Page 1

Leren leven en studeren

Ontwikkel je persoonlijkheid in je studententijd

Louis Sommeling


LEREN LEVEN EN STUDEREN Ontwikkel je persoonlijkheid in je studententijd.

Studentenuitgave

door Louis Sommeling

met bijdragen van collegae-studentenpsychologen Laura Chorus, Margreet Naaijer en Hilleke Smits Rijks Universiteit Groningen.

 1e druk 2001 , Koninklijke van Gorcum en Comp. B.V. Postbus 43, 9400 AA Assen. . 2e druk 2007 E-versie voor studenten en e-versie voor hulpverleners (docenten, studie-adviseurs, decanen, studentenpsychologen via Internet. L. Sommeling. Email: sommeling@tiscali.nl Alle rechten voorbehouden. Niets mag gekopieerd of vermenigvuldigd worden (ook niet een zelf geprint pdfdocument) zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur. De uitgave van dit boek werd mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van de Stichting Student en Gezondheid.

NUGI 711/713/727 ISBN 90 232 3611 4

2


INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding (7-8)

2

Een tijd vol beslissingen en keuzen (9-13) 2. 1 Een nieuwe leefomgeving 2. 2 Karakteristieke ontwikkeling Uitgestelde zelfstandigheid Verwevenheid van emotionele en studeerproblemen Mannen- en vrouwenproblemen Begaafdheid Soorten problemen

3

Het drama van het begaafde kind (15-22) 3.1 Begaafdheid als struikelblok Aanleiding om hulp te vragen. Achtergrond. Psychodynamiek van een verhaal Doel van een therapie 3.2 Vrij naar: "Het drama van het begaafde kind" van Alice Miller Behoeften en verlangens De ‘alsof- persoonlijkheid’ Rouw en pijn Depressie en grootheidsfantasieën Minachting Op zoek naar je ware zelf

4

Het ware en het valse zelf (23-30) Een oude legende Het vermogen om alleen te kunnen zijn Tijd nemen voor jezelf Het afleggen van het valse zelf Mijn karakter is nu eenmaal zo Aanwijzingen voor een behandelaar

5 .1 Het aangaan van intieme relaties (31-40) Een relatie is als een brug tussen twee zelfstandige peilers. Vreemd gaan Vrouwelijke seksualiteit Het mannelijk verlangen Cyberseks Seksuele identiteit Specifieke seksproblemen, computerondersteuning

3


5.2 Waarom studenten van ´mannelijke´ faculteiten minder hulp zoeken (41-51) Het probleem van de problemen van mannen. Motivatie en afweer Zelfstandigheid Het mannelijk verlangen en haar illusies Met lichaam en ziel. Theoretische achtergronden Het mannelijk lichaam en discussie

6 Ouders (52-61) 6.1 Zelfstandig worden De schuldvraag Oefenen in afgrenzen Functies van ouders en het begrijpen van jezelf Nieuwe theorie vol optimisme Met ouders praten over wat er vroeger fout ging? 6.2 Reactie van ouders op kind in therapie 7 Kiezen (62-66) 7.1 De Tao van het studeren. Kiezen wat je werkelijk wilt, willen wat je kiest 7.2 Niet kunnen kiezen.

8 Psychologische achtergronden van studeerproblemen (69-81) 8.1 Soorten problemen (concentratie-stoornis) 8.2 Als studeren zelfkwelling wordt……. 8.3 Studeerproblemen en wat daarbij precies gebeurt Faalangst Obsessief studeren Perfectionistisch studeren Zelfoverschatting Uitstellen Afstudeerproblemen 8.4 Psychologische achtergrond 8.5 Wat valt eraan te doen? 8.6 Tot slot Gedachtenrapport 9 Vroeger gepest (82-84) Inleiding Gesprek 10 Rouw en verliesverwerking (85-88) Versluierde aanmeldingsklacht Waarom blokkeert de verliesverwerking? Behandeling van een trauma Het opvullen van een open plaats en het verlies van een illusie Literatuur

4


11 Zingeving (89-102) 11.1 Problematische verschijningsvormen van zingevingvragen Houvast zoeken in redeneren Angst voor de dood Het doet er toch niets toe 11.2 Naar Pastor, Iman of psycholoog? 11.3 Naar een wetenschap van de ziel 11.4 Een eigen standpunt ten opzichte van het geloof van je vaderen Een zelfstandige mening Religieuze oproep tot zelfstandig leren denken Een wijze van leven Kritiek op denken in termen van macht Spiritualiteit en innerlijke reis

12 Depressie, burnout, negatief zelfbeeld en verslaving als bijverschijnsel (103-106) Het gevaar van diagnostische taal Depressie en medicijngebruik. Burnout Negatief zelfbeeld Verslaving 13 In therapie (107-116) 13.1 Het geheim van heling 13.2 Stappen in een therapeutisch of coachingsgesprek Aanmelding: heldere en snelle informatie Intake: een overlegsituatie Non-verbale communicatie Het sluiten van een therapeutisch contract Eerste stap: een andere kijk op het probleem Vervolg: het scheppen van relationele mogelijkheden Doorwerking van gevoelens Afscheid 14 Coaching en persoonlijkheidsontwikkeling binnen een onderwijsinstelling (117-119) Bezwaren en mogelijkheden Verwevenheid van persoonlijke en studeerproblemen Probleemsignalering in belangrijke levensfase Expertise van coach en studentenpsycholoog binnen onderwijsnetwerk

Bijlagen (120-121) A: Adressen en websites Nederland en Vlaanderen B: Software en links: Zelfhulp: bibliotheek, advies en computerprogramma’s

Literatuur ( 122-127)

5


6


1 Inleiding Een goede school leert over levenszaken. (Naar Seneca ’s: ‘non scholae sed vitae’).

“Overal zijn cursussen voor, behalve over de meest belangrijke levensgebieden”, zei een student eens. En een al langer afgestudeerde: “ik dacht altijd dat ik de enige met problemen was”. Wellicht een troost om in dit boek te lezen. Studenten die hulp zoeken zijn vaak sterke persoonlijkheden, begaan met anderen maar uit balans geraakt door een te groot verantwoordelijkheidsgevoel. Natuurlijk word je er flink van om je eigen problemen te leren oplossen, maar soms lukt dat niet alleen. Dit boek helpt je om je eigen persoonlijkheid te ontwikkelen. Dat laatste is geen vage term, maar betekent het ontwikkelen van echtheid, uniciteit, jezelf worden, het ontwikkelen van contactmogelijkheden, het bemeesteren van depressieve stemmingen en het behouden van een creatieve visie en plezier. Zoals een studente het eens samenvatte: ‘het gaat mij niet alleen om het opdoen van informatie, maar ook om het verwerven van inzicht. Ik wil niet in de eerste plaats een geleerde of een scorend iemand worden, maar vooral een creatief en wijs mens’. Welke moeilijkheden komen jullie tegen en hoe proberen jullie deze op te lossen? De emotionele en psychologische ontwikkeling van studerende jonge volwassenen (17-25 jaar), is het onderwerp van dit boek. Over deze leeftijdsfase bestaat tot nu toe weinig literatuur, terwijl je er doorgaans toch vrij definitieve beslissingen neemt op belangrijke levensgebieden zoals levensvisie, partnerkeuze en zelfbeeld. Bovendien worden in deze periode vaak persoonlijke problemen manifest, die bedekt bleven toen je nog thuis woonde. Behandeling daarvan op deze leeftijd is als regel bijzonder effectief en voor de rest van het leven weldadig. Dit gegeven vormt voor mij de motivatie voor het schrijven van het boek dat nu voor je ligt. Vijfentwintig jaar ervaring als studentenpsycholoog aan een Universiteit vindt zijn neerslag in de vorm van thema’s, geanonimiseerde gespreksfragmenten en theorie over hoe een coaching of therapie in zijn werk gaat. Mijn collega’s hielpen mij daarbij, leverden commentaar of schreven zelf een bijdrage. Ook verwijs ik naar websites die je verder kunnen helpen. Studentenpsychologen profileren zich vooral met het aanbieden van studievaardigheidcursussen en het oplossen van studeerproblemen, zoals het schrijven van een scriptie, spreken in het openbaar en dergelijke. Naast aandacht voor direct studie-gerelateerde problemen pleit ik echter ook voor gesprekken over persoonsgebonden problemen. Dit boek vertelt vooral over dit laatste en brengt het in kaart. Studenten moeten idealiter kunnen kiezen tussen twee duidelijk te onderscheiden maar samenwerkende afdelingen binnen een onderwijsinstelling: een die studeerproblemen behandelt en een waar de aandacht op de psychologische achtergrond daarvan en op persoonlijke problemen gericht is. Soms is de ene aanpak ineffectief of zelfs antitherapeutisch, soms is de andere niet nodig, te lang of inadequaat. Ik besteed ook aandacht aan het feit dat studenten van ´mannelijke faculteiten´ veel minder hulp zoeken dan anderen, ook als ze dit wel nodig hebben. In het bedrijfsleven verwacht men tegenwoordig ontwikkelde persoonlijkheden. Overdreven macho-gedrag, verborgen in godsdienst en maatschappelijke omgang spelen nog steeds een te grote rol in onze maatschappij. Bovendien vinden vrouwelijke studenten het vaak moeilijk een mannelijke partner te vinden, die gelijkwaardig is aan hun emotioneel niveau. 7


Ouders zijn een veelbesproken onderwerp in gesprekken waarin ‘losmaking’ aan de orde van de dag is. Je ouders de ‘schuld’ geven van in de jeugd ontstane problemen verdraagt zich niet met de diepe loyaliteitsgevoelens van de meesten van jullie tegenover je ouders. Voor ouders schrijf ik een paragraaf over hoe zij kunnen reageren wanneer een kind van hen in therapie is en daar over praten wil. Veel voorkomende en vaak onbedoelde reacties van ouders die het kinderen moeilijk maken zich los te maken of intern gemotiveerd te blijven voor een studie, en die ik in de praktijk ben tegengekomen, heb ik beschreven..

Natuurlijk is het niet goed om jonge mensen in de watten te leggen. Maar neurotische problematiek onttrekt zich per definitie aan ons eigen bewustzijn. Steeds meer onderzoek bevestigt dat een niet behandelde neurose nadelige invloed blijft uitoefenen in het latere leven en dat jonge mensen de weg naar hulpverlening vaak niet vinden. Problemen kunnen echter in een onderwijsinstelling gesignaleerd worden. Het effect van psychotherapie of een coachingstraject staat niet meer ter discussie. Het is niet goed wanneer studenten te lang moeten wachten wanneer zij zich midden in een bepaalde ontwikkelingsfase bevinden en bovendien gebonden zijn aan een tempobeurs. Gestresste studenten kunnen niet studeren. Bovendien is het een klassiek ideaal om binnen het onderwijs aandacht te hebben voor ontwikkeling van de persoonlijkheid. Immers dan pas wordt kennis geïntegreerd, hetgeen toch de bedoeling van informatieoverdracht is. Voorzieningen die studenten coaching of psychotherapeutische hulp bieden, zijn investeringen in de jongere generatie die zich altijd terugbetalen. Ze horen thuis binnen een onderwijsinstelling. Ik beschouw het als een voorrecht om vijfentwintig jaar studentenpsycholoog geweest te zijn. De fascinatie en ontroering daarvan vinden jullie in het boek dat hier voor je ligt.

8


2. Een tijd vol beslissingen en keuzen.

The future has an ancient heart. (G. Pagliai).

“Jonge mensen hebben doorgaans een gevoel van enorme verwachting, een gevoel dat hun leven belangrijk is, dat hun veel zal overkomen, dat er veel te gebeuren staat. In de lente van hun leven gaan mensen uit van een nobele visie op de menselijke natuur en op wat het leven hen kan brengen. Dat is een fundamentele zekerheid, iets wat niet gezocht hoeft te worden, en misschien ook niet echt verloren kan gaan”. Deze zinnen werden in de veertiger jaren van de voorbije eeuw geschreven door Aynd Rand (1943) in haar boek ‘De eeuwige bron’ en vele jongeren herlezen haar boek nu, omdat zo trefzeker beschreven wordt hoe zij zijn of zouden willen zijn. Zij herkennen de diepe verwachting waarmee - met verschillende gradaties van verlangen, melancholie, passie en folterende verwarring - zij als jeugdige mensheid aan het leven begonnen zijn. Het is voor de meesten niet eens een visie, maar een onzeker, ongedifferentieerd gevoel dat bestaat uit rauwe pijn en onbeschrijfelijk geluk. Het is een gevoel van enorme verwachting, het gevoel dat je leven belangrijk is, dat het binnen je vermogen ligt grote prestaties te leveren, en dat er grote dingen in het verschiet liggen.

2.1 Een nieuwe leefomgeving Het incasseringsvermogen wordt zwaar op de proef gesteld. Oude vrienden en vriendinnen worden achtergelaten. Nieuwe zijn er vaak nog niet. Losmaking op een tijd dat je er nog niet aan toe bent, heeft vaak iets gewelddadigs. In de puberteit kun je je eenzaamheid soms nog wegwerken door in gezelschap te gaan zitten. Een student: “Nu zit ik in mijn eentje op mijn kamertje. En niemand die het weet als ik s’nachts om vijf uur nog over straat loop. Bij een lege dag en soms nog weinig colleges, kan TV het enige trieste steunpunt worden, mijn eigen kunstmatig familietje”. Het is een existentiële eenzaamheid: beseffen dat je voor je zelf leeft; dat je zelf zorg moet dragen voor je innerlijk geluk (Vlietstra 2000). Het is uitdagend en erg spannend. Hoe maak je contact in de massaliteit van de colleges? Wat is contact eigenlijk? Intimiteit en lichamelijke liefde worden verder ontdekt. Ongekende ervaringen worden opgedaan.’ In mijn lichaam heeft zij plaats gemaakt voor twee’, zingt Frans Halsema. Maar hoe houd je een relatie vast, bepaal je je eigen grenzen en verlies je niet je ziel aan de ander. En is die ander een man of een vrouw. Wie ben je eigenlijk zelf? Aanvankelijk pas je je aan, probeer je een plaatsje te veroveren, voldoe je wellicht aan de verwachtingen van anderen. Na een tijd wil je je eigen gezicht laten zien, je eigen standpunt, en wat je zelf voelt. Hoe ontdek je wie je zelf bent en wat jezelf wilt? Hoe ga je met je ouders om? Hoe vaak bel je ze of ga je naar huis? Wat te doen als zij minder ontwikkeld zijn dan jij en het universitaire milieu niet begrijpen? Wat te doen als je gaat twijfelen aan hun normen of godsdienstige overtuigingen? Hoe ga je om met de oude 9


vrienden in je dorp als je thuis komt en ziet dat je anders geworden bent dan zij? Geloof je nog in relaties als je kritisch wordt op je ouders? Moet je hen alles blijven vertellen? Wat te doen als ze alleen maar naar je studieresultaat vragen en niet naar jou. Wat te doen als ze niet begrijpen dat er naast de studie ook nog zo veel anders belangrijk is. Durf je schuldloos tijd te blijven steken in noodzakelijke ontwikkelingsmogelijkheden naast de studie, als zij zich financieel veel voor jou moeten ontzeggen? En dan de studie zelf. De fascinatie voor de geheimen van de werkelijkheid trekt. Hoe zitten de dingen in elkaar, het mysterie, wat zijn de grenzen van ons weten? Wellicht vind je denkers waar je je eindelijk bij thuis voelt. Welke richting en beroep zal je uiteindelijk gaan kiezen? Een veelheid aan perspectieven opent zich. De keuze voor een studierichting is al eerder gemaakt, maar wordt in de loop der jaren soms herzien of bijgesteld. Als je je dat tenminste nog permitteren kan. Hoe leer je trouwens studeren? Sommigen kwam de kennis op de middelbare school gewoon aangewaaid; inspanning was niet nodig. Nu is dat anders. Hoe deel je je eigen tijd in? Hoe blijf je door de bomen het bos zien, als je vele dikke pillen tegelijk moet bestuderen in beperkte tijd? Hoe bekostig je je studie als je er langer over gaat doen?

2.2 Persoonlijke ontwikkeling. De problemen die zich bij losmaking van thuis en zelfontplooiing kunnen voordoen lijken natuurlijk op die van andere jongeren, maar hebben toch vaak een eigen kleur. Studenten gaan niet uit huis omdat ze eraan toe zijn, maar omdat de colleges beginnen. Ze moeten zich eerder losmaken dan de gemiddelde jongere. Uitgestelde zelfstandigheid In een rijke lezing over de veranderende student wees de hoogleraar pedagogiek Rita Kohnstamm (1999) er op dat volgens haar de uitgestelde zelfstandigheid van studerende jonge volwassenen evolutionair gezien onnatuurlijk is. Lichamelijk zijn zij al lang volwassen, met de hele hormonale set-up. Niet-studerenden hebben op deze leeftijd al lang een baan of een seksueel samenlevingsverband waar zij de volle verantwoordelijkheid voor dragen, zoals alle jongeren in vroeger eeuwen op die leeftijd. In een yuppencultuur waar flitsend genot op de TV bedrieglijk voor het grijpen lijkt te liggen, is het voor jonge mensen met problemen extra moeilijk om hulp te vragen. Zij hebben toch al moeite met het unieke en vragen zich steeds af: “ben ik wel normaal?”. Het lijkt erop alsof zij de enige niet-geslaagden zijn in onze maatschappij. Er is weinig compensatie in baan of carrière op dit moment van hun leven. Er lijkt nog weinig om trots op te zijn, zeker als de studie ook al niet lukt. Bij hen die gemotiveerd zijn om te studeren, wordt de uitgestelde zelfstandigheid enigszins gecompenseerd door intellectuele vreugde. Kohnstamm plaatst daarom een vraagteken bij de trend dat iedereen maar zou moeten studeren. Niet ieder jong mens lijkt daar bij gebaat. Ook denkt zij dat de grote vlucht die bijbaantjes genomen hebben, niet in de eerste plaats veroorzaakt worden door geldnood, maar door de behoefte om zelfstandig verantwoordelijkheid te dragen ergens voor. Verwevenheid van emotionele en studeerproblemen Het kan soms onmogelijk worden om je te concentreren op je studie wanneer je psyche alle energie en aandacht opeist om problemen in jezelf op te lossen. Dat is de wijsheid van de psyche die noodzakelijke prioriteiten stelt en waartegen zelfs met ijzeren wilsdiscipline niets is in te brengen.

10


Persoonlijke problemen veroorzaken regelmatig studeerproblemen. Het is niet eenvoudig om zelfstandig keuzen te maken op allerlei gebied en ook in de studierichting. Het maken van keuzes is des te moeilijker wanneer je niet goed weet wie je bent en wat je voelt, en leeft op de verwachtingen van anderen. Ook is het bijna onmogelijk om je theoretische systemen en ideologieën eigen te maken, als je niet weet op welke bodem in jezelf je deze moet planten. Soms verergeren studeerproblemen zelfs de persoonlijke. Wat blijft er immers anders over dan schuldgevoel wanneer je je niet kunt concentreren tijdens het studeren of het ter hand nemen van een boek steeds uitstelt? Je zou wel willen maar op een of andere manier gaat het niet. Natuurlijk, soms speelt er een gebrek aan studievaardigheid of discipline, maar vaak hebben studeerproblemen een psychologische achtergrond. Ongeveer 35 % van de studenten die zich voor individuele hulp bij studentenpsychologen vervoegen, formuleert een studeerprobleem als hoofdprobleem wanneer zij hulp zoeken. Vaak is dit een makkelijker te formuleren vertaling van onderliggende problematiek die moeilijker te verwoorden is en later pas duidelijk wordt. 60% maakt er melding van dat er naast persoonlijke problematiek ook sprake is van een studeerprobleem (Schouwenburg (2000). Het komt nu veel minder voor dan vroeger dat vrouwelijke studenten die carrière maken of intelligenter zijn dan mannen, last hebben van schuldgevoelens daarover. In de diepere lagen van de persoonlijkheid treden er nog wel eens problemen op bij intiemere contacten. Vrouwen blijken er dan toch moeite mee te hebben om zich van eigen behoeften bewust te zijn en daar aandacht voor te vragen. Om zich meer af te grenzen, met name van hun moeder, is vaak een grote opgave. Door kritische vrouwen wordt er over geklaagd dat glazen plafonds nog steeds hogere functies voor hen gesloten houden, dat er weinig aandacht is voor vrouwelijke leerstijlen, en dat de universiteit nog te veel een machoklooster is. Bij mannen is hun egoafgrenzing vaak gepantserd, hun gevoeligheid voor kritiek groot en in de eerste jaren van hun studie moeten zij zich wel bijna oriënteren op een machocultuur. Door het contact met meisjes of een andere intieme partner worden zij vaak gemotiveerd hun eigen emotionaliteit te verkennen en daar woorden voor te vinden. Psychotherapie of coaching wordt voor hen minder beladen (hoewel ze in eerste instantie geneigd zijn bij een hulpvraag meer voor functionele vaardigheidstraining te kiezen). Colleges en het Studium Generale waar ‘vrouwelijke waarden’ als intuïtie, fantasie, en het leren kennen van eigen emotionaliteit centraal staan, verheugen zich in een steeds grotere belangstelling. Het verlies of de afwezigheid van een vader of moeder door scheiding, brengt voor jongens en meisjes soms specifieke problemen met zich mee. Meisjes zie ik dan vaak gaan twijfelen aan hun niet gevalideerde persoonlijkheid en ten gevolge daarvan soms ook aan hun vrouwelijkheid. Uit controlebehoefte gaan ze veel piekeren. Gevolgen voor jongens kunnen dan zijn dat ze enigszins chaotisch blijven en slecht gecentreerd. Voorbeelden daarvan volgen in dit boek.

Begaafdheid Het zijn als regel geen zwakke maar juist sterke persoonlijkheden die bij een studentenpsycholoog aankloppen. Vaak fungeren zij ook als praatpaal voor hun vrienden of vriendinnen. Velen zijn al van jongsafaan gewend om de gaten die in een gezin vielen door dood, verlies of afwezigheid van een ouder op te vullen. Zagen zij een verdriet of angst in hun ouders, of merkten zij dat ouders hun eigen bestaan zin probeerden te verlenen door veel te verwachten van hun kinderen, dan namen zij op jonge leeftijd al de beslissing hun eigen problemen opzij te zetten en zich in te zetten voor de ander. Ook wanneer er een

11


probleembroertje of –zusje was, die alle aandacht vroeg, besloten zijzelf om hun eigen problemen zelf maar op te lossen. In zekere zin moet de wereld het natuurlijk van dit soort mensen hebben. Maar hun kracht kan tegelijkertijd hun struikelblok worden. Waarom ze vastlopen en om hulp vragen is omdat ze uit balans geraakt zijn. Ze hebben het zorgeloze kind in zichzelf begraven, ze hebben hun eigen gedachten en gevoelens opzij gezet en weten daarom niet goed wie zij zelf zijn. Zij lijden aan wat trefzeker ‘Het drama van het begaafde kind’ is gaan heten (Miller (1979). Wanneer ik aan een student uitleg wat Miller bedoelt, zegt hij vaak: ‘dat is nou precies zoals ik ben’. De ‘almachtsfantasie’ (de wereld redden, ouder spelen voor ouders) is een troostfantasie en bedekt een diepe afgrond van verdriet en vermeende leegheid. Intelligente studenten zijn vroeger ook vaak gepest, omdat ze op de lagere school vaak hun hoofd boven het maaiveld uitsteken doordat ze zaken eerder begrijpen en dat wekt jalouzie op. De symptomen van deze disharmonie zijn voor een geoefend oog van buitenaf waar te nemen. Begaafde mensen kunnen soms zo gericht zijn op het volbrengen van taken en het verantwoordelijkheid nemen voor een ander, dat ze het contact met hun ware zelf kwijt zijn of nog nooit hebben ervaren. Ze piekeren meer dan goed voor hen is, de spontane lach is verdwenen. Het is gevaarlijk niet te weten wie je zelf bent wanneer je een relatie wilt aangaan: hoe moet je reageren wanneer het intiemer wordt, wie ben je immers zelf. De angst om overspoeld te raken door de ander is immens bij hen die bang zijn vanbinnen leeg te zijn. Het is ook moeilijk om rustig alleen te zijn, want de kunst van het alleen zijn wordt alleen verstaan door hen die in zichzelf geankerd zijn. Depressieve grondstemmingen beginnen zich aan te dienen omdat allerlei emoties onderdrukt worden. De deksel moet op de kokende ketel gehouden worden, want je bent bang te exploderen wanneer je opkomende gevoelens gaat uiten die je nauwelijks kent. Mensen leren zichzelf en hun emoties pas kennen wanneer deze ooit eens geuit zijn vroeger en als tegenreactie door een ander herkend en gespiegeld zijn. Algemeen kenmerk van de studenten die bij ons om hulp vragen is nu juist dat deze emotionele wederkerige uitingen op jonge leeftijd weinig hebben plaats gevonden. Dat hoeft niet eens veroorzaakt te zijn door dramatische omstandigheden, maar kan ook het gevolg zijn van getalenteerdheid en anders zijn dan de ouders. In hun rijke karakterstructuur komen zulke fijne gevoelsnuances en gedachten op dat ze door een ouder niet herkend werden en dus niet beantwoord. Een kind gaat dan snel denken dat deze eigen gevoelens geen bestaansrecht hebben, vreemd zijn of stom of belastend. Het referentiekader van een jong iemand is altijd de ouderlijke omgeving. Harmonieert die niet met eigen innerlijke ontwikkeling, dan trekt een kind de conclusie schuldig te zijn bij welke gevoelsimpuls dan ook. Zelfgevoel, innerlijkheid, variëteit van emoties zijn dan niet goed ontwikkeld en zitten nog in de knop. Hulpverlening bestaat eruit om blokkades in het ontwikkelingsproces uit de weg te ruimen zodat de opbloei verder vanzelf kan gaan. Zijn belemmeringen zoals schuldgevoel, schaamte of angst eenmaal bewust gemaakt, dan is de loskomende groeikracht vaak enorm. In het volgende hoofdstuk wordt uitvoerig ingegaan om dit drama van het begaafde kind en de behandeling ervan. Hoewel het complex van ‘het drama van het begaafde kind’ verrassend vaak ten grondslag ligt aan de problemen waarmee studenten zich melden, is dat natuurlijk niet altijd het geval. Studenten kunnen dan doorgaans wel slim zijn, maar daarmee zijn ze nog niet per definitie sociaal gevoelig of emotioneel begaafd. Soms ontbreekt dit laatste juist volledig.

12


Soorten problemen De meeste problemen lossen studenten zelf wel op. Daar wordt een mens flink van. Daarnaast bestaat er fasegerelateerde problematiek die bij de leeftijd hoort en soms wat ondersteuning behoeft. Bij neurotische problematiek ligt dat anders. Neurotische problemen gaan niet vanzelf over. Worden zij niet behandeld, dan blijven zij hardnekkig voortduren. Wanneer iemand nog thuis woont, is deze problematiek vaak bedekt, maar hij komt naar boven als iemand zelfstandig gaat wonen en voor zichzelf moet gaan zorgen. Deze sluimerende persoonlijke problematiek heeft bij studenten vaak een karakteristieke kleur zoals ik in het voorafgaande beschreven heb. Met name vanuit het syndroom van het ‘drama van het begaafde kind’, zijn veel depressieve en moeheidklachten te begrijpen en wordt de oorzaak van relationele en identiteitsproblemen snel helder en is vaak binnen een beperkt aantal sessies te behandelen. Terwijl studenten zich vroeger vaak pas in het tweede jaar van hun studie meldden, beginnen er nu steeds meer studenten al in het eerste jaar van hun studie aan te kloppen. Waarschijnlijk omdat ze onder druk van de beperkte studieduur zich geen uitstel kunnen permitteren. Een probleem wordt prangend omdat het de studie belemmert. Los van de ouders voelen ze zich soms ook vrijer om zich nu te laten helpen. Wanneer studenten zich aanmelden in de laatste jaren van hun studie dan hebben problemen zich vaak hoog opgestapeld. Weerstanden en angsten zijn dan moeilijker bewerkbaar. Tabel 1 Soorten problemen (Schouwenburg 2000) ___________________________________________________________________________ Probleemcategorie Universiteiten Hogeschool Utrecht ___________________________________________________________________________ Studeren 35% 42% Contactueel; aanpassing 11% 3% Depressie; emotioneel 15% 9% Stress en faalangst 20% 7% Losmaking, ouders 6% 16% Relatie 2% 2% Identiteit 4% 11% Overig (1) 7% 11% (1) Overig: onder andere seksuele problemen, verslaving, fobie/dwang, studie- en beroepskeuze

Er kloppen honderden studenten per jaar aan bij studentenpsychologen, die verbonden zijn aan Nederlandse en Vlaamse onderwijsinstellingen. Tabel 1 geeft bij wijze van schatting de verdeling over de diverse probleemcategorieën zoals die uit de geaggregeerde gegevens van de Universiteit van Groningen, Utrecht en Nijmegen, alsmede uit die van de Hogeschool van Utrecht worden gedestilleerd. Merk de verschillen op in percentages tussen Universiteit en Hogeschool bij stress/faalangst en bij losmaking van thuis. De stress bij universitaire studenten is duidelijk hoger, vermoedelijk is het niveau voor sommigen te hoog? Bij losmaking van thuis is er al eens op gewezen dat studenten van Hogescholen vaak langer thuis wonen. In het volgend hoofdstuk ga ik thema’s beschrijven die aan de meeste problemen van studenten ten grondslag liggen.

13


3 HET DRAMA VAN HET BEGAAFDE KIND

I feel myself as special, as larger than life. At the same time I am worthless (Naar A. Pesso)

Veel studenten die uit balans raken, herkennen zich in de constellatie die door Alice Miller (1979) zo treffend ‘het drama van het begaafde kind’ is genoemd. “ De rillingen lopen over mijn rug; ik herken mijzelf precies in wat je nu uitlegt”, zei een studente tegen mij. De uitleg van deze psychische constellatie is voor studenten vaak een opluchting, ze voelen zich herkend. Deze herkenning raakt hen des te meer omdat ze tot dan toe gedacht hebben dat niemand ze begrijpt. Heimelijk gaan ze er nog steeds van uit dat ze zo bijzonder zijn dat ze eigenlijk niet te helpen zijn.

3.1 Begaafdheid als struikelblok Na een uitleg van een veel voorkomend beeld en de bijbehorende psychodynamiek daarvan, volgen enige aanwijzingen. In de volgende paragraaf worden dan voor studenten zelf enkele karakteristieke verschijnselen nog eens nader uitgelegd. Dorien kwam binnen, maakte een pittige indruk, maar had ook iets vermoeids. Ze koos een stoel vlak bij me; het verraste me dat ze niet tegenover me ging zitten, maar dichter bij. Zocht ze steun, omdat het pittige toch onvoldoende bleek? Ze kwam van een andere therapeut met wie het niet liep; alsof die in haar machteloosheid en depressie meegezogen werd en het ook niet wist, dacht ze.

Aanleiding om hulp te vragen Concreet was de vraag van Dorien: “moet ik in mijn jaarclub nu alles over mijzelf gaan vertellen? Anders gaan ze van alles over mij fantaseren, want ze zien wel dat het niet altijd zo goed gaat, terwijl ze me toch als stevig ervaren en als een sterke persoonlijkheid. Ik ben een praatpaal voor veel vriendinnen. Maar ik ben zo bang dat ik anderen te veel belast als ik over dingen van mijzelf begin”. Achtergrond Ik begin als therapeut aan de constellatie van het 'drama van het begaafde kind' te denken en ga vragen naar het verhaal van haar leven. Vader prijst haar, ze is intelligenter dan haar zusje. Wat ze aan de universiteit aan voortgang boekt, vertelt vader uitgebreid aan diens vrienden. Dat streelt haar wel, ze wil zelf ook carrière maken, maar toch bevalt het haar niet helemaal. Alsof er geen belangstelling is voor haarzelf, voor wie ze is, onafhankelijk van haar prestaties. Bovendien vindt ze het niet leuk dat er voor haar zusje niet zo een waardering is. Dat creëert afstand en een vorm van eenzaamheid. Het zusje is geboren met een misvormd been. Daar had het zusje veel last van; het zusje werd daar somber van, kon niet sporten. Vader en moeder besteden erg veel aandacht aan deze problemen van het zusje.

14


Wanneer deze studente nu met moeder over vroeger wil praten, gaat moeder zich direct verweren en vooral schuldig voelen. Dit vindt Dorien heel vervelend, ze heeft dan het gevoel moeder te belasten en begint zich in te houden. Als moeder nu zo reageert op deze dochter, hoe was de dynamiek dan vroeger tussen moederdochter? Ik denk niet veel anders. Psychodynamiek van een verhaal De flinkheid van deze studente is duidelijk; ze komt in haar jaarclub als een sterke persoonlijkheid over; ze is geneigd als praatpaal voor anderen te dienen. Dat kan ze goed. Ze snapt mensen snel, en ze voelt ze ook goed aan. Ze heeft hierin feitelijk een levenslange leerschool. Ze is daarin begaafd. Ze moet als klein meisje de beslissing genomen hebben: 'ik doe het wel alleen'. Ik mag mijn vader en moeder niet belasten, want die hebben het al moeilijk genoeg. Op mijn zusje moet ik nooit boos worden, want die is ongelukkiger dan ik'. Deze houding van aanvoelen van het leed en dat de wereld uit willen helpen, geeft overigens ook een kick. Het zelfgevoel wordt er mee opgekrikt. Miller noemt het een narcistic personality disorder; zij beschrijft in haar boek dan ook ernstige patiënten. Maar ook studenten met een minder dramatische achtergrond kunnen zich vaak bijna standaard herkennen in het beeld. Het is een noodgedwongen opblazing van je identiteit tot meer dan je bent en dragen kunt. Deze grootheidsfantasie geeft weliswaar een kick, maar kent tegelijkertijd een keerzijde. Want hij dient als een troostfantasie, die een diep ongelukkig gevoel markeert. Het is een drama. Want als de opgeblazen ballon knapt, dan komt het moment dat je niet verder meer kunt en volgt depressie. In de kernachtige formulering van Pesso (1996): “you feel as special, as larger then life. But then starts the feeling how worthless you are”. De helpersrol maskeert een groot verdriet: "voor mij is er geen aandacht, en ik kan geen kattenkwaad uithalen en zorgeloos kind zijn; want ik moet altijd sterk en flink zijn". Doordat deze studente haar eigen impulsen altijd heeft moeten onderdrukken, is het moeilijk voor haar om te weten wie ze is. Haar eigen wezen is nooit aangeraakt, er is geen communicatie over met anderen geweest, en daardoor weet ze niet wie ze werkelijk zelf is. De expressie van haar innerlijk heeft nooit goed vorm gekregen omdat er geen ontmoetende tegenvorm was. Gevolg is 'explosieangst': "àls ik begin te huilen, dan is er geen houden aan, dan is mijn verdriet bodemloos. Als ik boos word, dan belast ik een ander zodanig dat er rampen gebeuren; dat de ander bezwijkt, gekwetst wordt en mij in de steek laat". Deze studente heeft nog niet geleerd intiem met zichzelf te verkeren, haar eigen gevoelens onderkent ze slecht, ze kan ze niet onder woorden te brengen, laat staan tot uitdrukking brengen. Haar ware zelf is nog niet tot bloei gekomen.

Doel van een therapie Therapeuten krijgen aan haar een modelcliënt, die ook in een therapie zeer haar best zal doen en zal proberen de therapeut te plezieren, zoals ze dat ook met ouders deed. Hier ligt een valkuil voor therapeuten. Een therapie zal haar immers moeten helpen te ervaren dat naast sterkte en moed ook andere facetten van haar wezen welkom zijn in deze wereld. Eerst zal zij inzicht moeten krijgen in het probleem. De constellatie van 'het drama van het begaafde kind' wordt in het algemeen snel herkend als ze goed wordt uitgelegd en getoetst aan de ervaringen van studenten zelf. Na inzicht in het probleem zullen angsten en afweer moeten worden doorgewerkt. Een kind dat vroeger in een min of meer ernstige noodsituatie heeft verkeerd, zal iedere impuls die echt uit zichzelf komt, als bedreigend ervaren en schuldbeladen. De noodsituatie bestond mede daaruit,

15


dat een impuls, een opkomend gevoel van een kind, gekleineerd werd, weggewuifd of alleen maar niet herkend en zeker niet gevalideerd of 'gezegend'. Omdat een kind geen ander referentie-kader heeft dan de ouders, zal het op grond van het niet of verkeerd reageren van een ouder, de conclusie trekken dat de eigen impuls 'slecht' is, of 'dom' of 'raar' en dat zij de enige is met zulk een 'probleem' en dat niemand dat ooit begrijpen zal. Het eigen gevoel gaat dan ondergronds of wordt als schaamtevol ervaren (Zie uitgebreider hoofdstuk 6). In een veilige therapie kan de 'domheid' ontzenuwd worden en 'het rare' ontkracht. Na enige tijd zal deze studente zonder al te veel schaamte meer ruimte vragen voor haar gevoelens, en schuldloos grenzen gaan stellen aan wat anderen haar vragen. Ze heeft hiermee overigens ook afstand moeten doen van een eigenaardig soort 'uniciteit' en 'almacht': 'ik moet het toch alleen doen, ik zal de wereld wel redden'. Deze kick die lang gediend heeft als troostfantasie zal zij af moeten leggen. Er is tijd nodig om te rouwen om het loslaten van deze positie. Aanvankelijk zal het loslaten van de vertrouwdheid van deze positie de angst oproepen die met een vermeende ontstane leegte gepaard gaat. De therapeut zal zorgzaam om moeten gaan met deze kwetsbare positie; ze is als een vogeltje die uit het ei komt en de veiligheid van de schaal kapot ziet gaan. Maar ze gaat daar iets voor terug krijgen. Omdat ze nu ook tot dan toe verborgen energieĂŤn van haar wezen tot ontwikkeling laat komen, zal de echte kracht van binnenuit gaan ontstaan, vanuit een innerlijke bron. Ze ontdekt de goede vader en moeder in zichzelf, ze leert zichzelf geven wat ze nodig heeft. Dan komt ze beter in balans, gaat zich fysiek ook prettiger voelen, krijgt meer flexibiliteit en kinderlijke zorgeloze lol. De depressie lost zich op, ze krijgt weer zin in het leven en daarmee krijgt het leven zin. De wereld moet het waarschijnlijk wel hebben van deze begaafde kinderen, van hun moed, en aanvoelingsvermogen. Maar laat de wereld dan zorgen dat deze kinderen niet bezwijken onder hun last. Wanneer ze in contact komen met hun eigen innerlijk, zal de warmte die ze verspreiden en de steun die zij kunnen bieden, echt zijn en niet uit angst voortkomen, maar uit hun hele wezen.

3.2 Vrij naar: "Het drama van het begaafde kind" van Alice Miller1 Nu wordt in eenvoudige bewoordingen en ook voor studenten met minder dramatische achtergronden uitgelegd wat Alice Miller precies bedoelt. Deze tekst richt zich niet tot hulpverleners maar tot studenten zelf en kan dienen ter ondersteuning van hun behandeling. Je bent welopgevoed, hebt een gelukkige en beschermde jeugd gehad. Je ouders konden trots op je zijn, want je was begaafd, je hebt je talenten ontwikkeld. Je deed het goed op school en je werd gestimuleerd om verder te studeren. Alles wat je aanpakt is een succes. Je wordt erom bewonderd en benijd. Toch voel je dat er iets niet klopt. Als iets een keer niet loopt zoals je verwacht had voel je dat als een grote mislukking. En deze wijt je aan jezelf. Je hebt niet genoeg je best gedaan, je kunt veel beter. Je voelt je niet zo gelukkig als je zou moeten zijn. Er mist iets. Je vraagt je af wat er toch met je aan de hand is. Over een mogelijk antwoord, dat te vinden is in je kinderjaren, gaat dit hoofdstuk. Behoeften en verlangens 1

Deze paragraaf is geschreven door Margreet Naaijer, studentenpsycholoog.

16


Voor een goed begrip is het belangrijk om na te gaan wat een kind nodig heeft als het opgroeit. Iedereen weet dat een kind moet eten drinken en slapen om in leven te blijven. Maar om zich te ontwikkelen tot een gezond wezen met een eigen identiteit is meer nodig. Een kind heeft het nodig gerespecteerd en serieus genomen te worden in alles wat het is. Een kind heeft liefde en warmte nodig om te kunnen gedijen. Om dit te krijgen en te behouden doet het alles wat nodig is. Kinderen zijn egocentrisch. Ze beleven zichzelf als middelpunt van de wereld en dat hoort ook zo. Wat zij doen en beleven is het enige dat ze bezighoudt als het goed is. Dat is nodig om een identiteit te ontwikkelen. Als er respect is voor wat het kind voelt en doet, kan het zich op den duur scheiden van de eerste onlosmakelijke band met de ouders en uitgroeien tot een zelfstandig en autonoom wezen. Maar als een kind niet heeft mogen toekomen aan zijn eigen verlangens en de vervulling daarvan, zal het zich zeer sociaal gedragen, maar nooit toekomen aan het spontane plezier van geven en delen. Het is niet zichzelf. Het kind heeft niet de mogelijkheid gehad zichzelf te leren kennen. Hoe moet je weten wat je leuk vindt, nodig hebt, prettig vindt, als je jezelf hebt gevormd naar wat je ouders van je verwachten voor hun eigen heil? Ego誰sme heeft in onze cultuur een negatieve betekenis. Een kind dat de verlangens van zijn ouders vervult is 'braaf'; wanneer het eigen verlangens blijkt te hebben en deze probeert te vervullen is het ego誰stisch en houdt het geen rekening met anderen. De ouders denken nooit dat zij het kind nodig hebben om aan hun eigen ego誰stische verlangens te voldoen. Nee, ze moeten hun kinderen opvoeden tot sociale wezens. Als een kind dan niet de liefde van zijn ouders wil verliezen - en geen kind kan dat verdragen - zal het heel vroeg zijn eigen verlangens opgeven en 'delen', 'geven' en 'opofferen'. Lang voordat een mens dat 'als vanzelf' doet omdat het dat wil, daar plezier aan beleeft en het bij zijn ontwikkelingsfase past. Dat ouders kinderen opvoeden om aan hun eigen verlangens toe te komen heeft natuurlijk ook een oorzaak. Het is van hetzelfde laken een pak. Als een moeder opgevoed is door een moeder die haar ook niet kon aanvaarden zoals ze was of liever gezegd zoals ze had kunnen zijn, zal ze proberen respect te krijgen door het opvoeden van haar kind tot een voorbeeldig mens. Het tragisch hiervan is dat haar kind weer niet die aanvaarding krijgt die het nodig heeft. Wat is er erg aan een 'voorbeeldig' kind? Dat is toch een sociaal wezen die rekening houdt met anderen en liefde geeft? Dat nu is sterk te betwijfelen. Hoe kun je een ander liefhebben en dat is iets anders dan iemand nodig hebben - als je jezelf niet liefhebt. En hoe kun je jezelf liefhebben als je jezelf niet kent. Dat wil zeggen als je niet vanaf het begin van je bestaan de mogelijkheid hebt gekregen jezelf te beleven en je eigen echte gevoelens en verlangens waar te maken. Mocht er al eens iets bovengekomen zijn toen je klein was dan is de kans groot dat dit de kop is ingedrukt omdat het niet 'braaf' en 'lief' was. Je bent dan tot iemand geworden zoals je ouders dat graag zagen. Je hebt eigenlijk een 'vals' ik ontwikkeld en je 'ware' ik is verborgen gebleven, heeft zich niet kunnen ontwikkelen. Dat is zichtbaar in heel kleine dingen. Dingen die ouders over het hoofd zien omdat ze op de eerste plaats bezig zijn met wat zij zelf belangrijk vinden en niet met wat hun kind bezielt. Denk bij voorbeeld aan een tweejarige die de dingen die altijd voor hem werden gedaan, nu zelf wil doen. Het wil zelf eten, maar moeder ziet dat het niet goed lukt naar haar maatstaven en zegt: "Laat mij je maar helpen". Ze denkt aan het geknoei dat het zal opleveren, maar niet aan hoe belangrijk het voor het kind is het zelf te doen. Zelfs de schijnbaar liefdevolle opmerking "stil maar, huil maar niet" die als troost bedoeld is of de woorden "daar hoef je toch niet bang voor te zijn" kun je beschouwen als het niet aanvaarden van de gevoelens van een kind, waar ze natuurlijk en rechtmatig zijn.

17


De 'alsof'-persoonlijkheid Wat gebeurt er als mensen in meer of mindere mate het contact met hun ware ik al vroeg hebben verloren? Ogenschijnlijk is er niets aan de hand. In de kindertijd van deze mensen gebeurden vaak niet eens allerlei traumatiserende dingen als mishandeling of verwaarlozing in letterlijke zin. Er was sprake van een beschermde jeugd waarin de ouders het beste met hun kind voorhadden, aandachtig en stimulerend waren. Ze hielden van hun kind. Echter niet op de manier die nodig was. Misschien is er bij jou ook sprake van dergelijke omstandigheden. Misschien zeg je zelf ook wel eens tegen anderen in een periode dat het niet goed met je gaat: "ik heb een goede jeugd gehad, aan mijn ouders kan het niet liggen". De herinneringen uit je jeugd kunnen daarvan getuigen. Als er iets niet goed liep dan lag het aan jezelf. Je was vast een lastig kind of je deed niet goed je best op school of je ouders hadden het moeilijk met een broertje of zusje. Terwijl je in werkelijkheid je uiterste best deed om alles in goede banen te leiden. Daar ben je nog steeds goed in: er voor anderen zijn, goed luisteren en je in anderen inleven. Maar aan jezelf kom je niet echt toe. Je zult niet veel aandacht van anderen vragen voor wat jou nu bezielt en bezighoudt. Je beleeft jezelf via anderen, je vraagt je steeds af wat voor indruk je maakt, hoe je zou moeten zijn. Het is goed om te beseffen dat deze gang van zaken een manier is om te overleven, zowel voor jou als voor je ouders. Zij hebben dit niet beseft. Zij hebben onbewust en onopzettelijk bij jou naar iets gezocht wat hun ouders hen niet hebben gegeven toen zij klein waren: onvoorwaardelijke liefde, bewondering en respect voor wie zij waren en niet zozeer voor wat ze deden. Mensen die dat niet krijgen zullen daar hun hele leven naar op zoek blijven. Zij zijn daarvoor vaak van hun kinderen afhankelijk. Als kind ben je beschikbaar voor je ouders. Zij staan in het middelpunt en in beginsel krijgen ze jouw respect en de bewondering waarnaar ze op zoek zijn. Jij krijgt dus een functie toebedeeld waar je niet onderuit kunt: het vervullen van de behoeften van je ouders en later van anderen. Je bent niet echt jezelf. Je ontwikkelt een 'alsof'- persoonlijkheid. Toch zeurt er iets. Je ervaart leegte en zinloosheid. Je bent van jezelf vervreemd en dan is het begrijpelijk dat het moeilijk is je van je ouders los te maken en dat je hun bevestiging en die van vrienden nodig hebt om je iemand te voelen.

Rouw en pijn Wat zou er gebeuren als je je van dit alles bewust zou worden? Als je zou voelen dat de liefde van je ouders niet echt voor jou bedoeld was? Je zou kunnen denken: "wat als ik niet braaf en lief was geweest, maar boos, lui, jaloers en onhandelbaar? Hebben ze die kant van mij dan niet gezien? Hebben ze alleen het kind dat eigenlijk geen kind was gezien? Als je dit zou beseffen, zou dit gepaard gaan met pijn, met rouw om het verlies van je kindertijd. Maar je zou ook mee kunnen voelen met het kind dat je eens was. Ook is het pijnlijk om je omnipotentiegevoelens op te geven: je realiseren dat jij niet per definitie de belangrijkste in iemands leven bent. Daarover moet je rouwen voordat je het kunt verdragen. Vaker echter zijn mensen zich dit soort dingen totaal niet bewust en worden depressief, hebben grootheidsfantasieĂŤn of hebben minachting voor hun omgeving, allemaal om de illusie van een goede en liefdevolle jeugd overeind te houden. Over dit soort gevolgen van een dergelijk 'drama' gaat het vervolg.

Depressie en grootheidsfantasieĂŤn Het kind dat opgroeit bij ouders die wel oog hebben voor de eigenheid van hun kind, ontwikkelt een vanzelfsprekend contact met zijn gevoelens en verlangens en daarmee een

18


gevoel van eigenwaarde en levensvreugde. Zo'n kind mag bang, boos, hulpbehoevend en verdrietig zijn. Dit zorgt er tevens voor dat het kind zijn 'goede' en 'slechte' kanten leert accepteren. Gebeurt dit niet, dan leidt dat tot uitzichtloos perfectionisme. Fouten maken mag niet. Niets is ooit goed genoeg. Je voldoet dan niet aan de eisen die je denkt dat er aan je gesteld worden. Het zelfbewustzijn en gevoel van eigenwaarde krijgen geen kans. Als je geen gevoel van eigenwaarde hebt ontwikkeld zul je alles doen dat in je vermogen ligt om dit te compenseren. Op een andere manier bewondering van anderen oogsten. En als je (intellectueel) begaafd bent zal dit je ook lukken. Het gaat zelfs zo ver dat je het idee ontwikkelt dat je alles kunt en daarin beter bent dan anderen. Je zou kunnen spreken van grootheidsfantasieÍn en omnipotentiegevoelens. Mensen hebben jou nodig, zonder jou redden ze het niet. Allemaal vervangingsmiddelen waarachter je je kunt verschuilen. Wat je hiermee doet is hetzelfde als in je kinderjaren: voldoen aan de verwachtingen van anderen en de vraag blijft of je geliefd wordt om wie je bent. De bewondering die je oogst zal voor je gevoel nooit genoeg zijn en altijd afhangen van jouw zorg voor anderen, je prestaties, functies en eigenschappen. Als deze wegvallen stijg je ineens niet meer boven de middelmaat uit en dat is bijna niet te verdragen als je je gevoel van eigenwaarde eraan hebt opgehangen. Stel je voor dat door omstandigheden je studie niet meer loopt of dat je voor je studie ineens veel meer moet doen dan op de middelbare school. Of de zorg voor iemand in je omgeving is ineens niet meer nodig. Dan ben je ineens niets meer waard voor je gevoel en dat is onverdraaglijk. Dat kan leiden tot depressiviteit. Je zou de grootheidsfantasieÍn en de depressie kunnen beschouwen als twee kanten van dezelfde medaille. Je kunt schitteren met mooie cijfers na een tentamenperiode of op een voorspeelavond met het muziekinstrument dat je goed bespeelt. Maar als dit dient als surrogaatbevrediging van de behoeften uit je kinderjaren kun je je de volgende dag leeg voelen, want het werkt maar voor korte tijd. Frances komt uit een gezin waar niet over moeilijke dingen gepraat wordt en waar het oppervlakkig gezellig is. Na de geboorte van haar jongste zusje, Frances was toen 8, kwam moeder terecht in een postnatale depressie. Ze deed niets meer en vader had een drukke baan en allerlei andere bezigheden. Frances nam daardoor de rol op zich van steun en toeverlaat van moeder vanaf haar 8ste totdat ze uit huis ging en zorgde voor haar broertje. Ze vond het vanzelfsprekend dat ze haar eigen plannen en wensen opzij zette, want moeder kon er toch niets aan doen dat ze ziek was geworden en vader moest natuurlijk ook gewoon naar zijn werk. Ze is blij dat ze zo sterk was want nu is alles goed gegaan thuis en heeft ze een leuke jeugd gehad. Kennelijk komt het niet in haar op wat er aan de hand is met ouders die een meisje van 8 zo’n zware taak op zich laten nemen, waarin ze totaal niet toekomt aan kind zijn en de dingen die daar bijhoren. Grote kans dat voordat moeder depressief werd er ook al niet al teveel rekening werd gehouden met de wensen en verlangens van Frances.

Minachting De kans bestaat dat als een kind te weinig serieus is genomen toen het zwak en hulpeloos was, zelf later de baas wil zijn over zijn zusjes of broertjes of de eigen kinderen. Het minachten van kleinere zwakkere mensen is de beste verdediging tegen de gevoelens van machteloosheid. Het is echter geen kracht die iemand dan tentoonspreidt maar zwakheid. Als je echt sterk bent heb je deze vorm van minachting niet nodig. Soms zijn de kwetsingen duidelijk: bij voorbeeld in gevallen waar de ouders de kinderen slaan. Maar schrijnender is het misschien als ouders zich niet bewust zijn van hoe pijnlijk ze hun kinderen kunnen kwetsen. Het is een geluk als kinderen het merken en het ook tegen hun

19


ouders kunnen zeggen. Dan krijgen hun ouders de kans hun fouten in te zien en zich te verontschuldigen. Dan kan de keten van macht en minachting worden gestopt. Maar vaak gebeurt dit niet. Vooral als het om subtiele minachting gaat, blijven de gevolgen onder de oppervlakte. Hoe kun je zelf bewustwording nastreven om te voorkomen dat je in dezelfde valkuil stapt? Je kunt kijken naar de eigen levensgeschiedenis, maar ook opletten in situaties met andermans kinderen en je in het kind verplaatsen. Dan voel je vaak wel wat het kind moet ondergaan. Dan krijg je respect voor kinderen, respect dat ze vanaf de eerste levensdag nodig hebben. Je kunt je voorstellen zelf moeder te zijn van zo’n kind hoe zou jij dan reageren Jannes is iemand die op zoek is naar wie hij is, vertelt hij bij het eerst gesprek bij zijn psycholoog. Al een paar jaar loopt hij met iedereen mee en daar heeft hij last van. Als er gesproken wordt over zijn jeugd herinnert hij zich ineens een situatie waarin hij heel erg zijn best deed op een mooie tekening voor moeder. Na twee uur was hij klaar. Het enige dat moeder zei was:” Is dat alles wat je al die tijd hebt gedaan?”.

Op zoek naar je ware zelf Om je huidige functioneren te begrijpen moet je je geschiedenis begrijpen. En om je geschiedenis te begrijpen heb je het juiste gereedschap nodig. Daarmee vind je de gevoelens en behoeften die duidelijk maken wat er nog meer in je leeft. Als je deze emoties en verlangens kunt ervaren en als legitiem kunt zien, ben je al een grote stap verder. Om zover te komen is het vaak noodzakelijk de hulp van iemand anders in te roepen. Iemand die gewend is mensen bij hun tocht naar binnen te begeleiden. Van al die behoeften waaraan vroeger voorbij is gegaan zijn er een aantal die niet meer kunnen worden vervuld. Maar laten zien wie je bent kan wel. Aanvankelijk is dat heel eng. Het is dezelfde angst die je als kind ook belemmerde om je te uiten: als ik het achterste van mijn tong laat zien dan moeten ze me niet. Maar probeer je het niet dan zul je altijd mensen blijven zoeken die je, net als je ouders, niet begrijpen. Men noemt dat ook wel herhalingsdwang. Je blijft steeds op zoek naar hetgeen je is onthouden, maar niet om dat in vervulling te laten gaan. Je zou zeggen dat je op zoek gaat naar mensen, bij voorbeeld een partner, die je wel begrijpen, maar gek genoeg is dat niet het geval. Als kind was je altijd bezig om met je gedrag de kritische, niet echt beschikbare ouder te veranderen in een liefhebbende ondersteunende ouder. Het onbewuste wil nu juist die behoefte bevredigd zien (Jenson, 1997). Gerda werd in de periode dat ze in psychotherapie was, verliefd op een oudere man, die op haar stageplaats werkte. Hij was slim, gevoelig en attent, maar heel gesloten en begreep niet zo veel van wat er in haar omging. Ze kregen een relatie, maar na haar stage woonden ze ver uit elkaar. Gerda ging hem uitvoerige brieven schrijven, waarin ze uiting gaf aan haar nieuw ontdekte gevoelens en alles wat haar bezighield. Haar vriend kon er geen kant mee op, maar zij zag dat over het hoofd en deed alleen maar meer moeite om hem te laten begrijpen hoe zij zich voelde. Pas na verloop van tijd kon ze inzien dat ze een vervangende vader had gezocht en gevonden. Toen hadden gevoelens van schaamte de overhand. ‘Ik lijk wel een kind’, zei ze. Ze beleefde dan ook de pijn van het toevertrouwen van verdriet aan iemand die er niets mee kon, maar van wie ze zich wel afhankelijk voelde, zoals ze dat vroeger ook had gedaan. In de rest van de therapie kon ze zich verder bevrijden van de pijnlijke schaamtegevoelens van de herhalingsdwang.

20


Pas als je de desillusie kunt ervaren en kunt rouwen om wat je niet gekregen hebt, kun je op een goede manier verder met je leven. Dan kun je je sterker, autonomer en liefdevoller voelen in plaats van geminacht, zwak en hulpeloos. Je zult minder spotten met de gevoelens van anderen. Je hoeft anderen in je omgeving niet meer te minachten. De almachtsgevoelens dat jij alles wel zult oplossen voor familie en vrienden zijn niet meer nodig. Je hoeft niet te blijven hangen in de grootheidswaan van: ik weet het beter, waardoor het idee dat mensen om je geven om wie je bent, een kans krijgt. Therapie is ÊÊn van de mogelijkheden om te gaan met verdrongen trauma’s. Je kunt iemand zoeken die, met respect voor je autonomie, helpt bij het verwerken ervan.

Literatuur voor studenten tijdens de therapie Jenson, Jean (1997). Op weg naar je ware zelf. Houten: Holkema en Warendarf. (Vertaling; vooral eerste helft is prima). Miller, Alice (1979). Het drama van het begaafde kind. Vanaf de 22e druk (1999). Holkema en Warendarf.

21


4 HET WARE EN HET VALSE ZELF

Soms ga ik open en zoek contact soms sluit ik mij en wil ik op mijzelf zijn. Dat is mijn natuurlijk ritme. (een mossel). Hinter deine Gedanken und Gefühlen, mein Brüder, steht ein mächtiger Gebieter, ein unbekannter Weiser – der heisst Selbst. In deinen Leibe wohnt er, dein Leib ist er. (Nietzsche)

Naast relaties tot andere mensen, bestaat er een relatie tot jezelf . Deze is fundamenteel. Jij bent de enige die van de geboorte tot het graf met jezelf bent. Het is handig om daar goede maatjes mee te zijn. Deze tekst is in eerste instantie voor studenten zelf geschreven, maar bevat veel metaforen en beelden die hulpverleners kunnen gebruiken bij de behandeling van dit cruciale thema. Aan het einde volgen er voor hen nog specifieke aanwijzingen en suggesties. De verhouding die mensen tot zichzelf hebben, is vaak vijandig. Interne dialogen spelen zich af in hun hoofd, zoals : ‘had je nou niet dit of dat’, ‘stommerd’, ‘waarom studeer je nou niet terwijl je weet dat dat eigenlijk moet’. Veel mensen durven niet met zichzelf alleen te zijn. De vijandige stemmen in henzelf verheffen zich dan in koor. Ze plannen hun dagen vol met activiteiten en met contacten en gunnen zich geen tijd en ruimte voor zichzelf. Ondanks alle vrienden, ondanks alle functies, zijn ze weliswaar bijna nooit alleen, maar voelen zich paradoxaal genoeg toch eenzaam. Als ze alleen zijn worden ze bang om iets te missen. Een oude legende De kunst om ook rustig alleen te kunnen zijn, veronderstelt een goede relatie met jezelf. Wanneer je probeert voortdurend aan de verwachtingen van anderen te voldoen, raak je jezelf kwijt. De ontdekkingsreis naar het ware zelf is het onderwerp van vele mythen en sagen. Uit een Keltisch verhaal over het zoeken naar de heilige Graal (Almaas 1997): Een jonge man verlaat het huis van zijn ouders en het land waar hij zijn jeugd heeft doorbracht. Hij laat oude vrienden en alle bescherming achter zich en gaat op pad. Hij begint aan een eenzame zoektocht. Vele diepe ravijnen moet hij doorkruisen en vele monsters komt hij onderweg tegen. Al zijn vindingrijkheid heeft hij nodig om alle gevaren onderweg te trotseren en veilige schuilplaatsen te bouwen voor de nacht. Zijn kracht en moed worden op de proef gesteld. Hij komt zichzelf tegen, zoekt naar wie hijzelf is, die ene parel boven elke prijs. Maar voor het zover is moet hij onherbergzaam land doorkruisen. Over dat woeste land waar hij doorheen trekt en zijn weg zoekt, regeert een boze koning. Daar is eindelijk een kasteel op een eiland. Met een boot steekt hij het water over. En daar op het eiland, ligt wat altijd al gezocht werd zonder het zelf te weten: de parel, de steen der wijzen, een heilig zwaard, een gouden staf die naar bestemming zal voeren. Hij neemt de schat met zich mee en maakt zich op om het eiland weer te verlaten en de tocht naar huis aan te vangen. Nog eenmaal kijkt hij om naar het eiland dat in de mist verdwijnt. Hij keert de andere wereld weer

22


de rug toe en vindt zijn weg terug. Het vroegere ruwe land waar hij doorheen trok, is nu veranderd. Vrede regeert er, de bomen dragen vruchten en de bloemen openen zich. Hij heeft zichzelf gevonden en in koninklijke kracht teruggekeerd, neemt hij de leiding van zijn land op zich.. Vele mythen en sagen kennen deze archaïsche thema’s met vele variaties. Zo zijn er ook legenden die verhalen over het bevrijden van een prinses die tot vrouw gekust wordt door een avontuurlijke jongeling. Een jongen en een meisje vinden zo hun eigen koninklijke kracht en “hun wijsheid doorstroomde het hele land”. Welke gevaren bedreigen ons en hoe weten we de weg in het onbekende land op zoek naar onszelf? Door veel drukte en prestatiedwang heeft onze maatschappij een behoorlijk vervreemdend effect. Ook raken veel mensen zichzelf kwijt doordat ze zich voortdurend aan anderen aanpassen, uit angst hen te verliezen. Van al dat aangepas wordt een mens doodmoe. Als je merkt dat je je teveel aan trekt van anderen en je volledig uitput in wat anderen (of je ouders) van je verwachten, dan wil je daar van af. Je verspeelt al je energie aan het voortdurend kijken naar anderen. Je wordt depressief of chagrijnig. Je hele zenuwstelsel verkeert vierentwintig uur per dag in een alarmfase, steeds maar oplettend wat een ander van je wil of verwacht. Vele vage klachten die je nauwelijks kunt formuleren, zijn het gevolg van dit slecht contact met jezelf. Een beetje depressief, een beetje onrustig, een beetje niet weten wat je wilt, het gevoel hebben niet op je plaats te zijn. De begrippen ‘het valse en het ware zelf’ kunnen dan verhelderen waar je aan lijdt en waar je heen zou willen. Het vermogen om alleen te kunnen zijn Volgens de ontwikkelingspsycholoog Daniel Stern (1986) heeft ieder mens van oorsprong een relatie met zichzelf. Al in de eerste maanden zijn ons organisme en onze hersens zo ontwikkeld dat wij een gevoel van eigen zelf hebben. Wij kunnen al snel zelf fantaseren, uitproberen, uitdagen en experimenteren. Het gezonde contact tussen moeder en kind beschrijft Stern als een sprankelend spel tussen twee zelven. Terwijl hij de vervloeiing, het nooit alleen kunnen zijn, het alsmaar contact, beschouwt als een pathologische wanhoopspoging van de overbelaste zuigeling. Een andere bekende psycholoog, Winnicot (1965), beschouwt de capacity to be alone, als een fundamenteel menselijk vermogen. Gezond is wanneer het kind onder de ogen van de ouder zichzelf kan zijn. Dit talent om alleen te kunnen zijn, is een kunst die je als baby van nature geschonken is maar die je afgenomen kan worden en die je later slechts met grote moeite kan terugveroveren Het is slopend wanneer moeder en kind elkaar voortdurend in de gaten moeten houden. De moeder: ‘ kruipt mijn kind niet te ver weg; houdt het nog wel van mij?’. Het kind: ‘ kijkt mijn moeder verdrietig en moet ik terugkruipen om haar te troosten; kijkt ze ook boos als ik dit of dat doe?’. De moeder heeft haar angstige overbezorgdheid, haar niet kunnen verdragen alleen te zijn, op de peuter overgedragen. Vanaf dit moment durft deze zich niet schuldloos meer te verwijderen en zal het later anderen naar de ogen gaan zien. Het valse zelf heeft het ware zelf weggedrongen. Moeder en kind zijn aan elkaar vastgeklit en tot elkaar veroordeeld. Ook grote angst is nu geboren. Als de moeder even de deur uitgaat, voelt het kind zich verlaten. Het staart naar het gat in de deur en ziet alleen maar leegte en gemis. Het vergeet zichzelf, en dat het nog ademt, en dat het gedachten heeft onder de paniek. Het heeft de geruststellende moeder in zichzelf nog niet gevonden en kan zichzelf niet toespreken en rustig maken. Later zal het in contacten moeilijk zichzelf durven zijn omdat het bang is dat de ander dan wegloopt. Hoe is de weg naar het ware zelf terug te vinden in deze aangelegde doolhof?

23


De bewustwording van het feit dat je steeds bezig bent met de ander, is een stap in de goede richting. Vanuit deze bewustwording volgt de rest vanzelf. Het je los maken van de verwachtingen van anderen, van die binding, is als het lostrekken van de navelstreng. Eerst ontstaat er een gat, je voelt je leeg, en weet nu helemaal niet meer wie je bent. Dat is de tweede fase. Geduld wordt hier gevraagd, het gat vult zich vanzelf van binnen uit. In wezen weet ons wezen wat wezenlijk is. Doordat je de ruimte gecreĂŤerd hebt om naar jezelf te luisteren, volg je het kompas naar je ware zelf.

Tijd nemen voor jezelf Sommige mensen beschouwen hun dagboek als de eerste eigen ruimte die van henzelf is. Het is aanvankelijk een geheime ruimte; je grenst jezelf duidelijk af van anderen binnen je eigen gevoelssfeer. Je probeert stil te staan bij wat je precies voelt, je tracht de woorden te vinden. Het is de plek waar je eerlijk kunt zijn tegenover jezelf. Het is als het luisteren naar je eigen muziek, naar het zoeken welke kleren het best bij je passen. Het is als het inrichten van je eigen kamer. Jij bepaalt of er iemand binnen mag komen en zo ja, wie? Wanneer je merkt dat je alleen maar negatief over jezelf bent als je schrijft in een dagboek, dan kun je er beter mee stoppen. Zoek dan eerst anderen op of zoek professionele hulp om van jezelf te leren houden. Als je over straat loopt, kun je leren om te kijken, om daar te zijn, om je zorgen even los te laten. Als je gedachteloos door een straat loopt, herinner je je aan het einde nauwelijks wat je gezien hebt, er is geen zelfherinnering2. Adem je, voel je je voeten op de grond en neem je de tijd om het zonlicht op je gezicht te voelen, dan ben je jezelf. Aan het einde van de straat weet je wat je zag, je hebt iets beleefd en de tijd ervaren in plaats van hem gedachteloos te laten verlopen. Een andere weg is mediteren. Het bovenstaande is eigenlijk al een vorm van meditatie. Er zijn daarnaast expliciete technieken om aandacht aan jezelf te leren besteden, te luisteren naar jezelf. Centreren, oefeningen voor ademhalings- en lichaamsbewustzijn, er is genoeg literatuur. Een door zijn eenvoud uitstekend boekje is dat van Tydeman (1998). Beginners moeten zich laten leiden, want er zijn vele dwaalwegen. In wezen is de techniek niet meer dan een hulpmiddel om het niet-doen te leren praktiseren, het loslaten. Zodat je echt aanwezig kunt zijn waar je bent of in waar je mee bezig bent. Toen men hem naar het geheim van zijn tevredenheid en rust vroeg, zei een Zenboeddhist eens: “als ik praat, dan praat ik met iemand. Als ik een kopje thee drink, dan drink ik een kopje thee. Als ik denk, dan denk ik�. Met andere woorden: hij is present, waar hij is. Not wasting time but experiencing time, ten volle in dit ene moment dat nooit zal terugkeren en er nu is. In meditatie (of gewoon stil zitten) kun je leren meester over jezelf te worden. Zo kom je boven de chaos in jezelf te staan. Vanuit een helikopterview je emoties beschouwend, de negatieve in jezelf in de hand hebbend, en de positieve toevoegend. Vanuit een vast punt in jezelf (jezelf?) kunnen kiezen om nu alleen te zijn of nu vrienden te gaan opzoeken. Vanuit een ankerpunt in jezelf de mogelijkheid hebben om je intense boosheid te onderzoeken zonder direct de schuld ervan bij iemand anders te leggen. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn, maar het is een nastrevenswaardig doel. Zoals je je nagels moet knippen en jezelf verzorgen, zo zou je ook tijd moeten uittrekken voor de zorg voor je ziel. Zodat het zichtbare, het masker en het image, verdwijnt. Zodat het onzichtbare, de tussen de modder verdwenen parel, verschijnt of weer verschijnt als je deze in de loop van je leven of door omstandigheden kwijt 2

Term van de mysticus Gurdjieff, het tegendeel bedoelend van steeds maar bewust met jezelf bezig zijnde. Wanneer je niet ten onder gaat in je taken en problemen, houd je de innerlijke ruimte om te genieten, te kijken en je bewust te zijn van waar je bent en wat je doet; je bent dan ten volle aanwezig en kan je alles herinneren. Je wordt dan het land binnengevoerd waar je thuishoort.

24


geraakt bent. Dan krijgen de dingen weer hun ware gezicht en betekenis. Je wordt persoonlijk, oorspronkelijk. Dat is een koninklijk gevoel voor jezelf, goud. Het is als de frisheid van de eerste scheppingsdag (zie voor verdere beschouwing over meditatie en boeddhisme ook hoofdstuk 11.3 en 11.5).

Het afleggen van het valse zelf Maar niemand kan zichzelf geboren laten worden. De psychologische geboorte van je ware ik, kun je niet op je eentje bewerkstelligen. Bovendien ontstaan onze diepste angsten vaak juist in het contact met een ander en moeten ze op dat terrein overwonnen worden. Hoe kunnen we ons ware zelf vinden en behouden tijdens het contact met een ander. Hoe kunnen we leren onze ziel daarin niet te verspelen? Hoe kunnen we leren ons valse zelf, de ‘alsofpersoonlijkheid’ af te leggen, waarmee we hoopten in de smaak te vallen en aan verwachtingen van anderen te voldoen? Wat vroeger door interacties fout ging, moet nu door interacties hersteld worden. Je hebt anderen nodig. Je wordt opener, vertelt aan vrienden en vriendinnen meer over jezelf, je probeert je gevoelens te formuleren en te zoeken naar wat echt is, en door hun reacties groei je en ga je je zekerder voelen. Soms is er een ander nodig om je liever over jezelf te laten denken. Je kunt dan eerlijker proberen te worden tegenover anderen. Over je angsten dat de ander je verlaat als je echt jezelf bent, kun je praten. Over het feit dat je je zorgen maakt als de ander boos kijkt, of verdrietig, is te praten. Over het feit dat je steeds maar denkt, aan de verwachtingen van die ander te moeten voldoen, kun je ook leren praten.

´Mijn karakter is nu eenmaal zo´. Sommige mensen voelen zich vrij moedeloos over de mogelijkheid hun ware zelf terug te vinden. “Ik kan toch niet veranderen; mijn karakter is nu eenmaal zo”, zeggen ze dan. Maar daar wordt een mens niet mee geboren. Van nature is een klein kind spontaan en vrolijk. Onzekerheid, twijfelzucht, concentratieproblemen, afhankelijkheid van een partner, angst om af te studeren zijn alle symptomen van hetzelfde: het contact met je binnenste, met je eigen bron en energie, met je eigen beslissingsmogelijkheden is geblokkeerd. Je bent geen 'meester' of 'meesteres' over je eigen bestaan. Moedeloosheid, ongeloof in de oplosbaarheid van je problemen, is een echo uit het verleden. Je hebt dan kennelijk lange tijd in omstandigheden verkeerd waarin je moedeloos werd omdat er geen oplossing voorhanden was. Er was geen experimenteerruimte of te weinig hulp om je eigen problemen te leren oplossen. Je wijt dit gebrek aan oplossend vermogen al gauw aan jezelf en je denkt: mijn karakter is nu eenmaal zo. Ik ben de grote uitzondering voor wie geen oplossingen bestaan. Of: het zal wel erfelijk zijn, want ik lijk erg op mijn depressieve zus of op mijn manische vader. Je kunt je ware aard, je echte zelf, terugvinden; je eigen groeikracht en energie (weer) leren ontdekken en gebruiken. Mogelijkheden die je in je jonge jaren bent kwijtgeraakt. Denk niet te gauw dat er voor jou geen oplossingen zijn. Wanneer je dit proces in jezelf , ook niet met behulp van je eigen omgeving mobiliseren kunt, wordt het tijd om eens met een professioneel geschoold iemand te gaan praten. Die zal je helpen om van jezelf te gaan houden, om goede vriendjes te worden met jezelf. Met name zal dan blijken dat je veel negatiever of slechter over jezelf denkt dan nodig is. Een voorbeeld ter verduidelijking:

25


Jeroen kwam schoorvoetend binnen. Noemde zich ongedisciplineerd en lui, omdat hij niet hard genoeg studeerde. Iedere keer als hij een boek ter hand nam, kon hij zich na vijf minuten al niet meer concentreren en ging dan maar wat anders doen. Ik kon aan hem zien dat hij daar erg mee zat, het heel graag anders wilde. Ik kon hem dus met de beste wil van de wereld niet 'lui' noemen. Wanneer Jeroen echt 'lui' zou zijn, zou hij niet hier komen om zijn studeerprobleem op te lossen, maar nu heerlijk op zijn rug aan een Spaans strand liggen. De kwalificatie 'lui' is nogal agressief en absoluut geen geschikte uitgangspositie om het probleem te onderzoeken. Dit lukt beter met een open en objectieve geest, die meer 'zoekt' dan beoordeelt. En vaak werkt het beter als iemand anders je daarbij helpt. Veel problemen, zoals concentratieproblemen, wijzen op een onderliggend psychisch conflict. Het is de 'wijsheid' van de geest om daar aandacht en energie voor te vragen; het wijst erop dat er iets is dat om aandacht vraagt. Dan is er tijdelijk te weinig energie om je op je studie te concentreren. Als je achter je boeken zit en heel vaak denkt: "eerst nog even de plantjes water geven, eerst nog even de kat op mijn schoot, eerst nog even de krant" vat dit dan op als een symptoom van je geest die om meer ruimte vraagt. Je kunt naar een adequate vorm zoeken om deze ruimte te gebruiken, zonder je direct schuldig te voelen. Als je toch al bijna niet studeert naar je eigen idee, krijgt de tijd dat je iets anders doet een 'schuldige' kleur. Alles staat dan paradoxaal genoeg juist in het teken van 'studie'. Het strenge en agressieve 'lui' kun je beter kwalificeren als: je wilt te overspannen blijven studeren zodat je je onvoldoende 'schuldloze' vrije tijd gunt en je evengoed geen studieresultaten boekt. Of: je gunt jezelf onvoldoende ruimte om een onopgelost conflict tot een oplossing te brengen. In bovenstaand voorbeeld over Jeroen kun je zien, hoe een probleem kan worden herlabeld door er anders naar te kijken. Door met een therapeut te praten, verliezen de monsters op jouw weg naar jezelf hun dreiging. Negatieve zelfkritiek en angst verminderen. Het eindproduct is een spontaan aardig iemand die echt is en meester over zichzelf. In een therapie kun je geleidelijk aan leren om je aan verwachtingen van anderen en de therapeut te onttrekken en jezelf te blijven onder diens ogen. Hij helpt je te leren vertrouwen op je eigen gedachten. Als je die niet meent te hebben, kun je de ruimte leren nemen, om ernaar te luisteren in jezelf. Iedereen heeft namelijk eigen gedachten en emoties, die borrelen vanzelf op als we het gevoel hebben daarnaar te mogen luisteren door er de tijd voor te nemen. Wanneer je denkt schuldig te zijn aan je eigen problemen, is de stap om in therapie te gaan extra moeilijk. Schuldig ben je niet aan de ontstaansgeschiedenis van je valse zelf. Dat werd in een noodsituatie geboren waar het niet goed mogelijk was jezelf te zijn. Wees er trots op dat je nu de verantwoordelijkheid in eigen handen neemt, door hulp te zoeken bij het oplossen. Dan vind je de ‘parel boven elke prijs’. Het is de garantie voor contact met de levende creatieve bron in jezelf. Het is je oorspronkelijk gezicht. Het contact ermee is met geen pen te beschrijven. Het is het eigenlijke doel van therapie. Het vrijwaart je niet van verdriet en pijn, maar het doet je wel ten volle leven. Het maakt je weer spontaan. Het is het contact met de bron in jezelf; je voelt je echt omdat je leeft. Niet dat dit er dan altijd is, maar je kent het bestaan en je weet hoe je er weer contact mee kunt maken, zodat je het ook kunt uithouden als het tijdelijk onbereikbaar lijkt.

26


Theoretische achtergronden. De metaforen die in het bovenstaande gebruikt zijn, kunnen in gesprekken verhelderend werken. Het gedachtegoed van Winnicott (1965) over de capacity to be alone vormt een goed denkkader. Evenals de nieuwere theorieën (Stern 1986) die de oorspronkelijkheid van het ware zelf al in de eerste maanden benadrukken. Gezond is een kind dat onder de ogen van de moeder zichzelf kan zijn. Hun relatie is een ‘sprankelend spel’ tussen twee zelven. Als de moeder even weg is, staart een gezond kind niet de leegte in, maar realiseert zich dat het zelf blijft ademen en zich kan vermaken. In de overdracht (het gevoel naar de therapeut) zal bij iemand die te angstig is om zichzelf te zijn, veel ‘vals zelf’ geëtaleerd worden. De cliënt zal zijn ware zelf goed verbergen. Soms lijkt het op verstoppertje spelen. Dit uithouden en zich niet laten verleiden ongeduldig of geïrriteerd te raken, vereist vaak een hoge professionaliteit. Hij gaf al een slap handje bij het binnenkomen. Ik vroeg wat - het was de vijfde sessie -. Ik kreeg gekreun, zuchten te horen, ik zag van alles in hem gebeuren, maar ik kreeg geen antwoord. Ik zei dat ik nieuwsgierig was wat er van binnen gebeurde. “Ja”...zei hij,,,”misschien,,, ik weet het niet”. Ik voelde een grote woede in mijzelf opkomen, hij verbrak steeds contact. Ik realiseerde mij, dat dat nu precies zijn probleem was, en dat zijn afweer het verspreiden van mist was, dat deed hij al twintig jaar.. Die zat waarschijnlijk ook als watten in zijn hoofd. Waarom? Eigenlijk vond ik hem behoorlijk (passief) agressief. Dat moest ik eerst maar eens proberen te accepteren. ik wilde niet in de fout van zijn vader vervallen, die altijd aan hem sjorde en porde. Vaak vragen dit soort studenten om huiswerk. Ze willen hun best doen. Ze denken dat je iets bereikt door ontzettend braaf je best te doen. Ik verbied ze dan vaak uitdrukkelijk om huiswerk voor de therapie te maken of er veel over na te blijven denken. Ik trek aan een plant die naast me staat en zeg: ‘die groeit ook niet door aan zijn bladeren te sjorren en te zeggen: hup, groeien jij. Een beetje mest, een beetje zon, bevordert zijn eigen groeikracht’. Het contact tussen therapeut en hulpvragende student moet het doen. Hier groeit wanneer het veilig is, vanzelf het bewustzijn over wat echt en wat onecht is. Dit bewustzijn moet het ’m vanzelf gaan doen. Een student zal vaak in het begin geen stiltes kunnen verdragen. Hij zal steeds zich afvragen wat hij nu moet doen of zeggen. Langzamerhand kan hij leren dat er geen verwachtingen zijn, en dat zo de ruimte groeit om bij zichzelf te blijven, ook in de aanwezigheid van de therapeut. De oerrelatie zoals die tussen moeder en kind had moeten bestaan, kan nu ervaren worden. Er kan een vernieuwd geheugen worden opgebouwd, dat zelfs oude herinneringen gedeeltelijk kan overschrijven. De houding van de therapeut wordt geïncorporeerd. Deze student wordt nu als het ware zijn eigen goede vader of moeder. Gaat zichzelf leren begrijpen en aandacht geven en van zichzelf leren houden. Contact met het ware zelf is gemaakt. Sommige therapeuten maken van stiltes een wedstrijdje: ‘ wie kan het langste stil zijn’. Een dergelijke krachtproef perverteert het contact. Een therapeut kan ook contact maken zonder alle initiatief over te nemen. Hij kan bijvoorbeeld vragen ‘zit je er goed bij voor jezelf’, of ‘ gaat het een beetje’ enzovoorts. Wanneer een student vage klachten heeft, die deze nauwelijks verwoorden kan, is de vergelijking tussen het valse zelf en het ware een verhelderende. Iemand die niet goed in zijn vel zit, gaat zich naar voelen, beetje depressief, moe enzovoorts. Een uitleg over het ware zelf, wordt vaak direct herkend. Het probleem krijgt dan een kader, en een richting. Een dergelijk

27


houvast kan bijzonder prettig zijn. Het probleem is nu herkend, heeft een naam, er lijkt een oplossing mogelijk.. . Monsters die het contact met het ware zelf verhinderen, zijn talrijk. Technieken die hen zichtbaar kunnen maken, verhelderen hier het theatre of the mind. Zo kan iemand als op een monitor zijn eigen innerlijk landschap beschouwen. De inhoud van de negatieve zelfkritiek kan expliciet gemaakt worden. (“ Ik ben altijd stom, saai, lastig, stel me aan”). Ik schrijf deze inhouden altijd op het bord in de bewoordingen van de student zelf. Door te vragen naar hoe die stem klinkt, en of dit een vrouwelijke of mannelijke stem in het hoofd is, wordt er ook een historische situatie zichtbaar. ‘Dat zei mijn moeder altijd’. Vaak komen we ook invloedrijke profetieën tegen die plechtig ontkracht moeten worden om ze van hun gif te ontdoen. Veel vrouwelijke studenten is vroeger wijsgemaakt: ‘ jij als meisje bent dom’. Ook positievere profetieën kunnen ontwrichtend werken op een persoonlijkheid doordat ze valse wegen doen inslaan. ‘Jij wordt professor’ kan jarenlang belastend werken. Het loslaten van een zogenaamde roeping heeft menig mens lang dwarsgezeten. Maar ook ‘jij bent de intelligentste’ kan iemand in een soort woede en tegenafhankelijkheid brengen. Iemand kan weigeren om nog te studeren: ‘want ik ben ook nog iemand anders en dat ziet niemand’.

28


29


5.1 HET AANGAAN VAN INTIEME RELATIES

Zo beeldschoon was zij, alsof ze was geboren zonder haar ouders. (Haiku, anoniem).

Een van de betere dingen die je kan overkomen tijdens je studietijd is dat je verliefd wordt. Opeens is er iemand die jij lief vindt, of mooi, of gezellig, iemand die jou ontroert. En tot je verbazing blijkt dan soms dat die ander het ook prettig vindt bij jou in de buurt te zijn. Je wordt stralend aangekeken, de ander draalt, blijft en loopt niet zomaar bij je vandaan. Je hebt een relatie. Je beleeft je lichaam, ontdekt gevoelens, wordt meer mens. De voorhanden schoonheid van de wereld zie je dan ineens; je loopt lichtvoetig, regendruppels worden tot zilveren parels. “In mijn lichaam heeft zij plaats gemaakt voor twee”, zingt Frans Halsema. Toch blijven mooie dingen niet altijd vanzelf bestaan. Daarom beschrijf ik in dit hoofdstuk enkele veel voorkomende moeilijkheden, die jonge mensen in relaties ondervinden.

Een relatie is als een brug tussen twee zelfstandige peilers. Hoewel het prettige van een relatie nu juist gelegen lijkt te zijn in de versmelting en het niet meer alleen, kan dit samenzijn slechts gewaarborgd blijven, wanneer er ook een bepaalde afstand verdragen wordt. Beginnende relaties zijn doorgaans vol rozengeur en maneschijn en zijn daarom een geliefd onderwerp van romantische liedjes. Maar de stelling kon wel eens veel waarheid bevatten, dat naarmate de verliefdheid dieper is, er later grotere problemen kunnen optreden. De verklaring voor deze paradox is dat twee mensen aanvankelijk heel veel aan elkaar beleven en daarom te veel van elkaar verwachten, hetgeen ze op de langere duur niet kunnen blijven waarmaken. Relaties veronderstellen een bepaalde mate van zelfstandigheid van de beide partners, en die heb je op deze leeftijd vaak nog onvoldoende. Relatieproblemen worden vaak veroorzaakt doordat iemand nog niet tot een werkelijke zelfstandigheid gekomen is. Een gezonde relatie kan gezien worden als een brug tussen twee redelijk autonome peilers. De peilers hangen niet van ellende tegen elkaar, ze staan stevig op eigen grond, op enige afstand van elkaar: het zijn volwassen peilers (figuur 1). Ze zijn niet al te afhankelijk van elkaar. Om het wat deftig te zeggen: afstand is een dimensie van een gezonde relatie. Poëtisch gezegd naar Kahlil Gibran (1976): "een eik en een cypres kunnen niet in elkaars schaduw groeien". Strikt genomen hebben partners elkaar niet nodig. Een relatie is een luxe, maar wel heel waardevol

Partner A

Partner B

gelijkwaardige maatjestrelatie

Figuur 1: twee redelijk autonome mensen (A en B)

30


Veel relatieproblemen ontstaan niet omdat mensen afstand van elkaar nemen, maar juist het tegendeel, omdat partners te veel in elkaar verstrengeld raken of blijven. Ieder mens heeft onvervulde behoeftes. Zijn ze erg intens, dan verwijzen ze meestal naar basisbehoeften, die nodig waren om het kind tot ontplooiing en zelfstandigheid te brengen (zie het volgende hoofdstuk). Wanneer specifieke basisbehoeften niet vervuld zijn in de kindertijd, dan zou je wel graag willen dat je partner die vervult. Vanuit dit 'kind-niveau' hoop je dan, dat je partner als een vader of moeder voor je zal zijn. Dat betekent dat je hoopt dat je partner altijd voor je klaar staat, aan een half of geen woord genoeg heeft om je te begrijpen, je steunt, adviseert of veiligheid biedt. Je projecteert dan behoeften op je partner, ziet deze niet reëel meer als maatje, maar als een vader of moeder. In het begin, als je verliefd bent op elkaar, wil je partner je dit alles wel geven, maar als de relatie wat langer duurt, wordt hij reëler en blijkt de partner ook eigen behoeften te hebben, die niet altijd gelijk op lopen met de jouwe. Dan ontstaat ruzie, of de eerste frustratie. Dan is het niet alleen handig om daar over te leren praten, maar het is allereerst noodzakelijk jezelf te leren begrijpen, zodat je niet je partner stelselmatig de schuld van de ruzie in de schoenen behoeft te schuiven. Dat laatste is een heilloze weg, die jezelf op den duur alleen maar krachteloos maakt. Onderstaand schema kan haar diensten bewijzen, om een relatieprobleem ter hand te leren nemen (figuur 2).

Partner A ouderfunctie

Partner B ouderfunctie

maatje

maatje

kind

kind

Figuur 2: Meervoudige niveaus in de relatie tussen A en B. De horizontale lijn is het evenwaardige ‘maatjesniveau’ van figuur 1. De schuine pijlen echter voegen projecties naar elkaar toe. Onverwerkte gevoelens uit de kindertijd zijn er de oorzaak van dat in de partner iets van een vader of moeder wordt gezien.

Veronderstel: jij bent partner A en je hebt een partner B. De lijn die van linksbeneden naar rechtsboven loopt, vertegenwoordigt het aspect van je relatie, waarbij je de vervulling van onvervulde basisbehoeften van je partner (B) verwacht of eist. De lijn die van rechtsbeneden naar linksboven loopt, is het aspect van een relatie waarbij een partner onvervulde kinderlijke behoeften op jou projecteert. Soms is de ene partner kwetsbaar of heeft het even moeilijk, soms de ander. Er moet een beetje een evenwicht komen. Natuurlijk is het zo dat partners wisselend deels elkaars onvervulde basisbehoeften kunnen vervullen of elkaar daarmee in contact kunnen brengen. Dat is een van de betekenissen die mensen voor elkaar kunnen hebben. Maar ze kunnen ze nooit tot de bodem oplossen of vervullen.

31


Vreemd gaan Er komen nogal eens studenten langs die over ‘vreemd gaan’ in hun relatie willen praten; ze willen het fenomeen begrijpen en erover praten hoe ze ermee om moeten gaan. De jongere generatie heeft strenge normen op het gebied van trouw in relaties en voor hen is ‘vreemd gaan’ vaak een schokkende ervaring. Hoe die te plaatsen? Het is pijnlijk om een diepe intieme ervaring met een ander mens gehad te hebben, waar het samenzijn soms voor het eerst zo diep beleefd wordt, en dan daarna vreemd te gaan of een partner te hebben die dat doet. Hulpverleners begrijpen dat ze hun eigen subjectieve normen opzij moeten zetten, maar in supervisies die ik gaf, merk ik dat ze soms weinig therapeutische handvaten hebben. Vaak is de getrokken conclusie voorbarig, dat de relatie wel niet zal kloppen omdat er vreemd gegaan is. De schema’s in figuur 1 en 2 kunnen ons hier helpen. Natuurlijk is het goed op deze leeftijd te experimenteren en ervaring op te doen met anderen. Moeilijkheden ontstaan pas bij een vaste relatie, bij ‘mijn’ vriendje of vriendinnetje. Het verlangen om vreemd te gaan in een vaste relatie, is vaak te begrijpen vanuit behoeften uit de kindertijd, waar nooit adequaat op gereageerd is, zodat er nog steeds gezocht wordt buiten zichzelf naar de vervulling ervan. Het vroegere gemis kan door een partner misschien worden aangevoeld maar per definitie niet worden vervuld. De partner is geen vader of moeder maar een maatje met eigen behoeften, draagkracht en grenzen. Wanneer mensen met onvervulde behoeften uit de kindertijd, deze niet zelf verwerken met alle boosheid of verdriet eromheen, dan zullen ze altijd blijven zoeken. Ze kunnen het geluk niet in de eerste plaats in zichzelf vinden, maar denken altijd dat het elders is. Achter de heuvels is het gras groener. Het geluk ligt in een partner, heb je die, dan in een andere partner enzovoorts. Er komt geen einde aan. Wanneer de partner vreemd gaat, hoe daar dan op te reageren? Het is vaak goed om te bepalen wat men wel en niet pikt en daar duidelijk over te zijn. Hoe wil je zelf een relatie zien, hoe wil je haar definiëren en welke grenzen trek je daarbij en wat kan of wil je verdragen. Deze uitgesproken helderheid kan de ander ook begrenzen en besef van realiteit bijbrengen. Te proberen is om over het verschijnsel samen te praten. Maar zogenaamd ‘eerlijk’ alle details vertellen kan ook een heimelijke daad van agressie zijn naar de ander of een manier om van je schuldgevoel af te zijn.

Vrouwelijke seksualiteit Hoewel seksualiteit een verrukkelijke dimensie aan een relatie geven kan, is het vaak ook een bron van verwarring en misverstand. Er is geen gebied waar mythes en dogma's zo sterk standhouden, als juist hier. Ondanks alle voorlichting verandert er weinig fundamenteel. Er blijken nog steeds intelligente, redelijk geëmancipeerde jonge vrouwen te zijn, die niet geloven in het recht op eigen vormgeving van hun intiemere erotische behoeften. Els heeft haar therapie bij een studentenpsycholoog afgesloten. Ze heeft genoeg van mannen. Ze heeft geleerd niet ten koste van alles een relatie te willen. Cliff Richard's liedje 'I lost my innocence to get some company', geldt voor haar niet meer als regel. Zij heeft geleerd haar eigen alleenzijn te verdragen. Zij heeft haar goedlachsheid terug. Ze maakt een spontane, warme indruk. Ze belt op en wil nog eens praten. Ze heeft een vaste vriend, ze geniet ervan. Maar er is wrijving ontstaan over de seksualiteit. Ze houdt van knuffelen en zoenen, maar hij wil vaker seksuele gemeenschap. Dit probleem wordt des te nijpender, omdat ze nog studeren, niet

32


samenwonen, en elkaar ook niet elke dag zien. Als ze dan samen zijn, lijkt er iedere keer ook wat te moeten gebeuren. Ze twijfelt nu aan haar normaliteit. Ze is meestal droog bij het vrijen en ze heeft niet zo vaak zin. Wat nu? Het zou een kunstfout zijn nu te gaan denken dat Els de ‘patiënt’ is en uitsluitend zij aan haar seksualiteit zou moeten gaan werken. Een betere optie is om seksualiteit als een spel te zien met spelregels. Wie bepaalt de regels? Els is spontaan, warm en sensueel genoeg. Daar mankeert niets aan. Zij zoekt alleen iets anders in seksualiteit dan haar vriend. Haar oude twijfel kwam weer omhoog, dat zij misschien weer verlaten zou worden als zij zich niet zou gaan aanpassen aan de spelregels van haar vriend. Haar lichaam geeft aan dat het spel geen rekening houdt met haar behoeften. Zij houdt meer van langer strelen, over de hele huid; voor haar voelt het eigenlijk natuurlijker aan wanneer zij elkaar een tijdje niet gezien hebben om eerst eens wat te praten, te knuffelen en te giebelen. Zij voelt zich dan meer verbonden dan in snelle orgastische acties, die meer op een solistische simulatie van de voortplantingsact lijken dan op een leuk spel samen. Het probleem van Els is niet in de eerste plaats een gebrek aan seksuele lust, maar een gebrek aan vertrouwen in het bestaansrecht van de wijze waarop zij sensualiteit en intimiteit vorm wil geven. Zij vraagt niet genoeg. Hoe komt het dat Els haar probleem niet eenvoudig opgelost heeft door met haar vriendinnen te praten? Dat lukt eenvoudig niet omdat zij denkt anders dan anderen te zijn. Haar isolement wordt in stand gehouden omdat het tegenwoordig niet meer ‘in’ is om moeilijk over seksualiteit te doen. Vroeger mocht het niet, maar na de seksuele revolutie moet het. Media hebben het beeld geschapen van de moderne bevrijde jonge vrouw, die zelf wel bepaalt wat ze wil, ook op seksueel gebied. Vriendinnen zwijgen tegenover elkaar; jongens scheppen op. Mensen maken elkaar tot op hoge leeftijd ongelukkig door niet eerlijk tegenover elkaar te zijn over hun seksualiteit. Zelden zag ik zo een spontaan open en vriendelijke vrouw als Femke. Ze twijfelde of ze misschien lesbisch was. Jongens kwamen bij bosjes op haar af, maar gingen haar altijd te snel. Ze vond het zo vervelend om dan ‘nee’ te verkopen of om ze steeds te stoppen. Er was een vriendin waar ze heel goed mee kon praten en hele warme gevoelens voor had, geen fysieke. Bij mijn navraag naar wat zij in seksualiteit zocht zei ze: “eerst komt voor mij het fijne gevoel om iemand die mij nabij komt te begrijpen en begrepen te worden; daarna komt ook het fysieke”. De primaire behoefte aan begrip was vroeger te weinig vervuld en verklaarde de affectieve gevoelens voor haar vriendin. Haar twijfel werd alleen maar in stand gehouden door haar angst om open met vrienden en vriendinnen over seks te praten, omdat ze meent af te wijken van normen die algemeen maatschappelijk aanvaard lijken te zijn.

Marian heeft steeds losse vriendjes. Dat wil ze eigenlijk niet. Of wel? Ze wordt moe van de twijfel: ze heeft dolgraag een vriend, maar ze wil ook haar vrijheid. Ze zoekt steeds stoere onafhankelijke jongens op, die haar scherpe mond een beetje aankunnen. Maar deze jongens verlaten haar na enkele weken altijd weer. Ze begint sterk aan zichzelf te twijfelen. Al haar vriendinnen hebben nu een vast vriendje. Als ze alleen op een feestje komt, denkt ze dat iedereen haar medelijdend aankijkt. Ze is in de war over wat ze nu eigenlijk wil en waarom ze steeds dit soort jongens kiest. Ze heeft een therapie bij mij al afgesloten, maar komt nu

33


terug omdat ze er zo genoeg van heeft, zo opgejaagd te leven: ze is geen moment alleen, want dan voelt ze zich eenzaam; ze is steeds maar druk op zoek naar een partner voor het leven. Daar baalt ze tegelijkertijd vreselijk van. Het blijkt dat het vooral haar moeder is die haar op haar huid zit en steeds vraagt: “waarom heb je nu nog geen vast vriendje”? Ze stelt zich daar steeds tegen te weer. Ze vindt moeder geen toonbeeld van een gelukkige vrouw in haar huidige relatie. Maar heimelijk trekt ze zich toch te veel aan van die stem van moeder. Ze houdt erg van haar moeder. Haar vader is weggegaan toen zij 7 jaar oud was. Heeft dat de twijfel aan zichzelf vergroot en kiest ze daarom jongens waar het toch niets mee kan worden? We onderzoeken deze optie samen. Heeft het wegvallen van de vader de binding aan moeder te sterk gemaakt? We brengen de symbiotische relatie die zij met haar moeder heeft, weer ter sprake. Waarom trekt ze zich zoveel aan van de mening van moeder? Zij zal zich weer beter gaan afgrenzen en meer tijd nemen om bij haar eigen gevoelens stil te staan. “Dat maakt me ook altijd rustiger”, zegt ze.

Het mannelijk verlangen Stereotiepe opvattingen over seksualiteit beperken onze mogelijkheden. Menselijke seksualiteit blijkt bij nader inzien niet alleen een drift te zijn, maar wellicht nog beter als een verlangen gezien te kunnen worden. Volgens veel seksuologen is de libido uiteindelijk niet allereerst plezierzoekend, maar vooral zoekend naar een ander, naar ‘mijn liefje, mijn lijfje’. Een intrigerende gedachte is het vermoeden dat onze seksualiteit meer is dan een hormonale drift, maar dat we ons seksueel opwinden omdat we contact met iemand willen (Schmidt 1974). Onze seksualiteit blijkt meer dan een stuurloze drift; we kunnen ons seksuele verlangen leren begrijpen en onder eigen beheer krijgen. Fisher (1973) deed onderzoek naar de motivaties van mensen om seks te willen. Er blijken er wel tachtig te zijn. Het levert veel zelfinzicht op om eens bij eigen motivaties stil te staan. Een vraag van een hulpverlener aan een student wat hij zoekt in seksualiteit levert eerst een algemeen antwoord op: “ik doe het omdat ik het lekker vind natuurlijk!”. Maar bij doorvragen komen de variaties. De ene keer wil je bewijzen dat je iemand veroveren kan, een andere keer zoek je alleen rustgevende nabijheid of wil je vastgehouden worden, een derde keer wil je plezier maken of lachen, een volgende keer wil je alleen je partner plezieren, dan weer wil je getroost worden of geaaid. Ook de huid kan tot erotische prikkeling leiden en niet alleen het kruis. Een opwinding blijkt niet per se tot een orgasme te hoeven leiden en vrijen niet per definitie tot neuken. Verlangens kunnen per leeftijdsfase, per persoon en bij dezelfde persoon per moment verschillen. Er zijn veel variaties en persoonlijk gekozen uitingsmogelijkheden. Het kan ernstig zijn of leuk, en dan weer anders. In het vorige hoofdstuk heette een paragraaf: ‘het vermogen om alleen te kunnen zijn’. Nelson (1992) paste dat toe op mannelijke seksualiteit en schreef een schitterend artikel met de titel: ‘De seksuele en spirituele belevingswereld van de man’. Mannen denken vaak dat het geluk elders is, niet bij henzelf te vinden is, maar binnengehaald moet worden. Alsof het mysterie en geheimenis gepenetreerd moeten worden in plaats dat er bij verwijld kan worden en van genoten. Om mannen iets meer opties en evenwicht te geven en het stereotiepe accent enigszins te verplaatsen introduceert Nelson hier de term ‘testiculaire mannelijkheid’. Mannen verdragen vermeende leegte slecht, zijn bang voor duisternis en voor wat nog niet direct duidelijk is, terwijl hun ballen daar gewoon maar in het donker hangen en in zichzelf al zoveel leven bergen. Soms maken we onszelf geil, omdat we het alleen zijn niet durven verdragen en bang worden van het uitblijven van een seksuele impuls. Deze wordt dan te snel gemaakt of gezocht, zonder dat op haar natuurlijke terugkeer gewacht wordt. En zonder dat van het

34


gedeelde alleenzijn met iemand, gewoon genoten wordt (Winnicot, 1965). Er wordt te ongeduldig niet gewacht. Aloys kan zijn tranen bijna niet binnenhouden. Hij komt voor een intakegesprek. Hij vertelt dat na 6 ½ jaar zijn verkering uit is. Toen zijn vriendin stage liep in ZuidAfrika, is hij een paar maal vreemd gegaan. Zijn vriendin wil meestal alleen maar knuffelen. Hij hoefde na een feestje niet op tijd naar huis, maar proefde eindelijk de vrijheid. Zijn vriendin verwijt hem dat hij nooit praat over zichzelf. Dat deden wij bij ons thuis nooit, zegt hij. Hij wil in een therapie leren over zichzelf te praten. Mannelijke identiteit is vaak fragiel, het lijkt soms dat deze gebaseerd is op een non-identiteit: je vader is er niet, je moeder wel, maar je mag niet zijn zoals zij, niet vrouwelijk, niet zacht, niet emotioneel. De identiteit is meer op een gedachte gebaseerd, dan op een lijfelijke verankering. Daarom is therapie waarbij lijfelijkheid betrokken wordt, en niet alleen op ratio wordt ingegaan, vaak zo geschikt voor mannen (Zie hoofdstuk 14). Wanneer vrouwen zo geëmancipeerd zijn dat ze hun verlangens op hun eigen manier durven vorm te geven, en van zich af kunnen praten, dan schrikken emotioneel minder ontwikkelde mannen daar nogal eens voor terug. Ze voelen zich bedreigd en denken dat elders, daarginds bij een ander, en in het seksuele hun bevrijding ligt. Alleen bij dit soort ‘verlegenheidsoplossingen’ kunnen zij zichzelf beleven. Mijn ervaring is overigens dat er in de nieuwe generatie steeds meer jongens zijn die wel een ontwikkeld gevoelsleven hebben waar zij uiting aan kunnen geven.

Mannen hebben soms een heimelijke angst voor vrouwen. Wanneer angst bespreekbaar gemaakt wordt, verwordt hij niet tot machogedrag of wreedheid of tot zieligheid. Het verhaal van de verlamde arm: Weken lang had Mark het al aangekondigd. Hij was er bloedzenuwachtig over, maar had zich voorgenomen het aan de orde te stellen als hij aan de beurt was in de groep. Hij zat te schuiven en te zuchten, het hoge woord kwam er uit. Het zou over seksualiteit gaan. Met gewone meisjes had hij geen problemen, maar nu was hij op Leontine verliefd, en als hij naast haar liep, leek zijn arm wel verlamd. Hij wilde zijn arm dolgraag om haar heenslaan, maar kon het niet. Hij was verlamd tussen twee tegengestelde krachten. Wat waren die krachten? - “ Ik zie hoe blij je wordt wanneer je er aan denkt wat je allemaal voelt en zou willen tonen!”. - “Ja”, knikt hij. “Maar ik heb mijn vader en moeder nooit elkaar zien kussen, begint hij plotseling. Ik schaam me dood bij de gedachte dat mijn moeder seksueel zou zijn, of dat mijn vader haar sexy lingerie cadeau zou doen. Ik kan me dat niet voorstellen”. Therapiesessies zijn niet om oude geschiedenissen te herhalen, maar om nieuwe voorstellingswijzen te ervaren; om nieuw synthetisch geheugen te bouwen zodat we in de toekomst meer keuzemogelijkheden voor ons gedrag kunnen ontwikkelen. Daarom vraag ik (het betreft hier een therapiesessie in een groep) of hij eens een plaatje van ideale ouders die het goed met elkaar hebben, voor zich zou willen zien? Dat wil hij en kiest twee groepsleden uit om de rol van ideale vader en moeder te spelen. Ze zitten daar, dicht tegen elkaar. - “Laten ze elkaar aankijken”, zegt hij. Hij lacht.

35


Dan stel ik voor dat zij zegt: 'ik vrij met je vader'. Dat lijkt hem goed. Maar nu wordt hij weer helemaal koud, en er komt een mist in zijn hoofd. Ik vraag wat er gebeurt. We komen niet verder dan dat het te maken heeft met wat de ideale moeder zei. Er is ergens een enorme weerstand, zegt hij. Ik vraag hoe die er uit ziet. Hij concentreert zich daar op…….. Ik zie hem zich nu terugtrekken en in een impasse geraken. Het valt mij ineens op hoe hij zijn hoofd steunt met zijn handen en zijn ogen half verbergt achter zijn vingers. Dat is in feite een interactie met zichzelf. Ik maak hem hierop attent en stel voor eens te proberen hoe het zou zijn, wanneer iemand anders vingers voor zijn ogen houdt. “O.K.”, zegt hij. Hij koos een man, die de rol op zich nam van beschermer. Deze ging achter hem staan, en tussen de vingers van de rolfiguur door begon hij weer te kijken naar de ideale ouders. Ik kon zijn gezicht niet zien achter die handen, maar ik zag wel de vorm van zijn mond veranderen. Deze ontspande, begon te krullen, en glimlachend begon hij te genieten van wat hij daar als beeld voor zich zag. Zijn hele lichaam ontspande, hij werd rustig, een genietende bijna hemelse glimlach. De weerstand moest ergens heel groot zijn, de angst voor de seksuele kracht van zijn moeder, die niets anders was dan de daarin geprojecteerde explosie- angst voor zijn eigen energieke verlangens, die nog nooit goed vorm hadden kunnen krijgen. Wat symboliseerde de mannelijke beschermer die Mark gekozen had om gefilterd naar zijn moeder te kunnen kijken? Was deze man het symbool van de vader die een zoon zijn mannelijke identiteit geven moet en de angst voor het andere wezen dat een vrouw en moeder is, kan doen wegnemen. Had Freud hier gelijk? Vaak is mij opgevallen dat studenten waarvan de vader wegging bij het begin van hun puberteit, problemen krijgen bij de ontwikkeling van hun seksualiteit. De beelden in deze sessie zouden Mark naar ik verwachte, vergezellen in de wandelingen met het meisje waar hij verliefd op was. Zou hij zijn arm dan om haar heen durven slaan?

Cybersex De bedrogen vrouw lijkt het directe slachtoffer in de porno-industire, maar op dieper niveau is het de man zelf. De pornoconsumptie is een schakel in de keten van emotionele afhankelijkheid, overspelfantasie, teleurstelling en eenzaamheid. Het is verslavend, want nooit genoeg. Je krijgt niet wat je mist, namelijk emotionele onafhankelijkheid. Met schuldgevoel wordt de afhankelijkheid in stand gehouden en daarmee de eenzaamheid waaruit de man wilde ontsnappen. Een man kan zelfstandigheid leren door het kontakt met zijn eigen interne bronnen te herstellen. Wanneer we over een 'echte man' spreken, dan verwijzen we in het spraakgebruik van onze cultuur niet meer naar de essentie, maar slechts naar de ik-functie. We bedoelen slechts 'de man van de wereld': de machtige, de geslaagde, de lichamelijk krachtige, de assertief dominante en onbuigzame. We bedoelen dus het uiterlijk vertoon, de oppervlakte, datgene waarmee hij zich onderscheidt en vooral afgrenst. Het is het harnas en het voorspelbare; het gaat niet verder dan de huid en de oppervlakte ('skin deep'). De verwijzing naar de eigenlijke inhoud ontbreekt dan, de verwijzing naar de 'binnen'- identiteit, naar de man als persoon. We spreken van persoonlijk als iemand spontaan zichzelf kan zijn, onverwacht, niet stereotiep voorspelbaar of onbuigzaam, maar wel levend, jongensachtig, intuïtief. Zelfgevoel en besef van identiteit is een innerlijkheid en meer dan alleen die buitenkant van separeren en zelfhandhaving als reactie op een omgeving. Het wordt juist gekenmerkt door 'spontaan'

36


gedrag en werkelijk 'zijn'; het is reageren van binnenuit. Het drama van de man is nu juist dat hij veroordeelt lijkt tot het uitsluitend reactie op zijn omgeving te zijn. Op het natuurlijk ingeboren gevoel van zijn organisme om zichzelf te zijn en spontaan te leven en van binnenuit te reageren, wordt een voortdurende aanslag gepleegd in naam van een vervreemdend ideaal van zogenaamde 'mannelijkheid'. De man raakt zichzelf en het contact met zijn innerlijk kwijt dat hij van oorsprong uit bezit en 'handhaaft' zich met behulp van identificaties en functionele vaardigheden. Hij raakt zijn oriĂŤntatievermogen kwijt, de samenhang der dingen; het verband met natuur en milieu, het werkelijk beleven van tijd. Hij is als de koningszoon, die vanuit het rijk van zijn Vader naar een vreemd land vertrekt op avontuur. Daar 'vergeet' hij zijn wezen; maar aan crises en aanslagen kan hij zijn krachten leren vormen, hij verliest daarbij nooit geheel het besef dat hij ergens een parel verloren heeft. Hij vindt de weg naar huis terug en wordt zelf Koning, nu meester over zichzelf en zijn impulsen, in een land waar ook vrouwen willen wonen omdat zijn mannelijke en vaderlijke macht de vorm aanneemt van een kracht, die het anderen mogelijk maakt ook op te groeien naar hun eigen wezen. We kunnen nu dus weer gaan spreken van de mannelijke ziel, het is het meest persoonlijke en spontane dat een man bezit. Deze is als een kostbare diamant waarvan wij de glinsteringen kunnen waarnemen wanneer iemand persoonlijk is en even uit zijn vervreemdende stereotypie treedt. Seksuele identiteit Jonge mensen komen nog wel eens bij studentenpsychologen met vragen over hun seksuele geaardheid. Om hier goed mee om te gaan is het handig verschillende soorten problemen te onderscheiden: 1. Gaat het om onzekerheid over seksuele identiteit? 2. Is er weerstand tegen de aanvaarding van homoseksualiteit? 3. Is de probleemformulering een versluiering van een ander probleem? 1. Sommige jonge mensen twijfelen aan hun seksuele geaardheid. Vaak is het niet zinnig om diep op die twijfel in te gaan, wanneer zij helemaal geen intieme contacten aandurven. Wanneer ze leren om ervaringen daarmee op te doen (met man of vrouw) dan lost hun probleem zich doorgaans als vanzelf op; de ervaring zal leren wat prettig is. (In de eerdere gevalsbeschrijving van Femke lag het anders. Zij durfde wel intieme kontakten aan, maar dacht dat haar seksuele gevoelens vreemd waren). 2. Het kan echter ook zijn dat iemand vanwege mogelijke maatschappelijke afkeuring of vooruitzichten, bang is zich voor zijn homoseksualiteit uit te komen. Een aanvaardingsproces kent vele opeenvolgende fasen. Het voert te ver om in dit hoofdstuk daar uitgebreid op in te gaan. Het computerprogramma dat aan het einde van dit hoofdstuk vermeld staat, levert daar expertise over. 3. In mijn praktijk kwam het echter het meeste voor, vooral bij jongens dat zij een bepaalde obsessionele angst beleven homofiel te zijn, terwijl ze dat dan meestal niet zijn. Obsessionele angst wijst niet vanzelfsprekend op homoseksualiteit, maar versluiert vaak een ander moeilijker toegankelijk probleem. Het blijkt vaak de bliksemafleider voor een ander probleem, dat moeilijker te verwoorden is. Dit kan in een langere therapie uitgezocht worden. Obsessionele angst is een negatieve ervaring; als er van homoseksualiteit sprake is, dan is er vaak meer sprake van een positieve ervaring, een verlangen dat bij realisering als een bevrijding ervaren wordt.

37


Specifieke seksproblemen: computerondersteuning De behandeling van specifieke seksproblemen is vakwerk en valt buiten het kader van dit hoofdstuk. Computerprogramma’s kunnen echter geraadpleegd worden waarin ik mijn expertise als seksuoloog toegankelijk gemaakt heb. Er is een ondersteuningsprogramma voor hulpverleners: Sexpertise Professional (Sommeling 1992). Terwijl de hulpverlener zelf de baas blijft wordt hij geholpen de juiste vragen te stellen. Ook krijgt hij feedback op zijn vooronderstellingen en meest gemaakte fouten. Geholpen wordt problemen aan te pakken, waarbij gedragstherapeutische programma’s kunnen worden uitgeprint en als huiswerk meegegeven. Voorbeeld: bij een te nauwe voorhuid is operatie vaak niet nodig, bij vaginisme ook niet. Ook te snel klaar komen, anorgasmie en andere seksproblemen kunnen vaak binnen een beperkte tijd worden opgelost met behulp van gestructureerde oefenprogramma’s. . Ook maakte ik een computerprogramma voor studenten en ‘mensen thuis’. In spelvorm kunnen o.a. machoscores e.d. berekend worden en inzicht in eigen seksualiteit verkregen worden. Ook is er veel literatuurverwijzing en informatie over vormen van anticonceptie. Oefeningen om de meest voorkomende seksproblemen zelf op te lossen, kunnen worden uitgeprint. Dit programma (Personal Sexpertise) is jaren met succes gedraaid op introductiedagen voor studenten. Meer informatie is te vinden in bijlage B. Daar ook meer over: Sexpertise on line .Een nieuwe dienst over de meestvoorkomende seksuele problemen ontworpen door de auteur van dit boek: www.sexpertise-online.nl

38


39


5.2

Waarom studenten van ´ mannelijke´ faculteiten minder hulp zoeken .

Hoe kunnen we mannen en studenten van mannelijke faculteiten er toe brengen hulp te gaan vragen wanneer ze die nodig hebben 3. Dan hoeven ze niet te wachten totdat ze later in hun leven vastlopen. Het is ook een klacht van de moderne vrouw dat ze vaak weinig mannelijke partners vinden van hun eigen volwassen niveau.Mannen zoeken minder hulp dan vrouwen. Uit een onderzoek van ons Bureau studentenpsychologen blijkt dat mannelijke studenten hun hulpvraag doorgaans beperken tot het willen aanleren van functionele vaardigheden (Koks, 1994). Ook lijkt psychotherapie op mannen minder effect te hebben dan op vrouwen wanneer het een persoonsgerichte therapie betreft, een therapie die zich niet beperkt tot het aanleren van vaardigheden, maar de identiteit en het mannelijk zelfbesef wil vergroten.(de Bruyn, 1977; Collon, 1981). Hoe kan persoonsgerichte psychotherapie ook op mannen diepgaander effect hebben? Dit hoofdstuk is wellicht wat anders van toon. Maar vanwege het belang van dit onderwerp neem ik het toch op. Ik schreef het eerder voor een wetenschappelijk tijdschrift. Bij sollicitaties wordt vaak naar de ontwikkeling van de persoonlijkheid gekeken. Doe je er niets aan dat loop je later in bedrijven vast en ook in je relaties. Doe er nu wat aan! Het is mijn klinische ervaring dat problemen van mannen vaak een zelfde soort structuur vertonen en daarom gebaat zijn bij een specifiek focus. Dit artikel beschrijft dat focus waarbij enkele traditionele basisbegrippen ter discussie worden gesteld en nieuwe voorstellingswijzen en metaforen worden geïntroduceerd, die ik deels ontleen aan de Pesso-psychotherapie (voorbeelden van deze vorm van therapie worden door mij in dit boek beschreven. Het is een therapie die niet de vaak al zo goed ontwikkelde ratio aanspreekt, maar ook de in het lichaam gesitueerde emoties. Een goed boekje hierover vind je in de literatuurlijst: van Attekum (1997)). Deze vorm van psychotherapie heeft veel aandacht voor lichaamsbeleving, en is daarom zeer geschikt voor mannen. Ook de nieuwere kijk op het mannelijk seksueel verlangen is essentieel. Deze visie vanuit de moderne seksuologie heb ik beschreven in de voorafgaande paragrafen van dit hoofdstuk.

Het probleem van de problemen van mannen. Aan mannen beleeft de mensheid veel vreugde. Het mannelijk verlangen dat nieuwsgierig alles uitprobeert en onderzoekt, en mannelijk avonturierschap en vindingrijkheid, hebben onze beschaving gevormd. Kinderen worden al jong geactiveerd door de ondernemende en opwindende spelletjes van vaders; bij een mannelijk vaderschap kunnen kinderen zich weldadig veilig voelen en zo ontwikkelen zij durf en moed (Gerritsma, 1985). Jongens en meisjes worden voor anthologieën behoedt door een warme relatie met hun vader. Aan initiatiefrijke, snel oproepbare en energieke mannelijke impulsen, beleeft menig vrouw plezier. En mannen zelf? Voor mannen zelf is het soms handig dat zij bij tijden 'cool' kunnen zijn en hun emotionaliteit onder controle hebben; arbeidsvreugde kunnen zij beleven aan zichzelf als een intelligent diep doordringend zwaard. Feministische kritiek op mannen heeft het moeilijk, wordt overdreven of in de jaren negentig al weer uit de tijd gevonden. Psychotherapietijdschriften houden zich nauwelijks specifiek bezig met de problemen van mannen. Vrouwen schrijven over mannen; hele bibliotheken zijn er over hen volgeschreven de laatste decennia; zelden of nooit schrijft een man over zijn eigen innerlijk, soms wel over een gevaarvolle ontdekkingstocht of een eenzamen reis, of een 3

Ik heb er voor gekozen dit hoofdstuk 5.2 op te nemen in deze versie voor studenten. Het snijdt een belangrijk probleem aan. Ik schreef dit hoofdstuk eerder als apart artikel, zodat er wellicht doublures voorkomen.

40


enkele keer over zijn relatie tot vrouwen. Deze laatste vormen van mannelijke zelfbeleving staan in hoog aanzien. Bij de softe mannengroepen uit de zeventiger jaren krijgen veel mensen een laffe smaak in de mond. Maar recente Amerikaanse mannenbewegingen die 'de wilde man' in zichzelf weer willen ontdekken (Bly, 1991), dreigen naar de andere kant uit te glijden. Kortom : het is problematisch om problemen van mannen aan de orde te stellen. Het is ook geen serieuze vraag van de markt. De bewering dat zelfs feministische vrouwen uiteindelijk toch een echte macho zouden wensen, blijft een verwarrend misverstand. Natuurlijk wil iedereen graag te doen hebben met een man die zelfstandig is, krachtig, initiatiefrijk, iets van een vagebond heeft en vrolijk jongensachtig is met een vleugje branie. Het kan nooit de bedoeling zijn dat mannen softe slemielen worden of sentimentele weifelaars. Voor sommige mannen zal het doel in een therapie zijn om krachtiger te worden en meer initiatief te durven nemen. Voor anderen daarentegen om niet zo defensief rigide 'krachtig' te reageren, zo voorspelbaar stereotiep. Een boom die te strak moet staan, breekt immers in de storm. Een buigzame boom kan tegen een stootje en staat zelfstandig. Het lijkt meer de balans tussen kracht en kwetsbaarheid te zijn, die werkelijk sterk maakt. Doel van een diepergaande therapie voor een man zal zijn om hem zijn potenties te laten toe-eigenen, zodat hij ze niet uitageren moet of ze in projecties voortdurend kwijtraakt, maar in contact kan komen met zijn 'ware zelf', met zijn mannelijke ziel. De complete man is niet rigide autonoom maar wel zelfstandig en hij beschikt over variatie in zijn gedrag, met name over een goede balans tussen zelfstandigheid en intimiteit, tussen activiteit en passiviteit, een evenwicht tussen wat hij naar buiten tot uitdrukking brengt en wat hij tot binnen toe laat komen. Het is veel te simpel om te stellen dat mannen in het algemeen moeite hebben met het uiten van hun gevoelens. Analyse van de problemen van mannen moet veel dieper gaan. In plaats van hun lichaam te ervaren als een plaats waar zij met hun gevoelens in contact kunnen komen, gebruiken mannen hun lichaam hardvochtig eenzijdig als een instrument en zijn minder gevoelig voor waarschuwingsignalen van het lichaam. Mannen sterven dan ook eerder (Zij ontkennen hun klachten; vrouwen hebben die waarschuwingssignalen wel, en staan er dan ook om bekend meer klachten te hebben) (Levant, 1990). Door deze dissociatie van het lichaam, heeft de mannelijke identiteit een fragiele basis - zoals verder zal worden uitgewerkt - en leven mannen met een zo diepe onzekerheid en is hun angst zo ondragelijk dat deze alleen maar ontkend kan worden. Om zichzelf nog als levend te kunnen ervaren, zoeken mannen uit verveling soms sterke, gevaarlijke en oorlogszuchtige impulsen (Adams, 1989; Chapman en Rutherford, 1988). Het lijkt er soms op alsof mannen hun oriĂŤntatievermogen kwijt zijn, omdat zij onvoldoende contact hebben met het interne feedbacksysteem van hun lichaam. Ze raken los van de samenhang der dingen, van hun verband met het milieu en het ritme der natuur; zij vervuilen de tijd in gejaag in plaats van deze te beleven. Mannen die zichzelf nog niet kennen, gebruiken anderen (meestal vrouwen) om in contact te kunnen blijven met waar ze in zichzelf geen toegang meer toe hebben. En bij deze 'intieme' toenaderingspogingen moet een man balanceren tussen nabijheid en afstand, vol angst om door nabijheid en passiviteit zijn mannelijke ziel te verspelen. De mannelijke afweer tegen kwetsbaarheid en nabijheid kan vele vormen aannemen: machtswellustige controlebehoefte en het laatste woord, passieve koude terugtrekking en isolement, symbiotische vervloeiing en onzelfstandigheid Vennix, 1989). Het wordt moeilijk onderkend dat dissociatie van eigen lichaam, vervreemding van zichzelf, gebrek aan samenhang, een karakteristiek probleem is van veel mannen.

41


Motivatie en afweer. Het is niet eenvoudig mannen te motiveren voor verandering en psychotherapie. De attributietheorie onderzoekt aan welke oorzaken mensen zelf hun problemen toeschrijven (Nissbett and Valins, 1972). De traditionele mannenrol levert hier viervoudige moeilijkheden op volgens Levant (1990). Ten eerste de moeilijkheid om te erkennen dat er een probleem is. Vervolgens moeite met hulp vragen. Ten derde gebrek aan vaardigheid om een pijnlijke emotie als zodanig te erkennen. Tenslotte angst voor intimiteit. Bij de dienst studentenpsychologen van de Rijksuniversiteit Groningen, waar ik lang werkte, melden zich duidelijk minder universitaire studenten van 'mannelijke faculteiten'. En als ze zich aanmelden, dan doen ze dit vaak (te) laat: hun studieachterstand is dan hoog opgelopen. Een natuurkundestudent meldde zich met studeer-problemen. Hij haalde alleen nog maar onvoldoendes voor tentamens en kon daar slechts de conclusies aan verbinden: 'ik kan het niet, ben dus niet geschikt voor deze studie, want te dom'. De moeder van de student was vorig jaar overleden. Hij kon zich nu slecht concentreren. Maar het verband tussen deze gebeurtenis en de onvoldoendes werd door de student niet gelegd en aanvankelijk ook niet begrepen. Hij dacht dat hij dom was, ofschoon hij op zijn eindexamen vier tienen had behaald voor de exacte vakken. De mannelijke leefwijze wordt door maatschappelijke normaliteit ondersteund. Het levert angst op wanneer de problematiek in de belevings- en niet in de functionaliteits-sfeer zou blijken te liggen. Universitaire mannelijke studenten melden zich vaker met functionele (studeer)-problemen, de vrouwelijke studenten meer met emotionele en contactuele problemen. Bij de Rutgersstichting begon in de negentiger jaren een interessante verschuiving in aanmeldingsproblematiek te ontstaan: melden zich vroeger uitsluitend mannen met dysfunctionele klachten - 'het apparaat is kapot' - , tegenwoordig komen er steeds meer mannen met belevings-problemen (zoals 'geen zin'-klachten). Pollack (1990, p.319-320) roept psychotherapeuten die mannen in therapie hebben op tot grote empathie. Met name moeten therapeuten begrijpen dat wat therapie voorstaat, en de wijze waarop zij haar begrippen definieert, dwars ingaat tegen wat mannen belangrijk vinden voor hun zelfgevoel. Mannen schamen zich hun gezicht te verliezen; zij zijn zich er meestal niet bewust van hoe hun krachtig engagement emotioneel heel koud kan overkomen en in wezen een construct is dat afhankelijkheid verraadt aan een geĂŻntrojecteerd zelfideaal', dat bij aantasting tot diepe angst en disoriĂŤntatie kan leiden. De vele vormen van afweer, overdracht (en tegen-overdracht) die het gevolg zijn van deze schaamte, zijn door Osherson en Krugman (1990) uitvoerig beschreven. Zij wijzen er ook op hoe de wijze van zitten recht tegenover de therapeut en het oogcontact, anders is dan wat mannen gewend zijn met elkaar of vroegen met hun vader deden (of misten): samen en naast elkaar ergens mee bezig. Karakteristieke afweerpatronen en psychodynamiek van mannen in gemengde groepen werden beschreven door Collon (1981) en Sommeling (1991). In de groepen die zij samen leidden, ontwikkelden zij een therapeutisch focus dat ook mannen in beweging bracht. Een man bevindt zich aanvankelijk meestal in de zogenaamde 'wachtkamerpositie': hem mankeert niets, maar er is iets mis met zijn partner (die wanneer deze vrouw is, in het begin vaak geneigd is de rol van schuldige probleemdrager op zich te nemen ( fase 2). Hierna vinden de vrouwen elkaar in een massaal 'neen' (fase 3). In slechte relatietherapie blijft het hier vaak bij: de vrouw wordt assertiever, de man blijft bokkend achter en therapie voor hem persoonlijk heeft geen effect. De verwarring voor mannen is in deze fase gigantisch. De verleiding is groot om geijkte machopaden te betreden en hiermee de immense angst bij dreigend verlies van symbiose te ontlopen. Mannelijke hulpvragers kan duidelijk worden dat

42


zij met een 'wachtkamer-positie' tevens de oplossing van het probleem uit handen geven, en dat dit doorgaans een symptoom is van de algemene neiging (en het karakteristieke mannelijke verlangen) om te denken dat de oplossing, het geluk, het heil, altijd elders en buiten henzelf gelegen is . Mannen kunnen leren inzien hoe ze daarmee zichzelf stelselmatig ontkrachten en aan zichzelf voorbij blijven lopen. Motivatie voor verandering wordt zo tot eigen keuze. Een specifiek therapeutisch focus, dat ook op mannen effect kan hebben, is meervoudig samengesteld. Er moet aandacht zijn voor de psychodynamiek en specifieke afweerpatronen. Maar daarnaast moet het focus ook een visie bevatten op de balans tussen zelfstandigheid en intimiteit, op het mannelijk verlangen en op ziel en lichaam van de man. Deze onderdelen worden vaak onderbelicht; ze komen nu afzonderlijk aan de orde. Zelfstandigheid. Een zelfstandig werkend organisme is niet een strak afgegrensd geheel, maar is begonnen en wordt voortdurend in stand gehouden door een contact en uitwisseling met de omgeving. Zonder doorlaatbare huid gaat het organisme dood; zonder een balans tussen wat het organisme van buitenaf als voedsel opneemt en wat het uitstoot, kankert het voort. Identiteit is op te vatten als 'I-density', een verdichte vorm van georganiseerde materie met een ik-grens, de huid. Soepele identiteit heeft permeabele grenzen. Kracht en expressiviteit zijn de beweging naar buiten; kwetsbaarheid en receptiviteit de beweging naar binnen. Zij behoren in een balans te zijn die voortduurt, want identiteit is geen eindpunt en intimiteit geen doorgangsfase. Ze kunnen niet zonder elkaar; het zijn geen tegenstellingen; ze begunstigen elkaar. Ook blijven ze in wisselwerking: wij zijn niet eerst afhankelijk en later zelfstandig, of eerst emotioneel en dan later rationeel, of eerst teder en later sterk. In de media worden mannen vaak afgeschilderd als zeer krachtig en succesvol, of als enorme tobbers; het evenwicht is moeilijk of niet interessant. Door velen is het klassieke concept 'autonomie' onder kritiek gesteld. Het woord 'zelfstandigheid' lijkt geschikter. Het concept 'autonomie' vertegenwoordigt een voorstellingswijze van een eenzijdig mannelijke cultuur uit voorbije eeuwen, een afspiegeling van het mannelijk ideaal van onafhankelijkheid, afgrenzing en 'selfsupport', bereikt door beheersing over emoties en door het uitsluitend gebruikt van de ratio (Seidler, 1988, p.299). Het is de man die zich zijn eigen wetten stelt (auto-nomos). Het weerspiegelt de mythe van de geslaagde zakenman of politicus, degene die in het openbare leven succes heeft, omdat hij lang geknokt heeft met een doel in de verte, het nu bereikt heeft ten koste van zijn emotionele leven, en unilateraal macht uit oefent en zijn gezicht niet meer mag verliezen. Het is de modernere versie van het fallocratisch ridderrijk met torens die tot in de hemel rijken, met zwaar bewaakte grenzen en ophaalbruggen. Het concept 'autonomie' klopt als psychologisch begrip niet omdat het valse polariteiten niet meer overstijgt, het verbindt niet afhankelijkheid en onafhankelijkheid; emotionaliteit en rationaliteit worden erin gesplitst, en tederheid en sterkte vinden er geen elkaar voortdurend versterkende balans (Pollack, 1990). Dit zijn geen valse polariteiten. Autonomie, opgevat als afgegrensd eindpunt, kan nooit het doel zijn van een psychotherapie voor mannen, omdat het hier in wezen een pseudo-autonomie betreft. Werkelijke zelfstandigheid is een emotionele stabiliteit die op een evenwicht en een balans berust. Het contact, die fijnzinnige balans tussen binnen en buiten, leidde oorspronkelijk tot de geboorte van de psychologische identiteit. Het was een vrouw die liet zien dat er nog meer gebouwen staan in het autonome mannelijk land dan alleen de fallische torens. Magaret Mahler (1975) relativeerde de Freudiaanse nadruk op de seksualiteit en de oedipale fase ; zij begon eerdere fasen in de ontwikkeling te bestuderen en beschreef het belang van meer basale

43


behoeften. De psychologische identiteit is geen autonoom afgesloten en vastliggend gebied, maar een kern omhuld door een permeabele grens. Deze grens is een levend en wisselend membraan dat regelt wat naar binnen komt en wat naar buiten gaat, een balanssysteem. In een lijfelijk proces vol motoriek, contact en functieplezier wordt gezocht naar de 'optimale afstand' tussen het zelf en de objectieve wereld daarbuiten. In de verschillende wijzen waarop meisjes en jongens deze ontwikkelingsfasen doorlopen, ligt volgens Chodorow - zoals bekend - de verklaring van het feit dat mannen in het algemeen zo een voorkeur ontwikkelen voor een sterk afgegrensd ego en zo een moeite hebben met intimiteit: om zichzelf als mannelijk te definiĂŤren moeten zij een scherp afgesneden separatie ontwikkelen ten opzichte van de eerste vrouw (de moeder) in hun leven. Het betreft hier niet alleen een interpersoonlijk, maar ook een intrapsychisch gedrag, want ook de vrouwelijke waarden in zichzelf moeten daarbij door mannen ontkend worden. Vrouwelijke waarden zijn intuĂŻtie, gezelligheid, verbondenheid, lijfelijkheid en haar ritme, circulaire herhaling op dezelfde plaats in plaats van het mannelijk verlangen naar altijd elders. Mannelijke identiteit is doorgaans daarom zo wankel omdat zij van oorsprong gegrondvest is op negatieve identificaties. Zij wordt aangeleerd door afgrenzing tegen emotionaliteit en hechtende verbondenheid. Nelson (1992) gaat nog verder door te stellen dat gangbare mannelijkheid ook te veel een negatieve identiteit is omdat deze gefundeerd is in mannelijke vervreemding van het lichaam, want voor hetero-seksuele mannen zijn het vrouwen en homo's die bij uitstek het lichaam symboliseren. De man heeft wel een lichaam, maar gebruikt het later vooral instrumenteel. Hij is minder zijn lichaam, hij is minder lijfelijk, en daarom is zijn zelfbesef minder geankerd en moet het teveel 'van tussen zijn oren' komen. Er is een voortdurende dreiging aan de zwaar bewaakte grens. Niet alleen het gevaar dreigt van buiten, maar ook het geluk en de bevrediging komen niet op natuurlijke en vanzelfsprekende wijze van binnen uit. De mannelijke penis is een instrument om een geheim binnen te dringen en te exploreren dat volledig buiten hemzelf gelegen is. Mysterie en geluk is voor de man per definitie altijd daarbuiten; het is moeilijk voor hem voeling te houden met de geheimen die in hemzelf besloten liggen. De lineariteit, de hardheid, de overtuigde wijze waarop de onvolprezen erectie op zijn doel afgaat, zij zijn allen belangrijk voor het mannelijk begrip van de werkelijkheid. Harde feiten betekenen meer dan zachte in de prestatie-maatschappij. Aan de zachtheid van de penis (de meest voorkomende toestand) gaan onze metaforen voorbij. De testikels zijn een plaats van incubatie, een kwetsbare kiemplaats. De testikels zijn symbool van geduldig wachten - zij 'hangen' daar zo maar wat. Zij bergen een genetisch boeket in zich dat ons verbindt met de gigantische bloemenweide van geslachten voor ons. Zonder onze actie en machtsuitoefening groeit het leven vanzelf verder; wij zijn in een geheel opgenomen en behoeven niet bang te zijn voor duisternis en dood en samenhang. Deze bijna spirituele waarden worden niet meer opgenomen in de mannelijke identiteit, die daardoor incompleet blijft. Zoals we in de volgende paragraaf zullen uitwerken, blijft het mannelijk verlangen hierdoor onrustig buiten zichzelf op zoek of eigent het zich met geweld toe wat het zelf denkt te missen.

Het mannelijk verlangen en haar illusies. Niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen is het vaak uiterst moeilijk om zichzelf als zelfstandig te beleven. Zij blijven vaak een voortdurende symbiotische reactie op hun omgeving: zijn gezellig wanneer hun partner gezellig is; domineren om controle te houden; worden boos wanneer hun partner boos is; eisen aandacht. Mannen wonen na een scheiding vaak (te) snel weer samen. Almaas (1988) zet helder uiteen waar de oorsprong ligt van het zo vaak aangetroffen wezenlijke gebrek aan zelfstandigheid van mannen, van die moeite tot heldere contacten, van die verwarrende onbalans tussen de behoefte aan symbiose en controle en het afzetten en zich

44


terugtrekken. Negatieve vervloeiing ontstaat als angst, als verdediging tegen de gevoelde separatie aan het einde van de derde subfase van het separatie-individuatie proces ('practicing period')- vooral bij kinderen die in de symbiotische fase veel frustratie hebben opgelopen. Maar deze vervloeiing hoort in deze fase niet meer thuis; het is ook niet altijd precies nabijheid dat het kind dan zoekt: vaak is waargenomen dat de moeder beschikbaar is en open voor contact, maar dat het kind ontevreden blijft, negatief contact zoekt totdat de moeder geĂŻrriteerd en boos wordt. Hiermee is het kind erin geslaagd zich tegen de separatie te verzetten door een soort, nu negatief, vervloeiingskontakt opnieuw te herhalen. In dit soort frustraties is een kind zich niet meer bewust van individuele grenzen. Het is het gekissebis dat men kan waarnemen tussen volwassen partners: niet duidelijk is meer wie er begonnen is, en wie er nu precies kwaad is. Het gevoel van frustratie is een lichamelijk gevoel: zo pijnlijk dat het bijna niet direct te voelen is (Almaas beschrijft het als een soort droge hitte, een onderhuidse prikkeldraadachtige rusteloosheid, men wil krabben en kan niet bij de jeukplek). Het is een feite een contractie van de zenuwuiteinden, gevolg van een niet-ontladen spanning in het organisme, van een te hoog opgeladen spanning in het autonome zenuwstelsel. In het contact moeder-kind werd de ontlading van de spanning voor het eerst gevoeld, een bevrediging waarbij de zenuwenuiteinden zacht aanvoelen alsof ze vriendelijk gebaad worden in zachte honingachtige vloeistoffen, een diepe relaxatie. Aanvankelijk werd de toegang tot 'het zijn' (de 'Merging Essence') slechts mogelijk gemaakt via de ervaren vervloeiing met de moeder. De illusie van mannen is, dat zij denken dat deze diepe relaxatie ook nu nog alleen maar mogelijk is via de ander, de vrouw. Hier ligt de oorsprong van de talloze illusies van mannen (figuur 1) en van de eenzijdigheid van het illusoire mannelijk verlangen, dat de vervulling altijd daargĂ­nds en buĂ­ten zichzelf denkt te vinden. Hier ligt ook de oorsprong van het conflict dat vele mannen in hun leven vaak maar slecht kunnen oplossen: nabij en intiem zijn zonder de angst hun eigenheid te verliezen. Theoretisch is dit dilemma alleen maar op te lossen, wanneer men ziet dat een mens van oorsprong een zelfstandige identiteit heeft die in de ervaring van Zijn haar fundament van zelfbesef vindt (wordt in de volgende paragraaf nog nader uitgewerkt). Ook Irigaray (1987) wijst er op dat mensen van oorsprong zelfstandig zijn. Zij bekritiseert de vaak zo verheerlijkte symbiose. Irigaray wijst erop dat het een sprookje is dat er oorspronkelijk alleen verwevenheid tussen moeder en kind zou bestaan. Van de allereerste oorsprong af heeft een mensenkind al een eigen kern. De uniciteit, de eigenheid van een wezen, bestaat volgens moderne biologen, al vanaf het begin. De placenta dient om de foetus te behoeden voor afstoting, om te voorkomen dat het moeder-lichaam haar natuurlijke neiging volgt om het aan haar wezenlijk gifvreemde, te verwijderen. Voor Irigaray is de placenta daarom de metafoor voor de scheiding tussen twee entiteiten; zij bekritiseert daarmee de traditionele bewondering voor de symbiotische begin vervlochtenheid van moeder en kind. Dit ideaal van de vrouw als moeder is de pendant en tegenpool van de man als autonoom wezen; het zijn twee kanten van dezelfde medaille, die elkaar in onze cultuur in stand gehouden hebben doordat ze zo mooi op elkaar leken te passen. De autonome man als verdediger, doordringer, als de jager die er op uit trekt; de vrouw als de thuiswachster naast het theelichtje, behoedster, de passieve, de verzorgster.

45


Figuur 1: Viervoudige mannelijke illusie met betrekking tot seksualiteit:1. de weg zelf is niet van belang;2. het geluk is op de top;3. de solofase voert tot eenheid (n.b. in de fase ervoor is er meer interactie!) 4. het komt tot ons via een ander. Het mannelijk verlangen uit zich vaak seksueel; wanneer het zich als eisend voordoet, dan worden nog steeds haar aanspraken door velen als 'natuurlijk' en biologisch gefundeerd gezien en daarmee zijn ze in een machtsspel opgenomen: ze zijn dan gelegitimeerd en onveranderbaar. Modern seksuologisch onderzoek (Dekker, 1987; Everaerd, 1977) ziet seksuele opwinding echter niet meer als een onstuurbare loutere 'geslachtsdrift', maar meer als een samenspel van hormonen en de interpretatie van ervaringen. Sociale context, cognities, attitude en gedrag kunnen als variabele van menselijke seksualiteit bestudeerd worden. Het gaat niet louter meer om een drift, maar om een seksueel verlangen dat vorm gegeven kan worden, waar men meester over kan zijn en dat kwaliteit kan verkrijgen. Het menselijk seksueel verlangen is niet in de eerste plaats plezier- maar vooral objectzoekend (Fairbarn, 1952). Onze seksuele opwinding ontstaat volgens Schmidt (1974) niet zozeer omdat wij seksueel opgewonden zijn, maar wellicht andersom: wij winden ons op omdat wij contact willen (interactioneel of eventueel met een intern gerepresenteerd object). De eerder geciteerde Nelson spreekt dan ook over het belang voor mannen om te wachten en Winnicot bedoelt dit, lijkt me ook, waar hij spreekt over de angst die we kunnen voelen wanneer we geen contact hebben en geen impuls ervaren; we behoeven deze impuls niet te creĂŤren maar kunnen zonder angst wachten: 'Wanneer iemand in staat is om alleen te zijn in tegenwoordigheid van een andere persoon die alleen is, dan is dat op zichzelf een ervaring die van geestelijke gezondheid getuigt. Gemis aan id-spanning kan angst oproepen, maar het integreren van het tijdsaspect in de persoonlijkheid, stelt het individu in staat om te wachten op de natuurlijke terugkeer van idspanning en te genieten van het gedeelde alleen zijn' (Winnicot, 1965). Voor Jansen (1990) lijkt in de seksindustrie de bedrogen vrouw het directe slachtoffer, maar op dieper niveau is het de man zelf. De pornoconsumptie is een schakel in de keten van emotionele afhankelijkheid, overspelfantasie, teleurstelling en eenzaamheid. Het is verslavend, want nooit genoeg. Je krijgt niet wat je mist, namelijk emotionele onafhankelijkheid. Met schuldgevoel wordt de afhankelijkheid aan de moeder in stand gehouden ('negative mergence') en daarmee de eenzaamheid waaruit de man wilde ontsnappen. Waarom zijn sommige sexsymbolen -houd ik mannen wel eens voor - zo aantrekkelijk voor vrouwen? Over zo een sexsymbool uit de jaren tachtig, William Hurt, zeggen vrouwen: Hij kijkt naar je en hij ziet je en tegelijkertijd is hij bij zichzelf. Zelf verklaart hij dit geheim als volgt: 'Lang geleden ontdekte ik dat ik alleen ben, niet dat ik eenzaam ben, maar wel fundamenteel alleen'. In een citaat van D.H. Lawrence (1927):"... Zo moet het zijn, een reis apart, in dezelfde richting. Klamp de beide schepen aan elkaar vast,

46


sjor ze zij aan zij bijeen, en de eerste de beste storm zal ze verbrijzelen". Een man kan zelfstandigheid leren door het kontakt met zijn eigen interne bronnen te herstellen.

Met lichaam en ziel. Theoretische achtergrond. Zoeken we naar mannelijke identiteit, dan moeten we ons nu afvragen wat precies de inhoud is die identiteit, en wat we bedoelen wanneer we zeggen dat iemand echt 'persoonlijk' is .Volgens Almaas (1988) wordt identiteit verward met de ik-functie. Het 'ik' is echter slechts de grens van de identiteit. Wanneer we over een 'echte man' spreken, dan verwijzen we in het spraakgebruik van onze cultuur niet meer naar de essentie, maar slechts naar de ik-functie. We bedoelen slechts 'de man van de wereld': de machtige, de geslaagde, de lichamelijk krachtige, de assertief dominante en onbuigzame. We bedoelen dus het uiterlijk vertoon, de oppervlakte, datgene waarmee hij zich onderscheidt en vooral afgrenst .We bedoelen het instrumenteel handelen, de ik-functie, de vaardigheid waarmee hij in deze wereld opereert. Het is het harnas en het voorspelbare; het gaat niet verder dan de huid en de oppervlakte ('skin deep'). De verwijzing naar de eigenlijke inhoud ontbreekt dan, de verwijzing naar de 'binnen'identiteit, naar de man als persoon. Almaas gebruikt voor het onderscheid tussen het 'ik' en de werkelijke persoon, de volgende vergelijking: het is als de aanwezigheid van vals goud, dat verwijst naar echt goud. Het 'ik' is slechts de weerspiegeling van de echte persoon. Het doel van een therapie voor mannen, is aldus meer dan het vergroten van een stel autonome ikfuncties en vaardigheden. Versteviging van de mannelijke identiteit is hetzelfde als het verstevigen van de zelfstandige persoonlijkheid. We spreken van persoonlijk als iemand spontaan zichzelf kan zijn, onverwacht, niet stereotiep voorspelbaar of onbuigzaam, maar wel levend, jongensachtig, intu誰tief. Almaas zegt dat de objectrelatie theorie slechts het verwerven van een ik-autonomie tot doel van psychotherapie is gaan zien, omdat ze zich van oorsprong slechts bezig hield met pathologische stoornissen, die geweten werden aan het ontbreken van die ik-autonomie. Maar de geboorte van het gezonde psychologisch ik, is de geboorte van een zelfbesef en zelfgevoel; het is de ervaring van 'zijn'; het is meer dan ik-autonomie, die in wezen slechts een gedachtenkonstruktie is ('mindconstruction') en opgebouwd is uit egostaten, identificaties en ge誰nternaliseerde objectkonstantheid. Zelfgevoel en besef van identiteit is een innerlijkheid en meer dan alleen die buitenkant van separeren en zelfhandhaving als reactie op een omgeving. Het wordt juist gekenmerkt door 'spontaan' gedrag en werkelijk 'zijn'; het is reageren van binnenuit. Daarom moet dat ook het doel van psychotherapie in het algemeen zijn. Een afwezigheid, een niet-realisatie of dissociatie van de ervaring van 'zijn', en van de mogelijkheid daarvan, en een daarmee samenhangende onmogelijkheid tot gezond natuurlijk spontaan 'doen', is het meest radicale klinische fenomeen in analyse (Guntrip 1969,p.254). Guntrip benadrukt het belang van de ervaring van 'zijn' als basis van de mogelijkheid om ons te ontwikkelen tot iemand die in persoonlijke relaties 'persoonlijk' kan zijn. Hij volgt hiermee zijn leermeester Winnicot, die de mogelijkheid om te ervaren dat men iemand is ('being'), als een al aanwezige ingeboren potentialiteit van het menselijk kind ziet, die tot een meer continue ervaring ('continuity of being") zou behoren uit te groeien. Gebeurt dit laatste niet, dan is het kind niet meer dan een reactie op zijn omgeving en is in wezen 'niets' ('annihilates'). Het drama van de man is nu juist dat hij veroordeelt lijkt tot het uitsluitend reactie op zijn omgeving te zijn. Op het natuurlijk ingeboren gevoel van zijn organisme om zichzelf te zijn en spontaan te leven en van binnenuit te reageren, wordt een voortdurende aanslag gepleegd in naam van een vervreemdend ideaal van zogenaamde 'mannelijkheid'. De man raakt zichzelf

47


en het contact met zijn innerlijk kwijt dat hij van oorsprong uit bezit en 'handhaaft' zich met behulp van identificaties en functionele vaardigheden. Hij raakt zijn oriĂŤntatievermogen kwijt, de samenhang der dingen; het verband met natuur en milieu, het werkelijk beleven van tijd. Hij is als de koningszoon, die vanuit het rijk van zijn Vader naar een vreemd land vertrekt op avontuur. Daar 'vergeet' hij zijn wezen; maar aan crises en aanslagen kan hij zijn krachten leren vormen, hij verliest daarbij nooit geheel het besef dat hij ergens een parel verloren heeft. Hij vindt de weg naar huis terug en wordt zelf Koning, nu meester over zichzelf en zijn impulsen, in een land waar ook vrouwen willen wonen omdat zijn mannelijke en vaderlijke macht de vorm aanneemt van een kracht, die het anderen mogelijk maakt ook op te groeien naar hun eigen wezen. We kunnen nu dus weer gaan spreken van de mannelijke ziel (Moore, 1991), het is het meest persoonlijke en spontane dat een man bezit; het is als een kostbare diamant waarvan wij de glinsteringen kunnen waarnemen wanneer iemand persoonlijk is en even uit zijn vervreemdend automatisme komt. Bij Pesso (1991, 1992) krijgt in zijn psychotherapie deze kern weer expliciet betekenis, het is het meest levende dat wij bezitten, 'het ware Zelf' of 'ziel.' (Met 'ziel' wordt door hem niet verwezen naar het traditionele beeld van een door God ingestort gedeelte, maar naar het genetisch en neurologisch basismateriaal, waarin alle generaties met elkaar verbonden zijn en samenhangen en wier wortels verbonden zijn met de evolutie). Zoals we eerder zagen bij Almaas ,is ook voor Pesso het 'ik' de buitenkant en de vorm, niet de inhoud. Het 'ik krijgt bij hem wel een iets positievere betekenis: het geeft de buitenkant en het functionele handelen aan, terwijl de 'soul' ('being' bij Almaas) het wezen en het persoonlijke benoemt. Psyche wordt door Pesso als identiek gezien aan 'ziel' en krijgt daarmee haar traditionele betekenis terug en overstijgt daarmee de in de huidige wetenschap gewoonlijke gehanteerde maar feitelijke gereduceerde betekenis van 'functioneren van het psychisch apparaat'. De eeuwenoude Descartiaanse splitsing tussen geest en lichaam wordt in de visie van Pesso opgeheven. Hiermee wordt in de kern aangepakt waar met name mannen in een patriarchale cultuur en wetenschap aan lijden. Aandacht voor de lijfelijke kant van de ziel, voor dit gevoelde centrum in de buik en dit bubbelen en bruisen aan de oppervlakte, zal zeker in een psychotherapie voor mannen van belang blijken te zijn, omdat dit focus door rationaliserende tendensen heen rechtstreeks kan leiden tot wat van werkelijk belang is en splitsingen opheft. Hoe deze interventies over het lichaam volgens de Pesso methode door iedere therapeut ook in een gewone gesprekstherapie kunnen worden toegepast, is door Sommeling (1994) beschreven. Gevoelens worden dan beleefd ('felt sense'), behoeften gevoeld en balansen hersteld .

Het mannelijk lichaam In tegenstelling tot het vrouwelijk lichaam, staat het mannelijke heteroseksuele lichaam in onze cultuur niet in hoog aanzien (Chapman en Rutherford, 1988). Het lijkt daarmee een somber gekleed symbool te zijn van de wijze waarop de man zichzelf onderwaardeert. Het mannelijk lichaam is een functionele pakezel, is daarom in onze cultuur ook een korter leven beschoren dan het vrouwelijk lichaam, zoals we eerder zagen. Veel mannen blijken zich nauwelijks of niet bewust te zijn van het centrum van hun lichaam; de buik wordt ervaren als een gat, een leegte; er is geen gevoel en warmte in hun buik en geen contact met leven en existeren. We herinneren aan de eerder geciteerde uitspraken van Nelson (1992) dat de mannelijke identiteit zo fragiel is omdat hij op non-identiteit, op niet-lichamelijkheid gefundeerd lijkt. De verankering van identiteit zal in de eigen lichamelijkheid moeten plaatsvinden. In wezen is de mannelijke identiteit niet leeg: een houding van wachten en herontdekt contact met zijn lichaam kan aan de man interne en lichamelijke subjectieve bevredigingsbronnen openbaren. Dan hoeft zijn mannelijk verlangen niet altijd op zoek naar

48


elders, en behoeft hij zijn identiteit niet langer te ontwrichten. Aandacht voor emoties, die altijd in het lichaam te voelen zijn, en aandacht voor geduld en wachten en onderzoek naar werkelijke behoeften, is van belang in een psychotherapie voor mannen. De focusing techniek van Gendlin en de lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso betrekken het lichaam bij de therapie. Gendlin (1981) waarschuwde er voor dat een gesprekstherapie het gevaar kan lopen op een louter intellectueel niveau te blijven hangen. Dit gevaar is zeker groot bij rationaliserende mannen. Wanneer het alleen blijft bij uitbreiding van inzicht, dan kan dat zich zelfs tegen je keren, omdat het denken gebruikt kan worden om het voelen af te weren en het praten om het ervarene in te perken. Voor Gendlin (1981, 1984) is het lichaam het onbewuste, waarbij dit onbewuste niet topologisch in de diepte verborgen ligt, niet als verdrongen psychische inhouden, maar als afwezige lijfelijke proceswijzen, als een onvolledig, vernauwd of gestold ('frozen wholes') ervarings-proces. Voor Gendlinianen is dan ook Het lichaam in psychotherapie (Depestele, 1986) en voert het tot gevoelde betekenis ('felt sense). Ook voor Pesso weet het lichaam principieel waarheen het wil en wat het van iemand nodig heeft. Hij spreekt letterlijk van het 'lichaamsgeheugen': de student kan door de therapeut in contact gebracht worden met informatie die ĂŹn de beweging en ĂŹn lichamelijke interacties ligt opgesloten en daarom gezien en ervaren kan worden: nooit uitgevoerde bewegingen en uitingen kunnen het geheugen activeren en tot doorleven van vroeger ervaren gemis brengen. Vreugde kan ervaren worden bij nog niet eerder uitgevoerde of gedurfde emotievolle bewegingen en tot het kinesthetisch plezier leiden dat identiteit formeert (zoals Mahler liet zien). De huid is het lichamelijk equivalent van de ego-grens. De mens leeft als ieder organisme in voortdurende wisselwerking met het omgevende milieu en naarmate de wisselwerking meer in orde is, leeft het meer en laat het zichzelf kennen. Het organisme duwt, zoekt richting en tegenvorm met een soort kosmische stuwing ('cosmic pressure'); het bubbelt en bruist aan de oppervlakte en de potenties van de ongeboren ziel vragen er om vorm te krijgen. Zoals we in dit artikel steeds hebben benadrukt, behoort deze kern in balans te zijn, dat wil zeggen een evenwicht te vertonen tussen expressiviteit en aan opname van wat het nodig heeft, of anders gezegd: een balans te vertonen tussen kracht en kwetsbaarheid. Een therapie voor mannen moet een visie hebben op kracht en de grensoverschrijdingen daarvan ; maar zij moet ook technieken in huis hebben om mannen te leren om te ervaren wat zij nodig hebben en hoe ze dat kunnen verwerven. Het gaat hier meestal om basale behoeften zoals: een plek, steun, afscherming en met name begrenzing of vormgeving. In een therapie voor mannen is het tenslotte van belang dat seksualiteit in concrete taal ter sprake gebracht en gehonoreerd wordt zonder haar te snel te spiritualiseren of te biologiseren. Vragen naar de seksuele motivatie blijken verrassend tot verheldering en adequater gedrag te kunnen leiden (figuur 2). Inzicht in de mannelijke mythen (Zilbergeld, 1977), in opwinding en in de desillusie van de solo-fase (figuur 1) zijn van belang. Duidelijk kan dan worden hoe mannelijke verlangens en behoeften vaak verseksualiseerd worden en hoe een man zichzelf behoorlijk kan misleiden met deze 'verlegenheidsoplossingen' (Kahn, 1983). Gevoelens uit de oedipale fase en de eerdere individuatieseparatie fase worden nog steeds door psychotherapeuten met elkaar verward: is streling niet een omlijning van de huid en daarmee van de identiteit; zijn zogenaamde erogene zones niet daarom zo plezierig omdat het de plekken zijn waar we vroeger gesteund werden. Waarom dit alles 'seksueel' blijven noemen?

49


Fl= ACKNOWLEDGEHENT AND STATUS (test to discover whether or not you're important enough for the other to be interested) F2= PROTECTION AND DEPENDENCY (securely hidden away, seeking or giving protection) F3= FEELINGS OF POWER (testing if y ou can influence circumstances the way y ou want, taking possession of the other). F4= LOVE, AFFECTION (wanting to feel that the other appreciates y ou in all aspects and v.v.) F5= PHYSICALLY WELLBEING (experience of lust, content, release of tension) F6= INDEPENDENCE (keeping your reserve, being above sexual dependency, sexualize intimate feelings) F7= THERE IS NOT ONE THING THAT ALWAYS TAKE PREVALENCE (it changes) F8= ANYTHING ELSE, NOT MENTIONED HERE F9= HE DOESN'T KNOW> HARRY CHOSE FOR YOU: ´F1´. DO YOU AGREE WITH HIS OPINION ABOUT YOU? GIVE IN A NUMBER (1 IS VERY BAD) Figuur 2: Scherm uit het computerprogramma Personal Sexpertise (zie bijlage B). A heeft zich over de vraag gebogen wat zijn/haar partner doorgaans van seks verwacht. De partner beoordeelt de juistheid van de inschatting.

Discussie. De nadruk op ratio en op verbaliteit verraadt de eenzijdig mannelijke trekken van de psychotherapie zelf. Als institutie werd zij decennia geleden uitgevonden in een toen nog patriarchale cultuur. Verschillende therapeutische scholen besteden steeds meer aandacht aan het lichaam. De nadruk op probleemgerichte psychotherapie, verraadt echter nog steeds een eenzijdig mannelijke cultuur. Mannen uitsluitend cognitieve of vaardigheidstraining aanbieden, is gemakzuchtig en verkoopt hen knollen voor citroenen. Wel kunnen vaardigheidstrainingen, mits maatschappelijk relevant, mannen een ingang bieden tot psychotherapie; deze cursussen moeten dan niet blijven steken in cognities en ophouden bij het aanleren van technische vaardigheden. In opleidingen en bijscholing zal meer aandacht besteed moeten worden aan een specifiek therapeutisch focus voor de persoonsgerichte behandeling van mannen, waarbij aandacht voor het lichaam en voor het verschil tussen ik-functie en identiteit de hoofdingrediënten vormen. Engels (1992) pleit er voor om bij instellingen iemand gedeeltelijk vrij te stellen voor methodiek- en cursusontwikkeling, de p.r. en het inspireren van vooral mannelijke collega's. Psychotherapie heeft ook een maatschappelijke taak; zij kan mannen in de ziel kijken; de structurele problematiek die zij daar aan treft, moet zij beschrijven en in relatie brengen tot de cultuur waarin wij leven. Het is niet zo dat de defensieve grens die een man vaak rond zijn persoonlijkheid legt, een uitsluitend gevolg is van een vroegere stoornis in de individuatieseparatie fase. Veel jongens (en ook meisjes) verliezen pas op de lagere school of in de puberteit hun spontane gedrag en hun gevoel voor 'zijn.' Het is de cultuur zelf die ons waarden opdringt, die vroeger wellicht van groot belang waren, maar nu sterk vervreemdend werken en ons slecht toerusten voor de eisen die relaties en een nieuwe maatschappij ons stellen. Oorlog, religie, de relatie tot werk, tot kinderen, sport, verband met milieu en werkelijke tijdsbeleving, staan in rechtstreeks verband met mannelijke waarden.

50


6 OUDERS

Je kinderen zijn je kinderen niet, Zij zijn de zonen en dochters van ‘s levens hunkering naar zichzelf. Zij komen door je, maar zijn niet van je, En hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe. Je mag hun van je liefde geven, maar niet van je gedachten, want ze hebben hun eigen gedachten. Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen, want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat je niet kunt bezoeken, zelfs niet in je dromen. (Uit De Profeetvan Kahlil Gibran).

Het zelfstandig worden en daarbij positie bepalen ten opzichte van ouders is een belangrijk thema voor jonge volwassenen. In een reeks gesprekken komen ouders altijd wel ter sprake; het is een gevoelig onderwerp. Kinderen kunnen op allerlei subtiele manieren te zeer aan ouders gebonden blijven. Veel vage klachten zoals vermoeidheid, gebrek aan levenslust en onzekerheid kunnen begrepen worden vanuit een onvrije relatie tot ouders. Soms willen studenten tijdens of na hun therapie met hun ouders over vroeger spreken. In de laatste paragraaf bespreek ik enkele veel voorkomende reactiewijzen van ouders daarop. Reacties die hun kind alsnog proberen te claimen maar ook reacties die het zelfstandig worden definitief bevestigen.

6.1 Zelfstandig worden

De schuldvraag Vanuit sympathie kunnen hulpverleners het vaak niet aanzien dat studenten doorgaans de neiging hebben om de ‘schuld’ van hun problemen volledig voor eigen rekening te nemen. Heimelijk bekritiseren studenten zichzelf doorgaans louter en alleen omdat zij een probleem hebben. Veel therapeuten willen de student dan ‘ ontlasten’ door te benadrukken dat ouders de schuld zijn van de problemen. Dat is erg ongenuanceerd. Ouders als oorzaak van alle problemen aanwijzen verdraagt zich ook niet met de diepe loyaliteit- en verantwoordelijkheidsgevoelens van kinderen. Wel kan de thuissituatie als verklaringsgrond gebruikt worden wanneer problemen diep historisch geworteld zijn. Studenten kunnen zo ontschuldigd worden. Dit is de eerste en vaak de belangrijkste stap in een therapie. Leren zichzelf niet van alles te beschuldigen. Deze hardvochtige houding, deze agressie naar zichzelf, moet omgebogen worden naar een begrijpende, meer liefdevolle houding, die een dieper onderzoek naar zichzelf tot een vreugde in plaats van een kwelling maakt. Daarom moet studenten duidelijk gemaakt worden hoe zij aan hun schuldgevoel gekomen zijn. Wanneer er geen tijd of ruimte is in een gezin voor opkomende impulsen van een kind, dan gaat dat zichzelf schuldig voelen, omdat het op die leeftijd nog geen ander referentie-kader heeft dan dat van zijn ouders. Wordt een gevoelen niet herkend of wordt er niet op gereageerd dan blijft voor een kind geen andere conclusie over dan: ‘ wat ik voel is vreemd, of raar, of 51


hoort niet’. Het veranderen van deze conclusie is het doel van therapie. Het beeld van zichzelf en van het bestaansrecht van eigen emoties is waar het om draait in een behandeling. Het gaat niet om het zwartmaken van ouders, maar om herstel van het zelfbeeld. Er bestaan per definitie geen ideale ouders, maar wel ‘goedgenoeg’ ouders. Ouders is misvorming in het zelfbeeld van het kind niet altijd aan te rekenen. Maar het kind zelf is nog minder schuldig aan eigen opgelopen problemen. Daarom maak ik voor studenten het belangrijke onderscheid duidelijk tussen niet schuldig zijn, maar wel verantwoordelijkheid nemen voor de oplossing van eigen problemen. Dat laatste doen zij nu door in therapie te gaan. Maar het is onterecht wanneer zij zich schuldig voelen over problemen in de kindertijd opgelopen.

Oefenen in afgrenzen In de loop der jaren ontwikkelde ik een stel werkzame oefeningen, die tijdens een behandeling gebruikt kunnen worden om zichzelf beter te leren afgrenzen van ouders. Vaak durven studenten geen irritatie te uiten naar een ouder, omdat ze ook van die ouder houden. Het is goed om deze ambivalentie, deze tegenstrijdigheid van gevoelens, te ontwarren. Anders krijgen ze beide niet echt een kans zich helder te uiten, het begrip niet en de irritatie ook niet. De instructie: Pak eens een schrift, en schrijf op linkerpagina’s wat je irriteert aan het gedrag van een of beide ouders, waar je een beetje boos over bent. Schrijf dat vrij op, je kunt later nog altijd kijken of je die gevoelens ook gaat uiten of niet. Maar neem de gevoelens wel serieus, ze hebben bestaansrecht, want ze bestaan. Ze zijn van jou, je mag ze voelen. Als je ze wegdrukt, komen ze vaak langs slinkse wegen terug, soms in de vermomming van symptomen als chagrijn of vermoeidheid. Iedere keer als je schrijven belemmerd wordt door je begrip voor je ouders, ga je naar de rechterpagina’s in je schrift. Daar schrijf je op wat je begrijpt van de reactie van je ouders, het zijn ook maar mensen, ze bedoelen het goed, ze hebben het al zwaar met die moeilijke zus of die nare partner, die zelf een slechte moeder had, enzovoorts, enzovoorts. Op deze wijze geef je bestaansrecht aan je gevoelens, en doven ze elkaar niet langer uit doordat ze een ambivalente mengelmoes worden. Een andere belangrijke oefening is de volgende. Eerst worden positieve en negatieve, later ook ideale aspecten van ouders van elkaar afgegrensd. Help een student om op een lege stoel de ervaren negatieve aspecten van een vader en/of moeder neer te zetten. Zeg bijvoorbeeld: “Niemand is volmaakt, ook je ouders niet. Ze hebben ook een kant die wel de ‘negatieve aspecten’ wordt genoemd. In ieder geval zijn het aspecten die voor jou disfunctioneel zijn of irritant. Benoem nauwkeurig om welke statements of gezegden of gedrag van je ouders het gaat”. Ik maak tijdens een sessie een inventarisatie in de bewoordingen van de student zelf en schrijf deze op het bord. Vaak zijn het gezegdes die in het hoofd van de gecoachte ronddolen als kritische stem: ‘je bent stom, je overdrijft altijd, je bent lui’. Ik vraag om bij die stem stil te staan, bij hoe die stem klinkt, hard, dreigend, penetrerend? Hoe ver in het lichaam kan deze stem worden gevoeld? In hoofdstuk 9 staat in een voorbeeld volledig uitgewerkt hoe met name deze non-verbale aspecten krachtig werken (zie verder uitgebreid in hoofdstuk 14). Naast de negatieve aspecten komt een stoel te staan met de ‘positieve aspecten’ van een ouder. Het blijkt iedere keer weer van belang (zelfs bij incest) om ook begrip, warme gevoelens en compassie een uitingsmogelijkheid te geven.

52


Bij deze oefening wordt nog een derde positie op een lege stoel gezet: de ideale ouder. Dat lijkt misschien wat vreemd; maar deze positie vertegenwoordigt hoe het eigenlijk had moeten zijn. Door ideale aspecten een plaats te geven, kan duidelijker op het gemis gefocused worden en kan pijn en verdriet tamelijk snel een plek gegeven worden. Het gaat in een therapie niet altijd om het uiten van agressie; dit is soms een bedekking van een behoefte waaraan vroeger onvoldoende tegemoet getreden is. Het is een behoefteonderzoek om iemand te helpen om te ervaren wat hij of zij eigenlijk nodig heeft of in principe recht op heeft. De confrontatie met de ‘ideale ouderpositie’ doet vaak pijnlijk ervaren wat iemand gemist heeft, en vaak eigenlijk nog steeds (tevergeefs) naar op zoek is bij anderen. Wanneer dit gemis van vroeger duidelijk ervaren is, krijgt het een plek en hoeft het verder geen belemmering meer te zijn bij zelfontplooiing. In plaats van ‘ideale ouders’ kan ook gevraagd worden hoe iemand het zelf zou willen als hij of zij vader of moeder zou zijn met een kind van die leeftijd in diezelfde positie. In dit boek worden verder tal van voorbeelden gegeven hoe een dergelijke sessie precies in zijn werk gaat. Functies van ouders en het begrijpen van jezelf. Sommige studenten hebben wel vaag het gevoel dat er iets mis is, maar kunnen dit niet koppelen aan het ontbreken of slecht functioneren van een ouder. Hun onvervulde diepe behoeften wordt pas ervaren en door henzelf ten volle begrepen, wanneer deze in verband worden gebracht met hoe hun opvoeding eigenlijk idealiter had moeten verlopen.. Van nature gaat zelfstandig worden meestal goed. Maar als de afgrenzing van ouders toch moeilijk is of niet lukt, komt dat meestal omdat er een aantal basisbehoeften onvoldoende is vervuld. Het kind probeert deze onvervulde behoeften alsnog vervuld te krijgen bij de ouders. Wanneer dat niet lukt dan blijft het kind zwerven, zoekt het steeds nieuwe schoten voor troost, verlangt van partners wat zij niet kunnen geven en blijft onrustig zoeken naar wat het nauwelijks kan formuleren (zie hoofdstuk 5 en ook hoofdstuk 3.2 waar expliciet over deze ‘herhalingsdwang’ geschreven wordt). Pas wanneer mensen zich deze basisbehoeften bewust worden, kunnen zij deze alsnog plaatsen waar ze thuishoorden, rouwen en vrede sluiten met wat er niet vervuld werd. Dan worden zij waarlijk zichzelf. Het is goed belangrijke basisbehoeften eens te formuleren (van Attekum, 1997). Ze geven ons zicht op de inhoud van te vervullen ouderlijke taken. De eerste basisbehoefte is letterlijk en figuurlijk een eigen plaats hebben. Eerst in de moederschoot, maar later in het hart van de ouders. Is het kind bij deze ouders ook welkom? Hebben ze de geestelijke ruimte en de tijd voor dit kind? Want het is van levensbelang dat het kind zich kan hechten aan de ouders, zich bij hen nestelen, ook als het groter wordt. Wie zich niet basaal welkom heeft gevoeld zal moeite hebben zich ergens thuis te voelen en zich later te hechten aan een ander. Iemand kan onzeker zijn over of hij wel bij een groepje hoort en ten onrechte denken dat hij daar geen eigen plekje heeft. De oorzaken daarvan kunnen heel basaal zijn. Bij voorbeeld omdat alle aandacht naar een ongelukkig zusje ging of omdat iemand gepest is op de lagere school. Dit laatste komt bij studenten nogal eens voor. Is er dan van huis uit weinig zelfgevoel ontwikkeld, of onvoldoende opvang, dan gaat het soms mis.

Zij sprak met de kat. Zij wilde dat haar ouders haar huiswerk zouden overhoren. Deze namen daar geen tijd voor, en werden steeds door alles en nog wat afgeleid. Zij werd steeds onzekerder. Toen zette zij de kat boven aan de trap. Ze ging zelf op de onderste trede zitten. Zij sprak tegen de kat haar spreekbeurten hardop uit. De kat luisterde.

53


Toen spitste de kat haar oren en werd net als de ouders afgeleid. De kat stapte op. Weg was de kat..

Het welkom aan een kind strekt zich ook uit tot de lichamelijkheid. Stoeien, knuffelen zijn basale functies die niet alleen in de kleutertijd nodig zijn. De oedipale trots van het lichaam, het pronken en het spel van de verleiding vinden hier hun basis. Het is mij vaak opgevallen hoe storingen in de seksualiteitsbeleving optreden wanneer een vader in de puberteit weg viel. Het is alsof een moeder en vooral een vader het besef van eigenheid en vrouwelijkheid in een dochter kunnen funderen. Angstige vaders knuffelen hun dochters later niet meer, uit angst voor verkrachters te worden uitgemaakt. Aan het soms te stoere, grote lichaam van vrouwelijke studenten is vaak een geschiedenis verbonden van een afwezige vader of moeder wiens plaats zij zijn gaan innemen. Jongens ontberen in de puberteit soms de vader als identificatiefiguur. Wanneer zij alleen met de moeder achterblijven, hebben zij later de grootste moeite zich tegenover een vrouwelijke partner af te grenzen en hun mannelijke ziel te bewaren.

Michiel was een boomlange jongen die helemaal gebogen liep omdat hij vroeger gepest was. Op de dorpsschool was hij vroeger de intelligentste; daar kon de rest niet tegen. In een groepstherapie kreeg hij een eigen plek, hij begon zich er thuis te voelen omdat ze hem accepteerden zoals hij was. Hij kreeg meer zelfvertrouwen en durfde toen bij een basketbalclub te gaan. Aanvankelijk ging hij voor iedereen opzij, maar een jaar later ging iedereen voor hem opzij. Michiel was rechtop gaan lopen en genoot van zijn lijf en zijn kracht.

Een tweede basisbehoefte is voeding. Het gaat niet alleen om voedsel, maar ook om lijfelijke voeding van de identiteit. Door aanraking gaat de baby zich meer als een afgegrensd zelf beleven. De streling van de ouder is letterlijk een omlijning van de identiteit: 'dit ben jij'. Ook als het opgroeit moet het kind symbolisch 'gevoed' worden: het moet bemoedigd worden zodat het zich later de moeite waard vindt om zichzelf goed te verzorgen. Sommige studenten 'maken' iets van hun maaltijd ook als zij alleen zijn: een gedekte tafel, een glaasje wijn, een opgeruimde kamer. Zij verzorgen zichzelf, hun lichaam, hun kleding. Anderen besteden er veel minder aandacht aan, eten met het bord op schoot tussen de troep. Op geestelijk gebied kunnen literatuur en kunst belangrijk symbolisch voedsel voor mensen vormen. Verwaarlozing van deze zorg voor zichzelf kan optreden wanneer de basisbehoefte aan voeding vroeger werd gefrustreerd. Bij een nooit aflatende behoefte aan lichamelijk contact, verwarring tussen seksualiteit en affectiviteit en een sterk gevoel van leegte kan 'voeding' het sleutelwoord zijn om problemen in hun oorsprong te begrijpen. Je zou de hardnekkige vreetbuien bij bulimiapatiĂŤnten kunnen zien als een inadequate poging om zich zelf te troosten, letterlijk de leegte te vullen, omdat de echte behoeften te weinig gevoeld dan wel tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Katrien had ouders die altijd veel van haar hielden. Vanaf haar veertiende had ze een vast vriendje. Ze begon vreetbuien te krijgen, en kotste daarna alles weer uit. Ze snapte de oorzaken niet. Ze vond het vervelend dat haar ouders zich zorgen maakten over haar; ze vond het vervelend voor haar vriendje want ze had nooit zin om te vrijen. In een langere therapie ontdekte zij, hoe jong ze eigenlijk was, en hoe leeg ze zich voelde, onzeker en angstig. Door

54


erover te (mogen) blijven praten, begonnen haar groeistoornissen zich langzamerhand op te heffen en op een dag was daardoor het eetprobleem als 'vanzelf' verdwenen. Een derde basisbehoefte van een mens is bescherming tegen de buitenwereld. Komt er teveel op te jonge leeftijd op een kind af, dan kan het dit niet verwerken. Ouders behoren aanvankelijk een soort beschermende paraplu te vormen tegen de angstwekkende buitenwereld. Traditioneel gezien is dit vooral de functie van de vader. Het valt me steeds weer op, zoals ik al eerder schreef, hoe bij zwaar piekerende jongeren die alles onder controle willen houden, er vaak sprake is van een afwezige vader. Als ouders problemen hebben of een ouder verdwijnt kan deze beschermende functie niet voldoende worden vervuld en bestaat de kans dat het kind in een voortdurende alarmfase gaat verkeren. Met name bij studenten die veel piekeren lijkt dit het geval te zijn. Ze stonden er op te jonge leeftijd alleen voor, waardoor alle zorgeloosheid verdween en zij zelf voortdurend alles onder controle moesten houden. Leo is ver gevorderd in zijn studie, maar de allerlaatste tentamens willen maar niet lukken. Het bleek eigenlijk geen studeerprobleem te zijn, maar angst om zelfstandig de maatschappij in te gaan. Wanneer je afstuderen niet wil lukken dan ligt bovengenoemde angst daar vaak aan ten grondslag. Alsof je onbewust een goed tentamenresultaat saboteert. Er was sprake van een piekerend onvermogen om problemen te relativeren en los te laten en om vrolijk de toekomst als wenkende uitdaging te zien. Leo voelt zich nog niet zelfstandig genoeg; hij vindt het zo fijn om eindelijk ergens bij te horen (studentenvrienden, een vereniging) en durft daar nog geen afstand van te doen.

Er is nog een primaire basisbehoefte die niet vaak genoemd wordt: begrenzing. In eerste instantie is begrenzing vooral aandacht. Kinderen die alles maar mogen, voelen zich verwaarloosd. Ze worden onbegrensd en verward in teveel mogelijkheden. In het zoeken naar een sleutelwoord, dat definieerde wat het precieze probleem was, viel het me op in de eerste gesprekken dat Frits opvallend open met zijn benen zat. Niet begrensd, en bepaald, alsof aan alle kanten alles binnen kwam, en alle mogelijkheden werden opengehouden. Ik vroeg aan hem of ik mocht zeggen wat mij opviel. Dat vond hij prettig omdat het als aandacht ervaren werd. Begrenzing, aandacht, niet kunnen kiezen, bleken woorden die een goede focus leverden voor wat eerst een wazig probleem leek.

Een kind moet ook zijn krachten kunnen meten aan zijn ouders. Juist in de begrenzing kan eigen kracht vorm krijgen en ervaren worden. Een robbertje stoeien, een beetje plagen. De ouder moet tegen een stootje kunnen. Dat geeft een kind permissie om alles wat het voelt, aan agressie, verdriet en hartelijkheid ook te kunnen uiten. De ouder valt dan niet om. Het kind leert zichzelf en eigen krachten kennen. Het hoeft zich niet in te houden omdat er geen bodem voor haar verdriet zou zijn Het kind kan op de schoot van moeder letterlijk die bodem voelen. Het kind hoeft zich niet in te houden omdat vader bij boosheid niet direct in de verdediging schiet, er niet tegen kan of gemeen wordt. Kinderen die deze begrenzing te weinig ervaren hebben, kennen een zogenaamde explosieangst. Zij kunnen later nog wel bedenken dat zij zich in principe best eens boos mogen worden op hun vriend, maar zij durven het niet. Zij zijn bang dat als ze boos worden, ongelukken maken, of dat iemand gekwetst raakt. En bij verdriet houden ze het in omdat ze denken :’ als ik eenmaal begin is er geen einde meer aan’. Bij een

55


alcoholische vader, een zieke of gestorven moeder, bij scheidende ouders, valt de ouderlijke functie van begrenzing vaak weg. Sterke kinderen - waar dit boek merendeels over gaat – zijn dan snel geneigd in het ontbrekende gat te springen. Ze gaan daarbij hun positie en wat ze zouden kunnen, overschatten. Het ‘drama van het begaafde kind’ wordt dan gevormd. De begrenzing wordt niet meer gevoeld en daarmee verdwijnt het bewustzijn dat de positie van een kind beperkt is. Als kind kun je geen vader of moeder zijn, kun je niet bemiddelen tussen je ouders of voor hen zorgen. Alles heeft zijn tijd en zijn plek. Als ouders problemen hebben, of afwezig zijn of ruzie maken dan hebben jonge begaafde mensen, nogal eens de neiging om hun moeder of broertjes en zusjes te beschermen. Maar hun schouders zijn daar nog niet sterk genoeg voor. Ze draaien het universum op hun kop: ze gaan vaderen of moederen over hun eigen ouders. Ze kunnen zich daardoor heel speciaal gaan voelen. Omnipotente gedachten komen snel op: ik kan alles aan, ik moet de wereld redden. Zulke mensen zijn vaak de praatpaal voor hun vriendinnen en vrienden. Van dergelijke sterke mensen moet de wereld het hebben, zou je kunnen zeggen. Maar de keerzijde is dat ze overbelast raken, te ernstig worden en speelse kinderlijkheid hebben afgeleerd. Ze kunnen vaak moeilijk over hun eigen gevoelens praten. Vaak zijn deze mensen zich zo eenzaam gaan voelen dat 'helpen' een manier is geworden om zich goed te voelen. Over dit 'drama' van begaafde kinderen kun je in een ander hoofdstuk uitvoeriger lezen . Froukje was nooit begrensd. Haar angst om boos te worden was zo groot, dat ze deze tegen zichzelf keerde. Ze verwondde zichzelf vaak. Ze had suïcideneigingen. In een therapiegroep volgens de methode van Pesso (hoofdstuk 14,4) werd zij begrensd. Zij volgde haar neiging om zich te verwonden, maar haar handen werden stevig vastgehouden, zodat zij tegen zichzelf in bescherming werd genomen. Deze begrenzing maakte diepe indruk op haar; omdat zij deze beleefde als een aandachtige zorg voor haar. Er werd een eerste stap gezet om haar omnipotente onbegrensde identiteit tot normalere normalere afmetingen terug te brengen. Ten slotte zij nogmaals opgemerkt dat het hoogst zelden voorkomt dat aan alle basisbehoeften voldaan wordt. Niemand van ons is volmaakt opgevoed. Een 'goed genoeg' moeder of vader is voldoende. Ouders herkennen niet altijd alle behoeften van hun kinderen. Deze behoeften gaan dan 'ondergronds', omdat een kind niet herkende behoeften 'vreemd' gaat vinden, zich er schuldig over voelt en er bang van wordt. Wanneer we volwassen worden ontdekken we wie we zijn, eigenen we ons toe wat bij ons past en hoort, en ontwikkelen we de eigen vader en moeder in onszelf.

Nieuwe theorie vol optimisme Basale behoeften die door ouders vervuld zouden moeten worden heb ik hierboven beschreven. Aandacht voor deze aspecten geeft ook beter toegang tot nieuwere therapeutische inzichten. Nieuwere therapeutische stromingen zijn optimistischer over mogelijk herstel van schade die in de jeugd is opgelopen. Vooral het ontwikkelingspsychologisch onderzoek van de groep rond Daniël Stern (1985) is interessant. Recent onderzoek met behulp van geavanceerde computers heeft het mogelijk gemaakt om de autonome kracht van de hersens als betekenisverlenend systeem te ontdekken. Ervaringen kunnen worden opgedaan als: “toch zijn er mensen die mij kunnen begrijpen”, “niet alle mensen blijken onbetrouwbaar”. Deze ervaringen kunnen als een soort synthetisch nieuw geheugen een betere oriëntatie op het bestaan opleveren. Met behulp van latere met een therapeut opgedane emotioneel-corrigerende ervaringen is het mogelijk een vroeger opgedaan gemis gedeeltelijk te compenseren. De vader en moeder in zichzelf kan zo ontdekt worden.

56


En ouderlijke functies zoals aandacht of begrip kan iemand zichzelf grotendeels leren geven. Er is dus reden voor optimisme! Overigens maakt Stern duidelijk dat de autonome eigen kracht van de hersens al na vier maanden tot een eigen bewustzijn leidt en het begin van identiteit. In een gezond contact is dan al te bewonderen wat Stern beschrijft als een ‘sprankelend spel tussen twee zelven’. Hij bekritiseert hier enigszins de verheerlijking van de innige moeder-kind relatie, die Mahler (1975) beschreef als voorwaarde voor de psychologische geboorte van de baby. Te grote samenvloeiing met moeder ziet Stern als een pathologisch toevluchtsoord voor de overbelaste zuigeling wiens eigenheid voortdurend wordt geblokkeerd door een ouder. Een organisme groeit ook deels van nature naar zelfstandigheid. Jonge vogels vliegen het nest uit. De eerste stapjes die een gezonde peuter zet, zijn niet naar de ouder, maar de wereld in. Beter dan het woord ‘losmaking’, geeft ‘terugwinnen van eigenheid’ dan ook het proces aan dat in dit hoofdstuk beschreven wordt.

Met je ouders praten over wat er vroeger fout ging? Soms krijgen studenten in een behandeling het verlangen met hun ouders te gaan bespreken wat er vroeger fout ging. Soms is het een volwassen verlangen en werkt het goed. Vaak loopt het ook op een grote desillusie uit, want ouders zijn niet per definitie meeveranderd en reageren dan op dezelfde wijze als vroeger, die je juist ter sprake zou willen brengen. Soms is het nodig om genoegdoening te krijgen. Maar vaak is het helemaal niet nodig om jaren later met ouders te praten over toen. Er is een onderscheid tussen gevoelens ervaren en ze tot een performance brengen. Dat zijn twee verschillende stappen. De eerste stap is het belangrijkste. Vaak is het voldoende en helend wanneer je van jezelf mag voelen dat je kwaad bent, van top tot teen, en dat dit een gerechtvaardigd gevoel is waar jij je niet schuldig over hoeft te voelen, maar dat echt helemaal van jou is. Op deze wijze maakt iemand zichzelf heel. En gaat hij of zij voor zichzelf als een moeder of vader worden: zichzelf begrijpen, alles in zichzelf ruimte gevend. Stap twee is een andere stap, onderscheiden van de eerste, en deze stap behoeft niet noodzakelijkerwijze ook gezet te worden. Hij bestaat eruit om je emoties naar iemand niet voor je te houden, maar ze ook te uiten en te bespreken. Besloten moet worden of deze tweede stap kans van slagen heeft; het is niet altijd diplomatiek en soms onmogelijk. De desillusie die daar dan bij hoort, kan in een therapie dan worden doorgewerkt. Het willen praten met ouders over vroeger kan ook duiden op een nog niet uitgewerkte afhankelijkheid die losmaking in de weg staat.

6.2 Reactie van ouders op kind in therapie Hoe moeten ouders reageren wanneer een kind dat nu volwassen is, wil praten over wat vroeger in zijn ogen fout ging. Een moeilijke situatie vaak. Dit kan zo pijnlijk voor ouders zijn, dat zij alles wat gezegd wordt, ontkennen. Maar bij deze ontkenning wordt er - wellicht net als vroeger - wéér niet geluisterd naar wat het kind dwarszit. Een ouder is dan alleen maar bezig met zichzelf, zich verdedigend zonder aandacht voor wat het kind beweegt. Als wij als ouders onze kinderen willen helpen zich van ons los te maken, dan zouden wij ons moeten afvragen hoe wij het hen moeilijk maken daarmee. Op welke subtiele wijze houden wij hen vast. Soms blijven ouders een kind onbewust aan zich binden. Alsof zij het kind zelf nodig hebben om hun eigen leven vulling en zin te geven. Waarom heb jij je mobieltje niet aan. Je

57


vader kan wel een hartaanval krijgen (Een moeder). Wanneer een student door therapie inzicht krijgt in patronen die verstrengelen en met een ouder orde op zaken wil stellen, dan zou deze ouder in eerste instantie vooral moeten kunnen luisteren. Pas als gevoelens zijn uitgesproken en alles gezegd is, kunnen kinderen zich waarlijk losmaken van ouders en hun eigen weg gaan. Dat is de natuurlijke weg. Dan klaren pijnlijk heimwee, verwarrende schuldgevoelens en onduidelijke loyaliteit waardoor zij zich niet los durven of kunnen maken van ouders, vanzelf op. Ouders kunnen hen daarbij helpen door straight de gesprekken te voeren die kinderen met hen over vroeger willen hebben. Zo krijgen kinderen de eigenheid terug die ze van oorsprong in hun eerste levensmaanden al hadden maar tijdens hun opvoeding kwijtraakten. Wanneer ouders niet naar een kind kunnen luisteren, zal een kind ook zijn eigen weg moeten gaan; alleen is de moeite en strijd om zelfstandig te worden dan veel groter. Een veel voorkomende reactie zoals schuldbewust het ouderlijk hoofd buigen, bemoeilijkt het gesprek ook zeer. In schuldgevoelens over vroeger blijven hangen, is een begrijpelijke menselijke reactie. Niemand is volmaakt en niemand kan situaties volledig overzien, ook toen niet. Het verleden is een gepasseerd station. Daarom hebben verwijten aan zichzelf over vroeger geen zin, ze zijn in wezen destructief, want liefdeloos naar zichzelf en vroeger is voorbij. Ouders zouden eerst diep in zichzelf moeten afdalen en zichzelf bijna plechtig vergeven. Dan komt innerlijke ruimte vrij om te luisteren naar hun kind en het niet meer te belasten met eigen schuldgevoelens. Wanneer een kind zijn ouders ziet lijden, vindt het dat als regel heel erg, want het houdt van zijn ouders. Deze diepe liefdesgevoelens die een kind voor zijn ouders heeft worden vaak niet gezien. Uit een Japanse haiku: Vader en moeder hebben mijn hoofd gestreeld en ze zeiden samen: Veel geluk, veel geluk! Hoe kan ik hun stem vergeten? Ziet het kind zijn ouder pijnlijk getroffen het hoofd buigen en zich aan alles schuldig verklaren, dan voelt het kind zich al gauw bezwaard. Het houdt verder zijn mond, het wordt hem -wellicht voor de zoveelste maal - heel moeilijk gemaakt om zich te uiten. Hoewel het misschien in tegenspraak lijkt met het voorafgaande: het is wel van wezenlijk belang dat de betreffende ouder verantwoordelijkheid neemt (hetgeen iets anders is dan onder te gaan in schuldgevoel) voor fout gedrag. Het kind moet alsnog erkenning krijgen voor de moeilijkheden en verwarringen die het toen ondervond. Benoemd moet worden dat het kind dingen niet ‘fout’ zag en dat zijn verwarring en pijn wel degelijk gerechtvaardigd waren. Het moet alsnog erkenning krijgen en zijn zelfbeeld daarmee ten diepste corrigeren. Geldt het belang van deze erkenning in alle gevallen wanneer een kind zijn verleden een plaats wil geven, dan zeker bij ernstige vroege problematiek zoals mishandeling of incest. Er is nog een vaak voorkomende problematische ouderlijke reactie denkbaar. De ouder wijst het kind schijnbaar realistisch op eigen verantwoordelijkheid. Sommige ouders vinden dat een kind volwassen is en niet meer alle schuld van psychische problemen op hun bord moet blijven schuiven. Zij vinden dat niet fair en een voorbeeld van onvolwassenheid. Volgens mij snappen ze dan niet echt waar het hun kind om te doen is. Kinderen hebben van nature de neiging om zichzelf de schuld van alles te geven. Gaat een ouder weg, dan denkt een kind dat het zijn schuld is (“mijn vader vindt mij zeker niet de moeite waard’). Als een ouder een emotie van een kind niet begrijpt, er bang voor is, of de emotie domweg niet herkent, dan is de conclusie van het kind dat die emotie er eigenlijk niet mag zijn, ‘vreemd’ is, of ‘dom’. Het

58


gaat zich dan schamen voor die emotie en hem verstoppen. Het is goed voor een student om later die emotie als nog te leren uiten vanuit zichzelf. Het is immers een eigen emotie en waard om onder de mensen gebracht te worden. Misschien wil het kind dat nu volwassen is, wel oefenen met het uiten van die emotie, nu naar die mensen waarmee dat het moeilijkste is, zijn ouders. Ouders zouden dat moeten valideren, erkennen, bijna zegenen en luisteren. Het kind neemt de verantwoordelijkheid voor eigen leven serieus ter hand door moeilijke dingen te overdenken en uit te voeren. Het is daarbij niet bezig ouders de schuld te geven. Het snapt best dat ouders niet ideaal zijn en soms zelf onmachtig. De ouderlijke reactie tegen een kind om nu eens ‘flink’ te zijn – zoals in de vorige alinea besproken – is een van de meest voorkomende reacties van ouders. Het is een begrijpelijke ‘fout’, omdat hij uit bezorgdheid lijkt voort te komen. Ouders zeggen vaak al tegen een kind op jonge leeftijd dat het ‘flink’ moet wezen, niet moet ‘zeuren’, en dwingen het vaak met straf en harde hand om te studeren ‘uit angst dat het anders lui wordt’. Als er volgens mij iets niet helpt, dan is het dit wel. Ik heb veel studenten een onbewust verzet tegen studie zien opbouwen, omdat ze vroeger steeds achter de broek gezeten werden en dat er alleen maar naar cijfers geïnformeerd werd. Enorme woede kan er loskomen bij een student in therapie, die erachter komt dat hij niet gewaardeerd werd om wie hij zelf was, maar alleen op zijn prestaties. Een dergelijke houding van ouders is wel te begrijpen vanuit bezorgdheid en omdat ze het wellicht zelf vroeger niet breed gehad hebben, maar het is een houding die niets oplevert, integendeel zelfs. Ouders kunnen regelrecht kwaadaardig zijn. Zij kunnen hun eigen pathologie botvieren op hun kinderen. Zij kunnen later hun eigen kinderen manipuleren door hun financiële bijdragen in te trekken of te korten, als het niet gaat zoals zij willen. Zij kunnen een kind de ruimte om te studeren en zichzelf te ontwikkelen, niet gunnen. Zij kunnen de studiekeuze van hun kind afkraken. Zij kunnen de eerste echte en persoonlijke keuze van een kind - een eerste vriendje of vriendinnetje - belachelijk maken. Zij kunnen hun kinderen gebruiken als scheidsrechter in hun relatiegevechten. Het zenuwstelsel van een kind verkeert bij dergelijke onveiligheid in een permanente alarmfase. Ouders kunnen een kind voor het leven ongelukkig maken en op dwaalwegen brengen door het te etiketteren of te bestoken met krachtige profetieën; ‘Jij bent een slet’; ‘jij hebt het in je om paus te worden’. Ouders kunnen een meisje op het verkeerde been zetten door uitsluitend haar lievigheid en schoonheid te prijzen of haar vermeende dikte af te kraken. Zij kunnen jongens voorgoed de lust tot studeren ontnemen, door alleen van hun intellectuele prestaties gecharmeerd te zijn. Zij kunnen al hun aandacht op een zorgenkind richten en niet zien dat hun andere kind hen nu alleen nog maar met brave zoetigheid wil plezieren. Uit cijfers van het CBS blijkt dat er steeds meer jongeren thuis blijven wonen. Omdat dit makkelijk zou zijn. Op een studentenkamer is geen afwasmachine. De telecomapparatuur die studenten thuis voor hun vader hadden uitgezocht, kan niet met hen mee. Over deze ontwikkelingen zal het laatste woord nog wel niet gezegd zijn. De hoogleraar pedagogiek Kohnstamm waarschuwt voor de hippe moeders, die zich als een jong meisje gaan gedragen. Ook al voelt een moeder zich nog zo jong of kleedt zij zich heel hip, zij kan per definitie niet haar dochters beste vriendin zijn. Want een moeder hoort een kind niet te belasten met al haar eigen sensaties en problemen. Dat is in strijd met de definitie van de moederlijke functie. Dan wordt de wereld op haar kop gezet, zo hoort het niet. Dan wordt losmaking heel moeilijk. De navelstreng was levengevend; wordt zij echter te laat doorgesneden, dan komt er slechts gif doorheen. Dan wordt zelfstandig worden en een eigenheid vast houden of veroveren soms een lange weg.

59


60


7 KIEZEN

O Wanderer, es gibt keinen Weg. Der rechte Weg entsteht im Gehen. (Gaby)

Dit hoofdstuk beschrijft ‘kiezen’ op twee heel verschillende wijzen. De eerste paragraaf laat zien hoe je jezelf kunt vinden door steeds beter te kiezen wat je werkelijk wilt. Maar wat te doen wanneer kiezen niet lukt? Dat kan een pijnigende kwelling zijn. De tweede paragraaf staat stil bij het verschijnsel dat voor veel mensen kiezen heel moeilijk is, zowel op studie- als ook op andere levensgebieden. 7.1 De Tao van het studeren 4 Kiezen wat je werkelijk wilt, willen wat je kiest. Na 5 jaar Portugees studeren ziet Lies er weinig heil meer in. Zij heeft nog een aantal vakken uit het 2e en 3e jaar niet gehaald, en het eind lijkt niet in zicht. Maar erger is: de studie interesseert haar niet meer. Of liever: heeft haar nooit echt geïnteresseerd. Zij wilde goed Portugees leren, maar dat bleek maar een gering deel van de studie te zijn. Zo veel vakken er omheen die haar niet echt konden boeien. Maar ja, zij had dit nu eenmaal gekozen en wist ook niet echt iets anders te doen, dus ging zij maar door. En haalde af en toe ook wel een tentamen. Maar vaker niet. Of ging zij niet. En nu heeft zij al driekwart jaar niets meer gedaan. Ook al denkt zij dagelijks: “ik moet nu beginnen. Ik moet zorgen dat ik afstudeer. Ik wil niet mislukken, en mijn ouders verwachten langzamerhand ook resultaat”. Lies zit vast. Zij kan geen kant op. Denkt zij. Maar is dat wel zo? Is de enige weg om tegen heug en meug verder te gaan op een dood spoor? Maarten is haar jaargenoot, en verkeert ongeveer in dezelfde situatie. Hij overweegt om de studie maar op te geven want wat moet hij met een vak dat hem niet meer boeit? Ook zijn ouders hebben hoge verwachtingen van hem, en de studie heeft ook al veel geld gekost. Maar toch. Hij heeft een tijd geworsteld met zijn normen: je moet afmaken waarmee je begint, het is belangrijk succes te hebben, zodat mensen je kunnen respecteren, alleen met een papiertje kom je verder in het leven…. en zo verder. Het leverde hem, net als Lies, alleen maar meer spanning op, maar geen motivatie om daadwerkelijk aan de slag te gaan. Tot in een depressieve stemming een vriend tegen hem zei: “waarom moet je eigenlijk doorgaan met iets dat je zo tegenstaat?” En die keer kon hij niet bedenken waarom. Hij keek 4

De tekst van deze paragraaf werd geschreven door Hilleke Smits, studentenpsycholoog.

61


van een afstand naar zichzelf en zag hoe ver hij van zichzelf was weggedreven, doelen nastrevend die niet (meer) de zijne waren. En tegelijk voelde hij een last van zijn schouders vallen: ik hoef niet door te gaan, ik ben een vrij mens en heb nog een heel leven om dingen in te doen die wel bij mij passen. Dit gaf hem een enorme ruimte, ruimte om opnieuw te kijken naar wat hem werkelijk interesseerde.

Het leven is, naast heel veel andere dingen, ook een aaneenschakeling van keuzen maken en op basis van die keuzen beslissingen nemen en verantwoordelijkheden aanvaarden. Als de omstandigheden zich wijzigen, als een mens nieuwe inzichten krijgt in zichzelf, als zij of hij zich nieuwe idealen stelt, op het spoor komt van nieuwe dingen, zullen soms die eerder gemaakte keuzen moeten worden bijgesteld of soms zelfs grondig moeten worden herzien. Dat is een proces dat niet altijd zonder inspanning verloopt, en ook niet altijd vlekkeloos. Maar het is wel inherent aan het leven. Zo ben je om bepaalde redenen naar de universiteit gegaan en je hebt vanuit je eigen motieven een studierichting gekozen. Toch kan het gebeuren dat je je van tijd tot tijd afvraagt of de keuzen die je hebt gemaakt, zowel voor de universiteit als voor de studierichting, nog wel geldig zijn, je nog wel bevallen, nog wel bij je passen. Hoe studeer je bijvoorbeeld? Verloopt dat moeizaam, of gaat het je eigenlijk bij een redelijke inspanning spelenderwijs af? Wat betekent de studie voor je? Is het een karwei dat noodzakelijkerwijs geklaard moet worden, of maakt het echt deel uit van deze fase van je leven? Waarom studeer je eigenlijk, en waarom studeer je juist dit vak? Was dat een bewuste keuze, die je zelf hebt gemaakt, was het toeval, maakte je die keuze bij gebrek aan beter, paste ze in de traditie van je familie, verwachtte de omgeving haar van je? En gelden de motieven die destijds tot je keuze hebben geleid, nog altijd en onverminderd? Bieden ze je nog altijd het perspectief, dat je er toen in zag? En hoe ervaar je het studeren? Is het een loden last, die je soms benauwt? Is het een bezigheid, een vak zo je wilt, dat je zoveel plezier bezorgt dat het zeker de moeite waard is en ook geen buitensporige moeite vergt er de vereiste inspanning voor te leveren? En hoe studeer je? Verloopt dat moeizaam, of gaat het je eigenlijk bij een redelijke inspanning spelenderwijs af? Wie deze vragen overbodig vindt, of wie studeren als een vanzelfsprekendheid ervaart en zich gelukkig voelt bij de gemaakte keuze voor de studierichting, zit duidelijk op de goede weg en zal daarop in elk geval geen onoverkomelijke problemen ontmoeten. Maar dat geldt, zo blijkt in de praktijk, niet voor iedereen – of niet voor iedereen op ieder moment. Voor sommigen kan de studie op een zeker ogenblik niet alleen een belasting worden, maar een last, soms zelfs een obsessie. Men voelt dat men langzaam maar zeker vastloopt, of ervaart dat men eigenlijk al lang vastgelopen is. Maar men heeft tezelfdertijd de indruk, soms zelfs de overtuiging, dat er geen keuzemogelijkheid meer is. Men is immers al zo ver gevorderd met de studie, dat het geen reÍle optie lijkt nu nog een andere weg in te slaan, een andere studierichting te kiezen of een andere opleiding dan de universitaire. Men voelt zich gedwongen door te gaan, ondanks alle frustraties, omdat men meent dat er geen alternatief voorhanden is. Men voelt zich de gevangene van een destijds gemaakte keuze, die nu om welke reden dan ook als de verkeerde wordt ervaren.

62


Maar de mogelijkheid om een keuze opnieuw te maken, is er natuurlijk altijd. Zo dat niet het geval was, zouden we levenslang de gijzelaar zijn van alle beslissingen die we ooit hebben genomen. Als je bij jezelf constateert dat je ernstige problemen hebt met het concentreren op je studie, als je uren boven de boeken kunt zitten zonder dat je er veel van opsteekt, als je het gevoel hebt dat je eigenlijk helemaal niet met je studie bezig wilt zijn, dat je jezelf er toe moet dwingen, dan kan dat betekenen dat je je er opnieuw op moet beraden of je nog wel op het juiste spoor zit. Hetzelfde geldt als je een grote achterstand hebt opgelopen in je studie. Is dat het gevolg van factoren van buitenaf? Of moet je de oorzaak toch voornamelijk in jezelf zoeken, in je houding tegenover de studie, in het gebrek aan plezier dat je eruit put, in het perspectief dat de studie je biedt. Er zijn nog duidelijker symptomen van het feit dat de relatie tussen jou en jouw studie ernstig aan het verdorren is. De angst om naar het instituut te gaan, bijvoorbeeld. Of de angst om docenten aan te spreken, die je nodig hebt. De angst om je in de kring van de medestudenten te vertonen. Het vluchten in baantjes, waardoor je het uitblijven van studieresultaten en het oplopen van achterstanden altijd kunt afschuiven op het argument dat je er zoveel naast moet doen. Als je dit soort symptomen bij jezelf waarneemt, moet je jezelf gaan afvragen of de studie niet een obsessie is geworden, een last, een doel op zich waarvan het bereiken vooral een plicht is, niet een ambitie, een ideaal waarin je je kunt verheugen. Op dat moment is het heel moeilijk om in alle vrijheid en in alle openheid te kijken naar jezelf én naar de dingen waarmee je bezig bent, de studie op de allereerste plaats. Toch moet je juist op een dergelijk ogenblik met alle inspanning proberen dat gevoel van vrijheid te herkrijgen: de vrijheid om te beslissen of je een nieuwe keuze wilt maken, die natuurlijk ook zou kunnen inhouden dat je de studie wilt afmaken. Het bewust voor jezelf scheppen van die keuzemogelijkheid, het bewust zoveel dingen, zoveel gemaakte keuzen, genomen beslissingen, aanvaarde verplichtingen, opnieuw van vraagtekens voorzien, is niet eenvoudig en kan heel bedreigend zijn. Het kan je het ellendige gevoel geven dat je hebt gefaald, tegenover jezelf, tegenover anderen: je ouders, je partner, je omgeving; tegenover docenten. Vaak komt het gevoel naar boven: “Ik ben deze weg nu eenmaal ingeslagen en dus móet ik waar ik nu mee bezig ben ook tot een goed einde brengen.” Maar moet dat werkelijk? En vooral: moet dat ten koste van alles? En wat zal dat ‘goede einde’ onder deze omstandigheden inhouden? Als je jezelf die essentiële vraag durft te stellen, kun je vervolgens een ‘checklist’ maken: Wat betekent de studie echt voor je? Waarom ben je eraan begonnen? Wie heeft je ertoe gestimuleerd? Stond je er werkelijk helemaal achter? Bleef je er ook achter staan toen je eenmaal merkte wat die studie in feite inhield? Wat vind je leuk aan de studie, waarin ligt de persoonlijke uitdaging, wat wil je er uiteindelijk mee bereiken? Wat is voor jou de essentie van de dingen waarmee je bezig bent?

63


En vervolgens vooral ook: Hoe zou het zijn als je deze studie niet deed? Hoe zou het zijn als je helemaal vrij was om opnieuw te kiezen? Wat vind je echt leuk om te doen? Wat ga je bij voorkeur uit de weg? Het vereist moed om jezelf deze moeilijke vragen te stellen; moed om eventueel te moeten erkennen dat je op de verkeerde weg bent geraakt. Het kan helpen als je er met anderen over praat: met vrienden, ouders, met docenten of met een deskundige. Het kan ook zeer verhelderend werken om je vragen en mogelijke antwoorden op papier te zetten en daar dan na een paar dagen nog eens goed naar te kijken. Het kan zijn dat je er in de loop van dit proces van overtuigd raakt, dat je destijds de goede keuze hebt gemaakt ten aanzien van je studie, maar dat het desondanks moeizaam gaat. Vraag jezelf dan eens af of dat niet ligt aan je wat al te grote ambitie om perfecte studieresultaten af te leveren, of aan de druk van het studieprogramma. Het kan zijn dat je door die ambitie vergeten bent intussen ook tijd te nemen om gewoon te leven. Om dingen te doen voor jezelf, die je leuk vindt, waarmee je andere aspecten van jezelf aan bod kunt laten komen. Studeren is niet alleen maar studeren; het is ook- en vooral- een periode van je leven waarin je je eigen mogelijkheden verkent, en waarin je daarvoor een plaats zoekt in de wereld. Het is aan de andere kant mogelijk dat je voor jezelf tot de conclusie komt dat je op verkeerde weg zit, een weg die leidt in een richting die je eigenlijk helemaal niet op wilt. Dan sta je voor de opgave een alternatief te zoeken, een alternatief waarvoor misschien je in het nu doorgemaakte proces al een aantal aanknopingspunten hebt gevonden. Misschien zie je vanaf het punt waarop je nu bent aangekomen al een ander pad dat leidt naar een doel dat je ooit zou willen bereiken. Als je niet onmiddellijk een alternatief ziet, zou je misschien in paniek kunnen raken. Het is dan belangrijk om te beseffen dat er voor iemand die zich vrij maakt van de dwang en de (als je goed kijkt vaak zelf opgelegde) verplichting om te doen waartoe zij of hij ooit had besloten, er altijd iets nieuws komt opdagen. Volgens het tao誰stische principe leven en studeren betekent dat je alleen dan met een redelijke mate van plezier bezig kunt zijn met de dingen die je te doen hebt, ook studeren, als je daar in vrijheid voor hebt gekozen. En het gaat daarbij vooral om de weg die je kiest, niet eens zozeer het doel. Wil een studie zinvol zijn, dan is het allerbelangrijkste dat je gemotiveerd studeert. En dat kan alleen als je het doet uit overtuiging en uit vrije wil.

64


7.2 Niet kunnen kiezen

Moeilijk kunnen kiezen is een veelvoorkomend probleem bij jonge mensen die studeren. Het is vaak een probleem dat zich uitstrekt over vele levensgebieden en niet beperkt blijft tot bijvoorbeeld het kiezen van een studierichting. Er wordt gewikt en gewogen. Voor en nadelen worden op een rijtje gezet. Adviezen worden overal ingewonnen. Beroepskeuzetests worden gedaan, maar het probleem van niet kunnen kiezen blijft bestaan. De reden waarom in de vijftigerjaren psychologische adviesbureaus voor studenten werden opgericht, was in de eerste plaats om hen te helpen bij het kiezen van de juiste studierichting. De psychologie in die jaren had beroepskeuzetests ontwikkeld. Deze tests zijn verder uitgebreid en verbeterd en gekoppeld aan adviesgesprekken of korte cursussen. Daar hebben velen baat bij gehad, maar lang niet iedereen. De voortschrijdende kennis der psychotherapie maakt duidelijker waarom niet iedereen geholpen is met een test of het maken van een rationele analyse van voor- en nadelen voor een bepaalde keuze. Niet kunnen kiezen op velerlei levensgebieden heeft te maken met angst en onzekerheid. Men gaat liever af op het oordeel van een ander en geeft de eigen levensrichting uit handen! Angst ontstaat als voor ‘A’ gekozen wordt, want wordt dan ‘B’ niet gemist en komt het dan ooit nog wel goed? Er wordt gedubd en gewogen. Voor- en nadelen van ‘A’ worden keurig op een rijtje gezet. Daarnaast worden de voor- en nadelen van ‘B’ neergeschreven. Terwijl men met ‘B’ bezig is, worden daarentegen nog weer voordelen van ‘A’ bedacht. Men wordt gek en wordt heen en weer geslingerd door ‘schizo-energie’ zoals iemand dat eens plastisch uitdrukte. Het maken van een keuze is eigenlijk iets merkwaardigs. Je kiest voor iets wat je nog niet kent. ‘Ik wil dokter worden’; dat wil je maar je kunt tevoren niet weten hoe het is om dokter te zijn. Voor een deel is het kiezen een gokje, een min of meer grote sprong in het duister. Kiezen is een proces dat in het algemeen niet tot stand komt op grond van louter verstandelijke overwegingen. Kiezen doet een mens ook op grond van zijn gevoel. Kiezen doe je niet alleen met je verstand maar ook ‘met je buik’. Wanneer ik kiezen moet tussen het eten van de linker appel of de rechter peer, dan kan ik verstandelijk blijven dubben tot ik een ons weeg. Voor- en nadelen kan ik blijven overwegen. Maar ik kies ‘met mijn lijf’. Ik kies ‘vanzelf’ voor de peer als ik er naar kijk en het water in mijn mond voel bij de gedachte hoe lekker die peer is. Het probleem bij mensen die niet kunnen kiezen is, dat zij niet goed in hun vel zitten. Met de uitdrukking ‘niet goed in het vel zitten’ bedoel ik, dat zij hun eigen emoties niet hebben leren vertrouwen. Sterker nog: voordat deze gevoelens of ‘zin hebben in’ opkomen zijn ze al onderdrukt. Kinderen hebben het recht om met vallen en opstaan dingen uit te proberen. Zij hebben er recht op dat hun beginnende gedachten en gevoelens serieus genomen worden. Pas wanneer een kind merkt dat er een ‘ontvangst’ is voor wat het vertellen of meedelen wil, wordt het zekerder. Dan leert het vertrouwen op een gevoel, zin of intuïtie. Hier zijn adviezen in de therapie uit den boze. Zij leveren alleen maar een herhaling van een vroegere afhankelijkheidsrelatie op en bevestigen voor de zoveelste maal in iemands leven onzelfstandigheid. Ook goedbedoelde suggesties lopen dat gevaar, hoewel de menselijkheid dit soms toch van ons vraagt. Therapeuten behoeven niet te vervallen in hun stereotiep en bij iedere vraag van een student te antwoorden met: ‘wat denk je er zelf van?’. Afgezien van het feit dat hier weer op denken een beroep wordt gedaan, wijst deze stereotiepe reactie er op dat

65


de therapeut het prangende van het probleem niet zelf voelt. In deze karikaturale therapeutische reactie ontbreekt de aanmoediging en de ondersteuning. Hoe is het dan mogelijk om iemand die gecoached wordt te helpen het contact met eigen denkkracht en voelen terug te laten vinden? Allereerst door het wanhopige van niet kunnen kiezen na te voelen en te verwoorden. Vervolgens door uit te leggen hoe zoiets ontstaan is en de student daarbij te ‘ontschuldigen’. Uitgelegd kan worden dat kiezen ook ‘op gevoel’ gaat en dat deze student vroeger kennelijk niet genoeg ruimte gelaten werd voor eigen gevoel. Sterker nog: dat ouders uit overbezorgdheid, luiheid, onbegrip of wat dan ook, niet adequaat reageerden. Een kind heeft op die leeftijd geen ander referentiekader dan de ouders en gaat dan denken: “ o dan zeur ik zeker of vertel onzin” (zie voor dit mechanisme hfdst.3 en 6). Deze negatieve kwalificaties zijn geïntrojecteerd en zorgen ervoor dat opkomende gevoelsimpulsen al gecensureerd worden voordat ze duidelijk gevoeld kunnen worden. Dan is er geen innerlijk kompas meer waarop gevaren kan worden. Dan is een eigen keuze onmogelijk. Door middel van de therapeutische relatie kan nu een klimaat geschapen worden, waarin vertrouwen in eigen gedachten en gevoelens langzamerhand kan groeien. Op een vraag van mij aan iemand die hulp zoekt en diens antwoord: ‘dat weet ik niet’, reageer ik soms met de aanmoediging:’ nou probeer eens’. Vaak komt er dan toch wat. Verder probeer ik het contact met het lijf te herstellen, door focussingtechnieken (zie elders in dit boek). Pas als iemand een bevredigende relatie met zichzelf heeft leren maken, verdwijnt het basale keuzeprobleem. Dan verdwijnt uiteindelijk ook pas de kenmerkende helleangst: ”als ik ‘A’ kies, mis ik dan niet iets van ‘B’? “. Deze diepe angst wordt veroorzaakt door een gebrek aan houvast in het Zelf. Algemene keuzeproblemen moeten niet als zodanig aangepakt worden. Zij kunnen beter gezien worden als het bijverschijnsel van een dieper probleem. Wordt dat opgelost, dan verdwijnen keuzeproblemen vanzelf.

66


67


8 Psychologische achtergronden van studeerproblemen

Better the devil you know than the devil you don’t know.

Sommige studeerproblemen hebben een psychologische achtergrond. Zij zijn niet uitsluitend het gevolg van een gebrek aan studievaardigheden, maar zij worden vaak in stand gehouden en zijn het gevolg van meer psychologische problematiek. Voorbeelden daarvan zijn concentratiestoornissen, faalangst, studiekeuzeproblemen, uitstelgedrag en het niet kunnen afstuderen. Deze problemen kunnen doorgaans niet worden opgelost met een vaardigheidstraining of een cursus hoe je moet leren studeren. Zij worden veroorzaakt door een meer persoonlijke psychologische achtergrond, die ook als zodanig behandeld moet worden. Een hulpverlener behoort deze achtergronden te kennen en er zijn behandelingshypothesen op te baseren. Ze worden in de eerste paragraaf nader toegelicht. Vervolgens laten de volgende paragrafen aan studenten zien hoe studeerproblemen met een psychologische achtergrond tot een oplossing gebracht kunnen worden.

8.1 Soorten problemen. Concentratieproblemen wijzen er doorgaans op dat emotionele conflicten in de geest om een oplossing vragen. Het is als het ware ‘de wijsheid van de geest’, die aandacht vraagt voor de oplossing van problematiek die voorrang heeft. Alle energie gaat daaraan op. Worden de emotionele conflicten opgelost, dan verdwijnen de concentratieproblemen als vanzelf. Natuurlijk kan het aanleren van een betere studeermethode soms de concentratie verbeteren, maar vaak is die methode er al wel. Studenten die zich niet kunnen concentreren beleven zichzelf vaak als ‘lui’ of ‘ongedisciplineerd’. Dit zelfbeeld vormt vaak een schril contrast met wat de hulpverlener kan waarnemen: deze student lijdt onder het probleem, wil het graag oplossen en gaat niet op een Spaans strand liggen genieten van de zon. De eerste stap in een behandeling is voor mij dan ook om het probleem te herlabelen en er een andere betekenis aan te verlenen. Simon: Iedereen zegt dat ik lui ben; ik kan me niet concentreren. Als ik voor mijn boeken zit, ga ik eerst nog even de plantjes water geven, dan een boodschap doen, enzovoorts.Ik schaam me om hier te komen. Ik: dat is vaak de wijsheid van de geest. Die vraagt om ruimte.Er is wellicht iets in je geest bezig dat om een oplossing vraagt. Laten we daar naar kijken. Laten we kijken zonder dat je je zo schuldig voelt. . Keuzeproblemen werden behandeld in het vorige hoofdstuk. Beroepskeuzetests kunnen iemand soms informeren en op mogelijkheden wijzen. Maar is het niet verontrustend dat iemand zijn eigen toekomst uit handen geeft aan iemand die deze test interpreteert? In veel gevallen is het moeilijk kunnen besluiten tot een studierichting een verbijzondering van een algemeen probleem van besluiteloosheid op vele levensgebieden. Iemand vertrouwt zijn eigen gedachten, fantasieën of gevoelens niet. Er is hier dan sprake van persoonlijke problemen die als zodanig psychotherapeutisch behandeld moet worden.

68


Uitstelgedrag neemt soms ernstige en wanhopige vormen aan. In mijn ervaring is het vaak gebaseerd op een zwaar negatief zelfbeeld. Doordat men al vroeg aan allerlei verwachtingen heeft moeten voldoen, is er niet alleen een allergie voor ‘moeten’ opgetreden, maar tegelijkertijd een dieper zelfverachting omdat men niet aan de discipline kan voldoen. Drukkende, wrede, bezorgde en angstige of domme ouderlijke normen zijn zo diep doorgedrongen in het zelfbeeld, dat dit bijna volledig bepaald wordt door schuldgevoelens. Om deze laatste gruwelijke en altijd aanwezige schuldgevoelens te ontlopen, verzeilen studenten nog al eens in een depressie en camoufleren deze soms met veel drinken en blowen. Hoewel een stickie op zichzelf onschuldig is, raken veel studenten met uitstelgedrag in een wanhopige scène, een zuigend moeras, dat dag- en nachtritme verstoort en iedere vorm van helder denken. Er is veel moed voor nodig om hier uit te stappen. Uitstelgedrag bij het afstuderen wordt vanzelfsprekend pas door de oudere student ervaren. Het is niet altijd eenvoudig te behandelen, want het kan wijzen op angst om het veilige studeermilieu te verlaten en op eigen benen de wereld in te gaan. In dat laatste geval ligt er al lang bestaand onvermogen om zelfstandig en volwassen te gaan functioneren aan ten grondslag. Studenten die het afstuderen steeds maar uitstellen, durven geen hulp meer te zoeken op hun faculteit. Ze zijn er al lang niet meer geweest, hun vrienden zijn al vertrokken, zij schamen zich voor het vermeende sarcasme van docenten omdat ze zo weinig uitvoeren. Zo kunnen deze studenten in vicieuze cirkels geraken waar zij op eigen kracht niet meer uitkomen.

Een zuiver studeerprobleem of een meer psychologische achtergrond? In een intake zou goed moeten worden uitgezocht of een student met een studeerprobleem baat heeft bij een meer technische vaardigheidstraining of bij een meer psychotherapeutische behandeling voor onderliggende persoonlijke problemen of bij een combinatie van beiden. Een bureau studentenpsychologen zou beide diensten behoren aan te bieden. Bij de Groningse Universiteit is dat ook zo. Er bestaat daar een afdeling ‘Studieondersteuning’ en een afdeling ‘Studentenpsychologen’ van waaruit dit boek geschreven is. Training, management en studievaardigheden zijn ìn. Het belang ervan wordt gauw ingezien door bestuurders; het lijkt direct effectief en passend binnen het onderwijs. Congressen over studievaardigheden verheugen zich in een grote belangstelling. Soms worden iemand inderdaad mogelijkheden onthouden wanneer alleen psychotherapie aangeboden zou worden zonder naar feitelijke studeerproblemen te kijken. Maar het omgekeerde kan ook het geval zijn en antitherapeutisch werken. Iemand kan zo bang zijn om in het openbaar een presentatie te houden, dat hij niet gebaat is bij een vaardigheidscursus. En uitstelgedrag moet niet altijd met een cursus worden aangepakt waar met straffe hand discipline wordt aangeleerd. Wellicht werkt dit vaak. Maar soms versterkt die methode alleen maar een neurotisch patroon en is de harde methode de zoveelste straffe maar ineffectieve hand in iemands leven. Titia heeft eerder een studievaardigheidcursus gevolgd om gedisciplineerd te leren studeren. Er moesten schema’s gemaakt worden, een planning, en er werden ‘beloningen en straffen’ uitgedeeld waarin de groepsleden zich aan hun voornemens gehouden hadden. De cursus hielp haar niet, en ze meldde zich bij onze dienst. In een psychotherapiegroep bracht zij haar studeerprobleem in. Zij is een zeer gemotiveerd groepslid, wil heel graag anders, maakt op mij totaal geen luie indruk; maar omdat ze geen studieresultaat boekt kan ze zichzelf bijna niet anders zien dan lui en ongedisciplineerd. Ze zit er echter vreselijk mee, en is helemaal geobsedeerd door haar studie.Ze durft ook helemaal niet naar haar docent te gaan, want “zo’n vriendelijke man kan ik toch niet teleurstellen. Hij zei de vorige maal heel

69


bemoedigend: ‘nou de volgende maal hoofdstuk 3 hé’. “Maar ik heb hoofdstuk 3 niet, ik kom niet verder. Ik durf niet naar hem terug”. Al eerder had Titia eens verteld dat zij als meisje haar kat boven aan de trap zette om haar te overhoren, omdat haar ouders geen interesse hadden. Ik vroeg haar nu haar innerlijke negatieve stem (‘ik ben lui, ongedisciplineerd’) in een rol te zetten (zie hoofdstuk 14). Aan die figuur werd toegevoegd de vermeende desinteresse en cynische kant van de docent, waar zij niet naar terug durfde te gaan. Toen die rolfiguur geplaatst werd kromp haar lichaam in elkaar. Al gauw herkende ze in de rolfiguur een projectie van de in haar jeugd ondervonden desinteresse van haar vader, die nu nog steeds zei: ‘schiet nu eens op met die studie’. Ik vroeg haar iemand te vragen om de rol van de ideale docent te spelen. Ik vroeg haar om eens stil te staan bij haar behoeften, bij wat ze feitelijk nodig had, bij hoe voor haar die docent zo ideaal zou zijn dat zij er terug durfde te gaan om hulp. “Eigenlijk is het heel simpel” zei ze. “Hij hoeft alleen maar geïnteresseerd te zijn. Zodat ik niet steeds het gevoel heb dat ik lastig ben. Hij zou op zo een manier vragen naar hoofdstuk 3, dat ik niet dichtsla, maar de ruimte kan nemen om te zeggen dat ik wel over dat hoofdstuk nagedacht heb, maar daar en daar op vast loop”. Aan haar lichaam was de verandering in haar gemoed te zien; zij ging rechter zitten, ademde ruimer, en opende haar armen meer die haar eerst afschermden. In deze therapiesessie kon Titia zien dat ze haar ervaring van de werkelijkheid beperkt had door vroegere gebeurtenissen met haar ouders, en kon ze zien dat – ook al bestaat de ideale docent niet - deze docent misschien echt wel vriendelijk en behulpzaam was. Zodoende kreeg haar opvatting van de werkelijkheid meer opties en raakte zij uit een vicieuze cirkel. In dit voorbeeld over ‘uitstelgedrag’ is gemakkelijk te zien hoe een loutere vaardigheidstraining die alleen discipline en beloning hanteert, een student van de regen in de drup kan helpen. Trainingen in gesprek, sociale vaardigheid en managementtechnieken hebben de afgelopen decennia een hoge vlucht genomen. Ze hebben hun technieken en theorieën vaak ontleend aan de ontdekkingen van psychotherapeutische scholen. Soms is ‘effectiviteit’ hier een dwalende gids. Er zijn ook hier interessante ontwikkelingen gaande. Onlangs zag ik een poging om bij uitstelgedrag het zelfmanagement meer te benadrukken met denkbeelden ontleend aan de cognitieve therapie. Binnen de psychotherapie zelf is men trouwens ook uit op effectiviteit en kortdurende behandeling met behoud van diepte overigens. In bovenstaand voorbeeld van Titia werd gebruik gemaakt van moderne technieken die situaties verlevendigen. In de volgende paragraaf wordt door een collega van mij een behandeling beschreven vanuit de cognitieve therapie, die de Rationeel Emotieve Therapie ontstegen is. 8.2 Als studeren zelfkwelling wordt…….5 Bijna elke student komt in zijn/haar studietijd momenten tegen dat het niet wil lukken: het studeren gaat niet van harte, enkele onvoldoendes op rij worden geïncasseerd en/of de motivatie voor het studeren op zichzelf of voor de specifieke studiekeuze lijkt geheel te ontbreken. Meestal zijn dit soort inzinkingen van tijdelijke aard en gaan ze vanzelf voorbij. Soms is het nuttig een vaardigheidstraining te volgen, bijvoorbeeld wanneer je merkt dat je niet effectief studeert, slecht kunt plannen of weinig zelfdiscipline hebt. 5

De volgende paragrafen werden als tekst voor studenten geschreven door Laura Chorus, studentenpsycholoog.

70


Maar als je het gevoel hebt dat het niet om een voorbijgaand probleem gaat en een vaardigheidstraining jou geen oplossing biedt dan kan dat te maken hebben met het feit dat het studeren zelf teveel spanning oproept. Deze spanning rondom het studeren kan je op den duur zelfs zodanig in beslag nemen dat je er in gedachten dag en nacht mee bezig bent en andere belangrijke levensdomeinen gaat verwaarlozen. Dan verwordt studeren tot zelfkwelling. Voor jou is deze tekst vooral geschreven, in de hoop dat het lezen ervan je een stukje op weg kan helpen van de zelfkwelling af, misschien wel richting zelfwaardering. De volgende paragrafen gaan over een specifieke categorie van studeerproblemen, namelijk faalangst en aanverwante studeerproblemen als uitstelgedrag, perfectionisme en obsessief studeren, en sommige vormen van concentratieproblemen. Het gaat niet over het soort studeer- en concentratieproblemen dat kan ontstaan doordat je in beslag genomen wordt door problemen van en met anderen (je familie, je relatie, vrienden, huisgenoten), door persoonlijke problematiek of door motivatieproblemen t.g.v. een verkeerde studiekeuze. Een aantal van deze onderwerpen komt elders in dit boek aan bod. In de volgende paragrafen beschrijf ik achtereenvolgens enkele vormen waarin studeerproblemen kunnen voorkomen (8.3). Daarna sta ik stil bij de bron, de herkomst van je problemen (8.4). Vervolgens beschrijf ik wat je eraan kunt doen (8.5).

8.3 Studeerproblemen en wat daarbij precies gebeurt Faalangst Faalangst is een specifieke vorm van prestatiegebonden angst die zich met name voordoet in beoordelingssituaties. - Het is niet een algemeen persoonskenmerk, als je last hebt van faalangst bij een tentamen hoef je niet in het algemeen een angstig persoon te zijn en kun je er heel goed geen last van hebben in andere beoordelingssituaties als b.v. een sportwedstrijd of een toneeluitvoering. - Het is ook niet hetzelfde als spanning in prestatiesituaties; spanning is nodig om tot goede prestaties te komen, een gezonde spanning leidt bijvoorbeeld tot een goede voorbereiding, tot zorg om het werk optimaal te doen. - Per persoon en per situatie kan het niveau van optimale spanning, waarop je efficiĂŤnt kunt handelen en relevant kunt reageren, sterk verschillen. - Bij faalangst voel je teveel spanning, het niveau van optimale spanning wordt overschreden met als gevolg inefficiĂŤnt handelen en irrelevant reageren (b.v. met een black out). Dit teveel aan spanning hangt samen met de angst- of paniekgevoelens die je ervaart voor een beoordelingssituatie en blijkt vaak te worden veroorzaakt door piekergedachten over jezelf. - Als je last hebt van faalangst kun je door je angstgevoelens en piekergedachten zozeer in beslag genomen worden dat er weinig aandacht voor de taak zelf overblijft. Je duikt dan niet in de taak, maar in jezelf. - Dit betekent dat faalangst niet alleen maar optreedt tijdens een tentamen of spreekbeurt, maar ook bij de voorbereiding ervan. Vooral door piekeren en andere angstverschijnselen vooraf ontstaan er slechtere studiegewoonten en een slechtere studiehouding; verderop in de tekst lees je daar meer over. Hoe zien die piekergedachten eruit en wat doen die angstgevoelens precies? Gedachten: Je kunt flink last krijgen van faalangst als je de volgende drie regels toegepast:

71


DENK AAN DATGENE DAT JE NIET WILT DAT ER GEBEURT STEL JE VOOR DAT DIT NU PLAATSVINDT 3. FOCUS OP HET HOOGTEPUNT VAN DE ELLENDE Hoe beter je bent in het toepassen van deze regels, hoe meer angstgevoelens je bij jezelf oproept. Uit onderzoek is gebleken dat studenten met faalangst relatief meer met zichzelf bezig zijn dan studenten die geen last van faalangst hebben. Ze denken veel meer na over de negatieve gevolgen van een slechte prestatie, b.v. hoe het hun toekomstkansen beperken zal en hoe ouders of belangrijke anderen zullen reageren. Dit soort piekergedachten zijn sterk gekoppeld aan je zelfbeeld, het jezelf als al dan niet bekwaam zien voor het uitvoeren van de taak. Piekergedachten bij faalangst vormen vaak een extreme uitwerking van de regel: als je er bij voorbaat vanuit gaat dat iets mis zal lopen dan zal de teleurstelling als het inderdaad misgaat niet zo groot zijn. Een regel die je als kind misschien al leerde na het verwerken van een teleurstelling. Faalervaringen uit het verleden spelen vaak een grote rol bij het ontwikkelen van negatieve gedachten over je succeskansen. En vervolgens versterkt elke nieuwe faalervaring dat negatieve denken. Succeservaringen lijken nauwelijks invloed te hebben, die worden meestal toegeschreven aan puur toeval of aan het feit dat “dit onderdeel of tentamen te gemakkelijk was, iedereen zou dat kunnen”. Nee, die ene misser krijgt alle aandacht en door zo te focussen op het falen komen er vanzelf ook wel meer faalervaringen bij; het kan zo erg worden dat niets meer lijkt te lukken… Angst is een van de pijnlijkste emoties die een mens kan ervaren. Het brengt bij mens en dier normaliter een puur fysieke reactie op gang: de zogenaamde adrenalineshock. Als reactie op iets angstwekkends wordt adrenaline in de bloedbaan afgescheiden. Dit stresshormoon zorgt ervoor dat het hart sneller gaat pompen, het bloed dus sneller gaat stromen, we sneller gaan ademhalen zodat er meer zuurstof in het lichaam komt waardoor de spieren zich kunnen spannen. Ook komt er minder zuurstof en bloed in de hersenen en stopt de maag met spijsverteren. Zo worden wij in fracties van een seconde fysiek voorbereid op een reactie op de angstverwekker: vluchten of vechten. Deze hormonale reactie is buitengewoon effectief wanneer zich een reële bedreiging voordoet. Helaas werkt zij averechts wanneer de oorzaak van de angst een irreële is, en dat zijn doorgaans de angstgevoelens die door onze gedachten zijn opgeroepen. De persoon met faalangst die een toets moet maken kan verschijnselen van de adrenalineshock herkennen in symptomen als: een bonkend hart, zweten van hitte of zich ijskoud voelen, droge mond, pijn in buik, motorische onrust en onhandigheid, trillerig, duizelig, leeg hoofd, niet meer kunnen nadenken. De reflexen staan op scherp, onderzoek heeft zelfs aangetoond dat de geheugenprestaties voor informatie die vlak voor of tijdens de adrenalineshock werden opgeslagen verbeteren, maar het planmatig denken, zo noodzakelijk tijdens b.v. het maken van een toets, verloopt dan meestal minder goed. Een ander stresshormoon is cortisol, dat afgescheiden wordt bij langdurige blootstelling aan een stressvolle situatie. De mate van cortisolafgifte is sterk afhankelijk van psychologische factoren, zoals het gevoel van controle over een situatie. Recente onderzoeken over de invloed van stresshormonen op het geheugen tonen aan dat chronisch verhoogd cortisol een negatief effect heeft op het declaratieve geheugen, dat is het geheugen voor expliciete herinneringen zoals b.v. feitenkennis (Elzinga en van Stegeren 2000). Dit hormoon kan dus een negatieve

72


invloed hebben op het onthouden van leerstof, wanneer er sprake is van chronische en hevige spanning in de voorbereidende fase voor de toets. Het is zeer waarschijnlijk dat chronisch verhoogd cortisol voorkomt bij een aantal van de volgende vormen van studeerproblemen, die verwant zijn aan - of een direct gevolg zijn van faalangst: Obsessief studeren Obsessief studeren is een inefficiënte manier van studeren waarbij de balans tussen kosten en baten en tussen spanning en ontspanning volledig verstoord is. Het kan een studeeraanpak zijn die jij je vanaf het begin van je schooltijd eigen hebt gemaakt of een reactie zijn op eerder falen in de studie dat veroorzaakt werd doordat jij je naar je eigen mening te weinig hebt ingezet. Je voelt je schuldig tegenover ouders en/of docenten, je eigenwaarde is gedaald tot onder het nulpunt. Maar je zult bewijzen dat je wel in je mars hebt wat iedereen (en jijzelf) van je verwacht. Om te voorkomen dat het weer misgaat en om te bewijzen dat je niet lui bent ga je obsessief studeren, wordt de studie nog bijna het enige dat telt in je leven en ben je er continue mee bezig. Als je niet studeert domineert de gedachte “eigenlijk moet ik…”, als je wel studeert: ik krijg het niet af”, “ik had eerder moeten beginnen c.q. meer moeten doen”, hoeveel uren je ook werkt. Daardoor ervaar je voortdurend een gevoel van onvrijheid en spanning. Je gaat dan ook vaak levensdomeinen buiten de studiesfeer (sociale kontakten, lichaamsverzorging, sport, culturele of andere ontplooiing) verwaarlozen, hetgeen op de lange duur tot ernstige klachten en sociaal isolement kan leiden. Concentratieproblemen Bij concentratieproblemen neem je de stof die je bestudeert niet, onvoldoende of veel te traag in je op. Het kan zijn dat het lijkt alsof je veel met de studie bezig bent, maar in feite weinig doet. Je denkt er steeds over na hoe je het gaat aanpakken, maakt schema’s en past deze weer aan als ze niet zijn nagekomen. Of je voert allerlei “rituelen” uit voordat je echt aan de slag gaat, ruimt je kamer op en vindt nog andere klussen die voorrang krijgen. Zit je eenmaal achter je boeken, dan dwalen je gedachten steeds af naar zaken die niets met de stof te maken hebben zodat je een voortdurend gevecht met jezelf moet leveren om bij de stof te blijven. Dit kan een direct gevolg zijn van de hiervoor omschreven onderdrukking van vitale behoeften als ontspanning, beweging, contact met anderen. Het kan ook zijn dat je aandacht wordt opgeëist door een onopgelost conflict binnen jezelf of door zaken buiten jezelf die voorrang vragen. Zie daarover in par.1 van dit hoofdstuk. Maar het kan ook zijn dat de afleidende gedachten voortkomen uit het bezig zijn met jezelf in relatie tot de prestatie die van je gevraagd wordt, zoals de angst dat het mis zal gaan, de voorstelling hoe anderen op jouw wanprestatie zullen reageren enz. Perfectionistisch studeren Je vertrouwt niet voldoende op je eigen verstandelijke vermogens en wilt daarom de totale stof volkomen beheersen zodat je niet voor verrassingen komt te staan die zouden kunnen leiden tot een afgang. Je leert van alles en nog wat zonder op de grote lijn te letten of onderscheid te maken tussen wat wel of niet relevant is. Of je leert van alles uit het hoofd. Deze methode is zeer tijdrovend en leidt lang niet altijd tot resultaat omdat je meestal niet toekomt aan reflectie, het vormen van een eigen mening over de stof of het verwerven van inzicht erin en de stof daardoor slecht blijft hangen. Bovendien zul je meestal doodmoe en verstijfd door slaap- en bewegingstekort op het tentamen verschijnen – zo je al durft te gaan alleen al te moe om je verstand nog goed te gebruiken.

73


Zelfoverschatting De neiging tot zelfoverschatting is vaak gebaseerd op ervaringen uit het verleden, b.v. de ervaring dat er op de voorafgaande middelbare school met heel weinig inspanning goede resultaten werden behaald. Je hebt alleen door die ervaring al een slechte studiehouding ontwikkeld, door het gemak op school ben je lui geworden, je begint veel te laat, je hebt je nooit zo hoeven inspannen voor een goed resultaat en dat dus ook niet geleerd. Vanuit die zelfoverschatting stel je taakvoorbereidend gedrag uit en studeer je uiteindelijk veel te oppervlakkig. De onvoldoende resultaten die daarvan vermoedelijk het gevolg zijn kunnen leiden tot de ontwikkeling van angstgevoelens, de angst dat zal blijken dat je niet een van de slimsten bent. Uitstellen Je wilt eigenlijk een perfecte prestatie leveren, misschien wel om aan de verwachtingen te voldoen die altijd over jou gekoesterd werden, door je omgeving of door jezelf. Een matig product hoort daar niet bij, daarmee oogst je geen waardering. Maar omdat het zo perfect moet worden, wordt de klus zo groot dat je, als je eenmaal begint, er helemaal door in beslag genomen zult worden. Of je wordt bang dat het zo perfect moet worden dat dit jou nooit zal lukken. En daarom begin je nog maar even niet. Is er een deadline, dan schuif je die almaar op totdat dat niet meer kan. Je begint te laat en levert daardoor een product af dat voor je gevoel ver onder je niveau ligt. Vermoedelijk zit hierachter de angst dat je misschien niet zo briljant bent als men/jijzelf altijd dacht; met deze uitstelhouding hou je in ieder geval de illusie in stand dat je het wel bent maar niet de kans krijgt het te laten zien…. Uitstelgedrag kan uiteindelijk leiden tot chronische passiviteit vanuit de beleving “dat het toch allemaal niets uithaalt” omdat je tot niets in staat bent. Je zult vaak tentamens uitstellen en soms zelfs de hele studie afstellen. Afstudeerproblemen Het uitstelgedrag kan ook alleen in de laatste fase van de studie optreden, er zit maar geen schot in de scriptie of het afstudeeronderzoek, soms jarenlang niet. Jaargenoten zie je allemaal vertrekken, naar jouw idee succesvol in flitsende banen of in spannende wereldreizen. Dikwijls blijkt de apathie veroorzaakt te worden door een innerlijke worsteling met vragen en angsten die in de afstudeerfase sterker naar voren komen. Vragen als “wat wil ik nou precies” of “wat kan ik” en angsten als de angst voor de toekomst in een veel minder vrijblijvende hoedanigheid dan die je had als student, of de angst dat je niet voldoet aan het zogenaamde academisch werk- en denkniveau dat verwacht wordt van iemand die is afgestudeerd. Deze worsteling kan bijvoorbeeld uitmonden in het voornemen dat je toch beslist iets eigens en unieks moet produceren. De scriptie kan zo een enorme lading krijgen: ze moet een meesterstuk worden en zo mogelijk de definitieve afrekening met alles waarover je in de studie ontevreden was en ook nog het bewijs dat je een toekomstige baan aankunt. Bovendien neemt de druk van de omgeving toe, anderen kunnen moeilijk begrip opbrengen voor iemand die, zo dicht bij de finish, de eindstreep niet kan halen. Vaak verwatert het contact met de universiteit, je geneert je om je scriptiebegeleider nog weer eens met goede voornemens en beloften lastig te vallen, de angst dat hij je niet meer serieus neemt of de gedachte dat hij zijn tijd wel beter kan besteden dan aan jouw gedraai houdt je tegen om een nieuwe afspraak te maken. De hier beschreven studeerproblemen werken zichzelf versterkend, je komt in een spiraal naar beneden terecht als je ook daadwerkelijk zakt voor een tentamen of niets meer doet. Je gaat meer en meer negatief over jezelf denken, het bewijs is geleverd: “je kunt het niet”.

74


8.4 Psychologische achtergrond Om een probleem te kunnen opheffen is het noodzakelijk om eerst te onderzoeken wat de oorzaak ervan is. Inzicht in de factoren die jouw studeerproblemen veroorzaken en in stand houden kan je handvatten bieden om daadwerkelijk te veranderen. We hebben gezien dat van alle beschreven studeerproblemen het ervaren van een teveel aan spanning rondom het studeren het gemeenschappelijke kenmerk is. Wat nu is de bron, de oorzaak van dit teveel aan spanning? De studeerproblemen zijn niet zomaar op je pad gekomen; hoewel ze verschrikkelijk lijken en een ware kwelling voor je vormen heb je ze onbewust zelf gecreëerd. Je zult, bij een diepergaand zelfonderzoek, erachter komen dat deze problemen een functie voor je hebben, je ook iets opleveren, hoe gek dat ook klinkt. Meestal hebben ze de functie om een kwetsbaar gevoel van eigenwaarde te beschermen (Gelens 1988). En daarom kunnen ze zo hardnekkig zijn, zo moeilijk te veranderen. De piekergedachten zijn, zoals eerder opgemerkt, sterk gekoppeld aan het zelfbeeld, het jezelf als al dan niet bekwaam zien voor het uitvoeren van de taak. Vaak heb je de neiging jezelf te onderschatten (“ik ben dom en lui”) en dus al bij voorbaat te diskwalificeren. Het beschreven apathisch gedrag kan dan een gevolg zijn. Tegelijkertijd kun je jezelf stiekem in je hart juist een hele Piet vinden, juist eigenlijk beter of begaafder dan de meeste studiegenoten. Dit kan de angst met zich meebrengen om “doorgeprikt” te worden. Zo kunnen tegengestelde studiehoudingen als slordig voorbereiden of extreem perfectionisme een zelfde doel dienen, namelijk het overeind houden van het zelfbeeld door het uitsluiten van elk risico op een mogelijke afgang. Het ervaren van teveel spanning rondom het studeren blijkt uiteindelijk veroorzaakt te worden door gebrek aan eigenwaarde, een negatief zelfbeeld op het gebied van studeerkwaliteiten.

Hoe ontstaat nu dit negatieve zelfbeeld op het gebied van studeerkwaliteiten? Ieder persoon heeft een uniek ontwikkelingsverhaal, wat betreft milieu, ouders, opvoeding(stijl), grootte en samenstelling van het gezin, school, vriendschappen enz. Dit ontwikkelingsverhaal en met name ook de verwachtingen die in het ouderlijk huis of op school en in vriendschappen werden gekoesterd, expliciet maar ook vaak meer toegedekt, impliciet, spelen een bepalende rol bij de vorming van je zelfbeeld, het zelfvertrouwen dat je opbouwt, de mate waarin jij je eigen mogelijkheden leert kennen en waarderen. Hieronder beschrijf ik globaal enkele voor het ontwikkelen van eigenwaarde op het gebied van studeerprestaties nogal riskante achtergronden, zoals ik die ben tegengekomen in verhalen van studenten. Een prestatiegerichte opvoeding: Je ouders zijn erg gericht zijn op studieprestaties. Op school stimuleren zij het studeren met overhoren van het huiswerk, ze belonen goede prestaties nadrukkelijk of geven heftige emotionele reacties bij minder goed presteren op school. Soms is het presteren op school of in de studie bijna het enige gespreksonderwerp en kunnen ouders voorbijgaan aan het eigene van de kinderen (zie hoofdstuk 4 en 6).

75


De rol van broers of zusjes: Je prestaties worden voortdurend vergeleken met die van broers of zusjes die het beter doen. Je bent juist de enige die goed kan leren thuis en moet goedmaken wat andere kinderen niet kunnen. Je zusje of broertje is een “probleemkind”en krijgt alle aandacht, jij ontdekt dat jij alleen nog aandacht krijgt als je op school heel erg goed presteert. Je bent enigst kind waardoor op jou alleen de taak rust het bewijs te moeten leveren van een begaafde afkomst en goede opvoeding. De ervaringen die de ouders zelf met (niet-) studeren hebben: Een ouder die zelf nooit de gelegenheid heeft gehad om te studeren of zich middels moeizame avondstudies heeft moeten bijscholen, wil er perse voor zorgen dat het kind beter beslagen ten ijs komt. Ouders verwachten van het kind dat ze de eigen opgelopen frustraties met studie als het ware goedmaken, b.v. door datgene te studeren dat de ouder nooit gelukt is. Ouders kunnen ook bang zijn dat hun kind hen voorbijstreeft en dat heel indirect laten blijken middels subtiele ontmoedigende opmerkingen. Het milieu: Je groeit op in een gezin waar de norm heerst dat je eigenlijk alleen meetelt als je gestudeerd hebt, terwijl je daar zelf eigenlijk helemaal niet zo voor voelde maar je maar aanpaste uit angst alleen te komen staan ten opzichte van de familie. Je komt uit een gezin waar niemand studeert en waar weinig begrip bestaat voor wat studeren inhoudt. Dan kun je het sociaal gezien moeilijk krijgen in het studentenleven en extra kwetsbaar zijn op prestatiegebied omdat falen geassocieerd wordt met alleen komen te staan, niet alleen ten opzichte van thuis, maar ook van vrienden en studiegenoten. School: Je zat in een erg prestatiegerichte school of klas, waarin jij je de mindere voelde. Een docent liet erg goed blijken dat hij niets in je zag. Je werd bijvoorbeeld voor de klas voor dom of ongeschikt voor deze school uitgemaakt. Vriendschappen: - Je hebt als kind en puber op sociaal gebied een buitenpositie ingenomen of je werd gepest. Daarom heb je je vastgeklampt aan schoolprestaties, die de enige basis werden voor je zelfvertrouwen. Als je gaat studeren mis je de vaardigheden om een sociaal netwerk op te bouwen of een ontspannende of zinvolle invulling te geven aan je vrije tijd. Je stort je daarom geheel op de studie en wordt steeds eenzamer. Vervolgens kan dan ook de studie gaan stagneren, die de basis was van je zelfvertrouwen. Kinderen met dit soort achtergronden lopen het risico dat zij een eenzijdig op intellectuele prestaties gerichte houding internaliseren; voor hen kan falen in de studie falen in het leven gaan betekenen. Als een kind in onvoldoende mate heeft kunnen onderzoeken en uitproberen wat het zelf wil en kan is onzekerheid over de eigen capaciteiten en interesses een logisch gevolg.

8.5 Wat valt eraan te doen? Veranderen is lastig, zoals je vast wel eens gemerkt hebt: je moet immers iets opgeven dat, hoe kwellend ook, in ieder geval een vertrouwd patroon was; “better the devil you know than the devil you don’t know”. Bereid om te veranderen ben je pas echt als je het probleem in zijn

76


volle omvang onder ogen durft te zien, ophoudt met ontkennen, jezelf geruststellen, jezelf verdedigen, verklaringen buiten jezelf te leggen enz. - Een veranderingsproces kun je in je eentje aangaan, maar dat vraagt veel moed en doorzettingsvermogen. Ondersteuning in de vorm van psychotherapie kan daarbij van grote betekenis zijn. Een psychotherapeut is iemand, die zonder eigen belangen naar je luistert en met je meedenkt, je helpt om je eigen unieke ontwikkelingsverhaal te structureren, verbanden te leggen met je huidige gedrag, soms vastgezette emoties daaruit los te weken en herinneringen te herstructureren zodat ze niet meer in de weg blijven staan en die je steunt in het zetten van de stappen naar verandering. - Verandering kan pas optreden als je inzicht hebt in de functie van jouw probleem, in de oorzaak van dat kwetsbare gevoel van eigenwaarde. Wanneer jij je daarvan bewust wordt zul je merken dat de eerste stap op weg naar verandering gezet is, er is als het ware geen weg meer terug. Je ziet meer en meer in bij alles wat je uit de weg gaat of wel doet maar ten koste van veel spanning dat je geringe gevoel van eigenwaarde in de weg zit en dat dit te maken heeft met vroegere ervaringen. - Meestal zijn ervaringen die bijdroegen tot het vormen van een negatief zelfbeeld pijnlijk en je zult merken dat je ze daarom een beetje hebt verdrongen. Het weer terughalen van die herinneringen kan lastig zijn en opnieuw pijnlijke emoties met zich meebrengen. Lukt dit terughalen goed, dan kunnen herinneringen geherstructureerd worden, dat wil zeggen: vanuit je huidige inzicht in de behoeften van het kind dat je toen was en in het feit dat ook ouders tekortkomingen kunnen hebben gehad in hun pogingen om je goed op te voeden en dat dit normaal menselijk is kunnen je pijnlijke ervaringen anders geïnterpreteerd en anders gevoeld worden. Zo kunnen ze een plek krijgen in je herinnering zonder dat er nog een “storende”werking op je zelfvertrouwen van uitgaat. Dit proces kan zich snel en soepel voltrekken maar het kan ook moeizaam verlopen en veel energie vragen. Dat is natuurlijk afhankelijk van de mate waarin je zelfvertrouwen “beschadigd” is en de hulpbronnen in jezelf en in je omgeving (zoals b.v. een goede psychotherapeut) die je nu ter beschikking hebt om dit proces goed te doorlopen. Naast dit diepgaande veranderingsproces dat gericht is op het integreren van ervaringen uit het verleden kun je ook in het ‘hier en nu’ een belangrijke stap naar verandering zetten, en daarvoor kun je gebruik maken van een techniek uit de cognitieve therapie (Beck 1995; Greenberger en Padesky 1995). Het is een techniek waardoor je weer leert relativeren, een vermogen dat je meestal kwijtraakt wanneer je erg gespannen bent. Hierna volgt een uitleg van deze techniek en aan het einde van dit hoofdstuk is een zogenaamd gedachteformulier (een bewerking van het g-schema van Schurink en ten Broeke 1998) afgedrukt, dat je kunt gebruiken bij het toepassen van deze techniek. Het is wel de kunst om dit formulier op de juiste wijze te gebruiken, hulp van je therapeut zul je aanvankelijk wel nodig hebben daarbij. - Je begint met het bedenken van een (studeer- of examen-)situatie waarin jij je erg gespannen voelde. - Dan ga je na of je je angstgevoelens bij het studeren of het tentamen herkent. Dat kan een hele opgave zijn; soms ben je je niet (meer) bewust van je angstgevoelens of treden ze niet meer op doordat je ze vermijdt, zoals bij uitstelgedrag en apathie het geval kan zijn. - Vervolgens ga je op zoek naar negatieve gedachten die vooraf gingen aan het ontstaan van de angstgevoelens. Ook dat kan heel moeilijk zijn: je durft misschien nauwelijks toe te geven dat je zulke gedachten hebt of je hebt het idee dat het angstgevoel helemaal vanzelf ontstaat, dat er geen negatieve gedachten aan vooraf zijn gegaan. Zet door en wees eerlijk tegen jezelf, dan moet je kunnen slagen. - Is het angstniveau heel hoog, dan kun je meestal niet meer goed rationeel denken en ben je niet meer in staat je eigen gedachtegang relativeren. Op zo’n moment is het van belang dat je

77


je eerst ontspant, de adrenaline moet een uitweg vinden, dus bewegen kan goed helpen. Tijdens een tentamen kan dat niet, misschien kun je vragen of je even naar de wc mag zodat je even kunt lopen en afstand nemen. Je kunt ook leren je te ontspannen door even op je ademhaling te letten. Als je gespannen bent adem je meestal niet ruim, maar gejaagd en hoog in de longen. De kunst is dan, rustig, door je neus, in te ademen en heel langzaam, met stootjes, uit te ademen. Geleidelijk aan krijg je dan meer lucht en zakt de ademhaling naar de buik. Dit kun je ook trainen door b.v. yogalessen te volgen. Ook zijn er bandopnames met ontspanningsoefeningen verkrijgbaar bij de studentenpsycholoog. - Maar effectiever is het, om het uitbreken van angstgevoelens min of meer vóór te zijn. En dat kan lukken als je bij jezelf ontdekt hoe je de angst oproept. De een doet dit door negatief te denken over de resultaten en de kansen of zichzelf boos toe te spreken. De ander maakt zich er een visuele voorstelling van hoe het allemaal wel weer mis zal gaan. Deze gedachten en beelden zijn vaak niet realistisch, niet gebaseerd op de objectieve werkelijkheid en ze helpen je zeker niet om je doel te bereiken. Het is de kunst om die gedachten of beelden bij jezelf te betrappen, ze te onderkennen. - Bij gedachten hoor je vaak een stem die iets zegt in de trant van: “je kunt het toch niet”, “dit gaat me niet lukken”, “iedereen kan dit behalve ik”, “ik moet nu slagen, anders kan ik beter ophouden met de studie”. Er wordt hier tegenwoordig (2008) door veel studentenpsychologen gebruikt gemaakt van training in Mindfullness. Het is een aan het Boeddhisme ontleende meditatietechniek. Men wordt zich bewust van zijn (negatieve) gedachten en kan ze dan leren te relativeren. Inzien dat deze gedachten jezelf tegenwerken is van belang. Daarna kun je nagaan in hoeverre de gedachte klopt, gebaseerd is op de objectieve werkelijkheid. Dan ga je kijken of je tegenbewijzen kunt bedenken: is het ook wel eens niet waar, is het je wel eens wel gelukt om te slagen? Of je gaat bedenken hoe erg het eigenlijk echt is als het mis zou gaan. Meestal is de ramp niet zo groot als jij ervan maakte en valt het allemaal nog wel mee… Als je je vervolgens voorstellen kunt hoe het goed zou kunnen lopen (en dat valt niet mee, want je zult wel merken dat je dat helemaal niet gewend bent) of in ieder geval hoe het meest waarschijnlijk zal verlopen, ben je al een stuk van je angstgevoel verwijderd en merk je dat een andere denkwijze ook een ander gevoel met zich meebrengt. De inschatting dat het best zal kunnen lukken maakt dat je met een heel andere stemming achter de boeken gaat zitten dan de gedachte dat het mis zal gaan. - Degene die niet zozeer met zichzelf praat in gedachten, maar sterker beelden kan oproepen, moet het doembeeld, het rampenscenario, zien te betrappen. Waarschijnlijk zie je jezelf met een hele stapel werk voor je, of je ziet jezelf als het helemaal misgaat, b.v. zwetend boven een onbegrijpelijk tentamen, of je ziet de gezichten van anderen die teleurgesteld of boos reageren op de geleverde wanprestatie. Deze personen kunnen leren een succesfilm (Lazarus 1980) voor zichzelf af te draaien, te beginnen met hoe het studeren en het maken van een tentamen goed en lekker kan lopen en met als eindbeeld het zien van een voldoende op het prikbord achter jouw nummer en daarbij het vreugdegevoel dat dan losbreekt. Dat gevoel kan je helpen daadwerkelijk te beginnen, iets dat niet lukt wanneer je voor jezelf een rampenfilm afdraait. Het vraagt veel oefening omdat je vermoedelijk jarenlang de rampenfilm hebt afgedraaid voor jezelf, maar oefening baart kunst. Zo heb ik hier heel in het kort beschreven hoe je het mechanisme kunt leren doorbreken dat jouw studeerproblemen in stand houdt. De gedachteformulieren kunnen jou daarbij helpen, hoe meer formulieren je invult, hoe beter je kunt worden in het leren relativeren van je

78


gedachten. En als je daar goed in bent zul je merken dat irreĂŤle gevoelens van angst veel minder vaak zullen optreden.

8.6 Tot slot Dit artikel heb ik niet geschreven om je te ontmoedigen als je last hebt van studeerproblemen. Je hebt kunnen lezen dat je kunt veranderen als jij dat zelf wilt. Helaas blijkt dat veranderen wat meer voeten in de aarde te hebben dan je misschien dacht; een training in studievaardigheden blijkt niet altijd afdoende te zijn en kan soms zelfs averechts te werken, bijvoorbeeld doordat je nog meer gefocused raakt op studeren dan je al was. Maar wat het werkelijk leren opheffen van studeerproblemen op kan leveren kan van oneindig meer betekenis voor je zijn dan dat het alleen maar effect heeft op je studeergedrag.

79


Gedachtenformulier bij zelfhulp bij studeerproblemen

1. Gebeurtenis Wat gebeurt er, met wie ben ik, waar en wanneer?

2. Gevoel en gedrag Hoe voel ik mij en wat doe ik (anders dan ik had willen doen)? Probeer je gevoel met één woord te typeren. (bijvoorbeeld bang of boos of bedroefd). Scoor de intensiteit van elk gevoel (0 – 100%).

3. Gedachten en/of beelden Wat ging er door mijn hoofd net voordat ik mij zo begon te voelen? Kies nu de gedachte of het beeld uit die het problematische gevoel het sterkst oproept.

4. Gedachtewisseling Onderwerp deze gedachte of dit beeld aan een aantal van de volgende vragen: Welk bewijs heb ik voor deze gedachte, welke feiten ondersteunen deze gedachte? Welk bewijs is er tegen deze gedachte?(b.v. heb ik ooit een ervaring gehad die aantoont dat deze gedachte niet altijd helemaal klopt?) Is er een andere kijk mogelijk? Wat is het ergste dat zou kunnen gebeuren? Wat is het beste dat zou kunnen gebeuren? Wat is de meest realistische afloop? Wat is het effect van mijn manier van denken? Wat zou ik tegen mijn beste vriend(in) zeggen als die zich in een zelfde situatie zou bevinden? Wat zou een andere denkwijze mij opleveren?

5. Gevolgtrekkingen Hoe geloofwaardig zijn mijn automatische gedachten of beelden nu? Hoe sterk is mijn eerder genoemde gevoel nu? Formuleer een effectieve nieuwe gedachte die kan leiden tot een neutraal(of positief) gevoel zodat je kunt doen wat je zou willen doen. Maak eventueel een plan voor actie.

80


9 Vroeger gepest Des morgens kruipt een beest van vrees door aderen en ingewanden, en maakt mij weder tot een ander, dan die ik slapend ben geweest. (Gerrit Achterberg).

Inleiding Opvallend veel studenten blijken bij navraag vroeger gepest te zijn. In de lagere schoolperiode met name worden kinderen die opvallen soms het mikpunt van pesterijen. Alsof men het niet verdraagt dat iemand zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt, hoger dan de anderen. Lopen begaafde leerlingen wellicht meer kans om gepest te worden dan middelmatigen? Er zijn vele oorzaken waarom kinderen gepest worden: minder weerbaar, gebrek aan humor, komende uit een streek waar een andere taal gesproken wordt, of gewoon toeval. Hoe komt het dat de een er later last van houdt en de ander niet? Dat hangt natuurlijk samen met de mate waarin iemand gepest is, de ernst en de tijdsduur. Dit hangt vaak ook weer af van de thuissituatie. Hoe gingen de ouders ermee om; kon een kind bij hen ermee terecht en hoe reageerden ouders dan. Deden de ouders iets waardoor het kind tevoren al onzeker gemaakt werd, bijvoorbeeld doordat het subtiel gekleineerd werd of niet gerespecteerd in eigen emoties en verhalen. Bij studenten uit een lagere sociale klasse komt het iets meer voor dat zij thuis al geplaagd werden met hun intelligentie, en daar zeker niet in ondersteund konden worden. Waar hebben mensen last van die vroeger gepest zijn? Ze hebben een negatief zelfbeeld. Ze trekken de fatale maar onjuiste conclusie: ‘ze moeten me niet, dus zal er wel iets aan mij mankeren�. Vaak gaat er iets mis in sociale contacten. Ze zijn gauw uit het veld geslagen. Soms is iemand deze onzekerheid aan te zien, bijvoorbeeld bij een onzekere soms wat gebogen houding. Maar soms is er oppervlakkig gezien niets te merken. Want als afweermechanismen wordt naast onzekerheid soms arrogantie gebruikt. Als afscherming kan ook een positie gekozen worden waarin iemand zijn identiteit probeert te ontlenen aan zijn functie: bijvoorbeeld bestuurslid worden van een studentenvereniging. Gepeste jongens zijn nogal eens actief in besturen. Proberen ze hiermee ook hun zelfgevoel op te krikken? Dit zou een valkuil kunnen zijn wanneer het uitgaat van de onderliggende gedachte dat je iets moet doen om geaccepteerd te worden. Het voorkomt de mogelijkheid om je onvoorwaardelijk geaccepteerd te weten: om wie je bent en niet om wat je doet. In het algemeen melden jongens vaker dat ze openlijk gepest zijn dan meisjes. Het is in hun lichamelijke houding ook vaker op te merken. Het lijkt alsof het pesten tegenover jongens een openlijker en actievere lichamelijke vorm aanneemt. Dit kan bij meisjes ook het geval zijn, maar vaak doet pesten zich bij hen subtieler voor, bijvoorbeeld door iemand buiten te sluiten.

81


Gesprek Er moet een beeld gevormd worden van de ernst van het probleem om daar een goede behandeling op te kunnen afstemmen. Hoe diep werkt het vroeger gepest zijn nu nog door? Wat is de reden daarvan? Soms is het nodig iets aan traumaverwerking te doen, of gevoelens als verdriet over ouderlijke afwijzing vroeger, openlijk te laten beleven. In onderstaand verhaal speelt het vroeger gepest zijn, een rol. Maurits is erdoor geïsoleerd geraakt en gewend om zijn emoties voor zich te houden. Dit laatste is voor zijn vriendin de reden geweest het contact met hem te verbreken. Dit laatste is de reden van zijn aanmelding.. Na zeven gesprekken werd de therapie succesvol afgesloten . In een follow up onderzoek enkele maanden schreef hij over dit succes: “de wijze van behandelen richtte zich snel op de kern van mijn problemen". Een fragment uit het 5e gesprek: (T=therapeut, C=student) T: waarover zou je willen praten, Maurits? C: weet ik niet. T: (T. merkt schuiven op en schuin opstaande voet. Wil C weg?) Hoe vond je het om vanmiddag hier te komen? C: dat ik mijn vriendin kwijt ben, zit me het meest hoog, maar ik vind dat ik er eerst zelf nog maar eens over moet nadenken'. T: (Wil hij zich aan het kontakt onttrekken? Speelt er angst om niet begrepen te worden, is hij gewend geraakt alles zelf te moeten opknappen?). Alsof er een stem in je hoofd......(de student is al op de hoogte van dit soort technieken) C: (Cliënt zoekt en formuleert de precieze inhoud van die stemmen. In Maurits’ woorden:) - je moet wel weten waar je moet/wil beginnen! - geen onsamenhangend verhaal a.u.b., al die onzin!. T: (Therapeut schrijft de inhoud in de precieze bewoordingen van C op het bord. Stelt voor om de stemmen te externaliseren en op een lege stoel neer te zetten). Wil je horen wat die stemmen tegen je zeggen, want tot nu toe was je gewend deze stemmen alleen in je binnenste te ervaren? C: Ja dat wil ik wel eens ervaren. T: (spreekt (achter de lege stoel staande) neutraal de inhoud van de negatieve boodschappen die op het bord staan uit). Heb je enig idee waar die stem vandaan komt? C: ik zou het niet weten! T: Hoe klinkt die negatieve stem (zoekend naar historische wortels). C: Scherp en hard ! T: mannelijk, vrouwelijk? C: als van een man T: hoe ver dringt de stem door in je. C: Tot in mijn buik. T: Kun je daar meer over zeggen? C: angst in mijn buik. T: Had je dat eerder, is dat bekend? Waar had je dat?. C: Het is de stem van een onderwijzer op de lagere school. Ik werd daar ook veel gepest, maar ik wilde niet terugvechten, daar houd ik niet van. T: (Doordat de pijn en het alleen zijn vroeger, al eerder besproken waren en van een 'getuige' voorzien, besluit de therapeut nu te zoeken naar wat vroeger gemist werd; een meer 'ideale rolfiguur suggererend (het tegendeel van de negatieve stem), kijkend naar een andere lege stoel naast de meer negatieve)

82


Er zou iemand daar moeten zitten, die zei: C: ....mij helpend.....(zoekend, aarzelend) T: Hoe stel je je die figuur voor? C: Het is een vrouw! T: (Denkend aan C's beginzinnen over ex-vriendin en eerdere uitspraken van deze student over diens gevoel van amputatie bij verbreking van die relatie) Kun je dit alleen bij vrouwen vinden? C: ...... T: Wat deed je vader toen je gepest werd, wat had hij kunnen doen? C: Ik vroeg hem niets, ik moest het zelf uitknokken, anders zou ik afgaan voor de andere jongens en zou ik nog verder dalen in de hiërarchie. T: Wat zou je zelf doen als je vader was en je zoon was in een dergelijke situatie? C: Ik zou met die jongens gaan praten; als mijn vader dat gedaan had, zou ik stiekem achter hem kunnen lachen. (Hij ademt opgelucht). T: (suggereert met een gebaar in de lucht de aanwezigheid van een attent iemand bij C): een getuige zou zien hoe goed de gedachtevoorstelling je doet dat er toen iemand geweest zou zijn achter wiens rug je had kunnen schuilen zodat je niet alles alleen had hoeven doen. C: (knikt en bevestigt en voelt dat het statement 'klopt' en aansluit op een lichamelijk gevoelde behoefte) T: (naar een 'tegengif' van de negatieve stem op de stoel toewerkend) Zoals je nu je behoefte gevolgd hebt en bij mij komt en mij met je mee laat denken. Je was daar tot nu toe ambivalent over omdat je altijd vond het zelf te moeten kunnen (refererend aan de stoel met negatieve stemmen hierboven en kijkend naar de andere lege stoel). C: Ja, ik had gewild dat hij gezegd zou hebben: + je 'moet' van mij helemaal niets, + ik zorg voor je doordat ik graag met je meedenk + je mag achter mijn rug schuilen als je dat wilt T: (de therapeut schrijft ook deze zinnen precies in de woorden van C op het bord, gaat achter de lege tweede stoel staan en herhaalt rustig deze nieuwe woorden). Het is nu bijna tijd. Neem voor we gaan stoppen nog eens even rustig de tijd om na te gaan wat er nu gebeurd is, welke boodschappen en stemmen ten tonele kwamen, wat je daarbij in je lichaam ervaren hebt. Neem even rustig de tijd en geef dan zelf aan wanneer we kunnen stoppen. C: ......... In bovenstaand fragment worden interventies gemaakt die slechts gemaakt kunnen worden op basis van lichaamsinformatie. De weifelende voet, maar ook het ver-zitten, maakt een interventie mogelijk precies in de center of truth van dat moment (de weifeling, mag ik hier wel zijn?). Verder herkent Maurits de herkomst van zijn innerlijke kritische stem aanvankelijk niet: “ik zou het niet weten”. Pas nadat hij geholpen wordt zijn aandacht op zijn lichaamsinformatie te richten, kan hij zeggen: ‘het was mijn onderwijzer!” . Bovenstaande behandelingspassage laat zien hoe vroeger gepest zijn, niet altijd als eerste klacht gebracht wordt, maar wel andere problemen mede veroorzaakt en in stand houdt.

83


10 ROUW EN VERLIESVERWERKING

De doden schuiven in ons aan. (Ida Gerlach).

Het verliezen van een geliefd iemand zal ieder mens op zijn tijd overkomen. Maar jonge volwassenen kunnen bij een dergelijk verlies met zware schuldgevoelens te maken krijgen over eigen levenslust. “Mag ik wel ‘op het graf dansen’ als hij of zij er niet meer is?”, Is vaak een sluimerende vraag in deze leeftijdsfase die bij uitstek dynamisch op de toekomst is gericht. Het is een veel voorkomende prettige bezigheid voor jongvolwassenen om zich met toekomstvisioenen bezig te houden. Maar iemand in een rouwproces kan - op het moment dat het plezier bewust wordt - plotseling dit plezier onderbreken en het afkappen. Opkomende schuldgevoelens blokkeren initiatieven en stappen naar de toekomst. Een plezierige beleving kan plotseling afbreken als deze op het punt staat gerealiseerd te worden. Het verlies van een vriend of vriendin kan minstens zo schokkend zijn als het verlies van een ouder. De intensiteit van het trauma hangt af van de intensiteit van een relatie, niet van de duur. Ook als jonge mensen pas sinds kort een relatie met een ander hebben, moet de hevigheid van de schok daarom niet te snel gerelativeerd worden. Het perspectief op de werkelijkheid kan gruwelijk verstoord raken en haar aanvankelijke veiligheid verliezen. De manier waarop je tegen het leven aankijkt, kan totaal veranderen. Dit laatste gebeurt ook wanneer een student zelf een lichamelijk letsel krijgt of een ongeneeslijke ziekte. Dan moet het verlies van gezondheid verwerkt worden. Zelfbeeld en toekomstvisie en de wereld zijn dan totaal van aanzien veranderd.

Een versluierde klacht De klacht bij verliesverwerking wordt bijna nooit als zodanig benoemd. Hij wordt meestal niet als rouwproblematiek verwoord, maar anders, bijvoorbeeld als fobie. Er is soms angst, omdat er van binnen een tijdbom lijkt te tikken. Huilen als verwerking van verdriet is in feite een plezierige sensatie en leidt ook rechtstreeks tot lichamelijke ontspanning. Toch wordt dit huilen fobisch vermeden omdat er tegelijkertijd stimuli mee opgeroepen worden die het schuldbeladen trauma zouden kunnen activeren en verlevendigen. Stephanie ging met haar familie op skivakantie. Zij was de jongste. De hele week had zij geprobeerd haar oudere broer zo ver te krijgen, dat hij met haar alleen een skitocht zou gaan maken. Tenslotte was het zover en gingen zij op een ochtend samen op pad. Zon, verse sneeuw, zij samen met haar broer. Maar plotseling zakte hij weg en verdween in een diepe verborgen gletscherspleet. . Het meisje meldde zich voor een behandeling bij ons omdat ze zich niet meer kon concentreren. Het ongeluk was meer dan een jaar geleden. Ze had nog steeds nergens zin.

84


Wanneer het niet lukt om een verlies te verwerken. Niet iedereen die een verlies te verwerken krijgt of een trauma beleeft, zal daarmee direct naar een hulpverlener stappen. Dat is niet nodig, er bestaat een natuurlijk soort verliesverwerking, waar in het algemeen één tot anderhalf jaar voor wordt gerekend. De vraag die een student nu zichzelf moet stellen is: ‘ waarom blokkeert de verliesverwerking?’. Voor dit meisje was het onmogelijk om met haar verdriet bij haar ouders aan te komen. Die hadden het zelf al zo zwaar met het verlies van hun oudste zoon. Zij wilde hen daarom niet belasten met haar eigen verdriet. Bovendien voelde zij zich zwaar schuldig over wat zij met haar gezeur tegen haar broer veroorzaakt had, ook al wist zij rationeel dat het niet haar schuld was. Zij kon geen ‘rouwarbeid’ verrichten. Het diepe verdriet kon geen uitweg vinden. Al haar energie werd verbruikt om dit conflict onbewust te houden. Concentratie op studie of op toekomst werd daardoor onmogelijk. Studenten klagen er soms over dat zij niet bij hun medestudenten aan kunnen kloppen om over hun verlies en verdriet te praten. Die snappen het niet, want ze hebben het zelf nooit mee gemaakt. Dat is wellicht zo, maar toch kan het ook als excuus gebruikt worden, omdat iemand anderen niet durft ‘lastig’ te vallen. Als hulpverlener wil ik daarom ook weten hoe dit meisje leefde voor het trauma met haar broer plaats vond. Als emotioneel en intellectueel begaafd kind had zij de neiging ontwikkeld om meer voor anderen te zorgen dan voor zichzelf. Zij snapte anderen snel, voelde hen goed aan. Zij werd zelf niet altijd goed begrepen en aangevoeld en om toch zelfwaardering te krijgen was zij al jong in de rol van de hulpgever geschoten. Een veel voorkomend verschijnsel bij onze doelgroep, waar ik in dit boek herhaaldelijk op wijs Ook een hulpverlener zelf kan er subtiel aan bijdragen, dat verlies onvoldoende verwerkt wordt. De intensiteit van gevoelens die het verdriet van een cliënt oproept kan zo groot zijn, dat de hulpverlener er slecht tegen bestand is. Hij zal bijvoorbeeld de opkomende schuldgevoelens van het meisje te snel willen ontzenuwen zodat ze zich niet serieus genomen voelt en geen ruimte krijgt deze te exploreren. Met name de neiging om te gaan troosten door het verdriet als het ware ‘over te nemen’ werkt antitherapeutisch. Dit laatste leerde ik eens en voorgoed af toen ik eens deel nam aan een workshop voor traumabehandeling. De docent werd toen woedend op mij en zei: ‘blijf met je vingers van dat verdriet af, dat is niet van jou!!’. Het verlies is op het pad van de student gekomen, misschien heeft het wel een zin, in ieder geval moet de student het in zijn eigen leven opnemen en verwerken. Therapie voltrekt zich bij de gratie van hoop. Het is het geloof in de menselijke mogelijkheden en de bemoediging daarvan. De intense emoties die bij hulpverleners zelf worden opgeroepen, refereren vaak aan de mate waarin zij zelf verlies en pijn verwerkt hebben in hun leven. Soms worden er stilzwijgende afspraken gemaakt tussen het onbewuste van de hulpverlener en dat van de te coachen student om de pijn maar onbesproken te houden en te vermijden. Bij wijze van oefening zou ieder die op dit gebied hulp verleent eens aan iemand een eigen trauma moeten vertellen. Dan pas wordt aan den lijve ervaren hoe schaamte en weerloosheid onze rationele nuchterheid volledig overspoelen. Harold klaagde erover dat bij het verlies van zijn vader toen hij vijf was, iedereen hem erbuiten gehouden had ‘om hem te sparen’. Wij deden de begrafenis over in een therapiegroep. We zaten daar, dronken koffie, rookten een sigaret, een groepslid lag daar en speelde de rol van de dode vader. Hij sprak nu met ons over zijn verdriet, zijn fantasieën over zijn vader al die jaren en hoe het was er geen te hebben.

85


Behandeling van een trauma Het is overigens niet nodig om in een behandeling stereotiep afgesleten vragen te stellen in de trant van:’ hoe voelde je je toen’. Een feitelijke beschrijving van het gebeurde, roept vanzelf alles op. “Welke kleren had je aan, waar stond je, hoe zag het gezicht eruit?”. Nadat in een behandeling het eigenlijke probleem genoemd is, weerstanden zijn doorgewerkt, schuldgevoelens ruimte hebben gekregen, kan het eigenlijke verhaal verteld gaan worden. Dan kan begonnen worden met concrete vragen. “Vertel eens hoe je relatie was met degene die stierf”. Daarna:” Hoe hoorde je van het ongeluk?”. Ook vragen naar lichamelijke reacties daarop zijn zinnig. Wanneer sommige dingen te erg zijn om direct onder ogen te zien, dan kan daarin een hiërarchie van geleidelijkheid worden gemaakt. Op kaartjes kunnen situaties, geuren, gelaatsuitdrukkingen, reacties, worden opgeschreven en deze kunnen gerangschikt worden in een oplopende graad van intensiteit. Op deze wijze worden ze al enigszins verwerkt en bemeesterd door ze van enige afstand te ervaren. Ze worden dan niet op dezelfde wijze herbeleefd, want zou alleen maar een herhaling zijn. Ze worden - omdat ze vanuit een enigszins andere positie opnieuw worden opgeroepen - verwerkt. Wat ook goed kan werken is om iemand in een behandeling voor te stellen huiswerk te maken. Bijvoorbeeld een foto van de overleden moeder op het bureau te zetten en dan drie keer per week op vaste tijden een brief aan haar te gaan schrijven.

In de algemene theorie over verliesverwerking wordt gesteld dat rouw en depressie niet hetzelfde zijn. In het onderscheid wordt wel benadrukt dat bij rouw de eigenwaarde niet daalt, er geen storing in vitale kenmerken is, suïcidepogingen zeldzamer zijn en er meer sprake is van specifieke schuld. Bij depressie is er een algeheel schuldgevoel als agressie tegen zichzelf, en zijn alle gevoelens gesluierd en onderdrukt. Dit onderscheidt gaat bij onze doelgroep niet altijd op. Doordat bij studerende jongvolwassenen via het complex van het drama van het begaafde kind er ook depressie kan optreden, lopen bij hen bij rouwprocessen en depressie soms dooreen en blokkeren zij soms dubbel de verliesverwerking. Dat was ook het geval bij Stephanie, het eerste voorbeeld uit dit hoofdstuk. Het opvullen van een open plaats en het verlies van een illusie Studenten zijn als doorgaans begaafde mensen, sterk geneigd om bij verlies het gat te vullen dat een afwezige achterlaat. Bij verlies van een vader of moeder gaan zij vaak voor het achtergebleven gezin die ouderrol vervullen met voorbijzien aan eigen behoeften. Soms fantaseren ze zelfs over een soort partnerrol met de overgebleven ouder. Een dergelijke ‘grootheidsfantasie’ wordt zeer moeilijk losgelaten, en kan op haar beurt wel degelijk ook als een rouwproces gezien worden. De angst om deze positie los te laten is zo groot, omdat de eigen zelfwaardering volledig op deze schijnpositie gebaseerd werd. Het is een soort ‘troostfantasie’ om het gebrek aan aandacht, de onvolgroeide identiteit en het lege gevoel daarbij de baas te blijven. Daarom zal de hulpverlener bij het bewerken van de illusie liefdevol te werk moeten gaan. Hij of zij moet er zich bewust van zijn, dat een almachtspositie pas losgelaten kan worden als de gevreesde leegte geleidelijk aan gevuld kan worden. Door de hulpverlener langzamerhand gevoelens toe te vertrouwen begint degene die hulp vraagt zijn of haar oude geschiedenis van het altijd alles alleen doen, los te laten en kan hij nu een voor zichzelf nieuwe nog nooit vertoonde geschiedenis gaan schrijven.

Voor sommige studenten blijkt het ondersteunend te zijn theoretisch te lezen over rouwprocessen, traumaverwerking en de fasen en ontwikkelingen daarin. Anderen spreekt een meer biografisch getint verhaal meer aan. Suggesties volgen hier:

86


Literatuur Harris, Maxime (1996). Een verlies voor altijd. De levenslange invloed van de vroege dood van een ouder. Amsterdam: Bert Bakker. Hope Edelman. Motherless daughters. Roskam K. en Barneveld-Roskam, C. (1995). M’n dochter, m’n zusje. Poging tot verwerking van een dodelijk ongeluk. Kok, Lyra. .

87


11 ZINGEVING

How is God? She is black. (Tekst op de Berlijnse Muur).

Vragen over de zin van dit bestaan zijn des mensen en komen onder studenten relatief veel voor. De literatuur en de docent zijn er in deze periode niet zozeer om zekerheden of antwoorden te geven maar om te helpen vragen op te roepen, ze uit te lokken, af te breken en opnieuw op te bouwen. Soms echter worden zingevingvragen persoonlijk zo dringend of paniek veroorzakend dat er van een probleem gesproken kan worden. Dan is er werk aan de winkel voor een psychologisch geschoold hulpverlener, meer dan voor een theoloog of spirituele leider. Een psycholoog kan en moet geen antwoord geven op de vraag naar de zin van het bestaan. Wanneer zingevingvragen echter obsessief worden of omgeven zijn met grote angst ligt er voor hem of haar een taak. Een goed psychotherapeutisch proces kan dan gaan bijdragen tot een ervaring waarin weer zin beleefd wordt in dit bestaan. Vroeger waren zingevingvragen het domein van de godsdienst. Losmaking van ouders moest vooral op dit traditionele terrein bevochten worden. Dat komt nog steeds voor, hoewel in veel mindere mate bij Autochtonen, maar des te meer bij Allochtonen. Jonge mensen lijken overigens steeds meer te vragen om een wetenschap die zich weer met de aard van denken zelf en bewustzijn en bezielde samenhang bezig houdt. De beroemde Engelse historicus Arnold Toynbee denkt zelfs dat de ontmoeting tussen het Boeddhisme en de Christelijke cultuur de belangrijkste gebeurtenis van deze eeuw zal worden. De Islam hoort natuurlijk ook thuis bij die ontmoeting der culturen.6.

11.1 Problematische verschijningsvormen van zingevingvragen Sommige studenten raken verstrikt in academische redeneringen over de zin van het bestaan, over normen en waarden, waar ze niet meer uitkomen en waarbij het ene argument zich op het andere stapelt, zonder einde, om gek van te worden. Zonder enig houvast, zonder enige ontdekkingsvreugde, zodat het hun hele leven bepaalt. Alsof in het redeneren angstig of dwingend naar houvast gezocht wordt. Bij anderen neemt de vraag naar de zin van het bestaan een andere vorm aan: bijvoorbeeld angst voor de dood. Een student: “Als ik toch dood ga, waarom zou ik dan nu nog verder leven? Ook de gedachte dat mijn ouders dood zouden kunnen gaan, maakt mij doodsbang, dat zou echt het einde betekenen”. 6

Op mijn website heb ik meer geschreven over Islam en over de saecularisatie in Nederland niet per sé tot vervlakking behoeft te leiden. Er komt ook onder intellectuele mensen weer meer oog voor dimensies in Ons Bestaan. Zie : http://home.tiscali.nl/sommeling/innerlijke reis.htm

88


Nog weer een andere vorm waarin zingevingvragen kunnen verschijnen is een algemeen vaag gevoel van malaise zonder dat er direct een concreet probleem te formuleren valt. Een student: ‘ er zit echt niemand op mij te wachten, het doet er helemaal niet meer toe of ik leef’’. Alsof het er niet meer toe doet om ’s morgens op te staan. Soms kan dit malaisegevoel ook vanuit een heel andere richting komen, uit een soort overdaad of verwenning alles al meegemaakt te hebben. Deze problematische vormen van zingevingvragen beschouw ik nu wat nader.

89


Houvast zoekend in redeneren Er bestaat een samenhang tussen het niet ervaren van zin en psychopathologie, ontdekte Debats (1993) in een groot onderzoek dat hij ook bij onze studentenpopulatie uitvoerde. Evenals alle dogmatisme en ideologieën, spruiten ook zingevingvraagstukken nogal eens voort uit rationalisatie, uit een gebrekkig contact met de werkelijkheid. De ‘redeneerder’ die zich beperkt tot rationele argumenten raakt daar bijna altijd in verstrikt. De zin van het bestaan kan nooit alleen door redeneren gevonden worden. Het ene argument kan direct ontzenuwd worden met een tegenargument. Tegenover het ene filosofische of godsdienstige systeem kan zo een ander gezet worden. De these hier is nu dat de zin van het bestaan niet gevonden kan worden door louter redeneren, maar slechts in bepaalde mate ervaren kan worden door iemand die ‘goed in zijn vel’ zit. Ons bewust ervaren wordt namelijk ook gevoed door onze tastzin, smaak, gevoel en emoties, kortom door wat er - naast onze ratio gebeurt in de rest van ons lichaam. De loutere ‘redeneerder’ heeft een splitsing aangebracht tussen zijn ratio en de rest van zijn bewustzijn, alsof hij gedissocieerd is en alleen ‘in zijn kop’ zit. Waarom heeft hij dat gedaan en werd hij daartoe veroordeeld? Dissociatie treedt meestal op bij angst. Een hypothese (die door navraag getoetst kan worden) is dat deze student vroeger in een chronische angstsituatie geleefd heeft. Het lijfelijk houvast en de zorg van een ouder wordt door een kind spelenderwijze geïnterioriseerd, zodat een kind ook zonder die ouder veiligheid kan voelen en ervaren. Het kan dan in zijn eigen lichaam ‘houvast’ ervaren en zin, en hoeft niet met krampachtige woordenstromen of redeneringen een artificieel ‘houvast’ te construeren geheel buiten zichzelf. Een te krampachtige behoefte aan een Absolute Waarheid of Zekerheid laat zich vaak psychologisch vertalen als het zoeken naar het houvast van een gemiste ouder. Romantisch of traditioneel wordt een vader wel eens voorgesteld als een poolster waar je je in deze wereld op kunt oriënteren en als een soort scherm die de nog niet te dragen gevaren van de buitenwereld afschermt. Vaak zag ik piekergedrag bij studenten met afwezige vaders. Piekeren is een onvruchtbare bezigheid; het is een cirkelredenering die eigenlijk geen constructief denken is. Uit het voorafgaande volgt een behandelwijze. Symbolisch zal de therapeut de functie van een stabiele ouder moeten vervullen. Hij moet op tijd aanwezig zijn, betrouwbaar zijn in zijn afspraken. Hij zal een veilig klimaat scheppen, zodat een cliënt dagelijkse piekerzorgen kan bespreken. Binnen een veilig klimaat kan er ruimte komen voor een student om eigen emoties en gevoelens te leren vertrouwen, deze te leren herkennen, bewust te worden en uit te spreken. Vanzelf komt iemand dan beter in zijn of haar lijf te zitten, want emoties worden in het lichaam gevoeld. Hierdoor wordt er een soort intern houvast gecreëerd, zodat het redeneren en uitsluitend op de ratio vertrouwen, langzamerhand losgelaten kan worden. Studenten stellen vaak ook een uitleg op prijs over hoe het probleem mogelijk in elkaar zit. Bij sterk rationalistisch ingestelde studenten – vaak zijn dat jongens -kan een meer lichaamsgerichte therapie overwogen worden. Ook binnen een gesprekstherapie kunnen vragen over hoe iemand erbij zit, of wat in iemand in het lichaam ervaart terwijl hij over een specifiek probleem aan het vertellen is, meer focus op geïntegreerde lichaamsbeleving geven (zie hiervoor uitgebreider hoofdstuk 14).

Angst voor de dood Angst voor de dood is een verschijningsvorm van zingevingproblemen die ik vooral bij ‘geplastificeerde’ meisjes zag. Met ‘geplastificeerd’ bedoel ik: sterk op uiterlijk gericht, dikke make-up lagen, overdreven aandacht voor kleding, gekunstelde vorm van omgang. Alsof hier

90


het houvast niet in de ratio gezocht wordt zoals in het vorige voorbeeld, maar in de oppervlakteverschijning. Alsof uiterlijk niet in verbinding staat met innerlijk. Alsof de tijd louter wordt opgevat als een reeks punten, waardoor de beweging naar de dood welhaast noodzakelijkerwijs een wanhoopsrace wordt (Samy 1998). De chronische angstsituatie waarin deze studenten vroeger leefden, werd veroorzaakt door onvoldoende ouderlijke aandacht. Vaak was er thuis geen plaats voor emoties en moest aandacht gekocht worden met sociaal wenselijk gedrag. Lief doen, vrolijk zijn, er altijd ‘leuk’ uitzien. De vervulling die in dit bestaan ervaren zou kunnen worden, wordt bij deze meisjes overschaduwd door het obsessionele besef dat schoonheid vergaat. De angst dat er dan niets overblijft lijkt een echo uit hun verleden waar het echte zelf geen vorm mocht krijgen en de maskerade als enig mogelijke vorm van leven gekozen werd. Een therapeutisch proces verloopt hier nogal eens met onderbrekingen. Alsof een grotere diepgang aanvankelijk niet verdragen wordt en een opheffing van de grootste angst iemand doet besluiten ‘klaar ‘ te zijn met de therapie. In een latere periode wordt dan soms een diepgaander en langere behandeling gekozen. Bij vrouwen met dit soort problemen gaat mijn voorkeur uit naar een vrouwelijke therapeut. Bij een mannelijke therapeut is hun weerstand om het houvast van uiterlijke vormen los te laten nogal groot. Er lijkt behoefte aan een vrouwelijke identificatiefiguur, zeker als men het vermoeden krijgt dat moeder met hetzelfde probleem van houvast in uiterlijkheden worstelt. Vaak heeft die moeder ook geen expliciete stellingname ingenomen tegen een vader, die vrouwen voornamelijk op hun uiterlijke verschijningsvorm waardeert. Bij jongens ziet men soms een pendant in aandacht voor een gespierd lijf. Compensatie voor een leeg gevoel en een angstig vermoeden van geen binnenkant te hebben, wordt dan gevonden in overdreven aandacht voor de buitenkant van het lichaam. Er is dan geen contact met de ‘binnenkant’ van het lichaam, met het ‘lijf’ als plaats waar emoties gevoeld kunnen worden. Het doet er toch niets toe Een derde mogelijke verschijningsvorm van zingevingproblemen behoort eigenlijk tot een heel andere categorie. Er zijn jonge mensen die er helemaal niet willen zijn. Zij hebben het gevoel dat het er niet toe doet om ‘s morgens op te staan, ‘ik kan toch niets’ of ‘ er zit echt niemand op mij te wachten, het doet er helemaal niet toe of ik leef’’. Of : ‘ ik heb het wel gehad, ik heb alles al meegemaakt, wat zou er verder nog zijn?’. Vaak is hier sprake van een gemaskeerde depressie, die soms ontlopen wordt door steeds nieuwe kicks, sensaties of pijnprikkels te zoeken. Dit zoeken gebeurt omdat er geen contact met zichzelf van binnenuit ervaren wordt en dus geen zin ervaren wordt. Wanneer onderliggende woede en verdriet een plek hebben kunnen krijgen in een therapie, komen levenslust en zin in het gewone bestaan van alledag vanzelf terug. Want zin in het leven geeft het leven weer zin. Betekenis in het leven wordt als vanzelf gevoeld wanneer iemand een niet-vervreemdend gevoel van samenhang en verbondenheid met het leven en het innerlijke zelf kan voelen. Alles lijkt dan zijn tijd en plaats te krijgen en een soort van samenhangend verband. Eenvoudige dingen zijn dan goed genoeg; het magische zit dan niet in uitzonderlijke avonturen of kicks van buitenaf, maar betekenis is dan aanwezig in het leven van alledag.

91


11.2 Naar Pastor, Iman of naar psycholoog? Psychologische hulpverlening kan geen antwoorden geven op zingevingvragen. Ze kan ze wel dragelijker, minder obsessief en avontuurlijker maken zoals ik in de vorige paragrafen betoogde. Kan godsdienst of filosofie wel een antwoord geven op de zin van het bestaan? Een helder inzicht in de afgrenzing tussen deze disciplines kan nuttig zijn wanneer studenten zich melden met zingevingvragen (Sommeling 1983). Van oudsher zijn zingevingvraagstukken het domein van de godsdienst. Het kan goed zijn om studenten met een sterk spelende godsdienstige achtergrond de vraag voor te leggen of hij of zij wellicht niet beter met een pastor of iman kunnen praten. Deze confrontatie tevoren kan heel heilzaam zijn en therapeutische mislukkingen voorkomen. Verborgen agenda’s komen dan helder op tafel te liggen en over keuzen kan tevoren goed worden nagedacht. Traditioneel godsdienstige systemen botsen nog al eens principieel met de waarden die in psychotherapie worden hooggehouden. Waar in het ene systeem ‘voor jezelf opkomen’ als egoïstisch wordt bestempeld is het in het andere systeem een noodzakelijke voorwaarde voor groei. Wordt ‘autonomie’ en ‘zelfstandig denken’ als hoogmoed gezien of als een verantwoordelijkheid waar een mens niet voor moet vluchten? Een tiental jaren geleden botsten veel studenten, die naar de grote stad kwamen om te studeren, sterk met de traditionele geloofswaarden van het dorp waar zij opgevoed waren. Nu zijn dat veel allochtone jongeren. Losmakingproblemen met ouders werden vaak als godsdienstig conflict uitgevochten. Waar religie de vorm van een godsdienst aannam, verloor zij traditioneel nogal eens het respect voor de menselijke autonomie en ervaring. Zij heeft in het verleden velen gedwongen op haar gezag bovennatuurlijke waarheden aan te nemen. De zin van het bestaan werd zo door haar vastgesteld. Dat jonge intellectuelen in onze cultuur met een dergelijke houding in de problemen kwamen, laat zich raden. Een eigen standpunt ten opzichte van het geloof van je vaderen, is een opgave. De laatste paragraaf van dit hoofdstuk bevat een tekst die deze opgave ondersteunt.

11.3

Naar een wetenschap van de ziel

Eerder stelde ik dat het domein van de psychologische hulpverlening de hantering van zingevingvragen betreft, wanneer het omgaan daarmee problematisch is. Dat neemt niet weg dat psychologie ook kan bijdragen tot de verdieping van ‘gezonde’ zingevingvragen. Jonge mensen hebben geen boodschap aan de dogmatische zingevingsystemen van de traditionele kerken, waar de waarheid is zoekgeraakt. Wanneer echter de vindplaats van Echtheid en Waarheid volgens de psychotherapie in degene die gecoached wordt zelf te vinden is, dan is er voor haar misschien wel een taak weggelegd in de hedendaagse bestaansoriëntatie. Leijssen (1995) beschrijft hoe in sommige therapieën, mits de therapeut daarvoor openstaat, deze religieuze dimensie expliciet kan worden in de ervaringen van de desbetreffende student. Daar worden dan woorden voor gebruikt als 'transcendent' en 'heel' en daarin beleven dat ze toegang krijgen tot een daarvóór niet ervaren samenhang en verbinding met iets dat groter is dan het individuele ik en als genezende kracht ervaren wordt. In een discussie die ik meemaakte tussen een hoogleraar psychotherapie en een student die vroeg naar de opvattingen over het verband tussen psyche en ziel, verwees de eerste hem

92


direct naar de pastor. Maar het begrip ‘ziel’ en ‘soul’ wordt door jongeren al lang niet meer gebezigd in de betekenis die de oudere hoogleraar gewend was. Deze dacht aan ‘een door God ingestorte ziel’ terwijl de jongere de wezenlijke kern van iets bedoelde; datgene wat bezieling aan iets geeft, in de zin van:” It gets soul”. Het Nederlandse woord ‘ziel’ betekent het wezen, de geheimzinnige samenhang: De morgenbries woei aan de ziel der Perzische rozen, dicht Louis Couperus. Met het op deze wijze gedefinieerde begrip ‘ziel’ is het concept ‘psyche’ van oorsprong verbonden. Totdat de kerk Descartes verbood zich met dit gebied bezig te houden en hem – op straffe van excommunicatie – voorschreef zich tot ‘objectieve wetenschap’ te beperken. Begint de wereld van de wetenschap zich - na de ineenstorting van de kerk - het geestelijk domein weer toe te eigenen? Precies op de plek waar in Groningen vroeger een kathedraal stond, staat nu de monumentale Universiteitsbibliotheek, de nieuwe tempel der Wetenschap. De gebeden zijn verstomd, de gezangen die naar ijle hoogten opstegen in het gefilterde licht van de glas in lood ramen, klinken niet meer, de gelovigen zijn verdwenen. Studenten zitten in de zon op de trappen van het academiegebouw. Ze komen even pauzeren uit de bibliotheek aan de overzijde van het plein, moe van de informatiestromen die zij op hun computerschermen te verwerken kregen. Op hun T-shirts prijkt de wapenspreuk van de Universiteit: ‘Verbum Domini lucerna’: het Woord van de Heer is als een lamp voor uw voeten. Zal de Universiteit de nieuwe vrijplaats van denken en humaniteit worden? In een discussie met Freud pleit Jung (1954) er al voor om het westerse begrip ‘psyche’ niet langer te reduceren tot ‘functioneren van een psychisch apparaat’. Hij pleit ervoor ‘psyche’’ weer de bredere betekenis te geven die het vanouds in het Westen had en in het Oosten nog steeds heeft. Er moet weer een wetenschap van de ziel komen (Moore, 1993) en van wat wezenlijke Kwaliteit herbergt, van wat er werkelijk toe doet en ‘als Eerste’ beoogd zou moeten worden (Pirsig 1991; Almaas 1996; Sommeling 1996). We moeten niet te snel verwijzen naar andere disciplines dan de psychologie. Woorden als ‘psyche’ , ‘mind’ en ‘ziel’ verbinden ons met een rijk verleden. Jonge mensen hebben belangstelling voor Westerse mystiek en Oosters Boeddhisme omdat dit geen dogmatische systemen zijn maar diepe wijzen van leven. Ze openen onze ogen voor illusoire aspecten van de werkelijkheid en voor de niet-maakbare aspecten daarvan. Het bewustzijn, de ‘mind', bergt volgens hen bevrijding en verlichting in zich en kan tot de werkelijke beleving van zin leiden. Voor studenten die daarmee willen oefenen is het boekje van Tijdeman (1998) in al haar eenvoud een goed begin. Het gaat er overigens niet om het Boeddhisme en haar beelden en rituelen te imiteren, zoals je velen westerlingen ziet doen momenteel. Het gekoketteer met een slecht begrepen concept zoals ‘verlichting’ werkt op mijn lachspieren. Het gaat er om als westerling er meer jezelf door te worden, te zorgen dat de dingen hun ware aard behouden of terugkeren naar hun oorspronkelijkheid. Wanneer we slaafs zenmeesters gaan volgen dan hadden we net zo goed in de kerk van de Paus van Rome kunnen blijven. We moeten goed opletten het gat dat in onze cultuur ontstaan is door het wegvallen van het Christendom niet op een te goedkope wijze te vullen. Een voortreffelijk en kritisch boekje op dit gebied is Waarom kwam Bodhidharma naar het Westen? De ontmoeting van Zen met het Westen van Ama Samy (1998).

93


11.4 Een eigenstandpunt ten opzichte van het geloof van je vaderen Onderstaande paragraaf schreef ik twintig jaar geleden, toen het onderwerp voor studenten heel actueel was. Ik heb de tekst bijgewerkt en ingekort en in dit boek gepubliceerd omdat het in de praktijk van de studentenpsycholoog nog steeds een item kan zijn. Een eigen positie bepalen ten aanzien van het geloof van je ouders is niet eenvoudig. Heimwee naar de oude nestgeur en behoefte aan zelfstandig denken, schuldgevoelens, waarheidsvragen wisselen elkaar af. Wat willen we overnemen van het oude en van de normen waarmee we zijn opgevoed, en die zo diep op ons inwerkten? En waar willen we ons van losmaken? We willen zelfstandig leren denken. Mogen we eigenlijk wel vragen bij onszelf toelaten hier, mogen we wel twijfelen? We worden geconfronteerd met verschillende verklaringen van de bijbel. We ontmoeten mensen die niet meer geloven. Wat moet onze positie zijn? Vaak zijn je ouders zo met de godsdienst verweven, dat als je je kritisch zou opstellen ten opzichte van godsdienst, je ook je ouders lijkt af te vallen. Om meer helderheid te krijgen in dit proces, is deze paragraaf bedoeld. Eerst wordt beschreven met welke gevoelens een dergelijk denkproces doorgaans gepaard gaat. Het kan een moeilijk, maar creatief proces naar zelfstandigheid inhouden. Het kan soms de vorm aannemen van een bevrijding. Daarna voor liefhebbers nog een beschouwing over het verschijnsel religie in het algemeen en wat het evangelie daarover zegt. Tenslotte beschrijf ik hoe in de overlevering en in de geschiedenis van de kerk zelf, opgeroepen wordt om zelf te denken en een standpunt in te nemen ten aanzien van de traditie. Soms kan het bevrijdingsproces van zelfstandig denken later de vorm aannemen van een eigentijds gevoel voor mysterie en geheimenis. Een zelfstandige standpuntbepaling Ik begin met de beschrijving van enkele emotionele moeilijkheden die kunnen optreden wanneer een mens langzamerhand tot een eigen standpuntbepaling wil komen. Dat is niet zo eenvoudig. We zijn geworpen in dit bestaan en zoeken soms houvast voor onze existentiĂŤle angst; we zoeken naar vaste normen, naar een leider, naar een magisch figuur. Vanuit dit verlangen wordt aan religieuze leiders vaak veel macht toegekend; er is behoefte aan een sterke man. Omdat we veel dingen niet kunnen zien en weten, is het zeer rustgevend wanneer iemand ons zegt hoe ze in elkaar zitten en wat belangrijk is. Daar is dan de macht die inspeelt op de menselijke afhankelijkheid. Mensen die moralistisch zijn opgevoed, worden erg betutteld: "dit mag je, dit is goed, dat is slecht". Ze worden daardoor afhankelijk van anderen. Ze baseren hun identiteit op externe normen, die niet vanuit zelfgevoel voortkomen. Ze worden afhankelijk van de goed- en afkeuring van een ander. Minder assertieve gevoelens voeren de boventoon: twijfel, protest, advies vragen, hunkeren naar goedkeuring. Door deze onderdrukking van eigen gedachten en gevoelens ontstaan stress, gespannenheid, twijfelzucht en benauwdheid. Ook ontstaat er vaak een onbewuste, dus niet direct voelbare irritatie, omdat er niet echt naar jou geluisterd wordt. Je gaat dan twijfelen aan je eigen gedachten en gevoelens en raakt langzaam het contact daarmee kwijt. Je voelt dat je langzamerhand vervreemdt van jezelf; vandaar die lichte, sluipende vorm van irritatie. Ook wordt het moeilijk om later beslissingen te nemen, er is veel twijfelzucht, want je hebt nooit de gelegenheid gehad om te experimenteren met het leren nemen van beslissingen; je hebt nooit op je eigen gedachten mogen leren vertrouwen. De zelfbewustere gevoelens komen daarom bij afhankelijk gemaakte mensen minder voor:

94


duidelijke kwaadheid, je eigen wijsheid hebben, fantasie, creativiteit, warmte geven, experimenteren, spontaneïteit. Wanneer we leren om op steeds meer gebieden eigen verantwoordelijkheid te dragen, levert ons dat naast een grotere vrijheid vooral ook persoonlijke opluchting op. Wanneer we - vanuit een kerkelijke traditie komend - zelf beginnen na te denken en te voelen, worden we nogal eens voor ‘egoïstisch' uitgemaakt, wanneer we voor onszelf gaan op komen. Dat kan ons behoorlijk verwarren en ons schuldig doen voelen. Natuurlijk kan iemand te egoïstisch zijn, maar dit mag niet verward worden met een noodzakelijk gevoel van verantwoordelijkheid voor je eigen persoon, voor wat je nodig hebt, voor wat je grenzen zijn, voor wat er met je gebeurt als mensen je niet respecteren. Het is niet goed wanneer we steeds maar eigen gevoelens opzij zetten en alsmaar de ander de gehele ruimte geven. Voldoende voor jezelf opkomen, respect hebben voor je eigen ruimte en draagkracht en tempo, is een respectabele en noodzakelijke taak. Wanneer gevoelens weggedrukt worden, komen ze soms als agressie terug tussen de regels door of in een andere vorm; bijvoorbeeld als een strenge moraal waarmee je anderen kunt pesten. Veel kerkelijke mensen zie je altijd maar glimlachend aardig doen tegen iedereen, maar je voelt dat het niet echt is, niet altijd recht uit het hart komt. Hun onderdrukte agressie komt vaak op twee manieren aan de oppervlakte. Ten eerste houden ze er een hardvochtige moraal op na voor anderen (waar ze zichzelf in het geheim vaak niet aan kunnen houden), die vaak op afkeuring en discriminatie neerkomt. Ten tweede worden ze vaak subtiel neerbuigend door de wereld in twee groepen te verdelen: de ‘helpers’ waar ze zelf toe behoren en de ‘slachtoffers’ die geholpen moeten worden. Je laat de ander vertellen over zijn moeilijkheden, hij komt met gevoelens. Jij blijft buiten schot en kunt zo wel emotioneel bevredigend bezig zijn. Dit ontlokte een kennis van mij eens spottend de uitdrukking: "van andermans leed is het goed riemen snijden". De wereld wordt zo stilzwijgend opgedeeld in helpers aan de ene kant, en kneusjes aan de andere. Enerzijds mensen die het kunnen weten, aan de andere zijde mensen die dwalen. Enerzijds ‘gelukkigen’ (want bijvoorbeeld getrouwd), anderzijds ‘homoseksuelen’, die het alleen daarom volgens hen moeilijk hebben. Ligt in dit soort denken niet de verklaring van de strenge moraal van "Moeder de H. Kerk". In feite houdt deze een verachtende afkeuring in en een hoge mate van discriminatie. Het is een versimpelde pastoraal; een zwart-wit wereldbeeld waar de gezonde kant van de "kneusjes" en de gekneusde kant van de "gezonden" niet zichtbaar worden. Het is geen mededogen maar medelijden dat in hoogmoed en ethische afkeuring omslaat, omdat de ander onterecht als underdog bestempeld wordt. Het is dezelfde attitude als van de oude neerbuigende psychiatrische hulpverlening, waarbij de afstand hulpverlener-student te groot gehouden wordt en de hulpverlener neerbuigend wordt. Deze wijze van zien is niet alleen maar makkelijk voor de kerkelijke "helpers", want voortdurend voelen zij de innerlijke plicht (de zogenaamde "roeping") om de problemen van anderen op hun nek te nemen. De hierboven beschreven nare gevolgen in de menselijke omgang ontstaan, wanneer we gedwongen worden om gevoelens te onderdrukken, en om uit angst voor zogenaamd 'egoïsme' en schuldgevoel onze eigen autonomie te verwaarlozen. Hoewel de kerk en de Islam op haar beste momenten altijd de vrije wil en het eigen geweten als prioriteit erkend heeft, maakt zij het mensen die echt zelfstandig gaan denken soms erg moeilijk: zij noemt hen heel negatief niet alleen 'egoïstisch' zoals we hierboven al zagen, maar ook 'hoogmoedig'. Terwijl het de kerk en de Islam zou sieren, en daar zou ze het ook van moeten hebben, wanneer ze mensen die kritisch en zelfstandig willen leren denken, zou prijzen.

95


De meer zelfbewuste gevoelens vereisen namelijk een enorme moed: in je existentiële levensangst wil je niet meer grijpen naar externe normen, naar een soort van Absolute Waarheid en Zekerheid, naar een Grote Leider, maar je gaat in een aanvankelijk als leegte ervaren werkelijkheid op eigen bakens varen. Nieuwe bakens, feeling voor een richting, worden langzaamaan ontwikkeld door te luisteren naar een innerlijk kompas, dat een integratie is van wat je geleerd hebt en getoetst aan eigen gedachten en gevoelens. Er bestaat een goed boekje van de Duitse theologe Dorothee Sölle over een dergelijk bevrijdingsproces, onder de sprekende titel "Fantasie en Gehoorzaamheid". Het is een pleidooi voor eigen creativiteit en een kritisch doordenken van kerkelijke traditie. Hoe kunnen we ons nu losmaken van gewoontes en denkbeelden waar we het niet meer mee eens zijn, of waarvan we voelen dat ze niet goed zijn. Het begint met bewustwording, het ervaren van een gespletenheid, het niet jezelf zijn samengaand met benauwdheid en depressie. Enerzijds is er de benauwdheid, het gevoel nooit helemaal op heldere grond te lopen, stekende schuld, nooit op te lossen twijfel (en de daaruit voortvloeiende zelfopgave om tot een adequate en harmonieuze standpuntbepaling te komen, waarbij je jezelf ook recht doet). Anderzijds is er heimwee naar een oud vertrouwd wereldbeeld, waarin alles vaste plaatsen heeft en liefde wereldomvattend is, waar haat, kleine nuchterheid, mislukkingen buiten de deur worden gehouden, waar een weliswaar minieme maar toch duidelijke bevrediging gevonden wordt in moreel goedgekeurde daden. Het is het heelal in een romantisch licht. Hoe komen we hier uit het dilemma en waar moeten we tegen vechten, of tegen wie moeten we vechten. Niet tegen God, zoals ik hierboven en verderop in deze paragraaf betoog, maar wellicht wel tegen een ons verkeerd gepredikte wijze van godsdienst. Het belangrijkste over dit proces is nu gezegd. Liefhebbers kunnen nog doorlezen; er volgt nog een algemene beschouwing over religie, en een over bijbel en kerkelijke traditie, die kritisch beschouwd worden en waarin duidelijk gemaakt wordt hoe die in feite ook oproepen tot zelfstandig doordenken van de traditie.

Bijbelse oproep tot zelfstandig denken De macht van een berg, de kracht van de zee, de glimlach van een andere mens is zo anders dan jij, dat het een vermoeden naar ‘het goddelijke’ kan opleveren. Om de angst voor zo’n onvoorspelbare macht te bezweren, begonnen primitieve volkeren zoenoffers te brengen aan een gecreëerde (af)god. En in minder angstige momenten werd het diepere van het bestaan gevierd en verbeeld in goden, zoals in het Griekse Hellenisme.De Griekse goden waren mooie mensen, vol plezier, maar ook met menselijke jaloezie en drama. Een hemelse afspiegeling van ons bestaan. De wortel van het Christendom is de joodse godsdienst. De God van de Joden was vanaf het begin onzichtbaarder en onnoembaarder, er mocht geen beeld of voorstelling van zijn zoals bij de Egyptenaren en andere volkeren; maar in de tien geboden werd wel een levenswijze voorgeschreven en steeds werd er opgeroepen iets zinvols van dit bestaan te blijven maken, waarvan de geheimenis ervaren werd. Modern bijbelonderzoek (archeologische vondsten, tekstanalyses) heeft het ontstaan van de bijbel en de Koran ontmythologiseerd: de betekenis onttrekt zich niet aan de waarneming, de tekst is niet iets wat zo maar letterlijk en op gezag moet worden geloofd, maar roept op tot een wisselwerking en kan dus bestudeerd worden. Literatuuronderzoek maakt duidelijk hoe geïnspireerde auteurs het levende geloofsgoed vastgelegd hebben en er een geheel van maakten. Het begin werd niet het eerst geschreven. Het scheppingsverhaal is niets meer of minder dan een poëtische neerslag van de visie van de auteur dat de God, die hen later uit

96


Egypte voorging, ook de ordening in de wereld (donker en licht, zee en land) gemaakt moet hebben, en dat de mens zelf het kwaad in de wereld brengt (zondeval). De bijbelverhalen zijn niet letterlijk te nemen maar het is Israels visie op het verleden (Renckens). Het is een oproep moed te houden en mee te trekken naar nieuwe levensmogelijkheden; een oproep om naast statische patronen ook naar nieuwe dynamische te zoeken. Deze verhalen vertelden ouders door aan hun kinderen. Het is de moed van een volk niet bij de pakken neer te gaan zitten, niet in angst kinderoffers te gaan brengen aan gecreëerde afgoden (Mozes), de vrouw ook als te respecteren menselijk wezen te behandelen, het is een gedurfde progressieve levensvisie. Paradoxaal genoeg brengt de ontdekking dat de bijbel niet letterlijk moet worden genomen, maar een tijdgebonden neerslag is van een gelovig volk, de Schrift dichter bij ons, omdat er zo eerder een betekenis uit gelezen kan worden voor onze eigen tijd. Het is meer een visie op hoe mensen met hun levensvragen bezig zijn, op de Secular meaning of the Gospel (van Buuren). Geloof als een wijze van leven Het christelijk geloof en de Islam zijn oorspronkelijk bedoeld als een wijze van leven, maar niet als een filosofisch en machoachtig denksysteem. Een verstarring trad op door Paulus en de Middeleeuwse filosofen, die een inspirerende, spirituele wijze van leven probeerden te verloederen door deze te verbinden met rationalistische denksystemen en tot in de Verlichting probeerden met argumenten een soort "God" te bewijzen. De levende betekenis van het geloof is nooit helemaal verdwenen. Zo zag ik op de Berlijnse Muur geschreven: 'How is God? She is black'. Merk op dat er niet 'who' staat, maar 'how', met andere woorden het gaat in eerste instantie om een wijze van omgaan. Volgens het Boeddhisme gaat het wellicht toch ook weer wel om een ‘who’. Samy (1998) schrijft dat de reactie van veel ex-christenen op een mogelijk persoonlijke godsbeeld ingegeven is door een vroeger voorgehouden beeld van een overheersende, oordelende, almachtige en verre instantie. In de meditatie van het Boeddhisme kan het hele universum ervaren worden als een persoonlijke aanwezigheid, of zo men wil een bovenpersoonlijke. Ze is bewustzijn, intelligentie, inzicht en mededogen en dat doordringt het hele universum. Samy vertelt over de correctie van een Zenmeester op het spreken van een bekende Duitse ‘atheïstische’ zenkenner: “Je moet niet zeggen ‘Das Nichts’, je moet zeggen ‘der Nichts’. Das Nichts is onzijdig, het kan het wezen van de zaak niet weergeven”. Nelson (1992) wees er op hoe machoachtig het Westerse rationalistische godsbeeld in wezen is: Hij oefent zijn (Al)macht unilateraal uit, is van niemand anders afhankelijk, weet alles en eist dat anderen voor Hem op de knieën gaan. Het zijn puur stereotiep "mannelijke" eigenschappen, geprojecteerd op de kosmos. Bovendien, en dat gaat nog een stapje verder, omdat mannen het mysterie meestal buiten zichzelf beleven en menen te moeten veroveren door het te penetreren, hebben zij weinig voeling met de geheimen die in hen zelf besloten liggen (zoals bij vrouwen veel meer het geval is; die kunnen op een andere wijze vervreemd zijn, maar hebben doorgaans meer contact met hun eigen innerlijke lichaamsbeleving). Mysterie lijkt zich voor instituties die door mannen in een mannelijke cultuur gesticht zijn, buiten onszelf te bevinden. Het is iets dat moet worden geobjectiveerd, gegrepen en gepenetreerd. De mannelijke trekken in onze cultuur modelleren dat mysterie tot een rationele orde. Er wordt niet alleen een mannelijk godsbeeld gecreëerd, maar er wordt een beeld gecreëerd dat b u i t e n onszelf gelegen is en dat we voor ieder karretje kunnen gaan spannen, zoals uit de geschiedenis blijkt. De omkering van het Godsbeeld preekte ook een pastoor die de concentratiekampen van de tweede wereldoorlog had meegemaakt: “Vroeger dacht ik dat wij als een vogeltje beschermd

97


lagen in de machtige hand van God; nu denk ik dat het andersom is: wij beschermen de kwetsbare waarden die in onze mensenhanden liggen en die we kapot kunnen maken”. (Zo kunnen we het woord ‘Verbum Domini’, het woord Gods in de wapenspreuk van de Groningse Universiteit interpreteren. Dit opent onze weg naar eigen denken en handelen).

Dat het Westers rationalistische godsbeeld geheel in strijd is met de eigenlijke bijbelse bedoelingen, wordt ook nog duidelijk wanneer we het leven van Jezus goed beschouwen. De nieuwtestamentische Jezus van Nazareth werd beschreven als de vervulling van het Oude Testament. Met deze uitdrukking wordt bedoeld dat hij als van uitzonderlijk groot belang werd gezien in de geschiedenis. Toch deed hij iets wat de toenmalige joodse traditie godslasterlijk vond! Hij uitte kritiek op de neiging van het joodse volk om zich als beter te beschouwen dan de natuurvolkeren. (Zo prijst hij het geloof van de heidense honderdman, die van buiten de grenzen van het gelovige Israël komt). Hij gaat in tegen te gemakkelijke etikettering: niet het lidmaatschap van een volk of van een kerk is heilsgarantie ("Niet zij, die roepen Heer, Heer, zullen binnengaan in het Rijk der Hemelen"). Hij uitte kritiek op kerkelijke leiders, die zich op hun posities laten voorstaan. Maar het boeiendste vind ik zelf zijn lef om kritiek te hebben op de bijbelse overlevering zelf, dus op wat de kerkelijke leiders als goddelijke traditie doorgaven. Zo wees ik er al eerder op dat de Hebreeuwse uitdrukking: "Er staat geschreven" feitelijk betekent "God zegt". In de beroemde bergrede zegt Jezus: "Er staat geschreven..., maar ik zeg jullie". Hij gaat hier dus als het ware tegen de rationele "God" in). Een laatste voorbeeld van zijn weinig traditionele inslag: aan de gewoonte van zijn tijd om zich te verliezen in apocalyptische schilderingen over het einde der tijden doet Jezus niet mee. Hij is er erg sober in, suggereert niet bij een God op tafel te kunnen kijken, maar roept op om je niet in toekomstspeculaties te verliezen, omdat de mens zelf door zijn eigen levenswijze zijn toekomst bepaalt en ook het uiteindelijk Oordeel over zichzelf. Een zelfde verhaal kan over Mohammed gehouden worden. De oorsprong van zijn boodschap heeft een hoog sociaal en medemenselijk karakter. Kritiek op denken in termen van macht Door het vertellen van onze ouders, door de lessen op school en door de prediking hebben wij een bepaalde visie op onze godsdienst meegekregen. Dat is een selectieve visie ingebed in het wereldbeeld waarin wij leven. Het is het selectieve kijken van een bepaalde eeuw naar een andere; daar valt bij mensen niet aan te ontkomen. De subjectieve interpretatie en selectie wordt duidelijk wanneer we bijvoorbeeld eens volgen hoe de kerk en de Islam in de loop der eeuwen met emoties is omgegaan. Dat is soms anders dan Jezus zelf en Mohammed deden. We spraken in het eerste deel van dit artikel al over zelfbewuste emoties als agressie, opkomen voor jezelf, creatief denken, en hoe die vaak door de kerk als negatief werden beschouwd. We volgen nu tenslotte in dit laatste deel, nog eens een van de heftigste menselijke emoties, seksualiteit (Sommeling 1997). Het oude testament heeft hele aardse gedeelten: "Uw slanke leest is als een palm, uw borsten trossen van druiven. Ik dacht: ik wil de palm beklimmen, zijn dadels grijpen". Dit is verplichte literatuur in de joodse Paasliturgie geweest. Het is een tekst uit het Hooglied. Ook in de Islamitische mystiek komen veel minneliederen voor. Onder invloed van ascetische en neoplatoonse stromingen werd een sterk aseksuele moraal opgebouwd tot in de middeleeuwen toe: als je de huwelijksdaad voor je plezier toepaste, was dit zonde. De vrouw had een huwelijksplicht: 'het debitum conjugale', om de man voor grotere zonde te behoeden. Ook de Islam zit vol met voor vrouwen vernederende teksten, die alleen voor mannen louter seksuele

98


lust bevorderen. Misschien van nut in een tijd waarin ieder nieuw kind de stam hielp te overleven en ervoor te strijden, maar die in onze moderne tijd geen zin meer hebben en alleen maar onderdrukkend werken. Dit alles is ook gedacht vanuit het interpretatieschema: het aardse tranendal hier beneden en de hemelse heerlijkheid daarboven, waar jonge maagden de Islamitische zelfmoordstrijder opwachten. Volgens deze neoplatoonse filosofie wordt de ervaarbare wereld als oneigenlijk beschouwd, als slechts de afschaduwing van een daarachter (of daarboven) liggende werkelijkheid. Dit schema is met een zekere gretigheid overgenomen door de christelijke en Islamitische denkers en het hele christelijk belijden werd hierin geperst. Het is een denken in twee ruimten: hiér-dáár, natuur-bovennatuur, materieel-geestelijk. Het tijdperk van dit interpretatieschema is ten einde. De ruimtevaarders zijn God niet tegengekomen "daarboven". En Hij heeft van verre niet machtig ingegrepen toen duizenden van zijn volk in concentratiekampen omkwamen. De moderne mens heeft, eigenlijk sinds Galileï, een àndere werkelijkheidsbeleving en denkt niet in 'boven' en 'beneden'. De moderne mens heeft misschien wel degelijk behoefte aan een spiritualiteit, maar niet aan een religieus denken met voorstellingen uit een verouderd wereldbeeld. Hoe komt het nu dat in de wetenschap wèl een soepel overgangsdenken mogelijk is (hoewel daar soms ook koppig aan verouderde paradigma's vastgehouden wordt), en in de kerk en de Islam zo wordt vastgehouden aan traditie? De verklaring is even simpel als platvloers (en is in het evangelie te vinden waarover religieuze leiders geschreven wordt): het gaat om macht, zegt Van Ussel in een studie waar hij de geschiedenis van het seksueel probleem behandelt. Er was een gezond seksueel leven in de middeleeuwen. Maar was een verschil tussen het dagelijkse leven en de officiële leer. Toen Erasmus begon te schrijven over priesters in bordelen, en seksuele praktijken in kloosters, werd hij hierop niet bestreden - dit was algemeen bekend - maar hij werd veroordeeld omdat hij kritiek op de kerk durfde te uiten. Dat was iets nieuws, bij de dageraad van een nieuw tijdperk: de verwevenheid van bisschop en vorst kwam onder kritiek. Het ging om het uitoefenen van macht. De bisschop moest nu bijvoorbeeld ook zijn 'ius primae noctis' kwijt: het recht om de eerste nacht met de bruid te slapen, waarvan hij het huwelijk had ingezegend. En in de Islam is door de verwevenheid van religie en politiek, met name door mannen bedreven, een vrijer denken ook lang tegengehouden. Dat godsdienstige macht tot vandaag toe nog zo sterk is, laat zich vanuit twee kanten beschrijven. De machtige zelf - de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders in dit geval - raakt de greep op de werkelijkheid meer kwijt, hij gaat steeds dwazere dingen zeggen (voorbeelden te over), hij omringt zich ook met hielenlikkers en krijgt zo een cordon rond zich, zodat kritiek niet meer kan doordringen, deze wordt hem misschien zelfs niet eens doorgegeven. Hij doet niet bewust gemeen, maar meent op den duur eerlijk dat hij weet wat goed is voor ieder. De paus is nu nog tegen anticonceptie! Hij verliest zijn realiteitsbesef. Anderzijds is de verklaring voor het in stand houden van de macht natuurlijk te vinden bij de andere pool: degene, die de macht ondergaat. Hij houdt hem in stand door eerbiedig alles te slikken zonder eigen gedachten te durven ontwikkelen, alleen maar knikkend voor de autoriteit. Het is mag geen uitzondering zijn dat kerkelijke leiders nieuwe generaties vertrouwen en gedateerde gedachten durven loslaten, zoals dat ook van ouders ten opzichte van hun kinderen gevraagd wordt. Gelukkig zijn er in de Islam ook tekenen van vernieuwing. Een vriend van mij, professor in de Islamkunde en docent in Caïro met vele Islamitische vrienden, zei me dat het geheim van die vriendschap ligt in het elkaar vertellen over hoe men gelooft en wat dat voor het gewone leven betekent, en niet zozeer in het bekvechten over de inhoud . Hij vertelde me over een gezamenlijk woord dat enkele honderden vooraanstaande Islamieten over de hele wereld hebben uitgegeven en waarin zij beschrijven wat voor hen de inhoud van

99


de moderne Islam inhoudt. (zie www.acommonword.com). Zie verder over godsdienst en Islam op mijn website:http://home.telfort.nl/sommeling/innerlijkereis.htm en klik dan door naar ´godsdiensten´ en/of Islam. Zie ook de volgende paragraaf.

11.5 Spiritualiteit en innerlijke reis. Er is steeds meer belangstelling voor spirituele wijsheid, voor eeuwenoude tradities, voor waar het bij stromingen nu eigenlijk om draait, voor een overbrugging van door godsdienst geschapen afstanden tussen mensen. Voor mythen waarbij men op zoek gaat naar die ene parel boven elke reis, het ware zelf. De laatste jaren heb ik daartoe een site ontwikkeld. Uit de inleiding op die site: Ontdekkingsreizen zijn van alle eeuwen. Die in onszelf ook. Wie ben ik? Wat wil ik? Spiritueel zit het Westen in een impasse. De ontmoeting tussen Oost en West, christelijke cultuur, Boeddhisme en Islam, zal volgens sommigen dé gebeurtenis van deze nieuwe eeuw worden. Een vergelijking en 'omvertaling'van basisbegrippen op deze site. Op zoek naar zinnige spiritualiteit, die ook lijfelijk is en meerdere dimensies van ons dagelijks bestaan opent en niet uitsluitend geschikt is voor relatiegestoorde zwevers. We zijn vrije mensen, geroepen tot vrede, vreugde en vrijheid! Een avontuur. Innerlijke verrijking, kwaliteit van leven,ten volle aanwezig zijn. Het licht dat wenkt uit de verte, oorsprong van ons, oproept tot intense aandacht, uit de vervreemding, uit de verstrooiing. Adres site: http// : home.tiscali.nl/sommeling/innerlijke reis.htm

100


101


12 . DEPRESSIE, BURN OUT, NEGATIEF ZELFBEELD EN VERSLAVING ALS BIJVERSCHIJNSEL

Voor wie wil weten hoe iets werkelijk in elkaar zit, is het kleed van feiten soms te nauw. (Naar Tagore).

Depressie, burn-out en verslaving worden vaak genoemd als het over persoonlijke problemen van studenten gaat. Toch worden ze in dit algemene hoofdstuk over ‘thema’s’ als laatste en als restcategorie behandeld. Dat is deels toevallig. Toen ik met de overige auteurs een lijst maakte van thema’s waar we over wilden schrijven, bleven deze over. Dat is niet helemaal toevallig. Ze worden door mij namelijk gezien als verschijnselen aan de oppervlakte die in het algemeen veroorzaakt worden door thema’s die daar aan ten grondslag liggen. Worden die thema’s behandeld dan verdwijnen de verschijnselen meestal vanzelf. Natuurlijk zijn er andere benaderingen mogelijk. Meer klachtgericht kunnen protocollen iemand helpen een probleem zelf te bemeesteren. Ook studentenpsychologen schrijven werkboeken, bijvoorbeeld over faalangst (Depreeuw en Van Horebeek 1996) of een cursus over depressie (Voordouw e.a. 2001). Zelf leverde ik ook protocollen voor seksuele problemen (bijlage B). Mijn voorkeur voor een persoonsgerichte behandeling en een themagerichte aanpak in dit boek komt voort uit het feit dat ik graag het belang van persoonlijk contact in de behandeling wil benadrukken. Dat kan niet vaak genoeg beschreven worden. Therapie is geen kookboek met recepten. Te vaak wordt een impasse in een gesprek niet uitgehouden en heb ik tijdens een supervisie hulpverleners naar een techniek zien grijpen of naar een vastliggende methode. Mijn voorkeur voor een persoonsgerichte therapie (van Kalmthout 1997) komt ook voort uit het feit dat ik denk dat intelligente mensen, zoals studenten, er ook baat bij hebben inzicht te krijgen in onderliggende thema’s. De vraag of er nog wel werk is voor psychologen als in deze nieuwe eeuw voor de meeste klachten medicijnen zouden zijn uitgevonden, is een veelgestelde vraag. In een lezing over de toekomst van de psychotherapie voorspelt de bekende filosoof Paul Schnabel, hoofd van het CBS, dat psychologen hun handen vol zullen krijgen om aan de behoeften van mensen te voldoen die over essentiële thema’s in hun leven willen blijven praten. In ons team sta ik bekend als degene met de meeste kritiek op het gebruik van medicijnen. Mijn kritiek mag dan wat overdreven lijken, maar te vaak zie ik het geloof van de hulpverlener in het zelfoplossend vermogen van de hulpvrager en diens angst daarvoor of wanhoop aan de mogelijkheid daarvan, worden ingeruild voor het medicijn als oplossing. Opvattingen en stijl van therapie beoefenen, zijn deels een kwestie van persoonlijke smaak. Nergens voelde ik het verschil met mijn collega’s sterker dan bij het schrijven van dit hoofdstuk. Het is in ieder geval hoopvol dat objectief psychotherapieonderzoek de strijd tussen therapeutische richtingen voorbij is en zich nu richt op de vraag welke soort behandeling voor déze individuele student het meest geschikt is.

102


Het gevaar van diagnostische taal Depressie, burn- out en dergelijke categorieën worden door studenten regelmatig als probleemformulering gebruikt wanneer zij zich aanmelden voor gesprekken. Welke woorden moeten zij anders gebruiken om te omschrijven wat er aan de hand is? Ze zijn ook op internet ruimschoots voorhanden. Dit soort taal wordt overal gebruikt. Het maakt een probleem hanteerbaar en te plaatsen. Daarom is het als communicatiemiddel ‘handig’. Maar het is tegelijkertijd gevaarlijke taal, omdat het oppervlaktetaal is. Het beschrijft alleen iets; de beschrijving wordt in de praktijk echter vaak verward met een verklaring. Het is als diagnostische taal gebaseerd op een arbitraire denkwijze. De diagnostische begrippen die in de Geestelijke Gezondheid Zorg gebruikt worden stammen uit het Diagnostic Statistic Manual ( DSM-IV). Dit is een internationaal aanvaard classificatiesysteem, gebaseerd op concepten uit de vorige eeuw van de arts Kraepelin. Het maakt van ieder psychisch probleem slechts een ziekte waar je geen verweer tegen hebt en waarbij je nog niet ziet hoe je er verantwoordelijkheid voor op je kunt nemen. In dit boek is er voor gekozen de genoemde verschijnselen op een dieper niveau te bezien en hun onderliggende oorzaken te behandelen. Als massieve formulering kan een aanwijzing voor ‘depressie’ zowel student als therapeut op het verkeerde been zetten. Studentenpsychologen moeten fasegerelateerde problematiek goed onderscheiden van problematiek die ernstiger is. Schizofrenie en andere persoonlijkheidstoornissen worden vaak begeleid door ernstige depressie. Dat moge duidelijk zijn. Maar het merendeel van de studentenpopulatie moet niet te snel het psychiatrisch circuit worden ingestuurd. In hoofdstuk 9 deed ik verslag van een behandeling van Maurits, die op een test (de SCL-90) hoog scoorde op ‘depressie’, terwijl toch in enkele gesprekken de depressie verdween omdat onderliggende oorzaken werden doorgewerkt. Depressie en medicijngebruik. Depressie kan opgevat worden als een verschijnsel dat ontstaat omdat onderliggende gevoelens eronder gehouden moeten worden. Alsof er met alle geweld een deksel op een overkokend potje moet blijven. Uitzonderingen daargelaten, zie ik het voornamelijk als een actieve daad van iemand, minder dan een ziekte die je overkomt en waar je machteloos tegenover staat. Het is verstandig om te kijken waardoor het komt dat de emoties eronder gehouden moeten worden. Oorzaken bij studenten zijn meestal identiteitsvragen, zoals het moeten ophouden van een ‘vals zelf’. Natuurlijk kan het verstandig zijn bij diepe depressies iemand tijdelijk medicinale ondersteuning te geven, zeker als iemand dat zelf wil. Zonder dat is therapie dan soms zelfs niet mogelijk.Bij bepaalde stemmingsbeelden zouden we iemand te kort doen door hem geen medicijnen te adviseren. Het is verstandig wanneer een team dat alleen uit psychologen bestaat, een directe lijn heeft naar een psychiater, deskundig op het gebied van psychofarmaca en kennis.. De psychiater Jan Pols (2000) waarschuwt voor modediagnoses. Dat doet ook het boek The Ritalin Society. Pols gebruikt als voorbeeld het snel voorschrijven van methylfenidaat (Ritalin) bij mogelijke ADHD. Studenten zoeken tegenwoordig alles op internet op. Zo kunnen zij snel denken dat zij hyperactief zijn (ADHD) en denken dan dat ze Ritalin nodig hebben. Dat is echter een zware drug met veel bijverschijnselen die vaak ten onrechte aan kinderen wordt voorgeschreven en in enkele gevallen hen ten onrechte onthouden wordt. In de USA wordt volgens hem 15% van de schoolkinderen dit medicijn voorgeschreven – om ze op school rustig te houden? – terwijl de prevalentie op 3-5 % wordt geschat. Pols vraagt zich bezorgd af of we in Nederland ook die kant opgaan.

103


De mode om iedere stoornis tot hersenfenomenen te reduceren, is zeer stupide. Natuurlijk is ieder verschijnsel in de hersenen traceerbaar, hoe zouden we ons anders bijvoorbeeld depressief moeten voelen? Aangetoond is hoe ook een goed psychotherapeutisch gesprek veranderingen in hersens teweegbrengt. Met andere woorden verschijnselen zijn omkeerbaar, we zijn niet altijd slachtoffer van vastliggende erfelijke DNA-structuren. Vanuit een ander denkmodel kan ook naar het zich lichamelijk niet lekker voelen bij depressie gekeken worden. Gendlin (1981, 1984) spreekt over ‘frozen holes’ in het organisme; gestolde emoties verkrampen een lichaam. Worden ze verwerkt, komen ze weer in proces doordat ze geuit kunnen worden, dan gaat alles in het organisme weer vloeien, de energie gaat weer stromen, iemand voelt zich weer lekkerder. Studenten die somber zijn, denken vaak dat hun ‘ziekte’ erfelijk is, want ‘mijn opa was ook zo depressief’. Ten dele wordt kwetsbaarheid wellicht geërfd maar de uitdrukking ‘het zit in mijn ‘karakter’ is veel te massief. Het woord ‘karakter’ komt uit het Grieks en betekent oorspronkelijk een stempeltje dat vloeibare was doet stollen. Wordt de stolling opgeheven door doorwerking van emoties tijdens een behandeling, dan verdwijnt de verstarring van de depressie en verschijnt weer de vitaliteit. Burn out Wanneer journalisten studentenpsychologen benaderen over studentenproblemen is het bijna altijd met de vraag: raken studenten niet burn out van de verkorte studieduur? Studiefaciliteiten zijn de laatste jaren sterk verruimd en oorzaken van burn-out liggen vermoedelijk complexer. Burn out betekent opgebrand. Het is een verschijnsel dat vaak verward wordt met andere vormen zoals ‘ernstige overspannenheid’, ‘moeheid’, ‘onrustige gespannenheid‘. Deze laatste vormen komen bij studenten regelmatig voor en worden beschreven in de voorafgaande hoofdstukken. Grondoorzaak is vaak de constellatie van ‘het drama van het begaafde kind’, een helder en uitvoerig beschreven beeld. Uitgezocht kan worden waarom iemand stelselmatig te veel hooi op zijn vork neemt, perfectionistische normen erop na houdt, denkt dat hij voor alles verantwoordelijkheid moet nemen, en allerlei emoties met kracht moet blijven onderdrukken. Meestal verdwijnt de vermoeidheid en overwerktheid dan redelijk snel. Met andere woorden, de vicieuze cirkels waarin iemand hangen blijft bij burn out, waar herstel niet vanzelf komt, komen slechts bij uitzondering voor. Overigens is het goed bij extreme vermoeidheid ook lichamelijk onderzoek te laten verrichten. Verwaarloosde vormen van de ziekte van Pfeiffer komt regelmatig voor bij studenten.

Negatief zelfbeeld. Ook een hardnekkig negatief zelfbeeld is het bijproduct van onderliggende identiteitsproblemen. Studenten die zichzelf maar niets vinden, voelen zich aanvankelijk machteloos tegenover een verschijnsel dat hen overkomt en waartegen ze geen verweer lijken te hebben. Ik ontdekte een zienswijze die hen weer macht geeft over dit verschijnsel. De oorzaak van het steeds maar denken of zeggen iets niet te kunnen, is vaak angst. Er wordt geanticipeerd op een ramp, op een klap die je verwacht van een ander te krijgen. Je denkt dat een ander zal gaan zeggen: ‘dat kun jij niet, wat doe je stom’. Om deze verwachte klap te vermijden, sla je de ander de wapens uit handen en zeg je zelf maar vast dat je stom bent en iets vast niet kunt. Het jezelf geven van een klap is minder pijnlijk dan het ontvangen van een klap van een ander. De angst wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat iemand in het verleden als kwetsbaar kind gekleineerd is, hetgeen uiterst pijnlijk was. Het is de herhaling van deze pijn die actief vermeden wordt door anticipatie. Het is een opluchting voor een student te zien dat hij een vrije wil heeft, en weer meester kan worden over eigen situaties.

104


Verslaving. Gokken wordt door mij gezien als het oproepen van een sensationele prikkel om iets te voelen en zichzelf te kunnen beleven. Het is dus gebaseerd op een armoede in de eigen beleving die slecht ontwikkeld is. Kennelijk is iemand zo vervreemd van zichzelf geraakt, van de eigen energieke levensbron, dat er gezocht moet worden naar sterke prikkels. Wordt iemand weer bij het eigen voelen gebracht, waarbij lichaamstechnieken mijn voorkeur verdienen, dan verdwijnt de sensatielust van het gokken. Eetverslaving wordt in dit boek ook behandeld vanuit onderliggende thema’s. Te veel eten wijst op het onvermogen tot adequate behoeftebevrediging. Te weinig eten, anorexia, kan gezien worden als het conflict tussen eigen autonomie en de behoefte aan steun. Wordt dit conflict door de hulpverlener gezien, dan is dit een lichtend spoor in een vaak moeilijke behandeling. Ernstig drank- en drugverslaving wordt door mij stelselmatig verwezen naar instanties die gespecialiseerd zijn in de behandeling ervan. Bij twijfel en lichter gebruik sluit ik altijd een therapeutisch contract met een student: er moet niet meer gedronken worden en ook niet geblowd in de periode dat iemand zich laat behandelen voor een probleem. Anders zit zowel de student als de behandelaar zijn tijd te verdoen: therapie probeert immers gevoelens te bewerken en aan de oppervlakte te brengen, terwijl drank en drugs ze proberen te dempen. In hoofdstuk 2 heb ik overigens mijn zorg uitgesproken over drugs- en drankgebruik onder studenten. Dit is een verwaarloosd probleem dat meer aandacht verdient. Blowen lijkt onschuldig, maar wanneer het gepaard gaat met uitstelgedrag in de studie, komen veel studenten in negatieve watachtige spiralen terecht waar ze achteraf veel spijt van krijgen. Het blijft een intoxicatie waarbij slaap- en waakritme lang verstoord kunnen raken. Overigens bestaan er nog veel andere bijna nooit genoemde vormen van verslaving zoals bijvoorbeeld ‘verslaafd aan liefde’ waar ik in het hoofdstuk over het aangaan van intieme contacten over spreek (hoofdstuk 5).

105


13 In therapie of in een coachingstraject.

Toen Thales gevraagd werd wat moeilijk was, zei hij: “Zichzelf kennen ” – en wat gemakkelijk…..” een ander raad geven! ” (Diogenes Laertius, 200 v. Chr.)

Het is een hele stap om hulp te zoeken bij een studie-adviseur of studentenpsycholoog. Zal hij of zij niet door mij heen kijken? Word ik niet volledig overhoop gehaald? Wat zullen mijn vrienden daarvan zeggen? Ik voel me zo schuldig dat ik mijn eigen problemen niet kan oplossen. Zeker als ik door heb waar het vandaan komt, dan moet ik ze toch zelf kunnen oplossen? Wat als deze hulpverlener mij totaal niet bevalt? Hoe kan het eigenlijk dat problemen opgelost worden? Wat is het geheim? Het eenvoudige en onopgesmukte is op den duur het meest effectief. Meer dan in een techniek ligt het geheim van heling besloten in de vorm van het contact. Daar ligt de ware expertise van de professional. De omgang met de problemen van jongvolwassenen en in het bijzonder van studenten vraagt om een natuurlijke houding. Ik heb docenten en hulpverleners zien stranden wanneer ze deze leeftijdsgroep niet goed aanvoelden. Iedere hulpvrager stelt het op prijs een authentiek mens tegenover zich te hebben, die zich niet achter een positie verschuilt. Geldt dat voor iedereen, dan zeker voor deze leeftijdsgroep. ‘Imagegedrag’ en poeha wordt direct doorgeprikt. Zwaarwichtige diagnostiek waarbij afstand geschapen wordt en de student direct tot patiënt gebombardeerd wordt, is hier als regel uit den boze. Wie met jonge mensen omgaat, moet een beetje van hen houden. Daar bedoel ik in feite mee dat zo iemand met een glimlach de problemen van deze leeftijdsgroep in zichzelf herkent en een milde omgangsvorm met zichzelf heeft ontwikkeld. Een student: “Zo’n man met een gebreid vest, hoef ik niet meer. Hij was niet echt, zat maar te hummen en begrijpend te knikken. Op een gegeven moment keek hij mij heel droevig aan en zei: ‘dat moet wel heel erg voor je zijn’. Ik had hem geloof ik heel verdrietig gemaakt. Nu had ik er een probleem bij’’. Naast echtheid vragen studenten om respect voor hun inzicht. Zij hebben al lang over hun problemen nagedacht en hebben wellicht hun eigen hypothesen gevormd. Een gesprek is een overlegsituatie. Zij willen zichzelf leren begrijpen en zoeken naar zelfinzicht. Dit vraagt om een professionele basishouding die zich kenmerkt door een diep geloof in hun eigen oplossend vermogen. Dit geldt niet alleen voor de hulpverlening maar ook voor het onderwijs. Te schoolse, oppervlakkige of te veel gestructureerde stof is saai en dan gaan studenten hun eigen weg. Ze willen zelf nadenken en grote groepen studenten onttrekken zich steeds meer aan het te schoolse en gaan samen weer Kant en andere denkers lezen. In de eerste paragraaf ga ik uitvoeriger in op dit geloof in de eigen denkkracht en het vertrouwen op de lust tot weten van de student zelf. Het is het geheim van een goed contact en daarom ook van de oplossing van problemen. In de volgende paragrafen zal ik laten zien hoe ook in een behandeling van persoonlijke problemen iedere stap door dit geloof en vertrouwen

106


gekleurd wordt. De eerst meer abstract geformuleerde houding uit de eerste paragraaf, maak ik concreet in de tweede paragraaf, waarin we alle stappen volgen: vanaf het eerste gesprek met een docent tot en met de afsluiting bij een psycholoog.

13.1 Het geheim van heling De ware hulpverlener en de goede docent worden gekenmerkt door hun geloof in de zelfactualisatie-mogelijkheden van de student. Een te vroege therapeutische techniek of confrontatie, een te gretig advies, een uitleggerige behoefte, is vaak een gebrek aan geloof in de natuurlijkheid van dit proces. De dingen zitten goed in elkaar: een plant behoeft alleen wat zon en water en groeit dan vanzelf wel. Een hulpverlener is een contactexpert. In diepere zin is zijn contact gebaseerd op twee transcendente peilers: Waarheid en Compassie (Sommeling 1996). De echte hulpverlener gelooft erin dat de Waarheid (in de betekenis van de oplossing) recht voor hem zit: de hulpvrager behoeft alleen maar geholpen te worden zijn eigen oplossing, zijn ware zelf te vinden (zie figuur 1). Naast Waarheid is er nog een tweede fundamentele principe noodzakelijk: ‘Compassie’ of mededogen. Dat is als de zon die over het probleem schijnt. Mededogen is iets anders dan medelijden. Medelijden berust op superioriteit. Mededogen is solidariteit, nabije herkenning, het besef dat wij als mensen allen in hetzelfde schuitje zitten. Door dit mededogen (of Liefde zo men wil) wordt de ruimte voor de student om zelf een oplossing te vinden helemaal geopend. Hij durft nu in contact te treden met zijn ware zelf. Hij begint zijn eigen mogelijkheden te durven vertrouwen. Door compassie ontdekt of herontdekt de student zijn eigen Waarheid. Op een gezicht valt dat soms in een flits af te lezen, even zie je hoe iemand werkelijk is, hoe geestig, jeugdig of krachtig. Het zichtbare problematische, ingehoudene, angstige verdwijnt dan en dat wat onzichtbaar geraakt was, verschijnt.

Figuur 1: De moeilijkheid van luisteren en elkaar begrijpen. Onze woorden zijn het puntje van een ijsberg. De meeste betekenisconnotaties zitten onder de oppervlakte. Ze overlappen elkaar maar gedeeltelijk. Twee mensen denken soms snel elkaar te begrijpen, door hun eigen betekenis in te vullen bij het woord van de ander.

107


Indien verwijzing overwogen wordt, is het verstandig deze enigszins voor te bereiden. Er bestaan veel angsten en vooroordelen over psychotherapie. Ontzenuw mogelijke vooroordelen: een psycholoog kan niet door iemand heenkijken, maar helpt alleen persoonlijke problemen zelf aan te leren pakken. Prijs iemand dat hij de moed heeft zijn problemen aan te vatten; dat je dan geen watje bent, maar een sterke persoonlijkheid. Want iemand neemt daarbij zijn verantwoordelijkheden op zich en is overigens meestal niet zo schuldig aan eigen problemen als hij vaak denkt. Het is aan te bevelen dat iemand zelf zijn verwijzing regelt. Dat is een test om na te gaan of iemand gemotiveerd is. Zonder motivatie begint ook een professionele hulpverlener niets. Motivatie is een minimumvoorwaarde, want therapie bestaat uit een wisselwerking tussen twee mensen. Het is principieel een overlegsituatie waarbij van twee kanten inzet noodzakelijk is. Psychotherapie is anders dan een strikt medisch contact, waarin een dokter een recept voorschrijft.

13.2 Stappen in coaching en therapeutische gesprekken. Aanmelding: heldere en snelle informatie Studenten melden zichzelf aan bij het bureau studentenpsychologen. Ze weten van ons via de universiteitskrant, of uit de verhalen van vrienden. Soms worden ze aangespoord door een studieadviseur, soms zijn ze verwezen door een huisarts. Een behandeling begint niet in de spreekkamer van de studentenpsycholoog. Eerst is de secretaresse aan het werk. Zij is het die betrouwbaarheid en veiligheid creëert voor wie zich schoorvoetend aanmeldt. Het fundament voor een succesvolle therapie wordt hier gelegd. Een student meldt zich telefonisch of aan de balie. We streven ernaar om binnen veertien dagen een intakegesprek aan te bieden. De snelheid, en accuraatheid waarmee een secretaresse studenten te woord staat, en gevraagde informatie verstrekt, komt op de eerste plaats. Dat doet ook de flexibiliteit en de humor waarmee zij reageert op aarzelingen, onhandigheden, afzeggingen van studenten en het op verkeerde tijden verschijnen. Zij legt de gang van zaken uit en verstrekt een informatiefolder over wat ons bureau kan doen. Drempels worden geslecht door goed voorlichtingsmateriaal (zie: bijlage A en B).

Intake: een overlegsituatie Vlak voordat het intakegesprek plaatsvindt, vult de student op het secretariaat een formulier in. Je ziet hem of haar zwoegen, want er wordt niet alleen om enkele persoonlijke gegevens gevraagd maar ook om in eigen bewoordingen een omschrijving te geven van het probleem. Dit formulier wordt als uitgangspunt gebruikt bij het gesprek dat komt. Iedere hulpverlener heeft min of meer zijn eigen wijze van informatie verzamelen. Ik zelf beschouw dit gesprek als een eerste kennismaking, niet als een uitgebreide intake. Mensen geven toch pas later in volgende gesprekken relevante informatie wanneer ze zich veilig zijn gaan voelen. Bovendien ‘kijkt’ de hulpverlener beter wanneer er eerst meer gevoelsmatig contact is ontstaan. Hier geldt het omgekeerde van het spreekwoord: ‘liefde maakt blind’. Ik ben er ook op uit om degene die hulp vraagt zelf mee te laten denken over mogelijke hypothesen en over waar zij of hij behoefte aan heeft in de hulpverlening. Dit

108


vermindert het aantal drop-outs en bevordert het effect van een therapie, blijkt uit onderzoek (Van Audenhove 1999). Een intake begint al voordat een gesprek plaatsvindt. De basishouding die ik in dit hoofdstuk beschrijf, zit vaak in kleine dingen. Iedere hulpverlener doet dat weer anders. Ik ontvang iemand, kijk hem of haar aan, geef een hand, zeg mijn naam, leid iemand mijn kamer in, wijs een paar stoelen aan waar iemand uit kan kiezen, en zeg: ‘doe je jas maar uit en ga zitten’. Dan zeg ik: “dit gesprek duurt ongeveer een half uur. De bedoeling ervan is om nadere informatie van jou te krijgen over je problemen; en om te kijken of je hier aan het goede adres bent. Ik zal je informatie geven over hoe het hier verder toegaat”. Dan vraag ik naar het ingevulde intakeformulier en lees dit. Na een nadere uitleg over de problemen die hij of zij opgeschreven heeft, hangt van hun wijze van vertellen af, hoe ik verder reageer. Vragen die ik bijna altijd stel zijn: “ je hebt er vast al veel over nagedacht. Heb je zelf een hypothese over hoe het in elkaar zit?”. Nooit stel ik waaromvragen, want die doen alleen een beroep op de ratio en kunnen bijna niet anders beantwoord worden dan met ‘dat weet ik niet’. Ik vraag: ‘wat houd je tegen om dat en dat te doen?’. Deze vraag leidt eerder tot het vertellen over een emotie of ervaring. Handig vind ik een vraag als:’ wat bracht je ertoe om nu hulp te zoeken. Wat is de druppel die de emmer deed overlopen?'. Je komt zo bij de directe aanleiding en de lijdensdruk terecht. Om een beeld te krijgen van de context van het probleem zijn vragen relevant naar de relatie met vader en/of moeder, de eerste man en vrouw in het bestaan van een student. De antwoorden op de vraag in hoeverre zij al of niet met hun ouders kunnen praten en hoe zij de relatie tussen hun ouders zien, zijn belangrijk? Is deze relatie als een ruime brug tussen twee zelfstandige wezens of is het een relatie bezwaard door plichten, schuldgevoelens en benauwde verstrengeling? Ook de rangorde tussen broers en zussen is vaak informatief. De oudste vangt meestal de klappen op, is zelfstandig en ernstig. De middelste is doorgaans relationeel het meest begaafd en de jongste denkt dingen niet te kunnen. Een broer of zus als zorgenkindje doet nogal eens ‘het bijbelse complex van de broer van de verloren zoon’ ontstaan: degene die rustig zijn best doet krijgt de aandacht niet die hij verdient, omdat alles zich richt op het zorgenkindje. Ik vind het belangrijk te weten hoe ziet het leven van de student er op dit moment uitziet? In hoeverre is hij in staat relationele contacten te onderhouden: heeft hij goede vrienden en/of vriendinnen. Heeft hij ervaring met intiemere contacten met mannen of vrouwen? Is hij lid van een vereniging? Ik vraag naar sportbeoefening. Sport is een van de eerste belangrijke activiteiten die studenten laten schieten bij studeerproblemen of depressiviteit, terwijl sport zeer spanningsverminderend kan werken. (Het effect van runningtherapy op depressie werd door Bosscher (1991) onderzocht). Hobby’s geven ook meer achtergrondinformatie en het wordt prettig gevonden daar iets over te kunnen vertellen. Bij studeerproblemen probeer ik achter het precieze probleem te komen. Gaat het om gebrek aan een technische vaardigheid, waarvoor beter een cursus gevolgd kan worden of liggen er emotionele factoren aan ten grondslag zoals concentratiestoornis, faalangst of uitstelgedrag. Iedere keer valt me weer op hoe ‘schuldig en lui’’ studenten zich aanvankelijk bij deze laatste studeerproblemen voelen. Ik probeer dan al de eerste stap in een therapeutisch proces te zetten. Ik zeg vaak: ” als je echt lui was, zat je hier nu niet, maar lag je op je rug op een of ander Spaans strand. Deze visie wordt meestal als een enorme opluchting ervaren. Soms kan de druk wat van de ketel door te adviseren studievertraging bij de betreffende instanties te laten registreren omdat bij vertraging door persoonlijke problematiek vaak later van facilitaire voorzieningen gebruik gemaakt kan worden (zie bijlage B).

109


Wanneer iemand zich schaamt voor een probleem omdat hij zichzelf eigenlijk een watje vindt als hij naar een hulpverlener stapt, kan ik het vaak niet nalaten om nog een ander fundament onder het toekomstige therapeutische contact te gaan leggen. Ik zeg dan: “ Het valt mij op hoe begaafd de studenten vaak zijn die zich hier melden. Het zijn vaak steunpilaren voor hun vrienden, van deze sterke persoonlijkheden moet de wereld het natuurlijk hebben. Alleen de balans in henzelf is uit evenwicht, ze hebben vaak nog te weinig kunnen leren wat hun eigen behoeften zijn, zodat ze zichzelf nog te weinig kennen. Die stap is angstig, maar wel moedig. In India moeten jonge mensen soms alleen een jaar de bergen in, om zichzelf te leren kennen!”. Ik beweer niet dat hiermee een fundamentele schaamte of onzekerheid weggenomen is, maar het is een begin. Dit soort opmerkingen werken drempelverlagend en daar is een intake ook voor bedoeld. Van belang is hier ook de vraag naar mogelijke eerdere contacten met hulpverleners. Waren deze bevredigend? Hoe kunnen we bij eerdere slechte afloop voorkomen, dat de geschiedenis zich hier gaat herhalen? Globale diagnostiek blijft een van de belangrijkste doelen van deze intake. Is er sprake van een zware crisissituatie dan kan beter direct verwezen worden naar een daarvoor geëigende voorziening. Maar dit komt zelden voor omdat deze cliëntenpopulatie als regel bestaat uit redelijk geïntegreerde mensen. Men mag er in het algemeen van uit gaan dat een studie tot op dit niveau door chaotische persoonlijkheden nooit gehaald zou zijn. Meent men psychotischachtige beelden te zien, dan kan gekeken worden of de student zelf in die beelden gelooft of voldoende realiteitsbesef heeft en een zekere afstand ten opzichte van die verschijnselen kan bewaren. In het laatste geval verdwijnen die beelden vaak wanneer degene die hulp vraagt zich veilig weet door regelmaat van de gesprekken met de hulpverlener. Het is vervelend om iemand die zich hecht na een aantal gesprekken toch door te moeten verwijzen omdat het probleem nog onvoldoende opgelost is en iemand toch meer tijd nodig heeft dan een beperkt toegestane aantal sessies. Zelf overleg ik in zo een geval de voors en tegens met de betreffende student. Van nature is deze groep toekomstgericht en op deze leeftijd is niet iedereen altijd gediend bij een lang verwijlen bij het verleden. Vroeger dacht ik wel een inschatting te kunnen maken over de duur van de behandeling, maar de praktijk heeft mij geleerd dat een prognose bij deze leeftijdsgroep eigenlijk niet mogelijk is. Verwijzen doe ik maar zelden. Soms fungeren de gesprekken als een soort pretherapie, je maakt iemand rijp voor een langere therapie elders. Het is verbluffend om te zien hoeveel deze intelligente en gemotiveerde populatie kan met een beperkt aantal gesprekken. Fascinerend en een van de motivaties tot het schrijven van dit boek.

Verder vraag ik wat ze graag zouden willen en wat ze van mij verwachten. Het antwoord is vaak:”ik wil alles op een rijtje zetten”. Het kan zijn dat ze een sterke voorkeur hebben voor een bepaald soort hulpverlener. Niet te oud, niet te jong bijvoorbeeld. Op hun vraag naar een mannelijke of juist vrouwelijke hulpverlener wordt ingegaan als de weerstand tegen iemand van het andere geslacht zo sterk is dat de bewerking daarvan te veel tijd vraagt voor een kortdurende behandeling. ‘Vaderskindjes’, vrouwen die mannen idealiseren, daag ik wel eens uit toch voor een vrouwelijke therapeut te kiezen omdat ze impliciet hun eigen geslacht en dus hun eigen identiteit naar beneden halen.

110


Tenslotte vraag ik of ze nog iets willen zeggen dat nog niet ter sprake is geweest maar ze wel belangrijk vinden. Ik beëindig het intakegesprek nadat ik de verdere gang van zaken heb uitgelegd. Indien niet verwezen, gaat de cliënt een reeks gesprekken aan met mij of een van mijn collega’s. Soms denk ik: deze student is typisch iets voor hem of haar. Dergelijke voorkeuren komen in het teamoverleg aan de orde en worden al dan niet bekrachtigd.

Het sluiten van een therapeutisch contract Een hulpverlener kan zichzelf en de student veel ellende besparen door aandacht te besteden aan een zogenaamd therapeutisch contract. Wat wil een student precies? Is hij bereid tijd vrij te maken voor therapie; wat zou hij willen veranderen? Hoe ziet hij zijn eigen inbreng in relatie tot die van de therapeut? Is hij bereid blowen en drinken op te geven? Kan hij beloven geen zelfmoordpogingen te doen zolang als hij in therapie is? Therapie is immers gericht op hoop en verbetering en niet op eindigen. Wat als hij niet op afspraken verschijnt of steeds te laat komt? Door een therapeutisch contract wordt duidelijk dat psychotherapie een winkeltje is waar, op bepaalde voorwaarden, bepaalde producten leverbaar zijn. De therapeut is beperkt en geen tovenaar. Een meisje beschreef haar doel mooi als volgt: - actief bij het leven betrokken zijn, bij mijn gevoel komen; niet alleen rationeel weten wat ik voel, maar het 'doorvoelen'; - mijn pijn onderzoeken, die steeds weer terugkomt; leren om zelf mijn eigen geluk te vinden; - ik laat mensen niet echt toe, waardoor ik me soms niet op mijn gemak voel en krampachtig Ik zie vaak dat beginnende collega’s een student niet durven confronteren met de (noodzakelijke) voorwaarden, zonder welke therapie niet mogelijk is. Dan blijft het modderen tot gesprekken vanzelf stranden. Iemand aan wiens motivatie getwijfeld wordt of aan zicht op wat therapie vermag, is wel degelijk gebaat bij een dergelijke confrontatie. Bovendien is het voor de hulpverlener duidelijker dat hij tegen heug en meug iemand tot therapie probeert te brengen, hetgeen zinloos is.

Eerste stap in een behandeling: andere kijk op het probleem Met iemand die zich nieuw aanmeldt spreek ik standaard eerst 3 gesprekken af om te bepalen of we met elkaar door zullen gaan. Hiermee spreek ik de hulpvrager aan op eigen verantwoordelijkheid voor het accepteren van mij als hulpverlener. Bekeken moet worden of het ‘klikt’, of de student zich veilig genoeg voelt om te gaan praten over wat essentieel is. Tevens wordt zo de gelegenheid gegeven om eventuele irritaties te melden, en om aan te geven wat hem of haar in de eerste gesprekken geraakt heeft, of aan het denken heeft gezet. De therapeut kan ook bij zichzelf nagaan of het klikt en of hij iets denkt te kunnen met deze student. Ik voeg er meestal ter geruststelling aan toe dat het meestal wel in orde komt, maar dat de derde keer een goed evaluatiemoment is. Uit onderzoek blijkt dat het niet in de eerste plaats een techniek is, die het effect van een behandeling bepaalt. Zelfs de inhoud van een gesprek is paradoxaal genoeg van minder belang dan de wijze waarop er gereageerd wordt op elkaar. De vraag is namelijk waarom deze student, eventueel met behulp van eigen omgeving een probleem niet heeft kunnen oplossen. In het algemeen is het juist zijn kijk op het probleem die een oplossingsproces doet stollen. Hoe kijkt de student, hoe ziet hij zichzelf, waardoor is die negatieve of schuldige kijk

111


veroorzaakt, en hoe wordt die in stand gehouden? Met andere woorden: hoe gaat de student met zijn probleem om, en met zichzelf. Afhankelijk van het soort probleem, hebben de meeste hulpvragers een negatieve kijk op zichzelf. Zoals de meeste planten niet groeien wanneer zij niet af en toe in warme zon staan, zo geldt dat ook voor de zelfontwikkeling. Goede aandacht voor een emotie of probleem werkt uit zichzelf genezend. Maar doorgaans beperken studenten de aandacht voor hun problemen tot een aanklacht tegen zichzelf. Daardoor is er eigenlijk geen werkelijke aandacht voor hun emoties, en is een onderzoek naar onderliggende factoren niet mogelijk. Iedere echte aandacht wordt direct geblokkeerd door schaamte of schuldgevoel, een vorm van agressie tegen zichzelf. Daarom is de eerste stap in een behandeling voor mij om deze negatieve kijk ter discussie te stellen. Bijvoorbeeld: “Iemand die lui is, komt niet met zijn of haar probleem. Dat doe jij wel. Het kan niet dat jij alleen maar lui bent, er moet iets spelen waar je de vinger nog niet direct op kan leggen. Om dat te onderzoeken is een objectieve onderzoekshouding nodig, en geen beschuldigende”. Een andere wijze van kijken naar het probleem is in het algemeen de eerste stap. In principe gaat de rest dan vanzelf, ook al vraagt dat enige tijd. Een negatieve houding naar zichzelf kent een lange voorgeschiedenis en verdwijnt niet van de ene op de andere dag. Bij een andere wijze van kijken hoort dan ook dat iemand zichzelf de tijd en ruimte gunt, en niet verwacht in twee sessies klaar te zijn. Ik zeg dan: “Een plant kun je ook niet aan haar bladeren omhoog sjorren en roepen: ‘groeien jij!’”. Ik houd er wel van om studenten die heel ijverig zijn en veel huiswerk willen doen om op te schieten, te verbieden er iets voor te doen. Het moet vanzelf gaan op geleide van een andere kijk op zichzelf, die iemand in het contact met de therapeut, in het eigen bewustzijn opneemt.

Vervolg: het scheppen van relationele mogelijkheden “Wij vinden elkaar voortdurend uit”, zei iemand eens. Wij projecteren bij het leven en zien elkaar meestal niet direct zoals wij werkelijk zijn. Een gesprek is een over en weer van gevoelens en percepties. Een vruchtbare factor in een therapeutisch proces is dan ook overdracht. Bij psychotherapeuten een overbekend begrip. Omdat ook docenten en vertrouwensfiguren er mee te maken krijgen en eigenlijk iedereen die communiceert, sta ik er hier toch even bij stil. Ook al bedoelt de hulpverlener het heel goed, zijn woorden kunnen toch als een aanval worden opgevat. Dit omdat bij voorbeeld de therapeut de cliënt doet denken aan een docent of dominante vader. Een objectieve communicatie is dan nog niet mogelijk. Dat is niet erg, want dit verschijnsel moet juist bewerkt worden, omdat de student hoogstwaarschijnlijk hetzelfde buiten de therapie doet met anderen. Ook kan de hulpvrager boos worden omdat de therapeut niet direct adviezen wil geven. Hij voelt zich dan in de steek gelaten. De therapeut geeft de adviezen echter bewust niet omdat anders dezelfde afhankelijkheidsrelatie wordt gevestigd die de student met anderen onderhoudt, waardoor er niets verandert. De therapeut zal diens eigen gedrag uitleggen en uitnodigen meer met eigen gedachten te experimenteren en zichzelf ruimte toe te staan om bij eigen ervaringen stil te gaan staan. Sterke overdrachtsgevoelens zijn een indicatie: naarmate ze sterker zijn, zal een therapie meer tijd nodig hebben. Nog moeilijker wordt het wanneer de therapeut zijn eigen tegenoverdrachtgevoelens te weinig bewust is. Tot de professionaliteit van een hulpverlener hoort nu juist, dat hij eigen reacties kent. Therapeuten lijken soms zo begaan met hulpzoekers, dat ze te gretig een appèl van een cliënt om advies beantwoorden. Ook kunnen zij zich zo laten infecteren door de

112


wanhoop van de student, dat ze onrustig worden, en snel de cliënt medicatie willen geven, of direct gaan verwijzen. Ook kan de pijn van een cliënt hen zo onverdraaglijk lijken, dat ze de gemiste vader of moeder willen gaan vervangen. De intimiteit in een gesprek is soms zo hoog, en het verdriet zo open dat het bijna onnatuurlijk lijkt nu niet ‘alles’ voor iemand te willen gaan doen. Maar verdriet mag nooit worden afgenomen. Wij moeten afblijven van wat bij iemand anders hoort en diens leven gestalte en betekenis geeft of kan geven. Een therapeutische relatie is niet op medelijden gebaseerd, wel op compassie: op gelijkwaardig niveau herkennen en aanwezig zijn bij wat het lot van mensen nu eenmaal vaak is. Pijn, verdriet moeten ‘geprocest’ worden, dat wil zeggen: verwerkt, verteerd worden, een plaats en zo betekenis krijgen. Dit verwerkingsproces gebeurt ook op lichamelijk niveau. Gestolde emoties zijn als frozen holes in het organisme (Gendlin 1981); smelten ze dan gaat de energie weer stromen en voelt iemand zich aangenamer en lekkerder in zijn vel. Een vader of moeder kan nooit vervangen worden door een tijdelijke therapeut. Probeert deze laatste dat toch, dan herhaalt zich opnieuw het trauma van in de steek gelaten worden, wanneer de gesprekken beëindigd worden. Er zijn de laatste decennia soms therapeuten de mist ingegaan bij de fysieke aantrekkingskracht van een kwetsbare ander die zich diep eenzaam voelt en nog nooit lijfelijke nabijheid ervaren heeft. Misvatting over wat heling is, onvervulde behoeften van de therapeut zelf en verwarring van de student mengen zich bij ongepaste grensoverschrijdingen, waarbij de cliënt een therapeut verliest, en inruilt voor een tijdelijke onbetrouwbare vriend. Dit soort handelingen hoort nooit thuis in een therapie; fantasieën en overdrachtgevoelens des te meer. Herhaaldelijk merk ik hoe in therapieland te moeilijk gedaan wordt over verliefde gevoelens naar een therapeut. Deze zijn helemaal niet erg, sterker nog: ze horen soms bij een zich ontwikkelende overdracht. Juist op basis van de duidelijke grenzen die de therapeut heeft aangegeven groeit de veiligheid om onbekommerd te fantaseren; soms een inhaalproces op wat in een vroegere oudercontact nooit heeft kunnen plaatsvinden. Een meisje zei eens: ‘ ik fantaseerde dat jij met mij op vakantie was. We lagen samen in een tent”. Andersom had zij al veel eerder in mijn lichaam een sterk warm gevoel opgeroepen dat ik haar graag wilde troosten en steunen. Ik heb dit soort overdracht leren herkennen als niet zozeer te maken hebbend met manvrouw verhoudingen, als wel wijzend op een moederoverdracht naar mij als man. Er werden moederlijke gevoelens van mij gevraagd. Aandacht, warmte, er bij zijn, waren aan de orde in die fase van de therapie. Door er te zijn doen hulpverleners in principe al genoeg. Dat is een simpel zinnetje, maar er ligt een huizenhoog geloof aan ten grondslag. Door er steeds te zijn krijgt de student een ankerpunt, waarop hij op den duur rustig wordt, zodat hij zijn gedachten kan gaan ordenen. Door er echt te zijn, schept de therapeut een possibility sphere, een sfeer van mogelijkheden die uitnodigt gevoelens en angsten er te laten zijn en opties uit te proberen. Doorwerking van gevoelens Nadat een student begripvoller tegen zijn probleem heeft leren aankijken en zich minder schuldig, dom of lui is gaan voelen, kan deze eerste stap in een therapie gevolgd worden door andere. Begrip opent de mogelijkheid om met een opener bewustzijn tot nader objectiever onderzoek over te gaan. Hij kan leren hoe in een probleem in elkaar zit, of dat de eerste probleemformulering vervangen kan worden door een andere. Het kan een enorme opluchting zijn dat je je niet meer zo schuldig hoeft te voelen, maar ook dat er kennelijk een kop en staart aan een probleem te onderscheiden is. Het voedt de hoop dat er een oplossing is en dat het niet een vreemd of uniek probleem is, maar iets herkenbaars dat anderen ook kunnen hebben. Bijvoorbeeld : ‘mijn concentratieprobleem komt omdat mijn energie opgaat aan een

113


emotioneel conflict in mijzelf en niet omdat ik de stof niet interessant vind’. Dan komt er ruimte om te bekijken waaruit dat conflict bestaat. Iemand wordt bijvoorbeeld verscheurd door het gevoel zich verantwoordelijk te voelen voor thuis en tegelijk afstand te willen nemen. Met dergelijke verantwoordelijkheidsgevoelens blijkt iemand vaak al lang vertrouwd. Deze gevoelens blijken zich meestal ook uit te strekken tot vrienden en vriendinnen. Ze duiken zelfs in de therapie op: “ Ik heb gehoord dat de wachtlijst lang is; moeten anderen met ernstiger problemen niet voorgaan?”. Maar inzicht in hoe een probleem in elkaar zit is niet genoeg. Intelligente mensen vinden dat soms heel ergerlijk: “Als je iets snapt, moet je het toch ook zelf kunnen veranderen!”. Maar cognities worden nu eenmaal in stand gehouden door emoties. Onderliggende gevoelens moeten bewust gemaakt worden, en dat vraagt om bemoediging. De impuls om voor eigen behoeften uit te komen, kan in het bovengenoemde voorbeeld onderdrukt worden door de angst dat de ander dat niet aankan, het vervelend vindt, niet zal begrijpen, of zich van je afkeert als je ‘lastig’ wordt. Door deze angst te bespreken en in de therapiesituatie te oefenen worden correctieve emotionele ervaringen opgedaan, die een transfer mogelijk maken naar de huidige leefsituatie. Deze doorwerking vraagt tijd. Een attitude die vanaf de eerste kinderjaren bijna vierentwintig uur per dag is ingeoefend, kan niet in een enkele sessie veranderd worden. Soms wordt een student moedeloos van de traagheid van het proces. “Het zit in mijn karakter, mijn vader heeft het ook”. Ik leg dan uit hoe erfelijkheid ook psychologisch overgedragen kan worden en dat gedrag daarom veranderbaar is. Oorspronkelijk ligt die veranderbaarheid ook in het woord ‘karakter’ opgesloten. ‘Karakter’ betekent in het Grieks ‘stempel in was’. Een vloeibare situatie werd gestold. Er kan door therapie weer beweging in die verstarring komen.

Afscheid nemen En dan is er het afscheid. Soms wil iemand stoppen terwijl de therapeut denkt dat het nog niet klaar is. Jongvolwassenen kiezen er in deze fase van hun leven niet altijd voor om meer tijd aan hun innerlijk te besteden; de toekomst lokt. Zij kunnen in latere periodes wanneer een kernconflict zich nog eens in nieuwe gedaante voordoet, altijd nog eens in therapie gaan. Soms is er twijfel over stoppen bij de student zelf. Dan verduidelijk ik het onderscheid tussen neurotisch en gezond stoppen. Het eerste is het geval wanneer je denkt: “begrepen word ik toch nooit echt, laat ik maar stoppen want uiteindelijk moet een mens het toch alleen doen”. Maar gezond is het wanneer je denkt: “ik weet nu in principe hoe het moet, ik heb echt zin om het nu verder zelf te proberen”. Bij twijfel zeg ik dat iemand natuurlijk altijd nog eens terug kan komen wanneer vastlopen weer dreigt. Alleen al het weten dat er iemand op de achtergrond is, werkt als steun. (Overigens wordt bij langere analytische behandeling van volwassenen vaak een ander beleid gevoerd rond afscheid. Daar wordt het vaak als ‘definitief’ behandeld, om de pijn en angst van de losmaking fundamenteel door te kunnen werken). Angst voor afscheid moet echter wel goed besproken worden. Zeker wanneer een behandeling het maximaal aantal toegestane sessies nadert, moet de therapeut dit onderwerp actief aansnijden en niet vermijden. Dat behoort tot de eindfase van een behandeling. Angst slaat soms toe: “wat als de depressie weer terugkomt, kan ik het wel alleen?”. Ik laat een student dan nadenken over de vraag wat hij er precies voor gedaan heeft zijn probleem te overwinnen. Dit laatste kan hij nu zelf. We evalueren de behandeling tenslotte: “wat heeft je het meest geraakt, waar heb je het meest over nagedacht, wat ben je vooral gaan doen of laten?”. Emotionele ervaringen die er tijdens

114


de therapieduur waren, en belangrijke stappen die iemand heeft leren zetten, worden op deze manier alsnog opgenomen in iemands cognitieve systeem. Zo realiseert iemand zich wat hij er zelf voor gedaan heeft om uit de put te komen en wat hem of haar echt geraakt heeft. Wanneer later weer een impasse dreigt, kan beter gebruik gemaakt worden van eerdere stappen die heilzaam bleken. Het vermindert de angst voor de toekomst en verstevigt het zelfvertrouwen. (Standaard sturen wij drie maanden nadat de therapie gesloten is, een follow up formulier toe. Met deze feedback hopen wij onze kwaliteit te verbeteren). En dan is er het definitieve afscheid. Soms neutraal, soms emotioneel. Iemand waaraan je je als student misschien meer aan hebt toevertrouwd dan aan wie dan ook in je leven, ga je voorgoed verlaten. Een vreemdsoortige relatie is de therapeutische!. Soms hoor je als therapeut nog eens iets van iemand. “Ik heb je gespot in de digitale wereld� begon laatst een vrolijke e-mail. (Studenten die tijdelijk in het buitenland verkeren houden tegenwoordig vaak via e-mail contact met een studentenpsycholoog).

115


14. COACHING EN PSYCHOLOGISCHE HULPVERLENING BINNEN EEN ONDERWIJSINSTELLING

Intelligentie reikt niet verder dan onze emoties toelaten. (Prof. Piet Boeke).

Vorming van de persoonlijkheid is binnen het onderwijs een klassiek ideaal. Informatie wordt pas opgenomen en verwerkt tot kennis en wijsheid binnen een evenwichtige emotionaliteit. Is het dan ook een taak van een onderwijsinstelling om aandacht te hebben voor persoonlijke problemen van haar studenten? Hoever moet dat gaan? Grenzen en mogelijkheden behandel ik in dit hoofdstuk.

Bezwaren en mogelijkheden De veelgehoorde mening dat problemen vanzelf overgaan, dat mensen daar flink van worden, en dat het niet goed is hen in de watten te leggen, is erg krachtig. Hij ontleent zijn kracht zoals alle ketterijen en dwalingen - aan het feit dat hij half waar is. Iedereen weet dat je soms je tanden op elkaar moet zetten en in eerste instantie je problemen zelf moet oplossen. Als bestuurders al overtuigd zijn van het belang van tijdige hulpverlening aan vastgelopen studenten dan vinden zij doorgaans dat deze hulpverlening zich buiten de onderwijsinstelling zou moeten afspelen. “Laat ze maar naar de buitenuniversitaire zorginstelling gaan” is een veelgehoorde uitspraak, “want hulpverlening behoort niet binnen een onderwijsinstelling thuis”. Is het bovendien niet impertinent om je met het persoonlijk leven van een student te bemoeien? Anderen zijn wel voor hulpverlening, maar willen deze beperkt zien tot hulp bij zuivere studeerproblemen. Tot zover zou volgens hen de taak van een onderwijsinstelling kunnen gaan. Bovendien is het effect van een studievaardigheidcursus direct aantoonbaar. Er is wel geopperd om psychotherapeutische hulp aan studenten ‘in te kopen’ en onder te brengen bij een externe instantie. Voor kleine onderwijsinstellingen blijft zo de anonimiteit van een student die naar een psycholoog wil, beter gewaarborgd. Maar voor grotere instellingen zou er ook veel verloren gaan aan inbedding in een onderwijsnetwerk. In het navolgende vat ik de voordelen van een eigen psychologische hulpverleningsdienst nog eens samen.

Verwevenheid van persoonlijke en studeerproblemen Een mens is niet te splitsen. Persoonlijke problemen beïnvloeden bijna altijd de studie. Ons brein is emotioneel en stress maakt dat iemand slechter in staat is, informatie en kennis op te nemen (Notenboom 1996; Ledoux 1999). Onze emotionele ontwikkeling beperkt en bepaalt de gebieden waarop onze intelligentie zich richten wil. De wijze waarop we aanvankelijk zijn opgevoed bepaalt in eerste instantie onze opvattingen en onze wijze van omgaan met de werkelijkheid. Daarom ook hebben studeerproblemen soms een psychologische achtergrond en dan helpt een studievaardigheidcursus vaak niet of kan zelfs averechts werken.

116


Probleemsignalering in belangrijke levensfase Er zijn problemen die geen hulp behoeven omdat de tijd ze zal helen, zoals bijvoorbeeld liefdesverdriet. Er zijn fasegerelateerde problemen die bij de leeftijd horen en hoogstens wat ondersteuning behoeven. En er zijn hardnekkiger neurotische conflicten die een professionele behandeling vereisen omdat ze niet vanzelf overgaan. Het kenmerk van een neurose is nu juist dat deze zich onttrekt aan het bewustzijn en iemand binnen vicieuze cirkels houdt. Ze behoeven niet te wijzen op diepgaande stoornissen in de persoonlijkheid, maar ze belemmeren iemand wel behoorlijk in zijn functioneren, in zijn studeren en in zijn contacten. Hieronder en door dit hele boek heen laat ik zien dat ze vaak binnen beperkte tijd tot een aanvaardbare oplossing gebracht kunnen worden. Onder de bescherming van het ouderlijk huis bleven neurotische problemen misschien onopgemerkt, maar wanneer een student op eigen benen komt te staan worden ze vaak manifest en voelt iemand de vrijheid er iets aan te laten doen. Jonge mensen lopen overigens niet gauw uit zichzelf naar een hulpverlener, blijkt uit onderzoek. Maar ditzelfde onderzoek toont aan dat niet behandelde neurotische problematiek in de rest van het leven blijft voortbestaan. Waar elders dan binnen het onderwijs kan een dergelijk probleem worden opgemerkt en kan iemand gestimuleerd worden er iets aan te laten doen? Ferdinand (1995) deed een groot longitudinaal onderzoek dat gesubsidieerd werd door het Nationaal Fonds voor de Geestelijke Gezondheid in Nederland. Hij onderzocht het verband tussen problematiek in de kindertijd, in de adolescentie (14-18 jaar)7 en in de jongvolwassenheid (19-25 jaar). Zijn er in de adolescentie ernstige problemen niet behandeld dan blijken deze in de jongvolwassen leeftijd terug te keren. Verder bleek uit dit onderzoek dat 75% van de jongvolwassenen die ernstige beperkingen ondervonden in hun functioneren, geen adequate hulpverlening kregen. Een Amerikaans onderzoek (Roa, Hammen and Daley 1999) volgde 5 jaar lang 155 vrouwen in de overgangsfase van adolescentie naar jongvolwassenheid. Het grote risico op depressie lag tussen de 18-20 jaar. Zonder behandeling is het risico op terugkeer daarvan binnen 5 jaar 71%. De onderzoekers stellen dat deze leeftijd een belangrijk keerpunt is waarbij er veel eisen gesteld worden aan rolverandering en waarin belangrijke beslissingen over levensdoelen genomen worden. Wanneer iemand depressief is staat de persoonlijke groei stil en wordt het nemen van goede beslissingen verstoord. Vandaar het belang van goede diagnostiek en behandeling in deze leeftijdsfase.

Expertise van studentenpsycholoog binnen onderwijsnetwerk Een studentenpsycholoog moet kunnen bepalen of een probleem met een korte studievaardigheidcursus kan worden opgelost of dat onderliggende persoonlijke problemen aandacht verdienen. Vervolgens moet hij in overleg met een student kunnen inschatten of een probleem zo licht is dat het geen behandeling behoeft en vanzelf overgaat. Wanneer het probleem ernstig is, moet de studentenpsycholoog bepalen of hij het zelf kort kan behandelen of voor een langere behandeling beter kan doorverwijzen. Het is in het algemeen jammer iemand te moeten doorverwijzen naar bijvoorbeeld een buitenunivsersitaire zorginstelling. In deze ontwikkelingsfase en met de beperkte studieduur is het niet goed dat een student lang op een wachtlijst moet staan. Bovendien hebben die instellingen niet overal specifieke therapeutische settings zoals groepen voor studenten. 7

De adolescentieperiode wordt in de Amerikaanse literatuur eerder gesitueerd dan in de Nederlandse.

117


Een team van aan een onderwijsinstelling verbonden studentenpsychologen beschikt over expertise voor de behandeling van persoonlijke problematiek van studenten. Zij kennen de leefomgeving en karakteristieke problematiek van studerende jonge volwassenen (deel I). Zij kennen ook de thema’s die deze leeftijdsgroep bezighoudt (deel II). En zij weten hoe je met studenten moet omgaan (deel III). Goed geschoolde studentenpsychologen beschikken over de vaardigheden om neurotische problematiek doorgaans in korte tijd te behandelen. Dit laatste vind ik het fascinerendste van mijn werk en is de grootste motivatie voor het schrijven van dit boek. Het is in het algemeen mogelijk gebleken om binnen een beperkt aantal sessies (tien) ook tamelijk ingrijpende problematiek tot meer leefbare vormen terug te brengen. Een student krijgt daardoor zelfinzicht dat hem de rest van zijn leven ten dienste staat. Ten slotte is er nóg een reden om psychologische hulpverlening aan studenten zelf ‘in huis’ te houden: de verwevenheid met studeerproblemen en het bestaan van financiële en andere regelingen bij overmacht, vragen soms om intern overleg binnen een onderwijsinstelling tussen de psycholoog, studieadviseur en decaan. Studenten blijven zo op de hoogte van regelingen en financiële faciliteiten bij stagnatie van de studie door persoonlijke problemen. Daarnaast blijven studentenpsychologen op de hoogte van ontwikkelingen in het onderwijs. En omgekeerd kunnen studieadviseurs zich via regelmatig georganiseerde consultatiebijeenkomsten bijscholen in studentenproblematiek. Studentenpsychologen kunnen verder bijdragen tot een klimaat binnen een onderwijsinstelling waar aandacht is voor persoonlijkheidsontwikkeling van studenten (Hopman, Tromp 1999). Zij zitten bijvoorbeeld in commissies, geven bijscholing, hebben contact met studentenorganisaties, geven interviews en helpen mee aan algemeen vormende lezingen van een Studium Generale8 (Weggeman, 1997). Schets van een levensfase. Ik schreef over dat persoonlijk contact en over de ontwikkeling van de individuele student. Niet alleen van de student die hulp vraagt. In zijn vragen en moeilijkheden, schets deze de uitdagingen op de weg die bijna iedere student gaat in deze belangrijke leeftijdsfase. Op mijn manier heb ik een begin gemaakt met het in kaart brengen van gebieden waar deze weg langs loopt. Hoe moet daarbij de gidsfunctie zijn van ons: psychologen, docenten en ouders, die het ‘weten’, beladen met onze heilige overtuigingen? Hoe moet de wisselwerking zijn met een jonge generatie studenten ' wier zielen vertoeven in het huis van morgen’? Suggesties en aanbevelingen heb ik gedaan met name op het gebied van psychologische hulp. Grote onderwijsinstellingen zouden een dergelijke dienst moeten bieden aan hun studenten. In deze fase van hun leven moeten zij veel beslissende keuzen maken met hun hart en hun verstand. Het schrijven was voor mij een spannende bezigheid aan het einde van mijn loopbaan als studentenpsycholoog. Ik werd emotioneel gesteund door enkele collega's om mij heen. Door hen werd het schrijven voor mij ook een ook een proces van zelfconfrontatie en heb ik menige vaste overtuiging van mijzelf bijgestuurd. We spreken over een broedkamer, waarin onze hoop en onze toekomst tot ontwikkeling komen. Schatten liggen daar opgeslagen. Het zijn schatten.

8

Suggesties voor het programma van een Studium Generale: mannelijke identiteit , zelfbeeld, vals- en waar zelf, relatievorming, individuele seksualiteitsbeleving, carrière- en kinderplanning, bewustzijndimensies, bestaansoriëntatie en andere existentiële onderwerpen die in deze leeftijdsfase van belang zijn.

118


BIJLAGE A Adressen en websites in Nederland en Vlaanderen9. Algemene site studentenpsychologen Nederland: http://www.studentenpsychologen.nl/ Studentenpsychologen Kath.Universiteit Leuven: www.kuleuven.ac.be Uit de website: Het psychotherapeutisch centrum biedt diverse vormen van therapie aan: korte begeleiding, pretherapie, individuele psychotherapie, groepstherapie, faalangstgroepen, thematische groepen (ronde uitstelgedrag, sociale vaardigheden, relaxatie), medischpsychiatrische hulp. Studentenpsychologen Rijksuniversiteit Groningen (afdeling van waaruit dit boek geschreven werd) Oude Kijk in 't Jatstraat 41, 9712 EC Groningen tel. 050 – 3635544 en 3635545. Fax: 050 3637111. e-mail:studenten.psychologen@bureau.rug.nl Website: http://www.rug.nl/bureau/expertisecentra/sz/psychologen/index Uit de website: De studentenpsychologen bieden hulp bij problemen op het gebied van: studeren en studiekeuze, contacten en relaties, relatie met ouders, beslissingen nemen en keuzes maken, spanningen en angsten, stress, depressie, assertiviteit. Er is consultatie via email mogelijk Overzicht studievaardigheidcursussen. Onze ´nevenafdeling´ Studie Ondersteuning Rijksuniversiteit Groningen. Via algemene site http://www.rug.nl/bureau/expertisecentra/sz/studieondersteuning/index Zelfhulpbibliotheek via www.zelfhulp.nl. Door ons team werd een zelfhulpbibliotheek samengesteld. Over vele thema’s is relevante informatie te vinden. De genoemde artikelen of boeken kunnen los gelezen worden of in het kader van een therapie. In iedere wachtkamer staan bakjes met kaartjes waarop thema’s en relevante literatuur vermeld staan. Sommige boeken kunnen bij ons secretariaat (Groningen) geleend worden tegen ‘statiegeld’, dat bij inlevering van het boek teruggegeven wordt. Een lijst van onze zelfhulpbibliotheek is binnen te laden via: www.zelfhulp.nl. De listing is niet volledig geactualiseerd. Uitwerking onderwerpen uit dit boek: relaties, seksualiteit, spiritualiteit, mannen, Islam, Boeddhisme en psychotherapie: http://home.tiscali.nl/sommeling Emailhulp (bij vele universiteiten,o.a. Groningen mogelijk. Tegen kleine kostprijs ook door de auteur van dit boek via zijn site en daar ´contact´) . http://home.tiscali.nl/sommeling Zelfhulpcomputerprogramma’s over ‘seksualiteit en relaties’ en over ‘droomanalyse’: (zie uitgebreid in bijlage B): www.zelfhulp.nl.. Auteurs van dit boek: Louis Sommeling (hoofdauteur): sommeling@tiscali.nl. Website: http://home.tiscali.nl/sommeling…….. Laura Chorus (hoofdstuk 8.2-5): l.c.m.chorus@bureau.rug.nl Margreet Naaijer (hoofdstuk 3.2) via adres studentenpsychologen Groningen (zie hierboven). Hilleke Smits hoofdstuk 7.1 : gepensioneerd. 9

N.B.: Website-adressen zijn regelmatig aan verandering onderhevig.

119


BIJLAGE B Software en links. Zelfhulpcomputerprogramma’s De auteur van dit boek is naast studentenpsycholoog ook seksuoloog en ontwierp als zodanig ook enkele computerprogramma’s voor zelfhulp. Ook is advies en hulp via email mogelijk. Informatie daarover en demo’s op www.zelfhulp.nl . Adres uitgever: T & O (Test en Opinion), Korreweg 1, 9714 AA Groningen, tel. 050 - 573 45 46, fax 050 - 573 45 95. E-mail: Ottobw@dds.nl Sexpertise on line Een nieuwe dienst over de meest voorkomende seksuele problemen ontworpen door de auteur van dit boek: www.sexpertise-online.nl. Personal Sexpertise Dit computerprogramma, is een thuisprogramma voor iedereen. Het werd met groot succes jarenlang gebruikt op KEI-introductieavonden voor eerstejaars studenten. In voornamelijk spelvorm wordt inzicht verkregen in eigen seksueel functioneren. Inzicht wordt verschaft in mannelijke en vrouwelijke seksualiteit, spelregels en modern rolgedrag. ‘Macho’- en ‘femiscores’ kunnen worden berekend en in hoeverre iemand niet alleen vrouwvriendelijk praat maar dit ook in gedrag toont. Sexpertise Professional. Ondersteuningsprogramma voor hulpverleners bij de behandeling van seksuele problemen met protocollen voor behandeling. Directieve oefenprogramma’s zijn beschikbaar, ze kunnen uitgeprint worden; bijvoorbeeld over ‘geen zin’, ‘vaginisme’, ‘impotentie’, ‘voortijdig klaarkomen’, ‘anorgasmie’, ‘nauwe voorhuid’. Je kunt er ook informatie vinden over de mogelijke bijwerking van medicijnen op seksuele dysfuncties, maar ook informatie over bijvoorbeeld het gebruik van anticonceptie, voorbehoedmiddelen, videobanden/literatuur, adressen. Deze laatste informatie is enkele jaren oud; er bestaan plannen voor upgrading. De protocollen en denkbeelden hebben echter nog niets van hun actualiteit verloren. Ze werden ontwikkeld vanuit een langdurige praktijk als seksuoloog bij de Rutgersstichting. Zie ook de literatuurlijst achter in dit boek (Sommeling 1992, 1993). Droomanalyse Hulp bij het ontcijferen en ontdekken van de betekenis van dromen. Dromen kunnen ingevoerd worden en naarmate meer dromen zijn ingevoerd kan de betekenis van de droom beter worden vastgesteld (volgens de droomreeksmethode van Calvin Hall). Gebruikers wordt gevraagd een droom op een dertigtal kenmerken in te voeren, en bij vele kenmerken worden eigen associaties gevraagd. Er zijn hulptoetsen voor assistentie bij associëren. Er wordt dus niet van vaste betekenissen uitgegaan, maar iemand wordt geholpen eigen dromen te leren ‘lezen’. Vele correlaties worden door de computer berekend, zoals bij welke emoties welke personen vooral optreden, of de handelingen in de droom dan succesvol zijn, hoe verschuivingen in emoties per onderwerp, seizoen, en omgeving optreden, enzovoorts. Religie en spiritualiteit. De processen die jonge Islamieten nu moeten doormaken in Nederland rond hun godsdienst vertonen veel gelijkenis met de ontwikkelingen in Nederland in de jaren zestig tot en met tachtig van de vorige eeuw. Meer: http://home.tiscali.nl/sommeling/godsdiensten_in_deze_wereld.htm

120


Literatuur Hoofdstuk 2 Een leeftijdsfase vol keuzen

Boeke, Binnert (2000). Studentenpsycholoog Universiteit Twente. Interview in HP over studentenproblemen, 19 mei. Kohnstamm, Rita (1999). De veranderende student. Nog niet gepubliceerde lezing, uitgesproken op de dag van de Vlaamse en Nederlandse studentenpsychologen in de Rijksuniversiteit Groningen. Miller, Alice (1979). Het drama van het begaafde kind. Vanaf de 22e druk (1999). Holkema en Warendorf. Rand, Aynd (1999). De eeuwige bron. Luitingh Sijthof. ( Vertaling van The Fountain Head, 1943). Schouwenburg, H. (2000). Studeerproblemen. Groningen: Wolters-Noordhoff. Vlietstra. N. (2000). Psycho-analytica. Interview in HP over studentenproblemen, 19 mei.

Hoofdstuk 3 Het drama van het begaafde kind Jenson, Jean (1997). Op weg naar je ware zelf. Houten: Holkema en Warendarf. (Vertaling; vooral eerste helft is prima). Miller, Alice (1979). Het drama van het begaafde kind. Vanaf de 22e druk (1999). Holkema en Warendarf. Pesso. A. en J. Crandell (1996). Moving psychotherapy.Brookline Books.

Hoofdstuk 4 Het ware en het valse zelf Almaas, A. (1997) The Pearl beyond Price. Integration of Personality into Being. Berkely California: Diamond Books. Mahler, M. (1975); The psychological Birth of the human Infant. Symbiosis and Individuation. .N.Y.: Basic Books. Stern, Daniël (1986). The Interpersonal World of the Infant. A View from Psychoanalysis and Development Psychology. N.Y.: Basic Books. Tydeman, Nico (1998). Zitten. De praktijk van Zen. Amsterdam: Karnak. Winnicott. D. (1965). The maturational processes and the facilitating environnement. London: Hogarth Press.

Hoofdstuk 5 .1 Het aangaan van intieme relaties. Hoofdstuk 5.2 Waarom studenten van ´ mannelijke´ faculteiten minder hulp zoeken . Adams, M. (1989). The Great Adventure. Male Desire and the Coming of World War I. Bloomington and Indiana: Indiana University Press. Almaas, A.H. (1988). The Pearl Beyond Price. Berkely Californië: Diamond Books. Bly, R. (1991). Iron John: A Book about Men. Addison-Wesley. Bruijn, G. de (1977). Onderzoeksverslag naar de resultaten van parengroepen. Nisso-cahier. Chapman, R. and J.Rutherford (1988). Male Order, unwrapping masculinity. London: Lawrence and Wishart.

121


Collon, E. (1981). Partnerrelatietherapie in een groep en de Zelfconfrontatiemethode. Doctoraalscriptie vakgroep psychologie, Rijksuniversiteit Groningen. Dekker, J. (1989). Willekeurige beinvloeding van seksuele opwinding. Tijdschrift voor Seksuologie,13: 169-177. Depestele, F. (1986). Het lichaam in psychotherapie. In R.van Balen, M. Leijssen en G. Litaer, Droom en werkelijkheid in cliënt-centered Psychotherapie p. 87-122). Leuven, Amersfoort: Acco. Durckheim, K. von (1961). Hara: het dragende midden van de mens. Deveventer: AnkhHermes. Everaerd, W. (1977). Anders denken over seksualiteit. Van Loghum Slaterus. Fairbarn, W. (1952). Psychoanalytic studies of the personality. Boston: Routledge and Kegan Paul. Fisher, S. (1973). Female Orgasm.Psychology, Fysiology en Fantasy. New York: Basic B. Freud, S. (1961). The ego and the id. In J. Strachey: The standard edition of the complete psychological works of Sigmund Freud (Vol.19,pp.3-66). London: Hogarth Press. (Origineel gepubliceerd in 1923). Gibran, K. (1929/1976). De profeet. Wassenaar: Mirananda. Guntrip, H. (1969). Schizoid Phenomena, Object Relations and the Self. New York: International University Press, Inc.. Gendlin, E. (1981). Focussen. De Toorts, Haarlem. Gendlin, E. (1984). The cliënt's cliënt: the edge of awareness. In R.L. Evant en J. Shlien (Eds), Cliënt-centered therapy and the person-centered approach (pp.76-107). New York: Praeger. Gerritsma, H. (1985). Kinderen en hun vaders. In Ladan e.a..De betekenis van de vader. Psychoanalytische visies op het vaderschap. Meppel: Boom. Irigaray, L. (1987). Over de moederlijke orde. Interview Irigaray-Rouch. Vertaald door J. Buntinx. In Pessobulletin,1993,2. Kaufman, G. (1991). Childhood Loss and Postural Insecurity. In A.Pesso en J.Crandell, Moving Psychotherapy. Brookline Books. Koks, T. (1994). Computerregistratie Studentenpsychologen Rijks Universiteit Groningen. (Niet uitgegeven). Lawrence, D.H. (1927). De tweede Lady CHatterley. Contact Amsterdam. Levant, R. (1990,p.309-310). Psychological Services Designed for Men: a Psychoeducational Approach. In Psychotherapy, Volume 27/ Fall 1990/Number 3:p.309-315. Mahler, M. (1975). The psychological Birth of the human infant. Symbiosis and Individuation. New York: Basic Books,Inc. Publishers. Moore, Th. (1993). Zorg voor de Ziel. Cothen, Servire. Nelson, J. (1992). Male sexuality, male spirituality. Vertaald. De seksuele en spirituele belevingswereld van de man. Tijdschrift voor Seksuologie,16:1-10. Nissbett, R. and S. Valins (1972). Perceiving the Causes of One's Own Behavior. In Jones, E. e.a.. Attribution: perceiving the causes of behavior. Morristown: General Learning Press. Paglia, C, (1992). Het seksuele masker. Amsterdam: Prometheus. Pesso, A. (1992). On becoming. In : Pessobulletin,Proceedings first International Meeting,I,(pp.2-13). Pesso, A. en J. Crandell (1991). Moving Psychotherapy. Brookline Books. Pollack, W. (1990). Men's Development and Psychotherapy: a Psychoanalytic Perspective. In Psychotherapy, Volume 27, number 3:p. 316-320. Schmidt, G. (1974). Sexuele Motivation und Kontrolle. Sexual Medizin,3: 60-65.

122


Seidler, V. (1988). Fathering, authority, and masculinity. In Chapman, R. and J.Rutherford. Male Order, unwrapping masculinity. London: Lawrence and Wishart. Sommeling, L. (1991). De behandeling van seksuele problemen in een groep. Verenigingsblad Nederlandse Vereniging van Groepspsychotherapie,3. Sommeling, L. (1992). Sexpertise : een seksuologisch computerprogramma.In: Maandblad Geestelijke Volks-gezondheid, 6: 676-685 Sommeling, Louis (1993). Sexual Intimacy. Towards Equal Relationships between Men and Women (with treatment assistance of a computerprogram. Journal of Couples Therapy. New York: Haworth Press. Sommeling, L. (1994). Het lichaam, ook in inviduele gesprekstherapie. Tijdschrift voor Psychotherapie. Sommeling, L. (2001) . Leren leven en studeren. Psychologische hulp in de studententijd. Uitgever: van Gorcum, Assen (2001). ISBN: 90 232 3611 4. 1edruk. 2e druk heet coaching in de studententijd. Ontwikkel je persoonlijkheid via sommeling@tiscali.nl. Vennix, P. (1989). Seks en Sekse. Verschillen in betekenis- geving tussen mannen en vrouwen. Nisso-studies, Nieuwe reeks,2. Winnicot, D. (1965). The maturational processes and the facilitating environnement. Hogarth Press,Londen. Zilbergeld, B. (1979). Mannen en Seks. In de Knipscheer. Hoofdstuk 6 Ouders Attekum, M. van (1997). Aan den lijve. Lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso.Lisse: Zwets en Zeitlinger. Mahler, M. (1975). The psychological Birth of the Human Infant. Symbiosis and Individuation. N.Y.: Basic Books. Pesso, A. en J. Crandell. Moving psychotherapy. Cambridge M.A.: Brookline Books. Stern, D. (1985).The interpersonal world of the infant. A view from Psychoanalysis and Development Psychology. N.Y.: Basic Books. Hoofdstuk 8 Psychologische achtergronden van studeerproblemen Beck, J.S. (1995) Cognitive therapy: Basics and Beyond. New York: The Guilford Press. Elzinga, B. en Stegeren, A. van (2000). De invloed van stresshormonen op het geheugen. De psycholoog, maandblad NIP, 35, 9. Gelens, A. (1988) Psychologische achtergronden van studeerproblemen. Muiderberg: Dick Coutinho. Greenberger, D. en Padesky, C (1995) Mind over mood. New York: The Guilford Press. Vertaling (1999) Je gevoel de baas. Lisse: Swets & Zeitlinger. Lazarus, A. (1980) Verbeeld je beter. Lisse: Swets & Zeitlinger. Schurink, G. en Broeke, E. ten (1998) Handleiding bij Cursus Cognitieve Gedragstherapie 1998. Uitgave in eigen beheer. Hoofdstuk 10 Rouw en verliesverwerking Harris, Maxime (1996). Een verlies voor altijd. De levenslange invloed van de vroege dood van een ouder. Amsterdam: Bert Bakker. Hope Edelman. Motherless daughters. Worden, J.W. (1992). Verdriet en rouw. Gids voor Hulpverleners en Therapeuten. Amsterdam/Lisse: Zwets en Zeitlinger.

123


Roskam K. en Barneveld-Roskam, C. (1995). M’n dochter, m’n zusje. Poging tot verwerking van een dodelijk ongeluk. Kok, Lyra. Hoofdstuk 11 Zingeving Almaas, A. (1997) The Pearl beyond Price. Integration of Personality into Being. Berkely California: Diamond Books. Debats, D.L. (1993). On the psychometric properties of the Life Regard (index LRI): A measure of meaningful life. Personality and Individual Differences 14: p. 377-345. Jung, C.(1954). Psychological Commentary. In: Evans-Wenz,W., The Tibetan Book of the Great Liberation. London, N.Y.: Oxford University Press. Leijssen, M. (1995). Focusing: psychotherapeutisch proces en religieuze ervaring. Tijdschrift voor Psychotherapie 21 (1), pp. 24-36. Moore, Th. (1993). Zorg voor de Ziel. Cothen, Servire. Nelson, J. (1992). De seksuele en spirituele belevingswereld van de man. In: Tijdschrift voor Seksuologie, 1992, 16. Pirsig, R.(1991). Lila. Een onderzoek naar morele grondslagen. Amsterdam; Bert Bakker.Rogers, C. (1980). A way of being. Boston: Houghton Mifflin. Samy A. (1998). Waarom kwam Bodhidharma naar het Westen? De ontmoeting van Zen met het Westen . (In een prachtige vertaling van Ton van der Stap). Nieuwerkerk a/d IJssel: Asoka. Sommeling, L. (1979). Seks en religie. In J.Drenth e.a.: Seks als probleem. Haarlem: Holland. Sommeling, L. (1983). Vanuit een godsdienstig verleden. Tips voor hulpverleners over de relatie psychotherapie-godsdienst. Handboek Seksuele Hulpverlening. Van Loghum Slaterus. Sommeling, L. (1996). Cliëntgerichte therapie en religieuze dimensie. Tijdschrift voor Psychotherapie,22,1. Tydeman, Nico (1998). Zitten. De praktijk van Zen. Amsterdam: Karnak. Hoofdstuk 12 Depressie, burnout, negatief zelfbeeld en verslaving als bijverschijnsel Depreeuw Erik en Van Horebeek (1996). Doe-het-zelf-brochure voor de faalangstige student. Zie website Kath. Universiteit Leuven (adres bijlage A). Gendlin, E. (1981). Focussen. Haarlem: de Toorts. Kalmthout, Martin van (1997). Persoonsgerichte Psychotherapie.Utrecht: De Tijdstroom. Pols, Jan (2000). Kinderen aan de pil. In: Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 9. Voordouw, Ineke e.a. (2001). Grip op je dip. Zelf je somberheid overwinnen. Uitgegeven bij Trimbos-instituut afdeling preventie, tel. 030-2971193.

Hoofdstuk 13 In therapie of het volgen van een coachingstraject. Attekum, M. (1997). Aan den lijve. Lichaamsgerichte psychotherapie volgens Pesso. Lissen: Zwets en Zeitlinger. Gendlin, E. (1981). Focussen. Haarlem: de Toorts. Sommeling, L. (1996). Cliëntgerichte therapie en religieuze dimensie. Tijdschrift voor Psychotherapie,22,1.

124


Hoofdstuk 14 Coaching en psychologische hulpverlening binnen een onderwijsinstelling

Ferdinand, R.F. (1995). Psychopathology in adolescents and young adults. Prediction, course and prevalence. Met samenvatting in Nederlands: Prevalentie en beloop van psychopathologie bij adolescenten en jongvolwassenen. Amsterdam: P. Struycken,. c.o. Beeldrecht. Hopman, Maria (1999). Creativiteit onder druk. Omgaan met faalangst en kritiek in kunst en kunstonderwijs.Assen: van Gorcum. Ledoux, J. (1999). The emotional brain. The mysterious underpinings of emotional life. Notenboom, Erik (1996). Wat kunnen we leren van leerprocessen in de hersenen? In: Bulletin onderwijs Biologie 27 (161). Roa. U, Hammen. C., en Daley Sh. (1999). Continuity of depression during the transition to adulthood: a 5-year study of young women. In Journal of American Academic .Child Adolescence Psychiatry 38:(7) p. 908-915. Tromp, Diana (1999). Film 99% transpiratie. Assen: van Gorcum. Weggeman, Mathieu (1997). Kennismanagement. Inrichting en besturing van kennisintensieve organisaties. Schiedam: Scriptum Management.

Bijlagen

125


126


Leren leven en studeren. "Overal zijn cursussen voor ", zei een student eens, "behalve over de meest belangrijke levensgebieden". Enkele gesprekken volstaan soms al om problemen waar je mee zit,op te lossen. Ze worden in een overlegsituatie gevoerd en helpen je om jezelf te leren coachen ook in probleemsituaties.. Voorbeelden van dit soort gesprekken zijn in dit boek weergegeven. De auteur is 25 jaar lang studentenpsycholoog is geweest aan de Rijksuniversiteit in Groningen. " Ik dacht altijd dat ik de enige was met problemen", het was een troost voor mij om dit boek te lezen", zei een ander. Je komt op deze leeftijd zoveel tegen waar je uit moet zien te komen en je neemt soms beslissingen voor de rest van je leven . Dit boek gaat over thema´s als: de relatie tot je ouders, leren alleen te kunnen zijn, je ware zelf ontdekken, het voorkomen van stress en depressie, verlies, seksuele identiteit. Ook over studeerproblemen zoals concentratiestoornis en andere studeerproblemen met een psychologische achtergrond. Je bent op een leeftijd dat je jezelf kunt leren kennen en meester worden en daar heb je de rest van je leven iets aan. Ook studieadviseur, decanen, docenten en anderen vinden in dit boek aanwijzingen: wanneer kun je beter zelf een student coachen en wanneer kun je beter naar een professioneler iemand verwijzen. Bestuurders en media spreken meestal in termen als ´financiering, tempobeurs, studentenjool en fusie´. Maar persoonlijkheidsvorming in het onderwijs is een oud ideaal, dat weer steeds meer in de belangstelling staat. Deze service moet niet worden uitbesteed of geminimaliseerd, maar hoort tot het wezen van kennisverwerving. Zoals een studente het eens samenvatte: "Het gaat mij niet alleen om het opdoen van informatie, maar ook om het verwerven van inzicht. Ik wil niet in de eerste plaats een geleerde of een scorend iemand worden, maar vooral een wijs mens".

127

leren leven en studeren  

studentenversie. Persoonlijkheidsontwikkeling in de studententijd. Periode waarin je de meest cruciale beslissingen neemt voor de rest van j...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you