Issuu on Google+

Cannibal Fleuri (1999) Lezing Philippe

TC van DVPAL materiaal (oorspronkelijk VHS)

TC 00.19 00.23 00.27 00.33 05.40 05.51

06.23

06.55

07.24

07.49

08.20 08.50

[titel] PETIT THEATRE presenteert [titel] NOTES D’UN CANNIBALE FLEURI [titel] TEKSTEN VOORGELEZEN DOOR PHILIPPE VANDENBERG INLEIDING door Berlinde? Philippe: Dus de 5 volgende teksten komen uit het boek “De Stand Der Dingen”. Dat zijn teksten die ik geschreven heb in de jaren ’93 tot ’95. De deur. Als de schilder disponibel is, opent hij de deur en het schilderij wandelt binnen lijk een dame op visite. Maar zoiets gebeurt bijna nooit. De schilder heeft zovele sleutels die niet passen op het slot en tenslotte moet hij de deur rammen of open hakken of desnoods in brand steken, om nog net het schilderij om de straathoek te zien verdwijnen. De opdracht. De adder in zijn oog, de adder in zijn hand, daar lacht de schilder om. Hij weet dat adders en schilders één zijn. Jawel, tot samen kruipen gedoemd naar het verschikkelijke besmeurde doek, dat nooit de weg wijst, maar vraagt, vraagt en vraagt. Verloren. Als god zijn eigen zoon nog niet redde, waarom zou hij omkijken naar de schilder? Die zielige, die met gekerm en gesis de verf ten hemelen gooit, altijd maar. En tenslotte uitglijdt in zijn eigen brei en valt op zijn neus. Terwijl god zich geeuwend afwendt. De banneling. Geen kroon zal hem sieren, geen troon hem dragen. Alleen wat modder zal de schilder behagen. Waarmee tot zijn grote onrust De oneindigheid verkrimpt tot het vunzige mengsel Van wat zaad en wat aarde De jacht. Schroef een haak in mijn schedel En hang het doek er aan Schilder een haas op het doek Een pracht van een haas En laat de jagers komen Laat de jagers binnen Laat de jacht beginnen Begin 1996 werd ik als gastdocent schilderen enkele dagen uitgenodigd in een kunstschool in Turnhout en ik schreef er de volgende lezing als een soort initiatie voor de vrij jonge kunststudenten. En deze school draagt de merkwaardige naam: Van Het Heilig Graf. De 7 tochten naar een heilig graf. De wereld is een lunapark... [vervolg zie teksten Philippe] ... Gent, december 1995


16.18 16.45

17.31

18.12

18.57 19.21

Vervolgens verscheen er een bundel teksten en lithografieën in 1995, waarvan ik jullie 3 kleine teksten wou voorlezen. De roeier. Hij die roeit zal zinken Niet door de gaten in zijn boot Noch door de stormen in zijn hoofd Noch door het zout dat zijn ogen uitvreet en hem brengt naar de nacht Hij die roeit zal zinken Door de godsduim in zijn nek die hem plet op de zeespiegel Gelijk u plet een harige vlieg op het vensterglas Hij die roeit zal dan zinken Over de berg loopt het spoor. Over de berg loopt het spoor dat in alle stilte opengebroken ligt te wachten voorbij de kam Tot de dwaze trein het holle gevaarte van de schilder op stampende en gloeiende cilinders omhooggekropen over de kam knikt En dan lijk een zwartharig buitelend beest de berg afdondert En met grote ronde ogen de schilder beseft te laat Dat gods spoor onberispelijk maar vol grillen is De lawine. De schilder rent Hij rent als een haas voor de lawine uit Jawel, god gooit nu met stenen In zijn navrante voorzienigheid, in zijn almachtige bemoeizucht Bewerkt hij de schilder nu eens met tranen, dan eens met stenen Hij houdt van de schilder Kortom, hij houdt hem op de benen En om het eerste deel te besluiten wil ik jullie een brief voorlezen. Een brief die ik schreef in de koude winter van 1996 aan mijn vriend de notaris, aan mijn vriend Jos Thévenin(?) Beste Jos La nuit désire la reine, le roi perds son sang. Gezien omstandigheden van storm en diepe lust lijken de dagen mij helverlicht en de nachten duister als het bloed in de buiken der vrouwen. Of zoals de dichter zou zeggen: la nuit désire la reine, le roi perds son sang. En ik staar naar de bomen waar god zich achter verbergt en vanwaar hij ons laat wegschoppen door een lelijke behaarde engel, telken male we wanhopig vermetel even de schors ervan willen likken of maar even naar die appels nader loeren die daar zo pretentieus en volwaardig hangen te hangen. Als de ballen van de eerste de beste fokstier, fluwelen kwetsballen of zijn dat nu ketsballen? En natuurlijk voelt god zich bekeken en hij trekt zijn buik in zodat hij helemaal verdwijnt achter de stam van zijn boom en eens te meer onzichtbaar is zoals ik hem al ten honderd vermoeiende malen geschilderd heb. Alleen. Alleen een slipje van zijn hemd wappert vanonder godsverborgen kont. De wind plaagt god af en toe. Vanachter de verbergende boom. En ik lach om de door de wind beetgenomen god, maar niet lang lach ik, want staat daar niet geschreven op dat wapperende goddelijke hemdenslipje: lust brengt geen rust. En zoals de dichter zou zeggen: de koning bloedt, de koningin hoedt over de nacht die haar verlangt. En gezien de barre koude van deze winter waar we gevild met emmers licht morsend verloren zitten te graven in onze zielen, blijf ook ik in de grote schilderszaal hier aan de oliekabbel gekluisterd. En laat mijn ogen dwalen over het slagveld rondom mij. En de dood heeft geen kou. En ze zit in de verte op een stoel. Is dat geen tonaix(?)? Voor het grote rode schilderij en de schaduw van haar knokig statuur werpt er een zwarte vlek op en ik denk, tiens, le rouge et le noir. En zij grijnst: Pak het maar, manneke. Nog een werk van mijn hand en ik zucht: het is niet de nood die de wet breekt, maar de wet die de nood breekt tot de dood erop volgt. En ze bekijkt me zittend en rillend naast de pruttelende oliekachel en schudt wervel krakend met haar bleke schedel en giechelend sist ze: geen groter vergiet dan schildersverdriet. Zelfmedelijden is goed voor de schilder. En voegt er kokette pedant aan toe: Als ze er tenminste iets mee doen. En ik zeg: Wat dan? En zij zegt: Dat daar. En ze wijst op de witte muur naar het piepkleine vuile doekje waarop de verbrandde letters: VANITÉ. En ik weet verdomd niet of ze het meent, het lieve kreng.


En van onder de verftafel, die buigt onder het gewicht van zovele ongebruikte verfklodders en versteende knoesten van penselen -ik ben geen echte schilder meer- lispelt de lust. Trouwens, wist u, de lust heeft een spraakgebrek. Dus lispelt de lust: l’homme est un animal triste après l’amour. En ik druk het kleine doekje JOIE tegen de gloeiende oliekachel aan zodat het verschroeit en een prachtige verschroeide scheur door het woord JOIE klieft en daar staat te trillen als een knal van een vrouwenscheur. En de dood draait zich nukkig om, de jaloerse teef en de lust vanonder zijn verfkloddertafel lispelt: Après moi, la tristesse. En wat vermoeid maar toch nijdig om zoveel bemoeials in de schilderszaal, in nota bene mijn schilderszaal, sta ik op en trap per abuis op mijn ziel die daar aan mijn toch nog verfgevlekte voeten als een zwarte kat opgerold voor de oliekachel ligt te snorren. Ah, die vergeet ik ook altijd, en jankend schiet ze door mijn broekspijp omhoog en ik schrijf haastig in het vieze notaboekje, haastig voor ik het vergeet, gezien mijn zeef een geheugen is: Eens de boel verschoten, de spieren gelost, kruipt de ziel uit haar kelder verlost, waar ze gaat schuilen als de klieren huilen. En de lust moppert lispelend vanonder de-mijn-haar verftafel: ’t Is geen zicht van haar te zien kruipen over de ruïnes van ‘t genot. En begint daar een te dood (?) een tapdansje al kakelend vervolgend, ze raapt wat stenen, een appel half rot, wat versplinterd keukengerei en herneemt gedwee haar plaats, haar plaats in de rij, de lange rij voor de poorten van god. En er wordt gebeld en geopend en daar stapt de liefde binnen. En ik denk: Ah, nous voix la quattre, fesons une boulotte(?). De dood, de lust, de liefde en ik de schilder en zonder god. En ik ben blij want de liefde ruikt lekker en ze legt haar angora sjaal op mijn vettig haar. En het ruikt zo lekker dat ik denk en vergeet te noteren in het vieze notaboekje. Er is verder niets te doen dan het bloed te dweilen, de vloer te boenen, de lust van onder de verftafels schoppen en de vloed opnieuw te lokken. En de liefde monkelt, het mokkel: Ah, mon cher, avez-vous fait de neufs? Etonnez-moi. En de dood gnuift achter haar ritselende krant en de lust laat een scheet onder de verftafel en ik denk en ik denk en ik denk. En stamel tenslotte de onbegrijpelijke, maar onweerstaanbare formule: La nuit désire la reine, le roi perds son sagn. En de liefde kijkt mij aan met haar prachtige natte lachende ogen en slaat dan kokette het hoofd in de nek en grijpt mijn onechte schildershanden en duwt ze diepkeels lachend op haar prachtige warme stevige borsten. En doodgemoedereerd stapt de haas de schilderszaal binnen. Alhoewel hoog op poten en de zenuwen toch op springen. Gewoon is dat niet denk ik. Is dit een teken? Ga ik nu verrijzen? En, begint de haas, ik die behoort tot de hoerachtigen, de familie van hert en antiloop, ik die het beeld ben van de veelneuker en de Messias, ik de held van de Vlaamse primitieven, ik de veldheer die lig in de geulen der akkers wanneer de jagers zijn horizonten verduisteren. Dus ík bezoek ú, de onechte schilder, de beunhaas, de sterveling onder de onsterfelijken. En sluit de deur nu, want regent het hagel en vriest het stenen uit de lucht.

27.24 28.13 28.20 28.22 29.06

En zo. En zo zitten de dood, de lust, de ziel, de liefde en de haas op elkaar af te geven in de schilderszaal, in mijn schilderszaal. En de dood tegen de verrijzenis. En de lust tegen de ziel. En de liefde tegen het veel en vreemdgaan neuken. En dan weer de ziel tegen de dood en de Messias, pardon, de haas tegen de lust. En nog. En nog. En ik denk: nu zit ik eens hier niet alleen en het is weer van dat. En ik doe mijn warme jas aan, mijn sjaal, trek mijn wollen muts over mijn onechte schildersoren en stap naar buiten. De gekwelde winter met de hagelende stenen vrieskou en de jagers tegemoet. En eens buiten, wat zie ik? God. God staat niets vermoedend en wijdbeens tegen zijn boom te plassen in een hoge, volle, buigende, dampende straal met alle kleuren van een sublieme miraculeuze regenboog. EINDE DEEL 1 [titel] PETIT THEATRE presenteert [titel] NOTES D’UN CANNIBALE FLEURI (DRIE BRIEVEN) [titel] TEKSTEN VOORGELEZEN DOOR PHILIPPE VANDENBERG Philippe: Ik zal nu het tweede deel beperken tot drie brieven. Drie brieven uit mijn briefwisseling met vrienden. Een eerste brief aan Chris Yperman, een brief die ik schreef vanuit Marseille, waar ik


29.41

toen was, waar wij toen waren. Een paar jaar terug ivm een tentoonstelling die ik daar moest –ja, hoe moet ge dat doen met een tentoonstelling- in het oog houden of zo. Marseille, december 1997 - januari 1998 Lieve Chris Na veel gepieker sleurde hij zijn dochter op het podium, scheurde haar zijden japonnetje van het lijf en sneed haar zonder pardon de keel over. Zomaar. Voor de micro. Agamemnon was moe. Stress dacht hij en ’t vallen van ’t blad. Het was ondertussen voor de ontelbaarste maal herfst geworden. Maar ik denk nog veel meer. De ziel is een rieten mand en in zijn mand smeet hij teveel keien zodat de bodem het begaf en hij, de generaal, rare dingen begon te doen. Enfin, en dat was ook zijn bedoeling, hij bleef the boss en terecht. Want de rest, het volgzaam volk, was slechts een kudde runderen, een troep, een zootje, hun hoeven verzakt in de modder. En hoewel, later nadat de stad ingenomen was en vrouwen er bewerkt waren met alles wat er enigszins in geraakte en aan vleeshaken hingen en er gevoetbald werd met kinderhoofden, ze zich daarna wentelden in hun zogezegd moreel standpunt en hun afkeer voor zijn daad, stak geen enkel zijn poot uit om de kleine Iphigineia te beschermen, te redden van ’t mes. De kleine krijgersdochter toen ze gilde als een uiteraard te kelen jonge zeug, neen ze bougeerde niet en knikte met hun lompe starende en ietwat ontredderde koppen. Enfin, ik bedoel maar, een mens is alleen. En hij die daarenboven denkt is a-priori verloren. Maar waarom? Ik bedoel, hij die door denken gedoemd tot daden overgaat is verloren. De malaise van zijn vader en de zwakzinnigheden van zijn moeder brachten het kleine kind tot gedachten. Een gedachtestroom die niet ophield. Zelfs toen hij schilder werd en dacht gered te zijn. Aanvankelijk was het een beetje, une subnoiserie (?) in het hoofd van het kind dat speelde onder tafel de en besefte in de val te zitten. En het beetje vertakte zich en vertakte zich en de vele vele beetjes nu zwollen en overstroomden de eindeloze vlaktes des kinds geestesvermogen en de gedachten werden een ontembare stroom die zich stortte in de ontzaglijke cascade van het schilderij. En ik denk: gelukkig voor mij, het schilderij heeft mij gered. En toch ben ik verloren, want hij die wordt gered, wordt niet op poten gezet. Neen, op elke redding rust een vloek, die onontkoombaar is als het offer. Iphigineia maakte geen kans. Hamlet was sowieso de kluns en Vincent, ah ja, Vincent. Hij zaagde Theo zijn oren van zijn kop en schoot tenslotte –oh, de prutser- nog naast zijn eigen hart ook. En hier in Marseille, uit de ramen van de in de hoogstad gelegen doelingen, kijkend over de schutse daken die schrap staan als zovele kantingen tegen de vlammende ondergang boven de gindse verre zee die ik niet zie, maar wel voel wegen in haar sas tegen van de dijken, tegen de muren, tegen de mensen hun verstand en kijkend, ja, naar wat? Naar wat ginds weerspiegelt, spoelt in ’t achterland van mijn gezijn, of is dat mijn gevoelig verstand? En dat weergaloos flikkert in dat hemelgedoe zoals flikkerde de aanval op Bagdad by night in 1992 of was dat ‘93 toen die kwakkel van een Bush het Amerikaanse zwijn weer eens waarmaakte? Maar het was wel mooi, al die groene bommen op de nachtstad die net een grote aquarium leek. En ik denk aan u en het meisje dat u mij opstuurde, en waarop ik mij aftrok alvorens ze besmeurd en verkreukt karton aan mijn muur te nagelen. En ik herinner me en mompel een in mijn gedachten genageld kindermeisje, à la manière de chez nous, je plante mes choux(?). Maar il n’y a pas de chez nous et de la manière de on s’entappe comme on s’entappe des véritaux qu’il se font plus sauter et les choux, je les plant quand-meme à grand pénéter dans les chants profonds et abominables de mon ceure. En bij het aanschouwen van zoveel ietwat belachelijks moois in gedachten radend(?) over het maniërisme als de banaalste uitdrukking van onze hopeloosheid, zoniet de domste. Wat dan weer een contradictie is in se, want lomperiken zijn geen hopelozen. En aan de kortstondigheid van de bevruchting en het door de vruchtbaarheid reeds bevatte verval, verval ik en de avond valt. En Bush, of is dat nu die andere kwakkel zal niet over Marseille vliegen met zijn groen laaiende bommen werpende feestmakers. En ik haal mijn liefde uit haar nest en ik kleed haar aan en sleur haar, zij het nog wat nahinkend van de namiddag neukerij, de hoge trappen af, de stille straat op, de zilte nu zwarte stad in. Et je me dis, la peinture m’aide à vivre, mais la peinture ne faciliet pas d’à vie. La guerre a commencé le jour ou la peinture m’a choisi, je vis avec elle dans le maquis et les fois qu’elle se donne à moi, c’est cours instant d’osmose de lumière, de totalité me valle tout les misères. Elle ne me facilit pas les choses au nom. Elle me dresse comme un fauve, mais un fauve qu’on abandonne par après endors de sa cage ou il se sentait dans sécurité. Et endors de la quelle il


devient dangereux. Surtout pour lui-meme. L’abandon me perds et mon rage et la peinture c’est la negation de la perdition tout en l’accentuant. Cette situation est ambigue car elle, qui au fond est la métafore de l’abandonde l’homme par dieu, on est aussi le prix. Elle est ma monnai avec laquelle je paie pour tenir la distance se qui me détruit. L’absence de la divinité et ma vunurabilité d’insect dessous son talons. Elle m’est donné, mais c’est moi qui l’appartiens. En denkend over de uitzichtloosheid van de liefde en het gejakker om haar offers lees ik: l’amour c’est l’infini mis à porter des canches. En Mars, Mars met zijn schorpioenen kliert komt binnen en nest zich in mij, alles verdingend, alles bedervend en een ondraaglijke stulp van pijn, van stekende kwaadheid rekt zich in mijn lijf en maalt zich klauwend als een op hol geslagen vleeskever, een reus, een reus, door mijn achtertuin, mijn bloemen, mijn akkers, mijn limpiele(?) grachten en ik haal uit naar haar, die ik ’s middags maalde en boorde en beet tot ze stuiptrekkend, schuddend en kwijlend en sissend al werd ze gekwakt, geplet op een gloeiende staalplaat. Maar ik deed het en het was dan uit liefde. Tenslotte lag lamgeslagen en nu nog lekkend als een eendenlijk en nog af en toe stuipend op het slagbed, poogt met nog amper schaarse kreeftbeweging op het na de liefde plots gekrompen bed. Elk bed krimpt na de liefde en zijn weidse vlaktes worden kwakjes vuil en smeltende sneeuw. Het tot stilstaan gebrachte gewurgde leven te pakken te krijgen. Alles nog vast te houden, te omhelzen als een in wiegendood weggegleden en zichzelf tot het licht terug optrekkend kind. En Mars, met zijn schild van schorpioenen haalt uit en rukt de pijn uit mij en vlamt het recht in haar hart en de tranen, mijn kind, springen uit haar ogen als perste ik lucht in haar kont. En ik ben reddeloos en zij is pijn en de verachting, mijn verachting, ja voor wie, zwiert en spreidt haar zwart vederen mantel over ons. Prachtig, virtigineus en onontkoombaar. Geen engel zal haar aanraken, ze is van mij en mijn pijn zal ze dragen tot ik de vernieling van mezelf in haar niet meer kan aanzien en verdragen en ik ons zal verlossen, me wentelend om mezelf als een slang en me schamend en beseffend. Alleen door wreedheid kom ik in het reine met mezelf. De wreedheid die mijn leven bekleed en de uitzichtloos van de liefde. En wie de koord in mij breekt, krijgt mij. En ik zeg blind, wie de koord breekt in mij krijgt mij. En zij zegt: je weet niet hoe gelukkig je bent en ze kijkt weg van mij, kijkt ongelovig en woedend door het raam, met oorlogsglas dan nog wel, ver weg, ver weg boven de daken van de zeestad kijkt ze en ze ziet geluk hangen aan de buiken der wolken, wolken lijk koeienbeesten en het geluk is een gewrocht dat spartelt ginds ver voorbij de zuidstad boven de lepiede gevaarlijke zee tussen wolk en horizon. Ongrijpbaar tussen keel en mes. En ik denk: wat is dat nu geluk? En zie eens de madam van Putifar die Daniël bij zijn rekker grijpt en deze onnozelaar piept en spartelt zodat hij bij de leeuwen belandt, die zich geeuwend en met royale degout van hem afkeren. Ja, wat is dat nu geluk? Zelfs een leeuw ziet het niet meer zitten. En zij zegt: leg die molen nu af. En ik vraag: welke molen? En zij zegt: je maalt maar en je maalt maar. Ik wil dat je me pakt en me neukt en hier en onmiddellijk en ik zeg: zie, ook de leeuwen geeuwen en willen van Daniël, de uitverkorene van god en van madam Putifar, niet weten. En zij, ze wordt giftig en smijt op: een ander neuk je wel. En ik beaam: ja, en ik denk: in een andere ballingschap, in een andere kuil, in een andere hel. En ze weent en ik weet: ik zal hier zwaar voor betalen, leeuw of niet. Schilder of niet. En de daad, ze laat mij hiervoor zwaar boeten, ze veegt de hel voor mijn deur en ja, ik maak geen kans. En ook niet de leeuw in mij, die in druppels plassend en met de schilder in zijn nek zijn biezen pakt. Ja, en naar waar? Toch niet naar Egypte zeker, waar ze leeuwen in kuilen gooien en met hun granaten gehakt maken van Westerse schilders. En hier, in Marseille, tracht ik de hel lam te leggen. ’t Is te zeggen, niet te denken aan veel. Maar het weinig dat zich nog verbergt in de hoeken van mijn leeggehaalde hart, slaat me met blikken deksels om de oren en het refrein is: La diponibilité, c’est de la generosité. En we zullen overleven zolang we genereus zijn, de generositeit is de kiem, de oorsprong van het soelaas. Het schilderij functioneert wanneer het geeft. En ik functioneer mezelf gevend aan het schilderij en het schilderij is weer de metafoor, de metafoor van de schenking. Hetgeen het schilderij vraagt is disponibiliteit. Zij is de leerschool van de disponibiliteit, de meesteres van de generositeit. Een schilderij redt een mens. Maar ook zo bekeken, wie soelageert wie? En wie soelageert mij? Ik weet het niet. Ik soelageer mezelf wel eens, maar het echte soelaas is soms ver, heel ver. Ik weet misschien niet wat het is en zie het gewoon niet komen. Trouwens, hoe kan ik weten wat ik nog nooit gekend heb? En als ik mijn lijf soelageer in een of andere dame, wat moet ik dan met het getetter in de kamers van mijn


hart? Wie is zo moedig, zo genereus en zo disponibel om daar eens af te dalen en de boel uit te mesten? Te riskant. Te riskant zegt de dame in kwestie. Kom, geef me nog een beurt en hou uwe zielenrommel maar voor uw werk. Ja, van mijn zielenrommel een werk maken dat mij redt en u soelageert. Ben ik zo tovenaar en is god -of wie is dat nu ook weer- mij geen toer aan het lappen, lachend in zijn multicolore baard om de schilder die achter het soelaas aanrent en het niet te pakken krijgt. En dan maak ik een schilderij, enfin zij maakt mij en geeft mezelf en het schilderij en de dame in kwestie nog een beurt. En nog eens en nog eens en scheel van het onophoudend getetter in mijn lege hart, kijk ik rondom mij over de dame, over het schilderij heen en niets, het helemaal niets, het afwezig firmament lacht mij toe met zijn grote zwarte lege mond. Wie soelageert mij? Ja, dat vraag ik mij nu eens af, zie. En verder: un homme est la somme de ses malheurs. On pourait penser que le malheur finirait par se lasser, mais alors, c’est le temps qui devient votre propre maleur. En hoeveel lijken sleurt de schilder achter zich aan en mee? Aan hemzelf zit er een kadaver vergroeit. Welk kadaver? Wie doet iemand zoiets aan? Ja, en juist dit kadaver, mijn lieve vriendin, zit aan hem vergroeid als een zwam op een boom, als een korst op een wonde, als een gezwel op haken en poten. Oh, oh, geef mij een plaats. Geef mij de tijd. Geef me de kracht om ’t stuk dat nog verder groeit aan mijn wervel in zwarte bloei als een stukgeschoten neger, zachtjes, zachtjes met weemoed(?) los te snijden en in te graven in een winters maar toch teder landschap. Een landschap met wat blauwe heuvels en stukjes mossige rotsen en wat morsige bossen en misschien wat stille sneeuw. Dat zal uitwissen alle sporen, alle herinneringen aan alle kleuren van wat ooit was. Een regenboog van verloren liefde en vergeefse pijn. En hoe fragiel is de mesthoop en hoe subtiel is zijn grote désordre merdique? Of is het mystiek? En wat de merde is: de geliefden van het lijf, zijn niet altijd die van de ziel. Nuance: il y a celle à embarraser, il y a celle à baiser. Nous veulent...(?) tout etre en se ...(?) et puis que faire embarasser en braisé (?) et puis une abaiser qui veut te trainer (?) Mon dieu, ma chère, il ne me reste que le serer du bordelle (?). Embarasser, baiser et payer. Au fond, il ne reste que la promenade, la penser et la digestion. Et tout le reste n’est point fiable, et la passion elle a(?) tout l’idiot. En zo woel ik wat in haar in afwachting. Zij wacht niet en neemt er het hare van. Ik woel en wacht af en wacht af. Geen teken aan de hemel, geen tekening op visite, nog geen zee-egel hier in Marseille. Wat kruimels van woorden. Ik wacht wat in haar. Om 15u30 vaart het schip uit, de waarzegster om de hoek ontvangt de hele dag. Ze drinkt wat wijn, ik droog ons af, ik lig wat, ik wacht, ik wacht nogal wat af. En later, later op het dek van het schip kust ze mij. En ik, ik zie de regen kringen maken in het water voor ik haar voel op mijn handen, mijn neus, in mijn nek en ik denk aan een schilderij uit 1995 toen de val zich voltrok en ik hem dus ook schilderde. De val van de engel, een plons, wat kringen in het water en dan niets... En toen werd ik niet gekust door haar, wel door het schilderij en wel door de engel, net voor hij verdronk. En zoals altijd overvalt mij op weg naar de galerij een misselijkheid die groeit naarmate het moment nadert van wat ik zal noemen ‘de vleesplank-rituelen’. Zij het in Brussel, New York of Marseille, om het even waar, overal put mij uit de misselijkmakende stap naar de banalisering van wat op het atelier is een troost, een lichtstroom, een wakker vuur en nu vervalt en moet vervallen tot wat spuug op de muur, wat modder aan de schoenzolen. Maar wat voor spuug! Wat voor modder! Het gevaar huist erin als een adder in een kruik. En wie zijn hand erin waagt, zal begiftigd worden en gered en genezen zoals ik. Het schilderij zal nooit ophouden. Neen, neen, het schilderij zal nooit ophouden zoals nooit zal eindigen mijn liefde, mijn woede en mijn onstuitbare drang naar de miraculeuze verschuiving van alle wetmatigheden die haar wurgen en met haar mezelf en mijn gehele zijn. En tenslotte. Ik bid en soms helpen ze mij en soms niet. Kunnen ze het zelf niet aan en moet ik mij behelpen met wat ik ben? Bij nader inzien helpen ze me dan wel door mezelf in flagrant des dis(?) te leren kennen. Een zonnevlek deze morgen op de muur. Ik sla ze gade vanuit het bed. Mijn vingers ergens verloren, kiemend in haar. Ik vind het van het mooiste dat bestaat. De zon zien opschuiven, de vlek verglijden en vallen uit het raam en liefde ophouden te bestaan. Ik ben een gelukkig man. Even, ergens, niets is evident. Je genegen,


47.53

48.30

De tweede brief is een brief aan mijn vriend, de schilder Karel Dierickx. Een brief: Philippe Vandenberg aan Karel Dierickx, 10 mei 1998. En die brief is ook ergens een –hoe moet ik zeggen- een soort hommage aan mijn jongste kind, die zijn vader al zolang volgt en zijn vader al in tal van omstandigheden meegemaakt heeft en toch altijd maar klaarstaat voor zijn vader. Mijn beste Karel, Schilders zijn zeldzamer geworden dan de witte neushoorn, hun handen verpulverd tot poeder wordt immers fel begeerd als afrodisiacum en hun gedroogde oren sierden aaneengeregen als zoveel betoverende kralen, de ranke halzen van curatoren en al het overige crapuul dat hun eigen uitwerpselen uitroepen tot koningen van Rome, zoals Caligula dat deed met zijn paard just before de goegemeente het loodzware gif hem dwong zijn zuster te wurgen en zijn eigen bloed te drinken en zo verder, en zo verder. Ja, schilders zijn zeldzamer geworden, bijna onbestaand. En ik mistte je dan ook wel op mijn avondje tapdansen bij methusalem Eva Braun en al de overige clowns, die een schilderij verwarren met een piepshow en opgewonden geraken van twee billen en een banaan en hun kwakje ophouden, wat runderig wachten. Ja, wachten op wat? Ik weet het niet. Dat het eten klaar is of zo? Dat de zon zwart wordt of dat hun staartje verzilverd? Een schilderij is een oefening in geboren worden, dus een oefening in sterven; telkens ik het doek belaag ontsta ik en verga ik, er is geen grotere troost, geen grotere liefde, geen grotere verwondering. Een lange zwarte winter bracht ik door in de schilderszalen, alleen met besmeurde doeken en een kind, een kind dat van mij houdt en mij naar het doek brengt als naar het meer, dat ik telkens oversteek, duwend tegen de golfslag, de windslag, als tegen een deur gekneld door een kreng, als tegen een kreng achter de deur. Aan de overkant moet ik sterven om terug te (mogen) komen, het kind weet dat, het kind wacht op mij en op het schilderij, dat ik misschien meedraag, breng, sleep in mijn net. Er is geen oever, geen riet, geen sompige modder onbekend aan het kind, dat wacht op mij telkens weer, zijn ogen gebundeld, zijn lichaam gericht, zijn stem liggend op de wind. Deze winter is lang en alleen de mens die gebloed geeft herinnert zich, bv. Hoe lang een allene winter duurt; alleen een mens die gebloed heeft herinnert zich de smaak van de buiken der vrouwen en hoe ze zich wentelen om een vrucht dat zal groeien zoals mijn kind. Alleen hij die gebloed heeft zal het schilderij voeden, niet als een roofdier door de tralies van een kooi, maar als een engel op bezoek, voornaam, verwonderd, en onzichtbaar en met herinnering, deze winter is lang, maar de winter verslijt rapper dan wij en de sommige werken die ik meebreng van de oversteek krijgen hem op de knieën, schilderen is de winter op de knieën krijgen. En hier in de grote holklinkende schilderszaal, waar vogels sterven tussen vastgeklodderde penselen kijken de schilderijen naar mij, en soms dek ik ze af, bevreesd door zovele priemende schilderijen-ogen en ik denk zolang het schilderij naar mij niet kijkt is het onbestaand, het verbijsterende moment dat ik haar blik voel priemen is teken dat ze leeft en dus mijzelf naar haar toetrekt. En vroeger, in nog donkerder tijden wilde de schilderijen groot zijn zodat ik ze binnenwandelde als een zwerver, een blinde, een struikelaar en dat was vroeger en ik kijk naar het kind en het kind is groot en ik wandel nu schilderijen binnen, schilderijen niet groter dan mijn hand, ja schilderen is een oefening in wandelen, of schilderen is een oefening in leven, in het bouwen van levens, in het betrappen van levens als zovele momenten van bepaling. Het kind weet dat en wacht op mij die weer sterft en bijkomt in mijn sloep, beulend met wat verf, wat bloed, wat horribele pensées; pensées légères, mais soit, d’ailleurs le corps ne dépasse jamais le port, la mer c’est ailleurs. En mij neerhurkend op straat vóór de grote schilderspoort en turend naar de laatste zonnestralen die breken op de oude stad zie ik de weg, en het kind hurkt zich neer naast mij en zingt: OP WEG IN EEN KOOI IS EEN MAN, ZIJN HANDEN ROOD. En later, wachtend op slaap, schrijf ik neer in het donker: geen kind heeft zoveel gewacht op zijn vader als mijn kind, geen vertrouwen is zó groot, en ’s nachts in de koude holle schilderszaal slaat mijn hart harder en onregelmatiger dan de golven van het meer. Schilderen is een oefening in armoede.


Schilderen is een zo moeilijke oefening in vertrouwen. Aan de overkant is de eenvoud alleen. Ik moet Het halen. Het terugbrengen naar het doek. Iets valt met een doffe klap en nog iets en nog iets. En ik denk hoe fragiel ben ik om hier te mogen aanmeren en dan wandelen, want de kracht van de fragiliteit is groter dan de geste van de heroïek, op schilderijen wordt niet gejaagd, mijn vriend, op schilderijen wordt gewacht, naakt en bloedend en bedekt met puisten. Het lukt me te wachten maar niet te zien. De muur is zo hoog, hoger dan het licht, dat ik vermoed erachter. Niemand verdient dit, alleen de schilder. De wachter is blind, hij doet dit blindelings, ziende mag hij niet kijken. Zelfs Orpheus haalde het niet, de schilder wel. Hij is blind, hij wacht, zijn kijken wordt afgestraft maar zijn radeloosheid zweept hem op en hij moet terug naar het kind. Schilderen is een oefening in onbestendigheid. De tuinen aan de overkant zijn leeg, maar toch zijn het tuinen, hoe kan dat nu? Een tuin zonder bomen, zonder muur en zonder pauw. De zee is teruggetrokken en de schilder moet ver, ver wandelen over het uitgestrekte natte strand naar de lege tuinen. Hij bidt. Hij denkt niet meer aan het kind. Hij houdt zich vast aan de vleugelen der Engelen. Hij is verwonderd nu. Een schilderij is een oefening in verwondering en verwondering is slechts mogelijk als niets meer is wat het was: geen teken, geen stoot, geen wankele stap. De schilder wacht: op een teken? Op een stoot? Op een wankele stap? Neen, nu wacht hij op het trekken van de golven, dat hem terug moet brengen naar de winter, het kind, en de verwarrende avonden zwart als schimmel en koud als lood, verlangend naar een schoonheid die het begin der verschrikking is, nog net door hem te dragen, het schilderij is een oefening in het bereiken. De oevers bepalen de schilder, voorbij de oevers reikt zijn zicht, maar reikt ook zijn moed voorbij de oevers? Want voorbij de oever aan de overkant staat de schilder onder ’t oog dat zweeft boven ’t lege landschap en hij, de schilder, werpt zich de armen omhoog en vraagt: waar is het kruispunt? Waar het kruis? Waar het punt? En het oog omvat de schilder en knippert hem weg, weg in de behaarde zon, in de sneeuwige wolken, in de onmetelijkheid van het lege doek, want: schilderen is een oefening in het bewandelen van een hoek. Het kind kijkt me aan en raadt niet wat in de netten ligt, hij hoeft het niet te weten, want hij weet mij en ik sleep de netten in de schimmige schilderszaal en ledig ze en wacht en wacht, ‘ik heb al teveel gedaan’. Elke overtocht is moeizamer, maar prachtiger, elke tocht is verder af: is het het meer dat groter wordt en de oevers doet krimpen tot strepen? De tochten gaan altijd in andere richtingen, ik roei altijd tegen maar word geduwd naar wat ik niet weet. Schilderen is een oefening in roeien. En ginds, in de door zwaar fluweel verduisterde kamers, mezelf duwend in haar, een wachtende gezellin, dan nog verdwijnt het meer niet en het kind en de oevers en het uiteindelijke schilderij dat wacht op mij, maar waar? Mijn god, mijn engel, maar waar zal ik haar ontmoeten? En misschien ontmoet, ontwaar ik haar hier in dat kolkend en trekkend lichaam, in de meren van haar ogen die me plots aanstaren als ware ikzelf het schilderij heel plots en dan breken in een reutel, een jankende zucht, die een klodderige lijn trekt van zwarte modder door het witte canvas vlak. Er wordt niet over liefde geschilderd, mijn vriend, schilderen is een oefening in liefde. Het net maak ik vast aan een stok en leg de stok op mijn schouder. Het doet een beetje pijn als ik de berg beklim voor het meer en ik denk nogmaals: ik verander dus ik sterf, schilderen is een oefening in sterven. En dat ik moet zorgen dat het kind groot wordt niet tegen de dood, wel tegen de dood van het licht. Je genegen, 58.18

Philippe En ik wou nu dit alles besluiten met een hommage aan een grote vriend en bijna familielid van mij. Een hommage aan Maurice, mijn beste Maurice Wykaert. Tegelijkertijd wil ik dat ook opdragen aan Rob, hier aanwezig in de zaal. En het was de laatste brief die ik schreef naar Maurice. Maurice die toen al gestorven was en die voor mij eigenlijk nooit dood zal zijn.


58.55

Gent, november ‘96 Mijn beste Maurice, Een tijd geleden vertrok je op die grote reis en ik hoorde niets meer van je. Je vertok voor de diepe zomer toen het landschap en het licht nog een perfecte ménage vormden en er nog geen vuiltje aan de lucht was. Nu zijn ze weer uit elkaar. De akkers liggen er opengereten bij, donker en nat als plakken rauwe lever. En het licht, voor zover er nog licht is, duwt de sompige bossen en de tere heuvels met hun nek in de modder. ’t Landschap nu heeft een troebel oog, Maurice, en loert en mompelt in haar eigen. Het zou me niet afgaan. Hier op het atelier gaat het leven verder, moeizaam en fragiel zoals altijd en de schilder danst voor de poorten van de hel. Of zijn het die van het paradijs? Het is om het even, we dansen voor gesloten poorten. Maar ja, je weet het, er valt niets anders te doen dan het puin te ruimen, de lust te lokken en wachten op de tovenaar. In jou Maurice, in mij, in de schilder. De tovenaar die de klus zal klaren, de klus, het licht in de verf jagen. Ik heb hier de grote kachels aangeslagen en zit hier in mijn schilderskleren op mijn schildersstoel en staar naar de grote doeken die mij aanstaren en nog altijd niet van goede wil zijn. En ik denk aan jou en aan onze vriendschap, ons broederschap in schildersmysterie en aan hetgeen ik je moet zeggen maar je niet zal zeggen, aangezien je het allemaal wel weet. Over het schilderij tussen verlangen en afschuw, over het niet meer willen schilderen wat we al weten en al kunnen schilderen, over de oplossing van het schilderij, een oplossing die ongrijpbaar is als een paling in een sloot. Over de disponibiliteit van de schilder en het schilderij dat dan komt binnenwandelen als een dame op visite. Ik zal nooit kunnen zeggen wat jij schildert, ik weet het gewoon niet. Een schilder is een beoefenaar van het mysterie. Het zijn geen landschappen, je schilderijen, en vooral je schildert geen mensen, nee nee, geen mensen, het zijn maar honden die in hun staart bijten. Je schildert ook geen horizon, die lelijke streep die de oneindigheid verdeelt en in onze ogen snijdt. Je schildert iets tegen de paniek, iets tegen het hopenloze scharren dat het leven is. Misschien schilder je gewoon iets tegen de domheid, iets uit vrees voor, tegen de donkerte van de domheid. En je onrust is zó groot, je verweer zó ongewapend en zó ontwapenend. Je weet van die Oosterse monniken boogschutters, die hun doel raken zonder te mikken, zonder ook maar eens naar het doel te kijken. Zij wenden hun ogen ervan af, maar ze zijn de boog, de gespannen pees en de pijn die treft waar ze moet treffen. Zo ben jij, Maurice, jij bent het licht dat flitst naar je doek en valt in de plooien van je tekening. Ah, Maurice, er valt niks te doen. Wachten en wachten en soms eens gaan kijken of het schilderij op komst is. Wij kiezen het schilderij niet, het schilderij kiest ons. En wachten we en wachten we en denken we en labberen we intussen wat in de verf. Wij zijn hazen Maurice. We leggen ons in de heulen der akkers en laten de jagers over onze oren schieten. Zo, mijn vriend, dat is het weer. Wat nieuws dat geen nieuws is, want je weet het allemaal wel. Maar laten we afspreken om naar de schilderijen te gaan kijken. Mijn nieuwe, je laatsten en de allermooiste laten we voor onszelf en onze geliefden. Ze zullen ons helpen niet wanhopig te worden tijdens ’t lange wachten. Kom, kom, laat mij, laat ons niet alleen. Je genegen,

1.03.24 1.03.47 1.04.27

Philippe Vandenberg, 15 november 1996 Dank u wel. Sfeerbeelden. EINDE


1999 nl lecture notes d'un cannibal fleuri [m fi 1735]