Issuu on Google+

MACEDONIË LAND IN DE WACHTKAMER


Š Raymond Detrez / Uitgeverij Houtekiet 2002 Uitgeverij Houtekiet, Vrijheidstraat 33, B-2000 Antwerpen E-mail info@houtekiet.com Omslag Herman Houbrechts Zetwerk Intertext, Antwerpen isbn 90 5240 648 0 d 2002 4765 39 nur 754 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means, without written permission of the publisher


Raymond Detrez

MacedoniĂŤ Land in de wachtkamer

Houtekiet Antwerpen / Amsterdam


Inhoud

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.

Inhoud 5 Woord vooraf 7 Balkanisme 9 Een ‘Servo-Albano-Bulgaro-Vlach’ 17 Het ‘Turkse juk’ of pax ottomanica 31 De Macedonische kwestie 49 ‘Terrorize the terrorists’ 71 Intermezzo: een Macedonisch leven 97 ‘La Macédoine déchirée’17 115 Een Macedonische staat 139 Fyrom 163 Land in de wachtkamer 177 Macedonische Albanezen of Albanese Macedoniërs? 201 De crisis van 2001 221 Het Raamakkoord van Ohrid 247 Nawoord 259 Noten 263 Bibliografie 267 Kaarten 277 Register 283


Woord vooraf

I

N DE LOOP VAN de afgelopen tien jaar teisterden oorlogen en burgeroorlogen de deelstaten van het oude Joegoslavië: Slovenië in 1991, Kroatië in 1991-2, Bosnië-Herzegovina in 1992-5, Kosovo in 1998-9. In twee boeken – De sloop van Joegoslavië. Het relaas van een boedelscheiding (Hadewijch 1996) en Kosovo. De uitgestelde oorlog (Houtekiet 1999) – heb ik geprobeerd aan te geven dat deze conflicten het gevolg waren van aan de ene kant het proces van natie- en staatsvorming op de Balkan en aan de andere kant van de desintegratie van het Joegoslavische federale systeem. In dit boek heb ik de jongste ‘Joegoslavische’ burgeroorlog in Macedonië in 2001 eveneens vanuit die invalshoek beschreven. Terwijl in beide vorige boeken de aandacht vooral uitging naar de ‘constructiefouten’ in het Joegoslavische federale systeem, ligt de nadruk hier op de historische achtergronden. Deze benadering bood me de gelegenheid dieper in te gaan op een aantal aspecten van de geschiedenis van de Balkan in het algemeen. Die historische beschouwingen kunnen gelezen worden als een aanvulling op wat aan bod kwam in De sloop van Joegoslavië en Kosovo. Vanuit dat historische perspectief bekeken vloeiden de (burger)oorlogen in Kroatië en Bosnië-Herzegovina onder meer voort uit het streven van de Serven naar een staat, waarin alle Serven samenleefden. Dit streven werd vooral in de hand gewerkt door de al dan

7


niet terechte vrees van de Serven in de nieuwe ‘ex-Joegoslavische’ onafhankelijke staten Kroatië en Bosnië-Herzegovina als minderheid gediscrimineerd te worden. De conflicten in Kosovo en Macedonië waren het gevolg van een soortgelijk streven van de Albanezen naar een staat, waarin alle Albanezen samenleefden. Ook voor hen was die staat een alternatief voor hun minderheidspositie in Joegoslavië en Macedonië. Spanningen en conflicten tussen meerderheden en minderheden in staten zijn niet typerend voor de Balkan alléén; zij komen overal ter wereld voor. Die spanningen en conflicten hebben echter niet altíjd bestaan. Ze zijn duidelijk gerelateerd aan de idee van de naar etno-culturele homogeniteit strevende, etnisch-nationale staat. Het is dan ook onjuist om de Balkan te beschouwen als een bijzonder probleemgebied, of als een gebied waar volken elkaar ‘altijd al’ naar het leven hebben gestaan. Ik ga in dit boek tamelijk uitvoerig in op de geschiedenis van Macedonië in de pre-nationalistische periode, in een poging deze vooroordelen ten aanzien van de Balkan te weerleggen. Een ander aspect van de geschiedenis van Macedonië, waaraan ik in dit boek meer dan de gebruikelijke aandacht besteed, is het ontstaan van de Macedonische natie. De ‘nationale identiteit’ van de Slavische Macedoniërs vormt namelijk de kern van de Macedonische kwestie, zoals ze door de Balkanvolken zelf gepercipieerd wordt. Maar de ontstaansgeschiedenis van de Macedonische natie bood me ook de gelegenheid wat langer stil te staan bij een aantal bijzonderheden van natievorming op de Balkan in het algemeen. Misschien horen deze beschouwingen eerder thuis in discussies die op de Balkan zelf gevoerd worden – op theoretisch niveau en concreet, naar aanleiding van ‘de Macedoniërs’ –, maar de manier waarop ook veel westerse auteurs over nationale identiteiten op de Balkan schrijven als over onbetwistbare feitelijkheden, doet vermoeden dat mijn excursie in een boek, bestemd voor een westers publiek, toch niet helemaal overbodig is. Tenslotte: ook met dit boek wil ik niemand overtuigen van een of ander ‘groot gelijk’. Ik ben tevreden als de lezer na de lectuur ervan besluit dat hij of zij niet meer weet wat van ‘de Macedonische kwestie’ te denken. Twijfel heeft meer gemeen met kennis dan zekerheid.

8


1 Balkanisme

H

ET MEER VAN PRESPA ligt in vogelvlucht op een kilometer of

dertig van de stad Ohrid – het pittoreske vakantieoord dat in vrediger tijden door toedoen van de in robuuste couleur locale gepenseelde romans van A. den Doolaard veel Nederlandse toeristen trok. Het blauwgroene water rimpelt stil tussen de steile bergen; bij de oever hoor je alleen af en toe het vleugelgeklap van een watervogel of de doffe plons van een karper die naar de bodem schiet. Ondanks de overweldigende scenery is het meer van Prespa een naargeestige plek. Wie veel door de Balkan gereisd heeft, kent de dreigende sfeer die zich van het landschap meester maakt in de nabijheid van een staatsgrens. Mensen lijken er verdwaald, gebouwen hebben er een ondoorgrondelijke bestemming, wegen lopen er dood. Dezelfde sfeer ligt ook over het meer van Prespa: ergens op de bodem bevindt zich het punt waar Albanië, Griekenland en Macedonië elkaar raken. Op de Albanese oever rijst een zwart, ondoordringbaar woud op waarin wolven en jakhalzen leven. Vroeger werd de grenszone argwanend bespied door zwaarbewapende Albanese militairen, die burgers verhinderden de volksrepubliek te ontvluchten. De Griekse oever is even onherbergzaam. Vandaag de dag proberen Griekse soldaten er met veel minder succes Albanese burgers te beletten illegaal de Helleense republiek in te komen. Rond

9


het meer van Prespa heersen wantrouwen en angst. De Griekse grenswachters bij Niki bejegenen Macedonische reizigers – zelfs in het bezit van geldige papieren – met onverholen afkeer, net zoals de Macedonische grenswachters bij Hani i Hoti doen met bezoekers uit Albanië. Dit beklemmende oord aan de rand van drie staten, waar vandaag de verscheurdheid van de Balkan voelbaar als elektriciteit in onweerslucht aanwezig is, was rond het jaar 1100 het centrum van een machtig rijk. Op het grote eiland, dat tegenwoordig bij de Albanese oever van het Prespameer, maar nog net binnen de Macedonische wateren ligt, bevond zich toen de ‘Burcht’ (Grad) van tsaar Samuil; vanuit Ochrid heerste hij over Macedonië, Albanië, Epirus, Thessalië en het oosten van Bulgarije. Het gebied rond het meer van Prespa was echter in het verleden nog om een heel andere reden niet een perifeer, maar juist erg ‘centraal’ deel van de Balkan. Precies in deze streek hebben zich culturele processen voorgedaan, die de identiteit van de Balkan gevormd hebben.1 In een wijd gebied om het Prespameer bestaat de grootste dichtheid aan zogenoemde balkanismen. ‘Balkanisme’ is een term uit de taalkunde, waarmee grammaticale overeenkomsten tussen diverse Balkantalen aangeduid worden. De Balkantalen behoren tot zeer uiteenlopende taalfamilies: Bulgaars, Macedonisch, Servisch, Bosnisch en Kroatisch zijn Slavische talen; Roemeens en Aroemeens, de taal van de Vlachen, zijn Romaanse talen; Albanees en Grieks behoren, net als de genoemde talen, wel tot de grote Indo-europese familie, maar zijn daarbinnen niet met andere talen verwant, en ook niet met elkaar. Het verrassende is nu dat de Balkantalen, ondanks hun totaal verschillende Slavische, Romaanse, Griekse en Albanese woordenschat, een frappant groot aantal fonologische, morfologische en syntactische overeenkomsten vertonen zoals het ontbreken van de infinitief, het gepostponeerde lidwoord (dat niet aan het zelfstandig naamwoord voorafgaat, maar er achteraan aan vastzit), de vorming van de toekomende tijd met een (onveranderlijk) woord dat in alle Balkantalen etymologisch teruggaat op het werkwoord ‘willen’, enzovoort. Zulke overeenkomsten – er bestaan er nog vele tientallen andere – heten ‘balkanismen’. De talen waarin zulke balkanismen voorkomen, behoren tot de ‘Balkantalenbond’. De meeste balkanismen komen voor in het Albanees, Bulgaars, Macedonisch, Roemeens en Aroemeens. De grootste concentratie aan balkanismen vinden we in de Albanese, Griekse, Macedonische

10


en Aroemeense dialecten, gesproken in de omgeving van het meer van Prespa. (Asenova 1989: 215) Sinds de Sloveen Jernej Kopitar in 1829 de Balkantalenbond voor het eerst beschreef, hebben taalkundigen gezocht naar een verklaring voor het fenomeen. Vandaag wordt algemeen aangenomen dat die verklaring moet worden gezocht in de zeer verspreide twee- en meertaligheid van de bewoners van de Balkan – op haar beurt een gevolg van de grote demografische mobiliteit. Spontane en gedwongen volksverhuizingen, nomadisme, seizoenarbeid, etnisch gemengde huwelijken en dergelijke kwamen gedurende vele eeuwen frequent voor. De mensen op de Balkan spraken elkaars talen, spraken diverse talen door elkaar, en namen op grote schaal niet alleen woorden, maar ook grammaticale constructies uit elkaars talen over. De uitwisseling gebeurde op de meest intense wijze op zulke plekken, waar sprekers van talen van diverse families het meest gemengd met elkaar leefden. De enige plek op de Balkan waar Albanees, Grieks, Slavisch en Aroemeens eeuwenlang intens contact met elkaar hadden, was de streek rond het meer van Prespa. Hier ligt de zenuwknoop van de Balkantalenbond. Het toepassingsveld van de term ‘balkanisme’ kan makkelijk uitgebreid worden naar andere aspecten van de cultuur. De geestelijke en materiële cultuur van de Balkanvolken krioelt van de balkanismen. Er zijn talloze identieke of gelijksoortige elementen in de orale literatuur, de muzikale tradities, de zeden en gewoonten, gebruiksvoorwerpen en hun decoratie, en dergelijke. Álle componenten van de volkscultuur zijn immers het voorwerp geweest van een intense ruilhandel. Die resulteerde uiteindelijk in iets wat we zonder veel voorbehoud kunnen bestempelen als een gemeenschappelijke ‘Balkancultuur’, met uiteraard bepaalde regionale – veeleer dan nationale – varianten. De jongste jaren heeft het woord ‘balkanisme’ een grotere bekendheid verworven in een heel andere betekenis. In 1994 publiceerde de in de Verenigde Staten levende Bulgaarse historica Maria Todorova in the Slavic Review ‘The Balkans. From Discovery to Invention’, waarin ze de term ‘balkanisme’ introduceerde als aanduiding van het geheel van negatieve vooroordelen dat de media en de publieke opinie in het Westen er ten aanzien van de Balkan op na houden (Todorova 1994). Haar argumentatie lag voor een groot deel in de lijn van wat Edward Said poneerde in zijn Orientalism (Said 1978). Met name bestreed Todorova de taaie idee als ware de

11


Balkan de arena van eeuwenoude tribale haat en buitengewoon gewelddadige etnische conflicten, van politieke verdeeldheid en staatkundige versnippering. Deze ideeën, die ze later uitwerkte in Imagining the Balkans (Todorova 1997), kenden een groot succes in academische kringen, maar de academische beoefenaars van de balkanistiek hoefden eigenlijk niet meer overtuigd te worden. Hún visie op de Balkan was altijd al veel genuanceerder geweest dan die van politici en politieke commentatoren. De Amerikaanse taalkundige Victor A. Friedman vestigde in een artikel in het Bulletin de l’Association des Études du Sud-Est Européen (Friedman 1994-1995) de aandacht op de merkwaardige tegenstelling tussen ‘balkanisme’ als taalkundig fenomeen en het negatieve beeld van de Balkan dat Todorova met ‘balkanisme’ aanduidt. Terwijl het balkanisme in de taalkunde het resultaat is van convergentie, van een zich naar elkaar toe ontwikkelen van talen en bij uitbreiding culturen, heeft het balkanisme van de imagologie te maken met het resultaat van divergentie, van verdeeldheid en conflicten. Met andere woorden, het bevooroordeelde beeld van de Balkan als een oord van ‘eeuwenoude etnische conflicten’ wordt tegengesproken door de sociale en culturele realiteit die de taalkunde onthult. De gemeenschappelijke grammaticale kenmerken van de Balkantalen kunnen immers alleen maar het resultaat zijn van intense contacten tussen de diverse etno-culturele gemeenschappen, en die kan men zich moeilijk anders voorstellen dan in vreedzame omstandigheden. Dit betekent dat het min of meer harmonieus samenleven van etno-culturele gemeenschappen gedurende vele eeuwen veel typerender voor de Balkan geweest is dan het vóórkomen van etnische conflicten. De convergerende cultuurelementen kenden dus hun grootste dichtheid in Macedonië, in het gebied rond het meer van Prespa. Hier vormde zich, half verborgen achter het grillige spektakel van dynastieke twisten, veranderende grenzen en allerlei andere, tamelijk futiele historische gebeurtenissen, de gemeenschappelijke identiteit van de Balkanvolken op de meest compacte wijze. Desondanks wordt het meer van Prespa en het aangrenzende gebied, waar voordien alles in alles kon vervloeien, vandaag de dag in drie hoekige stukken verdeeld door onzichtbare grenzen, die staten en volken, nationale talen en culturen onverbiddelijk van elkaar scheiden. Dát is het resultaat van de omgekeerde historische ontwikkeling, van een proces van divergentie, dat de gemeenschappelijke

12


Balkancultuur deed uiteenvallen in een aantal zich scherp van elkaar onderscheidende nationale culturen. Het is dit relatief jonge proces dat, waargenomen op een eenzijdige, selectieve, onbegrijpende manier, aan de basis ligt van de vooroordelen die Todorova ‘balkanisme’ noemt. Op welk moment in de geschiedenis en door welke omstandigheden kon de convergentie overgaan in divergentie? Dit moment is de late 18e en 19e eeuw; de omstandigheden hebben te maken met de verwestersing van het Osmaanse Rijk, waarvan ook de Balkan deel uitmaakte. De ideeën van de Verlichting deden het verlangen ontstaan naar een rechtsstaat, een parlementaire democratie, die een einde zou maken aan het Osmaanse feodalisme, de religieuze discriminatie en het absolutisme van de sultan. Rigas Fereos Velestinlis (1757-1798), een Vlach uit Thessalië, die geïnspireerd werd door de Franse constitutie van 1793 en 1795, verdedigde een Frans, civiel nationalisme, dat ruimte bood aan diverse ‘stammen’ (zoals volken toen nog heetten) en talen binnen een ‘Helleense democratie’. Maar algauw kreeg de natie een puur etnische invulling, naar Duits model. Dit etnische nationalisme streefde naar de creatie van etnisch-homogene naties en eiste voor elke natie een exclusief grondgebied op. Democratie en cultureel pluralisme raakten vergeten. De nationalistische ideologen ontkenden het bestaan van een gemeenschappelijke Balkancultuur. Elk van hen construeerde voor zijn volk een unieke nationale identiteit, waardoor het zo veel mogelijk verschilde van de buurvolken. In dezelfde periode ontstonden op de Balkan ook de nationale standaardtalen, basiscomponenten van de nationale identiteit met een grote symboolwaarde. De Balkantalenbond hield stand, omdat het niet mogelijk was de grammaticale eigenschappen van de taal te veranderen. Leenwoorden werden echter radicaal vervangen door ‘eigen’ woorden, om de nationale taal van vreemde smetten te zuiveren. Niet alleen de taal trouwens, maar ook de natie zelf moest ‘zuiver’ zijn. De onafhankelijke Balkanstaten, die in de 19e en de 20e eeuw ontstonden, voerden een politiek van etnische homogenisering. Minderheden werden geassimileerd, verjaagd of vermoord. In het beste geval moesten ze genoegen nemen met de positie van tweederangsburgers. ‘Nationale identiteit’ wordt geconstrueerd door middel van verhalen over gemeenschappelijke voorouders, een gemeenschappelijk historisch verleden, een gemeenschappelijke volksaard, gemeenschappelijke nationale belangen, zeden en gewoonten, nationale

13


kunstscholen en dergelijke. Die verhalen worden bedacht door schrijvers, historici, journalisten en politici en vervolgens de bevolking bijgebracht door de instellingen waarover de staat het politieke establishment laat beschikken: onderwijs, media, leger. Ook op de Balkan heeft elke staat zijn eigen nationale mythen over de volksaard en het verleden die samen fungeren als een nationaal credo. Macedonië, het gebied waar gedurende zo vele eeuwen Albanezen, Bulgaren, Grieken, Serven, Vlachen en Turken samenleefden, heeft in de nationale mythen van al deze volken onvermijdelijk een belangrijke plaats ingenomen. De Macedonische Slaven, die zich tegen het einde van de 19e eeuw ‘Macedoniërs’ gingen noemen, hadden nog een ander eigen verhaal. Het ging om even zoveel verschillende percepties van het verleden en de identiteit van de bewoners van Macedonië – percepties, die territoriale aanspraken kracht moesten bijzetten en waaruit het strijdvaardige geloof in het eigen ‘groot gelijk’ geput werd. De opkomst van het nationalisme in de 19e eeuw betekende het einde van de Balkancultuurgemeenschap. In de meeste Balkanlanden leidde de politiek van etnische homogenisering al in de jaren onmiddellijk voor en na de Eerste Wereldoorlog tot de vestiging van een echte of geveinsde etnisch homogene staat. In Joegoslavië gebeurde dat pas in de loop van het voorbije decennium. Het multinationale, federale Joegoslavië viel uiteen in vier onafhankelijke republieken, die zichzelf – in weerwil van het ‘civiele’ karakter van hun respectieve grondwetten – zien als etnisch-nationale staten en hun minderheden navenant behandelen. In de vijfde republiek, Bosnië-Hercegovina, leven drie naties apart – binnen de grenzen van een eigen ‘entiteit’ (deelstaat) zoals de Serven, of binnen één entiteit zoals de Bosnjakken en de Kroaten, maar dan verdeeld door wantrouwen en haat. Kosovo werd de facto de etnisch-homogene Albanese staat waarvan de Kosovaren gedroomd hadden. In Macedonië werden de Albanezen vroeger als minderheid gediscrimineerd, worden de Macedoniërs nú door de internationale gemeenschap gedwongen ‘hun’ nationale staat met een Albanese natie te delen, maar blijven de twee gemeenschappen eveneens door wantrouwen en rancune gescheiden. Todorova (1997: 32-7) legt uit dat de term ‘balkanisering’ – de ‘verbrokkeling van staten in kleine en niet-levensvatbare staatjes’ – in West-Europa bedacht werd tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, maar eigenlijk toen niet toepasselijk was. Het resultaat

14


van de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog was niet zozeer territoriale verbrokkeling, maar territoriale uitbreiding van de bestaande Balkanstaten en daarmee de toename van hun levensvatbaarheid. ‘Balkanisering’ is een mooi voorbeeld van balkanisme in de betekenis die Todorova aan dat woord geeft. Pas in het laatste decennium van de 20e eeuw viel Joegoslavië inderdaad uiteen in kleine, maar wellicht niet allemaal ook niet-levensvatbare staatjes. Was het gebruik van de term dan profetisch? Waarschijnlijk ging het veeleer om een self-fulfilling prophecy. De perceptie van de Balkan als een regio, waarin ‘de verbrokkeling van staten in kleine en onlevensvatbare staatjes’ tot de essentie behoort, heeft er wellicht mede toe bijgedragen dat de internationale gemeenschap de desintegratie van Joegoslavië a priori als onvermijdelijk beschouwde en ook vanuit die visie met de strijdende partijen omging. De imagologie vindt de scheppers en gebruikers van ‘beelden’ minstens even interessant als het verbeelde. De scheppers van ‘balkanisme’ zijn West-Europese en Amerikaanse reizigers, schrijvers en journalisten en – in mindere mate dan het geval is bij ‘oriëntalisme’ – academici. Fundamenteel voor het ‘oriëntalisme’, meent Said, zijn de (post)koloniale machtsverhoudingen tussen het Westen en het islamitische Nabije Oosten, die de perceptie van veel westerse wetenschapsmensen, kunstenaars en schrijvers vervormen. De Balkanlanden waren nooit kolonies in de letterlijke zin van het woord, maar dat heeft niet belet dat sinds het einde van de 18e eeuw de Europese grote mogendheden – en sinds de 20e eeuw ook de Verenigde Staten – zich herhaaldelijk en met een zekere gretigheid met de Balkan inlieten. Die mogendheden waren niet louter de meewarige getuigen van de ‘eeuwenoude etnische conflicten’. Ze kwamen ook tussen beide, gebruikten ze om hun eigen doelstellingen te realiseren en lokten ze soms uit. Het beeld van de bewoners van de Balkan als redeloze, door tribale instincten gedreven kemphanen kwam dan goed van pas. Het verleende diplomatieke chantage en militaire operaties het flatterende aura van edelmoedige interventies, bedoeld om erger bloedvergieten te voorkomen of de regio te ‘stabiliseren’. In feite ging het om invloedssferen en macht; het humanitaire aspect was veeleer een soort van collateral benefit. De Macedonische kwestie, waarover dit boek gaat, is vanaf haar ontstaan op het einde van de 19e eeuw tot op heden een ‘internationale’ aangelegenheid geweest. De naargeestige sfeer om het meer van Prespa is nog de muffe lucht van de Koude Oorlog, toen het

15


Balkanschiereiland en in het bijzonder MacedoniÍ drastischer dan ooit in hun geschiedenis door ’s werelds grote mogendheden in ideologische blokken en militaire allianties verdeeld waren.

16


2 Een ‘Servo-Albano-Bulgaro-Vlach’

A

LS GEOGRAFISCHE ENTITEIT HEEFT Macedonië een wissel-

vallig bestaan gekend. Het antieke Macedonië van vóór de spectaculaire expansie onder Filips en Alexander in de 4e eeuw voor Christus strekte zich uit tussen de Strymon (Slav. Struma) in het oosten tot aan het meer van Ohrid en het Pindusgebergte in het westen; de zuidelijke grens lag bij de rivier de Haliakmon. In de Byzantijnse tijd, meer bepaald van de 10e tot de 12e eeuw, bevond het thema (Byzantijnse militair-administratief gebied) Makedhonia zich ter hoogte van het huidige Thracië (Zuidoost-Bulgarije, Noordoost-Griekenland, Europees Turkije) – een gebied dat niet eens ten dele samenvalt met het oude Macedonië. In de Osmaanse periode vormde Macedonië geen aparte administratieve eenheid; het was verdeeld over verschillende sancaks (provincies), waarvan de grenzen zeer veranderlijk waren. In de 19e eeuw bestond er een sancak Selanik (Thessaloniki), maar Noordoost-Macedonië behoorde tot de sancak Kosovo en West-Macedonië met een aanzienlijk deel van Thessalië tot de sancak Monastir (Bitola). Reizigers uit die tijd noemen als grenzen van Macedonië het Šargebergte in het noorden, de Rodopen in het oosten, het Pindusgebergte met de Olympus en de Egeïsche Zee in het zuiden, en de meren van Ohrid en Prespa in het westen. Macedonië strekte zich dus in de 19e eeuw aanzienlijk ver-

17


der naar het noorden uit dan in de Oudheid. Een grote historische continuïteit vertoont de geografische ruimte met de naam Macedonië niet. Het antieke Macedonië werd bewoond door Macedoniërs. Wie die Macedoniërs precies waren en vooral of het Grieken waren of een ander volk, is geen uitgemaakte zaak. Het weinige dat van de taal van de oude Macedoniërs bekend is, biedt geen houvast. Bij het honderdtal Macedonische glossen waarover we beschikken, zitten veel Griekse leenwoorden, wat erop wijst dat de Macedoniërs al in een vroeg stadium – omstreeks 500 voor Christus – vergriekst werden. Volgens de gerenommeerde Bulgaarse taalkundige Vladimir Georgiev moet het Macedonisch een andere taal dan het Grieks geweest zijn en verschilde het ook van het Illyrisch en het Thracisch – de twee andere grote talen die in de Oudheid op de Balkan gesproken werden (Georgiev 1977: 235-243). De eigenlijke Macedoniërs waren vermoedelijk géén ‘etnische’ Grieken, maar op het moment dat ze in de geschiedenis verschenen was een proces van vergrieksing bezig dat uiteindelijk wel Grieken – in de zin van deelgenoten van de Griekse beschaving – van hen gemaakt heeft. De Macedoniërs leefden in de onmiddellijke nabijheid van Grieken en de aantrekkingskracht van de Griekse cultuur was vooral voor de sociale bovenlaag moeilijk te weerstaan. Daarnaast was de bevolking van Macedonië vermoedelijk – ook toen al – niet etnisch homogeen, maar leefden er naast ‘etnische’ Macedoniërs, die (aanvankelijk) Macedonisch spraken, ook Grieken, Illyriërs en Thraciërs. Dat verklaart waarom de Oude Grieken zelf de Macedoniërs nu eens als ‘Hellenen’ beschouwden, en dan weer als ‘barbaren’. In de loop der eeuwen werd nagenoeg de hele bevolking van Macedonië vergriekst. De Macedonische taal verdween compleet; in de aangrenzende gebieden in het noorden bleef Illyrisch en Thracisch gesproken worden, maar ook daar rukte het Grieks als cultuurtaal op. Na de integratie van het Balkanschiereiland in het Romeinse Rijk en de invoering van het Latijn als ‘officiële’ taal bleef het Grieks zich verspreiden. Een deel van de Illyriërs en de Thraciërs echter werd gelatiniseerd, vooral in de steden en langs de grote wegen. Het Thracisch werd helemaal door het Latijn verdrongen, zij het niet zonder sporen na te laten. Zo ontstond een Oost-Romaanse taal, het Aroemeens (Vlachs, Kutsovlachs, Tsintsaars), de taal van de Vlachen. Het Aroemeens is erg verwant

18


met het Roemeens en Roemeense linguïsten beschouwen het als een Roemeens dialect. Aroemeens was in de Middeleeuwen op de Balkan een zeer verspreide taal; vandaag wordt het nog gesproken door tanende populaties in Albanië, Thessalië en Macedonië. Als de Albanese taalkundigen gelijk hebben en het huidige Albanees de voortzetting is van het Illyrisch, dan was de latinisering van het Illyrisch veel minder ingrijpend. Het Albanees is sterk getekend door het Latijn, maar heeft zijn apart karakter behouden. Overigens hechtten niet alle linguïsten geloof aan de genoemde visies op de ontstaansgeschiedenis van het Aroemeens en het Albanees. Sommigen vermoeden dat het Albanees, Aroemeens en Roemeens teruggaan op het gelatiniseerde Thracisch, gesproken in de driehoek tussen Sofia, Niš en Skopje, en dat Albanezen, Aroemenen en Roemenen zich van daaruit verspreid hebben (Georgiev 1966: 291-3; Georgiev 1977: 212-5). Het vervelende van deze theorie voor de Albanezen is dat zij in dat geval niet afstammen van de Illyriërs, en dus ook niet al van in de vroegste Oudheid in hun ‘Albanese gebieden’ – Albanië, Kosovo, Macedonië, Epirus – geleefd hebben. Daarmee komen hun historische aanspraken op deze gebieden op de helling te staan. Hoe dan ook, Albanees, Grieks en Aroemeens zijn in Macedonië autochtone talen, in de zin dat hun respectieve voorlopers – Illyrisch, (Klassiek) Grieks en Thracisch – er naar alle waarschijnlijkheid al in de Oudheid gesproken werden. Of dat ook betekent dat de huidige Albanezen, Grieken en Vlachen de biologische nakomelingen zijn van de Illyriërs, Grieken en Thraciërs, met andere woorden, dat er ook een genetische continuïteit bestaat, is een heel andere vraag. In de hellenistische periode zijn Macedoniërs, Illyriërs en Thraciërs gehelleniseerd, maar in de Romeinse periode zijn ook Grieken gelatiniseerd, en in de Byzantijnse periode, na de opdeling van het Romeinse Rijk, zijn de meeste Romaanstaligen weer gehelleniseerd. Niet dat historici uit de bronnen veel over deze ontwikkelingen hebben kunnen achterhalen of dat taalkundigen over teksten beschikken aan de hand waarvan ze deze processen kunnen reconstrueren, maar je kunt je moeilijk voorstellen hoe het anders gegaan kan zijn. De komst van de Slaven, die zich in de 6e-7e eeuw op de Balkan vestigden, betekende de massale inbreng van nóg een etnisch ingrediënt en nóg een taal. De Slaven drongen vanuit Pannonië, ten noorden van de Donau, ver naar het zuiden door en vestigden zich blij-

19


vend op de Balkan. Oude toponiemen verraden sporen van Slavische aanwezigheid tot op de Peloponnesos (Fine 1995: 59-64). Op een moderne kaart van Grieks Macedonië merk je daar niet veel meer van, omdat bijna alle Slavische plaatsnamen in Griekenland in de 19e en 20e eeuw systematisch vervangen zijn door Griekse, maar reizigers die het gebied bezochten toen het nog Osmaans was, noemen die Slavische plaatsnamen nog. Met name Macedonië werd grondig geslaviseerd. Dat blijkt ook uit de geschreven bronnen. Die maken melding van compacte massa’s Slaven, die herhaaldelijk probeerden de havenstad Thessaloniki in te nemen. De Heilige Demetrius, de patroonheilige van Thessaloniki, moest meermaals persoonlijk tussenbeide komen om inname en plundering van de stad door de Slaven te beletten. Met de komst van de Slaven op de Balkan werd het patroon van etnische vermenging en assimilatie nog ingewikkelder. Veel Grieken, Illyriërs/Albanezen en Thraciërs/Vlachen werden geslaviseerd, maar tegelijk werden veel Slaven vergriekst of gealbaniseerd. Alle combinaties kwamen voor. Het ging om een proces dat verliep via diverse stadia van bi- of polylinguïsme die vele eeuwen in beslag namen. Door de inwerking van de verschillende talen op elkaar ontstond de Balkantalenbond. Twee ontwikkelingen zijn bijzonder relevant met betrekking tot Macedonië. Tot in de 6e-7e eeuw werd ten zuiden van de lijn DurrësConstantinopel door compacte massa’s Grieks gesproken; in de 7e eeuw drongen de Slaven het Grieks ver naar het zuiden terug. Het handhaafde zich vermoedelijk enkel in het hooggebergte en de kuststeden. Vanaf de 9e eeuw heroverde het Grieks de verloren posities in het noorden tot ongeveer halverwege Macedonië – als gevolg van overplantingen van Grieken uit Klein-Azië die de Byzantijnse keizers organiseerden, en van het feit dat veel Slaven Grieks gingen spreken (Fine 1995: 80-2). Zuid-Albanië werd in de 6e-7e eeuw eveneens grotendeels geslaviseerd, zo blijkt weer uit de toponiemen, maar vanaf de 13e eeuw werden de Slaven daar als gevolg van Albanese expansie gealbaniseerd (Seliščev 1981b). Bestaat er nauwelijks enige relatie tussen taal en genetische afkomst, nog geringer is – althans vóór de 19e eeuw – het verband tussen het verspreidingsgebied van bepaalde etno-culturele groepen en staatsgrenzen. Toen de Slaven het Balkanschiereiland overspoelden, maakte dit nog deel uit van het Byzantijnse Rijk. De Slaven stichtten in de gebieden waar ze zich settelden aanvankelijk

20


geen eigen staten. De Byzantijnse schrijvers spreken van sklaviniai – gebieden zonder bepaalde grenzen, waarbinnen de Slaven in losse stamverbanden leefden. Formeel bevonden die sklaviniai zich binnen de grenzen van het Byzantijnse Rijk, al oefende Constantinopel er geen effectieve controle over uit. Tussen de Slavische leiders en de Byzantijnse keizer bestond soms een soort van feodale relatie. Nu eens betaalden de Slaven tribuut aan de keizer, dan weer omgekeerd. Slaven en Byzantijnen dreven handel met elkaar en Slaven werden opgenomen in het Byzantijnse leger en de Byzantijnse administratie. Byzantijnse missionarissen probeerden de Slavische heidenen te kerstenen en Byzantijnse generaals probeerden de verloren gebieden met hun nieuwe Slavische bevolking te heroveren. Het Byzantijnse Rijk was een multi-etnische staat, waarbinnen ieder die het christendom beleed en in staat was zich in de ‘officiële’ taal van het rijk, het Grieks, uit te drukken, als ‘Romeins burger’2 aanvaard werd en in principe toegang had tot alle ambten, inclusief dat van keizer. De vroegste Slavische staat op de Balkan, Bulgarije, werd gesticht in 681. Enkele decennia eerder waren de Proto-Bulgaren – een Turks nomadenvolk verwant met de Hunnen – onder leiding van hun khan Asparuh vanuit de Zuid-Russische steppen de Donau overgetrokken en hadden zich in het noordoosten van het huidige Bulgarije gevestigd.3 De Proto-Bulgaren sloten een militair bondgenootschap met een zevental plaatselijke Slavische stammen en samen versloegen ze in 681 de Byzantijnse keizer Constantijn IV en dwongen hem tribuut te betalen. Van een echte ‘stichting’ is eigenlijk geen sprake. In feite gaat het om een belangrijke gebeurtenis – een soort van internationale erkenning – in een lang proces van staatkundige consolidatie. Het prille Bulgarije was eveneens een multi-etnische staat: er leefden Proto-Bulgaren en Slaven, maar ook Thraciërs/Vlachen, Grieken en nog andere kleinere etnische groepen. De Proto-Bulgaren werden in de loop van de volgende eeuwen door de Slaven in hun rijk volledig geassimileerd. Die Slaven noemden zich voortaan naar hun heersers Bulgaren, en zo heten ze tot op heden nog. Termen als ‘Bulgaren’, ‘Bulgaars’ en dergelijke sloegen aanvankelijk veeleer op de staat, de dynastie, haar leger en administratie, het territorium en de bevolking waarover ze heerste; pas in de loop van de volgende eeuwen vormde zich een Slavisch-Bulgaarse etno-culturele gemeenschap, die vervolgens tegen het einde van de 19e eeuw een nationale gemeenschap werd. 21


Ook de Slaven in Centraal-Macedonië kwamen halverwege de 7e eeuw onder de heerschappij van een Proto-Bulgaars stamhoofd, Kuber, maar Macedonië bleef als sklavinia formeel binnen de Byzantijnse grenzen. Pas tegen de helft van de 9e eeuw werd Noorden West-Macedonië door het Bulgaarse Rijk geannexeerd. Wat later, in 864, besloot de Bulgaarse khan Boris het christendom als staatsgodsdienst in zijn rijk in te voeren. Hij liet zich dopen en heette voortaan Michaël, naar zijn peetvader, de Byzantijnse keizer Michaël III. Aanvankelijk vielen de Bulgaarse bisdommen nog onder de bevoegdheid van het Patriarchaat van Constantinopel en was het Grieks de taal van de liturgie en de kerkelijke administratie. De Bulgaren echter zagen de Byzantijnse jurisdictie over de Bulgaarse bisdommen als een bedreiging voor hun soevereiniteit en in de jaren 880 voerden ze het Kerkslavisch als taal van de liturgie en als ‘officiële’ taal in hun rijk in. Daarbij maakten ze gebruik van de diensten van de leerlingen van Cyrillus en Methodius. Deze twee Byzantijnse monniken uit Thessaloniki hadden al in de jaren 860 een Slavisch alfabet vervaardigd en de belangrijkste religieuze en liturgische teksten ten behoeve van de Moravische kerk in het Kerkslavisch vertaald. Met de beslissing om de Kerkslavische ritus in te voeren beoogden de Bulgaarse vorsten ook een einde te maken aan de religieuze en taalkundige verschillen tussen Proto-Bulgaren en Slaven in hun rijk en de diverse gebieden die tot hun rijk behoorden middels één taal en één godsdienst hechter aan elkaar te smeden. Om die reden stuurden ze Kliment, een leerling van Cyrillus en Methodius, naar Ohrid in Macedonië. Opererend vanuit die stad kerstende Kliment de heidense Slaven in de Slavische ritus. Kliment was een bijzonder ijverig missionaris, leraar, vertaler en auteur en zijn activiteiten droegen aanzienlijk bij tot de consolidatie van de Bulgaarse heerschappij over Macedonië. Tegen het einde van de 9e eeuw, onder vorst Simeon (864-927, vanaf 893 tsaar), maakte heel Macedonië, met uitzondering van de stad Thessaloniki en het schiereiland Chalkidiki, deel uit van het Bulgaarse Rijk, dat toen ook Roemenië, Servië, oostelijk Thessalië en een deel van de noordelijke kust van de Zee van Marmara omvatte. Simeon promoveerde de Bulgaarse kerk in 918 eenzijdig tot patriarchaat. In 927 werd ze officieel als zodanig door het Patriarchaat van Constantinopel erkend. Aan de Bulgaarse expansie onder Simeon kwam na zijn dood een einde. Feodale verbrokkeling, dynastieke twisten en sociale

22


onrust vielen samen met het onstuitbare streven naar het herstel van het Byzantijnse Rijk onder de Macedonische keizers. (De Macedonische keizers waren vermoedelijk Armeniërs, afkomstig uit het thema Macedonië in Thracië, en niet van Slavische afkomst.) Met de hulp van de Russische troepen van grootvorst Svjatoslav veroverde de Byzantijnse keizer Johannes I Tzimisces in de late jaren 960 het oosten van het toenmalige Bulgarije – zowat het hele huidige Bulgarije. Het westelijke deel ontsnapte voorlopig nog aan een Byzantijnse bezetting. Daar bleven David, Mojsej, Aron en Samuil – de zonen van comes (graaf) Nikola van Sofia – verzet bieden. Vrijwel zeker behoorden ze niet tot de dynastie van de tsaar; mogelijk waren ze ook geen Bulgaren en misschien niet eens Slaven. Hun erg on-Bulgaarse oudtestamentische namen zouden op Armeense of – minder waarschijnlijk – Vlachse origine kunnen wijzen (Fine 1995: 189; Winnifrith 1984: 104-5). Het waren hoe dan ook lokale feodale potentaten, die zich al eerder tegen het Bulgaarse centrale gezag verzet hadden. De door de Byzantijnen afgezette en gevankelijk meegevoerde Bulgaarse tsaar Boris II had in Constantinopel een erefunctie gekregen; zijn eveneens meegevoerde jongere broer Roman was op bevel van de keizer gecastreerd. In 977 werden beiden vrijgelaten (of konden ontsnappen) en trokken naar het nog ‘vrije’ West-Bulgarije. Boris II werd aan de grens per abuis neergeschoten. Volgens sommige bronnen werd Roman tsaar; volgens andere bronnen kwam hij als castraat niet meer in aanmerking voor de troon. Hoe dan ook, de cometopoulen (zonen van de comes) bleven de dienst uitmaken. Na de dood van zijn broers, waarin hij ook zelf de hand had, kreeg Samuil de touwtjes alleen in handen. In 997 werd hij tot tsaar van de Bulgaren gekroond, mogelijk na de dood of de abdicatie van Roman. De kwestie of Samuil op legitieme wijze de Bulgaarse kroon verwierf, verdient enige aandacht, omdat Bulgaarse historici het rijk van Samuil zien als een voortzetting van de Bulgaarse staat, terwijl Macedonische historici het rijk van Samuil beschouwen als een aparte, Macedonische staat. Een legitieme opvolging maakt van het rijk van Samuil een Bulgaars rijk. Zag Samuil zichzelf als de voortzetter van de Bulgaarse staatsidee, of moest de Bulgaarse tsarenkroon alleen maar een groter prestige verlenen aan een apart ‘Macedonisch’ rijk? De visie van de Bulgaarse historici lijkt plausibeler, met dien verstande dat ‘Bulgaars’ – evenmin als ‘Macedonisch’

23


trouwens – omstreeks het jaar 1000 op een etnische of nationale gemeenschap in de moderne zin van het woord kan slaan. De cometopoulen slaagden erin Noordoost-Bulgarije op de Byzantijnen te heroveren en Samuil breidde het rijk vanuit Macedonië nog uit met Kosovo, Montenegro en Thessalië. De hoofdstad van zijn uitgestrekte rijk verplaatste zich voortdurend meer naar het zuidoosten: van Sofia naar Skopje, daarna naar Ohrid. Op het grote eiland in het Prespameer bouwde Samuil een versterkt paleis – de Grad –, dat dienst deed als residentie. Samuil herstelde in Ohrid het Bulgaarse Patriarchaat, dat de Byzantijnen na de inname van de Bulgaarse hoofdstad Preslav in 971 afgeschaft hadden. De gevluchte Bulgaarse patriarch Damjan werd de eerste patriarch van Ohrid. Ook deze daad wijst op het bestaan van een grote mate van continuïteit tussen het Bulgaarse Rijk en dat van Samuil. Het rijk van Samuil kende een kortstondig bestaan. Het werd belaagd door keizer Basileius, die zich voorgenomen had het hele schiereiland weer onder Byzantijns gezag te brengen. In het najaar van 1014 omsingelden de Byzantijnen het leger van Samuil in het Belasicagebergte. Zijn 14.000 soldaten werden gevangengenomen en de ogen uitgestoken. Van elke honderdste soldaat werd slechts één oog uitgestoken; die konden de anderen terug naar Samuil leiden. Bij het zien van zijn verminkte soldaten kreeg Samuil een beroerte; hij stierf enkele dagen later. Basileius verwierf de twijfelachtige eretitel Boulgaroktonos , ‘de Bulgarendoder’ – tot verdriet van de 20e-eeuwse Macedonische historici. In 1018 kwam het hele grondgebied van het Eerste Bulgaarse Rijk, inclusief Macedonië dus, voor het eerst sinds de Slavische invasies in de 6e-7e eeuw weer onder Byzantijnse heerschappij. De rechten van de Slavische adel werden gerespecteerd; Slavische edellieden kregen vooraanstaande functies in het Byzantijnse bestuur. De staatkundige continuïteit van Bulgarije werd min of meer in stand gehouden door de aanstelling van een dux (hertog) voor het thema Bulgarije. Dat omvatte echter enkel het grondgebied van Macedonië met het gebied rond Kjustendil en Sofia, niet ook het overgrote deel van het eigenlijke Bulgarije. Het Bulgaarse Patriarchaat van Ohrid werd in rang verlaagd tot autocefaal Aartsbisdom van Ohrid. Dat betekende dat het Aartsbisdom nominaal ondergeschikt werd aan het Patriarchaat van Constantinopel, maar in feite slechts aan de keizer verantwoording verschuldigd was. Alle bisdommen in West-Bulgarije en Macedonië vielen onder de jurisdic-

24


tie van de aartsbisschop van Ohrid. Basileius stelde Joan, een Slaaf, aan als eerste aartsbisschop. De cultus van Bulgaarse heiligen werd in Griekse hagiografieën en kerkdiensten levendig gehouden. Over de relaties tussen Bulgaren en Byzantijnen schreef de Arabische chroniqueur al-Makin (geciteerd in Ireček 1978: 234): ‘De keizer keerde terug naar Constantinopel en de Romeinen [Byzantijnen], die zich vermengden met de Bulgaren, verenigden zich met hen door huwelijksbanden. Aan de voormalige vijandelijke relaties tussen de twee volken kwam een einde.’ Wat niet belette dat, zoals in de rest van het Byzantijnse Rijk, ook in Bulgarije en Macedonië af en toe edelen tegen het Byzantijnse centrale gezag in opstand kwamen. Hoewel de literaire activiteiten in het Bulgaars konden voortgezet worden, leidde het Byzantijnse bestuur en de door al-Makin vermelde huwelijksbanden hoe dan ook tot vergrieksing, vooral in Macedonië, dat het dichtst bij en ten dele in het Griekse taalgebied gelegen was. Grieken konden zich ongehinderd in Macedonië vestigen en met name op het Zuid-Macedonische platteland nam het aandeel van Grieken in de etnische samenstelling van de bevolking toe. De Bulgaarse sociale bovenlaag, die altijd al erg opengestaan had voor de invloed van de Grieks-Byzantijnse cultuur, werd in versneld tempo vergriekst. De eeuwen, volgend op de Byzantijnse ver- of herovering, waren voor Macedonië bijzonder onrustig. In het begin van de jaren 1070 brachten de Noormannen, onder leiding van Robert Guiscard en zijn zoon Bohemond de Byzantijnen zware nederlagen toe nabij Durrës in Albanië en Ioannina in Epirus. In de loop van de volgende jaren viel heel West-Macedonië in handen van de Noormannen. Na 1085 herstelden de Byzantijnen met harde hand hun gezag in Albanië en Macedonië. In 1096-1097 trokken de deelnemers aan de Eerste Kruisvaart, onder wie opnieuw Bohemond, via Albanië en Macedonië naar het oosten. Ze vormden een serieuze bedreiging voor de stabiliteit van het Byzantijnse gezag in de regio. Onderweg plunderden ze dorpen, veroverden vestingen en persten de lokale Byzantijnse bestuurders af. Bohemond probeerde in 1107 opnieuw vanuit Albanië delen van Macedonië te veroveren, maar de Byzantijnse troepen dreven hem uiteindelijk terug. Ook de politieke ontwikkelingen in het Byzantijnse Rijk zelf waren debet aan de instabiliteit in de regio. De machtstoename van de lokale militaire leiders en grootgrondbezitters, typerend voor de periode van de Comnenenkeizers (12e eeuw), veroorzaakte feodale

25


verbrokkeling, dynastieke conflicten en sociale onrust. Een nieuwe inval van de Noormannen in 1185 leidde tot het verlies van de havenstad Thessaloniki en de geleidelijke verzwakking van de Byzantijnse controle over Macedonië. Het vorstendom Servië profiteerde van de chaos om de Byzantijnse suzereiniteit af te schudden en zijn grondgebied ten koste van het Byzantijnse Rijk uit te breiden tot aan het gebied rond Ohrid. Servië zou vanaf dan in Macedonië in toenemende mate een rol gaan spelen. In 1185 brak er in Veliko Tarnovo, een stad in Centraal-Bulgarije, een opstand uit tegen het Byzantijnse gezag. De aanstichters waren twee edelen, Petar en Asen – mogelijk van Vlachse of Koemaanse origine –, die ontevreden waren over de beloning die ze voor hun militaire diensten van de keizer gekregen hadden. De opstand kreeg de steun van de plaatselijke Bulgaarse bevolking en mondde uit in het herstel van het Bulgaarse Rijk. Tijdens de regering van tsaar Kalojan (1198-1207) werd het noordelijke en oostelijke deel van Macedonië opnieuw bij Bulgarije gevoegd, samen met het grootste deel van Thracië. In Macedonië had een lokale potentaat, Dobromir Hras of Hris, eerst de kant gekozen van Petar en Asen, maar zich vervolgens onafhankelijk verklaard. In de loop van de volgende jaren maakte hij, om zijn onafhankelijkheid te handhaven, beurtelings gemene zaak met Bulgarije en Byzantium. Samen met zijn schoonvader Manuel Camytzes veroverde hij vanuit de onneembare vesting Prosek (ten westen van de stad Strumica), West-Macedonië en Thessalië. In 1202 sloten Bulgarije en Byzantium een vredesverdrag waarbij de Macedonische bezittingen van Hras in Bulgaars bezit kwamen. Om de rest van Macedonië moest Kalojan strijd leveren met een aantal nieuwkomers op de Balkan. In 1204 namen de deelnemers aan de Vierde Kruistocht Constantinopel in en verdeelden het Byzantijnse Rijk onder elkaar. Zo ontstond het Latijnse Keizerrijk. Aan het hoofd stond Boudewijn van Vlaanderen, de keizer van Constantinopel. Zijn bezit strekte zich uit langs beide oevers van de Zee van Marmara. In andere delen van het voormalige Byzantijnse Rijk heersten zijn vazallen. Enkel het Despotaat van Epirus4 en de keizerrijken van Nicaea en Trebizonte (nu Iznik en Trabzun in Turkije) bleven in het bezit van Byzantijnse keizerlijke of alleszins adellijke families. Het grootste deel van Macedonië hoorde bij het Koninkrijk van Thessaloniki, waar de Frank Bonifacius van Montferrat de scepter zwaaide. Het noordoostelijke deel was nog steeds Bulgaars. 26


In 1205 versloeg Kalojan Boudewijn van Vlaanderen in de slag bij Adrianopolis (nu Edirne in Europees Turkije). Vervolgens keerde Kalojan zich tegen het Koninkrijk van Thessaloniki en maakte Bonifacius de gebieden rond Skopje en Ohrid afhandig. Na de dood van Bonifacius in 1207 rukte Kalojan verder op naar Thessaloniki. Onderweg behandelde hij de plaatselijke bevolking overeenkomstig de ‘eretitel’ Romaioktonos (de ‘Byzantijnendoder’) die hij, naar het voorbeeld van Basileius II, voor zichzelf bedacht had. Tijdens de belegering van Thessaloniki werd Kalojan door samenzweerders om het leven gebracht; de belegeraars trokken zich terug. Van de machtsstrijd die na zijn dood in Bulgarije uitbrak, maakte ene Strez gebruik om met Servische hulp het gebied tussen Prosek, Ohrid en Thessaloniki van Bulgarije los te maken. Toen Strez schielijk overleed – vermoedelijk vermoord door ontevreden edelen – werd het gebied rond de steden Skopje en Ohrid meteen ingelijfd door het Despotaat van Epirus. In 1244 annexeerde het Despotaat het hele Koninkrijk van Thessaloniki. De ambitieuze despoot van Epirus, Theodorus Comnenus, liet zich nog datzelfde jaar door de aartsbisschop van Ohrid tot keizer kronen. Zijn imperiale dromen gingen echter in rook op toen in 1230 zijn leger bij Klokotnica door de Bulgaren onder tsaar Ivan Asen II (1218-1242) verslagen werd. Grote delen van Albanië, Epirus, Macedonië (zonder Thessaloniki) en Thracië kwamen weer in Bulgaarse handen. Na de dood van de succesvolle tsaar Ivan Asen II viel Bulgarije opnieuw ten offer aan dynastieke twisten en feodale verbrokkeling. OostMacedonië werd veroverd door het Keizerrijk van Nicaea, de belangrijkste erfgenaam van het Byzantijnse Rijk; om West-Macedonië twistten Nicaea, Epirus en Servië. Na het herstel van het Byzantijnse Rijk in 1261 slaagde keizer Michaël Palaeologus erin gedurende enkele decennia de controle over Macedonië uit te oefenen, maar hij moest het gebied uiteindelijk afstaan aan de Serven. Servië had zich inmiddels ontpopt als een lokale supermacht. In 1282 veroverde de Servische koning Stefan Uroš II Milutin (12821321) het noorden van Macedonië en onder zijn opvolger Stefan Uroš III Dečanski (1321-1331) was nagenoeg het hele grondgebied van de huidige Republiek Macedonië in Servische handen. Stefan Dušan (1331-1355), de grootste van de Servische heersers, veroverde het resterende deel van Macedonië, zonder Thessaloniki en Chalkidiki. Macedonië nam een belangrijke plaats in binnen het Servische koninkrijk. Stefan Uroš II Milutin bracht zijn residentie

27


van Ras in Servië over naar Skopje. Stefan Dušan liet zich in 1346 in Skopje tot keizer kronen. De veroveringen van Stefan Dušan leidden tot een aanzienlijke migratie van Serven naar Macedonië, voornamelijk naar het gebied rond Serres, waar zich enige tijd een Servisch vorstendom handhaafde. Die Serven werden naderhand vergriekst of opgeslorpt door de talrijkere Bulgaren. Ook veel Albanezen en Vlachen, die als huurlingen in de legers van Stefan Dušan streden, vestigden zich in die periode in Macedonië. (Vacalopoulos 1973: 15-17) Na de dood van Stefan Dušan in 1355 viel het Servische Rijk uiteen in een aantal kleine vorstendommen. Alleen al in Macedonië waren het er meer dan een half dozijn. De belangrijkste feodale potentaten waren Ivan Uglješa in Serres en Dhrama (in NoordGriekenland), zijn broer Volkašin (Vukašin) in het gebied rond Prilep, en de gebroeders Dragaš en Konstantin Dejanović in het gebied rond Velbažd (Kjustendil in Zuidoost-Bulgarije) en Strumica. Verder waren er graaf Hlapon in Verria en Edhessa, despoot Oliver aan de middenloop van de Bregalnica, sebastokrator5 Vlatko aan de bovenloop van de Kriva, en nog enkele andere. De politieke verbrokkeling en de rivaliteit tussen de diverse vorstendommen – op de hele Balkan een veertigtal – waren factoren die de verovering van het schiereiland door de Osmaanse Turken vanaf de helft van de 14e eeuw in de hand gewerkt hebben. Die vorstendommen, inclusief het verschrompelde Byzantijnse Rijk, deden regelmatig een beroep op Osmaanse legers om met hen de onderlinge geschillen uit te vechten. De gammele militaire coalitie van christelijke staatjes, die in 1371 de Osmaanse opmars wilde stoppen, werd bij Černomen aan de Marica verslagen. Een hele reeks christelijke vorsten, onder wie de Byzantijnse keizer en de Bulgaarse tsaren van Veliko Tarnovo en Vidin, werden gedwongen de Osmaanse suzereiniteit te erkennen. Uglješa en Volkašin sneuvelden in de slag. Volkašins zoon Marko werd een vazal van de sultan en trok braaf mee op tijdens diens vele veldtochten – wat niet verhinderd heeft dat hij als Kraljević Marko of Marko Kraleviti (koningszoon Marko) in de verbeelding van de Zuid-Slavische barden uitgegroeid is tot een mythische doder van draken en Turken. De christelijke vorsten zetten als Osmaanse vazallen hun ruzies voort. Grote delen van de bezittingen van Marko werden ingepikt door despoot Emmanuël Cantacuzenus van Morea (de Peloponnesos). De gebroeders Dejanović moesten het gebied van Skopje

28


afstaan aan de Servische koning Vuk Branković. De Albanese grootžupan (vorst) Andrej Gropa consolideerde zijn macht in de omgeving van Ohrid en omgeving. In eerste instantie creëerden de Osmanen overal op de Balkan vazalstaten, omdat die het hun mogelijk maakten met inzet van betrekkelijk weinig militaire middelen uitgestrekte gebieden te controleren. Die vazalstaten waren echter niet bedoeld om lang te blijven bestaan. Die in Macedonië werden al tegen het einde van de 14e eeuw afgeschaft en de territoria opgenomen binnen de grenzen van het Osmaanse Rijk zelf. In 1383 viel Serres; vermoedelijk twee jaar later volgden Bitola, Prilep, Štip en Veles. Skopje werd veroverd in 1395. In 1423 vertrouwden de wanhopige Byzantijnen Thessaloniki toe aan de bescherming van de Venetianen, maar de stad kon daardoor haar lot niet ontlopen. Ze viel in 1430 definitief in Osmaanse handen. Macedonië zou tot in 1912 deel uitmaken van het Osmaanse Rijk. De wisselvallige grenzen tussen de pre-Osmaanse Balkanstaten vertellen ons weinig of niets over de etnische realiteit binnen die grenzen. In geen geval vielen de staatsgrenzen samen met de etnische grenzen; de middeleeuwse staten waren geen ‘nationale’ staten. De etnische realiteit, zoals we ze kennen uit de schaarse bronnen, kende een ontwikkeling die zich weinig aan staatsgrenzen gelegen liet. Het Byzantijnse Rijk, Bulgarije en Servië waren multietnische staten, en zelfs de kleine feodale vorstendommen die in de 13e-14e eeuw ontstonden, hadden in de meeste gevallen een etnisch gemengde bevolking. Dat, zoals sommige geschiedenisboeken op de Balkan vermelden, de vorsten ernaar streefden ‘hun volk’ binnen de grenzen van één staat te verenigen, is onzin. In die tijd hadden vorsten nog geen ‘eigen volk’; ze werden bij hun veroveringsoorlogen niet bewogen door nationalisme, maar door pure hebzucht en in hun legers streed geboefte van zeer verscheiden etnische origine. Een kloosterkroniek uit Joannina noemt Vonko, die in 1400 de omgeving van Arta in Griekenland plunderde, een ‘Servo-AlbanoBulgaro-Vlach’ (Banac 1984: 328). Dat het volk zelf streefde naar een ‘eigen’ staat, is evenzeer een anachronisme. Etnisch-nationale gemeenschappen bestonden niet, laat staan de idee dat zo’n gemeenschap in een eigen staat zou moeten leven. De vraag of Macedonië in de Middeleeuwen Albanees, Bulgaars, Grieks of Servisch was, is dan ook tamelijk onzinnig.

29


3 Het ‘Turkse juk’ of pax ottomanica

W

IE DE BALKAN GRAAG ziet als de arena van eeuwenoude

etnische conflicten, zal het niet makkelijk hebben om de Osmaanse periode in dat beeld in te passen. De Osmaanse invasie zelf veroorzaakte een ontwrichting van het politieke, economische en sociale leven, zoals er sinds de invallen van de Slaven in de 6e en 7e eeuw in Macedonië geen meer was voorgekomen. In Macedonië vluchtten Grieken, Slaven en Vlachen massaal de bergen in, waar ze in barre omstandigheden probeerden te overleven met wat de schapenteelt opbracht. Turkse kolonisten uit Anatolië werden door de Osmaanse overheid aangemoedigd om zich in de ontvolkte gebieden te vestigen: het gebied ten noorden van Kozani en ten westen van het Vermiongebergte, het gebied ten noorden van Iannitsa, en het uitgestrekte gebied in Oost-Macedonië tussen Doiran, Sidhirokastron, Serres, Langadhas en Axioupolis (Vacolopoulos 1973: 56). De steden werden in grote mate verturkst. Zo telde Skopje in het begin van de 16e eeuw 630 moslim- en slechts 200 christelijke families (Vacalopoulos 1973: 104). Maar het was niet alleen onheil wat de Osmanen over de Balkan brachten. Er kwam een einde aan de onophoudelijke oorlogen tussen de diverse middeleeuwse Balkanstaatjes – oorlogen, waaronder vooral de boerenbevolking leed. In de plaats van die kleine

31


vorstendommen kwam een intercontinentaal imperium, een enorm territorium waarbinnen individuen en groepen zich ongehinderd konden verplaatsen – wat mede de grote etnische vermenging verklaart –, en een enorme markt. Dat imperium stoelde op een gecentraliseerde bureaucratie met aan het hoofd een absolute monarch, de sultan, op een militair-feodaal systeem dat militaire slagkracht en een zekere mate van economische en sociale stabiliteit garandeerde, en op een ingenieus systeem dat de diverse etnische en religieuze gemeenschappen zonder grote conflicten liet samenleven. De militaire slagkracht van het Osmaanse Rijk berustte op de janitsaren – de keurtroepen van de sultan, gerekruteerd uit de christelijke bevolking van het rijk – en de ruiterij. Die ruiterij was zelfvoorzienend, dankzij het timar-systeem. Een timar was een leengoed, dat gegeven werd in ruil voor militaire diensten, onder meer het ter beschikking stellen van een vastgesteld aantal cavaleristen voor de veldtochten van de sultan. De onkosten werden gedragen uit de opbrengst van de timar. In de meeste gevallen was de timar een landbouwbedrijf met horige boeren als werkkrachten. Als zodanig was de timar ook van economisch belang; hij garandeerde een lage, maar vrij stabiele levensstandaard, ook voor de boeren. Bij de verovering van de Balkan stonden de Osmanen de christelijke grootgrondbezitters vaak toe dat ze hun domein in de vorm van een timar behielden. Later omhelsden die grootgrondbezitters de islam en gingen op in de Osmaanse categorie van timar-houders. Ook in Macedonië was dit het geval (Vacalopoulos 1973: 100-2). Gedurende vele eeuwen functioneerde het Osmaanse feodaalmilitaire systeem voortreffelijk en stond het Westen, meer bepaald het Habsburgse Rijk, vrijwel machteloos tegen de Osmaanse opmars. Pas in de 17e eeuw keerden de kansen. De economische dynamiek in het Westen als gevolg van de toevoer van rijkdommen uit de koloniën en de snelle technologische ontwikkelingen brachten het stagnerende Osmaanse Rijk in een benarde situatie. Vanaf het einde van de 17e eeuw slaagde het Habsburgse Rijk erin uitgestrekte gebieden op de Balkan van de Osmanen afhandig te maken. In dezelfde tijd begon ook Rusland de Osmanen terug te dringen uit het gebied ten noorden van de Zwarte Zee. Vanaf dan af werd de bevolking van de Balkan steeds vaker geconfronteerd met oorlogsgeweld: regelmatig drongen Venetiaanse, Habsburgse of Russische troepen het grondgebied binnen. Soms zetten ze de bevolking aan tot opstanden tegen de Osmanen, en die

32


reageerden met bloedige represailles. In 1689 trokken Oostenrijkse troepen onder leiding van Eneo Piccolomini op naar Kosovo om zich daar meester te maken van strategische valleien en vestingen. Daarna achtervolgden ze het Osmaanse leger, aangevoerd door Mahmutbegolli, verder in zuidelijke richting. Onderweg werd Piccolomini enthousiast door de plaatselijke bevolking verwelkomd. In de buurt van Skopje werd Mahmutbegolli verslagen; tweeduizend van zijn zesduizend soldaten vonden de dood. Piccolomini’s troepen trokken Skopje binnen, maar omdat ze de stad bij een Osmaanse tegenaanval niet konden verdedigen, staken ze haar in brand (Malcolm 1998: 143-6). Eveneens in 1689 brak in Noordwest-Macedonië op instigatie van Wenen een opstand uit van boeren en hajdoeken – struikrovers en vrijheidshelden – tegen de Osmanen. De opstand, geleid door Arambaša Karpoš, was bedoeld als steun aan de Habsburgse troepen. Toen de Oostenrijkers zich uit Macedonië terugtrokken lieten ze de opstandelingen aan hun lot over. De Osmanen namen Karpoš gevangen in Kumanovo en brachten hem over naar Skopje, waar hij op de Stenen Brug werd gespiest en in de Vardar gegooid (Apostolski 1979: 97-8). De nederlagen van het Osmaanse Rijk zetten het timar-systeem op losse schroeven. De timar-houder had relatief weinig inkomsten van zijn timar, omdat de opbrengst ervan moest besteed worden aan de uitrusting van soldaten. Rijkdom putte hij hoofdzakelijk uit de krijgsbuit, maar als gevolg van de militaire zwakte van het rijk was er van krijgsbuit nauwelijks nog sprake. De timar-houders gingen ernaar streven de timars in erfelijk bezit te verwerven en zich te verrijken met de verkoop van landbouwproducten aan het Westen. Op die manier ontwikkelden de timars zich tot uitgestrekte landbouwbedrijven – čiftliks. Het streven naar een grotere productie werkte het grootgrondbezit en de exploitatie van de boeren in de hand. Čiftliks ontstonden niet overal op de Balkan, maar wel in Macedonië, althans waar vruchtbare landbouwgrond beschikbaar was. Vanaf de 18e eeuw werd de christelijke, overwegend Griekse of Slavische boerenbevolking in Macedonië onder de knoet gehouden door op winst beluste grootgrondbezitters – veelal Albanese en Turkse moslims. Er waren ook veel arme en geëxploiteerde moslimboeren, maar christelijke grootgrondbezitters waren zeldzaam. De conflicten tussen boeren en grootgrondbezitters, die soms het ka-

33


rakter aannamen van massale revoltes, hadden in de eerste plaats een sociaal karakter, maar de klassentegenstellingen vielen samen met etnische en religieuze tegenstellingen. Sommige grootgrondbezitters, die vaak ook belangrijke functies in de Osmaanse bureaucratie uitoefenden, verwierven zoveel rijkdom en macht dat zij zich op den duur sterk genoeg voelden om zich tegen het centrale gezag te verzetten en te regeren als semionafhankelijke feodale potentaten. De belangrijkste onder hen was Ali pasja van Tepelene in Zuid-Albanië, die einde 18e-begin 19e eeuw vanuit zijn ‘hoofdstad’ Ioannina een schrikbewind uitoefende over Epirus, Thessalië en Zuidwest-Macedonië. Het noorden van Macedonië was in handen van Ali pasja’s evenknie Mahmut pasja Bushatlliu en diens vazal Xhelladin bey – beiden eveneens van Albanese afkomst. Over Oost-Macedonië en een deel van West-Thracië heerste Ismail bey. Alleen centraal Macedonië – het stroomgebied van de Vardar/Axios en de Babuna bleef nog onder Osmaanse controle (Vacalopoulos 1973: 516). Voor de lokale bevolking betekende het bewind van die semi-onafhankelijke potentaten soms een verbetering van de levensomstandigheden: ze brachten orde en rust na de chaos, die buitenlandse invasies en lokale opstanden hadden veroorzaakt, en ze traden krachtdadiger dan de Osmanen op tegen roverij. Etnische, laat staan nationale gevoeligheden speelden geen rol. De feodale potentaten hieven belastingen, deelden ambten uit en lieten terechtstellen zonder etnische of religieuze discriminatie. Dat de Balkanbewoners vóór het einde van de 18e eeuw zo weinig animo aan de dag legden voor etnische aangelegenheden kwam door het fameuze Osmaanse millet-systeem. Dat systeem bestond erin dat aan bepaalde religieuze gemeenschappen (millets), met name aan de orthodoxe, Armeense en joodse gemeenschap, de zogenaamde ‘volken van het boek’ (de bijbel), een aanzienlijke mate van autonomie verleend werd. Elke gemeenschap besliste zelfstandig over dogmatische kwesties, had haar eigen administratieve en juridische instellingen, haar eigen inkomsten uit belastingen, haar eigen scholen. Op die manier konden niet-moslims in het Osmaanse Rijk volgens hun ‘eigen wet’ leven en werden ze tot op zekere hoogte beschermd tegen islamisering (voor een uitvoerige beschrijving van het millet-systeem, zie Detrez 1994). Dat belette niet dat ook in Macedonië een deel van de autochtone bevolking de islam omhelsde. Slavische moslims heten Torbeši of Pomakken, met als bijzondere variëteit de Gorani (Servisch-sprekende moslims in NoordwestMacedonië). Vallachades waren Griekse moslims. 34


De millet was een religieuze, en geen etnische gemeenschap. Binnen de millet werden geen etnische distincties gemaakt. De oude ‘nationale’ kerken op de Balkan – het Bulgaarse en het Servische Patriarchaat – waren in de 15e eeuw afgeschaft en hun bisdommen behoorden tot de Rum milleti (Romeinse, dat wil zeggen Byzantijnse gemeenschap) of het Patriarchaat van Constantinopel. Alle orthodoxe Albanezen, Bulgaren, Grieken, Macedoniërs, Roemenen, Serven, Vlachen en zelfs Turken vielen zonder onderscheid onder de jurisdictie van het Patriarchaat. Aan het hoofd van de Rum milleti stond de patriarch van Constantinopel, die enkel verantwoording verschuldigd was aan de sultan en behoorde tot de topambtenaren van het Osmaanse Rijk. De Osmanen beschouwden de Rum milleti als de voortzetting van de Byzantijnse kerk en vonden het dan ook vanzelfsprekend dat Grieken of Griekstaligen aan het hoofd ervan stonden. De Griekse geestelijkheid introduceerde in het hele Patriarchaat – ook in de Bulgaarse en Macedonische bisdommen – geleidelijk het Grieks als taal van de liturgie en van de kerkelijke administratie. Dit gebeurde in de eerste plaats om pragmatische redenen en het vroegst in steden waar zich de bisschoppelijke zetels bevonden. In dorpen met een Slavische bevolking bleef de Kerkslavische ritus dikwijls bestaan en bleven de priesters door de bisschoppelijke kanselarij in het Kerkslavisch aangeschreven worden. Een andere factor die bijdroeg tot de verspreiding van het Grieks in de steden was de aanwezigheid van een handelsbourgeoisie, die nauwe banden met de lokale vertegenwoordigers van het Patriarchaat onderhield. Grieken controleerden in het Osmaanse Rijk, samen met Armeniërs en joden, een groot deel van de handelsactiviteiten. Het Grieks was de lingua franca van het commerciële verkeer. Toen vanaf de 18e eeuw de handel binnen het Osmaanse Rijk en de handel van het Osmaanse Rijk met het Westen spectaculair toenam, gingen steeds meer niet-Grieken – vaak verstedelijkte Slaven – deel uitmaken van de handelsklasse en Grieks spreken. Als taal van de ‘betere stand’ en van een oude en prestigieuze culturele traditie oefende het Grieks een grote aantrekkingskracht uit. Veel Slaven op de Balkan die carrière maakten als zakenlui namen niet alleen de Griekse taal, maar ook de Griekse lifestyle over. De handelsbourgeoisie steunde de patriarchale clerus en het Griekse onderwijs dat de kerk verstrekte; in ruil verdedigde de kerkelijke overheid de belangen van die bourgeoisie bij de Osmaanse over-

35


heid. Samen vormden ze het ‘christelijke establishment’ in de Osmaanse samenleving. Van de heropleving van de handel in de 18e eeuw profiteerde ook Macedonië. Met name de uitvoer van katoen, wol, tabak en graan steeg spectaculair. Ook in Macedonië werd de sociale bovenlaag vergriekst, maar in wat ongewone omstandigheden. Om te beginnen was het autocefale Aartsbisdom van Ohrid, dat in het begin van de 11e eeuw gesticht was door de Byzantijnse keizer Basileius II, door de Osmanen niet afgeschaft en geïntegreerd in het Patriarchaat van Constantinopel, zoals met de Bulgaarse en Servische kerk wél gebeurd was. Dat kwam doordat het Aartsbisdom al in 1408, lang voor de val van Constantinopel en de officiële instelling van het millet-systeem, in Osmaanse handen gevallen was en de aartsbisschoppen altijd een grote loyaliteit jegens het Osmaanse gezag aan de dag gelegd hadden. Het Aartsbisdom kende zelfs een indrukwekkende territoriale expansie. In het begin van de 15e eeuw verkreeg het de jurisdictie over de bisdommen van Sofia en Vidin. Na de inlijving van Servië in het Osmaanse Rijk halverwege de 15e eeuw werden veel Servische bisdommen aan het ambtsgebied van Ohrid toegevoegd. Ook de orthodoxen in Italië en Dalmatië – voornamelijk Albanezen en Grieken – behoorden tot het autocefale Aartsbisdom van Ohrid. Toen de Sublieme Porte in 1557 door toedoen van de Servische grootvizier Mehmed Sokolović het Patriarchaat van Servië herstelde, moest het Aartsbisdom een aantal bisdommen inleveren. Toch slaagde het erin zijn onafhankelijkheid ten aanzien van het Patriarchaat van Constantinopel te handhaven tot in 1767. Een jaar daarvoor was het Patriarchaat van Servië al onder de jurisdictie van Constantinopel geplaatst. Het Aartsbisdom van Ohrid wordt door Bulgaarse en Macedonische historici graag gezien als een Bulgaarse, respectievelijk Macedonische ‘nationale’ kerk. Natuurlijk was het dat niet. Binnen de grenzen van het Aartsbisdom van Ohrid leefden Albanese, Griekse, Slavische en Vlachse christenen. Als gevolg van de eeuwenoude Griekse invloed en van de aanwezigheid van vele Grieken binnen de grenzen van het Aartsbisdom waren ook in Ohrid de aartsbisschop en zijn medewerkers bijna altijd Grieken of vergriekste Albanezen, Slaven of Vlachen. Er was geen enkel verschil met de situatie binnen het Patriarchaat van Constantinopel. Het onderwijs, gedurende vele eeuwen vrijwel uitsluitend gericht op de opleiding van priesters, werd in alle Macedonische steden in het Grieks verstrekt. 36


In Macedonië bestond de sociale bovenlaag in de steden vrijwel geheel uit Grieken en vergrieksten. De nabijheid van gebieden met een dichte Griekse bevolking was daar mede debet aan. Alleen Gevgelija en Kilkis hadden volgens Vacalopoulos (1973: 25) een Slavisch karakter bewaard. Maar ‘vergriekst’ betekent niet dat alle Griekstalige stedelingen zich ook als ‘etnische’ Grieken beschouwden. Op de hele Balkan, dus ook in Macedonië, werden tot ver in de 19e eeuw etnoniemen gebruikt om religieuze, sociale en professionele groepen aan te duiden. Termen als Albanezen (Arnaoeten, Arvanieten), Bulgaren, Grieken (Romeinen, Hellenen), Serven, Roemenen, Vlachen, Turken enzovoort sloegen natuurlijk óók op etnoculturele gemeenschappen: sprekers van een bepaalde taal, met een bepaalde godsdienst, uit een bepaalde streek. Met ‘Bulgaren’ echter werd dikwijls de Slavische plattelandsbevolking in het algemeen aangeduid; ‘Albanees’ kon ook iemand zijn met een militaire functie – in het leger, als privé-lijfwacht, of als bewaker. Iedereen met een nomadische levenswijze en iedere herder kon ‘Vlach’ genoemd worden. Roméï of Romiï (Romeinen, Byzantijnen, Grieken) was een zeer gebruikelijke term voor álle orthodoxe christenen, net als ‘Turk’ voor alle moslims. ‘Grieken’ noemde men ook alle ‘stedelingen’, ‘handelaars’, ‘ontwikkelde mensen, die Grieks spraken’. Vergrieksing was voor orthodoxe christenen op de Balkan niet een vorm van denationalisatie, maar van sociale promotie. Het kerkelijke en commerciële establishment voerde vóór de 19e eeuw geen doelbewuste, systematische assimilatiepolitiek; nog minder bestond er vanwege de niet-Grieken veel weerstand tegen de (spontane) vergrieksing. De monnik Paisij (1722-1773), geboren in Bansko in huidig Bulgaars Macedonië, riep in 1762 in zijn Istorija slavjanobolgarskaja (Slavisch-Bulgaarse geschiedenis) de Bulgaren op van hun taal te houden, in die taal te studeren en zich te verzetten tegen vergrieksing, maar zijn oproep bleef meer dan een halve eeuw vrijwel onbeantwoord. Buiten de steden was de situatie anders. In veel dorpen in Bulgarije en Macedonië werd de liturgie nog in het Kerkslavisch gecelebreerd en leerden de toekomstige priesters in de zogenaamde kloostercelscholen nog Kerkslavisch. Sinds de 17e eeuw trokken steeds meer dorpelingen naar de steden. Er bestond ook een gestage, door geen staatsgrens gehinderde stroom van Slaven uit het noorden naar Macedonië (Vacalopoulos 1973: 161-4). Toen tegen het einde van de 18e eeuw de landvlucht zo’n massaal karakter

37


kreeg dat de immigranten hele wijken in de steden vulden, voelden de nieuwkomers de sociale druk om te vergrieksen niet meer. Ze zagen niet in waarom de liturgie niet in het Kerkslavisch gecelebreerd kon worden en waarom hun kinderen onderwijs zouden moeten krijgen in een voor hen onbegrijpelijke taal, het Grieks. Hun houding leidde vanaf de jaren twintig van de 19e eeuw tot conflicten met de Griekse geestelijkheid en de vergriekste bourgeoisie. Die hadden het in de kerkfabrieken, gilden en gemeenteraden nog voor het zeggen, maar hun lot was bezegeld: de steden in Bulgarije en Noord-Macedonië vormden immers slechts kleine Griekstalige eilandjes die door steeds nieuwe golven Slavische immigranten overspoeld werden. Alleen in het zuiden van Macedonië bestond de omringende zee in zulke mate uit Griekse dorpen, dat de immigranten het Griekse karakter van de steden eerder versterkten dan bedreigden. Het onderwijs nam in de Bulgaars-Griekse taalstrijd een cruciale plaats in. De jonge handelsbourgeoisie had behoefte aan moderne scholen, waar de kinderen niet zozeer liturgische teksten leerden lezen als wel kennismaakten met rekenen, boekhouden, vreemde talen en aardrijkskunde. De gilden en gemeentebesturen openden zulke moderne lekenscholen, uiteraard nog steeds met het Grieks als onderwijstaal. De Bulgaren in de gilden en gemeentebesturen wilden óók zulke moderne scholen, maar dan met het Bulgaars als onderwijstaal. Tekenend was dat het belang van de kennis van het Grieks aanvankelijk helemaal niet betwist werd. Het was juist de bedoeling via de moedertaal sneller en beter Grieks te leren. Later echter gingen de ouders zich afvragen of de kennis van het Grieks wel zo onontbeerlijk was, vooral toen na de Griekse onafhankelijkheidsoorlog van 1821-1830 de Grieken in het Osmaanse Rijk gewantrouwd werden en de Osmanen de opkomst van een Bulgaarse handelsbourgeoisie – ten koste van de Grieken – aanmoedigden. De eerste moderne Bulgaarse lekenscholen openden hun deuren in het begin van de 19e eeuw in Oost- en Centraal-Bulgarije. Het onderwijs werd gegeven in het lokale dialect; een Bulgaarse standaardtaal bestond toen nog niet. De beroemde school van Gabrovo, die in 1835 van start ging, maakte gebruik van de modernste leermethodes. In Macedonië kwam de eerste Slavische school er pas in 1838, in Veles. In de loop van de volgende jaren nam het aantal gestaag toe; in 1875 waren er ca. 230 scholen in steden en dorpen. In de stedelijke, zogenaamde ‘centrale’ scholen, die gerund

38


werden door het Griekstalige establishment, werd het Grieks als onderwijstaal pas in de jaren zestig vervangen door het Bulgaars (Kantardzhiev & Lazaroski 1977: 47).6 De Griekse geestelijkheid en de vergriekste bourgeoisie waren erg gekant tegen de invoering van het Bulgaars als onderwijstaal, maar moesten het uiteindelijk afleggen. Het is wat voorbarig om de spanningen en conflicten die de Bulgaarse initiatieven uitlokten te bestempelen als ‘etnisch’, laat staan ‘nationaal’. Het streven naar onderwijs in de eigen taal werd vooral ingegeven door praktische, pedagogische overwegingen. Ouders en leraren gingen er met reden van uit dat kinderen makkelijker iets opsteken wanneer ze onderricht krijgen in hun eigen taal in plaats van in een vreemde taal. Het conflict tussen het traditionele stedelijke establishment en de nieuwkomers, die door hun aantal en dynamisme een bedreiging vormden voor de gevestigde economische en sociale orde, was in de eerste plaats een sociaal conflict, maar het mobiliseerde de Slaven langs etnische lijnen en speelde uiteindelijk een beslissende rol in hun nationale bewustwording. In de jaren veertig van de 19e eeuw kwamen de Bulgaren op het idee dat ze pas een eigen, Bulgaars onderwijs zouden kunnen uitbouwen, zodra ze aan de controle van het Patriarchaat van Constantinopel ontsnapten en over een eigen kerkelijke organisatie beschikten, een eigen Bulgaarse millet. Dat streven naar een Bulgaarse ‘nationale’ kerk kreeg het karakter van een georganiseerde politieke beweging, waarbij ook de Bulgaren in Macedonië zich aansloten. De Bulgaarse ‘kerkstrijd’ barstte los. De Bulgaren streefden in eerste instantie naar het herstel van het in 1767 afgeschafte autocefale Aartsbisdom van Ohrid. Dat leek hun eenvoudiger dan een geheel nieuwe kerkelijke organisatie op te bouwen. Ze beschouwden het Aartsbisdom van Ohrid als een Bulgaars aartsbisdom, al was het dan in grote mate vergriekst. De idee van het herstel van het Aartsbisdom wekte in Macedonië groot enthousiasme op, en vooral in Ohrid, mede omdat de aanwezigheid van een rijke aartsbisschoppelijke geestelijkheid een nieuwe impuls kon geven aan de kwijnende lokale middenstand. De Bulgaarse assertiviteit werd in de hand gewerkt door de Tanzimat, het ambitieuze hervormingsplan van de Osmaanse sultans. De Hati serif (plechtig decreet) van Gülhane, die in 1839 de Tanzimat inluidde, wilde onder meer een einde maken aan de religieuze discriminatie in het Osmaanse Rijk en beloofde aan de christenen dezelfde rech-

39


ten als de moslims hadden. De Bulgaren verwezen ernaar om voor de Bulgaarse christenen dezelfde rechten te eisen als de Griekse christenen hadden, namelijk een aparte, nationale kerk. Aanvankelijk wilden de leiders van de ‘kerkstrijd’ enkel dat het Patriarchaat in de Bulgaarse bisdommen Bulgaarse bisschoppen aanstelde, dat er een Bulgaars kerkgebouw in Istanbul kwam en een Bulgaarse krant verscheen. Het Patriarchaat verzette zich en liet de Bulgaarse leiders in 1845 door de Osmaanse autoriteiten arresteren. Het genoot daarbij de steun van Rusland, dat gekant was tegen elke verzwakking van de macht van de orthodoxe kerk in het Osmaanse Rijk, dus ook van het Patriarchaat. Rusland oefende via het Patriarchaat veel invloed uit op de orthodox-christelijke bevolking op de Balkan. Na 1856 verwezen de Bulgaren naar de Hati hümayun (imperiale decreet) om zelf-verkozen Bulgaarse bisschoppen in de Bulgaarse bisdommen te eisen. De patriarch weigerde andermaal aan die eisen tegemoet te komen. In 1858 belegde hij een speciaal concilie over het Bulgaarse kerkvraagstuk – het eerste van zeven. Onder de 45 deelnemers waren er ook vier Bulgaren, van wie echter niet één uit Macedonië. De patriarch was enkel bereid Ilarion Makariopolski (1812-1875), de leider van de Bulgaarse kerkstrijd, tot bisschop te wijden. Op paasnacht 1860 celebreerde Ilarion de liturgie zonder zoals te doen gebruikelijk was in de Grote Litanie de zegen Gods over de patriarch af te smeken. Dat kwam neer op een ‘eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring’. Het tweede concilie in 1861 excommuniceerde Ilarion en twee andere Bulgaarse leiders en liet ze verbannen. De stugge houding van het Patriarchaat kan makkelijk verklaard worden. Het Patriarchaat van Constantinopel was een oecumenische kerk, gebaseerd op de eenheid van het geloof, en erkende geen etnische of nationale verschillen. Daarnaast was het verantwoordelijk voor de orde en de rust binnen de orthodox-christelijke gemeenschap, en die werden nu precies door de Bulgaren bedreigd. Ten slotte zouden, indien de Bulgaren een eigen kerk kregen, de inkomsten aan kerkelijke belastingen uit de rijke Bulgaarse bisdommen voor het Patriarchaat verloren gaan. De sultan sympathiseerde met de Bulgaren, omdat hij bevreesd was voor het Griekse irredentisme en de Bulgaren vooralsnog loyaal leken. Maar het erkennen van twee religieuze gemeenschappen met dezelfde doctrinaire opvattingen druiste in tegen de geest

40


van het millet-systeem. Daarnaast maakte ook de Russische steun aan het Patriarchaat de sultan voorzichtig. De stichting van een religieuze gemeenschap met ándere doctrinaire opvattingen dan die van de Rum milleti kon voor de Bulgaren uitkomst bieden. Toen bleek dat de ‘Paasactie’ niets had opgelost, stichtten abt Josif van het Sokolklooster bij Gabrovo en enkele medestanders in december 1860 de Bulgaarse Uniatenkerk. Uniaten celebreren de liturgie volgens de orthodoxe ritus en handhaven nog een aantal andere orthodoxe gebruiken, maar erkennen het oppergezag van de Roomse paus en de Roomse leerstellingen over het geloof. Al eerder waren enkele parochies in het noorden van het huidige Grieks-Macedonië – Iannitsa en Kilkis – door toedoen van Franse katholieke missionarissen tot de Unie toegetreden. De Bulgaarse Uniatenkerk werd door de Osmaanse overheid probleemloos erkend als ‘Bulgaarse katholieke millet’. Josif werd in 1861 door de paus tot aartsbisschop gewijd. Zijn zetel bevond zich in Istanbul (Dimevski 1988: 87-98; Eldarov 1994: 12). Culturele autonomie voor álle Bulgaren werd op deze manier echter niet verworven, omdat de meeste Bulgaren trouw bleven aan de orthodoxie. Het Patriarchaat en Rusland waren erg verontrust. Nog in 1861 werd Josif door de Russen gekidnapt; hij dook later weer op in een klooster in Kiëv, waar hij de rest van zijn leven doorbracht. Met zijn ‘verdwijning’ verloor de Bulgaarse Uniatenkerk veel van haar politieke slagkracht, maar verdwijnen deed ze niet. Rusland besloot voortaan het Bulgaarse streven naar een eigen kerk te steunen, indien deze kerk bereid was het formele oppergezag van het Patriarchaat te erkennen. De Russische ambassadeur in Istanbul werkte hard aan een compromis tussen de Bulgaarse leiders en het Patriarchaat. Door zijn toedoen konden Ilarion en zijn twee medestanders uit ballingschap terugkeren. Maar het Patriarchaat bleef onverzettelijk; drie nieuwe concilies brachten geen oplossing. In 1866 verjoegen de Bulgaren de Griekse bisschoppen met geweld uit de Bulgaarse bisdommen. Daarmee was aan de controle van het patriachaat over de Bulgaarse bisdommen de facto een einde gekomen; de toestand moest alleen nog gelegaliseerd worden. Het heikele punt was inmiddels niet langer meer het al dan niet erkennen van een Bulgaarse kerk, maar de grenzen van het ambtsgebied van die kerk. Het zag er steeds meer naar uit dat die grenzen ook de grenzen zouden zijn van de (toekomstige) Bulgaarse staat.

41


In die Bulgaarse staat zou het Patriarchaat helemaal niets meer te zeggen hebben. Het wilde het ambtsgebied van de Bulgaarse kerk dan ook beperken, met name tot het deel van Bulgarije ten noorden van het Balkangebergte. Dat was voor de Bulgaren onbespreekbaar. Zíj eisten dan weer de overwegend Griekse bisdommen van Plovdiv, Varna en Veles op. Dat was voor het Patriarchaat onaanvaardbaar. In dit stadium mengde zich ook Servië in het conflict met aanspraken op Ohrid. Omdat de kwestie langzamerhand veeleer een politieke dan een religieuze aangelegenheid geworden was, voelde de sultan zich gerechtigd zelf de knoop door te hakken. De firman (decreet) van 28 februari 1870 creëerde een Bulgaarse millet in de vorm van een Bulgaars Exarchaat. Een exarchaat is nominaal van het Patriarchaat afhankelijk, maar heeft in feite een vrijwel onbeperkte autonomie. Het ambtsgebied van het Exarchaat omvatte ongeveer het hele huidige Bulgarije, zonder Varna en enkele andere kuststeden en Plovdiv. De bisdommen van Kjustendil, Samokov en Veles maakten eveneens deel uit van het Exarchaat, maar de overige Macedonische bisdommen bleven erbuiten. Artikel 10 van de firman bepaalde echter dat bisdommen bij het Exarchaat konden aansluiten, indien minstens tweederde van de bevolking zich middels een referendum ten gunste daarvan uitsprak. Dat artikel lag aan de basis van de taaie concurrentiestrijd tussen Bulgarije en Griekenland om de zielen van de Macedonische Slaven – een strijd die tot aan de Eerste Balkanoorlog in 1912 zou duren. Rusland en het Patriarchaat waren tegen de beslissing van de sultan gekant, zodat de praktische uitvoering ervan bleef aanslepen. Op 6 januari 1872 besloten de Bulgaren het decreet eenzijdig te aanvaarden. Daarop sloeg het zesde concilie Ilarion en de andere Bulgaarse kerkelijke leiders in de ban. In maart 1872 proclameerde de pas verkozen eerste Bulgaarse exarch Antim I desondanks de ‘onafhankelijkheid’ van de Bulgaarse kerk. De patriarch verklaarde daarop de Bulgaarse kerk schismatiek. Hierdoor werd – ten onrechte – gesuggereerd dat de Bulgaarse kerk zich doctrinair van die van Constantinopel onderscheidde en kon het Patriarchaat ook in gebieden onder controle van het Exarchaat zijn vertegenwoordigers handhaven. (De Bulgaarse kerk bleef ‘schismatiek’ tot in 1953.) Zo bracht de geslaagde ontknoping van het ‘kerkvraagstuk’ de Bulgaren de autonomie in kerkelijke en culturele aangelegenheden die het millet-systeem impliceerde. De Bulgaarse millet was echter de organisatie van een etnische, en niet van een religieuze gemeen-

42


schap. De Tanzimat had de bevoegdheden van de millets al erg uitgehold, maar wat ervan overbleef – met name de bevoegdheid over onderwijsaangelegenheden – werd ten volle gebruikt om etnisch-nationalistische doeleinden te realiseren. De territoriale expansie van het Exarchaat – op basis van Artikel 10 van de firman – en de organisatie van een onderwijs dat vooral een Bulgaars nationaal bewustzijn moest bijbrengen, beoogden op lange termijn de vestiging van een Bulgaarse, etnisch-nationale staat. In Macedonië, waar de Bulgaarse ambities overigens niet door iedereen gesteund werden, vormde het Exarchaat hoe dan ook een machtig instrument om de Griekse invloed terug te dringen. Niet alleen was in Macedonië die Griekse invloed veel sterker dan in Bulgarije; er bestond daar nog een ander probleem: de expansie van de Albanese etnische zone. Terwijl de Bulgaren in het zuiden van Macedonië voortdurend klaagden over de Grieken, gingen de gesprekken in het noorden steevast over de ‘misdaden’ van de Albanezen – zo lezen we al in het reisverslag Tureckaja provincija (De Turkse provincie) van M. Karlov, verschenen in 1870 in de Vestnik Evropy (De krant van Europa) in Rusland en geciteerd in het boek van de Russische historicus en etnograaf Afanasij Seliščev (1981a: 41-2). Toen al bleken Grieken en Albanezen voor de Macedonische Slaven de grote boemannen. Getuigenissen van Albanese aanwezigheid in Macedonië vinden we in de bronnen al vanaf de 14e eeuw. In de 18e en vooral in de 19e eeuw ging het aantal Albanezen snel groeien. Seliščev (1981a: 27-28) citeert de statistische gegevens in Vasil Kančovs Makedonija (Sofia, 1900) en in Jordan Ivanovs Balgarete v Makedonija (De Bulgaren in Macedonië, Sofia 1917). De cijfers hebben betrekking op de jaren 1890 en 1912, en op Polog, de streek van Tetovo en Gostivar, waar de grootste concentratie Albanezen in Macedonië leefde – en nog leeft. In 1890 woonden er in Polog 33.451 Bulgaren, waarvan 1.534 Torbeši of Slavische moslims, 28.667 Albanezen en 15.680 Turken. In 1912 was het aantal Bulgaren lichtjes gedaald tot 32.940; het aantal Albanezen was gestegen tot 43.230 en het aantal Turken tot 20.885. Een spectaculaire groei dus van de Albanese bevolking, waarbij we voor ogen moeten houden dat – zoals Seliščev vermoedt – een groot aantal Albanezen als Turken geregistreerd werd als gevolg van het feit dat de tellers geen duidelijk onderscheid maakten tussen Turken en moslims in het algemeen. Deze cijfers van het

43


einde van de 19e eeuw weerspiegelen een ontwikkeling die – zo weten we uit andere bronnen – al eeuwen voordien ingezet was. Seliščev (1981a: 38 e.v.) geeft verscheidene oorzaken voor de expansie van de Albanezen in Polog. De slechte economische toestand deed de Slaven, op zoek naar een beter lot, verhuizen naar de steden; hun plaatsen in de dorpen werden ingenomen door Albanezen uit het naburige gebergte in de streek van Reka, waar de levensomstandigheden nog erbarmelijker waren. De Albanezen werden aangemoedigd door de lokale pasja’s (gouverneurs en grootgrondbezitters), die vaak ook zelf van Albanese afkomst waren. Sommige Albanezen waren gevlucht voor de bloedwraak. Soms nodigde de Slavische bevolking gewapende Albanese wachters (met hun familie) uit om hun bezittingen te helpen verdedigen tegen Albanese rovers. Citerend uit het reisverslag van Karlov staat Seliščev uitvoerig stil bij de roofzucht, waarmee de Albanezen het leven van de Slavische bevolking zuur maakten: En inderdaad, toen we wegreden uit Skopje begon men ons te overstelpen met waarschuwingen. Het meest van allen maakte zich onze lijfwacht Mustafa ongerust die, zelf een Albanees zijnde, goed op de hoogte was van de zeden en gewoonten van zijn volksgenoten… Onophoudelijk drukte hij ons op het hart voorzichtig te zijn, omdat we hier in Albanië waren, een woest land, bevolkt door Gegen,7 boosaardige mensen. Zulke rovers als de Gegen had de wereld nog niet eerder voortgebracht. (…) De moslims pleegden diefstallen, gewelddaden, overvallen en moorden, ze vernederden het christelijke geloof, schonden de heiligdommen enzovoort. De mensen beginnen daarover meteen te vertellen en klagen erover, dat dit alles gebeurt op klaarlichte dag en ongestraft blijft. (Seliščev 1981a: 41-2) Als gevolg trokken de Slaven massaal weg, gaat Karlov verder. En als ze bleven, onderwierpen ze zich aan de Albanezen; ze omhelsden de islam, gingen Albanees spreken en de Albanese klederdrachten, inclusief de fustanella,8 dragen. Maar blijkbaar gebeurden islamisering en albanisering niet altijd onder bedreiging. Elders lezen we bij Seliščev ook over andere omstandigheden, die minder spectaculair waren, maar wellicht frequenter voorkwamen dan geweldplegingen:

44


Naast de dominante positie van de Albanezen droegen de huwelijken van Slaven met Albanese vrouwen veel bij [tot de albanisering]: de Albanese vrouw nam de taal van haar man niet over. De kinderen leerden de taal van hun vader niet meer, maar gebruikten de taal van hun moeder – het Albanees. De omstandigheden creëerden bij de jongere generatie niet de behoefte aan het gebruik van de Slavische taal; de Albanezen hadden het overwicht in het [openbare] leven. (Seliščev 1981b: 12) Seliščev geeft nog meer details over hoe het Albanees zich in Polog onder de Slavische bevolking verspreidde: De omstandigheden dwongen de Bulgaren in Polog om contacten aan te knopen met de Albanezen die zich in Polog gevestigd hadden. Het resultaat van deze contacten is dat veel Bulgaren de Albanese taal beheersen, en veel Albanezen goed Bulgaars spreken. Over die tweetaligheid getuigen mensen, die in Polog verbleven hebben. Ik heb het zelf kunnen observeren in het dorp Tearce. In sommige dorpen bleek dat de Bulgaren tot voor kort in grote mate een zwak hadden voor de Albanese taal en bij voorkeur die taal gebruikten, en niet het Bulgaars. Wanneer ze Bulgaars spreken komen daar veel Albanese woorden aan te pas. Dat is een van de laatste stadia van tweetaligheid: wanneer de sprekers de twee talen niet apart gebruiken, maar elementen van beide talen vermengen. (Seliščev 1981a: 44) Als we onder ‘elementen’ (èlementy) ook grammaticale constructies mogen verstaan en niet alleen leenwoorden, en als we de gang van zaken die Seliščev hier beschrijft mogen extrapoleren naar vroegere eeuwen, dan hebben we hier te maken met de omstandigheden waarin de balkanismen ontstonden: intens sociaal contact, tweeen meertaligheid, uitwisseling van ‘elementen’ tussen talen. Die contacten konden de vorm hebben van sociale druk, spanningen en conflicten, maar de betrokkenen moeten toch minstens on speaking terms gebleven zijn, en de blijkbaar frequent voorkomende huwelijken doen vermoeden dat er ook veel vriendschappelijke relaties bestonden. Aangezien taalcontacten intenser zijn bij ‘gewone’ sociale contacten dan bij conflicten, moeten die ‘gewone’ contacten,

45


inclusief vriendschappen en huwelijken, veel typerender geweest zijn voor de relaties tussen Albanezen en Slaven dan roofovervallen en moorden. Ook Friedman (1996: 88) geeft enkele fascinerende voorbeelden van de curieuze verstandhouding tussen de etno-culturele en religieuze gemeenschappen in Macedonië gedurende de Osmaanse periode. Christenen en moslims leefden onder één dak, in één gezin. In de tijd dat christenen nog geen wapens mochten dragen en dus ook niet bij de politie konden, werd in gezinnen van christenen één zoon moslim, zodat hij als ‘politieagent’ zijn familie kon beschermen. Bij de gemeenschappelijke maaltijden werd dan in het deel van de zelnik (een soort van Balkanese pizza met kool), bestemd voor het moslim gezinslid, geen varkensvlees gebruikt. Bij gemengde huwelijken werd de ‘nationaliteit’ van de kinderen soms bepaald door het geslacht: wanneer een Turkse man huwde met een Albanese vrouw, werden de zonen als Turken opgevoed en de dochters als Albanesen. Ook hier weer blijken de grenzen tussen de diverse etnische en religieuze gemeenschappen dus erg poreus. In de eerste drie eeuwen van de Osmaanse heerschappij werd de culturele ontwikkeling van de Balkanvolken nog gekenmerkt, zo blijkt, door convergentie. Het resultaat was een Balkan-Tiefkultur, die alle etnische groepen min of meer deelden, en twee Hochkulturen, een orthodox-christelijke en een islamitische, die elkaar overigens ook sterk beïnvloedden. Deze ontwikkeling bereikte haar hoogtepunt in de 18e eeuw (Kitromilides 1996). In die hele periode identificeerden de Balkanbewoners zich in de eerste plaats met de religieuze gemeenschap waartoe ze behoorden. In dat opzicht sloot het millet-systeem mooi aan bij – en versterkte het – hun gevoelens van primaire verbondenheid en loyaliteit. In de praktijk evenwel bleek het overstappen van de ene naar de andere religieuze gemeenschap niet onoverkomelijk, mede omdat op het niveau van het volksgeloof – en een ander niveau bestond er op het platteland niet – de verschillen tussen christendom en islam niet zo groot waren. Daarnaast identificeerden de mensen op de Balkan zich met de geografische ruimte, geschapen door geboortestad, -dorp of streek. Deze ruimte noemden ze met een wat dramatisch woord ‘vaderland’ (Bulg. otečestvo, Mac. tatkovina, Gr. patridha, Alb. atdhe). Mensen uit een andere streek, die naderhand met een even dramatisch woord ‘volksgenoten’ zouden heten, werden vooralsnog bejegend als ‘vreemdelingen’. Macedonië levert een mooie illustratie

46


van de verknochtheid aan de eigen streek. Die was zo groot dat de diverse volken in Macedonië zichzelf vaker naar hun geboortestreek noemden – met het equivalent van ‘Macedoniër’ in hun respectieve talen – dan naar de etnische gemeenschap waartoe ze behoorden. Dit impliceert overigens niet per se ook een gevoel van verbondenheid van Macedoniërs-onder-elkaar, over de religieuze en etnische grenzen heen. De identificatie met de etno-culturele gemeenschap was dus weinig dwingend. Overstappen van de ene etno-culturele identiteit naar de andere gebeurde opmerkelijk vlot en zonder gewetensproblemen. Etnische en religieuze identiteiten vormden nieuwe combinaties en leverden evenveel hybride etno-culturele gemeenschappen op, die vaak ook aparte namen – een soort van etnoniemen – hadden. Alleen al in Macedonië waren in de 19e eeuw Albanese, Griekse, Slavische en Vlachse christenen, Albanese, Griekse, Slavische en Vlachse moslims, vergriekste Slaven en geslaviseerde Grieken, vergriekste en geslaviseerde Vlachen, gealbaniseerde Slaven en Vlachen, geïslamiseerde joden en christelijke Turken. En, schrijft Elie Kedourie (1979: 124) die een gelijkaardig lijstje geeft met de etnische samenstelling van de bevolking van Macedonië, ‘the combinations and permutations are almost infinite’. In deze omstandigheden kan etniciteit geen factor geweest zijn die mensen verdeelde. De bevolking van Macedonië was geen macédoine, geen salad bowl, nog minder een melting pot, maar veeleer een gjuveč – een kruidig Balkans stoofpotje, waarin de ingrediënten hun eigen smaak behouden, maar tegelijk ook de smaak van andere ingrediënten overnemen. In de loop van de 19e eeuw werd de gjuveč opgewarmd in de oven van het nationalisme en gloeiend heet aan de Europese mogendheden – de internationale gemeenschap van toen – opgediend.

47


4 De Macedonische kwestie

D

E IDEE DAT ETNISCH-NATIONALE gemeenschappen het recht

zouden hebben op een eigen staat drong de Balkan binnen in de 19e eeuw in het kader van de modernisering van de Osmaanse samenleving. Die modernisering was in de eerste plaats het resultaat van de toegenomen commerciële contacten van het Osmaanse Rijk met het Westen vanaf het begin van de 18e eeuw. De Grieken, die traditioneel een groot deel van de Osmaanse buitenlandse handel voor hun rekening namen, waren de eersten die hun zonen naar scholen in West-Europa stuurden, waar ze kennismaakten met het gedachtegoed van de Verlichting. Via Griekse vertalingen en het Griekse onderwijs vond dat gedachtegoed op de hele Balkan, dus evenzeer onder niet-Grieken, grote verspreiding. Ook de idee van een democratische staat, ván en vóór het volk, maakte daar deel van uit. Spoedig echter was de gedroomde staat niet langer de politieke formatie van alle burgers die erin leefden, maar het privé-domein van de leden van één bepaalde etnisch-nationale gemeenschap. In de loop van de 19e eeuw nam de Osmaanse overheid met de Tanzimat het initiatief om de instellingen naar westers model te moderniseren en werkte zodoende zelf de opkomst van diverse etnische nationalismen in de hand. De aanleg van verkeerswegen, telegraafverbindingen, de bevordering van commerciële netwerken

49


en dergelijke deed het inzicht groeien dat het ‘eigen volk’ meer mensen omvatte dan enkel de taal- en geloofsgenoten in het traditionele, kleine ‘vaderland’. De Tanzimat, die van alle voormalige ‘slaven’ van de sultan, ongeacht hun religieuze en etnische affiliatie, Osmaanse ‘staatsburgers’ wilde maken, met gelijke rechten en plichten, gaf mee de impuls tot de ‘kerkstrijd’, die de Bulgaren in het Osmaanse Rijk mobiliseerde tegen de Grieken (of beter Griekstaligen) en droeg zo bij tot het ontstaan van een Bulgaars nationaal bewustzijn. De toegenomen persvrijheid stimuleerde de uitgave van kranten, tijdschriften en boeken, wat dan weer de behoefte creëerde aan een nationale standaardtaal, die fungeerde als cement en embleem van de natie. Veel intellectuelen in het Osmaanse Rijk (Turkse en andere) steunden de Tanzimat, maar de islamitische geestelijkheid en de leiders van de millets hadden bezwaren. Over veel aangelegenheden, die altijd tot de bevoegdheid van de geestelijkheid behoord hadden, ging voortaan de staat: administratie, rechtspraak, onderwijs, armen- en ziekenzorg. Ook de nationalisten op de Balkan waren tegen de Tanzimat. Zij beschouwden de idee van een Osmaans staatsburgerschap als een bedreiging voor het etnische nationalisme dat zij voorstonden. De etnisch-nationale gemeenschappen op de Balkan ontwikkelden zich min of meer ongewild uit een samenloop van economische en sociale omstandigheden, maar waren tegelijk ook het product van doelbewuste social engeneering. De nationalistische ideologen construeerden uit de grotendeels gemeenschappelijke Balkancultuur elk voor hun eigen volk een etnisch-nationale identiteit, die zo veel mogelijk van die van de naburige naties moest verschillen. Met dit proces van differentiatie begint een nieuwe periode in de cultuurgeschiedenis van de Balkan, die gekenmerkt wordt door divergentie. De hybride, gecontamineerde etno-culturele identiteiten, die het gevolg waren van het eeuwenoude proces van convergentie, werden in de matrijzen geperst van verschillende, duidelijk afgebakende en homogene nationale identiteiten. Dat gebeurde onder meer door het streven naar een ‘zuivere’ taal – taalpurisme – en naar een homogene natie – middels gedwongen assimilatie en ethnic cleansing. De creatie van de nationale identiteit kon pas voltooid worden nadat de natie een eigen onafhankelijke staat verworven had. Alleen een onafhankelijke staat beschikte over een leger, politie, geleerden en kunstenaars die de burgers een bepaalde nationale iden-

50


titeit, een nationale taal en het geloof in een nationale mythe konden bijbrengen. Voordien was nationale bewustmaking voornamelijk het werk van bevlogen idealisten die over geen ander pressiemiddel beschikten dan hun overtuigingskracht. In die onafhankelijke staten riep de politieke, economische, sociale en culturele bovenlaag op tot nationale saamhorigheid en loyaliteit aan de natie, niet alleen om een hechte gemeenschap te smeden, maar ook om haar eigen machtspositie te legitimeren en haar eigen belangen veilig te stellen. Die elite schiep de omstandigheden waarin iemand door zich expliciet te identificeren met de dominante natie zijn of haar positie kon verbeteren, of door te weigeren dat te doen in ieder geval zijn of haar positie kon schaden. De vroegste Balkanstaten – het onafhankelijke Griekenland en vazalstaat Servië – ontstonden in 1830. Montenegro had al eerder een soort van informele autonomie verworven. Servië bestond uit weinig meer dan de Osmaanse provincie Belgrado; de noordelijke grens van Griekenland werd gevormd door de lijn tussen de baaien van Arta en Volos, ten zuiden van Thessalië. Beide landen streefden naar territoriale expansie en legitimeerden hun ambitie door te verwijzen naar de volksgenoten in de aangrenzende gebieden, die moesten bevrijd worden van ‘het Turkse juk’. In de jaren zestig van de 19e eeuw werden ook in Bulgarije četas (guerrillalegertjes) actief die de gewapende strijd voor de nationale onafhankelijkheid aanbonden. De autonomie binnen het Osmaanse Rijk, die het Bulgaarse Exarchaat bood, was op het moment van de stichting ervan in 1872 eigenlijk al achterhaald. In april 1876 brak in Centraal-Bulgarije een massale opstand uit. Een jaar later verklaarde Rusland, verontwaardigd over de brutale onderdrukking van de Aprilopstand, de oorlog aan het Osmaanse Rijk. In het voorjaar van 1878 bereikte het Russische leger de voorsteden van Istanbul. Op 3 maart 1878 werd daar in het klooster van San Stefano een vredesverdrag ondertekend, waarin de grenzen van een onafhankelijke Bulgaarse staat beschreven stonden. De grenzen van het ‘Bulgarije-van-San-Stefano’, ook ‘Groot-Bulgarije’ genoemd, waren gebaseerd op die van het ambtsgebied van het Bulgaarse Exarchaat – mèt de Macedonische bisdommen Ochrid, Bitola en Skopje, die er na 1872 krachtens Artikel 10 van de firman van 1870 nog aan toegevoegd waren. Daarnaast gingen de Russische onderhandelaars ook uit van de grenzen van de Bulgaarse etnische zone, zoals vastgelegd door de Ambassadeursconferentie van

51


1876 in Istanbul. Die Conferentie wilde een Bulgaars autonoom gebied binnen het Osmaanse Rijk creëren, om daarmee bloedvergieten als tijdens de Aprilopstand te vermijden. Volgens de ambassadeurs behoorde ook het grootste deel van Macedonië tot de Bulgaarse etnische zone. Groot-Bulgarije omvatte zodoende niet alleen het huidige Bulgarije, maar ook West-Thracië, een deel van Oost-Thracië (onder meer de stad Edirne en omgeving), Macedonië (zonder Thessaloniki en Chalkidiki) en een stuk van Albanië, met name het gebied rond de stad Korçë. Griekenland en Servië protesteerden heftig, want ze zagen uitgestrekte grondgebieden, die ze zelf sinds lang wilden hebben, Bulgaars bezit worden. De westerse mogendheden waren bevreesd voor de invloed die Rusland, via een Bulgarije van zulke afmetingen, op de Balkan kon uitoefenen. Het Verdrag van San Stefano werd herzien. Het Verdrag van Berlijn van 1 juli 1878 verdeelde Groot-Bulgarije in drie stukken. Het vorstendom Bulgarije, vazalstaat van het Osmaanse Rijk, omvatte het noorden en noordwesten van het huidige Bulgarije. Het werd in 1908 onafhankelijk. Het zuidoosten van Bulgarije – toen nog zonder de Rodopen en Strandža – werd onder de naam Oost-Roemelië een autonoom gebied binnen het Osmaanse Rijk. Het zou bestuurd worden door lokaal verkozen vertegenwoordigers van het volk en een eveneens verkozen gouverneur, die door de sultan benoemd werd. Het vorstendom Bulgarije ging al in 1885 over tot de annexatie van Oost-Roemelië. In heel Europa stak een storm van protest op tegen deze schending van het Verdrag van Berlijn, het kwam zelfs tot een Servisch-Bulgaars oorlogje van enkele weken, maar uiteindelijk haalden de Bulgaren hun buit binnen. Het zuidwestelijke deel van Groot-Bulgarije, Macedonië, werd weer gewoon een deel van het Osmaanse Rijk. De Porte moest alleen beloven hervormingen door te voeren. In Macedonië braken opstanden uit, maar die konden niets aan de zaak verhelpen. Het Verdrag van Berlijn maakte van de Bulgaren op slag een rancuneus volk: Bulgarije was door de grote mogendheden ‘uit elkaar gereten’ en het ‘herstel’ van ‘Groot-Bulgarije’ werd een obsessie, vooral toen de verwachting, dat Macedonië net als Oost-Roemelië binnen korte termijn geannexeerd kon worden, niet uitkwam. Het Verdrag van Berlijn had gevolgen voor de territoriale ambities van álle Balkanvolken. Servië, sinds 1830 een vazalstaat van de Porte, werd onafhankelijk en breidde zijn grondgebied uit met het

52


gebied rond Niš. Servië streefde vooral naar expansie in westelijke richting – via Bosnië-Hercegovina en Dalmatië naar de Adriatische Zee. Het Verdrag van Berlijn had van Bosnië-Hercegovina echter een Oostenrijks-Hongaars protectoraat gemaakt. Servië zag daardoor de toegang tot Dalmatië afgesneden en zocht een andere weg naar zee, via Kosovo en Noord-Albanië naar Durrës aan de Adriatische Zee, of – nog stoutmoediger – via Macedonië naar Thessaloniki aan de Egeïsche Zee. Over Griekenland stond er in het Verdrag van Berlijn niets concreets. De mogendheden beloofden druk uit te oefenen op de Porte met het oog op een herziening van de Grieks-Turkse grens in ZuidThessalië en Epirus. In 1881 werd een akkoord bereikt: het Osmaanse Rijk deed afstand van Thessalië, maar Epirus bleef Osmaans. In ieder geval schoof de Griekse grens een heel eind naar het noorden op – tot bij Macedonië. Griekenland verkeerde voortaan in de mogelijkheid zich direct met de Macedonische aangelegenheden in te laten. De gebeurtenissen rond de ‘geboorte’ van Bulgarije brachten ten slotte ook de prille Albanese nationale beweging in een stroomversnelling. Tot Groot-Bulgarije zou ook het gebied rond de stad Korçë behoren, dat voornamelijk door Albanezen, maar ook door Grieken en in mindere mate door Slaven bewoond werd. Ongeruste Albanese nationalisten verenigden zich in 1878 in de Liga van Prizren, een stad in Kosovo, en eisten in Berlijn dat de Albanese etnische zone ongeschonden zou blijven. De beste garantie daarvoor vormde de vestiging van een autonoom gebied binnen de grenzen van het Osmaanse Rijk, bestaande uit de provincies Skopje, Shkodër, Bitola en Ioannina. De provincies Skopje en Bitola omvatten een aanzienlijk deel van Macedonië. Hoewel de Albanezen met hun eis eigenlijk bijdroegen tot het behoud van de territoriale integriteit van het Osmaanse Rijk, schonk de Porte hun achteraf de gevraagde autonomie niet. De Liga van Prizren werd verboden, maar bleef clandestien toch actief, ook in Macedonië, vooral op het gebied van onderwijs en pers. Na het Verdrag van Berlijn waren enkel Albanië, Epirus, Macedonië en Thracië nog Osmaans, maar het was duidelijk dat ook deze gebieden vroeg of laat aan het irredentisme van de jonge Balkanstaten ten offer zouden vallen. Macedonië vormde om diverse redenen het cruciale gebied. Het bevond zich in het strategische hart van het schiereiland. Vanuit Macedonië waren Albanië, Servië,

53


Bulgarije en Griekenland voor handelaars en soldaten makkelijk bereikbaar. In Macedonië lag Thessaloniki, de belangrijkste Zuidoost-Europese haven na Istanbul. De valleien van de Vardar/Axios en de Servische Morava vormden de verbinding tussen Thessaloniki en de Donau. Het vlakke land in het zuiden van Macedonië ten slotte was uitzonderlijk vruchtbaar. De ‘Macedonische kwestie’ – de vraag aan wie Macedonië eigenlijk toebehoorde – veroorzaakte met name onder Bulgaren, Grieken en Serven grote opwinding. Zij verwezen vooral naar ‘historische rechten’ en de aanwezigheid van ‘volksgenoten’ om hun aanspraken kracht bij de zetten. Laten we hun argumenten eens van nabij bekijken. De vestiging van de nationale staten op de Balkan in de 19e eeuw werd door de Balkanvolken niet beschouwd als de stichting van nieuwe staten, maar als het herstel van hun respectieve pre-Osmaanse middeleeuwse staat, bij voorkeur op het moment van zijn grootste territoriale expansie: het Bulgarije van Simeon in het begin van de 10e eeuw; het Byzantijnse Rijk van onder de Macedonische keizers in de 11e eeuw; het Servië van Stefan Dušan in de 14e eeuw. Van elk van deze staten had Macedonië deel uitgemaakt. Weigand (1981: 27-8) berekende wie het langst over Macedonië geregeerd had: Onder Byzantijns (Oost-Romeins) bestuur van 395 – het jaar van definitieve deling van het Romeinse Rijk – tot het midden van de 9e eeuw: 450 jaar. Onder Bulgaars bestuur van omstreeks het midden van de 9e eeuw tot 1014, nog geen 200 jaar. Opnieuw onder Byzantijns bestuur van 1014 tot 1230, iets meer dan 200 jaar. Opnieuw, ten dele, onder Bulgaars bestuur van 1210 tot 1250, ongeveer 40 jaar. West-Macedonië onder het Despotaat van Epirus, OostMacedonië onder het Keizerrijk van Nicaea, Noord- en vervolgens heel Macedonië onder Servisch bestuur van 1230 tot 1371, ongeveer 150 jaar. Vanaf 1371 tot 1912, onder Osmaans bestuur, bijna 550 jaar. Wiens aanspraken wogen het zwaarst door? De grote mogendheden lieten zich door argumenten, geput uit de tijdbalk, in ieder ge-

54


val niet overtuigen om Macedonië zonder meer aan Bulgarije, Griekenland of Servië, laat staan het onbestaande Albanië, toe te wijzen. Andere kwantificeerbare aanspraken hadden te maken met aantallen ‘volksgenoten’. ‘Etnologen’ van alle betrokken partijen voerden een soort van ‘volkstellingen’ uit om te bewijzen dat ‘hun’ respectieve volk de meerderheid van de bevolking in Macedonië uitmaakte. Daarbij hanteerden zij zeer uiteenlopende criteria. Grieken en Bulgaren gingen ervan uit dat nationaliteit bepaald werd door loyaliteit aan het Patriarchaat, respectievelijk het Exarchaat. De Osmaanse volkstellingen telden alle moslims (in Macedonië: Albanezen en Turken) samen. Enquêteurs die zich op de moedertaal baseerden, werden geconfronteerd met het zeer verspreide bien polylinguïsme en het bijkomstige belang dat mensen aan taal hechtten, wat weer erg eigenzinnige interpretaties mogelijk maakte. Uiteraard werden de bevraagden dikwijls geïntimideerd en de resultaten gemanipuleerd of ronduit vervalst. We citeren hier de cijfers van de Bulgaar Kančov, de Serf Gopčević en de Griek Delyani, zoals vermeld in het Carnegie Report (1993: 28-30).9 Alle cijfers hebben een min of meer officieel karakter, in de zin dat de respectieve regeringen er graag naar verwezen. Bulgaren

Grieken

Serven

Turken

Kančov

Albanezen

128.711 1.181.336

228.702

700

499.204

Gopčevič

165.620

57.600

201.140 2.048.320

231.400

69.665 2.870.620

0

332.162

652.795

0

634.017

25.101 1.724.818

352.788

626.889

0

748.155

26.042 1.824.032

Delyani Osmaans

Vlachen

Totaal

80.767 2.258.224

Onder ‘Totaal’ zijn ook de joden, Roma (zigeuners) en andere groepen opgenomen. In de Servische cijfers is de bevolking van de provincie Kosovo verrekend – vandaar het grote aantal Albanezen. In de cijfers van Delyani en van de Osmaanse overheid zijn de Albanezen en de Turken samen ondergebracht in een rubriek ‘moslims’. Hoe dan ook blijven er tussen de cijfers verbluffende verschillen bestaan. De osmanist Justin McCarthy (2001: 58), die uitgebreid onderzoek deed naar de bevolking van Osmaans Europa aan de vooravond van de val van het Osmaanse Rijk, kwam voor Macedonië tot de volgende cijfers:

55


Moslims

Bulgaren

Grieken

Andere

1.012.000

774.000

514.000

84.000 2.384.000

(42 %)

(32 %)

(22 %)

(4 %)

Totaal

(100 %)

Deze cijfers lijken aannemelijk. Het grote aantal moslims is mede te verklaren door de talrijke anwezigheid van veel mudžahirs (Turken, verdreven uit Bulgarije, Griekenland en Servië). Bij de cijfers voor Bulgaren en Grieken moet men rekening houden met lokale verschillen: in het zuiden waren de Grieken talrijker, in het noorden de Bulgaren. Er bestaan ook Bulgaarse, Griekse, Osmaanse en Servische statistieken waarin – weer totaal verschillende – cijfers gegeven worden voor de diverse districten (steden, dorpen) in Macedonië, maar die zullen we de lezer besparen. Gezien de etnische samenstelling van de bevolking was er veel voor te zeggen om Macedonië binnen het Osmaanse Rijk te laten. De moslims, die de relatieve meerderheid van de bevolking uitmaakten, wilden dat zeker. Maar omdat in de ogen van de grote mogendheden de dagen van ‘de zieke oude man van Europa’ nu eenmaal geteld waren, kwam deze oplossing uiteindelijk niet in aanmerking. Hoe dan ook, op basis van het Bulgaarse, Griekse en – eigenlijk verwaarloosbare – Servische aandeel in de totale bevolking konden die grote mogendheden er evenmin toe besluiten het exclusieve recht op Macedonië aan één van de drie toe te kennen. Laten we nog even stilstaan bij andere, minder ‘afweegbare’ argumenten die door de betrokken partijen gehanteerd werden. De Grieken wezen erop dat Macedonië niet alleen al sinds de Oudheid deel uitmaakte van de Griekse wereld, maar dat het ook een cruciale rol gespeeld had in de Griekse geschiedenis en daardoor een onlosmakelijke component van de Griekse identiteit geworden was. Daarbij dachten ze aan Alexander de Grote en de hellenistische beschaving, die door zijn toedoen ontstaan was. In de traditie van de Rum milleti werden alle orthodoxe christenen, onderworpen aan het gezag van het Patriarchaat van Constantinopel, als Grieken beschouwd. Veel orthodoxe Albanezen, Bulgaren enzovoort noemden zich trouwens zelf ook ‘Grieken’ – in de zin van ‘orthodoxe christenen’. In de steden was de bevolking in grote mate vergriekst en soms op een militante manier pro-Grieks. De Slaven in Macedonië werden bestempeld als ‘slavofone’ of ‘bulgarofone Grieken’ – etnische Grieken dus, die in de loop der eeuwen geslaviseerd waren geworden, maar – zo luidde het – een Grieks bewustzijn

56


(elliniko fronima) bewaard hadden. Om al deze redenen hoorde Macedonië bij Griekenland. De argumenten van de Bulgaren leken het plausibelst. De Slavische dialecten, die in Macedonië gesproken werden, stonden dicht bij de Bulgaarse. Voor Bulgaarse taalkundigen spraken de Slaven in Macedonië Bulgaars en veel deskundigen buiten Bulgarije vonden dat ook. De Slaven in Macedonië hadden zich altijd Bulgaren genoemd, maar ook ‘christenen’ en ‘Grieken’. De meerderheid van de Macedonische Slaven had middels een referendum geopteerd voor het Bulgaarse Exarchaat als ‘nationale’ kerkelijke organisatie en de Ambassadeursconferentie in Istanbul in 1876 had de Macedonische Slaven eveneens als Bulgaren bestempeld. Macedonië had door het Verdrag van San-Stefano ook reeds deel uitgemaakt van Bulgarije. Die toestand had echter niet langer dan drie maanden geduurd en dan nog vooral in de verbeelding van de Bulgaren, want het Verdrag van San Stefano was nooit uitgevoerd. De Servische positie was het zwakst. De Macedonische Slaven beschouwden zich zeker niet als Serven. De argumenten, geleverd door Servische linguïsten, waren weinig overtuigend: Macedonische dialecten hebben nu eenmaal – net als de Bulgaarse – geen naamvallen; het Servisch heeft zeven naamvallen. Servische etnologen verwezen graag naar de slava om aan te tonen dat de Macedonische Slaven eigenlijk Serven waren. De slava is een familiefeest, dat in Servië elk jaar door alle leden van dezelfde familie gevierd wordt op de dag van de heilige, die ze als de beschermer van de familie beschouwen. De Slaven in Macedonië vierden die slava ook en konden daarom alleen maar Serven zijn. De beroemdste Servische etnoloog, Jovan Cvijić, pakte de zaak nog anders aan: hij beweerde dat de Slaven in Macedonië geen nationaal bewustzijn hadden en verwachtte dat ze zouden opgaan in de natie die erin slaagde op Macedonië de hand te leggen. In plaats van te bewijzen dat de Macedonische Slaven Serven waren – een schier onmogelijke taak –, probeerden de Servische etnologen vooral te bewijzen dat ze géén Bulgaren waren, waarbij allerlei racistische prietpraat niet geschuwd werd: Bulgaren waren in tegenstelling tot de Serven en de Macedoniërs materialistisch, somber en vrekkig; ze misten ten enenmale de grootmoedigheid en de verbeeldingskracht, die Serven en Macedoniërs zo typeerden (Banac 1984: 311-3). De Albanezen wezen op de aanwezigheid van Albanezen, vooral in het noorden en het westen van Macedonië, maar hun zaak stond

57


er slecht voor. Temidden van het geschreeuw van de buurlanden Bulgarije, Griekenland en Servië klonken de argumenten van de Albanezen, die nog geen eigen staat hadden – en als het aan die buurlanden lag, er ook nooit een zouden hebben – erg zwak. De Albanezen konden niet verwijzen naar een middeleeuwse staat, want die hadden ze nooit gehad. Toch riepen ook zij de geschiedenis te hulp. Albanese historici verwierpen de opvatting als zouden de Albanezen vanaf de 14e eeuw de Slavische bevolking uit Macedonië verdreven hebben om zich er zelf te vestigen. Ze gingen ervan uit dat de Albanezen in de 6e en 7e eeuw door de Slaven verdreven waren. Met andere woorden, de Albanezen waren niet naar Macedonië gekómen, maar terúggekomen naar gebieden, die hun van oudsher toebehoorden. ‘Het huidige woongebied van de Albanezen is niet het resultaat van expansie,’ zo verwoordde de Albanese historicus Aleks Buda die opvatting zo’n honderd jaar later, ‘maar van inkrimping, van ononderbroken verenging in de loop van de Albanese geschiedenis’ (Buda 1986: 43). Het ondoorgrondelijkst – althans op het eerste gezicht – waren de aanspraken van de Roemenen. Zij wezen op de aanwezigheid van de Vlachen of, zoals zij ze noemden, de macedoromîni – de ‘Macedo-Roemenen’. Die vormden in Macedonië een weinig talrijke, diffuse en erg vergriekste minderheid. Zij spraken Aroemeens – voor Roemeense linguïsten althans – een Roemeens dialect. Roemeniës belangstelling voor de Vlachen was uiteraard niet belangeloos, al maakte het feit dat Roemenië niet aan Macedonië grensde eventuele territoriale aanspraken erg onrealistisch. Wat Roemenië precies in het schild voerde, zou pas in 1913 tijdens de Tweede Balkanoorlog blijken. En ten slotte ontstond vanaf de jaren zestig van de 19e eeuw in Macedonië, uit de gemeenschap die zich Bulgaars noemde, geleidelijk nog een andere, nieuwe natie: de (Slavische) Macedoniërs. Er bestaat geen tekst van voor de jaren zestig van de 19e eeuw waarin ‘Macedoniërs’ ondubbelzinnig als etnoniem gebruikt wordt, en niet als aanduiding van een lokale bevolking (in de zin van Waaslander of Zeeuw) of als antieke benaming voor een vaag aangegeven ‘modern’ volk, wat bij schrijvers in de Renaissance en de Verlichting dikwijls het geval is. Maar vanaf die tijd duikt ‘Macedoniër’ als aanduiding van een aparte Zuid-Slavische natie steeds vaker op. Een nationale gemeenschap ontstaat dikwijls als een belangengemeenschap. Teneinde die gemeenschap coherenter en weerbaar-

58


der te maken, wordt uit het lokaal voorradige taalkundige, historische en folkloristische materiaal een set van herkenbare culturele kenmerken geconstrueerd, die binnen de gemeenschap een band van verwantschap creëert en die gemeenschap tevens onderscheidt van andere, concurrerende gemeenschappen. De belangrijkste van die distinctieve kenmerken zijn taal, een eigen geschiedenis, een gemeenschappelijke afkomst en een eigen ‘aard’. Het territorium waarbinnen de dragers van deze uitgekozen distinctieve kenmerken leven is de geclaimde (of verworven) nationale staat.10 Vanuit deze invalshoek bestaat het relaas van het ontstaan van de Macedonische natie in eerste instantie uit de beschrijving van belangenconflicten tussen de Bulgaren in Bulgarije en de ‘Bulgaren’ in Macedonië of de ‘Macedoniërs’ in wording. Beginnen we met de economische ontwikkelingen. Die verliepen in Bulgarije en Macedonië vanaf het einde van de 18e eeuw op een verschillende wijze. In Macedonië behoorde meer dan 50 procent van het bebouwde land tot de čiftliks (grote landgoederen); in Bulgarije was dat slechts 20 procent en bleef de verspreiding van de čiftliks hoofdzakelijk beperkt tot de Dobrudža. Terwijl als gevolg hiervan de economische en sociale ontwikkeling in Macedonië stagneerde, beleefde Bulgarije een Wirtschaftswunder. Bulgarije profiteerde als enige rijksdeel van de Osmaanse maatregelen om de lokale, ambachtelijke productie te stimuleren, van de nabijheid van Istanbul en van de tanende rol van de Griekse handelaars. Hoewel de čiftliks in Macedonië speciaal produceerden met het oog op de export van landbouwproducten, deed Bulgarije het ook in dit opzicht beter: tussen 1840 en 1860 verdubbelde Bulgarije zijn graanexport, terwijl de Macedonische graanexport in die periode niet groeide (Lampe & Jackson, 1982: 135, 138). De economische infrastructuur was minder goed ontwikkeld in Macedonië dan in Bulgarije. Het spoorwegennet levert hiervan een goede indicatie. Sofia en Plovdiv waren omstreeks 1900 verbonden met Centraal-Europa via Niš en Belgrado en met Istanbul via Edirne. In Macedonië liep een spoorlijn van Bitola naar Thessaloniki en vandaar via Dedeagaç (Alexandroupoli) naar Edirne. Er bestond een spoorlijn die Skopje verbond met Niš, maar het hele zuiden van Macedonië had geen rechtstreekse aansluiting op het CentraalEuropese net (Crampton & Crampton, 1996:16). Na de Bulgaarse onafhankelijkheid in 1878 kwam er een einde aan het Wirtschaftswunder. Door het verlies van de grote Osmaanse

59


markt stagneerde de handel; in de landbouw daalde de productiviteit als gevolg van een herverdeling van de grond. Als traditionele leveranciers van wollen stoffen aan het Osmaanse leger werden de Bulgaarse handelaars tijdelijk verdrongen door de Macedonische, die Osmaanse burgers waren gebleven. In Macedonië raakten de čiftliks in verval als gevolg van de politieke chaos, de Albanese plunderingen en de massale uittocht van de boerenbevolking. Die boerenbevolking zocht haar heil in seizoenarbeid (pečalbarstvo) of trok naar de grote steden – Sofia, Thessaloniki, Istanbul – of naar Amerika. Door de gebrekkige infrastructuur en het uitblijven van investeringen bestond er geen lokale industrie, die de groeiende stedelijke bevolking werk kon verschaffen, behalve in het zuiden, in en om Thessaloniki. In het begin van de 20e eeuw begon de Macedonische economie te lijden onder het onvermogen van de Osmaanse staat om zijn markt te beschermen tegen goedkopere buitenlandse producten. Bulgarije voerde een protectionistisch beleid; het maakte van de economische weerloosheid van het Osmaanse Rijk gebruik om tolvrij textiel naar Macedonië uit te voeren en daar de lokale producenten te beconcurreren (Palairet 1997: 201-2, 342-6). Kortom, Bulgarije en Macedonië kenden een andere economische ontwikkeling, wat met zich meebracht dat producenten en handelaars andere en soms tegenstrijdige belangen hadden. De economische ontwikkelingen in Bulgarije waren over het algemeen veel dynamischer dan in Macedonië. Dat maakte dat ook de sociale en politieke ontwikkelingen een ander tempo hadden. Terwijl in Bulgarije een dynamische klasse van ambachtslui, ondernemers en handelaars bestond, die de motor was achter de ‘kerkstrijd’ en de onafhankelijkheidsbeweging, handhaafden zich in Macedonië semi-feodale verhoudingen. Lampe & Jackson (1982: 134) poneren een rechtstreeks verband tussen de economische en de politieke ontwikkelingen in Macedonië: ‘The accompanying limits on capital accumulation and entrepreneurial energy helped to delay even partial political independence for most of the area until the twentieth century’. Een andere ‘splijtzwam’ waren de conflicten met het Bulgaarse Exarchaat. De Macedoniërs sloten zich met enige vertraging aan bij de Bulgaarse beweging voor een nationale kerk en waren lange tijd loyale partners. Steeds uitdrukkelijker echter namen Bulgaren uit Centraal-Bulgarije de leiding van de beweging. In de jaren 1840-

60


1878 was net niet de helft van de Bulgaarse nationalistische intellectuelen afkomstig uit Centraal-Bulgarije, tegenover ongeveer 5 procent uit Macedonië (Meiniger 1987: 124).11 De Bulgaren uit Centraal-Bulgarije hielden steeds minder rekening met de wensen van de Macedonische activisten. In de jaren 1860 ontstonden er spanningen over welke vorm de Bulgaarse ‘nationale kerk’ moest hebben. De Macedoniërs gaven de voorkeur aan het herstel van het in 1767 afgeschafte autocefale Aartsbisdom van Ohrid. De aanwezigheid van een aartsbisschoppelijke kanselarij kon de slabakkende economie in Ohrid en omgeving immers nieuwe impulsen geven. De Bulgaren gaven er de voorkeur aan de zetel van hun nationale kerk niet helemaal aan de periferie van hun etnische zone te vestigen, maar op een veel strategischer plek, namelijk in Istanbul, de hoofdstad van het Osmaanse Rijk. De Macedoniërs haalden hun slag niet thuis. Het feit dat de acht vertegenwoordigers uit Macedonië pas na veel palavers enkel als waarnemers toegelaten werden tot de vergadering die in 1871 de statuten van het Exarchaat opstelde, wekte in Macedonië bevreemding en verbittering. De Macedonische vertegenwoordigers waren afkomstig uit bisdommen, die volgens de firman van 1870 niet tot het ambtsgebied van het Exarchaat behoorden. De Bulgaarse vertegenwoordigers hadden geen bezwaar tegen hun deelname, maar vreesden de Osmaanse regering te ontstemmen (Markova 1989: 39). De Macedonische historicus Apostolski (1979: 118) is niet helemaal te goeder trouw wanneer hij het heeft over ‘de bedoeling van de Bulgaarse bourgeoisie in Istanbul om de [kerk]strijd een exclusief Bulgaars nationaal karakter te geven’, maar heeft gelijk wanneer hij spreekt van ‘verschillende nationale politieke belangen’ en ‘openlijke ontevredenheid over en afkeuring van’ het Bulgaarse beleid in Macedonië. Uit het referendum, georganiseerd in 1874, bleek dat meer dan tweederde van de bevolking van de bisdommen van Bitola, Ohrid en Skopje voorstander was van aansluiting bij het Bulgaarse Exarchaat. Bulgaarse historici beschouwen de resultaten van deze referenda als een bewijs voor het Bulgaarse nationale bewustzijn van de Slaven in Macedonië. Hun Macedonische collega’s zijn daar niet van overtuigd. Zij vinden dat de Macedoniërs niet konden kiezen tussen een Bulgaarse en een Macedonische kerk, maar hun keuze moesten maken tussen het Exarchaat en het Patriarchaat, en dan de voorkeur gaven aan het Exarchaat. Het kwam spoedig tot spanningen en conflicten tussen de ver-

61


tegenwoordigers van het Exarchaat en de plaatselijke bevolking in Macedonië. Het Exarchaat voerde een centralistisch beleid; het wilde een einde maken aan de versnipperde en vaak geïmproviseerde organisatie van het onderwijs door overal dezelfde programma’s en leermethoden en -middelen op te leggen. Door dit beleid kwam het in aanvaring met de gemeenten in Macedonië, die gewend waren autonoom over onderwijsaangelegenheden te beslissen. Zij beschouwden de regelgeving van het Exarchaat als de bemoeizucht van buitenstaanders (Adanir 1979: 134). De zaken werden nog gecompliceerder door het feit dat het Exarchaat – en later de Bulgaarse staat – aan sommige leraren in Macedonië een financiële vergoeding uitbetaalde, en aan andere niet. Een delicaat punt, waarbij de amour propre van de culturele elite in Macedonië in het gedrang kwam, was een nieuwe ‘taalkwestie’. In de jaren zestig vormde zich langzamerhand een Bulgaarse standaardtaal op basis van de dialecten die door de leidende figuren van de Bulgaarse nationale beweging – schrijvers, journalisten, geestelijken, politieke vertegenwoordigers – gesproken en geschreven werden. Dat waren dialecten uit Centraal-Bulgarije – of uit het oosten van het Bulgaarse taalgebied, indien men ook Macedonië daartoe rekent. Ze waren niet zonder meer begrijpelijk voor sprekers van de ‘West-Bulgaarse’ of ‘Macedonische’ dialecten. Ondanks vele waarschuwingen en tot grote ontevredenheid van de schrijvers uit Macedonië werd bij de vorming van de Bulgaarse standaardtaal nauwelijks rekening gehouden met Macedonische particularismen zoals die voorkwamen in het werk van Joakim Karčovski, Kiril Pejčinovič, de gebroeders Miladinov, Jordan HadžikonstantinovDžinot, Kuzman Šapkarev en anderen. Erger nog, de toonaangevende Oost-Bulgaarse schrijvers bestempelden het taalgebruik van hun collega’s uit Macedonië als ‘bedorven’ en ‘bezoedeld’ (met Griekse, Albanese en Aroemeense elementen) en dreven er op weinig fijnzinnige manier de spot mee. Macedonische schoolkinderen hadden problemen met leerboeken in de Bulgaarse standaardtaal. Partenij van Zograf, Dimitar Makedonski, Venjamin Mačukovski, Gjorgji Pulevski, Kuzman Šapkarev en andere onderwijzers uit Macedonië schreven voor hun leerlingen boeken in een soort van Macedonische koine. Al in 1860 vonden leraren aan de school in Thessaloniki dat de leerlingen het best uitsluitend in de Macedonische taalvariant (narečie) les konden krijgen (Friedman 2000: 182). Dat gebeurde overigens niet per

62


se met de bedoeling een aparte Macedonische standaardtaal te creëren. Kuzman Šapkarev schreef in de inleiding tot zijn Golema balgarska čitanka na narečie povrazumitelno za makedonskite balgari (Groot Bulgaars leesboek in een taal, verstaanbaarder voor de Macedonische Bulgaren, Istanbul 1868) onder het pseudoniem ‘edin makedonec’ (een Macedoniër): Ik probeerde te schrijven in de taal die ik ‘verstaanbaarder voor de Macedonische Bulgaren’ noemde, om zoveel als ik kon verstaanbaar te zijn voor mijn landgenootjes; maar ik had niet de bedoeling helemaal af te wijken van het OostBulgaars en dacht niet aan een aparte Macedonische taal (zoals sommigen van onze broeders in het oosten ten onrechte vrezen), want zo iets zou een groot verlies voor onze taal zijn. (Christov & Kossev 1980: 235) Evenmin beschouwde Šapkarev de Macedoniërs als een aparte natie. In het leerboek staan leesteksten die de kinderen een Bulgaars nationaal bewustzijn moeten bijbrengen: Vraag: Wat is je nationaliteit? Antwoord: Van nationaliteit ben ik een Bulgaar. Vraag: Waarom? Antwoord: Omdat mijn vader en mijn moeder Bulgaren zijn en omdat ik Bulgaars spreek. (Christov & Kossev 1980: 233) Ook de grammatica die Mačukovski wou schrijven, zou Gramatika na balgarskija ezik spored makedonskoto narečie (Grammatica van de Bulgaarse taal volgens de Macedonische taalvariant) heten. De leraren op de Macedonische scholen gebruikten de lokale dialecten om de leerlingen beter Bulgaars te leren en er ‘betere Bulgaren’ van te maken, zoals enkele decennia eerder in veel Bulgaarse scholen Bulgaars gebruikt werd om de leerlingen beter Grieks te leren en er betere ‘Grieken’ (in de zin van beschaafde stedelingen) van te maken. Het resultaat was vergelijkbaar: in plaats van de andere taal beter te leren, werden de leerlingen zich in feite nog meer bewust van het aparte karakter van hun moedertaal. De Russische onderzoeker Venediktov (1990: 194) constateerde:

63


De uitgave van boeken waarin lokale particularismen weerspiegeld werden, het voornemen van V. Mačukovski om een aparte grammatica van het Macedonische dialect te schrijven en andere pogingen om dit dialect en zijn plaats in de Bulgaarse standaardtaal te verdedigen, droegen objectief bij tot het geleidelijk ontstaan van de opvatting dat er een lokale variant van de Bulgaarse standaardtaal bestond. Die lokale variant kon het gevoel van anders zijn (dan de Bulgaren) alleen maar versterken. De stap van een lokale variant naar een aparte taal is niet groot meer, zodra de lokale belangengemeenschap behoefte voelt om zich ook middels de taal als aparte nationale entiteit te manifesteren. Uit de aanvallen in de Bulgaarse pers tegen de Macedonische leerboeken blijkt dat de Bulgaren in Bulgarije zich van dat gevaar terdege bewust waren. Het feit dat het Exarchaat het gebruik van de ‘Oost-Bulgaarse’ leerboeken probeerde op te leggen, wekte overigens ook nog op een wat prozaïscher manier de vervreemding tussen Bulgaren en Macedoniërs in de hand: de Macedonische auteurs vreesden met hun voorraad boeken te blijven zitten en pleitten ook daarom voor het gebruik van de ‘lokale variant’. We hebben de Slavische dialecten in Macedonië hier tot nog toe ‘Bulgaarse dialecten’ genoemd, omdat zij door de gebruikers ervan in de 19e eeuw ook zo genoemd werden. Toch is het ook mogelijk ze te beschouwen als dialecten van een aparte Zuidslavische taal, het Macedonisch, niet alleen omdat taal nu eenmaal ook een politiek gegeven is – a language is a dialect with an army –, maar ook om taalkundige redenen. Linguïsten als de Rus Samuil Bernštejn, de Pool Mieczyslaw Malecki en de Fransman André Vaillant kwamen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog los van elkaar en zonder politieke motivatie tot de conclusie dat de Macedonische dialecten weliswaar zeer met de Bulgaarse dialecten verwant waren, maar toch een aparte groep vormden (Lunt 1984: 117). Tegen het einde van de 19e eeuw gingen sommige schrijvers uit Macedonië doelbewust voor een eigen Macedonisch publiek schrijven in een Macedonische koine. De Mlada makedonska knižovna družina (Jonge Macedonische literaire vereniging) in Sofia wilde in de jaren 1890 ‘de Macedonische van de Bulgaarse belangen scheiden door één van de Macedonische dialecten tot een literaire taal voor alle Macedoniërs te verheffen’. (Misirkov 1969: 113-4) Artikel 12 van

64


de Petrogradsko makedonsko naučno-literaturno drugarstvo (Petrogradse Macedonische wetenschappelijk-literaire vriendenkring) – een vereniging van Macedonische studenten aan de universiteit van Petrograd – eiste dat tijdens de vergaderingen ‘Macedonisch’ gesproken werd en de notulen in het Macedonisch opgesteld werden (Friedman 2000: 186). (Voor een gedetailleerd overzicht van de Bulgaars-Macedonische ‘taalstrijd’, zie Lunt 1984.) De doorslaggevende factor bij de vorming van een Macedonische natie was uiteindelijk het Verdrag van Berlijn, dat Bulgarije en Macedonië – definitief, zo bleek later – tot een andere ontwikkeling veroordeelde. Bulgarije had als de facto onafhankelijke staat zijn eigen economische en politieke belangen; Macedonië bleef geografisch, politiek en economisch een deel van het Osmaanse Rijk. Macedonië werd voor de Bulgaren een ‘irredenta’; zij vonden het vanzelfsprekend dat de initiatieven voor de bevrijding van Macedonië voornamelijk uit het onafhankelijke Bulgarije kwamen. Dat maakte dat de aard en de intensiteit van de Bulgaarse bemoeienissen met Macedonië voortaan ook afhingen van andere, ‘hogere’ Bulgaarse nationale belangen, en niet alleen van de toestand in Macedonië en de wensen van de Macedoniërs. Wat de Bulgaren óók als een kwestie van territoriale expansie zagen, was voor de Macedoniërs enkel een zaak van nationale bevrijding. Daarbij kwam dat na 1878 intellectuelen met een uitgesproken Bulgaars nationaal bewustzijn massaal Macedonië verlieten om een bestaan op te bouwen in Bulgarije (Kančov 1970: 277-8). Vanzelf bleven degenen met een minder uitgesproken Bulgaars bewustzijn achter. De belangen van de eerste groep, die zich actief inzette voor de bevrijding van Macedonië, waren nauw vervlochten met de politieke ontwikkelingen in Bulgarije; de ‘blijvers’ hadden meer oog voor lokale verhoudingen en belangen. Misverstanden en spanningen waren onvermijdelijk en zouden Bulgaren en Macedoniërs eveneens van elkaar vervreemden. Als gevolg van het Verdrag van Berlijn profileerde Macedonië zich ook steeds meer als een aparte territoriale entiteit binnen het Osmaanse Rijk. Het onafhankelijke Bulgarije was buitenland. Na 1878 had Istanbul als politiek centrum van de Bulgaren uiteraard afgedaan. Niet Sofia echter, maar Thessaloniki ontpopte zich als de ‘hoofdstad’ van de Macedonische Bulgaren en meer nog van de Macedonische ‘separatisten’. Daar bevonden zich de (Bulgaarse) gymnasia en andere culturele instellingen die door de Slaven uit

65


Macedonië – Bulgaren en Macedoniërs – bezocht werden. Vanuit Thessaloniki werd het ‘interne’ verzet tegen het Osmaanse regime gecoördineerd. Kortom, de verschillende economische en sociale ontwikkelingen van Bulgarije en Macedonië vanaf de jaren zestig van de 19e eeuw resulteerden in het ontstaan van politieke elites met andere en vaak tegengestelde belangen. Bij de bepaling van de doelstellingen en de strategie van de Bulgaarse nationale beweging wogen de Macedonische belangen slechts ten dele mee; de Macedonische kwestie werd vanuit de optiek van de (Oost-)Bulgaarse belangen aangepakt; de houding van de Bulgaren uit Bulgarije jegens hun volksgenoten in Macedonië was betuttelend en soms misprijzend. Bij de meningsverschillen, spanningen en conflicten in Macedonië echter waren precies die sociale en professionele categorieën betrokken, die bij natievorming en de ideologische constructie van een nationale identiteit een cruciale rol spelen: de bourgeoisie en de notabelen, die zich in de Bulgaarse nationale beweging onvoldoende konden laten gelden en hun lokale autonomie bedreigd zagen; de intellectuelen – leraren, schrijvers, uitgevers –, die zich omwille van hun (streek)taal miskend en vernederd voelden; de politieke activisten, die zich na 1878 dikwijls door de Bulgaarse staat in de steek gelaten voelden. De ‘scheiding’ tussen de Bulgaarse en de Macedonische Bulgaren als gevolg van het Verdrag van Berlijn gaf aan de vervreemding ook een territoriale, staatkundige dimensie. Veel Bulgaren in Macedonië slaagden erin de genoemde en andere belangenconflicten te blijven verzoenen met de idee te behoren tot de Bulgaarse etno-culturele of nationale gemeenschap, maar een toenemend aantal andere ‘Bulgaren’ voelde de aandrang om ter verdediging van de Macedonische belangen een soort van overkoepelende, alle sociale klassen omvattende en territoriaal verankerde gemeenschap van Macedonische Slaven te creëren – een Macedonische natie. Gjorgji Pulevski, Krste Misirkov, Stefan Jakimov Dedov, Diamandija Trapkov Mišajkov, Dimitar Čupopski en vele anderen, met uitzondering van Misirkov zorgvuldig doodgezwegen in de Bulgaarse historiografie, zetten zich daarvoor in. Ze konden rekenen op de morele en materiële steun van de Serven, die wel niet geloofden dat er een Macedonische natie bestond, maar geen kans voorbij lieten gaan om de banden van Macedonië met Bulgarije te verzwakken. Hetgeen natuurlijk niet betekent dat – zoals Bulgaarse historici graag beweren – Macedonische nationalisten daarom ‘Servische agenten’ waren. 66


Uit de schaarse bronnen vernemen we weinig over hoe de constructie van de Macedonische nationale identiteit concreet gebeurd is. Een Bulgaarse leraar in Thessaloniki beklaagde zich in de late jaren 1860 over een collega die beweerde ‘geen Bulgaar, geen Griek, geen Vlach, maar een zuivere Macedoniër’ te zijn. Naar aanleiding van de Bulgaarse kritiek op zijn taalgebruik schreef Kuzman Šapkarev in 1870 bits: ‘We zijn nog maar pas van de Grieken af, moeten we nu Šoppen worden?’ (Friedman 2000: 181-2).12 Zelfs wanneer de Macedonische Slaven zich ‘Bulgaren’ noemen, blijken ze dikwijls het onderscheid te blijven maken tussen zichzelf (bugari) en de (Oost-)Bulgaren – de ‘Šoppen’ (Marinov 2001: 71, 74-5). De vroegste vermelding van een uitgewerkte Macedonische nationale ideologie vinden we in een artikel van de Bulgaarse journalist en folklorist Petko Slavejkov (1827-1895) in de krant Makedonija van 18 januari 1871: We hebben de Macedonisten [makedonisti, Macedonische nationalisten] vaak horen beweren, dat ze geen Bulgaren zijn, maar Macedoniërs – nazaten van de oude Macedoniërs. We hebben altijd gewacht op bewijzen daarvoor, maar die nooit gekregen. (…) Sommigen Macedonisten onderscheiden zich nog op een andere manier van de Bulgaren, namelijk: zij zijn zuivere Slaven, en de Bulgaren zijn Tartaren en ik weet niet wat nog allemaal. Om hun uit de lucht gegrepen argumentatie kracht bij te zetten, wijzen de Macedonisten ook op het verschil tussen het Macedonische en het Hoogbulgaarse [Oost-Bulgaarse] dialect, waarvan het eerste dichter zou staan bij het Slavisch [Kerkslavisch] en het tweede vermengd zou zijn met Tartarismen.13 Uit het ‘rijpe’ karakter van deze ideeën over de afkomst en de taal van de Macedoniërs blijkt dat er in 1871 al grondig over een Macedonische identiteit nagedacht was. Die ideeën moeten dus al in de jaren 1860 ontstaan zijn. Een theoretisch geschraagde verdediging van het bestaan van een aparte Macedonische natie vinden we bij ook Gjorgji Pulevski (1838-1894), bouwvakker en autodidact uit Galičnik bij Ohrid. In 1875 schreef hij in zijn drietalig woordenboek Makedonski, Arbanski i Turski (Macedonisch, Albanees en Turks):

67


Niet alleen wíj zijn Slaven, maar ook de Russen, Polen, Tsjechen, Serven, Slovaken, Bulgaren en Kroaten, en van al de hier genoemde volken is de taal Slavisch. Een volk noemt men mensen van dezelfde afkomst, die dezelfde taal spreken, die samenleven en kameraadschappelijk met elkaar omgaan, die dezelfde gebruiken en liederen en feesten hebben – zulke mensen noemt men een volk en de plaats waar een volk leeft noemt met een vaderland. Zo zijn ook de Macedoniërs een volk en hun vaderland is Macedonië. (Friedman 2000: 183) Voor Pulevski waren de Macedoniërs de nazaten van het volk van Alexander de Grote – een aspect van de nationale identiteit van de Macedoniërs dat hun niet alleen een indrukwekkende pedigree gaf, maar hen ook verschillend maakte van Bulgaren en Serven en tevens de territoriale aanspraken van de Slavische Macedoniërs op Macedonië schraagde. Pulevski zette zijn inzichten op rijm: Hoor toe, Macedoniërs, wat de oude mensen vertellen: heldhaftiger dan de Macedoniërs is er niemand. Keizer Alexander van Macedonië, driehonderd jaar voor Christus, veroverde met de Macedoniërs de hele wereld. Onze koning Filips is een Slaaf, Keizer Alexander is een Slaaf, onze Slavische grootmoeders hebben hen gebaard. Macedoniërs, gedenkt de Macedonische heldenmoed, en volgt het voorbeeld van de voorouders na! (Ristovski 1996: 17) Op de bewering dat de huidige Macedoniërs nakomelingen zijn van de ‘antieke’ Macedoniërs valt een en ander af te dwingen, maar ze is op zich niet fantastischer dan de bewering van andere Balkanvolken af te stammen van antieke volken of een antieke culturele traditie voort te zetten. De oude Macedoniërs speelden in de etnogenese van het moderne Slavisch-Macedonische volk uiteindelijk dezelfde rol als de Thraciërs in de etnogenese van het Bulgaarse volk, en als de oude Grieken en de Illyriërs in de etnogenese van het moderne Griekse, respectievelijk Albanese volk. Taalkundige continuïteit is, zoals we zagen, op de Balkan niet per se een aanwijzing

68


voor directe genetische continuïteit. Op het idee dat Filips en Alexander en de oude Macedoniërs Slaven zouden geweest zijn, waren de Macedoniërs niet zelf gekomen: dat hadden in de 18e eeuw katholieke schrijvers uit Dalmatië al beweerd. Het is een onzinnig idee, maar als ‘natievormend’ element van onschatbare waarde. Ze zou later door veel Macedonische nationalisten herhaald worden. De Macedonische nationale ideologie werd het duidelijkst en het uitvoerigst uiteengezet in 1903 in Za makedonckite raboti (Over de Macedonische aangelegenheden) van Krste Misirkov (18751926). De Macedonische natie kreeg een eigen plaats naast de Bulgaarse en de Servische, met haar eigen geschiedenis en taal. Misirkov stelde voor de Macedonische standaardtaal te baseren op het dialect van Prilep en Bitola, ‘zijnde even ver verwijderd van het Servisch als van het Bulgaars’ (Misirkov 1969: 181). Misirkovs boek werd gedrukt in Sofia, maar nog voor het de drukkerij kon verlaten lieten de Bulgaarse autoriteiten de hele oplage confisqueren en vernietigen; slechts enkele exemplaren bleven bewaard. Veel invloed kan het derhalve niet uitgeoefend hebben. Misirkov veranderde in zijn leven vaak van idee en zijn relatie tot het Bulgarendom was niet altijd eenduidig, maar dat doet geen afbreuk aan het feit dat de inhoud van zijn boek een mooie weerspiegeling vormt van het Macedonisch-nationalistische gedachtegoed dat omstreeks de eeuwwisseling in Macedonië circuleerde. Meer dan over het algemeen wordt aangenomen identificeerde ook de ‘gewone man’ zich blijkbaar toen al met een Macedonische (etnische of nationale) gemeenschap. Reizigers ontmoetten in het begin van de 20e eeuw in Macedonië Slaven die hun taal uitdrukkelijk makedonski noemden. Keith Brown ontdekte in de archieven van Ellis Island dat immigranten uit Macedonië zich door de Amerikaanse autoriteiten lieten registreren als ‘Macedoniërs’. Allen Upward vertelt in zijn boek The East End of Europe (Londen 1908) hoe een inwoner van een dorp bij Edhessa in Griekenland de vertaler terechtwijst wanneer die achteloos het lokale Slavische dialect ‘Bulgaars’ noemt; het was ‘makedonski’ (Friedman 2000: 189, 124). Dit wil niet zeggen dat alle Slaven in Macedonië zich als ‘Macedoniërs’ beschouwden, maar dat er mensen waren die zich wél als leden van een aparte Macedonische natie zagen, lijkt onbetwistbaar.

69


5 ‘Terrorize the terrorists’

N

A 1878 MAAKTEN ALBANEZEN, Bulgaren, Grieken, Roeme-

nen en Serven zich dus op om hun ‘volksgenoten’ in Macedonië en in de andere Osmaans gebleven gebieden te bevrijden van het ‘Turkse juk’. Hun activiteiten waren in principe gericht tegen de Osmanen, maar ze beschouwden vooral elkaar als rivalen. Alle betrokken partijen maakten gebruik van dezelfde middelen: nationalistische propaganda via het onderwijs, diplomatieke demarches, en vanaf de jaren 1890 terrorisme. De Bulgaren bevonden zich in de gunstigste uitgangspositie om de propagandaoorlog te voeren. Ondanks de weerzin van de Osmaanse overheid was het Bulgaarse Exarchaat erin geslaagd na 1878 zijn zetel in Istanbul te behouden, waardoor het in staat was verder controle te blijven uitoefenen op de bisdommen binnen de grenzen van het Osmaanse Rijk. Het Exarchaat organiseerde het Bulgaarse onderwijs in deze bisdommen, vaak in overleg met en met de financiële steun van de regering in Sofia. In de loop van de jaren vijftig en zestig van de 19e eeuw waren tal van ‘Griekse’ scholen – scholen onder het toezicht van de patriarchale geestelijkheid en van door Griekstaligen gedomineerde gemeenten of gilden – ‘gebulgariseerd’ geworden. Na 1872 kwamen die scholen in principe onder het toezicht van het Bulgaarse

71


Exarchaat. Dit probeerde iets als een Bulgaars nationaal onderwijs te creëren door de leerprogramma’s te uniformeren en enige orde te scheppen in de organisatorische chaos. Tijdens de Russisch-Osmaanse oorlog van 1877-1878 werden echter vele exarchale bisschoppen uit hun bisdommen teruggeroepen naar Istanbul op verdenking van nationalistische agitatie en collaboratie met de Russen. Na de oorlog stond de sultan niet toe dat zij terugkeerden, met als gevolg dat veel Bulgaarse kerken en scholen in Macedonië van exarchale bescherming verstoken bleven. De Osmaanse regering, die de Bulgaren lang voorgetrokken had uit angst voor het Griekse irredentisme, favoriseerde nu het Patriarchaat uit verontwaardiging over het Bulgaarse ‘verraad’. Het Patriarchaat maakte van deze ommekeer gebruik om zijn posities in Macedonië te versterken en bisschoppen te zenden naar de bisdommen die tot het Exarchaat behoorden. Soms koos het daarvoor bisschoppen van Servische afkomst: die waren in de regel loyaal aan Constantinopel en gekant tegen het Exarchaat. Het Exarchaat deed na 1878 hard zijn best om de Macedonische bisdommen terug te winnen en later om er ook nog andere onder zijn gezag te brengen. Het wilde daarbij vooral niet gedwarsboomd worden door radicale nationalisten. Het Exarchaat werd daarin gesteund door de Bulgaarse premier Stefan Stambolov, die ten aanzien van het Osmaanse Rijk een verzoenende politiek voerde. De strijders voor een vrij Macedonië voelden zich dan ook dikwijls door Bulgarije en het Bulgaarse Exarchaat in de steek gelaten. Wegens de onophoudelijke spanningen met Griekenland oordeelde de Osmaanse regering het uiteindelijk toch verstandiger de Bulgaren in Macedonië niet helemaal buitenspel te zetten. Ze vormden een ideale buffer tegen de Griekse invloed. In 1890 kregen de bisdommen Ohrid en Skopje weer een bisschop van het Exarchaat, en vanaf 1891 konden bisdommen die aanhechting wilden bij het Exarchaat, daarvoor opnieuw ongestoord een referendum organiseren. Het resultaat was dat in 1894 Veles en Nevrokop en in 1897 – toen Griekenland en het Osmaanse Rijk oorlog voerden om Kreta – ook Bitola, Debar en Strumica de toelating kregen bij het Exarchaat aan te sluiten. Een aantal andere bisdommen in Macedonië werd tijdelijk aan het bestuur van het Exarchaat toevertrouwd. Desondanks stelde het Patriarchaat toch nog Servische bisschoppen aan in Skopje in 1897, en in Veles en Debar in 1910 (Banac 1984: 313). Dat bepaalde bisdommen aan het Bulgaarse Exarchaat toege-

72


wezen werden, zegt niet alles over de etnische samenstelling, laat staan het nationale bewustzijn van de inwoners ervan. De Grieken vormden de meerderheid in de bisdommen in het zuiden van Macedonië, maar ook in sommige noordelijke bisdommen als Strumica, Dojran, Edhessa en Iannitsa. Om de gunst van de bevolking te winnen lieten de patriarchale bisschoppen soms onderwijs en kerkdiensten in het Bulgaars, respectievelijk Kerkslavisch toe, zoals ook de exarchale bisschoppen onderwijs en kerkdiensten in het Grieks toelieten. Ergens daartussen in geklemd zaten de ‘Macedoniërs’. In 1892 besloot de school- en kerkgemeente van Kastoria het Bulgaars uit de scholen te bannen en het lokale Slavische dialect in te voeren. In Veles besloot de bevolking hetzelfde jaar om het Exarchaat de rug toe te keren en weer aan te sluiten bij het Patriarchaat. Bisschop Teodosij van Skopje, die voordien een vooraanstaande rol gespeeld had in de Bulgaarse nationale beweging en vooral de Servische invloed bestreden had, verklaarde in 1891: ‘Wij, Macedoniërs, hebben niet zo veel te lijden van de Turken, leve de sultan, als wel van de Grieken, Bulgaren en Serven. (…) Ik heb me voorgenomen het Aartsbisdom van Ohrid te herstellen en een weg terug is er niet.’ (Marinov 2001: 81). Het onderwijs nam in deze krachtmeting een belangrijke plaats in. Via het onderwijs werd de kinderen een of ander nationaal bewustzijn bijgebracht. Daarnaast vormden het aantal scholen en het aantal leerlingen meetbare aanwijzingen voor de aanwezigheid van deze of gene etnische gemeenschap. Bulgarije, Griekenland en Servië hadden er veel voor over om overal scholen te openen en leerlingen te ronselen. De respectieve regeringen, het Patriarchaat en het Exarchaat, en allerlei patriottische culturele verenigingen financierden de bouw en de uitrusting van de scholen, betaalden de salarissen van de leraren, de leerboeken en soms zelfs de maaltijden van de leerlingen. Jongelui werden met studiebeurzen naar Athene, Sofia, Belgrado of Boekarest gelokt om daar verder ‘opgeleid’ te worden. Het maakte de ouders dikwijls niet veel uit op welke school en in welke taal hun kinderen onderwijs kregen: de school die hen het minst op kosten joeg, genoot de voorkeur en ‘bepaalde’ op termijn het nationale bewustzijn van het kroost. Glenny (1999: 199) citeert uit Macedonia. Its Races and its Future (London 1906) van de Engelse journalist H.N. Brailsford om te illustreren hoe dit ging:

73


Ik sprak met een rijke boer uit een naburig dorp, die in Bitola naar de markt kwam. Hij sprak goed Grieks, maar niet als een geboren Griek. ‘Is uw dorp Grieks,’ vroeg ik, ‘of Bulgaars?’ ‘Wel,’ antwoordde hij, ‘het is nu Bulgaars, maar vier jaar geleden was het Grieks.’ Hij vond dat antwoord heel natuurlijk en alledaags. ‘Hoe is dat mirakel gebeurd?’ vroeg ik verbaasd. ‘Wij zijn allen arme mensen,’ zei hij, ‘maar wij willen onze eigen school en een priester die goed voor ons zorgt. We hadden een Griekse onderwijzer. We betaalden hem vijf lira per jaar en zijn brood, en van de Griekse consul kreeg hij nog vijf lira, maar we hadden geen priester voor onszelf. We deelden dezelfde priester met nog andere dorpen, maar hij was erg onberekenbaar en nalatig. We gingen ons beklag doen bij de Griekse bisschop, maar die weigerde iets voor ons te doen. De Bulgaren hoorden daarvan en deden ons een voorstel. Ze zegden dat ze ons een priester zouden geven die in het dorp woonde en een onderwijzer die we niet hoefden te betalen. Wel heren, ons dorp is arm, en op die manier werden we natuurlijk Bulgaren.’ Het kon gebeuren dat leden van hetzelfde gezin, ‘broers geboren uit dezelfde moeder’, zich beschouwden als behorend tot verschillende nationale gemeenschappen omdat ze verschillende scholen bezocht hadden of andere ervaringen opgedaan hadden (Banac 1984: 313; Sakellariou 1992: 476; Danforth 2000). Bulgaarse basisscholen bestonden in veel grotere dorpen, maar gymnasia waren er aanvankelijk alleen in Thessaloniki en Bitola. Omstreeks 1885 kwamen er ook Bulgaarse gymnasia in Skopje, Tetovo, Strumica, Florina en Serres. Van bijzonder belang was Thessaloniki als centrum van onderwijs en cultuur van de Macedonische Slaven. De eerste Bulgaarse school opende haar deuren in 1859, kende weinig succes en ging tijdens de oorlog van 1877-1878 dicht, maar het Bulgaarse jongensgymnasium HH. Cyrillus en Methodius, dat in 1880 van start ging, bleek een groot succes. De school, die beheerd werd door de Bulgaarse gemeenschap in Thessaloniki en het Exarchaat, bleef bestaan tot even na de Tweede Balkanoorlog in 1913. Gedurende verscheidene jaren beschikte het gymnasium ook over een kweekschool en een afdeling handelswetenschappen. Later kwam er een aparte handelsschool, onder de auspiciën van het Exarchaat. Eveneens in 1880 startte in Thessa-

74


loniki het Bulgaarse meisjesgymnasium De Blijde Boodschap zijn activiteiten. Het bleef eveneens functioneren tot in 1913. Het jongensgymnasium beschikte over laboratoria, een orkest en de enige meteorologische observatiepost in het hele Osmaanse Rijk. Vanzelfsprekend was de school een haard van nationalistische propaganda. De Osmaanse overheid eiste dat de leraren Osmaanse burgers zouden zijn en geen Bulgaarse, maar dat hielp niet veel. In het Bulgaarse gymnasium in Thessaloniki – en in andere scholen in Macedonië – braken herhaaldelijk conflicten uit tussen ‘leraren van het Exarchaat’, meestal afkomstig uit Bulgarije, en leraren van Macedonische origine. Maar misschien stonden niet zozeer Bulgaren en Macedoniërs tegenover elkaar als wel vertegenwoordigers van de gematigde en de radicale strekking binnen de BulgaarsMacedonische onafhankelijkheidsbeweging. De Griekse reactie op de expansie van het Bulgaarse schoolwezen in Macedonië liet niet op zich wachten. In 1869 werd in Athene de Syllogos pros dhiadhosin ton Ellenikon Grammaton (Vereniging voor de verspreiding van de Griekse letteren gesticht) en het Patriarchaat blies in 1871 de tien jaar oude Ellinikos Filologikos Syllogos Konstandinoupoleos (Griekse filologische vereniging van Constantinopel) nieuw leven in. Beide organisaties hadden in de jaren 1880 in Macedonië enkele tientallen filialen en sponsorden 574 Griekse scholen. In 1882 werd één overkoepelende organisatie gecreëerd onder de auspiciën van de Griekse ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs en van het Patriarchaat. De bedoeling was via het onderwijs de Macedonische bevolking een Grieks nationaal bewustzijn bij te brengen. In 1885 waren er in Macedonië al 610 Griekse scholen, en in 1895 niet minder dan 1400. Vanaf 1894 kregen de Griekse scholen in de overwegend Slavische delen van Macedonië veel steun van de Ethniki Eteria (Nationale Vereniging) (Poulton 1995: 59). Aan de vooravond van de Balkanoorlogen waren er in Macedonië 1041 Griekse scholen, met 1704 leraren en 68.000 leerlingen. De belangrijkste scholen bevonden zich in Thessaloniki, Bitola en Serres (Aarbakke 1992: 75-8). De Grieken voelden zich ook bedreigd door de Vlachen. De welgestelde Vlachen in de steden hadden zich altijd tamelijk vlot laten helleniseren; ze waren trouw aan het Patriarchaat en stuurden hun kinderen naar Griekse scholen. De Vlachen die als herders in de bergen leefden, hielden daarentegen vast aan hun Aroemeense taal. Op het einde van de 18e eeuw eisten ook zij onderwijs in hun

75


eigen taal. In 1797 verscheen het eerste Aroemeense abc-boekje en in 1813 de eerste grammatica. Apostol Margarit (1832-1903), een Vlach uit Avdhella in Griekenland, begon na de Krimoorlog aan de Vlachse kinderen op de Griekse scholen systematisch les te geven in het Aroemeens. Beschuldigd van opruiing door de Griekse geestelijkheid vluchtte hij naar Boekarest, waar hij lid werd van het Macedo-Roemeense Comité – een organisatie die de Vlachen een Roemeens nationaal bewustzijn wilde bijbrengen. In 1864 opende Margarit met Roemeense steun de eerste Vlachse school in de buurt van Bitola; later kwamen er door zijn toedoen nóg enkele Vlachse scholen in Griekenland. In het begin van de jaren tachtig was hun aantal aangegroeid tot ongeveer 35. Margarit stichtte ook een Vlachs gymnasium in Bitola. Hij wilde die stad uitbouwen tot het culturele en politieke centrum van de Vlachen in Macedonië. Naar het voorbeeld van de Bulgaren ijverde Margarit ook voor een Vlachse nationale kerk. In 1905, twee jaar na zijn dood, erkende de Osmaanse regering de Vlachen als een aparte millet. De Vlachse nationale beweging betekende voor de Grieken een serieuze bedreiging. In sommige bisdommen hadden juist de proGriekse Vlachen ervoor gezorgd dat de Bulgaren bij de referenda over aansluiting bij het Exarchaat niet de vereiste tweederde meerderheid van de bevolking achter zich kregen. Gelukkig voor de Grieken ontdekte de Roemeense regering tegen het einde van de 19e eeuw dat haar Vlachenpolitiek veel geld kostte en weinig zoden aan de dijk zette. Ze verloor ook haar vertrouwen in Margarit, die de Vlachse belangen probeerde te promoten door gemene zaak te maken met Uniaten en christelijke Albanezen. De Servische bemoeienissen met Macedonië herhaalden het Bulgaarse en Griekse model, maar met minder succes. Vanaf 1860 opende ook een Servische culturele vereniging Servische scholen in Macedonië en Kosovo. In 1873 waren er een zestigtal, maar ze hadden weinig aantrekkingskracht. Hoogstens Macedonische seizoenarbeiders in Servië stuurden hun kinderen naar zo’n Servische school. De benarde situatie van het Exarchaat in de jaren tachtig gaf Servië nieuwe mogelijkheden. De in 1886 gestichte Društvo Svetog Save (Vereniging van de Heilige Sava) gooide het over een andere boeg: zij bood jongeren uit Macedonië de gelegenheid om in Belgrado te studeren. Naar schatting 20.000 jongeren uit Macedonië maakten van die mogelijkheid gebruik (Banac 1984: 313). Maar de Društvo opende ook een veertigtal scholen in Mace-

76


donië, sommige ver in het zuiden, bij Thessaloniki en in Chalkidiki. De zaken gingen nog vlotter toen de Servische regering het recht verwierf om consulaten te openen in Skopje en Thessaloniki en later in Bitola, en de scholen in Kosovo en Macedonië voortaan onder de bevoegdheid van het Servische ministerie van Buitenlandse Zaken vielen. Het aantal Servische scholen was in 1890 gestegen tot een honderdtal. De Osmaanse richtlijn dat een wijk minstens dertig ‘huizen’ van een bepaalde etnische gemeenschap moest tellen alvorens onderwijs in de taal van die gemeenschap mocht ingericht worden, speelde de Serven evenwel parten: de Serven waren in Macedonië dun gezaaid (Poulton 1995: 64). In 1903 erkende de Porte de Serven als een aparte millet, wat weer meer bewegingsvrijheid gaf. Toch telde Macedonië in het begin van de 20e eeuw slechts 226 basisscholen, vier gymnasia, een theologische school en drie scholen voor voortgezet onderwijs voor meisjes (Petrovich 1976: 498). Maar ondanks de steun van zowel het Patriarchaat en de Porte, die beide de groeiende Bulgaarse invloed wilden indijken, oefenden de Servische scholen op de Macedonische Slaven relatief weinig aantrekkingskracht uit. Conflicten met Bulgaren en Grieken konden niet uitblijven. Voor de Bulgaren vormde het Servische proselitisme een grotere bedreiging dan voor de Grieken. De kans was immers klein dat Griekse ouders hun kinderen naar Servische scholen zouden sturen. Onder de Albanezen zette vooral de Liga van Prizren zich in voor het Albanese onderwijs, een Albanese pers en de verheffing van het culturele peil van de Albanezen in het algemeen. De Albanezen in Italië – een tamelijk omvangrijke gemeenschap op Sicilië en in Calabrië – sprongen op de bres voor hun volksgenoten en wilden dat in de Osmaanse provincies waar Albanezen leefden, Albanees als officiële taal ingevoerd werd (Vickers 1995: 47). Maar er was veel tegenstand. De Osmanen speelden de kaart van de islamitische solidariteit en zagen de Albanezen liever Turks onderwijs volgen. De Grieken lieten het Albanese onderwijs verbieden en verplichtten orthodoxe Albanezen Griekse scholen te bezoeken, op straffe van excommunicatie. Degelijk onderwijs in het Albanees bestond alleen bij de katholieke Albanezen in de buurt van Shkodër, ver van Macedonië. Het is natuurlijk een boutade dat de nationale identiteit van de Slavische dorpelingen in Macedonië afhing van welke scholen er in het dorp of de stad aanwezig waren en van de omvang van het

77


schoolgeld dat de ouders moesten betalen, maar er zit een stuk waarheid in. Hoe dan ook was met name het Bulgaarse/Macedonische nationalisme in Macedonië aanvankelijk vooral een zaak van onderwijzers en ‘geleerden’. Vanaf de jaren negentig – zou je weer met een boutade kunnen zeggen – hing de nationale identiteit van de dorpelingen in grote mate af van of er als laatste een Bulgaars, Grieks of Servisch guerrillalegertje door het dorp gepasseerd was. Ook in de gewapende strijd namen de Bulgaren het voortouw. Ze maakten de ruime ervaring, die ze in de jaren zestig en zeventig in Centraal-Bulgarije met geheime revolutionaire netwerken opgedaan hadden, in Macedonië voluit te nutte. Een groot probleem bij de beschrijving en de beoordeling van hun activiteiten is het feit, dat de Bulgaars-Macedonische bevrijdingsbeweging verdeeld was in enkele elkaar bestrijdende fracties, en dat de doelstellingen van deze fracties niet altijd duidelijk zijn, mede als gevolg van de – dikwijls gewilde – dubbelzinnigheid van de gebruikte terminologie. Alle fracties streden in eerste instantie voor ‘autonomie’, maar betekende ‘autonomie’ een ‘autonoom gebied’ binnen het Osmaanse Rijk of een onafhankelijke staat? ‘Autonomie’ – een vorm van zelfbestuur onder Osmaanse supervisie – was toen in de mode: OostRoemelië en Kreta hadden in 1878 de status van ‘autonoom gebied’ verworven en de Albanezen wilden die ook voor ‘hun’ provincies. De redenen waren van tactische aard: volledige onafhankelijkheid voor Macedonië was niet meteen haalbaar, en een autonoom gebied bood het perspectief op aansluiting bij Bulgarije. Het autonome gebied Oost-Roemelië was immers al in 1885 door Bulgarije geannexeerd en velen verwachtten dat met een ‘autonoom gebied Macedonië’ hetzelfde kon gebeuren. In afwachting bood autonomie het voordeel dat het Osmaanse Rijk de territoriale integriteit van het autonome gebied verdedigde tegen de plannen van met name Griekenland en Servië om het gebied in kwestie op te delen. Zulke plannen vormden een reële bedreiging voor Albanië en Macedonië. Indien ‘autonomie’ volledige onafhankelijkheid betekende (of de status van vazalstaat van het Osmaanse Rijk, die bijvoorbeeld ook het vorstendom Bulgarije had), moest zulke autonomie dan uitmonden in een onafhankelijke Macedonische staat of in aanhechting bij Bulgarije? Het eerste wilden de ‘Macedoniërs’, het tweede de ‘Bulgaren’. Of nog een mogelijkheid, die later in de geesten opkwam: een autonome Macedonische deelstaat in een grote Balkanfederatie? 78


Ook een ander, al eerder gesignaleerd terminologisch probleem zaait verwarring. Sommige Macedonische Slaven noemden zich ‘Macedoniër’ in de zin van ‘Bulgaar uit Macedonië’ en waren voor de aansluiting van Macedonië bij Bulgarije. Anderen noemden zich Bulgaren, maar waren niet gekant tegen een aparte Macedonische staat, bij voorkeur in een grotere federale staat, samen met Bulgarije. De Macedonische nationalisten zelf wilden het liefst een eigen, aparte staat, eventueel in een grote Balkanfederatie. Daarnaast zijn veel bronnen niet of in zeer onbetrouwbare edities gepubliceerd en zelfs in de archieven moeilijk toegankelijk. Tenslotte bestaan er in Bulgarije, Griekenland en Macedonië bepaalde, uiteraard heel verschillende ‘officiële interpretaties’ van het historische materiaal, die doorgaan voor onomstotelijke waarheden. Laat ik één voorbeeld geven van de problemen waar de historicus mee te maken krijgt. Enkele maanden na de ondertekening van het Verdrag van Berlijn, in oktober 1878, brak er in de buurt van Kresna (vandaag in Bulgaars Macedonië) een opstand uit, die een maand later oversloeg naar de streek van Razlog en Bansko. De opstand was voornamelijk het werk van de Bulgaarse ‘liefdadigheidsvereniging’ Edinstvo (Eenheid). Hij werd zonder veel problemen door de Osmaanse troepen onderdrukt. De leiders van de opstand schreven in december de Privremenni pravila za nareždaneto na makedonskoto vastanie (Provisorische regels voor de organisatie van de Macedonische opstand). Artikel 145 luidde: Na de bevrijding van ons vaderland zal het Centraal Comité een Grondwet opstellen voor de organisatie van de Macedonische staat, ofwel als autonome staat ofwel met politieke en culturele autonomie binnen het Osmaanse Rijk of erbuiten, mochten de Europese grote mogendheden dit toestaan.’ (Poulton 1995: 49-50, citeert Andonov-Poljanski 1985, 1, 267-84) Macedonische historici beschouwen de Privremenni pravila en artikel 145 in het bijzonder als een onbetwistbare aanwijzing dat de Macedonische Slaven wel van de Osmanen afwilden, maar niet streefden naar aansluiting bij Bulgarije. Bulgaarse historici verklaren het gebruik van de termen ‘Macedonische opstand’ en ‘Macedonische staat’ als een poging om ‘de vereniging Edinstvo en het Vorstendom Bulgarije niet te compromitteren door te refereren aan

79


Bulgarije’ (Kosev 1991: 54). Dat de Bulgaarse historici zich hier wat oncomfortabel voelen blijkt uit het feit dat de Provisorische regels niet voorkomen in de fameuze bundel La Macédoine. Recueil de documents et matériaux – een in Sofia gepubliceerde turf van bijna 900 pagina’s, waarin elke snipper papier die de Bulgaarse aanspraken op Macedonië kan schragen geciteerd wordt (Christov & Kossev: 1980). Artikel 145 is nog in andere opzichten dubbelzinnig: over welke ‘bevrijding’ gaat het eigenlijk, indien Macedonië verder deel blijft uitmaken van het Osmaanse Rijk? Wat is het verschil tussen een ‘autonome staat’ en ‘politieke en culturele autonomie’ buiten het Osmaanse Rijk? Glenny (1999: 158) wijst op nog een dubbelzinnigheid in het gebruik van de term ‘Macedonisch’ in de Privremenni pravila: nu eens gaat het om ‘de volken van Macedonië die zichzelf Macedoniërs voelen’, dan weer heet Macedonië ‘het land van de glorierijke Slavische opvoeders en leraren, Cyrillus en Methodius’. (Cursivering van mij.) De geschiedenis van de gewapende strijd om Macedonië begint in Thessaloniki op 23 oktober 1893, toen zes onderwijzers uit Macedonië onder leiding van Damjan Gruev (1871-1906) de Vatrešna Makedono-Odrinska Revoljucionna Organizacija (vmoro, Interne Macedonisch-Adrianopolitaanse Revolutionaire Organisatie) stichtten.14 Velen van hen waren lid geweest van de Mlada makedonska knižovna družina (Jong-Macedonische Literaire Vereniging) en werden in de Bulgaarse pers als ‘separatistisch’, ‘verraders’ en ‘Servomanen’ gebrandmerkt (Marinov 2001: 83). Vanaf 1894 ging nog een onderwijzer, Goce Delčev (1872-1903), oud-leerling van de militaire academie in Sofia, in de organisatie een belangrijke rol spelen. De vmoro stelde zich tot doel door middel van een massale gewapende opstand autonomie af te dwingen voor Macedonië en het gebied rond Adrianopel in Thracië. Ze handelde zonder hulp van andere staten (vanwaar de vermelding ‘intern’), maar rekende wel op een buitenlandse militaire interventie na het uitbreken van de opstand. Gruev en Delčev bouwden een zeer hiërarchisch netwerk van revolutionaire cellen uit, waarvan de leden niet van elkaars bestaan afwisten (om verraad te voorkomen), en waarbinnen een meedogenloze discipline heerste. Die cellen noemden ze comités; de leden heetten komitadžijas (comité-leden) – een term die ook in andere talen overgenomen werd. Op een geheim congres in Thessaloniki in de zomer van 1896 werd de organisatie omgedoopt tot Balgarski Makedono-Odrinski Revoljucionni Komiteti (bmork,

80


Bulgaarse Macedonisch-Adrianopolitaanse Revolutionaire Comités). Artikels 1 en 2 van de statuten vermelden dat het doel van de bmork bestond in ‘volledige politieke autonomie in Macedonië en de streek van Edirne [Adrianopel]’, die moest bereikt worden ‘door de wil tot zelfverdediging bij de Bulgaarse bevolking op te wekken’. Artikel 3 bepaalde dat ‘alle Bulgaren, zonder onderscheid van geslacht’, van de bmork lid konden worden (Kossev & Christov 1980: 412-414). Volgens de Franse historica Lange (1998: 41) waren de bmork gesticht in Macedonië ten einde niet beschouwd te worden als een ‘Bulgaars leger’ en waren de stichters ervan ‘Macedoniërs’. De bmork werkten in het geheim, onafhankelijk, zonder contacten met de regeringen in de buurlanden; alleen Bulgarije kon om morele en materiële bijstand verzocht worden. De bmork beschikten over een eigen postdienst, een eigen politie en eigen rechtbanken, die doodstraffen uitspraken en uitvoerden. Ze gaf ook een aantal bladen uit. De organisatie kende vooral succes bij de kleine bourgeoisie in de steden – een opvallend groot aantal onderwijzers was lid van de organisatie –, maar in de dorpen werd ook geronseld onder boeren en hajdoeken. De bmork hadden het vooral gemunt op Osmaanse gezagsdragers en hun christelijke collaborateurs. Četas (een soort van guerillalegertjes, bestaande uit tien à vijftien vrijwilligers) functioneerden als de militaire vleugel van de bmork. Om de inkomsten die de organisatie had uit donaties en heimelijke staatssteun wat aan te vullen, kidnapten de četas herhaaldelijk Osmaanse functionarissen, rijke christelijke notabelen en buitenlandse missionarissen en journalisten en eisten losgeld. Vanaf het begin hadden de bmork een kwalijke reputatie, vooral bij de boeren, die niet alleen door de četas lastiggevallen werden, maar ook door de Osmaanse politie die op de četas jacht maakte. In het westen van Macedonië genoten de četas een grotere populariteit omdat ze de boeren beschermden tegen Albanese rovers (Adanir 1979: 128). Inmiddels hadden in maart 1985 Macedonische emigranten – militairen, journalisten, politici – in Sofia nog een andere organisatie gesticht – het Varhoven Makedono-Odrinski Komitet (Opperste Macedonisch-Adrianopolitaanse Comité), gemeenzaam Varhoven Komitet (vk, Opperste Comité) genoemd. Het vk streed eveneens voor de bevrijding van Macedonië, maar ging ervan uit dat Macedonië een deel van Bulgarije moest worden. Het werkte nauw

81


samen met Bulgaarse militairen en met figuren uit de entourage van vorst Ferdinand (1887-1918). Ook het vk maakte gebruik van četas, die van op Bulgaars grondgebied naar Macedonië gestuurd werden. Het pleegde op nog groter schaal dan de bmork terroristische aanslagen, ook op Griekse en Servische priesters en onderwijzers. (Banac 1984: 314) De relaties tussen de bmork en het vk waren complex. Beide organisaties hadden verschillende doelstellingen (al is niet duidelijk of niet ook de bmork ijverde voor aansluiting van Macedonië bij Bulgarije op langere termijn) en volgden ook een andere tactiek. Typerend voor de bmork is de grote rol die onderwijzers in de leiding van de organisatie speelden: mensen uit de streek, met nauwe banden met de lokale bevolking en met ondanks hun revolutionaire activiteiten ook veel aandacht voor de culturele verheffing van het volk. De bmork wilden de massale volksopstand zorgvuldig voorbereiden. Het vk was ongeduldiger: de sponsors en ideologen van het vk leefden in Bulgarije en hadden weinig te verliezen. Het vk was verantwoordelijk voor het uitbreken van een aantal kleine en slecht georganiseerde opstanden, die door de Osmanen moeiteloos onderdrukt werden en die het werk van de bmork in gevaar brachten. Zo ontdekten de Osmaanse overheden in november 1897 bij een operatie tegen het vk in het dorp Vinica een wapendepot van de bmork, wat leidde tot de arrestatie van een aantal bmork-leden. Ten slotte konden de leiders van beide organisatie ook om persoonlijke redenen niet goed met elkaar opschieten. De relaties verbeterden toen Boris Sarafov (1872-1907) in 1899 voorzitter werd van het vk. Belangrijke vertegenwoordigers van de bmork als Goce Delčev en Gjorče Petrov (1864-1921) konden deelnemen aan de besluitvorming binnen het vk. Het vk ging meer rekening houden met de lokale, Macedonische toestanden en belangen; de bmork hielden meer rekening met de Bulgaarse visie. De samenwerking maakte dat de bmork nog vlotter dan voordien met Bulgaarse wapens bevoorraad werden, maar ook dat de bmork hun laatste reserves tegen het terrorisme opgaven. Het werd een gewoonte om ‘nutteloze christenen’ te doden en de schuld aan de Osmanen toe te schrijven. Met name de half geslaagde opstand op Kreta in 1897 had de mening doen postvatten dat alleen geweld de ‘Macedonische kwestie’ kon oplossen. Toen Sarafov zich in 1901 wegens betrokkenheid bij een moord uit de leiding van het vk terugtrok, werden de relaties tussen beide

82


organisaties weer slechter. De nieuwe feitelijke leider van het vk, ondervoorzitter Ivan Cončev, was generaal in het Bulgaarse leger en had vooral oog voor de Bulgaarse belangen. Delčev en andere bmork-vertegenwoordigers trokken zich terug uit het vk. Het vk bereidde vanuit Bulgarije een grote opstand voor in de streek van Gorna Džumaja (vandaag Blagoevgrad in Bulgarije), mede om de bmork de wind uit de zeilen te nemen. De leiding van de bmork, en vooral de rijzende ster binnen de organisatie, Jane Sandanski (1892-1915), vonden dat een roekeloze en kortzichtige onderneming. De opstand brak uit in de herfst van 1902. De boeren steunden de četas, die het vk had uitgestuurd, nauwelijks, maar werden nadat de četas zich op Bulgaars grondgebied hadden teruggetrokken, wél het slachtoffer van Osmaanse represailles. Inmiddels hadden Delčev en Gruev de bmork hervormd tot de Tajna Makedono-Odrinska Revoljucionna Organizacija (tmoro, Geheime Macedonisch-Adrianopolitaanse Revolutionaire Organisatie). Het woord ‘Bulgaars’ in de naam van de organisatie werd vervangen door ‘Geheim’: van de tmoro konden ‘alle ontevreden elementen in Macedonië en de streek van Edirne zonder onderscheid van nationaliteit’ lid worden, dus ook Grieken, Vlachen en anderen. Deze koerswijziging impliceerde een grotere afstand ten aanzien van het Bulgaarse Exarchaat, waarmee de verstandhouding nooit rimpelloos geweest was. Immers, de organisatie stond nu ook open voor ‘patriarchisten’ (aanhangers van het Patriarchaat). De nieuwe koers was mede het gevolg van de toenemende invloed van internationalistisch denkende socialisten en anarchisten binnen de bmork, respectievelijk de tmoro. Het Macedonische separatisme kreeg hierdoor naast een etnische en pragmatische ook een ideologische dimensie. Onder invloed van die socialisten en anarchisten opteerde de tmoro op haar congres in Thessaloniki in januari 1903 opnieuw voor terroristisch geweld. Daartoe noopten haar wellicht ook de hervormingen, die de Osmaanse regering onder druk van de grote mogendheden wilde doorvoeren: die dreigden de komitadžijas de wind uit de zeilen de nemen. De četas werden actiever, het aantal sabotagedaden en politieke moorden nam toe. Het meest opzienbarende exploot vormden de aanslagen van de Gemidžijas (letterlijk: bootslui), een anarchistisch-nationalistische groepering in Thessaloniki. Op 28 april 1902 bliezen ze ’s middags het Franse passagiersschip de Quadalquivir met elf kilo explosieven de lucht in.

83


’s Avonds mislukte een aanslag op de trein uit Istanbul; alleen de locomotief liep schade op. Op 29 april ’s avonds werden de gasleidingen naar de stad gedynamiteerd, waardoor de verlichting in de straten uitviel. In de nacht van 29 op 30 april ontplofte een bom in het gebouw van de Banque Impériale Ottomane, waarbij ook de aangrenzende Duitse bowlingclub en een school vernield werden. Later die nacht vlogen nog het openluchttheater Alhambra, een café, hotel Egypte en theater Eden de lucht in. Ondertussen waren ook schietpartijen uitgebroken tussen de terroristen en de politie. Op 2 mei mislukte een aanslag op een kazerne. Op 3 mei werd ene Kirkov, die het telegraafkantoor wilde opblazen, neergeschoten voor hij zijn plan tot uitvoer kon brengen. De leider van de Gemidžijas, Jordan Popjordanov, zette de kroon op het werk door vanaf het balkon van zijn woning willekeurig handgranaten in het rond te gooien en met de laatste handgranaat zelfmoord te plegen. In de ‘aanslagen van Thessaloniki’ lieten een honderdtal mensen het leven (Adanir 1979: 172; Lange 1998: 51-52). Er werden ook plannen gesmeed om zo snel mogelijk een massale opstand te ontketenen, al bestond over de opportuniteit daarvan binnen de tmoro grote verdeeldheid. Toen Goce Delčev, die zich met al zijn moreel gezag tegen een opstand verzette, begin mei 1903 nabij Serres in een hinderlaag gedood werd, was de opstand onafwendbaar. Damjan Gruev nam zonder veel enthousiasme de leiding. De opstand brak uit op 2 augustus 1903 – op Ilinden of de dag van de Heilige Elias – in de omgeving van Bitola. Ongeveer 25.000 komitadžijas, četa-strijders en boeren stonden tegenover 300.000 Osmaanse soldaten. Niemand ging ervan uit dat de opstandelingen een einde konden maken aan het Osmaanse bewind; de bedoeling was de opstand zo lang mogelijk te laten duren, teneinde de grote mogendheden de gelegenheid te geven diplomatiek of militair te interveniëren. De opstand kende vanuit Bitola een snelle uitbreiding in de richting van Thessaloniki en iets moeizamer in de richting van Skopje. Het grootste succes boekten de opstandelingen in de wat afgelegen stad Kruševo, waarvan de bevolking overwegend bestond uit gehelleniseerde Vlachen en ‘patriarchistische’ Slaven. Ironisch genoeg hadden de inwoners van de stad enkele weken voor het uitbreken van de opstand de Osmaanse autoriteiten verzocht om extra bescherming tegen de četas. In Kruševo bestond gedurende tien dagen, tot 12 augustus, de ‘Republiek van Kruševo’, ge-

84


leid door een ‘voorlopige regering’ met Slavische, Griekse en Vlachse ‘ministers’. Toen de stad door de Osmanen ingenomen en geplunderd werd, bleven – vermoedelijk als gevolg van een deal – de Slavische wijken vrijwel ongeschonden (Glenny 2000: 203-4; Poulton 1995: 56). De Osmaanse autoriteiten waren de eerste dagen na het uitbreken van de opstand niet in staat veel tegen de opstandelingen te ondernemen; de gebeurtenissen speelden zich grotendeels af in het moeilijk toegankelijke gebergte. Westerse diplomaten waren van mening dat de Osmanen ook terugdeinsden voor al te brutale represailles, precies om een westerse interventie te vermijden (Adanir 1979: 187). Met die mogelijkheid hadden de organisatoren van de opstand rekening gehouden. Ondanks ‘oproepen’ om de onschuldige moslimbevolking te sparen, werden van de eerste dag af dorpen van voornamelijk Albanese moslims aangevallen en in brand gestoken, in de wetenschap dat de moslimboeren zich zouden verdedigen en wraak zouden nemen. De Macedonische historicus Apostolski gaat ervan uit dat de leiders van de opstand de verwoesting van Slavische dorpen door moslims ingecalculeerd en zelfs uitgelokt hebben (Adanir 1979: 187, citeert Apostolski 1969: 107). Uiteindelijk werd de Ilinden-opstand binnen de maand de kop ingedrukt met behulp van ongeregelde troepen, voornamelijk gerekruteerd onder de Albanezen. Resultaat: 4.500 doden, 200 dorpen in de as gelegd, 70.000 daklozen (Lange 1998: 55). Bulgarije, noch de internationale gemeenschap grepen in, maar de opstand vestigde toch de aandacht van de ‘internationale gemeenschap’ op de situatie in Macedonië. Londen en Parijs leverden grootscheepse humanitaire hulp aan de overlevenden. OostenrijkHongarije en Rusland bereikten op 25 oktober 1903 in Mürzsteg een akkoord over het toekomstige bestuur van Macedonië, waarin beide rivalen vooral elkaars belangen ontzagen; sultan Abdülhamit aanvaardde het Akkoord een maand later, vast besloten het te saboteren. Glenny (2000: 207) noemt de interventie ‘halfgaar’, ‘ondoordacht’, ‘slecht uitgevoerd’ en ‘het begin van een lange traditie van verprutste ingrepen’. In uitvoering van het Akkoord van Mürzsteg werd Macedonië voortaan bestuurd door een Osmaanse inspecteur-generaal – met name Hüseyin Hilmi pasja – , bijgestaan door een Oostenrijkse en een Russische civiele agent. Hilmi pasa stond in voor de pacificatie van het gebied. Die omvatte de creatie van gemengde commissies

85


die ‘misdaden tegen de menselijkheid’, begaan tijdens de opstand, moest onderzoeken; het leveren van fondsen voor het herstel van woningen; de organisatie van de terugkeer van vluchtelingen, en dergelijke. Daarnaast moest de inspecteur-generaal de gendarmerie, de financiën en de rechtspraak op zo’n manier hervormen dat ook de christelijke bevolking daarin op een faire manier vertegenwoordigd werd. (De christenen die dienst namen in de Osmaanse gendarmerie, werden het eerste doelwit van de četas). Macedonië werd verdeeld in vijf sectoren: een Engelse, een Franse, een Italiaanse, een Oostenrijks-Hongaarse en een Russische. Deze vijf landen leverden de officieren van de gendarmerie, die onder leiding van de Italiaan De Giorgis in Osmaanse dienst zouden opereren. Het Akkoord van Mürzsteg verzoende het verlangen van de internationale gemeenschap om het status quo, dat wil zeggen de territoriale integriteit van het Osmaanse Rijk te handhaven, met de wensen van de Macedonische bevolking. Het Akkoord werd, wat het financiële en juridische aspect betrof, slechts ten dele uitgevoerd. De Slavische bevolking was overigens vooral ontevreden over het feit dat niet alleen zij, maar ook de andere etnische gemeenschappen vertegenwoordigers in de diverse instellingen mochten hebben (Adanir 1997: 203). Een tweede gevolg van de Ilinden-opstand was een diepe morele crisis in de tmoro. Niet alleen was de opstand mislukt, de Mürzsteg-hervormingen en de internationale controle brachten in Macedonië ook een zekere mate van stabiliteit en rust – een toestand, waarin een revolutionaire organisatie slecht gedijt. De gematigde vleugel, waartoe ook Damjan Gruev behoorde, zocht toenadering tot het vk. De radicale vleugel probeerde nog steeds Macedonisch nationalisme te combineren met socialistisch internationalisme. Die radicale vleugel werd de ‘Serres-groep’ genoemd, naar de Griekse stad Serres waar hij zijn hoofdkwartier had. Aan het hoofd ervan stond Jane Sandanski. Zijn leuze was ‘Macedonië voor de Macedoniërs’, en dat konden Slaven, Grieken, Vlachen en zelfs Albanezen en Turken zijn. Of de Macedonische Slaven voor Sandanski Bulgaren of Macedoniërs waren, is niet altijd duidelijk; in ieder geval was hij uitermate gekant tegen elke inmenging van de Bulgaarse staat of het Exarchaat in de Macedonische aangelegenheden (Marinov 2001: 85). Op het congres van de tmoro in het Rilaklooster in oktober 1905 kreeg de organisatie haar oorspronkelijke naam vmoro te-

86


rug. Ondanks de pogingen van Gruev om de twee vleugels te verzoenen, bleef de tweespalt bestaan. Het ging overigens niet meer alleen om meningsverschillen over de oplossing van de ‘Macedonische kwestie’, maar om een conflict tussen conservatieven (de burgerij, het Exarchaat) en radicale socialisten binnen de Macedonische bevrijdingsbeweging (Adanir 1997: 137). Nadat Gruev in december 1906 in een gevecht met Osmaanse troepen was omgekomen, brak een bloedige strijd uit tussen de twee rivaliserende vleugels. In december 1907 werd Boris Sarafov, de leider van de ‘gematigden’, op bevel van Sandanski door Todor Panica (18791925) omgebracht. In 1908 maakte de strijd bínnen de vmoro meer slachtoffers dan de gevechten met de Osmaanse politie en met Griekse en Servische guerrilla-eenheden (Poulton 1995: 57). Een derde gevolg van de Ilinden-opstand was dat Griekenland en Servië op veel groter schaal dan voordien het geval geweest was eigen guerrilla-eenheden gingen inzetten om hun ‘nationale belangen’ in Macedonië te promoten. Deze ontwikkeling werd het meest in de hand gewerkt door Artikel 3 van het Akkoord van Mürzsteg, dat de Osmanen dwong de administratieve grenzen in Macedonië in de mate van het mogelijke aan te passen aan de etnische situatie. Dit voorstel, dat in juni 1904 ook uitgevoerd werd, bracht alle strijdende partijen ertoe nog meer druk op de lokale bevolking uit te oefenen om haar nationale identiteit extra te manifesteren of te herzien. Die nieuwe administratieve grenzen werden immers beschouwd als toekomstige staatsgrenzen. Tussen 1904 en het uitbreken van de eerste Balkanoorlog in 1912 culmineerde de strijd om Macedonië in een ‘oorlog van allen tegen allen’. De Griekse Ethniki Eteria had al in 1896, als reactie op de Bulgaarse activiteiten, symmories (enk. symmoria, Griekse ‘četas’) naar Macedonië gestuurd, maar zonder veel succes. De Griekse bemoeienis was vooral een zaak van Griekse emigranten uit Macedonië in het koninkrijk Griekenland of van Grieken van buiten Macedonië: een ‘interne organisatie’ ontbrak. Vanaf 1900 nam Germanos Karavangelis, bisschop van Kastoria, doortastende maatregelen om de Bulgaarse invloed in de kerken en scholen in zijn bisdom terug te dringen. Tot die maatregelen behoorde ook de organisatie van symmories. Die werden aanvankelijk geleid door de Slavische (!) Macedoniër Kota. Bisschop Karavangelis nam ook zelf, tot de tanden gewapend, aan de strijd deel (Glenny 1999: 206). De symmories bestreden vooral de Bulgaarse četas en gaven informatie over hun

87


activiteiten door aan de Osmaanse overheid. Ze hadden zo hun aandeel gehad in de mislukking van de Ilinden-opstand (Dakin 1993: 132). De Ilinden-opstand en het gevaar dat de grote mogendheden bepaalde grenswijzigingen konden overwegen, schudden de Griekse publieke opinie en de Griekse regering wakker. Een Makedhoniko Komitato (Macedonisch Comité) ontfermde zich over de ‘Macedonische kwestie’, zorgde voor morele en financiële steun aan de strijders en lobbyde waar nodig. Tweede luitenant in het Griekse leger Pavlos Melas werd naar Macedonië gestuurd om de activiteiten van de symmories te coördineren met de bedoeling – zoals Sakellariou (1992: 474) het zo sfeervol formuleert – ‘to terrorize the Bulgarian terrorists’. Die symmories bestonden voornamelijk uit vrijwilligers van Kreta en Macedonische kleften – de Griekse tegenhangers van de Slavische hajdoeken. Melas probeerde met matig succes een soort van Griekse ‘interne organisatie’ op te zetten, maar werd al kort na zijn aankomst door een Osmaanse patrouille omsingeld en neergeschoten. Als martelaar sensibiliseerde hij nog meer Grieken voor de Macedonische zaak dan toen hij nog leefde. De Griekse regering liet de Griekse consul-generaal in Thessaloniki bijstaan door legerofficieren en gaf hem uitgebreide volmachten. Na enkele jaren slaagden de Griekse strijders erin het zuidelijke, overwegend Griekse deel van Macedonië onder controle te krijgen, naast enkele enclaves rond Prespa, Bitola en Strumica in het noorden. In de streek van Kastoria, Edhessa en Florina bleef de strijd onbeslist. (Sakellariou 1992: 466-478). Ook de Serven dreven na 1904 hun guerrilla-activiteiten in Macedonië op. Pogingen van Gruev om tot een vergelijk te komen met de Serven hadden geen resultaat. In de Servische četas streden vooral Macedonische seizoenarbeiders en overgelopen leden van Bulgaarse organisaties, maar de meeste četa-leden waren afkomstig uit Servië zelf, uit Montenegro of uit de Servische gebieden in Oostenrijk-Hongarije. De activiteiten van de Servische četas werden gecoördineerd door het hoofd van de generale staf van het Servische ministerie van Defensie. De četas terroriseerden vanuit de Preševovallei dorpen in de buurt van Kumanovo en Skopje in het noorden, maar opereerden ook elders in Macedonië, tot bij Ohrid en Bitola. Na 1904 werden ook de Vlachen hoe langer hoe meer betrokken bij het geweld. Met name de Vlachen in de bergen boden hard-

88


nekkig verzet tegen vergrieksing en bleken erg gevoelig voor de Roemeense ‘propaganda’. Hun afkeer van de Grieken bracht hen ertoe samen te werken met de Bulgaren. Ze hielpen de Bulgaarse četas, zij het vooral door hun voedsel te verstrekken en hen door de bergen te leiden. Ook verklikten ze de Griekse eenheden aan de Bulgaren en de Osmaanse autoriteiten. Daardoor werden ook de Vlachen uiteindelijk een doelwit van de symmories. Bulgaarse, Griekse en Servische guerrilla-eenheden gebruikten dezelfde methodes. Ze terroriseerden elkaars dorpen, beschermden hun eigen dorpen, executeerden ‘verraders’, bestreden elkaar en de Osmanen, of probeerden de Osmanen juist voor hun kar te spannen. Dakin (1993: 257-8) beschrijft laconiek hoe de Griekse symmories te werk gingen: Bij al hun aanvallen op de dorpen veroorzaakten de Grieken weinig materiële schade. Hier en daar werden af en toe twee of drie huizen vernield. Vaker wel dan niet namen ze informanten en organisatoren [organisers] van het Exarchaat gevangen, voerden ze weg en brachten ze om. Waar mogelijk ‘organiseerden’ ze het dorp [they ‘organised’ the village], dat wil zeggen ze brachten de Griekse partij terug in het zadel, gaven haar de controle over de kerk, en verbrandden de liturgische boeken van de Exarchisten. Buiten de dorpen vermoordden ze houtskoolbranders, herders, molenaars en reizigers om te voorkomen dat ze de politie of andere guerilla-eenheden zouden informeren over bewegingen van de symmories door de bergen. De Bulgaarse en Servische četas gingen op dezelfde manier te werk. Het belangrijkste verschil was dat in het geval van de Grieken en de Serven het initiatief om gewapend op te treden búíten Macedonië genomen was, dat ook de strijders zelf in grote mate búíten Macedonië geronseld werden, en dat hun respectieve Macedonische bevrijdingsbeweging in grote mate een staatsaangelegenheid was. In Bulgarije beantwoorden enkel de activiteiten van het vk aan dit profiel. Een ‘interne organisatie’ van het formaat van de vmoro hadden Griekenland en Servië niet. Blijkbaar beschikten alleen de Bulgaarse/Macedonische activisten over een voldoende omvangrijke lokale achterban om een ‘autochtone’ beweging op gang te brengen en te handhaven. Daar stond tegenover

89


dat de Griekse en Servische operaties, precies vanwege de staatscontrole, beter gecoördineerd, eendrachtiger en efficiënter waren en met minder middelen meer resultaten boekten. De Bulgaarse/ Macedonische beweging leed onder de onophoudelijke rivaliteit tussen en binnen de twee grote organisaties en haalde uiteindelijk maar een magere oogst binnen. De Osmaanse overheid, die in de Bulgaarse četas de grootste bedreiging zag, speelde de Griekse en Servische eenheden tegen de Bulgaren/Macedoniërs uit. De ‘gewone man’ in Macedonië, om wiens heil het uiteindelijk allemaal te doen was, ontging vaak het onderscheid tussen vrijheidsstrijders – van welke etnische pluimage ook – en vulgaire roofmoordenaars. Niet zelden gaven de boeren hun toekomstige nationale helden zelf aan bij de Osmaanse politie; ze wilden er zo weinig mogelijk mee te maken hebben. Niet de Osmaanse autoriteiten, die van de grote mogendheden wel telkens de schuld kregen, maar de diverse nationalistische guerrillalegertjes maakten het leven in Macedonië tot een hel. Ook de Albanezen ten slotte gingen zich na de Ilinden-opstand militair organiseren. Hun relatie tot het Osmaanse gezag was altijd erg dubbel. Als moslims waren ze tot op zekere hoogte solidair met de Turken en voelden ze zich evenzeer bedreigd door de christenen. Teneinde de steun van de Albanezen te winnen stelden de Osmanen het conflict in Macedonië graag voor als een religieus conflict; om de steun van de grote mogendheden te winnen deden de christelijke volken in Macedonië hetzelfde (Skendi 1976: 201-2). Deze perceptie werd nog versterkt toen de Osmaanse autoriteiten in januari 1902, geïnformeerd over een nakende opstand in Macedonië, hun basibozuks (ongeregelde troepen), die voornamelijk uit Albanezen bestonden, in staat van paraatheid brachten en de Albanese bevolking bewapenden. De onrust onder de christelijke bevolking nam daardoor nog toe. Meer nog dan de Ilinden-opstand bracht het Akkoord van Mürzsteg de Albanezen ertoe eigen çetas (dat is de Albanese spelling) te organiseren. De Albanezen werden vooral door de Griekse symmories bedreigd. Grote verontwaardiging wekte in 1905 de moord op de orthodoxe Albanese priester Kristo Negovani, die onderricht gaf in het Albanees en een aantal boeken in het Albanees had geschreven en uitgegeven (Skendi 1967: 206-7). In het voorjaar van 1906 stichtten Albanese intellectuelen in Bitola het Komiteti ‘Për Lirinë e Shqipërisë’ (k‘plsh’, Comité voor de Vrijheid van Albanië), dat de Albanese çetas wilde organiseren naar het model van de Bulgaarse ‘interne organisatie’ en een netwerk

90


van geheime revolutionaire cellen in alle Albanese gebieden uitbouwde. Vanaf de zomer van 1906 ontplooiden de Albanese çetas een aanzienlijke activiteit, vooral in het zuidoosten van Albanië, in de omgeving van Korçë. Ze streden voornamelijk tegen de Osmanen en de Griekse guerrilla-eenheden. Met de Shkje – zoals de Albanezen de Slaven misprijzend noemen – werd hard gevochten in Kosovo, maar in Macedonië waren er – behalve in de streek van Tetovo, Gostivar en Debar – weinig conflicten. In 1902 had Boris Sarafov, op dat moment vertegenwoordiger in het buitenland van de vk, het zelfs opportuun geoordeeld om aan de Albanese activist Faik Konica (die in Brussel het tijdschrift Albania uitgaf) voor te stellen om de Bulgaarse četas via Albanië van wapens te voorzien – een voorstel waarop de Albanezen overigens niet ingingen (Skendi 1967: 2023). De Bulgaarse hoofdstad Sofia was een van de politieke centra van waaruit het k‘plsh’ zijn activiteiten organiseerde. De gebeurtenissen namen een nieuwe wending door de JongTurkse Revolutie in juli 1908. Deze was voornamelijk het werk van militairen. Aangezien er in het Osmaanse Rijk geen universiteiten bestonden, bood de militaire academie de best mogelijke opleiding en vormden militairen de Osmaanse intelligentsia. Sinds 1878, toen sultan Abdülhamit de toen twee jaar oude Osmaanse grondwet had opgeschort, bestond er in het leger een grote ontevredenheid, die gevoed werd door oppositiegroepen in het buitenland. In 1895 verenigden de hervormingsgezinde militairen zich in het Ittihat ve Terakki Cemiyeti (itc, Comité voor Eenheid en Vooruitgang); ze noemden zich – naar het voorbeeld van de leden van hun Franse afdeling – ‘les Jeunes Turcs’. Niet toevallig waren de Jong-Turken in Macedonië bijzonder actief: het gebrek aan efficiëntie van de Osmaanse regering en het opperbevel was er het schrijnendst; mede door gebrek aan uitrusting moest het leger voortdurend het onderspit delven tegen opstandige gewapende bendes; militairen werden voor hun gevaarlijke werk niet of te laat betaald; het gonsde er van allerlei nationalismen, en de grote mogendheden waren er op de meest uitdrukkelijke en vernederende wijze aanwezig (Dakin 1993: 376-7). De Jong-Turken bouwden naar het model van de vmoro een netwerk van kleine revolutionaire cellen uit, die nauwelijks van elkaars bestaan afwisten en meedogenloze straffen voltrokken aan verraders. Zulke cellen bestonden in het leger, maar ook in de ambtenarij, niet alleen onder de Turken, maar ook onder de christelijke bevolking. De directe aanleiding tot de revolutie van 1908 vormde

91


het voornemen van de grote mogendheden, bekendgemaakt in juni dat jaar, om het Akkoord van Mürzsteg nieuw leven in te blazen. Jong-Turken en Albanezen vreesden dat dit kon leiden tot de vorming van autonome gebieden en zelfs tot afscheiding van bepaalde territoria. Op 3 juli 1908 brak de revolutie uit in Thessaloniki in de vorm van een massale muiterij; de revolte sloeg over naar Edirne. Pogingen van de sultan om de opstand te onderdrukken mislukten. Op 21 juli eisten de Jong-Turken het herstel van de Grondwet van 1876 en vrije verkiezingen. Drie dagen later gaf sultan Abdülhamit toe. In het hele rijk kwam het tot massale uitbarstingen van euforische vreugde. In Macedonië legden de četas de wapens neer; politieke en geestelijke leiders vielen elkaar in de armen in het vooruitzicht dat aan het bloedvergieten een einde gekomen was (Glenny 2000: 212-8). De Jong-Turken hadden democratie, hervormingen en gelijke rechten voor iedereen beloofd en daarmee de steun van zowat alle bevolkingsgroepen in Macedonië verworven. Met name Jane Sandanski was enthousiast over de Jong-Turkse revolutie. Het kwam al op 11 juli tot een heus samenwerkingsakkoord tussen het itc en de ‘Serres-groep’. Op 24 juli richtte Sandanski zich in een manifest tot alle nationaliteiten in het rijk met de woorden: Ons beproefde vaderland viert zijn wedergeboorte. (…) De revolutionaire oproep van onze Jong-Turkse broeders vindt een vreugdevolle weerklank in de ziel van het beproefde volk. (…) Mijn Turkse medeburgers: Jullie vormen de grote meerderheid van het volk, daarom hebben jullie ook het talrijkst de onderdrukking door onze gemeenschappelijke vijanden gevoeld. In jullie Turkse rijk wachten jullie niet weinig Slaven als jullie christelijke landgenoten. (…) Beste christelijke medeburgers! Ook jullie waren niet weinig bedrogen toen jullie geloofden dat de oorzaak van jullie lijden de tirannie van het hele Turkse volk was. (…) Landgenoten! (…) Laat jullie niet beïnvloeden door de verraderlijke agitatie, die wellicht kan gevoerd worden door het officiële Bulgarije tegen jullie gemeenschappelijke strijd met het Turkse volk en tegen diens vrije ontwikkeling. (Adanir 1979: 248) 92


Maar achter het liberalisme van de Jong-Turken, hoe welgemeend ook, ging in feite een Turks-nationalistisch programma schuil. De Jong-Turken begrepen moderniseren als centraliseren en homogeniseren. Hoewel ze inzagen dat het Osmaanse Rijk alleen als multinationale staat kon overleven, voerden zij in de praktijk een beleid dat vooral de creatie van een Turkse natie beoogde. In het kader van dat opzet pasten maatregelen als verplicht Turks onderwijs voor de Albanezen en het verbod op ‘etnische’ organisaties. De niet-Turkse volken in het Rijk voelden zich bedrogen. Dat de Jong-Turken ook probeerden een einde te maken aan de activiteiten van de diverse guerrillalegertjes in Macedonië – en daartoe speciale en zeer efficiënte patrouilles in het leven riepen – valt ze moeilijk euvel te duiden. Hoewel er niet helemaal een einde kwam aan de terreur, bereikte die na 1908 toch nooit meer de intensiteit van de voorafgaande jaren. In Bulgarije, Griekenland en Servië heerste daarover groot misnoegen, want de kansen om Macedonië in handen te krijgen leken daardoor te verminderen (Adanir 1979: 250). Anderzijds was ook de uitzichtloosheid van de guerrilla-oorlogvoering gebleken en achtten de drie betrokken staten wellicht de tijd rijp voor de ‘grotere middelen’. Na 1908 rijpte in Bulgarije, Griekenland, Servië en Montenegro het plan om de Osmanen met een gemeenschappelijke militaire actie van het Balkanschiereiland te verjagen en vervolgens het ‘bevrijde’ territorium, waartoe ook Macedonië behoorde, te verdelen. Die ‘oplossing’ was al eerder voorgesteld, ook door de grote mogendheden. Griekenland en Servië spraken af dat Servië het noorden van Albanië kreeg (en dat zou delen met Montenegro), en Griekenland het zuiden. Bulgarije rekende op Thracië. Over Macedonië, waar het in feite vooral om te doen was, werden geen nauwkeurige afspraken gemaakt. Bulgarije en Servië bereikten een vaag akkoord over de verdeling van Noord-Macedonië; ze lieten het aan de tsaar van Rusland over om na de oorlog een ‘betwist gebied’ tussen het Šargebergte, de (huidige) Albanese grens en de lijn Kriva PalankaOhrid aan een van beide partijen toe te wijzen. Bulgarije en Griekenland beslisten de discussie over de verdeling van Macedonië uit te stellen tot na de oorlog en sloten een militair akkoord waarin Macedonië niet eens genoemd werd. Beide landen hoopten stiekem koste wat het kost als eerste Thessaloniki te bereiken en te bezetten. Op 2 oktober stelden de Balkanstaten aan het Osmaanse Rijk

93


een ultimatum, dat erop neerkwam dat de Porte het bestuur over Macedonië volledig aan de Grote Mogendheden overdroeg en zodoende haar soevereiniteit over Macedonië opgaf. Sultan Abdülhamit weigerde. Op 8 oktober 1912 lokte Montenegro een incident uit aan de grens met het Osmaanse Rijk, de drie bondgenoten kwamen het ministaatje ‘te hulp’ en de Eerste Balkanoorlog was uitgebroken. Montenegro bezette Noordwest-Albanië en de Sandžak van Novi Pazar; Servië veroverde de rest van Noord-Albanië en NoordMacedonië; Griekenland bezette Zuid-Albanië en Zuidwest-Macedonië. Thessaloniki viel in Griekse handen enkele uren voor de Bulgaarse troepen de stad bereikten. Bulgarije bezette ZuidoostMacedonië en Thracië (met het sinds lang begeerde ‘gebied van Edirne’) tot op een vijftigtal kilometer van Istanbul. Op iets meer dan een maand was het karwei opgeknapt. De militaire operaties, waarin ook de diverse guerrillalegertjes een belangrijke rol speelden, gingen gepaard met massale slachtpartijen en etnische zuiveringen, waarvan vooral de moslimbevolking – Turken en Albanezen – het slachtoffer waren. Een speciale onderzoekscommissie liet daarover in 1914 een schokkend rapport verschijnen, dat mede aan de basis ligt van de kwalijke reputatie die de Balkan sindsdien heeft (Carnegie Report 1994). Op 3 december 1912 begonnen vertegenwoordigers van de Balkanstaten in Londen vredesonderhandelingen met het Osmaanse Rijk. Daar beraadde op hetzelfde ogenblik ook een Ambassadeursconferentie van de grote mogendheden zich over de situatie op de Balkan. De onderhandelingen over de verdeling van de buit vlotten niet erg, vooral omdat zich onvoorziene complicaties hadden voorgedaan. Op 28 november 1912 hadden de Albanezen in Vlorë de onafhankelijkheid uitgeroepen en de Ambassadeursconferentie had die onafhankelijkheid erkend. Het Verdrag van Londen, dat de Ambassadeurs op 17 mei 1913 ondertekenden, bracht de Europese bezittingen van het Osmaanse Rijk terug tot het gebied ten oosten van de lijn Midye-Enoz, respectievelijk aan de Zwarte en de Egeïsche Zee, maar vermeldde niets over de verdeling van het veroverde grondgebied; het eiste alleen dat de Balkanstaten de nog te bepalen grenzen van de toekomstige Albanese staat zouden eerbiedigen. Het ontstaan van Albanië was een streep door de rekening van Servië, Montenegro en Griekenland, die gerekend hadden op stukken Albanees grondgebied. Griekenland en Servië stuurden daarom aan op een nieuwe en voor hen gunstigere verdeling van Macedonië.

94


In mei 1913 sloten beide landen een geheim akkoord, waarin uitgegaan werd van de bestaande militaire situatie, dus van wie wat bezet hield; meteen werden ook afspraken gemaakt over de toekomstige Grieks-Servische grens, die weinig problemen stelde. Indien ‘een derde partij’ het met deze nieuwe verdeling niet eens was, zouden Griekenland en Servië gezamenlijk optreden. Die derde partij was natuurlijk Bulgarije, wiens troepen om geografische redenen vooral in Thracië geopereerd hadden en maar een klein stuk van Macedonië bezetten. Montenegro sloot zich bij Griekenland en Servië aan. Roemenië volgde. Dat eiste een stuk op van de Bulgaarse Dobrudža (de streek tussen de benedenloop van de Donau en de Zwarte Zee) als compensatie voor de Bulgaarse gebiedsuitbreiding in Macedonië; Roemenië zag dan af van zijn aanspraken op Macedonië, die het rechtvaardigde door te verwijzen naar de aanwezigheid daar van Vlachen. Ten slotte trad ook het Osmaanse Rijk tot het bondgenootschap toe, in de hoop in Oost-Thracië nog enkele gebieden terug te winnen. Nog in de roes van de – inderdaad indrukwekkende – militaire successen, behaald tijdens de Eerste Balkanoorlog, oordeelde Bulgarije dat de aanval de beste verdediging was. Op 16 juni 1913 gaf tsaar Ferdinand persoonlijk het bevel aan het Bulgaarse leger om de Grieken en de Serven te verdrijven uit het deel van Macedonië dat volgens de Bulgaren aan Bulgarije toekwam. De Tweede Balkanoorlog of ‘Bondgenotenoorlog’ was begonnen. De reactie van Bulgarijes vele tegenstanders was verpletterend; de uitgeputte Bulgaarse soldaten kregen nauwelijks een kans tegen de vijandelijke overmacht. De voormalige bondgenoten deden de Bulgaarse bevolking hetzelfde lot ondergaan als de moslims in de Eerste Balkanoorlog. Op 18 juli bood de Bulgaarse regering een wapenstilstand aan. Het Verdrag van Boekarest, ondertekend op 28 juli, legde de nieuwe grenzen van Bulgarije met zijn buurlanden vast; met het Osmaanse Rijk werd op 13 september 1913 in Istanbul een apart verdrag gesloten. Bulgarije verwierf maar een klein deel (iets meer dan een tiende) van Macedonië, maar breidde zijn grondgebied aanzienlijk uit met de Rodopen en West-Thracië, dat met de havenstad Dedeagaç (Alexandhroupoli) toegang verschafte tot de Egeïsche Zee. Oost-Thracië met de stad Edirne, werd opnieuw Osmaans. Roemenië kreeg de zuidelijke Dobrudža. Macedonië was nu verdeeld over drie staten. In de Slavische

95


Balkantalen heetten die drie delen voortaan Pirinska Makedonija (Macedonië van het Piringebergte) in Bulgarije, Egejska Makedonija (Egeïsch Macedonië) in Griekenland, en Vardarska Makedonija (het Macedonië van de rivier de Vardar) in ex-Joegoslavië, vandaag de Republiek Macedonië. Het grootste slachtoffer van die ontwikkelingen was de moslim- en vooral de Turkse bevolking, die tijdens de Balkanoorlogen grotendeels uitgemoord of verdreven werd. Alleen degenen die zich Bulgaren voelden en in het Bulgaarse deel van Macedonië leefden, hadden een ‘eigen vaderland’ gevonden; de anderen leefden voortaan als minderheden in vreemde staten. In Grieks Macedonië werden alle scholen en culturele instellingen van de Bulgaren/Macedoniërs meestal nog tijdens de Balkanoorlogen gesloten. In Servisch Macedonië werd de integrale bevolking bestempeld als Servisch en navenant behandeld; het gebied zelf werd omgedoopt tot ‘Zuid-Servië’. In Bulgarije werden degenen met een Macedonisch nationaal bewustzijn beschouwd als Bulgaren; ze hadden evenmin nationale rechten, maar door de grote verwantschap van de Bulgaarse en Macedonische taal en cultuur en door het aureool van martelaars dat de Macedoniërs in Bulgarije hadden, was hun situatie toch wat gunstiger. Daarop wijst ook de massale emigratie van Slaven uit Grieks en Servisch Macedonië naar Bulgarije.

96


6 Intermezzo: een Macedonisch leven

G

RIGOR PARLIČEV WORDT GEBOREN op 18 januari 1830 (of

1831) in Ohrid.15 Wanneer zijn vader, van beroep kleermaker, overlijdt, is Parličev nog een kind. Hij wordt opgevoed door zijn moeder, Marija Gjokova, en zijn grootvader. Parličev heeft nog twee broers, Nikola en Ivan, en een zuster, Zugrafina, die allen ouder zijn dan hij. De familie woont in een huis aan de rand van het stadscentrum. (Het huis is enkele jaren geleden herbouwd en is nu een museum.) Thuis spreekt het gezin het Slavische dialect van Ohrid, dat Parličev in zijn Avtoviografija (Autobiografie, gepubliceerd in Sofia in 1894) ‘Bulgaars’ noemt, maar grootvader vervult zijn religieuze plichten in het Grieks. Dat is niet verwonderlijk, want ook in de kerk wordt de liturgie in het Grieks gecelebreerd. Grootvader leert zijn kleinzoon lezen aan de hand van een Grieks abc-boek. Klaarblijkelijk beschouwt hij het Grieks als de schrijftaal en cultuurtaal, die ieder inwoner van Ohrid moet kennen. Wanneer zijn grootvader sterft, zijn zijn moeder en zijn zuster verplicht als meid te gaan werken in de huizen van de rijke, vergriekste burgerij. Parličev gaat naar de ‘celschool’ in de H. Klimentkerk, waar de leerlingen leren lezen en schrijven aan de hand van Griekse liturgische teksten. Na een conflict met de onderwij-

97


zer, waarbij hij tot tweemaal toe gestraft wordt met stokslagen op de voetzolen, besluit Parličev niet meer naar school te gaan. Hij brengt zijn tijd lezend door in de citadel van Ohrid. Na enkele maanden gaat hij naar de ‘centrale’ (dat wil zeggen ‘gemeentelijke’) Griekse klassenschool, waar in klassikaal verband ook allerlei andere vaardigheden aangeleerd worden. Een van zijn vele leraren daar is Dimitar Miladinov. Bij hem leert Parličev klassiek Grieks en katharevousa (puristisch Nieuwgrieks), Latijn, Frans, Italiaans, filosofie, mathematische en politieke aardrijkskunde, wiskunde en dergelijke. In tegenstelling tot de andere leraren, die vaak Grieken of Vlachen zijn, maakt Dimitar Miladinov tijdens de lessen ook gebruik van de Slavische moedertaal van de leerlingen, met de bedoeling ze vlugger en beter Grieks te leren. Dimitar Miladinov zal zich later ontpoppen als een Bulgaarse nationalist en in 1861 samen met zijn broer Konstantin in Zagreb de bundel Balgarski narodni pesni (Bulgaarse volksliederen) uitgeven, maar voorlopig brengt hij zijn leerlingen nog met veel enthousiasme liefde voor de Griekse taal en cultuur bij. Parličev is erg goed in Grieks; hij leest Plutarchus, Herodotus en vooral Homerus. Om te helpen het gezinsbudget op peil te houden kopieert Parličev Griekse handschriften en geeft hij bijlessen aan de zoon van de Ohridse notabele Zarčev. Hij is een gevoelig en prikkelbaar kind. Grieks is de taal van de handel en de cultuurtaal van de sociale bovenlaag. Er is in Ohrid niemand meer die de cyrillische letters nog kan lezen. Het Grieks heeft een grote praktische waarde en geniet een enorm prestige. Maar Parličev heeft een bijzondere reden om goed Grieks te leren: hij droomt ervan schrijver te worden. Dat kan alleen maar in het Grieks; een noemenswaardige Bulgaarse literatuur bestaat nog niet. Om zijn kennis van de Griekse taal en cultuur nog uit te breiden, wil hij in Athene gaan studeren. Om zijn verblijf te bekostigen werkt hij eerst gedurende een jaar als leraar Grieks in Tirana. In augustus 1850 vertrekt Parličev naar Athene. Bij het overschrijden van de Griekse grens stijgt hij af van zijn paard en kust de ‘met bloed doordrenkte aarde’. Hij laat zich inschrijven als student geneeskunde, zoals zijn familie wil. Door zijn bijziendheid is hij niet in staat de colleges fatsoenlijk te volgen; hij heeft ook een afkeer van de anatomie. De hoogleraar chirurgie raadt hem aan literatuur te gaan studeren, wat hij eigenlijk zelf ook het liefst wil, maar vooralsnog niet doet. Parličev wordt financieel gesteund door

98


de bisschop van Debar (of een andere zetel) en door de vooraanstaande Ohridse familie Robev, maar hij moet ook allerlei baantjes aannemen om rond te komen. In mei 1852 dwingt geldnood hem terug te keren naar Ohrid. Parličev blijft zes jaar in zijn geboortestreek. Hij geeft achtereenvolgens Griekse les in Ohrid, Dolna Belica (een Vlachs dorp), Bitola, Prilep en weer in Ohrid. Hij staat bekend als een graecomaan – een rabiaat bewonderaar en verspreider van de Griekse taal en cultuur. Met zijn oud-leraar Dimitar Miladinov, die nu de Bulgaarse zaak verdedigt, zijn de relaties erg koel. Miladinov vraagt hem mee te helpen met het verzamelen van Bulgaarse volksliederen, maar daar ziet Parličev niet veel in. In augustus 1858 vertrekt hij opnieuw naar Athene en laat zich inschrijven als tweedejaars geneeskunde. In november 1858 doet zich een curieus incident voor. Op een zondagochtend bezoekt Parličev toevallig de Russische kerk in Athene. Om in het gedrang na afloop van de liturgie zijn fez tegen deuken te beschermen, zet hij hem op het hoofd. Een Russisch kerkdienaar wijst hem brutaal terecht. Parličev is daarover zo boos dat hij in de krant Athina van 29 november een kwaadaardig gedicht publiceert, waarin hij het gebeurde vertelt. Hij besluit met een aantal verwensingen aan het adres van de Russen, die hij niet ter plekke al kenbaar gemaakt heeft omdat hij ‘het Heilige Brood nog in de mond had’. De Russische archimandriet Antonin, die net in Athene verbleef, schrijft later in zijn reisverslag over het voorval: ‘Het was niet verbazingwekkend. In de situatie van een Slaaf, verloren in de draaikolk van de panhellenistische ideeën, is niets zo natuurlijk als te vervallen in uitersten.’ In de krant Avgi (Dageraad) van 24 december verschijnt een wat bitse repliek, waarin Parličev wordt voorgehouden dat hij ‘geen Griek, maar een barbaar en een Albanees’ is, en dat hij Rusland dankbaar moest zijn. Parličev schrijft een tweede gedicht, dat verschijnt in Avgi van 10 janari 1859: ‘Zonder de Rus, (zeg jij), zou ik een Turk zijn; vier eeuwen lang hebben wij, Grieken, de slaven, het geloof als onze oogappel bewaard. Wanneer zou (zoals jij zegt) Rusland ons gered hebben?’ Uit het gebruik van het werkwoord in de eerste persoon meervoud en van het bezittelijk voornaamwoord ‘ons’ blijkt dat Parličev zich een lid voelt van de Griekse natie. Verder beschuldigt hij de Russen ervan ‘Griekenland te beperken tot twee, drie kleine stukjes land en het te vernederen.’ Parličev verdedigt het Griekse

99


irredentisme, al druist dat rechtstreeks in tegen de Slavische belangen. ‘Bestudeert men de inhoud van deze gedichten,’ schreef de Duitse onderzoekster Dorothea Kadach, ‘dan blijkt duidelijk dat Parličev zich in deze periode ‘‘dem Griechentum zugehörig’’ voelde, dat hij de geschiedenis en de strijd van Griekenland als de zijne zag.’ Inmiddels schrijft Parličev aan een lang episch gedicht – O Armatolos (De armatolos).16 Met dat gedicht neemt hij in 1860 deel aan de prestigieuze en populaire Atheense poëziewedstrijd, de Rallion. Die is een ideologische, veel meer dan een literaire aangelegenheid. Het bekroonde gedicht moet een manifestatie zijn van de Griekse nationale identiteit. In de ogen van de jury, die bestaat uit universiteitsprofessoren, zijn de patriottische thematiek, de klassieke – in feite classicistische – vorm, en het gebruik van een puristisch, archaïserend Grieks van doorslaggevend belang. Op 25 maart – de Griekse nationale feestdag – 1860 deelt de rapporteur van de jury, Alexandhros Rangavis, archeoloog en ex-minister van Buitenlandse Zaken, tijdens de gebruikelijke plechtigheid in de aula van de universiteit mee dat O Armatolos de beste inzending is. In de begeleidende brief, waarin hij vermeldt het gedicht ‘niet ter wille van hemzelf, maar ter wille van Griekenland’ te hebben geschreven, heeft Parličev echter nagelaten op de vereiste manier zijn naam te vermelden. Daardoor kan de prijs niet uitgereikt worden. Wanneer Parličev zich de volgende dag aanmeldt als de auteur van O Armatolos, stelt de Raad van Bestuur van de universiteit een onderzoek in. Ze gelooft niet meteen dat Parličev, die van buiten Griekenland afkomstig is en Grieks spreekt met een licht accent, de auteur van het gedicht is. Iedereen kan wel de geldprijs komen opeisen. Maar na een kort gesprek overtuigt Parličev de juryleden ervan dat hij inderdaad de auteur van O Armatolos is en ontvangt hij de geldprijs. In 1894 suggereert Parličev, op dat moment een Bulgaarse nationalist, in zijn autobiografie dat de jury hem minachtend behandelt omdat hij een Bulgaar is. Dat is onzin. De jury zou ook wanneer een Griek zich als auteur aanmeldde een onderzoek uitgevoerd hebben alvorens de 1000 drachmen te overhandigen. Hoe dan ook, Parličev is van de ene dag op de andere een gevierd Grieks schrijver geworden. O Armatolos is een episch gedicht, bestaande uit 228 strofen met gekruist rijmende verzen van afwisselend vijftien en achttien lettergrepen. Het vijftienlettergrepige vers is de stichos politikos

100


(‘burgerlijk vers’), typerend voor het Griekse volkslied; het achttienlettergrepige vers is de osmerec (‘achteling’), kenmerkend voor het Zuid-Slavische volkslied. De taal is de avstira katharevousa, de ‘strenge’, zeer archaïserende katharevousa. Het verhaal is een bewerking van een Macedonisch volkslied over Kuzman kapidan (kapitein), een armatolos. Kozmas (zoals hij in Parličevs gedicht met een Griekse naam heet) is omgekomen in een homerisch gevecht tegen Albanese rovers. Albanezen brengen Kozmas’ lijk naar zijn woonplaats Galičnik en prijzen uitvoerig zijn heldenmoed. Kozmas’ moeder Nedha is uitzinnig van verdriet. De Albanezen beloven dat ze haar voortaan zullen beschermen. Nedha wil dat de Albanezen ophouden met roven. Dan volgt een lange scène met de begrafenis van Kozmas en de andere gesneuvelde armatoli. Maria, Kozmas’ verloofde, wordt gek van verdriet. Het hele verhaal, zo blijkt in de laatste strofe, wordt aan de dichter verteld door een blinde bedelaar langs de weg. In zijn rapport gaat juryvoorzitter Alexandhros Rangavis in op de literaire kwaliteiten van O Armatolos. Hij vindt ook: Zo’n poëma, dat zoveel ernstige verdiensten heeft, had misschien geen betrekking moeten hebben op een dorp in Albanië, maar in Griekenland en Griekenlands strijd een krans moeten verlenen. Maar laten we het dit niet verwijten! Als de auteur het zo gewild heeft, laat de stemmen van de Muzen ons dan af en toe bezoeken om ons eraan te herinneren dat ook elders, en ver van ons, onze volksgenoten leven met Griekse harten, Griekse zeden en een Grieks heldendom. In zijn autobiografie schrijft Parličev dat hij de prijs niet onmiddellijk heeft gekregen omdat ‘de in het poëma weerklinkende namen – Staïkos, Radhos, Nedha, Galesnik [Galičnik], Reka – niet Grieks roken’. De Griekse onderzoeker van de Atheense poëziewedstrijden Panayotis Moullas merkt op dat Parličev vermoedelijk juist daaraan zijn bekroning te danken heeft. Parličev is voor de Grieken het levende bewijs dat de bevolking van Macedonië en Albanië Grieks is. In de loop van 1860 verschijnt O Armatolos in boekvorm. In de opdracht aan ‘sponsor’ Evangelis Zappas is sprake van ‘oprechte hoogachting, een gevoel dat elk Grieks hart u verschuldigd is’, van ‘nog andere zeer rijke volksgenoten’, van ‘het grote doel van de

101


Helleense wedergeboorte’. In drie voetnoten geeft Parličev een curieus beeld van de etnische identiteit van de personages in zijn poëma. De gebeurtenissen doen zich voor in Galičnik in Reka, dat in voetnoot 1 omschreven wordt als ‘twintig dorpen ten noordoosten van Debar, bewoond door trotse Albanezen, die bijna als enigen [in Albanië] het orthodoxe geloof van hun voorvaderen bewaard hebben’. Zij leveren de armatoli, die de islamitische Gegen uit Debar en omgeving bestrijden. Dat betekent dat Kozmas, zijn familie en zijn dorpsgenoten Albanezen zijn; ze worden ook nergens Slaven genoemd. Uit voetnoot 2 blijkt dat de Albanezen in Reka zogenaamde crypto-christenen zijn: Turken [dat wil zeggen moslims], wanneer het om belastingen gaat, en opeens gedoopte christenen, wanneer het om de legerdienst gaat. Zij hebben ook dubbele namen: de ene wordt tijdens de plechtigheid aan de boreling gegeven door de imam en van die naam bedienen ze zich in het openbaar, en de andere – door de pope, die onverwijld de volgende avond geroepen wordt om vermomd, in het geheim, het doopsel toe te dienen. Voetnoot 3 is het meest intrigerend: Alle inwoners van Albanië zijn, zoals duidelijk blijkt uit hun denken, uitzicht, kleding, zeden en gewoonten, niets anders dan Grieken; allen zijn ze begaafd met een grote trots, scherpzinnigheid en adel. (…) De Turkse taal is nog onbekend in Albanië. Turken [dat wil zeggen moslims] en christenen hebben een gemeenschappelijke taal, behalve de beschaafdere stam van de Tosken, die vaak de voorkeur geeft aan het Grieks en het Griekse alfabet. Het is wenselijk dat de kenners van de Albanese taal zich bezighouden met de essentiële filologische vraag naar de verwantschap van het Albanees met het Oudgrieks, zodat ook op die manier de broederband getoond wordt van de Hellenen met de Albanezen, wier teloorgang Hellas beweent als de oude Niobe haar geroofde kinderen.

102


De personages van O Armatolos hebben dus Slavische namen, maar Parličev noemt ze Albanezen en beschouwt de Albanezen als Grieken. Overigens is in O Armatolos het verschil tussen ‘wij’ en ‘de anderen’ veeleer religieus dan etnisch: christenen staan tegenover moslims. In de zomer van 1860 geraakt Parličev ook verwikkeld in een onsmakelijke ruzie met de dichter Theodhoros Orfanidhis, die Parličev zijn bekroning misgunt. Parličev moet bij Orfanidhis, die ook hoogleraar plantkunde was, nog examen afleggen. Orfanidhis en Rangavis gaan tegen elkaar te keer in ingezonden stukken in diverse Atheense kranten; zij doen zoveel stof opwaaien dat zelfs de Brusselse krant Le Nord er op 10 juni 1860 een kort bericht over plaatst. Parličev, die inmiddels heeft afgezien van een carrière als arts en zich heeft laten inschrijven als student Griekse letterkunde, mengt zich in de polemiek. In een artikel in Fos (Licht) van 19 mei kwalificeert hij Orfanidhis’ gedichten als ‘opneemvodden’ en noemt Orfanidhis’ aantijgingen ‘beledigend voor heel Griekenland’. In zijn antwoord in Avgi van 27 mei insinueert Orfanidhis dat Parličev, die eigenlijk een Bulgaar is, werkt voor de Bulgaarse propaganda, en beweert ook dat het rectoraat van de universiteit daarnaar een onderzoek laat uitvoeren. De Bulgaren in Istanbul hebben zich begin april 1860 eenzijdig ‘onafhankelijk’ verklaard van het Patriarchaat, wat een zware klap betekent voor de Griekse expansieplannen in noordelijke richting; de ‘Bulgaarse propaganda’ ligt op dat moment in Athene dus heel gevoelig. In Fos van 1 juni repliceert Parličev: Ik heb vijftien jaar doorgebracht in ononderbroken dienst aan Griekenland, terwijl jij, toen je nog jong was, op schandelijke wijze rondzwierf in de straatjes van Athene; ik verspreidde de Griekse taal in gebieden waar ze geheel onbekend is, en ik vormde er duizenden jongeren mee, terwijl jij, toen je jong was, alleen jezelf vormde. (…) Inderdaad, ik ben een Bulgaar, maar ik heb Grieksere gevoelens en een Griekser hart dan jij, die scheldt. Op 15 juni verschijnt in Athina nog een laatste inzending van Parličev in dezelfde geest. De polemiek wordt min of meer afgesloten met een sussende, maar veelzeggende beschouwing van Konstandinos Levidhis in Elpis (Hoop) van 21 juni. Hij wijst Orfanidhis

103


terecht, noemt de Bulgaren ‘beminde leden van de Griekse familie’ en besluit: ‘Als we logisch redeneren, dan moeten we deze jongeman zelfs zonder aarzelen beschouwen als een apostel van het hellenisme, een onverzoenlijke vijand van elke propaganda (…).’ In 1861 gaat de poëziewedstrijd niet door. In 1862 dingt Parličev opnieuw mee naar de prijs met lange fragmenten (samen 3793 verzen) uit het nog onvoltooide epos Skendherbeïs over de 15e-eeuwse Albanese nationale held Skenderbey. Ook in dit homerische epos vol slachtpartijen gaat het in de eerste plaats om een conflict tussen christenen en moslims. Etniciteit blijkt van bijkomstig belang: in de rangen van de christenen strijden Albanezen, Grieken, Montenegrijnen en andere Slaven. Skenderbey zelf is een Albanees, maar dat kan voor Parličev, zoals we zagen, ook ‘Griek’ betekenen. Skendherbeïs wordt niet bekroond. Parličev is trouwens al vóór de dag van de bekendmaking van de naam van de laureaat teruggekeerd ‘naar huis’, naar Ohrid. Na zijn terugkeer uit Athene identificeert Parličev zich niet langer met het Griekendom, maar is hij een Bulgaarse nationalist geworden. We weten niet hoe de ommekeer precies gebeurd is; wat we kunnen lezen in de Avtoviografija is onbetrouwbaar. Heeft Parličev in Athene gevoeld dat de Grieken hem nooit als een gelijke zouden aanvaarden? Hebben hun denigrerende opmerkingen aan het adres van de Slaven hem van de weeromstuit ‘Bulgaar’ gemaakt? Hebben zijn onprettige persoonlijke ervaringen met de Griekse intellectuele elite hem een afkeer van het Griekendom ingeboezemd? De doorslag geeft, althans volgens de Avtoviografija, het bericht dat zijn ‘geliefde leermeester’ Dimitar Miladinov in Istanbul door toedoen van de Griekse geestelijkheid in de gevangenis overleden is. Terug in Ohrid wordt Parličev leraar aan de centrale Griekse klassenschool. In de winkel van Grupčev geeft nu iemand les in het cyrillische alfabet en de Kerkslavische taal – de taal van de Slavische liturgie en de Slavische cultuurtaal. Parličev is één van de leerlingen. Hij bestudeert ook de Bulgaarse geschiedenis en vertelt erover aan zijn leerlingen. In 1864 houdt Parličev de eerste van een lange reeks ‘vurige redevoeringen tegen de Griekse geestelijkheid’ in het Bulgaars (of beter: het dialect van Ohrid). Zijn mikpunt is vermoedelijk de bisschop van Ohrid, Meletios, een Griek, die zich schuldig maakt aan corruptie en liederlijk gedrag. In dezelfde tijd sturen de inwoners van Ohrid via de gilde van de bontwerkers en -

104


handelaren vele petities naar het Patriarchaat van Constantinopel om het ontslag van Meletios te eisen. In de plaats willen ze een Bulgaarse bisschop. De Russische archimandriet Antonin, die destijds getuige was van het incident in de Russische kerk in Athene, ontmoet Parličev op doorreis in Ohrid in 1865. Hij schrijft in zijn reisverslag: Na de terugkeer van de dichter naar zijn obscure vaderland, waaide de geest van het stamgevoel het Helleense ultramontanisme van hem af. Hij zou nu blij zijn iets voor zijn volksgenoten te kunnen doen, maar hij vermag niets, doordat zijn hele wetenschappelijke vorming in het Grieks gebeurde. Op 16 juni 1866 houdt Parličev naar aanleiding van de examens in de Griekse klassenschool een lange redevoering, waarin hij oproept tot vaderlandsliefde: ‘Een mens die niet méér van zijn vaderland houdt dan van zijn vader en zijn moeder en van zichzelf, kan geen rechtschapen mens zijn.’ Op initiatief van Parličev besluit de gilde van de bontbewerkers en -handelaars een deel van haar inkomsten af te staan voor de bouw van een Bulgaarse school. Ondertussen blijven de inwoners van Ohrid aanklachten tegen bisschop Meletios naar het Patriarchaat sturen. Twee gezanten van de patriarch overtuigen zich in Ohrid ter plekke van de gegrondheid van die aanklachten, maar de patriarch onderneemt niets. Op woensdag 10 mei 1867, halverwege Pasen en Pinksteren, wanneer volgens de traditie de liturgie gecelebreerd wordt in één kerk in aanwezigheid van alle geestelijken en gelovigen, houdt Parličev nogmaals een ‘vurige redevoering’. Hij betoogt dat de inwoners van Ohrid hun geestelijke dorst, die door Christus gelaafd wordt, niet kunnen lessen omdat zij de taal waarin de boodschap van Christus in de kerk gebracht wordt, het Grieks, niet kunnen verstaan. Hij roept hen op om in navolging van de Bulgaren in andere steden Bulgaarse scholen te openen. Maar veel succes heeft hij vooralsnog niet. Op diezelfde 10e mei schrijft hij in een brief aan Petko Slavejkov in Istanbul: ‘Helaas zijn de leiders van de mensen van onze partij gespeend van, ik zal niet zeggen verstand, maar van stoutmoedigheid, en kunnen ze zich moeilijk losmaken van het Patriarchaat, niet zozeer uit ontzag ervoor, als wel uit angst.’ En de volgende dag in een brief aan zijn beschermer Nikola Robev in Bitola: ‘De belangrijkste burgers en leiders van de beweging tegen

105


Meletios zijn bevangen door een grote onverschilligheid en een lafhartige angst.’ Maar er is meer: een groot deel van de vergriekste Bulgaarse en Vlachse burgerij wil wel van Meletios af, maar niet per se van het Patriarchaat. Op zaterdag 27 mei wordt in de school bij de H. Klimentkerk een compromisvoorstel van Nikola Robev besproken: het herstel van het autocefale aartsbisdom van Ohrid zou zowel voor de voorstanders van het Patriarchaat als voor de tegenstanders ervan, die een aparte Bulgaarse kerk willen, aanvaardbaar zijn. Parličev verdedigt het voorstel. De volgende dag wordt het compromisvoorstel goedgekeurd door het opgetrommelde volk. Er gaat een verzoekschrift naar de sultan, dat de stempels draagt van alle wijken, gilden, kloosters en omliggende dorpen – een verzoekschrift dat ‘in ellen niet meer kon gemeten worden’. In 1867 spreekt Parličev de kerkgangers vrijwel elke zondag toe. Hij houdt patriottische redevoeringen, schrijft petities en strijdliederen, leidt vergaderingen en blijft ondertussen zijn lessen geven aan de Griekse school. Hij legt ook de laatste hand aan een aantal polemische teksten, waarin hij de vloer aanveegt met de antieke Griekse cultuur. Parličev voelt zich goed in zijn rol van politieke leider. ‘Plotseling en ongedwongen’, schrijft hij op 3 juni aan Nikola Robev, ‘werd ik van leraar prediker en mijn pathetische redevoeringen ontroerden het volk (…). Mijn beste! Ik geloof dat het paradijs iets aangenaams is, maar ik denk dat de genegenheid van het volk niet minder begerenswaardig is (…).’ Zijn activiteiten trekken de aandacht van de rijke Bulgaarse handelaar Nikola Toškov in Odessa. Toškov blijkt bereid de financiële middelen te leveren voor een Bulgaarse meisjesschool in Ohrid. In 1868 komt de breuk met het Patriarchaat. Naar aanleiding van de zoveelste wandaad van Meletios – de ontvoering van de vrouw van een Vlachse seizoenarbeider – trekt in Istanbul een delegatie van vijf Ohridse bonthandelaars – waarvan één verkleed als een Albanees veekoopman, als ‘vertegenwoordiger van de Albanezen in het bisdom’ – naar het Patriarchaat met een verzoekschrift om Meletios af te zetten. Wanneer een lid van de synode Meletios’ gedrag verontschuldigt met een verwijzing naar Christus en de Samaritaanse, houdt de delegatie het voor bekeken. Ze verklaren ‘geen kinderen meer te zijn van de Grote Kerk’. Na de opening van de door Toškov gesponsorde Bulgaarse meisjesschool besluiten de notabelen, gesteund door de bontwerkers-

106


gilde, ook in de andere Ohridse scholen het Bulgaars als onderwijstaal in te voeren. Ze willen graag Parličev als leraar aanstellen, maar dat kan niet zomaar: Parličev is onvoldoende vertrouwd met de – zich op dat moment nog vormende – Bulgaarse standaardtaal en met het Kerkslavisch. (Hij zal tot het einde van zijn leven zijn correspondentie bij voorkeur in het Grieks voeren.) Om daar iets aan te doen gaat hij, hoewel pasgehuwd, op kosten van de gilde van mei tot november 1868 studeren aan de school van de Bulgaarse gemeenschap in Istanbul. Wanneer hij na zijn terugkeer op het punt staat zijn werkzaamheden aan de ‘gebulgariseerde’ centrale klassenschool aan te vatten, komt Meletios in het geweer: de Ohridse notabelen zouden niet de bevoegdheid hebben zonder zijn instemming leraren aan te stellen. Op instigatie van Meletios wordt Parličev op 27 november door de Osmaanse overheid als onruststoker gearresteerd. Hij verblijft tot 15 januari 1869 in de gevangenis van Debar. Het smeuïge relaas van zijn avonturen in de gevangenis beslaat een groot deel van zijn Avtoviografija. Op 15 januari wordt hij vrijgelaten, nadat een gezantschap uit Ohrid een verzoekschrift met de stempels van alle Ohridse wijken, 50 lire smeergeld en twee karrenvrachten forellen uit het meer van Ohrid bij de gouverneur heeft afgegeven. Op 18 januari wordt Parličev opnieuw gearresteerd – hij moet nog een boete betalen – en blijft tot april 1869 onder huisarrest in de bisschoppelijke residentie in Debar. Overigens in prettige omstandigheden, want de bisschop van Debar, een Albanees, koestert een bijzondere genegenheid voor Parličev omdat die in O Armatolos de Albanezen om hun respect voor het heldendom geprezen heeft. In de loop van 1869 worden de Ohridse kerken en scholen eindelijk ‘gebulgariseerd’. Vanaf 27 mei wordt de naam van Meletios niet meer genoemd in de litanie, wat erop neerkomt dat hij niet meer als bisschop erkend wordt. Naar het voorbeeld van wat in andere steden gebeurd is, neemt de ‘Bulgaarse kerk- en schoolgemeente’ het bestuur van de kerken en scholen over. Op 14 september worden ook de Griekse leraren uit de centrale school verjaagd. De oudste leerlingen laten zich, op voorstel van Parličev, ’s avonds in het schoolgebouw opsluiten en bekogelen de volgende ochtend de Griekse leraren met boeken, schrijftabletten en ander schoolgerief. Na het opruimen van de rommel en de wijding beginnen de lessen in het Bulgaars. Ook de andere scholen worden in de loop van de volgende dagen zonder incidenten ‘gebulgariseerd’. Ove-

107


rigens blijven er enkele Griekse scholen bestaan, die bekostigd worden door de Griekse gemeenschap in de stad en door het Patriarchaat – via Meletios, die nog steeds in de stad verblijft. Parličev en enkele van zijn strijdmakkers worden aangesteld als eerste Bulgaarse leraren in de Ohridse centrale school. Parličev houdt zich de volgende jaren vooral bezig met zijn werk op de school. Maar er moeten nog achterhoedegevechten tegen Meletios en zijn aanhang geleverd worden om het bezit van school- en kerkgebouwen en kloosters. Begin maart 1870 raakt in Ohrid bekend dat de sultan voorgesteld heeft een aparte Bulgaarse kerk, in de vorm van een Bulgaars Exarchaat, te creëren. Dat brengt grote vreugde in de stad. Parličev verkeert even in de waan dat de sultan ook het herstel van het autecefale aartsbisdom overweegt, maar dat blijkt niet het geval te zijn. De inwoners van Ohrid sturen dan een petitie naar de sultan waarin zij vragen ook het bisdom van Prespa en Ohrid bij het Bulgaarse Exarchaat te voegen. Nadat de sultan in 1872 definitief zijn fiat gegeven heeft aan de stichting van het Bulgaarse Exarchaat, begint Parličev met de organisatie van een referendum. Bisdommen kunnen immers aansluiten bij het Exarchaat indien uit een referendum blijkt dat meer dan tweederde van de (christelijke) bevolking dat wil. Nog datzelfde jaar heeft het referendum plaats – met het gewenste resultaat. De Bulgaarse Exarch Antim wijdt Natanail van Zograf tot bisschop van Ohrid en Prespa, maar het zal nog tot in maart 1874 duren voor de sultan de aanstelling bekrachtigt. Als gevolg van de economische crisis en het gehakketak tussen de gemeente, het Exarchaat en het Patriarchaat, gaat het slecht met het Ohridse onderwijs. Er is geen geld voor leerboeken en voor de salarissen van de leraren. Parličev zoekt een andere baan als leraar in Bitola, maar hij kan het met de schoolopzieners niet eens worden over het salaris. Hij solliciteert ook naar een baan als klerk op het telegraafkantoor in Bitola. In zijn in het Frans gestelde sollicitatiebrief vraagt hij naar de omvang van het salaris, erop wijzend dat ‘la colère fatale d’Achille’ veroorzaakt werd door het feit dat ‘ses services n’étaient pas bien reconnues’. Hij wordt niet aangenomen. Parličev bemoeit zich in de loop van 1870 ook met een ruzie, die op de bladzijden van de kranten Makedonija en Pravo (Recht) is uitgebroken rond het gebruik van de ‘Macedonische’ leerboeken van Kuzman Šapkarev in Prilep. Nikola Eničerov, een onderwijshervormer uit Plovdiv, is gekant tegen het gebruik van die leerboe-

108


ken en verwijt Šapkarev alleen maar op winst uit te zijn. Eničerov krijgt gelijk van een anonieme briefschrijver uit Veles, die en passant ook de nationale beweging in Ohrid een veeg uit de pan geeft. Hoewel Parličev en Šapkarev aartsvijanden zijn, breekt Parličev toch een lans voor Šapkarevs leerboeken. Wanneer later Petar Šapkarev, broer van Kuzman, de directrice van de meisjesschool in Ohrid aanvalt, springt Parličev voor háár op de bres. Hij verwijt Petar dat hij de meisjesschool aanvalt omdat daar de leerboeken van Šapkarev niet gebruikt worden. Het is duidelijk dat Parličev over het gebruik van de Macedonische leerboeken eigenlijk geen mening heeft. Het enige wat hij consequent doet is de Ohridse scholen verdedigen tegen alle aantijgingen. Parličev schrijft in deze periode een aantal teksten over opvoedkunde, in de geest van de Verlichting, deels vertaald uit het Frans of het Grieks. Een advertentie in Pravo van 20 juli 1870 kondigt het verschijnen aan van een bundeltje kindergedichten, maar de publicatie gaat niet door. Ze verschijnen pas na zijn dood. In die gedichten waarschuwt Parličev tegen vraatzucht, onoplettendheid, luiheid en dergelijke ondeugden aan de hand van naturalistische beschrijvingen van verminkingen en ongevallen met dodelijke afloop, waarbij zijn medische opleiding hem aardig van pas komt. Parličev denkt aan een comeback als literator. Hij vertaalt O Armatolos in een taal die hij ‘algemeen-Slavisch’ noemt en die nog het best als een zeer door het Ohridse dialect gekleurde, persoonlijke versie van het Kerkslavisch kan omschreven worden. Parličev kende onvoldoende Bulgaars om een aanvaardbare Bulgaarse vertaling/bewerking te maken. Anderzijds beschouwde hij zijn ‘algemeen-Slavisch’ als de Slavische tegenhanger van de Griekse avstiri katharevousa, een geleerde en verheven taal, bij uitstek geschikt voor epische gedichten. Van de noodzaak van zo’n taal is hij even overtuigd ‘als de ballonvaarders zijn dat de mens ooit reizen zal maken in een ballon’. Medio 1870 vraagt Marko Balabanov, redacteur van het tijdschrift Čitalište (Leeszaal) in Istanbul, aan Parličev of hij een vertaling wil maken van de Ilias. Parličev aanvaardt het voorstel; hij schrijft in een brief (naderhand in Čitalište gepubliceerd als inleiding bij de vertaling) dat hij ‘vrij zal vertalen en streng zal zijn voor alles wat overbodig is, zodat de handeling met reuzenschreden vordert’. ‘Homeros, goed vertaald in het Bulgaars, zal overal tonen dat we levende en achtenswaardige Bulgaren zijn,’ schrijft hij nog. Wat hij onder ‘Bulgaars’ verstaat blijkt enkele regels verder: ‘Ach,

109


kende ik maar beter Oudbulgaars!’ Hij koestert blijkbaar het onzalige voornemen om de Ilias in zijn zelfbedachte ‘algemeen-Slavisch’ te vertalen! De redactie van Čitalište brengt hem niet op andere gedachten, maar stuurt hem een Grieks-Russisch woordenboek en de (Russische) Ilias-vertaling van Gnedič toe. Modern Russisch staat in vele opzichten dichter bij het Oudbulgaars (Kerkslavisch) dan het moderne Bulgaars. Daardoor stuurt de redactie van Čitalište Parličev helemaal de verkeerde kant op. Parličevs vertaling verschijnt in afleveringen in Čitalište in de jaargangen 1870-1871. Parličev heeft niet de hexameter gebruikt, maar de deseterec – een tienlettergrepig vers dat veel voorkomt in de Zuid-Slavische volkspoëzie. Daarnaast gaat het veeleer om een samenvatting dan om een vertaling. Van de eerste zang blijft iets meer dan de helft over; van de tweede zang een derde. De taal is het ‘algemeen-Slavisch’, maar Parličev past de grammaticale regels van ‘zijn’ taal niet eens consequent toe. De vertaling is een catastrofe. Nešo Bončev, een erudiet en gevreesd criticus, bespreekt in Periodičesko spisanie (Periodiek tijdschrift) de eerste jaargang van Čitalište, waarin ook de Ilias-vertaling van Parličev is verschenen. Bončev stelt aan literaire vertalingen hoge professionele eisen en is een overtuigd voorstander van het gebruik van de Bulgaarse standaardtaal. Parličevs vertaling vindt in zijn ogen dan ook geen genade: ‘Parličev heeft Homerus niet vertaald, maar kaalgeschoren,’ vindt hij. Het langst staat Bončev stil bij de vertaaltechnische feilen, maar hij wijst ook op woorden die ‘vreemd zijn aan onze taal’ en woorden die hij niet kan begrijpen. Daar zitten Kerkslavische en zelfbedachte, maar ook Macedonische woorden bij. Na Bončev maken nog enkele Bulgaarse critici zich vrolijk over Parličev. ‘Zeg eens, lege kalebas, als je geen Bulgaars kent, welke duivel zet je er dan toe aan om een Bulgaars literator, Bulgaars dichter en Bulgaars verlichter te worden?’ vraagt Ljuben Karavelov zich af in A znae li G. Parličev što e obrazovanie (Weet G. Parličev eigenlijk wel wat opvoeding is?) – een stukje naar aanleiding van de advertentie van de kindergedichten in Pravo. En Hristo Botev, Bulgarijes grootste 19e-eeuwse dichter, wijdt in het humoristische gedicht Zašto ne sam ? (Waarom ben ik niet ?) aan Parličev volgende strofe: Waarom ben ik niet Parličev, dat ik de Ilias vertaal,

110


maar dan in zo’n vertaling, waarvoor ik slaag verdien. Parličev is verbitterd. Zijn hoop om als Bulgaars schrijver erkenning te vinden, is de bodem ingeslagen. Maar ook de afwijzing van zijn taal en van de Macedonische particularismen in die taal heeft hem gekrenkt. In Mečta na edin starec (Droom van een oude man), waarin hij in 1884 de balans van zijn leven opmaakt, laat hij de ‘Bulgaarse genius’, met wie hij een gesprek voert, zeggen: ‘Ik houd van alles wat de Macedoniërs, die zoveel geleden hebben, schrijven en wel omdat ik in hun dialect veel originele vormen vind.’ In 1879, wanneer hij in Sofia op bezoek is bij minister van Cultuur Marin Drinov, zegt Parličev provocerend in het ‘Macedonisch’ dat hij ‘pred nekolko daana’ (voor enkele dagen) is aangekomen. ‘Spreekt men zo bij u, mijnheer?’ vraagt Drinov, waarop Parličev ‘als door een naald gestoken’ opspringt en de kamer verlaat met de mededeling: ‘Ik heb niets te maken met Šoppen.’ Tien jaar later ondertekent hij zijn vertaling van de Hymne van Homerus en Callimachus met ‘Gr. S. Parličev, vermoord door de Bulgaren’. Op 16 april 1874 arriveert bisschop Natanail, vertegenwoordiger van het Bulgaarse Exarchaat, in Ohrid. Hij wordt letterlijk met vlag en wimpel ingehaald; schoolkinderen zingen voor hem een door Parličev geschreven welkomstlied. Parličev spreekt de bisschop in naam van de hele stad toe. Natanail is een tamelijk erudiet en vooral een doortastend man. Al in de zomer van 1874 roept hij de leden van de gemeenteraad, de schoolopzieners en de leraren samen om met hen een hervorming van het Ohridse onderwijs te bespreken. De mensen uit Ohrid zijn tegen: onderwijs is hún bevoegdheid, ze hebben geen geld voor nieuwlichterij en vooral niet de opleiding en de ervaring om de voordelen van Natanails hervormingsplannen in te zien. Ook Parličev verzet zich tegen de plannen van de bisschop. Hij noemt hem ‘vierkante kop’ en ‘Mongool’. ‘In enkele dagen,’ schrijft hij, ‘vernielde Natanail het bouwwerk van het volk, dat opgetrokken was met onbeschrijflijke heldendaden en offers.’ Maar Parličev krijgt blijkbaar niet voldoende steun en moet het onderspit delven. Hij wordt ontslagen uit de centrale school, vindt een baan in een wijkschool, maar moet in 1878 ten slotte ook daar zijn ontslag geven. Bisschop Natanail is al een jaar daarvoor naar Istanbul teruggeroepen. Zonder veel enthousiasme gaat Parličev naar het inmiddels on-

111


afhankelijk geworden Bulgarije op zoek naar werk. Hij krijgt in augustus 1879 van het ministerie van Onderwijs een aanstelling als leraar Grieks aan het prestigieuze gymnasium van Gabrovo. Hij houdt er ‘vurige toespraken’ over het droevige lot van Bulgarije, ‘dat in vijf stukken is gereten’, over het lijden van Thracië en Macedonië, over de taak van de leerlingen later hun broeders te gaan bevrijden. Maar al in december vraagt hij zijn overplaatsing. Hij is te oud en te zwak, kan niet tegen de kou, lijdt aan ‘melancholie’, waarmee hij ongetwijfeld ‘nostalgie’ bedoelt, en heeft moeite met het plaatselijke dialect (dat het standaard Bulgaars dicht benaderd). Op zijn leerlingen maakt het indruk dat hij tijdens de lessen altijd ‘zuiver Ohrids’ spreekt; hij is niet in staat ‘Bulgaars’ te spreken. Op 1 juli 1880 krijgt hij een nieuwe betrekking als ‘jongste assistent’ in de Nationale Bibliotheek in Sofia. Weer is Parličev ontevreden. De Nationale Bibliotheek is ondergebracht in een geconfisqueerde moskee – een donkere, vochtige ruimte, slecht verlucht en vergeven van de muizen. Door zijn bijziendheid doen zijn ogen pijn van het vele lezen en schrijven. Op 15 september wordt hij op eigen verzoek ontslagen. Het Bulgaarse ministerie van Onderwijs geeft hem dan een baan als leraar in Bitola in Macedonië. In de zomer van 1882 plaatst het ministerie hem over naar de klassenschool in Ohrid, maar daar willen ze hem niet. De notabelen vinden dat hij een deel van zijn salaris moet afstaan aan de noodlijdende Ohridse scholen – Parličev ontvangt dankzij de extra’s van het Bulgaarse ministerie en het Exarchaat maandelijks viermaal het gemiddelde salaris dat in Ohrid aan de leraren uitbetaald wordt –, maar hij weigert. Parličev is nochtans zeer vertrouwd met de deplorabele situatie van de Ohridse scholen; hij beschrijft ze uitvoerig in een als ‘sociologisch opstel’ bekende tekst en hekelt de ouders die hun kinderen naar de kosteloze Griekse scholen sturen. Parličevs laatste standplaats is Thessaloniki, waar hij van 1883 tot 1890 – erg lang voor zijn doen – Grieks geeft aan het Bulgaarse gymnasium. Hij is in Thessaloniki wanneer aan het gymnasium onlusten uitbreken tussen radicale en gematigde leraren en studenten, of tussen ‘Macedoniërs’ en ‘Bulgaren’. Hij is bevriend met sommigen van de radicale Macedonische nationalisten, maar of hij zelf partij gekozen heeft, blijft onduidelijk. In een redevoering die hij houdt op 22 juni 1883 in Thessaloniki heeft hij het over het geweeklaag ‘van het hele Bulgaarse volk van Thessaloniki tot aan de Donau, van Boboštica [een dorp in Zuid-Albanië] tot Varna [aan

112


de Zwarte Zee]’ – zowaar ‘Groot-Bulgarije’! Maar later, vermoedelijk in 1885, zegt hij tot de Bulgaarse leraren die door het Exarchaat in Thessaloniki aangesteld werden: Dank aan u, mijn lieve collega’s, die uw vaderland verlaten hebt en gekomen bent om ons vaderland, of beter gezegd het vaderland van de HH. Cyrillus en Methodius te dienen (…) Moeder Macedonië is erg verzwakt. Sinds zij Alexander de Grote baarde, sinds zij de HH. Cyrillus en Methodius baarde, ligt moeder Macedonië op haar bed, verschrikkelijk uitgeput, geheel de dood nabij. Zal een moeder, die een grote zoon gebaard heeft, er nog een andere kunnen baren? (…) Maar wat zeg ik? Ik vergis me! Vergeef me. Zeggen dat Macedonië geen grote mannen meer kan baren is een belediging. Integendeel, Macedonië is vruchtbaar en onuitputtelijk kroostrijk. Zo mooi als haar bloemen, zo mooi als haar bomen, zo mooi zijn ook haar kinderen: mooi en wakker en scherpzinnig. Hier blijkt het vaderland alleen maar Macedonië te zijn. In 18841885 schrijft Parličev Mečta na edin starec (Droom van een oude man) en Avtoviografija – twee weinig betrouwbare egodocumenten, die hier en daar de sporen dragen van diezelfde twijfel tussen Bulgarije en Macedonië, maar toch een overwegend Bulgaars stempel dragen. In 1890 gaat Parličev met pensioen. Zijn laatste levensjaren brengt hij door in Ohrid. Hij sterft op 25 januari 1893, mede als gevolg van chronisch alcoholisme. Hij wordt begraven naast de H. Klimentkerk in Ohrid. ‘Bulgaar of Macedoniër die in het Grieks over Albanezen schreef’ zou er op de grafsteen kunnen staan. Maar er staat alleen een naam op en twee jaartallen. Parličevs Griekse epen worden in Griekenland door niemand nog gelezen, maar ze zijn vertaald in het Bulgaars en het Macedonisch; Skendherbeïs ook in het Albanees. Zijn verzameld werk is beschikbaar in het Bulgaars. In Macedonië verschenen voornamelijk ‘hertalingen’. Zijn autobiografie werd onlangs ook in het Grieks uitgegeven, door een wat alternatieve uitgeverij. Het aantal studies in het Bulgaars en het Macedonisch over Parličev is legio. Hij wordt door beide volken opgeëist als ‘nationale dichter’. Parličevs zoon Kiril werd lid van de vmoro en nam deel aan de Ilinden-opstand. Parličevs nakomelingen leven in Skopje en Sofia. 113


7 ‘La Macédoine déchirée’17

Bulgarije

T

IJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG KOOS Bulgarije de kant van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije en annexeerde Servisch Macedonië. Maar de oorlog liep slecht af voor Bulgarijes bondgenoten – en daardoor ook voor Bulgarije. Op 29 september 1918 tekende de Bulgaarse gevolmachtigde minister in Thessaloniki een wapenstilstand met de geallieerden. Op 15 september hadden de Engelse, Franse en Servische troepen bij Dobro Pole een gat geslagen in de Bulgaarse frontlijn en de Bulgaarse troepen naar het noorden verdreven. Twee weken later bevond heel Servisch Macedonië zich onder de controle van geallieerde en Servische troepen. Agitatoren van de Bulgaarse Sociaal-Democratische Arbeiderspartij – de toekomstige Balgarska Komunističeska Partija (bkp, Bulgaarse Communistische Partij) en van de Boerenpartij organiseerden de vluchtende soldaten en het scheelde weinig of de muitende soldaten hadden Sofia ingenomen. Twee Duitse divisies en de Bulgaarse hoofdstedelijke divisie sloegen de opstand begin oktober bloedig neer. Tsaar Ferdinand, die een grote verantwoordelijkheid droeg voor de Bulgaarse betrokkenheid in de oorlog, moest aftreden en verliet op 3 oktober voor altijd het land. Hij werd opgevolgd door

115


zijn zoon Boris III (1894-1943). Premier werd Aleksandar Stambolijski (1879-1923), leider van de machtige Boerenpartij, die zich altijd fel tegen Bulgaarse deelname aan de oorlog verzet had. Stambolijski leidde ook de Bulgaarse delegatie bij de vredesonderhandelingen in Parijs in 1919. Veel meer dan de schade beperken kon hij niet doen. Bulgarije werd samen met de andere verliezers zwaar gestraft. Het resultaat was een zoveelste ‘nationale catastrofe’. Het Verdrag van Neuilly, dat op 27 november 1919 ondertekend werd, legde Bulgarije enorme herstelbetalingen op aan Servië (vanaf 1918 Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen; vanaf 1929 Joegoslavië) en Griekenland en beperkte drastisch de omvang van het Bulgaarse leger. Maar het ergst waren de territoriale verliezen. Bulgarije had, zoals al in het wapenstilstandsakkoord van 29 september 1918 beloofd, alle bezette gebieden, inclusief Servisch Macedonië, ontruimd. In het westen verloor het vier districten aan Joegoslavië, waarvan het meest zuidelijke en het grootste het gebied rond de stad Strumica in Macedonië was. De zuidelijke Dobrudža, die Bulgarije tijdens de oorlog weer aangehecht had, moest aan Roemenië teruggegeven worden. Het rampzaligst echter was het verlies van West-Thracië, dat economisch van groot belang was wegens de tabaksteelt en meer nog wegens de uitgang naar de Egeïsche Zee via de havenstad Dedeagaç (Alexandhroupoli). West-Thracië was tijdens de oorlog door de geallieerden bezet en werd in 1920 door het Verdrag van San Remo toegewezen aan Griekenland. De Bulgaarse regering streefde naar normalisering van de relaties met de buurlanden en naar het doorbreken van het diplomatieke isolement waarin het land zich na de Eerste Wereldoorlog bevond. Vooral Stambolijski voerde een verzoenend beleid in de hoop de geallieerden daarmee te bewegen de herstelbetalingen althans ten dele kwijt te schelden. Een groot probleem daarbij vormden de četas van de Vatrešna Makedonska Revoljucionna Organizacija (vmro, Interne Macedonische Revolutionaire Organisatie), die vanuit Bulgarije, meer bepaald vanuit de streek rond Petrič bij het Bulgaars-Grieks-Joegoslavische drielandenpunt, opereerden op Grieks en Joegoslavisch grondgebied. Stambolijski zette alle middelen in – ook militaire – om de vmro uit te schakelen. In maart 1923 ondertekende hij in Belgrado het Bulgaars-Joegoslavische Akkoord van Niš over de veiligheid van de grenzen, dat de bewegingsvrijheid van de četas erg beperkte. De vmro was furieus. Toen de komitadžijas Stambolijski enkele dagen na de staats-

116


greep van 9 juni 1923 tegen de Boerenpartij te pakken kregen, hakten ze hem de hand af waarmee hij het akkoord getekend had, alvorens hem af te maken. De vmro was de opvolger van de vooroorlogse vmoro. De O van ‘Odrinski’ (Adrianopolitaans) was verdwenen; de ‘bevrijding’ van de streek rond Edirne (Adrianopel) was geen prioriteit meer. De vmro was gesticht in het najaar van 1919 door Todor Aleksandrov (1881-1924) en Aleksandar Protogerov (1867-1928), twee beruchte četa-leiders, die ook carrière gemaakt hadden in het Bulgaarse leger. Beiden waren in 1919 door Stambolijski gearresteerd op beschuldiging van oorlogsmisdaden, maar konden al een week later ontsnappen en verbleven daarna jarenlang in het buitenland. De vmro streed voor de ‘bevrijding’ van die delen van Macedonië welke door Griekenland en Joegoslavië ingelijfd waren. In haar talrijke publicaties kwam de vmro op voor een ‘autonoom’ Macedonië, maar het was voor iedereen duidelijk dat ze eigenlijk de annexatie van Macedonië door Bulgarije nastreefde. In die zin was de vmro de voortzetting van het vooroorlogse vk. Bondgenoten van de vmro in Joegoslavisch Macedonië waren de Albanese çetas. Het beproefde strijdmiddel bleken nog steeds terroristische aanslagen te zijn, vooral in Griekenland en Joegoslavië. In Bulgarije zelf belaagde de vmro politici en andere publieke figuren, die ten aanzien van de ‘Macedonische kwestie’ onvoldoende vastberadenheid aan de dag legden. Op den duur vormde de vmro in Bulgarije een staat in de staat; ze oefende een welhaast onbeperkte controle uit over Bulgaars Macedonië en voerde de plak in Sofia. De vmro beschikte over een leger van ca. 9000 man, vaardigde wetten uit, sprak recht, voerde doodvonnissen uit, inde belastingen en dergelijke (Banac 1984: 322). Ze rekruteerde haar leden vooral onder ca. 200.000 vluchtelingen uit Macedonië, Thracië en de Dobrudža, die Bulgarije waren binnengestroomd. Door haar nauwe contacten met het hof en met bepaalde rechtse partijen en door haar deelname aan de staatsgreep van 9 juni 1923 en de onderdrukking van de daaropvolgende communistische opstand in september 1923, had de vmro machtige beschermers gewonnen, maar tegelijk een groot deel van de sympathie van de bevolking en de linkse intellectuelen verloren. Om de steun van deze laatsten terug te winnen deed de vmro-leiding concessies aan de linkse stroming binnen de vmro, de erfgenamen van de ‘Serresgroep’ van Jane Sandanski, nu aangevoerd door diens vertrouwe-

117


ling Todor Panica. Stambolijski steunde deze vleugel tegen de machtige leider van de vmro, Todor Aleksandrov. Beide stromingen bestreden elkaar op leven en dood. In 1922 liet Aleksandrov de četas van de ‘linksen’ onschadelijk maken en joeg Panica en zijn medestrijders het land uit. Panica zette zijn politieke activiteiten in Wenen voort. De ‘linkse stroming’ huldigde een federale oplossing van de ‘Macedonische kwestie’: Macedonië moest een deelstaat worden van een grote Balkanfederatie, waartoe minstens ook Bulgarije en Joegoslavië zouden behoren. Die Macedonische deelstaat zelf moest, althans volgens wat de voortvarende Dimo Hadžidimov (18751924) in zijn Nazad kam avtonomijata (Terug naar de autonomie) in 1919 uiteenzette, georganiseerd worden naar het model van Zwitserland, als een ‘verticale unie van gemeenschappen’, wier vertegenwoordigers met elkaar zouden beraadslagen in West-Europa of Amerika in het Esperanto. (Banac 1984: 324) Maar niet alle federalisten waren zulke fantasten. De linkse stroming binnen de vmro ging hoe langer hoe nauwer samenwerken met de bkp. De communisten hadden, ook in Griekenland en Joegoslavië, aanvankelijk weinig belangstelling gehad voor ‘nationale’ problemen, maar vanaf 1920 begon de Komintern, het Moskouse hoofdkwartier van de internationale communistische beweging, met de export van de sovjetoplossing voor minderhedenvraagstukken: de federatie. Met het oog op de toekomstige communistische wereldgemeenschap moesten ook de Balkanstaten gereorganiseerd worden tot een ‘unie van sovjetrepublieken’. Nog in 1920 vormden de communistische partijen van Bulgarije, Griekenland en Joegoslavië in Sofia de Balkanska Komunističeska Federacija (bkf, Balkan Communistische Federatie), waarin de Bulgaarse communisten het hoge woord voerden. Die idee van een Balkanfederatie ter vervanging van de bestaande staten vond in Bulgarije, dat wrokkig was om het verlies van het grootste deel van Macedonië, nog enige bijval, maar de Griekse en Joegoslavische communisten konden zich daarmee in hún land niet populair maken. De bkf had contacten met de Makedonska Federativna Organizacija (mfo, Macedonische Federalistische Organisatie). Binnen de mfo waren Todor Panica, Dimitar Vlahov (1878-1953) en Dimo Hadžidimov de sleutelfiguren. Vermoedelijk op instigatie van de bkf probeerde de mfo een samenwerkingsakkoord te sluiten met

118


de vmro. Ze rekende daarbij op de steun van de linkse vleugel binnen de organisatie, die veel voelde voor de federale oplossing van de communisten. Op 6 mei 1924 zetten Aleksandrov en Protogerov voor de vmro en Panica, Vlahov en Hadžidimov voor de mfo in Wenen hun handtekening onder het zogenaamde Meimanifest. Daarin stond dat het eengemaakte Macedonië een onafhankelijke staat moest worden. De Macedonische onafhankelijkheid moest door de vmro bevochten worden, zonder hulp van andere landen. Macedonië mocht alleen rekenen op de steun van de ‘progressieve en revolutionaire bewegingen in Europa’ (Libal 1993: 66). Meteen na hun terugkeer naar Sofia distantieerden Aleksandrov en Protogerov zich van het Meimanifest. Door dit akkoord met de mfo – en indirect met de bkf en de Komintern – hadden ze zich in de ogen van de regering en van hun rechtse aanhang danig gecompromitteerd. Eind augustus 1924 werd Aleksandrov onder mysterieuze omstandigheden vermoord, vermoedelijk door pro-communistische vmro-leden. Enkele weken later werd Hadžidimov om het leven gebracht door aanhangers van Aleksandrov. Op 8 mei 1925 vermoordde Menča Karničeva, actief lid van de Macedonische Vrouwenbeweging, Todor Panica in het Weense Burgtheater met een revolverschot, afgevuurd tijdens een oorverdovende episode van Peer Gynt. Leider van de (nog steeds dominante) rechtse vleugel binnen de vmro werd nu Protogerov, die na de val van Stambolijski zonder problemen naar Bulgarije kon terugkeren. Aan het hoofd van de ‘linkse’ vleugel stond Vanče (Ivan) Mihajlov (1896-1993). Nadat Protogerov in 1928 in Sofia op straat door aanhangers van Mihajlov neergeschoten was, werd die de onbetwiste leider van de vmro. De ‘linkse’ Mihajlov geraakte overigens hoe langer hoe meer in rechts vaarwater. Hij had contacten met de Italiaanse fascisten en toen de Kroatische Ustaša-leider18 Ante Pavelič (1899-1959) in 1929 verbannen werd, heette Mihajlov hem persoonlijk welkom in Sofia. Onder Mihajlovs bezielende leiding bereikte het aantal moorden, overvallen, afpersingen en andere gangsterpraktijken een hoogtepunt. De onverschrokken A. den Doolaard, die de vmro in het begin van de jaren 1930 in haar schuilplaatsen ging opzoeken, vond dat de organisatie nauwelijks van een ordinaire maffiabende te onderscheiden was (Den Doolaard 1935). Terwijl de vmro zich op sleeptouw liet nemen door het fas-

119


cisme, kwam de linkse vleugel binnen – of inmiddels al buiten – de vmro steeds meer in de greep van de Komintern. In 1925 stemde het Vijfde Congres van de Komintern een resolutie, waarin geponeerd werd dat niet alleen Macedonië, maar ook Thracië een deelstaat binnen de toekomstige Balkanfederatie moest vormen. Ook hier weer is de invloed van de bkp duidelijk: een Thracische deelstaat zou de gebieden in de streek van Edirne en in West-Thracië, die Bulgarije respectievelijk aan Turkije en Griekenland verloren had, verenigen met Bulgaars Thracië. Ook in dit geval was er weinig enthousiasme bij zusterpartijen in de buurlanden. De politieke seriemoorden, volgend op het Meimanifest, maakten de communisten duidelijk dat ze met de vmro niet konden samenwerken. Daarom werd Dimitar Vlahov in 1925 belast met de oprichting van een alternatieve vmro – de vmro ‘Obedinena’ (de vmro ‘Verenigd’). De vmro ‘Verenigd’ had haar hoofdkwartier in Wenen, en vanaf 1928 in Berlijn. Ze telde veel leden van de in 1923 ontbonden Emigrantski Komunističeski Sajuz (eks, Communistische Emigrantenbond), een vereniging van Bulgaarse/ Macedonische vluchtelingen uit Griekenland, Joegoslavië en Turkije. De vmro ‘Verenigd’ bleef strijden ‘voor een vrij en onafhankelijk Macedonië in het kader van haar geografische en economische grenzen en voor de vorming van een zelfstandige politieke eenheid, die een gelijkgerechtigd lid is van de toekomstige Balkanfederatie’ (Kumanov 1993: 60). De organisatie was vertegenwoordigd in de drie delen van Macedonië en maakte middels een overvloed aan pamfletten en boekjes propaganda voor haar ideeën. De leden van de vmro ‘Verenigd’ werden vervolgd en vermoord door de Bulgaarse politie om hun communistische sympathieën en door de aanhangers van Mihajlov om hun ‘verraad’ van de Macedonische zaak. In het begin van de jaren dertig trad er een kentering in. De vmro was nog steeds een machtige en gevaarlijke organisatie, maar had als Macedonische bevrijdingsbeweging nog maar weinig te betekenen. De vmro ‘Verenigd’ had nooit veel voorgesteld. De ‘dictaturen’ in Bulgarije en Joegoslavië streefden naar betere relaties. In Bulgarije pleegde in mei 1934 Zveno (Schakel), een groep onafhankelijke intellectuelen en militairen, een staatsgreep en bracht een autoritair regime aan de macht. Alle politieke partijen en organisaties werden verboden, inclusief de vmro. De nieuwe machthebbers waren de Macedonische zaak niet ongenegen, maar wil-

120


den koste wat het kost een einde maken aan het geweld en de wetteloosheid. Het leger ruimde de bases van de vmro in Bulgaars Macedonië op – met een gemak dat de medeplichtigheid van de voormalige regeringen duidelijk maakte en tot grote opluchting van de Bulgaarse bevolking. Mihajlov vluchtte via Turkije naar Italië. Zijn contacten met Italiaanse en Kroatische fascisten stelden hem in staat de kroon op zijn werk te plaatsen: in oktober 1934 schoot een van Mihajlovs beste schutters in Marseille de Joegoslavische koning Aleksandar dood, in een aanslag die door de Ustaša beraamd was. Na de oorlog vestigde Mihajlov zich in Canada. Vermoedelijk was hij toen nog betrokken bij een aantal aanslagen op Joegoslavische diplomaten, opgeëeist door obscure organisaties die zich de vmro noemden. In 1950 publiceerde hij in Saint Louis in de Verenigde Staten een boek met de idyllische titel Macedonia – a Switzerland of the Balkans, waarin hij een lans brak voor het oude ideaal van de Macedonische autonomie. Zijn memoires verschenen in België tussen 1958 en 1973 in een aantal dikke boekdelen (in het Bulgaars). Mihajlov stierf in Rome op zijn bed op de gezegende leeftijd van zevenennegentig. Poulton (1995: 84) merkt op dat de Bulgaren de Macedoniërs bleven beschouwen als volksgenoten, maar tegelijk door de onophoudelijke geweldplegingen van de Macedoniërs ook van hen vervreemdden. Veel Macedoniërs van hun kant noemden zich Bulgaren, maar hielden vast aan een mate van autonomie die aan onafhankelijkheid grensde. Voor Mihajlov en de vmro waren de Macedoniërs zonder meer Bulgaren. Bij de vmro ‘Verenigd’ sloten zich overtuigde Bulgaren aan die het socialisme en het internationalisme toegedaan waren, maar ook Macedoniërs die bovendien meenden dat Macedoniërs een aparte natie vormden. In 1934 erkende de Komintern het bestaan van de Macedonische natie. Welke opportunistische reden daarvoor ook bestonden, het ging om de erkenning van een bestaande realiteit en niet om de ‘uitvinding’ van een natie, zoals Bulgaarse en Griekse nationalisten volhouden. Uitingen van een Macedonisch nationaal bewustzijn kwamen in de 19e eeuw al voor. Ook het feit dat de erkenning gebeurde op basis van een rapport van twee Polen, die van de Balkan weinig verstand hadden, doet weinig ter zake. Beide Polen werden geïnstrueerd door Dimitar Vlahov, die wel wist waarover het ging, en het rapport werd goedgekeurd door de Bulgaarse vertegenwoordigers in de Komintern (Nikolov 2000: 226). Dat deze

121


erkenning bijgedragen heeft tot de verdere uitkristallisering van dat Macedonische nationaal bewustzijn bij de ‘twijfelaars’ – en die waren er waarschijnlijk veel, met name onder de linkse ‘Bulgaren’ in Macedonië – is zeer aannemelijk, maar verandert niets aan de zaak. We zagen hoe tot in de 19e eeuw op de Balkan religieuze, professionele en sociale gemeenschappen vaak ‘geëtniciseerd’ werden, dat wil zeggen, het karakter kregen van een etnische gemeenschap. In het proces van Macedonische natievorming speelde naast de vele andere factoren die we in de vorige hoofdstukken beschreven, de ‘etnicisering’ van een ‘ideologische gemeenschap’ misschien wel een vergelijkbare rol. Hoe dan ook, de vmro ‘Verenigd’ liet in een Verklaring die ze in 1935 uitgaf geen twijfel bestaan: Zoals Macedoniërs onder Griekse heerschappij ‘Slavofone Grieken’, noch ‘zuivere Grieken’ zijn, en de Macedoniërs onder Servische heerschappij geen ‘echte Serven’, zo zijn ook de Macedoniërs onder Bulgaarse heerschappij geen Bulgaren, noch willen ze dat worden. Het Macedonische volk heeft zijn eigen verleden, heden en toekomst, niet als een lapje van het imperialistische Bulgarije, Griekenland en Servië, maar als een zelfstandige Slavische entiteit, die de kenmerken heeft van een zelfstandige natie die al decennia strijdt voor haar recht op zelfbeschikking en op afscheiding als een zelfstandige staat. (Popovski 1981: 54) In 1935 veranderde de Komintern – en daarmee ook de vmro ‘Verenigd’ – nogmaals van koers toen zij de strategie van de Volksfronten lanceerde: de creatie in heel Europa van brede coalities van de democratische partijen tegen het opkomende fascisme, onder leiding of onder impuls van de communisten. Om zulke democratische partijen in Bulgarije, Griekenland en Joegoslavië over de streep te trekken, zagen de communistische partijen en de vmro ‘Verenigd’ af van de idee van een Balkanfederatie en beperkten zich ertoe in de drie landen gelijkberechtiging te eisen voor de SlavischMacedonische minderheid. In 1937 werd de vmro ‘Verenigd’ ontbonden. Vele leden sloten zich aan bij de Communistische Partij.

122


Joegoslavië Het Bulgaarse bezettingsleger werd in de loop van september 1918 uit Servisch Macedonië teruggedreven. Het gebied maakte voortaan als ‘Zuid-Servië’ deel uit van Joegoslavië. Bulgaarse en Albanese četas maakten Oost- en West-Macedonië onveilig met de bedoeling de aandacht van de onderhandelaars op de vredesconferentie in Parijs op de ‘Macedonische kwestie’ te vestigen, maar zonder succes. De toestand zou nog vele jaren onrustig blijven. De Serven beschouwden de Slaven in ‘Zuid-Servië’, die met hun 630.000 zielen 86 procent van de totale bevolking uitmaakten, als volksgenoten en voerden een navenant beleid (Popovski 1981: 85). De taal van de administratie was het Servisch, onderwijs werd in het Servisch verstrekt. De scholen van het Bulgaarse Exarchaat werden gesloten en al dan niet vervangen door Servische scholen. De hogere onderwijsinstellingen die in de loop van de jaren 1920 in Skopje geopend werden, hingen af van de universiteit van Belgrado en maakten eveneens uitsluitend gebruik van het Servisch. Publicaties in het Bulgaars of het Macedonisch waren verboden. De weinige pamfletten, politieke boekjes en dichtbundeltjes die in die periode in het Macedonisch verschenen – bijvoorbeeld Beli mugri (Witte dageraad, 1939) van Koca Racin (1908-1943) – waren veelal illegale publicaties van de Komunistička Partija Jugoslavije (kpj, Communistische Partij van Joegoslavië). De Albanezen in Macedonië19 ondergingen dezelfde behandeling. Alle Albanese scholen werden gesloten. Alleen in de in 1924 gestichte Grote Koranschool van Koning Aleksandar en in een aantal religieuze scholen was Albanees de onderwijstaal. Door middel van een herverdeling van de landbouwgrond in het nadeel van de Albanese grootgrondbezitters en van allerlei administratieve pesterijen probeerde de overheid de Albanezen tot emigratie te bewegen. Terwijl de Albanezen en Bosnjakken in Joegoslavië zich politiek organiseerden in ‘islamitische’ partijen, hadden de Macedonische Slaven, die niet voor de grote Servische partijen wilden stemmen, eigenlijk geen andere keuze dan de kpj. Bij de communale verkiezingen van augustus 1920 behaalden de communisten de overwinning in de districten van Skopje, Veles, Kumanovo, Kavadarci en een aantal dorpen. Het ging vooral om ‘proteststemmen’, want de kpj was in die tijd nog een zeer ‘unitaire’ partij, die nationale

123


kwesties als onbelangrijk beschouwde, maar ze was wel tegen het Servische politieke establishment. Ook het bestaan binnen de Macedonische nationalistische beweging van een linkse vleugel met een respectabele traditie zou het succes van de kpj in Macedonië kunnen verklaren. Bij de verkiezingen voor een Constituante in november 1920 ging bijna de helft van de stemmen van de nietmoslims in Macedonië naar de kpj. Nergens anders in Joegoslavië had ze zo’n aanhang (Apostolski 1979: 223-5; Lampe 1996: 1401). In de nacht van 29 op 30 december 1920 stelde de verontruste Joegoslavische regering de kpj buiten de wet. Alle communistische organisaties werden ontbonden, kantoren gesloten, publicaties verboden en binnen enkele jaren was de kpj zo goed als geëlimineerd. Tijdens de werkzaamheden van de Constituante pleitte een aantal Macedonische vertegenwoordigers, in overleg met politici uit andere gebieden in Joegoslavië, voor een federale staatsinrichting, maar de dominante Servische Narodna Radikalna Stranka (Nationale Radicale Partij) van Nikola Pašić (1845-1926) wilde daar niet van weten. De Grondwet van 28 juni 1921 maakte van Joegoslavië een centralistische staat; de administratieve indeling in districten (banovinas) hield zelfs geen rekening met oude historische of etnische grenzen. In september 1920 werd in het kader van de herverdeling van de landbouwgrond van wal gestoken met de serbisering van ‘ZuidServië’ en Kosovo. Oorlogsveteranen, ex-četa-leden, politiemensen en lieden die zich op een vergelijkbare manier voor het vaderland verdienstelijk gemaakt hadden, kregen in Macedonië grond, die voordien meestal aan islamitische grootgrondbezitters toebehoord had. Andere belangstellenden werden aangelokt met fiscale voordelen. De meeste kolonisten werden ingeplant in Oost-Macedonië en moesten een barrière vormen tegen het Bulgaarse irredentisme. Een radicale wijziging in de etnische samenstelling van de bevolking werd daarmee evenwel niet bereikt. Vruchtbare landbouwgrond was schaars in Macedonië en er bestond een bevolkingsoverschot op het platteland. De industriële ontwikkeling stond met zestien bedrijven nog in haar kinderschoenen en kon nauwelijks werk verschaffen. De emigratie overtrof in feite de immigratie. Bovendien was Macedonië een gevaarlijk oord gebleven. In januari 1923 vermoordde de vmro in Ovče pole een dertigtal Servische kolonisten om andere kolonisten te ontmoedigen (Banac 1984: 323). Ook Albanese gewapende benden – de zogenaamde kaçaks – pleeg-

124


den aanslagen tegen Joegoslavische functionarissen en zetten daarnaast de oude traditie van struikroverij en veediefstal voort, waarvan ook de lokale Slavische bevolking het slachtoffer was. Op haar Derde Nationale Conferentie, die illegaal gehouden werd in Belgrado in 1924, verliet de kpj de unitaire idee van een ‘Joegoslavische natie’ en pleitte voor ‘nationale zelfbeschikking voor alle volken in Joegoslavië op basis van volledige gelijkheid’. De kpj liet zich leiden door het voorbeeld van het sovjetnationaliteitenbeleid dat haar door de Komintern voorgehouden werd, maar ook door de ervaring dat het bespelen van nationalistische thema’s haar aanhang vergrootte. De kpj had in de illegaliteit veel leden verloren. Daarnaast vormden nationale spanningen een geschikt middel om Joegoslavië, dat de kpj bestempelde als een constructie van kapitalisten en imperialisten, te verzwakken. De partij moest wel rekening houden met bepaalde Joegoslavische, of beter Servische ‘gevoeligheden’. De revisie van de staatsgrenzen was geen populair thema, want Servië/Joegoslavië had na de Eerste Wereldoorlog zijn grondgebied spectaculair uitgebreid. Het bestaan van een aparte Macedonische natie vormde minder een probleem: beter Macedoniërs dan Bulgaren. De kpj zette haar standpunt over de Macedonische kwestie uiteen in een aparte resolutie, waarin gepleit werd voor autonomie voor Macedonië. Kosta Novaković (een Serf!), die in Makedonija makedoncima, zemlja zemljoradnicima (Macedonië voor de Macedoniërs, het land voor de boeren, 1924) dat standpunt nader verklaarde, verdedigde expliciet de stelling dat zo’n aparte Macedonische natie bestond (Apostolski 1979: 232). De Bulgaren/Macedoniërs in ‘Zuid-Servië’ hadden het hard te verduren. Tegenstanders van de Servische assimilatiepolitiek werden opgepakt en tot zware straffen veroordeeld; gewapend verzet werd met harde hand de kop ingedrukt. Het aantal slachtoffers van de repressie bedroeg vele honderden. (Een overzicht in Carnušanov 1992: 99-194.) De četas van de vmro, die voornamelijk bestonden uit emigranten uit Joegoslavisch Macedonië, konden aanvankelijk op heel wat sympathie bij de bevolking rekenen, maar maakten op den duur door hun terroristische aanslagen de zaken alleen maar erger. In de periode 1919-1934 werden 185 ambtenaren gedood en 235 verwond; ook 268 burgers werden het slachtoffer van aanslagen. (Banac 1984: 323, citeert een Macedonische bron.) Het ‘hoogtepunt’ was de reeds vermelde massamoord op de Servische kolonisten in Ovče pole. Het optreden van de vmro

125


baarde de Joegoslavische overheid veel hoofdbrekens. Ze was genoodzaakt 70 procent van de Joegoslavische politiestrijdkrachten (12.000 van een totaal van 17.000) in te zetten voor de ‘pacificatie’ van Macedonië. Een speciale burgermilitie, in het leven geroepen door de Joegoslavische overheid, bestreed de Bulgaarse ‘bandieten’ met hun eigen methoden. In april 1923 bracht ze in het dorp Gavran de hele mannelijke bevolking om het leven wegens vermeende collaboratie (Apostolski 1979: 229-30; Banac 1984: 323). Vanaf 1925 werd ook de vmro ‘Verenigd’ in ‘Zuid-Servië’ actief. Het hoofdkwartier bevond zich in Veles, maar er waren cellen in Gevgelija, Kavadarci, Kumanovo, Skopje, Štip, Strumica en op andere plaatsen. De vmro ‘Verenigd’ werkte nauw samen met de clandestiene kpj. De organisatie probeerde in 1927 legaal aan de verkiezingen deel te nemen, in samenwerking met de Kroatische Boerenpartij van Stjepan Radič (1871-1928), die eveneens opkwam voor autonomie, maar omwille van haar communistische sympathieën kwam ze als partner niet in aanmerking. Op 6 januari 1929 ontbond koning Aleksandar het parlement en trok alle macht naar zich toe. Hij probeerde de eenheid van het land te bevorderen door de burgers een Joegoslavisch in plaats van een Servisch nationaal gevoel bij te brengen, maar het onderscheid was te subtiel. In Macedonië werden de Servische staatsscholen massaal ‘geprivatiseerd’, wat meestal tot de sluiting ervan leidde. Leden van de vmro en de vmro ‘Verenigd’ werden massaal aangehouden en veroordeeld. Aan de activiteiten van beide organisaties in Joegoslavië kwam geleidelijk een einde, mede als gevolg van de maatregelen die de Bulgaarse regering vanaf 1934 tegen hen nam. Een aantal leden sloot zich aan bij de kpj. De ‘Macedonische kwestie’ werd in toenemende mate het monopolie van de communisten. Op haar Vierde Nationale Conferentie in Ljubljana in december 1934 liet de kpj de idee van een Balkanfederatie varen en poneerde dat de oplossing van de Macedonische kwestie in eerste instantie binnen Joegoslavië zelf moest gezocht worden. Deze koerswijziging hing samen met de Volksfrontstrategie die in 1934 in Frankrijk gelanceerd was en vanaf 1935 door de Komintern als algemene beleidslijn gepropageerd werd. De samenwerking met de Joegoslavische ‘burgerlijke’ partijen tegen het fascisme bracht met zich mee dat de territoriale integriteit van Joegoslavië, waar die ‘burgerlijke partijen’ zo op gesteld waren, gerespecteerd moest worden. Het afscheidingsrecht van de di-

126


verse nationale gemeenschappen werd opgeschort; de diverse volken en minderheden in Joegoslavië moesten onder leiding van de arbeidersklasse strijden voor hun recht op zelfbeschikking binnen het land zelf. Om het goede voorbeeld te geven werden onder de paraplu van de kpj een Sloveense en een Kroatische CP gecreëerd. De stichting van een Macedonische CP werd uitgesteld tot in ‘de nabije toekomst’, omdat een razzia onder de communisten in Skopje, Veles en Kumanovo in de loop van 1934 de plaatselijke communistische cellen zowat onthoofd had. (Een aparte Macedonische communistische partij kwam er pas in maart 1943.) Helemaal in de lijn van het nieuwe Macedonië-beleid van de kpj functioneerde de Makedonski naroden pokret (MaNaPo, Macedonische Volksbeweging). Deze organisatie, die gedragen werd door Macedonische studenten in Belgrado en Zagreb en ‘gestuurd’ door de kpj, verklaarde op een bijeenkomst in Ohrid in augustus 1936 te strijden voor de vrijheid en gelijkheid van het Macedonische volk en een vorm van Macedonische autonomie – ‘Macedonië voor de Macedoniërs! – binnen de bestaande Joegoslavische grenzen. De MaNaPo probeerde tevergeefs om de oppositiepartijen voor haar ideeën te winnen; de regeringspartijen waren sowieso tegen. Ook de poging van de MaNaPo om met een afzonderlijke lijst aan de communale verkiezingen van 1936 deel te nemen had weinig succes. Een jaar later verdampte de MaNaPo en ging ten dele op in de kpj (Apostolski 1979: 249-256).

Albanië Na de Eerste Wereldoorlog ondergingen de Albanese grenzen enkele minieme veranderingen. Griekenland stond aan Albanië onder meer een klein gebied ten oosten van het Prespameer af, met een overwegend Slavische bevolking – Bulgaren volgens de Bulgaren (en zo worden ze ook ter plekke genoemd), Macedoniërs volgens de Macedoniërs. Dorpen met een Slavische bevolking waren er verder nog in de omgeving van Golo Brdo, Peshkopi, Elbasan, Korçë en Pogradec. Het totaal aantal Slaven in Albanië (zonder de Montenegrijnen in de buurt van Shkodër) bedroeg volgens de Britse diplomaat C.C. Blunt in het begin van de 20e eeuw 10.000; volgens een Bulgaarse schatting uit de jaren dertig 27.000 (Poulton 1995: 78-9). Alleen in het tiental dorpen bij het Prespameer heeft

127


de Slavische bevolking zich kunnen handhaven. De Albanese regering probeerde de Slavische bevolking niet te assimileren: ze was zwak en zou daar nauwelijks toe in staat geweest zijn. De Torbeši (Slavische moslims) gingen spontaan in de Albanese meerderheid op.

Griekenland Voor de situatie van de Slaven in Grieks Macedonië was de Conventie voor de Wederzijdse en Vrijwillige Emigratie van Etnische Minderheden, die deel uitmaakte van het Verdrag van Neuilly van 1919, van doorslaggevende betekenis. Deze Conventie stipuleerde dat Bulgaren in Grieks Thracië en Macedonië op achttienjarige leeftijd moesten kiezen voor de Bulgaarse of de Griekse nationaliteit. Wie koos voor de Bulgaarse nationaliteit moest binnen een termijn van twaalf maanden het land verlaten. Wie koos voor de Griekse nationaliteit mocht blijven, maar zag door die keuze in principe af van aanspraken op nationale rechten als het gebruik van de eigen taal in onderwijs, administratie en dergelijke. Dezelfde regeling gold ook voor de Grieken in Bulgarije. Naar schatting 42.000 Grieken moesten Bulgarije verlaten (Karakasidou 2000: 62). De Conventie beoogde niet de volledige liquidatie van de Bulgaarse en de Griekse etnische minderheid in Griekenland en Bulgarije. Het Verdrag van Neuilly verplichtte Bulgarije ertoe de rechten van zijn etnische minderheden, ook de Griekse, te respecteren. Griekenland engageerde er zich met het Verdrag van Sèvres in 1920 toe zijn minderheden te beschermen en het gebruik van de talen van de minderheden in onderwijs en administratie toe te laten (Andonovski 1985: 3-4). Door zijn toetreding tot de Volkenbond in 1920 verbond Griekenland zich er opnieuw toe de rechten van zijn minderheden te respecteren. In de praktijk kwam daar weinig van terecht. Hoeveel ‘Slavofonen’ (zoals ze in Griekenland officieel genoemd werden en worden) er in de jaren 1920 Griekenland verlaten hebben is moeilijk precies na te gaan. Poulton (1995: 86) vermeldt dat tussen 52.000 en 72.000 Slaven uit Griekenland naar Bulgarije emigreerden, naargelang van de bron. Volgens Evangelos Kofos (1964: 27) zouden tussen 1912 en 1926 slechts 42.000 Slavische Macedoniërs Griekenland verlaten hebben – een erg laag cijfer. Volgens

128


cijfers van de Volkenbond, geciteerd door Lithoxoou (1992: 60) emigreerden in het kader van de Conventie, dus vanaf 1920, 66.132 Slaven naar Bulgarije. De exodus werd aangemoedigd door enkele nieuwe akkoorden tussen Bulgarije en Griekenland. Op 10 september 1924 sloten de Bulgaarse en de Griekse minister van Buitenlandse Zaken Kalfov en Politis een akkoord, als gevolg waarvan 81.838 Slavische Macedoniërs Griekenland zouden verlaten hebben (Kostopoulos 2000: 32). In 1927 leidde het Akkoord MollovKafandharis, dat de financiële implicaties van de ‘vrijwillige bevolkingsruil’ moest regelen, tot een nieuwe uittocht. De Bulgaarse dienst voor huisvesting van de vluchtelingen telde in de periode 19131928 86.572 vluchtelingen uit Griekenland; 32.232 daarvan kwamen naar Bulgarije na 1923 (Popovski 1981: 68). Een verklaring voor de uiteenlopende cijfers zou kunnen zijn dat de vluchtelingen niet alleen naar Bulgarije trokken, maar ook naar immigratielanden als Australië, de Verenigde Staten of Canada. De ‘vrijwillige emigratie’ van Slaven uit Grieks-Macedonië leidde tot ingrijpende veranderingen in de etnische samenstelling van de lokale bevolking. Tussen 1912 en 1926 groeide het aandeel van de Grieken in de bevolking van Macedonië van 43 naar 89 procent (Mavrogordatos 1983: 226). Volgens de volkstelling van 1928 leefden er in Griekenland nog 81.984 Slavische Macedoniërs – 1,32 procent van de totale bevolking. In werkelijkheid was hun aantal veel groter. Het lage cijfer is volgens Mavrogordatos het gevolg van het gevoerde beleid of van de terughoudendheid van de betrokkenen. Andere Griekse documenten uit die tijd gewagen van 200.000 ‘Bulgaarstaligen’ in Macedonië, waarvan er 80.000 à 90.000 ‘een Grieks nationaal bewustzijn [fronima] missen’. Dat lijkt dan te kloppen met de resultaten van de volkstelling. Maar P. Kalligas, de prefect van Florina, informeerde in 1930 premier Venizelos dat er alleen al in zijn nomós (prefectuur) 76.370 Slavische Macedoniërs (61 procent van de totale lokale bevolking) leefden, waarvan er 61.950 ‘een Grieks nationaal bewustzijn misten’, en dat waren de meest vooraanstaande burgers. Kalligas’ opvolger V. Balkos schatte het aantal ‘Bulgaarstaligen’ in de nomós Florina op 75-80 procent. (Mavrogordatos 1983: 227, 247) Bij de volgende volkstelling, in 1940, werden er 94.509 Slavische Macedoniërs geteld. De nomós Florina in West-Macedonië had – en heeft – de grootste Slavische bevolking van heel Griekenland.20 Slavische Macedoniërs waren vooral weggetrokken uit Oost-Macedonië, dat tijdens de Eerste We-

129


reldoorlog door Bulgarije bezet was en waar de Slaven vreesden voor Griekse represailles. Bij deze tellingen werden mensen die Slavisch spraken, maar een Griekse fronima hadden of een Griekse fronima toegeschreven werd, bij de Grieken gerekend. In Macedonische studies wordt het aantal ‘blijvers’ – dat zijn dan alle ‘Slavofonen’, met welk bewustzijn ook – na de bevolkingsruil geschat op 250.000 (Popovski 1981: 69). Griekenland ging ervan uit dat met de uitvoering van de Conventie het probleem van de Slavische minderheid opgelost was: een aantal was geëmigreerd, de anderen hadden gekozen voor de Griekse nationaliteit en waren ‘Slavofone Grieken’. Sommigen, die zich Slaven voelden, waren toch gebleven; aan hun fronima moest nog gewerkt worden. De rechten van de minderheden werden gerespecteerd in de mate dat de internationale gemeenschap, in die tijd de Volkenbond, er een zaak van maakte. Een mooie illustratie vormt de episode met de Abecedar (eerste leesboek), die in 1925 voor de Slavofone kinderen in Griekenland gemaakt werd. Het Verdrag Kalfov-Politis van 1924 plaatste de ‘Bulgaarse’ minderheid in Griekenland – zo werd ze in de tekst van het Verdrag genoemd – onder de bescherming van de Volkenbond. Joegoslavië tekende meteen protest aan tegen het gebruik van de term ‘Bulgaars’. Het beschouwde de Slaven in Zuid-Servië (Noord-Macedonië) als Serven en kon niet aanvaarden dat ten noorden van de grens [tussen Joegoslavië en Griekenland] Serven leven, en ten zuiden ervan Bulgaren ‘Dat is de basis van ons beleid en mocht Griekenland ons daarin niet willen volgen, dan zijn we tot onze spijt gedwongen een andere basis te zoeken en een akkoord na te streven met Bulgarije om Grieks Macedonië in invloedssferen te verdelen.’ (Kolfos 1964: 49) Joegoslavië toonde dat het menens was door ermee te dreigen het Grieks-Servische verdrag van 1913, waarmee Griekenland en Servië vlak voor de Tweede Balkanoorlog elkaars bescherming gezocht hadden tegen Bulgarije, op te zeggen. Om te ontsnappen aan de Bulgaarse en Servische aanspraken op de Griekse Slaven en om een goede indruk te maken op de Volkenbond, ging Griekenland de Slavische minderheid voortaan officieel ‘Macedonische Slaven’ noemen en verklaarde ze zich bereid ook onderwijs in de moedertaal van deze minderheid te organiseren. Het Griekse ministerie van Onderwijs liet een leerboekje Macedonisch samenstellen. De Abecedar verscheen in 1925 in Athene. Hij was gebaseerd op het

130


dialect, gesproken in de streek van Bitola en Florina, en maakte gebruik van het Latijnse (Kroatische) alfabet. Nu protesteerde Bulgarije tegen het feit dat de ‘Bulgaarse’ kinderen in Macedonië op school niet gewoon Bulgaars leerden, en Joegoslavië eiste dat ze onderwijs kregen in het Servo-Kroatisch. De Griekse vertegenwoordiger bij de Volkenbond verdedigde het leerboekje met het argument dat het Slavisch in Macedonië ‘Bulgaars noch Servisch [was], maar een aparte taal’ (Poulton 1995: 88). Griekenland was zodoende het eerste land dat het bestaan van een aparte Macedonische taal min of meer officieel erkende! Bulgarije en Joegoslavië bleven moeilijkheden maken. In januari 1925 blies het Griekse parlement de zaak af, met de instemming van de Volkenbond. Zo goed als alle exemplaren van de Abecedar werden geconfisqueerd en vernietigd.21 De Griekse staat heeft na 1925 nooit meer van onderwijs aan de Slavische Macedoniërs in hun moedertaal willen horen. Griekenland voerde ten aanzien van de Slavisch-Macedonische minderheid een repressief beleid. Het doel was de creatie van een etnisch-homogene Griekse natie; de ‘wetenschappelijke’ legitimatie vormde het op zich liberale, maar in dit geval nogal perfide uitgangspunt dat de Griekse identiteit veeleer een kwestie was van vrije keuze voor de Griekse taal en cultuur dan van objectieve factoren als taal, herkomst en dergelijke. Hadden zij die niet naar Bulgarije wilden emigreren, niet een ‘vrije keuze’ gemaakt voor het Griekendom? Een ander motief voor de harde aanpak was het feit dat de Slavisch-Macedonische bevolking weliswaar weinig talrijk was (in 1928 zo’n 82.000 op een totale bevolking in Grieks Macedonië van bijna 1.400.000), maar in compacte gemeenschappen leefde in het noorden van het land, langs de Bulgaarse en de Joegoslavische grens. Deze grensgebieden vormden door die Slavische aanwezigheid een makkelijk voorwerp van irredentistische claims. De vmro en de vmro ‘Verenigd’ waren in de grensstreek erg actief en ondernamen tal van gewelddadige acties, die de Griekse regering veel last bezorgden en waarachter zij de hand van Bulgarije vermoedde. In het gebied van Florina waren ook Servische agenten actief. De Griekse ordestrijdkrachten traden niet minder brutaal op. Mihajlov telde in de jaren 1918-1924 in eigen rangen drieëndertig doden, drie verdwijningen en 724 arrestaties. (Geciteerd door Poulton 1995: 87.) In juli 1924 executeerde een Griekse patrouille bij een operatie tegen de vmro in een dorpje bij Dhrama een aantal Slavisch-Macedonische burgers. In 1925 achtervolgde het Griekse

131


leger een četa van de vmro tot op Bulgaars grondgebied, wat een conflict veroorzaakte dat door de Volkenbond moest bijgelegd worden. De Griekse regering probeerde Macedonië etnisch homogeen of homogener te maken en het gevaar voor Bulgaars (en Joegoslavisch) irredentisme te verminderen door de etnische samenstelling van de bevolking in de Slavische grensgebieden te wijzigen. Dat kon door leden van de lokale Slavische bevolking op grote schaal over te planten naar andere delen van Griekenland. Een andere manier vormde de inplanting van Grieken. De massale bevolkingsruil tussen Griekenland en Turkije, in uitvoering van het Verdrag van Lausanne van 1923, waarbij bijna anderhalf miljoen ‘orthodoxe christenen’ Klein-Azië moesten verlaten richting Griekenland en circa 350.000 ‘moslims’ Griekenland richting Turkije, bood de Griekse regering de gelegenheid naar schatting 540.000 profyges (vluchtelingen) in Noord-Macedonië onder te brengen. De Slavische bevolking, die al uitgedund was door de Grieks-Bulgaarse bevolkingsruil, geraakte door deze massale instroom van Grieken nog meer in de minderheid. Deze demografische verschuivingen resulteerden ook in een pijnlijke rivaliteit tussen de Slavische Macedoniërs – de autochtone bevolking – en de ‘vluchtelingen’. De Slavische Macedoniërs hadden na de Balkanoorlogen de gronden opgekocht van moslims (Turken en Albanezen) die ‘geëmigreerd’ waren. Na de Eerste Wereldoorlog was dat op nog grotere schaal gebeurd. Met de komst van de vluchtelingen uit Klein-Azië kwam daaraan een einde. Deze laatsten kregen van de regering landbouwgrond, die de Slavische Macedoniërs ofwel zelf wilden hebben ofwel voordien zelf gehad hadden. De Griekse regering verdeelde de beschikbare grond – waarschijnlijk noodgedwongen – in kleine percelen, waarvan wel de Klein-Aziatische ‘gewone’ gezinnen, maar niet de traditionele Slavisch-Macedonische extended families konden leven. De ‘vluchtelingen’, die in een vreemde en vijandige omgeving beland waren, beten van zich af; op sommige plekken werden de ‘Bulgaren’ zelfs aangevallen. De spanningen tussen beide bevolkingsgroepen bleven bestaan tot na de Tweede Wereldoorlog, en zijn zelfs vandaag nog niet helemaal geluwd. De Griekse overheid probeerde de achtergebleven Slavische Macedoniërs ook te assimileren. In Grieks Macedonië bestond voor de Balkanoorlogen een netwerk van bijna tweehonderd scholen,

132


die onderwijs gaven aan 12.895 Slavisch-Macedonische leerlingen in hun moedertaal (Poulton 1995:89). Na de Balkanoorlogen werden al die scholen gesloten. In de late jaren twintig werden alle namen van dorpen en geografische plaatsen vergriekst; mensen moesten hun Slavische familienaam inruilen voor een Griekse. (Zulke gedwongen naamsveranderingen waren in alle Balkanlanden gebruikelijk.) Zelfs de opschriften op de iconen in de Slavische kerken werden vervangen door Griekse opschriften. Ambtenaren mochten bij hun contacten met Slavische Macedoniërs enkel Grieks spreken, zelfs wanneer ze Macedonisch kenden. In de mate van het mogelijke werden de ambtenaren in Macedonië trouwens gerekruteerd in gebieden buiten Macedonië. Volwassen Slavische Macedoniërs moesten Grieks leren in avondscholen. De politie luisterde mensen af op hun erf of in de winkel. Wie Slavisch sprak werd beboet, opgesloten, mishandeld en onderworpen aan vernederende straffen (als het drinken van een fles castorolie, wat hevige diarree veroorzaakte). Ook interne verbanning – bij voorkeur naar Kreta, verder weg kon niet – werd vaak als straf opgelegd. Onder de dictatuur van Ioannis Metaxas (1871-1941) van 1935 tot aan de Duitse invasie in 1941 – werden de maatregelen tegen de Slavische Macedoniërs nog verscherpt. Over het algemeen hadden ze een averechts effect en werkten ze de anti-Griekse gevoelens alleen maar in de hand (Karakasidou 2000: 66-69, 75-77; Poulton 1995: 89). De Slavische Macedoniërs achtten premier Elevtherios Venizelos (1864-1936), die van 1910 tot 1935 het Griekse politieke leven vrijwel ononderbroken domineerde, verantwoordelijk voor hun miserabele lot en stemden systematisch voor de anti-Venizelistische oppositie, inclusief de Kommounistiko Komma Elladhos (kke, Communistische Partij van Griekenland) en het marginale rechtse partijtje van Metaxas. De kke volgde de door de Komintern uitgestippelde lijn inzake het ‘nationaliteitenvraagstuk’ en verdedigde de idee van een Balkanfederatie, waarbinnen een verenigd Macedonië een aparte deelstaat zou vormen. Onder de Slavische Macedoniërs maakte ook de linkse vmro ‘Verenigd’ propaganda voor zo’n federale oplossing. De beslissing van de Komintern, in 1934, om de Macedoniërs als aparte Slavische natie te erkennen, vond onder de Slaven in Griekenland de grote bijval. Voor de kke was de verdediging van die federale oplossing van de Macedonische kwestie een heikele onderneming. De implicatie dat Griekenland een deel van zijn grondgebied zou moeten afstaan voor de vorming van een

133


Macedonische deelstaat, kostte de kke een stuk van zijn Griekse aanhang. Toen de Komintern in 1935 in het kader van de Volksfrontstrategie de idee van een Balkanfederatie opgaf en de communistische partijen de opdracht gaf enkel nog te ijveren voor gelijke rechten voor de minderheden bínnen de bestaande staatsgrenzen, was dit voor de Griekse communisten een hele opluchting. Van alle Macedoniërs waren die in Grieks Macedonië het meest overtuigd van hun ‘Macedonische identiteit’. Vooral bij hen, krijgt men de indruk, leefde de opvatting dat zij Bulgaren noch Serven waren, maar Macedoniërs. In Bulgarije en Griekenland was het taalkundige onderscheid tussen Macedoniërs en Bulgaren, respectievelijk Serven, niet zo groot en vormden de diverse identiteiten min of meer een continuüm; in Griekenland was het verschil tussen Slavische Macedoniërs en Grieken duidelijk. De Macedoniërs in Griekenland noemden zich veelal makedonci (Macedoniërs) en hun taal makedonski. Opmerkelijk is dat de Grieken tijdens het interbellum de Macedoniërs in de omgang eveneens Makedhones of Ellinomakedhones noemden (Griekse Macedoniërs, in de zin van Macedoniërs in Griekenland) of ndopii (autochtonen) en hun taal makedhonika of zeldzamer vulgarika (‘Bulgaars’), dat níét de taal was die de Vulgarofoni (de ‘echte’ Bulgaren) spraken (Cowan 1990: 39). Vandaag steigeren de Grieken wanneer de Macedonische Slaven zich ‘Macedoniërs’ noemen, maar destijds was dit voor hen veruit de veiligste term: ‘Bulgaar’ wekte, gezien het Bulgaarse irredentisme, bij de Grieken meer ergernis op. Ook de Griekse autoriteiten zelf noemden de Slavische Macedoniërs – niet officieel, maar toch tamelijk systematisch – Makedhones. Karakasidou (2000: 76) vermeldt dat Slavisch-Macedonische rekruten op die manier aangeduid werden, maar het gebeurde ook in processen-verbaal van de politie.

De Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog koos Bulgarije opnieuw de kant van Duitsland, en weer gaf de verwachting, dat Duitsland de Bulgaarse territoriale aanspraken op gebieden in Griekenland en Joegoslavië zou helpen realiseren, bij die keuze de doorslag. Na de capitulatie van Griekenland en Joegoslavië in april 1941 kwamen

134


de begeerde gebieden inderdaad onder Bulgaarse controle: in Griekenland West-Thracië (zonder een smal gebied langs de Turkse grens) en het oostelijke deel van Macedonië; in Joegoslavië een deel van Servië zelf en het grootste deel van ‘Zuid-Servië’ (Macedonië). De Bulgaren hadden zelf niet aan de militaire operaties deelgenomen, maar de Duitsers vertrouwden hun het bestuur over deze gebieden toe. In de praktijk kwam de Bulgaarse bezetting neer op annexatie. De Bulgaarse premier Bogdan Filov dankte in het parlement de Duitsers voor hun hulp bij het herstel van Groot-Bulgarije, dat zich uitstrekte van de Zwarte en de Egeïsche Zee tot Ohrid. Niet héél Joegoslavisch Macedonië werd Bulgaars. Eind april 1941 hadden Von Ribbentrop en Ciano, ministers van Buitenlandse Zaken van respectievelijk Duitsland en Italië, in Wenen min of meer een grens tussen de Bulgaarse en de Italiaanse bezettingszone vastgelegd. De Macedonische mijnen bleven in Duitse handen. Het westelijke deel van Joegoslavisch Macedonië, dat de steden Tetovo, Gostivar, Kičevo, Debar en Struga omvatte, werd toegewezen aan (Groot-)Albanië, een Italiaans protectoraat. (Het ging grosso modo om hetzelfde gebied, dat de Albanese separatisten vandaag van de Republiek Macedonië willen losmaken en bij Kosovo en/of Albanië voegen.) In dat Groot-Albanië moesten overigens ook delen van Montenegro en Griekenland geïncorporeerd worden (Vickers 1995: 144). Zowel in Griekenland als in Joegoslavië werden de Bulgaarse troepen door de lokale Slavische bevolking ingehaald als bevrijders, ook door degenen die zich geen Bulgaren voelden, maar de Griekse en Servische dominantie net zo beu waren. De Bulgaarse autoriteiten openden Bulgaarse scholen en bibliotheken en in Skopje zelfs een universiteit en een theater, met de bedoeling het Bulgaarse nationale bewustzijn, na decennia van vergrieksing en serbisering, nieuw leven in te blazen. Maar de vreugde over de bevrijding duurde niet lang. De Bulgaarse militairen en ambtenaren maakten zich door hun zeer centralistisch beleid en hun wrede represailles al gauw impopulair. In maart 1942 werd Macedonië onder de bevoegdheid van de Bulgaarse ministerraad geplaatst en voortaan bestuurd vanuit Sofia. De Macedonische bisdommen kregen Bulgaarse bisschoppen. De Bulgaarse bestuurders dwarsboomden leden van de lokale Macedonische elites die zich niet uitdrukkelijk als Bulgaren manifesteerden; uitingen van lokaal, Macedonische particularisme werden gebrandmerkt als ‘Servische invloed’ en separatisme. De ‘be-

135


vrijding’ door de Bulgaarse volksgenoten veranderde voor een groot deel van de Slavische Macedoniërs in een gewone bezetting door een vreemde legermacht. In West-Thracië, maar ook in Grieks Macedonië vormde de Slavische bevolking nog slechts een kleine minderheid en riep de Bulgaarse bezetting veel verzet op vanwege de Griekse bevolking. De Grieken werden het slachtoffer van etnische zuiveringen die met zoveel wreedheden gepaard gingen dat zelfs de nazi’s er schande van spraken (Poulton 1995: 109). De plaats van de verdreven of vermoorde Grieken werd ingenomen door Bulgaarse kolonisten. Met de aanhechting van Grieks en Joegoslavisch Macedonië bij Bulgarije had de idee van een autonoom Macedonië in een Balkanfederatie voor de Bulgaarse publieke opinie veel van haar aantrekkingskracht verloren. De zaken waren nu ‘goed geregeld’. De communisten in Joegoslavisch Macedonië waren verdeeld. Een deel van hen sloot zich aan bij de bkp. Anderen beschouwden de Bulgaren als ‘fascisten’, die heulden met nazi-Duitsland, en kozen de kant van de Joegoslavische communisten. De bkp was van mening dat de Macedonische communisten zich mee moesten inzetten om het ‘fascistische’ regime in Sofia ten val te brengen, in plaats van het Bulgaarse bezettingsleger in Macedonië te bestrijden. Om de Bulgaarse communisten niet te zeer voor het hoofd te stoten maakte Josip Broz Tito (1892-1980) van de bestrijding van de Bulgaarse troepen geen prioriteit, maar eiste wel dat de Macedonische communisten lid bleven van de kpj en dat de Macedonische partizanen onder het Joegoslavische opperbevel bleven opereren. De Komintern spaarde de kool en de geit: hij zag er geen graten in dat Macedoniërs lid werden van de sterke bkp, maar drong er tegelijk op aan dat ze zich aansloten bij het zeer efficiënte Joegoslavische partizanenleger. Deze dubbelzinnigheid gaf aanleiding tot heel wat touwtrekken tussen de bkp en de kpj. Toen de Joegoslavische communisten op 29 november 1943 in Jajce in Bosnië begonnen met de organisatie van het naoorlogse communistische Joegoslavië en kozen voor een federale staatsstructuur met Macedonië als een van de zes deelrepublieken, tekende het Bulgaarse Otečestven Front (of, Vaderlands Front) – een door de communisten geleide anti-fascistische coalitie – daartegen meteen protest aan. Het Joegoslavische tegenvoorstel – de hereniging van Macedonië binnen een Zuid-Slavische of ‘kleine’ Balkanfederatie, waarvan Bulgarije op gelijke voet met de andere re-

136


publieken deel zou uitmaken, was voor de Bulgaren evenmin aanvaardbaar. Uit het Joegoslavische voorstel blijkt dat de idee van een Balkanfederatie niet helemaal afgeschreven was. Niemand minder dan Tito, de aanvoerder van de Joegoslavische partizanen, was er nog altijd een voorstander van. En ook de leidende figuur binnen de bkp, Georgi Dimitrov (1882-1949), zelf afkomstig uit Bulgaars Macedonië, droeg zo’n Balkanfederatie een warm hart toe. De onenigheid had meer te maken met modaliteiten en machtsverhoudingen. In Griekenland organiseerde de kke een brede verzetsbeweging, het Ellinikon Apelevtherotikon Metopon (eam, Grieks Bevrijdingsfront), met als militaire arm het Ethnikos Laïkos Apelevtherotikos Stratos (elas, Nationale Volksbevrijdingsleger). Via de vmro ‘Verenigd’, waarvan veel leden ook lid van de kke waren, sloot een groot aantal Slavische Macedoniërs zich bij het elas aan, gewonnen voor de ‘autonomie voor Macedonië’, die de kke beloofde. Het eam zat in een moeilijke situatie: het had de steun van de Slavische Macedoniërs nodig, maar wilde de steun van de Grieken niet verliezen. Wanneer het eam ontkende Macedonië ‘aan de Slaven te willen afstaan’, kwam er kritiek van de Joegoslavische communisten, die in Noord-Griekenland erg actief en invloedrijk waren. Onder Joegoslavische druk bracht het elas de SlavischMacedonische verzetsstrijders in 1943 onder in een eigen, aparte structuur, het Slavomakedonski Naroden Osloboditelen Front (snof, Nationaal Bevrijdingsfront). Dit leidde tot een spectaculaire toename van het aantal Slavisch-Macedonische strijders. Tijdens de oorlog noemden de Griekse partizanen de Slavische Macedoniërs officieel ‘Macedoniërs’. Het eam opende scholen, waar onderwijs in het Macedonisch gegeven werd, en publiceerde bladen en boekjes in het Macedonisch. Vooral in Noord-Griekenland, waar veel ‘vluchtelingen’ uit Klein-Azië voor de tweede keer in hun leven, dit keer door de Bulgaren, uit hun woonsteden verdreven waren, dreef het Macedoniëbeleid van de kke veel Grieken in de armen van het rechtse verzet. In april 1944 ontbond het eam het snof om de Grieken te plezieren, maar moest het al enkele maanden later weer tot leven wekken om de Slavische steun niet te verliezen. In augustus 1944 kwam het zelfs tot gewelddadigheden tussen het elas en het snof. Daarop trokken twee Slavisch-Macedonische eenheden uit protest de Joegoslavische grens over en plaatsen zich onder het bevel van Tito.

137


De meeste Slavisch-MacedoniÍrs bleven evenwel trouw aan het elas. Overigens stonden niet alle Slaven in Noord-Griekenland achter het nof. Degenen onder hen die zich Bulgaren voelden, steunden het Bulgaarse militaire bestuur en waren als de dood voor het Griekse – linkse en rechtse – verzet, inclusief het snof (Esche 1982: 315-7).

138


8 Een Macedonische staat

D

E TWEEDE WERELDOORLOG LIEP net als de Eerste slecht af

voor Bulgarijes bondgenoten en daarmee ook voor Bulgarije. Nog voor de ‘bevrijding’ van Bulgarije door het Rode Leger begin september 1944 was Bulgarije al begonnen met de ontruiming van de bezette gebieden in Griekenland en Joegoslavië. Daarmee werden de vooroorlogse grenzen tussen de drie staten hersteld. Met de overwinning van de communisten in Albanië, Bulgarije en Joegoslavië – in Griekenland was de situatie nog onduidelijk – leek de oude idee van een Balkanfederatie nu opeens realiseerbaar. Tito gebruikte zijn invloed in Albanië om Enver Hoxha en de Albanese communisten ertoe te overhalen eveneens tot de Balkanfederatie toe te treden. De Bulgaarse communistische leider Georgi Dimitrov, die nog aan de wieg gestaan had van de bkf, maar altijd braaf aan de lijn van Moskou liep, bleek bereid afstand te doen van Bulgaars Macedonië om een Macedonische deelrepubliek binnen de Balkanfederatie te helpen creëren. Bulgarije vroeg in ruil de drie noordelijke ‘westelijke gebiedsdelen’ terug, die het na de Eerste Wereldoorlog aan Joegoslavië had afgestaan. (Het vierde, in het zuiden, lag in Macedonië.) Servië stond heel ‘Zuid-Servië’ of Joegoslavisch Macedonië af. Bulgarije was ook bereid afstand te doen van zijn aanspraken op Grieks Macedonië; het vroeg Joegoslavië op de

139


Vredesconferentie in Parijs in 1947 de teruggave van het in 1919 aan Griekenland verloren West-Thracië aan Bulgarije verdedigen. Ook Moskou was gewonnen voor zo’n Balkanfederatie, al was Stalins houding, zoals Stephen Clissold aangeeft, dikwijls ‘obscure and contradictory’. Aan de ene kant was zo’n Balkanfederatie een oude communistische droom die ook Stalin nauw aan het hart lag, aan de andere kant kon zo’n grootschalige staatkundige formatie wel eens erg onhandelbaar voor hem zijn. Stalin rekende er vermoedelijk ook op dat de dociele Bulgaren een tegenwicht vormden tegen de eigengereide Joegoslaven. Hoe dan ook, Stalin drong aan dat er van de Balkanfederatie werk gemaakt werd (Clissold 1975: 46-7). Er bestonden wel meningsverschillen over de structuur van de toekomstige federatie. Dimitrov ging ervan uit dat Bulgarije en Joegoslavië als twee gelijkwaardige partners deel zouden uitmaken van de federatie; Tito daarentegen gaf er de voorkeur aan dat Bulgarije een zevende Joegoslavische republiek werd, met het argument dat Servië en Montenegro, die al langer onafhankelijke staten waren dan Bulgarije, eveneens hun onafhankelijkheid opgaven om in de Joegoslavische federatie op te gaan. Stalin steunde nu eens het ene, dan weer het andere standpunt. Hoe dan ook groeiden Bulgarije en Joegoslavië naar elkaar toe. In augustus 1947 sloten Tito en Dimitrov in Bled een samenwerkingsverdrag, dat moest uitmonden in een tolunie, en drie maanden later ondertekenden ze een BulgaarsJoegoslavisch Verdrag over Vriendschap, Samenwerking en Wederzijdse Hulp, waarvan de geldigheidsduur op advies van Stalin van ‘eeuwig’ teruggebracht werd tot twintig jaar. Op de Tiende Plenaire Vergadering van de bkp in 1946 in Sofia werden de Macedonische Slaven erkend als een aparte Slavische natie. ‘Macedoniër’ werd expliciet vermeld op de identiteitsbewijzen van de Macedoniërs in Bulgarije. Het Bulgaars-Joegoslavische akkoord van 1947 gaf Joegoslavië het recht in Bulgaars Macedonië culturele propaganda te maken – door het sturen van leraren Macedonisch, de verspreiding van boeken en brochures (80.000 exemplaren in enkele maanden), de oprichting van een Macedonisch theater in Gorna Džumaja (vanaf 1950 Blagoevgrad) en dergelijke. De Bulgaarse regering oefende ook zware druk uit op de bevolking in Bulgaars Macedonië om zich te manifesteren als ‘Macedoniërs’. Vóór de oorlog leefden er in Bulgaars Macedonië volgens de toenmalige officiële nationale doctrine géén Macedoniërs (als leden van een aparte natie), wat niet klopte; nu leefden er opeens geen Bulga-

140


ren meer, wat evenmin klopte. De volkstelling van 1946 leverde in Bulgaars Macedonië 252.908 Macedoniërs op, zowat de integrale bevolking. Volgens een secretaris van een lokale afdeling van de bkp leverde een eerste volkstelling slechts 66-79 procent Macedoniërs op; bij een tweede, krachtdadiger telling bleek niet minder dan 90 procent van de bevolking van Bulgaars Macedonië uit Macedoniërs te bestaan (Nikolov 2000: 228). Inwoners die zich Bulgaren voelden en ostentatief niet van een Macedonische nationaliteit wilden weten, kregen te maken met ‘narigheden’. Toch is er uiteindelijk van de grote Balkanfederatie niets terechtgekomen. Toen Dimitrov in januari 1948 op doorreis in Roemenië aan de pers bijzonderheden over de toekomstige federatie bekendmaakte waarover niet vooraf met het Kremlin overlegd was, riep Stalin hem en Tito op het matje in Moskou. Dimitrov ging meteen; Tito, die ook om andere redenen met Stalin op gespannen voet stond, voelde zich niet lekker en stuurde drie vooraanstaande medewerkers: Milovan Éilas, Edvard Kardelj en Vladimir Bakarić. Stalin las hun brutaal de les: de Balkanfederatie moest er komen, maar op de manier die de Sovjetunie dicteerde. Dimitrov bond in. Tito, die begreep dat de Bulgaren wel eens het Russische paard van Troje in de Balkanfederatie konden worden, maakte geen haast meer. Toen na de breuk tussen Stalin en Tito in juni 1948 Dimitrov en Hoxha de kant van Stalin kozen, viel het doek over de Balkanfederatie. Ook de ontwikkelingen in Griekenland leidden tot het afblazen van het project. Onder druk van Stalin had het eam in september 1944 ingestemd met de vorming van een regering van nationale eenheid. De opperbevelhebber van de Britse troepen in Griekenland eiste de ontbinding van het elas. Uit protest stapten de communisten uit de regering; begin december kwam het zelfs tot een gewapend treffen tussen het elas en de Britse troepen. Het elas herstelde daarop zijn controle over een groot deel van Griekenland, maar werd in februari 1945 door de Britse troepen tot overgave gedwongen. Op dat moment hadden Stalin, Roosevelt en Churchill in Jalta beslist dat Griekenland tot de westerse invloedssfeer zou behoren. In de loop van 1946 hergroepeerden de communisten zich in het bergachtige noorden. Het elas, omgedoopt tot Dhimokratiko Stratos Elladhos (Democratisch Leger van Griekenland), heroverde binnen korte tijd zijn oude posities. In december 1947 vormde de legendarische generaal Markos (Vafiadhis) een Voorlopige Demo-

141


cratische Regering, met hemzelf als premier en minister van Defensie. De Griekse communisten genoten de massale steun van de Slavische Macedoniërs en kregen veel hulp uit Albanië, Bulgarije en Joegoslavië. (Dit kon niet zonder het medeweten van Moskou. Ook hier weer blijkt de houding van Stalin ‘obscure and contradictory’.) De Slavische Macedoniërs streden opnieuw in een eigen militaire formatie. Op een gegeven moment vormden zij de meerderheid van de communistische strijders in Griekenland. De kke erkende hen nog steeds als aparte natie; in de ‘bevrijde gebieden’ werd hun taal officieel gebruikt in de administratie, het onderwijs en in diverse publicaties, naast het Grieks. In 1948 hadden 11.000 Macedoniërs in Grieks Macedonië onderwijs in het Macedonisch genoten (Kofos 1964: 171). Na de komst van Amerikaanse troepen in 1947 begonnen de Griekse communisten terrein te verliezen. Stalin, die zijn relaties met het Westen niet nog meer wilde vertroebelen, beval Bulgarije zijn steun aan de Griekse communisten te staken. Na de breuk tussen Tito en Stalin, toen bleek dat de Griekse communisten trouw bleven aan Moskou, sloot ook Joegoslavië zijn grenzen. In oktober 1949 kwam er een einde aan de burgeroorlog. Daarmee was het lot van de Slavische Macedoniërs bezegeld. De Griekse regering joeg hen massaal de grens met Albanië en Joegoslavië over. Ook veel Griekse communisten moesten het land verlaten. Macedonië bleef na de Tweede Wereldoorlog niet alleen verdeeld in drie delen, maar die drie delen behoorden bovendien tot drie landen die deel uitmaakten van verschillende vijandige ideologische blokken.

De Joegoslavische Socialistische Republiek (SR) Macedonië Na de Tweede Wereldoorlog kwam er dus geen Balkanfederatie, maar wel een Joegoslavische federatie. Die was grotendeels geconcipieerd naar het model van de Sovjetunie. Fundamenteel was het onderscheid tussen ‘naties’ en ‘nationaliteiten’. In de praktijk was een natie (nacija, narod) een volk wiens eigen nationale staat zich binnen de grenzen van de federale staat Joegoslavië bevond. De Kroaten in de sr Kroatië in Joegoslavië waren een natie: er bestond geen Kroatische staat buiten Joegoslavië. ‘Nationaliteit’ (nacional-

142


nost, narodnost) was een Joegoslavisch eufemisme voor ‘minderheid’. Een ‘nationaliteit’ was een volk dat wél een eigen ‘vaderland’ had buiten Joegoslavië. De Joegoslavische Albanezen in Kosovo waren een nationaliteit: er bestond immers een Albanese staat buiten Joegoslavië. Een ‘natie’ had in Joegoslavië een eigen republiek; een ‘nationaliteit’ had slechts recht op een autonome provincie. Daarom moesten de Albanezen genoegen nemen met de autonome provincie Kosovo, terwijl de Macedoniërs, als natie, over een eigen republiek beschikten. Waren ze Bulgaren geweest, dan hadden ze het ook moeten doen met een autonoom gebied. In de praktijk hadden met de Grondwet van 1974 republieken en autonome provincies ongeveer dezelfde bevoegdheden. Beide soorten deelstaten hadden een eigen president, een eigen regering en parlement, eigen economische, sociale en culturele instellingen, die gebruikmaakten van hun eigen taal. Een belangrijk verschil tussen naties en nationaliteiten was dat naties volgens de Grondwet van 1974 – althans in theorie – recht hadden op zelfbeschikking met inbegrip van het recht op afscheiding, en nationaliteiten niet. Naast ‘naties’ en ‘nationaliteiten’ bestonden er in Joegoslavië ook ‘etnische groepen’ (etničke grupe), die binnen, noch buiten Joegoslavië een eigen staat hadden. In Macedonië waren dat de Vlachen en de Roma (zigeuners), respectievelijk 6384 en 43.125 in 1981. Ook de Turken, die in principe een ‘nationaliteit’ waren, werden in de praktijk wegens hun geringe aantal (86.591 in 1981) als een etnische groep behandeld (Friedman 1996: 90). Ook de ‘etnische groepen’ genoten alle burgerrechten en zeer uitgebreide culturele rechten (onderwijs, media in de eigen taal, enzovoort), maar hadden geen territoriale autonomie. Dankzij het Joegoslavische federale systeem hadden de Macedonische nationalisten althans één van hun twee grote doelstellingen bereikt: een internationaal erkende, eigen staat, in de vorm van een Joegoslavische deelstaat, de sr Macedonië. De vereniging van de drie delen van Macedonië had niet mogen zijn. In de sr Macedonië werd het proces van Macedonische nationale bewustwording eindelijk voltooid. Voor het eerst in de geschiedenis bestond er een Macedonische staat, die over de middelen beschikte om dat te bewerkstelligen. In de sr Macedonië veranderden de Macedonische leiders de Slaven, die decennialang blootgesteld waren geweest aan Servische nationalistische propaganda, in een vrijwel homogene gemeenschap van nationaal bewuste Macedo-

143


niërs. Het zijn alleen het late tijdstip, de snelheid en de radicaliteit van dit hele proces die het artificieel doen lijken. Er is echter, in tegenstelling tot wat Bulgaren, Grieken en soms ook Serven beweren, niets artificieels aan de Macedonische natie. Of beter: de Macedonische natie is niet artificiëler dan andere naties. ‘Het is belangrijk te erkennen’, schrijft Allcock (2000), ‘dat hoewel het ‘‘construction process” in deze gevallen [de Macedoniërs en de Bosnjakken] tamelijk recent is en daarom zichtbaarder voor ons, het toch niet fundamenteel verschilt van wat andere naties doormaakten, wier ‘‘nation building” vandaag voor ons verborgen blijft door de historische afstand.’ Als belangrijkste distinctieve kenmerk heeft elke etnische natie behoefte aan een taal. Er was voordien geen Macedonische staat geweest die een Macedonische standaardtaal wettelijk kon opleggen; integendeel, de staten die Macedonië onder elkaar verdeelden, hadden het gebruik van een Macedonische schrijftaal verboden. Wat tijdens het interbellum in Bulgarije en Servië af en toe in literaire tijdschriften verscheen, werd voorgesteld als regionale literatuur, dus geschreven in een ‘Bulgaarse’, respectievelijk ‘Servische’ streektaal, bij wijze van curiosum. De Anti-fascistische Raad van de Nationale Bevrijding van Macedonië, een soort van communistische voorlopige regering, besliste op 2 augustus (Ilinden!) 1944 dat ‘in de Macedonische staat de Macedonische volkstaal als officiële taal’ ingevoerd werd. Er werd een commissie samengesteld die zich over de spelling en de grammaticale en lexicale normen van de Macedonische standaardtaal moest beraden. Deze commissie bestond uit tien leraren – waarvan één, Blaže Koneski, met een filologische vorming –, de dichter Venko Markovski, die later ‘overliep’ naar Bulgarije, en een vertegenwoordigster van de Macedonische Anti-fascistische Nationale Bevrijdingsbeweging. Op advies van deze commissie besliste de regering van de sr Macedonië in de zomer van 1945 dat het Macedonisch geschreven zou worden in het cyrillische alfabet, aangevuld met een aantal tekens ontleend aan het Servische cyrillisch en enkele exclusief Macedonische tekens. De spelling was net als de Servo-Kroatische gebaseerd op het fonetische principe (Vidoeski 1998: 16-20). Hierdoor verschilden zowel de lettertekens als de spelling zelf aanzienlijk van de Bulgaarse. De Macedonische standaardtaal was gebaseerd op de centrale Macedonische dialecten, gesproken in de steden Veles, Prilep, Kičevo

144


en Bitola. Die ‘centrale dialecten’ had Misirkov al voorgesteld als basis van een Macedonische standaardtaal, omdat ze evenveel verschilden van het Bulgaars als van het Servisch. Ze waren ook het meest verspreid binnen de sr Macedonië zelf (Vidoeski 1998: 2327). Van de beraadslagingen van de commissie is een verslag opgemaakt, waarvan in 1994 in Sofia een samenvatting in de vorm van lange citaten in Engelse vertaling uitgegeven werd (Alexandrov & Kočev 1994). De redacteuren voorzagen de vertaling fors van vetjes en vraag- en uitroeptekens om de lezer duidelijk te maken dat de Macedonische standaardtaal een kunstmatige, ‘gemaakte’ taal was. Ook in Griekenland wordt vaak geopperd dat de Macedonische taal ‘uitgevonden’ is. Toch bevat het verslag weinig dingen die niet elke spellingcommissie, belast met een dergelijke opdracht, te berde zou kunnen brengen. Dat een aantal beslissingen een politiek karakter hadden, in die zin dat de Macedonische standaardtaal ook moest fungeren als distinctief kenmerk van de natie, als ‘vlag’, is evenmin ongewoon. De Macedonische standaardtaal werd de ‘officiële’ standaardtaal in onderwijs, administratie, rechtspraak, media enzovoort. Er bestaat inmiddels een aanzienlijke hoeveelheid literatuur in het Macedonisch. Ondanks alle aantijgingen over het kunstmatige karakter ervan is de Macedonische standaardtaal vandaag in de sr Macedonië een volwaardig communicatiemiddel (Friedman 1998: 50). Naast een eigen taal heeft elke natie een eigen geschiedenis nodig. Historische studies verschenen al onmiddellijk na de oorlog, maar in 1969 publiceerde het Instituut voor Macedonische Geschiedenis het officiële standaardwerk Istorija na makedonskiot narod (Geschiedenis van het Macedonische volk), in drie delen. In 1974 verscheen Kon etnogenezata na makedonskiot narod (Over de etnogenese van het Macedonische volk) van Dragan Taškovski. Het was geen eenvoudig karwei om een Macedonische geschiedenis te schrijven die geen Bulgaarse geschiedenis lijkt: de Slavische bevolking van Macedonië werd immers tot na het midden van de 19e eeuw in alle bronnen ‘Bulgaars’ genoemd. Ongeschikte gebeurtenissen en toestanden werden verzwegen of weggeïnterpreteerd en de grens met geschiedvervalsing is soms vaag. Tsaar Samuil uit de 10e-11e eeuw zou de stichter geweest zijn van een ‘Macedonische’ staat, hoewel alle bronnen hem een Bulgaar noemen. Zijn leger werd in de pan gehakt door de Byzantijnse keizer Basileius ‘de

145


Bulgarendoder’. Negentiende-eeuwse schrijvers uit Macedonië, die zich zelf Bulgaren noemden, worden als ‘Macedonische’ schrijvers uitgegeven in een Macedonische ‘hertaling’, zonder dat de lezer daarover geïnformeerd wordt. De verzameling Macedonische volksliederen die de gebroeders Miladinov in 1861 in Zagreb lieten verschijnen, heet Balgarski narodni pesni (Bulgaarse volksliederen), maar wordt in de Macedonische wetenschappelijke literatuur steevast ‘de bundel van de Miladinovs’ genoemd. De vmro – en meer nog de vmro ‘Verenigd’ – worden in de Macedonische geschiedschrijving zonder veel reserves voorgesteld als Macedonisch-nationalistische organisaties, al valt daar wel een en ander op af te dingen. Bulgaren ergeren zich blauw aan deze praktijken, maar zij gaan zelf ook niet vrijuit. In Bulgaarse handboeken zal men vergeefs zoeken naar figuren uit Macedonië, die Macedoniërs en géén Bulgaren wilden zijn, en als ze toch vermeld worden, zijn het steevast ‘Servische agenten’. Een Balkanvolk heeft ook behoefte aan een eigen kerk. Tot aan de Balkanoorlogen behoorden de bisdommen in Macedonië tot het Patriarchaat van Constantinopel of het Bulgaarse Exarchaat. Na 1913 werden die in ‘Zuid-Servië’ onder de bevoegdheid van het Patriarchaat van Servië geplaatst. Na de Tweede Wereldoorlog werd in de sr Macedonië de ‘kerkstrijd’ nog eens overgedaan. De Macedoniërs eisten de aanstelling van bisschoppen, afkomstig uit Macedonië, en van het gebruik van het Macedonisch in de kerkelijke administratie. Toen het Servische Patriarchaat na jarenlang touwtrekken nog niet bereid bleek op deze eisen in te gaan, proclameerde een lokaal concilie, in aanwezigheid van enkele honderden priesters en leken, begin oktober 1958 eenzijdig het herstel van het oude autocefale Aartsbisdom van Ohrid. Autocefaal betekent niet of enkel nominaal afhankelijk van een moederkerk, maar in dit geval bestond er onduidelijkheid of autocefaal letterlijk moest worden genomen dan wel veeleer als epitheton ornans bij ‘Aartsbisdom van Ohrid’ gevoegd was. Aan het hoofd stond Dositej, ‘aartsbisschop van Ohrid en Skopje en metropoliet van Macedonië’, de voormalige vicaris-bisschop van de Servische patriarch German. Aan de spanningen met het Patriarchaat van Servië kwam evenwel geen einde. Dat beschouwde de afhankelijkheid van het Macedonische autocefale aartsbisdom niet als nominaal. In 1967, tweehonderd jaar na de afschaffing van het autocefale aartsbisdom door de Osmaanse overheid, verklaarde een nieuw concilie de Macedonische

146


kerk als wérkelijk autocefaal, dat wil zeggen onafhankelijk, en noemde het hoofd van die kerk ‘aartsbisschop van Ohrid en Macedonië’, en niet langer ‘metropoliet van Macedonië’. Het Patriarchaat van Servië, gevolgd door het Bulgaarse, Griekse, Constantinopolitaanse en de andere, hebben altijd geweigerd de autocefale status van de Macedonische kerk te erkennen (Belčovski 1986: 14856). Het spreekt vanzelf dat deze eenzijdige onafhankelijkheidsverklaringen niet konden gebeuren zonder de instemming van de Joegoslavische regering. Die beschouwde een aparte orthodoxe kerk in Macedonië als een manier om de invloed van het machtige Patriarchaat van Servië te beperken en als een barrière tegen de verspreiding van de islam (Poulton 1995: 118). Ook de oprichting van een hele reeks wetenschappelijke en culturele instellingen, musea en dergelijke stond in het teken van de constructie van de natie – op dezelfde manier als dat elders in Europa van de 19e eeuw gebeurde (zie een overzicht van die Macedonische initiatieven, bezien door een zeer argwanende Griekse bril, in Andriotis 1991: 47-54). Maar niet altijd verliep de Macedonische nation building zo beschaafd. Het communistische Joegoslavië nam ook zijn toevlucht tot dictatoriale maatregelen tegen opposanten. Een deel van de bevolking in de sr Macedonië beschouwde zich nog steeds als Bulgaars. Soms waren die Bulgaren makkelijk herkenbaar omdat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Bulgaarse bezetters gecollaboreerd hadden. Duizenden potentiële pro-Bulgaarse opposanten tegen het nation building-proces werden al in 1944-1945, vaak zonder enige vorm van proces, als ‘fascistische collaborateurs’ geëxecuteerd. Later werden pro-Bulgaarse elementen na schijnprocessen veroordeeld tot de doodstraf of lange gevangenisstraffen. Vele tientallen Bulgaarse geheime organisaties werden opgerold, de leden ervan gefolterd of vermoord. Carnušanov (1992: 244-334), die overigens de neiging heeft alle uitingen van anti-Servische gezindheid meteen als pro-Bulgaars te duiden, geeft de complete inventaris. Meer dan 100.000 mensen werden geïnterneerd wegens overtreding van ‘de wet op de bescherming van de Macedonische nationale eer’, die vooral uitingen van Bulgaars nationalisme de kop moest indrukken. Ook in de volgende jaren vonden herhaaldelijk processen plaats tegen pro-Bulgaarse ‘elementen’. Volgens Amnesty International en andere bronnen kwamen zulke processen voor tot op het einde van de jaren tachtig (Poulton 1995: 118-9).

147


De ideologische controverse van Joegoslavië met sovjetsatelliet Bulgarije ten slotte heeft ongetwijfeld eveneens bijgedragen tot de uitkristallisering van de Macedonische nationale identiteit. Voor de Joegoslavische Macedoniërs behoorden de Bulgaren tot het andere kamp. Ze beschouwden hen als russofiel, dogmatisch, arm en ‘Oost-Europees’ en niets van dat alles wilden de Macedoniërs zijn. Een Macedonische natie was al begonnen te ontstaan in de tweede helft van de 19e eeuw, maar deze culturele, administratieve en politionele ingrepen resulteerden in de definitieve vorming van een echte en hechte Macedonische natie, waarvan de leden nog maar weinig gemeenschappelijks voelden met Bulgarije en de Bulgaren. Hoe echt en hecht valt overigens moeilijk na te gaan, want de Joegoslavische volkstellingen boden in de praktijk enkel aan Bulgaren die door huwelijk het Macedonische staatsburgerschap verworven hadden de mogelijkheid zich als ‘Bulgaar’ te laten registreren: hun aantal schommelde tussen 889 in 1948 en 3334 in 1971; in 1991 waren er 1370 (Friedman 1996: 90). Over het algemeen waren de Macedoniërs niet ontevreden over hun status binnen de Joegoslavische federatie. Ze hadden hun officiële erkenning als natie en hun eigen (deel)staat, de sr Macedonië, aan Joegoslavië te danken. Joegoslavië bood de beste bescherming tegen de claims van Bulgarije en Griekenland, maar ook tegen de snel groeiende Albanese bevolking. De Macedonische regering en het Macedonische parlement konden, vooral na de uitvaardiging van de liberale(re) Grondwet van 1974, in grote mate een eigen beleid voeren en via hun vertegenwoordigers in de federale instellingen ook een stempel drukken op het hele Joegoslavische beleid. De Joegoslavische federatie bood aan Macedonië (en de andere arme zuidelijke republieken) ook aanzienlijke economische hulp en vormde een uitgestrekt afzetgebied voor Macedonische producten. Macedonië deelde mee in het internationale prestige dat Joegoslavië lange tijd genoot; via Joegoslavië was het mee aanwezig op allerlei internationale politieke en culturele fora. Het contact met collega’s uit de andere deelrepublieken haalde de Macedonische intellectuelen en kunstenaars uit de isolatie, waarin ze voor de Tweede Wereldoorlog geleefd hadden. De Macedonische literatuur ontwikkelde zich binnen enkele decennia van een overwegend orale literatuur, zonder noemenswaardige schriftelijke traditie, tot een moderne Europese literatuur, waarin alle avant-garderichtingen vertegenwoordigd waren. Het wekt dan ook geen verbazing dat, toen

148


tegen het einde van de jaren tachtig Slovenië en Kroatië naar onafhankelijkheid streefden en Servië met zijn autoritaire politiek dat streven nog in de hand werkte, Macedonische politici wanhopige pogingen ondernamen om de federatie bij elkaar te houden.

De Albanezen Ook Albanië had tijdens de Tweede Wereldoorlog, zij het ongewild, aan de verkeerde kant gestaan en aan ‘Groot-Albanië’ kwam dan ook een einde. In Kosovo brak eind 1944 een opstand uit tegen Tito’s partizanen, die het gebied onder Joegoslavisch communistisch gezag wilden brengen. De intellectuele leider van die opstand, Imer Berisha, wilde dat Kosovo en West-Macedonië binnen de grenzen van Albanië bleven, maar de politieke ontwikkelingen beslisten er anders over: beide gebieden werden opnieuw Joegoslavisch (Vickers 1995: 161). Albanië bleef zich na de Tweede Wereldoorlog het lot van de Albanezen in Joegoslavië aantrekken. Nadat Tito met Stalin gebroken had en de Albanese leider Enver Hoxha voor Stalin gekozen had, kreeg die nationalistische interesse ook een ideologische dimensie. ‘Hadden we onze stem niet verheven ter verdediging van onze Albanese broeders in Kosovo, Montenegro en Macedonië, dan zouden we het marxisme-leninisme verraden hebben,’ verklaarde Albaniës ‘tweede man’ Mehmet Shehu in de jaren vijftig (Vickers 1995: 183). In Macedonië leefden in 1953 162.524 Albanezen, goed voor 12,4 procent van de bevolking. In 1971 was dat aantal gestegen tot 279.871 Albanezen of 17 procent van de bevolking. In 1991, aan de vooravond van de Macedonische onafhankelijkheid, bedroeg het aantal Albanezen in Macedonië 441.987 of 21,7 procent van de totale bevolking. Het aantal Slavische Macedoniërs nam in deze hele periode toe van 860.699 tot 1.328.187, maar hun aandeel in de totale bevolking bleef min of meer constant: 66 procent in 1953 en 65,3 procent in 1991 (Friedman 1996: 90). De meeste Albanezen leven in West- en Noord-Macedonië, in en om de steden Tetovo, Gostivar, Kičevo en Debar, waar ze naar schatting zo’n drievierde van de bevolking uitmaken. In de steden zelf is het overwicht minder afgetekend; in Skopje echter is bijna de helft van de bevolking Albanees (Poulton 1995: 125). De Albanezen in de sr Macedonië waren een ‘nationaliteit’,

149


maar leefden buiten ‘hun’ Albanese autonome provincie Kosovo. De grens tussen Kosovo en het ‘Albanese deel’ van Macedonië liep door het moeilijk toegankelijke Šargebergte, dat een natuurlijke grens vormde. Vickers denkt dat de Joegoslavische regering de Albanezen met opzet verdeeld over twee deelstaten liet leven, omdat ze dan makkelijker te controleren waren. Daarenboven maakte de als lastig en bedreigend ervaren Albanese aanwezigheid binnen de sr Macedonië de Slavische Macedoniërs afhankelijker van Belgrado en daardoor minder toegankelijk voor Bulgaarse en eventueel Sovjetrussische invloed (Vickers 1995: 192). Het gevolg was dat de Albanezen in Macedonië wél alle culturele rechten hadden (waaronder onderwijs in het Albanees, media, culturele instellingen en dergelijke), maar veel minder beschermd waren tegen betutteling van de overwegend Slavische Macedonische overheid dan de Albanezen in Kosovo waren ten aanzien van de Serven, althans in de periode 1974-1981. Uit de cijfers blijkt overigens dat de Albanezen in Macedonië over een fair aantal lagere scholen beschikten. De cijfers zeggen natuurlijk niets over de materiële toestand van de scholen. De Albanese klachten golden trouwens voornamelijk het tekort aan instellingen voor middelbaar onderwijs en het ontbreken van universitair onderwijs in het Albanees. De Macedonische Albanezen konden uiteraard hoger onderwijs in het Macedonisch volgen. Bekijken we even de cijfers voor het schooljaar 1972/3. In 1971 maakten de Albanezen volgens de officiële cijfers 17 procent van de bevolking uit; 43 procent van de Albanese Macedoniërs was jonger dan 14 jaar, tegenover 29 procent van de Slavische Macedoniërs (Pekevski 1974: 183,185). De verhouding tussen Albanese en Macedonische scholen lag als volgt: Scholen Slavisch-Macedonische Schooljaar 1972/3 Aantal lagere scholen 1.407 Aantal onderwijzers 9.728 Aantal leerlingen 264.508 (Kantardzhiev & Lazaroski 1974: 112)

Albanese 248 2.150 60.007

In de jaren tachtig volgden iets meer dan 8000 Albanese jongeren voortgezet onderwijs. In 1980 bezochten slechts 2365 studenten hogere onderwijsinstellingen (Poulton 1995: 126).

150


Voor vele aangelegenheden waren de Macedonische Albanezen afhankelijk van Kosovo: zij gingen naar de Albanese universiteit in Priština, hun belangen werden op federaal niveau verdedigd door de Kosovaren. Regende het in Priština, dan druppelde het in Tetovo. Toen in 1968 na de val van de autoritaire minister van Binnenlandse Zaken Aleksandar Ranković (1909-1983) de Albanezen in Kosovo meteen de straat op kwamen en naast allerlei politieke en culturele rechten de vereniging van het ‘Albanese’ deel van Macedonië met een aparte Joegoslavische Republiek Kosovo eisten, manifesteerden ook de Albanezen in Tetovo om deze eisen te steunen (Vickers 1995: 192). In het zog van de onlusten in Priština in het voorjaar van 1981 wilden de Albanezen in Macedonië dat het Albanees erkend werd als ‘officiële taal’, op dezelfde voet als het Macedonisch, en drongen aan op de opening van een Albanese universiteit in Tetovo. Radicale elementen eisten opnieuw de aanhechting van het ‘Albanese’ deel van Macedonië bij een ‘Republiek Kosovo’. De Macedonische reactie liet niet op zich wachten. De federale veiligheidstroepen werden in staat van paraatheid gebracht. De Albanese bevolking werd nog meer dan voordien harder aangepakt dan de Albanezen in Kosovo. Tal van ‘contrarevolutionaire’ organisaties werden opgerold. De Albanezen werden gedwongen de hoge muren, die ze sinds mensenheugenis om hun huizen bouwden, te slopen. De Macedonische overheid voerde een ‘zuivering’ door in de leerboeken die in de Albanese scholen gebruikt werden en vermeerderde het aantal uren Macedonisch in de Albanese scholen. Ze verbood het gebruik van de Macedonische vlag, wat in Kosovo toegelaten was, en zette Albanezen onder druk om hun baby’s geen Albanese patriottische namen als Alban, Albana en dergelijke te geven. Ook maatregelen tegen grote gezinnen werden overwogen: geen kinderbijslag meer vanaf het derde kind, of een boete. ‘Lakse’ Albanese partijleden vlogen eruit. Leraren die zich niet strikt aan de taalvoorschriften hielden, kregen ontslag. Deelnemers aan manifestaties gingen voor jaren achter de tralies (Poulton 1995: 128-9). De Macedoniërs rekenden bij dit alles op de steun van Servië, dat in de jaren tachtig in Kosovo een gelijkaardig repressief beleid voerde. Milošević kon in Macedonië dan ook op heel wat sympathie rekenen. Net als in Kosovo trok ook in Macedonië de beter opgeleide Slavische bevolking weg om elders in Joegoslavië een baan te zoeken – een brain drain die meer te maken had met de verslech-

151


terende economische situatie in Macedonië dan met de ‘Albanese dreiging’. De twee gemeenschappen groeiden nog verder uit elkaar door spontane Macedonische initiatieven als bijvoorbeeld de boycot van Albanese winkels, in het bijzonder bakkerijen, waardoor de omzet soms met 85 procent daalde (Vickers 1995: 205). Ten slotte zaaiden ook religieuze factoren wantrouwen. De Slavische Macedoniërs gingen ervan uit dat de islam de assertiviteit van de Albanezen nog vergrootte. De Macedonische regering steunde de orthodoxe kerk, in de hoop dat zij de vermeende invloed van de islam onder de Albanezen kon indammen. De Albanezen op hun beurt beschouwden de maatregelen tegen islamitische geestelijken en instellingen als een vorm van discriminatie.

Bulgarije De Bulgaren voelden zich door het afstel van de Balkanfederatie flink genomen. In plaats van een autonome Macedonische staat, bevolkt met een nauwverwant volk dat binnen die Balkanfederatie vooral met Bulgarije zou samenwerken, bestond er nu een Macedonische republiek binnen een vijandige Joegoslavische federatie. De Macedoniërs, waarvan de Bulgaren zelf het bestaan erkend hadden, werden in Joegoslavië, waar een grote vrees bestond voor het Bulgaarse irredentisme, uitgesproken anti-Bulgaarse gevoelens bijgebracht. De Bulgaren ervoeren het bestaan van een Macedonisch volk als de amputatie van een deel, niet alleen van hun etnisch territorium, maar ook van hun taal, hun cultuur en hun nationale verleden. Cyrillus en Methodius bijvoorbeeld, de twee monniken die in de 9e eeuw het eerste Slavische schrift ontwierpen en de vroegste vertalingen in het Slavisch vervaardigden, werden in Bulgarije als Bulgaren beschouwd. Ze waren evenwel geboren in Thessaloniki in (Grieks) Macedonië, wat van hen – nu er een Macedonische natie bestond – Macedoniërs maakte. En alsof dat alles nog niet erg genoeg was, eiste Skopje dat Bulgarije de Macedoniërs in Bulgarije, nu de Balkanfederatie was afgeblazen, als een nationale minderheid erkende en hun nationale rechten gaf. Toch kwamen de Bulgaren niet meteen op hun stappen terug. Pas na de dood van Stalin, toen aan de persoonsverheerlijking van de in 1949 overleden Dimitrov grotendeels een einde kwam, werd ook diens Macedonië-politiek herzien. De erkenning van een

152


Macedonische natie werd als ‘een fout’ bestempeld: zo’n volk bestond niet en had nooit bestaan. Van de 252.908 Macedoniërs, die in 1946 in Bulgarije geteld waren, bleven er in 1956 nog slechts 187.789 over – 63,8 procent van de bevolking van Bulgaars Macedonië. In 1956 werd niemand nog ‘aangespoord’ om zich Macedoniër te noemen, integendeel, dus dit cijfer moet tamelijk accuraat het aantal mensen in Bulgaars Macedonië met een Macedonisch nationaal bewustzijn weergeven. In 1965 en 1975 leverden de volkstellingen respectievelijk 8750 en 0 Macedoniërs op. In Skopje sprak men van een ‘statistische genocide’. Maar er was meer aan de hand dan alleen maar manipulatie van de cijfers. De Bulgaarse en Macedonische ‘identiteit’ lagen zo dicht bij elkaar, dat de Macedoniërs in Bulgarije zich even ‘vlot’ lieten bulgariseren als de Bulgaren in Macedonië zich lieten macedoniseren. Tussen 1948 en 1989 zijn vele tientallen, zo niet honderden Bulgaarse burgers, op beschuldiging van ‘Macedonisch separatisme’ in de gevangenis beland en is een onbekend aantal zelfs terechtgesteld. De processen en terechtstellingen begonnen al onmiddellijk na de breuk van Tito met Stalin: Macedonische activisten in Bulgarije werden dan opgepakt wegens ‘titoïsme’. Later luidde de beschuldiging ‘samenzwering’, ‘anti-democratische en nationalistische agitatie’, ‘agitatie en propaganda tegen de staat’ en dergelijke – alle misdrijven voorzien in het strafwetboek. ‘Wij zijn Macedoniërs’ of ‘Leve het Macedonische volk’ op een muur schrijven volstond om voor de rechtbank gebracht te worden. Sommige ‘gevallen’ geraakten in het buitenland bekend, maar nog meer bleven onbekend, omdat ook bestraft werd zonder vorm van proces. Soms dwong de overheid mensen die zich Macedoniër voelden te verhuizen naar andere delen van Bulgarije, buiten Macedonië. Constructiever waren dan weer de aanzienlijke inspanningen die Bulgarije deed voor de economische ontplooiing van Bulgaars Macedonië, onder meer door de bouw van het toeristische complex in Sandanski, met de bedoeling de lokale bevolking, die goed op de hoogte was van de hogere levensstandaard in Joegoslavisch Macedonië, tevreden te maken (Poulton 1995: 149-50). Net zoals de vervolging van Bulgaren in Macedonië erop wijst dat in Joegoslavisch Macedonië veel mensen zich ondanks alle maatregelen van de regering toch Bulgaar bleven voelen, zo wijzen de vervolgingen van de Macedoniërs in Bulgarije erop dat ondanks alle beweringen en maatregelen van de regering er wel degelijk

153


Macedoniërs bestonden, ook in Bulgaars Macedonië. Tussen de twee polen waar zich de martelaars voor de Bulgaarse, respectievelijk Macedonische zaak bevonden, was er ‘het volk’, dat het zelf niet wist, andere zorgen had of zich onder zachte of harde dwang van de overheid tot de ene of de andere nationaliteit bekende, maar eigenlijk het liefst van al met rust wilde gelaten worden.

Griekenland De situatie van de Slaven in Grieks Macedonië verbeterde na de Tweede Wereldoorlog niet. De onderdrukking van het communistische verzet, waarmee vele Slavische Macedoniërs gesympathiseerd hadden, gaf de naoorlogse Griekse regeringen het ideale voorwendsel om te proberen zich van de Slavisch-Macedonische minderheid te ontdoen. Het aantal vluchtelingen wordt geschat op 60.000 à 70.000, waarvan er zich 40.000 à 50.000 in de sr Macedonië vestigden (Poulton 1995: 167). Anders dan na de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog trokken de Slaven uit Griekenland niet meer naar Bulgarije, maar naar de sr Macedonië. De Slavische Macedoniërs die het land verlaten hadden, verloren hun Griekse staatsburgerschap en hun eigendommen. Tegen de blijvers werd repressief opgetreden. Volgens de volkstelling van 1951 – de laatste waarin nog naar de moedertaal gevraagd werd – waren dat er nog 41.017 (Lithoxoou 1993: 61). Schattingen van buitenlandse deskundigen gaan van 100.000 tot 200.000, op een totale bevolking van Griekenland van circa 10 miljoen (Schmieger 1998: 127). In 1953 stipuleerde Decreet nr. 2536 dat gebieden in NoordGriekenland met een Slavisch-Macedonische bevolking bevolkt moesten worden ‘met nieuwe kolonisten met een gezond nationaal bewustzijn’ (Poulton 1995: 162). Slavische Macedoniërs werden ‘aangemoedigd’ om de noordelijke grensstreek te verlaten en zich elders in Griekenland te vestigen, terwijl het Griekse boeren in die streek verboden werd hun dorpen te verlaten. In 1954 werden Slavische Macedoniërs massaal uit overheidsdienst ontslagen. In 1959 werden de maatregelen bij de Joegoslavische grens wat versoepeld en konden Joegoslavische Macedoniërs en Griekse burgers binnen een zone van tien kilometer aan beide zijden van de grens zich zonder reispas naar het andere land begeven. Hierdoor konden familieleden die door de grens gescheiden waren elkaar weer ontmoe-

154


ten. In 1967 maakte het kolonelsregime aan deze bijzondere maatregel een einde (Poulton 1995: 163). Na de val van het kolonelsregime in 1974 kwam er aan de extreme vormen van onderdrukking een einde, maar de Griekse overheid bleef op haar hoede. In februari 1981 stelde luitenant-generaal Dhimitris Katelaris een aantal radicale maatregelen voor tegen de Slavisch-Macedonische bevolking. Ze werden in 1992 door de voorzitter van de Society of Threatened Peoples in the World in Göttingen gepubliceerd. De regering moest het gebruik van de Macedonische taal verbieden, de Slavische Macedoniërs verplichten om zich in andere gebieden van Griekenland te vestigen, ‘Griekse’ Grieken aanmoedigen om zich in Noord-Macedonië te vestigen door hun huizen en banen in het vooruitzicht te stellen, Griekse propaganda voeren in Noord-Griekenland, Griekse soldaten aanmoedigen om met Slavisch-Macedonische vrouwen te trouwen, universitaire diploma’s van de universiteit van Skopje niet langer erkennen, en dergelijke (Poulton 1995:163-5). De authenticiteit van dit document werd door de Griekse overheid ontkend, maar de meeste van Katelaris’ al dan niet authentieke aanbevelingen werden in de loop der jaren wel uitgevoerd. Volgens linguïsten sterft de Macedonische taal in Griekenland ‘a gradual language death’ (Schmieger 1998: 153), maar voor de Griekse overheid duurde de doodsstrijd nog te lang. Kinderen mochten op school op de speelplaats geen Macedonisch spreken; op dorpsfeesten kwam de politie luisteren of er geen Macedonische liederen gezongen werden; hele dorpen moesten op mistroostige plechtigheden beloven geen Macedonisch meer te spreken. Vanaf 1983 werden diploma’s van de universiteit van Skopje inderdaad niet meer erkend, omdat Macedonisch ‘geen internationaal erkende taal’ was. (Dat was ze alleen in Bulgarije en Griekenland niet.) De verkiezingsoverwinning van de socialist Andhreas Papandhreou eind 1981 bracht weinig verandering, al kregen Slavische Macedoniërs wel makkelijker toegang tot staatsbetrekkingen. Eind 1982 besloot de Griekse regering alle Griekse staatsburgers die tijdens de burgeroorlog naar het buitenland gevlucht waren, hun Griekse staatsburgerschap terug te geven en daarmee ook het recht zich opnieuw in Griekenland te vestigen. Ze moesten echter wel verklaren te behoren tot ‘het Helleense geslacht’, wat erop neerkwam dat politieke vluchtelingen van Slavisch-Macedonische afkomst níét konden terugkeren, tenzij ze hun etnische herkomst ver-

155


loochenden. De kke was moedig genoeg om tegen dit discriminerende onderscheid onder Griekse staatsburgers te protesteren, maar tevergeefs. In 1984 weigerde het Griekse consulaat visa aan mensen, wier (voor)ouders uit Grieks Macedonië afkomstig waren – niet alleen uit de sr Macedonië, maar zelfs uit landen als Canada. Alleen voor het bijwonen van begrafenissen werd soms een uitzondering gemaakt. En in 1985 werd een wet aangenomen die bepaalde dat voor tijdens de burgeroorlog geconfisqueerde goederen alleen ‘native-Greeks’ zouden vergoed worden. Nog in 1990 verboden de Griekse autoriteiten de stichting van een Macedonisch Cultureel Centrum in Florina en de opvoering van Slavisch-Macedonische volksdansen op een folklorefestival (Country Reports 1991: 11661175). Het Griekse lidmaatschap van de eu (vanaf 1 januari 1981) leidde ertoe dat vertegenwoordigers van de Slavisch-Macedonische minderheid mondiger werden en ook dat sommige Griekse intellectuelen een kritischer houding aannamen tegenover het traditioneel nogal rabiate Griekse nationalisme en meer waardering gingen opbrengen voor etno-culturele diversiteit. In Florina en elders verschenen enkele boeken over Slavische lokale geschiedenis en folklore. In de herfst van 1984 gaf het Kendriki Organotiki Epitropi ja ta Makedhonika Anthropina Dhikeomata (koe-madh, Centraal Organiserend Comité voor de Macedonische Mensenrechten) in Thessaloniki een tekst uit, waarin de situatie van de Slavische Macedoniërs in Griekenland werd aangeklaagd. In mei 1989 trok een vijfkoppige delegatie naar het vn Centrum voor Mensenrechten in Genève, de Raad van Europa en het Europese Parlement om haar beklag te doen over de behandeling van de Slavische Macedoniërs in Griekenland. Ze eiste elementaire rechten als enkele uren Macedonisch onderwijs op school, Macedonische publicaties, culturele verenigingen, radio-uitzendingen in het Macedonisch en dergelijke (Kostopoulos 2000: 312-316). De Griekse autoriteiten, door hun lidmaatschap van de eu min of meer verplicht de voorschriften op de eerbiediging van minderhedenrechten toe te passen, hadden meer dan ooit redenen om het bestaan van een Slavisch-Macedonische minderheid te ontkennen om zo aan die voorschriften te ontsnappen. Ze trad dan ook hard tegen degenen die beweerden dat zo’n Slavisch-Macedonische minderheid wel bestond en beter moest behandeld worden. Zo kreeg de voorzitter van het koe-madh, bosbouwer in Griekse overheidsdienst Christos Sidheropoulos, van

156


zijn werkgever een nieuwe standplaats op het eiland Kefalonia in de Ionische Zee (Poulton 1995: 166).

De Macedonische kwestie Drie staten – Bulgarije, Griekenland en Joegoslavië – stonden tegenover elkaar, met elk een eigen, exclusieve kijk op de nationale identiteit van de Macedonische Slaven, elke gelegenheid te baat nemend om elkaar met verwijten te overstelpen en argeloze buitenlanders lastig te vallen met ‘historische waarheden’. De drie landen hadden formeel de onschendbaarheid van elkaars grenzen erkend, maar allerlei polemieken over historische en linguïstische kwesties hielden het wederzijdse wantrouwen levendig. In de betrekkingen tussen Bulgarije en Joegoslavië was Macedonië een factor die permanent normale relaties in de weg stond. Uiteraard speelde het ideologische conflict tussen Joegoslavië en de Sovjetunie daarbij een rol. In hoeverre dat conflict het gekrakeel om Macedonië aangewakkerd heeft, dan wel of de ideologische oorlog met het titoïsme juist wegens de Macedonische kwestie met zoveel vuur gestreden werd, is moeilijk uit te maken. Evenmin is het altijd duidelijk in hoeverre de Macedonische kwestie een component van de buitenlandse politiek van Bulgarije zélf was, dan wel op instigatie van de Sovjetunie opgerakeld of in de doofpot gestoken werd, naargelang van de conjunctuur van de relaties tussen de Sovjetunie en Joegoslavië. Vrijwel zeker speelde de Macedonische kwestie toch een aparte rol in de smalle marge waarbinnen Bulgarije een eigen buitenlands beleid kon voeren. In de Sovjetunie en de andere Oost-Europese landen werd het bestaan van een Macedonische taal – en dus ook van een Macedonische natie – niet betwist. Taalkundige werken vermeldden het Macedonisch als een aparte en volwaardige Zuid-Slavische taal; er werd uit het Macedonisch vertaald en Radio Moskou had uitzendingen in het Macedonisch. De standpunten van Bulgarije en Joegoslavië ten aanzien van de Macedonische kwestie zijn in de hele periode van de Koude Oorlog nagenoeg ongewijzigd gebleven. Soms laaiden de polemieken hoog op, soms leken de relaties te verbeteren, maar ook dan bleef de onenigheid latent aanwezig. Vooral de discussie of het Macedonisch een Bulgaars dialect was dan wel een aparte Slavische taal, had haar vaste plaats in de taalkundige periodieken in Sofia en Skopje.

157


In historische publicaties bleef het vooral gaan om het ‘eigendomsrecht’ op bepaalde figuren en gebeurtenissen. Na een periode van betrekkelijke verstandhouding in het begin van de jaren zeventig – toen in Bulgarije wel eens de term ‘Macedonische taal’ gebruikt werd in plaats van ‘dialect van Skopje’ of iets anders denigrerends – bereikten de spanningen rond de Macedonische kwestie een nieuw hoogtepunt in de jaren 1978-1983. In maart 1978 lokte de uitvoerige herdenking door de Bulgaren van de Vrede van San Stefano, die een ‘Groot-Bulgaarse staat’ creëerde waarvan ook Macedonië deel uitmaakte, in Joegoslavië erg vijandige reacties uit. Op 15 juni 1978, vijf dagen voor het congres van de Savez Komunista Jugoslavije (skj, Bond van de Communisten van Joegoslavië, zoals de kpj sinds 1952 heette), verklaarde de Bulgaarse partijleider Todor Živkov in een rede in Blagoevgrad, dat Bulgarije geen aanspraak maakte op delen van Joegoslavië en hij bereid was ‘morgen nog’ persoonlijk naar Belgrado af te reizen om samen met ‘kameraad Tito’ zijn handtekening te zetten onder een document waarin dat zwart op wit geschreven stond. De skj herhaalde in de slotresolutie van zijn congres op 23 juni het bekende Joegoslavische standpunt: de Bulgaars-Joegoslavische grens vormde geen probleem; de samenwerking tussen Bulgarije en Joegoslavië werd enkel in de weg gestaan door de weigering van Sofia het bestaan van het Macedonische volk en de rechten van de Macedonische minderheid in Bulgarije te erkennen. Nog in de loop van 1978 verscheen in Sofia een bundel met 450 historische documenten (bijna 900 pagina’s), die het Bulgaarse karakter van Macedonië moesten bewijzen (Franse vertaling: Christov & Kossev 1980). In januari 1979 publiceerde het literaire tijdschrift Septemvri (September) een lang artikel van Cola Dragojčeva, waarin zij de relaties tussen de Bulgaarse en de Joegoslavische communisten tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de loep nam en het Bulgaarse standpunt herhaalde dat het Macedonische volk in 1943 in Jajce door de Joegoslavische communisten ‘verzonnen’ was (Dragojčeva 1979). Beide publicaties kregen in Skopje honende recensies. In december 1979 werd in Bulgarije uitvoerig de zeventigste verjaardag herdacht van de geboorte van de in 1942 terechtgestelde Bulgaarse dichter en verzetsheld Nikola Vapcarov, die al eerder in Skopje als Macedonisch dichter en verzetsheld gevierd was. Telkens werd aan de hand van het aantal buitenlandse gasten de mate van internationale erkenning van de respectieve standpunten

158


afgelezen. Vapcarov was uitermate geschikt om ruzie over te maken. Hij was geboren in Bansko in Bulgaars Macedonië, studeerde aan de zeevaartschool in Varna aan de Bulgaarse Zwarte-Zeekust en schreef in het Bulgaars. Maar zijn vaderland – in het gedicht Zemja (Land) – blijkt Macedonië: Boven mijn land / raakt / de hemel / het Piringebergte. En de sparren in de storm / zingen sprookjes over Ilinden, boven Ohrid is het lazuur / zo open en blauw, en nog lager / is de stralende oever van de Egeïsche Zee. (Vapcarov 1979: 41) Pirin, Ohrid en de Egeïsche Zee geven precies de grenzen van ‘GrootMacedonië’ aan, en Ilinden verwijst naar de historische gebeurtenis – de opstand – met de grootste Macedonisch-nationale symbolische lading. In 1983 laaiden de gemoederen opnieuw hoog op naar aanleiding van de herdenking van de Ilinden-opstand van 1903. Zowel Bulgaren als Macedoniërs maken aanspraak op deze opstand, haar leiders en haar oogmerken. In 1985 waren de Macedonische historici klaar met Documents on the Struggle of the Macedonian People for Independence and a Nation-State – twee dikke bundels documenten die de samenstellers van de Bulgaarse bundel uit 1978 van antwoord moesten dienen (Andonov-Poljanski 1985). Dit keer honende recensies in Sofia. In 1986 werd er opnieuw ruziegemaakt naar aanleiding van de Bulgaarse film Spasenieto (De redding). Daarin redden de inwoners van Ohrid in Joegoslavisch Macedonië tijdens de Tweede Wereldoorlog een Bulgaars soldaat van de executie omdat hij ‘net als zij’ een Bulgaar was. Hoewel Bulgarije de Slavische minderheid in Griekenland als Bulgaars beschouwde en Griekenland ervan uitging dat een dergelijke Slavische minderheid helemaal niet bestond, maakten die twee landen daarover geen ruzie. Uitspraken over deze aangelegenheid door allerlei ‘deskundigen’ in Bulgarije en Griekenland werden in de pers nooit opgeklopt. Misschien was zelfs een verbale oorlog tussen twee staten die behoorden tot verschillende militaire allianties tijdens de Koude Oorlog te riskant. Daarnaast hadden Bulgarije en Griekenland elkaar vooral in de jaren tachtig over het IJzeren Gordijn heen gevonden in een gemeenschappelijke, wat hysterische afkeer van de Turken.

159


De ruzie tussen Griekenland en de sr Macedonië is nooit geluwd, maar werd vóór de jaren negentig nooit op de spits gedreven. Athene deed zaken met Belgrado en de sr Macedonië was niet meer dan een provincie van Joegoslavië. Met het ontkennen van het bestaan van een Macedonische natie waren voor Griekenland zowel het probleem van de Macedonische minderheid in NoordGriekenland als het gevaar van eventuele territoriale aanspraken van de sr Macedonië op een conceptueel niveau ‘opgelost’. De Macedoniërs in de sr Macedonië vonden echter dat ze wél bestonden en dat Griekenland de rechten van zijn Macedonische minderheid moest eerbiedigen. Wanneer Skopje daarover moeilijk begon te doen, greep Belgrado meestal in, want Joegoslavië als geheel was – vooral economisch – gebaat bij goede relaties met Griekenland. De term Makedhones (Macedoniërs) werd na de Tweede Wereldoorlog door Griekse functionarissen en politici van diverse partijen courant gebruikt om de inwoners van de sr Macedonië aan te duiden (Kofos 1999: 2). Af en toe werd het de Grieken toch te veel. In 1966 bestreed de gerespecteerde linguïst Nikolaos P. Andhriotis in de studie The Federative Republic of Skopje and Its Language het bestaan van een Macedonische taal ‘op wetenschappelijke gronden’. Hij noemde die taal consequent ‘het dialect van Skopje’. Veel aandacht van de etymoloog Andhriotis kregen de woorden die ‘het dialect van Skopje’ ontleend had aan het Grieks, waardoor hij nog eens de authenticiteit en de volwaardigheid van het Macedonisch in twijfel trok en ten overvloede aantoonde dat toen de Slaven in de 6e-7e eeuw in Macedonië arriveerden, er daar Grieken leefden (Andriotis 1992: 23-4). Ook heel typerend is The Falsification of Macedonian History, geschreven door voormalig minister van Noord-Griekenland Nikolaos Martis en uitgegeven in Duitse, Engelse, Franse en Italiaanse vertalingen op glanzend luxepapier en met talrijke kleurige illustraties (Martis 1984). Martis staaft het Griekse eigendomsrecht op Macedonië – de naam en het land – aan de hand van antieke bronnen en archeologische vondsten. Dat er in Grieks Macedonië ook Slaven geleefd hebben en nog leven, is uit Martis’ boek niet goed op te maken. Als hij er echt niet onderuit kan, heten de Slavische Macedoniërs ‘Slavomacedonians’, systematisch tussen aanhalingstekens om hun imaginair karakter te onderstrepen, of zelfs ‘our Greek frontier people’ (Martis 1984: 115). Het geschil tussen Bulgarije, Griekenland en Joegoslavië over

160


Macedonië werd door de rest van de wereld wat meewarig bekeken als ging het om de ruzie tussen Syldavië en Bordurië, waarin Kuifje verwikkeld raakte. Toch bleek de kwestie ook verder reikende internationale consequenties te kunnen hebben. Toen op 11 september 1986 Živkov en Papandhreou in Sofia hun handtekening zetten onder een Verklaring van Vriendschap, Goed Nabuurschap en Samenwerking, reageerden de buurlanden erg zuur. Zowel Joegoslavië als Turkije beschouwden de overeenkomst als tegen hen gericht. Turkije hoefde zich als navo-lidstaat niet veel zorgen te maken, maar voor Joegoslavië, dat buiten de bondgenootschappen stond, lagen de zaken anders. Het Bulgaars-Griekse akkoord deed beide landen onmiddellijk toenadering zoeken. Half oktober 1986 bracht het Turkse staatshoofd Kenan Evren een bezoek aan Belgrado, tijdens hetwelk onder meer ook de minderhedenproblemen op de Balkan besproken werden. Evren bleek de Macedoniërs een warm hart toe te dragen.

161


9 Fyrom

I

N DE JAREN TACHTIG werd Macedonië geplaagd door de zware economische en sociale problemen waaronder alle Joegoslavische deelstaten gebukt gingen, en de armere zuidelijke deelstaten – waaronder Macedonië – in het bijzonder. Het Macedonische werkloosheidscijfer van 27 procent was bij de hoogste in het land – alleen nog overtroffen door dat in Kosovo, waar de helft van de bevolking werkloos was (Woodward 1995: 51). De Macedonische leiders stonden voor een dilemma. Ze konden het voorbeeld volgen van Slovenië en Kroatië en proberen de autonomie van hun deelstaat uit te breiden om zodoende een groter aantal zaken zelf en anders te kunnen regelen, maar zo’n politiek zou de federale banden nog losser maken en de voordelen die de federatie Macedonië bood in het gedrang brengen. Economische hervormingen zouden in de richting gaan van minder staatscontrole en meer ruimte voor de vrije markt, maar dat betekende saneringen, bedrijfssluitingen, massale ontslagen en dergelijke, met alle sociale en electorale gevolgen. Toen de eu in mei 1991 een association agreement met het zieltogende Joegoslavië voorstelde, met eraan verbonden de voorwaarde dat ingrijpende economische hervormingen doorgevoerd zouden worden en de federatie zou blijven bestaan, was Macedonië de enige deelstaat die daarop wilde ingaan.

163


De crisis was het resultaat van dirigisme, inefficiëntie en corruptie, maar ook van buitensporige decentralisatie (in het kader van de federalisering), waardoor de staatsmachine vierkant draaide en een gecoördineerd herstelbeleid onmogelijk was. Daarnaast waren er ook externe factoren als het mondiale economische reces en, vanaf de tweede helft van de jaren tachtig, de teloorgang van het Oost-Europese communisme en het ontstaan van nieuwe internationale verhoudingen. De ontevredenheid groeide ook in Macedonië. Met het vertrouwen in het Joegoslavische socialisme verdween de loyaliteit jegens Joegoslavië en groeide de illusie dat de eigen etnisch-nationale gemeenschap en een eigen etnisch-nationale staat een betere bescherming konden bieden tegen economische terugval en de kwalijke sociale gevolgen ervan. De onafhankelijkheid van Macedonië in 1992 heeft de problemen in feite alleen maar groter gemaakt. Net als de andere ‘OostEuropese’ landen ging Macedonië door een proces van economische en politieke transitie, dat moest uitmonden in de vestiging van een moderne parlementaire democratie en een vrijemarkteconomie. In Macedonië werd de transitie in grote mate gecompliceerd door internationale factoren: het verlies van de Joegoslavische markt, de problemen met de erkenning, de gevolgen van de internationale embargo’s tegen Servië, de opeenvolgende embargo’s van Griekenland tegen Macedonië en dergelijke. Deze externe factoren werkten de sociale desintegratie van de samenleving in de hand, met instabiele partijen en regeringen en verregaande corruptie en etnische spanningen als symptomen van de ziekte. (Een gedetailleerd overzicht van de ontwikkelingen in Joegoslavië en Macedonië in Detrez 1996: 155-178 en Detrez 2001: 36-46.) Net als in de andere Joegoslavische republieken laaiden in Macedonië in de late jaren tachtig de nationalistische hartstochten hoog op, onder Slaven zowel als Albanezen. Nationalisme diende als uitlaatklep voor de algemene malaise. In november 1988 betoogden een kwart miljoen veelal jongere Macedoniërs in Skopje tegen het minderhedenbeleid van Sofia en Athene. Zulke betogingen zouden in de loop van de volgende jaren nog massa’s mensen mobiliseren. Voor de bedreigde communistische elite leidde het nationalisme de aandacht af van de reële problemen; de oppositie zag er de maatschappelijke kracht in die haar aan de macht zou brengen. Begin februari 1990, kort nadat in 1989 het meerpartijenstelsel in Joegoslavië ingevoerd was, ontstond in de schoot van de Mace-

164


donische schrijversbond de Pokret za semakedonsko akcija (maak, Beweging voor Al-Macedonische Actie), geleid door de dichters Ante Popovski (1931) en Gane Todorovski (1929). maak verdedigde een onafhankelijk en verenigd Macedonië, waarvan dus ook het Bulgaarse en Griekse deel van Macedonië deel zouden uitmaken. Het Slavische karakter van het land moest versterkt worden door een beperking van de rechten van de minderheden, met name door een verbod op etnische partijen. Op 17 juni 1990 maakte een groep nog extremere nationalisten zich van de maak los en stichtte de Vnatrešna Makedonska Revolucionerna Organizacija-Demokratska Partija za Makedonsko Nacionalno Edinstvo (vmro-dpmne, Interne Macedonische Revolutionaire Organisatie – Democratische Partij voor Macedonische Nationale Eenheid). Aan het hoofd van de vmro-dpmne stond een andere dichter – Ljubčo Georgievski (1966). De vmro-dpmne kwam eveneens op voor een onafhankelijk, verenigd, orthodox-christelijk en Slavisch Macedonië; ze was bovendien hevig anti-Joegoslavisch en anti-communistisch. De naam van de partij was een hommage aan de vooroorlogse nationalistische (en terroristische) organisatie, de vmro. De maak en de vmrodpmne hanteerden openlijk een agressieve, anti-Albanese retoriek, waartegen de andere Slavische partijen nauwelijks weerwerk boden. De drie grote partijen, die in 1990 ontstaan waren uit de oude communistische politieke organisaties, bleven de toekomst van Macedonië voorlopig zien bínnen de Joegoslavische federatie. Dat waren – met hun huidige namen – de Socijal-Demokratski Sojuz na Makedonija (sdsm, Sociaal-Democratische Unie van Macedonië) van computerspecialist Branko Crvenkovski (1962), de Socijalistička Partija na Makedonija (spm, Socialistische Partij van Macedonië) van Kiro Popovski, en de Liberalna Partija na Makedonija (lpm, Liberale Partij van Macedonië) van Stojan Andov (1935), een hervormingsgezinde communistische partijfunctionaris.22 Geen van deze drie ex-communistische partijen had een uitgesproken nationalistisch discours; ze dienden zich aan als partijen van alle burgers van Macedonië, zonder etnisch onderscheid. Alleen tijdens verkiezingscampagnes namen ook zij hun toevlucht tot anti-Albanese retoriek – om het Slavisch-Macedonische electoraat te behagen (Woodward 1995: 133). De Albanezen zochten hun heil voornamelijk bij twee grote Albanese nationalistische partijen, die niet enthousiast waren over

165


Joegoslavië, maar evenmin veel zagen in een onafhankelijke SlavischMacedonische staat. De Partia për Prosperitet Demokratik (ppd, Partij voor Democratische Voorspoed), gesticht in 1990, was in principe een partij voor alle burgers van Macedonië, maar functioneerde als een Albanese partij, vooral nadat op haar eerste congres nagenoeg iedereen het woord gevoerd had in het Albanees. De ppd kwam op voor meer culturele en politieke rechten voor de Albanezen binnen de grenzen van de sr Macedonië. Ze trok ook leden van niet-Albanese minderheden aan, in het bijzonder Macedonische moslims. Stichter en eerste voorzitter was Nezvat Halili (1952), een leraar Engels uit Tetovo. De ppd had nauwe banden met de Lidhja Demokratike e Kosovës (ldk, Democratische Liga van Kosovo) van Ibrahim Rugova, maar distantieerde zich van de separatistische koers van deze partij. De radicalere Partia Demokratike Popullore (pdp, Nationale Democratische Partij) ijverde expliciet voor de erkenning van de Albanezen als constituerende natie en voor Albanese territoriale autonomie binnen Macedonië. Aan het hoofd stond Iljaz Halimi. Toen bij de eerste ronde van de eerste vrije parlementsverkiezingen op 11 december 1990 bleek dat de Albanezen bijna uitsluitend voor Albanese partijen stemden, lokte dat bij de SlavischMacedonische kiezers in de tweede ronde op 25 december een nationalistische reactie uit, waarvan vooral de vmro-dpmne profiteerde: deze partij veroverde 38 van de 120 zetels in het parlement. Toch gingen nog 31 zetels naar de sdsm en 19 naar de lpm. De Albanese coalitie van ppd en pdp behaalde 22 zetels. Toen de verkozenen geen eensgezindheid over de samenstelling van een regering konden bereiken, vormden ze in januari 1991 een kabinet van (overwegend) partijloze experts – waaronder ook enkele Albanezen –, dat in het parlement gesteund werd door de ex-communistische partijen. Premier werd de econoom Nikola Kljusev (1927). Op 27 januari 1991 koos het parlement Kiro Gligorov (1917), de éminence grise van de Macedonische politiek en lid van de sdsm, als president. Gligorov, communist van de oude garde, tijdens de oorlog partizaan en medewerker van Tito, had in het communistische Joegoslavië diverse politieke functies vervuld en was in de jaren zestig een groot voorstander geweest van economische hervormingen. Ljubčo Georgievski van de vmro-dpmne werd vice-president, Stojan Andov van de lpm voorzitter van het parlement. Enkele dagen eerder, op 25 januari 1991, had het parlement

166


zich het recht toegeëigend om te zijner tijd de onafhankelijkheid van Macedonië uit te roepen, maar tegelijk gestemd over een platform voor onderhandelingen over de toekomst van Joegoslavië. De vmro-dpmne bleef aandringen op onafhankelijkheid zonder meer; president Gligorov en de sdsm zagen vooral de voordelen van het behoud van de federatie. Door de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Slovenië en Kroatië op 25 juni 1991 werd de Joegoslavische optie echter onhoudbaar. De Macedoniërs voelden er evenmin als de Bosnjakken voor om in een door Servië gedomineerde Joegoslavische reststaat te leven. Uit het referendum, gehouden op 8 september 1991, bleek dat een grote meerderheid van althans de Slavisch-Macedonische bevolking gewonnen was voor onafhankelijkheid, maar een associatie met Joegoslavië – in de vorm van een confederatie of toetreding tot een commonwealth van soevereine republieken – nog steeds mogelijk achtte (Ackermann 2000: 59). De Albanese partijen boycotten het referendum, omdat ze een Slavisch-Macedonische staat, noch toetreding tot een Joegoslavische confederatie zagen zitten. Daarnaast speelde ook de omstandigheid, dat zij dreigden van hun Kosovaarse volksgenoten gescheiden te worden door een echte staatsgrens, terwijl ze in Joegoslavië hoe dan ook binnen de grenzen van één staat leefden. Leden van dezelfde familie zouden voortaan in twee aparte staten leven. De Macedonische onafhankelijkheidsverklaring op 17 september 1991 gebeurde eveneens onder Albanees protest. Twee maanden later, op 17 november, proclameerde het parlement de nieuwe Macedonische Grondwet. De Albanese volksvertegenwoordigers stemden weer tegen, omdat ze in de preambule tot de Grondwet een minderheid genoemd werden en de Grondwet überhaupt nogal zuinig was met collectieve politieke en culturele rechten voor minderheden. Griekenland en Bulgarije zagen in enkele clausules van de Grondwet een legitimatie voor inmenging in hun interne aangelegenheden en voor irredentistische ambities en drongen aan op amendering. Op 15 januari 1992 erkende de eu Slovenië en Kroatië als onafhankelijke staten. De erkenning van Macedonië ging niet door; Griekenland, bevreesd voor de echte of vermeende irredentistische ambities van de nieuwe republiek, had verzet aangetekend. In februari-maart 1992 trok het Jugoslavenska Narodna Armija (jna, Joegoslavische Volksleger) zich uit Macedonië terug. De republiek was er als enige van de Joegoslavische deelstaten in geslaagd zonder bloedvergieten de federatie te verlaten. Die geweldloze afschei-

167


ding was vooral het resultaat van het staatsmanschap van president Gligorov. De onafhankelijkheid had echter zware economische gevolgen, want Servië was Macedoniës belangrijkste handelspartner. De breuk met Joegoslavië kostte Macedonië jaarlijks 2,5 miljard dollar (Ramet 1995: 225). De situatie werd nog pijnlijker doordat Macedonië secuur meewerkte aan de uitvoering van het handelsembargo, dat de vn-Veiligheidsraad in mei 1992 aan Joegoslavië oplegde. Bovendien werd Macedonië zelf economisch geboycot door Griekenland, dat van de Macedonische regering allerlei garanties wilde afdwingen. De oppositie stelde de regering verantwoordelijk voor de benarde toestand. De vmro-dpmne bleef ook moeilijkheden maken over de Grondwet, die naar haar oordeel te veel rechten gaf aan de minderheden. Op 17 juli 1992 viel het kabinet-Kljusev na een motie van wantrouwen van de socialistische partijen. Er werd een nieuwe coalitie gevormd met de lpm van Andov, en de twee Albanese partijen, de ppd en de pdp. Crvenkovski, de leider van de sdsm, werd premier. De Albanezen kregen vier ministeries – een verstandige en deels geslaagde poging om de Albanese politici bij het bestuur te betrekken en de relaties tussen Slavische Macedoniërs en Albanezen te verbeteren. Maar de spanningen bleven heel groot. De Albanese ontevredenheid over de status van minderheid, met alle implicaties voor het gebruik van het Albanees in onderwijs en administratie, bleef bestaan. De internationale gemeenschap maakte zich meer zorgen om de Servische minderheid, die net als in Kroatië en BosniëHercegovina aandrong op de vorming van een Servisch autonoom gebied in Macedonië. Het risico dat de (burger)oorlogen in Kroatië en Bosnië-Hercegovina en het aanslepende conflict in Kosovo naar Macedonië oversloegen, leek reëel. Gezien de historische betrokkenheid van de buurlanden bij het lot van Macedonië kon een destabilisatie van Macedonië leiden tot een oorlog op de hele Balkan. Reeds in september 1992 zond de ovse een Spillover Monitoring Mission to Skopje om toe te zien op de ontwikkelingen aan de Macedonisch-Joegoslavische grens en zodoende de ‘overloop’ van het Bosnische conflict naar Macedonië te vermijden. De missie moest ook bijzondere aandacht besteden aan de relaties tussen Slavische Macedoniërs en Albanezen in het land. Op 11 december 1992 besloot de vn-Veiligheidsraad met Resolutie 795 ‘to establish a presence of unprofor in the Former Yugoslav Republic of Macedonia to monitor its borders with Albania and the Federal Republic

168


of Yugoslavia’. Het ging om een uitbreiding van het mandaat van de United Nations Protection Force (unprofor), die in de loop van februari 1992 met een peace keeping-opdracht naar Kroatië en later naar Bosnië gestuurd was, om toe te zien op de uitvoering van de wapenstilstandsakkoorden en om mee te helpen met de demilitarisering van de United Nations Protected Areas (unpas) en met de organisatie van de terugkeer van de vluchtelingen. unprofor III of unprofor Command in Macedonia moest toezicht houden aan de Macedonische grens met Albanië en Joegoslavië, de stabiliteit van het land versterken door op te treden als preventiestrijdkracht, en verslag uitbrengen over ontwikkelingen die een bedreiging vormden voor het land. Canadese, Scandinavische en Amerikaanse militairen begonnen aan hun opdracht in januari 1993, in nauwe samenwerking met de ovse Spillover Monitoring Mission to Skopje. Op 31 maart 1994 breidde de vn-Veiligheidsraad met Resolutie 908 het mandaat van unprofor Command in Macedonia uit door de speciale gezant van de secretaris-generaal in Macedonië ertoe aan te zetten ‘to use his good offices as appropriate to contribute to the maintenance of peace and stability in the Republic’. Precies een jaar later, op 31 maart 1995, gaf de vn-Veiligheidsraad, als gevolg van een Kroatische eis, met Resolutie 981 aan de vntroepen in Macedonië een vernieuwd mandaat. unprofor Command in Macedonia heette voortaan United Nations Preventive Deployment Force (unpredep). Vanaf 1 februari 1996 hing unpredep niet meer af van de United Nations Peace Forces Headquarters (unpfhq) in Zagreb, maar rechtstreeks van de vn. De taken werden nogmaals uitgebreid en omvatten voortaan ook ‘measures to build confidence’ en ‘selected social and developmental projects’ (Ackermann 2000: 118-9). Samen met de ovse Spillover Monitoring Mission to Skopje hield unpredep zich voortaan vooral bezig met de relaties tussen Slavische Macedoniërs en Albanezen in Macedonië. Aan het mandaat van unpredep kwam een einde in 1999. Macedoniës bereidwilligheid om met de vn samen te werken leidde ertoe dat de republiek op 7 april 1993 onder de naam Former Yugoslav Republic of Macedonia (fyrom) als vn-lidstaat aanvaard werd. Door de tegenstand van Griekenland bleef officiële erkenning van de onafhankelijkheid van Macedonië door de eu-lidstaten evenwel uit. Steeds meer andere staten echter gingen tot erkenning over en knoopten diplomatieke betrekkingen aan.

169


In oktober 1994 werd president Gligorov met een overweldigende meerderheid van 78,4 procent van de stemmen tot president herkozen. Voor de parlementsverkiezingen, die in dezelfde maand gehouden werden, meldde zich de coalitie Sojuz za Makedonija (sm, Unie voor Macedonië) aan, bestaande uit de sdsm, nog steeds aangevoerd door Branko Crvenkovski, de lpm van Stojan Andov, en de spm van Kiro Popovski. Hun belangrijkste concurrenten waren de vmro-dpmne en de Demokratska Partija na Makedonija (dpm, Democratische Partij van Macedonië) van Petar Gošev (1948), nog een econoom uit de oude communistische nomenclatura, maar nu een overtuigd verdediger van de kleine ondernemer. De Albanezen in Macedonië konden in 1994 stemmen voor drie Albanese partijen. De ppd van Nezvat Halili was in februari 1994 gesplitst. De partij van de gematigde oude garde, waartoe de Albanese ministers in de regering behoorden, bleef ppd heten. De leiding had Xheladin Murati, vanaf juli 1994 Abdurahman Haliti. Tijdens de crisis van 2001 stond Ymer Ymeri aan het hoofd van de ppd; in het voorjaar van 2002 werd hij opgevolgd door (opnieuw) Abdurahman Haliti. De radicale leden van de oude ppd hadden al in 1993 een aparte groep gevormd onder leiding van Manduh Thaçi, voorzitter van de partijafdeling in Tetovo. In 1994 stichtten ze de Partia për Prosperitet Demokratik Shqiptarëve (ppdsh, Partij voor Democratische Voorspoed van de Albanezen). Arbën Xhaferi werd voorzitter en Menduh Thaçi vice-voorzitter. De ppdsh onderhield nauwe banden met de Partia Demokratike e Kosovës (pdk, Democratische Partij van Kosovo) van Hashim Thaçi. Als derde Albanese partij nam de pdp van Iljaz Halimi deel aan de verkiezingen. Ten slotte waren er nog Servische, Turkse en Roma-partijen die naar de gunst van de kiezer dongen. Al tijdens de eerste stemronde tekende een overwinning van de socialistische coalitie sm zich af. De vmro-dpmne en veel buitenlandse commentatoren schreven het succes van de regeringspartijen toe aan massale fraude; ovse-waarnemers echter waren van oordeel dat de uitslagen geldig waren. De imro-dpmne en de dpm weigerden uit protest aan de tweede stemronde deel te nemen, zodat de sm moeiteloos 95 zetels van de 120 zetels in het parlement veroverde (58 voor de sdsm, 29 voor de lpm en acht voor de spm). De ppd won tien zetels, de pdp vier, de ppdsh geen. De voormalige coalitiepartners vormden het nieuwe kabinet; Branko Crvenkovski werd opnieuw premier. De Albanese partijen kregen

170


zoals voorheen vier ministeries. Het aantal Albanese ministers stond niet in verhouding tot het aantal stemmen dat de Albanese partijen behaald hadden. Ook de lpm kreeg maar vier ministers, al had ze bijna het driedubbele aantal stemmen in de wacht gesleept. De lpm verliet mede om die reden in 1996 ontevreden de coalitie en sloot zich aan bij de nationalistische oppositie. In het begin van de regeerperiode van het tweede kabinetCrvenkovski, in december 1994, culmineerden de spanningen met de Albanese gemeenschap in een gewelddadige krachtmeting van Albanese studenten en professoren met de Macedonische ordestrijdkrachten, naar aanleiding van de opening van de ‘illegale’ Albanese Universiteit van Tetovo. Er vielen doden. Op 13 september 1995 werd er eindelijk – en weer vooral door toedoen van president Gligorov – een interimakkoord bereikt met Griekenland. De relaties tussen beide landen werden genormaliseerd, maar Macedonië bleef fyrom heten. Op 3 oktober 1995 werd Gligorov, die er altijd voor gepleit had om problemen op een geweldloze manier op te lossen, het slachtoffer van een bomaanslag. De daders zijn nog steeds onbekend: Macedonische nationalisten die ontevreden waren over het akkoord met Griekenland, Albanese nationalisten, de maffia? Hoewel zwaargewond aan het hoofd, stond Gligorov twee maanden later weer aan het roer van de staat. Nadat er aan het Griekse veto een einde gekomen was, lag voor Macedonië de weg naar Europa in principe open. Vanaf 1996 kon het land genieten van financiële bijstand in het kader van het phareprogramma. In 1997 begonnen onderhandelingen die op 1 januari 1998 afgesloten werden met een cooperation agreement tussen Macedonië en de eu. Ook militair oriënteerde Macedonië zich volledig op het Westen: de navo bood immers de beste bescherming bieden tegen de lastige en sterkere buurstaten. In de loop van 1995 werd Macedonië lid van het Partnership for Peace Program, dat niet-lidstaten betrekt bij de activiteiten van de navo en de aanloop vormt tot volwaardig lidmaatschap van de alliantie. In 1997 werd Macedonië ook lid van de Euro-Atlantic Partnership Council (eapc), een overlegorgaan tussen de navo-lidstaten en de voormalige Oostbloklanden. Macedonische militairen namen deel aan navo-oefeningen in Spanje en Griekenland. Macedonië was in 1998 ook zelf een keertje gastheer. Het ging toen om een ‘oefening’ die vooral bedoeld was om Joegoslavië te intimideren, dat op dat ogenblik verwikkeld was in een oorlog met het Ushtria Çlirimtare e Kosovës (uçk, Kosovaars Bevrijdingsleger). 171


De crisis in Kosovo was in vele opzichten een ramp voor Macedonië, maar ze bood ook de gelegenheid om de banden met de navo nauwer aan te halen. Toen de vn-Veiligheidsraad op 24 oktober 1998 een ovse-verificatiemissie naar Kosovo stuurde om de terugtrekking van het uçk en de Servische ordestrijdkrachten uit Kosovo te begeleiden, stemde Skopje ermee in dat in Macedonië een extraction force gelegerd werd, die de leden van het verificatieteam in geval van nood te hulp kon komen. In ruil kreeg Macedonië de belofte dat de navo Macedonië zou beschermen tegen Servische aanvallen en acties van Albanese separatisten. In de mate van het mogelijke voerde Macedonië een buitenlands beleid dat omschreven werd als positive equi-distance: dezelfde bereidwillige, maar afstandelijke houding ten aanzien van alle buurlanden. Aan de vooravond van de verkiezingen van oktober-november 1998 werd het politieke landschap in Macedonië nogmaals grondig herschikt. Een nieuwe partij, het Demokratska Alternativa (da, Democratisch Alternatief) – da betekent in het Macedonisch ook ‘ja’ –, probeerde onder leiding van Vasil Tupurkovski (1951), de laatste vertegenwoordiger van Macedonië in de oude Joegoslavische presidentiële raad, de leemte in het centrum te vullen. Het da vormde een coalitie met de vmro-dpmne van Ljubčo Georgievski. Hoewel de vmro-dpmne zich in haar verkiezingsprogramma meer toelegde op economische en sociale thema’s – vooral op dat terrein kon zij de regeringspartijen het vuur na aan de schenen leggen –, bleef ze toch ook haar radicaal-nationalistische lijn trouw, vooral ten aanzien van de Albanese minderheid. De lpm en de dpm smolten samen tot de Liberalno-Demokratska Partia (ldp, LiberaalDemocratische Partij) met aan het hoofd voormalig dpm-leider Petar Gošev.23 De Albanese partijen maakten een punt van de positie van het Albanees in het onderwijs en de administratie en richtten hun pijlen vanzelfsprekend voornamelijk op de vmro-dpmne. De ppdsh van Arbën Xhaferi en de pdp gingen samen op in de Partia Demokratike Shqiptare (pdsh, Albanese Democratische Partij), waarvan Arbën Xhaferi de leiding nam. Het da kwam als grote overwinnaar uit de verkiezingen. De coalitie won 59 zetels, terwijl de sdsm en de ldp respectievelijk slechts 29 en 4 zetels veroverden. De Albanese partijen ppd en pdsh wonnen samen respectievelijk 14 en 11 zetels. Het nieuwe kabinet werd gevormd door een coalitie van het da, de vmro-dpmne en de pdsh; het werd geleid door Ljubčo Georgievski. De pdsh van

172


Xhaferi liet zich pas na bemiddeling van Tupurkovski overhalen om tot de regeringscoalitie toe te treden, want de vmro-dpmne en de pdsh hadden elkaar tijdens de verkiezingscampagne fel bestreden, en Georgievski en Xhaferi hadden altijd volgehouden nooit met elkaar te zullen samenwerken. Kwaadsprekers beweerden dat de verstandhouding vooral gebaseerd was op de louche deals van de maffia-organisaties, die beide partijen steunden: 30 procent van de ‘zaakjes’ voor de vmro-dpmne en 70 procent voor de pdsh (iwpr, 107, 14.01.2001). Het nieuwe kabinet werd in de loop van 1999 zwaar op de proef gesteld door de oorlog in Kosovo en Joegoslavië. De maatregelen die de internationale gemeenschap en met name de navo nam om een einde te maken aan de crisis en om een escalatie naar de buurlanden te verhinderen, maakten dat Macedonië steeds nauwer bij de zaak betrokken werd. Het nieuwe vn-embargo tegen Joegoslavië betekende de zoveelste opdoffer voor de Macedonische economie. Joegoslavië was goed voor 16 procent van de Macedonische handel; 90 procent van de uitgevoerde producten ging via Servië naar West-Europa. De alternatieve routes via Bulgarije en Roemenië of Albanië kostten veel tijd en geld. Militair moest het land zich steeds meer schikken naar de wensen van de navo. De Macedoniërs werden gedwongen een deel van de militaire controle over hun grondgebied, een fundamentele bevoegdheid van elke soevereine staat, af te staan aan de navo. In de loop van februari 1999 begon de navo in Macedonië met de opbouw van een legermacht langs de grens met Servië (en Kosovo). In mei 1999 bestond de navo-aanwezigheid in Macedonië uit 14.000 manschappen, begin juni uit 30.000 manschappen – iets minder dan drie keer de omvang van het Macedonische leger. De navo oefende de controle uit over de luchthaven van Skopje en het Macedonische luchtruim en verkreeg dat haar manschappen in Macedonië juridische immuniteit genoten. navo-soldaten die zich misdroegen konden niet door een Macedonische rechtbank veroordeeld worden. Dat gaf in april 2000 aanleiding tot een pijnlijk incident. De Noorse chauffeur, die een verkeersongeval veroorzaakte waarbij minister Radovan Stojkovski en zijn familie omkwamen, werd door de Noorse autoriteiten beschuldigd van ‘onvoorzichtig rijden’, terwijl de Macedonische wet in zulke gevallen spreekt van ‘onvrijwillige doodslag’ en veel strengere straffen uitspreekt. De aftakeling van Macedoniës soevereiniteit kwam ook tot uiting in

173


het gedrag van sommige ambassadeurs in Skopje, die steeds minder moeite deden om bepaalde conventies in acht te nemen en ongeremd commentaar leverden op allerlei Macedonische interne aangelegenheden. De ontwikkelingen geraakten in een stroomversnelling toen de navo op 24 maart 1999 begon met haar militaire interventie in Joegoslavië. Het protest tegen de bombardementen begon in het noorden van het land, in de streek van Kumanovo, onder de plaatselijke Servische bevolking. Op 25 maart had een gewelddadige betoging plaats in Skopje. Ze was het initiatief van de Macedonische Serven, maar veel Slavische Macedoniërs sloten zich bij het protest aan en zelfs de Macedonische kerk, die met de Serven geen al te beste relatie heeft, verleende haar steun. De manifestanten vernielden voertuigen van de ovse en de navo en brachten schade toe aan de gebouwen van de Franse, Duitse, Britse en Amerikaanse ambassade. Niet alleen het eigengereide gedrag van de navo, maar ook de opvang van vluchtelingen uit Kosovo, die onder meer door de navo georganiseerd werd, wekten grote ontevredenheid. De Slavische Macedoniërs vonden ook dat de navo en het unhcr te veel levensmiddelen voor de vluchtelingen invoerden in plaats van ze op de Macedonische markt aan te kopen. Dat zou een compensatie gevormd hebben voor de economische verliezen die Macedonië leed door het handelsembargo tegen Joegoslavië en voor de kosten, geschat op 1300 miljoen dollar, veroorzaakt door de aanwezigheid van de navo-troepen en de opvang van de vluchtelingen. Het half miljoen dollar dat de navo in Macedonië per dag spendeerde, had veeleer een ontwrichtend dan een weldadig effect op de Macedonische economie (Drezov 2001: 62-3). De oorlog in Joegoslavië leidde tot een (eerste) vertrouwenscrisis tussen de navo en Macedonië. De eu probeerde een en ander goed te maken door in 1999 Macedonië te betrekken bij het Stability Pact for South East Europe, dat stabiliteit en welvaart in de Balkanregio wil brengen door het aanmoedigen van regionale samenwerking. Macedonië kreeg honderd miljoen euro als vergoeding voor de schade, geleden door de navo-aanwezigheid in Macedonië en de opvang van de Kosovaarse vluchtelingen. Inmiddels hadden de meningsverschillen over de legitimiteit en de wenselijkheid van de interventie en over de manier waarop de vluchtelingen moesten opgevangen worden, geleid tot een nog grotere polarisering tussen de Slavische en de Albanese gemeenschap

174


in Macedonië, terwijl binnen beide gemeenschappen de kloof tussen regerings- en oppositiepartijen en hun respectieve aanhang steeds dieper werd. Dit bleek bij de presidentsverkiezingen van november-december 1999. In de eerste ronde – op 31 november – versloeg pdsh-kandidaat Muharem Nexhipi (1954) zijn ppd-rivaal Muhamed Halili (1951) met drievierde van de stemmen. Dit succes kón te danken zijn aan het knappe regeringswerk van de pdsh, maar ook aan het vele geld dat tijdens de kiescampagne gespendeerd werd – geld afkomstig uit ‘handel’ met Kosovo. De kiescampagne ging gepaard met tal van gewelddadigheden, vooral tussen leden en aanhangers van de pdsh en de ppd . In diezelfde eerste ronde behaalden Boris Trajkovski (1956) van de vmro-dpmne, en Tito Petkovski van de sdsm de meeste stemmen, maar geen van beiden had de vereiste absolute meerderheid. Tijdens de tweede (en de partiële derde) ronde behaalde Trajkovski de vereiste meerderheid van de stemmen dankzij de steun van de pdsh-aanhangers. Het feit dat Trajkovski een methodist was en niet behoorde tot de erg anti-Albanese Macedonische kerk, maakte hem aanvaardbaarder voor de Albanese kiezers. Weer kwam het tot handgemeen, nu ook tussen pdsh- en sdsm-aanhangers. De sdsm-leiding dacht er op 5 december zelfs over de verkiezingen te boycotten, maar ze zag daarvan af onder druk van eu-diplomaten, die Trajkovski graag als president van Macedonië verkozen wilden zien. Om dezelfde reden, zo werd beweerd, bedekte de internationale gemeenschap de vele gevallen van fraude en intimidatie die de ovse-waarnemers hadden gesignaleerd, met de mantel der liefde. De gevolgen waren echter verreikend. De vmro-dpmne verloor door de steun die haar kandidaat van de Albanezen gekregen had nog meer krediet bij haar Slavisch-Macedonische aanhang en werd nog afhankelijker van de pdsh. De sdsm kwam radicaler antiAlbanees uit de stembusslag. De pdsh tenslotte was door haar steun aan een Macedonische kandidaat, en dan nog één van de vmrodpmne, kwetsbaarder geworden voor kritiek van de ppd (Drezov 2001: 65-68). In de loop van 1999 moest unpredep, dat in de afgelopen jaren zijn deugdelijkheid bewezen had, Macedonië verlaten. China had zich verzet tegen een verlenging van het mandaat: het was boos op Macedonië omdat het op 27 januari 1999, in ruil voor een miljard dollar aan investeringen (die er nooit gekomen zijn) Taiwan had erkend als onafhankelijke staat. De grens tussen Kosovo en

175


Macedonië werd zo lek als een mandje. Naast drugs werden vanaf toen op grote schaal wapens de grens over gesmokkeld. De eindeloze rij communautaire brandjes die telkens opnieuw moesten geblust worden, maakten dat van de beloofde economische hervormingen, die coalitiepartner da zo nauw aan het hart lagen, nauwelijks iets terechtkwam. De sociale omstandigheden, waarin de meerderheid van de Macedonische burgers moest leven, bleven even erbarmelijk als voordien. De regeringspartijen kregen de rekening al bij de communale verkiezingen op 10 september 2000 gepresenteerd. De sdsm en de ppd speelden de nationalistische kaart. De sdsm hekelde de toegevingen die de vmro-dpmne aan ‘de minderheden’ deed, wat maakte dat veel Albanezen in de tweede ronde, toen het erop aankwam, voor de vmro-dpmne stemden. De ppd beschuldigde de pdsh ervan de Albanese belangen te verkwanselen. De regeringspartijen grepen naar intimidatie en geweldplegingen. In een aantal gemeenten in het westen en noorden van Macedonië ging het er vooral tussen de pdsh en de ppd hard aan toe. Terwijl de vmro-dpmne maar met moeite overeind bleef, slaagde de pdsh erin zijn electorale positie te handhaven. Dit wekte bij de Slavische Macedoniërs opnieuw de indruk dat vooral de Albanese politici met de gang van zaken hun profijt deden. Zo zag het Macedonische politieke landschap eruit aan de vooravond van de grote crisis van 2001.

176


10 Land in de wachtkamer

E

EN LAND IN DE WACHTKAMER, noemde president Kiro

Gligorov Macedonië toen de eu in januari 1992 weigerde het land samen met Slovenië en Kroatië officieel te erkennen. Macedonië zit op vele manieren ‘in de wachtkamer’. Met Griekenland moet nog een definitieve regeling voor de officiële naam van het land gevonden worden. Bulgarije heeft de Macedonische staat en impliciet ook het bestaan van een Macedonische natie en taal erkend, maar de volledige aanvaarding van de Macedoniërs als een aparte natie met haar eigen taal en geschiedenis door (het grootste deel van) de intelligentsia en de publieke opinie laat nog op zich wachten. Of er voor de problemen met de Albanese gemeenschap in Macedonië een blijvende oplossing gevonden zal worden – een kwestie waarvan het voortbestaan van de Macedonische staat in grote mate afhangt –, valt eveneens nog af te wachten. Alleen Servië en de Serven lijken zich bij het bestaan van een Macedonische staat neergelegd te hebben.

177


Servië en de Serven Toen in de late jaren tachtig de Joegoslavische federale regering aan gezag inboette en de deelstaten assertiever werden, namen de spanningen tussen Servië en Macedonië toe. Op 2 augustus (Ilinden) 1990 organiseerde de piepjonge vmro-dpmne in het Prohor-Pčinskiklooster op het grondgebied van de Republiek Servië een plechtigheid om de stichting – in datzelfde klooster, 46 jaar eerder – van de sr Macedonië te herdenken. Het klooster bevindt zich in een kleine Servische inham in Macedonië en werd altijd al om geografische en historische redenen door de Macedoniërs opgeëist. De Joegoslavische ordestrijdkrachten grepen in en er vielen harde klappen. De Macedonische regering, waarin de Communistenbond van Macedonië nog steeds de dienst uitmaakte, stuurde niet aan op een confrontatie. Ze was misschien niet opgezet met Milošević, maar wilde nog meer spanningen in Joegoslavië liever vermijden. Macedonië koos ook pas voor onafhankelijkheid nadat Kroatië en Slovenië aangekondigd hadden de federatie te zullen verlaten en de machtsevenwichten binnen Joegoslavië daardoor grondig verstoord werden. Deze ‘voorgeschiedenis’ had zijn impact op de besprekingen, die president Gligorov na de onafhankelijkheidsverklaring van Macedonië op 17 september 1991 voerde met het Federaal Secretariaat voor Nationale Defensie over de terugtrekking van het Joegoslavische leger, het jna, uit Macedonië. In februari-maart 1992 verliet het jna de republiek zonder incidenten, maar nam – in weerwil van de gemaakte afspraken – alle materieel mee, behalve de radarinstallatie op de luchthaven van Petrovac bij Skopje en de (bescheiden) uitrusting van de Macedonische Territoriale Defensie.24 Macedonië moest zijn leger van nul opbouwen en dat terwijl een wapenembargo bestond voor het hele grondgebied van ex-Joegoslavië. De zwakte van de Macedonische strijdkrachten zou ook tijdens het conflict met de Albanese rebellen in 2001 nog blijken. Na de terugtrekking van het jna bleef de angst voor een Servische interventie bestaan. De krant Nova Makedonija (Nieuw Macedonië) had Servië er op 20 mei 1990 al van beschuldigd partij te kiezen voor Griekenland in het conflict dat Macedonië met dat land had over de Slavisch-Macedonische minderheid. Die argwaan was niet ongegrond. Radicale Servische nationalisten beschouwden de Macedoniërs nog steeds als Serven; ze waren het eens met

178


het Griekse standpunt dat een Macedonische natie niet bestond. Er circuleerden geruchten over plannen van Servië en Griekenland om Macedonië onder elkaar te verdelen – al was het onduidelijk welk plezier Griekenland kon beleven aan de aanwezigheid (bij een fiftyfifty verdeling) van meer dan een half miljoen Macedoniërs en tweehonderdduizend Albanezen binnen haar grenzen. Ook het krankzinnige idee dat Slobodan Milošević einde juni 1992 voor de Griekse media lanceerde om een Grieks-Servische federatie te stichten, vergrootte de onzekerheid van de Macedoniërs over hun toekomst, want zo’n federatie zou geografisch en politiek geen ruimte laten voor een onafhankelijk Macedonië. In november 1993 zei Milošević op een persconferentie met de Griekse minister van Buitenlandse Zaken Karolos Papoulias dat gezien het separatisme van de Macedonische Albanezen, het probleem van de erkenning van Macedonië binnenkort zichzelf zou oplossen omdat er niets meer te erkennen zou zijn. Ten slotte bestond er geen eensgezindheid over de Joegoslavisch-Macedonische grens. Langs die grens hadden in die jaren vele tientallen incidenten plaats, waarbij Joegoslavische militairen het Macedonische grondgebied binnendrongen (Ackermann 2000: 72; Ramet 1995: 219). Ondertussen veroorzaakte ook de Servische minderheid in Macedonië problemen. Deze minderheid bood Servië het ideale voorwendsel om zich met de Macedonische interne aangelegenheden te blijven bemoeien. De volkstellingen van 1991 en 1994 brachten respectievelijk 42.775 en 39.260 Serven aan het licht – circa 2 procent van de totale bevolking (Friedman 1996: 90). Volgens Vojislav Šešelj en andere radicale Servische nationalisten echter waren álle Macedonische Slaven Serven en was Macedonië een integraal onderdeel van Groot-Servië. ‘Gematigde’ Servische nationalisten schatten het aantal Serven in Macedonië op 300.000 à 500.000. Ze waren van oordeel dat de Serven in Macedonië gediscrimineerd werden en recht hadden op een eigen, autonoom gebied. De Serven organiseerden zich al in 1990 in de Demokratska Stranka Srba Makedonije (dssm, Democratische Partij van de Serven van Macedonië), geleid door Dragiša Miletić, en in andere organisaties, die morele en financiële steun kregen uit de Republiek Servië. De Serven in Macedonië eisten met naam en toenaam te worden genoemd als ‘nationaliteit’ in de Grondwet. In de opsomming van de ‘nationaliteiten, die dezelfde rechten genoten als de Macedoniërs’ in de preambule tot de Grondwet kwamen om een of

179


andere niet al te verstandige reden de Albanezen, Turken, Vlachen en Roma wél, maar de Serven níét voor. Verder wilden de Serven onderwijs in de eigen taal, vrijheid van religie (dat wil zeggen, aansluiting bij het Patriarchaat van Servië) en radio- en televisieuitzendingen in het Servisch. Net als de Albanezen boycotten ook zij in 1991 het referendum over onafhankelijkheid dat de Macedonische regering georganiseerd had. Maar het meest onrustbarend was dat de Serven, het voorbeeld volgend van hun volksgenoten in Kroatië, begin maart 1992 in het noorden van Macedonië in dertien gemeenten hun eigen Servische autonoom gebied ‘organiseerden’. In de ‘hoofdstad’ Kučevište hesen ze op de eerste dag van het jaar 1993 Servische vlaggen en hingen portretten van Milošević op, die door de Macedonische politie tijdens een handgemeen verwijderd werden. De volgende dag barricadeerden Serven de toegangswegen tot de stad. Maar er daagden geen Servische burgermilities op en de afscheiding van de ‘Servische Republiek’ in Macedonië ging niet door. Ook de Servische kerk deed haar duit in het zakje. In plaats van na de onafhankelijkheid van Macedonië eindelijk over te gaan tot de erkenning van het onafhankelijke Macedonische aartsbisdom, stichtte ze een soort van aartsbisdom in Niš, dat ook gezag zou uitoefenen over alle ‘voormalige Servische bisdommen’ tot de aanstelling van een nieuwe (Servische) bisschop van Skopje. Dat is uiteindelijk niet gebeurd, maar veroorzaakte wel de nodige spanningen (Poulton 1995: 181). Ondanks deze moeilijkheden begonnen Joegoslavië en Macedonië in maart 1993 onderhandelingen over economische samenwerking, toltarieven en andere wederzijdse verplichtingen – onderhandelingen, die uitzicht boden op een normalisering van de betrekkingen. Toen de vn-Veiligheidsraad echter in mei van hetzelfde jaar het handelsembargo tegen Joegoslavië verhardde, kon Macedonië niet anders dan daaraan meewerken en de samenwerking met Joegoslavië opgeven, ten einde de nakende erkenning van het land door de vn niet in het gedrang te brengen. In de zomer van 1993 bemiddelde de Working Group on Ethnic and National Communities van de International Conference on the Former Yugoslavia (icfy, opgericht in augustus 1992) een akkoord tussen de dpsm. Daarin kregen de Serven de rechten waarover nationale minderheden krachtens internationale verdragen moeten beschikken. Helemaal van de baan waren de problemen

180


daardoor niet. De regio rond Kučevište, waar de grootste concentratie Serven leefde, bleef in grote mate ontsnappen aan de controle van de Macedonische overheid. Af en toe laaiden de gemoederen op, zoals in 1995 toen Dragiša Miletić voorstelde om de Servische vluchtelingen uit de Kroatische Krajina onderdak te geven in de Servische regio in Noord-Macedonië. Dezelfde Miletić hield er ook van de Macedoniërs te jennen door de Republiek Macedonië systematisch fyrom te noemen. De Macedonische Serven bezorgden ook de internationale gemeenschap en in het bijzonder de navo veel overlast tijdens de oorlog in Joegoslavië in 1999. Zo namen ze een navo-patrouille gevangen en leverden ze uit aan Belgrado (Ackermann 2000: 85-87). In het zog van het Vredesakkoord van Dayton in december 1995 erkende Servië op 8 april 1996 officieel de Macedonische onafhankelijkheid. In de loop van de volgende jaren sloten beide landen tal van akkoorden, die vooral de economische samenwerking moesten bevorderen. De grensgeschillen bleven bestaan tot na de val van Milošević begin oktober 2000. Pas in februari 2001 werden na maanden onderhandelen de laatste problemen opgeruimd. De kleine regio rond Tanuševci, gelegen bij het punt waar Servië, Kosovo en Macedonië elkaar raken, en jarenlang een soort van niemandsland onder de controle van unpredep, kwam definitief in Macedonisch bezit.

Bulgarije en de Bulgaren De val van het communistische regime in Bulgarije op 10 november 1989 vormde het begin van een democratiseringsproces waarbij aan nationalistische gevoelens – Bulgaarse én Macedonische – vrijer uiting kon gegeven worden. Daarvoor zorgden ook de vrije pers en de vrije markt. De Bulgaarse publicaties over Macedonië hadden over het algemeen dezelfde teneur als voordien, maar het aantal nam toe en het intellectuele niveau af. De opeenvolgende Bulgaarse regeringen echter, van welke politieke kleur ook, namen ten aanzien van de ‘Macedonische kwestie’ zoals ze zich op het einde van de 20e eeuw aandiende, in de regel een bijzonder gematigd en pragmatisch standpunt in. In de nationalistische heksenketel in die tijd was Bulgarije – wijs geworden door zijn ‘nationale catastrofes’, of erop uit bij de eu en de navo een wit voetje te halen – ‘een factor van rust en stabiliteit op de Balkan’. 181


Enkele groeperingen in Bulgarije brachten ook allerlei Macedonische eisen naar voren. Wát en meer nog wíé deze groeperingen precies voorstelden is niet makkelijk te achterhalen. Bij de Bulgaarse volkstelling van 1991 was het in principe niet mogelijk zich zonder meer als ‘Macedoniër’ te laten registreren. Uiteindelijk werden 10.803 Macedoniërs geteld, waarvan er 6000 Bulgaars als hun moedertaal vermeldden. Uit een onderzoek van het Bulgaarse Center for the Study of Democracy bleek in 1991 dat binnen de leeftijdsgroep van 18 tot 25 10,3 procent zichzelf nadrukkelijk identificeerde als Macedonisch en 12,6 procent als Bulgaars. Binnen de leeftijdsgroep van 26 tot 45 was dat respectievelijk 23,1 en 38 procent. In de leeftijdsgroep 46 en ouder beschouwde 66 procent zich als Macedoniër. De stelling ‘De Macedoniërs van Pirin maken, net als alle andere Macedoniërs overal ter wereld, deel uit van de Macedonische natie’ had de meeste verdedigers binnen de leeftijdsgroep van 18 tot 25, terwijl de stelling ‘Alle Macedoniërs zijn Bulgaren, zelfs die in de sr Macedonië’ binnen de leeftijdsgroep 46 en meer de meeste aanhangers telde (Stoyanova-Boneva e. a. 2000: 244-5). De gegevens zijn erg tegenstrijdig. Het bleek ook dat veel bevraagden niet konden (wilden? durfden?) aangeven wat het onderscheid tussen Bulgaren en Macedoniërs precies was, en waarom zij zich als het ene of het andere beschouwden. Sommigen weten dat aan het turbulente verleden van de regio en de propaganda. Eén bevraagde vertolkte waarschijnlijk de mening van velen met het antwoord: ‘Voor de meeste mensen hier is het niet van belang tot welke nationaliteit ze behoren. Belangrijk is een fatsoenlijke levensstandaard, verder kan het hun niet schelen of ze Macedoniërs zijn of wat dan ook.’ (Stoyanova-Boneva e. a. 2000: 246). In april 1990 werd in Blagoevgrad, de ‘hoofdstad’ van Bulgaars Macedonië, de Obedinena Makedonska Organizacija ‘Ilinden’ (omo Ilinden, Verenigde Macedonische Organisatie Ilinden) gesticht, een federatie van kleine culturele en politieke organisaties, die opkwam voor de erkenning van de Macedonische minderheid in Bulgarije, haar rechten en haar taal. Radicalere leden eisten de aanhechting van het Bulgaarse bisdom van Nevrokop bij de Macedonische autocefale kerk en de hereniging van de drie Macedonische gebiedsdelen. Onder de grote partijen in Bulgarije, die in die tijd over alles met elkaar ruzie maakten, bleek ten aanzien van de ‘Macedonische kwestie’ een roerende eensgezindheid te bestaan. Op 14 februari 1990 verklaarden zowel de toenmalige leider van

182


de bkp, Aleksandar Lilov, als de leider van de Sajuz na Demokratičeskite Sili (sds, Unie van Democratische Krachten), Željo Želev, reagerend op een oproep van de Joegoslavische minister van Buitenlandse Zaken om de Macedonische minderheid in Bulgarije te erkennen, dat er voor hen geen Macedonische minderheid bestond: Macedoniërs waren Bulgaren. Op 26 februari organiseerde de discussiegroep Vardarska Makedonija (Vardar-Macedonië, ‘Joegoslavisch Macedonië’) in Blagoevgrad een massabijeenkomst om zijn instemming te betuigen met het standpunt van de Bulgaarse leiders. Erg massaal was de massabijeenkomst overigens niet. De meeste Bulgaren baarden de ineenstortende economie en de politieke chaos in Bulgarije meer zorgen dan de ‘Macedonische kwestie’. Pro-Bulgaarse Macedonische organisaties zoals het reeds genoemde Vardarska Makedonija, en Mati Bolgarija (Moeder Bulgarije), die de ‘gedwongen assimilatie’ van de Bulgaarse bevolking in Joegoslavisch Macedonië aanklaagden, hadden slechts een geringe aanhang. Die verenigingen schaarden zich al in 1990 onder de koepel van de Sajuz na Makedonskite Družestva (Unie van de Macedonische Verenigingen). Later voegden ze ‘vmro’ aan hun naam toe, en tenslotte heetten ze alleen nog ‘vmro’. Zo bestonden er in Bulgarije en Macedonië twee verschillende ‘Macedonische’ politieke organisaties die vmro heetten – de ene van Bulgaarse en de andere van Macedonische nationalisten. De Bulgaarse Macedoniëijveraars werden geïnspireerd door een lang interview met de stokoude Ivan Mihajlov in een populaire Bulgaarse televisieshow. Het gerucht ging dat de vmro beschikte over gewapende milities die klaarstonden om Macedonië te helpen verdedigen tegen Albanezen, Grieken en Serven. De Macedonische nationalisten in Bulgarije deden aanvankelijk meer van zich spreken dan de vmro. Wat omo Ilinden in de ogen van de Bulgaren vooral gevaarlijk maakte, was niet haar – al bij al geringe – aanhang, maar de echte of vermeende samenwerking met de Macedoniërs in Joegoslavië. Op een belangrijke bijeenkomst van Bulgaarse Macedoniërs in het Roženklooster in ZuidBulgarije op 22 april 1990 waren ook vertegenwoordigers uit de sr Macedonië aanwezig. Dat sterkte de Bulgaren in hun overtuiging dat omo Ilinden door ‘de Joegoslaven’ werd gefinancierd en gemanipuleerd. omo Ilinden slaagde er niet in om zich – zoals wettelijk vereist – officieel te laten registreren. Dat kwam doordat de bevoegde instantie de doelstellingen van de organisatie in strijd

183


achtte met de Grondwet, die de territoriale integriteit van Bulgarije ‘onschendbaar’ noemde. omo Ilinden werd ervan verdacht een stuk grondgebied van Bulgarije te willen losmaken. Leiders van de organisatie, verzamelaars van handtekeningen onder pro-Macedonische petities en dergelijke werden soms voor korte tijd geïnterneerd, beroofd van hun reispassen en gesard met nog andere ‘narigheden’ uit de tijd van ‘het totalitarisme’. Vreedzame bijeenkomsten werden door de politie verhinderd en de deelnemers opgepakt – een praktijk die voor het Hof in Straatsburg aangeklaagd werd. Tijdens de herdenking van de Ilinden-opstand op 3 augustus 1990 herhaalde Željo Želev, voordien oppositieleider en op dat moment kersvers president van Bulgarije, dat de Macedoniërs Bulgaren waren en citeerde daarbij een brief van een pro-Bulgaarse organisatie in Macedonië, waarin hetzelfde stond. Deze organisatie was de Vereniging van Bulgaren in Vardar-Macedonië, die kort daarvoor in Skopje gesticht was. De brief, waarvan de inhoud op 4 augustus in de media openbaar gemaakt werd, bevatte een oproep tot het Bulgaarse volk en de Bulgaarse regering om de Bulgaren in Macedonië niet in de steek te laten. Het was nu de beurt aan Skopje om Bulgarije te beschuldigen van inmenging in de interne aangelegenheden en manipulatie. Ondanks deze spanningen steunde Bulgarije het onafhankelijkheidsstreven van Macedonië van ganser harte, maar niet helemaal te goeder trouw. In september 1991 deed Bulgarije een door Griekenland georganiseerde Balkanconferentie over de Macedonische kwestie afstellen, omdat Macedonië niet uitgenodigd was. Op 16 januari 1992, een dag nadat de eu de onafhankelijkheid van Slovenië en Kroatië erkend had, erkende Bulgarije als eerste land ter wereld de onafhankelijkheid van de Republiek Macedonië – onder die naam. Op 6 februari volgden Turkije en de Republiek van NoordCyprus (die zelf alleen door Turkije erkend was). Turkije en NoordCyprus wilden daarmee Griekenland een hak zetten, dat alles deed om de internationale erkenning van Macedonië te verhinderen. Bulgarije wilde Macedonië vooral losweken uit het Joegoslavische staatsverband en van Servië, en als ‘grote broer’ invloed verwerven op de ontwikkelingen in de jonge republiek. Bulgarije erkende wél de Macedonische staat, maar niet het bestaan van een Macedonische natie of een Macedonische taal. Voor Bulgarije bestonden er op die manier op de Balkan twee Bulgaarse staten die – dat was de heimelijke droom van de Bulgaarse nationalisten – op langere termijn net

184


als de twee Duitslanden ‘herenigd’ zouden worden. De haast waarmee de erkenning gebeurde, moet voor een deel ook toegeschreven worden aan de presidentsverkiezingen die op dat moment in Bulgarije voor de deur stonden: Željo Želev, kandidaat voor een tweede termijn, wilde in patriottisme niet onderdoen voor zijn rivaal Velko Valkanov, kandidaat van de ex-communistische Balgarska Socialističeska Partija (bsp, Bulgaarse Socialistische Partij). Hoe dan ook bleek de ‘Macedonische kwestie’ voor de Bulgaarse politieke elite belangrijk genoeg om er een diplomatieke aanvaring met het bevriende Griekenland voor te riskeren. Athene herinnerde Bulgarije er fijntjes aan dat het ‘op weg naar Europa’ de steun van Griekenland nodig had. Vooral de bsp had veel kritiek op de beslissing van Želev, omdat die de sinds vele jaren voortreffelijke betrekkingen van Bulgarije met Griekenland – en van een aantal bsp-leden met Griekse zakenlui – in het gedrang bracht. Bulgarije stelde het aanknopen van volwaardige diplomatieke relaties met Skopje dan ook maar uit tot na de erkenning van Macedonië door de eu. Bulgarije had, zoals in het diplomatieke verkeer gebruikelijk, een staat erkend, en geen volk. Het punt of er al dan niet een Macedonisch volk bestond, kon in de diplomatieke contacten tussen Bulgarije en Macedonië dan ook tamelijk makkelijk omzeild worden. Alleen moesten er bij die contacten gesprekken gevoerd worden en officiële documenten ondertekend. De Macedoniërs wilden daarbij per se gebruikmaken van het Macedonisch; de Bulgaren weigerden hun handtekening te zetten onder een document in een ‘niet-bestaande’ taal. Dat leidde soms tot groteske situaties. In 1993 maakte de Macedonische premier Crvenkovski bij een ontmoeting met zijn Bulgaarse collega Ljuben Berov gebruik van een tolk – in Bulgaarse ogen een provocatie. Een jaar later verzocht de Bulgaarse president Željo Želev bij een ontmoeting met zijn Macedonische collega Kiro Gligorov diens tolk te zwijgen, omdat hij – Želev – alles verstond. Een twintigtal akkoorden tussen Bulgarije en Macedonië, van belang voor de economische samenwerking tussen beide staten, ging niet door omdat de partijen het niet eens konden worden over de taal van de documenten. Een andere bron van spanningen bleef de Macedonische minderheid in Bulgarije. Erkenning van de Macedonische natie en taal in Macedonië kon Bulgarije in een situatie brengen, waarin het nog maar moeilijk uit kon onder de erkenning van een Macedonische minderheid binnen zijn eigen grenzen. Net als Griekenland drong

185


Bulgarije aan op de amendering van artikel 49 van de Macedonische Grondwet, dat de Republiek opdroeg te waken over de rechten van burgers van Macedonische afkomst in het buitenland. Bulgarije vreesde net als Griekenland dat dit artikel de deur openzette voor inmenging in zijn interne aangelegenheden. De samenwerking van omo Ilinden met organisaties in de Republiek Macedonië en de echte of vermeende financiële steun die de vereniging uit Skopje ontving, leken die vrees te rechtvaardigen. Onder de Bulgaren die zich nog door de Macedonische kwestie laten opwinden, bestaat dezelfde dubbelheid als vóór de Tweede Wereldoorlog. Sommigen staan dicht bij de oude ‘federalisten’ en kunnen leven met een onafhankelijk Macedonië, op voorwaarde dat de Macedoniërs daarin ‘kunnen zijn wat ze werkelijk zijn: Bulgaren’. Meer radicale Macedonië-ijveraars denken veeleer in de irredentistische lijn van het oude vk. Ze gaan ervan uit dat Macedonië in de toekomst ooit deel zal uitmaken van Bulgarije. Tot deze stroming behoort de (Bulgaarse) vmro, die zich in de loop der jaren ontpopt heeft als een rechts-nationalistische, om niet te zeggen fascistoïde partij: tegen minderheden, tegen ‘sekten’ (dat zijn alle andere kerken dan het Patriarchaat van Bulgarije), tegen de afschaffing van de doodstraf, voor zero tolerance en gek op nationalistische meetings met veel vlagvertoon. In de ‘Macedonische kwestie’ heeft ze haar hoop onder meer gesteld op de schaarse leden van de ‘Vereniging van Bulgaren in Vardar-Macedonië’. Elke manifestatie van deze club ziet de vmro als een hoopvol teken. Het is overigens, weer net als voor de Tweede Wereldoorlog, onduidelijk in hoeverre de ‘gematigde’ Bulgaren niet via een omweg hetzelfde doel van ‘nationale eenwording’ nastreven als de radicalere. De relaties tussen Bulgarije en Macedonië, die nooit slecht waren, verbeterden nog aanzienlijk toen in 1997 in Bulgarije de oppositiepartij sds – in een coalitie met de vmro – en in 1998 in Macedonië de vmro-dpmne de verkiezingen wonnen. Sommige Bulgaarse Macedonië-ijveraars, die nog steeds in de waan verkeerden dat het Macedonische nationalisme louter een Servische uitvinding was, gingen ervan uit dat enkel de ‘pro-Servische’ excommunistische regeringspartijen in Macedonië tot dan toe de ‘terugkeer’ van de Macedoniërs in de schoot van de Bulgaarse natie verhinderd hadden; ze verwachtten dat de vmro-dpmne meer zou voelen voor de ‘eenwording’ – staatkundig of cultureel – van Macedoniërs en Bulgaren. Dat viel tegen. De vmro-dpmne

186


was wel minder anti-Bulgaars dan de sdsm, maar ze is vooral erg anti-Servisch, en dat betekent niet per se ook pro-Bulgaars. Ivan Kostov en Ljubčo Georgievski, premiers van respectievelijk Bulgarije en Macedonië, voerden een beleid dat in de eerste plaats gericht was op de integratie in de Europese instellingen en de navo, en daarom hechtten ze veel belang aan goede relaties met de buurlanden en aan regionale samenwerking, ook met elkaar. In februari 1999 tekenden beide landen een indrukwekkende gezamenlijke verklaring over bilaterale economische, diplomatieke, militaire en culturele samenwerking. De verklaring werd ondertekend in ‘de officiële talen van de beide landen – in het Bulgaars volgens de Bulgaarse grondwet en in het Macedonisch volgens de Macedonische Grondwet’ (Waters 1999). Zo had Bulgarije, zij het nog steeds min of meer impliciet, het bestaan van een Macedonische taal erkend – en daarmee ook van een Macedonische natie. Althans, zo begrepen de Macedoniërs het, want Bulgaarse hardliners gingen ervan uit dat er helemaal niets erkend was: mocht de Macedonische Grondwet het Duits de officiële taal noemen, dan had Bulgarije het Duits erkend (Stoyanova-Boneva e. a. 2000: 255). Skopje beloofde in de toekomst geen zaak meer te zullen maken van de Macedonische minderheid in Bulgarije. Het akkoord maakte de weg vrij, niet alleen voor een nauwere economische samenwerking, maar ook voor de publicatie van vertalingen uit elkaars talen, de invoer en verkoop van elkaars kranten en tijdschriften, en voor een meer ontspannen houding ten aanzien van de ‘Macedonische kwestie’ in publieke debatten. In Bulgaarse ontspanningsprogramma’s op televisie worden er met artiesten uit Macedonië al eens geforceerde grapjes over ‘de kwestie’ gemaakt. Bij zulke gelegenheden blijkt ook dat Bulgaren de Macedonische standaardtaal veel minder vlot begrijpen dan ze zelf graag geloven. De Bulgaarse publieke opinie inzake Macedonië is niet erg militant meer, maar verandert traag. De Bulgaren werd de idee dat Macedonië Bulgaars is decennialang vanaf de basisschool ingewreven en een stroom films, romans, krantenartikelen, toespraken, herdenkingen en dergelijke hebben de leerstof veranderd in een vaste overtuiging. Intellectuelen, die nakomelingen zijn van immigranten uit Grieks en Joegoslavisch Macedonië spelen daarbij een belangrijke rol. Hun voorouders hebben voor hun Bulgaarse overtuiging geleden en die met des te meer kracht op hun kinderen en kleinkinderen overgebracht. Die kinderen en kleinkinderen hebben

187


in Bulgarije hun Macedonische erfenis omgezet in ‘symbolisch kapitaal’. Twijfel aan het Bulgaarse karakter van de bevolking van Grieks en Joegoslavisch Macedonië ervaren zij als een aanslag op hun intellectuele integriteit en hun sociale positie. De historici en amateur-historici onder hen hebben het discours over Macedonië gemonopoliseerd. Ze hebben zichzelf afgesloten voor een moderne sociologische benadering van het Macedonische natievorming en klampen zich vast aan een 19e-eeuws primordialisme. Voor hen was, is en blijft Macedonië Bulgaars, en ze laten geen kans voorbijgaan om die mening ook in de media te ventileren. De meest onvermoeibare onder hen, Božidar Dimitrov, auteur van onder meer Desete laži na makedonizma (De tien leugens van het Macedonisme, Sofia 2000), is tevens directeur van het Bulgaarse Nationale Historische Museum – wat aantoont hoezeer de ontkenning van het bestaan van een Macedonische natie nog steeds deel uitmaakt van de Bulgaarse officiële nationale ideologie. De officiële registratie van omo Ilinden is ongedaan gemaakt. omo Ilinden Pirin – Pirin is ongeveer de afkorting van het Bulgaars voor ‘Partij voor Economische Ontwikkeling en Integratie van de Bevolking van Pirin’ – blijft eveneens verboden. De Macedonische organisaties in Bulgarije hebben de Bulgaarse staat daarom aangeklaagd bij het Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg en gelijk gekregen. De Bulgaren in Macedonië – volgens de volkstelling van 1994 1547 individuen (Friedman 1996: 90) – hebben zich verenigd in de culturele vereniging Radko, genoemd naar de geprefereerde schuilnaam van hun grote held Ivan Mihajlov. De vereniging stelt zich onder meer tot doel ‘to raise and to affirm the entity of the Macedonian Culture and centuries old declaration by the Slaves from Macedonia as Bulgarians’, zoals op de klunzige website te lezen is. De Macedonische autoriteiten beschuldigen Bulgarije ervan via zijn ambassade in Skopje Radko te steunen. Ook Radko is verboden en Macedonische burgers die zich Bulgaren noemen, kunnen nog steeds vervolgd worden.

Griekenland De opstoot van nationalisme, waarmee het desintegratieproces van Joegoslavië gepaard ging, leidde er in de sr Macedonië toe dat het

188


lot van de Macedoniërs buiten de republiek het voorwerp werd van bijzondere aandacht. Die ging soms gepaard met veel irredentistisch verbaal geweld. In 1989 scandeerden de supporters van fc Vardar Solun e naš (Thessaloniki is van ons). Half februari 1990 protesteerden in Skopje 150.000 mensen tegen de behandeling van de Macedonische minderheid in Albanië, Bulgarije en Griekenland. Aanleiding vormde het officiële bezoek dat de Griekse premier Konstandinos Mitsotakis op 20 februari aan Belgrado zou brengen. Ook het discriminerende Griekse visumbeleid wekte de wrevel op. Op 19 mei 1990 blokkeerden boze Macedoniërs gedurende tien uur de Joegoslavisch-Griekse grensovergangen, met de morele steun van de Macedonische regering, maar tot groot ongenoegen van Belgrado. De verzamelde massa werd toegesproken door onder meer Georgi Solunski (Georgi van Thessaloniki!), een van de leiders van het Bulgaarse omo Ilinden. Vanaf half juni 1990 eiste Griekenland dat alle bezoekers uit Joegoslavië konden aantonen te beschikken over 1000 Amerikaanse dollar – voor Joegoslaven een astronomisch bedrag. Het groeiende nationalisme in de sr Macedonië en de mogelijkheid dat een onafhankelijke Macedonische staat het licht zou zien, baarden Griekenland grote zorgen. Het Macedonische irredentisme riep alarmerende herinneringen op aan het Macedonische separatisme tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende Burgeroorlog. Daarbij kwam dat de partij in Macedonië die het hoogst van de toren blies, de vmro-dpmne, bij de eerste vrije verkiezingen in 1990 ook als grootste partij uit de stembusslag was gekomen en dus vermoedelijk in de toekomst haar stempel zou drukken op het Macedonische buitenlandse beleid. Griekenland was vooral bevreesd dat Macedonië de aanwezigheid van de Slavisch-Macedonische minderheid in Griekenland zou aangrijpen om bepaalde territoriale claims naar voren te brengen. Griekenland had het bestaan van zo’n minderheid altijd ontkend of geminimaliseerd, maar de activiteiten van Griekse en buitenlandse stichtingen, die opkwamen voor de rechten van de Macedonische minderheid in Griekenland en de aandacht trokken van Amnesty International, Human Rights Watch en andere mensenrechtenorganisaties, maakten dat die houding steeds moeilijker vol te houden was. In de sr Macedonië was er de vereniging Dostojnstvo (Waardigheid) die zich het lot van de Slavische Macedoniërs in Griekenland aantrok. Een delegatie van Dostojnstvo werd in juni 1991

189


door president Kiro Gligorov persoonlijk ontvangen, wat de indruk wekte dat de Macedonische regering zelf zich met de zaak inliet (Poulton 1995: 165-6, 170-1). Ook verenigingen van Slavische Macedoniërs in de Verenigde Staten, Canada en vooral Australië namen de belangen van de Slavische Macedoniërs in Griekenland ter harte. Griekenland ontwaarde daarachter steevast de hand van ‘agenten’ uit Skopje. In feite was het vooral de manier waarop Griekenland in het verleden met haar Slavische bevolking was omgegaan – en bleef omgaan – die aan de basis lag van het uitgesproken anti-Griekse nationalisme onder de emigranten. (Over de rol van de Macedonische en Griekse emigratie in de ‘nieuwe Macedonische kwestie’, zie Danforth 1995.) In januari 1993 zag in Griekenland zelf de Makedhoniki Kinisi Valkanikis Evimerias (MaKiVE, Macedonische Beweging voor Voorspoed op de Balkan) het levenslicht. Deze organisatie stuurde brieven met klachten over de behandeling van de Slavische Macedoniërs naar de Griekse regering, de politieke partijen in Griekenland en naar internationale organisaties. Daarnaast publiceerde ze twee lokale krantjes – Moglena (genoemd naar een stad in Noord-Griekenland) en Zora (Ochtendgloren) –, met ook artikelen in het Macedonisch. Pavlos Voskopoulos van de MaKiVE won bij de communale verkiezingen in het voorjaar van 1993 14 procent van de stemmen. Dat succes was het gevolg van de ontevredenheid over etnische discriminatie, maar ook over de sociale toestanden in het economisch verwaarloosde Noord-Griekenland. In april 1993 werden Christos Sidheropoulos en zijn medewerker Tasos Boulis van het koe-madh (zie hoofdstuk 8) veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens ‘het verspreiden van valse informatie en het stoken van onenigheid onder Grieken’. In 1994 werd archimandriet Nikodhimos Tsarknias verbannen uit zijn parochie in de buurt van Thessaloniki en vervolgens uit zijn kerkelijk ambt ontzet omdat hij zich een Slavische Macedoniër noemde (Poulton 1995: 170171). Tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen rees in het begin van de jaren negentig voor de Grieken het probleem van het ontstaan van een onafhankelijke Republiek Macedonië. Griekenland had het liefst géén Macedonische staat aan zijn noordelijke grens gezien, en zijn diplomatieke inspanningen, aanvankelijk in unisono met de eu, om het zieltogende Joegoslavië te reanimeren moeten in dat licht gezien worden. Toen Joegoslavië niet meer te

190


reanimeren bleek, probeerde Griekenland te verhinderen dat Macedonië zich ‘Macedonië’ zou noemen. Griekenland beschouwde, op basis van het Griekse karakter van het antieke Macedonië, het woord ‘Macedonië’ en alle afgeleide woorden als integraal deel van het Griekse historische en culturele erfgoed en dus als ontoepasselijk op een Slavisch volk. Over de naam van de nieuwe staat nam Griekenland een bijzonder rigoureus standpunt in. Zelfs de naam ‘Slavo-Macedonië’ werd aanvankelijk, als zijnde afgeleid van ‘Macedonië’, gewraakt. Overigens kwam deze naam ook voor de Macedoniërs niet in aanmerking, omdat de precisering ‘Slavo-’ de Albanese gemeenschap in het land nog meer van de staat zou vervreemden. ‘Vardar-Macedonië’ was voor Macedoniërs acceptabel, maar kon niet voor de Grieken. Het is niet duidelijk welke naam de Macedoniërs wél voor hun staat hadden kunnen bedenken. Een sarcastisch Macedonisch parlementslid suggereerde dat ‘Anonieme Republiek’ misschien wel geschikt zou zijn, ware het niet dat ook het woord ‘anoniem’ van Griekse herkomst is. Griekenland vond dat de benaming ‘Macedonië’ territoriale aanspraken op de Noord-Griekse provincie Macedonië impliceerde. Als bewijs voor het bestaan van zulke aanspraken dienden Macedonische bankbiljetten waarop de Witte Toren van Thessaloniki afgebeeld stond. Die bankbiljetten bleken naderhand uitgegeven door een of andere extremistische organisatie in Macedonië; ze werden nooit als officieel betaalmiddel in omloop gebracht. Griekenland drong aan op de wijziging van Artikel 3 van de Macedonische Grondwet van november 1991. Met name in de derde regel meende het aanwijzingen te lezen voor de irredentistische ambities van Macedonië: Het territorium van de Republiek Macedonië is ondeelbaar en onvervreemdbaar. De bestaande grenzen van de Republiek Macedonië zijn onschendbaar. Zij kunnen slechts gewijzigd worden overeenkomstig met de Grondwet. (The International Institute for Democracy 1995: 334, 347) Op een gegeven moment beweerde Griekenland zelfs te vrezen voor een aanval uit Macedonië. Het Macedonische invasieleger zou maxi-

191


maal bestaan hebben uit 13.000 soldaten en vier tanks – meer had Macedonië niet. Griekenland beschikte over een leger van 113.000 man, 1842 tanks, 1108 gevechtsvliegtuigen en helikopters, 2151 stuks zware artillerie en een onbekend aantal raketten – de 19.500 oorlogsbodems, die bij het terugslaan van de Macedonische invasie geen rol konden spelen en de steun van de andere navo-lidstaten buiten beschouwing gelaten (Ramet 1996: 231-2). Weliswaar had Macedonië in mei 1992 een Veiligheidsakkoord gesloten met Turkije, maar er bleef een grote dosis paranoia nodig om te denken dat Turkije oorlog zou voeren met Griekenland ter wille van Macedonië – of Macedonië met Griekenland ter wille van Turkije. Griekenland greep overigens het liefst naar historische argumenten om zijn gelijk te halen. Die ‘archeologisering van de buitenlandse politiek’- zoals Evangelos Kofos (2000: 13) het spitsvondig noemde – bleek een delicate zaak. Redelijke mensen vinden namelijk dat situaties uit de Oudheid bij de oplossing van hedendaagse politieke problemen weinig relevant zijn en hechten er weinig belang aan – tot grote frustratie van de Griekse propagandisten, die met de Oudheid opstaan en gaan slapen. Tevens bestaat het gevaar dat onpartijdige historici de opvatting dat de oude Macedoniërs inderdaad Grieken waren, betwijfelen of nuanceren. Natuurlijk verschenen er ook in de Republiek Macedonië publicaties die, in de lijn van de populaire 19e-eeuwse traditie, de pedigree van het Slavisch-Macedonische volk terugvoerden tot de antieke Macedoniërs en Alexander de Grote als een volksgenoot bestempelden, die ook nog Slavisch zou gesproken hebben. Geen serieuze historicus in Macedonië stond achter zulke beweringen. De regering in Skopje verbood de verspreiding van dergelijke ‘inzichten’ uiteraard niet, er bestond nu eenmaal ook in Macedonië persvrijheid. Op den duur vonden ze hun weg naar min of meer officiële publicaties als schoolboekjes geschiedenis. Chauvinistische vooroordelen en megalomane onzin in geschiedenisboekjes hebben op de hele Balkan vele generaties onschuldige kinderen voor het leven geestelijk misvormd, maar Griekenland maakte van deze leerboekjes een staatszaak. De keuze van de ster van Vergina – het symbool bij uitstek van de dynastie van de Macedonische vorsten, aangetroffen in de graftombe van de vader van Alexander de Grote, Filips, in het Noord-Griekse plaatsje Vergina – als embleem in de nationale vlag van de Republiek Macedonië, was een heel ostentatieve, ‘officiële’ usurpatie van het antieke Macedonië. Macedonië

192


produceerde massale hoeveelheden stickers, vlaggetjes, ansichtkaarten, kalenders, asbakken en andere nationalistische kitsch voorzien van de ‘ster van Vergina’, waarmee ze de Grieken tergden, maar het Griekse assortiment souvenirs met het opschrift I Makedhonia ine ellliniki (Macedonië is Grieks) – dat argeloze toeristen soms begrepen alsof Griekenland de Republiek Macedonië wilde annexeren – was niet minder uitgebreid. Ook in Griekenland liet de gilde van de amateur-historici zich niet onbetuigd. Ene Kosmas Markatos gebruikte de ‘lexaritmische’ methode, gebaseerd op de getalwaarde van bepaalde woorden volgens de cijferwaarde van de Griekse letters, om de Griekse herkomst van de Macedoniërs te ‘bewijzen’. De Griekse Macedonië-politiek fixeerde zich op aangelegenheden, die in de ogen van niet-Grieken irrelevant en een tikje belachelijk leken. Maar dit kon best ook een tactiek geweest zijn. Het ‘archeologische’ discours leidde immers de aandacht af van wat de Grieken wérkelijk als de grote bedreiging zagen: de aanwezigheid van een Slavisch-Macedonische minderheid. Het was voor de Grieken echter hoogst oncomfortabel om dat echte of vermeende gevaar openlijk bij de naam te noemen, omdat ze dan ook de aanwezigheid van een Slavisch-Macedonische minderheid, groot genoeg om een gevaar te vormen, moesten toegeven. Griekenland was bevreesd dat het bestaan van een onafhankelijke staat Macedonië de assertiviteit van de Slavische Macedoniërs zou doen toenemen, dat die onafhankelijke staat het lot van die Slavische minderheid ter harte zou nemen en Griekenland op internationale fora op het matje zou roepen. Gligorov had al vóór de onafhankelijkheid in 1992 beloofd dat te zullen doen. Om die reden wilde Griekenland ook dat Artikel 49 van de Macedonische Grondwet zou worden geschrapt. Dat artikel luidde: De Republiek waakt over de status en de rechten van personen behorende tot het Macedonische volk in de buurlanden en over Macedonische geëxpatrieerden, helpt hun culturele ontwikkeling en bevordert de banden met hen. De Republiek waakt over de culturele, economische en sociale rechten van de burgers van de Republiek in het buitenland. (The International Institute for Democracy 1995: 334, 347)

193


Griekenland zelf komt nota bene onophoudelijk op voor de belangen van de Grieken in Albanië en op Cyprus en onderhoudt zeer nauwe banden met Griekse emigranten overal ter wereld. Hoe overgevoelig de Grieken voor de issue van de Slavische minderheid waren, moest Jorgos Babiniotis nog in 1998 ondervinden. Deze prominente taalkundige, die in het begin van de jaren negentig fervent het Griekse standpunt in de Macedonische kwestie verdedigd had, werd in 1998 door de Rechtbank van Thessaloniki gedwongen zijn Lexiko tis neas ellinikis glossas (Modern Grieks Woordenboek) aan te passen. In dat woordenboek had hij het woord ‘Bulgaars’ opgenomen in de betekenis van ‘scheldwoord, gebruikt door hooligans uit Zuid-Griekenland aan het adres van de supporters van voetbalclubs uit Noord-Griekenland’. Deze betekenis van het woord ‘Bulgaar’ kon volgens de rechter verwarring scheppen over de nationale identiteit van de supporters van deze clubs en van de Macedoniërs in het algemeen. Babiniotis verdedigde de ‘wetenschappelijke waarheid’ tegen deze Griekse versie van ‘political correctness’, maar paste de tweede uitgave van zijn woordenboek toch maar aan (Roudometof 2000: 4-5). Zetten we de politieke ontwikkelingen rond wat Pettifer (2001) ‘the new Macedonian question’ noemde eens op een rij. Op 17 december 1991 keurden de ministers van Buitenlandse Zaken van de eu, toen nog de Europese Gemeenschap, een Declaration on the Guidelines on the Recognition of New States in Eastern Europe and the Soviet Union, en een Declaration on Yugoslavia goed. Daarin werden een aantal criteria opgesomd waaraan die staten moesten voldoen om erkend te worden: democratische instellingen, eerbiediging van de rechten van de minderheden, eventueel de organisatie van een referendum over onafhankelijkheid en dergelijke. De Declaration on Yugoslavia eiste, op verzoek van Griekenland, expliciet ‘constitutionele en politieke garanties dat [de kandidaat-staat] geen territiorale aanspraken maakte op het grondgebied van een naburige eu-lidstaat en geen vijandige propaganda voerde tegen een naburige eu-lidstaat, inbegrepen het gebruik van een naam die territoriale aanspraken impliceerde’. Kandidaturen moesten voor 23 december ingediend worden. Een Arbitration Committee of Arbitration Commission van de icfy onder de leiding van de Franse jurist Robert Badinter, bekend geworden als de Badinter Commission, zou de aanvragen onderzoeken en een advies uitbrengen. De eu zou na 15 januari 1992 een beslissing ne-

194


men. Macedonië was een van de landen die hun kandidatuur indienden. Op 6 januari 1992 werd de Grondwet op het laatste nippertje nog op enkele punten aangepast om aan de vereisten – lees: de wensen van Griekenland – te beantwoorden. Artikel 3 van de Grondwet werd vervangen door: De Republiek Macedonië koestert geen territoriale aanspraken ten aanzien van de buurlanden. De grenzen van de Republiek Macedonië kunnen slechts gewijzigd worden overeenkomstig met de Grondwet, op basis van het principe van de vrije wil en overeenkomstig met de algemeen aanvaarde internationale normen. Clausule 1 van dit Amendement is een Addendum bij Artikel 3 van de Constitutie van de Republiek Macedonië. Clausule 2 vervangt paragraaf 3 van hetzelfde Artikel. Artikel 49 werd aangevuld met: Bij de uitoefening van deze zorg zal de Republiek zich niet mengen in de soevereine rechten van de andere staten, noch in hun interne aangelegenheden. (The International Institute for Democracy 1995: 378) Op 11 januari maakte de Badinter Commission bekend dat Slovenië en Macedonië aan de criteria voor erkenning beantwoordden; Kroatië en Bosnië-Hercegovina om diverse redenen niet. De eu legde de normen die ze zelf gesteld had meteen naast zich neer: ondanks het advies van de Badinter Commission werd Kroatië toch erkend, omdat Duitsland daarop aandrong, en Macedonië niet, omdat Griekenland zich daartegen verzette. Op verzoek van de eu nam de Portugese minister van Buitenlandse Zaken João de Deus Pinheiro – Portugal was op dat moment voorzitter van de eu – contact op met Athene en Skopje en werkte een compromisvoorstel uit. Macedonië beloofde in de Grondwet nog meer garanties te geven dat het geen aanspraken maakte op territoria in de buurlanden, noch van plan was ‘vijandige propaganda’ te voeren. Pinheiro stelde voor de jonge staat Nova Makedonija (Nieuw Macedonië) te dopen. De Griekse minister van Buitenlandse Zaken, Andonis Samaras, nam vrede met

195


de garanties die Macedonië wilde geven, maar had bezwaren tegen de naam. Premier Konstadinos Mitsotakis, die op dat moment fel bekritiseerd werd door de Griekse hard-liners om zijn gematigde houding in de Macedonische kwestie, stuurde in april 1992 Samaras de laan uit en probeerde zijn positie te redden door nu zelf een onverzoenlijker koers te varen. Griekenland zette de eu onder druk en boekte aanvankelijk succes met die politiek. Tijdens een ontmoeting in Gimarães op 2 mei 1992 verklaarden de eu-ministers van Buitenlandse Zaken dat Macedonië enkel erkend kon worden ‘onder een naam die aanvaardbaar was voor alle betrokken partijen’. Daarmee verleenden ze de facto een vetorecht aan Griekenland. Eind juni klonk het in Lissabon nog restrictiever: alleen ‘onder een naam die niet de aanduiding Macedonië bevatte’. De inschikkelijke houding jegens Griekenland had te maken met het feit dat de eu de stem van dit land nodig had om de verdragen van Maastricht goed te keuren. De diplomaten in de overige eu-lidstaten hadden toen ook nog maar weinig expertise over de Balkan en ze lieten zich graag ‘voorlichten’ door diplomaten uit een land dat in de buurt lag. Het beleid van de Verenigde Staten werd vooral bepaald door de machtige Griekse lobby in Washington en de angst dat de erg anti-Amerikaanse Andhreas Papandhreou de verkiezingen zou winnen, mocht Mitsotakis inzake Macedonië in het stof bijten. Op de Balkan bestaat een soort van koppigheid-tegen-beter-weten-in, die inat, in het Grieks inati heet. De Macedonische en de Griekse politieke leiders beschikten over een aanzienlijke dosis inat(i). Al in de loop van 1991 was Griekenland begonnen met een heimelijke economische boycot tegen Macedonië. In januari 1992 blokkeerde de Griekse overheid in de haven van Piraeus 95 ton voedsel en medicijnen bestemd voor Macedonië, waar op dat moment een griepepidemie heerste (Ramet 1995: 221). Geërgerd door de onbuigzaamheid van Macedonië maakte Griekenland vanaf augustus 1992 gebruik van het internationale embargo tegen Joegoslavië om de uitvoer of doorvoer van onder meer olieproducten naar Macedonië te verbieden, terwijl het ondertussen wel voedsel, olie en militair materieel naar Joegoslavië liet verschepen (Ramet 1995: 224). Die boycot kostte Macedonië 1,4 miljard dollar. Mede als gevolg daarvan liep de inflatie in 1992 op tot 2000 procent en viel de productie terug tot 40 procent van het gemiddelde van juni 1991 (Ramet 1995: 225-6; Woodward 1995: 510, n. 30). De Mace-

196


doniërs dachten er niet aan toe te geven en hoe meer Griekenland ze koeioneerde, hoe onverzettelijker ze werden. Daarbij kwam dat de politieke leiders in beide landen, maar vooral in Griekenland, zich ondertussen door hun nationalistische retoriek in zo’n positie gemanoeuvreerd hadden dat ze niet meer terug konden zonder fataal gezichtsverlies. In Athene stapten in december 1991 1.300.000 mensen op in een manifestatie tegen de erkenning van Macedonië. Wie zo’n massa mobiliseert, kan daarna geen water meer in de wijn doen. De onverzettelijke houding van Griekenland had ook veel te maken met interne politieke ontwikkelingen na 1992: de rivaliteit tussen oppositieleider Papandhreou van pasok en premier Mitsotakis van Nea Dhimokratia (nd, Nieuwe democratie). Mitsotakis’ pogingen om tot een compromis over de naam te komen werden systematisch onderuit gehaald door Papandhreou, die met zijn onbuigzaam ‘patriottisme’ Mitsotakis tot steeds hardere standpunten dwong. Dat de eu onder Griekse druk steeds rigoureuzere standpunten innam, werd door de nationalistische galerie in Griekenland beschouwd als een groot succes. Na de harde verklaring van Lissabon dacht Mitsotakis alleen maar te moeten wachten tot Macedonië door de knieën ging. Maar de andere eu-lidstaten hadden langzamerhand genoeg van Griekenlands onverzettelijkheid, vooral nadat de oorlog in Kroatië oversloeg naar Bosnië-Hercegovina – richting Macedonië. Dat was president Gligorov, die destijds in de Joegoslavische federale regering alle knepen van het politieke touwtrekken geleerd had, niet ontgaan. Hij overtuigde de andere eu-lidstaten ervan dat Macedonië, ook erkend onder die naam, helemaal geen bedreiging vormde voor de territoriale integriteit van Griekenland en de stabiliteit in de regio. Macedonië was erin geslaagd op een vreedzame manier de Joegoslavische federatie te verlaten, zonder de internationale gemeenschap veel zorgen te baren. Het Macedonische leger, door het jna beroofd van zijn materieel, was geen partij voor navolidstaat Griekenland. In het najaar van 1992 had Macedonië ingestemd met, neen, verzocht óm de ovse Spillover Monitoring Mission to Skopje en de stationering van unprofor Command in Macedonia. Macedonië had overvloedig zijn bereidwilligheid getoond om met de internationale gemeenschap samen te werken. In toenemende mate bleek niet Macedonië, maar Griekenland de lastpost. Van een bedreiging voor de vrede in de regio was Macedonië ver-

197


anderd in een underdog, met wie iedereen buiten Griekenland te doen had. Ondertussen zat de situatie binnen de eu muurvast. Toen Mitsotakis in januari 1993 geneigd bleek een combinatie als ‘NoordMacedonië’ als oplossing te aanvaarden, eiste de socialistische oppositie zijn ontslag. Maar ook president Gligorov, aangemoedigd door de wrevel in de eu over Griekenlands onverzoenlijkheid, verwierp deze oplossing. In New York werd Macedonië evenwel voor zijn inschikkelijkheid jegens de vn beloond. Na maandenlange onderhandelingen tussen Griekenland en Macedonië adviseerde de vn-Veiligheidsraad op 7 april 1993 de Algemene Vergadering Macedonië als lidstaat te aanvaarden onder de voorlopige naam the Former Yugoslav Republic of Macedonia (fyrom). De Macedonische vlag, met de ‘ster van Vergina’ erop, werd niet gehesen, een vriendelijk gebaar naar Griekenland. Griekenland hief zijn embargo op. In Athene keurde het parlement het akkoord met een zeer nipte meerderheid goed; in Skopje werd de erkenning beschouwd als een (voorlopige) diplomatieke overwinning, die vooral aan president Gligorov te danken was. De twee speciale gezanten voor Joegoslavië, Cyrus Vance en Lord Owen, rekenden erop met Athene en Skopje spoedig een definitieve oplossing voor de naam te bereiken. Maar dat was buiten de inat(i) gerekend. In mei 1993 ondernamen Vance en Owen, aangemoedigd door de wat soepeler houding van Mitsotakis en zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken Michalis Papakonstandinou, een volgende bemiddelingspoging, maar onder druk van de radicale vleugel binnen de nd, die ermee dreigde de regering te doen vallen, liep die weer op niets uit. Vandaag is fyrom nog steeds de verplichte naam van de Republiek Macedonië bij alle officiële internationale aangelegenheden. Daarbuiten zegt iedereen gewoon ‘Macedonië’. De tijd dat de Grieken zich daarover mateloos plachten op te winden, lijkt zoetjesaan voorbij. In Griekenland zelf wordt de term fyrom ook heel zelden gebruikt. Daar wordt Republiek Macedonië denigrerend ‘Skopje’ (ta Skopia) genoemd. Er zijn zelfs auteurs die ‘to makedhoniko zitima’ (de Macedonische kwestie) hebben omgedoopt tot ‘to skopiano zitima’ (de kwestie-Skopje). In september 1993 viel de Griekse regering toch. De verkiezingen van begin oktober 1993 brachten opnieuw de hard-liner Papandhreou in het zadel. Papandhreou en zijn pasok waren helemaal de gijzelaars geworden van de harde politiek jegens Macedonië, die

198


ze in de oppositie verdedigd hadden. Op 15 oktober maakte Papandhreou een einde aan de onderhandelingen met Macedonië over de naam. Het geduld van de eu-lidstaten was nu op. Ze besloten niet langer op een definitieve oplossing te wachten en erkenden in de loop van de volgende weken Macedonië op basis van zijn lidmaatschap van de vn, dus onder de naam fyrom. Een zeventigtal andere staten hadden fyrom inmiddels al erkend. Griekenland voelde zich voor de zoveelste keer in zijn geschiedenis door de wereld in de steek gelaten. Op 1 januari 1994 werd Griekenland voorzitter van de eu. Het vertrouwde erop van die positie gebruik te kunnen maken om de Macedonische kwestie definitief en naar eigen inzicht te regelen. Het vond echter slechts weinig steun bij de andere lidstaten. Op 16 februari kondigde Papandhreou, bij wijze van ‘tegenmaatregel’ tegen de onbuigzaamheid van Gligorov, een volledig handelsembargo tegen Macedonië af en sloot de haven van Thessaloniki voor Macedonische goederen. (Tachtig procent van het Macedonische handelsverkeer ging via Thessaloniki.) Voor Macedonië, dat gewetensvol het internationale embargo tegen Joegoslavië naleefde – vooral om op de internationale gemeenschap een aangename indruk te maken – was het Griekse embargo een economische mokerslag. Het verloor er naar eigen zeggen maandelijks zo’n vijftig miljoen dollar door. De hele wereld protesteerde; de andere eu-lidstaten noemden het embargo onwettelijk en klaagden Griekenland aan voor het Europese Hof in Straatsburg, maar kregen op 30 juni 1994 ongelijk. Politiek was het embargo voor Gligorov en Macedonië natuurlijk een geschenk uit te hemel: de Macedoniërs sloten de rangen om hun president, minder dan ooit van plan op de naam ‘Macedonië’ te laten afdingen. Nooit eerder had Macedonië zich in zo’n massale internationale sympathie kunnen verheugen. Langzamerhand begon ook in Griekenland een toenemend aantal mensen het uitzichtloze van de Griekse aanpak van de ‘nieuwe Macedonische kwestie’ in te zien. Macedonië gaf niet toe, en voor Griekenland dreigde internationaal isolement. Griekse zakenlui zagen in Macedonië een winstgevende markt en wilden die zo gauw mogelijk inpalmen; hoe Macedonië officieel heette was de laatste van hun zorgen. Op 13 september 1995 bereikten Griekenland en Macedonië, na 29 maanden onderhandelen onder toezicht van de vn en de eu, eindelijk een ‘werkbaar interimakkoord’. Het was grotendeels gebaseerd op de voorstellen van Vance en Owen uit

199


1993. Macedonië gaf bijkomende garanties in verband met de onschendbaarheid van de Grieks-Macedonische grens en beloofde zich niet te zullen bemoeien met de interne aangelegenheden van Griekenland, dat wil zeggen met het lot van de Slavisch-Macedonische minderheid daar. Macedonië beloofde ook zijn vlag aan te passen. In de plaats van de zestienpuntige gele ‘ster van Vergina’ kwam er op het rode veld een gele cirkel van waaruit acht breder wordende gele stroken naar het midden van de zijden en de hoeken lopen. In ruil voor deze tamelijk symbolische tegemoetkomingen hief Griekenland het embargo op, erkende Macedonië onder de naam fyrom, en beloofde zich niet langer te verzetten tegen de toetreding van Macedonië tot allerlei internationale organisaties en tegen de financiële hulp die die internationale organisaties aan Macedonië wilden geven. De economische en diplomatieke relaties tussen beide landen werden genormaliseerd. Ze hebben in elkaars hoofdsteden Liaison Offices geopend, met ambassadeurs aan het hoofd. In december 2001 probeerde de International Crisis Group, een internationale denkdank over internationale problemen, de kwestie van de officiële naam van Macedonië op te lossen door voor te stellen het land te registreren onder de naam Republika Makedonija, onder de letter R. In ruil moest Macedonië Griekenland als historische en culturele erfgenaam van het antieke Macedonië erkennen en ervoor zorgen dat de zaken ook in de Macedonische geschiedenishandboeken op die manier voorgesteld werden. De eu en de vs stonden achter het voorstel, maar Griekenland hield zich op de vlakte. In september 2002 kwam er een einde aan het interimakkoord van september 1995 en moest over ‘de naam’ opnieuw onderhandeld worden.

200


11 Macedonische Albanezen of Albanese Macedoniërs?

D

E GROOTSTE ETNISCHE GEMEENSCHAP in Macedonië na de

Slavische Macedoniërs zijn de Albanezen: ze maken naar schatting bijna eenderde van de totale bevolking uit. Albanezen en Slavische Macedoniërs vormen twee apart levende gemeenschappen. Er bestaan vanzelfsprekend vriendschappelijke relaties tussen individuele Macedoniërs en Albanezen en er komen zelfs gemengde huwelijken voor, zo’n 250 per jaar (iwpr 137, 05.05.2000), maar over het algemeen zijn de contacten tussen beide gemeenschappen beperkt. Ze begrijpen elkaars taal niet, wantrouwen elkaar en vooral van de kant van de Macedoniërs is er vaak ook sprake van misprijzen. De Albanezen in de steden hebben een wat ‘kosmopolitischer’ levenswijze, waardoor de verschillen met de Macedoniërs daar wat vervaagd zijn, maar de meeste Albanezen verkiezen een bestaan op het platteland. Van in de jaren tachtig al doet zich een spontaan proces van territoriale homogenisering voor: Albanezen en Macedoniërs verlaten etnisch gemengde dorpen en stadswijken en zoeken een woning in buurten waar ‘eigen volk’ leeft. Skopje raakte in de loop der jaren verdeeld in een (oude) oostelijke, Albanese en een (nieuwere) westelijke, Macedonische buurt, met als scheidingslijn – net als in Mostar en Kosovska Mitrovica – een rivier, de Vardar.

201


De politieke relaties zijn koel tot vijandig. Dat heeft te maken met de erfenis van het verleden: de behandeling van de Albanezen tijdens het interbellum, de minderheidspositie van de Macedonische Albanezen in het socialistische Joegoslavië, de groeiende Albanese assertiviteit vanaf de jaren zeventig in Kosovo enzovoort. Na de onafhankelijkheidsverklaring in 1992 namen de spanningen nog toe. Macedonië kon sindsdien echter niet meer rekenen op de Joegoslavische federale regering om te bemiddelen of in te grijpen. Het land stond er helemaal alleen voor. In september 1991 riepen radicale Albanese nationalisten de Albanezen op om het referendum over Macedonische onafhankelijkheid te boycotten, met als argument dat het onafhankelijke Macedonië een Slavisch-Macedonische staat zou zijn waarin de rechten van de Albanezen miskend werden. De Albanezen waren ook ontevreden over de status, die de Macedonische Grondwet van 29 november 1991 hun gaf. In de preambule tot de Grondwet werd de Republiek Macedonië de ‘nationale staat van de Macedonische natie’ genoemd, die ‘een volledige gelijkheid van de burgerrechten en een duurzaam samenleven van de Macedonische natie met de Albanezen, Turken, Vlachen, Roma en andere nationaliteiten die in de Republiek Macedonië leven’ garandeerde (The International Institute for Democracy 1995: 333). De term ‘nationaliteit’ was een Joegoslavisch eufemisme voor ‘minderheid’. De Albanese politieke leiders eisten voor de Macedonische Albanezen de status van ‘constituerende natie’ op. Albanezen en (Slavische) Macedoniërs zouden dan beiden volstrekt gelijkwaardige volken binnen Macedonië worden, en beide talen – Albanees en Macedonisch – zouden fungeren als officiële talen. Macedonië werd dan net zo goed een Albanese als een Macedonische staat. Van Slavisch-Macedonische kant bestonden daartegen veel bezwaren. Het eerste was van sentimentele aard: de Macedoniërs hadden ‘eeuwenlang’ gestreden voor een eigen Macedonische staat, de staat die ze nu eindelijk hadden omvatte slechts een deel van het historische Macedonië en van de Macedonische etnische zone, en dan zouden ze de ‘eigendomsrechten’ op die staat nog moeten delen met de Albanezen. De weigering van Bulgarije en Griekenland om het bestaan van een Macedonische natie te erkennen en het voortdurende uitstel van de internationale erkenning van Macedonië door de internationale gemeenschap als gevolg van het verzet van Griekenland, gaven de Macedoniërs het gevoel dat hun prille staat

202


maar een fragiele constructie was. Ze waren dan ook geneigd om ten aanzien van de Albanezen een hard standpunt in te nemen. Het feit dat de Albanese leiders de eu, de vn en andere organisaties opriepen om Macedonië niet te erkennen zolang niet op de Albanese eisen was ingegaan, creëerde een soort van bondgenootschap tussen de interne en externe ‘belagers’ van Macedonië en maakte de relaties tussen beide gemeenschappen nog vijandiger. Volgens de oude Joegoslavische staatkundige logica, die in alle ex-Joegoslavische staten hardnekkig was blijven voortbestaan, had een natie afscheidingsrecht. De Albanese aanspraken op de status van ‘constituerende natie’ mochten voor de internationale gemeenschap heel redelijk lijken, in Macedonische oren klonken ze niet helemaal te goeder trouw. De Albanezen beweerden dan wel niet aan te sturen op afscheiding, en wellicht meenden ze dat zelfs – niemand kon garanderen dat ze zich vroeg of laat toch niet zouden willen afscheiden. Hun status van ‘constituerende natie’ zou dan mooi het pad daartoe geëffend hebben. De internationale gemeenschap had – zo begrepen de Macedoniërs het – zelf in 1991-1992 het recht op afscheiding enkel toegekend aan republieken, dus aan ‘constituerende naties’ als Slovenen, Kroaten, Serven enzovoort, en niet aan ‘autonome provincies’, niet aan ‘nationaliteiten’ als de Kosovaren.25 Het kwam er dus op aan minderheden vooral niet de status van ‘constituerende naties’ te geven. Radicale Albanese nationalisten waren gewonnen voor de ‘Groot-Albanese gedachte’ – de aansluiting bij Albanië van Kosovo, delen van Servië en Montenegro en het westelijke deel van Macedonië – of voor de ‘Groot-Kosovaarse gedachte’ – een Albanese staat, bestaande uit alle ‘Albanese’ gebieden in ex-Joegoslavië. In april 1992 riepen enkele voortvarende Albanezen in Struga het autonome gebied of de onafhankelijke republiek Ilirida uit (genoemd naar de Illyrische voorouders van de Albanezen) (Poulton 1995: 136). Die onafhankelijkheidsverklaring was veeleer ludiek bedoeld; voor de Macedoniërs, maar ook voor de internationale gemeenschap was ze een nachtmerrie. Begin januari 1993, een maand na de onafhankelijkheidsverklaring van Macedonië, organiseerden de Albanese partijen een eigen referendum over etnisch-territoriale autonomie. 276.921 Albanezen brachten hun stem uit; 92 procent van hen of 74 procent van alle Albanezen stemde voor territoriale autonomie (Ackermann 2000: 61). De Macedonische regering noemde het referendum illegaal. Op een protestbetoging in Skopje

203


op 31 maart 1993 verklaarde pdp-leider Nezvat Halili dat ‘als een constituerend element in de nieuwe Macedonische staat, de Macedonische Albanezen recht hadden op “territoriale, politieke en culturele autonomie”’ (Ramet 1996: 235). Nadat de invloedrijkste Albanese politicus Arbën Xhaferi in 1996 opteerde voor ‘interne zelfbeschikking’ in plaats van territoriale autonomie, is ‘territoriale autonomie’ een wat extremistische ambitie geworden, die alleen nog aan echte of vermeende voorstanders van een Groot-Albanië toegeschreven wordt. Dat belet niet dat veel Albanezen territoriale autonomie – ná afscheiding en aansluiting bij Albanië – zien als de ideale, maar helaas (voorlopig?) onhaalbare oplossing voor hun problemen. De regering van Albanië nam, onder druk van de internationale gemeenschap, ten aanzien van de situatie van de Albanese minderheid in Macedonië een gematigd standpunt in. Toen sommige radicale Albanese nationalisten in Macedonië insinueerden dat de Albanezen alleen gewapenderhand hun rechten konden verwerven, werden ze door president Sali Berisha tot kalmte gemaand (Ramet 1996: 235). Toch wilde Albanië in juni 1992 niet overgaan tot de erkenning van de onafhankelijkheid van Macedonië alvorens de Macedonische regering bepaalde concessies aan de Albanese gemeenschap had gedaan (Ramet 1995: 216). Het officiële standpunt van Albanië werd het best verwoord in La plate-forme pour la solution de la question nationale albanaise – een tekst die de Albanese Academie voor Wetenschappen in oktober 1998 opstelde. Daarin werden twee oplossingen voor de problemen in Macedonië bepleit: ofwel behandelde de Macedonische regering de Albanezen op gelijke voet met de Macedoniërs, waardoor Macedonië de gemeenschappelijke staat van beide volken zou worden, naar het bekende voorbeeld van Oostenrijk-Hongarije (l’exemple connu de l’état de l’Autriche-Hongrie), ofwel gaf ze de Albanezen een autonoom gebied binnen de Republiek Macedonië (Académie des Sciences de l’Albanie: 1998: 45). Oostenrijk-Hongarije aanprijzen als een modeloplossing getuigt, gezien het droeve einde van het Habsburgse Rijk, van een grote mate van cynisme of onnozelheid. Het probleem van de erkenning van de Albanezen als een constituerende natie in Macedonië werd vaak gerelateerd aan de omvang van de Albanese gemeenschap. Hoe talrijk moest een minderheid zijn om een ‘constituerende natie’ te vormen? De Slavische Macedoniërs voerden aan dat als de Albanezen een ‘constituerende

204


natie’ werden, alle andere minderheden in Macedonië – Serven, Turken, Roma, Vlachen – hetzelfde zouden eisen, en dan was het einde zoek. Volgens de Albanezen bestonden er geen kwantitatieve criteria om een minderheid van een constituerende natie te onderscheiden, maar ze waren geneigd zichzelf wèl, en de Turken, Serven, Roma en Vlachen niét als een constituerende natie te beschouwen. Hoe omvangrijk de Albanese gemeenschap in Macedonië was wist niemand zelfs maar bij benadering. Volgens de Joegoslavische volkstelling van 1991 waren er in Macedonië 441.987 Albanezen – 21,7 procent van de bevolking (Friedman 1996: 90). De ppd en pdp hadden opgeroepen tot een boycot van de volkstelling, omdat de Albanezen toch niet op een eerlijke manier geteld zouden worden. Bovengenoemde cijfers zijn dan ook extrapolaties van statistici, op basis van vorige volkstellingen, van de natuurlijke bevolkingsaangroei en dergelijke. Nog vóór de volkstelling plaats had, verklaarden de Albanese leiders al dat de Albanezen ongeveer 35 à 48 procent van de bevolking uitmaakten, wat beantwoordde aan 700.000 à 800.000 individuen. Ook de vertegenwoordigers van andere minderheden noemden getallen waarvan de som de totale bevolking van Macedonië ver overtrof, en dan waren de Slavische Macedoniërs zelf nog niet eens meegerekend (Friedman 1996: 89). Geert-Hinrich Ahrens, hoofd van de Working Group for Human Rights and Minorities binnen de icfy stelde op de nogal kortzichtige manier die internationale bemiddelaars soms eigen is, voor om de volkstelling over te doen, ofwel in heel Macedonië, ofwel alleen in de kiesdistricten Debar, Gostivar, Kičevo, Kumanovo, Ohrid, Skopje, Struga, Tetovo en Titov Veles, waar de boycot het best in acht genomen was. Beide voorstellen onderschreven in feite de Albanese beschuldiging dat de Macedonische overheid de volkstelling gemanipuleerd had – want precies daarom hadden de Albanezen niet aan de volkstelling deelgenomen – en ontzegden de Macedonische overheid impliciet de integriteit en de competentie om volkstellingen te organiseren. De internationale gemeenschap zou een ‘eerlijke’ volkstelling organiseren. Het tweede voorstel van Ahrens – de volkstelling enkel overdoen in bepaalde kiesdistricten – was voor de Albanezen een geschenk uit de hemel: het gaf binnen Macedonië heel nauwkeurig een ‘Albanees gebied’ aan, bracht de Albanese zaak op de voorgrond door ze los te maken van die van de andere minderheden, en suggereerde dat de Albanezen recht

205


hadden op een speciale behandeling (Friedman 1996: 89-92). Over het algemeen bestond binnen de internationale gemeenschap de idee dat territoriale autonomie een ‘mensenrecht’ was. In combinatie met de dubbelzinnigheid die de internationale gemeenschap liet bestaan over de status van Kosovo – onafhankelijk of niet – betekende dit een stevige aanmoediging voor de Groot-Albanese gedachte (Woodward 1995: 343). In juni 1994 werd op initiatief en onder controle van de Raad van Europa (waarvan Macedonië wegens Grieks verzet op dat moment nog geen lid was) en van de eu in heel de Republiek Macedonië een nieuwe, ‘fatsoenlijke’ volkstelling gehouden. Er werd uitvoerig onderhandeld over de formulering van de vragen en het taalgebruik op de formulieren. Een probleem vormden de criteria voor het Macedonische staatsburgerschap. Hoe lang moest iemand in Macedonië wonen om als Macedonisch staatsburger beschouwd te worden? Veel immigranten uit Kosovo waren geen staatsburgers van Macedonië, maar wilden wel meegeteld worden. De termijn werd uiteindelijk vastgesteld op vijftien jaar, zodat de meeste immigranten uit Kosovo, die pas in de jaren tachtig naar Macedonië gekomen waren, niet in aanmerking kwamen. En moesten de vele Albanezen (en Macedoniërs), die al jaren elders in Joegoslavië of in het buitenland leefden, meegeteld worden? Radicale Albanese leiders hadden weer allerlei bezwaren tegen de volkstelling en riepen opnieuw op tot een boycot. De ppd, die toen deelnam aan de regeringscoalitie, stond tussen twee vuren. Aan de ene kant wilden ze een initiatief van ‘Europa’, waaraan ook de Macedonische regering, zij het met gemengde gevoelens, meewerkte, niet dwarsbomen; aan de andere kant kon de kritiek van de radicale Albanese elementen hun electorale schade toebrengen. Uiteindelijk opteerden ze voor een houding, waarbij deelname aan de volkstelling werd aanbevolen, noch ontraden. De resultaten werden in november 1994 bekendgemaakt: Macedonië telde 1.288.330 Slavische Macedoniërs (66, 5 procent van de bevolking), 442.914 Albanezen (22,9 procent), 77.252 Turken (4,0 procent), 43.732 Roma (2,3 procent), 39.260 Serven (2,0 procent), 8467 Vlachen (0,4 procent) en 1547 Bulgaren (0,1 procent) (Friedman 1996: 90). De door Europa ten bedrage van anderhalf miljoen dollar gesuperviseerde volkstelling van 1994 had dus precies 927 Albanezen méér opgeleverd dan de malafide Macedonische volkstelling van 1991. Vanzelfsprekend betwisten de Albanese nationalisten ook deze cijfers, maar hun

206


claims zijn sindsdien toch wat bescheidener geworden: ze houden het nu meestal op zo’n 30 procent van de bevolking. Wat de Slavische Macedoniërs verontrustte was niet alleen de omvang van de Albanese gemeenschap binnen de grenzen van de republiek, maar ook de snelle groei ervan. De cijfers tonen tussen 1971 en 1994 een gestage groei van de Albanese bevolking: 279.871 of 17 procent in 1971, 377.208 of 19,8 procent in 1981, 441.987 of 21,7 procent in 1991 en 442.914 of 22,9 procent in 1994 (Friedman 1996: 90). Die groei is het gevolg van het hoge geboortecijfer onder de Albanese bevolking en van de immigratie van Albanezen uit Kosovo en in mindere mate uit Albanië. De Slavische Macedoniërs maken ook veel drukte over niet-Albanezen (Macedonische moslims, Turken, Roma) die Albanees spreken en opgaan in de Albanese gemeenschap. Bij vergelijking van de cijfers voor 1953 en 1981 blijkt dat dit fenomeen alleen onder de Turkse bevolking een min of meer massaal karakter gehad kan hebben; hun aantal nam het sterkst af – van 203.938 naar 86.591 individuen, overigens mede door emigratie – en onder hen was het aantal Albaneestaligen het hoogst: 27.087 in 1953, nog 8592 in 1981. Indien het klopt dat de ‘verdwenen’ Turken gealbaniseerd werden, dan moeten er in die periode ook veel Turken ‘gemacedoniseerd’ zijn. In 1953 spraken 32.392 Turken Macedonisch, in 1981 nog 16.608. Onder de andere etnische gemeenschappen telde het aantal mensen dat verklaarde een andere taal (meestal Macedonisch) te spreken dan die welke bij hun etnische affiliatie paste, in totaal slechts enkele duizenden en hun aantal is in de loop der jaren met enkele duizenden toegenomen (Friedman 1996: 98). Alarmerend vinden veel Slavische Macedoniërs ook de relatieve afname van de SlavischMacedonische bevolking als gevolg van het lage geboortecijfer en van emigratie: van 71,2 procent in topjaar 1961 (1.000.854 individuen) en 69,3 procent (1.142.375 individuen) in 1971 naar 66,5 procent (1.288.330 individuen) in 1994 (Friedman 1996: 90). Albanezen beweren dat het aantal kroostrijke gezinnen in hun gemeenschap de jongste jaren afgenomen is, maar Macedonische doemdenkers hebben berekend dat als de tendensen van de jongste jaren zich voortzetten over enkele decennia de Albanezen de meerderheid van de bevolking van Macedonië zullen uitmaken. ‘Als het huidige groeiritme zich voortzet,’ doet ook de Académie des Sciences de l’Albanie (1998: 45) opmerken, ‘is de dag dat de Albanese bevolking even talrijk of zelfs talrijker dan de Macedonische is, niet

207


ver meer af.’ Op dat moment zal zich dan de prangende vraag stellen of de Slavische Macedoniërs in Macedonië een minderheid zijn of een constituerende natie! Nog een issue die met de status van ‘constituerende natie’ te maken had, was de officiële taal. Artikel 7 van de Grondwet van 1991 bepaalde dat de officiële taal van Macedonië het Macedonisch was en het officiële alfabet het cyrillisch, maar dat op plaatsen van lokaal zelfbestuur waar de leden van ‘een nationaliteit’ in de meerderheid waren of ‘een aanzienlijk aantal’ vormden, hun talen en alfabetten óók ‘officieel’ mochten gebruikt worden, naast het Macedonisch en het cyrillisch, op de manier voorgeschreven door de wet (The International Institute for Democracy 1995: 335). Maar ‘de wet’ talmde zeer om wat dan ook voor te schrijven; de Grondwet werd gewoon niet toegepast. De Albanezen maakten daar eigenlijk geen punt van; ze vonden dat de héle Grondwet niet deugde en gingen ervan uit dat zodra ze een constituerende natie zouden zijn, het Albanees vanzelf op dezelfde manier als het Macedonisch zou kunnen gebruikt worden. Overigens hadden de Albanezen wel de mogelijkheid hun eigen taal te gebruiken voor de rechtbank en in hun contacten met lokale bestuursinstellingen. De Macedonische Albanezen – of Albanese Macedoniërs – voelden zich op nog vele andere manieren gediscrimineerd. Met reden gingen ze ervan uit dat ze erg ondervertegenwoordigd waren in diverse belangrijke beroepssectoren: leger en politie, de rechterlijke macht, de ambtenarij, de politiek, de diplomatie en in de traditionele ‘stedelijke’ beroepen. (Ook met het oog op de vaststelling van een faire vertegenwoordiging waren de volkstellingen van belang.). Slechts 3 procent van de politieagenten en 7 procent van de beroepsmilitairen in Macedonië waren Albanees; het aandeel van de Albanezen in de administratie bedroeg zo’n 4 procent (Poulton 1995: 187). De Slavische Macedoniërs beweerden dat die situatie te maken had met de geringe opleidingsgraad van de Albanezen, waardoor ze niet slaagden voor de examens die voor dergelijke banen uitgeschreven werden. Een reden te meer, vonden de Albanezen dan weer, om werk te maken van een degelijk Albanees onderwijs. Graag, antwoordden de Slavische Macedoniërs, alleen is daar geen geld voor. De Albanezen waren ook ontevreden over Artikel 19 van de Grondwet, waarin sprake was van ‘de Macedonische Orthodoxe Kerk en andere religieuze gemeenschappen’ – een echo van de pream-

208


bule waarin Macedonië de staat van het Macedonische volk en van een aantal nationaliteiten genoemd werd. De identificatie van staat, natie en kerk is typerend voor de Balkanlanden; ook de Bulgaarse en Griekse grondwet bevat verwijzingen naar de ‘nationale’ orthodoxe kerk. Het feit dat de Macedonische Slaven de Macedonische staat vooral als hùn eigendom zagen, werd er nog eens door onderstreept. De Albanezen wilden dat zulke verwijzingen naar de godsdienst helemaal niet voorkwamen, of dat ook de islam met name genoemd werd. Ten slotte waren er de gebruikelijke klachten over een te gering aantal uren radio- en televisiezendtijd in het Albanees, te weinig publicaties in het Albanees, het ontbreken van Albanese straat- en plaatsnaamborden en dergelijke. Veel problemen hadden kunnen opgelost worden door aan de lokale overheden meer bevoegdheden te geven, maar juist de omgekeerde tendens – naar meer centralisatie – domineerde in Macedonië, zoals trouwens overal op de Balkan. De Macedonische overheid had de afgelopen tien jaar een en ander gedaan om de Albanese ondervertegenwoordiging weg te werken. In 2000 waren twee van de negen rechters bij het Constitutionele Hof Albanezen, en vier van de zestien rechters bij de Opperste Rechtbank. Een Albanees werd bevorderd tot generaal in het Macedonische leger en drie Albanezen werden ambassadeur. Het aantal Albanese studenten op de militaire academie steeg van twee naar twaalf procent en het aandeel van Albanese officieren in het Macedonische leger van 0,1 tot 3 procent (Ackermann 2000: 63). Het ging de goede kant uit, maar er was nog een lange weg af te leggen voor er sprake kon zijn van faire proporties. Maar de schuld lag niet alleen bij de Slavische Macedoniërs: Albanezen in belangrijke overheidsfuncties werden door hun volksgenoten vaak beschouwd als collaborateurs. Veel Albanezen, wellicht ontmoedigd door het beleid van de overheid, gaven de voorkeur aan een leven op het platteland boven een leven in openbare dienst in de stad. Het discriminerende beleid bij de aanwerving in de ‘staatsbedrijven’ in het oude Joegoslavië had overigens tot een paradoxale situatie geleid: de slachtoffers van de sanering van deze bedrijven en van de bedrijfssluitingen in het kader van de transitie waren hoofdzakelijk Slavisch-Macedonische werknemers, terwijl de Albanezen, die – deels noodgedwongen – werkzaam waren in privé-landbouwbedrijven, veel minder getrof-

209


fen werden. Het feit dat veel Albanezen beter boerden dan zijzelf (ook met het geld dat zij van familieleden in het buitenland ontvingen), deed veel Slavische Macedoniërs zich afvragen waar die discriminatie eigenlijk op sloeg (Woodward 1995: 365). Het meest hoopgevende punt in de Albanees-Slavische relaties in het onafhankelijke Macedonië was dat de Albanezen via hun verkozen vertegenwoordigers altijd bleven participeren in het Macedonische politieke leven. Partijen op etnische en religieuze basis waren niet verboden; nationalistische partijen konden ongestoord propaganda maken voor hun zaak; de frustraties en wensen van etnische gemeenschappen konden vrijuit in het parlement besproken worden. Sinds 1990 hebben Albanezen altijd deel uitgemaakt van de opeenvolgende regeringen: ze hadden vijf ministers in de regering van 1990, en vier ministers in alle regeringen vanaf 1992, en vanaf 1996 bovendien ook vijf vice-ministers. De Albanese politici prefereerden toegang tot het systeem, deelname aan de macht en politieke, culturele en economische rechten boven afscheiding (Ackermann 2000: 88). Critici beweerden dat de Albanese politici geen reële macht hadden en alleen maar fungeerden als schaamlapje of dienden om een goede beurt te maken bij ‘Europa’, maar de Slavisch-Macedonische partijen moesten wel degelijk rekening met hen houden. Er deed zich in de loop der jaren ook een aantal ernstige incidenten voor. Begin november 1992 leidde een razzia van de politie op de oude markt in Skopje tot een handgemeen met Albanese sigarettenverkopers. Er volgde een woelige manifestatie van Albanezen, waarbij drie Albanezen en één Macedoniër het leven lieten. In november 1993 kwam er een Albanese samenzwering aan het licht, waarbij Ymer Ymeri, toen vice-minister van Volksgezondheid, en Hisen Haskaj, vice-minister van Defensie, betrokken waren. Zij zouden plannen beraamd hebben om een Albanese militie te creëren. Er werden 300 stuks wapentuig en een lijst met namen van 2000 rekruten gevonden. Beide vice-ministers en andere betrokkenen werden veroordeeld tot vijf à zeven jaar gevangenisstraf, maar kwamen een jaar later al vrij. De Macedonische regering minimaliseerde de hele zaak en deed alsof ze geloofde dat het Albanese leger inderdaad bedoeld was als bescherming tegen de Serven, zoals de beschuldigden beweerden (Ackermann 2000: 90). In de zomer van 1997 hesen de Albanezen in Tetovo en Gostivar de Albanese vlag aan de gevel van het gemeentehuis. Dat was door

210


de wet verboden – tenzij naast de Albanese tweekoppige adelaar ook de Macedonische stralende zon wapperde. De Slavische Macedoniërs beschouwden het incident als een manifeste uiting van disloyaliteit en separatisme. Toen de politie die vlaggen wilde verwijderen, kwam het tot een massale vechtpartij. Er vielen drie doden en zeventig gewonden; 400 personen werden gearresteerd en sommigen, onder wie burgemeester Rufi Osmani, veroordeeld tot gevangenisstraf. Het probleem dat de relaties tussen Slavische en Albanese Macedoniërs het meest verzuurde, was het gebrekkige Albanese onderwijs. Grondwettelijk hadden minderheden recht op lager en middelbaar onderwijs in hun eigen taal. Er waren 1053 lagere scholen voor 270.000 leerlingen; in 279 van die lagere scholen werd aan 72.000 leerlingen onderricht gegeven in het Albanees, in 55 in het Turks en in 15 in het Servisch. Er bestonden ook enkele scholen voor Vlachse kinderen. De verhoudingen lijken ongeveer te kloppen met het aandeel dat de diverse gemeenschappen in het totaal van de bevolking hadden. Maar er waren veel klachten over het niveau van het Albanese onderwijs en de materiële omstandigheden waarin dat onderwijs verstrekt werd. Met name bestond er een schrijnend tekort aan Albanese middelbare scholen: van het twaalftal dat Macedonië telde vóór de onafhankelijkheid was er nog één open. Er zaten te veel kinderen in één klas, te veel Albanese leerlingen volgden noodgedwongen Macedonisch onderwijs. De meeste Albanese kinderen haakten af in het middelbaar onderwijs en gingen een stiel leren – met als gevolg een sterke Albanese ondervertegenwoordiging in de hogere onderwijsinstellingen. Op een totale studentenbevolking van bijna 23.000 waren er in 1991-1992 slechts 386 Albanezen (Poulton 1995: 183). Ook de situatie van het Albanese onderwijs relateerden de Albanezen aan hun status binnen de republiek: als minderheid hadden ze immers alleen recht op onderwijs in het Albanees in gemeenten waar ze een vereist minimum aantal leerlingen konden leveren. Als constituerende natie zou er overal onderwijs voor hen georganiseerd worden; er was ook overal onderwijs in het Macedonisch beschikbaar. De Macedonische regering verontschuldigde zich graag door te verwijzen naar de economische omstandigheden: de goede wil ontbrak niet, maar wel de middelen om overal waar nodig Albanees onderwijs in te richten. Maar de Slavisch-Macedonische publieke opinie was ook zonder die financiële overwegingen tegen een uitbreiding van het Albanese

211


onderwijs gekant. In 2000 protesteerden in Bitola leerlingen en ouders tegen plannen van de overheid om leszalen in een ‘SlavischMacedonisch’ schoolgebouw ter beschikking te stellen voor onderwijs aan Albanese leerlingen – niet alleen ‘uit principe’, maar ook uit angst voor vechtpartijen tussen kinderen van de beide gemeenschappen. De Macedonische overheid stond vaak tussen twee vuren: tussen de Slavische en de Albanese publieke opinie, die geen van beide wilden wijken en, opgejut door nationalistische scherpslijpers, elk compromis beschouwden als volksverraad. Het grootste probleem vormde het universitaire onderwijs. Na de onafhankelijkheid maakte de Macedonische overheid geen aanstalten om universitair onderwijs in het Albanees te organiseren. De Albanese kweekschool in Skopje, die in 1986 wegens ‘irredentisme’ gesloten was, werd in 1992 niet heropend. Alleen de vakgroep Albanese Taal- en Letterkunde aan de universiteit van Skopje, waar leraren Albanees opgeleid werden, maakte nog gebruik van het Albanees als onderwijstaal. In de andere opleidingen hadden de Albanese studenten toegang tot de colleges in het Macedonisch, een taal die ze allen geleerd hadden. De regering was zelfs bereid een beleid van ‘positieve discriminatie’ ten aanzien van Albanese kandidaat-studenten te voeren, maar de Macedonische studenten, die strenge toegangsexamens moesten afleggen, protesteerden (Ramet 1996: 235). Hoewel het aantal Albanese studenten in het universitair onderwijs verviervoudigde (van 1,3 naar 9,7 procent), was een vlottere toegang tot de Macedonische colleges voor de Albanezen geen echte oplossing. Ze vonden universitair onderwijs in de eigen taal een elementair recht. Ze zagen zo’n Albanese universiteit als de ideale kweektuin van een mondige Albanese intelligentsia. De Macedoniërs beschouwden, de reputatie van de universiteit van Priština indachtig, zo’n instelling veeleer als een broeinest van een radicaal-nationalistische academisch proletariaat. Toen Joegoslavië nog bestond studeerden Macedonische Albanezen op de universiteit van Priština in het nabijgelegen Kosovo, maar vanaf 1989 werd aan die universiteit alleen nog in het Servisch onderwezen. Als enige mogelijkheid bleef de universiteit van Tirana over. Er kwam een akkoord tussen de Macedonische en de Albanese regering waardoor diploma’s, behaald in Albanië, in Macedonië erkend werden, en vice versa. De universiteit van Tirana heeft echter niet zo’n denderende reputatie en is niet in staat grote aantallen buitenlandse studenten onderdak te bieden. Slechts enkele

212


honderden Albanese studenten uit Macedonië deden hun studies in Tirana. Op 4 juli 1994 besloot de Constitutieve Assemblée van de Albanese Intellectuelen in Macedonië, vergaderend in de raadzaal van het gemeentehuis van Tetovo – de ‘hoofdstad’ van de Macedonische Albanezen – tot de stichting van de universiteit van Tetovo. Een en ander gebeurde in omstandigheden die typerend zijn voor de relaties tussen Albanezen, Macedoniërs en de overheid. In Macedonië – en niet alleen in Macedonië – zijn gemeentebesturen niet wettelijk bevoegd om universitair onderwijs te organiseren. Ervan uitgaand dat de overheid de stichting van een Albanese universiteit toch niet zou toelaten, hielden de Albanese organisatoren bij hun verzoek in juli 1994 met die bepaling geen rekening. Voor de overheid was dat het gedroomde voorwendsel om de stichting van de Albanese privé-universiteit inderdaad te verbieden. Dat gaf dan weer voedsel aan de overtuiging van de Albanezen dat de Macedoniërs eigenlijk onder geen beding van een Albanees hoger onderwijs wilden weten. De Macedonische studenten aan de universiteit van Skopje kwamen massaal de straat op om te protesteren tegen de Albanese universiteit – hoewel die hún belangen natuurlijk op geen enkele manier schaadde. Op 14 december 1994, drie dagen voor de geplande opening van de universiteit, grepen de ordestrijdkrachten in en sloopten de faculteit Natuurwetenschappen met bulldozers. Het kwam tot ernstige ongeregeldheden waarbij één dode en achtentwintig gewonden vielen. De voortvarende rector Fadil Sulejmani, zeven professoren (onder wie veel oudgedienden van de universiteit van Priština), leden van de administratie en een vijftigtal studenten werden gearresteerd. Albanese volksvertegenwoordigers boycotten het parlement; de ppd, op dat moment in de regeringscoalitie, riep de Albanese gemeenschap op tot koelbloedigheid. De radicalere pdsh (in de oppositie) dreigde met afscheiding en met het schrikbeeld van een ‘parallelle samenleving’ zoals in Kosovo, waar de Albanese gemeenschap haar eigen, parallelle (illegale) structuren uitgebouwd had en deed alsof de Serven lucht waren. De meerderheid van de Albanese politici verwierp echter deze optie; ze wilden juist dat de universiteit van Tetovo een plaats kreeg in het officiële Macedonische onderwijsnet. In februari 1995 kon de universiteit toch haar deuren openen en sindsdien functioneert ze min of meer normaal – geboycot, maar ook met rust gelaten door de Macedonische overheid. Enkele dui-

213


zenden studenten – een leraar aan de universiteit noemde mij in 2001 het getal van 8000 – krijgen er colleges van een 150-tal professoren aan dertien faculteiten. De kantoren, bibliotheken, leslokalen en laboratoria zijn ondergebracht in privé-woningen, maar vormen een echte ‘campus’. De financiering gebeurt door de inning van hoge inschrijvingsgelden en met de steun van vermogende emigranten. De Macedonische staat erkent de diploma’s die de universiteit van Tetovo aflevert niet, maar voor sommige afgestudeerden is er een compromis gevonden: ze kunnen als leraar aan de slag in de Albanees-Macedonische staatsscholen op basis van hun diploma middelbaar onderwijs. Om enigszins tegemoet te komen aan de eisen van de Albanezen heropende de Macedonische overheid in 1994 de Albanese kweekschool aan de Pedagogische Faculteit in Skopje. De opleiding tot leraar werd opgewaardeerd en duurde voortaan vier in plaats van twee jaar. In 1997 besloot het ministerie van Onderwijs dat alle lerarenopleidingen in het Albanees konden gebeuren. Daartegen kwam verzet van nationalistische Macedonische studenten en van de vmro-dpmne; een aantal studenten ging zelfs in hongerstaking (Ackermann 2000: 91). Ze verwezen naar Artikel 48 van de Grondwet, dat stipuleerde dat ‘de leden van de nationaliteiten recht hebben op onderwijs in hun taal in het lager en het voortgezet onderwijs op een manier, vastgelegd door de wet’ (The International Institute for Democracy 1995: 347). Dat impliceerde natuurlijk niet per se dat hoger onderwijs in het Albanees verboden zou zijn. Uiteindelijk was premier Crvenkovski gedwongen zijn minister van Onderwijs de laan uit te sturen, maar ook dat bracht de gemoederen niet tot bedaren. Inmiddels kwam dankzij de inspanningen van voormalig Nederlands minister van Buitenlandse Zaken en Europees Hoog Commissaris voor de Minderheden Max van der Stoel, die zich vanaf 1997 intensief met Macedonië beziggehouden had, en dankzij het geld van de ovse een South East European University (seeu) tot stand, waar sinds oktober 2001 in het Albanees, Engels en Macedonisch college gegeven wordt. De plechtige, officiële opening had plaats op 20 november 2001. Er zijn vijf faculteiten gepland: rechten, communicatiewetenschappen, pedagogie, handelswetenschappen en bestuurswetenschappen. De Macedonische regeringspartijen, inclusief de Albanese coalitiepartners, gingen na lang aarzelen akkoord. Ze oordeelden dat de nieuwe wet op het onderwijs ruimte

214


creëerde voor privé-universiteiten als deze. De diploma’s die de seeu aflevert worden dan ook wettelijk erkend. Zelfs de pdsh, die vroeger een fel pleitbezorger geweest was van de erkenning van de Albanese universiteit van Tetovo kon, nu ze in de regeringscoalitie zat, vrede nemen met het bestaan van de seeu, die door veel Albanezen verfoeid werd als een bedreiging voor hun universiteit in Tetovo. Radicale Albanezen bleven vinden dat de Macedonische staat zélf op eigen kosten Albanees hoger onderwijs moest organiseren. Zij riepen Albanese jongeren dan ook op om de seeu te boycotten. Net als destijds in Kosovo had het geruzie over het hoger onderwijs minder te maken met de dorst naar kennis dan met politieke symboliek. In het licht van Artikel 48 van de Grondwet kwam de officiële erkenning van het bestaan van een hogere onderwijsinstelling met Albanees als onderwijstaal neer op de erkenning van het Albanees als tweede officiële taal in Macedonië, en die impliceerde dan weer dat de Albanezen toch een constituerende natie waren – met recht op afscheiding. Om die reden waren de Albanezen zo vóór, en de Slavische Macedoniërs zo tégen hoger onderwijs in het Albanees. Elke toegeving, of die nu het resultaat was van onderling overleg of van druk uitgeoefend door de internationale gemeenschap, werd door beide gemeenschappen meteen in het licht van deze implicaties begrepen. Toch dreven de Macedonische Albanezen – in tegenstelling tot wat hun Kosovaarse volksgenoten plachten te doen – de zaken niet op de spits. De seeu won snel aan populariteit; ze krijgt financiële steun van de Macedonische overheid en een aantal professoren en studenten is al ‘overgelopen’ van de universiteit van Tetovo naar de seeu. In november 1998 hadden beide gemeenschappen hun respectieve meest radicale nationalistische partijen een verkiezingsoverwinning bezorgd: de vmro-dpmne en de pdsh. Hoewel ze elkaar jarenlang verketterd hadden, werkten ze als coalitiepartners in de regering tamelijk goed samen, ook wat bepaalde ‘communautaire dossiers’ betrof. Enkele politieke gevangenen, onder wie Alajdin Demiri en Rufi Osmani, die in 1997 veroordeeld waren tot zware gevangenisstraffen wegens het hijsen van de Albanese vlag aan de gevel van het gemeentehuis in Tetovo en Gostivar, werden in februari 1999 vrijgelaten. De municipale autonomie werd enigszins uitgebreid – een maatregel waar vooral de Albanezen hun voordeel mee deden. Van de belangrijkste Albanese eis – een

215


grondwetswijziging die van de Albanezen een constituerende natie maakte – kwam evenwel niets terecht. Terwijl voor buitenlandse waarnemers de samenwerking van de vmro-dpmne en de pdsh een aangename en veelbelovende ontwikkeling leek in de richting van ‘communautaire vrede’, namen de onderhuidse spanningen tussen beide gemeenschappen alleen maar toe. De Macedonische sdsm en meer nog de Albanese ppd, voordien als regeringspartijen tamelijk gematigd in communautaire aangelegenheden, namen nu ze in de oppositie zaten, radicale standpunten in. Dit werkte ook de polarisering bínnen de beide gemeenschappen in de hand. De gebeurtenissen, die de diepe verdeeldheid tussen de Albanese en de Slavische gemeenschap in Macedonië het scherpst aan het licht brachten, waren de crises in Kosovo in 1998 en 1999. De Servische represailles tegen het uçk in 1998 konden rekenen op de – niet eens stilzwijgende – goedkeuring van de Slavische Macedoniërs, maar wekten grote verontwaardiging op onder de Albanese Macedoniërs. Deze laatsten voelden zich uiteraard nauw betrokken bij de gebeurtenissen in Kosovo. Tijdens de crisis zochten veel Kosovaren een toevluchtsoord in Macedonië, waar ze konden rekenen op de solidariteit van hun Albanese volksgenoten. Aan de vooravond van de navo-bombardementen op Joegoslavië in maart 1999 bevonden zich 20.000 legale en een onbekend aantal illegale Kosovaarse vluchtelingen in Macedonië (Drenov 2001: 64). De Slavische Macedoniërs waren de Albanese vluchtelingen liever kwijt dan rijk. Hun grote angst was dat vluchtelingen die door familieleden opgevangen werden, zouden ‘verdwijnen’ en blijvend opgenomen worden in de Albanese gemeenschap in Macedonië. Die zou daardoor nog omvangrijker worden. De aanwezigheid van de vluchtelingen vormde bovendien een zware economische belasting. Ten slotte bestond het gevaar dat Macedonië meegesleept werd in een spiraal van geweld. Al in 1997 waren er in het noorden en het westen van Macedonië enkele bomaanslagen gepleegd op politiebureaus, maar in de eerste helft van 1998 nam hun aantal toe tot negen (iwpr 130, 14.04.2000). De daders werden overigens niet altijd gezocht onder de Albanese nationalistische extremisten; de politie verdacht ook leden van Albanese maffia-organisaties die opereerden vanuit Kosovo (en soms niet van uçk-leden te onderscheiden waren). Ook de Macedonische maffia stond onder verdenking. President Gligorov wilde de grens met Kosovo sluiten en enkel een humanitaire corridor toestaan vanuit Kosovo via Macedo-

216


nië naar Albanië, maar het verzet van de pdsh en internationale druk dwongen hem tot een mildere aanpak. De ovse Spillover Monitoring Mission to Skopje kreeg de opdracht bewegingen langs de Macedonisch-Kosovaarse grens en activiteiten van het uçk in Macedonië nauwlettend in het oog te houden en mee te helpen de opvang van vluchtelingen te organiseren. Tijdens de militaire interventie van de navo in Joegoslavië, van einde maart tot begin juni 1999, sloegen Kosovaren massaal op de vlucht voor Servische represailles tegen het uçk, de etnische zuiveringen en het geweld van de navo-bommen. Na twee weken bevonden er zich al 70.000 legale en (naar schatting) 50.000 illegale vluchtelingen in Macedonië. Tegen einde mei was hun aantal aangegroeid tot ca. 250.000. Toen er begin juni een einde kwam aan de bombardementen hadden 150.715 van de 276.360 vluchtelingen een officiële status. Daarvan leefden er 99.645 in kampen en waren dus ‘controleerbaar’; de andere legale vluchtelingen hadden onderdak gevonden bij familieleden, net als de meeste illegale vluchtelingen (Drenov 2001: 64-5). Deze situatie veroorzaakte grote spanningen tussen de coalitiepartners, die nog maar sinds eind 1998 aan het roer van de staat stonden. De vmro-dpmne wilde de Kosovaren zo gauw mogelijk weg; de pdsh vond dat de Kosovaren fatsoenlijk moesten behandeld worden en bij voorkeur in gastgezinnen opgevangen worden. De partij dreigde er enkele keren mee de coalitie op te blazen. De Macedonische overheid weigerde Kosovaren toe te laten die geen identiteitsbewijs of paspoort konden overleggen; die zouden immers – zo werd gevreesd – later niet meer naar Kosovo kunnen terugkeren. De Servische militairen hadden de identiteitsbewijzen van veel Kosovaren juist met die bedoeling vernietigd. Veel Kosovaren hadden overigens ook zelf hun documenten vernietigd om niet meer terug te kunnen en zo de kans te vergroten om als asielzoekers opgenomen te worden in een of ander West-Europees land, de Verenigde Staten of Canada. De Kosovaarse vluchtelingen gingen ervan uit dat ze vanuit Macedonië makkelijker in die landen konden komen dan vanuit Albanië; daarom trokken ze liever naar Macedonië dan naar Albanië. In Albanië was het gevaar ook groter om onder dwang ingelijfd te worden bij het uçk. De unhcr vond dat alleen vluchtelingen die naar Albanië wílden ook daarheen gestuurd mochten worden. De Macedonische overheid bracht in de nacht van 5 op 6 april stiekem 12.000 vluchtelingen met bussen naar Albanië en dumpte ze daar. 217


In de Macedonische vluchtelingenkampen heersten dikwijls onmenselijke toestanden. Vooral het kamp in Blace had een kwalijke reputatie. De vluchtelingen zaten met tien tot twintig in één tent; de voedselverdeling en het sanitair lieten veel te wensen over; er dreigde gevaar voor epidemieën die zich ook buiten de kampen konden verspreiden. De vluchtelingen hadden weinig begrip voor de problemen die hun plotselinge en massale aanwezigheid veroorzaakte; de Macedonische politie trad onbehouwen tegen hen op. De Macedonische regering was ook bevreesd voor mogelijke politieke agitatie door het uçk onder de Macedonische Albanezen. Het is onduidelijk welke activiteiten het uçk in Macedonië precies ontplooid heeft. In ieder geval werden fondsen verzameld en manschappen geronseld. Macedonië deed ook dienst als doorvoerroute van wapens vanuit Albanië naar Kosovo. In de lente van 1999 werd in het gebied van Lipkovo bij Kumanovo een kelder vol wapens en uniformen ontdekt (Ethnobarometer 2001: 11). Er zijn ook aanwijzingen dat het uçk op Macedonisch grondgebied terreuracties uitgevoerd heeft. Vermoedelijk is daaraan door de tussenkomst van de pdsh een einde gekomen. De Slavische Macedoniërs vonden dat de navo weinig begrip aan de dag legde voor de delicate inter-etnische relaties in Macedonië. Ze bestempelden de navo-interventie in Kosovo als een aanmoediging van het Albanese separatisme en de opvang van de Kosovaarse vluchtelingen in Macedonië als een bedreiging voor het etnische evenwicht in de Republiek. Ze ergerden zich aan de files, de controles en de vervuiling die met de aanwezigheid van de navotroepen gepaard gingen. De Albanese Macedoniërs juichten de interventie van de navo toe en namen de overlast er graag bij. In begin 2000 nam het aantal terroristische aanslagen in het westen van Macedonië toe. Zo werden op 11 januari in Aračinovo bij een routinecontrole drie politieagenten doodgeschoten. De overheid ontkende dat voormalige uçk-leden bij de aanslagen betrokken waren, om geen paniek te zaaien en de coalitie van de vmropdmne en de pdsh niet in het gedrang te brengen; ze gaf de schuld aan Joegoslavische agenten (iwpr 107, 14.01.2001). Het internationale civiele en militaire bestuur (respectievelijk unmik en kfor) over Kosovo was niet in staat het vertrouwen van de Slavische Macedoniërs in de internationale gemeenschap en vooral in de navo te herstellen. De Macedonische regering beschuldigde kfor ervan de Macedonisch-Kosovaarse grens onvoldoende te bewaken. kfor had 40.000 manschappen in Kosovo en 4000 in Macedonië. 218


Albanese criminelen – van wie sommigen door de Albanezen als ‘vrijheidsstrijders’ gerespecteerd werden – ontvluchtten Kosovo en vonden onder een valse naam onderdak in Macedonië. Hun arrestatie wekte de verontwaardiging op van de Macedonische Albanezen. In april 2000 werden vier Macedonsche grenswachters door het Kosovo Protection Corps (kpc)26 gekidnapt om later te worden ‘geruild’ voor de Kosovaarse ‘vrijheidsheld’ Xhavit Hasani. Deze was in Macedonië gearresteerd en geïnterneerd wegens moordpoging tijdens een vuurgevecht met de politie. Hasani had eerder in zijn geboortedorp Tanuševci in Macedonië een logistieke basis voor het uçk uitgebouwd. Zijn vrijlating en terugkeer naar Kosovo in gezelschap van pdsh-leider Arbën Xhaferi maakte de Albanezen blij, maar zette kwaad bloed bij de Macedoniërs (iwpr 132, 11.04. 2000). Toen in juni 2000 drie Macedonische grenswachters door Kosovaarse snipers verwond werden, bracht president Trajkovski de troepen langs de grens in staat van paraatheid – een maatregel die door Albanese politici als overbodig bestempeld werd. Zo bracht de Kosovocrisis de diepe verdeeldheid aan het licht, die tussen de twee gemeenschappen in Macedonië bestond. Wat nog erger was: ze toonde ook in welke mate Macedonië de staat was van de Macedonische Slaven. Het officiële standpunt van de regering ten aanzien van de gebeurtenissen in Kosovo, de maatregelen die ze nam ten aanzien van de vluchtelingen, de berichtgeving op de staatsradio- en televisie en dergelijke beantwoordden vrijwel exclusief aan de visie van de Slavische Macedoniërs. De Albanezen gebruikten de aan hen voorbehouden zendtijd dan weer uitsluitend voor het ventileren van hún mening. Die werd door de Slavische Macedoniërs niet gehoord of meteen gebrandmerkt als getuigend van een gebrek aan loyaliteit aan de staat. De kwestie of de Albanezen al dan niet een constituerende natie waren of moesten zijn bleek hier duidelijk niet alleen een juridische aangelegenheid, maar ook een psychologische. Hoe konden de Albanezen loyaal zijn jegens en zich identificeren met een staat, waarin ze als quantité négligeable beschouwd werden? De Macedonische staat behandelde hen als Macedonische Albanezen, terwijl het voortbestaan van die staat juist afhing van de mate waarin zij zich Albanese Macedoniërs konden voelen.

219


12 De crisis van 2001

I

N 2001 BRAK TUSSEN Albanese en Slavische Macedoniërs een conflict uit, dat het land op de rand van de afgrond bracht.27 Zoals Arbën Xhaferi het formuleerde: terwijl de Albanese politici in Macedonië bezig waren aan een marathon om op vreedzame wijze gelijke rechten te verwerven, daagden opeens een stel sprinters op in de gedaante van gewapende rebellen, die een gewelddadige oplossing wilden forceren (iwpr 235, 06.04.2001). De Albanese radicale nationalisten hadden van de oorlog om Kosovo geleerd dat geweld loonde: het optreden van het uçk in Kosovo in 1998 had de Servische represailles uitgelokt, die op hun beurt de legitimatie vormden voor de navo-interventie, die van Kosovo (bijna) een onafhankelijke staat gemaakt had. De brutaliteit waarmee de Servische ordestrijdkrachten in Kosovo optraden was mede het gevolg van de talrijke dodelijke aanslagen die op leden van de ordestrijdkrachten gepleegd waren. De politiemensen, die in hun tegenstanders in de eerste plaats de moordenaars van hun collega’s zagen, sloegen hard toe. Het doelbewust uitlokken van harde acties van de ordestrijdkrachten – acties die gepaard gingen met massale vluchtelingenstromen en civiele slachtoffers – lijkt een vast onderdeel van de tactiek, die al op het einde van de 19e eeuw door de četas uitgeprobeerd was.

221


Het moment om ook in Macedonië opnieuw naar deze tactiek te grijpen, werd bepaald door gebeurtenissen in Servië en Kosovo. Op 5 oktober 2000 was in Belgrado een einde gekomen aan het regime van Slobodan Milošević. De nieuwe Joegoslavische president Vojislav Koštunica genoot de steun van de internationale gemeenschap. Voor de Kosovaren was dit een slechte zaak. De unmik – de civiele implementatiemacht van de vn in Kosovo – had bijna onverholen het Kosovaarse onafhankelijkheidsstreven gesteund – uit afkeer van Milošević, maar in strijd met vn-resolutie 1244 van 10 juni 1999, die expliciet melding maakte van ‘substantial autonomy within the Federal Republic of Yugoslavia’ voor Kosovo. (Cursivering van mij.) Met Koštunica aan de macht nam de internationale gemeenschap een genuanceerder standpunt in ten aanzien van de onafhankelijkheid van Kosovo, wat de Kosovaarse nationalisten deed uitkijken naar een middel om de internationale gemeenschap duidelijk te maken dat dit niet naar hun zin was. Daarbij kwam dat de eerste vrije verkiezingen in Kosovo op 28 oktober 2000 de radicale Kosovaarse nationalisten, verenigd in partijen ontsproten aan het uçk, grotendeels buitenspel gezet hadden. De meerderheid van de Kosovaren gaf de voorkeur aan de gematigde(re) ldk van Ibrahim Rugova. De voormalige uçk-strijders zochten naar een manier om opnieuw een leidende rol te spelen. Ook in Macedonië bevonden zich na afloop van de oorlog in Joegoslavië voormalige uçk-strijders – onder wie velen van MacedonischAlbanese afkomst –, die zich ‘overbodig’ voelden, maar hun militaire ervaring graag te nutte wilden maken. De aangewezen manier om politiek weer mee te tellen bestond in de reactivering van het uçk. Twee gebieden kwamen daarvoor bij uitstek in aanmerking: Zuid-Servië en Macedonië. Al in het voorjaar van 2000 waren twee nieuwe ‘bevrijdingslegers’ een nieuwe guerrillaoorlog begonnen: het Ushtria Çlirimtare për Preshevë, Medvegjë dhe Bujanoc (uçpmb, Bevrijdingsleger van Preševo, Medveéa en Bujanovac) in Zuid-Servië, en het Ushtria Çlirimtare Kombëtare (uçkom,28 Nationaal Bevrijdingsleger) in Macedonië. Op de nauwe banden tussen het uçk, het içpmb en het uçkom wees onder meer het feit dat het içpmb in Priština ook MacedonischAlbanese universiteitsstudenten ronselde. Daarnaast hadden al in 1999 uçk-leden zich, mét hun wapens, gehergroepeerd in de Ground Safety Zone,29 vanwaar ze vervolgens makkelijk in Mace-

222


donië kwamen. In 2000 bleven de activiteiten van de Albanese rebellen nog beperkt tot bomaanslagen. Begin 2001 zetten ze de grote middelen in. Nog een factor was de nakende ratificatie door het Macedonische parlement van een akkoord over de Joegoslavisch-Macedonische grens. (De ratificatie gebeurde op 2 maart 2001.) Die grensgeschillen dateerden van begin 1992, toen Macedonië zich van Joegoslavië afscheidde, en waren onder Milošević blijven aanslepen. Koštunica zocht naar een definitieve oplossing. De besprekingen werden gevoerd door Joegoslavische en Macedonische onderhandelaars, zonder vertegenwoordigers van Kosovo. Dat was onaanvaardbaar voor de Kosovaarse politici: het ging immers ten dele ook om de grens tussen Kosovo en Macedonië, en Joegoslavië was in hun ogen niet bevoegd om te onderhandelen over de grens van het ‘onafhankelijke’ Kosovo.30 Een klein gebied, waarover tussen Joegoslavië en Macedonië onenigheid bestond, was gelegen bij het punt waar Kosovo, Zuid-Servië en Macedonië elkaar raken, in de omgeving van het dorp Tanuševci. Sinds 1992 oefende unprofor, respectievelijk unpredep er de controle over uit, maar na de terugtrekking van unpredep in 1999 was het een soort van niemandsland geworden, dat formeel tot Macedonië behoorde, maar waar in feite geen enkel staatsgezag meer gold. Het was de ideale plek voor wapensmokkel en andere illegale activiteiten; het uçk had er zich destijds comfortabel kunnen installeren. Dat de Macedonische staat weinig moeite deed om er zijn gezag op te leggen, had – zo beweerden boze tongen – te maken met het feit dat vooraanstaande leden van de pdsh en de vmro-dpmne via louche connecties bij die illegale activiteiten betrokken waren. Hoe dan ook, de oplossing van het grensgeschil zou de bewegingsvrijheid van zowel smokkelaars als rebellen beperken. Het uçpmb, bestaande uit een driehonderdtal guerrillastrijders, probeerde de drie districten Preševo, Medveéa en Bujanovac te ‘bevrijden’ en aan te hechten bij Kosovo. Die districten maakten deel uit van de Ground Safety Zone. Ze hadden een overwegend Albanese bevolking van 70.000 individuen; het meest zuidelijke district, Preševo, grensde aan Macedonië. Het hoofdkwartier van het uçpmb was Veliki Trnovac – ‘lokaal centrum van drugs-, wapen- en vrouwenhandel’ (Chiclet 2001). Het optreden van het uçpmb in de drie districten en later in Kosovo ging gepaard met grote brutaliteit jegens de lokale Servische bevolking. De interna-

223


tionale gemeenschap veroordeelde in expliciete bewoordingen de acties van het uçpmb. Orde en rust in dit kleine gebied waren precies voor de eu van groot belang, want de snelweg van Thessaloniki naar Belgrado (en verder naar Budapest en Wenen) liep even ten oosten van Bujanovac. Het Joegoslavische leger kreeg de toestemming in te grijpen. Als gevolg van de operaties van het uçpmb ontstond er in Zuid-Servië in het vroege voorjaar van 2001 weer een stroom Albanese vluchtelingen. Begin maart arriveerde een konvooi van ca. 200 vluchtelingen in Macedonië. De regering wilde geen herhaling van de gebeurtenissen van voorjaar 1999 en overwoog de vluchtelingen uit Zuid-Servië via een corridor linea recta naar Kosovo door te sturen. Op 8 maart 2001 trok het Joegoslavische leger effectief een sector van de Ground Safety Zone binnen. Op 13 maart sloot het uçpmb een wapenstilstandsverdrag met Belgrado. De Albanese rebellen openden nog een tweede front – in Macedonië. Op 22 januari 2001 werd een bomaanslag gepleegd op het politiebureau in Tearce, ten noordoosten van Tetovo, waarbij één politieman omkwam, en op 26 januari op de trein naar Skopje. Woordvoerders van de regering verklaarden dat de daders vermoedelijk maffialeden of extreem-nationalistische individuen waren, maar die bewering bleek onhoudbaar toen het uçkom in Communiqué nr. 4, verstuurd per fax op briefpapier van het uçk, de verantwoordelijkheid voor de aanslagen opeiste. Het uçkom beloofde door te gaan met de strijd tot het Albanese volk ‘bevrijd’ was en gaf Macedonische politieagenten de raad ‘hun levens niet nodeloos te offeren voor het vergeefse Macedonische voornemen de Albanese meerderheid te domineren’ (Ethnobarometer 2001: 14). Huiszoekingen bij voormalige uçk-leden resulteerden in een aantal arrestaties. Algemeen werd aangenomen dat het uçkom een organisatie was van extreem-nationalistische Macedonische Albanezen, die vooral ontevreden waren over het – in hun ogen al te – reformistische beleid van de Macedonisch-Albanese politieke leiders. De Macedonische overheid ging er lang vanuit dat de leden van het uçkom veteranen van het uçk waren of behoorden tot het kpc. (Dat was een blamage voor kfor, dat het uç K al meer dan een jaar voordien had moeten ontwapend hebben.) Het ging om slechts enkele honderden, zij het goed gewapende en getrainde manschappen, maar hun aantal groeide snel aan. Aan het hoofd van het

224


uçkom stond naar verluidt aanvankelijk Fazli Veliu, een Albanees uit Macedonië, die als student in Priština betrokken was bij het oproer van 1981, enige tijd in de gevangenis doorgebracht had en vervolgens geëmigreerd was naar Zwitserland, waar hij een succesvol zakenman geworden was. In de jaren negentig had Veliu een actieve rol gespeeld in allerlei Albanese politieke acties in Kosovo en Macedonië. Hij werd om zijn politieke activiteiten door de Zwitserse overheid bedreigd met uitwijzing. Dat is vermoedelijk ook de reden waarom hij de leiding over het uçkom overliet aan zijn neef, Ali Ahmeti, en zich verder alleen nog bezighield met de fund raising voor het uçkom. De gerenommeerde onafhankelijke Albanese publicist Shkëlzen Maliqi noemde de strijders van het uçkom ‘vurige patriotten’, die Macedonië als een ‘artificiële constructie’ beschouwden en vonden dat het land opgedeeld moest worden in een Albanees en een Slavisch deel, om vervolgens het Albanese deel bij Kosovo of Groot-Albanië te voegen. Maliqi zelf vond dat geen slecht idee, maar suggereerde dat een dergelijke verdeling van Macedonië onhaalbaar was omdat ze niet beantwoordde aan de belangen van de grote mogendheden, de Verenigde Staten op kop (iwpr 224, 07.03.2001). Dat had ook de intelligente Ahmeti algauw door. Midden februari 2001 braken er onlusten uit in Tanuševci. De aanleiding was de vondst van een illegaal wapendepot door het Macedonische leger. Het uçkom viel politiepatrouilles en een grenspost aan. Op 25 februari namen ze Tanuševci in en vervolgens ook de dorpjes Brest en Gošince, even ten oosten van Tanuševci. De Macedonische ordestrijdkrachten grepen in met niet minder dan 600 manschappen. Honderdveertig Albanese vrouwen en kinderen – de mannen waren onder dwang bij het uçkom ingelijfd – namen uit angst voor beschietingen en eventuele mishandelingen de vlucht naar Debelde en Vitina, twee dorpen in Kosovo. Op de Conferentie van Staatshoofden en Regeringen van Zuidoost-Europa, die op 22 en 23 februari in Skopje plaats had, distantieerden alle aanwezigen – onder wie Javier Solana, hoge vertegenwoordiger van de eu voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, Chris Patten, Europees commissaris voor buitenlandse betrekkingen van de eu, Bodo Hombach, speciaal coördinator van het Stability Pact for Southeastern Europa – zich met grote stelligheid van het Albanese geweld en maakten duidelijk dat grenswijzigingen uit den boze waren. De internationale gemeen-

225


schap – de eu, de vs, de navo – vreesde vooral voor een escalatie van het conflict. Gezien de betrokkenheid van de naburige landen bij het lot van Macedonië kon een destabilisatie van het land makkelijk leiden tot een grootschalig conflict – een Balkanoorlog in de echte zin van het woord. De eerste tekenen van een mogelijke escalatie lieten niet lang op zich wachten. De Bulgaarse president Petar Stojanov bood aan Bulgaarse troepen naar Macedonië te sturen – een niet al te snugger voorstel, dat trouwens door het Bulgaarse parlement niet gesteund werd. Bulgarije schonk Macedonië 100 roestige sovjettanks, waar het in het kader van ontwapeningsakkoorden met de navo sowieso van af moest. Rusland beloofde Macedonië steun en Oekraïne leverde Macedonië enkele weken later vier Russische aanvalshelikopters. Zelfs Griekenland stond aan de kant van de Macedonische regering. Last but not least vreesde de internationale gemeenschap voor de mogelijke gevolgen van een destabilisatie van Macedonië voor Kosovo – een gebied waar ze de zaken nog lang niet onder controle had. Toch werd, ondanks dringende verzoeken van de Macedonische regering, het mandaat van kfor niet uitgebreid tot peacekeeping operations in Macedonië. Volgens de Macedonische regering schoot kfor zelfs tekort in de uitvoering van het mandaat dat het wél had: de bewaking van de Kosovaars-Macedonische grens. Met name de Amerikaanse troepen in Kosovo werden ervan verdacht met de Albanese rebellen onder één hoedje te spelen. Overigens viel de Kosovaars-Macedonische grens nauwelijks te bewaken. Ze liep door het ruige Šargebergte en alleen de lokale bevolking kende alle sluipwegen. Én de ezels die ’s nachts alléén met hun vracht wapens naar de andere kant van de grens gestuurd werden. De Macedonische regering vroeg overigens niet dat kfor per se met manschappen tussenbeide zou komen, maar alleen dat ze het binnendringen van wapens en manschappen vanuit Kosovo naar Macedonië zou verhinderen en het Macedonische leger technische bijstand zou verlenen. De internationale afkeuring van het optreden van het uçkom zette het licht op groen voor een krachtdadiger Macedonisch optreden. Toen op 4 maart drie Macedonische soldaten door de rebellen gedood werden, mobiliseerde de Macedonische regering alle reservisten van de ordestrijdkrachten en een deel van de reservisten van het leger. Op 12 maart slaagden de Macedonische ordestrijdkrachten erin na een week van hevige gevechten de rebellen

226


uit Tanuševci naar Kosovo te verdrijven. De grens met Kosovo ging dicht. kfor kreeg de opdracht om meer manschappen, tanks en helikopters in te zetten om de grens aan de Kosovaarse kant te bewaken. Een contingent Amerikaanse soldaten verhinderde de naar schatting 300 uçkom-strijders vanuit Debelde de KosovaarsMacedonische grens over te steken en naar hun dorpen in Macedonië terug te keren. Daarbij vielen aan Albanese kant enkele doden. Deze ‘martelaren’ radicaliseerden de Albanese gemeenschap in Macedonië en een groeiend aantal jongelui sloot zich bij het uçkom aan. Ook de belangrijkste Albanese politici in Albanië, Kosovo en Macedonië beschouwden de acties van het uçkom als schadelijk voor de Albanese zaak. Op 12 maart verklaarde de Albanese premier Ilir Meta na een ontmoeting met Arbën Xhaferi en Ymer Ymeri dat geweld tot niets diende, maar tegelijk maande hij de Macedonische regering aan om meer begrip op te brengen voor de gerechtvaardigde eisen van de Macedonische Albanezen. De pdsh en de ppd riepen op 20 maart gezamenlijk het uçkom op om de wapens neer te leggen. Boze tongen beweerden dat de pdsh het geweld alleen maar afkeurde om haar louche deals met de vmro-dpmne niet in het gedrang te brengen. De ppd voelde zich als oppositiepartij dan weer verplicht om toch wat met het uçkom te flirten. Alleen de Kosovaarse Lëvizja Popullore e Kosovës (lpk, Volksbeweging van Kosovo), die gesticht was door Fazli Veliu, en natuurlijk de militante Albanese emigranten overal ter wereld, stonden onvoorwaardelijk achter het uçkom. Het uçkom zelf had intussen op 8 maart een eigen partij gesticht, de Partia Demokratike Kombëtare (pdk, Nationale Democratische Partij). Aan het hoofd ervan stond Kastriot Haxhirexha, een afvallige van de pdsh. Na het offensief tegen Tanuševci kwam er geen einde aan het geweld; het verplaatste zich alleen maar. Op 13 maart manifesteerden de aanhangers van regeringscoalitiepartner pdsh in Skopje voor een vreedzame en rechtvaardige oplossing van het conflict. De volgende dag protesteerden in Tetovo 5000 aanhangers van oppositiepartij ppd en van de nieuwe pdk, maar ook ontevreden pdshleden tegen de ‘Macedonische staatsterreur’. Terwijl de betoging door de stad trok, begon het uçkom de voorsteden van Tetovo te beschieten van op een heuvel in de buurt van de Kale, de oude Osmaanse vesting. Bij elk salvo boven juichte de menigte beneden; sommige manifestanten openden het vuur op de politie. In de loop

227


van de volgende weken bleef het uçkom het centrum van Tetovo beschieten. Het veroverde een zestal dorpen ten noorden van Tetovo en proclameerde die prompt tot ‘bevrijde gebieden’. Een woordvoerder van het uçkom deelde mee dat het uçkom over de nodige militaire middelen beschikte om ook andere ‘Albanese’ steden in Macedonië, waaronder Skopje, aan te vallen. Geconfronteerd met deze nieuwe uitbarsting van geweld verklaarde de internationale gemeenschap nogmaals pal te staan voor de territoriale integriteit van Macedonië, maar ze drong aan op ‘proportionate military strength’ en ontraadde het gebruik van ‘excessive violence’ – twee nogal vage begrippen. Terwijl lord Robertson, secretaris-generaal van de navo, beloofde het aantal patrouilles in de grenszone met Macedonië op te drijven en daar nog 1000 manschappen extra voor in te zetten, riep Carl Bildt, speciale vn-gezant voor de Balkan, op 16 maart de strijdende partijen op tot een vreedzame, politieke oplossing van het conflict. Die kon alleen maar het resultaat kon zijn van onderhandelingen, maar daar waren de Macedoniërs nog niet aan toe. Zij beschouwden alle toegevingen aan de Albanezen van de afgelopen tien jaar als evenveel blijken van Macedonische edelmoedigheid en gaven fel af op de Albanese ‘ondankbaarheid’. Ze wilden onder geen beding weten van een compromis met ‘terroristen’ of ‘extremisten’, zoals de Macedonische regering de uçkom-strijders steevast noemde. Elke wijziging van de status van de Albanezen in Macedonië was in hun ogen door de ‘terroristen’ afgedwongen en derhalve uit den boze. Radicale Macedoniërs drongen aan op een hardhandig militair ingrijpen om de Albanezen eens en voor altijd op hun plaats te zetten. De Macedonische regering hield evenwel het hoofd koel. Op 17 maart legde ze voor het parlement een verklaring af (die met een grote meerderheid werd goedgekeurd), waarin zij de bevolking opriep tot kalmte en kfor tot strengere controle aan de grenzen. De regering beschouwde het conflict nog steeds als ‘geïmporteerd uit Kosovo’, terwijl het grote aantal Macedonische Albanezen dat zich bij het uçkom aansloot toch duidelijk moest maken dat het conflict vooral het gevolg was van interne spanningen. Een cruciaal punt was of de regering al dan niet de noodtoestand afkondigde. Zij zat hier eens te meer tussen twee vuren. De Slavische Macedoniërs zagen in de noodtoestand een middel om efficiënter tegen het uçkom op te treden; het uçkom rekende erop dat de noodtoestand de vijandelijkheden zou doen escaleren en een

228


buitenlandse interventie naderbij zou brengen. De pdsh vreesde door met de afkondiging van de noodtoestand in te stemmen elk krediet bij de Albanese kiezers te verliezen en dreigde ermee de regering te verlaten. Dat wilden de internationale bemiddelaars tot elke prijs vermijden. Een val van de regering zou het land immers in een complete chaos storten. Uiteindelijk moest de vmro-dpmne het loodje leggen voor het verzet van de pdsh. Terwijl het parlement beraadslaagde, eisten voor het parlementsgebouw enkele duizenden heetgebakerde Macedoniërs wapens. De menigte beschuldigde het Westen ervan met zijn oproepen tot ‘gematigdheid’ in feite in de kaart van de Albanese terroristen te spelen, wat gezien de onverholen steun van de vs aan het uçk tijdens de Kosovocrisis niet eens zo vergezocht leek. De Macedoniërs konden zich niet voorstellen dat het uçkom over wapens kon beschikken en de grens met Macedonië oversteken zonder het medeweten en zelfs de medeplichtigheid van de navo. Er circuleerden zelfs geruchten dat het uçkom door een Amerikaanse privé-firma, gespecialiseerd in lokale oorlogvoering, geadviseerd en getraind werd. Hoe dan ook, de door kfor opgestarte Operation Eagle leidde in de loop van de volgende maanden tot de arrestatie van enkele honderden Albanese wapensmokkelaars en de inbeslagname van duizenden stuks wapens en munitie aan de Kosovaars-Macedonische grens. Overigens kwamen ook via Albanië wapens het land binnen. De Slavische regeringspartijen waren er niet in geslaagd de noodtoestand te laten uitroepen, maar dat stond een nieuw grootscheeps offensief tegen het uçkom niet in de weg. Naar verluidt was ook de pdsh daar niet tegen gekant. Na het verstrijken van een ultimatum kwamen de Macedonische strijdkrachten op 18 maart bij Tetovo in actie en verdreven de uçkom-strijders het Šargebergte over naar Kosovo en naar het uiterste noordoosten van Macedonië. Op 22 maart deed zich in Tetovo een incident voor dat veel opschudding wekte, omdat het door een tv-ploeg gefilmd werd. Twee Albanezen, vader en zoon, werden door de Macedonische politie neergeschoten. Volgens de Albanezen ging het om argeloze voorbijgangers; volgens de Macedonische politie wilden beiden een politiebureau aanvallen. De voorbijgangers bleken in het bezit te zijn van handgranaten, maar die droegen ze volgens Albanese woordvoerders enkel bij zich om zich tegen de politie te beschermen. Het incident wekte grote verontwaardiging onder de Albanese bevolking.

229


Op 28 maart werd een tweede offensief gelanceerd in Crna Gora, het gebergte ten noorden van Skopje.31 Hoewel Carla Del Ponte, hoofdaanklager op het International Criminal Tribune for Yugoslavia (icty) in Den Haag, al op 21 maart gedreigd had het optreden van de Macedonische ordestrijdkrachten nauwgezet in het oog te houden en oorlogsmisdadigers te zullen vervolgen, werd bij dit offensief – volgens Albanese bronnen – ‘excessief geweld’ niet geschuwd: er vielen civiele slachtoffers, huizen werden in brand gestoken, vrouwen en kinderen mishandeld. De Macedonische regering ging ervan uit dat na afloop van deze operatie de Albanese rebellie definitief de kop was ingedrukt. De grens met Kosovo ging weer open; er volgden massale arrestaties van echte en vermeende terroristen – een twintigtal volgens Macedonische bronnen, meer dan honderd ‘willekeurige’ arrestaties volgens Albanese bronnen. Toch was het uçkom erin geslaagd om een klein gebied in het noordwesten van het land onder controle te houden. Het beweerde dat het de lokale Albanese bevolking wilde beschermen tegen de ‘terreur’ van de ordestrijdkrachten. De Macedonische strijdkrachten, die slechts over beperkte middelen beschikten, waren niet in staat deze gebieden te veroveren of onthielden zich van pogingen daartoe onder druk van het Westen. Hoe dan ook voelde de Macedonische regering zich na de militaire operatie van einde maart sterk genoeg om onderhandelingen met de ‘terroristen’ te blijven weigeren. Tegelijk besefte ze dat hoe langer de vijandelijkheden duurden en hoe meer Albanese slachtoffers er vielen, hoe meer geradicaliseerde Albanese jongelui zich bij het uçkom zouden aansluiten. Het uçkom was zich daarvan bewust, maar gaf zich ook rekenschap van de internationale afkeer tegen zijn optreden. uçkomleider Ali Ahmeti distantieerde zich steeds nadrukkelijker van alle ‘Groot-Albanese’ ambities en onderstreepte enkel op te komen voor de rechten waarvoor de Albanezen al tien jaar vergeefs vreedzaam geijverd hadden: de erkenning van de Albanezen als constituerende natie in Macedonië, de toekenning van de status van officiële taal aan het Albanees, rechtvaardige proportionele vertegenwoordiging van Albanezen in openbare functies en dergelijke. Met deze ‘redelijke’ eisen slaagde hij erin de internationale gemeenschap voor zich te winnen en zover te krijgen dat ze druk ging uitoefenen op de Macedonische regering om met het uçkom te onderhandelen. Verzet tegen onderhandelingen werd bestempeld als een uiting van

230


koppigheid en onredelijkheid. Kosovaarse politici suggereerden al einde maart dat de Macedonische regering op een of andere manier met het uçkom overleg moest plegen; Colin Powell, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lord Robertson en Javier Solana volgden enkele dagen later. Het uçkom stelde voor dat het overleg gebeurde met zijn ‘politieke vleugel’, de pdk, maar daar wilde de Macedonische regering helemáál niet van horen. De meest aanvaardbare gesprekspartner en bemiddelaar bleek Arbën Xhaferi. Hij – en de meeste mensen binnen de pdsh – verkozen nog steeds een regeringsvorm, gebaseerd op ‘consensual democracy’ en ‘joint decision-making’. Ze wilden wel de erkenning van de Albanezen als ‘constituerende natie’ met alle bijbehorende rechten, maar geen territoriale autonomie. Bovendien maakte Xhaferi’s partij, de pdsh, deel uit van de regeringscoalitie. Ook degenen, die hun diensten aanboden als internationale bemiddelaars, wilden het liefst met Xhaferi zaken doen. Die internationale bemiddelaars stelden het lijstje van Albanese eisen ook wat bij: het probleem van de omstreden erkenning van de Albanezen als constituerende natie wilden ze omzeilen door Macedonië te definiëren als een ‘staat van burgers’, en niet van twee (of meer) ‘naties’, en om het delicate punt van de territoriale autonomie uit de weg te gaan insisteerden ze op een toename van de lokale (gemeentelijke) autonomie. De bemiddelaars vonden ook dat er nog maar eens een volkstelling georganiseerd moest worden, omdat ook die van 1994 niet zou kloppen. Begin april bracht een aantal eu-ministers een bezoek aan Skopje om de ondertekening van het Association and Stabilisation Agreement tussen Macedonië en de eu op 9 april in Luxemburg voor te bereiden. Dit akkoord moest op (zeer) lange termijn de weg effenen naar toetreding van Macedonië tot de eu: Macedonië zou de Europese regelgeving invoeren, met name wat de interne markt betrof, bestuurlijke hervormingen doorvoeren, de mensenrechten respecteren en dergelijke; in ruil kregen Macedonische producten toegang tot de Europese markt. Macedonië was het eerste en tegelijk minst voorbereide land dat een dergelijk akkoord aangeboden kreeg. Het was bedoeld om het geschonden Macedonische vertrouwen in de eu te herstellen en het land toegankelijker te maken voor westerse diplomatieke initiatieven. De Europese vertegenwoordigers drongen tijdens hun bezoek nogmaals aan op overleg tussen Slavische Macedoniërs en Albanezen. President Trajkovski stelde

231


voor om de eisen van de Albanezen te bespreken in een zogenaamd Europa Comité, een commissie van experts uit alle partijen. Een federalisering van de staat, in de vorm van toekenning van territoriale autonomie, bleef voor Trajkovski en de andere Macedonische politici echter absoluut onbespreekbaar omdat, zoals Trajkovski terecht poneerde, ‘de ervaringen van het laatste decennium geleerd hebben dat de roep om federalisering in feite alleen maar het streven naar een etnisch zuivere staat maskeert’. Veel Albanese politici bestempelden het hele initiatief in dat geval als een manier om de zaken op de lange baan te schuiven. Zij voelden zich sowieso wat opgelaten omdat de vertegenwoordigers van de eu veel aspecten van het conflict als ‘Macedonische interne aangelegenheden’ beschouwden. Ze trokken zich op aan de verwachting dat Macedonië nooit tot de eu kon toetreden zolang de ‘Albanese kwestie’ niet volgens de ‘Europese normen’ geregeld was. Vertegenwoordigers van de pdsh waren aanwezig op de plechtigheid in Luxemburg; de ppd bleef weg. De Europese diplomaten maakten zich ondertussen ongerust over het gebrek aan belangstelling van de nieuwe Amerikaanse regering van George W. Bush voor Macedonië. Ze gingen er met reden vanuit dat de vs bij Macedoniërs en Albanezen zwaarder woog dan de eu. Op 12 april beloofde Powell weliswaar ‘Amerikaanse steun’, maar waarin die precies zou bestaan, liet hij in het midden. Met het oog op de nu stilaan onafwendbaar geworden onderhandelingen leek het de Macedonische regering het verstandigst om in eerste instantie een regering van nationale eenheid samen te stellen door de coalitie uit te breiden met de sdsm en de ppd. De sdsm had daar al eerder op aangedrongen, maar de vmro-dpmne had de boot afgehouden. Half april bleek de toetreding van de sdsm tot de coalitie voor de vmro-dpmne een geschikte manier om de druk van de pdsh op de besluitvorming te verminderen. De ppd oordeelde het, onder druk van haar zusterpartijen in Albanië en Kosovo en van de internationale gemeenschap, verstandiger om af te zien van haar besmuikte sympathie voor het uçkom. De verantwoordelijkheid voor een eventuele – onder de Macedoniërs bijzonder onpopulaire – herziening van de Grondwet zou door de twee grootste Macedonische partijen samen gedragen worden; op dezelfde manier zouden de grootse twee Albanese partijen delen in de ‘schande’ van mogelijke concessies bij een compromis. Er bestond ook nog een technische reden voor een uitbreiding van de coalitie:

232


grondwetswijzigingen moesten met een tweederde meerderheid gestemd worden, en die was met de oude coalitie niet haalbaar. Op 28 april doodde het uçkom acht Macedonische reservisten en verwondde enkele anderen in een hinderlaag. De soldaten waren uitgestuurd om landmijnen te verwijderen. Naar aanleiding van de begrafenis van de omgekomen soldaten braken er op 30 april gewelddadige incidenten uit in Bitola, de woonplaats van vier van de slachtoffers. (In Bitola hadden Albanezen en Macedoniërs tamelijk probleemloos samengeleefd; er kwam zelfs een relatief groot aantal gemengde huwelijken voor.) Een veertigtal Albanese winkels en koffiehuizen werden aangevallen – naar verluidt door bendes uit Skopje. In Skopje bestormden woedende Macedoniërs een koffiehuis waar Albanese politici elkaar plachten te ontmoeten. Er viel één dode. De politie reageerde terughoudend. Op 3 mei werden opnieuw twee Macedonische soldaten in een hinderlaag doodgeschoten. Ook dit keer bewaarde de Macedonische politie haar zelfbeheersing. Zelfs toen het uçkom Vaksince, Slupčane, Lojane, Lipkovo en andere dorpen rond Kumanovo ‘bevrijdde’, de Slavische bevolking (Macedoniërs en Serven) verdreef en de streek tot ‘autonoom gebied van Karadak’ uitriep, grepen de ordestrijdkrachten in eerste instantie niet massaal in. In Vejce maakten de Albanese rebellen zeven Macedonische soldaten en één lid van de ordestrijdkrachten af. Toen hun lijken op 1 mei gevonden werden, bleken de slachtoffers gemarteld te zijn; sommigen waren levend verbrand; een aantal lichamen was in stukken gesneden. Het uçkom beweerde dat het de Albanese civiele bevolking wilde beschermen tegen de Macedonische strijdkrachten en met zijn acties de Macedonische regering wilde aanmanen onverwijld met onderhandelingen te beginnen. Waarschijnlijker is dat het alsnog probeerde de strategie die in Kosovo met succes bekroond was – het provoceren van de strijdkrachten tot het gebruik van ‘excessief geweld’ – alsnog ook in Macedonië toe te passen. President Trajkovski had op 2 mei een ontmoeting met Bush en Powell in Washington en zou ongetwijfeld vragen om Amerikaanse steun voor het standpunt en de aanpak van de Macedonische regering. Het gebruik van ‘excessief geweld’ kon de Amerikanen ontstemmen en roet in het eten strooien. De Macedonische strijdkrachten lieten zich niet in de val lokken. In de weken voorafgaand aan het bezoek van Trajkovski aan Washington had het State Department onder de Macedonische be-

233


volking (Slavische en Albanese) een opiniepeiling laten uitvoeren. Daaruit bleek dat een overweldigende meerderheid van zowel Slavische als Albanese Macedoniërs wilde dat de territoriale integriteit van de Republiek Macedonië behouden bleef (resp. 99 en 87 procent). Eenenzeventig procent van de Albanezen verkoos in een multi-etnische Macedonische staat te leven; slechts 13 procent zag meer in een Groot-Albanië. Tegelijk stond 69 procent van de Albanezen achter de acties van het uçkom. Van de Albanezen was 98 procent voorstander van de erkenning van de Albanezen als ‘constituerende natie’ in Macedonië en 98 procent van de erkenning van het Albanees als tweede interne officiële taal. Ongeveer dezelfde percentages van de ondervraagde Macedoniërs (respectievelijk 96 en 97 procent) was daartegen gekant. Er kwamen ook interessante regionale verschillen aan het licht. In Kumanovo, waar eerder gevechten uitgebroken waren tussen het uçkom en de Macedonische ordestrijdkrachten, bleken veel meer mensen gewonnen voor een Groot-Albanië, terwijl in de streek van Bitola, die wat geïsoleerd lag van de Albanese etnische gebieden langs de Albanese en Kosovaarse grens, de sympathie voor de Groot-Albanese idee en zelfs voor het uçkom veel geringer was (iwpr 250, 25.05.2001). Trajkovski’s bezoek aan de vs wierp vruchten af. De vs, die zich tot dan toe nogal op de achtergrond gehouden had, ging van dan af een wat actievere Macedonië-politiek voeren. Het State Department veroordeelde de geweldplegingen van het uçkom expliciet en beloofde een half miljoen dollar ter beschikking te stellen voor de opleiding van Albanese politieagenten.32 De Amerikaanse houding gaf de Macedonische regering bovendien enige ruimte om de ‘terroristen’ harder aan te pakken. Al op 4 mei probeerden de Macedonische ordestrijdkrachten met inzet van zware artillerie, tanks en helikopters de Albanese rebellie in de streek van Kumanovo te breken. De dorpelingen werden vooraf aangespoord om hun huizen te verlaten, maar volgens rapporten van de ovse en het Rode Kruis verhinderde het uçkom de boeren dikwijls dat te doen; het gebruikte ze als levend schild of legde het eropaan het Macedonische leger ‘civiele slachtoffers’ te laten maken. De Macedonische strijdkrachten hadden ongetwijfeld het vaste voornemen de ‘terroristen’ en hun handlangers fysiek te liquideren en erg nauw zagen ze daarbij niet (zo doodden ze in Slupčane in één keer zes leden van de Zyberi-clan), maar ze waren niet gebaat bij slachtoffers onder de burgerbevolking: die deden het uçkom alleen maar nog sneller

234


aangroeien en verminderden het krediet dat de Macedonische regering in het buitenland nog had. Bij de aanvallen rond Kumanovo vielen er, volgens Albanese bronnen, acht doden en vijftig gewonden. Die bron maakte ook melding van allerhande wreedheden. Huizen van dorpelingen die ervan verdacht werden met het uçkom te heulen, werden platgebrand, naar verluidt soms met de bewoners erin. Ook lieten Macedonische en Servische burgers hun woede jegens de Albanezen de vrije loop. Albanese vluchtelingen stroomden Kosovo binnen. De gevechten zouden nog wekenlang voortduren, vooral in en rond Slupčane en Vaksince, waar nog meer doden en gewonden vielen, eveneens onder de Macedonische reservisten. Ook in Noordwest-Macedonië laaiden de gevechten weer op. Het dorp Runica werd op 21 mei met artillerievuur bestookt. Volgens Human Right Watch werden de inwoners geterroriseerd en vijftig huizen en de moskee met opzet in brand gestoken. Het Macedonische ministerie van Binnenlandse Zaken beschuldigde het uçkom ervan het vuur te hebben aangestoken. In het licht van deze gebeurtenissen was de vorming van een brede coalitieregering meer dan ooit een dringende noodzaak. Solana, Robertson en de Amerikaanse senior diplomat Robert Frowick oefenden persoonlijk druk uit om de Macedonische en Albanese politici tot een politiek akkoord te bewegen. Vooral de – overigens begrijpelijke – aandrift van premier Georgievski om de noodtoestand uit te roepen, strooide herhaaldelijk roet in het eten; de Albanese partijen haakten dan meteen af. Toen sdsm-voorzitter Crvenkovski dreigde met straatgeweld, ging Georgievski alsnog door de knieën. Op 14 mei werd een nieuwe coalitieregering gevormd met de vmro-dpmne, de pdsh en de lpm, die ook al in de vroegere regering zetelden, én de sdsm en de ppd. Ljubčo Georgievski bleef premier. De vmro-dpmne behield Binnenlandse Zaken, dat ook over de ordestrijdkrachten ging; de sdsm kreeg Defensie en Buitenlandse Zaken; de pdsh Lokaal Zelfbestuur en de ppd Justitie. Hoewel het land zich op de rand van een regelrechte burgeroorlog bevond, sleepte het touwtrekken om de ministerportefeuilles weken aan. Op aandringen van de sdsm werd ook afgesproken vervroegde parlementsverkiezingen te houden – niet later dan 27 januari 2002, achttien maanden voor tijd. Het vooruitzicht van vervroegde verkiezingen drukte een stempel op het beleid van de vmro-dpmne, die haar radicaal-nationalistische kiezers wilde terugwinnen door middel van krijgshaftige taal. Met name premier

235


Georgievski en zijn minister van Binnenlandse Zaken Ljube Boškovski blonken daarin uit. Boškovski (1960), eigenaar van een keten van snoepwinkels in Kroatië, had in de jaren negentig in de Krajina meegevochten tegen de Serven ‘voor de vrijheid van Macedonië’. Hij was bevriend geweest met de (inmiddels overleden) Kroatische minister van Defensie Gojko Šušak, een extreem-nationalistische intimus van president Tuéman, en met de Kosovaarse krijgsheer Agim Ceku, die in de zomer van 1995 meegewerkt had om ca. 200.000 Serven uit Kroatië te verdrijven. Deze laatste vriendschap placht Boškovski na het uitbreken van het gewapende conflict met de Albanezen in Macedonië te loochenen. De onder de Macedoniërs zeer populaire Boškovski was een ‘havik’ en wilde het liefst gewapenderhand met de Albanezen afrekenen. Er ontstonden algauw spanningen tussen de gematigde minister van Defensie Vlado Bučkovski, sdsm, die een politieke oplossing voorstond, en Boškovski, vmro-dpmne. De belangrijkste taak van de nieuwe coalitie was een vreedzame uitweg uit de crisis te zoeken. Er bestond een afspraak tussen de diverse partijen om het uçkom niet bij het overleg te betrekken. Dat was een begrijpelijk, misschien zelfs moreel verantwoord, maar niet erg realistisch uitgangspunt. Immers, het resultaat van dat overleg binnen de nieuwe coalitie moest ook bij het uçkom in de smaak vallen. Het was slimmer het uçkom maar meteen bij het overleg te betrekken dan het na afloop met de wapens een oordeel te laten vellen. De vs forceerden de doorbraak. Door toedoen van dezelfde Robert Frowick, die optrad als initiatiefnemer en/of bemiddelaar, sloten de pdsh en de ppd op 22 mei in Prizren in Kosovo in wat obscure omstandigheden een ‘geheim’ akkoord met het uçkom in de persoon van Ali Ahmeti. Het akkoord, dat de ambassade van de vs in Skopje ‘totaal onaanvaardbaar’ noemde, werd op 24 mei in diezelfde ambassade van de vs aan westerse diplomaten voorgesteld. Het Akkoord van Prizren omvatte een staakt-het-vuren, in ruil voor amnestie, en gaf het uçkom de facto het recht om via de vertegenwoordigers van de pdsh en de ppd het vetorecht uit te oefenen bij beslissingen die de rechten van de Albanezen aangingen, tijdens onderhandelingen of in het parlement. Het uçkom beloofde de territoriale integriteit van de Republiek Macedonië te respecteren en niet te ijveren voor de federalisering van de staat, maar het bleef wel aandringen op de inwilliging van de fundamentele Albanese eisen. Ten slotte werd bepaald dat de uçkom-strij-

236


ders zouden opgenomen worden in de – nog te organiseren – ordestrijdkrachten in het overwegend Albanese deel van Macedonië. Trajkovski en Georgievski protesteerden furieus tegen de afspraken die de Albanese coalitiepartners met de ‘terroristen’ gemaakt hadden, maar al snel bleek dat zij minstens op de hoogte waren geweest van het initiatief. Hun verontwaardiging was vooral bedoeld om de getergde Slavisch-Macedonische kiezers te bedaren. De felle verontwaardiging van de eu-diplomaten was vermoedelijk gemeend, want zij wisten blijkbaar écht van toeten noch blazen. Hún kwaadheid verzachtte enigszins het gezichtsverlies dat de Macedonische regering geleden had. Frowick werd persona non grata verklaard en keerde terug naar Washington. Het resultaat van de hele vertoning was dat het uçkom voortaan een rol kon spelen als politieke, en niet enkel als militaire factor. Het zou, aan Albanese kant, het laatste woord hebben, en via de pdsh en de ppd feitelijk deelnemen aan de regering. Alsof al deze commotie niet volstond, publiceerde Večer (Avond, een belangrijke Macedonische krant) op 30 mei het door wanhoop of waanzin ingefluisterde voorstel van Georgi Efremov, de voorzitter van de Macedonische Academie voor Wetenschappen en Kunsten, om de crisis op te lossen door middel van een vreedzame ruil van territoria en bevolkingen tussen Macedonië en Albanië. Niet alleen de Slavische, maar ook de Albanese Macedoniërs, inclusief de woordvoerders van het uçkom, en uiteraard de integrale internationale gemeenschap verwierpen dit voorstel resoluut. Alleen Georgievski en parlementsvoorzitter Andov moesten er even over nadenken. In de loop van de dagen, volgend op de bekendmaking van het Akkoord van Prizren, oefenden westerse diplomaten, hoge eu-ambtenaren en vertegenwoordigers van de navo grote druk uit op weerspannige Macedonische politici om in te stemmen met onderhandelingen. Premier Georgievski baarde nogmaals veel opzien door plotsklaps voor te stellen de Albanezen als constituerende natie en het Albanees als tweede officiële taal te erkennen. Dat was veel meer dan gevraagd werd. Zijn potsierlijke inschikkelijkheid was vermoedelijk veeleer bedoeld als een ironisch commentaar op de positie waarin de Macedonische betrokkenen zich door het westerse gedram gemanoeuvreerd voelden. De westerse diplomaten waren intussen al druk bezig met de concrete uitwerking van het akkoord, in overleg met coulante Macedonische politici als president

237


Trajkovski. De Macedonische ordestrijdkrachten zouden hun huidige stellingen blijven innemen, maar verdere operaties staken. De uçkom-strijders zouden amnestie krijgen, indien ze niet verdacht werden van oorlogsmisdaden; ze zouden hun wapens inleveren bij de navo; de hele operatie zou onder toezicht staan van de ovse en het Rode Kruis. Vervolgens zouden besprekingen beginnen over een grondwetswijziging. Op initiatief van de Servische vice-premier Nebojša Čović, die onderhandeld had met de Albanese rebellen in de Preševovallei, en de Griekse ambassadeur in Skopje, kwam president Trajkovski begin juni met een plan, dat meteen de steun kreeg van de westerse bemiddelaars. Het omvatte vijf fases, die binnen vijfenveertig dagen achter de rug moesten zijn: de vorming van speciale anti-terroristische eenheden door het samenvoegen van eenheden van het leger en de ordestrijdkrachten onder één bevelvoerder van het leger; de terroristen ‘isoleren’ (omsingelen); een eenzijdig staakt-hetvuren uitroepen; de rebellen ontwapenen met behulp van de navo; de terugtrekking van de Macedonische strijdkrachten in hun kazernes en de afkondiging van een algemene amnestie voor de rebellen (iwpr 255, 13.06.2001). De westerse bemiddelaars vonden het plan geschikt en in grote lijnen is het in de loop van de volgende maanden ook uitgevoerd. Ondertussen gingen, ondanks het Akkoord van Prizren, de operaties van het uçkom gewoon door. Het werd algauw duidelijk dat Ali Ahmeti niet gesproken had in naam van het héle uçkom. Een deel van het uçkom, en misschien ook wel een aantal leidende figuren, bleef aanslagen als het geëigende middel beschouwen om de Macedonische regering onder druk te zetten. De extremisten bleven waarschijnlijk hopen het conflict alsnog te doen escaleren. De Macedonische ordestrijdkrachten van hun kant gingen door te proberen de uçkom-strijders uit hun ‘nesten’ te verdrijven. Op 5 juni brachten uçkom-strijders in de buurt van Tetovo nogmaals vijf Macedonische politieagenten vanuit een hinderlaag om het leven. Van 6 tot 14 juni zetten ze Kumanovo zonder drinkwater door de bevoorrading vanuit het meer van Lipkovo af te snijden. Op 11 juni zetten ze de aanval in op het dorp Matejče. Een tiental dorpen kwamen weer onder de controle van het uçkom; weer vluchtten Albanese vrouwen en kinderen naar Kosovo uit angst voor de Macedonische represailles. De Macedonische en Albanese coalitiepartners binnen de rege-

238


ring zochten inmiddels naar een politieke oplossing, maar echt vlotten deden de gesprekken niet. Voor de Macedoniërs wilden de Albanezen, die refereerden aan het Akkoord van Prizren, te veel; voor de Albanezen waren de Macedoniërs te weinig toegeeflijk. De eu verklaarde op 16 juni dat ze vóór 25 juni vooruitgang wilde zien; anders greep Macedonië naast 64 miljoen dollar financiële steun. Het ultimatum was slecht getimed. Het uçkom was op 9 juni een grootscheeps offensief begonnen tegen Aračinovo. Dit plaatsje ten oosten van Skopje werd hoofdzakelijk bewoond door Albanezen die de afgelopen twintig jaar uit Kosovo geïmmigreerd waren en stond bekend als een draaischijf(je) van illegale handel en drugssmokkel. Omdat de Macedonische strijdkrachten daar geen offensief verwacht hadden, ondervonden de rebellen geen noemenswaardig verzet. Het offensief werd door de Macedonische woordvoerders uitgelegd als een antwoord op de aanwezigheid van het Joegoslavische leger in sector B van de Ground Safety Zone sinds 24 mei en de ondertekening op 30 mei van een JoegoslavischMacedonisch akkoord over de bestrijding van terrorisme en drugs-, wapen- en mensenhandel. Waarschijnlijker ging het om de zoveelste poging van het uçkom of van een radicale vleugel binnen het uçkom om het conflict te internationaliseren. Aračinovo bevond zich namelijk vlak bij de Macedonische nationale luchthaven Petrovac, waarvan ook kfor druk gebruik maakte, en in de omgeving van de grote olieraffinaderij okta, die eigendom was van een Griekse firma. Diverse luchtvaartmaatschappijen staakten hun vluchten op Skopje of lieten hun toestellen landen in Ohrid. Het uçkom was in staat vanuit Aračinovo de voorsteden en de buitenwijken van Skopje te beschieten. Enkele duizenden Albanezen en Slavische Macedoniërs namen de vlucht; anderen begonnen te hamsteren. Het aantal Albanese vluchtelingen dat naar Kosovo trok liep, mede als gevolg van gevechten elders in het land, op tot 4000 per dag. Eind juni bevonden er zich in Kosovo volgens cijfers van het unhcr 65.000 Albanese vluchtelingen en in Macedonië zelf 35.000 ‘internally displaced persons’ (iwpr 261, 04.07.2001). De Macedonische kerk, die nog op 13 juni in Morges in Zwitserland samen met de vertegenwoordigers van de islamitische, de katholieke en andere religieuze gemeenschappen in Macedonië een gezamenlijke vredesoproep ondertekend had, fulmineerde op 21 juni tegen de Albanese moslims, niet alleen om Aračinovo, maar ook omdat hun vertegenwoordigers erop aanstuurden dat Artikel

239


19 van de Grondwet, waarin sprake was van ‘de Macedonische Orthodoxe Kerk en andere religieuze gemeenschappen’, op zo’n manier gewijzigd werd dat ofwel de Macedonische Orthodoxe Kerk niet langer meer apart genoemd werd, ofwel álle religieuze gemeenschappen met naam genoemd werden. Voordien hadden religieuze tegenstellingen in het conflict niet zo’n belangrijke rol gespeeld; nu dreigden ze de spanning nog te vergroten. De Macedonische strijdkrachten reageerden pas op 22 juni op de Albanese bezetting van Aračinovo, maar dit keer met ongewone felheid: bij de ‘herovering’ van Aračinovo werden 400 van de 2000 huizen vernield en 1000 beschadigd – overigens voornamelijk huizen van Macedoniërs, waarin het uçkom zich naar verluidt met opzet verschanste. Het Macedonische leger zette voor het eerst ook twee gevechtshelikopters in, die het van Oekraïne gekocht had. De internationale gemeenschap vreesde dat het Macedonische optreden het prille vredesproces zou kelderen. De ppd dreigde ermee de coalitie op te blazen, terwijl bij premier Georgievski, wiens dichterlijke zenuwstelsel in de afgelopen maanden veel had moeten doorstaan, de stoppen helemaal leken door te slaan. Met zijn agressieve taal aan het adres van de Albanezen maakte hij de zaken nog erger dan ze al waren. Solana repte zich naar Skopje om de brand te blussen. Op 25 juni stemde Georgievski in met een staakt-het-vuren. Er werd een akkoord bereikt over de ontzetting van de 350 uçkom-strijders, die door de Macedonische strijdkrachten omsingeld waren: ze werden de volgende dag door Amerikaanse troepen samen met hun wapens in vijf kfor-bussen overgebracht naar het gebied van Lipkovo ten noorden van Aračinovo – een gebied dat door de uçkom gecontroleerd werd. Als rechtvaardiging voor zijn instemming met deze gang van zaken verklaarde Georgievski dat het verzet van de uçkom-strijders in Aračinovo alleen ten koste van grote verliezen in een tien dagen durende veldslag had kunnen gebroken worden. Die prijs leek hem te hoog. Bovendien had Solana beloofd dat de eu en vooral de navo een grotere rol zouden spelen bij de implementatie van een politiek akkoord, meer bepaald bij de ontwapening van de uçkom-strijders. Later oordeelden commentatoren dat de Amerikanen tot elke prijs wilden vermijden dat het Macedonische leger de rebellen uitschakelde. Immers, mocht Georgievski in de waan verkeren dat een militaire oplossing binnen het bereik van de mogelijkheden van het Macedonische leger lag, dan

240


zou een onderhandelde politieke oplossing geen schijn van kans meer hebben. De ‘vrije terugtocht voor moordenaars’ deed de Slavische Macedoniërs echter het laatste greintje vertrouwen in het Westen verliezen. De Amerikanen hadden hun een overwinning ‘ontstolen’. Een verontwaardigde menigte bestormde het parlementsgebouw. Naar verluidt werd ze heimelijk aangemoedigd door radicale elementen in de vmro-dpmne, onder wie Boškovski. Toch probeerde het Westen ook druk uit te oefenen op de Albanese rebellen. Zo werden op 27 juni met een Executive Order van Bush alle bankrekeningen van personen, verdacht van steun aan ‘extremistisch geweld in de Voormalige Joegoslavische Republiek van Macedonië’ bevroren. Op de lijst met de namen van zulke personen kwamen ook die van Fazli Veliu en Ali Ahmeti voor. Met Ali Ahmeti pleegden de Amerikanen ondertussen al druk overleg … De verontruste Lord Robertson bestempelde op 25 juni op een speciale ontmoeting van de eu-ministers van Buitenlandse Zaken in Luxemburg Macedonië als een land ‘op de rand van de burgeroorlog’ en riep dringend op tot een nieuw diplomatiek initiatief van de eu en de vs. De Macedonische politici stonden, nu ze elke illusie over een militaire overwinning verloren hadden, meer open voor westerse initiatieven. De zaken kwamen in een stroomversnelling. Tegen einde juni arriveerden in Skopje drie nieuwe bemiddelaars. De Fransman Robert Badinter, deskundige institutioneel recht, is voor ons geen onbekende meer: hij gaf in 1991-1992 juridisch advies aan de eu toen die zich beraadde over de erkenning van de nieuwe ex-Joegoslavische republieken. Voor zulk juridisch advies was hij ook nu weer ingehuurd. Badinters landgenoot François Léotard, voormalig minister van Defensie, speelde als vertegenwoordiger van de eu in Macedonië een prominentere rol. De sleutelfiguur was ongetwijfeld de Amerikaanse speciale gezant James Pardew. Zijn invloed was bijzonder groot, nadat Bush op 27 juni had verklaard dat de vs wellicht toch troepen naar Macedonië zou sturen. Op 5 juli slaagden de heren erin de strijdende partijen een nieuw staakt-het-vuren te laten ondertekenen, dat de volgende dag inging. Op 9 juli startten in Skopje de gesprekken tussen de Albanese regeringspartijen over een politiek akkoord, onder leiding van president Trajkovski en ‘onder toezicht’ van Pardew en Léotard. Erg vlot verliepen de besprekingen nog steeds niet. De International Crisis Group – een internationale think-tank zonder legale macht, maar met een – soms buitensporig – grote invloed, en de Russische president Putin moesten bijspringen. 241


Terwijl de onderhandelingen voortstrompelden en ondanks het staakt-het-vuren van 5 juli gingen de gevechten gewoon door. Een nieuwe factor speelde daarbij een ongunstige rol. Het plan van president Trajkovski om een bijzondere anti-terreureenheid te creëren door samenvoeging van leger- en politie-eenheden onder de bevoegdheid van de minister van Defensie was bij gebrek aan manschappen en middelen op niets uitgelopen. Minister Boškovski organiseerde wél zo’n anti-terreureenheid, maar dan binnen de ordestrijdkrachten, die vielen onder Binnenlandse Zaken. Ze kreeg de naam ‘De Leeuwen’ (Lavovi). Het ging om – aanvankelijk – een 150 à 200 reservisten, die een extra opleiding kregen. Volgens Boškovski was de eenheid dan ook volkomen legaal. Critici meenden evenwel dat de ‘Leeuwen’ meer weg hadden van een paramilitaire organisatie, een soort privé-militie van Boškovski. Die indruk werd versterkt door het feit dat Boškovski’s ouders in Istrië in Kroatië een hotel uitbaatten dat ook ‘De Leeuw’ heette en daar een zelfgemaakte wijn schonken met de merknaam ‘De Leeuw’. Volgens anderen vormden de ‘Leeuwen’ veeleer een soort militie van de vmrodpmne. Op de rode baretten van de ‘Leeuwen’ prijkte een badge met daarop een leeuw met twee staarten – het embleem van de partij. Niet alleen Macedoniërs, maar ook Servische, Roemeense en Oekraïense huurlingen maakten deel uit van de eenheid. Het kwalijkste was dat de ‘Leeuwen’, aangevoerd door Boškovski, allerlei operaties tegen het uçkom uitvoerden die in het kader van de vredesinspanningen van de internationale gemeenschap en van de regering buitengewoon contraproductief waren. Ongeveer één zesde van het Macedonische territorium – gebieden rond Kumanovo, ten noorden van Skopje en Tetovo – was in handen van het uçkom. Veel Albanese vluchtelingen keerden naar hun dorpen terug; andere werden door de Macedonische politie tegengehouden. Het uçkom verjoeg de Macedonische bevolking in operaties die door Macedonische woordvoerders terecht als ‘etnische zuiveringen’ bestempeld werden. In de tweede helft van juli vluchtten 35.000 Slavische Macedoniërs weg uit Tetovo en nog eens 10.000 à 15.000 uit de omliggende dorpen. Op 23 juli braken in Tetovo nieuwe gevechten uit, toen een pas opgestelde checkpoint van de Macedonische politie door uçkom-strijders beschoten werd. Het State Department verklaarde dat de Albanese agressie mede was uitgelokt door de ‘Leeuwen’. Snipers van de ‘Leeuwen’ zouden in Neprošten vanuit een hinderlaag een lid van het uçkom doodgeschoten hebben. 242


In Macedonië groeide de wrok tegen wat algemeen gezien werd als westerse vooringenomenheid. Er heerste een sfeer van woede en radeloosheid. Toen George W. Bush op 24 juli een bezoek bracht aan de Amerikaanse troepen in Kosovo, sloot Macedonië zonder enige verklaring voor een week zijn grenzen, ook voor het personeel van de talloze internationale organisaties, werkzaam in de regio (met uitzondering van kfor). Op 25 juli slaagde Peter Feith, de speciale gezant van de navo in Macedonië, erin met Ali Ahmeti in Prizren een fragiel akkoord te bereiken over een staakt-het-vuren in en om Tetovo. Het uçkom zou zich terugtrekken buiten Tetovo en het wapenstilstandsakkoord van 5 juli eerbiedigen. Drieduizend manifestanten bekogelden in Skopje westerse ambassades, kantoren van internationale organisaties en de onvermijdelijke McDonald’s met stenen. Minister van Binnenlandse Zaken Boškovski en dit keer ook zijn collega van Defensie Bučkovski dreigden ermee niet langer acht te slaan op de adviezen van de westerse bemiddelaars en in de tegenaanval te gaan, indien het uçkom zich niet voor middernacht terugtrok. Ik was die dagen net in Skopje. Onderweg had ik in de bergen de uitgebrande huizen gezien. Vanuit mijn kamer in het lege Hotel Bristol kon ik het oude station van Skopje zien en de stationstoren met de klok die was opgehouden met tikken op het moment dat de stad precies achtendertig jaar eerder, op 26 juli 1963 om 5.16 uur, door een moordende aardbeving getroffen werd. Het leek wel of in de zomer van 2001 in Skopje de tijd opnieuw stilstond. Het land leek in de situatie te verkeren die de Poolse journalist Ryszard Kapuściński zo beklijvend beschreven heeft – een toestand van gewichtloosheid, als van een bal die, in de lucht geworpen, zijn hoogste punt bereikt heeft en even onbeweeglijk blijft hangen, net vóór de val en de catastrofe. In de stad waren bommen ontploft. Vreemdelingen werd ontraden zich op straat te begeven. Sommige ambassades hadden al een deel van hun personeel naar huis gestuurd. In de verzengende zomerlucht leek iedereen te wachten op de volgende stap van het uçkom of van de Macedonische regering of van de internationale gemeenschap, waarmee de massale burgeroorlog, die de dood van duizenden burgers en het einde van de Macedonische staat met zich mee zou brengen, eindelijk zou beginnen. Op 26 juli 2001 gaven Solana en Robertson, die voor de zoveelste keer uit Brussel waren overgevlogen om de gestrande bespre-

243


kingen vlot te trekken, een persconferentie waarin ze verklaarden ‘bezorgd maar optimistisch’ te zijn: over ongeveer 95 procent van de punten bleken de onderhandelaars het eens te zijn. Ze verwachtten dan ook een politiek akkoord tussen Macedoniërs en Albanezen in een zeer nabije toekomst. President Trajkovski kondigde op 27 juli aan dat de besprekingen zouden voortgezet worden in Tetovo. Maar zó veilig was het in Tetovo ook weer niet: op 28 juli besloten de onderhandelaars hun intrek te nemen in de luxueuze regeringsresidentie Villa Biljana op de idyllische oever van het meer van Ohrid. Zelfs onder hùn voeten was de grond in Skopje te heet geworden. De laatste loodjes wogen het zwaarst. De delegaties lieten het vaak afweten, dreigden met opstappen of chanteerden de tegenpartij met het vooruitzicht op geweld. Het internationale arrestatiebevel, dat Boškovski liet uitvaardigen tegen elf vermeende ‘terroristen’, ontstemde de Albanese gesprekspartners. Toen Georgievski de kordate manier waarop Léotard en Pardew de onderhandelingen in goede banen probeerden te leiden kwalificeerde als ‘cowboystijl’, steigerden díé weer. Ook nu bleek de weifelende houding van de vs een serieuze handicap. Over een aantal punten bleek het uiteindelijk heel moeilijk tot een akkoord te komen. De Albanezen wilden per se in de Grondwet vermeld worden als constituerende natie; de Slavische Macedoniërs wilden de diverse naties eventueel wel met name noemen, als de Macedonische natie maar een speciale vermelding kreeg. De internationale bemiddelaars wilden Macedonië omschrijven als een ‘staat van burgers’, zonder etnische specificaties. Ook het gebruik van het Albanees als ‘officiële taal’ bleef tot het laatste moment taaie materie. Andere punten, zoals een faire proportionele vertegenwoordiging van Albanezen in openbare functies, lokaal zelfbestuur, ook met betrekking tot de besteding van het budget en dergelijke, stelden minder problemen. De Albanezen wilden ook dat de samenstelling van de politie in de gemeente de lokale etnische verhoudingen weerspiegelde, terwijl de Macedonische partijen van mening waren dat ze de etnische verhoudingen in het hele land moesten weerspiegelen, om te vermijden dat in Albanese gemeenten geen Macedoniërs meer als ordehandhavers zouden optreden. In verband daarmee waren er ook meningsverschillen over welke instantie politieagenten zou benoemen: de lokale of de nationale. Ook toen het al voor iedereen duidelijk was dat de onderhandelaars hun akkoord zo goed als rond hadden, bleef het geweld

244


voortduren. Aan de verdrijving van Slavische Macedoniërs uit Tetovo en de naburige dorpen kwam geen einde. Op 29 juli werd de auto van minister Boškovski zelf beschoten op de autoweg tussen Tetovo en Skopje. Op 7 augustus doodde de Macedonische politie vijf uçkom-strijders bij een razzia in Skopje: ze werden verrast in een huis, volgestouwd met wapens en munitie. Op 7 augustus kidnapten Albanese strijders vijf Macedonische arbeiders op de weg tussen Skopje en Tetovo; ze werden mishandeld en seksueel misbruikt, maar daarna weer vrijgelaten. Zulke kidnappingen hadden de hele tijd plaats. Sommige gijzelaars bleven wekenlang gevangen; andere werden afgemaakt. In de ochtend van de dag, waarop de onderhandelaars in Ohrid eindelijk het moeizaam bereikte akkoord zouden paraferen – 8 augustus – overviel een commando van het uçkom een konvooi van een veertigtal militaire voertuigen, inclusief tanks, en bracht tien soldaten en twee officieren om het leven. De aanslag werd opgeëist door het Ushtria Kombëtare Shqiptare (uksh, Albanees Nationaal Leger), een extremistisch deel van het uçkom dat van geen akkoord wilde weten. Toen premier Georgievski het nieuws vernam, weigerde hij verder elke medewerking aan het akkoord. Nadat enkele uren op hem was ingepraat gaf hij toe, maar de plechtige ondertekening, gepland op 10 augustus in Skopje, moest drie dagen uitgesteld worden. Een uur na de parafering kondigde Georgievski een groots offensief tegen het uçkom in Tetovo aan. In Prilep, waar de vermoorde soldaten vandaan kwamen, braken onlusten uit; woedende Macedoniërs staken enkele Albanese winkels en een moskee in brand. Het offensief van de Macedonische strijdkrachten leidde tot hevige gevechten in de dorpen rond Tetovo en ten noorden van Skopje. Het uçkom dreigde met een massale aanval op beide steden. Op 10 augustus werden elf Albanese strijders doodgeschoten toen ze een politiepost aanvielen. Eerder die dag waren even ten noorden van Skopje acht Macedonische soldaten omgekomen door een antitankmijn. De politie zocht de daders in en om het dorp Ljuboten, maar voerde geen acties uit tegen het dorp. Nadat echter op 12 augustus een politiepost op de weg tussen Skopje en Ljuboten aangevallen werd, voerde een eenheid van de ordestrijdkrachten, overwegend bestaande uit Macedonische reservisten afkomstig uit de naburige dorpen, een aanval op het dorp uit, waarbij in eerste instantie een oude man en een zesjarig meisje omkwamen. Wat er verder gebeurde is omstandig beschreven in een rapport van de

245


Macedonische Helsinki Watch. De gevechten duurden enkele dagen. Huizen en voertuigen werden in brand gestoken. Nog tien Albanezen kwamen om het leven: drie door het artillerievuur; zes werden in het dorp neergeschoten, en één werd naderhand op het politiebureau doodgeslagen. Vluchtende Albanezen werden door de bewoners van het naburige Slavisch-Macedonische dorpje Ljubanci teruggedreven. In de velden stuitten ze op een politiepatrouille: honderdvijftig mensen raakten gewond. Boškovski, die de operatie persoonlijk geleid had, ontkende naderhand elke Macedonische verantwoordelijkheid. Hij verklaarde dat de Albanezen een orthodoxe kerk en begraafplaats vernield hadden en onder elkaar slaags geraakt waren. Boškovski’s rol in de gebeurtenissen zou later door het icty onderzocht worden. In de dagen voor en na de plechtige ondertekening van het ‘Raamakkoord van Ohrid’ in Skopje op 13 augustus vonden achttien Macedonische soldaten en een onbekend aantal Albanezen de dood in geweldplegingen, die nergens meer toe dienden.

246


13 Het Raamakkoord van Ohrid

O

P 13 AUGUSTUS HAD IN Skopje de plechtige ondertekening

plaats van het ‘Raamakkoord (framework agreement) van Ohrid’. Prominente politieke figuren als Javier Solana, George Robertson, Mircea Gioana, voorzitter van de ovse, Louis Michel, op dat moment voorzitter van de eu, en uiteraard Pardew en Léotard onderstreepten door hun aanwezigheid het belang dat de internationale gemeenschap aan dit akkoord hechtte. De tekst van het raamakkoord bevatte een aantal afspraken – in de vorm van principeverklaringen en wetsvoorstellen, die door het parlement moesten worden omgezet in grondwetswijzigingen en nieuwe wetten. In het inleidende deel – de principeverklaringen – namen de strijdende partijen afstand van het gebruik van geweld voor de oplossing van politieke problemen, erkenden de soevereiniteit, de territoriale integriteit en het multi-etnische karakter van de Macedonische staat en onderstreepten het belang van het lokaal zelfbestuur bij de deelname van de burgers aan het democratische bestuur en bij het behoud van de identiteit van de gemeenschappen. De tekst vermeldde expliciet dat ‘er geen territoriale oplossingen bestaan voor etnische problemen’. Verwijzend naar het wapenstilstandsakkoord van 5 juli 2001 werd een ‘algemeen, onvoorwaardelijk en onbegrensd staakt-het-

247


vuren’ afgekondigd, waarna de ‘etnisch-Albanese gewapende groepen’ met de hulp van de navo ontwapend zouden worden. In het tweede deel, bestaande uit een aantal wetsvoorstellen, werd een en ander concreter uitgewerkt. In de preambule zou er enkel nog sprake zijn van de burgers van Macedonië en niet meer van naties en nationaliteiten. De bevoegdheden van de lokale bestuursorganen (gemeenteraden) werden uitgebreid en die lokale bestuursorganen kregen ook de nodige financiële autonomie om een eigen beleid te voeren. In overleg tussen het lokale en het nationale niveau en onder internationaal toezicht werden de grenzen van de gemeenten opnieuw getekend. De hoofden van de lokale politie zouden voorgedragen worden door het ministerie van Binnenlandse Zaken en verkozen door de respectieve gemeenteraden. Een aantal maatregelen garandeerde een faire vertegenwoordiging van alle gemeenschappen in openbare functies op alle niveaus. De bestaande onevenwichtigheden, vooral binnen het leger en de politiediensten, moesten weggewerkt worden. Een derde van de leden van het Grondwettelijk Hof werd verkozen door een meerderheid van de volksvertegenwoordigers in het parlement, maar tegelijk ook door ‘een meerderheid van de volksvertegenwoordigers die verklaren te behoren tot gemeenschappen die niet de meerderheid uitmaken binnen de bevolking van Macedonië’. Met deze formulering werd vermeden dat de diverse nationale gemeenschappen met name genoemd werden. De Grondwet en de Wet op het Lokale Zelfbestuur konden alleen gewijzigd worden met een gekwalificeerde meerderheid van tweederde van de stemmen, en weer met ‘een meerderheid van de volksvertegenwoordigers die verklaren te behoren tot gemeenschappen die niet de meerderheid uitmaken binnen de bevolking van Macedonië’. Dezelfde procedure was van toepassing op alle wetten die te maken hadden met cultuur, taalgebruik, onderwijs, persoonlijke documenten, het gebruik van staatssymbolen, lokale budgetten, lokale verkiezingen, de stad Skopje en de grenzen van de gemeenten. In het lager en middelbaar onderwijs werden de lessen gegeven in de moedertaal van de leerlingen, op basis van een leerprogramma dat gold voor heel Macedonië. De staat leverde de middelen voor hoger onderwijs in talen die door minstens 20 procent van de bevolking van Macedonië gesproken werden. Bij de inschrijving van nieuwe studenten aan de staatsuniversiteiten voerde de overheid

248


een beleid van positieve discriminatie ten aanzien van studenten, die niet tot de meerderheid in Macedonië behoorden. In heel Macedonië en bij de internationale communicatie bleef het Macedonisch de officiële taal, maar elke taal, gesproken door minstens 20 procent van de bevolking, was eveneens een officiële taal. Elke persoon, wonend in een gemeente waar ten minste 20 procent van de bevolking een andere officiële taal sprak dan het Macedonisch, mocht die officiële taal gebruiken om te communiceren met de ambtenaren op lokaal en op centraal niveau, en de ambtenaren moesten antwoorden in die taal én in het Macedonisch. Over het gebruik van talen, gesproken door minder dan 20 procent van de bevolking in een bepaalde gemeente, nam de gemeenteraad democratisch een beslissing. Burgers die een andere taal spraken dan Macedonisch, kregen identiteitsbewijzen in die taal én in het Macedonisch. Ze hadden bij gerechtelijke procedures recht op een tolk, die door de staat betaald werd. De lokale autoriteiten kregen het recht aan de voorgevel van openbare gebouwen symbolen aan te brengen, die de identiteit van de meerderheid van de bevolking in de gemeente aangaven. De grondwetswijzigingen, vermeld in Annex A, moesten in principe binnen een termijn van dertig dagen na de ondertekening van het Akkoord door het parlement goedgekeurd worden. De termijn, waarbinnen de wetswijzigingen, vermeld in Annex B, doorgevoerd moesten worden, werd telkens apart bepaald. Ten slotte riepen de ondertekenaars de internationale gemeenschap op een donorconferentie te organiseren met het oog op macro-financiële hulp en de bekostiging van de implementatie van het Akkoord. Annex C bevatte nog een aantal punten dat de internationale gemeenschap aanging. De ‘partijen’ nodigden de internationale gemeenschap, en in het bijzonder de eu en de Stabilization and Association Council uit om toe te zien op en bij te dragen tot de implementatie van het Akkoord. Onder meer moest de Raad van Europa en de Europese Commissie een nieuwe volkstelling superviseren. (Die was gepland voor oktober 2001, maar ging niet door.) De ovse werd uitgenodigd om monitors te sturen om toe te zien op het verloop van de parlementsverkiezingen. Alle partijen moesten ook meewerken om, met de steun van de unhcr, een spoedige terugkeer van de vluchtelingen mogelijk te maken. De partijen beloofden het nodige te doen opdat de etnische samenstelling van de politiediensten in 2004 die van de bevolking zou weerspiegelen.

249


Vóór juli 2002 zouden 500 politiemensen, behorend tot ‘gemeenschappen die niet de meerderheid uitmaken in Macedonië’, aangeworven worden en tewerkgesteld in de gebieden waar die gemeenschappen leefden. Nog 500 van die politiemensen zouden tegen juli 2003 in dienst genomen worden. Na de ondertekening van het Raamakkoord van Ohrid moesten, met inachtneming van een soort van wederkerigheid, de strijders van het uçkom binnen een termijn van dertig dagen ontwapend worden, en de grondwetswijzigingen door het parlement binnen een termijn van dertig dagen, in het slechtste geval vijfenveertig dagen, goedgekeurd worden. Dit was, gezien het wantrouwen dat tussen de betrokken partijen bestond, een buitengewoon delicate operatie. Aan de ene kant wilde Stefan Andov, de voorzitter van het parlement die de procedures had uitgewerkt en de agenda bepaalde, geen stemming over de Grondwet zolang het uçkom niet ook de gebieden van het Macedonische grondgebied die het ‘tijdelijk bezette’ aan de Macedonische autoriteiten had overgedragen en zolang het niet alle gijzelaars had vrijgelaten. Het uçkom wilde dat niet doen omdat de Albanese bevolking in die gebieden doodsbang was voor de Macedonische politie en omdat uçkom-strijders zich in die gebieden schuilhielden in afwachting van amnestie. Die amnestie was door president Trajkovski beloofd, maar de uçkomstrijders wilden haar wettelijk vastgelegd zien. Het ging om amnestie voor iedereen, die zich niet schuldig had gemaakt aan oorlogsmisdaden zoals het icty die definieerde en die zijn wapens binnen de vereiste termijn had ingeleverd. De Slavische publieke opinie in Macedonië was erg tegen de amnestie gekant. De Macedonische parlementsleden vonden het dan ook bijzonder delicaat voor een dergelijke amnestiewet te stemmen. De reactie van de meeste Macedonische politici op het Akkoord was erg afwijzend. Niet alleen de vmro-dpmne, maar ook het da van Vasil Tupurkovski was principeel tegen het Akkoord gekant. Algemeen bestond de vrees dat het Akkoord het definitieve uiteenvallen van Macedonië inluidde. Veel Macedoniërs verwachtten dat de navo-troepen zich gingen opstellen langs een soort van demarcatielijn tussen Macedoniërs en Albanezen, waardoor de Macedonische strijdkrachten geen toegang meer zouden hebben tot de ‘Albanese’ gebieden en zich al een toekomstige staatsgrens aftekende. Sommige reacties waren wel heel fel. Jordan Čerkezov van de extreem-nationalistische partij vmro-Vistinska – de ‘echte’ vmro –

250


ging in hongerstaking, en partijgenoot Jordan Boškov zou de actie van Čerkezov voortzetten wanneer ‘aan diens protest een einde kwam’. Strašo Angelovski van de maak noemde het Akkoord verraad en stelde de stichting van een Macedonische paramilitaire eenheid in het vooruitzicht, die ‘de zaken een andere wending’ zou geven. Ten slotte meldde een club die zichzelf naar de doortastende terroristische organisatie die in 1902 half Thessaloniki de lucht in blies Gemidžijas noemde, dat ze alle Macedonische politieke, militaire en religieuze leiders ter dood veroordeeld had. Een half dozijn andere groepjes beperkte zich tot het kort en klein slaan van Albanese neringen (tol 09.08.2001). Aan Albanese kant heerste een triomfantelijke stemming: minimaal brachten het Akkoord en de navo-aanwezigheid vrede en veiligheid, de garantie voor de uitvoering van de amnestiewet en een aanzienlijk betere status voor de Albanezen binnen Macedonië. Voor de meer voortvarenden opende de internationale betrokkenheid bij het conflict het perspectief op de vestiging van een soort van protectoraat over Macedonië, net als in Kosovo. De toekomstige ontwikkelingen hingen dan veel meer af van de internationale gemeenschap dan van de Macedonische regering, en dat kon voor de Macedonische Albanezen alleen maar voordelig zijn. Macedonian Force (mfor), de navo-troepen belast met Operation Essential Harvest, zoals de inzameling van de wapens van het uçkom gedoopt was, zou pas worden uitgestuurd zodra een stabiel staakt-het-vuren bereikt was. Als blijk van inschikkelijkheid had de Macedonische regering ter gelegenheid van de ondertekening van het Akkoord een eenzijdig staakt-het-vuren vanaf 12 augustus om 19.30 uur afgekondigd. De navo nam de definitieve beslissing om troepen te sturen op 22 augustus. De troepen werden gelegerd bij de luchthaven Petrovac, in Krivolak (waar reeds een tachtigtal Belgen ondergebracht waren in het kader van kfor), en in Kumanovo. mfor zou alleen de wapens inzamelen die spontaan door het uçkom overhandigd werden; het zou niet zelf achter die wapens aangaan of tussenbeide komen wanneer het staakt-het-vuren geschonden werd. Iemand merkte sarcastisch op dat de internationale gemeenschap net zo goed het Leger des Heils naar Macedonië had kunnen sturen, maar helemaal zonder risico’s was de opdracht toch niet. Met name de Macedonische bevolking stond erg vijandig tegenover de navo. Op 26 augustus verloor een Brits soldaat het leven toen een stuk beton vanaf een brug op zijn voertuig gegooid werd. 251


Een heikel punt was ook hoeveel en welke wapens het uçkom zou inleveren. Volgens Macedonische schattingen beschikten het uçkom over 8000 wapens; het uçkom zelf wilde 2000 stuks inleveren. Uiteindelijk hakte de navo de knoop door: 3300 stuks. Hoeveel wapens het uçkom precies had wist niemand en niemand kon controleren of het uçkom geen wapens achterhield. De Macedoniërs hadden weinig vertrouwen in Operation Essential Harvest. Bij wijze van ludiek protest deponeerden ze op 7 september een ‘oogst’ speelgoedrevolvers voor het parlementsgebouw. Ook toen bekend werd dat de navo 3500 manschappen zou sturen fronsten velen de wenkbrauwen: meer dan één navo-soldaat per Albanees geweer? De afkeer van de Macedoniërs jegens de navo ging zo ver dat ze als bittere grap het acroniem nato uitlegden als New Albanian Terrorist Organisation. De voorhoede van mfor arriveerde op 18 augustus. Het ging voornamelijk om Britse, Tsjechische en Griekse troepen. De klus moest bij voorkeur binnen dertig dagen geklaard zijn en mocht in geen geval langer duren dan vijfenveertig dagen. Omdat de goedkeuring van de grondwetswijzigingen parallel moest gebeuren met de inlevering van de wapens, gebeurde de inzameling volgens een bepaald schema. Operation Essential Harvest vlotte bijzonder goed: begin september was, zoals voorzien, al een derde van de 3300 wapens ingeleverd, op 20 september tweederde en op 26 september kon opperbevelhebber Gunar Lange Operation Essential Harvest afblazen. Er waren zelfs meer wapens ingeleverd dan voorzien: 3200 automatische geweren, 483 machinegeweren, 161 mortieren, 17 stuks luchtafweergeschut en 4 gepantserde voertuigen. De volgende dag maakte Ali Ahmeti de ontbinding van het uçkom officieel bekend. Het was voor iedereen duidelijk dat de navo zich op dat ogenblik niet meteen uit Macedonië kon terugtrekken: de werkzaamheden in het parlement waren nauwelijks begonnen en bijna dagelijks deden zich in het land gewelddadige incidenten voor. De Albanese politici wilden het liefst dat mfor in Macedonië bleef. De Macedonische partijen, ongerust over de uitholling van de soevereiniteit van de Macedonische staat en bevreesd dat Macedonië op den duur een soort van protectoraat zou worden, waren gekant tegen de voortzetting van de navo-aanwezigheid. Trajkovski pleitte voor een terugkeer van unpredep met een klein aantal manschappen, voldoende voor de bewaking van de Kosovaars-Macedonische grens.

252


Het Macedonische leger en de ordestrijdkrachten konden de rol van de navo overnemen, eventueel in samenwerking met de euen ovse-waarnemers. In ieder geval moest de aanwezigheid van de navo-troepen gelegitimeerd worden met een mandaat van de vn. In dat geval zouden ook niet-navo-landen troepen kunnen sturen. De navo zelf zag een taak voor zich weggelegd bij de organisatie van de (etnisch-)gemengde politiemacht en de bescherming van de eu- en ovse-monitors. Toen de eu ermee dreigde de donorconferentie niet te laten doorgaan, gaven ook de meest anti-navogezinde partijen, zoals de vmro-dpmne, hun verzet op. De nieuwe opdracht van mfor kreeg de naam Operation Amber Fox en startte begin oktober 2001. Na enig touwtrekken om het aantal manschappen en de duur van het mandaat geraakten de navo en de Macedonische regering het eens: 1000 militairen voor zes maanden. Een vn-resolutie steunde de operatie en verleende ze op die manier een internationale legitimatie. De navo-troepen kregen een dubbele taak: de bescherming van de – inmiddels al 284 – eu- en ovse-monitors en ‘confidence building’. Het belangrijkste aspect van die confidence building bestond in de organisatie van de terugkeer van de (overwegend Macedonische) vluchtelingen en van de Macedonische ordestrijdkrachten naar de ‘tijdelijk bezette’, ‘Albanese’ gebieden in Noordwest-Macedonië. Begin februari 2002 verzocht de Macedonische regering officieel om een verlenging van de opdracht van Operation Amber Fox met zes maanden. Met de ontwapening van het uçkom was aan een van de voorwaarden voor de goedkeuring van de Grondwetswijzigingen althans pro forma voldaan. Maar vele andere problemen bleven vertraging veroorzaken. De Macedonische partijen eisten vooreerst dat de Albanezen de Macedonische politie tot het hele grondgebied van Macedonië zouden toelaten. Wegblokkades maakten nog steeds tien procent van dat grondgebied ontoegankelijk, ook na de ontwapening van de uçkom-strijders en zelfs na de ontbinding van het uçkom. Lange tijd werd, samen met de navo, gewerkt aan een plan om politie-eenheden te laten patrouilleren, aanvankelijk in Macedonische dorpen, vervolgens in gemengde dorpen, en ten slotte in Albanese dorpen. Pas op 18 oktober 2001 werd daarmee begonnen. Het ging om gemengde Slavisch-Albanese patrouilles, vergezeld van eu- en ovse-waarnemers en van navo-militairen. Half december patrouilleerde de Macedonische politie ook al in enkele Albanese dorpen, nog steeds in internationaal gezelschap, en zon-

253


der de bevoegdheid arrestaties te verrichten. De hele operatie verliep vlotter dan verwacht, maar het liet zich aanzien dat het toch nog maanden zou duren voor de Macedonische politie weer op het hele grondgebied van Macedonië zou kunnen optreden. Een van de oorzaken van de weerstand van de Albanese bevolking tegen de controle van de Macedonische politie was de vrees dat voormalige uçkom-strijders, die zich in die ‘Albanese’ gebieden ophielden, gearresteerd zouden worden. Die vrees was niet ongegrond. Het Akkoord van Ohrid voorzag in amnestie voor allen, die geen oorlogsmisdaden gepleegd hadden en hun wapens binnen de vereiste termijn ingeleverd hadden. President Trajkovski had dat begin oktober bevestigd en aan een vijftigtal uçkom-strijders amnestie verleend. Naar aanleiding van de goedkeuring van de grondwetswijzigingen op 15 november 2001 kregen nog eens een tachtigtal rebellen amnestie. Maar inmiddels had de Macedonische politie ook vele tientallen arrestaties verricht en waren vijf leden van het uçkom veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. In februari 2002 waren 224 uçkom-strijders aangeklaagd en zaten er 140 in voorarrest. Ook tegen Ali Ahmeti was een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd. De Albanese politici eisten dat de amnestie wettelijk vastgelegd werd; de Macedonische volksvertegenwoordigers zagen er verschrikkelijk tegenop om voor zo’n onpopulaire amnestiewet te stemmen. Niet verwonderlijk, aangezien het icty de aanvallen op de patrouilles van het leger en de politie, waarbij vele tientallen doden gevallen waren, niet als oorlogsmisdaden beschouwde: het ging in die gevallen om ‘legitimate military targets’, wat betekende dat de Albanese daders vrijuit gingen (iwpr 234, 12.09.2001). Dat was voor de Macedonische bevolking onaanvaardbaar. Zij stond als één man achter de arrestaties en veroordelingen van Albanese ‘terroristen’. Ook hier weer moest de internationale gemeenschap druk uitoefenen. De amnestiewet werd uiteindelijk op 2 maart met een tweederde meerderheid aangenomen. Ongeveer 300 gedetineerden kwamen vrij. Er gebeurden ook veel al dan niet bloedige incidenten die keer op keer een aanleiding – of een voorwendsel – vormden om de debatten in het parlement op te schorten. Op 11 november trokken de ‘Leeuwen’, verontwaardigd over het feit dat de Macedonische ordestrijdkrachten niet in de ‘Albanese’ gebieden mochten optreden, het ‘Albanese’ dorp Neprošten binnen op zoek naar een massagraf, waarin naar verluidt de lijken van een tiental gegijzelde

254


Macedonische burgers begraven waren. Daarbij arresteerden ze zeven Albanezen. Bij wijze van wraak kidnapten Albanese strijders veertig Macedoniërs. ’s Avonds werd in de buurt van het dorpje Treboš een konvooi van de ‘Leeuwen’ aangevallen; drie ‘Leeuwen’ kwamen om het leven. Aan de Albanese kant waren er het uksh en enkele andere obscure paramilitaire formaties, die de strijd voor een Groot-Albanië beweerden voort te zetten. In de loop van de maanden, volgend op het Akkoord van Ohrid, vermoordde het uksh een twintigtal Macedonische politiemensen (en enkele Servische in Zuid-Servië). Ze beschouwden de Kosovaarse en de Macedonisch-Albanese politieke leiders, inclusief Ahmeti, als verrader s en beloofden ook hen om te brengen. Einde maart kwam het in Mala Rečica tot een vuurgevecht tussen strijders van het uksh en van het (ontbonden) uçkom. De Macedonische en Albanese paramilitaire organisaties vormden een ernstige bedreiging voor het vredesproces. Op 20 augustus werd de 14e-eeuwse kloosterkerk in Lešok, in ‘Albanees’ gebied, vernield; Albanese woordvoerders ontkenden elke betrokkenheid. In september-oktober 2001 ontploften in Skopje, Tetovo en Kumanovo een twintigtal bommen, vooral in de Albanese wijken, maar ook in de Slavische. Het werk van de ‘Leeuwen’ en het uksh? Op 3 oktober ontplofte een bom in de auto van Zahir Xhaferi, vice-voorzitter van de ppd, net toen hij voorbij de kantoren van de (Macedonisch-nationalistische) krant Nova Makedonija reed. Een aanslag op Zahir Xhaferi? Een (zelfmoord)aanslag op de kantoren van de krant? Een bom die voortijdig ontploft was? Op 13 februari werden één man gedood en één gewond bij een zware explosie in het Albanese bolwerk Aračinovo. Ten slotte hing ook de schaduw van echte of vermeende massagraven – in Džepčište, Neprošten, Ljuboten, Treboš en op andere plaatsen – en van eventuele onderzoeken naar oorlogsmisdaden – in Vejce en Ljuboten – over de politieke ontwikkelingen. De mogelijkheid dat de populaire Boškovski aan het icty zou moeten uitgeleverd worden, bracht op 26 april duizenden verontwaardigde Macedoniërs op straat. Terwijl de Macedonische politici het uitblijven van de goedkeuring van de grondwetswijzigingen toeschreven aan de Albanese weigering de bezette gebieden te ontruimen en aan de moordaanslagen, gingen de buitenlandse bemiddelaars ervan uit dat de ongeregeldheden bleven duren, precies omdat die goedkeuring uitbleef.

255


Ze zetten de Macedonische en sommige Albanese volksvertegenwoordigers bijna permanent onder druk om met de implementatie van het Akkoord van Ohrid haast te maken. De debatten begonnen pas op 31 augustus, toen zekerheid bestond dat de ontwapening van de uçkom-strijders volgens plan verliep. Vervolgens werd zowat alles aangegrepen om de debatten en de stemming uit te stellen. Zo werd even overwogen de bevolking zich door middel van een referendum over het Akkoord van Ohrid te laten uitspreken. De bedoeling daarvan was weliswaar niet alléén om de zaak op de lange baan te schuiven, maar ook om de goedkeuring van het akkoord een stevige democratische basis te geven en de volksvertegenwoordigers voor een deel van de verantwoordelijkheid te ontslaan. Hoe dan ook waren de Albanese politici en de internationale gemeenschap tegen zo’n referendum gekant. Een ander twistpunt vormde het Macedonische voorstel om de amendementen in het parlement stuk voor stuk of in secties te bespreken; de Albanezen en de internationale gemeenschap wilden alle wijzigingen, voorgesteld in het akkoord, samen in één keer laten goedkeuren. Ook de Macedonische kerk zorgde voor problemen. Zij was furieus over een mogelijke wijziging van Artikel 19. De oude formulering ‘De Macedonische kerk en de andere religieuze gemeenschappen (…)’ moest vervangen worden door ‘De Macedonische Kerk, de Islamitische Religieuze Gemeenschap, de Katholieke Kerk en de andere religieuze gemeenschappen (…)’. De geprivilegieerde positie van de Macedonische kerk kwam hierdoor in het gedrang. De Macedonische kerk dreigde ermee de namen van de volksvertegenwoordigers die vóór stemden aan de gelovigen bekend te maken en radicalere elementen riepen zelfs op tot excommunicatie. De regering moest de kerk lijmen met een staatstoelage van 1,3 miljoen euro voor de bouw van een zesentachtig meter hoog kruis op een berg bij Skopje – een schandelijk bedrag voor een staat die bijna bankroet was en een kerk die geen enkele sociale betrokkenheid voelde.33 Ten slotte wilden zowel Macedonische als Albanese politici een wat andere formulering van enkele zinnen in de preambule van de Grondwet dan het akkoord voorstelde. De formulering in de Grondwet van 1991, waarin sprake was van Macedonië als de ‘nationale staat van het Macedonische volk’ en van ‘Albanese, Turkse, Vlachse, Roma en andere nationaliteiten’ bood de Macedoniërs enige bescherming tegen minorisering, mochten de Albanezen ooit de meerderheid van de bevolking uitmaken. Dat wilden de Macedoniërs

256


graag zo houden. Aan de andere kent wilden de Albanezen, en vooral de ppd, graag als ‘Albanese natie’ in de Preambule vermeld worden. Het compromis bestond in de formulering ‘het Macedonische volk en de burgers binnen de grenzen die behoren tot het Albanese volk, het Turkse volk, het Vlachse volk, het Servische volk, het Roma-volk en de andere’. Uiteindelijk werd de nieuwe tekst van de Grondwet goedgekeurd op 16 november 2001 – precies één dag voor de plechtige viering – zeer in mineur – van het tienjarige bestaan van de oude Grondwet van 1991. De grondwetswijziging werd goedgekeurd met anderhalve maand vertraging. Paradoxaal genoeg waren de incidenten, die de Macedonische partijen aangrepen om de zaken op de lange baan te schuiven, voor de internationale gemeenschap juist de prangende reden om er vaart achter te zetten. De dodelijke vechtpartij op 11 november in Treboš zette Robertson ertoe aan de parlementariërs finaal over de streep te duwen. Het meest doeltreffende pressiemiddel bleek de donorconferentie, die telkens uitgesteld werd om recalcitrante politici tot andere gedachten te brengen: van oktober tot december 2001, en tenslotte tot maart 2002. De goedkeuring van de wet op het lokaal zelfbestuur op 24 januari 2002 ruimde nog een laatste hindernis op. Op de donorconferentie van 12 maart 2002 in Brussel kreeg Macedonië uiteindelijk 307 miljoen euro – ruim 50 miljoen meer dan het gevraagd had en een veelvoud van wat het verwacht had. Aan de vooravond van de conferentie berichtten de International Crisis Group en de Macedonische pers over de hemeltergende corruptie in Macedonië, maar de donors verkozen daarmee maar geen rekening te houden. De overige wetswijzigingen moesten tegen 15 december 2001 door het parlement aanvaard zijn. Toen dat parlement in april 2002 nog steeds draalde met de goedkeuring van de nieuwe wetgeving op het taalgebruik – die de Albanese volksvertegenwoordigers zou toelaten tijdens de debatten Albanees te spreken –, dreigde de eu het één jaar oude Stabilisation and Association Agreement te herzien. Ze eiste dat tegen half mei alle wetswijzigingen aangenomen zouden zijn. Het Raamakkoord van Ohrid bepaalde ook dat ten laatste op 27 januari vervroegde parlementsverkiezingen gehouden werden. Die werden naderhand uitgesteld tot september 2002, omdat een kiescampagne de goedkeuring van de grondwets- en wetsartikelen zou hinderen. De kiescampagne was echter al begonnen in mei 2001,

257


toen de nieuwe grote regeringscoalitie tot stand kwam. De sdsm, die zich in de oppositie radicaal nationalistisch opgesteld had, vond zichzelf terug en pleitte voor een gematigde aanpak, die uiteindelijk beter bleek aan te slaan bij de Slavisch-Macedonische kiezer en uiteraard ook bij de internationale gemeenschap. Op 21 november, enkele dagen na de stemming over de grondwetswijziging, trok de sdsm zich uit de regering terug, om niet langer door het eindeloze gekibbel gecompromitteerd te worden. De vmro-dpmne probeerde na mei 2001 zijn ontgoochelde kiezers terug te winnen met een agressief-nationalistisch discours, dat bij de internationale bemiddelaars veel irritatie veroorzaakte. Ali Ahmeti maakte op 18 augustus 2001 met een persconferentie in Šipkovica zijn entree in de Macedonische politiek. In januari 2002 lanceerde hij de Democratische Alliantie-Integratiebeweging, een coördinerende raad waarin telkens twee vertegenwoordigers van de belangrijkste Albanese partijen, de pdsh, de ppd en de pdk zetelden. De raad zou zich niet bezig houden met partijpolitieke problemen, maar met de grote Albanese nationale issues. Hij kwam echter al spoedig in de problemen: Haxhirexhi van de pdk vond de politiek van de pdsh en de ppd niet radicaal genoeg; hij geloofde niet meer in een vreedzaam samenleven van Albanese en Slavische Macedoniërs in één staat. Met de andere twee partijen ontstonden spanningen over het anti-corruptiebeleid dat Ahmeti verdedigde. De grootste Slavische en Albanese partijen kwamen overeen tijdens de kiescampagne niet hun toevlucht te nemen tot opruiende nationalistische taal. Vreedzame en correcte verkiezingen zouden wel eens de beste indicatie kunnen zijn, dat de Macedonische samenleving zonder fatale schade de crisis overleefd heeft.

258


Nawoord

H

ET CONFLICT IN MACEDONIË heeft zijn wortels in de idee

dat elke etnisch-nationale gemeenschap het recht heeft te leven in een eigen, nationale staat. In die eigen staat hebben de leden van die gemeenschap bepaalde voorrechten. Zo is hun taal is de enige, officiële taal. Leden van andere gemeenschappen – minderheden – hebben niet het recht hun eigen taal in alle omstandigheden te gebruiken. En er zijn nog een aantal ongelijkheden, die te maken hebben met het feit dat de titulaire natie in de staat een dominante positie heeft. Je kunt als minderheid die situatie aanvaarden of niet, je kunt proberen er met legale of illegale middelen verandering in te brengen door gelijke rechten na te streven in de staat waarin je leeft of juist afscheiding van die staat; de cruciale vraag blijft of de etnische natiestaat eigenlijk wel deugt. Met de hoeveelheid dwang, geweld, oorlogen en burgeroorlogen voor ogen die dit soort staat sinds het betreurenswaardige ontstaan ervan aan het einde van de 18e eeuw gegenereerd heeft, kan een weldenkend mens deze vraag alleen maar negatief beantwoorden. Een modern alternatief voor de etnische natiestaat is de civiele staat: een staat die met zijn ingezetenen omgaat niet als met leden van een bepaalde etno-culturele gemeenschap, maar als met etnischneutrale burgers. Een dergelijke staat hoeven we niet te idealiseren. In de vs, het beste voorbeeld van zo’n staat, bestaat sinds lang een

259


soort van superioriteitsgevoel dat we gerust chauvinisme kunnen noemen. Toch getuigt zo’n staat in zijn omgang met ‘etniciteit’ van een hoger beschavingspeil dan de etnisch-nationale staat. Macedonië is als gevolg van het Akkoord van Ohrid (bijna) zo’n civiele staat geworden. Laten we ons echter geen illusies maken. Die civiele staat is niet het resultaat van een rijpingsproces, waarbij het gevoel van saamhorigheid en solidariteit de grenzen van taal en etno-culturele particularismen overstegen heeft, maar van een compromis dat bijna geheel is opgedrongen door de internationale gemeenschap. De tekst van het Akkoord van Ohrid is in laatste instantie zo gewijzigd dat de diverse ‘naties’ in Macedonië alsnog met name genoemd worden. Het recente conflict en de slachtoffers die het gemaakt heeft, hebben ervoor gezorgd dat beide grote etnische gemeenschappen zich nog meer op zichzelf teruggetrokken hebben en elkaar nog meer dan vroeger als vijanden beschouwen. De procedures in het parlement, waarbij voor belangrijke beslissingen telkens binnen de diverse nationale gemeenschappen meerderheden moeten gevonden worden, zet de deur wijd open voor obstructionisme en zal de spanningen tussen de gemeenschappen wellicht nog doen toenemen. Overigens is Macedonië ook geen echte civiele staat: Albanezen en Macedoniërs hebben nog steeds geen gelijke rechten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Macedonisch onderwijs overal verstrekt wordt, en Albanees alleen wanneer 20 procent van de lokale bevolking Albanees is. De Grondwet verdedigt nog steeds in de eerste plaats de belangen van de Slavische Macedoniërs. Mochten de Albanezen de meerderheid vormen in de staat, dan diende de Grondwet aangepast te worden. Dat zou niet nodig zijn als de Grondwet de beide gemeenschappen werkelijk op voet van gelijkheid zou behandelen. Is die ongelijkheid voor de Albanezen ondraaglijk? Waarschijnlijk niet, maar was is toch altijd weer het probleem met gelijkheid? De internationale gemeenschap is erin geslaagd het conflict in Macedonië te beheersen. Het lijdt geen twijfel dat dankzij de aandacht en de druk van de eu, de vs en de navo het conflict niet geëscaleerd is. Het aantal slachtoffers (militaire en civiele) bleef beperkt tot – naar schatting – vierhonderd. Er zijn 12 Macedonische vermisten en 53 Albanese. De vluchtelingen – 70.000 SlavischMacedonische en 60.000 Albanese – zijn naar hun huizen teruggekeerd of hun terugkeer is nakend. Een peulenschil, vergeleken met wat in Bosnië-Hercegovina en zelfs in Kosovo het geval was. De

260


internationale gemeenschap heeft inmiddels de nodige ervaring opgedaan met conflictbeheersing op de Balkan. Toch hebben ook andere factoren dan directe, actieve conflict regulation een rol gespeeld. De militaire mogelijkheden van het uçkom waren beperkt; internationale diplomatieke en militaire steun was niet helemaal afwezig (die was er in Kosovo wel), maar erg zuinig gedoseerd, zodat de militaire en politieke doelstellingen van de rebellen bescheiden bleven. Anderzijds waren ook de militaire middelen van de Macedonische staat beperkt; leger en ordestrijdkrachten waren niet in staat grootschalig en beslissend op te treden. Bovendien had de Macedonische regering met harde represailles veel internationaal krediet te verliezen. (Dat hadden de Serven in Kosovo niet.) Vanuit een andere optiek kan men zich natuurlijk afvragen of de voortdurende vermaningen aan het adres van de Macedonische overheid om geen excessief geweld te gebruiken (wanneer is geweld trouwens excessief?) en de druk om te onderhandelen het uçkom niet ook aangemoedigd hebben. De terughoudendheid van de regering werd wellicht geïnterpreteerd als besluiteloosheid of zwakheid en kan het uçkom ertoe aangezet hebben vooral door te gaan. Dat het conflict in Macedonië niet geëscaleerd is naar de buurlanden, is bij nader inzien niet zo opzienbarend. In Albanië heerste sinds twee jaar een relatieve stabiliteit; het land had niets te winnen bij een eventuele betrokkenheid bij het conflict in Macedonië. Net zoals ten tijde van de crisis in Kosovo is de internationale druk op Albanië en de economische afhankelijkheid van het land zo groot, dat het geen ruimte heeft voor een eigen, laat staan een expansionistische buitenlandse politiek. De Bulgaarse publieke opinie en de media stonden op een erg ongenuanceerde manier aan de kant van de Slavische Macedoniërs, maar voor de regering bleven goede relaties met de eu toch belangrijker dat de solidariteit met de ‘volksgenoten’ in Macedonië – het slippertje van president Stojanov niet te na gesproken. Servië herstelde zich nog van de Milošević-periode en wilde zich zeker niet in een nieuw avontuur storten. Griekenland ten slotte is de grootste investeerder in Macedonië en had bij een massaal conflict alleen maar te verliezen. Overigens was de rol van Macedoniës buurlanden in het conflict eerder neutraal dan constructief. De Macedonische staat, die meer dan ooit behoefte had aan geloofwaardigheid en respectabiliteit, had erg gebaat geweest indien die buurlanden Macedoniës attributen van een ‘echte’

261


(Balkan)staat niet langer meer betwisten en het land eindelijk een eigen naam, een eigen taal en een eigen kerk gegund hadden. Het meest ingrijpende negatieve gevolg van de internationale tussenkomsten als die in Macedonië (en Bosnië-Hercegovina en Kosovo) is wat de delegitimisering van het staatsgezag kan genoemd worden. De soevereiniteit van de staat, de bevoegdheden van de wetgevende en uitvoerende organen worden uitgehold door de omstandigheid, dat beslissingen in feite op een ander, internationaal niveau genomen worden. Dit werkt een gebrek aan respect en vertrouwen in de staatsinstellingen in de hand. Deze deligitimisering van de democratisch verkozen instellingen is begonnen met het betrekken van het uçkom – een niet-verkozen instantie – in het overleg over een nieuwe organisatie van de staat. Vervolgens is de beslissingsbevoegdheid van de regering en het parlement herleid tot een formaliteit; de echte beslissingen werden in Brussel of Washington genomen. De soevereiniteit van de staat over zijn grondgebied werd daarna nog herhaaldelijk op de helling gezet: toen geduld werd dat het uçkom een gebied variërend van een tiende tot een zesde van het grondgebied bezet hield; in de mate dat de navo – een vreemde legermacht – in Macedonië kon opereren zonder veel verantwoording te hoeven afleggen (wat al begonnen was ten tijde van de Kosovocrisis); door de manier waarop Macedonië de facto als een soort van protectoraat behandeld werd. Het zal wel zo zijn dat elke vorm van conflict regulation door de internationale gemeenschap met een mate van deligitimisering van de staatsmacht gepaard gaat. Maar op termijn – zo is in Bosnië-Hercegovina gebleken – belemmert deze delegitimisering de opbouw van zelfstandig functionerende en gezaghebbende instellingen en heeft de buitenlandse inmenging, hoe goed bedoeld ook, een ontwrichtend effect op het politieke leven, zoals ook bovenmatige economische hulp de ontwikkeling van een eigen economie veeleer belemmert dan bevordert. In plaats van zich toe te leggen op hoe effectief druk kan uitgeoefend worden op politici, kan de internationale gemeenschap beter onderzoeken hoe ze gauw mogelijk weer meer beslissingsmacht, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid aan die politici kan geven. De internationale gemeenschap is als bemiddelaar in conflicten pas geslaagd, wanneer ze zichzelf overbodig gemaakt heeft.

262


Noten

1

2

3

4 5 6

7

8

Onder identiteit verstaan we het geheel van distinctieve kenmerken van een bepaalde gemeenschap, dat door de culturele antropologie en aanverwante disciplines wetenschappelijk beschreven kan worden, en niet de ideologische constructie van een ‘eigen aard’ door nationalistische ideologen. De Byzantijnen noemden zichzelf ‘Romeinen’ (Romeï); de termen ‘Byzantijns’ en ‘Byzantijnen’ werden pas in de 17e eeuw gebruikelijk. In de wetenschappelijke literatuur noemt men de Turkse Bulgaren ‘Proto-Bulgaren’, om verwarring met de latere Slavische Bulgaren te voorkomen. Despoot is een Byzantijnse titel. Sebastokrator is een Byzantijnse titel. De Slavische bevolking in Macedonië noemde zichzelf en haar taal in die tijd nog ‘Bulgaars’. In Macedonische studies wordt gesproken van Macedonisch onderwijs. Gegen zijn de Albanezen van Noord-Albanië en Kosovo. Het zijn overwegend moslims. De Tosken in Zuid-Albanië zijn orthodoxe christenen. Gegen en Tosken spreken elk een ander Albanees dialect. Een fustanella is een kort wit rokje, dat door Albanese mannen gedragen wordt (en overigens ook een onderdeel vormt van de Griekse nationale klederdracht). 263


9

10

11

12

13

14

15

16

17 18

Kančov en Gopčevič waren ‘etnologen’; Delyani (Dheliyannis?) is de auteur van een publicatie over Macedonië in Le Temps. Het Carnegie Report citeerde uit La questione rumeliota van Giovanni Amadori-Virgilij (1908), dat de statistische gegevens uit Le Temps overnam. De Osmaanse cijfers worden geciteerd in Kostopoulos (2000: 24). Die distinctieve kenmerken kunnen door mensen uit vrije wil op zichzelf betrokken worden, maar ze kunnen ook toegeschreven worden aan mensen die tegen hun zin als leden de nationale gemeenschap gedefinieerd worden. Dat gebeurt dan vaak met het oog op de annexatie van het territorium waarin zij leven. Bulgaren, Grieken en Serven gingen op die manier met de Slavische bevolking van Macedonië om. Dit is een schatting. Meininger beschouwt Grieks Macedonië en Grieks Thracië als één gebied, wat het percentage verhoogt. Bulgaars Macedonië rekent hij samen met West-Bulgarije. Bij wijze van correctie hebben we Meinigers ‘West-Bulgarije’ buiten beschouwing gelaten. Bulgaars Macedonië is daar maar een klein deel van. Šoppen zijn Bulgaren uit de streek van Sofia. Ze staan bekend om hun koppigheid en bekrompenheid. In deze context is ‘Šoppen’ een scheldnaam voor ‘Bulgaren’. Met Tartaren zijn hier de Proto-Bulgaren bedoeld. In Macedonië bestond de opvatting dat zij ‘zuivere’ Slaven waren, in wier aderen geen Proto-Bulgaars bloed vloeide. De informatie over de oorspronkelijke naam van de organisatie is tegenstrijdig. Volgens Hristo Tatarčev heette ze ‘Macedonische [sic!] revolutionaire organisatie’, volgens Petar Poparsov – ‘Comité voor het verkrijgen van politieke rechten in Macedonië, toegekend door het Verdrag van Berlijn’ (Marinov 2001: 83). Dit hoofdstuk is gebaseerd op mijn studie over de nationale bewustwording bij Grigor Parličev. (Detrez 1992; hierin vindt de lezer alle bibliografische verwijzingen.) Een armatolos is een soort van gewapende politieagent, die (in de Osmaanse tijd) gerekruteerd werd onder de christelijke bevolking om struikrovers te bestrijden. Zo luidde de titel van een boek van de Waalse journalist Jean Wolf, dat in 1984 bij Éditions Cujas in Parijs verscheen. De Ustaša was een Kroatische nationalistische en fascistische organisatie. 264


19

Tenzij anders vermeld slaat ‘Macedonië’ hier op het deel van Macedonië dat tot Joegoslavië behoorde. 20 Slavische Macedoniërs leefden en leven tegenwoordig nog in de nomí Florina, Kastoria, Kozani, Edhessa, Veria, Thessaloniki, Kilkis, Serres, Dhrama en Kavala. 21 Inmiddels verschenen twee facsimile-uitgaven: Višinski, Boris: Abecedar. Jubilejno izdanie 1925-1985. Skopje: Makedonska Revija, 1985; Abecedar. Perth (Australia): Macedonian Information Centre, 1993. 22 Voor het gemak noemen we de Macedonische politieke partijen hier met de namen die ze vandaag hebben. De sdms heette aanvankelijk Sojuz na Komunistite na Makedonija – Partija na Demokratska Preobrazba (skm-pdp, Communistenbond van Macedonië – Partij voor Democratische Hervorming). Tussen 1991 en 1994 droeg ze nog een andere naam: Sojuz na Demokratskite Sili na Makedonija (sdsm, Unie van Democratische Krachten van Macedonië). De lpm heette tot in 1992 Sojuz na Reformskite Sili na Jugoslavija (srsj, Unie van de Hervormingsgezinde Krachten van Joegoslavië). Ze vormde de Macedonische afdeling van de pro-Joegoslavische Savez Reformskih Snaga Jugoslavije (Unie van de Hervormingsgezinde Krachten van Joegoslavië) van de Kroaat Ante Markovič. 23 In december 1999 scheidde de Liberale Partij zich weer af. Huidig voorzitter is Risto Gusterov. 24 Militaire eenheden, gecreëerd in 1968 naar het model van de partizaneneenheden. Ze hingen af van de deelstaten en niet van het jna. 25 ‘Naties’ hadden in Joegoslavië recht op een eigen republiek, ‘nationaliteiten’ op een eigen autonoom gebied. 26 In september 1999 werd, onder het toezicht van unmik en kfor, een deel van het uçk gereorganiseerd tot Kosovo Protection Corps – een soort van politiewacht. 27 Het relaas van de gebeurtenissen in dit hoofdstuk is voornamelijk gebaseerd op Crisis in Macedonia. Progress Report. December 2001 van Ethnobarometer en de rapporten van het Institute for War & Peace Reporting, van Transitions Online en van rfe/rl Newsline-Southeastern Europe. 28 Het acroniem van de Ushtria Çlirimtare Kombëtare (Nationaal Bevrijdingsleger) is uçk, net als dat van het Ushtria Çlirimtarë e Kosovës, het Kosovaars Bevrijdingsleger. Om verwar-

265


29

30

31 32

33

ring te vermijden gebruiken we hier uçkom voor het Ushtria Çlirimtare Kombëtare. De Ground Safety Zone was een gedemilitariseerde zone van vijf kilometer langs de grens van Kosovo op het grondgebied van Servië, ingesteld door het Military Technical Agreement van 9 juni 1999 tussen kfor en de Bondsrepubliek Joegoslavië, waarmee aan de oorlog in Joegoslavië een einde kwam. Dat de internationale gemeenschap Joegoslavië wél bevoegd achtte om ook akkoorden over de Kosovaars-Macedonische grens te sluiten, wees erop dat voor de Kosovaren de kansen keerden. In mei 2002 verwierp het parlement van Kosovo, tot grote woede van de (Slavische) Macedoniërs, het akkoord. Op 29 mei 2002 riep het Macedonische parlement Kosovo op het grensakkoord tussen Skopje en Belgrado te aanvaarden. Crna Gora betekent ‘Zwarte berg’, maar het gaat hier natuurlijk niet om Montenegro. Slechts 2 procent van de ca. 8000 politieagenten in Macedonië waren Albanezen. Hun aandeel was na het uitbreken van de crisis als gevolg van ontslagen en desertie nog gedaald. Hetzelfde fenomeen deed zich voor in het leger. Een andere ‘bijdrage’ van de Macedonische Kerk tot een betere verstandhouding met de Albanese gemeenschap vormde, naast dit provocerende en potsierlijke kruis, de uitreiking van ‘medailles van Christus’ aan ‘de Leeuwen’.

266


Bibliografie

Aarbakke Vemund 1992 Ethnic Rivalry and the Quest for Macedonia 1870-1913. Copenhagen: University of Copenhagen. (Master Thesis) Académie des Sciences de l’Albanie 1998 La plate-forme pour la solution de la question nationale albanaise. Tirana: Shkenca. Ackermann, Alice 2000 Making Peace Prevail. Preventing Violent Conflict in Macedonia. Syracuse, New York: Syracuse University Press. Adanir, Fikret 1979 Die Makedonische Frage. Ihre Entstehung und Entwicklung bis 1908. Wiesbaden: Franz Steiner Verlach gmbh. Allcock, John B. 2000 Explaining Yugoslavia. London: Hurst & Company. Alexandrov, Ivan & Ivan Kočev 1994 ‘Documents on the Fathering of the “Macedonian Literary Language’. In: The Fathering of What is Known as the Macedonian Literary Language. Sofia: Macedonian Scientific Institute.

267


Andonov-Poljanski, Ch. (ed.) 1985 Documents on the Struggle of the Macedonian People for Independence and a Nation State, 1-2, Skopje: The University of ‘Cyril and Methodius’. Andonovski, Hristo 1985 ‘Predgovor. Kon fototipno izdanie na Abecedarot (19251985).’ Abecedar. Jubilejno izdanie. 1925-1985. Onder de redactie van Boris Višinski. Skopje: Makedonska Revija, 1985. Andriotis, Nicholas P. 1991 [1966] The Federative Republic of Skopje and Its Language. Thessaloniki: Society for Macedonian Studies. Apostolski, M. 1969 ‘Strategijata i taktikata na Ilindenskoto vostanie’. In: Kniga za Ilinden. Skopje, 81-108. Apostolski, Mihaylo (ed.) 1979 A History of the Macedonian People. Skopje: Macedonian Review Editions Asenova, Petja. 1989 Balkansko ezikoznanie. Osnovni problemi na balkanskija ezikov sajuz. Sofia: Nauka i izkustvo, 1989. Banac, Ivo 1984 The National Question in Yugoslavia. Origins, History, Politics. Ithaca, London: Cornell University Press. Belčovski, Jovan 1985 Avtokefalnosta na makedonskata pravoslavna crkva. Skopje: Studenski sbor. Buda, Aleks 1986 ‘Über einige Fragen der Geschichte der Herausbildung des albanischen Volkes, seiner Sprache und Kultur.’ In: Die Albaner und ihre Gebiete. Tirana: ‘8 Nëntori’. Carnegie Report 1993 [1914] Report of the International Commission To Inquire into the Causes and Conduct of the Balkan Wars. Washington, D.C.: Carnegie Endowment for International Peace. Carnušanov, Kosta 1992 Makedonizmat i saprotivata na Makedonija sreštu nego. Sofia: Sv. Kliment Ohridski.

268


Chiclet, Christophe 2001 ‘L’uçk cherche une revanche en Macédoine’, Le Monde diplomatique, 565 (april), 22. Christov, Christo & Kossev, Dimitre (eds) 1980 La Macédoine. Recueil de documents et de matériaux. Sofia: Académie des Sciences. Clissold, Stephen 1975 Yugoslavia and the Soviet Union 1939-1973. A Documentary Survey. London, New York, Toronto: Oxford University Press. Country Reports 1991 Country Reports on Human Rights Practices for 1990. Washington, dc: us State Department. Cowan, Jane K. 1990 Dance and the Body Politic in Northern Greece. Princeton, New Jersey: Princeton: University Press. Crampton, Richard & Ben Crampton 1996 Atlas of Eastern Europe in the Twentieth Century. London 7 New York: Routledge. Dakin, Douglas 1993 [1966] The Greek Struggle in Macedonia 1897-1913. Thessaloniki: Institute for Balkan Studies. Danforth, Loring M. 2000 ‘How Can a Woman Give Birth to One Greek and One Macedonian?’. In: Macedonia. The Politics of Identity and Difference. Onder de redactie van Jane K. Cowan. London, Sterling, Va: Pluto Press, 85-121. Danforth, Loring 1995 The Macedonian Conflict. Ethnic Nationalism in a Transnational World. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. Den Doolaard, A. 1935 Van vrijheid en dood. Amsterdam: Querido’s Uitgeversmaatschappij. Detrez, Raymond 1992 Grigor Parličev. Een case-study in Balkannationalisme. Antwerpen: Restant xix, 2. 1994 ‘Het Osmaanse millet-systeem’. In: Nationalisme. Kritische opstellen. Onder de redactie van Raymond Detrez en Jan Blommaert. Berchem: epo.

269


1996 De sloop van Joegoslavië. Relaas van een boedelscheiding. Antwerpen, Baarn: Hadewijch. 1999 Kosovo. De uitgestelde oorlog. Antwerpen, Baarn: Houtekiet. 2001 Macedonië. Amsterdam: kit (Landenreeks). Dimevski, Slavko 1988 Makedonskata borba za crkovna i nacionalna samostojnost vo xix vek. (Uniatsko dviženie). Skopje: Nasa kniga. Dragojčeva, Cola 1979 ‘Na klasovi i internacionalističeski pozicii’, Septemvri 32, nr. 1, 5-81. Drezov, Cyril 2001 ‘Collateral Damage: The Impact on Macedonia of the Kosovo War.’ In: Kosovo. The Politics of Delusion. Onder de redactie van Michael Waller, Kyril Drezov en Bülent Gökay. London, Portland, OR: Frank Cass, p. 59-70. Eldarov, Svetlozar 1994 Uniatstvoto v sadbata na Balgarija. Sofia: Abagar. Esche, Mathhias 1982 Die Kommunistische Partei Griechenlands 1941-1919. München, Wien: R. Oldenbourg Verlag. Ethnobarometer 2001 Crisis in Macedonia. Progress Report. December. http://www.ethnobarometer.org/crisismacedonia.pdf Fine, John V.A., Jr 1995 [1983] The Early Medieval Balkans. A Critical Survey from the Sixth to the Late Twelfth Century. Ann Harbor: The University of Michigan Press. Friedman, Victor 1994-5 ‘The Place of Balkan Linguistics in Understanding Balkan History and Balkan Modernity’, Bulletin aesee, 24-25, 87-94. 1996 ‘Observing the Observers: Language, Ethnicity, and Power in the 1994 Macedonian Census and Beyond’. In: Toward a Comprehensive Peace in Southeast Europe: Conflict Prevention in the South Balkans. Onder de redactie van Barnett R. Rubin. New York: Twentieth Century Fund Press, 81-128.

270


1998 ‘The implementation of standard Macedonian: problems and results’, in The Sociolinguistic Situation of the Macedonian language. Onder de redactie van Zuzanna Topolinjska. International Journal of the Sociology of Language, 131, 31-58. 2000 ‘The Modern Macedonian Standard Language and Its Relation to Modern Macedonian Identity’. In: The Macedonian Question: Culture, Historiography, Politics. Onder de redactie van Victor Roudometof. New York: Columbia University Press, 173-206. Georgiev, Vladimir 1966 ‘The Genesis of the Balkan Peoples’. Slavonic and East European Review, 44, nr. 103 (juli), 285-97. 1977 Trakite i tehnijat ezik. Sofia: ban. Glenny, Misha 1999 The Balkans, 1804-1999. Nationalism, War and the Great Powers. London: Granta Books. Ireček, Konstantin 1978 Istorija na Balgarite. (Geschiedenis van de Bulgaren.) Sofia: Nauka i izkustvo. (Bulgaarse vertaling van Konstantin Jireček, Geschichte der Bulgaren. Praag 1878) International Institute for Democracy (The) 1995 The Rebirth of Democracy. 12 Constitutions of Central and Eastern Europe. Strasbourg: The Council of Europe Press. iwpr 2000-2 http://www.iwpr.net/index.pl?balkans_bcr_archive.html Kančov, Vasil 1970 [1892] ‘Segasnoto i nedavnoto minalo na grad Veles’. In: Izbrani proizvedenija. Deel 2. Sofia: Nauka i izkustvo, 182-284. Kantardzhiev, Risto & Lazo Lazaroski 1974 ‘Schools and Education’. In: The Socialist Republic of Macedonia. Skopje: Macedonian Review Editions, 104119. 1977 ‘Schools and Education in Macedonia’, Macedonian Review, 7, nr. 1, 45-56. Karakasidou, Anasatasia 2000 ‘Transforming Identity, Constructing Consciousness: Coercion and Homogeneity in Northwestern Greece’. In: The

271


Macedonian Question: Culture, Historiography, Politics. Onder de redactie van Victor Roudometof. New York: Columbia University Press, 55-98. Kedourie, Ilie 1979 [1960] Nationalism. London: Hutchinson. Kitromilides, Paschalis M. 1996 ‘“Balkan mentality”: history, legend, imagination’. Nations and Nationalism, 2, nr. 2, 163-91. Kofos, Evangelos 1964 Nationalism and Communism in Macedonia. Thessaloniki: Institute for Balkan Studies 1999 Greece’s Macedonian Adventure: The Controversy over fyrom’s Independence and Recognition. http://www.hri.org/Macedonian-Heritage/Contributions/ contr_Kofos19990705.html (20.12.2000) Kosev, Hristo 1991 Istorija na Balgarija. Deel 7. Sofia: Balgarska Akademija na Naukite. Kostopoulos, Tasos 2000 I apagorevmeni glossa. Athina: Mavri Lista. Kumanov, Milen 1993 Makedonija. Kratak istoričeski spravočnik. Sofia: Tinapres. Lampe, John R. & Marvin R. Jackson 1982 Balkan Economic History, 1550-1950. From Imperial Borderlands to Developing Nations. Bloomington: Indiana University Press. Lampe, John R. 1996 Yugoslavia as History. Cambridge: Cambridge University Press. Lange, Nadine 1998 ‘L’orim et la question macédonienne, 1893-1912’. In: La République de Macédoine. Onder de redactie van Christophe Chiclet et Bernard Lory. Paris: L’Harmattan. Libal, Wolfgang 1993 Mazedonien zwischen den Fronten. Junger Staat mit alten Konflikten. Wien, Zürich: Europaverlag. Lithoxoou, Dhimitris 1992 ‘I mitriki glossa ton katikon tou ellenikou tmimatos tis Makedhonias prin ke meta tin andallagi ton plithysmon’. Theseis 38 (1992), 39-66. 272


Lunt, Horace G. 1984 ‘Some Sociolinguistic Aspects of Macedonian and Bulgarian’. In: Language and Literary Theory. Onder de redactie van Benjamin A. Stolz, I. R. Titunik en Lubomír Doležel. Ann Arbor, Michigan: University of Michigan, 83-132. Malcolm, Noel 1998 Kosovo. A Short History. London: Macmillan. Marinov, Čavdar 2001 ‘Za lažite na makedonizma i mitovete za balgarštinata v Makedonija’, Kritika i humanizam, 12, nr. 3, 55-88. Markova, Zina 1989 Balgarskata Ekzarhija 1870-1879. Sofija: ban. Martis, Nikolaos K. 1984 The Falsification of Macedonian History. Athens: Euroekdotiki. Mavrogordatos, George Th. 1983 Stillborn Republic. Social Coalitions and Party Strategies in Greece, 1922-1936. Berkeley, Los Angeles, London: University of California Press. McCarthy, Justin 2001 The Ottoman Peoples and the End of Empire. London: Arnold. Meininger, Thomas A. 1987 The Formation of a Nationalist Bulgarian Intelligentsia, 1835-1878. New York & London: Garland. Misirkov, Krste 1969 [1903] Za makedonckite raboti. ‘Vardar’. Skopje: Makedonska kniga. Nikolov, Stephan E. 2000 ‘Perceptions of Ethnicity in the Bulgarian Political Structure: Misunderstanding and Distortion’. In: The Macedonian Question: Culture, Historiography, Politics. Onder de redactie van Victor Roudometof. New York: Columbia University Press, 207-29. Palairet, Michael 1997 The Balkan economics c. 1800-1914. Evolution without development. Cambridge: Cambridge University Press. Pekevski, Boro 1974 ‘Demographic Situation and Ethnic characteristics of the

273


Population of sr Macedonia.’ In: The Socialist Republic of Macedonia. Skopje: Macedonian Review Editions, 175187. Petrovich, Michael Boro 1976 A History of Modern Serbia 1804-1918. 2 delen. New York, London: Harcourt Brace Jovanovich. Pettifer, James, ed. 2001 [1999] The New Macedonian Question. Houndmills, Basingstoke, Hampshire & New York: Palgrave. Popovski, Tošo 1981 Makedonskoto nacionalno malcinstvo vo Bugarija, Grcija i Albanija. Skopje: Makedonska kniga. Poulton, Hugh 1995 Who are the Macedonians? London: Hurst & Company Ramet, Sabrina Petra 1995 ‘The Macedonian Enigma’. In: Beyond Yugoslavia. Onder de redactie van Sabrina Petra Ramet and Ljubiša S. Adamovich. Boulder, San Francisco, Oxford: Westview Press. 1996 Balkan Babel. Boulder, Colorado: Westview Press. rfe/rl 2000-2 Newsline. http://reports.rferl.org Ristovski, Blaže 1996 Gjorjia M. Pulevski, megjnik v našata kulturnonacionalna istorija. Skopje: manu. Roudometof, Victor (ed.) 2000 ‘Culture, Identity, en the Macedonian Question: An Introduction’. In: The Macedonian Question: Culture, Historiography, Politics. Onder de redactie van Victor Roudometof. New York: Columbia University Press, 1-24. Said, Edward 1978 Orientalism. New York: Pantheon. Sakellariou, M. B. (ed.) 1992 Macedonia. 4000 years of Greek History and Civilization. Athens: Ekdotike Athenon. Schmieger, Roland 1998 ‘The situation of the Macedonian language in Greece: sociolinguistic analysis’. In: The Sociolinguistic Situation of the Macedonian language. Onder de redactie van Zuzanna Topolinjska. International Journal of the Sociology of Language, 131, 125-53.

274


Seliščev, Afanasij M. 1981a [1929] Polog i ego bolgarskoe naselenie. Sofija: Izdanie Makedonskogo Naučnogo Instituta. (Facsimile-uitgave Sofia: Nauka i izkustvo.) 1981b [1931] Slavjanskoe naselenie v Albanii. Sofija: Izdanie Makedonskogo Naučnogo Instituta. (Facsimile-uitgave Sofia: Nauka i izkustvo.) Skendi, Stavro 1967 The Albanian National Awakening, 1878-1912. Princeton, New Jersey: Princeton University Press. Stoyanova-Boneva, Bonka e. a. 2000 ‘In Search of ‘Bigfoot’: Competing Identities in Pirin Macedonia, Bulgaria’. In: The Macedonian Question: Culture, Historiography, Politics. Onder de redactie van Victor Roudometof. New York: Columbia University Press, 237-258. Todorova, Maria. 1994 ‘The Balkans: From Discovery to Invention’. Slavic Review, 53, nr. 2, 453-82. 1997 Imagining the Balkans. New York, Oxford: Oxford University Press, 1997. tol 2000-2 Transitions Online. http://www.tol.cz Vacalopoulos, A.E. 1973 History of Macedonia 1354-1833. Thessaloniki: Institute for Balkan Studies. Vapcarov, Nikola 1979 [1940] Motorni pesni. Stihove. Sofia: Septemvri. Venediktov, Grigorij 1990 Bolgarskij literaturnyj jazyk èpochi vozroždenija. Moskva: Nauka. Vickers, Miranda 1995 The Albanians. A Modern History. London, New York: Tauris Vidoeski, Božidar 1998 ‘Five decades since the codification of the Macedonian language’. In: The Sociolinguistic Situation of the Macedonian language. Onder de redactie van Zuzanna Topolinjska. International Journal of the Sociology of Language, 131, 13-30.

275


Waters, Trevor 1999 ‘nato Intervention in Kosovo. Questions Without Answers in Macedonia’. Conflict Studies Research Centre. November. (http://www.ppc.pims.org/Projects/csrc/ g79nato_kosovo.htm) Weigand, Gustav 1981 [1924] Ethnographie von Makedonien. Leipzig: Friedrich Brandstetter. (Facsimile-uitgave Sofia: Partizdat) Winnifrith, T. J. 1987 The Vlachs. The History of a Balkan People. London: Duckworth. Wolf, Jean 1984 La Macédoine déchirée et la renaissance yougoslave. Paris: Cujas. Woodward, Susan L. 1995 Balkan Tragedy. Chaos and Dissolution after the Cold War. Washington, dc: The Brookings Institution.

276


Kaarten

277


De Balkan na het Verdrag van San Stefano (1878)

De Balkan na het Verdrag van Berlijn (1878) 278


279

CHALKIDHIKI

THESSALONIKI

Geografische grenzen Huidige staatsgrenzen


280

Meer van Ohrid Meer van Prespa

Meer van Doj


281


Register van namen van de belangrijkste personen en organisaties

Abdülhamit 85 92 94 Ahmeti, Ali 225 230 236 238 241 243 252 254 258 Ahrens, Geert-Hinrich 205 Aleksandar van Joegoslavië 126 Aleksandrov, Todor 117 118 119 Alexander de Grote 17 68 192 Andhriotis, Nikolaos 160 Andov, Anton 165 166 170 237 250 Babiniotis, Jorgos 194 Badinter, Robert 194 241 Bakarić, Vladimir 141 Basileius II 24 25 36 145 Berisha, Imer 149 Berisha, Sali 204 Berov, Ljuben 185 Bildt, Carl 228

bkf 118 119 139 bkp 115 118 136 137 140 183 185 bmork 80 81 82 83 Boris I (Michaël) 22 Boškovski, Ljube 236 241-246 255 Botev, Hristo 110 Boudewijn van Vlaanderen 26 27 Boulis, Tasos 190 bsp 185 Bučkovski, Vlado 236 243 Bush, George W. 232 233 241 243 Ceku, Agim 236 Cončev, Ivan 83 Čović, Nebojša 238 Crvenkovski, Branko 165 170 171 185 214 235

283


Čupopski, Dimitar 66 Cvijić, Jovan 57 Cyrillus & Methodius 22 152 da 172 176 250 Dedov, Stefan Jakimov 66 Delčev, Goce 80 82 83 84 Del Ponte, Carla 230 Demiri, Alajdin 215 Éilas, Milovan 141 Dimitrov, Božidar 188 Dimitrov, Georgi 137 139 140 141 152 Dositej van Ohrid 146 dpm 170 172 Dragojčeva, Cola 158 dssm 179 eam 137 141 eapc 171 Efremov, Georgi 237 eks 120 elas 137 138 141 eu 171 174 175 177 181 184 185 194-200 203 206 225 226 231 232 237 239-241 253 257 260 Evren, Kenan 161 Feith, Peter 243 Ferdinand van Bulgarije 82 95 115 Filips van Macedonië 17 68 192 Frowick, Robert 235 236 237 Gemidžijas 83 84 251 Georgievski, Ljubčo 165 166 172 173 187 235-237 240 244 245

284

Gligorov, Kiro 166-168 170 171 177 178 185 190 193 197-199 216 Gošev, Petar 170 172 Gruev, Damjan 80 84 86-88 Hadžidimov, Dimo 118 119 Hadžikonstantinov-Džinot, Jordan 62 Halili, Muhamed 175 Halili, Nezvat 166 170 Halimi, Iljaz 166 170 Haliti, Abdurahman 170 Hasani, Xhavit 219 Haxhirexhi, Kastriot 227 Hombach, Bodo 225 Hoxha, Enver 139 141 149 Hüseyin Hilmi pasja 85 icfy 180 icty 230 250 Ilarion Makariopolski 40 Imeri, Imer zie Ymeri Ivan Asen II 27 jna 167 178 197 Kalfov-Politis (akkoord van) 129 130 Kalojan 26 27 Karavangelis, Germanos 87 Karavelov, Ljuben 110 Karčovski, Joakim 62 Kardelj, Edvard 141 Katelaris, Dhimitris 155 kfor 218 219 224 226-229 239 243 251 kke 133 134 137 142 156 Kliment 22 Kljusev, Nikola 166 168


koe-madh 156 Komintern 118-122 125 126 Koneski, Blaže 144 Konica, Faik 91 Koštunica, Vojislav 222 223 kpc 219 kpj 123 124 125 126 127 136 158 ldk 166 222 ldp 172 Lange, Gunar 252 Léotard, François 241 244 247 Lilov, Aleksandar 183 lpk 227 lpm 165 166 168 170-172 235 maak 165 251 Mačukovski, Venjamin 62 63 Makedonski, Dimitar 62 MaKiVe 190 Maliqi, Shkëlzen 225 MaNaPo 127 Margarit, Apostol 75 76 Marko Kraleviti 28 Markos Vafiadhis 141 Markovski, Venko 144 Martis, Nikolaos 160 Melas, Pavlos 88 Meletios van Ohrid 104-108 Meta, Ilir 227 Metaxas, Ioannis 133 mfo 118 119 mfor 251-253 Michel, Louis 247 Mihajlov, Ivan (Vanče) 119121 131 183 188 Miladinov, Dimitar 62 98 99 104 146

Miladinov, Konstantin 62 98 146 Miletić, Dragiša 179 181 Milošević, Slobodan 151 178181 222 223 Mišajkov, Diamandija Trapkov 66 Misirkov 66 69 145 Mitsotakis, Konstandinos 189 196-198 Mollov-Kafandharis (akkoord van) 129 Murati, Xheladin 170 Natanail van Zograf 108 111 navo 171-174 181 192 216218 226 229 237 238 240 243 248 250-253 260 262 Nexhipi, Muharem 175 Novaković, Kosta 125 omo Ilinden 182-184 188 189 omo Ilinden-Sandanski 188 omo Pirin 188 Osmani, Rufi 211 215 ovse 168 197 217 234 238 249 253 Owen, David 198 199 Panica, Todor 87 117-119 Papakonstandinou, Michalis 198 Papandhreou, Andhreas 155 161 196-199 Papoulias, Karolos 179 Pardew, James 241 244 247 Parličev, Grigor 97-114 Patten, Chris 225 Pavelić, Ante 119

285


pdk (in Kosovo) 170 pdk (in Macedonië) 227 231 258 pdp 166 168 170 pdSh 172-176 213 215-217 223 227 229 231 232 235237 258 Pejčinovič, Kiril 62 Petkovski, Tito 175 Petrov, Gjorče 82 Piccolomini, Eneo 33 Pinhiero, João de Deus 195 Popovski, Ante 165 Popovski, Kiro 165 Powell, Colin 231-233 ppd 166 168 170 172 175 176 206 216 227 232 235237 240 257 258 ppdSh 170 Protogerov, Aleksandar 117 119 Pulevski, Gjorgji 62 66-68 Putin, Vladimir 241 Racin, Koca 123 Radić, Stjepan 126 Radko 188 Rangavis, Alexandhros 100 101 103 Ranković, Aleksandar 151 Robertson, George 228 231 235 241 243 257 Robev, Nikola 105 106 Rugova, Ibrahim 166 222 Samaras, Andonis 195 196 Samuil 10 23 24 145 Sandanski, Jane 83 86 92 117 Šapkarev, Kuzman 62 63 67 108 109

286

Sarafov, Boris 82 87 91 sds 183 sdsm 165-167 170 172 175 176 216 232 235 236 258 seeu 214 215 Šešelj, Vojislav 179 Sidheropoulos, Christos 156 190 skj 158 Slavejkov, Petko 67 105 sm 170 snof 137 138 Solana, Javier 225 231 235 240 243 247 spm 165 170 Stalin 140-142 149 152 153 Stambolijski, Aleksandar 115117 119 Stefan Dušan 27 28 Stoel, Max van der 214 Stojanov, Petar 226 Stojkovski, Radovan 173 Sulejmani, Fadil 213 Šušak, Gojko 236 Taškovski, Dragan 145 Teodosij van Skopje 73 Thaçi, Hashim 170 Thaçi, Manduh 170 Tito 136 137 139-142 149 153 166 tmoro 83 86 Todorovski, Gane 165 Trajkovski, Boris 175 231-238 242 244 250 252 254 Tsarknias, Nikodhimos 190 Tuéman, Franjo 236 Tupurkovski, Vasil 172 173 250


uçk 171 172 216-218 222 223 229 uçkom 222 224-246 250-256 261 uçpmb 222-224 ukSh 245 255 unhcr 174 217 249 unmik 218 222 unpredep 169 175 181 223 253 unprofor 168 169 197 223 Valkanov, Velko 185 Vance, Cyrus 198 199 Vapcarov, Nikola 158 159 Veliu, Fazli 225 227 241 Venizelos, Elevtherios 133 vk 81-83 117 Vlahov, Dimitar 118-121 vmoro 80 86 87 117 223 vmro (in Bulgarije tijdens interbellum)116-121 124126 132 146

vmro (in Bulgarije na 1989) 183 186 vmro-dpmne 165-178 186 189 214-218 227 229 232 235 236 241 250 258 vmro ‘Verenigd’ 120-122 126 133 146 vn 169 172 180 198 199 203 222 Voskopoulos, Pavlos 190 vs 200 225 226 233 234 241 260 Xhaferi, Arbën 170 172 173 204 219 221 227 231 Ymeri, Ymer 170 210 227 Želev, Željo 183-185 Živkov, Todor 158 161

287



Macedonië