Issuu on Google+

e v a H e d n e Lev

Dit magazine verschijnt zes maal per jaar Jaargang 9 December 2011

Alles over boerderijdieren

NU

Extra magazine over kippen

Gratis De lange adem van een alpacafokker

10

12

Interview: ‘Utilisme geeft stof tot nadenken voor hobbydierhouders’ ----------------------------Huidstrelende wol van de Wensleydale Longwool ----------------------------Alles over kippen: de Leghorn

14

Alles over kippen


Tekst: Annet Visser Foto’s: Jan Smit/Dierenbeeldbank

Bijzondere vacht gewild bij vilters

Huidstrelende wol van de Wensleydale Longwool Glanzende wol en een imposante verschijning. Wie eenmaal een Wensleydale Longwool heeft gezien zal dit schaap niet gauw vergeten. Ondanks zijn bijzondere kwaliteiten, raakte het van oorsprong Engelse ras in de gevarenzone.

B

ij veel diersoorten komen ze voor: bij de geiten heb je de Angora, bij de alpaca’s de Suri en bij de schapen de Wensleydale Longwool. De zijdezachte vacht maakt deze dieren geliefd bij vilters en spinners. De oog- en huidstrelende wol – bij de Angora spreken ze over haar of mohair - laat zich goed verwerken tot warme sjaals, truien, jassen en sokken. Wat verder opvalt: de krullen. Deze dieren met dreadlocks zien er niet alleen grappig uit, hun aparte uiterlijk maakt ze zelfbewust, alsof ze zeggen willen: “kijk mij eens, zie eens hoe mooi ik ben”.

pag 12

Hoe komen deze dieren aan zulke mooie vachten? Op internet is een interessant artikel te vinden van dr. Marca Burns, die begin jaren tachtig schreef over The Wensleydale Longwool Sheep. Ze putte vooral uit onderzoek van dr. W.F. Dry die al in 1921 publiceerde over dit Engelse ras. Deze wetenschapper nam de blauwe oren, snuit en tong onder de loep, eigenschappen die duiden op verwantschap met de Teeswaters schapen, die op hun beurt weer beïnvloed waren door Leicester bloed in de vorm van de


reusachtige ram Bluecap, met een gewicht van ruim tweehonderd kilo. De kruising die daaruit voortkwam, moest vooral rammen opleveren voor de ooien in de heuvels van NoordYorkshire. Niet alleen de hardheid van het schaap deed ertoe, ook de waardevolle, glanzende vacht. Geen ’kemp’ Deze vacht is heel speciaal, aldus Marca Burns, uitzonderlijk lang en gelijkmatig verspreid over het lichaam. De glans is te danken aan het zachte buitenkant van de wolvezels. In de vacht bevinden zich geen ruwe haren, zogeheten “kemp”. Terwijl de lammeren van de meeste rassen met ruwe haren ter wereld komen, voelen de Wensleydale lammeren vanaf het prille begin zacht aan. Kemp groeit snel en kort, de wol van de Wensleydale Longwool neemt langzaam in lengte toe. De groei houdt bovendien veel langer aan: tot wel meer dan een jaar. Daarmee overtreft de Wensleydale Longwool zelfs het wolschaap bij uitstek: de Merino. Wilde schapen hebben, vervolgt Burns, een grove vacht aan de buitenkant en een korte, zachte ondervacht. Domesticatie van het schaap heeft de vacht doen veranderen: in gematigde klimaten nam de stugheid van de buitenvacht af en werd de ondervacht langer en minder zacht. Bij de Wensleydale Longwool zijn onder- en buitenvacht even zacht en, door het ontbreken van stugge haren, golvend bovendien. Niet alleen de vacht is bijzonder, stelt Burns, ook het vlees van dit grote schaap onderscheidt zich door een uitzonderlijk magere kwaliteit. Beide eigenschappen geeft de Wensleydale Longwool bij kruisingen door aan andere rassen. Vandaar dat dit schaap zo gewild is, hoewel dat uit de huidige aantallen niet valt af te leiden. Engeland telt nog slechts 1500 geregistreerde fokooien. De Wensleydale Longwool is een ras dat risico loopt in de gevarenzone terecht te komen en daarom opgenomen in de Britse organisatie voor zeldzame rassen, de Rare Breeds Survival Trust. Zwaar Nog altijd staat de Wensleydale te boek als waarschijnlijk het zwaarste schapenras ter wereld. Het heeft een brutale en alerte uitstraling en is, los van de lange vacht, goed te herkennen aan het blauwe hoofd en blauwe oren, waartussen zich een toefje wol bevindt. Ook op de wangen zit een dotje wol. Zowel rammen als ooien dragen geen hoorns. De staarten zijn lang. Ooien wegen ongeveer 110 kilo, rammen kunnen een gewicht van meer dan 135 kilo bereiken. Behalve Wensleydales met een lichtgekleurde vacht komen er ook Black Wensleydales voor. Hun kleur varieert van zilvergrijs tot zwart. Deze zijn zo mogelijk nog zeldzamer dan hun lichtgekleurde rasgenoten. De donkere vachten hebben de neiging wat de “vergrijzen” naarmate het schaap ouder wordt. Er verschijnen dan witte haren in de vacht. Hoewel de vachten van de Wensleydale zeer geschikt zijn om te verven, is vooral de natuurlijke variatie in kleur binnen de vacht met de tinten goudbruin en beige gewild bij vilters. In Engeland is de vraag naar de wol zelfs zo groot dat het een exclusief product is geworden. De jaarlijkse wolproductie van een Wensleydale komt uit op ongeveer vijf kilo. Bij kruisingen met rassen met een fijne, korte wol, zoals de Suffolk, kan

Levende Have

magazine voor hobbydierhouders

pag 13


Aan deze rubriek werkten mee: Luuk Boerema, Jinke Hesterman, Marion van ’t Land, Leo van Merwijk. Eindredactie: Marion van ’t Land. Foto’s: Jan Smit/Dierenbeeldbank.

Winterharde koeien

Storm in paardenhoofd Paarden hebben een heel goed gehoor. Ze zijn met name sterk in het bepalen waar een geluid vandaan komt. Dat doen ze door hun oren onafhankelijk van elkaar te bewegen, zodat ze geluiden uit alle richtingen feilloos kunnen opvangen. Zelfs als een paard zijn hoofd helemaal stilhoudt, kan hij met zijn twee 180 graden draaiende oren de hele omgeving beluisteren. Dat paarden tijdens herfst- en winterstormen vaak nerveus worden, heeft hiermee te maken. Door de harde wind kan het paard al minder goed horen, maar vooral het verstorende effect van de wind bij het oppikken van geluiden maakt hem zenuwachtig. Ook kan hij minder goed bepalen uit welke richting een geluid precies komt. Bij storm spannen paarden hun spieren, ze gooien het hoofd in de wind en beginnen te trippelen. Ze zijn klaar voor de vlucht. Want wat als er ineens een roofdier opduikt dat ze door de storm niet hoorden aankomen?

Plannen voor de aanschaf van een paar koeien, maar dan wel van een ras dat jaarrond buiten kan? Schotse Hooglanders kunnen goed tegen de kou en zijn vanwege hun soberheid en makkelijke karakter ideaal voor begrazingstrajecten. Limousin vleesvee is sober en past zich gemakkelijk aan elke omgeving en elk klimaat aan. Van de Nederlandse rassen is waarschijnlijk het Brandrode rund het meest winterhard. Brandroden zijn middelgrote, vriendelijke, sterke dieren, die zich goed aanpassen aan wisselende omstandigheden. Wie een bescheiden perceel heeft, of land dat snel drassig wordt, doet er beter aan een klein hobbyras te kiezen om te voorkomen dat de weide volledig kapot gelopen wordt. De kleine Galloway en de iets grotere Belted Galloway zijn dikbehaarde, gedrongen, sobere vleesrassen. Ze zijn bestand tegen extreme omstandigheden, maar doen het ook goed in een rijke koeienwei. Het Dahomey dwergrund is klein, taai en winterhard. Hij is geschikt als hobbykoe in een kleine wei (ook met andere dieren), maar net zo goed voor landschapsonderhoud. De populaire Dexter koetjes kunnen dienen als melk-, vlees- of begrazingskoe. Dexters zijn volledig winterhard en kunnen ook goed uit de voeten op wat natter terrein. Meer over de verschillende rundveerassen op www.levendehave.nl/ kennisbank/runderen/runderrassen en in het nieuwe boek Bejaarde boerderijdieren van dierenfotograaf Jan Smit en Reimer Strikwerda, Koeien in kunnen last krijgen van de weiden van de lage landen. Verkrijgbaar in de webshop van stramme botten en gewrichten. Vooral www.levendehave.nl. in de winter, als het koud is en de dieren weinig lichaamsbeweging krijgen, kunnen ze erg stijf worden. In de Vraagbaak op www.levendehave. nl adviseerden enkele dierhouders de verstrekking van glucosamine aan oude dieren die moeilijk bewegen. In die adviezen gaat het om het fijnmalen en door het voer mengen van voor mensen bedoelde glucosaminepreparaten, vrij verkrijgbaar bij drogist en supermarkt. Op zich geen gek idee, maar dierenarts Leo van Merwijk begrijpt niet waarom je mensenpillen zou gebruiken. “Een potje met alleen glucosamine kost bij de drogist toch al gauw een tientje. Een voordeelverpakking Ezels poetsen elkaar voor honden of paarden, met glucosamine plus chondroïtinesulfaat graag op de hals, de (een belangrijk tussenstofje bij kraakbeenstofwisseling) erin, is veel schoft, de rug en de flangoedkoper. De diergeneeskunde liep hiermee voor op de humane ken. Op die plaatsen vingeneeskunde, maar bij hobbydieren werd het nog niet toegepast.” den ze ook het krabbelen Vraag de dierenarts naar de juiste dosering en wijze van verstrekking of borstelen door menper diersoort. Stijfheid bestrijden kan via de dierenarts ook nog met senhanden erg prettig. daarvoor geschikte NSAID’s en (bij dieren die niet in de voedselketen Toch is er een gevoelig terechtkomen) met fenylbutazon. Van Merwijk: “Voordeel daarvan is plekje op het ezellichaam dat ontsteking, artrose en pijn worden geremd in de gewrichten. En het waar een ezel het nóg is erg goedkoop.” Van Merwijk heeft ook nog tips voor de hobbydierlekkerder vindt om aanhouder met stramme oudjes. “Niet teveel makkelijk verteerbare koolgehaald te worden: de binnenkant van zijn oren. Een ezel hydraten (fruit, krachtvoer) geven. Bij paarden en herkauwers kan dit die gekriebeld wordt in zijn oren, zal van puur genoegen zijn leiden tot hoef- en klauwbevangenheid en toename van de pijnklachten ogen samenknijpen en zijn hals uitstrekken. Vaak laat de en kreupelheid. En geef een goed, dik ligbed van stro.” ezel dan zelfs een soort kattengespin horen.

Glucosamine voor hobbydieren

Gevoelige plek van ezels

Levende Have

magazine voor hobbydierhouders

pag 31


De kool en de geit sparen

Het spreekwoord ‘De kool en de geit sparen’ betekent dat je twee partijen met conflicterende belangen allebei wilt helpen of tevreden wilt stellen. De uitdrukking komt voort uit een eeuwenoud raadsel. Dat raadsel luidt: een man moet per boot een wolf, een geit en een kool naar de overkant van een rivier brengen. Per overtocht mag hij er maar eentje vervoeren. Hoe voorkomt hij dat tijdens een boottocht de wolf aan wal de geit opeet, of de geit de kool? Oftewel: hoe vaak moet de man heen en weer varen om zowel de kool als de geit te kunnen sparen?

Ezel als waakhond In tegenstelling tot paarden en pony’s hebben ezels van nature een vast gebied waar ze in kleine kuddes samenleven. Zo’n territorium en het schaarse voedsel daarbinnen zullen ze willen verdedigen tegen indringers. Daarom kunnen ezels ineens in de aanval gaan als ze verrast worden door een nieuwe bewoner in hun wei. Laat nieuwe dieren en een bestaande groep dus liever eerst aan elkaar wennen met een stroomdraadje ertussen. In veel landen worden ezels vanwege hun sterke territoriumdrang ingezet als waakdieren, bijvoorbeeld om wilde dieren van het erf te weren. Ook worden ze in geweide schaapskuddes gebruikt om de schapen tegen aanvallen van roofdieren te beschermen.

Ondiepe schapenruif Nieuwe ruif in de schapenstal nodig? De meeste hooiruiven zijn vanwege hun ruime maaswijdte vooral geschikt voor paarden, niet voor schapen. Kies voor een echte schapen- of geitenruif met een kleine maaswijdte om hooiverspilling tegen te gaan. Mazen van 6 vierkante cm of van 5 bij 7,5 cm zijn ideaal voor schapenruiven. Een schapenruif moet ook vrij verticaal gericht, dus hoog en ondiep zijn. Bij een te ver naar voren overhangende ruif vallen de losse hooideeltjes in de nek en op de rug van het schaap. Het hooi vervuilt de vacht, zeker als de schapen ook nog buiten in de regen kunnen lopen. Ook kruipt het hooi in de wol en kan zo huidirritatie veroorzaken. Een vacht vol hooiresten kan later bovendien problemen geven bij het scheren.

Antwoord: zeven keer. De eerste keer (1) zet hij de geit over, de wolf en de kool blijven achter. Daarna (2) vaart hij alleen terug. Vervolgens neemt hij de kool mee naar de overkant (3), maar neemt de geit weer mee terug (4). Daar zet hij de geit aan land, haalt de wolf aan boord en brengt die naar de kool aan de overkant (5). In een lege boot vaart hij terug naar de geit (6). Met de geit vaart hij opnieuw naar de overkant (7), zodat hij dan zowel wolf, geit als kool veilig heeft overgezet.

Hek voor alpaca’s

Een alpacaweide kan het best omheind worden met een hekwerk van minstens 1,20 maar liever nog 1,50 meter hoog. Kersverse alpacahouders gaan vaak in de fout met eenvoudige (gaas) hekken met stroomdraadjes ertegen, maar een alpaca in volle vacht wordt daardoor niet afgeschrikt. Sterker nog, hij zal de schok meestal niet eens voelen. Beter is dus een stevig, voldoende hoog hekwerk. Een brede sloot zonder omheining voldoet ook om alpaca’s in hun wei te houden. Alleen als de hele kudde er om wat voor reden dan ook in paniek vandoor gaat, zouden de dieren de sloot eventueel als vluchtroute kunnen zien.

pag 32

Lange konijnentanden

Konijnen hebben boven en onder snijtanden. Direct achter hun bovensnijtanden zitten ook nog kortere stifttanden. De onderste snijtanden passen daar precies tussen. Dit zorgt ervoor dat ze ruwe begroeiing makkelijker kunnen doorknagen. Als ze hun tanden tijdens het eten voldoende gebruiken, zorgt dat er voor dat de tanden netjes beitelvormig afslijten. Zo niet, dan groeien ze te lang door of gaan scheef staan, of er kunnen haken aan de kiezen ontstaan. Een konijn met dergelijke gebitsproblemen kan niet meer goed eten. De dierenarts moet de konijnentanden dan weer in vorm slijpen. Geef konijnen ter behoud van hun zelfslijpende gebit veel ruwvoer zoals hooi, stro, ruwhout, boombast en takken, maar geen knaagsteen. Daar zit veel calcium in, dat bij konijnen voor blaasproblemen zorgt.


Foto’s en tekst: Jan Smit/Dierenbeeldbank

Bokkenwagenvirus A

ntoon in ’t Veen uit Berkel en Rodenrijs ment al 36 jaar bokken. Met zijn bokkenwagens is hij regelmatig te vinden op verschillende evenementen in het hele land, zoals op de Bockbierdagen in Zutphen. Daar laat Antoon zien waartoe zijn Nubische bok genaamd Stippel, de Landgeit bokken ‘Donder’ (Bliksem is thuisgebleven), ‘De Doodgraver’ (vernoemd naar de vorige eigenaar, een begrafenisondernemer) en ‘Toggenburger’ in staat zijn. Patrick van Dijk is met zijn gecastreerde bok Doerak ook van de partij. Hij is door Antoon aangestoken door het bokkenwagenvirus toen de vader van Patrick op zijn veertigste jarige verjaardag door hem werd verrast met een ritje op de bokkenwagen. Patrick mocht op 7-jarige leeftijd de bokkenwagen besturen. Sindsdien helpt Patrick Antoon elke zaterdag met het beleren van de bokken. Ook Lisette en Manon zijn elke zaterdag bij de dieren te vinden. Zij helpen Antoon met allerlei klusjes en mogen op evenementen de bokken de juiste kant op sturen. Antoon heeft alles zelf gemaakt. De bokkenwagens, het tuig en zelfs de bitjes die de bokken dragen. Nu de winter in aantocht is, wordt het tijd om alles weer een beetje op te knappen en de bokkenwagens nog mooier te maken dan ze al zijn.



Preview Levende Have december 2011