Issuu on Google+

Vrije Jaar Liberal Arts 2013-2014 Inleiding in de Psychologie | De moraal van jouw verhaal


Ethiek | De moraal van jouw verhaal

Studiejaar: Trimester : Code:

2013 -2014 1, blok 1 LAB


Programma

: Ethiek; de Moraal van jouw Verhaal

Code

: LAB

Studiepunten

: 5 ETCS

Bestemd voor

: Vrije Jaar Liberal Arts 2013-2014

Docent

: Hans Hoogerdijk, hanshoogerdijk@blcla.nl 0619925585

Versie

: HH2013

2


Inhoud

1. Doelstellingen 2. Programma 2.1 Inhoud 2.2 Werkwijze 2.3 Literatuur 2.4 Planning 3. Toetsing en beoordeling 3.1 Toetsen en toetsmomenten 3.2 Beoordeling 3.3 Herkansing Bijlagen

3


1. Doelstellingen Door het volgen van deze module verkrijg je inzicht in je eigen morele ontwikkeling. Daarmee leer je in vrijheid verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van morele dilemma’s en leer je tevens reflecteren. Na het volgen van deze module ken je de criteria om morele oordelen te kunnen vellen en kun je deze hanteren. Daarmee krijg je instrumenten aangereikt die je helpen een verantwoorde kritische houding aan te nemen t.a.v. belangrijke morele dilemma’s.

Te ontwikkelen competenties: Sensitiviteit: de student ontwikkelt actieve luistervaardigheden en sociaalcommunicatieve vaardigheden; en leert rekening houden met diversiteit aan (culturele) normen en waarden. Teamgericht: de student toont tact, belangstelling en houdt rekening met verschillen in normen, kan tegenstellingen overbruggen, respecteert verschillen in inbreng en maakt daar gebruik van. Inlevingsvermogen: de student toont interesse voor verschillen en evalueert het eigen gedrag op effectiviteit in relatie tot anderen. Past cultuurtheoretische modellen toe op organisaties. Reflecterend vermogen: de student staat open voor andere visies en methoden, vraagt feedback over eigen aanpak en resultaten, beschikt over zelfkennis. Ethisch redeneren en handelen: de student is in staat het eigen denken en doen vanuit ethisch perspectief te analyseren. Door onderzoek te doen naar je eigen morele ontwikkelingen en opvattingen leer je in vrijheid verantwoordelijkheid te nemen ten aanzien van morele dilemma’s. Je hebt inzicht en kennis om te reflecteren op je eigen waarden en normen. Je bent in staat om een verantwoorde kritische houding aan te nemen ten aanzien van essentiële morele vraagstukken en kan de verschillende criteria daarvoor hanteren.

4


2. Programma

2.1 Inhoud Dit project brengt je op een heel alledaagse en praktische manier in contact met hoe je omgaat met waarden en normen. Dat doe je vaker dan je denkt maar niet altijd met je wakkere dagbewustzijn. Iedere dag neem je besluiten en maak je keuzes die direct of indirect te maken hebben met jouw persoonlijke waardesysteem. Je gedrag en de wijze waarop je de wereld en mensen om je heen tegemoet treedt worden in belangrijke mate gestuurd door je morele overtuigingen. 1. Ethiek en moraal: afbakening van de begrippen. 2. Het ‘tijdperk van de zingeving’. Morele opvoeding en gewoontevorming. 3. Omgang met de wereld: (Kennen, beleven , beoordelen). 4. Morele intuïtie , moreel Besef, morele competenties. 5. Emotionele intelligentie: zelfkennis, zelfcontrole, zelfmotivatie, betrokkenheid, empathie. 6. Gewetensvorming: schuld en schaamte in cultureel perspectief. 7. Morele theorieën:- Plichtethiek, Gevolgenethiek, Deugdethiek, Waarden, Normen en Deugden. 8. Verantwoordelijkheid in 3 verschijningsvormen: Deugd- Taak- Aansprakelijkheid. 9. Vrijheid als verantwoordelijkheid.

2.2 Werkwijze De te behandelen onderwerpen worden onderbouwd en geïllustreerd door casuïstiek uit de media (kranten, tijdschriften, televisie, internet) en plenair en/of in subgroepen besproken. Je brengt situaties in uit je eigen leven en bespreekt deze in subgroepen. Dit zijn situaties waarin morele dilemma’s een rol spelen (casuïstiek). Plenair en in subgroepen doe je onderzoek naar jouw persoonlijke waarden en hoe deze sturend zijn in de keuzes die je maakt en hoe deze je biografie richting geven. Het “gevoelig denken” is noodzakelijk voor moreel redeneren. Het betekent dat je leert en je best doet bij jezelf en anderen te achterhalen waarom en vanuit welke waarden of overtuigingen jij of iemand anders iets zegt of doet: op zoek naar sturende overtuigingen.. Je doet in subgroepen onderzoek in een bedrijf, organisatie of instelling naar de aanwezigheid en werking van kernwaarden en morele uitgangspunten. Wat zijn de doelstellingen, waarden en ethische uitgangspunten en hoe komen die tot hun recht in de activiteiten en/of producten van de organisatie en het gedrag van de leiding en medewerkers?

5


2.3 Literatuur Margriet Sitskoorn: Passies van het Brein, waarom zondigen zo verleidelijk is. Uitg. Bert Bakker, 2010 Dick Kleinlugtenbelt, Levenskunst. Bevriend raken met jezelf en de ander. Damon 2010. Jos Kessels e.a. Vrije Ruimte. Filosoferen in organisaties. Boom 2009 Freek de Jonge: de Moraal is van ons allemaal (Volkskrant 1999)

Alternatieve Troonrede Halleh Ghorashi, Hoogleraar diversiteit en integratie- VU, Amsterdam

2.4 Planning Week 1

inhoud Ethiek en moraal: afbakening van de begrippen. Het ‘tijdperk van de zingeving’. Morele opvoeding en gewoontevorming.

Toetsing en opdrachten Reflectief dagboek schrijven en presenteren. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

2

Omgang met de wereld:- Kennen = objectiveren: (Waarheid)

Reflectief dagboek schrijven en presenteren.

Beleven = subjectiveren: (Gevoel)

Casuïstiek: subgroep presentatie.

Beoordelen = normeren : (Juistheid). Lezen: De Alternatieve Troonrede Ghoreshi De Moraal is van ons allemaal – Freek de Jonge

Formuleren en presenteren individuele kernwaarden. Presentaties keuze onderzoeksproject in subgroepen. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

3

4

Morele intuïtie - Moreel Besef- Morele competenties.

Reflectief dagboek schrijven en presenteren.

Emotionele intelligentie: Zelfkennis-ZelfcontroleZelfmotivatie-Betrokkenheid-Empathie.

Casuïstiek: subgroep presentatie.

Veldwerk onderzoeksproject.

Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

Gewetensvorming: schuld en schaamte in cultureel perspectief.

Reflectief dagboek schrijven en presenteren.

Veldwerk onderzoeksproject.

Casuïstiek: subgroep presentatie.

6


Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding. 5

Morele theorieën:- Plichtethiek- Gevolgenethiek – Deugdethiek, Waarden, Normen en Deugden.

Reflectief dagboek schrijven en presenteren.

Verantwoordelijkheid in 3 verschijningsvormen:Deugd- Taak- Aansprakelijkheid

Casuïstiek: subgroep presentatie.

Veldwerk onderzoeksproject.

Peer assessment: de verdeling van Deugden. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

6

Vrijheid als verantwoordelijkheid.

Reflectief dagboek schrijven en presenteren. Presentaties onderzoeksprojecten. Co-assessment: beoordeling van presentaties. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding. Ingezonden brief: toepassing van de Ethische cyclus op een actuele situatie. (Coassessment).

7


3. Toetsing en beoordeling

3.1 Toetsen en toetsmomenten Week 1

Assessment vormen en momenten Self assessment: reflectief dagboek, reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding Co-assessment: reflecties op ontwikkeling, gedrag, houding en aanwezigheid

2

Toetsing en opdrachten Reflectief dagboek schrijven en presenteren. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

Self assessment: reflectief dagboek, reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding

Reflectief dagboek schrijven en presenteren.

Co-assessment: reflecties op ontwikkeling, gedrag, houding en aanwezigheid

Casu誰stiek: subgroep presentatie.

Peer Assessment: groepsreflecties op individuele kernwaarden

Formuleren en presenteren individuele kernwaarden. Presentaties keuze onderzoeksproject in subgroepen. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

3 Self assessment: reflectief dagboek, reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding Co-assessment: reflecties op ontwikkeling, gedrag, houding en aanwezigheid Peer assessment: reflecties en beoordeling van groepspresentatie casuistiek 4 Self assessment: reflectief dagboek, reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding Co-assessment: reflecties op ontwikkeling, gedrag, houding en aanwezigheid

5

Reflectief dagboek schrijven en presenteren. Casu誰stiek: subgroep presentatie. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding. Reflectief dagboek schrijven en presenteren. Casu誰stiek: subgroep presentatie.

Peer assessment: reflecties en beoordeling van groepspresentatie casuistiek

Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding.

Self assessment: reflectief dagboek, reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding

Reflectief dagboek schrijven en presenteren.

Co-assessment: reflecties op ontwikkeling, gedrag, houding en aanwezigheid

Casu誰stiek: subgroep presentatie.

8


Peer assessment: reflecties en beoordeling van groepspresentatie casuistiek Peer assessment: de verdeling van Deugden over elkaar

6 Self assessment: reflectief dagboek, reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding Co-assessment: reflecties op ontwikkeling, gedrag, houding en aanwezigheid Peer assessment: reflecties en beoordeling van groepspresentatie casuistiek Peer assessment: reflecties en beoordelingen van presentaties onderzoeksprojecten Self Assessment: ingezonden brief en persoonlijke evaluatie. Co-assessment: beoordeling van ingezonden brief en overig portfolio door docent.

Peer assessment: de verdeling van Deugden. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding. Reflectief dagboek schrijven en presenteren. Presentaties onderzoeksprojecten. Co-assessment: beoordeling van presentaties. Self Assessment: reflecties op gedrag, ontwikkeling en houding. Ingezonden brief: toepassing van de Ethische cyclus op een actuele situatie. (Coassessment).

Inhoud eind portfolio: 1.

Twaalf geschreven reflectieverslagen.

2.

Formulering van je persoonlijke kernwaarden en hun uitwerking in je dagelijkse keuzen en beslissingen die je maakt.

3.

Het materiaal van jouw subgroeppresentatie over een actueel onderwerp

4.

Verslag van de beoordelingen op jouw subgroeppresentatie die je vanuit de groep hebt gekregen.

5.

Verslag van de Deugden- bijeenkomst en de deugden aan jou uitgedeeld; jouw reflectie daarop.

6.

Jouw “Alternatieve Troonrede�; ingeleverde tekst en/of beeldmateriaal

7.

Eindbeoordeling a.d.h.v eindgesprek en beoordeling van de docent.

8.

Verslag van de groeps eindevaluatie van deze module.

9


3.2

Beoordeling

Portfolio onderdelen

1.

Beoordelingen peer assessment. Beoordeling door de groep op betrokkenheid en zelfreflectie

12 geschreven dagelijkse reflectieverslagen.

2.

Formulering van je persoonlijke kernwaarden en hun uitwerking in je dagelijkse keuzen en beslissingen die je maakt. 3. Het materiaal van jouw subgroeppresentatie over een actueel onderwerp

peer en co-assessment. Beoordeling op zelfreflectie, reflecterend vermogen en ethisch denken en handelen. peer en co-assessment. Beoordeling op teamwork, reflecterend vermogen en sensitiviteit en overtuigingskracht.

4.

Verslag van de beoordelingen op jouw subgroeppresentatie die je vanuit de groep hebt gekregen.

peer-assessment. Beoordeling op overtuigingskracht

5.

Presentatie van jouw “Alternatieve Troonrede�.

Peer assessment.

6.

Eindbeoordeling a.d.h.v eindgesprek en beoordeling van de docent.

co-assessment. Beoordeling op bovengenoemde competenties, aanwezigheid, inzet.

Verslag van de groeps eindevaluatie van deze module.

self-assessment.

3.3 Herkansing Wanneer je door overmacht niet in staat bent geweest om je portfolio compleet en op tijd in te leveren, wordt er in overleg met de docent een vervangende opdracht uitgeschreven, passend in het hiaat van je portfolio. Deze opdracht dient binnen 3 weken na datum van overhandiging bij de docent te worden ingeleverd.

10


Bijlagen

11


Dit is de alternatieve troonrede die Ghorashi 19 september in Lux Nijmegen hield.

Crisis brengt meer dan misère Halleh Ghorashi Hoogleraar diversiteit en integratie VU, Amsterdam

De meeste berichten in de media en in de samenleving over de crisis zijn negatief. Het voelt alsof er geen uitweg is en dat de toekomst er somber uit ziet. Toch heeft de crisis ook een andere kant. Want er kan geen vernieuwing tot stand komen voordat de oude patronen ter discussie zijn gesteld. En dat gebeurt zelden wanneer deze patronen als werkbaar beschouwd worden. Crisis is een waarschuwing die ons dwingt om een pas op de plaats te maken. Dus laten we even pauzeren en onszelf de vraag stellen: wat voor een wereld zijn we geworden? Als we globaal de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw voor de geest halen, dan zien we dat in die jaren zaken als sociale rechtvaardigheid en verbondenheid prominent aanwezig waren. Vele sociale bewegingen in Europa en revoluties in de rest van de wereld werden de iconen van die jaren, toen we jongeren idealisme voor een meer rechtvaardige en solidaire wereld overbrachten. Met de teloorgang van deze revoluties en het afbrokkelen van het socialistische front heeft het geloof in dat idealisme zijn kracht verloren. Vanaf het begin van de jaren negentig lijkt het alsof de wereld stilzwijgend is overeengekomen dat die oude idealen louter getuigen van een hoopvolle boodschap zonder bodem; het zijn idealen die ver van realiteit van alledag staan. Deze overtuiging vormde sluipenderwijs een stevig fundament voor de neoliberale ideologie om haar vleugels te kunnen uitslaan. Sindsdien zien we een onbegrensde en gelegitimeerde - want zonder sterke tegenstand - expansie van deze ideologie van de vrije markt en het individu met onbeperkte vrijheid. De huidige crisis kunnen we op zijn minst zien als een gevolg van de onbegrensdheid van deze expansie. Tegelijkertijd is ze ook een signaal dat deze onbeperkte vrijheid als basisgedachte ter discussie wordt gesteld. Kenmerkend voor de ontwikkelingen van de afgelopen jaren is het losgeslagen individualisme, waarin relationele en sociale banden naar de marge zijn gedrukt. Deze crisis is een aanleiding om juist deze in de verdrukking geraakte relationaliteit weer onder aandacht te brengen. Het onbegrensde vooruitgangsideaal en de daarop gebaseerde gerichtheid op winst kent zijn grondslag in de principes van het modernisme. Al vanaf het begin van de vorige eeuw zijn er filosofische discussies geweest over de veranderende positie van de mens tot de wereld. Kenmerkend voor het modernisme is de geloofde overwinning van het individu op ooit ontembaar gedachte natuurkrachten. De groei van wetenschap betekende meer grip ofwel meer controle op de onberekenbare kracht van de natuur. Modernisme betekende dus dat de mens zich enigszins boven de natuur kon plaatsen en deze kon beheersen. De mens werd verheven tot het centrum van de macht en de bovennatuurlijke machten werden steeds minder nodig, getuige de beroemde uitspraak van Nietzsche dat God dood is. God is dood in de harten van het moderne individu door rationalisme en wetenschap, beweerde Nietzsche. Zijn uitspraak vertolkt de centrale positie die de moderne mens zichzelf toekende in relatie tot zijn omgeving. Vooruitgang en beheersing werden de motto’s. Behalve op de relatie tot de natuur hadden deze ontwikkelingen ook gevolgen op intermenselijke relaties. In deze beginfase van moderniteit was de mens vooral bezig zich te bevrijden van collectieve krachten (zoals familie, traditie en religie) die zijn autonomie ondermijnden. Het denkvermogen van de mens werd de grondslag om zijn toegeëigende rol als beheerder en beheerser van de wereld te bevestigen. In diverse wetenschappelijke discussies van de vorige eeuw zijn niet alleen deze contouren van het modernisme geschetst, maar is ook veel kritiek geuit op de eenzijdige

12


nadruk op rationaliteit en vooruitgangsideaal. Diverse historische gebeurtenissen hebben laten zien dat de mens niet zo rationeel is als gedacht – waarbij vaak de Tweede Wereldoorlog als voorbeeld wordt genoemd - en ook niet zo machtig als gehoopt in de controle van de natuur, denk aan de groeiende milieuproblemen. Sommige theoretici uitten grondige kritiek op de overtuiging van absolute heerschappij van de mens over de wereld door te wijzen op de menselijke beperkingen die in de overheersingdrang vergeten worden. Wie deze beperkingen onderkent, moet onder ogen zien, zo stelt Foucault, dat de mens niet alleen afhankelijk is van natuurlijke krachten, maar daar zelf deel van uitmaakt. Daarom beweert Foucault dat de mens dood is: het absolute geloof in rationaliteit en het beheersbaarheidideaal is niet langer houdbaar. De mens wordt eerder verrast door de onbedoelde gevolgen van zijn eigen daden dan dat hij deze kan voorspellen en sturen. Door de huidige crisis zijn dit helaas niet meer louter abstracte gedachtes van een aantal denkers, maar worden ze onderdeel van de beleving van alledag. De crisis toont meer dan ooit de schadelijke kant van extreme vormen van vrijemarktdenken (de beste verkoper wint) en individualisme (winst maken ten koste van alles). De onvermoeibare uitbuitingskracht van een doorgeslagen financieel systeem raakt de meesten in hun dagelijkse leven. We kunnen hier niet volstaan met het aanwijzen van de schuldige partijen, maar zouden we moeten kijken naar de bredere context. De crisis geeft ons het momentum om deze extreme voorbeelden in een brede context te plaatsen van wat belangrijke sociologen van onze tijd, Beck, Bauman en Giddens, het extreem individualisme noemen. Het individu staat er alleen voor In zijn boek Liquid Modernity (2000) beschrijft Bauman onze laatmoderne tijd als een tijd waarin individuele belangen allesbepalend zijn geworden. De individuele strijd voor autonomie en de bevrijding van natuurlijke macht en collectieve invloeden is zover doorgevoerd dat de balans met het gemeenschappelijke verstoord is. Gemeenschappelijke en publieke issues worden daarom vaak gereduceerd tot individuele incidenten. Hierdoor bewaken burgers bovenal hun eigen grenzen en rechten, zelfs als dit ten koste gaat van die van anderen. Dit is precies waar Tocqueville ons voor waarschuwt: “Selfishness or extreme individualism would dry up the sources of public virtues” (Tocqueville in Bauman 2000: 213). Het oude besef dat een gemeenschap meer is dan de som der delen, lijkt passé; de gemeenschap is louter de som der delen geworden, schrijft Bauman (2000). De groei van egoïsme (met nadruk op eigen ruimte, eigen rechten, eigen portemonnee) heeft de relationele kant die het fundament van elke gemeenschap vormt, zodanig gemarginaliseerd dat mensen hun eigen belang niet meer kunnen relateren aan de grotere verbanden waar ze onderdeel van zijn. Dit is de belangrijkste voedingsbodem geweest voor de extreme vleugels van het neoliberalisme die zich afgelopen jaren met de stille goedkeuring van de meerderheid in de volle breedte hebben kunnen ontwikkelen. Het verlies van relationele vermogens heeft nog een andere consequentie: individuen kunnen ook niet meer rekenen op de gemeenschap als ze haar nodig hebben. De prijs voor de heersende gedachte dat de individuen absoluut vrij zijn in hun keuzes, is dat het individu ook eindverantwoordelijk is voor de eigen daden. Met als gevolg dat oude zekerheden of sociale vangnetten niet meer voldoen, waardoor de sociale onzekerheid groeit. Een andere, voor deze era net zo bepalende ontwikkeling is dat de huidige samenlevingen meer dan ooit een mozaïek zijn geworden van mensen met uiteenlopende culturele achtergronden. De antropoloog Steven Vertovec spreekt van een toestand van ‘superdiversiteit’. Deze toestand is minder geordend en tastbaar dan die in de vorige eeuw. Beide ontwikkelingen, extreem individualisme en superdiversiteit, versterken elkaar, met als gevolg groeiende onzekerheid en onbehagen. Zonder twijfel hebben de aanslagen van 11 september 2001 bestaande negatieve gevoelens jegens vooral migranten uit islamitische

13


landen versterkt. Deze processen voltrekken zich in Nederland niet veel anders dan in andere Europese landen. Maar Nederland maakt wel een eigen, unieke ontwikkeling door in deze bredere, gepolariseerde context. Naast de eigen historische ontwikkeling (waaraan ik in deze korte rede geen aandacht kan besteden) heeft ons land in deze eeuw nog twee politieke moorden (op Pim Fortuyn in 2002 en op Theo van Gogh in 2004) meegemaakt, met extra verharding in de samenleving als gevolg. In de context van deze globale en lokale ontwikkelingen is de maatschappelijke (interculturele) dynamiek in Nederland te begrijpen. Verlangen naar het verleden De groei van onbehagen over de nieuwe ontwikkelingen en het gebrek aan een nieuw sociaal vangnet om met de groeiende onzekerheden om te kunnen gaan, leidt vaak tot een verlangen naar de gezamenlijke wortels. Deze wortels van een gemeenschappelijke natie of gemeenschap moeten fungeren als een nieuw vangnet voor en tegenwicht tegen de onzekerheden van de huidige tijd. Nog nooit zijn er in Nederland zoveel tv-programma’s geweest die iets met Holland in de titel hadden. Het belang van stevige sociale relaties is evident voor het ontwikkelen van een toekomstvisie in deze onzekere tijden. Maar deze gewortelde versie van eenheid biedt slechts schijnzekerheid. Ze bevat bovendien een aantal tegenstellingen die het onmogelijk maken dit gewortelde pad als duurzame oplossing van de huidige onzekerheden en het onbehagen te beschouwen. Ten eerste maakt dit pad categorieën zoals natie, cultuur of traditie weer prominent, terwijl het individu zich daar in zijn strijd voor autonomie nou juist van bevrijd had. Hoe zouden deze oude beperkende categorieën de oplossing moeten bieden voor de nieuwe vraagstukken van deze tijd? Dit terugverlangen naar oude vangnetten is eerder een ondoordachte, reactieve poging tot een oplossing dan een goed doordachte vooruitziende oplossing. Je verschuilen in het verleden kan nooit een oplossing zijn voor de complexe problemen van vandaag. Voor een werkelijk alternatief moet je niet terugkijken, maar lessen uit het verleden gebruiken om vooruit te kijken. Ten tweede maakt de op wortels gebaseerde oplossing de grens tussen groepen met verschillende achtergronden sterker. Een deel van de huidige spanningen in Nederland is gebaseerd op het ongemak en onbehagen rondom de toegenomen culturele diversiteit in de samenleving. Het hameren op oude wortels vergroot juist de afstand tussen de diverse groepen en daarmee de spanning. Daarom biedt dit pad geen duurzame oplossing voor het herstellen van relationele (en vooral onorthodoxe) banden. Ten derde brengt dit pad met nationalisme als manifestatie te veel onaangename herinneringen uit het verleden met zich mee. Een van de lessen van de geschiedenis is dat nationalisme (hoe mild ook voorgesteld) een onwenselijke bron kan worden voor geldigheidsdrang van de meerderheid, waardoor de stem van minderheid onder druk komt te staan. Kortom, het aanwakkeren van nationalistische gevoelens als bron van verbinding en zekerheid heeft eerder een tegenovergestelde werking. Het is gericht op het verleden in plaats van de toekomst, brengt polarisatie tussen groepen in plaats van een gedeelde notie van burgerschap en vergroot bovendien maatschappelijk onbehagen wanneer de beloofde zekerheid een illusie blijkt te zijn. Routes in plaats van wortels Om het gevoel van zekerheid en veiligheid te vergroten hebben we tastbare vormen van verbinding nodig. De nadruk op mijn grens, mijn belang en mijn winst heeft individuen tot atomen gemaakt met een zwak sociaal reflectief vermogen. ‘Zolang ik het goed heb, maakt het me niet zoveel uit hoe het met anderen gaat.’ Deze gedachte vormde het sterkste fundament voor het accepteren van extreem en onverantwoord gedrag van de afgelopen

14


decennia. De enige uitweg is het relationele vermogen van het individu te versterken, zodat de samenleving meer wordt dan de som der individuen. Het terugbrengen van relationele vermogens betekent allereerst een herdefinitie van individuele autonomie door deze niet als absoluut te beschouwen, maar als een continue afweging tussen het eigen belang en het gemeenschappelijke belang. Bijvoorbeeld: Hoe rijk wil ik worden als mijn rijkdom de armoede van anderen veroorzaakt? Wat als mijn consumptiedrang zware gevolgen heeft voor het milieu? Wat als mijn recht op spreken anderen emotionele schade brengt? Het is niet de bedoeling om het individu weer binnen de beperkende banden van collectieve krachten te brengen, maar om pogingen de verstoorde balans tussen het individu en het sociale te herstellen. Ik spreek in dit verband van een relationele autonomie, waarin de grenzen van de individuele autonomie niet absoluut zijn, maar in beweging blijven door gedeelde en verschuivende overtuigingen en door het gevoel van gemeenschappelijke verbondenheid vanuit verschil. Niet het gewortelde pad, maar nieuwgevormde routes kunnen als bron dienen voor het creëren van nieuwe verbindingen. Daarbij vormen hedendaagse vraagstukken die geëngageerde burgers bij elkaar brengen de bron om een gezamenlijk pad te gaan bewandelen. Individuen die voor deze routes kiezen, zijn nieuwsgierig naar nieuwe ideeën, staan open om overtuigd te worden door goede argumenten en geloven dat een sociaal gezonde omgeving de basisvoorwaarde is voor hun individuele ontwikkeling. Daarom is het in hun eigen belang dat ze niet alleen iets halen uit de samenleving, maar haar ook iets teruggeven. Hierna beschrijf ik de condities voor relationele autonomie. Voorbij het zelf In het Nederland van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was solidariteit een van de sterke bouwstenen van de verzorgingsstaat maar nu klinkt solidariteit te ouderwets. In het neoliberale tijdperk, waarin fouten en mislukkingen niet meer aan systemen te wijten zijn, maar aan foute keuzes, is het moeilijker om het draagvlak voor solidariteit overeind te houden. In het tijdperk van extreem individualisme is er geen aandacht voor mogelijke systematische bronnen van uitsluiting of gebrek aan evenredige toegang tot de samenleving. Individuen die daar een punt van maken, worden vaak bestempeld als mensen die slachtofferrol aannemen: ‘Je had gewoon beter je best moeten doen of harder moeten werken.’ Daarnaast is het met zwakke relationele vermogens ook ondenkbaar dat individuen zich solidair opstellen: ‘Waarom zou ik solidair zijn met anderen wanneer ik er niets voor terug krijg?’ Deze punten verdienen kritische reflectie alvorens we aan nieuwe vormen van solidariteit kunnen werken. Hier wil ik terugverwijzen naar Foucaults kritiek op de moderne overtuiging van de absolute autonomie en vrijheid van het individu. Volgens Foucault is het individu nog steeds afhankelijk van de collectieve krachten, alleen is deze afhankelijkheid in het laatmoderne tijdperk veel onzichtbaarder geworden. In veel egalitaire landen zoals Nederland is geen sprake meer van zichtbare klassenonderdrukking die tot uitbuiting leidt of autoritaire machthebbers die hun wil opleggen aan hun onderdanen. Wel worden individuele keuzes beïnvloed door dominante denkbeelden die subtiel doorwerken. Alle geschreven en gesproken taal die tot een bepaalde normalisering van onze gedachten en gedrag leidt - (door Foucault aangeduid als ‘discours’) zorgt ervoor dat de invloed meer fluïde is dan voorheen en daarom ook moeilijker tegen te houden. De dominante denkpatronen in de publieke ruimte bijvoorbeeld beïnvloeden onbewust ons denken en gedrag. Als we in de jaren tachtig dachten dat we solidair moesten zijn met de migranten in ons land of ons wilden inzetten tegen armoede, is het anno 2011 vrij normaal te verwijzen naar de eigen verantwoordelijkheid van deze mensen en te vragen waarom deze mensen niet beter hun best doen? Deze verschuiving in de publieke opinie laat duidelijk zien hoe we als individu toch het product zijn van onze tijd en dat is nou juist de macht van het

15


normaliserende effect van het dominante discours. Denk ook bijvoorbeeld aan de mensen die jarenlang als de helden van vooruitgangsideaal werden omhelst (zo gold Dirk Scheringa van DSB-bank als de gevierde ‘selfmademan’) en na de crisis tot de voorbeelden van extreme zelfverrijking werden gepresenteerd. Om de essentie van de crisis te begrijpen is het belangrijk om onze eigen rol, hoe gering ook, erin te zien. Hoe is het mogelijk, bijvoorbeeld, dat zelfs de meest kritische geesten ongestoord koopgedrag tonen passend bij de extreme consumptiegerichtheid van deze tijd zonder zich af te vragen wat betekent het voor de wereld waarin we leven, als we steeds de beste, de nieuwste en de snelste apparaten willen hebben? Wanneer de bronnen van dominantie of onderdrukking onzichtbaar zijn, het veel lastiger is om de structurele bronnen van ongelijkheid of uitsluiting aan te wijzen. Zeker binnen een discours waarin individuen niet alleen eindverantwoordelijk voor eigen daden worden gehouden, maar ook als de enige schuldigen gelden voor het maken van foute keuzes. Door verzwakte relationele vermogens ontbreekt bovendien het basisgevoel voor solidair zijn met anderen. De verwevenheid van deze drie punten (onzichtbare macht, eigen schuld, en zwakke relationele vermogens) hebben geleid tot gebrek aan draagvlak voor maatschappelijke solidariteit. De grote globale effecten van huidige crisis laten juist zien hoe onrealistisch de gedachte van absolute autonomie is: individuen noch nationale staten zijn in staat om autonome keuzes in absolute zin te maken. Dit betekent dat het lot van individuen in de hele wereld is met elkaar verbonden. En dus is solidariteit in ons eigen belang, want de ondergang van de ander kan ook onze ondergang worden. Bovendien laten recente natuurrampen en de gevolgen van ons vooruitgangsideaal op de natuur zien hoe kwetsbaar en onvoorspelbaar ons bestaan op deze aarde is. Het denken in termen van relationele autonomie biedt hier perspectief, omdat het eigen belang niet tegenovergesteld is aan, maar juist verweven met het algemene belang. De consequentie is dat eigenbelang niet een geïsoleerde, gemakzuchtige en egoïstische invulling hoort te krijgen, maar een dynamische en verbindende betekenis. Ofwel: kies niet wat voor de hand ligt, maar toon durf om verder te kijken. Van comfortzones naar veilige ruimtes Voor het creëren van duurzame veiligheid en geborgenheid passend bij de laatmoderne samenleving hebben we nieuwe vormen van verbinding nodig, verbindingen die niet vanzelfsprekend zijn, maar juist een extra investering vragen. Onze comfortzones zijn gevormd door keuzes die vaak voor ons gemaakt zijn (al willen we dat niet geloven), door onze achtergrond en door wat we vanuit onze ontwikkeling en dominante denkpatronen in het dagelijkse leven vooral gewend zijn te denken en voelen. Ons gedrag en onze voorkeuren en emoties worden door deze vaak onzichtbare patronen beïnvloed. Wat we niet gewend zijn, is vreemd en daar willen we ons tegen beschermen. We kiezen voor het zekere in onzekere tijden. De groepen die in de samenleving als lastig worden beschouwd, horen niet bij onze comfortzone, die willen we liefst buitensluiten. De makkelijk weg is kiezen voor de gemeenschappelijke wortels, want zij voeden onze comfortzones. Kiezen voor routes in plaats van wortels betekent durf tonen om onorthodoxe verbindingen aan te gaan en vandaaruit naar oplossingen te zoeken voor de maatschappelijke problemen die niet bij een of andere groep behoren, maar bij onze samenleving als geheel. Deze op routes gebaseerde lichte gemeenschappen (in tegenstelling tot de vaste of zware gemeenschappen van vroeger) ontstaan wanneer individuen vanuit hun engagement met publieke vraagstukken tot elkaar komen en samen een pad willen bewandelen (zie ook Hurenkamp & Duyvendak 2008). Deze gemeenschappen kunnen op diverse manieren tot stand komen, bijvoorbeeld rond het samen oplossen van gesignaleerde problemen of vanuit de behoefte aan verbinding rondom sociale vraagstukken. Ze zijn de belangrijkste verbindingsvormen van de huidige tijd, omdat ze net zo fluïde zijn als het tijdperk waarin we

16


leven. Hun bestaansreden is afhankelijk van hun functioneren en de ruimte die ze bieden aan burgers die voor een gezamenlijke oplossing van hun dilemma’s kiezen. Een voorbeeld van zo’n gemeenschap is community Veranders. Na de aanslag op Theo van Gogh in 2004 kwam een aantal ex-vluchtelingen (onder wie ik) en vrienden van vluchtelingen − mensen die jarenlang veel geïnvesteerd hebben in het welzijn van vluchtelingen in Nederland − bij elkaar omdat ze zich zorgen maakten over het groeiende negatieve klimaat in de samenleving. Er was behoefte om als geestverwanten bij elkaar te komen, op zoek naar een positief alternatief. Het scheppen van een veilige ruimte zou als alternatief moeten dienen voor de negatieve doorwerking van het klimaat. In deze veilige ruimte kwamen steeds meer mensen (uit diverse achtergronden) bij elkaar om samen te praten, te eten en van muziek en dans te genieten. Tijdens de bijeenkomsten werd geprobeerd inhoud en gezelligheid te combineren. De intensiteit van de bijeenkomsten is in de loop van jaren verminderd, maar Veranders heeft wel zijn werking gehouden als een netwerk dat verschillende functies voor de groep vervult. Vertraagde tussenruimtes voor verbinding De vluchtigheid van de huidige laatmoderne tijd brengt ongeduld met zich mee. De kunst is om geduldig met dit ongeduld om te kunnen gaan. Dat kan onder meer door te vertragen en ruimte te maken voor interacties waarin verhalen gedeeld kunnen worden. Het vertragen beschermt ons tegen wat Eriksen (2001) ‘de tirannie van de tijd’ noemt. Want ‘snel gaan betekent ook snel vergeten’, zoals Lyotard ooit treffend heeft geformuleerd. Door de snelheid van ons handelen vergeten we vaak de details en de veelvoud om ons heen te beleven en te waarderen. Door vertraagde tussenruimtes te creëren geven we verhalen de kans om gehoord te worden. De deelnemers schorten hun oordeel en overtuiging tijdelijk op en maken ruimte om onbevooroordeeld te luisteren. Zoals De Boer stelt, is het niet mogelijk naar de ander te luisteren zonder eerst bij onze eigen overtuiging tijdelijk een vraagteken te zetten. De Boer formuleert treffend dat zonder opschorting van het eigen oordeel discussie geen zin heeft en zonder overtuiging heeft de discussie geen inzet. Wanneer de persoonlijke overtuigingen in de context van een levensverhaal verteld en gehoord worden, bieden ze een breder perspectief voor identificatie dan in discussies waarin meningen centraal staan. Onbevooroordeeld luisteren maakt de ruimte veilig genoeg om ervaringen in openheid te delen. Door het vertellen van verhalen delen mensen hoe ervaringen in het verleden doorwerken in het heden en richting geven voor de toekomst. In deze doorkruising van verschillende tijden en contexten delen mensen door verhalen mooie en minder mooie herinneringen, momenten van sterkte en kwetsbaarheid, pijn en vreugde overwinning en verlies. Door verhalen krijgen mensen toegang tot een zo compleet mogelijk beeld van de ander. Hierdoor doet de ander een appel op ons om met een gezamenlijke reis te beginnen; een reis die afwisselend momenten van identificatie, distantie, ontroering en (on)begrip kent. Verhalen geven ons de kans om ons te bevrijden van vaste positiebepalingen en vanzelfsprekende doorwerking van dominante denkpatronen in ons oordeel en handelen. Het geeft ons de kans om onze eigen comfortzones te verlaten en binnen de gecreëerde vertraagde veilige ruimtes, de wereld in zijn complexiteit te horen en te aanschouwen. Door het delen van verhalen komen emotionele verbindingen tot stand zonder dat overtuigingen gedeeld hoeven te worden. De ontstane verbinding creëert de nodige openheid en die is basisvoorwaarde voor een constructieve discussie tussen diverse overtuigingen. Een gesprek dat vanuit verbinding plaatsvindt, kan diverse uitwerkingen hebben: het kan tot verschuiving van overtuigingen leiden, maar ook leiden tot wat Rawls (2001) ‘overlappende consensus’ noemt. Hiermee bedoelt Rawls dat in een open samenleving diverse groepen het niet over alles eens hoeven te zijn, maar wel over de meest essentiële zaken. Welke deze essentiële zaken dan zijn, zou uit de discussie moeten blijken die volgens Iris Young (2002) op een democratische basis van redelijkheid gevoerd moet worden. Dat wil zeggen dat burgers open minded de discussie in en aangaan en zich niet hoger of beter dan de ander

17


achten. Een zojuist veronderstelde verbinding vanuit verhalen verhoogt dit niveau van openheid, gelijkheid en redelijkheid vooral tussen de leden van de groepen die maatschappelijk gezien ver van elkaar lijken te staan. Gemeenschappelijkheid zonder nationalisme In deze onzekere tijden is het creëren van bronnen van zekerheid belangrijk. Duurzame zekerheid passend bij de vluchtigheid van het huidige tijdperk is alleen mogelijk als individuen hun eigenbelang relationeel vorm kunnen geven. Dit betekent dat het moderne individu naast eigen krachten ook eigen kwetsbaarheden; naast eigenbelang ook dat van anderen erkent en dit als voorwaarde beschouwt voor het tot stand brengen van nieuwe verbindingen. In deze rede heb ik me vooral tot de nationale context van sociale relaties beperkt. Ik heb beargumenteerd dat de huidig financiële crisis ons leert dat we onze oude idealen zoals solidariteit en rechtvaardigheid hard nodig hebben, maar met enige laatmoderne aanpassingen. Deze idealen zijn belangrijke condities voor het herstellen van de relatie van het individu tot zijn omgeving. Door verder te kunnen kijken dan het zelf kan het gemarginaliseerde relationele vermogen van het individu worden hersteld. Door het creëren van nieuwe veilige ruimtes (ofwel lichte gemeenschappen) kunnen we gemeenschappelijke bronnen vinden die als basis kunnen dienen voor nieuwe sociale verbindingen. Het gaat hier om gemeenschappelijkheid zonder nationalisme. De basisaanname is dat ‘beschaafde samenlevingen inherent pluralistisch zijn en dit houdt in dat samenleven wordt voorgesteld als een constante onderhandeling over en verzoening van het verschil’ (Bauman 2000: 177, eigen vertaling). Op deze manier is eenheid geen uitkomst van statische of opgelegde verbindingscondities gebaseerd op wortels, bloed of etniciteit, maar een proces van maatschappelijke dialoog en onderhandeling. In het huidige laatmoderne tijdperk zijn het hervinden van sociaal vertrouwen en de zoektocht naar nieuwe vormen van fluïde, lichte gemeenschappen centraal onderdeel van het ontdekken van nieuwe bronnen van verbinding. Het is daarom passend om onze idealen niet te vergeten, want een samenleving zonder idealen heeft geen ziel en idealen zonder realistische mogelijkheden zijn leeg, zoals Giddens ooit gezegd heeft. We hebben idealen nodig die ons een leidraad geven voor het vitaal houden van ons verantwoord handelen in relatie tot de medemens, de wereld en de natuur. Literatuurlijst Bauman, Zygmunt. Liquid Modernity. Cambridge: Polity Press, 2000. Beck, Ulrich. Risk Society: Towards a New Modernity. London: Sage Publications, 1992. Boer, Theo de. Tamara A., Awater en andere verhalen over subjectiviteit. Amsterdam: Boom, 1993. Eriksen, Thomas Hylland. Tyranny of the Moment: Fast and Slow Time in the Information Age. London: Pluto Press, 2001. Giddens, Anthony. Modernity and Self-Identity: Self and Society in the Late Modern Age. Cambridge: Polity Press, 1991. Hurenkamp, M.E.A. & J.W. Duyvendak. “De zware plicht van de lichte gemeenschap”. Krisis, 28, nr. 1 (2008): 1-14. Rawls, John. Justice as Fairness: A Restatement. Cambridge: Harvard University Press, 2001. Vertovec, Steven. “Super-diversity and its implications.” Ethnic and Racial Studies, 30, no. 6 (2007): 1024-1054. Young, Iris Marion. Inclusion and Democracy. Oxford: Oxford University Press, 2002 [2000].

18


19


De moraal is van ons allemaal OPINIE, FREEK DE JONGE Volkskrant 14 februari 1998. Geld werd God, betoogt Freek de Jonge, Zijne Schijn Heiligheid. Armoede werd het Schijntaboe en liefdadigheid het Schijnoffer. De politiek kan slechts voorwaarden scheppen, maar kunstenaars zijn de laboranten van de moraal. Zij moeten op de voorgrond treden. WIE alleen op een onbewoond eiland woont, hoeft zich niet aan regels te houden. De voortgaande individualisering van de mens, zijn steeds luidere roep om nog meer vrijheid is een hunkering naar die ervaring. Zijn probleem van nu is dat hij zich heen en weer geslingerd voelt. Van de ene kant neemt zijn emancipatie, en het daarmee gepaard gaande gevoel van niet gebonden te zijn aan regels, toe. Anderzijds maakt hij deel uit van een uitdijende massa waarin hij vaststelt dat de regelgeving tot in het belachelijke wordt doorgevoerd. De auto verschaft het individu die beoogde onafhankelijkheid van plaats en tijd, maar duwt hem ook in de bijna onontwarbare milieuverontreinigende verkeersknoop van voorschriften en regels. Waarom overtreed ik de snelheidsregels? Is dat alleen omdat het vermogen van mijn auto niet in balans is met de gestelde grenzen? Is het mijn gevoel van vrijheid dat getart wordt? Komt het doordat de regels gemaakt zijn door een overheid die ik niet ervaar als onbetwiste autoriteit? Komt het doordat de sanctie toch door de bv betaald wordt? En waarom rijd ik in de stad dan wel moeiteloos vijftig of minder? Zie ik dan meer de gevaren? Ervaar ik opeens beter het a-sociale van mijn gescheur? We leven in een tijd waarin de mens meer dan ooit zijn individuele wensen tot in het extreme kan verwezenlijken. Behalve dat we tot het nostalgische inzicht zijn gekomen dat heen en weer gaan op een plankje aan twee roestige kettingen ons dichter bij het beoogde geluk brengt dan de reusachtige schommel in de Efteling waarin wij met zo'n tweehonderd anderen heen en weer geslingerd worden, groeide het besef dat het voor de wereld als bron van alle leven niet op te brengen is dat ieder individu op aarde zijn droom realiseert. Aangezien het een algemeen aanvaard idee is dat iedereen evenveel recht heeft op alles zullen we moeten nadenken over de verdeling van wat ons ter beschikking staat. Dat doen we op basis van een moraal (ethiek), een leer van zedelijke beginselen en normen in het algemeen. Kant onderscheidt moraliteit en legaliteit. Het zich houden aan de verkeersregels doet men plichtmatig (legaliteit), ze opstellen komt voort uit licht (moraliteit). In elk stadium van de ontwikkelingsgang der mensheid is die moraal tamelijk duidelijk geweest. Voortkomend uit een algemeen beleden religie was er meestal een besef over wat wel en niet kon. Vaak was er een direct verband met de simpele praktijk van het overleven. In de driehoek die de moraal omvatte stond God (of de goden) bovenaan als de onbetwistbare autoriteit, die beschikte over leven en dood. Aan de basispunten stonden aan de ene kant het Taboe, dat wat God (op leven en dood) verboden had en aan de andere kant het Offer, de mogelijkheid tot verzoening met God (de relativering van leven en dood). Ketters tornden meestal aan de onderste twee punten. Ze bespotten de hypocrisie van de Taboes of kapittelden de uitwassen van de offerrituelen. Aan het bestaan van God twijfelden ze aanvankelijk niet, noch aan de noodzaak van een moraal. Integendeel ze waren vaak de trouwste wakers over die moraal (Luther, Calvijn).

20


In de twintigste eeuw is de geestelijke ontwikkeling van de mens en zijn verhouding tot de moraal door een aantal factoren in een enorme stroomversnelling geraakt. Het bericht dat God dood is, is tot in de poriĂŤn van de provincie doorgedrongen. Alle taboes werden in hoog tempo ontmaskerd en het offer werd geridiculiseerd. De moraal werd als knellend ervaren en afgeschud. Zo kwam de weg vrij voor het bandeloze materialisme. Geld werd God, Zijne Schijn Heiligheid, armoede het Schijntaboe en liefdadigheid het Schijnoffer. Het fascisme heeft voor eeuwig een einde gemaakt aan het idee dat de mens in wezen goed is. Sindsdien bestaat er van nature een wantrouwen tegen ieder soort autoriteit. Nooit meer Befehl ist Befehl! De teloorgang van het communisme tenslotte heeft er voor gezorgd dat het idee dat de politiek in staat is idealen te verwezenlijken als een illusie moet worden beschouwd. Ondertussen leeft de westerse mens in een verleidelijke welvaart die het hem mogelijk maakt zich binnen de massa volledig te isoleren. De individualisering heeft van iedereen een kettertje gemaakt. Het bindend element, de moraal, is weggevallen omdat de verantwoording naar God niet meer hoeft en de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor elkaar niet meer wordt gevoeld. Dus als ik in volle bewustzijn de (verkeers)regels overtreed, accepteer ik de bekeuring als ik gepakt word of neem een dure advocaat die altijd wel een procedurefout weet te ontdekken om mij vrij te pleiten of verlaat ik het land waar ik me te veel gedwarsboomd voel. De moraal van de kerk is achterhaald, de moraal van de machthebbers is in het beste geval een ordentelijk gehandhaafde legaliteit, het onderwijs zit te zeer verstrikt in zijn eeuwig durende verbeteringsproces om de jeugd te stichten, de media zijn ofwel gebonden aan hun sponsors of zitten vast aan de conventies van de structuur (het is het ik-tijdperk, zeggen de journalisten; het is het journalisten-tijdperk zeg ik), de satirici zijn doodgeknuffeld en de kunstenaars hebben zich van de massa afgewend. Het is dan ook niet zo vreemd dat het fundamentalisme in allerlei vormen zoveel succes heeft, omdat het beeld van een zwalkende, corrupte, mensonterende, lege, seksueel ontspoorde, zuiver op gewin gebaseerde samenleving koren op de molen is van boetepredikers. Dat ik niet geloof dat de politiek ons de benodigde moraal kan verschaffen zal u duidelijk zijn. Ik zie de politici, zoals eigenlijk al sinds Lubbers het geval is, meer en meer de bv Nederland runnen. Wat moet de politiek dan wel doen om er voor te zorgen dat de mensen zich veiliger en gelukkiger gaan voelen? Niet nog meer regels maken of de regels beter handhaven. Ook geen geldverslindende, kosmetische reclamecampagnes voeren om het falend beleid te rechtvaardigen. Het instituut woordvoerder afschaffen die het tegenovergestelde heeft gebracht waarvoor het bedoeld was. De politiek heeft tot taak aan de geĂŤmancipeerde burger duidelijk te maken wat voor baat hij er bij heeft als hij zich aan de regels houdt. Waarom het vanzelfsprekend en ook nog eens verstandig is om sociaal te zijn. De politici geven het goede voorbeeld door soeverein te zijn, van onbesproken gedrag en hun meningsverschillen niet via de media te spelen. De hypocrisie aanpakken. Als je drugs verbiedt, verbied je alcohol ook. Als je sigarettenreclame verbiedt, verbied je McDonaldsreclame ook. Als je een vredesleger aanbiedt, vecht iedere soldaat zich dood voor de vrede. Hoe kan de politiek iets van moraal terugbrengen in de samenleving? Door de Gouden Driehoek te herstellen. Liefde (voor de natuur en de gemeenschap) is de absolute maatstaf. Het verwerven van gewin ten koste van de aarde of een ander is het Taboe en het Offer geldt mensen, dieren of planten en kunstwerken die om wat voor reden dan ook behoefig zijn. De politiek moet voorwaardenscheppend zijn. Ze moet niet teruggrijpen op door de tijdgeest ondermijnde instituten als het gezin, maar juist laten onderzoeken hoe we met elkaar willen samenleven. De kunstenaars, als laboranten van de moraal, dienen een vooraanstaande plaats te krijgen in de maatschappij. Het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, inclusief de alpha-

21


vakken, die voor een theoretische onderbouw van de moraal zorgen, moet prioriteit gegeven worden in de begroting. De politiek heeft tot taak dat iedereen betrokken wordt en zich betrokken voelt bij de samenleving. Dat kan niet door het zwaartepunt bij de economische vooruitgang te leggen. Betrokkenheid ontstaat als de mens ieder moment van zijn bestaan bewust kan leven. De politiek dient gelovigen te prikkelen en ketters te koesteren. En ze moet om te beginnen de auto's laten afstellen op zestig kilometer per uur. Freek de Jonge is cabaretier en columnist van Het Parool

22


Waarden, normen in internationaal perspectief. Strodtbeck en Kluckhohn Strodtbeck en Kluckhohn geloofden dat er een aantal problemen zijn waar iedere maatschappij mee te maken heeft. De oplossingen voor de problemen zijn "waarde oriëntaties" (value orientations), die gebruikt kunnen worden om het dominante waardensysteem van een maatschappij te omschrijven en onderscheid te maken tussen maatschappijen. Er worden vijf "value orientations" onderscheiden, die gebaseerd zijn op de relatie tussen individuen en groepen met natuur, relaties tussen individuele personen in de samenleving en groepen met de natuur. Volgens Strodtbeck en Kluckhohn moeten alle leden van een bepaalde cultuur antwoord geven op vijf belangrijke vragen. Op elke vraag zijn er drie antwoorden mogelijk. Het gaat om de volgende vragen: • • • • •

Wat is de menselijke natuur? (mensvisie) Wat is de relatie tussen mens en natuur? Wat is de relatie tussen mensen? Welke persoonlijkheid heeft de voorkeur? Wat is de oriëntatie op tijd?

In het volgende schema zijn de opties inzichtelijk gemaakt.

Mens visie Relatie tussen mens en natuur Relatie tussen mensen Persoonlijkheid Tijdsorientatie

In essentie goed

Mix tussen goed kwaad

Mens domineert

Harmonie

Individualisme

Collectivisme

Doen

Spirituele groei

Toekomst

Heden

23

In essentie slecht Natuur domineert Connectie met voorouders Zijn Verleden


Culturele verschillen in waardensystemen volgens Maslow en Pinto.

Maslow

Pinto

Piramide van Pinto Prof dr. David Pinto is hoogleraar interculturele Communicatie. Volgens hem past de bekende “piramide van Maslow” bij het Westen. Deze piramide is een behoeftehiërarchie. De hoogste behoefte is zelfontplooiing. Tegenover de piramide van Maslow stelt Pinto een piramide die past bij Oosterse culturen. Eer staat bovenaan de piramide. Hieronder verstaan we het voorkomen van gezichtsverlies, schaamte en eeraantasting. Een belangrijk verschil tussen de piramide van Maslow en de piramide van Pinto is dat bij de laatstgenoemde het eigenbelang ondergeschikt is aan het belang van de groep. F-cultuur en G-cultuur Voorts maakt Pinto een indeling tussen F-culturen en G-culturen. Het is een tweedeling tussen de westers een en niet-westerse culturen. Er is bezwaar tegen deze indeling, omdat het een omschrijving van culturen creëert die niet bestaat. Daarnaast worden de verschillen benadrukt, maar de overeenkomsten worden buiten beschouwing gelaten. Bovendien bestaan er ook binnen een cultuur verschillende culturen. G-cultuur In een grofmazige cultuur zijn er algemene gedragsregels. Ieder individu vertaalt de gedragsregels naar zijn eigen, specifieke situatie. Westerse landen kennen een grofmazige cultuur oftewel G-cultuur. De G-cultuur wordt ook wel de ik-cultuur genoemd. Individualisme neemt een belangrijke plaats in. F-cultuur Een F-cultuur is een fijnmazige cultuur. Er zijn gedetailleerde regels, die een voorschrijvend karakter hebben. Er is weinig ruimte voor het individu. De F-cultuur is de “wij”-cultuur, die collectivistisch van aard is. Waarden, normen en regels die met name in de familie gelden, spelen een belangrijke rol.

24


Driestappenmethode In de interculturele communicatie kunnen er problemen ontstaan, omdat mensen bijvoorbeeld gedrag verkeerd interpreteren. Het volgen van de driestappenmethode (Pinto) is een randvoorwaarde voor een succesvolle interculturele communicatie. • • •

Het kennen van cultuurgebonden waarden en normen uit de eigen cultuur Het kennen van de cultuurgebonden waarden en normen uit de andere cultuur Omgaan met de verschillen F - CULTUREN

Groepsgerichtheid

G - CULTUREN 1. Het individu en zijn omgeving Individualiteit

Extern geweten

Intern geweten

Externe remmingen

Interne remmingen

Schaamte

Schuld

F - CULTUREN Groepseer • familie • eervol gedrag/rol • zichtbare rijkdom • sekse • leeftijd:eerbied voor ouderen • vrouw onderwerp familie-eer

G - CULTUREN 2. Status en aanzien Persoonlijk succes • prestaties • persoonlijkheid • innerlijke rijkdom

opvoeding: • angst voor schaamte • lijfstraffen • tonen van respect • kennen van plaats in groep

opvoeding: • angst voor schuld • discussie en uitleg • nadruk op gelijkheid • ontplooiing individu • mondigheid

scheiding mannen en vrouwenwereld/taken

geen scheiding van seksen

25


Hofstede: interculturele communicatie Hofstede is een belangrijke grondlegger van theorieën over interculturele communicatie. Het gaat daarbij om de “culturele dimensies”, die verschillen tussen culturen aangeven. Andere wetenschappers die onderzoek hebben verricht op het gebied van interculturele communicatie zijn Pinto, Kluckhohn en Strodtbeck. Toepassing cultuurdimensies Hofstede De cultuurdimensies van Hofstede worden toegepast in verschillende disciplines. Zo worden ze gebruikt om een verandering in een organisatie te implementeren. Ook voor een cultuuraudit binnen een organisatie is het een handig instrument. De cultuurmeting levert inzichten op met betrekking tot de organisatiecultuur. Daarnaast worden de cultuurdimensies van Hofstede ook toegepast in de marketing – en reclamewereld. In een land waarin collectivisme een belangrijke rol speelt, spreekt een reclame waarin een appel wordt gedaan op individualisme, niet aan. Cultuurdimensies Hofstede Hofstede heeft de cultuur van zeventig landen onderzocht. Op basis van zijn bevindingen heeft hij vijf cultuurdimensies vastgesteld, die de verschillen tussen landen benadrukken. Hofstede onderscheidt de volgende cultuurdimensies: • • • • •

Machtsafstand Individualisme vs. collectivisme Masculiniteit vs femininiteit Onzekerheidsvermijding Tijdsoriëntatie

Machtsafstand De eerste cultuurdimensie is machtsafstand. Machtsafstand is de mate waarin mensen accepteren dat er ongelijkheid bestaat in autoriteit. Een hoge score verwijst naar een grote machtsafstand. Er is sprake van een grote ongelijkheid binnen de samenleving. Voorbeelden van landen met een grote machtsafstand zijn Aziatische landen, zoals China en Japan. Een lage score op het gebied van machtsafstand houdt in dat er relatief weinig verschil in autoriteit bestaat en wordt aanvaardt. Deze score komt vooral voor in Europese landen. Individualisme versus collectivisme Bij collectivistische culturen staat de groep centraal. Het belang van de groep staat boven het belang van het individu. Een hoge score op het gebied van collectivisme vindt men voornamelijk in armere landen. Maar ook bepaalde culturen en godsdiensten, zoals de Islam, hebben het collectieve belang hoog in het vaandel staan. In individualistische landen speelt zelfontplooiing een belangrijke rol. Van burgers wordt verwacht dat zij voor zichzelf zorgen. Mannelijkheid versus vrouwelijkheid (masculiniteit versus femininiteit) Een masculiene cultuur richt zich op prestatie, succes en status. In een feminiene cultuur zijn bescheidenheid en kwaliteit van het leven belangrijke aspecten. Als een land of cultuur hoog scoort op deze cultuurdimensie, dan betekent het dat mannen zich typisch mannelijk gedragen en dat vrouwen zich dienstbaar opstellen, conform hun traditionele rollenpatronen. Bij lage scores is er minder onderscheid tussen man en vrouw. Rollen zijn inwisselbaar en vaste rolpatronen worden doorbroken. Onzekerheidsvermijding “Onzekerheid” slaat op de mate van angst van mensen, als zij in onbekende of onzekere situaties terechtkomen. Culturen die hoog scoren op het gebied van onzekerheidsvermijding, kennen doorgaans veel regels en procedures. Bij landen/culturen met een lage onzekerheidsvermijding houdt

26


men minder vast aan gevestigde procedures. Er wordt geĂŤxperimenteerd en er komen initiatieven tot stand. Korte termijn vs. lange termijn oriĂŤntatie Deze dimensie, tijdsoriĂŤntatie, staat symbool voor de mate waarin de samenleving gericht is op het heden of juist de toekomst. In een maatschappij waar de bevolking gericht is op de toekomst, worden er plannen gemaakt en wordt er geld opzij gezet. De focus ligt op de lange termijn. Samenlevingen die zich richten op de korte termijn, hebben een andere mentaliteit. Zij leven met de dag.

27


Het doel heiligt de middelen: utilisme Stel je eens voor dat een terrorist een bom in een winkelcentrum heeft geplaatst. De man wordt gelukkig opgepakt terwijl hij het centrum verlaat, maar wil absoluut niet vertellen waar de bom ligt. Wel zegt hij dat de bom binnen een half uur zal afgaan. Omdat het winkelcentrum enorm groot is, heeft de politie niet genoeg tijd om het gebouw te ontruimen. De beste oplossing is om de bom ter plekke te demonteren. Helaas zwijgt de terrorist in alle talen. Misschien gaat hij wél praten als hij gemarteld wordt. Vind je dat je deze man mag martelen om de levens van de winkelende mensen te redden? Als je deze vraag met ‘ja!’ beantwoordt, ben je een utilist. Het utilisme is een stroming die in de negentiende eeuw in Engeland opkwam en uitgaat van het zogenaamde nutsprincipe. De belangrijkste denkers van deze stroming waren John Stuart Mill (1806-1873) en Jeremy Bentham (1748-1832) Volgens het utilisme bestaat het geluk van de mens in het ondergaan van genot en het vermijden van pijn. Een goede, dus ‘nuttige’ handeling vergroot je genot terwijl een slechte handeling pijn oplevert. Het utilisme is echter geen egoïsme. Als leidraad voor je handelen heeft de utilist namelijk de volgende regel: je moet altijd zo handelen dat het zoveel mogelijk geluk oplevert voor zoveel mogelijk mensen. Daarom vindt een utilist het goed als je één persoon martelt om de levens van anderen te redden. Verder kijkt een utilist alleen naar de gevolgen van handelingen. Als het gevolg van de handeling goed is, is ook de handeling zelf goed. Het doel schijnt de middelen te heiligen. Het utilisme wordt daarom ook wel consequentialisme genoemd: alleen de consequentie is belangrijk. Bentham was van mening dat je het resultaat van een handeling zeer nauwkeurig, op bijna wetenschappelijke wijze kon meten. Hiertoe ontwikkelde hij de zogenaamde hedonische calculus, een methode om de hoeveelheid genot of pijn te berekenen die een handeling oplevert. Hierbij lette hij op zeven punten, waaronder de intensiteit van de pijn of genot die een handeling oplevert, de duur hiervan en de zekerheid dat een handeling genot of pijn oplevert.

Op zoek naar de gulden middenweg: de deugdethiek van Aristoteles Een soldaat is met zijn regiment op patrouille. Op een gegeven moment wordt hij in zijn eentje uitgezonden om de omgeving te verkennen. Eerst ziet hij niets bijzonders, maar na een paar honderd meter lopen ontdekt hij een groep vijandelijke soldaten. Nu staat hij voor de keuze: wat te doen? Als hij in z’n eentje op de vijanden afgaat, is hij dom bezig. We noemen hem dan roekeloos. Maar als de soldaat bang wordt en hard wegrent, handelt hij ook verkeerd. Hij is dan laf. De beste keuze is om terug te gaan naar het regiment en samen met zijn wapenbroeders de aanval in te zetten. Dan is hij een goede, dappere soldaat. En bovendien een deugdelijke soldaat, zou Aristoteles zeggen. Volgens deze Griekse filosoof ligt het geluk van de mens in het ontwikkelen van de deugd. De deugd ligt altijd in het midden, tussen een teveel en een te weinig. In het voorbeeld van de soldaat ligt de deugd ‘dapperheid’ tussen lafheid en moed in. Dit ‘midden’ is niet iets dat vastligt, maar moet in iedere situatie opnieuw worden bepaald met behulp van je verstand. Je moet alle aspecten van een situatie bekijken en dan een verstandige afweging maken. De deugdethiek verschilt van de plichtethiek van Kant en de gevolgethiek van de Utilisten. Bij Kant en de utilisten gaat het om het volgen van een regel die buiten jezelf ligt: de plicht of het genotsprincipe. Omdat zij regels aan je op proberen te leggen, worden hun ethieken ook wel 'normatief' genoemd. De deugdethiek is niet normatief. Zij kijkt naar de mens zelf en zijn bedoelingen bij een handeling. Daarbij heeft Aristoteles een optimistisch uitgangspunt. Hij gaat ervanuit dat de mens in wezen goed is en dat zijn handelen op het goede - het juiste midden- is gericht. Mensen die verkeerde handelingen verrichten, zijn niet slecht maar hebben zich gewoon nog niet voldoende in het vinden van het midden geoefend. Door het oefenen van de deugden kun je je als mens volledig ontplooien, waardoor je een voortreffelijk karakter krijgt. Net zoals een schilder door veel oefenen een virtuoze kunstenaar wordt, zo kun je door het oefenen van de deugd iemand worden die de kunst van het leven beheerst: een levenskunstenaar.

28


De wereld op zijn kop: de ethiek van Nietzsche Eeuwenlang leefden de mensen in West-Europa volgens de Christelijke moraal. Ze geloofden dat vredelievendheid, gelijkheid, onderdanigheid en gehoorzaamheid aan God goed waren. De negentiende-eeuwse filosoof Friedrich Nietzsche vond dat maar niets. Hij noemde de Christelijke manier van leven een slavenmoraal omdat je er volgens hem volgzaam van wordt. Je doet alleen wat anderen doen en durft zelf niet meer te leven. Nietzsche wilde dat de mens zich losmaakte van de Christelijke moraal. Daarom bedacht hij een nieuwe moraal, die hij 'herenmoraal' noemde. Met deze moraal zet hij de wereld op zijn kop, want wat voor de 'slaaf' slecht is, is voor de 'heer' juist goed. De heren hebben een hekel aan vredelievendheid en gelijkheid. Zij houden juist van oorlog, meedogenloosheid, avontuur, agressie en het zich onderscheiden van anderen. Heer en slaaf hebben dus twee verschillende ethische perspectieven. In tegenstelling tot de slaven kunnen de heren prima voor zichzelf leven. De heren staan zo nu en dan in de geschiedenis op en vormen de voorbode tot de Übermensch: een – volgens Nietzsche – betere, hogere mens die in de toekomst zal ontstaan. Deze Übermensch is volledig in staat om de herenmoraal te kunnen volgen. Hij zit vol agressie en creativiteit. Door deze creativiteit kan de Übermensch zijn eigen ethiek ontwerpen: hij schept zijn eigen normen en waarden. Zo is ethiek bij Nietzsche geen kwestie van het volgen van een plicht, deugd of genotsprincipe, maar van de persoonlijke smaak van de Übermensch.

Immanuel Kant Kant maakt een onderscheid tussen twee drijfveren voor het handelen: handelen uit neiging en handelen uit plichtsbesef: Als mensen iets doen om er voordeel uit te halen voor zichzelf, dan handelen zij uit neiging. Deze handelingen zijn voor Kant moreel neutraal. Als mensen iets doen, omdat zijn daartoe verplicht zijn, dan is dat handelen moreel goed. Dit wordt echter gemakkelijk verkeerd begrepen. Kant bedoelt hiermee niet het handelen dat gebeurt onder dwang. Voor Kant is een daad immers pas 'goed' te noemen, als hij verricht wordt in vrijheid. Een handeling onder dwang is moreel neutraal. 'Plicht' is dan een ethische oproep, waarop het subject in vrijheid 'ja' kan zeggen. Als hij of zij dat doet, dan doet hij of zij het goede. Kant wilde een ethiek die steunt op de rede. Dat past in het Verlichtings-denken. Voordien had de ethiek een religieuze onderbouwing. Zelf was Kant niet gekant tegen religie, maar voor hem moest ethiek steunen op redelijke argumenten. Een van de criteria die hij hanteerde was de veralgemeningsregel. Om uit te maken of een handeling moreel correct was, moet je je voorstellen dat iedereen het plots zou gaan doen. Hoe zou dat dan zijn? Als dat tot chaos zou leiden, dan was de handeling ook die ene keer niet moreel. Als het uiteindelijk voor iedereen beter zou zijn, dan is deze ene handeling of keuze moreel in orde. Die vuistregel is ons niet vreemd: iedereen heeft wel eens te horen gekregen: 'Zeg, wat doe je me nou? Als iedereen dat nu eens zou gaan doen? Wat voor een zootje zou het dan zijn?' Als je er even over nadenkt, zie je in, dat men hier appelleert op je (gezonde) verstand.

29


Drie kernbegrippen uit de Indiase filosofie: reïncarnatie, karma en verlossing Indiase denkers zijn van mening dat de dood niet het einde van het leven is. Integendeel, na je dood word je gewoon weer opnieuw geboren! Dit geloof noemen we reïncarnatie, wat letterlijk ‘opnieuw in het vlees gaan’ betekent. Misschien klinkt het idee van de wedergeboorte je als muziek in de oren, maar in India heeft het juist een negatieve betekenis. De Indiase filosofie ziet het leven namelijk in de eerste plaats als lijden. Je wordt immers van alle kanten bedreigd door ziekte, dood, stress en allerhande andere vormen van geestelijk en lichamelijk ongemak. Het feit dat je bij ieder nieuw leven steeds dezelfde soort ellende meemaakt, is voor Indiase denkers een zeer deprimerende gedachte. Daarom zoeken ze een manier om deze eindeloze keten van wedergeboorten te stoppen. Een deel van de oplossing ligt in het antwoord op de vraag: ‘Waarom word ik steeds opnieuw geboren?’ Het antwoord ligt in je karma, het geheel van alle goede en slechte daden die je in je leven hebt verricht. Na je dood worden deze daden afgewogen en de uitkomst bepaalt wat voor soort leven je daarna kijgt. Als je in je laatste leven veel goede dingen gedaan hebt, wordt je bijvoorbeeld in een rijke en gelukkige familie geboren. Maar als je er een potje van maakte, kun je er rekening mee houden dat je een ongelukkige armoedzaaier wordt. Je hebt dan trouwens nog geluk, want voor hetzelfde geld word je wedergeboren als dier en doe je er vele levens over om weer een mens te worden. Als je niet opnieuw wilt worden geboren, moet je ervoor zorgen dat je geen karma meer hebt. Je bereikt dan de verlossing, hetgeen betekent dat je ziel vrij is en naar de hemel gaat. Over de verlossing, het hoogste geluk van de mens, hebben hindoeïstische filosofen door de eeuwen heen nagedacht. De grote vraag was natuurlijk: ‘Hoe bereik ik deze gelukzalige toestand?’ Bij het antwoord leggen de filosofen dan ook veel nadruk op de juiste, bevrijdende kennis.

Het AUM-teken: symbool van het hindoeïsme De lotus en de roos De bloeiende lotus is in het boeddhisme symbool voor verlichting. Haar wortels heeft zij in het troebele en modderige water van lijden en onwetendheid. Doordat zij er bovenuit groeit, heeft zij een wijder perspectief gekregen op dit ondoorzichtige water. Haar zuiverheid en schoonheid zijn erin geworteld. Kortom: de lotus als boeddhistisch symbool voor onvoorwaardelijke en tot volledige wasdom gekomen humaniteit. De roos is in de westerse cultuur het symbool van liefde, toewijding en zuiverheid van hart. Algemener gezegd: de roos is het symbool voor humaniteit, menslievendheid. Het cultiveren van rozen vrijwaart ons niet van bijkomend leed: geen rozen zonder doornen. Wie uit angst voor doornen er verre van probeert te blijven kan geen rozen kweken. Het Achtvoudig Pad Wat de Boeddha in zijn verlichting beleefde noemde hij toen de Vier Edele Waarheden. Zij vormen de as waar omheen de gehele leer als een wiel wentelt. 1.De eerste Edele Waarheid is de waarheid van dukkha: leven is lijden. Niets wereldlijks kan werkelijk bevredigen. Dukkha betekent ook dat de voortdurende beweging voor ons wrijving bewerkstelligt. Deze wrijving, ontstaan door een beweging van de geest of het lichaam, roept in ons steeds het gevoel op niet

30


werkelijk tot rust gekomen te zijn. 2.De tweede Edele Waarheid is de waarheid van de oorzaak van het lijden. De enige reden waarom we nooit werkelijk tevreden zijn wordt door de tweede Edele Waarheid aangegeven. Wij hebben namelijk voortdurend begeerte in ons. 3.De derde Edele Waarheid is de waarheid van het beëindigen van het lijden. Er is dus een mogelijkheid om het lijden volkomen kwijt te raken, dus een toestand te bereiken waarin het niet bestaat. Om dit te kunnen nagaan moeten we ons eerst bezighouden met de vierde Edele Waarheid, namelijk de weg. 4.De vierde Edele Waarheid is de waarheid van de weg, die leidt naar het beëindigen van het lijden. En die laatste waarheid is niets minder dan het Edele Achtvoudige Pad. Men kan het pad ook vergelijken met een landkaart waarop alle stations precies staan aangegeven. Het Edele Achtvoudige Pad wordt zo genoemd omdat het acht treden, acht stappen, omvat. Ook wordt het Achtvoudig Pad soms vergeleken met een ladder met acht sporten, alsof er een ontwikkeling mogelijk is door beurtelings elke discipline te beoefenen. Dat is een misleidend idee, daar de Boeddha benadrukte dat progressie gemaakt wordt door elk aspect van het Pad te beoefenen in harmonie met een ander aspect. Het Achtvoudig Pad bestaat uit de volgende acht treden die gegroepeerd zijn in de drie aspecten van de boeddhistische praktijk: - wijsheid (prajna) - ethisch gedrag (silo) - mentale discipline (sarnadhi) Onder wijsheid vallen de eerste twee treden: 1 De juiste zienswijze (samma ditthi) 2 Het juiste denken (samma sankappa) Onder ethisch gedrag vallen de treden drie t/m vijf: 3 Het juiste spreken (samma vaca) 4 Het juiste handelen (samma camrnanta) 5 Het juiste levensonderhoud (samma ajiva) Onder mentale discipline vallen de treden zes t/m acht: 6 De juiste inspanning (sarnma vayama) 7 De juiste waakzaamheid (samma sati) 8 De juiste concentratie (sarnma samadhi) Het is uitermate belangrijk om de onderlinge verbanden tussen deze categorieën te begrijpen. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk te erkennen dat ethisch gedrag absoluut noodzakelijk is om wijsheid te bereiken en dat we zonder mentale discipline de capaciteit missen voor ethisch gedrag. Daarom kunnen ook mededogen en wijsheid, de kenmerken van de Boeddha of Verlichte, niet afzonderlijk worden behaald. Denk nu even na over het eerste van de drie aspecten, de wijsheid. In eerste instantie ziet men dat wijsheid bestaat uit de eerste twee factoren : de juiste zienswijze en het juiste denken. Denkt men nu verder na dan moet men uiteindelijk tot de conclusie komen dat het aspect wijsheid alleen maar kan bestaan in afhankelijkheid van de twee andere aspecten met al zijn factoren, namelijk het ethische gedrag en de mentale discipline. Nu volgt een korte uitleg van de acht treden van het Achtvoudige Pad De eerste trede van het Achtvoudige Pad is de juiste zienswijze. Met juiste zienswijze wordt bedoeld een einde te maken aan de egoïstische manier van leven om alles te bezien vanuit ons eigen standpunt. Volgens Boeddha houdt het

31


hebben van een mening over iets in dat de realiteit wordt bevroren, dat we de wereld in gedachten proberen te vangen. Een mening lijkt namelijk op een momentopname, of het stilzetten en bevriezen van wat er op een bepaald moment gebeurt of gebeurd is. Maar wat Boeddha met de juiste zienswijze bedoelt heeft hier niets mee te maken. Hij bedoelde met 'juist zien' jezelf niet vastleggen in een speciale zienswijze, wat betekent dat je niet gevangen zit in ideeĂŤn, concepten, overtuigingen of veronderstellingen. Het zien van een Boeddha is het zien hoe de dingen werkelijk zijn. Het zijn niet de details van het leven die bij elkaar opgeteld tot de juiste zienswijze leiden. Het is alleen de waarneming van totaliteit van het leven als een voortdurend in beweging zijnd geheel die tot het juiste zien leidt. Daarom is het juiste zien alomvattend en kan het nooit in strijd zijn met andere zienswijzen. De tweede trede van het Pad is het juiste denken. Dit wordt ook wel de juiste motivatie of het juiste besluit genoemd. Juist denken leert ons de ‘drie kwalen van de geest' te vermijden, namelijk hebzucht, wrok en boosaardigheid. De drie kwalen maken van de menselijke geest een wrokkige geest, een geest die kwaad en onverdraagzaam wordt als hij niet krijgt waarop hij denkt recht te hebben. Dit leidt dan weer tot het overgaan tot verkeerde motivaties, besluiten en handelingen. Door ons van deze 'drie kwalen van de geest' te ontdoen, krijgen wij een onbaatzuchtige, edelmoedige en royale geest, zoals de geest van Boeddha zelf. De derde trede van het Pad is het juiste spreken. Juist spreken is: altijd het gepaste woord in de mond hebben. De meest voor de hand liggende vorm van juist spreken is niet liegen. Behalve morele gronden om niet te liegen is er ook een aantal praktische redenen om waarachtig te zijn. Het doel van het Achtvoudige Pad is ervoor te zorgen dat je geest niet in verwarring raakt, zodat je al je aandacht op het huidige moment kunt richten. Door het verkondigen van leugens raakt je geest steeds meer in verwarring. Je moet je dan voortdurend herinneren wat je tegen wie gezegd hebt. De problemen stapelen zich op en het zal steeds moeilijker worden om tot ontwaken te komen. Een tweede aspect van het juiste spreken is het niet gebruiken van grove en beledigende taal. Het is onnodig. Een ander punt van het juiste spreken is het afzien van geroddel en opschepperij. Het is wel duidelijk dat geroddel, achterklap en wilde verhalen niet bevorderlijk zijn voor het ontwaken. De vierde trede van het Pad is het juiste handelen. Juist handelen wil zeggen: handelen dat voortvloeit uit een niet geconditioneerde geest. Dit betekent: niet de dingen doen die andere levende en voelende wezens kwaad berokken. Hierdoor wordt een vredig en harmonieus gedrag bevorderd. De vijfde trede van het Pad is het juiste levensonderhoud. Het juiste levensonderhoud betekent dat wij ons voorzien in alle levensbehoeften, voedsel, kleding en huisvesting. Dit betekent dat we onze kost op een eerlijke manier verdienen door anderen niet te benadelen. De zesde trede van het Pad is de juiste inspanning. Juiste inspanning is het proberen voortdurend en volledig in het hier en nu te leven, waardoor we vrijwillig afstand doen van onze geconditioneerde geest, de gefragmenteerde mentaliteit en het dualistisch denken en zo de geest weer heel en gezond maken. De zevende trede van het Pad is de juiste waakzaamheid of de juiste aandacht. Zonder de juiste waakzaamheid is het voor ons onmogelijk om opkomende gedachten te kunnen beoordelen op heilzaam of onheilzaam. Het is daarom van belang dat we steeds, of zo veel mogelijk, weten wat we werkelijk doen met ons lichaam, wat de inhoud van onze gedachten is, wat we voelen en hoe we reageren. Zonder waakzaamheid is het moeilijk, zeg maar rustig onmogelijk, om concentratie of helder inzicht te verkrijgen. De achtste trede van het Pad is de juiste concentratie. Het is de laatste stap op het Achtvoudige Pad en betekent een zich volledig verdiepen; dus volledige, ononderbroken

32


concentratie. Door voorbereidende oefeningen te praktiseren leert men de geest beetje bij beetje kennen. Eerst ziet men zijn beweeglijkheid en springerigheid, waardoor hij moeilijk te beteugelen valt. Het is een toestand waarbij de gedachten als wolken op de achtergrond komen en gaan. Uiteindelijk bereikt men door de juiste inspanning, de juiste waakzaamheid en de juiste concentratie de uiteindelijke diepte –meditatie. Pas dan kan de geest rust en vrede vinden en wordt hij in staat gesteld het inzicht te verkrijgen dat niets anders in de wereld hem dit geluk kan bieden en hij gaat niet meer naar het wereldlijke op zoek. Want om het Pad werkelijk tot het einde toe te gaan, moet je ophouden - als je de illusie doorzien hebt - naar wereldlijk geluk te zoeken. Neem de waarheden van het Achtvoudige Pad niet op gezag van een ander aan, maar pas ze toe in je eigen leven en onderzoek zelf of ze wel of niet bevorderlijk zijn voor je ontwaken. Houd altijd voor ogen dat de Boeddha-dharma over zien gaat en niets met geloof te maken heeft. Met dank aan Stichting Boddhisattva.

33


34


'De weg naar Chichester'

'De weg naar Chichester' is een casus die te denken geeft over de vraag naar goed en kwaad. In het verhaal spelen zes personen een rol. Een jonge vrouw, haar verloofde, een koetsier, een veerman, een wijze man en tenslotte de duivel. Een jonge vrouw is op weg naar de stad Chichester. Daar woont haar verloofde waarmee zij morgen zal trouwen. De tocht naar haar verloofde verloopt echter rampzalig. De koetsier laat de jonge vrouw alleen achter bij de plaats waar de veerman een keer per dag de brede rivier pleegt over te steken. Gelukkig daagt na verloop van tijd de veerman op. De jonge vrouw vraagt hem of hij haar naar de andere oever wil varen. Hij toont zich daartoe bereid, mits zij met hem de liefde wil bedrijven. Geschokt door dit voorstel vraagt zij een passerende oude wijze man wanhopig wat zij moet doen. De wijze man haalt zijn schouders op en zegt: 'Ik kan u niet helpen'. Ten einde raad gaat de jonge vrouw in op het voorstel van de veerman in en hij zet haar over de brede rivier. Vervolgens komt zij bij het grote moeras. Haar gids is de duivel. Er is niemand anders te vinden om de weg te wijzen. Hij toont zich, - op dezelfde voorwaarden als de veerman, bereid om de jonge vrouw veilig door het moeras naar Chichester te geleiden. Omdat zij reeds in het schip is gegaan met de veerman, besluit de jonge vrouw ten einde raad ook overstag te gaan voor de duivel. Het is de enige manier om haar huwelijk nog doorgang te laten vinden. Eindelijk aangekomen op haar bestemming, valt zij haar verloofde in de armen. Ze voelt zich gedwongen om hem de waarheid te vertellen. Ontzet wendt de verloofde zich van haar af: hij weigert haar te trouwen. *Naar: Clive Erricker, The Chichester project , Part Ethics, page 39, London 1986.

35


Aan de slag 1 | Het doen en laten van de personen in het bovenstaande verhaal hangt samen met de verschillende argumenten waarmee zij hun beslissing nemen. Probeer de onderstaande uitspraken te verbinden met een persoon uit het verhaal. a. b. c. d. e. f. g. h.

Het doel heiligt de middelen. Wat er ook gebeurt, houdt altijd vast aan je principes. Niemand kan voor een ander beslissen. Ik ben alleen voor mijn eigen daden verantwoordelijk. Doe wat de ander en jezelf het beste bevalt en uitkomt. Je moet het maar nemen zoals het valt, je kunt niet anders. De situatie is altijd doorslaggevend. .................................

2 | Plaats de zes personen uit het verhaal in een 'morele volgorde' en geef daarbij een argument. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

3 | Wat zegt deze volgorde van jouw wijze van oordeelsvorming en van jouw prioriteiten als het om waarden gaat? 4 | Hieronder staat een Stappenplan Ethisch Oordelen, dat bij allerlei situaties die zich in het leven voordoen als hulpmiddel gebruikt kan worden om tot een verantwoorde oordeelsvorming te komen. Lees de vragen en probeer te achterhalen of je bij de bovenstaande casus misschien een aspect hebt laten liggen.

36


ETHISCHE CONCEPTEN ETHISCH RELATIVISME

ETHISCH DOGMATISME

DEUGDEN ETHIEK

DEONTOLOGISCHE TELEOLOGISCHE ETHIEK ETHIEK

Focus

Focus

Focus

Focus

Focus

Alle opvattingen zijn subjectief; morele oordelen worden bepaald door de persoonlijke smaak, of door afspraken binnen een bepaalde groep.

De eigen moraal is objectief juist en goed en als zodanig de absolute norm voor het handelen.

Moraliteit is een kwestie van persoonlijke gezindheid of persoonlijke deugden.

Moraliteit wordt bepaald door een set van algemeen geldende principes, beginselen, rechten en plichten.

De effecten en uiteindelijke resultaten van het handelen, (- en niet de handelingen als zodanig), zijn bepalend voor de moraliteit.

Moreel oordelen

Moreel oordelen

Aristoteles T. van Aquino

I. Kant J. Rawls

J. Bentham J. Mill Moreel oordelen

Moreel oordelen

Moreel oordelen

Alle opvattingen Uitsluitend conform worden ten allen de eigen absolute tijde geaccepteerd. morele standaard. Iedereen heeft een subjectieve verantwoordelijkheid.

Ethische beslissingen worden verbonden aan een bepaalde levensvisie. Zij worden met name bepaald door deugden zoals bijvb.: wijsheid, matigheid, moed, rechtvaardigheid en zorg voor anderen.

Ethische beslissingen worden bepaald door universaliseerbare regels, rechten en plichten. Menswaardigheid, zowel in de eigen persoon als in de persoon van een ander, geldt altijd als richtdoel van het handelen.

Het handelen is moreel als de gevolgen ervan beter zijn dan de gevolgen van alternatieven. Goed en juist is in principe alles wat voor zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk uitpakt.

Sterke kanten

Sterke kanten

Sterke kanten

Sterke kanten

Sterke kanten

Onbegrensde vrijheid. Iedereen heeft in principe gelijk. Morele zoekprocessen zijn overbodig.

Volstrekte consensus over wat goed of slecht is. Morele zoekprocessen zijn overbodig.

Aandacht voor identiteitsvorming / persoonlijkheidsontwikkeling en de ontwikkeling van een levensvisie.

Duidelijke standaards en formele procedures voor het handelen. Consensus t.a.v. gelijkwaardigheid van alle mensen.

Streven naar bevordering van het algemeen nut en welzijn. Pragmatisch en flexibel handelen. Weinig regels.

Zwakke kanten

Zwakke kanten

Zwakke kanten

Zwakke kanten

Zwakke kanten

Geen visie op de kwaliteit van het menselijk samenleven. Geen waardering en respect voor verschillen. Discussie over de moraal is zinloos. Neutralisering van de moraal.

Een exclusieve visie op de kwaliteit van het menselijk samenleven. Intolerante opstelling t.a.v. degenen die anders denken en doen. Discussie over de moraal is niet mogelijk. Monopolisering van de moraal.

Deugden resulteren niet vanzelfsprekend in moreel gedrag. Een homogene opvatting omtrent het goede wordt voorondersteld. Geen regels als het gaat om het juiste handelen bij concrete dilemma's.

Conflicterende interpretaties en toepassingsproblemen bij beroep op de standaard. De algemene standaard wordt bepaald door de cultureel dominante groep.

Het blijft arbitrair wat verstaan moet worden onder algemeen nut en welzijn. Waarden en de gelijkwaardigheid en de rechten van mensen komen onder druk te staan.

Š drs. J. G. Valstar 1998

37


Reader inleiding in psychologie ethiek, Periode 1, blok 1