Page 1

De slimste ordening in het mbo

Wie stuurt: de markt of de overheid? Rick Steur ‘Scholen moeten hun éigen ambities formuleren’

Europees Mbo Wat kan Nederland leren van Finland en Zwitserland?

De vloeibare arbeidsmarkt Zelfredzaamheid is het credo

#20

Op Be i ni e n roe e bl ed ps a d uc o n ov at d e e r ie rw ijs

Ba ck

sta ge

APRIL 2013

backstagemagazine.nl


4 De slimste ordening in het mbo Een betere borging van publieke belangen is gebaat bij de juiste mix tussen marktdenken en overheidsinterventie. Wat betekent dit voor het middelbaar beroepsonderwijs?

12 B  eter toezicht zonder extra regels

20 Europees beroepsonderwijs

Hoofdinspecteur Rick Steur is voorstander van onderwijsinstellingen meer verantwoordelijkheid geven.

Finland en Zwitserland staan bekend als koplopers in het beroepsonderwijs. Nederland doet het ook prima, maar valt er wellicht nog iets te leren van die andere landen?

Colofon Back Stage is het tweemaandelijks opinieblad van de MBO Raad. De MBO Raad is de brancheorganisatie voor middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. Derde jaargang, nummer 20, april 2013 Overname van teksten is toegestaan onder bronvermelding en met toestemming van de redactie. Redactie: Twan Stemkens (hoofdredacteur), Nathalie van Dijk (eindredacteur), Dagmar de Kruif-Pot (redacteur) en Marije Hulsbosch (adviseur). Aan dit nummer werkten mee: Berber Bijma, Somajeh Ghaeminia, Gerry Hurkmans, Seb Jarnot, Corien Lambregtse, Quinten Manuel, Guus Mater, Pieter Matthijssen, Luuk Obbink, Sander Peters, Sander van der Ploeg, Jeroen Poortvliet, Ed van Rijswijk, Arjen Schmitz, Annette van Soest, Nout Steenkamp Elmer Veerhoff en José Vorstenbosch. BACK STAGE

Concept en vormgeving: Link Design, Amsterdam. Drukwerk: Senefelder Misset, Doetinchem. Coverfoto: Boyer / HH Abonnementen en adreswijzigingen: backstage@mboraad.nl. Back Stage wordt gericht toegezonden. Betaalde abonnementen kosten 30 euro per jaar, incl. BTW en verzendkosten. Opzeggen abonnement: schriftelijk, uiterlijk 1 augustus 2013. Redactie-adres: H  outtuinlaan 6, 3447 GM Woerden tel. 0348 - 75 35 00 backstage@mboraad.nl www.backstagemagazine.nl ISSN: 2211-2308


2/3

28 De vloeibare arbeidsmarkt

32 UITVINDINGEN

Wie denkt tot zijn pensioen hetzelfde beroep uit te oefenen, kan wel eens bedrogen uitkomen op een vloeibare arbeidsmarkt.

Verbrande tongen behoren definitief tot het verleden met de Unicup.

rubrieken 9 Column

16 EN Wat doet hij zoal?

26 Vijf vragen aan…

Jan van Zijl: ‘Het bedrijfsleven vraagt, het

Het is niet de vraag óf het onderwijs wordt

Trendwatcher Adjiedj Bakas voorziet een

onderwijs draait een blik vol arbeidskrachten

gedigitaliseerd, maar wanneer. De jonge

nieuwe Gouden Eeuw. Mits we de boel

open. De realiteit is helaas een stuk grilliger.’

ondernemer en docent Danny Mekić waarschuwt

omgooien.

voor de ‘Google-school’.

10 Mboóhtjes Cijfers over het beroepsonderwijs in Europa laten zien dat het Nederlandse mbo het prima doet.

15 Column Quinten Manuel: ‘Laat minderjarige mbo’ers meetellen en geef ze ook recht op een studenten-ov!’

35 Pittige Taal 18 IN BEELD

Filosoof Teun Dekker: ‘Politiek is een manier

Twaalf studenten van ROC Menso Alting gingen

geworden om je zin te krijgen en niet om

de hele dag de pot op voor een goed doel.

collectief naar problemen te kijken.’

24 Column ICT-docent Elmer Veerhoff pleit voor een verandering in beroepshouding bij docenten.

25 MINISTER VOOR 1 DAG Als FNV-voorzitter Ton Heerts onderwijsminister is, wil hij onderwijs en werk nadrukkelijk met elkaar verbinden.

8 Uitblinker Richard Grootjans gaat de strijd aan met de allerbeste CAD-tekenaars ter wereld. BACK STAGE


BACK STAGE


4/5

Over de slimste ordening in het middelbaar beroepsonderwijs

Wie stuurt: de markt of de overheid? De jaren ’80 en ’90: tijd van deregulering, verzelfstandigde overheidsdiensten en geloof in de efficiency van de markt. Na de eeuwwisseling volgde de ‘restauratie’: strengere regels vanuit de overheid, controle, toezicht en een hoge lastendruk. Wat is nu eigenlijk de beste mix tussen marktdenken en overheidsinterventie in het mbo? Of moeten we kiezen? Tekst Sander Peters Illustratie Link Design, Amsterdam “De economische groei staat onder druk. We moeten onze concurrentiekracht verbeteren. Daarbij moeten we ook kijken naar semipublieke sectoren als zorg en onderwijs. (…) De opgave is om de kwaliteit te verbeteren, de innovatie te bevorderen, beschikbare middelen doelmatiger te besteden en het vertrouwen van burgers in instituties te vergroten.” Was getekend: Chris Buijink, secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken. Buijink publiceerde begin januari in het vakblad Economisch Statistische Berichten een tamelijk alarmerend artikel over de prestaties van de semipublieke sector. Conclusie: er gaat veel mis. Heel veel. Maar: de topambtenaar van EZ schetst ook een oplossing. Hij verwacht veel van ‘effectieve sturing’. Wat is dat, effectieve sturing? Wie stuurt: de overheid of de markt? Beide, schrijft Buijink, want: “Een betere borging van publieke belangen is niet gebaat bij een ideologische keuze tussen markt en overheid. Per sector moeten we de juiste mix (cursivering, red.) vinden van democratische controle en marktdruk.”

columnist van de Volkskrant en directeur van De Argumentenfabriek. “Ik denk dat goed onderwijs leidt tot een succesvolle loopbaan voor de student. Wat is dan succes? Voldoende inkomen, baanzekerheid en werkplezier, allemaal eenheden die goed te meten zijn.” De volgende vraag is of de huidige ordening daartoe leidt, vervolgt Kalshoven. “Daar kan ik een helder antwoord op geven: nee. Er is de laatste twintig jaar veel misgegaan in het mbo. Neem de schaalvergroting: die moest leiden tot meer doelmatigheid en efficiency. Is niet gebeurd. Integendeel, zou ik zelfs zeggen. Over de ontwikkeling naar meer autonomie en marktwerking heeft de overheid niet of nauwelijks nagedacht, zo lijkt het. Want een zogenoemde onbetwistbare markt, zonder toetredingsmogelijkheden voor buitenstaanders en dus zonder echte concurrentie, is gedoemd tot falen. Tot slot is het toezicht slecht vorm­ gegeven: de Inspectie van het Onderwijs zou onafhankelijk van het ministerie moeten zijn. En minder geduld moeten hebben met scholen met zwakke opleidingen.”

Ordening

Stuck in the middle

Vrij vertaald pleit Buijink hier voor een evenwicht tussen marktwerking en overheidsingrijpen in de semipublieke sector. Wat betekent dit voor het middelbaar beroepsonderwijs? Meer specifiek: welke mix, of welke ordening, is de beste voor­ waarde voor goede prestaties? “Om die vraag te beantwoorden, moet je eerst weten wat goede prestaties zijn”, stelt Frank Kalshoven, econoom,

Een vernietigend oordeel, dus. Maar: hoe moet het dan wel? Daarover kan Kalshoven kort zijn: “Er zijn twee opties. Of je zet in op staats­ onderwijs. Alle docenten zijn rijksambtenaar en de overheid bepaalt wie, waar en wanneer naar school gaat en wat jonge mensen leren. Daar zitten nadelen aan, maar het is te verdedigen. Het is in elk geval een heldere

'Een markt zonder echte concurrentie is gedoemd tot falen' Frank Kalshoven

BACK STAGE


Wie stuurt: de markt of de overheid? vervolg

'Goed onderwijs is een publieke verantwoordelijkheid' Jos Leenhouts

BACK STAGE

keuze. De andere optie is scholen echte autonomie geven. Die vrijheid moet dan leiden tot beter onderwijs tegen een scherpe prijs, en dus tot een efficiënte besteding van publieke middelen. Wat je in elk geval niet moet doen, is halverwege blijven hangen, zoals nu. We zijn stuck in the middle.” Een mooie analyse van Kalshoven, vindt John van de Langenberg, bestuursvoorzitter van het ROC Horizon College in de kop van NoordHolland. “We zitten inderdaad in het midden tussen twee uitersten, maar is dat erg? Ik denk van niet.” Ja, Van de Langenberg is fel tegen privatisering. Of zoals hij het noemt: “de uitlevering van het onderwijs aan de commercie”. Maar nee, een schoolbestuurder is meer dan alleen een uitvoerder van overheidsoekazes. “Als ervaren bestuurder in de semipublieke sector vraag ik autonomie. Ik wil het vertrouwen krijgen dat ik goede resultaten kan boeken. En die resultaten zijn verdomd eenvoudig te meten. Als een groot deel van de studenten met een diploma naar buiten wandelt, als werkgevers tevreden zijn over onze afgestudeerden, als medewerkers zich gewaardeerd voelen, en als de balans aan het einde van het jaar positief is, doe ik het goed. Laten we het niet ingewikkelder maken dan het is.”

Dansmariekes Van de Langenberg is sinds 2001 in het mbo actief. Hij maakte nog net het staartje mee van de ‘jaren-negentig-tijdgeest’. “Wanneer de politiek een bepaald dossier niet onder controle had, werd het over de schutting gegooid. Zbo’s (zelfstandige bestuursorganen, red.) werden op afstand geplaatst, de markt op, hupsakee. Dat ging zo met het spoor, met de energiemarkt en ja,  ook met het middelbaar beroepsonderwijs.” Het gevolg van dit vrijheidsdenken, vervolgt Van de Langenberg, is een groei van het aantal ‘rare uitglijders’ in het mbo. “Mbo-instellingen die meer bezig waren met commercie – pret­ studies voor de bühne, waarbij 1.000 dans­ mariekes werden opgeleid, risicovol beleggen, noem maar op – dan met de kwaliteit van het onderwijs. Dan ben je een heel magere organisatie. Of bestuurders die voortijdige uitval eigenlijk niet eens erg vonden, omdat dan alleen de betere

studenten over bleven. Maar ook de misstanden bij Amarantis: het komt allemaal voort uit de ontwikkelingen vanaf midden jaren ’90.” En zoals dat gaat, na de vrijheid volgt de knoet. De harde hand. “De regelreflex”, noemt de Horizon-topman het. “Toen vanaf 2004-2005 van alle kanten de kritiek losbarstte op het mbo – deels zeker terecht – sloeg de paniek toe. De overheid probeerde vervolgens verwoed de controle weer terug te krijgen. We zitten daarom momenteel in een restauratieve periode. Met name de vorige minister, Van Bijsterveldt, sloeg hierin echt door. Wetten, plannen, regeltjes, plichten, circulaires, extra toezicht, allemaal om meer invloed te krijgen op het reilen en zeilen. We werden er knettergek van. Altijd maar dat vingertje. Heel voorzichtig durf ik te hopen dat de huidige minister ons weer het vertrouwen schenkt.”

Betuttelend Ook Van de Langenbergs collega-bestuurder Jos Leenhouts (ROC Mondriaan) is te spreken over minister Bussemaker. Met de wijze waarop ze heeft gereageerd op het onderzoeksrapport van de Algemene Rekenkamer over de lasten­ druk in het mbo, heeft ze het respect van Leenhouts gewonnen. “Wat we allemaal niet klaar moeten hebben liggen aan gegevens, het is onvoorstelbaar. En zo betuttelend. Ik ben als bestuurder ontzettend pragmatisch ingesteld: waar gaat het om? Goed onderwijs. Kundige docenten. En een verantwoorde besteding van de publieke middelen. Meer niet.” Leenhouts, ooit begonnen als docente aardrijkskunde in het voortgezet onderwijs, was als onderwijsbestuurder én rijksambtenaar nauw betrokken bij de grootschalige veranderingen in het mbo in de jaren ’90. “Er is veel verkeerd gegaan, zeker, maar we moeten niet de fout maken om alles op één hoop te gooien. Schaal­ vergroting, deregulering, marktwerking, verzelf­ standiging: het was niet allemaal dom of verkeerd. Het gaat erom dat we snappen waarom die keuzes gemaakt werden. En uit welke situatie we kwamen. Daarom ben ik het totaal oneens met Kalshovens analyse. In de afgelopen twintig


6/7

jaar hebben we van een totaal versnipperd geheel van scholingsvoorzieningen één geheel gemaakt: het roc. Een uiterst complex proces, waarbij vele belangen een rol speelden, maar dat ons land uiteindelijk veel heeft opgeleverd: een relatief lage jeugdwerkloosheid en binnen de EU het laagste percentage voortijdige school­verlaters en laaggeletterden.”

Tweedeling Neemt allemaal niet weg dat de hang naar privatisering veel negatieve gevolgen heeft gehad. “De verkleining van de overheid, het ongebreideld geloof in de heilzame werking van de markt – dit Thatcherism heeft de zbo’s op grote afstand geplaatst van de politiek. Te grote afstand. De tijd is gekomen om terug te gaan naar een meer publieke aansturing. Let wel: daarmee bedoel ik niet dat we terug in de schoot van de overheid moeten of dat we betutte­ lende regeltjes moeten omarmen. Nee, ik ben een warm voorstander van de civil society. Goed onderwijs is een publieke verantwoordelijkheid. Een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid, bestuurders én van burgers.” Wat Leenhouts ook wil benadrukken, is dat de doelgroep van het mbo – veelal jongeren die op grond van de Cito-toets

via negatieve selectie op het vmbo en vervolgens het mbo terecht zijn gekomen – een speciale aanpak vraagt. “We leven steeds meer in een kennisklasse­samen­ leving. De tweedeling wordt almaar groter. Juist door de democratisering van het onderwijs gaan cognitief sterke kinderen – ook die van de huishoudster en de bouw­ vakker – massaal naar havo of vwo. De mbo-student vormt daardoor een steeds kwetsbaardere doelgroep. En verdient daarom compassie, geen concurrentie.”

Naming and shaming Tijdens het interview zegt Leenhouts meerdere keren dat ze de overheid om meer vertrouwen zou willen vragen. Vertrouwen in haar professionaliteit, opgebouwd tijdens haar ruim dertig jaar durende onderwijsloopbaan. Van de Langenberg spreekt in dit verband over een overheid die het ruime kader schetst, waarbinnen zelfstandige stichtingen met de nodige autonomie opereren. “Ik pleit geenszins voor een ‘bestuurlijk vacuüm’. Maar we zijn écht autonoom of niet! Natuurlijk moeten de prestaties transparant zijn en getoetst worden, maar dat doet mijn raad van toezicht ook al. Waarom dubbelop?”

daar moet fors ingegrepen worden, vindt ook Van de Langenberg. “De semipublieke sector is uniek, en zeker geen private sector. Ongeveer 95 procent van onze middelen is geld van het Rijk. Dat budget is bestemd voor maar één ding: kwalitatief goed onderwijs. Daar ben ik heel traditioneel in, en steeds meer van mijn collega’s ook. Wie belastinggeld slecht besteedt, over de balk smijt of er anderszins een potje van maakt, moet maar met de billen bloot. Naming and shaming is een probaat middel, ook om de rotte appels te scheiden van de grote meerderheid die zijn zaakjes wel op orde heeft.”

Waar het toezicht misstanden blootlegt,

Verbinding verbroken In oktober 2012 presenteerde de parlementaire onderzoekscommissie onder leiding van senator Roel Kuiper (CU) het rapport ‘Verbinding verbroken’. Kuiper c.s. hebben onderzocht hoe de privatisering en verzelfstandiging van overheidsorganisaties destijds (jaren ’80 en ’90) tot stand is gekomen en hoe de maatregelen hebben uitgepakt in de samenleving. “De eerste golf aan verzelfstandigingen vond plaats zonder duidelijke visie”, aldus Kuiper. “Naast een geloof in de efficiency van de markt, moesten de overheidsuitgaven beperkt worden.” Grootste pijnpunt is volgens Kuiper dat het ontstaan van de zbo’s niet heeft geleid tot een kleinere, goedkopere overheid, maar wel tot een meer complexe dienstverlening. “Bovendien gaat de verzelfstandiging vaak ten koste van het verantwoordings­toezicht.” Vanaf 2000 is een nieuwe fase ingegaan, waarbij de vraag wat nu eigenlijk het publiek belang is, centraler komt te staan. In deze fase zitten we nu nog, aldus de onderzoekscommissie. U vindt het rapport op www.eerstekamer.nl/kamerstukdossier/verbinding_verbroken_onderzoek.

BACK STAGE


Uitblinker

‘Je zou me een natuurtalent kunnen noemen’ Richard Grootjans (17), tweedejaars student Werktuigbouwkunde aan de opleiding Techniek en Design van het Scalda College in Vlissingen, is een kei in CAD-tekenen. In maart 2012 won hij het Nederlands Kampioenschap, een half jaar later volgde de Europese titel. Begin juli gaat het Zeeuwse talent tijdens de WorldSkills in Leipzig de strijd aan met de allerbeste jonge CAD-tekenaars ter wereld.

doen aan wedstrijden. Met succes. Tijdens de Vakkanjerwedstrijden in Ahoy werd ik Nederlands kampioen. Ook de EuroSkills in Spa-Francorchamps won ik. Waarom? Ik was de snelste, had mijn opdrachten in één keer supergoed gedaan. Toen ik hoorde dat we een bosbouwmachine moesten ontwerpen, wist ik: ‘Die is van mij!’ Landbouwmachines tekenen vind ik het mooiste dat er is.

Tekst Pieter Matthijssen Foto Gerry Hurkmans “Tijdens mijn vmbo-stage bij VSS Machinebouw – vier jaar geleden – begon ik op de tekenkamer. Er ging een wereld voor me open. Hier ontwikkelden ze de machines die uiteindelijk de fabriek uitrolden, hier werd de basis gelegd van iets heel concreets. Spectaculair was mijn bijdrage nog niet, maar het feit dat ik erbij was en af en toe mocht helpen, vond ik heel gaaf.

Meedoen aan wedstrijden betekent keihard trainen. Zeker met de WorldSkills in aantocht. Momenteel oefen ik zo’n drie keer per week, meestal oude WorldSkills-opdrachten. De komende tijd voer ik stap voor stap het aantal trainingen op om het gewenste niveau te bereiken. In totaal doen er 25 landen mee, met deelnemers uit Europa, de VS, Azië en Zuid-Amerika. Vooral de Brazilianen zijn goed. Zij hebben drie jaar achter elkaar gewonnen. Ik maak kans op goud, maar moet wel in topvorm zijn.

De stage was mijn eerste kennismaking met CAD-tekenen, Computed Aided Design. Ofwel, ontwerpen met hulp van de computer, in 3D. Vanaf het eerste moment ben ik CAD-fan, omdat het tekenen en techniek perfect combineert; precies wat ik wil. Met CAD kun je producten perfect vormgeven, maar ook de meest ingewikkelde sterkteberekeningen maken. De CAD-software ontwikkelt zich in rap tempo. Het programma denkt met je mee en genereert fantastische filmpjes en simulaties.

Vanaf het eerste moment krijg ik alle steun vanuit mijn opleiding. Maria van der Vliet bijvoorbeeld, mijn docent Werktuigbouwkunde, zet zich enorm voor me in. Ze geeft me technische tips, handige adviezen. Ook helpt ze me tijdens de voorbereiding met opdrachten en ondersteunt ze me bij de wedstrijden. Verder wordt er niet moeilijk gedaan als ik een keer extra wil trainen of een paar uurtjes vrij wil. De opleiding geeft me alle ruimte. Uiteindelijk is mijn succes ook hún succes.”

Het CAD-tekenen zat meteen in mijn vingers. Ik handel snel, heb de technische kennis, zie het eindplaatje zo voor me. Je zou me een natuurtalent kunnen noemen. Mede daarom ben ik mee gaan BACK STAGE


8/9

Column

Kamer eist herstel van respect voor de leraar Foto Ed van Rijswijk

‘Scholen moeten strenger kunnen optreden tegen leerlingen die zich misdragen, zonder dat hun ouders direct protesteren.’ Zo kopte het AD op 11 februari. ‘Ouders moeten de leraren ondersteunen, in plaats van hun gezag te onder­mijnen. Er is een mentaliteitsverandering nodig.’ De Kamerleden reageren daarmee op een oproep van de middelbare scholen en vakbonden over het tanende gezag van docenten. Herkenbaar? Nee, voor mij als docent ICT aan het Nova College zeker niet. Studenten benaderen ons over het algemeen respectvol. Wel valt mij op dat de student is veranderd. De basishouding die veel studenten hebben, is: docenten willen wat en wij willen niets. Studenten brengen, als ze bij ons op school beginnen, een vrachtwagen vol ervaringen met zich mee. Elke student heeft wel een verhaal over leerkrachten op andere scholen. Docenten die lange tijd ziek zijn, lessen niet voorbereiden, toetsen niet of slecht nakijken, te laat komen en zorgen voor ophokuren en verkeerde roosters. Kortom, docenten die zich niet houden aan de geldende afspraken. Dan is het toch niet zo gek dat studenten het vertrouwen in de docent verliezen? Ik stop veel energie in mijn studenten, zodat zij dit vertrouwen weer terugkrijgen. Door zelf respect te geven, krijgen we uiteindelijk ook weer respect. De basis­ houding van elke  docent moet zijn dat hij er voor de student is. De docent moet boven de lesstof  staan. Hij moet kundig zijn en een aanspreekpunt voor zijn studenten. ‘Slechte’ klassen bestaan niet, wel slechte docenten. De overheid moet zorgen voor een verandering in de beroepshouding bij docenten. De docent moet samen met de student werken aan zijn ontwikkeling en hij moet proberen om in zijn belevingswereld te kruipen. Dat zijn wezenlijke veranderingen. Met straffen win je niet meer respect. Docenten die proberen met straffen en maat­regelen zaken voor elkaar te krijgen, veroorzaken vaak een kloof tot de belevingswereld van de student. Te vaak heb ik dat gezien. Docenten moeten in gesprek blijven met studenten, zodat zij hen beter gaan begrijpen. Natuurlijk moeten er daarnaast ook regels op scholen zijn, zodat gebouwen heel blijven. Den Haag heeft gelijk: het is tijd voor een mentaliteitsverandering in de scholen. De politici kunnen het respect voor docenten echter niet afdwingen. Wij moeten zelf veranderen. Docenten, geef studenten positieve energie en zorg dat je hun respect verdient!

Elmer Veerhoff Docent Nova College Haarlem

BACK STAGE


MBOóhtjes

Volg al het mbo-nieuws via: www.twitter.com/mbonieuws www.twitter.com/ditismbo

wist u dat? Hoogst genoten opleiding onder 25-64 jarigen (in %) Mbo-niveau 2-4 of 1-jarig hbo

60

57,5

Havo/vwo klas 4-6

56,2

52,4

50

38,9

38,7

40

30,9

30,3

33,5

31,2

Het mbo in Europa

30 20

5,7

10 0

Oo

11,5

6,8 Fi

8,8

9,4

2,9 Fr

Du

14,2 7,0 8,0

10,7

6,2

Het Nederlandse onderwijs presteert in Europees perspectief ruim bovengemiddeld. Volgens de

Ho

It

NL

Sp

Zwe

Zwi

recente EU-mededeling ‘Een andere kijk op onderwijs’ behoort ons land tot de Europese top 4 met een world class-stelsel voor het beroeps­ onderwijs. Het Nederlandse mbo onderscheidt

Slagingspercentage mbo-niveau 2-4

bijzondere combinatie van beroepsopleidend leren

94

100 80

zich door uitstekende slagingspercentages en de en beroepsbegeleidend leren (op p. 21-23). Ook wat

85 76

74 65

60

60

op de arbeidsmarkt zit het meer dan goed, zo blijkt uit de lage jeugdwerkloosheidscijfers. Wel is de

47

43

jeugdwerkloosheid in twee jaar tijd met zo'n 7%

44

toegenomen (zie de tabel linksonder). Een stijgende

40

trend die zich ook in andere Europese landen

17

20 0

betreft de aansluiting van het Nederlandse onderwijs

Oo

Fi

Fr

Du

Ho

laat zien.

It

NL

Sp

Zwe

Zwi

Bron: OECD, Education at a glance 2012

Werkloosheid jongeren 15-29 jaar die geen opleiding volgen (in %) 2008

2010

16,8

19,2

18,9 16,3

9,7 9,6

7,2 5,1

10

10,3 8,7

12,0 11,6

9,9

11,1 10,4

12,6

16,7 14,0

20 15

23,7

23,0

25

5 0

Oo

BACK STAGE

Fi

Fr

Du

Ho

It

NL

Sp

Zwe

Zwi

Oostenrijk

Italië

Finland

NEDERLAND

Frankrijk

Spanje

Duitsland

Zweden

Hongarije

Zwitserland


10 / 11

dat dan weer wel Gouden tijden, zwarte bladzijden

Foto Jeroen Neus, Stichting Verhalis

Tweedejaars studenten Ruimtelijke Vormgeving & Presentatie van het Grafisch Lyceum Rotterdam hebben kunstzinnige werken gemaakt van afgeschreven boeken. Dit in het kader van de 78e Boekenweek die plaatsvond van zaterdag 16 t/m zondag 24 maart 2013. De Centrale Bibliotheek in Rotterdam daagde de creatieve studenten uit om met de afgeschreven boeken aan de slag te gaan, binnen het thema ‘Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden’.

Symboliseer je geluksmoment ”Hoe gelukkig iemand is, kun je niet altijd van zijn gezicht aflezen”, vertelt initiatiefneemster Willemien van Heugten. “Daarom hebben we een vragenlijst opgesteld. We vragen de mensen ook hun geluksmoment uit te beelden.” Zeshonderd foto’s worden uitvergroot. Die worden op bouwhekken opgehangen, zodat er een nieuwe straat ontstaat: Straat 13. Meer informatie: Willemien van Heugten (ROC Tilburg), wvheugten@roctilburg.nl

Foto Grafisch Lyceum Rotterdam

Wat zijn de onderwijstrends voor 2013? YoungWorks heeft de onderwijstrends voor 2013 voorspeld. In 2013 staan ‘zelf keuzes maken’, ‘inspraak hebben’ en het gebruik van ict hoog in het vaandel. 1. 2. De studenten hebben zelf ruimtelijke objecten uitgekozen of gemaakt. Deze hebben zij bekleed met boeken en onderdelen van boeken, zoals bladzijden en kaften, waardoor het originele object soms niet meer te zien is. Of het nu gaat om een jurk, een stoel of een piano: het eindresultaat weerspiegelt volgens de studenten in alle gevallen een artistiek verhaal.

Tilburgs geluk op nummer 13 In Tilburg is het startschot gegeven voor het project ‘Geluk op 13’. Het project is een samenwerking van ROC Tilburg, Universiteit van Tilburg, de regionale omroep en de kranten. Tachtig roc-studenten van de opleiding Sociaal-maatschappelijke Dienstverlening gaan de straat op om Tilburgers met het huisnummer 13 in hun deuropening fotograferen. De studenten bezoeken alle 1138 Tilburgse straten, van villawijk tot volksbuurt.

ICT-toepassingen (‘devices’) in de klas. Flip je klas: studenten maken zelf keuzes in hun leerproces en docenten filmen hun lessen. 3. Focus op de 21st century skills: accent op vaardigheden waarmee jonge mensen leren omgaan met de kansen die onze kenniseconomie en samenleving bieden. 4. Internet University: steeds meer jongeren leren via internet bepaalde vaardigheden. 5. PartYcipatie: scholen benutten steeds meer de mondigheid en creativiteit van jongeren. 6. De leraar professionaliseert: docenten gaan zelf op zoek naar werk dat hen inspireert en vinden elkaar in online netwerken. 7. Elke school een eigen gezicht. 8. Gamification in de klas. 9. Motiveren door verbinden: motivatie als ingrediënt voor het ontwikkelen van talent. 10. Meer aandacht voor jongens voor de klas. Bron en meer informatie: www.youngworks.nl BACK STAGE


Rick Steur: hoofdinspecteur BVE

‘Scholen moeten hun éigen ambities formuleren’ BACK STAGE


12 / 13

Beter toezicht zonder extra regels. Dat is de taak waarvoor de Inspectie van het Onderwijs zich onder onderwijsminister Jet Bussemaker ziet gesteld. Wat is de visie van hoofdinspecteur Rick Steur op die veranderende rol van de inspectie? Tekst Annette van Soest Foto Seb Jarnot – Unit CMA Het zijn roerige tijden voor de Inspectie van het Onderwijs. Na Amarantis, dat ten onder ging aan falend bestuur en toezicht, moet het anders. Beter. De inspectie moet sneller ingrijpen als een instelling dreigt te ontsporen. Op meer regels en meer controle zit echter niemand te wachten. Ook minister Bussemaker niet. Met haar ‘ontregeling’ van het onderwijs gaat ze lijnrecht in tegen het beleid van oudminister Van Bijsterveldt. Onlangs liet ze de urennorm al los.

Wat moet er veranderen om dat in de toekomst te verbeteren?

Hoe is het om telkens een ander bewinds­ persoon te moeten dienen, met andere opvattingen over de invulling van het toezicht? Rick Steur (58) laat glimlachend een stilte vallen. “Afwisselend.” Hij kiest zijn woorden zorgvuldig, denkt na. “Wat betreft de uren­norm heb ik informeel tegenover het departement ook wel eens gezegd dat dit in mijn ogen niet de manier was waarop we toezicht moeten willen houden. Ik ben er voorstander van in­stel­lingen meer verantwoordelijkheid te geven.”

“Het financiële toezicht hebben we de afgelopen jaren erg laten bepalen door analyse van de jaarrekeningen. Toezicht achteraf dus. Als er zorgen ontstonden over de liquiditeit en solvabiliteit, trokken we bij instellingen aan de bel. Maar er zijn ook data die we eigenlijk al in huis hebben om te voorspéllen hoe de bekostiging van een instelling zich gaat ontwikkelen. Studenteninschrijvingen bijvoorbeeld zijn een goede indicator voor de inkomsten­ stroom over twee jaar, via de rijksbijdrage. Zien we daarin grote fluctuaties en hebben we al zorgen over de financiële gezondheid van een instelling, dan treden we in overleg. We gaan dus meer anticiperen. Dat deden we vroeger nooit.”

De inspectie heeft steken laten vallen bij het toezicht op Amarantis. Welke lessen trekt u daaruit? “Bij Amarantis hebben we te laat onze zorgen over de kwaliteit van het onderwijs en de financiën bij elkaar opgeteld. We hadden eerder een conclusie moeten formuleren. Dat reken ik mezelf ook aan. Ik heb geleerd dat wij onszelf eerder de vraag moeten stellen of een bestuur ‘in control’ is.”

“We willen dat onze mensen die toezicht houden op financiën veel nauwer gaan samenwerken met collega’s die toezicht houden op onderwijskwaliteit. Daarvoor creëren we multidisciplinaire teams. Zo komen we eerder tot een totaalbeeld van een school.”

Het ministerie wil ook dat u een meer anticiperende rol aanneemt. Hoe gaat u dat doen?

U moet ook gaan optreden tegen slecht bestuur. “Ik ben erg blij met die ontwikkeling. Het is niet iets wat wij gewoon waren te doen. Intern zijn we al met een groot project bezig om het toezicht op het bestuurlijk handelen aan onze normale toezichts­

praktijk te verbinden. Als we uit kranten­ berichten of van klokkenluiders signalen krijgen dat het moreel kompas binnen een instelling niet deugt, zullen we dat waar nodig aan de kaak stellen.”

U bedoelt zonnekoningengedrag? “Dat is de meest extreme vorm. Kern is echter dat we een onderzoek instellen als we twijfelen of de instelling en het bestuur de zorgplicht voor goed onderwijs waar­maken. Verder willen we de raad van toezicht veel eerder spreken dan tot nu toe. Als wij het idee hebben dat het bestuur moeite heeft de doelstellingen te realiseren, vragen wij de toezichthouders naar hun visie daarop en hun eigen rol daarin. Nog even voor de duidelijkheid. Het is dus niet zo dat we vanaf volgend jaar alle besturen gaan aflopen om te zien of ze zich netjes gedragen. Nee. Wij blijven in eerste instantie monitoren of studenten en leerlingen voldoende kansen krijgen om veel te leren. Pas op het moment dat we daar haperingen in zien, gaan we op onderzoek uit.”

Dit zijn allemaal extra taken. Kunt u dit als organisatie aan? Of heeft u extra mensen nodig? “Ehm… U merkt dat ik stil word. Ik heb dat nog niet helemaal doordacht. Maar we moeten onze ogen als inspectie niet sluiten voor de taakstellingen waar het kabinet-Rutte II en heel Nederland, economisch voor staan. Die hebben consequenties voor de rijksoverheid en dus ook voor de Inspectie van het Onderwijs.” BACK STAGE


‘Scholen moeten hun éigen ambities formuleren’ vervolg

U wil wel meer mensen, maar ja, de bezuinigingen… “Ja. Wij moeten als overheidsorgaan meer voor minder neerzetten. Wij zijn onze werkwijze op een veel breder terrein aan het heroverwegen. Denk ook aan de invoering van de nieuwe inspectie­ categorie voor ‘excellente scholen’ in het primair en voortgezet onderwijs. Een hele toer, maar het is een opdracht uit het regeerakkoord die ik met liefde omarm. U stelt een heel terechte vraag. Kán dat dan wel voor hetzelfde? Nee, dat kan niet voor hetzelfde. Dat betekent dat je of meer geld nodig hebt, of dat je je werkzaamheden anders organiseert.”

Hoe gaat u dat oplossen? “In het voortgezet onderwijs doen we momenteel een proef die we te zijner tijd ook in het mbo zouden kunnen uitvoeren. Bij inspectiewerk huren we mensen in uit het onderwijsveld zelf. Nu zijn dat nog vooral teamleiders, maar we willen ook ervaren docenten en mensen uit het middenmanagement laten deelnemen.”

Dat kost toch ook geld? “Maar veel minder. Zo’n toegevoegd inspecteur doet bovendien veel ervaring op over kijken naar kwaliteit. Hij werkt aan zijn referentiekader, omdat hij op andere scholen rondloopt en neemt dat ook weer mee terug naar de eigen school. Daarnaast worden we als inspectie flexibeler en kunnen we in een aantal opzichten ons werk beter doen.”

In welk opzicht? “Ook in het voortgezet onderwijs zijn wij een heel compacte inspectie. We dekken heel Nederland af met zo’n veertig mensen. Rijst het vermoeden dat een school een probleem heeft met exacte vakken, omdat de examenresultaten achterblijven, dan hebben wij niet altijd binnen onze club van veertig de deskundig­ heid op dat terrein. Met deze werkwijze kun je specifieke deskundig­heden inhuren.”

U zei al: er moet meer voor minder worden gedaan. Ervaart u een toenemende druk? Lachend: “U zou mijn agenda eens moeten zien. Nee. Ik ervaar wel de druk dat het spannend is om, met de middelen die we hebben, alle opdrachten waar we voor staan uit te voeren.”

dag goed onderwijs aan te bieden. Dat het weerbarstig kan zijn, niet mechanisch als een geoliede machine neer te zetten is. Daar oog voor hebben, als inspectie, vind ik erg belangrijk.

Bent u wel eens bang dat dat niet lukt? “Tot nu toe niet. Sinds 2007 hebben we ons budget al met meer dan twintig procent gereduceerd. Die bezuiniging hebben we weten te realiseren, omdat we ook toen het toezicht op een andere manier zijn gaan inrichten. Risicogericht. Dat betekent dat we niet meer altijd overal komen en dat we onze energie vooral besteden aan de instellingen waar we grote risico’s zien.”

U werkt al vijfendertig jaar in het onderwijs. Heeft u daar baat bij in uw huidige rol als toezichthouder? “Jazeker. Elke baan was de beste voor­ bereiding op mijn volgende baan. Ik weet dat het geen sinecure is om van dag tot

Curriculum vitae Geboren: 28 juli 1955, Bussum Studie: Bedrijfseconomie en Organisatiekunde aan de Universiteit van Amsterdam Werk: Lerarenopleider en begeleider van aanstaande leraren voor het mbo en voortgezet onderwijs in Leeuwarden en Groningen, inspecteur voortgezet onderwijs bij de Inspectie van het Onderwijs, voorzitter college van bestuur CVO Zuid-West Frylân, hoofdinspecteur voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en volwasseneneducatie en hoger onderwijs bij de Inspectie van het Onderwijs

BACK STAGE

'Wat niet goed is, is niet goed genoeg'

Tegelijkertijd blijf ik me wel uitspreken vanuit mijn eigen onafhankelijke positie. Wat niet goed genoeg is, is niet goed genoeg.”

Wat is nu niet goed genoeg? “Veel opleidingen zitten in een bandbreedte van gemiddelde kwaliteit. Wij willen vanuit het toezicht een rol spelen om excellente opleidingen – want die zijn er ook – zichtbaar te maken en tot voorbeeld te stellen.”

Hoe verhouden interne kwaliteitszorg en extern toezicht zich tot elkaar? “In de verhouding tussen een onderwijs­ organisatie en de inspectie lijkt het wel eens of scholen hun verantwoordelijkheid voor kwaliteit uitleveren aan ons. Dat moeten ze niet doen. Dat moeten ze ook niet willen.” Hij slaat met zijn hand op tafel. “Je moet het toezichtkader van de Inspectie van het Onderwijs niet over­ nemen als uitgangspunt van je kwaliteits­ zorgsysteem. Onderwijsinstellingen moeten hun éigen ambities formuleren. Als ze die waarmaken, moeten ze er vervolgens op vertrouwen dat ze dan ook aan ónze eisen voldoen.”


14 / 15

Column

Blik arbeidskrachten Foto Ed van Rijswijk

Doe uw ogen dicht en denk aan een grote kast. Met plaats voor veel blikken, vol arbeidskrachten. Het blik techneuten staat voor het grijpen op ooghoogte, naast het blik verpleegkundigen. Het blik ambachtslieden zetten we apart. Het blik kinderopvang hebben we niet meer nodig, net als dat met artiesten. Die blikken we om naar de techniek. Het bedrijfsleven vraagt, het onderwijs draait een blik open. De realiteit is helaas een stuk grilliger. De arbeidsmarkt van vandaag sluit lang niet altijd aan op wat ze gisteren van het onderwijs vroeg. Neem de kinderopvang. Tot voor kort booming business, maar door onder meer overheidskeuzes in korte tijd volledig ingestort. Je zal in de hoogtijdagen maar voor een opleiding in deze sector hebben gekozen en nog op school zitten: dag kans op werk! Meteen omscholen naar de techniek, zegt een deel van de politiek dan, dáár is een groot tekort. Maar we leven niet in een maatschappij die voor jongeren beslist wat ze later moeten worden. Dat beslissen ze zelf. Daarnaast: een kinderopvangtalent is niet automatisch een parel voor de techniek. Natuurlijk kan betere voorlichting en wat zachte dwang helpen bij het maken van de juiste keuze. En dat is niet per se een keuze voor de sector met de grootste tekorten. Het mbo is en blijft volop in beweging om jongeren zo goed mogelijk te laten kiezen. Met aandacht voor hun (onzichtbare) talenten en passies én de behoefte van de arbeidsmarkt. Zo ‘scholen’ we onszelf op dit moment ‘om’ naar brede opleidingen, daar vraagt het bedrijfsleven om. Specialiseren kunnen jongeren dan later, als ze aan het werk zijn. Met het School ex-programma kunnen we de komende twee jaar jongeren helpen voor wie werkloosheid dreigt door de slechte arbeidsmarkt. We laten deze jongeren op een hoger mbo-niveau doorstuderen. Of in een andere richting waar meer vraag naar is, mits dat ook bij die jongere past. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar de arbeidsmarkt van morgen (korte termijn) én overmorgen (lange termijn). Een voorbeeld: de bouw. Nu een sector in puin, straks weer volop werk. Dat vraagt nú om actie van met name het bedrijfsleven, hoe tegennatuurlijk dat vanwege de conjunctuur ook is. Zorg dus voor voldoende leerplaatsen voor jongeren die zonder niet aan hun opleiding kunnen beginnen. Zodat we straks, als de bouw weer aan de slag moet, voldoende jongeren hebben opgeleid die met passie voor hun vak gemotiveerd aan de slag willen en gaan. En dan hoeft de bouw geen moord en brand te schreeuwen dat het onderwijs niet kan leveren waar de arbeidsmarkt om vraagt. Omdat het blikje bouw nog leeg is.

Jan van Zijl Voorzitter MBO Raad

BACK STAGE


En wat doet hij zoal?

De week van Danny Mekić, ondernemer, docent, spreker en technologie-expert

‘Mijn studenten zijn overal welkom, ook op Facebook’ Het is niet de vraag óf het onderwijs wordt gedigitaliseerd, maar wanneer. De jonge, succesvolle ondernemer en docent Danny Mekic (26) waarschuwt voor de ‘Google-school’. ’Veel leuker dan de gewone lessen op school, maar wél gesponsord door commerciële bedrijven. Terwijl de expertise zich in de scholen bevindt.’

Ma Internet en technologie “Al jaren worstelen grote organisaties met internet: ze moeten er iets mee, maar hoe? Ik gaf hen jarenlang advies en kreeg als dank een fles wijn of een boekenbon. Tot ik anderhalf jaar geleden NewTeam oprichtte. We zijn geen traditioneel consultancy­ bureau dat een strategie bedenkt en het voor de klant uitvoert. NewTeam zegt: juist de organisatie zelf moet het gaan doen en wij kijken mee. Vandaag spreek ik medewerkers van de Dienst Informatisering van de Tweede Kamer, verantwoordelijk voor de informatie­ voorziening van Kamerleden. Samen met hen verken ik de toekomst met de huidige stand van de technologie.”

BACK STAGE

Di

Tekst Somajeh Ghaeminia Foto Jeroen Poortvliet

Onderwijs in 2020 “Hoe kunnen we het onderwijs digitaliseren? Hierover leid ik een debat georganiseerd door de Hogeschool van Amsterdam en de Universiteit van Amsterdam. We kijken vooruit: wat is de stand van het onderwijs in 2020? Technologie biedt de oplossing voor maatwerk in het onderwijs, en dat is nodig. ICT kan de vertaalslag maken van docent naar individu. Als dit niet vanuit het onderwijsveld komt – dat vol expertise en kennis zit – dan gebeurt het vanuit ‘Silicon Valley’. Kruipen studenten straks na schooltijd achter de ‘Google-school’, veel leuker maar wél gesponsord door commerciële bedrijven. Willen we dat?”


16 / 17

Spreken “Regelmatig spreek ik op bijeenkomsten over

Wo

ondernemerschap, onderwijs en technologie. Met mijn sprekersmanagers praat ik over mijn ambities. Ik fotografeer graag en neem vaak mijn camera mee naar klanten om hun werkplekken vast te leggen. Wellicht kan ik een lezing combineren met een expositie. Met het spreken probeer ik verbindingen te leggen, vaak van het bedrijfsleven naar het onderwijsveld. Dat is zowel voor mijn klanten als voor studenten en docenten interessant. Ik vind spreken erg leuk, maar het moet wel in balans blijven. Soms stel ik een rustperiode in. Om te verdiepen of gedachten uit te werken.”

Social media in de klas “Een leraar wilde zijn huiswerk op Facebook zetten, maar zijn studenten protesteerden. Mijn antwoord: juist doen! Facebook is het middelpunt van de wereld van jongeren. Daar moet school een vast onderdeel van zijn, of ze het leuk vinden of niet. Het onderwijs moet jongeren bedienen. Daarvoor moeten we traditionele definities los­laten. Een les mag nu zo heten, als een docent fysiek aanwezig is. Terwijl digitaal contact in het bedrijfsleven heel normaal is. Mijn studenten zijn welkom op de plek waar zij het liefst contact willen, dus ook op Facebook. Om die reden deel ik mijn privéleven liever op de analoge manier.”

Do

Vr

Pianospelen “Iedere dag kruip ik thuis achter mijn piano. Ik laat dan alles los en ontspan. Soms ga ik naar andere locaties, zoals de Universiteit van Amsterdam, om te spelen. Iedere piano is anders, dat maakt het spannend en onvoorspelbaar. Als ik ga spelen, sluit ik me af van mijn omgeving. Het is dan geweldig om na afloop te merken dat er mensen om me heen staan, die me aanspreken en bedanken. Ik ben heel kritisch, ik doe niets waar ik niet goed in ben. Dat vertel ik ook vaak aan mijn studenten: ‘Als je een keuze wilt maken, leer dan eerst de opties kennen.’ Op een tentamen krijg je de opties in multiple choice. In het echte leven moet je de verschillende mogelijkheden zelf zoeken.”

BACK STAGE


In beeld

De hele dag de pot op voor een goed doel Tekst Nathalie van Dijk Foto ROC Menso Alting Twaalf studenten van ROC Menso Alting gingen in januari op de Grote Markt in Groningen letterlijk de pot op om geld op te halen voor ontwikkelingswerk in Zuid-Afrika. Met de wc-potactie, die dertien uur duurde, wilden ze duidelijk maken dat sanitaire voorzieningen niet overal vanzelfsprekend zijn. Aan de wc-potactie was een sponsoractie gekoppeld en het winkelende publiek kon geld doneren voor het goede doel. De studenten haalden 3.500 euro op met deze actie. Van maart tot en met mei bezoeken de twaalf studenten Zuid-Afrika. Daar leveren ze een bijdrage aan ontwikkelings­projecten van stichting C-A-N. Deze stichting zet zich in voor de verbetering van de hygiëne in ontwikkelingslanden. BACK STAGE


18 / 19

BACK STAGE


BACK STAGE


20 / 21

Wat kan Nederland leren van Finland en Zwitserland?

‘We zijn allemaal kampioenen’ Finland en Zwitserland staan bekend als koplopers in het beroepsonderwijs. Nederland doet het ook prima, maar valt er wellicht nog iets te leren van die andere landen? Inspiratie opdoen kan zeker, zeggen zes betrokkenen, maar in zwijm vallen voor het onderwijs­stelsel van een ander land heeft weinig zin. ‘Losse onderdelen zijn niet zomaar te kopiëren.’ Tekst Berber Bijma Illustratie Link Design, Amsterdam Een hoogleraar die vol trots vertelt over de beroepsopleiding die zijn zoon volgt. Niks geks aan in Zwitserland, zegt David Bohmert. Hij is directeur van Swisscore, een Zwitserse netwerk­ organisatie in Brussel. Swisscore houdt zich bezig met allerlei onderwerpen, maar juist voor het beroepsonderwijs is de laatste tijd opvallend veel aandacht van andere Europese landen, zegt Bohmert. Hij schrijft dat toe aan het succes van het Zwitserse beroepsonderwijs. “Vakmanschap staat in Zwitserland in hoog aanzien; vier op de vijf jongeren gaan naar het beroepsonderwijs. De jeugdwerkloosheid is erg laag. En bij de WorldSkills, de wereldwijde vakwedstrijden, is er eigenlijk maar één Europees land dat mee kan doen: Zwitserland.” Eenzelfde voorbeeldfunctie als Zwitserland heeft ook Finland, hoewel het beroepsonderwijs daar totaal anders in elkaar steekt. Terwijl in Finland het bedrijfsleven op afstand staat van het onderwijs, heeft het in Zwitserland de dikste vinger in de pap. Niet de overheid, maar het bedrijfs­leven heeft in Zwitserland het laatste woord over het curriculum van het beroeps­ onderwijs. Blijkbaar zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden. Wat zijn de Finse en de Zwitserse succes­factoren en kan Nederland daar iets mee?

Kampioenen Nederland doet het al heel goed en dat vergeten we maar al te vaak. Met die opmerking begint

bijna ieder gesprek over dit onderwerp. “Wij hebben bijna wekelijks buitenlandse delegaties op de stoep die iets van óns willen leren”, zegt Peter van IJsselmuiden, coördinator internationaal beleid op het gebied van beroepsonderwijs en volwasseneneductie bij het ministerie van Onderwijs. “Volgens de recente EU-mededeling Rethinking education – in het Nederlands vertaald als ‘Een andere kijk op onderwijs’ – behoort ons land tot de Europese top 4 met een world class­stelsel voor het beroepsonderwijs. Als je uitwisselt met andere landen, is het dus al gauw zo dat Nederland meer komt brengen dan halen.” “We zijn allemaal kampioenen”, zegt Marc van der Meer, directeur van het landelijk expertise­ centrum beroepsonderwijs, doelend op met name Zwitserland, Finland, Denemarken, Duitsland en Nederland. “De stelsels voor beroeps­­onderwijs zijn in die landen niet hetzelfde, maar leiden wel allemaal tot relatief goede resultaten.”

'In Zwitserland begint de waardering voor 'doen' al in het primair onderwijs' David Bohmert

Kampioenen kunnen onderling best iets van elkaar leren. Neem de doorstroommogelijkheden tussen het algemeen vormende onderwijs en het beroepsonderwijs in Zwitserland, zegt Bohmert. “In Zwitserland kun je op ieder moment van algemeen naar beroepsonderwijs overstappen en andersom. En het beroeps­ onderwijs gaat door tot het academische niveau. De doorlatendheid van het systeem draagt bij aan de gelijk­waardigheid. In Nederland zijn er tegenwoordig minder brugmogelijkheden dan vroeger, dat is jammer.” BACK STAGE


We zijn allemaal kampioenen vervolg

Ook de sterke rol van het bedrijfsleven in Zwitserland ziet hij als een succesfactor. Bedrijven weten tenslotte zelf het beste wat ze nodig hebben aan toekomstige werknemers. “De overheid en de onderwijsinstellingen zelf gaan over de algemene vaardigheden van studenten, maar het bedrijfsleven bepaalt via beroepsverenigingen met welke praktische vaardigheden studenten van school komen. Alle partijen ervaren het systeem als economisch voordelig.” Ab van der Touw, bestuursvoorzitter van Siemens Nederland, beaamt dat. Siemens heeft als werkgever ervaring in verscheidene landen. “Het duale leerwerkstelsel in Zwitserland en Oostenrijk bevordert een kwalitatief betere match tussen scholing en arbeids­markt. Bovendien is de afstemming tussen bedrijfsleven en onderwijs regionaal heel professioneel geregeld, net als overigens in Finland en Oostenrijk.”

Gratis stagiaires Van IJsselmuiden van het ministerie van Onderwijs ziet ook die sterke rol van het bedrijfsleven in Zwitserland, maar hij ziet Nederland dat nog niet in die mate over­­ nemen. “De Zwitsers wijzen in dat verband wel eens op hun ervaring met CEO’s van multinationals. Die komen soms uit landen waar bedrijven stagiair(e)s niet of nauwelijks betalen en moeten dan echt overtuigd worden van de Zwitserse aanpak. Een cultuur of een traditie verander je niet zomaar.” Van der Meer van het landelijk expertisecentrum beroeps­onderwijs prijst de rol van het Zwitserse bedrijfs­ leven ná de initiële beroepsopleiding. “Zwitserland heeft een heel stelsel van post-secundair onderwijs, waar het bedrijfsleven sterk bij betrokken is. In ons land is de leerlijn van mbo naar hbo naar de universiteit veel minder ver ontwikkeld. In zo’n model van skills beyond school kan Zwitserland als inspiratie dienen.” In zowel Zwitserland als Finland is verder het imago van het beroepsonderwijs uitstekend. Dat kenmerk zou Nederland natuurlijk graag willen overnemen, maar dat is een zaak van de lange adem. “Heel Europa lijkt meer en meer gericht op academisering”, zegt Bohmert. “In Zwitserland begint de waardering voor ‘doen’ naast ‘denken’ al in het primaire onderwijs. Brood bakken op school of meehelpen op een boerderij zijn heel gewone activiteiten.”

Doorlopende leerlijnen Ook in Finland is de beeldvorming van vakmanschap positief, merkt René van Schalkwijk, lid van het college van bestuur van ROC Horizon College in Alkmaar en BACK STAGE

omstreken. “De kwaliteit van het Nederlandse en Finse beroepsonderwijs is ongeveer hetzelfde, maar de appreciatie van beroepsonderwijs is bij de Finnen groter dan bij ons.” Van Schalkwijk denkt dat goede doorlopende leerlijnen, met net als in Zwitserland soepele overstap­ mogelijkheden tussen algemeen en beroepsonderwijs, daaraan bijdragen. “De Finnen hebben nergens een doodlopende weg. Je kunt via het beroepsonderwijs naar het algemeen vormende hoger onderwijs. En als dat niet lukt, dan heb je tenminste een vak geleerd en heb je prima beroepskansen. Bij ons is het ook wel mogelijk de koninklijke weg te volgen – vmbo-mbo-hbo-wo – maar dan moet je tegenwoordig wel de nodige hindernissen nemen. Voor de pre-master, die nodig is om van het hbo naar de universiteit te kunnen, moet je bijvoorbeeld betalen. Dat is een belemmering waar ik het nut niet van inzie.” Een ander sterk punt van het Finse onderwijs is dat niet controle maar vertrouwen het uitgangspunt is, zegt Van Schalkwijk. De Inspectie van het Onderwijs is zo goed als afgeschaft. Controle is er nog wel, maar dan niet integraal zoals in Nederland. Wie bij een steekproef de eigen doelen  niet blijkt te halen, kan op weinig genade rekenen. “De Finnen zijn niet echt van het gedogen, zoals wij. Als een onderwijsinstelling het niet goed doet, zijn de consequenties stevig.” De combinatie van vrijheid en verantwoordelijkheid blijkt in de praktijk goed uit te pakken. Van Schalkwijk: “De Finnen en de Zwitsers slagen er beter dan Nederland in om van iemand die voor een dubbeltje geboren is, een kwartje te maken.” Het Finse onderwijsstelsel is onderdeel van een samen­ hangend groter geheel, benadrukt Van der Meer van het landelijk expertisecentrum beroepsonderwijs. “Wat wij van de Finnen kunnen leren – naast bijvoorbeeld het belang van goed geschoolde docenten – is dat goed onderwijs een zaak van de lange adem is. Finland heeft 25 jaar lang zwaar geïnvesteerd in de eigen economie, in brede zin. Onderwijs en innovatie maken deel uit van een samenhangend pakket van publiek-private samenwerking en kwaliteitsverhoging.”

Holland’s Got Talent Jack Biskop, voormalig Tweede Kamerlid voor het CDA, laat zich ook inspireren door het Finse voorbeeld. “Hun cultuur van lesgeven zou ik wel willen overnemen. Teach less, learn more, zoals Pasi Sahlberg het in zijn boek Finnish lessons omschrijft. In Nederland willen we het aantal lesuren steeds maar verhogen, in Finland is meer nadruk


22 / 23

op de verantwoordelijkheid en de positie van de leraar. Die is de sleutel tot goed onderwijs. Er zijn ook in ons land goede vaklieden die graag hun kennis overdragen. Sommigen zijn niet bevoegd, maar uiterst bekwaam. Moeten we ons dan druk maken om een papiertje waarop staat dat hun pedagogische bevoegdheden in orde zijn? Ik denk dat je daar in het beroepsonderwijs wat soepeler mee zou kunnen omgaan dan in het algemeen vormende onderwijs.” Van der Touw is dat met hem eens: “De Inspectie van het Onderwijs moet de eisen voor lesbevoegdheid van docenten en gastdocenten uit het bedrijfs­ leven niet onnodig hoog maken en formaliseren.”

Je zou daar in Nederland over kunnen nadenken, maar in het algemeen geldt dat we voorzichtig moeten zijn met grote stelselwijzigingen.”

Biskop ziet wel mogelijkheden om de Nederlandse waardering voor vakmanschap naar ‘Finse hoogte’ te brengen. “Een Holland’s Got Talent met een broodbakker of een loodgieter zou toch prachtig zijn? We moeten vakidolen als Floris van Bommel (schoenmaker, red.) creëren.”

De goede relatie tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven, onder meer via de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven – waarop momenteel overigens sterk wordt bezuinigd – is een andere veelgenoemde kwaliteit van Nederland. Van der Touw heeft op dat punt overigens nog wel wensen: “Nederland kent genoeg voorbeelden van professionele samen­ werking tussen regionaal bedrijfsleven en onderwijs, maar vanuit een not invented heresyndroom verzuimen we best practices van de ene regio naar de andere te halen. Het wiel wordt overal opnieuw uitgevonden.”

Oostenrijk Waar Nederland vooral goed in is, benadrukken de verschillende gesprekspartners, is de combinatie van beroepsopleidend leren en beroepsbegeleidend leren (bol/bbl). Oostenrijk kent datzelfde systeem, zegt Van IJsselmuiden van het ministerie. “Bol en bbl zijn communi­ cerende vaten waarmee je conjuncturele klappen kunt opvangen. Als het goed gaat met de economie, zijn er veel stageplaatsen en is beroepsbegeleidend leren aantrekkelijk. Als het economisch minder gaat, is beroeps­ opleidend leren een prima alternatief. Zo nodig houd je studenten dan ook nog wat langer op school om een hoger niveau te bereiken. Het Oostenrijkse stelsel voor beroepsonderwijs lijkt met twee leerwegen op het Nederlandse, maar kent daarnaast regionale onderwijsautoriteiten.

Wat Nederland zeker van Oostenrijk kan leren, zegt Siemens-voorman Van der Touw, is de uitgebreide aandacht die het beroepsonderwijs in groep 7 en 8 van de basisschool krijgt. “Oostenrijkse leerlingen krijgen op die leeftijd intensieve voorlichting, met name over beroepen met grote werkgelegenheid, zoals de techniek. Zo’n soort bijsluiter, aan het einde van de basis­­school, over kans op langdurig werk zou ik in Nederland ook wel willen zien.”

'We moeten vakidolen als Floris van Bommel creëren' Jack Biskop

BACK STAGE


Column

Minderjarige mbo’ers Foto Ed van Rijswijk

In de welbekende studentenstad Groningen sta ik bij de halte van mijn school te wachten op de bus. Eenmaal in de bus check ik in met mijn studenten-ov, om bij thuiskomst weer uit te checken. Kosten: 0 euro en 0 cent. Datzelfde ritje was twee jaar geleden tot mijn grote verbazing niet gratis. De regel is namelijk dat je in het mbo pas recht hebt op studiefinanciering en het bijbehorende reisrecht als je 18 jaar of ouder bent. Minderjarige collegastudenten die hoger onderwijs volgen kennen dit onbegrijpelijke gedoe niet, want zij hebben wel recht op een studenten-ov. Prima, ik had toch een brommer. En als die het niet meer deed, ging ik wel met de fiets. De verontwaardiging begon pas echt de kop op te steken, toen mijn stage begon. De vier kilometer reisafstand van school naar huis werd opeens meer dan verdriedubbeld. Gelukkig kon ik leunen op mijn ouders, die een ovmaandabonnement kochten. Kosten: 74 euro per maand. Dat tarief maal vijf (aantal maanden stage) is 370 euro. Erg veel geld, als je het thuis niet breed hebt. De kosten rezen pas echt de pan uit, toen ik voor mijn ziekenhuisstage met de trein 35 kilometer moest reizen. Het ziekenhuis bood in dit geval wel, mits er plek was, een kamer in de omgeving aan of een (gedeeltelijke) reis­kosten­­ vergoeding. Gelukkig duurde die stage maar twee maanden en kreeg ik toen mijn studenten-ov. Als ik er nog eens goed over nadenk, kan ik geen enkele goede reden bedenken waarom dit voor minderjarige mbo’ers zo geregeld is. Een vaag argument dat mbo-instellingen lokaal meer verspreid zijn dan hogescholen, vind ik een drogreden. Puur alleen al omdat het mbo een praktijk­gerichte insteek heeft en studenten stages volgen bij bedrijven waar ze vaak een flinke afstand voor moeten overbruggen. Op de website van de Rijksoverheid vind ik de officiële verklaring waarom minderjarige studenten die hoger onderwijs volgen, wel recht hebben op studie­financiering plus ov-kaart. Zij ontvangen dan namelijk geen kinder­bijslag meer. Maar hoeveel minderjarige hbo’ers zullen er in de praktijk zijn? Ik blijf het maar vaag vinden, dat meten met twee maten. We gaan een zware tijd tegemoet. Financieel gaat het niet al te best in het land en de vergrijzing neemt toe. Juist nu moet de politiek mbo-opleidingen toegankelijker maken. Een logische stap zou dan zijn om de vergoeding voor het openbaar vervoer gelijk te trekken met het hbo en wo. Laat minderjarige mbo’ers ook meetellen en trek de onbegrijpelijke scheve lijnen tussen het hoger onderwijs en het mbo recht!

Quinten Manuel Student Verpleegkunde Noorderpoort Groningen

BACK STAGE


24 / 25

Minister voor 1 dag

Ton Heerts, voorzitter FNV in Beweging:

‘Als ik Jet ben, zou ik onderwijs en werk nadrukkelijk met elkaar verbinden’ Tekst Guus Mater Foto Nout Steenkamp Ton Heerts, voorzitter van FNV in Beweging, zal in één dag niet het hele onderwijs overhoop gooien. Wel wil Heerts onderwijs en werk duidelijker met elkaar verbinden om jongeren een beter toekomstperspectief te geven. Daarnaast mogen docenten van Heerts, zelf opgeleid bij de Koninklijke Marechaussee, ook best wat meer verdienen. "Het liefst zou ik een opleiding binnenstappen om te gaan praten met studenten en docenten. Vervolgens bezoeken we gezamenlijk bedrijven in de buurt om onderwijs en werk met elkaar te verbinden. Het gesprek aangaan met elkaar: wat kan een student bereiken met wat hij heeft geleerd in een bedrijf en welke kennis en vaardigheden vraagt dat bedrijf? Pas na deze bezoeken lees ik de stukken die je als minister nu eenmaal moet doorwerken, zelfs als het maar voor één dag is." "Ik zal niet het huidige onderwijsstelsel radicaal veranderen. Voor mijn gevoel zit het Nederlandse onderwijs best aardig in elkaar. Al heb ik mijn twijfels over de massale opleidingsfabrieken. Zo lang de student geen nummer is en er goede communicatie met de leraren plaatsvindt, ga ik ermee akkoord. Belangrijk is dat het onderwijs leerlingen en studenten een toekomst­perspectief biedt. Een voorbeeld: mijn zoon wil het liefst een sportopleiding gaan volgen. Drie weken geleden kregen we tijdens een ouderavond te horen dat er op de arbeidsmarkt momenteel een overschot is aan mensen die het CIOS hebben gedaan of die een opleiding Sport en Bewegen hebben gevolgd. De kans bestaat dat je straks niet aan de bak komt. Dan doet mijn zoon er dus verstandig aan een alternatief te kiezen." "Je weet dat er in de komende jaren veel banen in de techniek vrijkomen. Het is goed als de minister van Sociale Zaken met kracht over­

brengt dat daar de banen voor jonge werknemers liggen. Als die vacatures worden ingevuld door mensen uit China of India, terwijl de Nederlandse kandidaten in de bijstand zitten, hebben we gefaald. Benadruk daarom vooral dat techniek niet moeilijk is, maar een doevak. Er zijn zat jongeren die dat aanspreekt." "Docenten zijn de motoren van het onderwijs­ systeem. Voor hen wil ik de nullijn loslaten. Ik erger me eraan dat de stroom oudere docenten wordt opgevolgd door jonge collega’s met flex­contracten. Arbeidsovereenkomsten waarmee ze het studiejaar kunnen afmaken en vervolgens voor drie maanden in een uitkering verdwijnen. Dat is onfatsoenlijk. Je moet leerkrachten met zo'n grote verantwoordelijkheid meer zekerheid bieden. Een vaste aanstelling motiveert om in het onderwijs te blijven."

'Docenten zijn de motoren van het onderwijssysteem'

"De verbinding van onderwijs en werk vind ik essentieel. Van het bedrijfsleven verwacht ik daarom voldoende stageplekken. Als de huidige jongeren niet doorstromen naar een baan, dreigt een generatie verloren te gaan. Dan dreigt ook criminaliteit de kop op te steken. Werkgevers moeten dat goed beseffen. Het doet me denken aan een uitspraak die ik laatst hoorde, toen ik bij mijn voetbalclub langs de lijn stond. ‘Als je het niet uit de boeken haalt, moet je het maar uit een plantje halen’, werd er gezegd. Een toekomst in de wietteelt lijkt me niet de goede weg."

BACK STAGE


vijf vragen aan…

Aan:

Adjiedj Bakas, trendwatcher

 

Onderwerp:

H  ij heeft zijn beroep gemaakt van naar de toekomst kijken. En heel vaak krijgt hij gelijk. In één van zijn laatste boeken ‘De staat van Morgen’ voorziet trendwatcher Adjiedj Bakas een nieuwe Gouden Eeuw. Míts we de boel omgooien. ‘Het mbo moet per direct ophouden met alle administratieve studierichtingen. Leer jongeren een ambacht.’

Tekst Corien Lambregtse Foto Nout Steenkamp

BACK STAGE


26 / 27

Vraag 1: Een nieuwe Gouden Eeuw… Hoe komt u zo optimistisch?

“A

ch, ik ben al bijna vijftig. Ik heb veel dingen die nu gebeuren, al eerder zien gebeuren. Dalende en stijgende huizenprijzen, jeugdwerkloosheid en arbeidsschaarste, het gaat met golven. Het is goed dat we nu weer met onze beide benen op de grond komen te staan. De crisis haalt de lucht uit de bubbels, het wordt tijd voor een algehele reset. En bedenk wel: het is hier nog een stuk beter dan in Zuid-Europa waar de jeugdwerkloosheid boven de vijftig procent ligt. Onze jongeren zijn verwend.”

Vraag 2: Is het mbo in Nederland op een goede manier met de toekomst bezig?

“H

elaas niet, maar dat geldt ook voor het hbo en de universiteit. Studenten worden opgeleid tot onzinberoepen die straks niet meer bestaan, omdat robots en computers het leeuwendeel van al het administratieve werk overnemen. Aan de andere kant krijgen we een enorm tekort aan vaklieden als loodgieters, goudsmeden, schoenmakers en reparateurs. Een loodgieter verdient straks meer dan een manager. Het mbo moet per direct ophouden met alle administratieve studierichtingen en studenten gaan opleiden in vakken waar wel behoefte aan is.”

Vraag 3: Denkt u dat het onderwijsstelsel van het mbo de komende jaren zal veranderen?

“H

et heeft geen zin om jongeren op te leiden voor werkloosheid. Maar dat betekent wel dat zowel ouders als kinderen hun beeld van de arbeids­ markt moeten bijstellen. Er is steeds minder werk voor hbo’ers en academici, we hebben steeds minder managers nodig. Ik voorzie dat mensen tussen de twintig en vijftig jaar de komende jaren massaal moeten worden omgeschoold voor één van die vakken waarin een enorm tekort aan menskracht dreigt. Op dit moment is de pijn van de crisis nog niet groot genoeg en hebben mensen liever een uitkering dan dat ze weer naar school gaan. Maar dat gaat veranderen. Niemand vindt het leuk om zich thuis kapot te vervelen. Mensen willen iets nuttigs doen met hun leven en zullen dan wel voor omscholing kiezen.”

Vraag 4: Mbo-instellingen willen niet langer roc’s heten, omdat die naam een negatieve lading heeft. Hoe kijkt u tegen het imago van het mbo aan?

“D

e wal zal het schip keren. Het wordt tijd dat de arbeiders weer trots door de straten marcheren. Ik voorzie een herwaardering van het ambacht. Misschien moeten roc’s wel weer ambachtsscholen gaan heten. Als iemand denkt dat hij niet geschikt is voor zo’n technische opleiding? Tsja, ik denk dat het meer met de status van die beroepen te maken heeft dan met talent. De meeste mensen hebben meer praktisch talent dan ze denken. Maar door onze opvoeding worden we geconditioneerd om andere beroepen te kiezen.”

Vraag 5: Hoe kunnen mbo-studenten zich voorbereiden op de arbeidsmarkt van morgen?

“V

eel administratieve beroepen verdwijnen, maar er komen andere voor in de plaats. Dat is normaal: negentig procent van de banen die wij nu kennen, bestond in 1900 niet. Er komen tienduizenden banen bij op het gebied van internetveiligheid, web­ winkels en logistiek. En ook in de biobased economy, want straks maken we plastics van plantjes en bacteriën die bij de boer groeien. De jongeren van tegenwoordig zijn ontzettend verwend. Ze kiezen een studie die hen leuk lijkt, zonder te kijken of er later een baan in zit. Of ze dan niet hun hart moeten volgen? Zeker, maar er moet wel een markt voor zijn. Iedereen wil profvoetballer worden, maar dat zit er ook niet voor iedereen in. In Amerika moeten studenten hun studie zelf betalen. Dat kost hen tussen de 50.000 en 100.000 dollar. Daar denken studenten veel harder na of ze die schuld met een baan kunnen terugverdienen. Mijn advies? Jongens, kijk naar de arbeidsmarkt! Er is geen vraag naar pretstudies. Kies voor een studie die een baan oplevert.”

BACK STAGE


Arbeidsmarkt verandert

Het gouden horloge is passĂŠ Tekst Sander van der Ploeg Foto Paul van Riel / HH

BACK STAGE


28 / 29

Het is misschien een harde conclusie, maar toch. Uw vakkennis is hoogstwaarschijnlijk achter­ haald. Maar u bent niet de enige. Zelfs de kennis van pas afgestudeerden heeft al afgedaan. Overdreven? Het is maar hoe je het bekijkt. Werk verandert in een hoog tempo. De eisen van vandaag gelden niet meer voor morgen. Sectoren vervagen, beroepen verdwijnen. Welkom op de vloeibare arbeidsmarkt.

Dit is althans hoe de Pools-Britse socioloog en filosoof Zygmunt Bauman de moderne, Westerse arbeidsmarkt ziet. Deze wordt niet langer bepaald door een eenduidige baan voor het leven. Grenzen tussen vakdisciplines, functies en sectoren zijn ‘vloeibaar’ geworden en nemen steeds nieuwe vormen aan. Gevolg: verregaande flexibiliteit. De bakker van vandaag kan best wel eens de verpleger van morgen zijn, als de arbeidsmarkt daarom vraagt.

het beroepsonderwijs. Want wat heb je aan je specifieke vakkennis als je mogelijk later geheel iets anders moet gaan doen als je sector geen werk meer biedt? Als je vaardigheden niet meer aansluiten bij je huidige functie door de voortschrij­ dende techniek? Is het onderwijs wel in staat studenten te wapenen tegen deze onzekerheden? Of is de vloeibare arbeidsmarkt een hype die de ‘stugge’ werknemer of het ‘rigide’ onderwijs tot meer flexibiliteit moet aanzetten?

Zo’n twintig jaar geleden kon je rustig veronderstellen dat een mbo-student zijn tijdens de opleiding opgedane vaardigheden verzilverde op de arbeidsmarkt. Een goed opgeleide metaalbewerker bijvoorbeeld kon gedurende zijn loopbaan eens promotie maken, maar dat was het dan ook wel. Aan het einde van de rit maakte hij aanspraak op zijn zorgvuldig opgebouwde pensioenpot van de metaalsector. De weg was uitgestippeld.

Versmelting

Als Bauman gelijk heeft, dan is aan deze zekerheid een einde gekomen. Dat heeft logischerwijs grote gevolgen. Vooral voor

Goed, misschien een gemakkelijk gegeven voorbeeld. Maar Koops is overtuigd van zijn gelijk. “Neem Intermediair, het

De vloeibare arbeidsmarkt is geen toekomstmuziek, het is een feit. Dat is althans de stellige mening van Jurriën Koops, directeur Sociale Zaken van de Algemene Bond voor Uitzend­ ondernemingen (ABU). Steeds meer sectoren vinden elkaar, tot versmelting aan toe, zo stelt hij vast. Want als we eerlijk zijn, hoeveel fundamentele verschillen zijn er nu nog tussen bijvoorbeeld de thuiszorg en de schoonmaak?

BACK STAGE


Het gouden horloge is passé vervolg

'De grootste verliezers zijn de zogenaamde structuurzoekers' Dennis Wiersma

vacatureblad voor hoogopgeleiden. Daarin staan de vacatures gerangschikt onder 28 sectoren. Geloof me, de meeste academici realiseren zich niet eens dat ze in een bepaalde sector werkzaam zijn. Die grenzen zijn voor hen al lang vervaagd.” Dat vooral hoogopgeleiden vaker over de schutting van hun vakgebied kijken, vindt Koops een goede ontwikkeling. “Werk moet leuk zijn en een uitdaging bieden, vooral voor jongere werknemers. Als zij aanvoelen dat zij zich op een bepaalde plek niet verder kunnen ontwikkelen en geen nieuwe dingen kunnen doen, dan haken ze af. De moderne werknemer is de regisseur van zijn eigen loopbaan. Een vloeibare arbeidsmarkt biedt daar alle ruimte voor, zoals het hoort. Studenten moeten zich daar als aankomend professionals bewust van zijn.” Dat klinkt plausibel, maar betekent dat ook dat de moderne werknemer, al dan niet gedwongen door economische omstandigheden gemakkelijk naar een totaal andere sector overstapt? Koops: “Onderzoek van het UWV toont aan dat 48 procent van de succesvol bemiddelde werk­ zoekenden dat inderdaad doet. Zeker in deze tijden is van werk naar werk het Leitmotiv. Je moet daarbij niet in hokjes denken. Liever die onzekerheid dan de zekerheid van de WW, toch?”

Foto Marcel van den Bergh / HH

Christoph Meng, senior onderzoeker van het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht, heeft zijn twijfels bij de lezing van Koops. Want overstappen naar een totaal andere sector of ander vakgebied, doe je niet zomaar. “Als je dat doet, dan begin je door je gebrek aan kennis en ervaring meteen onderaan de ladder”, verklaart Meng. “Los daarvan vraag ik mij af wat Koops hiermee bedoelt. Als een medisch secretaresse haar baan verliest, kan ze haar basisvaardig­ heden ook toepassen bij een technisch bedrijf. In theorie stapt ze over naar een andere sector, maar haar dagelijkse werkzaamheden blijven in grote lijnen hetzelfde. Overstappers gaan alleen naar aanpalende sectoren.”

BACK STAGE

opgeleide vakmensen blijft altijd bestaan. Je zou hoogstens meer aandacht kunnen besteden aan de generieke, analytische vaardigheden van mbo-studenten, zodat zij zich sneller kunnen aanpassen aan nieuwe werkzaamheden. “Maar de focus moet altijd liggen op vakkennis”, waarschuwt Meng. “Het mbo moet niet breder worden dan het al is.” Ook Dennis Wiersma, voorzitter van jongeren­ vakbond FNV Jong, zet zijn vraagtekens bij de werkbaarheid en het nut van een vloeibare arbeidsmarkt. Wat daarbij niet helpt, is dat de overheid volgens Wiersma behoorlijk diffuus is over dit verschijnsel. “Het ministerie van Onderwijs hecht veel waarde aan Focus op Vakmanschap en het topsectorenbeleid. Een vloeibare arbeidsmarkt veronderstelt het tegenovergestelde. Hoe kan dat?” Wiersma concludeert dan ook dat de vloeibare arbeidsmarkt vooral voordelen heeft voor academici, met een brede opleiding. “Ik heb zelf Sociologie gestudeerd, een breedtestudie waar je in de praktijk bar weinig mee kan. Toch ben ik nu voorzitter van een vakbond. Maar waar moet de mbo-student die alleen niveau 1 of 2 heeft naar uitwijken als hij geen baan vindt of werkloos raakt?” Het is volgens Wiersma voor 'kosmopolitisch ingestelde, Randstedelijke academici' een stuk gemakkelijker zich aan te passen aan de voort­durend veranderende eisen van de arbeidsmarkt. Doordat ze abstracter kunnen denken, ligt een breder palet aan carrière­ mogelijk­heden voor hen open dat ze ook graag wíllen verkennen.

Grote verliezers

‘Focus op vakkennis’

“De grote verliezers zijn de zogenaamde structuurzoekers”, vervolgt Wiersma. “Onderzoeksbureau Motivaction omschrijft ze als laagopgeleide, negen-tot-vijf-werkers die sterk hechten aan zekerheid. Een vloeibare arbeidsmarkt ontneemt hen structuur en duidelijkheid. Het mbo moet hen bijstaan met steun, sturing en voorlichting, samen met het bedrijfsleven. Dan hebben ook zij een eerlijke kans.”

Zo bezien maakt Meng zich niet al te veel zorgen over de consequenties van de vloeibare arbeidsmarkt voor het mbo. Behoefte aan goed

Het bedrijfsleven heeft inderdaad een sturende rol voor het beroepsonderwijs en wil die


Foto Peter Hilz / HH

30 / 31

verantwoordelijkheid ook graag op zich nemen, stelt Gertrud van Erp, secretaris onderwijs bij werk­gevers­organisatie VNO-NCW. “Ik merk niet zoveel van een vloeibare arbeidsmarkt”, zegt zij. “Maar als deze inderdaad fundamenteel verandert, moeten het bedrijfsleven en het onderwijs daar samen op inspringen.” Vooral de werkgevers houden volgens Van Erp de vinger aan de pols, want trends op de arbeids­markt signaleren, is in principe niet de taak van het onderwijs. Wel verandert sociaaleconomisch gezien de maatschappij in een veel hoger tempo dan pakweg dertig jaar geleden. Modernisering moet je niet willen tegenhouden, vindt Van Erp, “maar het is onzinnig te denken dat het beroepsonderwijs deze transities iedere keer maar kan bijhouden. Als wij als werkgevers duidelijk aangeven waar wij behoefte aan hebben, dan kan het beroepsonderwijs zich richten op haar kerntaak: goede vakmensen afleveren op wie wij zitten te wachten.” Ook werkenden met een mbo-achtergrond hoeven

volgens Van Erp niet meteen wakker te liggen van een vloeibare arbeidsmarkt. Tenminste, als zij maar een ‘economisch courante’ opleiding hebben gevolgd en ook op de werkplek investeren in zichzelf. “Dat vakkennis binnen no time achterhaald is, vind ik echt onzin”, aldus Van Erp. “Zolang je maar de ontwikkelingen in je vak bijhoudt. Werkgevers moeten hun personeel die kans bieden en dat gebeurt al.” Goed, als onderwijs en bedrijfsleven elkaar stevig blijven omarmen en werknemers zich blijven ontwikkelen op de werkvloer, biedt de arbeidsmarkt dan enige structuur en zekerheid? “Intrinsiek is bijna iedere werknemer of student daarnaar op zoek”, concludeert Jurriën Koops van de ABU. “Toch is het een illusie. De zekerheden van vandaag zijn morgen verdwenen. Het gouden horloge als beloning voor een jarenlang dienstverband is passé. Vertrouw niet op de schijnzekerheid van je contract, maar op je vaardigheden, open geest en zelfredzaamheid. Dan komt het goed.”

'De zekerheden van vandaag zijn morgen verdwenen' Jurriën Koops

BACK STAGE


Uitvindingen

Innovatieve mok die van kleur verschiet Tekst Luuk Obbink Foto Ed van Rijswijk

Naam: Yannick de Bekker Opleiding: SintLucas te Eindhoven Product: De Unicup

Buiten is het koud, maar binnen staat er een dampende mok warme chocolademelk op je te wachten. Gulzig neem je een slok…om vervolgens je tong te verbranden. Studenten van het SintLucas in Eindhoven ontwikkelden de Unicup, die bij hitte van kleur verschiet. Verbrande tongen behoren nu definitief tot het verleden. “We hadden acht maanden de tijd om een bedrijf op te zetten, een product te bedenken, te ontwikkelen en te produceren. Dat is gelukt: op de open dag in januari konden we de Unicup presenteren, een rode mok die transparant wordt als je er warme vloeistof in giet”, vertelt Yannick de Bekker (21), manager van het studentbedrijf. “We hebben de mok zelf ontworpen, maar het meest bijzondere is de productietechniek: de mok komt uit een 3D-­printer. We willen hiermee vooral een statement maken: kijk toch eens wat er tegenwoordig allemaal mogelijk is met deze techniek.”

BACK STAGE

NIEUW!!!


32 / 33

De Unicup is vooral handig voor kinderen, om te voorkomen dat ze hun mond branden. “Oorspronkelijk was het idee om een transparante mok te maken, die rood wordt bij warmte. Dat spreekt nog meer aan, maar een kunststof met die eigenschappen bleek nog niet te bestaan."

In de 3D-printer wordt de mok laagje voor laagje opgebouwd, met een biobased draad als basis­ materiaal. De mok kan van kleur veranderen, doordat een thermochrome stof aan het materiaal is toegevoegd. De Unicup is vaatwasserbestendig.

De mok laat vooral zien wat er technisch mogelijk is. Of de vinding ook commercieel interessant is, moet de tijd leren. De productietijd van één mok is nu nog dertien uur, maar moet volgens het studentbedrijf nog fors terug te brengen zijn. Dan gaat de mok € 14,95 kosten.

BACK STAGE


Uitvindingen Innovatieve mok die van kleur verschiet vervolg

De jury…

7 6 Jan Verschoor, chief technical officer bij 3Delft, adviesbureau gespecialiseerd in 3D-printen “Met 3D-printtechniek is inderdaad heel veel mogelijk, maar 3D-printen is tijdrovend en duur. Zo’n mok produceren kun je veel efficiënter doen met bijvoorbeeld spuitgieten. Bovendien is een van kleur veranderende mok niet nieuw. Wel vind ik het altijd een elegante oplossing om een materiaaleigenschap te benutten om een informerende functie aan het product toe te voegen.”

Fons Neger, oud-docent faculteit Industrieel Ontwerpen van de TU Delft en eigenaar van Buro Industriële Vormgeving “Het idee is heel interessant, maar niet nieuw, want er bestaan al mokken die onder invloed van warmte van kleur veranderen. Verder vind ik de hoofdvorm niet erg sterk. Het doet me eerlijk gezegd meer denken aan een bloempot dan aan een drinkbeker. Daar staat tegenover dat de structuur op de buitenzijde best aardig is.”

De conclusie

6,5

De productiemethode van de Unicup is beslist innovatief, maar niet geschikt om de mok op de markt te brengen. Bovendien is het product niet echt nieuw. De uitvinders zijn er wel in geslaagd de bijzondere 3D-print­techniek weer eens onder de aandacht te brengen.

BACK STAGE

6,5 Marieke van den Brink, moeder van Naomi (2,5) en Brenda (6 maanden) “Best handig voor kinderen dat de mok van plastic is, maar is hij niet te breed om goed vast te houden? Zou het niet beter zijn om er een oor aan te maken? Het is goed als kinderen hiermee leren wanneer ze iets kunnen drinken of niet, maar als ouder moet je altijd blijven opletten. Want zo’n waarschuwing is leuk, maar als de kinderen straks denken dat alle mokken zo werken, zijn we natuurlijk verder van huis.”


Pittige taal

34 / 35

Pittige taal van… TEUN DEKKER Tekst José Vorstenbosch Foto Arjen Schmitz

Filosoof Teun Dekker (University College Maastricht) heeft kritiek op de manier van argumenteren in de politiek. Samen met veertien assistenten analyseerde hij documenten uit zeventien landen over de beloning van publieke top­bestuurders. Uit de analyse blijkt dat de argumenten in het beloningsdebat vaak gebaseerd zijn op veronderstellingen.

Waarom dit onderzoek? "In de filosofie worden argumenten op een precieze 'In de politiek en gestructureerde manier benaderd. Die manier van en media gaat het argumenteren wilde ik vertalen naar de politiek. Als om soundbites' casestudy heb ik gekozen voor het debat over top­inkomens. In die discussie worden veel argumenten gebruikt die vanzelfsprekend lijken. Dit Past dit wel bij de huidige tijdgeest? internationaal vergelijkend onderzoek laat zien dat het “In de politiek en media gaat het om soundbites. Twitter heeft onder de oppervlakte vaak veel complexer ligt. Dat maakt het 140 karakters! Ja sorry, daar kan het niet in. Ik zou willen dat mensen moeilijk om argumenten op hun waarde te schatten.” af en toe een stap terug zetten om te kijken wat er achter bepaalde Welke argumenten zijn volgens u steekhoudend? uitspraken zit. Door na te denken over waarom je iets vindt en wat “Het gaat mij er niet om vast te stellen wat je moet vinden, daarvoor de argumenten zijn, stel je jezelf open om verrast te worden.” maar om te verhelderen. Onder de vraag wat een goed bestuurder Uw onderzoek plaatst de discussie over beloning in een nieuw is, liggen drie fundamentele vragen. Wanneer kun je zeggen dat daglicht. Al enthousiaste reacties van topbestuurders ontvangen? twee banen in verschillende sectoren vergelijkbaar zijn? Is een “Nee. Het is natuurlijk een buitengewoon gevoelig onderwerp. Maar goed bestuurder iemand die heel slim is of iemand die het hart ik heb wel gesproken met Kamerleden en ambtenaren. Zij worden op de juiste plaats heeft? En tot slot, wat drijft mensen: geld of bijdragen aan een hoger doel? Als je die vragen kunt beantwoorden, geconfronteerd met emotionele en abstracte vragen uit de samenleving, die ze vervolgens moeten vertalen naar standpunten en beleid. Met kan ik vertellen welke argumenten wel of niet overtuigend zijn.” name ambtenaren hebben behoefte aan iemand die zegt: dit is wat Kunnen onze vertegenwoordigers zo slecht argumenteren? er leeft, hoe kunnen we dat begrijpen?” “Politiek is een manier geworden om je zin te krijgen en niet om Ligt hier ook een taak voor het onderwijs? collectief naar problemen te kijken. Strategisch is het beter om “Mijn studenten hebben vaak allerlei meningen. Als docent vraag ik jezelf terug te trekken in een waas van nevelen dan om je argumenten ze op te schrijven wat hun argumenten zijn en waar ze die op baseren. helder uiteen te zetten. Met dit onderzoek hoop ik de politiek een Zo komen ze erachter waarom ze iets vinden, maar het gebeurt ook spiegel voor te houden. Jullie zeggen dit, maar wat bedoelen jullie dat ze hun mening bijstellen. Dan gaan bij mij de kerkklokken luiden! precies en wat zijn daarvan de consequenties? Als je keuzes kunt Voor het beroepsonderwijs geldt evengoed dat je mensen moet leren uitleggen, creëer je vertrouwen.” hun eigen standpunten en argumenten duidelijk te communiceren. Een professional moet immers weloverwogen keuzes kunnen maken en die kunnen uitleggen.” BACK STAGE


“Rekenen en spellen hebben we met elkaar enorm laten verslonzen. Je kunt dit de docenten niet aan­ rekenen: wij hebben ze zo opgeleid.”

“Je kunt beter aan schilders­ patronen vragen wat de leerlingen aan competenties nodig hebben dan aan mensen van het departement.”

Volgens politiek commentator Martin Sommer wil minister Bussemaker “met zo'n wij-bak” maar één ding zeggen: er zijn geen verantwoordelijken [Volkskrant].

De overheid zit het mbo te dicht op de huid, vindt bestuurskundig hoogleraar Roel in ’t Veld [Profiel].

“Wie bang is dat studenten mislukken door de lat voortaan hoger te leggen, weet in elk geval zeker dat er nooit iemand echt zal slagen.” Volkskrant.nl-columnist Arjan Dasselaar doet een oproep aan studenten om boven de middelmaat uit te stijgen.

“De individuele ontwikkeling als doelstelling van het onderwijs staat onder druk. (…) Wel voeden we steeds meer prinsjes en prinsessen op.” Volgens Niek Rennenberg, docent bij het Wellantcollege, begint goed onderwijs met investeringen en luisteren naar gepassioneerde onderwijsmensen. [Eindhovens Dagblad].

"Net als bij het bed van Procrustes proberen we onze kinderen bij te schaven, zodat ze passen in het onderwijssysteem. Terwijl technologie het mogelijk maakt dit om te draaien." Klassikaal onderwijs is niet voor iedereen een goede manier om te leren, vindt eurocommissaris Neelie Kroes [Financieel Dagblad].

“Ook bestaat het gevaar dat het laatste schooljaar helemaal in het teken gaat staan van oefenexamens en dat de leerlingen 'gedresseerde toetsapen' worden.” Door de aanscherping van de exameneisen in het vo ligt onderwijsverschraling op de loer, waarschuwt Dick te Boekhorst, rector Koning Willem ll College [Brabants Dagblad].

“Allemachtig zeg. Negen ton gemeenschapsgeld uitgeven, omdat mensen 'Rok' zeggen in plaats van Er Oo Cee.” Conrad Berghoef, docent Nederlands ROC Friese Poort, slaat steil achterover van de negen ton die het Summa College betaald heeft voor een nieuwe huisstijl en een andere naam op de gevel [Twitter].

“Een huis koop je ook niet op basis van een brochure.”

"Een kind van acht heeft na vier jaar onderwijs als twaalfjarige nog geen economische waarde."

Piet van Ierland, directeur Marketing en Communicatie bij Fontys, vindt dat toekomstige studenten bij het maken van hun studiekeuze verder mogen kijken dan hun neus lang is [besturenraad.nl].

In de doorrekeningen van het CPB moet elke geïnvesteerde euro in het onderwijs binnen vier jaar geld opleveren. Dat leidt tot kortetermijndenken, waarschuwt Hans Clevers, voorzitter KNAW [nu.nl].

Backstage 20  

Backstage 20