Page 1


ISBN 9789077716168 NUR 342, 320 Eerste druk Š Laurens de Wit, 2014 www.godlovesishmael.com Uitgeverij Ekklesia Facet www.ekklesia.nl Omslagontwerp: Advanced Media, Veendam

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever of auteur.


Inhoudopgave Voorwoord . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Dankbetuiging . . . . . . . . . . . . . . 10 Opgedragen aan . . . . . . . . . . . . . . 11 Deel 1 Het begin van een groot volk . . . . . . . . 01 Het Woord van God . . . . . . . . . . . . 02 Gods grootheid zichtbaar . . . . . . . . . . . 03 Een radicale en pijnlijke verrassing . . . . . . . . 04 Wijze lessen . . . . . . . . . . . . . . 05 Een verdrietig feest . . . . . . . . . . . . 06 Levend water . . . . . . . . . . . . . . 07 Immanuel – God met hen . . . . . . . . . . . 08 Verzoening tussen aartsvaders . . . . . . . . . 09 Een raadsel opgelost . . . . . . . . . . . . 10 Goed advies . . . . . . . . . . . . . . 11 Gezinsproblemen . . . . . . . . . . . . . Terugblik . . . . . . . . . . . . . . . . Deel 2 Lief en leed tussen de nageslachten van twee halfbroers . 12 Verhuizingen . . . . . . . . . . . . . 13 Redding uit een onverwachte hoek . . . . . . . . 14 Een bekende koning . . . . . . . . . . . . 15 Sprekend onweer . . . . . . . . . . . . 16 Jaloezie met grote gevolgen . . . . . . . . . . 17 Bekering . . . . . . . . . . . . . . 18 Profetisch lied . . . . . . . . . . . . . 19 Zakken vol goud . . . . . . . . . . . . 20 Straf van God? . . . . . . . . . . . . . 21 Niets is onmogelijk voor degene die gelooft . . . . . . Terugblik . . . . . . . . . . . . . . .

13 18 25 32 40 45 51 57 63 70 77 85 92

97 104 109 115 123 131 139 147 155 163 171 178

Deel 3 Gods plan met de Arabieren . . . . . . . . 185 22 Zegen verstopt tussen oordelen . . . . . . . . . 190 23 Nieuwe ontdekkingen . . . . . . . . . . . 196 24 Niet alles is koek en ei . . . . . . . . . . . 202 5


Afgewezen en geliefd

25 Vrije gevangenen . . . . . . . . . . . . 209 26 Een profetische ster . . . . . . . . . . . . 215 27 Op zoek naar de koning . . . . . . . . . . . 222 28 Het Wonderkind . . . . . . . . . . . . . 229 Terugblik . . . . . . . . . . . . . . . 237 Deel 4 God hoort de Arabieren - de nakomelingen van IsmaĂŤl . 29 Op het randje van de dood . . . . . . . . . . 30 Wie is de beloofde? . . . . . . . . . . . . 31 Hij leeft . . . . . . . . . . . . . . . 32 Ontmoeting met het levende Woord . . . . . . . . 33 Vuur dat niet verslindt . . . . . . . . . . . 34 Onschuldig bloed . . . . . . . . . . . . 35 Vrij . . . . . . . . . . . . . . . . Terugblik . . . . . . . . . . . . . . .

243 247 254 261 267 273 280 285 292

Deel 5 Gods plan voor de Arabieren in zicht . . . . . . 36 Lastige vragen . . . . . . . . . . . . . 37 Het verboden Boek . . . . . . . . . . . . 38 Een bijzondere afspraak . . . . . . . . . . . 39 Het Levende Woord van God . . . . . . . . . 40 Over vrijheid gesproken . . . . . . . . . . . 41 Als Hamas de Joden vergeeft . . . . . . . . . 42 Een radicaal verzoek . . . . . . . . . . . . 43 Prille vrucht . . . . . . . . . . . . . . 44 Het begin van een grote oogst . . . . . . . . . Terugblik . . . . . . . . . . . . . . .

295 298 304 311 320 326 332 341 347 356 363

Deel 6 Alles op een rij . . . . . . . . . . . . 1 Afgewezen . . . . . . . . . . . . . . 2 Geliefd . . . . . . . . . . . . . . . 3 Gods plan . . . . . . . . . . . . . . 4 Hoe nu verder? . . . . . . . . . . . . .

367 369 371 376 382

Isaak Da Costa . . . . . . . . . . . . . . Tass Sada . . . . . . . . . . . . . . . Aanbevolen boeken . . . . . . . . . . . . . Bronvermelding . . . . . . . . . . . . . . Eindnoten . . . . . . . . . . . . . . . Tijdbalken . . . . . . . . . . . . . . .

386 388 390 391 392 396

6


Voorwoord Als de bomen gesloten waren, zei Kerem altijd tegen mij: ‘Zet het sein op groen.’ Dan reikte ik omhoog naar de glimmende hendel, kneep de veiligheidspal in en bewoog de zware arm naar beneden. De ketting ratelde en honderden meters verderop bewoog de rode seinarm dan omhoog naar de positie ‘veilig’. Zo bracht ik als tienjarig jongetje veel tijd door in het overweghuis met onze Turkse kostganger. Nadat Kerem enkele maanden bij ons in huis gewoond had, liet hij zijn vrouw en kinderen overkomen uit Turkije. Meteen raakte ik bevriend met zijn oudste zoon, een leeftijdgenoot van mij. Ik genoot van de gastvrijheid en warmte in het islamitische gezin en was dan ook vaak te vinden in het huis dat door de Nederlandse Spoorwegen aan deze allochtone werknemer was toegewezen. Jaren later verhuisde ik met mijn gezin naar het Midden Oosten en werd ondergedompeld in de Arabische cultuur. In het begin voelde ik me onveilig, maar hoe meer ik bevriend raakte met buren en collega’s, des te meer genoot ik van de gastvrijheid en van het gemeenschapsleven. Mijn ervaring strookte echter niet met het beeld dat ik vanuit de Bijbel had. Ik was bekend met het verhaal van Hagars ontmoeting met de Engel van de Heer in hoofdstuk 16 van het boek Genesis. De Engel zei tegen haar dat haar ongeboren zoon Ismaël als een koppige, wilde ezel zou zijn, altijd ruzie makend met anderen. Hoeveel Bijbeluitleggers zagen hierin niet een verwijzing naar de agressieve en wilde Arabische nomaden in het Midden Oosten? Op een dag las ik het verhaal aandachtig door en vroeg me daarbij af hoe Hagar op dat moment de boodschap van God begrepen zou hebben. Tot mijn verbazing ontdekte ik dat, vanuit haar perspectief, God grote zegeningen over Ismaël uitsprak. Zo besloot ik om meer onderzoek te doen in de Bijbel. Ik vond van alles over het leven van Ismaël en zijn nakomelingen. Vreemd genoeg werd er vanaf een bepaalde tijd in de Bijbel niet meer over Ismaëlieten gesproken, terwijl daarna wel Arabieren werden genoemd. Een diepgaande studie wees uit dat de term ‘Arabieren’ in het begin inderdaad gebruikt werd om de Ismaëlieten aan te duiden, niet alleen in de Bijbel maar ook in andere geschiedkundige bronnen. Echter, na verloop van tijd werden nog 7


Afgewezen en geliefd

meer volken onder deze noemer geschaard. Daardoor is het moeilijk om te onderscheiden welke hedendaagse Arabieren tot de nakomelingen van Ismaël gerekend moeten worden en welke niet. Tijdens het bestuderen van alle profetieën over de volken rondom Israel begon ik een patroon te zien met betrekking tot de Arabieren. Daardoor werden enkele profetische uitspraken in het Oude Testament veel duidelijker voor mij. Het viel me op dat verschillende beloften van God voor een aantal volken in de huidige Arabische wereld nog nooit in vervulling zijn gegaan. Blijkbaar gaat dat nog gebeuren! Ik werd helemaal enthousiast, maar was tegelijk ook huiverig. Stel je voor dat ik dingen zou gaan beweren die nog nooit door iemand opgemerkt zijn. Toen wezen enkele vrienden mij op anderen die hetzelfde ontdekt hadden, zoals bijvoorbeeld Iet Bleeker, die 30 jaar onder de Joden en Palestijnen gewerkt heeft. De Joodse Isaac Da Costa drukte deze verwachting zelfs al uit in een gedicht in 1847. Zou dit dan geen belangrijke boodschap zijn voor de Arabieren en voor allen die Ismaëls vader Abraham als aartsvader van hun geloof zien? Wat zal er gaan gebeuren als de Christenen inzien dat God zielsveel van de Moslims houdt? En wat als de Moslims ontdekken hoe belangrijk zij in Gods ogen zijn en dat Hij misschien wel een uniek plan met hen heeft in de eindtijd, als ze hun vertrouwen op Jezus Christus stellen? En stel je voor dat de Joden aan den lijve gaan ervaren dat Gods liefde en genade reikt tot in het hart van de volken om hen heen, die veelal met hen in onmin leven. Dan gaat de mensheid een geweldige toekomst tegemoet. Dan komt er echte vrede in het Midden Oosten en dan zullen allen die menen dat God niets doet aan het lijden in de wereld, inzien hoe wijs en liefdevol Hij werkelijk is. Dit bracht mij ertoe om de ontdekkingen en inzichten op te schrijven en wel op een manier die voor iedereen toegankelijk is. Zo kwam ik uit op een studieboek in verhaalvorm. Boven ieder hoofdstuk staat een tekstballon met daarin het Bijbelgedeelte waarop het gebaseerd is. Zo kunt u gemakkelijk nakijken wat werkelijk in de Bijbel staat en wat fictief is. Daarnaast heb ik genealogieën en tijdsbalken toegevoegd om aan te geven wie werkelijk geleefd hebben en welke personen fictief zijn. Tot slot heb ik een aantal links toegevoegd naar een website waar allerlei achtergrondartikelen en diepgaande studies over cruciale of omstreden onderwerpen te vinden zijn. Ik hoop en bid dat u dit boek met een open hart zult lezen en moedig u aan om de Bijbelpassages onbevangen te onderzoeken, alsof u ze voor het eerst 8


Voorwoord

leest. Laat de Here God tot u spreken. Dan zal zijn Woord, levend gemaakt door zijn Geest, u de weg wijzen omtrent zijn toekomstplannen en welke plaats u daarin mag innemen. Daarbij sluit ik me aan bij de woorden van Izak Da Costa: ‘ ”Zullen deze dingen wel alzó zijn?” vraagt gij, en ik antwoord: misschien niet in alles naar deze uitlegging, misschien in een andere orde, misschien niet afzonderlijk, maar gelijktijdig of snel op elkander volgend en samenstromend. Maar misschien is het ook aan de andere kant mogelijk, dat wij nog veel meer andere heerlijkheden te verwachten hebben, dan wij hier uit de Schrift vinden opgetekend.’ * Ik zie er vol verwachting naar uit hoe God Zijn plan zal ontvouwen met de Arabieren en met de moslims die via Ismaël in Abraham hun aartsvader zien, en uiteindelijk met de Joden, Zijn uitverkoren volk. Laten we hen allen liefhebben met Gods liefde, tot eer van Zijn Naam. Laurens de Wit

* MESSIAANSE JODEN. VERGETEN EERSTELINGEN, Serie: Monografieën van Messiasbelijdende Joden. ISAAC DA COSTA, Dr. J. Haitsma. Uitgeverij J.J. Groen en Zoon, Leiden, 1993.

9


Deel 1

Het begin van een groot volk Over Gods hand op het leven van IsmaĂŤl, de aartsvader van 12 stammen in het Midden Oosten

De Heer heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Genesis 16:11 (NBV)


Abrahams kinderen en kleinkinderen Abraham

Nebajoth Kedar Adbiël Mibsam Misma

Hagar

Ismaël

Duma Massa Chadad Tema Jetur Nafis Kedma Basmath Zohar

Beëri Ada Elon

Sarah

Oholibama

Izak Ezau Rebekka Jakob Zimran Sjeba Joksan

Ketura

Dedan Medan Efa

Midian

Efer Henoch

Jisbak

Abida Eldaä

Suah

Legenda

Abraham

bijbelse persoon - man

Hagar

bijbelse persoon - vrouw

Zohar

fictieve persoon

Stamboom Abrahams nageslacht

15

huwelijksband nakomeling


Enkele relevante locaties in het leven van Abraham

Voor een filmpje van de reizen, ga naar www.godlovesishmael.com/reizen

16


Op een dag, 4000 jaar geleden ‌

17


Genesis 16

1 Het Woord van God Aan alle kanten rijzen kale bergen uit het landschap omhoog. Door de vele zandstormen hebben ze grillige vormen gekregen. Hier en daar steekt een struikje uit een spleet. De vallei wordt gesierd met enkele acaciabomen, die boven de grote brokken rots uitsteken. Door het woestijnstof zijn de bladeren bruingekleurd en geven ze een levenloze aanblik. Alleen tijdens de schaarse buien spoelen de bladeren schoon en ogen ze enkele dagen fris en groen. Het regenwater gutst dan vanaf de berghellingen en verzamelt zich in de vallei, waar het in een kolkende vloedstroom verandert, die enkele uren later alweer verdwenen is. Het regenseizoen is twee volle manen geleden gestopt en nu ziet alles er doods uit. Het karkas van een gazelle benadrukt de onheilspellende sfeer. Karrensporen markeren de kronkelende weg van Kana채n naar Egypte. Het is stil. Slechts het zachte ruisen van de warme wind is te horen. Hoog aan de strakblauwe hemel cirkelt een arend in het rond, op zoek naar een prooi. Verder is er geen spoor van leven te bekennen in de zinderende hitte. Mens en dier trekken zich op dit moment van de dag, als de zon op haar hoogst staat, altijd terug in de schaduw. Toch verschijnt er een persoon, geheel in het zwart gekleed. De enorme rotsschakeringen benadrukken de nietigheid van deze vrouw die in de wadi loopt te strompelen. Ze ziet er vermoeid uit, het hoofd voorover gebogen. Met de sluier bedekt ze haar gezicht om het fijne stof niet in te ademen. Wat doet een vrouw helemaal alleen op deze handelsweg waar normaliter alleen mannen reizen met hun lastdieren? Ze heeft niets bij zich, zelfs geen waterzak; alleen de kleren die ze aanheeft. Er is ook niemand die voor haar zorgt en haar beschermt. Helemaal in haar eentje loopt ze door het dorre land, op weg naar ... Ja, waar gaat ze eigenlijk naartoe? Gevoelens van opluchting en wanhoop wisselen zich af. Gelukkig, ik ben vrij, denkt ze, nooit meer gepest of geslagen door mijn meesteres. Thuis zullen mijn vader en broers me beschermen. Ze telt hoe lang ze nu onderweg is en komt uit op vier dagen. Nou, als ze me terug hadden willen hebben, dan hadden de knechten van mijn meester me allang ingehaald op hun snelle kamelen, concludeert ze. Haar maag rammelt wel van de honger en ze vraagt zich af of ze 18


1 Het Woord van God

de reis naar huis zal redden. Sinds haar vlucht heeft zij bijna niets te eten gevonden en ze heeft nog heel wat dagen te gaan. Maar op dit moment overheerst de dorst; haar tong voelt dik en droog aan. Even na zonsopgang heeft ze voor het laatst gedronken. Ik moet nu vlakbij de bron zijn, maar waar is die toch? De bergen lijken allemaal op elkaar en ze is hier nog maar één keer geweest. Dat is inmiddels alweer jaren geleden, toen ze met haar meester vanuit Egypte naar Kanaän is gereisd. Terwijl ze verder sjokt, komen de herinneringen aan die reis weer boven. Wat een feest was dat. Heerlijk, verlost van die gemene meester in Egypte die mij steeds sloeg. Voor straf gaf hij me soms zelfs geen eten. Hoe vaak vroeg ik me toen niet af hoe ik het ooit vol zou houden, zoals mijn ouders gedaan hebben? Wat was mijn nieuwe meester, met zijn grappige buitenlandse accent, toch aardig. Hij heeft me nooit geslagen en hij valt zelden boos uit tegen zijn knechten. Zelfs de schapen en ezels behandelt hij met respect, als een kostbaar bezit. In het begin had ze wel heimwee naar haar ouders en haar oudere broer. Maar al gauw werden de knechten van haar nieuwe baas als broers voor haar. Hij had hun strikt verboden de meisjes lastig te vallen. Wat dat betreft had ze het heel goed bij hem. Na de zoveelste bocht over de stoffige weg, komt eindelijk een groep palmbomen in zicht. Die verraden de aanwezigheid van een grote bron, waar de reizigers altijd stoppen om te drinken en even uit te rusten of om te overnachten. Gelukkig is het er stil. Bij de vorige bron, waar ze overnachtte, vielen enkele mannen haar lastig. Wat was ze bang geweest. Zo aardig als haar baas is, zo slecht zijn de inwoners van het land. Ze vertrouwt er niet één. Hoeveel verhalen heeft ze al niet gehoord over de gevaren op deze weg? En als vrouw alleen is ze extra kwetsbaar. Schreeuwen had geen zin, want er was niemand die haar kende. Ze was een onbelangrijke weggelopen slavin. Een mens zonder waarde. Plotseling realiseert ze zich iets. Toch wel apart, juist toen een van de mannen mij bij de arm had gegrepen, kwam er een leeuw uit het niets. Ineens hadden ze het te druk met het verdedigen van hun ezels tegen deze indringer. Dankzij die leeuw is mij niets overkomen. Tot haar opluchting ligt er een mand bij de put om het water mee op te hijsen. In deze tijd van het jaar staat het water diep, maar zo kan ze er toch bij. Ze drinkt met volle teugen en wast daarna het stof van haar gezicht. De verkoeling doet haar goed. Nu pas voelt ze hoe moe ze is. Dit is een goede 19


Afgewezen en geliefd

Deel 1

plek om even uit te rusten, in de schaduw van de palmen. Als ze haar ogen dicht doet, dwalen haar gedachten terug naar de afgelopen tijd. Enkele maanden geleden zag alles er nog geweldig uit. Zij was uitgekozen om de bijvrouw van haar meester te worden. Dit was de mooiste dag van haar leven. Een betere toekomst kon ze zich niet wensen als slavin. Als zij een kind kreeg, dan zou dat alles erven van haar meester. Dan zou ze geen slaaf meer hoeven zijn en ook geen zorgen hebben over haar oude dag. Nou ja, ze zou haar zoon af moeten staan aan haar bazin, omdat die zelf geen kinderen had. Maar haar meester, de vader van haar zoon, zou voortaan in alles voorzien. En als die zou overlijden, zou haar zoon voor haar zorgen. Wat een heerlijke toekomst! En toen werd ze nog meteen zwanger ook. Ze was zo blij en vertelde het aan iedereen in geuren en kleuren. Helaas begonnen al gauw ook de problemen. Ze was nu geen slaaf meer. Haar bazin dacht er echter anders over. Zij vond dat ze gewoon nog best hetzelfde slavenwerk kon doen. Nou, mooi niet. Er waren genoeg andere slavinnen over om haar werk te doen, dus had ze voet bij stuk gehouden. Ze was nu de bijvrouw geworden van haar meester; dan mag je ook wel wat meer van het leven genieten, zoals de rijken. Want rijk was hij beslist. In het begin verdedigde hij haar nog wel maar hij had zo’n zwak voor zijn eerste vrouw dat hij uiteindelijk toch overstag ging. ‘Mijn echtgenote is jouw bazin,’ had hij uiteindelijk gezegd. Zijn wil is wet dus Sara kon met haar doen wat ze wilde. Vanaf toen werd het leven met de dag zuurder. Totdat het echt helemaal uit de hand liep. Dan maar liever terug naar haar ouders, had ze besloten. Terug naar Egypte. Alles beter dan deze pijn en vernedering. ‘Hagar,’ klinkt een rustige mannenstem. De vrouw kijkt verschrikt op; ze heeft niemand aan horen komen. Wie is dat? Hoe kent hij mijn naam? Wat moet hij van mij? Voor haar staat een vreemde man. Ze herkent hem niet en herinnert zich ook zijn stem niet. Zijn donkerbruine ogen kijken haar vriendelijk maar doordringend aan. Alsof hij precies ziet wat zij voelt en denkt. ‘Slavin van Sarai, waar kom je vandaan?’ Hoe weet hij dat allemaal? Hagar is bang en opgewonden tegelijk. Het liefst zou ze weg willen rennen want vreemde mannen zijn meestal niet vertrouwen. Maar hij heeft iets over zich dat haar doet denken aan haar meester. Iets vredigs. Ze antwoordt hem en voor ze het weet, gooit Hagar het hele verhaal eruit. Ze vertelt over de promotie die ze heeft gemaakt en over de spanningen die tussen haar en Sarai groeiden. ‘En toen schreeuwde 20


1 Het Woord van God

ze voor de zoveelste keer: “Jij doet precies wat ik zeg, jij bent mijn slavin!” Die woorden deden me elke keer meer pijn. Ik heb altijd zo mijn best gedaan. Ik ben zwanger en toch moest ik nog steeds zwaar werk doen. En ze schold me de hele tijd uit.’ Terwijl ze erover praat, voelt Hagar de boosheid weer opkomen. Haar lichaam spant zich en het bloed stroomt naar haar gezicht. ‘En toen gebeurde het ongeluk. Ik was moe en de zware ketel gleed per ongeluk uit mijn handen. Kokend heet water klotste over de rand en kwam op Sarai’s voet.’ Terwijl ze dit aan de man vertelt, beseft Hagar dat het niet helemaal een ongeluk was. In haar hart had ze al vaak gehoopt dat Sarai iets pijnlijks zou overkomen. In haar boosheid en frustratie had Hagar de ketel nogal ruig opgepakt. ‘Toen werd Sarai woest. Ze schold en tierde en toen ... ‘ Hagar wijst naar haar linkerwang en nek. Haar huid is vuurrood en er zitten grote blaren op. Ze voelt opnieuw de pijn van de afwijzing en barst in tranen uit. De vreemdeling kijkt haar begrijpend aan. Het is alsof hij haar pijn meedraagt. Tussen de snikken door zegt Hagar: ‘Waarom moest Sarai heet water in mijn gezicht gooien? Ik had haar toch niet expres pijn gedaan? Nou, toen kon ik er niet meer tegen, de maat was vol. Toen ben ik gevlucht.’ De man neemt het woord weer. Hij gaat niet in op Hagars verhaal en laat in het midden of Hagar terecht boos was op Sarai of niet. In plaats daarvan vraagt hij kalm: ‘En waar ga je heen?’ ‘Ik ben op weg naar mijn ouders in Egypte. Zij zijn slaven bij een rijke zakenman. Ik heb vroeger ook al voor hem gewerkt. Misschien wil hij mij wel terugnemen. En zo niet dan vind ik wel een ander om voor te werken.’ De vreemde man luistert aandachtig. Als ze klaar is, zegt hij: ‘Ga naar je bazin terug.’ Wat? Meteen voelt Hagar een afkeer voor deze vreemdeling. Dat kun je niet menen! Maar hij meent het wel. ‘Wees haar gehoorzaam’, gaat hij verder. De schrik slaat Hagar om het hart. Terug naar dat vreselijke mens? Dat nooit! Ze klemt haar kaken op elkaar en balt haar handen tot vuisten. Het kost haar grote moeite om haar woede in te houden. Snel draait Hagar haar hoofd weg om de confronterende blik van de vreemdeling te vermijden. Ze zou tegen hem willen schreeuwen: ‘Bent u gek geworden?’ Maar hij spreekt met zo’n grote autoriteit dat ze niet tegen hem in te durft te gaan. Nadat ze de woorden heeft laten bezinken, kijkt Hagar de man weer voorzichtig aan. Bij het zien van zijn ogen voelt ze een onverklaarbare vrede in haar hart komen, die haar boosheid verdrijft. Alsof dit de beste weg voor haar is en ook voor het nieuwe leven in haar buik. 21


Afgewezen en geliefd

Deel 1

‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven,’ vervolgt de vreemdeling, ‘zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn.’ Hagars gedachten vliegen in het rond. Wat zegt hij nu? Hoe kan hij dat nou doen, wil hij met mij trouwen? Haar gezicht ontspant zich en ze moet een glimlach onderdrukken, deels omdat ze hem niet in zijn gezicht uit wil lachen en deels omdat haar verbrande wang meteen zeer doet. Wat een vreemd figuur, gaat door haar heen. Even ademt ze diep in om te zien of dit niet gewoon een droom is. Ze ruikt de frisse lucht van de groene plantjes die, dankzij gemorst water, rond de bron groeien. Dit is geen droom, maar gebeurt echt. Ondertussen praat hij rustig door. ‘Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen.’ Maar, maar, ... hoe weet hij nu dat ik een zoon ga krijgen? Het zou toch evengoed een dochter kunnen zijn? Dan maakt de verwarring plaats voor blijdschap. Geweldig, een zoon! Dat is de grootste wens van iedere vrouw, en dan nog wel het eerste kind, de eerstgeborene. Dat is bijna te mooi om waar te zijn. Ze zou wel willen dansen van vreugde. Tegelijk twijfelt ze. Kan ze de woorden van deze vreemdeling wel vertrouwen? Maar hij wist ook mijn naam en wiens slavin ik was. Opgewonden luistert ze verder, want hij is nog niet uitgepraat. ‘Die moet je Ismaël noemen,’ zegt hij, ‘want de Heer heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had.’ Ineens herinnert Hagar zich de verhalen van haar baas Abram. Zijn God had hem verteld dat hij naar een onbekend land moest verhuizen. Hij had geluisterd en die God had goed voor hem gezorgd. Ze had weleens gezien dat hij een altaar bouwde voor God. Thuis was ze opgegroeid met de Egyptische goden. Die waren heel machtig, dus ze was hen trouw gebleven. Maar de woorden van deze man klinken zoals Abram altijd over God sprak. Hij spreekt met een kalme overtuigende zekerheid. En toch voelt het aan als onmogelijk. Zij is Hagar, de waardeloze slavin. Dat heeft ze als kind al zo vaak gehoord. En heeft Sarai dat de laatste tijd ook niet tegen haar gezegd? Is de God van Abram geïnteresseerd in mij, een slavin? Heeft Hij werkelijk gehoord hoe zwaar ik het had onder mijn meesteres? Dat is wel wat deze vreemdeling zegt. En dan die naam, wat mooi. Hagar kan zich geen mooiere naam voorstellen voor haar zoon. Ismaël - ‘God hoort’. God hoort zelfs de stille roep van haar hart. Stilletjes heeft ze weleens gehoopt dat zij ook ooit eens die God van Abram zou mogen ontmoeten. Dat zou wel geweldig zijn. Ineens dringt de werkelijkheid door tot Hagar. Nu gebeurt het! Nu maakt ze het zelf mee. Hier staat ze oog in oog met de God van haar man. Ineens begrijpt ze hoe

22


1 Het Woord van God

het komt dat ze hem zomaar alles verteld had. Daarom stralen zijn ogen zo’n vertrouwen uit en voelt ze zich zo veilig. De man is nog niet uitgepraat. ‘Een wilde ezel van een mens zal hij zijn, zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal in de buurt van al zijn broers wonen.’ Hagars gedachten gaan meteen terug naar de keren dat ze wilde ezels in de buurt van waterbronnen heeft gezien. Hoe vaak heeft ze niet gewenst dat ze net zo vrij zou mogen zijn en dat ze zou kunnen gaan en staan waar ze maar wilde? Abram bezat heel wat ezels, maar die moesten altijd doen wat hun baas zegt. Zo voelde Hagar zich ook. Als een ezelin die moest doen wat van haar gevraagd werd. En wee je gebeente als je niet goed luisterde. Dan werd je geslagen en uitgescholden. Daar had ze meer dan genoeg van meegemaakt. Was ze daarom niet gevlucht, weg van de tirannie van Sarai? Deze man belooft haar dat haar zoon vrij zal zijn. Geweldig! Dat hoopte ze al toen ze de bijvrouw van Abram werd. Maar die droom had ze opgegeven door te vluchten, terug naar huis, waar haar ouders slaven waren, waar haar grootouders en andere familieleden allemaal slaven en slavinnen waren. ‘Een wilde ezel * ... vrijheid ...,’ de woorden galmen door haar hoofd. Ze wil de man bedanken voor zijn grote bemoediging. Maar ... waar is hij? Hagar kijkt rond maar ziet hem nergens. Ze klimt op een hoge rots en tuurt het pad in beide richtingen af, in de hoop nog een blik van hem op te vangen. Geen spoor te bekennen. Zo plotseling en geruisloos als hij verscheen, is hij weer verdwenen. Dan dringt tot Hagar door wie deze vreemdeling geweest moet zijn. Dit was niet zomaar een man. Het was een verschijning van God zelf. Alleen Hij kan weten wie ze is. Alleen Hij kan haar met zekerheid vertellen dat hij haar veel nakomelingen gaat geven. Alleen Hij kan weten dat ze zwanger is van een jongetje. Hoe wil God dat ik met Hem omga?, vraagt Hagar zich af. Dan herinnert ze zich hoe Abram met God omgaat. Hij loopt weleens een rondje in de

* m  eer informatie over de wilde ezel is te vinden op www.godlovesishmael.com/ezel

23


Afgewezen en geliefd

Deel 1

avondschemering en praat dan hardop. ’t Is een raar gezicht als hij dat doet, maar toch heeft het iets vertrouwds. Dan kan zij dat ook zo doen. Onwennig, maar met diepe dankbaarheid zegt ze hardop: ‘U bent een God van het zien.’ Op dat moment wordt haar hart overspoeld met blijdschap en verdwijnt het laatste restje angst in het niets. Even lijkt het alsof ze haar zoontje voelt bewegen. Snel gaat ze op weg, over dezelfde sporen waar ze zo-even nog gesjokt had. Vaag ziet ze de contouren van haar eerdere voetafdrukken in het stof. Wat een verschil met daarnet. God heeft naar haar omgezien. Nu komt alles goed, weet ze.

24


Genesis 16

2 Gods grootheid zichtbaar De maan geeft een zachtblauwe gloed over de bergen en verandert de waterbeek in het dal in een dunne zilveren slang. Behalve het snerpen van enkele vleermuizen is alleen het zachte geknetter van enkele houtvuurtjes te horen. De zwarte silhouetten van de bedoeïenententen liggen er vredig bij en de schapen en kamelen liggen dicht bij elkaar te rusten. Alleen Abram ligt te woelen. Zijn gedachten blijven uitgaan naar de gebeurtenissen van de afgelopen dag. Het begon allemaal heel gewoon. Bij het krieken van de dag was hij opgestaan en had zijn ochtendwandeling gemaakt. Toen hij terugkwam voor het ontbijt, zag hij de slavinnen heen en weer rennen. Hij had meteen iedereen tot rust gemaand en bij zich laten komen in de ontmoetingstent. ‘Hagar is weg. Haar kleren liggen nog in de tent, maar we kunnen haar nergens vinden,’ vertelden ze. ‘Ach, dan komt ze wel weer tevoorschijn,’ had hij gezegd. Maar toen de zon hoog aan de hemel stond en de geur van versgebakken brood voor het middageten zich door het kamp verspreidde, was Hagar nog steeds niet op komen dagen. Op dat moment begon hij zich zorgen te maken en had enkele knechten erop uit gestuurd om in de omgeving te zoeken. Tegen de tijd dat de zon bijna onder was, kwamen ze terug ... zonder Hagar. Toen had Sarai hem in detail verteld over het voorval van de dag ervoor. Op dat moment was het duidelijk geworden dat Hagar echt weggelopen moest zijn. Daar ligt Abram nu over na te denken. Uiteindelijk staat hij op en sluipt zachtjes de tent uit. Hij gaat naar zijn favoriete plek waar hij altijd tot rust komt als er teveel afleiding in het kamp is. Voorzichtig ontwijkt hij de losse stenen die op het pad naar de top van de berg liggen; hij wil de stilte van de nacht niet verstoren. Dankzij het maanlicht ziet hij precies waar hij moet lopen en klimt vlot omhoog. Even later is hij op het vlakke stuk onder het klif dat ’s middags altijd behaaglijk schaduw biedt. Hij gaat op een rotsblok zitten en zijn geoefende ogen turen de vallei af. ‘Och, als ik Hagar maar weer terugzie. Zij draagt het kind door wie God beloofd heeft dat Hij heel de aarde zal zegenen. Abram kijkt omhoog en ziet de sterren fonkelen aan de wolkenloze hemel. Hij moet denken aan die ene keer dat God krachtig tot hem sprak. Het is alweer heel wat zomers geleden, maar de woorden liggen diep in zijn geheugen gegrift. ‘Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. Zo talrijk zal uw nageslacht zijn,’ 1 had God gezegd. Abram ge25


Terugblik Bent u ook geraakt door het leven van Ismaël? En hebt u zich verbaasd over de manier waarop God hem gezegend heeft? Dat begon al toen zijn moeder wegvluchtte van haar bazin Sara en een bijzondere ontmoeting had bij een waterbron. Hagar was daar zo door geraakt, dat ze gehoorzaam terugkeerde naar degene die haar zo mishandeld had. Ze geloofde de beloften die de vreemdeling maakte. Laten we nog eens kijken naar deze ontmoeting, zoals beschreven in Genesis 16:7-12. Daar vinden we de volgende unieke gebeurtenissen: 1. V  oor de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid verscheen de Engel des Heren. Hagar had het voorrecht om de eerste mens te zijn die Gods hemelse boodschapper 6 mocht ontmoeten. Dit was in ruim tweeduizend jaar nog niet voorgekomen. Door de eeuwen heen hebben de kerkvaders de Engel des Heren gezien als een verschijning van Jezus Christus – het Woord van God - in mensengedaante. Voor meer informatie, zie www.godlovesishmael.com/engel 2. H  agar was de eerste vrouw op aarde die een belofte van God kreeg. God gaf Eva ook een belofte, maar dat gebeurde nog in het paradijs. 3. G  od beloofde Hagar dat haar zoon een groot volk zou worden. Geen enkele vrouw ontving deze belofte van buitengewone zegen direct van God. Alleen Abraham, Izak en Jakob hebben hem ook direct van God ontvangen. 4. Ismaël werd de eerste persoon die vóór de geboorte zijn naam van God ontving. Dit is overigens slechts vier keer zo specifiek gebeurd in de geschiedenis van de mensheid. De andere drie personen zijn Ismaëls halfbroer Izak, Johannes de Doper en diens neef Jezus. Zie ook www.godlovesishmael.com/4genaamd. 5. G  od gaf de zoon van Hagar een bijzondere naam. De betekenis van Ismaël - God hoort - is een prachtige belofte in de context van gebed. 92


Terugblik

God maakte daarmee Zichzelf bekend als Degene die zowel naar Hagar als Ismaël zou luisteren. 6. Ismaël zou een wilde ezel man zijn. In de Bijbel is dit een beeld van vrijheid en onafhankelijkheid, in tegenstelling tot de getemde ezels die moeten doen wat hun meester hen opdraagt. De Engel sprak Hagar aan als ‘slavin van Sara’ maar beloofde haar dat Ismaël geen slaaf zou zijn maar een vrij man. Het laatste punt verdient extra uitleg, omdat ‘de wilde ezel man’ door de meeste Bijbelgeleerden eeuwenlang negatief geïnterpreteerd is. Zij verwijzen daarbij naar ‘de wilde Arabieren’. Dit vindt zelfs zijn weerslag in sommige Bijbelvertalingen waarin een uitgesproken negatief beeld over Ismaël en zijn nageslacht geschetst wordt. 7 De oorspronkelijke tekst in de Hebreeuwse Thora is echter neutraal. Het lijkt erop dat de komst van de Islam en de wilde verhalen over Arabische bedoeïenen de interpretatie van de grondtekst negatief beïnvloed hebben. In zijn boek ‘Arabs in the shadow of Israel’ betoogt de Libanese geleerde Tony Maalouf dat elk deel van de voorspelling die door de Engel des Heren gemaakt werd, bedoeld was om Hagar te troosten. 8 De opdracht om terug te keren naar Sara was buitengewoon moeilijk. Geen enkele hulpverlener zou tegen een misbruikte cliënt zeggen: ‘Onderwerp je aan je misbruiker.” Zou God, na de eerder genoemde zegeningen, zijn boodschap aan Hagar eindigen met een vloek over het prille leven in haar buik? Zou Hij haar niet veeleer bemoedigen met een zegenrijke belofte? De ernst van het misbruik wordt duidelijk door hetgeen de Engel erover zegt. Hij spreekt van verdrukking (Genesis 16:11). In het Hebreeuws wordt hetzelfde woord gebruikt voor de beschrijving van de enorme verdrukking van de Israëlieten onder de hand van Farao te beschrijven (Exodus 3:7, 17) en het zware lijden van Job onder Satan (Job 10:15, 30:16, 27). Een uitgebreide studie over Genesis 16:12 is te vinden op www.godlovesishmael.com/genesis16. Is het u opgevallen dat Abraham en Sara ruim dertien jaar geleefd hebben met de verwachting dat Ismaël de beloofde zoon was? Waarom heeft God al die tijd gewacht om bekend te maken dat hij het niet was? Zou het kunnen dat Hij Ismaël en zijn nakomelingen wilde laten beseffen dat ze diep geliefd zijn? Toen God aan Abraham bekendmaakte dat hij een zoon bij Sara zou 93


Afgewezen en geliefd

Deel 1

verwekken, was Ismaël al dertien. Zijn kinderjaren waren voorbij en hij was al een jongvolwassene. De kwetsbaarste jaren van zijn leven had hij door mogen brengen in de liefde van zijn aardse vader. Maar ook daarna, toen hij niet de zoon van de belofte bleek te zijn, was hij geliefd. De volgende unieke zegeningen en gebeurtenissen zijn te onderscheiden in het leven van Ismaël: 1. Het eerste gebed van voorbede dat in de Bijbel genoemd wordt is dat van Abraham voor Ismaël. En wel een gebed dat God nog verhoorde ook! 2. God beloofde Abraham dat Ismaël 12 zonen zou krijgen. Dat waren evenveel zonen als Jakob later kreeg. 3. God hoorde de stem van de jonge Ismaël toen hij op sterven lag. Daarmee toonde Hij aan dat Hij inderdaad de God is die hoort. 4. In Genesis 21:20 komen we voor het eerst de uitdrukking ‘God was met … ‘ tegen. Eeuwen later sprak de profeet Jesaja over Immanuel – God met ons (Jesaja 7:14). Dat waren troostvolle woorden voor de nakomelingen van Izak, het volk Israël. In het Nieuwe Testament zien we de geweldige vervulling hiervan in de persoon van Jezus Christus. Toen Hij afscheid nam van zijn volgelingen, bemoedigde Hij hen met de woorden: ‘Zie Ik ben met u tot aan de voleinding van de wereld.’ Dit mocht Ismaël vele eeuwen eerder al heel persoonlijk ervaren. 5. Volgens Genesis 25:6 gaf Abraham gaven aan de zonen van zijn bijvrouwen. Twee van hen worden in de Bijbel genoemd, namelijk Hagar en Ketura. We weten dus dat Abraham zijn eerstgeboren zoon niet voor altijd afgewezen heeft. Hij heeft Ismaël nog voor zijn dood ontmoet, in overeenstemming met zijn liefde voor hem (Genesis 21:11). 6. Izak bevestigde zijn liefde voor Ismaël door in Lachai-Roï te gaan wonen, de plaats waar de Engel des Heren tot Hagar gesproken had. Daarmee woonde hij ook dichter bij Ismaël dan wanneer hij in Mamre of Berseba was gebleven. 7. Van veel belangrijke personen uit de Bijbelse geschiedenis, zoals Lot, Ezau en elf zonen van Jakob, wordt de bereikte leeftijd niet genoemd. Daarentegen wordt van Ismaël vermeld dat hij honderd zevenendertig jaar werd. Dat de lengte van zijn leven genoemd wordt, geeft aan dat Ismaël belangrijk was voor God. Daardoor weten we ook dat hij een lang leven heeft gehad, hetgeen wijst op Gods zegen en liefde voor hem. Naast deze unieke gebeurtenissen en zegeningen, zijn er veel overeenkomsten tussen het leven van Ismaël en zijn jongere halfbroer Izak. 94


Terugblik

Gebeurtenis

Ismaël

Izak

01 Bovennatuurlijke geboorteaankondiging aan de moeder (door de Engel van God)

Genesis 16:11

Genesis 18:10-15

02 Naam van God ontvangen voor de geboorte

Genesis 16:11

Genesis 17:19

03 Besneden

Genesis 17:23

Genesis 21:4

04 Door hun vader afgewezen in opdracht van God

Genesis 18:14 Weggezonden - de woestijn(dood) in

Genesis 22:9-10 Met mes bedreigd

05 Bijna-doodervaring

Genesis 21:16 Onder de struik

Genesis 22:10 Op het altaar

06 Persoonlijke ontmoeting met de Engel van God

Genesis 21:17

Genesis 22:11

07 God grijpt in en voorziet in

(levend) water

(levend) offer

08 Samen hun vader begraven, geen zonen van Ketura aanwezig

Genesis 25:9

Genesis 25:9

09 Belofte van groot volk ontvangen

Genesis 16:10, 17:20 Genesis 17:16, 26:24

10 Door God gezegend

Genesis 16:11, 17:20 Genesis 25:11, 26:24

11 Vader geworden van 12 stammen

Genesis 17:20, 25:16 Genesis 35:22b12 zonen 26 12 zonen (via Jakob)

Al deze parallellen wijzen erop dat de stamvader van de Ismaëlieten een bijzondere plaats inneemt in de Bijbelse geschiedenis, en meer dan dat, in Gods hart. Concluderend kunnen we stellen dat het leven van Ismaël niet zomaar een ongelukje was. God heeft toegelaten dat Abraham een kind bij Hagar verwekte. Toen Hagar op de vlucht sloeg, heeft Hij haar niet laten gaan, maar bewust ingegrepen. Dit wijst erop dat God een plan had met dit jongetje. En hoewel Ismaël op zijn dertiende afgewezen werd als zoon van de belofte, was hij wel diep geliefd, vooral door God zelf maar ook door Abraham en Izak. Hoe ontwikkelde de relatie zich tussen de nakomelingen van deze stamvaders? Gingen de Ismaëlieten steeds tekeer als wilden en leefden ze in onmin met de Israëlieten of woonden ze in vrede naast elkaar? Daarover gaat het volgende deel. 95


Deel 3

Gods plan met de Arabieren Een kijkje in de profetieën van het Oude Testament met betrekking tot de nakomelingen van Ismaël die later Arabieren genoemd worden.

‘Och, zou Ismaël voor uw aangezicht mogen leven?’ bad Abraham. ‘Ik heb u verhoord,’ antwoordde God. Genesis 17:18,20


Rond de geboorte van Jezus de Messias

Zacharias Elizabeth ... Heli

... Maria Jozef

Jakob

...

Jezus

IsraĂŤlieten

... Ezra

Nathan ...

... Malichus

... ...

Hayyan

Arabieren

... Aqel

... ...

Legenda

Jozef Maria Malichus ...

bijbelse persoon - man

huwelijksband

bijbelse persoon - vrouw

nakomeling

fictieve persoon fictieve persoon naamloos

187

volk


Een aantal volken waarover geprofeteerd is in het Oude Testament Rond het begin van onze jaartelling waren Ammon, Moab, Edom en Filistea verdwenen.

Voor een animatiefilmpje, ga naar: www.godlovesishmael.com/beloften


800 jaar na het leven van koning Josafat, vlak voor het begin van onze jaartelling ‌

189


Ezechiël

22 Zegen verstopt tussen oordelen ‘Water, vers water!’ roept een man, terwijl hij de leren zak vol met kostbaar vocht op de grond zet. Met een aardewerken beker in de hand kijkt hij rond, op zoek naar een dorstige klant. De zon staat hoog aan de hemel, dus verkoeling is wel gewenst. Vandaag doet hij goede zaken want het plein is vol mensen. De wekelijkse markt trekt altijd van heinde en ver handelaren aan, die hun goederen komen verruilen of verkopen. Links is het gedeelte waar verse groenten en fruit te koop zijn. ‘Dadels! Nieuwe oogst uit Sjeba,’ roept iemand. Rechts zijn kraampjes met allerlei naaigerei voor het maken en repareren van kleding en tenten. Aan de overkant is het geluid van ijzer op ijzer te horen, daar is een smid bezig spijkers te maken. Verderop loopt een kameel rondjes om een houten pers. ‘De hoogste kwaliteit olijfolie,’ prijst de eigenaar zijn product aan. De geluiden stijgen op vanaf het plein, samen met de geuren en de hitte. In een statig huis aan het plein, op de bovenste verdieping, zitten twee mannen op de grond. De levendige drukte buiten gaat langs hen heen. Dat komt niet alleen omdat de dikke kleimuren een goede isolatie bieden tegen het geluid en de warmte. Nee, ze zijn te druk bezig met de documenten waar de grond mee bezaaid is. ‘Kijk, ook deze heb ik laatst in Jeruzalem gekocht,’ zegt Malichus tegen zijn vriend. Hij houdt een papyrusrol omhoog met mooi bewerkte houten handvaten, voorzien van zilveren versieringen op de randen. ‘Laat eens zien,’ reageert Aqel nieuwsgierig terwijl hij zijn hand uitstrekt om hem te pakken. Malichus trekt de rol snel terug. ‘Ik wil hem eerst zelf goed bekijken, daarna kun jij een kijkje nemen,’ lacht hij. ‘Waar gaat die rol over?’ vraagt Aqel. Een twinkeling verschijnt in Malichus’ ogen. ‘Het zijn boodschappen van een Joodse profeet.’ ‘Dat is toch niet zo bijzonder? Daar hebben we er al meer van.’ ‘Jawel, maar deze bevat boodschappen over ons volk. Kedar wordt hierin genoemd.’ ‘Ach, dat is toch niets nieuws? We hebben weleens een brief gezien van een profeet van lang geleden. Hoe heet die ook alweer …’ ‘Je bedoelt Jona?’ ‘Nee, die bedoel ik niet. Daar staat niets in over ons. O ja, ik weet het weer. Ezechiël. Die was het,’ herinnert Aqel zich. 190


22 Zegen verstopt tussen oordelen

‘Dat is waar,’ beaamt Malichus. ‘Maar daar staat alleen iets in over onze handelsrelatie met Tyrus. Die boodschap heeft niets met ons als volk te maken.’ ‘Weet je het zeker?’ reageert Aqel. Zonder het antwoord van zijn vriend af te wachten, roept hij een bediende en geeft hem een opdracht. Even later komt de jongeman terug met een grote papyrusrol in zijn hand. Behendig opent Aqel de rol en zoekt naar de plaats die hij in gedachten heeft. Ondertussen begint Malichus te lezen in zijn eigen kostbare bezit. ‘Hier is het,’ doorbreekt Aqel de stilte en leest meteen hardop: ‘Arabië en alle vorsten van Kedar, die deden zaken met u in lammeren, rammen en bokken.’ 38 ‘Zie je wel, dat is geen profetische boodschap,’ houdt zijn vriend vol. Aqel voelt zich geïrriteerd. Hij wil niet toegeven dat zijn vriend gelijk heeft. Langzaam draait hij de rol met de woorden van de profeet Ezechiël naar het begin. Ineens valt zijn oog op enkele woorden: ‘zonen van het oosten.’ Wie zou de profeet daarmee bedoelen? Dan dringt het tot hem door. ‘Malichus, moet je horen wat hier staat,’ zegt hij enthousiast en leest het stukje voor. ‘Het woord van de Heer kwam tot mij: Mensenkind, richt uw blik op de Ammonieten, en profeteer tegen hen. Zeg tegen de Ammonieten: Luister naar het woord van de Here Heer: Zo zegt de Here Heer: Omdat u ‘Haha!’ gezegd hebt over mijn heiligdom, toen het ontheiligd werd, en over het land van Israël, toen het verwoest werd, en over het huis van Juda, toen zij in ballingschap gingen, daarom, zie, ga Ik u in erfelijk bezit geven aan de mensen van het oosten. Die zullen bij u hun tentenkampen opzetten en hun woningen bij u plaatsen. Zíj zullen uw vruchten opeten en zíj zullen uw melk opdrinken.’ 39 ‘Dit gaat over ons,’ vervolgt hij, ‘het is zelfs al gebeurd.’ ‘Hoe kom je daar zo bij?’ vraagt Malichus, ‘de profeet Ezechiël woonde in Babylon en hij spreekt hier over het oosten. Wij wonen ten westen van Babylon.’ ‘Kijk, Ezechiël sprak deze woorden inderdaad in Babylon, maar de boodschap was aan de Ammonieten. Dus het gaat om het volk dat ten oosten van hén woonde, niet ten oosten van Ezechiël!’ ‘Tjonge, zo heb ik het nog nooit gezien,’ reageert zijn vriend, ‘daar kon je weleens gelijk in hebben. Enkele eeuwen geleden zijn sommigen van onze voorouders inderdaad Ammon en Moab ingetrokken. Dat was nadat de grote Babylonische koning Nebukadnezar hun steden verwoest had.’ ‘Dat is precies wat hier staat,’ zegt Aqel met diep ontzag, ‘luister maar naar hoe het verder gaat: “Van Rabba zal Ik een weideplaats voor kamelen 191


Afgewezen en geliefd

Deel 3

maken, van het gebied van de Ammonieten een rustplaats voor kleinvee. Dan zult u weten dat Ik de Heer ben.” ’ 40 ‘Hoe is het mogelijk dat Ezechiël zo nauwkeurig voorzegd heeft wat er zou gebeuren. De meesten van hen wonen daar vandaag de dag nog steeds in tenten,’ merkt Malichus op. ‘En ze weiden hun kamelen daar ook nog altijd en zelfs hun schapen en geiten en ezels!’ ‘En dat is nog niet alles, Aqel. De Ammonieten hebben het land nooit meer teruggenomen van onze voorouders.’ ‘Daar zeg je wat, Malichus. Als volk bestaan ze zelfs niet meer. Wie spreekt er nu nog over de Ammonieten?’ ‘God zij geprezen, die zijn profeten zo duidelijk verteld heeft wat er zou gaan gebeuren. Er is geen god behalve Hij,’ verklaart Malichus. Even zijn de beide mannen stil, dit moeten ze verwerken. Dan neemt Malichus het woord weer. ‘Maar hoe zit het met de Moabieten? Onze voorouders hebben ook hun land ingenomen. Is dat voorspeld of hebben zij met de Moabieten gevochten?’ Aqel zoekt de plaats op waar hij gebleven is en leest hardop verder. ‘Zie, Ik ga de zijde van Moab openleggen. Met het gebied van de Ammonieten zal Ik het in erfelijk bezit geven aan de mensen van het oosten, zodat onder de heidenvolken aan de Ammonieten niet meer gedacht zal worden. Ik zal over Moab strafgerichten voltrekken. Dan zullen zij weten dat Ik de Heer ben.’ 41 ‘Dus dat is allemaal voorzegd,’ concludeert Malichus op eerbiedige toon, ‘God is waarlijk met ons, Aqel. Hij heeft onze voorvader Ismaël beloofd te zegenen, en dat doet Hij nog steeds.’ ‘‘Nu ben ik wel heel benieuwd wat er in die rol staat die jij pas gekocht hebt. Wie weet wat daar voor beloften in staan voor ons en onze kinderen.’ Malichus hoort een duidelijke hint in de woorden van zijn vriend. Het kost hem moeite, maar je vriend een dienst weigeren is een grote schande, dus hij reikt Aqel de rol aan. ‘Hier, jij mag hem wel als eerste lezen. Ik heb het toch druk.‘ Stilletjes hoopt hij dat zijn vriend aan zijn stem en woorden hoort dat hij dit uit beleefdheid zegt, en niet omdat hij het echt te druk heeft. ‘Nee, dat hoeft niet,’ antwoordt Aqel. Hij weet heel goed dat Malichus dolgraag de rol als eerste leest en vervolgt. ‘Jij hebt er zelf nog niet in gelezen. Ik leen hem wel als je er mee klaar bent.’ ‘Echt waar, jij bent mijn beste vriend en ik vind het fijn als jij hem leest,’ doet Malichus er een schepje bovenop. Om zijn eer te bewaren, dringt hij nogmaals aan en reikt hem de rol aan. 192


22 Zegen verstopt tussen oordelen

Daarop besluit Aqel: ‘Als ik nu Ezechiël nog eens doorlees, en jij bestudeert deze rol, dan hebben we de volgende keer allebei wat in te brengen.’ Gelukkig, hij heeft de hint begrepen, denkt Malichus. Dan complimenteert hij zijn vriend: ‘Dat is een geweldig idee van je. En zodra ik ermee klaar ben, is het jouw beurt.’ Dat ziet Aqel helemaal zitten; een paar dagen wachten is geen probleem. Over een week is het weer marktdag en dan komt zijn vriend weer naar de stad voor boodschappen en om andere zaken te regelen. Die avond zit Malichus tot diep in de nacht bij het schijnsel van een olielamp in zijn nieuwe aanwinst te lezen. Enkele zinnen raken hem diep en tranen schieten in zijn ogen als hij het volgende tegenkomt: ‘Het zal in het laatste der dagen geschieden dat de berg van het huis van de Heer vast zal staan als de hoogste van de bergen, en dat hij verheven zal worden boven de heuvels, en dat alle heidenvolken ernaartoe zullen stromen. Vele volken zullen gaan en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de Heer, naar het huis van de God van Jakob; dan zal Hij ons onderwijzen aangaande zijn wegen, en zullen wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van de Heer uit Jeruzalem. Hij zal oordelen tussen de heidenvolken en veel volken vonnissen. En zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen. Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.’ 42 ‘God, wat verlang ik naar die tijd. Laat er vrede komen op aarde,’ bidt hij zachtjes, ‘U weet dat wij geen ruzie willen met de landen om ons heen. Als zij ons met rust laten dan laten wij hen met rust. Leer alle volken Uw wegen en laat ons in vrijheid leven, zoals U aan Hagar, de moeder van onze voorvader Ismaël, beloofd hebt.’ Gedurende de volgende dagen besteden de twee mannen meer dan gemiddeld tijd aan het bestuderen van de oude geschriften. Malichus valt van de ene verbazing in de andere, er staan zo enorm veel beloften in de boekrol van Jesaja. Aqel is teleurgesteld want hij kan in de rol van Ezechiël verder niets meer ontdekken dat met zijn volk te maken heeft. Nergens wordt gesproken over de Arabieren, behalve op die ene plaats die hij voorgelezen had. Kedar is de enige stamvader die genoemd wordt; de oude naam Ismaëlieten komt ook niet voor en er wordt verder ook nergens gesproken over de zonen van het oosten. Waarom staan er wel veel profetieën over de andere volken in en niet over ons? vraagt Aqel zich verbaasd af. Ineens krijgt hij een nieuw inzicht. Wat 193


Afgewezen en geliefd

Deel 3

over de andere volken geschreven staat is vooral negatief, terwijl het kleine beetje over zijn volk alleen maar positief is. Snel draait Aqel de boekrol naar de plaats waar over alle landen gesproken wordt. Daar is het stuk over Ammon en Moab dat hij met Malichus gelezen heeft. Dan een stuk over Edom, het nageslacht van Ezau. Daarna iets over de Filistijnen, gevolgd door oordelen over het rijk van Tyrus. Als Aqel daar aangekomen is, verbaast hij zich er over, hoeveel er over deze rijke stad gezegd wordt: kolom na kolom vol met voorspellingen, afgewisseld met klaagliederen. En alles wat de profeet gezegd heeft, is uitgekomen. Enkele eeuwen geleden is het machtige Tyrus inderdaad volledig verwoest door de Babyloniërs. Aqel bekijkt welke landen nog meer genoemd worden. Eerst is er een kort stukje over de stad Sidon. Daarna volgt een heel lang stuk over Egypte, kolom na kolom. Nou, dat zal het wel zijn. Maar laat ik voor de zekerheid nog iets verder lezen. Israël wordt even genoemd, daarna gaat het over Edom. Met groeiende verbazing volgen zijn ogen de tekst. Wat hier staat is niet mis. ‘Ik zal je straffen, Seïrgebergte, ik zal mijn hand tegen je opheffen en een verlaten woestenij van je maken. Je steden verander ik in ruïnes, ik maak een woestenij van je, en je zult weten dat ik de Heer ben. Je hebt de Israëlieten altijd gehaat, je hebt ze uitgeleverd aan het zwaard toen het onheil hen trof, toen er met hen werd afgerekend. Daarom, zo waar ik leef – spreekt God, de Heer: Ik zal je bloed doen vloeien en bloed zal je achtervolgen; bloed zal je achtervolgen vanwege je bloedige haat. Ik maak van het Seïrgebergte een verlaten woestenij waar niemand meer doorheen zal trekken. Je berghellingen zullen bezaaid zijn met doden en gewonden; op je heuvels, in je dalen en in al je rivierbeddingen zullen de lijken liggen van hen die door het zwaard zijn geveld. Ik maak van jou voor altijd een woestenij met verlaten steden, en je zult weten dat ik de Heer ben. Je hebt gezegd: ‘Die twee volken en die twee landen zijn van mij, ik zal ze in bezit nemen, al heeft de Heer er gewoond.’ Daarom, zo waar ik leef – spreekt God, de Heer: Ik zal de woede, de afgunst en de haat waarmee jij hen belaagd hebt vergelden, en door jou te straffen, zal ik mij aan hen openbaren. Jij zult weten dat ik de Heer ben! Al je beledigingen heb ik gehoord, alles wat je hebt gezegd over de bergen van Israël – dat ze verwoest waren, dat jij ze kon plunderen. Ook tegen mij heb je op hoge toon gesproken, ook mij heb je uitgedaagd, ik heb het gehoord. Dit zegt God, de Heer: De hele aarde zal zich verheugen als ik van jou een woestenij maak, zoals jij je verheugde toen het land van het volk van 194


22 Zegen verstopt tussen oordelen

Israël verwoest werd. Jou, Seïrgebergte, zal ik hetzelfde aandoen: een woestenij zul je zijn, jij en de rest van Edom: ze zullen weten dat ik de Heer ben’. 43 Wat een oordeel! Waarom is dat eigenlijk, wat hebben ze gedaan? Aqel leest de zinnen nog eens rustig door. Ha, hier staat iets. Met zijn vinger volgt hij de woorden op het perkament. ‘Omdat u een eeuwige vijandschap hebt.’ O, en hier nog iets. ‘Omdat u het bloedvergieten niet hebt gehaat.’ Tja, God heeft ook nooit bedoeld dat we elkaar zo naar het leven zouden staan. Gelukkig zijn wij niet zo haatdragend, bedenkt Aqel trots. Hij voelt een warmte door zich heen gaan. Hij is een rasechte Arabier, een directe afstammeling van Ismaël. Zijn volk zoekt niet de ondergang van andere volken, maar juist hun welbevinden, ook dat van de stammen van hun halfbroer Izak. Wat zei Malichus ook alweer? ‘God is waarlijk met ons. Hij heeft onze voorvader Ismaël beloofd te zegenen, en dat doet Hij nog steeds.’ Spontaan spreekt Aqel een dankgebed uit. ‘God U bent goed voor ons. Geprezen zij Uw naam.’

195


Jesaja 42 en 60

23 Nieuwe ontdekkingen ‘Welkom, welkom,’ begroet Aqel zijn vriend en kust hem op beide wangen. ‘Hoe gaat het met je?’ ‘God zij geprezen, en hoe gaat het met jou? En met je zoons?’ vraagt Malichus op zijn beurt. ‘Alles is goed met hen, God zij geprezen. En hoe is het met jouw kinderen?’ Aqel vermijdt bewust het woord dochters, ook al heeft Malichus geen zoons. Het is ongepast voor een man om naar de vrouwen te vragen. Dat doe je alleen indirect. ‘God zij geprezen. Zij zijn allemaal gezond.’ Dan vertelt Malichus dat hij een geschikte bruidegom heeft gevonden voor zijn oudste dochter. De onderhandelingen over de bruidsschat zijn in volle gang met de vader van de bruidegom, de echtgenoot van Malichus’ zus. ‘God geve hen welzijn,’ wenst Aqel toe. Even later zitten de twee mannen weer op het prachtige tapijt in de gastenkamer van Aqel. Een bediende serveert koffie met dadels zodat Malichus bij kan komen van de reis. Niet dat die zo zwaar was, dit is simpelweg deel van de Oosterse gastvrijheid. Beide mannen popelen om verder te gaan met hun ontdekkingstocht door de oude geschriften, maar houden zich in, zoals altijd. Aqel zorgt er eerst voor dat zijn vriend zich op zijn gemak voelt en Malichus vraagt op zijn beurt belangstellend naar de gebeurtenissen van de afgelopen week. Aqel moet als rechter veel bemiddelen in familieruzies. Hij weet altijd op humoristische wijze zijn belevenissen te verwoorden. Malichus geniet van zijn vriend. ‘En hoe gaat het met de studie?’ vraagt Aqel als de tijd er rijp voor is. ‘Wie wijs is, zal horen en inzicht vermeerderen, en wie verstandig is, zal wijze raad verwerven,’ 44 antwoordt Malichus met een glimlach op zijn gezicht. ‘Dat is een wijze uitspraak en een waarheid als een kameel.’ ‘Ja, die heb ik gevonden in een boekrol met spreuken van koning Salomo. Maar daar zullen we het vandaag niet over hebben.’ Malichus neemt even een slokje koffie en pakt dan zijn kostbare bezit uit de leren zak. Voorzichtig doet hij de strik los en rolt het boek open. Aqel kijkt met spanning toe, benieuwd wat er gaat komen. 196


Deel 5

Gods plan voor de Arabieren in zicht Gods beloften voor Ismaël en zijn nageslacht gezien door de ogen van hedendaagse christenen en een moslim.

Door Israëls val echter is de redding tot de ongelovige volken gekomen, om de Joden jaloers op hen te maken, totdat de niet-Joden volledig zijn binnengegaan. Dan zal heel Israël gered worden. Naar Romeinen 11:11, 25-26a


2000 jaar later

297


36 Lastige vragen ‘Hallo, ik heb een vraag.’ Een piepje kondigt aan dat iemand een chatboodschap gestuurd heeft. Yoesef kijkt op van zijn huiswerk en ziet op het beeldscherm dat de afzender ‘vrede2012’ is. Die komt hem niet bekend voor. Hij is nu al bijna twee jaar actief in de chatroom om met moslims in gesprek te gaan over het geloof. Hij heeft zich duidelijk bekend gemaakt als christen en regelmatig zoeken mensen contact met hem. Soms wordt hij uitgescholden dat hij een ongelovige is. Andere keren schrijven moslims dingen waarin ze het christelijk geloof belachelijk maken en af en toe komt iemand met een serieuze vraag. Het doet Yoesef altijd pijn als men zich negatief over het christendom uitlaat. In elk geval is het veiliger om vanuit huis contacten te hebben dan op straat. Omdat hij van een christelijke familie komt, heeft hij de vrijheid om in Amman naar de kerk te gaan. Maar hij is zich er altijd van bewust dat hij tot een minderheid behoort. Het feit dat hij een Palestijnse vluchteling is, helpt ook niet om gerespecteerd te worden door de Jordaanse landgenoten. Snel tikt Yoesef op het toetsenbord: ’Hallo, zeg het maar.’ ‘Waarom geloven jullie christenen in drie goden? Allah is één.’ Yoesef ziet de vraag op het scherm verschijnen en slaakt een diepe zucht. Wat zitten de moslims toch vast in hun denken. Ze denken allemaal dat wij in drie goden geloven. Maar dat is helemaal niet zo.’ Hij vraagt God om wijsheid hoe te antwoorden. ‘Heer, u kent de man die deze vraag stelt. U weet wat er in zijn hart omgaat en waarom hij hier op de chatbox mij benadert. Wat wilt U dat ik antwoord?’ Yoesef laat zijn gedachten gaan over illustraties die hij al eerder gebruikt heeft om de eenheid van God duidelijk te maken. Het beeld van de mens die uit geest, ziel en lichaam bestaat, leek niet aan te komen. Het water dat vaste, vloeibare en gasvorm aan kan nemen, kwam ook niet over. En de zon die een planeet is en tegelijkertijd licht uitstraalt en warmte afgeeft sloeg de laatste keer ook niet aan. De voorbeelden zijn zo logisch, en toch vatten de moslims het nooit. Ineens moet Yoesef aan een ei denken. Enthousiast schrijft hij zijn antwoord op. Ahmed tuurt naar het beeldscherm in de hoop een bevredigend antwoord te krijgen. Zou deze persoon iets zinvols te zeggen hebben? Eindelijk, daar 298


36 Lastige vragen

verschijnt wat. Hij leest: ‘Je zou het kunnen vergelijken met een ei. Dat bestaat uit drie delen: het eiwit, de dooier en de schil. Welk deel is nu eigenlijk het ei?’ Ahmed is teleurgesteld. Op school heeft hij geleerd dat de christenen God, Maria en Jezus aanbidden. Die drie hebben niets te maken met een ei. Ahmed vindt het maar een rare vergelijking. Waarom kan niemand uitleggen hoe het precies zit? Er schiet hem iets te binnen wat hij op school geleerd heeft: de christenen zijn afgedwaald van de waarheid. Daarom heeft Allah de profeet Mohammed gestuurd; om alle mensen over de hele wereld te leren hoe je moet leven. De profeet Jezus zelf heeft gezegd dat er na hem een boodschapper zou komen. Toch zou Ahmed willen begrijpen hoe het komt dat wereldwijd twee miljard mensen de christelijke leer aanhangen. Uit frustratie begint hij zijn antwoord: ‘Jullie christenen zijn verblind en verwerpen de leer van Allah en …’ Ineens stopt hij met typen. Zo reageren is niet respectvol. Onze profeet Mohammed ging in zijn tijd beleefd met de Joden om, ook toen zij hem afwezen. Ahmed wist de regel uit die hij net begonnen is en begint opnieuw. ‘Het is oneerbiedig om God te vergelijken met een ei.’ Als hij op de entertoets gedrukt heeft, verschijnt een glimlach op zijn gezicht. De imam 113 zou trots zijn als hij wist dat ik dit schrijf. Als Yoesef het antwoord leest, is hij teleurgesteld. Toch voelde ik me geïnspireerd toen ik hem schreef. Meteen brengt hij zijn gedachten in gebed. ‘Heer, ik begrijp niet waarom deze persoon niet gewoon de vraag beantwoord heeft. Maar ik vertrouw op U dat U in zijn leven werkt. Maak Uzelf alstublieft aan hem bekend.’ Even overweegt hij om alsnog de vergelijking van het ei uit te leggen, maar dan krijgt Yoesef het gevoel dat hij er beter niet verder op in kan gaan. Is dit nu van God, of is het de vijand die mij probeert tegen te houden om de waarheid bekend te maken? Meteen richt hij zich weer op God. ‘Heer, wat wilt u dat ik doe?’ Hij heeft de woorden nog maar amper in zijn hart uitgesproken of Yoesef realiseert zich dat die stille indruk om het te laten rusten, in hem was opgekomen na zijn eerdere gebed. Dan moet dat wel Gods antwoord zijn. Toch zit het hem niet lekker. Hoe gaat deze persoon ooit de waarheid leren kennen? Yoesef voelt zich in tweestrijd, maar besluit om het voorbeeld van het ei toch maar te laten rusten. Diep van binnen komt de gedachte ‘Vertrouw op Mij’ in hem op. Dat ziet hij als bevestiging en typt vervolgens zijn reactie.

299


Afgewezen en geliefd

Deel 5

Even later vliegen Ahmeds ogen over de regels op het scherm. ‘Ik respecteer je vrees voor Allah. Helaas zijn wij mensen beperkt in ons kennen van de Schepper. Daarom kunnen wij ook niet begrijpen dat God de Vader en de Zoon en de Heilige Geest één God is. Toen Jezus op aarde leefde, beleed Petrus, een van zijn volgelingen, dat Hij de Zoon van God was. Jezus legde toen aan hem uit dat hij dat wist door een openbaring van God de Vader en niet doordat iemand het uitgelegd had. 114 Dus alleen als God Zich aan ons bekendmaakt, kunnen we Hem kennen.’ Ahmed is verbaasd. Deze christen heeft een groot geloof, om zo overtuigd te zijn van Gods almacht en grootheid. Dat is een ander beeld dan hij, Ahmed, van de mensen van het Boek 115 had. Zegt de imam niet regelmatig dat de mensen van het Boek gehersenspoeld zijn? Toch heeft deze Arabische christen een vertrouwen in God dat hij zelf in zijn leven mist. Ahmed schrikt van zijn gedachten en neemt zich voor om zich niet meer in te laten met vragen over het christelijk geloof. Trouwens, stel je voor dat zijn vader of broers ontdekken wat hij hier gedaan heeft. Dan zwaait er wat. Daarom rondt Ahmed het chatgesprekje met een mooie zin af. Met spanning wacht Yoesef af hoe de vreemdeling op zijn persoonlijke antwoord zal reageren. Hij heeft recht vanuit zijn hart geschreven. Gelukkig, daar verschijnt het al op de monitor. ‘Bedankt voor je antwoord. Ik zal voor je bidden dat je de weg van de Islam mag leren kennen en de profeet Mohammed (vrede zij op hem) zult volgen.’ Grote teleurstelling maakt zich van Yoesef meester. Alweer iemand die niet echt open is. ‘Waarom doe ik dit eigenlijk nog? Ik kan mijn tijd beter aan andere, leukere dingen besteden. Dan word ik ook niet zo pijnlijk getroffen door moslims die voor mij bidden, terwijl ik er zo naar verlang dat zij de Here Jezus leren kennen als hun Verlosser. Met een bezwaard hart sluit Yoesef de chat af. Hij besluit nog één zinnetje te schrijven. Daarna klikt hij de chatbox dicht en opent het venster met zijn email programma, in de hoop dat er een berichtje van zijn nicht is. Noera is een optimiste en heeft altijd wel iets bemoedigends te zeggen. Ze leeft ook enorm met hem mee in zijn contacten met moslims. ‘Ik zal elke dag voor je bidden,’ heeft ze beloofd toen ze naar Amerika vertrok. Hij was een beetje jaloers dat zij wel de kans kreeg om daar te studeren en hij niet. Maar ja, zijn oom deed betere zaken dan zijn vader. Dus kan hij alleen maar naar de universiteit in Jordanië.

300


36 Lastige vragen

Helaas, er is geen email van zijn lieve nicht. Morgen hopelijk wel, denkt Yoesef en hij zet de computer uit. ‘Als je nog andere vragen hebt, dan hoor ik ze graag,’ leest Ahmed. De reactie van de christen wakkeren zijn vragen toch weer aan. Die man is echt sterk. Hoe kan het dat hij misleid is en toch zo overtuigd, terwijl ik de ware godsdienst volg en me van binnen zo onrustig voel? Enkele dagen later zoekt Ahmed in zijn computergeschiedenis naar een website die hij onlangs bezocht heeft. Terwijl hij met zijn muis door de geschiedenis van alle bekeken websites bladert, valt zijn oog ineens op de chatbox waar hij de christen ontmoet heeft. Ofschoon hij de laatste keer geen bevredigend antwoord kreeg, is zijn nieuwsgierigheid toch weer geprikkeld en hij klikt erop. ‘Welkom111’ blijkt online te zijn. Ahmed herinnert zich dat hij zou willen weten waarom de christenen beweren dat de profeet Jezus gestorven is, terwijl dat onmogelijk is. Zo dwalen zijn gedachten af van waar hij eigenlijk mee bezig was en hij begint te typen. Yoesef hoort een piepje en ziet ‘Hallo’ op het computerscherm. Iemand in de chatbox zoekt contact met hem. Zijn ogen vliegen naar de zender van het berichtje. Het is ‘vrede2012.’ Die naam komt me bekend voor. Yoesef kijkt in zijn chatgeschiedenis en vindt het gesprek met de moslim die voor hem zou bidden. Gevoelens van blijdschap en angst gaan door hem heen. Enerzijds is het fijn dat deze man weer contact met hem zoekt. Aan de andere kant voelt hij weer het verdriet over het laatste gesprek. Zo’n teleurstelling wil hij liever niet nog een keer meemaken. Dan herinnert Yoesef zich wat Noera hem eergisteren nog heeft gemaild. ‘Blijf gewoon bidden en trouw antwoorden, dan zal God zijn werk doen in de mensen met wie jij contact hebt.’ Dit is een goed moment om dat te doen, beseft Yoesef en hij antwoordt: ‘Hallo, welkom.’ ‘Hoe gaat het met je?’ vraagt de man. ‘God zij geprezen,’ antwoordt Yoesef, ‘en met jou?’ ‘God zij geprezen, alles is goed,’ komt de reactie. Daarna verschijnt: ‘ik heb nog een vraag.’ Yoesef is verrast. Als iemand nog een vraag stelt, is dat meestal een goed teken. Snel typt hij: ‘ga je gang.’ Even later hoort hij het bekende piepje en weet dat er weer een boodschap binnengekomen is. Daar verschijnt de vraag. ‘Waarom geloven jullie christenen dat Jezus (vrede zij op hem) aan het kruis gestorven is?’ Yoesefs gezicht betrekt. Hoe vaak heb ik deze vraag al niet gehad. Hij weet 301


Afgewezen en geliefd

Deel 5

wat de moslims denken. Ze schrijven hem altijd dat Allah nooit een profeet zo zou laten lijden en sterven maar zou beschermen. Sommigen komen met een logische redenering en zeggen dat als Jezus God was, hij dan onmogelijk kon sterven, want God kan niet sterven. Daarom antwoordt Yoesef meestal met een ontwijkend antwoord waarvan hij hoopt dat het tot nadenken prikkelt. Hij schrijft: ‘Zowel in het Heilige Boek * als in de Koran staat dat Jezus zou sterven, dus dat is heel normaal om te geloven.’ Even later verschijnt het antwoord: ‘Volgens de Islam zal Jezus inderdaad sterven, maar dat gebeurt pas aan het eind der tijden, bij zijn wederkomst. Dus niet toen hij de eerste keer kwam, zoals jullie beweren.’ Yoesef had dit al verwacht en typt zijn standaard reactie hierop. ‘In soera 116 3 en aya 117 55 van de Koran staat: “God zei: O Jezus, Ik ben degene die jou doet sterven en die jou tot Mij opheft” 118. Dus God zei Zelf dat Hij Jezus liet sterven en daarna opheffen naar de hemel. Dat is precies wat er ook in het Heilige Boek staat. Waarom geloof je je eigen boek niet?’ Hoe durft hij ons boek te gebruiken, raast het in Ahmeds hoofd. Zelfs de gewone moslims kunnen de Koran niet interpreteren; dat kunnen alleen de moslimgeleerden die de hele Koran uit hun hoofd geleerd hebben en die het oude Arabisch goed begrijpen. Laat staan dat een kaafer 119 ** de Koran gebruikt, dat is haram. 120 Meteen reageert hij boos: ‘Jullie christenen zijn misleid en kennen de waarheid niet. Allah heeft zijn profeet niet laten lijden.’ Nadat Yoesef zijn antwoord heeft gestuurd, heeft hij een gevoel van onbehagen. De vraag of ‘vrede2012’ wel in zijn eigen boek gelooft was best wel scherp. Even later leest hij de reactie van de moslim en beseft dat hij inderdaad meer uit frustratie gereageerd heeft dan uit bewogenheid. Meteen belijdt Yoesef dit als een zonde aan God en bidt zachtjes: ‘Vader in de hemel, het spijt me dat ik zonder nadenken mijn antwoord stuurde. Ik was boos omdat deze man de vorige keer schreef dat hij voor mij zou bidden. Vergeef me alstublieft.’ Zodra hij zijn gebed uitgesproken heeft, voelt hij de rust en vrede in zijn hart terugkeren. Dan vervolgt hij: ‘Dank U, Here

* *Zo wordt de Bijbel in het Arabisch genoemd. Moslims spreken ook wel kortweg van het Boek. ** Voor de betekenis van de Arabische woorden, zie eindnoten of ga naar www.godlovesishmael.com/woordenlijst

302


36 Lastige vragen

Jezus, dat U voor mijn zonden aan het kruis bent gestorven en dat U mij reinigt van alle ongerechtigheid.’ Yoesef slaat zijn ogen op en ziet de reactie weer voor zich. ‘Heer, geef alstublieft wijsheid hoe ik hierop moet antwoorden,’ vraagt hij. Schrijf wat je zojuist aan Mij beleden hebt, komt in zijn hart op. Wat? Moet ik dat echt doen? Yoesef voelt zich boos en verward. Is dit werkelijk van God? Meteen probeert hij het weg te redeneren. Wat een onzin. Je gaat toch niet aan een wildvreemde je excuses aanbieden? Trouwens, die moslim reageerde veel feller dan ik. Ik heb me ingehouden en niet geschreven dat hij misleid is, ook al geloof ik dat wel. Zo wordt Yoesef heen en weer geslingerd tussen de keuze om zich nederig op te stellen of om zichzelf te verdedigen. Op de een of andere manier blijft de gedachte hangen dat hij zijn excuses aan moet bieden. Je bent gek als je dat doet, gaat het door hem heen. Je wilt toch dat deze moslim Mij leert kennen? komt er meteen achteraan. Die laatste gedachte overtuigt Yoesef. Ahmed heeft inmiddels de website gevonden waar hij naar op zoek was. Hij is er helemaal in verdiept als het bekende piepje van het chatprogramma klinkt. In eerste instantie wil hij het even negeren, maar nieuwsgierigheid naar het antwoord wint het. ‘Mijn excuses, toen ik je schreef heb ik niet gehandeld zoals God het wilde,’ leest hij met verbazing. Hè, wat bedoelt hij daarmee? Direct stelt Ahmed die vraag via de chat. Even later verschijnt het antwoord. ‘Ik schreef je niet helemaal uit liefde en respect. Jezus vraagt van ons dat we elkaar liefhebben. Daarom bied ik mijn excuses aan voor de manier waarop ik je vraag beantwoordde.’ Even is Ahmed geraakt; dit heeft hij nog nooit meegemaakt. Maar dan schiet hem te binnen wat hij al vaak van zijn vader en ooms heeft gehoord: ‘zie je wel, die christenen zijn zwak. Ze staan niet voor wat ze zeggen.’ Ahmed vindt het eigenlijk ook wel terecht dat de christen zijn excuus aanbiedt, want het was beledigend om de Koran te gebruiken en hem aan te spreken over zijn geloof. Toch klopt hier iets niet. Ergens is het juist sterker als je je zwakheid toe kunt geven. Dat vinden zij Saoediërs het moeilijkst om te doen en dat weet hij maar al te goed. Ahmed voelt iets oprechts in de houding van Welkom111. ‘Okay, geen probleem,’ typt hij en stelt vervolgens een oprechte vraag, recht uit zijn hart. Terwijl Yoesef op antwoord wacht voelt hij zich terneergeslagen. Hij schaamt zich dat hij zich zo zwak opgesteld heeft in de chat. Gelukkig kan ik die persoon niet zien, anders was het nog erger. Dan verschijnt er weer een zin op het scherm. Meteen voelt Yoesef zijn hart sneller kloppen. 303


37 Het verboden Boek Yoesef kan zijn ogen niet geloven, maar het staat er echt. De moslim vraagt: ‘Wat zegt het Boek 121 over de dood van Jezus? En wat vind jij daarvan?’ Hij leest de zin nogmaals om hem goed tot zich door te laten dringen. Dus deze moslim wil echt weten wat hij gelooft. En hij geeft daarbij duidelijk aan dat hij een antwoord uit de Bijbel wil. Yoesef vraag God om wijsheid en begint te schrijven. Als hij klaar is, glimlacht hij, benieuwd hoe de moslim erop zal reageren. Onvoorstelbaar. Niet te geloven! Ahmed heeft er gewoon geen woorden voor. Zou dat echt zo zijn? Zouden er meer dan driehonderd profetieën over de Messias in de Bijbel staan? Een zacht stemmetje in hem zegt: ‘Zie je wel? Ze hebben de boeken veranderd.’ Zodra Ahmed daaraan denkt begrijpt hij het weer. Vandaar dat de christenen dat kunnen beweren. ‘Dat komt omdat jullie de Indjil veranderd hebben,’ * schrijft hij terug. Al snel komt er een berichtje van de christen. ‘Ik heb het niet over het Nieuwe Testament maar over het Oude Testament. Dat is door de Joden geschreven en bestond al voordat er ooit christenen waren.’ Ahmed begrijpt het antwoord niet, hij heeft nog nooit van een oud of een nieuw testament gehoord. Maar dat maakt niet uit, want de joden hebben ook met hun boeken gerommeld. Ahmed typt deze gedachte in en klikt op de verzendknop. Na een korte stilte ziet Ahmed een reactie. ‘Het Oude Testament is de naam voor alle boeken die geschreven zijn voordat de Messias kwam. Dat zijn de Thora, de Psalmen van David en de boeken van de Profeten. Wat denk je? Zouden de moslims toelaten dat iemand de Koran veranderde? Nee toch? De joden zouden nooit toestaan dat de Thora en de andere boeken herschreven werden en de christenen zouden de Indjil echt niet door de joden laten wijzigen. God Zelf beschermt zijn boeken.’ Ahmed moet toegeven dat de christen hierin wel gelijk heeft. In de

304


Deel 6

Alles op een rij Een globale terugblik, een vooruitblik en een persoonlijke toepassing


1 Afgewezen Wat moet er door Ismaël heen gegaan zijn toen hij als dertienjarige te horen kreeg wat God aan zijn vader had verteld? Een broertje erbij dat nota bene de zoon van Sara zelf zal zijn? Hij zal vast hetzelfde gereageerd hebben als zijn vader: ‘Dat is onmogelijk.’ Toen Sara echt zwanger werd, moet hij zich enorm verbaasd hebben, maar hij zal zich er niet druk om gemaakt hebben. Pas toen Sara duidelijk maakte dat Izak de erfenis zou krijgen, zal de realiteit van Gods plan begonnen zijn door te dringen tot Ismaël. Daar ging zijn eerstgeboorterecht; daar ging de eer van leiderschap over de volgende generatie; daar ging Gods belofte om tot zegen te worden voor de hele wereld. Ismaël werd afgewezen. Hij was niet de beloofde zoon, uit hem kwam niet het beloofde volk voort en zijn nageslacht bracht niet de beloofde verlosser waarvan God in het paradijs al tot Eva gesproken had. In tegenstelling tot wat hij tot dan toe begrepen had was hij dus niet de vervulling van Gods beloften. Ineens stortte Ismaëls toekomst in elkaar. Tot overmaat van ramp stuurde zijn vader hem ook nog eens weg, regelrecht de woestijn in. En dat nog wel in opdracht van God! Vele eeuwen later stond een Arabier op die zei dat hij boodschappen van God ontving. Hij gaf de Arabieren hoop en een identiteit. Velen begonnen te geloven dat hij de beloofde profeet was, waarvan God tot Mozes gesproken had. Toen ze de leer van hun profeet begonnen te verspreiden, boekten ze al snel grote successen. Binnen enkele decennia was het hele Arabische schiereiland onderworpen aan de nieuwe leer. Amper een eeuw later strekte hun invloed zich uit van Spanje in het Westen tot aan India in het Oosten. Dat kon alleen betekenen dat God met hen was. Toch stopte de snelle uitbreiding uiteindelijk en lukte het niet om de hele wereld aan deze leer te onderwerpen. In de afgelopen twee eeuwen moesten de volgelingen zelfs met lede ogen aanzien hoe Westerse landen hun grondgebied binnentrokken en het degradeerden tot koloniën. De rollen leken omgedraaid: Zij die de missie hadden om de hele wereld aan hun geloof te onderwerpen, werden overheerst door regeringen van - in hun ogen - ongelovigen. Ze hadden gefaald. 369


Afgewezen en geliefd

Deel 6

Dat riep toen de vraag op die vandaag nog steeds actueel is: Waar is God in dit alles? Heeft Hij de Arabieren afgewezen, zoals eens ook hun voorvader IsmaĂŤl ondervond?

370


2 Geliefd Ver voor de geboorte van Ismaël zei God tegen Abraham dat zijn nageslacht tot een zegen zou zijn voor alle volken. Later sloot God een verbond met hem en beloofde hem grote stukken land, waar op dat moment andere volken woonden. Vele jaren na Ismaëls geboorte, toen hij al een tiener was, kwam Abraham er pas achter dat God een andere zoon zou schenken. God wees Izak aan als de drager van het verbond. Abrahams eerstgeboren zoon, Ismaël, bleek dat niet te zijn. Dit roept de vraag op: hoe zit het met de belofte dat Abrahams nageslacht tot zegen zou zijn? Zou dit alleen bedoeld zijn voor Izak of zou het ook betrekking kunnen hebben op Ismaël en zijn nageslacht? Om het antwoord op deze vraag te vinden, kijken we terug op het leven van Ismaël. In de terugblik van deel 1 zijn een aantal unieke gebeurtenissen en zegeningen genoemd. Enkele daarvan lichten we hier toe: 1) Ontmoeting met de Engel des Heren Toen Hagar op de vlucht geslagen was, stuurde God zijn hemelse boodschapper – de Here Jezus - naar haar. Het is opmerkelijk dat Jezus Zich vandaag de dag vaak aan de nakomelingen van Ismaël openbaart, zowel de direct afstammelingen in Jordanië en Saoedi Arabië als de geestelijke afstammelingen; de moslims wereldwijd. Juist zij krijgen dromen en visioenen waarin ze een ontmoeting hebben met Jezus, het eeuwige Woord van God. Zie ook www.godlovesishmael.com/engel 2) Groot nageslacht God beloofde dat Ismaël een groot volk zou worden (Genesis 16:10, 17:20), precies zoals Hij al eerder tegen Abraham gezegd had (Genesis 15:5). Na hem ontving alleen Izak specifiek deze belofte (Genesis 17:6,16). Abrahams kinderen via Ketura deelden niet in deze zegen. In de volgende generatie wordt opnieuw een onderscheid gemaakt, waarbij Jakob wel de belofte van een groot nageslacht kreeg en Ezau niet (Genesis 28:4,14). Het is mooi om te zien dat God zich werkelijk aan zijn belofte gehouden heeft. De nageslachten van Ismaël en van Izak via Jakob zijn inder371


Isaak Da Costa In 1847 heeft de Joodse dichter Isaak Da Costa een prachtig gedicht geschreven over Ismaël en zijn nageslacht. Hier volgt een kort gedeelte daaruit. Let op de wending in het laatste couplet van het verleden naar de toekomst. De moeder van Ismaël zegt: De aartsvader Abraham heeft ook aan jou en je verste nageslacht gedacht, jij zoon van het dienstmeisje, toen hij voor God in het stof neergebogen op de grond smeekte: ‘God, wees Ismaël alstublieft ook genadig en laat hem leven.’ Heeft God zich ooit van Abrahams gebed afgewend? De tijden staan vast waarop ook Ismaël zich diep zal buigen en helemaal opgetogen over de eer van zijn broer zal spreken. Salomo, jij kreeg de lof van de koningin van Sjeba te horen, zij was de eersteling. Daarna brachten Arabieren in een herderswoning in Bethlehem hun wierook, mirre en goud aan de hoogste Vredekoning. Zij waren opnieuw een eersteling van een grotere redding, wanneer het in Jeruzalem zal wemelen van de volken – van de rammen van Kedar en van de kamelen van Nebajoth, Midian en Efa! Wat een dag is dat, een dag waarop ook Ismaël, samen met Izak, mag hopen! Wat een tijd zal dat zijn, het was al voorzegd dat het zal gaan gebeuren! Een tijd van grote schuldvergeving en voor de gehele aarde eeuwig leven! de moeder van Ismaël Ik kijk nog even terug naar jou, die ontroostbaar was in de rotsachtige woestijn, Je werd door het onweer opgejaagd, en je voelde je zo ongelukkig, je was de wanhoop nabij! Maar ook jij gaf uiteindelijk de God van de hemel eer! Want Hij kwam en sprak tot je, de hoogten kwamen neer. Je zult bij Sara komen en je dwaze trots erkennen. 386


Isaak Da Costa

In de tent van Abraham wil je je schikken onder Gods normen en waarden. Ja, roep je, en meteen voel je je vrij. O God van het leven, u hebt ook omgezien naar mij! Da Costa zag dus in Hagars terugkeer naar Sara de terugkeer van IsmaĂŤls nageslacht naar de God van Abraham. Bijna twee eeuwen geleden sprak hij al de hoop en verwachting uit dat op een dag veel moslims zich tot Jezus zullen keren. Dat betekent dat de boodschap van dit boek niet nieuw is. Het volledige gedicht is in het oorspronkelijke Nederlands te vinden op www.godlovesishmael.com/dacosta.

387


Sara

1900 v. Chr.

19

21

19

10

Ab

ra h am

Abraham

1859 127

1821 175

Izak

1800 v. Chr.

17

96

Ez

au

1773 137

Jakob

1750 v. Chr.

17

59

Jak

t ro uw tm et

2K an

aän itis ch en

1716 180

Jozef 1689 147

1700 v. Chr.

ob Ez naar au Ha 52 t J 17 akob rouw ran 45 t t 17 geb rouw met 39 o B Jak orte t me asm tL ob Joz ath ea ter ef 17 en 28 ug Ra Jo z na ch ar ef el ve Ka 17 rko na 15 ä ch n 17 Jo z e t 08 fo 170 beg nde i r ko 6J n7 ak nin ob jaar n a d ro g ar Eg ogte yp te 17

Legenda:

bereikte leeftijd

1821 jaar van overlijden

175

396

Tijdbalk Abraham en zijn nageslacht

Ismaël

1850 v. Chr.

na ar bo Ka o rt na eI 189 än s ma 7g ë 18 e l 96 b o 18 geb orte 93 o I Ha orte zak v ga r e Izak oors pe nI ld sm +b aë lw esn eg ijd ge en stu is 18 u rd 56 Iz a kt ro u wt me tR 18 eb 36 ek ge ka bo o rt eJ ak ob en Ez au ge


Afgewezen en geliefd selectie  

Dit boek wil je niet missen. Het begint met een jongen die door zijn vader weggestuurd werd, de wilde woestijn in. Hij lag op sterven toen e...

Advertisement