Puurs en Catharina Judoca Peeters uit Lippelo. Op 21-51782 huwde hij in Lippelo met Anna Petronilla Van Praet. Tilley ontdekte ook dat Karel Maes tijdens de boerenkrijg de aanvoerder der opstandige boeren van Buggenhout was. Rond 1800 werd hij opgepakt en op 6 februari 1806 is hij in het Grand Hospice Civil te Brussel (gevangenis) op 49-jarige leeftijd is overleden. “Heeft hij jaren in armtierige gevangenschap gezeten, verzwakt en ziek?” vraagt Jozef Tilley zich af. “Of werd hij terechtgesteld, zoals de mensen vertellen?” “Op het einde van de 18de eeuw”, schreef Joris Vertonghen in zijn “Toponymie van Steenhuffel, “was hier (in de Boskant) een slecht befaamde kroeg waar de binders (struikrovers) hun rendez-vous hadden. Hun bendeleider was een zekere Parmentier die de streek dikwijls onveilig maakte. Men heeft hem uiteindelijk gearresteerd en terechtgesteld te Brussel, op het schavot, samen met 15 bendeleden. Als we hierbij nog vermelden dat in het Brabantse een spreuk bestaat “de vuile voorschoot uithangen”... dan weet u verder genoeg (een liederlijke braspartij op het getouw zetten)”.

61


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

Was Karel Maes één van 16 terechtgestelden? En had de bende van de Vuile Voorschoot dan eerder met rebellerende Brigands dan met struikrovers te maken? We herinneren onze lezers er aan dat, op minder dan 200 meter afstand van de Vuile Voorschoot, in de namiddag van 23 oktober 1798 boerenzonen van bij ons met de Fransen slaags zijn geraakt. Daarbij kwamen 3 jongens uit Steenhuffel en 4 uit Londerzeel om het leven. Toeval? Of bestaat er toch een verband? Op zijn minst is het de moeite waard om dat eens uit te zoeken. Hoe dan ook, de volksoverlevering heeft de bende van de Binders, de bende van de Vuile Voorschoot, of de bende van Parmentier nooit met de vereerde boerenkrijgers geassocieerd. Lees in dat verband bijvoorbeeld het verhaal dat Kamiel Baeyens door Maria H. (° 1890) hoorde vertellen en dat in Brabantse Folklore en Geschiedenis werd gepubliceerd: Albert was een moordenaar; hij behoorde tot een dievenbende. Hij had al veel mensen lastig gevallen en kapot gemaakt. Op een keer had hij een vertinner, die daar lag te slapen, gesmolten tin in zijn oor gegoten. "Dat was toch zo schoon", zei die nietsnut, “om die mens te zien krinkelen van de pijn." Albert werd al lang gezocht door de politie, maar hij wist zich goed weg te stoppen. Hij zat ook vaak bij Bet van "De Kan" in de Kottekes. ‘s Nachts ging hij slapen in ‘t Buggenhoutbos, altijd onder dezelfde boom. De champetter van Buggenhout heeft hem daar eens op zijn nest kunnen betrappen. Hij werd veroordeeld om de kop afgekapt te worden. Meter Thérèse van Mettekes (Mertens) is daar nog naar gaan kijken op de Grote Markt te Brussel. Daar stonden duizend mensen te kijken. Er stond een priester bij Bert. En toen hij gereed stond op ‘t schavot om zijn hoofd onder ‘t mes te leggen, mocht hij nog een "sjiek" (tabakspruim) pakken. "Neem, bakkes, dat is het laatste dat je krijgt", zei hij. En een beetje daarna was zijn kop af. Zo een vlegel.

De Vuile Voorschoot Het rovershol de Vuile Voorschoot lag in de Vuile Voorschootstraat. Deze naam wordt voor het eerst aangetroffen op de kaart Van der Maelen (1841) en is waarschijnlijk van recentere datum dan de herberg zelf. Over de wijze waarop die aan zijn naam gekomen is, herinner ik mij het volgende verhaal; maar waar ik het heb gehoord of gelezen ben ik vergeten. Het is alleszins niet uit mijn eigen duim gezogen. Lang geleden stond er, aan de rand van het bos een herberg. De naam op het uithangbord is nu vergeten. Het was een veel gebruikt toevlucht- en schuiloord voor stropers die al eens per ongeluk een konijntje waren tegengekomen. Maar de ordehandhavers en boswachters kregen dat natuurlijk al gauw in de smiezen. Terwijl de ene boswachter de stroper achternazat gebeurde het al eens dat een andere zich in de kroeg in hinderlaag ging leggen. De waardin van de herberg, die meer klandizie van stropers dan van boswachters had omdat de eerste groep groter in aantal was, had er echter wat op gevon-den. In een groot huishouden hing er altijd wel propere was aan de waslijn te drogen; was er ech-ter een arm der wet in de herberg aanwezig dan ging 62


Volksverhalen uit Londerzeel, Malderen en Steenhuffel – Samengebracht en belicht door Louis De Bondt.

ze daar snel haar vuile voorschoot tussen hangen. De stropers wisten dan direct dat ze be-ter een omweg konden maken. Rond 1890, dus lang na de hier verhaalde feiten, werd de herberg uitgebaat door de familie De Wit. Tijdens de eerste wereldoorlog zou de Vuile Voorschoot ook een tussenstation geweest zijn bij de verkoop van illegaal gekapte bomen uit Buggenhoutbos.

Banditisme op het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw. De meeste verhalen over struikroversbendes hebben iets met elkaar gemeen. Ze spelen zich namelijk af gedurende de laatste jaren van de 18de en de eerste jaren van de 19de eeuw. De bende van Bakelandt en de bende van Cartouche opereerden in dezelfde periode. “Dit banditisme was voor een deel te wijten aan de armoede van sommige mensen, maar meer nog aan de talloze haveloze zwervers, veelal ondergedoken, of deserteurs van een of ander leger,” schreef Joris Vertonghen. Maurits Sacré – in zijn Geschiedenis van Merchtem – preciseerde: “Franse legereenheden werden door een grote hoop gemene kerels gevolgd, vroeger be-kend als de Jacobienen 4, die zich bijzonder onder-scheidden in ’t plegen van allerlei misdaden.” “Onze brave mensen van Steenhuffel waren bij dit alles alleen maar betrokken als slachtoffer”, voegde Joris Vertonghen daar nog aan toe. Misschien heeft hij gelijk, al dacht men daar in Buggenhout, zoals we zagen, toch enigszins genuanceerder over.

Een rovershol van binnen. Op de voorgrond: samenzwerende rovers. Op de achtergrond: spionnen van het gezag.

4

Jakobijnen: (volgens de Standaard Encyclopedie) de meest radicale partij tijdens de Franse Revolutie, genoemd naar de plaats waar de leden sinds 1789 bijeenkwamen: het vroegere jakobijnenklooster te Parijs; de Jakobijnen steunden het schrikbewind van Robbespierre; na diens val in 1794 werd de partij in 1795 verboden. 63


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.