Issuu on Google+

Lidwoorden in L2 Engels Een kritische beschouwing van Zdorenko & Paradis (2011) Lisanne Aerts 3233243 T2 verwerving 3 april 2013 Dr. Baauw


De verwerving van lidwoorden in L2 Engels

Inleiding In dit paper wordt een onderzoek van Zdorenko en Paradis (2011) besproken, namelijk Articles in child L2 English: When L1 and L2 acquisition meet at the interface. Hier is gekeken naar de verwerving van lidwoorden in L2 Engels door kinderen met een verschillende taalachtergrond. Het doel van het artikel was te onderzoeken of L2Engels kinderen dezelfde verwervingspatronen als L1 kinderen van het Engels laten zien wanneer het gaat om lidwoordverwerving. De auteurs konden concluderen dat de voornaamste trends in lidwoordverwerving ontwikkelingsgericht waren en niet gebaseerd op transfer. Aan de hand van een samenvatting en een kritisch deel in dit paper wordt onder andere gekeken naar de betrouwbaarheid van het onderzoek, de werkwijze en resultaten. Over het algemeen is de evaluatie van dit artikel overwegend positief en worden de verbeterpunten vooral in de methode aangehaald.

1. Inleiding Zdorenko & Paradis (2011) Het lidwoordsysteem is een voorbeeld van een fenomeen dat raakvlakken heeft met de domeinen van morfosyntax, semantiek en pragmatiek. Er is reeds veel onderzoek gedaan naar de verwerving van lidwoorden in het Engels, zowel voor L1 als L2. Uit L1 onderzoek is gebleken dat kinderen minimaal tot 4 jaar fouten maken wat betreft lidwoordgebruik, soms zelfs als ze nog ouder zijn. Het hoofddoel van dit onderzoek is na te gaan of kinderen met L2 Engels dezelfde verwervingspatronen laten zien als kinderen met L1 Engels. Ook hebben de auteurs gekeken naar eventuele invloeden van de L1 op de verwerving van lidwoorden in de L2.

2. Theoretisch kader 2.1 Lidwoordsysteem van het Engels Hoewel de fundamentele categorieën hetzelfde zijn tussen talen, verschillen talen in termen van welke kenmerken ze selecteren uit de ‘universele inventaris’. Lidwoorden, toegepast op het ‘features’ systeem, zijn exponenten van de functionele categorie D. In het Engels wordt hier het contrast van [finietheid] gecodeerd. De verdeling van het lidwoordsysteem in het Engels ziet er, volgens het ‘features’ systeem, dan zo uit: -

[D, +finiet, +enkelvoud] = ‘the’

-

[D, +finiet, - enkelvoud] = ‘the’

2


-

[D, - finiet, + enkelvoud] = ‘a’

Aan de hand van een ‘feature-based’ benadering is er een universele set van kenmerken beschikbaar voor een kind: de taak is dan om alleen die kenmerken te selecteren die geïmplementeerd zijn in de L1. Bij het verwerven van een tweede taal is het zo dat, volgens Lardiere (2009), kenmerken die niet in de L1 aanwezig zijn in principe wel beschikbaar en verwerfbaar zijn voor leerders. Het zijn de morfologische verschillen in hoe de kenmerken zijn gemonteerd in lexicale items die een leerprobleem kunnen opleveren. Aan de hand van theorieën uit eerder onderzoek verwachten de auteurs dat, als L2 leerders geen lidwoorden hebben in hun L1, deze verwerving te vergelijken is met het patroon van L1 kinderen ten opzichte van verwervingsvolgordes en vervangingsfouten. In het geval van het aanwezig zijn van lidwoordsystemen in een L1 (anders dan het Engels) verwachten de auteurs dat er sprake kan zijn van transfereffecten. Om deze reden is het interessant te kijken naar leerders met een verschillende taalachtergrond. Zo is voor dit onderzoek onder andere gekozen voor talen zonder lidwoorden (Mandarijn en Kantonees), talen met één lidwoord (Arabisch) en talen die, net als het Engels, een tweeledig lidwoordsysteem hebben. Dit kan zeker als positief punt genoemd worden voor het onderzoek: op deze manier wordt in een breed kader gebruik gemaakt van verschillende taalachtergronden, wat natuurlijk alleen als voordeel gezien kan worden. 2.2 Lidwoordsysteem van het Engels in L1 verwerving Onderzoek naar L1 verwerving van het Engelse lidwoord laat zien dat kinderen lidwoorden relatief vroeg gebruiken, tussen 2;8 en 3;5 jaar. Ze blijven wel fouten maken in lidwoordgebruik tot minstens 4 jaar oud. Brown (1973) vond dat het gebruik van lidwoorden in verplichte context door kinderen 90% was tussen 2;8 en 3;5 jaar. Hij vond eveneens dat het lidwoord ‘the’ soms foutief werd gebruikt in infiniete context. Naast vervanging door ‘the’ is ook door Brown (1973) geschreven over weglating van het lidwoord. Uit dit, en ander onderzoek, kan geconcludeerd worden dat het weglaten van het lidwoord door L1 kinderen onder de 10% gaat als zij (ongeveer) de leeftijd van 2;6 bereiken. Weglating van het lidwoord in L1 lijkt dan ook te horen tot de vroege fases van L1 verwerving, wat niet het geval is bij vervanging door ‘the’ in infiniete context, wat als een meer langdurig fenomeen gezien kan worden. 2.3 Lidwoordsysteem van het Engels in L2 verwerving van volwassenen en kinderen Ook over volwassen L2 verwerving van lidwoorden is veel geschreven: ook hieruit kwamen fouten van weglating en vervanging naar voren. Het weglaten van lidwoorden is terug te zien bij leerders van het Engels van wie de L1 geen lidwoorden bevatte. De problemen die deze leerders ervoeren werd voornamelijk toegeschreven aan de invloed van hun L1, die bijvoorbeeld geen functionele categorie D bevatte. Het soort fouten van weglating en vervanging werd gedocumenteerd bij mensen met 3


verschillende niveaus van bekwaamheid: zelfs bij leerders die in de eindfase van L2 ontwikkeling zaten (Lardiere 2004). Als we kijken naar L2 kinderen werd al door Dulay & Burt (1973) gevonden dat de volgorde van verwerving van morfemen gelijk was voor L1 als L2. Ook dezelfde soort fouten bij de verwerving van lidwoorden werden door zowel L1 als L2’ers gemaakt.

3. Taalachtergronden van de proefpersonen 3.1 Mandarijn/Kantonees

Talen als het Mandarijn hebben geen systeem, ontwikkeld voor

lidwoorden. Dit wil zeggen dat deze taal geen set van morfemen bevat die gebruik van (in)finietheid kan aanwijzen. De auteurs gaan ervan uit dat zowel het Mandarijn als het Kantonees het kenmerk [infinietheid] niet grammaticaliseren. 3.2 Hindi/Urdu/Punjabi

De drie talen die hier genoemd worden, zijn als groep samen genomen

omdat deze talen erg op elkaar lijken (onder andere fonologisch en grammaticaal gezien). Het Hindi, Urdu en Punjabi hebben geen categorie voor lidwoorden. In deze talen kunnen determiners en demonstratieve adjectieven gebruikt worden om semantische contrasten uit te drukken. Over het algemeen wordt het contrast [finietheid/infinietheid] niet grammaticaal weergegeven in deze talen en dit is ook niet verplicht. De auteurs gaan ervan uit dat deze talen gelijk zijn aan de Chinese talen in het geval van het niet grammaticaliseren van de categorie [finietheid]. 3.3 Spaans

Het Spaanse lidwoordsysteem is vergelijkbaar met die van het Engels.

Er is hier sprake van D-projectie, waar het kenmerk [finietheid] wordt gechecked. In het Spaans congrueren lidwoorden ook met het zelfstandig naamwoord wat betreft getal en geslacht. 3.4 Arabisch

Er is sprake van een finiet lidwoord, welke wordt vastgemaakt aan het

zelfstandig naamwoord. In gesproken Arabisch bestaat er geen markeerder van infinietheid: zonder het finiete lidwoord is het zelfstandig naamwoord infiniet, tenzij het gevolgd wordt door possessieve of pronominale determiners. De fonologische exponent van het kenmerk [-finiet] is [null] in het Arabisch. 3.5 Vergelijking tussen de taalachtergronden Na deze opsomming wordt duidelijk dat talen niet allemaal dezelfde kenmerken selecteren om morfosyntactische vormen in te delen. Wel komen Engels, Spaans en Arabisch overeen wanneer het gaat om het grammaticaliseren van het kenmerk [finietheid], waar dit niet het geval is bij het Mandarijn/Kantonees en Hindi/Urdu/Punjabi.

4. Onderzoeksvragen Onderzoeksvraag 1: Wordt ‘the’ verworven vóór ‘a’? De auteurs voorspellen dat L2 kinderen het morfeem ‘the’ in finiete contexten beter zullen gebruiken dan ‘a’ in infiniete contexten. 4


Onderzoeksvraag 2: Is ‘the’ vervanging in infiniete context de meest voorkomende fout? De auteurs voorspellen hier dat alle kinderen in infiniete context een keer ‘the’ zullen gebruiken. Dit lidwoord zal als een soort ‘default’ lidwoord gebruikt kunnen worden waardoor, zoals in L1 verwerving, vervanging door ‘the’ de meest voorkomende fout zal zijn in L2 verwerving door kinderen. Onderzoeksvraag 3: Worden kinderen beïnvloed door hun L1 grammatica’s bij het verwerven van het lidwoordsysteem van een L2? Hier wordt voorspeld dat L1 transfer effecten te zien zijn in de vorm van weglatingen bij de Chinese en Hindi/Urdu/Punjabi taalachtergronden. Ook wordt verwacht dat weglatingen erg zeldzaam zijn bij Spaanse leerders. Ten slotte voorspellen de auteurs dat de Arabische groep meer problemen zal hebben met de verwerving van het infiniete lidwoord wat zich zal uiten in de vorm van weglatingen in infiniete context.

5. Methode 5.1 Participanten De participanten zijn veertig kinderen met Engels als L2, alleen woonachtig in Edmonton, Canada. Alle kinderen zijn tussen de 5;0 en 6;11 jaar. De length of exposure moet tussen de 2 en 18 maanden liggen. De reden hiervoor is dat uit eerder onderzoek (Zdorenko en Pardis (2008)) blijkt dat L1 effecten soms wegvagen tussen 16 en 20 maanden aan length of exposure. De auteurs willen voornamelijk focussen op de vroegste fase van L2 verwerving, wanneer de effecten van L1 het meest duidelijk zichtbaar zijn. In alle huishoudens is de L1 de eerste of exclusieve taal die gebruikt wordt door de ouders: ook dit was een specifiek criterium voor het onderzoek. In tabel 1 wordt de verdeling van de participanten per taalachtergrond, leeftijd en length of exposure (hier: in maanden) weergegeven. Tabel 1. Beschrijving participanten (tabel uit: Zdorenko & Paradis (2011:47))

L1

# participanten Leeftijd MOE

(months

of

exposure) Chinees

10

5;11

9

Hindi/Urdu/Punjabi 10

5;08

9

Spaans

10

5;09

10

Arabisch

10

5;09

11

5


Gekeken naar de verdeling van de participanten aan de hand van hun taalachtergrond, gaan de auteurs hier voorbij aan een belangrijk punt. Zo bestaat de groep Mandarijn/Kantonees uit drie sprekers van het Kantonees en zeven van het Mandarijn. Bij de Hini/Urdu/Punjabi groep is de verdeling één spreker van het Hindi, drie sprekers van het Punjabi en zes sprekers van het Urdu. Hoewel is aangegeven dat de talen die tot één groep behoren ook daadwerkelijk veel op elkaar lijken, is hier het verschil qua aantal sprekers toch te groot. Beter zou natuurlijk zijn om bijvoorbeeld vijf sprekers van het Mandarijn en vijf van het Kantonees te selecteren. Echter in de praktijk blijkt dit lang niet altijd mogelijk. Toch wil ik hier wijzen op een enigszins ‘scheve’ verdeling van de participanten per taalachtergrond. Wat aan de positieve kant opgemerkt kan worden, is dat de auteurs op een goede manier de length of exposure en age of testing hebben weergegeven. Met in de tabel (van het artikel zelf) het gemiddelde en standaarddeviatie neer te hebben gezet, zorgt dit voor meer inzicht in de verdeling van de proefpersonen: niet alleen qua taalachtergrond, ook andere variabelen worden weergegeven. 5.2 Materialen en procedure De auteurs onderzoeken het gebruik van lidwoorden van deze L2 kinderen door middel van storytelling (het vertellen van een verhaal). Er worden twee prentenboeken gebruikt: ieder boek bevat een set van drie verhalen. De onderzoekers vragen de kinderen een verhaal te vertellen terwijl ze naar de plaatjes kijken. Om wederzijdse kennis te vermijden, zijn de plaatjes voor de onderzoeker niet te zien. De onderzoeker begint de taak door te vragen wat er gebeurt in het verhaal: ‘Tell me everything that is happening because I can’t see the pictures’ (Z&P:47). Alle verhalen van de kinderen worden op video opgenomen en getranscribeerd door de onderzoekers. Het gebruik van verteltechnieken heeft een aantal voordelen. Zo wordt elicitatie (uitlokking) door middel van prentenboeken gebruikt om vergelijkbare speech samples te verkrijgen. Ook zorgt deze taak ervoor dat het gebruik van DP’s door kinderen in coherente discourse bestudeerd kan worden (in plaats van uitingen in isolatie, bijvoorbeeld antwoorden op vragen). Je zou deze taak dan ook kunnen vergelijken met spontane spraak. Hoewel ik het ermee eens ben dat deze verteltaak de meest bruikbare is voor de data die verzameld moeten worden, zou er ook nog gekeken kunnen worden naar een taak waarbij specifiek bepaalde lidwoorden geuit moeten worden. Je zou kunnen denken aan een (voor kinderen opgezet) soort interview, waar kinderen antwoord moeten geven op de vragen van de onderzoeker. Dit zou bijvoorbeeld goed gedaan kunnen worden aan de hand van een knuffel of pop. Op deze manier krijg je, naast elicitatie door middel van spontane spraak, de constructies te horen die belangrijk zijn voor het onderzoek.

6


5.3 Het coderen van de data Ieder boek wat gebruikt wordt heeft een reeks van drie verhalen met daarin twee verschillende dieren, twee secundaire karakters en één of twee objecten. Er is sprake van twee contexten, namelijk finiete en infiniete contexten. Scores van de participanten worden als volgt onderscheiden: het gebruik van het lidwoord is a. correct, wordt b. vervangen, of wordt c. weggelaten (correct/subsitution/omission). Mogelijke vormen die kunnen voorkomen zijn dan: Infiniet:

correct (‘a’ + noun) vervanging (‘the’ + noun) weglating (bare noun)

Finiet

correct (‘the’ + noun) vervanging (‘a’ + noun) weglating (bare noun)

De beoordelingsprocedure is ontwikkeld door de twee auteurs; echter er was maar één auteur die de uitingen van de kinderen beoordeelde. Hoewel de auteurs hier aangeven dat de procedure eenvoudig was, zou de beoordeling betrouwbaarder worden door de uitingen in ieder geval door twee personen te laten beoordelen. Op deze manier kan zeker worden vastgesteld dat een uiting bijvoorbeeld daadwerkelijk infiniete vervanging laat zien, en niet iets anders.

6. Resultaten 6.1 Nauwkeurigheid in het gebruik van (in)finiete lidwoorden in verplichte context Hier wordt teruggegrepen op de eerste onderzoeksvraag: Wordt, bij L2 verwerving, het morfeem ‘the’ vóór ‘a’ verworven? Resultaten laten zien dat de gemiddelde scores hoger waren voor ‘the’ dan voor ‘a’. Door middel van een paired samples t-test is hier een significant verschil te zien, de nauwkeurigheidsscores met ‘a’ zijn significant lager dan die met ‘the’: t(39) = -5.190, p= .000. Ook werd gekeken naar de mate van nauwkeurigheid in combinatie met length of exposure (hier: MOE). De correlatie tussen hoeveelheid exposure en het percentage correcte score van ‘the’ was significant (p = .021), echter dit kan niet gezegd worden wanneer het gaat om het correct gebruik van ‘a’. De auteurs stellen dan ook dat het gebruik van ‘the’ in verplichte context significant verbetert naarmate de length of exposure groter wordt, maar het gebruik van ‘a’ in verplichte context liet dit niet zien. 6.2 Finietheid and specificatie De auteurs voorspelden ook dat L2 kinderen, voornamelijk bij infiniete contexten, nauwkeuriger zouden zijn in non-specifieke contexten dan in specifieke contexten (vanwege het feit dat deze

7


bevindingen in eerder onderzoek werden gedaan). Het verschil tussen infiniete DP’s in specifieke of non-specifieke context is te zien aan de hand van de volgende voorbeelden: 1. Het meisjeskonijn was een kasteel aan het maken

specifieke infiniete DP

2. And toen zei hij, het andere konijn, mogen we een ballon?

non-specifieke infiniete DP

(Voorbeelden vertaald uit Z&P:52)

Uit de resultaten blijkt dat binnen specifieke contexten het percentage correct gebruik van de infiniete DP 54% was (220 van de 408 uitingen) tegenover 83% (35 van de 42 uitingen) binnen de nonspecifieke context. Wat hier aan te merken valt is dat er een groot verschil te zien is tussen het aantal uitingen: 408 tegenover 42 uitingen. Omgerekend naar percentages is het dan inderdaad zo dat het aantal correcte uitingen binnen non-specifieke context groter is, echter het zou beter zijn te kijken naar hoe deze verhouding ligt als het aantal uitingen gelijk werd gehouden. Op deze manier kan de conclusie van de auteurs pas echt helder vastgesteld worden. 6.3 Verdeling van het soort fouten in (in)finiete context In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvraag ‘Is ‘the’ vervanging in infiniete contexten de meest voorkomende fout bij deze L2 kinderen?’. Er werd gekeken naar de scores van finiete lidwoorden in verplichte infiniete context en weglating (het gebruik van ‘bare nouns’/’omission error’) van lidwoorden in deze context. Ook werd gekeken naar scores van infiniete lidwoorden in verplichte definiete context en weglating van lidwoorden in deze context. Er werden dus vier soorten scores uitgerekend: -

% vervanging van ‘the’ in infiniete context

-

% weglating van ‘a’ in infiniete context

-

% vervanging van ‘a’ in finiete context

-

% weglating van ‘the’ in finiete context

Om significantie vast te stellen werd een paired samples t-test uitgevoerd waarin vervanging en weglating van lidwoorden in (in)finiete context werden vergeleken. De auteurs stelden vast dat als kinderen ‘the’ gebruikten, ze vaker ‘the’ vervingen dan weglieten in de verkeerde context (38% tegenover 18%, p = .009). Het verkeerd gebruik van ‘the’ was dan ook inderdaad de meest voorkomende fout die gemaakt werd. Deze conclusie kon ook getrokken worden bij de vergelijking van ‘the’ in infiniete en ‘a’ in finiete context, waar vervanging door ‘the’ vaker voorkwam dan vervanging door ‘a’ (38% tegenover 15%, p = .000). 8


6.4 Verdeling van het soort fouten in (in)finitieve context and L1 invloeden In deze sectie wordt antwoord gegeven op de laatste onderzoeksvraag: Worden L2 kinderen beïnvloed door de kennis van hun L1 bij de verwerving van het lidwoordsysteem van het Engels? Ten eerste laten de resultaten zien dat ‘the’ vervanging in infiniete context bij iedere L1 groep hoog was. Als gekeken wordt naar de verdeling van het soort fouten wat gemaakt werd tussen de groepen, wordt duidelijk dat de eerste twee groepen Chinees en Hindi/Urdu/Punjabi op elkaar lijken en de groepen Spaans en Arabisch een soortgelijke distributie laten zien. Er was sprake van een hoog aantal weglatingen van het lidwoord bij de Chinese en Hindi/Urdu/Punjabi groepen, wat voorspeld werd in de theorie. Aan de andere kant waren er weinig weglatingen bij de Spaanse en Arabische groepen. Deze bevindingen komen overeen met de voorspellingen van de auteurs: zeker bij het aspect weglatingen zien we dat de L1 van invloed is op de scores in de groepen Chinees en Hindi/Urdu/Punjabi.

7. Discussie De belangrijkste bevinding van dit onderzoek is dat de overheersende patronen van lidwoordverwerving van L2 kinderen ontwikkelingsgericht waren (en niet als belangrijkste reden transfer): deze bevinding staat gelijk aan dezelfde patronen die over L1 verwerving naar voren kwamen. De overeenkomst was voornamelijk op twee punten te zien: een hogere score van ‘the’ dan ‘a’ en daarnaast de veelvuldige vervanging door ‘the’. De hoeveelheid vervanging door ’the’ in infiniete context kan verassend zijn, gegeven het feit dat deze fout is uitgelegd in termen van ‘egocentriciteit’, dat wil zeggen kinderen vinden het lastig om het perspectief van de luisteraar in acht te nemen. Een ander standpunt is dat het overmatig gebruik van ‘the’ te wijten kan zijn aan de cognitieve onvolwassenheid van het kind, wat te maken heeft met het integreren van zinnen tot een coherent gesprek. Wat de auteurs in ieder geval concluderen is dat het verwervingspatroon voor L1 kinderen, L2 kinderen en L2 volwassenen gelijk lijkt te zijn en dat alle leerders de neiging hebben tot overmatig gebruik van het finiete lidwoord in infiniete context. Gekeken naar de relatie tussen verbetering van lidwoordgebruik en de hoeveelheid blootstelling (exposure) aan het Engels is voor de nauwkeurigheid van ‘the’ een significant verschil te zien. Bij de nauwkeurigheid van ‘a’ was dit niet het geval. Ook was deze verbetering alleen significant in het geval van de Chinese en Hindi/Urdu/Punjabi taalachtergronden. Dat dit niet het geval bij het Spaans was, kan volgens de auteurs een weerspiegeling zijn van L1 invloeden voor deze groep: de Spaanse en Arabische sprekers deden dit al voor zo’n 90% goed: hier was dus niet veel ruimte meer voor verbetering. 9


In de discussie worden de resultaten op een goede manier gekoppeld aan eerder besproken theorieĂŤn. Ook gaan Zdorenko en Paradis nog verder in op eventuele verklaringen voor bepaalde resultaten. In deze sectie wordt men als lezer dan ook uitgenodigd om meer over het onderwerp te gaan lezen.

Conclusie Zoals uit de evaluatie naar voren komt, is de beoordeling van dit onderzoek overwegend positief. Kritiekpunten kunnen vooral verbonden worden aan enkele zaken uit de methode, echter deze punten zijn niet dusdanig storend dat ze afdoen aan de algemene tendens van het artikel: fundamenteel gezien zaten Zdorenko en Paradis op het juiste spoor en komt het volledige onderzoek als betrouwbaar maar zeker ook nuttig over. Overall laat het artikel ook zien dat aan bepaalde verwervingspatronen ook de ontwikkeling van een kind ten grondslag kan liggen, en dat nauwkeurigheid van scores niet altijd of alleen met transfer te maken heeft.

10


Literatuur Brown, R. (1973). A first language: The early stages. Cambridge, MA: Hardvard University Press. Lardiere, D. (2009). Some thoughts on the contrastive analysis of features in second language acquisition. In: Second Language Research, 25, 173-227. Lardiere, D. (2004). Knowledge of definiteness despite variable article omission in second language acquisition. In A. Brugos et al. (Eds.), Proceedings of the 28th Boston University Conference on Language Development, 328-339. Zdorenko, T. & Paradis, J. (2011). Articles in child L2 English: When L1 and L2 acquisition meet at the interface. In: First Language, 32(1-2), 38-62. Zdorenko, T. & Paradis, J. (2008). The acquisition of articles in child L2 English: Fluctuation, transfer, or both? In: Second Language Research, 24, 227-250.

11


ARTICLES L2 ENGLISH