Issuu on Google+

Het Walpurgis Archief


Benny Baudewyns

Het Walpurgis archief Thriller


Cover Foto auteur Redactie en binnenwerk

Toni Mulder, Mulder-van Meurs, Amsterdam Hendrik Meert Phaedra creative communications, Westerlo

©  Linkeroever Uitgevers Niets uit deze uitgave mag door middel van elektronische of andere middelen, met inbegrip van automatische informatiesystemen, worden gereproduceerd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. ISBN ---- NUR  D///


DEEL 1

Het verhaal van Niels


1 Donderdag  mei , Phuket, Thailand

De witte ziekenhuiskamer had geen ramen. De drukkende warmte drong ongestoord naar binnen via een open ruimte tussen de muur en het plafond. Thaise toparchitectuur. De brede opening in een van de wanden bood zicht op het leven in de gang. Een welkome afwisseling. Drukte was er immers genoeg. Op sommige momenten leek het wel een markt. Verschillende keren per dag kwam de verpleegster langs. Een klein, tenger meisje dat heel de tijd glimlachte. Ze brabbelde een onverstaanbaar taaltje en was als ze het verband om mijn schouder ververste zo voorzichtig, dat het leek of ik een teer kasplantje van een andere planeet was. De Thaise dokter – N’guyen heette hij volgens het naamplaatje op zijn revers – met een glimmende huid en een metalen bril, kwam wel vier keer per dag langs. Dan duwde hij wat op mijn buik en tastte hij aan mijn voorhoofd. Geen verdere uitleg. Nooit. Als ik iets vroeg, knikte hij altijd ja. En verdween dan meteen. Zwetend duwde ik de lakens opzij en probeerde wat van de tocht op te vangen die door de kamer trok. Maar ik bleef zweten als een otter. De lucht was bloedheet. Buiten was het zo’n °C. Hier binnen waarschijnlijk nog enkele graden warmer. En de vochtigheidsgraad van de lucht benaderde die van een sauna. Dokter N’guyen kwam opnieuw binnen. Deze keer liep er nog een man in het wit naast hem. Groter en struiser en met een Europees uiterlijk. Ze gingen elk aan een kant van mijn bed staan. Dokter N’guyen taterde tegen zijn collega. Af en toe ving ik een woord op waaruit ik opmaakte dat hij Engels sprak. Toen hij uitgepraat was, boog de Europese dokter zich over me. ‘Meneer Berteele, niet? Niels Berteele.’ ‘Klopt.’ ‘U hebt veel geluk gehad,’ zei hij, terwijl zijn vingers over het verband


op mijn schouder gleden. Hij sprak Nederlands met een Hollands accent. ‘Dat heeft hij mij proberen uit te leggen,’ zei ik wat korzelig. ‘Maar ik heb er geen jota van begrepen. Een woordenbrij. Hoe ik ook aandring, iets anders krijg ik niet te horen.’ ‘U moet het mijn collega N’guyen niet kwalijk nemen. Zijn Engels is niet zo goed.’ ‘Heeft hij u er daarom bijgehaald?’ ‘Ja. Mijn naam is Vallinga. Ik zit op de afdeling geriatrie. Maar als er moet getolkt worden, weten ze me wel te vinden.’ ‘Is er een probleem?’ vroeg ik. ‘Dokter N’guyen staat voor een raadsel,’ zei Vallinga. ‘De kogel is dwars door uw schouder gegaan. Zoals gezegd: met een ongelofelijke mazzel. Er is geen bot geraakt. En de spier waar hij doorheen ging, herstelt wonderwel. U zou op zijn minst een flinke ontsteking moeten hebben, maar zelfs dat niet. U hebt geen koorts. Geen pijn.’ ‘Kom me niet vertellen dat ze me langer willen houden omdat ik te goed genees,’ zei ik kregelig. ‘Ze hebben me beloofd dat ik vandaag weg mocht. Of heb ik dat verkeerd begrepen?’ ‘Toch niet. N’guyen wilde het zekere voor het onzekere nemen,’ zei Vallinga, terwijl hij het verband losmaakte en aandachtig de wond bestudeerde. ‘Wat is er precies gebeurd?’ vroeg hij. ‘Oh nee, niet opnieuw,’ kreunde ik. ‘U bent beschoten?’ ‘Ja.’ ‘Door een Thai?’ ‘Nee. Door een heetgeblakerde Oost-Europeaan. Zijn naam is Kurt Vsilov. Het is een ingewikkelde geschiedenis. Zijn broer Janek werd in België vermoord. Per ongeluk, hij werd voor iemand anders aangezien. Kurt Vsilov kwam helemaal uit Roemenië om de moord op zijn broer te onderzoeken. Jammer genoeg trok hij de verkeerde conclusies. Hij dacht dat ik iets te maken had met de moord omdat ik ook onderzoek deed in die zaak. Hij reisde me de halve wereld achterna om het me betaald te zetten. Gelukkig ging zijn schot naast.’ ‘Ik heb begrepen dat er ook een familiekwestie speelde,’ zei Vallinga voorzichtig. ‘Het een heeft niks met het andere te maken.’ Ik zuchtte. ‘Of toch,




maar dan zijdelings... Ach, het is allemaal te moeilijk om u dat uit te leggen. Ik kan het zelf maar ternauwernood vatten.’ Alles was ontsproten aan het ziekelijke brein van Koen Vermassen. Het ettertje dat mijn grootvader en zijn vrienden verantwoordelijk achtte voor de zelfmoord van zijn vader. En dat er zijn levenswerk van gemaakt had om hun bestaan te verwoesten. Vlak voor zijn dood had hij een serieuze poging ondernomen om ook mijn leven te verwoesten. Niet alleen had hij mij op slinkse manier op het spoor van mijn dood gewaande grootvader gebracht. Hij had de grond onder mijn voeten weggehaald door te verklaren dat mijn vader mijn vader niet was. Dat hij, Vermassen, mij had verwekt bij mijn moeder, die hij zo had gemanipuleerd om in het huwelijk te treden met Georges Berteele. Het was allemaal een grote leugen. Bedrog. Ik had Maurice Berteele gevonden in Thailand, maar het had me geen voldoening gebracht hem met mijn problemen te confronteren. De verlossing was niet gekomen. De schade die ik had opgelopen, door de dingen die gebeurd waren in mijn jeugd, bleef. En of Maurice Berteele nu mijn grootvader was of niet, het maakte allemaal niks uit. De leugens bleven. De mooie verhaaltjes. Het bedrog. Alles was in mijn ziel gekerfd en er was geen loutering mogelijk. Ik keek nors voor me uit. Ze konden allemaal de boom in. Ik zou mezelf wel genezen. Tijd heelt, en nog van die flauwekul. Ik had allerminst behoefte aan een zielenknijper. ‘Ik spreek er liever niet meer over,’ zei ik kordaat. ‘Ik los dat zelf wel op. Mag ik nu weg of niet?’ ‘Als we er helemaal zeker van zijn dat er geen complicaties optreden...’ ‘Nee. Er zijn geen complicaties.’ Ik liet me uit het bed glijden, trok mijn bezwete t-shirt uit en plensde wat water in mijn gezicht bij het wasbakje in de hoek van de kamer. Dokter Vallinga kwam naast me staan en keek bezorgd. ‘Dit doet helemaal geen pijn?’ ‘Wat bedoelt u?’ ‘Die bewegingen die u maakt om u op te frissen. Met uw armen. Geen pijn?’ ‘Nee.’ ‘Opmerkelijk.’




Er volgde opnieuw een onverstaanbaar gebrabbel tussen de twee dokters. Ik keek hen aan, Vallinga glimlachte en vertaalde. Hij stond voor een raadsel. Bleek dat N’guyen Vietnamees was en daar tijdens de oorlog meer kapotgeschoten ledematen had gezien dan de infanteriearts van Napoleon. Blijkbaar sloeg ik alle records als het op genezen aankwam. ‘Kan ik nu gaan?’ vroeg ik uiteindelijk. ‘Natuurlijk,’ zei Vallinga. ‘Komt iemand u oppikken?’ ‘Mijn vriendin komt zo meteen. Ik wacht haar beneden wel op.’ Val Demeersch, de vrouw die met me was meegereisd, had gezegd dat ze rond de middag zou terugkomen. Ze bracht een bezoekje aan haar dochter en haar schoonzoon, die hier in Phuket in een hotel werkten. Het was haar natuurlijk om hun dochter te doen, Vals kleindochter Sarah. Mama Tina, Vals dochter, was in verwachting geweest toen ze haar man naar Thailand volgde. Zodoende had Val de geboorte enkel op videobeelden meegemaakt en had ze haar kleindochter nog nooit in haar armen gehouden. Tot ik haar vroeg om me naar Thailand te vergezellen omdat ik mogelijk een spoor had van mijn dood gewaande grootvader en ik niet alleen durfde te reizen. Achteraf was ik beschaamd omdat ik haar in deze zielige vertoning had meegesleept. Met als kers op de verrotte taart de schietpartij door die halfgekke Vsilov. Maar Val liet het niet aan haar hart komen. Haar goed humeur leek onverwoestbaar en ze was vastbesloten me er helemaal bovenop te helpen. Dat had ze me vanmorgen nog gezegd. Toen was ze als een wervelwind vertrokken omdat ze een afspraak had met haar familie. Ik trok mijn t-shirt weer aan en liep achter de dokters de kamer uit.




Het walpurgis archief