Page 1

Verzet door het woord

O D T E

OOR Getuigenis van Hans Steinhage over de lotgevallen van zijn familie rond de Tweede Wereldoorlog, opgetekend door Hans van Harten


R O O

RD


Verzet door het woord

Getuigenis van Hans Steinhage over de lotgevallen van zijn familie rond de Tweede Wereldoorlog, opgetekend door Hans van Harten Amersfoort, februari 2010


Voorwoord

Dit boek bevat een late getuigenis van gebeurtenissen rond de Tweede Wereldoorlog. Laat, omdat het verhaal pas 65 jaar na het einde van de oorlog is opgetekend. Wat kan zo’n late getuigenis nog toevoegen aan alle ontelbare boeken, artikelen, verhalen en films die over de Tweede Wereldoorlog zijn verschenen? Dat is een terechte vraag. Dit verhaal vertelt niet het ‘grote verhaal’ van de Tweede Wereldoorlog. Daarover zijn talloze zeer goede boeken en andere publicaties verschenen. Maar er zijn wel een paar bijzonderheden aan deze getuigenis. Dit verhaal gaat over de Duitse familie Steinhage die zich al vroeg na de machtsovername van Hitler in 1933

verzette tegen het nazisme. Dat was geen alledaags verschijnsel in het Duitsland van die tijd en niet van risico ontbloot. De familie werkte vanuit Oldenzaal, net over de grens, waar zij naar toe was uitgeweken. Uit de getuigenis blijkt dat hun verzet, in de vorm van het maken en verspreiden van anti nazistische tijdschriften, was verbonden met meer initiatieven van geestverwanten, vanuit katholiek christelijke hoek. Het verhaal is aangrijpend omdat de tol van het verzet voor de familie groot is geweest. Ja, ze overleven allemaal de oorlog, met zijn achten, maar maken heftige gebeurtenissen mee. Ze zijn jaren van elkaar gescheiden, zonder te weten waar de andere dierbaren zijn en hoe het hun gaat.


Het relaas maakt ook duidelijk dat voor de familie de oorlog in 1945 niet was afgelopen. De verteller van dit boek, Hans Steinhage, schetst dat keuzes die hij na de oorlog maakte met werk en relaties, nauw zijn verbonden met gebeurtenissen voor en tijdens de oorlog. Dit boek bestaat uit drie delen. Het eerste deel is het verhaal van Hans Steinhage (1919). Hij schetst op basis van zijn herinneringen het verhaal van zijn familie, en de aangrijpende gebeurtenissen die zij meemaakten in die periode en daarna. Het tweede deel bevat een nog niet eerder gepubliceerd document met herinneringen aan kerstmis, van Nederlandse kampgevangenen, in Heinkel 1943.

Hans Steinhage heeft deze geschreven herinneringen uit het kamp mee weten te nemen. Het derde deel zet de getuigenis in perspectief, door beknopt een aantal ontwikkelingen en feiten te schetsen die het relaas van Hans Steinhage ondersteunen. Dat juist ondergetekende dit verhaal heeft opgeschreven, heeft te maken met het feit dat gedurende deze lange geschiedenis de familie van Steinhage in verschillende opzichten verbonden is geweest met die van mijn familie van moederskant, de familie Braakhuis. Hans van Harten


Inhoud

Deel I 1 2 3 4 5 6

Getuigenis van Hans Steinhage Tot 1934 Kiem van het verzet Van 1934 tot 1940 Der Deutsche Weg 1940 Diaspora 1940-1945 Nummer 34735 1945 Helletocht naar huis Na 1945 Sporen van de oorlog

8 9 15 22 29 39 47

Deel II

Ter herinnering aan Kerstmis, Heinkel 1943 Gedachten aan kerstmis van Nederlandse kampgevangenen

54

Deel III 7 8 9 10 11 12

Getuigenis in perspectief Friedrich Muckermann en der Deutsche Weg Josef Steinhage over Muckermann en der Deutsche Weg De Katholieke pers Herinneringen van Jules Huf Sachsenhausen en Heinkel De vrouwen van Ravensbr端ck

Verantwoording

92 93 95 100 102 106 108 110


8

Deel I Getuigenis van Hans Steinhage


1 Tot 1934 Kiem van het verzet

Ik ben inmiddels de negentig gepasseerd. En ik ben dankbaar voor elke dag die ik nog in redelijke gezondheid kan doorbrengen. In de oorlogsjaren zou ik niet geloofd hebben dat ik die leeftijd zou halen. In die moeilijke periode was het onmogelijk om aan de toekomst te denken. Het ging simpelweg om overleven. Voor mij en voor mijn familie. ¶ De oorlog heeft het verhaal van mijn familie beslissend beïnvloed. Dat geldt voor mij, maar net zo goed voor mijn ouders, broer en zussen. De oorlog heeft sporen nagelaten. Voor de een meer dan voor de ander. Voor mijzelf meer dan ik had kunnen vermoeden. Want na de bevrijding had je maar één gedachte: we moeten verder, dit moeten wij achter ons laten. ¶ Veel details van die oorlogsjaren ben ik vergeten, en sommige wil ik liever vergeten, ze zijn te erg. Veel herinneringen zijn echter gebleven en die kan ik me nog levendig voor de geest halen. Ik heb ze lang voor me gehouden. Maar de afgelopen jaren heb ik meer en meer over die periode verteld. Vooral aan mijn kinderen, die daar lange tijd maar weinig van wisten. ¶ Het is maar beter het verhaal van mijn familie te vertellen. ¶ En ik begin bij het begin, dan wordt alles vanzelf duidelijk.

Duitsland, 1919. Het was vlak na de Eerste Wereldoorlog. Het was een slechte tijd. De oorlog was voor Duitsland dramatisch afgelopen. Het Verdrag van Versaille had Duitsland enorme terugbetalingen opgelegd. De oorlog was voorbij, maar het land was nog in rep en roer. De Keizer was gevlucht, er was revolutie in Berlijn. De mensen hadden het arm, de oorlog had het land uitgeput. ¶ Mijn ouders, Josef Steinhage en Else Jaegers, woonden in Essen, met twee kleine dochtertjes. Vader was een aantal jaren weggeweest en had als soldaat gediend in de oorlog. Na de demobilisatie was hij naar huis teruggekomen. De Fransen hadden na de oorlog het Rheinland bezet. Ik kan me nog goed herinneren dat vader te bed lag.

9


10

Hij was door een Frans militair voertuig aangereden. Op een dag kwam een Frans officier vader bezoeken om hem excuus aan te bieden en de kwestie in orde te brengen. ¶ Vader en moeder pakten het leven samen weer op, zo goed en zo kwaad als dat ging. Moeder raakte zwanger. Maar de omstandigheden in Essen waren niet best. Daarom wilde moeder voor de bevalling naar een rustiger oord. Ze vertrok naar het platteland, naar Lügde, ruim honderdvijftig kilometer ten noordoosten van Essen. ¶ Lügde was een vertrouwde plek, de geboorteplaats van vader. Zijn vader, mijn opa dus, woonde daar nog steeds. De omstandigheden waren er beter. Moeder ging naar het huis van boer Schlieker, een oude bekende van vader. Deze Schlieker had aan de rand van het dorp een boerderij, die nog steeds bestaat, maar die nu zo ongeveer in het centrum van dit plaatsje ligt. ¶ In die boerderij ben ik ter wereld gekomen en mijn ouders noemden mij Hans. Maar er was een verrassing: ik kwam niet alleen. Ilse, mijn tweelingzus, kwam even later. Het was 28 mei 1919. We zijn zo’n drie weken in Lügde gebleven. We zijn er later regelmatig teruggeweest, met name in de vakanties. ¶ Vader en moeder kwamen beiden uit families van goed katholieke huize. Zo zijn twee zussen van vader het klooster ingegaan. En zelfs drie zussen van moeder. Ook al is later een van deze zussen van moeder uitgetreden, zegt dit al genoeg. Het geloof speelde een belangrijke rol. Ondanks dat vond opa van moederskant mijn vader geen goede partij. ¶ De familie Jaegers waren altijd in overheidsdienst geweest, net als de broers van moeder. Ze deden een beetje deftig. Opa van moederskant had een functie als Bahnhofvorsteher, zeg maar stationschef. Moeder heeft wel eens verteld dat haar vader het er niet mee eens was dat ze naar Lügde ging om te bevallen. Toen ze dat toch deed, heeft hij haar gewoon genegeerd. Dat zal niet fijn zijn geweest. Maar het weerhield haar niet. ¶ Vader was van 1886. Na zijn jeugd woonde hij eerst als leerling in Karlsruhe en daarna in Breslau. Dat hoort nu bij Polen. Hij kreeg daar een opleiding bij een handelsschool. Hij was dus ver van huis. Dat was in die tijd niet uitzonderlijk. Je ging vroeger eerst ergens in de leer en dat heeft hij in zijn jonge jaren gedaan. Ik heb nog een ansichtkaart van hem uit Breslau dat hij zijn vader, dus mijn opa, feliciteert met zijn verjaardag. Dat is een mooi aandenken. Daar ontplooide hij al zijn schrijverstalent. Hij werkte vanaf 1911 mee aan het blad Merkuria van de katholieke Koopmansvereniging. ¶ Vader kwam voor zijn werk uiteindelijk in Essen terecht. Daar heeft hij mijn moeder leren kennen. Naar verluidt op een feest van de katholieke koopmansvereniging. Ze zijn getrouwd in 1912. Mirz’l (1915) en Tola (1917) waren de eerste twee dochters. Na Ilse en ik werden later nog mijn broer Guido geboren, in 1926 en mijn zus Resi in 1929.


Er zat een aantal jaren tussen. De moeilijke economische omstandigheden hebben daarin zeker een rol gespeeld. ¶ Vader was achtentwintig toen hij als soldaat de oorlog in moest. Hij werd naar het westfront gestuurd, naar de loopgraven bij Lille en Verdun. De eerste wereldoorlog was jarenlang een Stellungskrieg, zeg maar een loopgravenoorlog. De partijen hebben lang tegenover elkaar gelegen, zonder dat ze enige voortgang boekten. Sterker, ze leden grote verliezen aan beide zijden. Het moet een verschrikkelijke oorlog zijn geweest. ¶ Hij heeft bijna vier jaar in en rond de loopgraven doorgebracht. Uiteindelijk werd hij daar onder andere redacteur van de ‘Liller Kriegszeitung’, een Duits blad dat in Lille werd gemaakt voor de soldaten in Frankrijk. Ook daar kon hij de pen hanteren, iets wat hij graag deed. Schrijven zat hem in zijn bloed, daar had hij een gave voor.

Ook in Essen zocht vader als praktiserend katholiek aansluiting bij katholiek georiënteerde organisaties. Zo werd hij na de oorlog secretaris van de katholieke Koopmansvereniging. Hij bemoeide zich ook graag met politiek. Hij sloot zich ergens in 1922 of 1923 aan bij de christelijke Zentrumpartei. Dat was destijds een grote partij in Duitsland. Hij werd op een gegeven ogenblik voorzitter van de plaatselijke afdeling. Vader had geen rijbewijs, maar hij heeft in een verkiezingscampagne Adenauer, de beroemde Bondskanselier van na de oorlog, door de stad gereden en geassisteerd in de campagne. ¶ Schrijven en politiek waren niet zijn eigenlijke broodwinning, de zaak ging vóór. Vader had een houtbedrijf, met een werkplaats, en handelde in allerlei soorten hout, ramen, kozijnen, ook fotolijsten en dergelijke. De firmanaam was ‘Rheinisch Westfälische Bilder und Rahmenindustrie.’ Hij had zelfs een dependance in Fulda. Hij volgde in dit opzicht zijn vader, die ook een bedrijf had. Opa was ‘Schreinermeister’, in het Nederlands zouden we zeggen ‘meester timmerman.’ ¶ Eerst hadden wij een huis in de Brigittastrasse, nabij de Sint Andreaskirche. Wij waren een tamelijk moderne familie, kan ik zeggen. We hadden in mijn jeugd, toen ik pakweg vijf of zes jaar was, radio, telefoon aan de muur en vader maakte reeds foto’s met een AGFA, een inklapbare harmonica, met glazen negatieven. Ik heb er nog een aantal. Ik kan terugkijken op een tamelijk gelukkige jeugd. We hadden het niet echt breed, maar armoe, nee, dat hebben we niet gekend. Toch knap van mijn ouders, heb ik altijd gevonden, met zes kinderen. Ze hebben de eindjes steeds aan elkaar kunnen knopen. ¶ Ik kan mij de opkomst van de Nationaal Socialisten goed herinneren, zoals in Essen. Vechtpartijen in de straten tussen voor- en tegenstanders. Het intimideren en lastig vallen van mensen. Het bekladden van joodse winkels, ja, toen al.

11


12

Ook vanuit de padvinderij, waarvan ik lid was, liepen in de jaren twintig mensen over naar de nationaal socialisten. Veel mensen waren bij wijze van spreken op vrijdag nog communist, en op zaterdag nationaal socialist. Ik heb de opkomst van de Spartakisten meegemaakt, raddraaiers die door de straten marcheerden. ¶ Het zat ook in kleine dingen. Anekdotisch misschien, maar ik weet nog dat de nazi’s snoepjes met hakenkruizen erop uitdeelden aan kinderen. Gek eigenlijk, misschien was het onbewust, maar ik heb er toch nooit één gegeten. Dat voelde fout, die ingeving hadden we wel. ¶ De economische crisis ging niet aan ons voorbij. De houthandel van vader ging failliet, zo rond 1924. Wij waren in Essen inmiddels verhuisd naar de Alexanderstrasse. Vader deed even in verzekeringen, en had een groentestalletje in de Altstad. Hij ging elke morgen om vijf uur naar de Grossmarkt in Essen om groente te kopen. Hij was van veel markten thuis.

Vader zocht door de slechte economische omstandigheden meer vastigheid. Hij vond uiteindelijk een baan bij uitgeverij Vinerius Verlag in Rheine. Deze firma gaf onder meer een Kirchenblatt uit voor Rheine en omgeving, Mettingen, Steinfurt en Greven, om maar enkele plaatsen te noemen. Vader werd redacteur van dat blad. De redactie en uitgeverij waren in Rheine gevestigd, in de Roosstrasse. ¶ Wij verhuisden in 1928 naar Rheine, zo’n honderd kilometer noordelijk van Essen, niet ver van de Nederlandse grens. We betrokken een woning in de Antoniusstrasse. Ook hier bleef hij actief in de katholieke wereld. Ik moet zeggen dat het na Essen een verademing was om in Rheine te wonen. Het was een kleinere stad, maar opener, het leefklimaat was er prettiger. Ik heb er goede herinneringen aan. ¶ Naast het Kirchenblatt gaf de drukker een weekblad uit, dat zich richtte tot Duitse katholieken in Nederland. Het verscheen onder de naam ‘Deutsche Post für Holland.’ Vader vond dit een interessant blad en ging er voor werken. Het was aanvankelijk een informatiekrant gericht op Duitsers die woonden en werkten in Nederland, zonder echte politieke lading. Vader bracht voor de ‘Deutsche Post’ regelmatig bezoeken aan Nederland. De krant werd vanuit een katholiek uitgangspunt geschreven. Dat zou steeds moeilijker worden tegenover het om zich heen grijpende nazisme. ¶ De omstandigheden verslechterden in januari 1933 ernstig. Hitler nam de macht over in Berlijn. De Zentrumpartei waar vader lid van was, bleef aanvankelijk verzet bieden. Vader putte daar eerst nog hoop uit. Maar de partij ging uiteindelijk overstag omdat Hitler had beloofd om de parlementaire democratie en de rechtsstaat niet aan te tasten. Die capitulatie zal vader in hoge mate verontrust hebben.


En het ging natuurlijk mis. Er was de brand in de Reichstag. Er kwam een berucht proces tegen Marinus van der Lubbe, waarvoor de doodstraf opnieuw werd ingevoerd. De democratie werd om zeep geholpen, politieke partijen werden verboden. Het was het definitieve einde van de Weimarrepubliek. De eerste concentratiekampen werden opgericht. Ik denk dat vader zich heel goed realiseerde dat het fout zat. ¶ De pers werd gleichgeschaltet, en was geen ruimte meer voor andere geluiden. Ook ‘zijn’ blad, de Deutsche Post moest nationaalsocialistisch worden. Vader kreeg steeds meer het gevoel: hier wil ik niet aan meewerken. Er moet vrijheid zijn, onze boodschap moet verkondigd kunnen worden. Wij hadden niets met Hitler en met de nazi’s, integendeel, we zagen de opkomst van het nazisme met lede ogen aan. Vader vond het nazisme niet verenigbaar met ons geloof en de principes van het christendom. Maar zijn toenmalige baas van de uitgeverij wilde meegaan met de nationaalsocialisten.

Vader nam daarop een moedig besluit. We zouden vertrekken. Weg uit Duitsland. Ik geloof niet dat zijn ervaringen van de Eerste Wereldoorlog bij die beslissing een rol speelden. In de zin dat het schrikbeeld van de loopgraven bij hem parten speelde, nu er in Europa misschien weer een nieuwe oorlog dreigde. ¶ Nee, hij was gewoon een tamelijk strijdbaar en principieel mens. Hij wilde vanuit zijn oprechte katholieke overtuiging het juk van het nazisme niet meemaken en wilde evenmin zijn kop in het zand steken. Er waren denk ik wel meer mensen zoals hij, die het nazisme afwezen. Maar weinigen konden of wilden openlijk afstand nemen. Vrije meningsuiting was binnen Duitsland onmogelijk geworden. Als je wel je stem liet horen, wist je wat de gevolgen konden zijn. ¶ De keuze was: aanpassen of vertrekken. Vader ging dus. Of hij de gevolgen van deze stap helemaal kon overzien, weet ik niet. Maar spijt heeft hij er nooit van gehad, en dat gold voor moeder ook. Wij hebben onze ouders deze stap nooit kwalijk genomen, ook later niet. Zeker niet. We waren nog jong, tieners, maar we hebben vader altijd gesteund, al wisten we niet precies wat dit allemaal voor gevolgen zou hebben. ¶ Dus is vader op een zeker moment in februari 1934 bij nacht en ontij met het complete abonnementenbestand van de Deutsche Post uitgeweken. Hij ging naar Nederland. Dat lag voor de hand, de krant was immers op Nederland gericht. En Nederland was neutraal. Daar zou hij in elk geval voorlopig veilig zijn. Vader vertrok naar Oldenzaal, even over de grens, zo’n vijftig kilometer van Rheine. Hij vond tijdelijk onderdak bij de familie Hilgenfort. ¶ Vader kwam na veertien dagen voor het eerst thuis, met de trein. Hij werd officieel nog niet gezocht. Hij kon daarna regelmatig weekenden naar Rheine komen. Maar het werd steeds gevaarlijker om de grens over te steken.

13


14

Na de ‘Nacht van de Lange Messen’, op 30 juni 1934, werd het bijna onmogelijk. De beruchte Schutzstaffel (SS) had toen belangrijke kopstukken van de zogenaamde Sturmabteilung, de SA, uit de weg geruimd. Deze waren voor Hitler te gevaarlijk geworden. De onderdrukking werd bijna totaal. ¶ Op een gegeven moment belde hij op en zei: ‘Ik kan niet meer komen, het wordt te gevaarlijk. Moeder, kom naar Holland toe.’ Moeder is vervolgens op 15 september 1934 met de twee jongste kinderen, Guido en Resi, op de trein gestapt naar Glanerbrug, een grensplaatsje bij Enschede. Wij bleven met vier kinderen achter. Snel daarop kregen we weer een berichtje van vader. ‘Volgende week zaterdag komt er een taxi uit Nederland, die haalt jullie op.’ Die taxi, van de firma Smudde uit Oldenzaal, heeft ons vieren naar Nederland gebracht. ¶ Ik was pas vijftien jaar, maar er zat een week later niets anders op dan in mijn eentje terug te gaan naar Duitsland om de verhuizing te regelen. Vader kon dat onmogelijk doen, het risico was veel te groot. Bij aankomst bleek dat er spullen uit huis waren verdwenen. Er was dus gestolen. Het verhuisbedrijf was er gelukkig op de afgesproken tijd. We hebben alles ingeladen en zijn weggereden. Daarop zijn we de grens naar Nederland overgestoken. Op het moment dat we de Nederlandse douane gepasseerd waren, hoorden we van Duitse kant opeens roepen: ‘Stop, stop!’ Dat was de geheime staatspolitie, de Gestapo. Maar ze waren te laat, we waren veilig. ¶ Ik heb het verhaal gehoord dat er van hogerhand opdracht was gegeven om onze verhuiswagen bij de grens tegen te houden. Dan hadden we echt problemen gehad. Maar een ambtenaar, lid van de padvinderij uit Rheine, zou het bevel daarvoor opzettelijk hebben opgehouden totdat we over de grens waren. Of dat echt waar is, weet ik niet.

Inmiddels had mijn vader bij toeval een Jezuïet, Friedrich Muckermann ontmoet. Deze Muckermann, een zeer geziene figuur in Duitsland, was zelf net gevlucht voor de nazi’s. Hij was een bekende redenaar, dichter, filosoof en theoloog, een man van naam en faam die vastbesloten was om zich niet bij de feiten neer te leggen. Hij werd in Duitsland later door de nazi’s wel ‘Staatsfeind nummer eins’ genoemd. ¶ Hij was half juli 1934 vanuit Duitsland langs een boerderij via het smalle riviertje de Glane de grens overgestoken. Zo kwam hij Nederland binnen, en bereikte hij het klooster van de Paters Redemptoristen in Glanerbrug. In dat klooster, zo vlakbij de Duitse grens, werden zij in die dagen aan elkaar voorgesteld. Vader en Muckermann voelden elkaar aan, ze deelden hun katholieke achtergrond en hun strijdbaarheid. ¶ Muckermann zou bij die gelegenheid hebben gezegd: ‘Het is onze Lieve Heer die ons heeft samengebracht.’ Het zou het begin zijn van ‘Der Deutsche Weg.’


2 1934 tot 1940 Der Deutsche Weg

Friedrich Muckermann en vader realiseerden zich goed dat ze niet naar Duitsland terug konden. Ze konden in Duitsland zelf onmogelijk nog een kritisch geluid laten horen tegen het nationaalsocialisme. Muckermanns voorstel om samen te werken viel bij vader in goede aarde. Zo zou de strijd op een nieuwe manier kunnen doorgaan. ¶ Vader vormde zijn oude weekblad, ‘Deutsche Post für Holland’, om tot een nieuw tijdschrift, dat als naam ‘der Deutsche Weg’ kreeg. Onder deze nieuwe vlag gingen Muckermann en vader de katholieken in Duitsland en elders in Europa die niets ophadden met de nazi’s, van informatie voorzien. Vader vond in Oldenzaal snel een uitgever voor het blad, de firma Verhaag. De voorbereidingen voor het nieuwe weekblad konden nu echt beginnen. Er kwam schot in. ¶ Het eerste nummer van ‘Der Deutsche Weg’ verscheen op 12 augustus 1934. Het nieuwe weekblad was in zekere zin een luis in de pels, maar het was de Duitsers een doorn in het oog. In ‘Der Deutsche Weg’ werd namelijk openlijk bericht over wat de nazi’s allemaal van plan waren en tot welke daden zij in staat waren. ¶ Zo werden er al vroeg berichten opgenomen over de oprichting van concentratiekampen in Duitsland. Die informatie was algemeen bekend, althans bij de contacten die vader had met mensen in bijvoorbeeld de Elzas en Polen. Hij wisselde ook dergelijke berichten uit met redacteuren van gelijkgestemde kranten. Iedereen bevestigde dat er concentratiekampen bestonden en er nieuwe werden opgericht. ¶ De kreet ‘Wir haben es nicht gewusst’ die veel Duitsers na de oorlog als verontschuldiging hebben aangevoerd, is mij altijd ongeloofwaardig overgekomen. Wie zijn ogen niet wilde sluiten, wist het. Vader zei later: ‘De wereld wilde niet luisteren.’

Muckermann heeft na zijn vlucht naar Nederland een tijdje in het klooster in Glanerbrug gewoond. Daarna is hij in Oldenzaal terechtgekomen, zo’n tien kilometer verderop, waar vader al woonde. Hij betrok tijdelijk een kamer in het ziekenhuis. Mijn vader heeft eerst bij een Duitse familie tijdelijk onderdak gevonden.

15


16

Hij heeft daarna, toen wij nog in Duitsland zaten, misschien tijdelijk een kamer in datzelfde ziekenhuis gehad, ik weet dat niet zeker. ¶ Uiteindelijk waren wij allemaal naar Nederland gevlucht en met onze huisraad in Oldenzaal beland. Het was september 1934. Eerst konden wij een huis betrekken in de Emmastraat, nummer 15. Daar hebben we met het gezin ongeveer een jaar gewoond. Daarna zijn we doorverhuisd naar een grotere woning in de Bentheimerstraat, nu nummer 61. We hadden er op de bovenverdieping twee kamers die we als kantoorruimte gebruikten, één voor de administratie, en één voor de expeditie. Daar voerden wij ons werk voor de krant uit. ¶ Het was duidelijk: we konden niet meer terug naar Duitsland. Maar Mirz’l, Tola en ik zijn met Kerstmis 1934, overigens tegen de wens van onze ouders, met de fiets naar Klooster Bardel gegaan, net over de grens bij Losser. We beseften niet dat onze ouders hierdoor behoorlijk in angst zaten. We wilden daar de nachtmis bijwonen. We hadden de fietsen net voor de grens neergezet bij café de Klomp, en waren onopvallend met de mensen mee Duitsland ingelopen. Na de nachtmis liepen we dezelfde weg terug. Dat was achteraf wel erg riskant. Als ze ons hadden gecontroleerd, dan waren we zeker opgepakt. Het is bij dat eenmalige uitstapje gebleven.

Ik heb Muckermann persoonlijk gekend, hij was van 1934 tot medio 1936 in Oldenzaal. Als jochie was ik natuurlijk niet in staat om diepgaande gesprekken met deze hooggeleerde jezuïet te voeren. Maar ik herinner me hem goed. Hij was vriendelijk, maar ook altijd wat gehaast, en steeds een beetje naar voren gebogen. Ik moest voor hem vaak zo snel mogelijk kopij naar de drukker brengen, want hij was geregeld in tijdnood. Ook diende ik regelmatig spoedbrieven naar de post te brengen. En er moesten sigaretten komen. En vele andere dingen. ¶ Het nieuwe blad was vanaf het begin strijdbaar, gericht tegen het nationaalsocialisme. Dat gebeurde vanuit de positieve waarden van het katholicisme. Muckerman heeft daaraan zeker in het begin een grote bijdrage geleverd. Maar de Duitsers werkten zo veel mogelijk tegen. Zo maakten ze bij de Nederlandse regering bezwaar dat wij als Duitsers vanaf Nederlands grondgebied een tijdschrift uitbrachten dat tegen de Duitse regering was gericht. ¶ De nazi’s beschouwden dat als een ongeoorloofde inmenging in hun interne zaken. Dat de gezochte Muckermann daarin een actieve rol speelde, vonden ze zo mogelijk nog erger. De Nederlandse regering wilde er niet veel van weten, maar ze kon de Duitse druk niet helemaal negeren. Ze drong er bij ons op aan om, al was het maar voor de vorm, maatregelen te nemen. Als naar buiten toe maar duidelijk werd dat Muckermann en vader niet achter het blad zaten. ¶


Er werd een simpele oplossing gevonden. Franciscus Stokman, sinds 1930 de eerste pastoor van de parochie van de Allerheiligste Drieëenheid, werd gevraagd als verantwoordelijke op te treden. Hij werd zogenaamd chef-redacteur, en dat werd in het tijdschrift vermeld. Maar in werkelijkheid fungeerde hij alleen als ‘uithangbord’ naar buiten toe. Vader zou zich zogenaamd beperken tot zijn rol als typograaf. Gewoon om tegenover de Duitsers te kunnen zeggen: ‘Steinhage geeft dat blad niet uit.’ ¶ Pastoor Stokman was een man die niets van de nazi’s moest hebben. Die was graag bereid om deze rol op zich te nemen. Dat gaf overigens later nog wel misverstanden. Na de oorlog dachten sommigen dat pater Stokman werkelijk de uitgever was. Maar de redactionele medewerkers waren onverkort vader en Muckermann. Zij bleven de drijvende krachten achter het tijdschrift.

De journalist Jules Huf heeft zich veel later, in 1985, afgevraagd hoe de Duitsers eigenlijk aankeken tegen ‘Der Deutsche Weg’ en het verzet van Steinhage. Dat deed hij in een indrukwekkende toespraak die hij hield ter gelegenheid van de postume uitreiking van het Verzetsherdenkingskruis aan zijn vader. Over de familie Huf kom ik straks nog te spreken. Maar ik lees een citaat voor: ‘Wat heeft het Reichssicherheitshauptambt in Berlin bewogen om vijf jaar lang met dwangmaatregelen tegen zijn familie Jozef Steinhage uit zijn schuilhoek tevoorschijn te laten komen? Stond deze Jozef Steinhage in de ogen van Himmler op één lijn met een politieke tegenspeler als Otto Strasser? Met een uitgeweken Nobelprijswinnaar als Thomas Mann – of met een Hermann Rauschning die Hitler in zijn boek ‘Gesprekken met Hitler’ vanuit het verre New York als een leugenaar en bandiet had ontmaskerd? Of was die onbekende katholieke schrijver uit Rheine, die het Grootduitse Rijk tussen 1934 en 1940 vanuit Oldenzaal met een klein verzetsblaadje had bestookt, een stuk gezichtsverlies, dat pas met zijn vernietiging in een concentratiekamp zou zijn hersteld? Zijn minister Goseling, pater Regout, pater Titus Brandsma, Kaj Munk, pater Delp, Maximilian Kolbe en vele, vele anderen, die hun humaniteitsbesef van het christendom afleidden, niet op die manier geestelijk en lichamelijk uitgedoofd?’

Vanaf 1934 verscheen elke week een nummer van ‘Der Deutsche Weg’, in een oplage van enkele duizenden exemplaren per keer. De eerste abonnees kwamen uit de kring van de ‘Deutsche Post’, maar ook Muckermann had adresbestanden van een of meer van zijn oude bladen. ¶ Er waren veel internationale contacten, met bijvoorbeeld de ‘Gazet van Antwerpen’, het ‘Luxemburger Wort’ en met kranten in de Elzas.

17


18

Vader moest vooral zorgen voor de nieuwsgaring van katholiek nieuws uit Duitsland. En wekelijks voor andere berichten, die interessant konden zijn voor Duitse katholieken. Die nieuwsgaring was belangrijk, omdat het blad vooral in het begin financieel nogal afhankelijk was van Duitse abonnees. ¶ Maar de opbrengsten uit de postabonnementen werden steeds meer een onzekere factor. Duitsland, en later Oostenrijk en Polen vielen weg, doordat de Duitsers deze landen bezetten. Het aantal abonnementen nam daardoor af, tot pakweg 2.000 tot 3.000 exemplaren per nummer aan het eind van de jaren dertig. Door de afnemende inkomsten was het voor ons geen vetpot, nee, maar ik kan me niet herinneren dat we iets tekort zijn gekomen. Vanuit katholieke kringen is de nodige hulp gekomen. Vooral monseigneur Poels uit Heerlen heeft veel voor de krant gedaan, en dus ook voor ons uiteindelijk. ¶ Vader kreeg langzaam maar zeker de hele redactionele zorg voor het tijdschrift onder zijn hoede, want vanaf 1936 vertoefde Muckermann in het buitenland. Zijn bijdragen kwamen door de slechte postverbindingen vaak niet of te laat aan. Dan vulde vader de witte vlekken in de krant op en schreef hij de artikelen in plaats van Muckermann. Vader ging dan tot in de vroege uurtjes door en rookte veel te veel. Dat was soms zenuwslopend, moeder maakte zich daar zorgen over. ¶ Vader had misschien niet de naam en het gezag van Muckermann, maar was wel de constante drijvende kracht achter het blad. Hij kon in elk geval zelf heel goed de boodschap onder woorden brengen, dat had hij eerder al bewezen. Later bekroop mij bij het lezen van het boek ‘Muckermann 1883-1946’ van Hubert Gruber soms het onbehagelijke gevoel alsof Muckermann de echte uitgever van Der Deutsche Weg was. Het was niet Muckermann’s krant en ook niet alleen die van mijn vader, maar ze hebben het beiden tot stand gebracht. Ieder heeft zijn deel geleverd. ¶ Eerlijk is eerlijk, Muckermann was het boegbeeld, maar zonder mijn vader, zonder mijn zus Mirz’l en mij zou het niet gelukt zijn om de krant in de lucht te houden en wekelijks uit te brengen. ‘Der Deutsche Weg’ is wezenlijk met de familie Steinhage verbonden. Dat is tenminste mijn mening.

We werden in Oldenzaal als Duitsers zeker niet met de nek aangekeken. De meeste mensen waren ons welgezind. Dat hielp om snel te wennen aan ons nieuwe bestaan. Direct in 1934 hebben wij de Nederlandse nationaliteit aangevraagd. Maar de toeloop van vluchtelingen was zo groot, dat we die in mei 1940 nog steeds niet hadden verkregen. In 1951 was het dan zover, maar inmiddels waren we vele jaren verder. En de oorlog was voorbij. ¶ Heimwee naar Rheine hebben we niet echt gehad.


Je had geen tijd om daar lang bij stil te staan. Daar werd thuis niet over gesproken. Hoe dan ook liet ieder van ons vriendschappen, een vertrouwde omgeving en nog veel meer achter. Door de verhuizingen gingen telkens vriendschappen verloren. Ook voor onze ouders. De familiebanden leden er ook onder. En niet iedereen dacht hetzelfde. Toen mijn ouders in 1937 hun 25-jarig huwelijk vierden, was er ook een zus van moeder uit Essen. Ze zei onder meer: ‘Ich habe den Führer in die Augen gesehen.’ Hitler was pas in Essen geweest. Zij was er helemaal van onder de indruk. Met haar hebben miljoenen Duitsers dit gevoel geuit. ¶ Voor mijzelf was de overgang naar Nederland groot. Ik was 15 toen we vluchtten. Door alle werk met de krant kon ik de middelbare school niet meer afmaken. En ik beheerste de Nederlandse taal niet. Het toeval wilde dat ik in contact kwam met de Oldenzaler Karel Braakhuis via het plaatselijke postkantoor. Hij had de HBS gedaan en was daar opgeleid. Hij wilde bij de PTT verder en moest daarvoor stage lopen en loketdienst verrichten. Op een gegeven moment kwam ik bij hem postzegels kopen. Ik kwam vast niet goed uit mijn woorden, want hij vroeg: ‘Zal ik je helpen met de Nederlandse taal?’ ¶ Karel heeft mij Nederlands geleerd, hij kwam daarvoor speciaal bij ons thuis. Dat gebeurde al snel, in 1934 of zo. Hij was mijn eerste vriend in Oldenzaal. Hij was twee jaar ouder dan ik. Het werd vriendschap voor het leven. En hij is uiteindelijk getrouwd met mijn tweelingzus Ilse. De familie Braakhuis woonde al sinds 1932 of 1933 in de Kerkstraat, tegenover de Plechelmus en had daar een slagerij. Een grote familie, met elf kinderen, waaronder Karel en zijn zus Jo. ¶ Mijn vader had hulp nodig voor de krant, dus gingen mijn oudste zus Mirz’l en ik bij vader werken. In hoofdzaak deed Mirz’l de administratie, en ik de expeditie. Ik was een soort manusje van alles. Ik hielp bij veel dingen, vooral bij de verzending van de kranten. De krant werd thuis door de drukker afgeleverd. Vervolgens werden ze ingepakt voor de abonnees. De banderollen gingen erom heen en de ponsmachine werd bediend die alle namen op de banderollen drukte. Vervolgens werden de tijdschriften weggebracht. ¶ Dat gebeurde iedere vrijdag, ook naar het buitenland. Ik bracht de kranten zelf naar het postkantoor. Ik had inmiddels mijn rijbewijs gehaald in 1937, dat maakte het makkelijker. De kranten gingen elke keer uit veiligheid naar een ander postkantoor, in Enschede, Oldenzaal of Almelo. Vandaar werden de kranten verder verspreid. Voor de abonnees in Duitsland werden ze verstopt in vrachtwagens, achter op de fiets of in de tas van ons bekende, bonafide postbodes. De krant werd verspreid in Duitsland – zo lang dat nog ging – en in maar liefst 40 andere landen, zoals Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, en ook naar Zuid Amerika. Bijna zes jaar lang. ¶ De krant kreeg voor de verspreiding in Duitsland regelmatig een andere naam. Een tijdje stond alleen de afkorting DDW erboven.

19


Op het laatst stond er St. Michael of stond er zelfs niets boven, zodat de Duitsers niet konden vermoeden dat het om ‘Der Deutsche Weg’ ging. Er werden steeds vaker gesloten enveloppen gebruikt. Dat was nodig want het blad werd natuurlijk meteen in beslag genomen als het werd ontdekt. Uiteindelijk werd het steeds moeilijker de krant in Duitsland en de bezette landen te verspreiden. De mensen durfden het blad uit angst voor represailles niet langer te ontvangen. ¶ Curieus detail was dat de Gestapo en de nazi’s in Duitsland zelf abonnementen hadden op Der Deutsche Weg onder het motto: ‘Man muss wissen wo die Gefahr steckt.’ 20

Vanuit Oldenzaal liep alles lange tijd redelijk goed. Zo hebben wij jarenlang goed met onze drukker Verhaag samengewerkt. Maar er ontstond gaandeweg een probleem. Een van zijn zoons kreeg uitgesproken Duitse sympathieën. Uiteindelijk konden wij daar niet blijven. Wij zijn toen hals over kop gewisseld van drukker. We konden terecht bij de Twentsche Courant. Die zat ook in Oldenzaal, op de markt, en had een eigen drukkerij. ¶ Afgezien van de drukker hadden we niet echt moeilijkheden met pro nazi mensen in Oldenzaal. Er was natuurlijk wel eens spanning. Mensen wisten wel dat vader gezocht werd door de Duitsers, omdat hij de krant uitgaf. Je schrikt dan sneller van iets, ook als er niets aan de hand is. Op een gegeven moment was er ’s nachts, ik geloof dat het in de winter van 34/35 was, een hoop lawaai, de hele buurt schrok. We woonden nog in de Emmastraat. ¶ Wat bleek? Onze naaste buurman had een fiets ergens hangen op zolder, maar de touwen waren versleten. Je kunt je voorstellen dat als midden in de nacht een fiets naar beneden dondert, je het kabaal in alle naastliggende huizen kunt horen en dus ook bij ons. Onwillekeurig ben je bang dat er iets aan de hand is. Onze buurman liet een sirene op ons huis zetten. Als er iets was, dan konden wij de buren waarschuwen. Ik geloof niet dat het alarm ooit gebruikt is, maar het voelde goed dat het er was. ¶ De toenmalige burgemeester van Oldenzaal, Bloemen, was erg anti-nazi. Hij had de politie opgedragen dat zij om de twee uur langs ons huis moest patrouilleren. Door Oldenzaal kwamen toentertijd veel Duitse treinen, die de politie moest controleren. Als ze terugkwamen in de stad, dan reden ze even langs ons huis om te zien of alles nog in orde was. ¶ Nou was het niet zo dat zich regelmatig verdachte personen ophielden rond ons huis. Maar er zijn wel spionnen geweest. Zo meldde zich op een gegeven moment iemand uit Munster bij mijn vader, een zekere Panheusen. Vader had vertrouwen in deze man. Hij smokkelde wel eens krantenpakken over de grens, Duitsland in.


Het bleek later allemaal vals spel te zijn. Mirz’l heeft ooit nog eens thee geschonken voor hem, vertelde ze later. Het zou zelfs een amicaal gesprek zijn geweest.

Vijf kilometer van Oldenzaal begint de grens. Volgens de toenmalige minister-president Colijn moesten we rustig gaan slapen. Er gebeurt niks, zo was de boodschap. Wij zouden neutraal blijven, we hadden niets te vrezen. Wij zijn allemaal om de tuin geleid. Van alle kanten werd er gewaarschuwd. De inval van de nazi’s kon niet uitblijven. Vader had een aantal voorzorgsmaatregelen getroffen, mocht het zover komen. ¶ We kregen in 1939 een signaal dat Hitler Nederland zou binnenvallen. Duitse troepen waren massaal samengetrokken langs de Limburgse grens. Wij zijn daarop in augustus 1939 veertien dagen lang achter de waterlinie gevlucht. We dachten dat we daar veilig zouden zijn als de inval zou plaatsvinden. Moeder ging met een paar kinderen naar Wijk bij Duurstede, naar de enige broer van pastoor Stokman. Vader, Mirz’l en ik zijn naar Apeldoorn gegaan, naar het Kleinseminarie. ¶ Van daaruit gingen we elke dag heen en weer met de trein naar Oldenzaal. Want ja, de krant moest natuurlijk worden uitgebracht. Toen de dreiging voorbij was, zijn we teruggegaan naar Oldenzaal. Het was alles bij elkaar voor vader een kostbare onderneming, dus dit konden we niet te vaak doen. ¶ Even later begon de oorlog toch, maar nog niet in Nederland. Op 1 september 1939 viel Hitler Polen binnen, samen met de Russen met wie hij het op een akkoordje had gegooid. Engeland en Frankrijk verklaarden Duitsland de oorlog. Nederland bleef neutraal. Maar de spanningen liepen verder op. Het was afwachten hoe het verder zou gaan. ¶ Ondertussen gingen wij door met het uitgeven van ‘Der Deutsche Weg.’

21


3 1940 Diaspora

22

Op 9 mei 1940 leek de Duitse inval er echt aan te komen. Pastoor Stokman vertrok spoorslags naar Utrecht. Hij vond daar, zo bleek later, een goed schuiladres bij beeldhouwer Jongbloed. Na de oorlog keerde hij als ‘heer Van Wijk’ in zijn parochie te Oldenzaal terug. De naam verwees naar zijn geboorteplaats Wijk bij Duurstede. ¶ Maar vader zei: ‘Laten we afwachten.’ In 1939 waren we eerder het huis uit gevlucht, zoals gezegd, vanwege de dreiging. Dat kostte vader destijds behoorlijk wat geld. En dat was er nu niet. De inval kwam inderdaad een dag later, op 10 mei 1940. Op het moment dat de eerste Duitse troepen de grens bij Bentheim overkwamen, fietsten de Nederlandse grenswachten voor hun leven naar Oldenzaal. ’s Nachts om twee uur kwamen zij langs ons huis, schreeuwend en roepend: ‘De Duitsers komen, ze zijn de grens overgestoken!’ ¶ We zijn op 10 mei om vijf uur ’s ochtends meteen het huis uitgegaan. We probeerden een auto te pakken te krijgen, maar de garage wilde ons er geen meegeven. Wij zijn daarop ondergedoken in Oldenzaal. Mirz’l en Tola bij kennissen op de Bentheimerstraat. Guido, Ilse en ik bij de familie Braakhuis. En moeder zat bij de familie Horsthuis daar aan de overkant, samen met Resi. Dat was geen afgesproken werk. We hadden geen draaiboek voor het geval de nazi’s zouden komen. Op de tweede dag werd het huis al doorzocht door de Sicherheitsdienst (SD). ¶ En de krant? Er lag net een nummer van ‘Der Deutsche Weg’ klaar. Die zou uitgerekend op 10 mei 1940 verschijnen. Maar de nazi’s hebben de oplage op diezelfde dag bij de drukker in beslag genomen en meteen vernietigd. Wel werd de complete adressencartotheek met de abonneebestanden gered. Mirz’l nam dit bestand mee uit huis om het niet in handen van de SD te laten vallen. Het enorme pak is later op de dag door één van de jongens van Braakhuis naar de familie Maas gebracht. Die hebben het in hun tuin begraven. Ik heb zelf nog in grote haast de complete reeks jaargangen van ‘Der Deutsche Weg’ tussen vloer en zoldering van ons huis kunnen verbergen.

Ondertussen was er veel gebeurd. We waren behoorlijk overrompeld en van ons stuk gebracht. Vader stond de tiende mei ’s morgenvroeg in de Molenstraat.


Hij keek met Tola en mij naar de Duitsers die Oldenzaal binnentrokken. Ik heb op dat moment tegen vader gezegd: ‘Vader, als je nog weg wilt, is dit de beste gelegenheid om er tussenuit te gaan. De NSB’ers die hier rondlopen, zijn nu vooral geïnteresseerd in de Duitsers.’ Dat heeft vader gedaan. ¶ Hij was in een oogwenk weg, ik heb hem niet meer gezien. Hij heeft geen afscheid kunnen nemen van moeder en de kinderen. Hij is de Bentheimerstraat opgegaan, achterom, naar de familie Maas. Vandaar is hij rond half tien met zijn tocht begonnen, te voet, met een kompas, een landkaart en een boterham bij wijze van spreken. Tegen wil en dank, want het liefst was hij gewoon naar huis teruggekeerd. ¶ Hij is al lopend in Geesteren terechtgekomen, bij de pastorie. Daar is hij maar veertien dagen geweest. Een kletserige huishoudster maakte een langer verblijf onmogelijk. Ik weet dat hij bij Deventer met een boot over de IJssel is gezet, want de brug was bezet door de Duitsers. Hoe hij precies verder is gegaan, weet ik niet, maar hij heeft bij een aantal mensen aangeklopt. Hij is in Hillegom geweest, bij een oud inspecteur van belastingen, een zekere Wolfsohn. Die woonde vroeger naast ons in de Bentheimerstraat. Hij heeft hem een nacht of wat onderdak verleend. Maar hij was zelf een jood en vreesde voor zijn leven. Hij zei: ‘Wat wilt u van mij. Ik weet zelf niet wat mij boven het hoofd hangt.’ Hier kon hij niet blijven. ¶ Hij is in Wijk bij Duurstede geweest, bij de broer van pastoor Stokman. Hij kreeg enige onderduikadressen. Hij kwam in Scheveningen bij de familie D’Ansembourg. De goeie wel te verstaan, zijn bekende broer was NSB’er. Maar bij aankomst zei hij: ‘Wat komt u in godsnaam doen hier, ik heb huisarrest, u kunt maar beter maken dat u wegkomt.’ Dus vertrok hij. Het verhaal gaat dat hij onderweg een pakje sigaretten van iemand heeft gekregen, met een naam achterop van dokter Huf, Emmalaan 19, Amsterdam. Vader zei: ‘Van wie ik het gekregen heb, weet ik niet meer.’ Iemand heeft dat er bewust achterop geschreven, denk ik. ¶ Dokter Huf was tot voor kort huisarts in Tubbergen, en was nog maar amper verhuisd naar Amsterdam. Vader kwam na tien dagen zwerven bij de Emmalaan aan en ging naar binnen bij nummer 19. Hij kende Huf niet persoonlijk en is gewoon aangeschoven in de wachtkamer. Daar heeft hij kort zijn verhaal verteld. De dokter was ontzet, zo van: ‘Wat moet ik hiermee.’ Hij zei: ‘Ga mee in mijn auto, want ik moet nog waarnemen voor een andere arts.’ ¶ Een saillant detail is dat de arts voor wie dokter Huf waarnam, een zekere dokter Loebis was, een Indische arts. Die heb ik later – o toeval – nog in Sachsenhausen meegemaakt, waar hij ook terechtgekomen was. In de auto heeft vader het hele verhaal verteld en zijn uitzichtloze situatie uitgelegd. Toen zei de dokter: ‘Ik kan u niet zomaar opnemen, dat moet ik met mijn vrouw overleggen. En welk risico loop ik, ik heb tenslotte ook kinderen.’ ¶

23


Maar hij was zeer onder de indruk van het verhaal van vader. Hij mocht blijven. Het zijn uiteindelijk vijf lange jaren geworden.

24

Vader ging in Amsterdam door het leven als een overspannen oom uit Luxemburg. Dit was zo bedacht omdat hij natuurlijk niet echt goed Nederlands sprak. Hij had papieren van de ondergrondse, hij heette zogenaamd Frits Jansen, ‘Ome Frits’ uit Luxemburg. Hij heeft vijf jaar lang geen enkel contact gehad met moeder of met ons. Hij mocht nooit iets schrijven. Dat heeft hij voor de veiligheid moeten beloven aan dokter Huf. ¶ De dokter zelf had wel contact met de waarnemend pastoor in Oldenzaal, Ter Schure. Die wist dat vader in goede handen was. Maar hij heeft moeder of ons nooit iets verteld. Ook niet dat vader nog leefde, dat kon hij gewoon niet doen. Hij heeft moeder wel eens een hart onder de riem gestoken. Na ‘Dolle Dinsdag’ heeft vader het een keer gewaagd een kaart te schrijven aan moeder. Niet met zijn naam eronder, maar met alleen de tekst ‘Alles wel.’ Moeder begreep dat de boodschap van vader afkomstig was. ¶ Aan het Emmaplein zat vader in het hol van de leeuw. Allerlei mogelijke Duitse instanties op militair gebied zaten daar, de marine en zo. Hij liep wel de straat op, en ging vrijwel iedere dag naar de kerk. Hij heeft meegemaakt dat mensen de kerk uitstroomden omdat er een razzia op komst zou zijn. Hij heeft daar dus benauwde momenten gehad. Maar hij is nooit mensen tegengekomen die hem herkenden of zo. Hij heeft uiteindelijk gezwijnd, net als ik. ¶ De eerder genoemde Jules Huf, de zoon van de dokter, heeft mooi beschreven hoe het doktersgezin vader al die jaren heeft ervaren. Jules Huf werd later journalist, onder andere in Wenen, en heeft als één van de assistenten gewerkt van Simon Wiesenthal, de befaamde nazijager. ¶ Het was duidelijk: vader kon niet veel meer doen dan tuinieren en wat huishoudelijke werk opknappen. In het gezin kon hij geen open kaart spelen en aan de kinderen vertellen wie hij in werkelijkheid was. Hij was tamelijk onthand. Hij heeft in een brief aan Jules Huf die een tijd op kostschool zat, eens geschreven: ‘Denk aan mij en aan alle jongens op de wereld die door de oorlog van hun ouders zijn gescheiden.’ Daarin gaf hij zichzelf toch enigszins bloot. En het bloed kroop waar het niet gaan kon. Hij schreef gedichten en een niet voltooide roman. ¶ In 1947 ben ik met mijn eerste auto met vader en moeder nog eens bij de familie Huf geweest. Ik heb bij die gelegenheid dokter Huf persoonlijk ontmoet, dat was bijzonder. Zoals ik al zei, heeft hij postuum in 1985 een onderscheiding gekregen, het Verzetsherdenkingskruis, voor alles wat hij in de oorlog gedaan heeft. Daar ben ik bij geweest, dat was een bijzondere gebeurtenis.


De bezetting zou vijf jaar duren. Op 5 mei 1945 tekende Duitsland de capitulatie. Na die vijf lange jaren kwam vader terug naar Oldenzaal.

Wij waren tien dagen na de Duitse inval teruggekeerd naar ons huis in Oldenzaal. Ook al was dat doorzocht en wisten de Duitsers wie we waren. We waren in bange afwachting van wat komen zou. Maar langer onderduiken was geen optie. Wat moesten we anders? Inderdaad, ze zouden ons niet met rust laten. ¶ Op 28 juni 1940 kwam de SD bij ons aan huis. Moeder werd gearresteerd. De al eerder genoemde Panheusen, die nog voor de uitgeverij had gewerkt, verrichtte zelf de arrestatie. Hij bleek helemaal niet op onze hand te zijn, maar een functionaris van de SD te zijn. Een spion, met een valse naam. We waren behoorlijk van ons stuk. ¶ Ik was bij Karel Braakhuis. Die had op dat moment geen dienst op het postkantoor. Mirz’l belde naar de familie Braakhuis met de onheilstijding. Dat was natuurlijk schrikken voor ons allemaal. Mirz’l vroeg nog of ik erachter kon komen waar moeder was. Ik zei: ‘Ze zal voor verhoor zijn opgepakt, maar naar de politie gaan heeft weinig zin. Want wat weten zij van de SD? Niets, denk ik.’ Op dezelfde dag werden meer mensen gearresteerd die bij ‘Der Deutsche Weg’ waren betrokken, zoals veel mensen die opkwamen voor de persvrijheid waren opgepakt. ¶ Naar huis gaan wilde ik niet. Ik heb een tijdje ergens in de bosjes gezeten, in een weiland achter ons huis bij Villa Hulst. Mirz’l was door de Duitsers te verstaan gegeven dat wanneer ik niet zou komen, moeder de gevangenis zou ingaan. Na een uur of zo kwam mijn tweelingzus Ilse. Zij was mij met de fiets gaan zoeken en had wel een vermoeden waar ik mij schuilhield. Ze vond mij en vertelde wat er aan de hand was. Toen ben ik naar huis gekomen. Maar mijn moeder was al naar Almelo afgevoerd. Naast mijn moeder werden Mirz’l en ik gearresteerd. Dat gebeurde door diezelfde Panheusen. Mirz’l herkende hem meteen. ‘Schoft’, heeft ze nog tegen hem gezegd. In mijn arrestatiebevel stond: ‘Medeplichtigheid aan hoogverraad.’ ¶ Moeder zat inmiddels in het Huis van Bewaring in Almelo. Ze werd daar verhoord door Panheusen. De SD wist precies dat we voor de krant hadden gewerkt, ze was heel goed op de hoogte. Daardoor werd bijvoorbeeld niet Ilse opgepakt, want die had er niets mee van doen. De ontreddering was groot. Ze wilden alles weten van ‘Der Deutsche Weg’ en waren op zoek naar vader. ¶ Ik werd daarop naar de gevangenis in Almelo afgevoerd, waar mijn moeder ook was. Ze bleef uiteindelijk tot september in het Huis van Bewaring opgesloten. Ze hebben haar stevig verhoord. Ze hebben haar vastgehouden om haar onder druk te zetten. Om te vertellen waar vader ondergedoken zat.

25


26

En om eventuele mededelingen van Mirz’l en mij te controleren. Ze wist het niet. Na haar vrijlating werd moeder niet meer gearresteerd, maar de druk bleef. Agenten van de SD kwamen haar bij tijd en wijle thuis opzoeken en verhoren. ¶ Ik heb moeder in het Huis van Bewaring nog één keer heel toevallig gezien. We moesten wachten op de gevangenen die beneden aan het luchten waren en daar was zij bij. Ik heb toen een glimp van haar opgevangen. Ik floot even het liedje ‘Und der Hans schleicht umher.’ Of ze het gehoord heeft, weet ik niet. Maar ze heeft mij niet opgemerkt. Daarna heb ik haar pas weer in 1945 gezien. ¶ Ondertussen werd ik in het Huis van Bewaring ondervraagd. Dat ging niet zachtzinnig. Ze hebben me daar eens gedreigd met een pistool: ‘Als je nu niet zegt waar je vader is, schieten we je dood.’ Maar ik zei: ‘Daar schiet je geen barst mee op, want ik weet het echt niet.’ En dat was de waarheid. Mirz’l zat er ook, die is ook ondervraagd, en wist net zo goed niks. Ondertussen heb ik daar nog gewerkt, onder andere in de drukkerij. Om de tijd te verdrijven heb ik er giro-enveloppen gedrukt.

Moeder kwam in september 1940 thuis. Het leven ging door, met de vier overblijvende kinderen. Ze wist niet waar vader zat, ze wist niet wat er met Mirz’l en mij ging gebeuren. Ze realiseerde zich dat wij gijzelaars waren voor vader. Hoe scherp zouden de Duitsers het spel spelen? En zou ze zelf weer opgepakt worden en wat gebeurt er dan met de kinderen? Ze zal bij tijd en wijle radeloos zijn geweest. Tola, die inmiddels 23 was, nam een belangrijk deel van het huishouden op zich. Er was natuurlijk geen krant meer. We moesten financieel geholpen worden. Ik weet niet precies hoe dat ging. Maar er zal liefdadigheid aan te pas zijn gekomen. ¶ De omgeving was vijandiger geworden. Het huis aan de Bentheimerstraat waar wij woonden, was eigendom van een zekere Den Hamer. Die was de commandant van de marechaussee en was duitsgezind, zo bleek. Hij zei op een gegeven moment in 1942 tegen mijn moeder: ‘Ik wil jullie niet meer in mijn huis hebben.’ Dat was de zoveelste tegenslag. Er zat niets anders op dan het huis te verlaten. Uiteindelijk kon moeder met de kinderen een huis betrekken in de Paradijsstraat, nummer 4. Dat huis stond leeg. Het was bewoond door een rabbi met zijn joodse familie. Het was buitengewoon wrang, dat deze familie op transport was gesteld naar Duitsland. ¶ Het was een oud, maar tamelijk sfeervol huis. Voor moeder werd het leven er overigens niet eenvoudiger op. Op een gegeven moment kreeg zij van de gemeente te horen dat twee Duitse officieren in haar huis zouden worden geplaatst. Dat had je maar te pikken. Een van de twee was overtuigd nazi. De andere zat, als het even kon, naar de Engelse radio te luisteren. Dat was natuurlijk streng verboden, maar die maakte zich kennelijk al zorgen over de goede afloop. ¶


Daarna werd nota bene een NSB-gezin in ons huis geplaatst. Tola kreeg op een bepaald moment de oproep om ergens te werk gesteld te worden. In overleg met de huisarts heeft Tola kokend water over haar benen gegoten, om zo niet uit het huis te moeten. Een wanhoopsdaad, want ze was bang dat moeder door de aanwezigheid van het NSB-gezin misschien onderuit zou gaan. Pas met Dolle Dinsdag vluchtten ze naar Duitsland, nota bene met achterlating van een baby. Maar Tola is daarop naar het station van Oldenzaal gerend om baby en kinderwagen alsnog af te geven. Een bizar verhaal.

Ik heb tot 15 augustus 1940 in Almelo gezeten. Daarna werden we naar Utrecht getransporteerd in een gesloten wagen. Ik zat daar alleen in een cel in het Huis van Bewaring. Daar werden vele gearresteerde betrokkenen en contactpersonen van Der Deutsche Weg naartoe gebracht, zoals professor Robert Regout, Joep Kusters, ambtenaar van de post in Sittard, Hein Hoeben en Arnold van Lierop van de Katholieke Wereldpost in Breda, Lambert Rooyakkers, Franz Ballhorn, P. Lutschers, Ten Winkel van het klooster in Glanerbrug, prof. Schmutzer van een vluchtelingenorganisatie in Utrecht en Schellenberg uit Venlo. We hebben daar een paar dagen gezeten. ¶ Je was in handen van de duivel. Wat er zou gebeuren wisten we niet, maar dat we naar Duitsland zouden gaan, was wel duidelijk. In de tweede helft van augustus werden we met de trein naar Berlijn vervoerd, met de Mitropa-trein, met ’speisenwagen’ en al. We kregen ’s middags te eten. Dat kon slechter, moet ik zeggen. Rare situatie natuurlijk. We reden ondertussen door de mooiste stukken van Duitsland. Het was moeilijk om de realiteit tot je te laten doordringen. We konden er niet uit, de SD had het speciale gevangenendeel in de trein afgesloten. ¶ Aangekomen in Berlijn was het feest voorbij. ‘Raus, raus, raus!’ We kwamen terecht in Polizeigefangnis Alexanderplatz. Een kolos van een gevangenis, daar zaten zeker 2.000 gevangenen. Maar er waren ook miljoenen kakkerlakken en ontelbare wantsen, luizen, pissebedden en ander ongedierte. Ook op twee benen, ja! Verschrikkelijk. We hadden nog het geluk dat we met ons elven in een wat grotere cel zaten, met de geestelijken. ¶ Maar de omstandigheden waren miserabel. Het ongedierte zat overal, ze sprongen alle kanten op. We hadden houten bedden, maar ze waren vergeven van de luizen. We probeerden ze kapot te maken, we zijn er dagen mee bezig geweest. We wilden de bedden schoon krijgen, maar er was geen beginnen aan. Om wanhopig van te worden. ¶ De eerste keer dat ik ging luchten, liep een grote kakkerlak gewoon over de kraag van mijn jas. Dat alles was de eerste kennismaking met de Duitse methoden. Je wordt dan heel klein, hè! Al was het maar kinderspel in vergelijking met wat nog komen ging. Ik ben in Berlijn niet meer verhoord. Op 16 december werden onze namen plotseling omgeroepen.

27


28

Een gevangenisbewaker riep: ‘Fertigmachen für Luftkurort Sachsenhausen!’ Ja, dat zei hij. Na bijna vier maanden in deze vreselijke gevangenis werden we met de schamele kleren die we aanhadden, in de gevangenenwagen gestopt. Zo werden wij gedeporteerd naar dit kamp. Arnold van Lierop, Lambert Rooyackers, Joep Custers, pater Schellenberg en nog een aantal anderen van vooral katholieke huize uit Nederland maakten deel uit van dit transport. Richting ‘Luftkurort.’ Het was vlak voor Kerst 1940. ¶ Ook Mirz’l werd naar een concentratiekamp vervoerd. Guido moest later in militaire dienst voor de nazi’s. Bovendien ging Resi in de oorlog naar Bodegraven, naar kostschool. Daar was sinds 1925 vaders jongste zus non in het klooster en lerares nijverheid. Moeder bleef dus over met Tola, Ilse en aanvankelijk Guido. Ilse werd tijdens de oorlog nog te werk gesteld in Enschede. En het had niet veel gescheeld of Tola was ook elders te werk gesteld. Hoe zou dat allemaal aflopen? De diaspora van de familie was in elk geval compleet. ¶ Toch had het achteraf nog erger kunnen zijn. Ze hadden onze hele familie naar een concentratiekamp kunnen sturen.


4 1940-1945 nummer 34735

Het was geen Luftkurort, nee. Ik had wel van Sachsenhausen gehoord. Het was het tweede kamp van de SS. Het eerste was Oranienburg van de SA, dat later werd overgenomen door de SS. Sachsenhausen was zeker in het begin geen uitgesproken vernietigingskamp. Maar vooral de ouderen werden om de haverklap naar andere kampen afgevoerd. In Sachsenhausen waren vooral Gross Rosen, Mauthausen en Sobibor berucht. Daar werden gevangenen steevast vergast. ¶ Het klinkt gek, maar je kon tenminste in het begin beter in Sachsenhausen zijn dan in die gevangenis op de Alexanderplatz. Die gevangenis was met al zijn ongedierte echt een verschrikking. Maar je snapte wel dat je niet zomaar uit dit kamp zou komen. ¶ Ik weet niet of je zo’n concentratiekamp wel eens hebt gezien. Ze zijn allemaal hetzelfde gebouwd. Boven de toegangspoort stond die beruchte kreet: ‘Arbeit Macht Frei.’ Dat was natuurlijk heel cynisch, dat sloeg nergens op. ¶ Je kwam binnen door de poort, dan moest je in de rij staan. Koffer naast je, je moest recht vooruit kijken. Erlangs stond een groot hek, onder hoogspanning, met her en der wachttorens. Dan zinkt de moed in je schoenen, kan ik je zeggen. Daar stond je dan, net na aankomst, twee of drie uur lang, ongeacht of het nu regent of de brandende zon schijnt, het maakt niet uit. Geen eten of drinken. Dan wordt je nog kleiner dan je al was. ¶ Ze sommeerden ons naar de ontluizing te gaan. Ze joegen ons op, we moesten hollend en rennend daar naar toe en ondertussen sleurde je de koffer mee. Daar werd je geschoren. Naakt onder de douche, eerst een warme, dan een koude. Het klassieke ritueel in Sachsenhausen. Onder de douche zag ik de priesters die ik niet anders had gezien dan in toog of pak, opeens naakt voor me staan. Dat klinkt nu misschien grappig, maar dat was een hele gewaarwording. Als jongetje van net twintig was je niet veel gewend, natuurlijk. Vervolgens moest je door een tochtig vertrek lopen, je kreeg geen handdoek. Daarna weer in de kou buiten staan wachten en vervolgens naar ‘het blok’ waar je mocht slapen. Een barak met een heleboel stapelbedden. ¶ Ondertussen werd ik naar de Politieke Afdeling van de kampleiding gebracht. Want zo werd ik beschouwd, hè, als een politieke gevangene. Ik was immers een gijzelaar in handen van de Duitsers, die nog steeds op zoek waren naar vader.

29


Je kreeg een gevangenispak. En een nummer. Het mijne was 34735. Dat vergeet je nooit. Maak me ’s nachts wakker, en ik dreun het moeiteloos op.

30

Op mijn gevangenistenue was boven het nummer een rode driehoek gestikt, met de punt omlaag. Deze driehoek was bedacht voor de politieke gevangenen, van welke politieke gezindheid ook. Zo had elke categorie zijn eigen merkteken. De kleur groen stond voor de beroepsmisdadigers. Zwart waren de ‘asocialen’, wat dat ook moge zijn geweest. ¶ De joden hadden naargelang over de driehoek dan nog een gele driehoek met de punt naar boven wijzend. Een ‘terugvaller’, dus iemand die voor de tweede keer het concentratiekamp binnenkwam – dat waren toen hoofdzakelijk de groenen – kreeg boven z’n driehoek een streep in dezelfde kleur. Zo werd je identiteit afgenomen en werd je gereduceerd tot een nummer en een kleur. Er kwam geen roepnaam aan te pas. ¶ Ik moet zeggen dat ik veel details kwijt ben. Je leeft constant in zo’n stress en spanning, dat allerlei dreigementen je niks meer doen. Je maakt dingen mee die je liever wilt vergeten. En waar je niet over praat. Het kan immers niet slechter, echt niet. Dat ik Duitser was, had verder geen enkel voordeel. Als je eenmaal dat pak aanhebt, ben je gewoon een nummer.

We zaten met 120 gevangenen in een barak, aan weerszijden zestig personen. We waren er samen aangekomen, maar ik zat niet meer bij de paters. Ik verbleef eerst in barak 18, samen met onder andere Joep Custers. Die was het contactadres in Sittard voor de krant. Als gevangenen hadden we in het begin zeker steun aan elkaar. Maar ieder komt uiteindelijk voor zichzelf op. Dat is niet anders. Je bent aan het overleven en probeert niet steeds aan het ergste te denken. Terwijl de verschrikkelijkste dingen om je heen gebeuren. Hoe de SS’-ers bijvoorbeeld de priesters hebben behandeld, daar heb ik geen woorden voor. ¶ Ik heb de twee geestelijken Lambert Rooyackers en Arnold van Lierop in het kamp nog gezien. Maar beiden zijn later doorgestuurd naar Dachau. Rooyackers heeft dat uiteindelijk overleefd. Hij is later pastoor geworden in de buurt van Den Bosch. Maar Van Lierop heeft het met de dood moeten bekopen. Hij bleek niet opgewassen tegen de barre omstandigheden in de kampen. ¶ Ja, we hadden veel gesprekken in de barak, met de communisten en zo. Vooral als het over geloof ging. Als ik het even niet wist, ging ik ’s middags gauw even naar de barakken van de geestelijken. Ik zei: dit en dit hebben ze me verteld, wat kan ik daarop als antwoord geven?


Als ze dan later weer begonnen, gaf ik ze de wind van voren, hè. Maar je moest wel opletten wat je vertelde. Niet alleen vanwege de bewakers. Onder de gevangenen waren ook mensen die voor de SD spioneerden.

Je werd in het kamp aan het werk gezet. Meestal zwaar werk. Dat ging via zogenaamde Arbeidscommando’s. In de eerste weken moest ik voornamelijk aardappels schillen in de kelder onder de keuken. Gek om te vertellen, maar daar zag ik voor het eerst in mijn leven twee zwarte mensen. Die heb ik nooit teruggezien. Daarna had ik een paar maanden geen vast commando. Maar werken moest je. Want elke dag kamde de SS de barakken uit en wie geen ziekenbriefje kon tonen, ging naar de Strafcompagnie. Dan kreeg je ontzettend zwaar werk, bijvoorbeeld stubben rooien, dat wil zeggen, wortels van bomen uitgraven die werden gebruikt voor de kachels in de barakken. Berucht was buitencommando ‘Klinkerwerk’, een steenfabriek aan het kanaal. Men bracht elke avond wel een dode of bijna dode mee terug. Vaak doodgeknuppeld of totaal kapotgeslagen. Elke dag was er appèl. Om zeven uur ’s ochtends en ’s avonds stonden de gevangenen op de appèlplaats. Er werd geteld of iedereen er wel was. Ze lieten je gewoon staan, uren en soms nachten, als iemand er niet was. Plassen deed je door je voet uit je klomp te trekken en de straal dan maar langs je benen te laten lopen. Dat was in de winter nog eens warm ook. Elke dag vielen er doden, zeker bij de arbeidscommando’s. De doden moesten dagelijks eerst worden geteld en zo lang dat gebeurde, moest je blijven staan, of het nu regende, of sneeuwde, of wat dan ook. Maar de poppen waren pas echt aan het dansen als gevangenen zich uit wanhoop hadden verstopt. Dan moesten ze eerst worden gevonden. Hun straf was gruwelijk, ze moesten dat met hun dood bekopen. Ze werden opgehangen, terwijl wij nog op de appèlplaats aan het wachten waren. We hebben tijdens het avondappèl wel eens tot ’s ochtends zes uur gestaan, zonder eten en drinken. Dat kon de Duitsers niks schelen. ¶ In Sachsenhausen ben ik soms verhoord. Op een zeker moment moest ik op de politieafdeling komen. Ze waren nog steeds aan het zoeken naar vader. Daar zat iemand van de Gestapo uit Breslau. Ze zijn op een gegeven moment in 1943 bij moeder geweest, die zei: ‘Jullie zoeken steeds in Nederland, hij kan net zo goed naar Duitsland zijn gegaan.’ Ja, dat zou ook kunnen, dachten ze misschien. Zodoende dat ze in Breslau aan het zoeken waren. Hij had daar immers in zijn jongere jaren gewerkt. En ja, of ik nog iets wist. Maar hoe kon ik iets weten? Ook als ik het wel had geweten, had ik het niet gezegd. Maar ik wist ook echt niets.

Na drie maanden kreeg ik van het arbeidsbureau in het kamp het bevel om me te melden bij de kampkeuken. Vanaf maart 1941 tot in 1943 heb ik in de keuken van Sachsenhausen gewerkt.

31


32

Ik werd ondergebracht in barak 6, samen met onder meer de rest van het keukenpersoneel. Daar waren de omstandigheden ietsje beter dan in de barak waar ik daarvoor had gezeten. We hadden relatief gezien redelijk goede stapelbedden, twee hoog maar. We konden elke dag douchen, dat was zelfs verplicht. In het begin ging het dus wel. Er was zelfs ‘kampgeld’ waarmee je bepaalde producten kon kopen. ¶ ’s Morgens stonden we om kwart over drie op. Om half vier moesten we in de keuken zijn. Het was natuurlijk donker als je naar de keuken liep. Als je dan de sterrenhemel zag, dacht je wel eens: ‘Het maantje schijnt in Oldenzaal ook.’ In de keuken was het stug doorwerken, want om zes uur moest het eten bij de barakken zijn. De gevangenen hadden een uur de tijd, voordat ze op appèl moesten. ’s Middags werd het eten klaargemaakt voor ’s avonds. Na het appèl was er gelegenheid om te eten. Vaak was het eten koud als het appèl te lang had geduurd. Natuurlijk moest iedereen zelf alles schoonmaken en zijn spullen afwassen en opruimen. ¶ De barakkenoudste was er verantwoordelijk voor dat dit allemaal op tijd en ordelijk verliep. Barakkenoudste zijn lijkt op het eerste gezicht misschien een goede job, maar was dat beslist niet. Je was voor alles verantwoordelijk. Je moest ’s morgens iedereen wekken, en er voor zorgen dat het na tienen ’s avonds rustig was. Je werd er door de kampbewaking op aangesproken als iets niet in orde was. Als een gevangene zijn kastje niet had opgeruimd of zijn stromatras niet haaks en ordentelijk had opgemaakt, dan was de barakkenoudste de klos. Ja, in het begin hadden we dat nog, een matras en een eigen kastje. Later zou dat wel anders worden. ¶ Door mijn werk in de keuken kon ik sommigen om toerbeurt voorzien van een extra stukje brood of aardappel. Ik ben wel eens door het oog van de naald gekropen. Op een gegeven moment, met Pasen 1942, hadden de Duitsers wagonladingen met eieren uit Nederland gestolen. Ze hadden zich zelf er te goed aangedaan, maar het waren er veel te veel, dus wij kregen ook eieren met Pasen. Die moesten we koken in grote duizendliterketels. ¶ Alles moest schoon zijn, daar werd erg op gelet. Bij die gelegenheid hoorde ik Radowitz, onze keukenchef, aankomen. Die kwam altijd fluitend binnen, met zijn handschoenen in de hand. Ik zag dat onder de tap van de kraan nog eierenschillen lagen. Ik bukte gauw om die schillen te pakken. Maar wat ik even was vergeten, was dat ik stiekem drie eieren onder mijn riem had gestoken. Die vielen er pardoes uit. ¶ Ik schrok me rot. Hij had me betrapt. Stom natuurlijk dat ik bukte. Die eieren waren al gekookt en die wilde ik meenemen naar de barak. Ik vreesde het ergste. Maar Radowitz was kennelijk in een goeie bui die dag. Hij gaf me twee keer een klap met zijn handschoenen in mijn gezicht en riep: ‘Laat dat nooit meer gebeuren!’ Daar bleef het bij. Voor hetzelfde geld had hij gezegd, wegwezen, naar de strafcompagnie. Daar was ik nooit levend uitgekomen. Het was allemaal willekeur, en ik bofte op dat moment. ¶


Het was de eerste keer dat ik zoiets deed. Nee, ik heb nooit meer iets gestolen. Ik moest in die tijd brood en vlees uitdelen en zo. Het was nog een relatief goede periode, in 1941 en 1942. Maar het werd daarna snel slechter. De hygiënische omstandigheden in het kamp gingen zienderogen achteruit. Er braken steeds vaker allerlei ziektes uit. Dan kon je merken dat het in Duitsland zelf ook slechter werd.

De kampbewakers en de officieren gedroegen zich meestal als beesten. Op enige medemenselijkheid hoefde je doorgaans niet te rekenen. Als dat dan wel een keer gebeurde, was je meteen van de kaart. Toen ik in 1941 nog geen vast commando had, moest ik eens de auto wassen van een SS-officier. Ik was druk met die wagen bezig en op dat moment kwam opeens die SS’-er aanlopen. ¶ Ik dacht nog: ‘Wat wil hij nou?’ Volgens de regels nam ik mijn pet af en ging ik in de houding staan, onder de uitroep: ‘34735 an der Arbeit!’ Dat moest je zeggen, hè? Hij zei toen: ‘Doe je pet maar op, anders vat je nog kou.’ Ik weet nog dat de tranen over mijn wangen liepen. Zo’n medemenselijkheid verwachtte je niet. Het was trouwens in die winter van 1941/42 verrekte koud. ¶ Maar de SS’-ers waren onberekenbaar, en het ging ook wel eens anders, herinner ik me. Er kwamen in het begin wel eens pakjes voor de gevangenen, gestuurd van thuis. Die werden eerst opengemaakt door de SS, voordat ze werden afgegeven. Zij wilden natuurlijk controleren of er geen verboden waar in zou zitten. De SS-officier die dat moest doen, had een paar dagen verstek laten gaan. Ik had toen een andere SS’-er gevraagd of die dat even wilde doen voor de jongens. ¶ Hij zei: ‘Ik kom straks wel even langs.’ Dat deed hij. Hij heeft de pakjes bekeken en opengemaakt, en aan ons doorgegeven. De volgende dag kwam de eerste SS officier weer terug, die zei: ‘Ik moet die pakjes nog bekijken.’ Ik zei: ‘Dat is al gebeurd.’ Toen werd hij ongelofelijk hels. Hij wilde mij nooit meer zien, hij gooide met een krukje achter me aan. Foeteren en dit en dat. Dat had fout kunnen aflopen. Maar ik kwam met de schrik vrij. ¶ Ik moest in Heinkel eens bij een zekere Hassebroek verschijnen die daar commandant was. Het bleek dezelfde figuur die in de film ‘Schindler’s List’ van Steven Spielberg te zien is. Hassebroek stond in Krakow bekend als een onmenselijk beest, een wrede commandant. Maar in Sacksenhausen had ik waarschijnlijk geluk. Ik moest bij hem komen, en in de houding gaan staan. Ik vreesde het ergste. Hij had een papiertje voor zich. Hij tuurde erop en zag dat ik uit Oldenzaal kwam. ‘Ach’, zei hij, ‘ik heb nog familie in Enschede wonen.’ Daarna kon ik gaan. ¶ Mijn moeder wist op een gegeven moment dat ik in Sachsenhausen zat. En ook dat ik in de keuken werkte.

33


Ik heb in het begin in een brief moeder in bedekte termen laten weten ‘dat ik blij ben dat ‘Hansi’ in de Kombuis van een schip werkte.’ En ze wist, dat ‘Hansi’ op mijzelf sloeg. In het begin mocht je nog schrijven naar huis, elke vier weken, maar later niet meer.

34

Er zaten behoorlijk wat Nederlandse gevangenen in het kamp. Op een dag in 1941 kwam Arnold van Lierop naar me toe en vroeg aan mij: ‘Er is een achterneef van mij in het kamp gekomen, als je nou eens wat brood overhebt of iets anders om te eten, zou je dat dan aan die man willen geven?’ Ik zei: ‘Nou, alleen als het kan.’ Ik had al mensen die elke avond kwamen voor wat extra’s. Ik nam altijd wat eten mee naar de barak, en dat gaf ik weg. Dat kon ik doen omdat ik zelf in de keuken voldoende kreeg. Ik zei: ‘Nou ja, dan moet hij wachten tot hij aan de beurt is, want anders kan dat niet, hè? ¶ Het ging om een zekere Johan Loose uit Bergen op Zoom. Hij was in het kamp al in de vijftig. Hij heeft het overleefd, maar op een speciale manier. Hij kwam na negen maanden internering in Sachsenhausen vrij, rond Pasen 1942. De familie Loose is nooit te weten gekomen hoe en op welke manier hij is vrijgekomen. Hij had als voorzitter van de Nederlandse Katholieke Bakkersbond contacten in Den Haag. Zo was Gerbrandy, minister-president in ballingschap tijdens de oorlog, een huisvriend. Het lijkt erop dat hij ervoor betaald heeft om vrij te komen. Op zijn zaak in Bergen op Zoom was ondertussen een Duitse beheerder aangesteld. ¶ Het was de gewoonte dat als je naar huis mocht, dat je dan aan je voormalige kampgenoten liet weten dat je weer thuis was. Dat heeft hij ook gedaan. Hij was denk ik dankbaar dat ik hem af en toe wat extra eten kon bezorgen. Want hij schreef: ‘Als je de oorlog overleeft en geen werk kunt vinden, dan kun je bij mij aankloppen in Bergen op Zoom.’ Ik had op dat moment niet kunnen bevroeden hoe mijn leven na het kamp zo zou worden bepaald door deze boodschap. Hij werd namelijk niet alleen mijn latere werkgever, maar ook mijn schoonvader.

Na verloop van tijd werd Heinkel als nevenkamp van Sachsenhausen ingericht. Het was een vliegtuigfabriek, waar onder andere bommenwerpers werden gemaakt. Het was een enorm uitgestrekt complex, een concentratiekamp met wachttorens er omheen. De gevangenen werden ingeschakeld voor de vliegtuigproductie. Sachsenhausen werd steeds voller, de omstandigheden verslechterden zienderogen. Ik heb me toen gemeld voor Heinkel. Ik dacht dat het daar wat rustiger zou zijn. Ze wilden daar ook mensen hebben voor de keuken. Weg uit de grote mensenkluwen. Dat was in 1943. ¶


Ik ben in Heinkel begonnen als kok in de keuken, later heb ik bij verschillende arbeidscommando’s gezeten. Zo zat ik eens bij een bouwploeg. We bouwden toen op het militaire vliegveld Oranienburg een immense schietstand, waarop vliegtuigwapens werden uitgeprobeerd. Er was onder meer een op een langwerpige bom gelijkend eenpersoonsvliegtuig met plastic koepel dat met twee vuurmonden aldaar werd ‘ingeschoten.’ Er waren geen wielen onder, maar glijders, raketgedreven. Van de grond af gestart moest het zich in razend tempo te midden van de vijandelijke formaties wagen en al schietend zoveel mogelijk toestellen vleugellam maken, dan wel afschieten. De actieradius was natuurlijk beperkt. We werden dus actief ingezet voor de wapenproductie. ¶ In de periode dat ik bij het Baukommando werkte, werden we eens uitgeleend aan de Luftwaffe. Ik raakte op een gegeven moment in gesprek met een jonge soldaat van de Luftwaffe uit Munster. Die had het erover om met zijn groep te vluchten, en wilde mij helpen te ontsnappen. Maar je weet het niet, hij kon een verrader zijn. Ik kon er niet op ingaan, al leek hij nog zo behulpzaam. Dat kon mijn einde betekenen. Deze zelfde jonge man stapte met zijn geweer op de klep van de vrachtwagen, om ons weg te voeren. Maar hij zette zijn geweer iets te hard op de grond. Hij kreeg een kogel recht in zijn gezicht. We zaten er bovenin, we zagen het gebeuren. Hij was meteen dood. Het was natuurlijk verschrikkelijk wat de nazi’s ons aandeden. Toch was het wel zielig, zo’n jong knulletje, en voor zijn familie. Dat inlevingsvermogen kon ik nog opbrengen. ¶ Ondertussen liep Heinkel vol. De beschikbare leefruimte en slaapvertrekken in de barakken waren niet op grote aantallen berekend. In sommige barakken werden de bedden naast elkaar geschoven en konden er op die manier meer mensen slapen. In andere barakken waren de bedden weggehaald en sliepen de gevangenen als haringen in een ton, op de grond. Er brandde ’s nachts een heel klein lampje. Moest je er eens uit, dan was het puur geluk dat je je plaats terug kon vinden. Je liet je maar ergens tussen zakken. Dat heeft maanden geduurd. Ik ben gelukkig nooit ziek geweest, dat was mijn redding. Er waren allerlei infectieziektes, zoals tyfus, cholera, angina en zo. Velen zijn daaraan overleden. ¶ Ik ben op een gegeven moment nog aangewezen als barakkenoudste. Zoals ik al zei, leek dat misschien wel wat, maar in werkelijkheid werd je door de kampbewakers op alles aangesproken. Ook als er dingen gebeurden waar je niets aan kon doen. De bedden moesten netjes opgemaakt zijn en zo, maar op het laatst waren er geen bedden meer en werden de omstandigheden steeds slechter. ¶ Er was ook steeds minder te eten. Ik herinner me nog dat er tijdens de bouw van de schietstand dagenlang een hond om ons heen liep. We kregen een bewaker zover dat hij hem afschoot. Wij hebben hem vervolgens gegeten. Later bleek de commandant van Heinkel zijn hond niet meer terug te kunnen vinden.

35


36

Nog voor de winter van 1944 werd ik administrateur bij het kampziekenhuis, het Revier, zoals dat heette. In die tijd waren er overigens hardnekkige geruchten dat er onder meer door aspirant-dokters van SS-huize de gekste operaties werden verricht, experimenten op joodse kinderen, amputaties die niet nodig waren enzovoorts. ¶ Op de vliegbasis was Luftwaffebewaking, met een SS’-er als voorman. Op een gegeven moment was het beschikbare aantal SS’-ers merkbaar minder dan voorheen. Het bombardement op de SS-kazerne Sachsenhausen, naast het kamp gelegen, was hard aangekomen. Er liepen overdag minder van hen rond, zodat je je vrijer kon voelen. De hoop groeide. ¶ Toch vroeg je je steeds af: ‘Wat gaan ze met me doen?’Gevangenen die werkzaam waren in bijvoorbeeld de zogenaamde douche- en ontluizingsbarakken of in het crematorium, werden bij tijd en wijle vervangen en op ‘transport’ gesteld, zo werd gefluisterd. En hoe staat het met het front? In de verte was er steeds vaker gedonder te horen, het moest wel Russisch geschut zijn. Toch sprak je niet over dit soort zaken. Je wist maar nooit, sinds een jaar waren gevangenen door de SS ertoe gedwongen om zich als V(erraad)mannen onder ons te bewegen. ¶ Als administrateur van het lazaret kreeg ik een iets beter onderdak. Maar het werk was verschrikkelijk. Elke morgen moest ik de bedden nakijken om te kijken wie er dood waren. Wie was overleden moest ik uit bed halen en een nummer op de buik schrijven. Vervolgens moesten de lijken op een vrachtwagen worden gegooid. Ja, je moest gooien, anders kreeg je de lijken nooit over de hoge zijkanten van de vrachtwagen heen. ¶ De Duitsers werden steeds meer verbeten, ze wisten dat het niet goed zou aflopen. Dat gaf veel extra spanning en onzekerheid. Want je dacht natuurlijk: ‘Wat gebeurt er met ons, wat gaan ze met ons doen?’ Een kat in het nauw maakt immers rare sprongen. Je weet het niet en dat knaagt aan je. Aan iedereen. Het wordt een kwestie van overleven. Je horizon wordt heel kort. Je moest zorgen dat je dit uur overleeft, deze dag doorkomt, je leeft van dag tot dag. Er zat maar één ding op: zorgen dat je niet doodgaat.

Er kwam vanaf eind 1944 een enorme toestroom van gevangenen uit het oosten richting Sachsenhausen. Alle concentratiekampen daar werden ontruimd, vanwege de naderende Sovjettroepen. Een groot deel van de gevangenen kwam nooit bij ons aan, maar die werden op het laatst nog vergast of doodgeschoten. Het hoofdkamp Sachsenhausen kon de stroom gevangenen op een gegeven moment niet meer aan. ¶ De spooraftakking van Oraniënburg naar Heinkel bracht dagelijks wagonladingen mensen binnen. Die waren samengeperst in open goederenwagons en waren zo’n veertien dagen onderweg geweest. Erger dan vee.


Ze hadden slechts enige dunne kleding aan en moesten het verder doen met alleen de warmte van de andere mensen. Die was natuurlijk gauw op, in de regen en de sneeuw, midden in de winter van 1944/45. Je werd wanhopig als je dit zag. De ellende was enorm en eigenlijk niet te beschrijven. ¶ Als de deuren van de wagons werden opengemaakt, vielen de lijken rijendik naar buiten. Verschrikkelijk. Het was het onmenselijke vervoer wat mensen de dood in dreef. Het behoorde tot onze taak alle gearriveerde gevangenen te registreren. Die moesten geteld worden. Er waren maar enkelen die deze waanzinnige tocht hadden overleefd. En vraag niet hoe. Ze waren er zeer slecht aan toe, waren vaak aangevreten. Die moesten in de ziekenboeg worden opgenomen. Je kunt je er geen voorstelling van maken. En het ergste is: je went eraan. Je bent nergens meer verbaasd over.

Heel veel gevangenen werkten in de vliegtuighallen op het terrein van Heinkel. In de zomer van 1944 werd Heinkel ongenadig gebombardeerd door de geallieerden.Die probeerden de vliegtuigbouw uit te schakelen. Het gerucht ging overigens dat dan de geallieerden de SS-leiding tevoren vanuit Zwitserland had gewaarschuwd om het hele Heinkelterrein van gevangenen vrij te maken. Dat gebeurde natuurlijk niet. ¶ Honderden medegevangenen zijn door dit bombardement verbrand. Onder de hallen waren douches, wasruimtes en voorraadruimtes. Die werden, toen Heinkel tot concentratiekamp werd omgebouwd, deels als slaapruimtes gebruikt. Houten bedden met stromatrassen met smalle gangen. Grote ventilatievensters werden tijdens alarm van binnenuit met ijzeren horren gesloten. Bepaalde kelders zijn tijdens het bombardement geraakt. Niemand kon eruit, men stikte en verbrandde. Nadien zijn er niet veel vliegtuigen de hangars meer uitgereden. ¶ Wij probeerden tijdens het bombardement met duizenden tegelijk een veilig heenkomen te vinden, in het naast het kamp gelegen bos. Weliswaar was dat geen garantie voor overleving, wisten we, maar het was in elk geval beter buiten te zijn dan opgesloten te zitten in de kelderruimtes. ¶ Ik heb opnieuw mazzel gehad, en heb het bombardement overleefd. Ondertussen naderden de Russen Berlijn in februari 1945. We konden ze horen aan het geruis en het afweergeschut. In het kamp was het een heksenketel, het eten werd schaars – doordat de aanvoer moeilijker werd en de SS natuurlijk voorrang had. Het krioelde niet alleen van de mensen in het kamp, maar ook van de luizen, vlooien en neten. Veel mensen waren tot skeletten vermagerd en konden zich amper staande houden. Ziektes heersten, oedeem was overal. Het was een inferno van ellende en doelloosheid. Het kamp was vol met spookachtige, dolende geraamten met een blik op oneindig.

37


38

Rond 20 april 1944 werd het gegrom van verre donder snel luider. Op dat moment zaten we in het bos, het regende pijpenstelen. Onophoudelijk, dag en nacht, waren de geallieerden in de lucht. We hadden als Arbeitskommando Revier een geïmproviseerde schuilplaats, met boomstammen en aarde bedekt, maar het lekte aan alle kanten. Niemand praatte, was met zijn gedachten ‘ergens’, luisterde gespannen naar het geluid van de vallende bommen. ¶ Ik geloof stellig dat de meeste gedachten gingen over de vraag: ‘Is dit nu voor ons na al die jaren toch nog het einde? Zullen we in de laatste fase van de oorlog als getuige van dit moordsysteem, alsnog van kant worden gemaakt?’ De laatste dagen voor de dodenmars vluchtten we vrijwel dagelijks het bos in, vanwege het onophoudelijke alarm. ¶ Op 21 april, uitgerekend de verjaardag van de Führer, kwam er een oproep aan alle barakken, dat een ieder die kon lopen, zich moest gereedmaken voor evacuatie. Het was duidelijk dat de Russen pal voor Berlijn stonden. Maar de vraag was: Wat doen ze met ons? Kan het nog erger na wat we allemaal al hadden meegemaakt? Omstreeks acht uur ’s morgens stonden we gereed aan de poort. De SS marcheerde in volle uitrusting, sloot ons aan weerszijden in en op dat moment begon een mars in het ongewisse. We waren met tienduizenden mensen, met bewaking, we werden het kamp uitgevoerd. ¶ Wie niet meekon, werd doodgeschoten. Er was een enorme chaos, niet te beschrijven. Loslopende beesten, paarden, koeien, tanks, alles er tussendoor. Waar zouden we heen gaan? Naar het industrieterrein waar duizenden Russische krijgsgevangenen waren doodgeschoten? Nee, we gingen niet richting hoofdkamp Sachsenhausen, we liepen meer naar het noorden. ¶ Ontsnappen? Onmogelijk. Je wist trouwens niet waar je naar toe zou moeten.


5 1945 Helletocht naar huis

Wij moesten lopen. De ‘dodenmars.’ Deze ging naar het noordwesten, richting Schwerin. In totaal 33.000 gevangenen vertrokken te voet uit het kamp, verdeeld in groepen van 400. Tijdens de dodenmars kwamen minimaal 6.000 gevangenen om het leven door uitputting of executie. ¶ Maar we wisten natuurlijk niet wat ons boven het hoofd hing. Wij van de ziekenploeg hadden een vrachtaanhangwagen op luchtbanden waaraan we om beurten sleepten. Noodzakelijke medicamenten of wat daar voor doorging, waren daarin opgeborgen. Van alles natuurlijk te weinig. Maar meer nog, was onze simpele gedachte toen, konden we hem gebruiken voor degenen die niet meer konden lopen. ¶ En zo trokken we dan door het eerste dorp, waar de mensen stiekem van achter de gordijnen het voorbijtrekkende konvooi bekeken. Al na enkele kilometers knalden de eerste schoten achter ons, en we begrepen wat er gebeurde. Een dode werd in de greppel gedonderd. Dit geluid hoorden we, hoe langer we liepen, steeds vaker. Er was een totale chaos op de weg. Vanuit het oosten kwamen mensen met have en goed, op karren en wagens, soms getrokken door koeien, soldaten in volle uitrusting, legervoertuigen, allen op de vlucht. ¶ Maar andersom zagen we hetzelfde beeld. Er kwamen massa’s vanuit het westen, vluchtend voor de Amerikanen. Gewoon onvoorstelbaar. Ik herinner me een zwaaiende en tierende veldwachter die op een kruispunt ruimte probeerde te maken voor rijdend materiaal. En wij strompelden, onder bewaking van beulen, door alles heen, als een zielige, verloren, apathische hoop ellende. ¶ Er was op die eerste dag niemand meer onder ons, die er nog van opkeek als er weer een schot viel. Aan weerszijden van de weg in de berm zagen we dode paarden, alle soorten vee, dode burgers, soms een soldaat. Alom was er bij ieder berusting en ieder was met zijn eigen gedachten bezig. Alle moed werd bij elkaar geraapt om door te gaan. En ondertussen dacht je maar: ‘Komt hier nog een eind aan?’ Want dan kon je in het donker van de nacht in de massa onderduiken en je overgeven aan schone illusies. ¶ En zo kwamen we de eerste avond voorbij de plaats Sommerfeld, waarna we ons in een bos konden laten neerploffen.

39


’s Morgens hadden we een dubbele portie brood meegekregen en die was natuurlijk al lang op. Een dubbele portie, hoe kon je daarvan afblijven? De volgende dag moesten we weer lopen. Er waren velen niet meer opgestaan en de SS’-ers die in het bos waren achtergebleven, schoten de ene na de andere dood. Wij strompelden verder. Eenzelfde straatbeeld als daags tevoren. Nekschoten. Absurd is het te vermelden hoe geweldig het was, het met ons meetrekkende wild aan weerszijden van de weg te zien. Ook die waren hun beschutte plek kwijt. Echt, dit is me altijd bijgebleven.

40

Zo zijn we na enkele dagen met nog een groep Russische krijgsgevangenen in het Brandenburgse gehucht Grabow aangekomen. Ik schat na vier of vijf dagen lopen. Het was een klein dorp, boerensteden gelegen rond een dorpsvijver, een kerk met pastorie met buiten het dorp nog wat boerderijen. Hier werden we in schuren gedreven. Haast struikelend over onze voeten konden we eindelijk uitrusten. Op de laatste reserve, met achterlating van heel velen. ¶ Stro of hooi, het deed er niet toe, het was heerlijk om het te ruiken en in alle ellende dacht ik aan het kamperen met de padvinderij. Het hielp je, onbewust wist je dat je nog niet helemaal afgestompt was. Of we die avond te eten hebben gekregen, weet ik niet meer. Wel was er water, maar om daar gebruik van te maken, kostte bijna je leven. We konden echt niet meer. ¶ Maar er gebeurde iets wonderlijks. De volgende dag kwam niet meer het bevel van ‘Aufstehen und fertig machen!’ We dankten God. Velen konden ook helemaal niet meer verder. Ze hadden op blote voeten gelopen, die door en door kapot waren. Anderen waren totaal apathisch geworden en hadden geen notie van wat er rondom hen heen gebeurde. ¶ Maar het was zalig om weer onder een dak te kunnen slapen. Het was als in een film, lang geleden gezien, als ik er nog eens over nadenk. We konden er ons gemak van nemen. Toch bleef de gedachte spelen hoe dit in het zicht van de bevrijding zou aflopen. Het ‘thuis’, Nederland, was voor mij bijna onwerkelijk geworden. Reeds meer dan een jaar had ik niets meer uit Oldenzaal vernomen. Ik was bijna vijf jaar van huis weg.

’s Anderendaags was er plotseling geen SS meer op het plein. Die waren spoorloos. Er was wel Luftwaffe, zo leek het, maar waarschijnlijk waren het de SS-mannen die een ander, en voor hen veiliger uniform hadden aangetrokken. Die hebben daar nog twee dagen gezeten, zonder verder iets uit te richten. Er was in het dorp verder niemand meer te bekennen. ¶


Opeens was er eten. Vindingrijke medegevangenen hadden het een en ander kunnen fiksen. Men ging ook buiten het dorp wandelen en overtuigde zich van de veranderde situatie. Er was opluchting, en, zo mag je wel stellen, zelfs enige uitbundigheid. ¶ In Grabow was het eigenlijk goed toeven. Tenminste, als je nog een beetje gezond was, zoals ik. Ik zag gevangenen in gestolen schoenen die dolblij waren weer fatsoenlijk te kunnen lopen. Waarschijnlijk was er op die dag in dit dorp geen volle voorraadkamer meer! Alles werd weggehaald, bedden en matrassen, kleding en noem maar op. Kon je het iemand kwalijk nemen?! Er was van alles in overvloed. We zagen boerinnen de kippen nog rogge voeren, er lagen biggen en varkens in de stallen, naast koeien. ¶ Maar veel gevangenen waren ook onvoorstelbaar verzwakt of zelfs uitgeteerd, die konden niet meer verder. Ze deden zich te goed aan het vele eten dat er was. Niet zelden met onvoorziene, maar fatale gevolgen. Als je in zo’n slechte conditie opeens vette spek eet en melk drinkt, vraag je om problemen. Velen hebben zich letterlijk doodgevreten. ¶ En op gegeven moment was er motorgeruis, geschiet en tumult, ook van opvliegende kippen. Het was 30 april. De Russen kwamen met veel lawaai binnen. Schietend naar de kippen op de weg, zwaaiend naar ons. De boerinnen schoten hals over kop de boerderijen in, met geschreeuw en gekerm. Voor onze arbeidsgroep bleef ondertussen alles zo’n beetje hetzelfde. Sommige mensen gingen al naar huis, waren er opeens niet meer, of werden op geregelde tijden door de Russen naar elders getransporteerd. De Polen en ook de Oekraïeners waren minder happy, ze waren overgeleverd aan de willekeur van de Russen. ¶ De Duitsers leken ondertussen van de aardbodem verdwenen te zijn. Er was geen SS meer, en daarna ook geen Luftwaffe. Maar wat konden we van de Russen verwachten? Dat bleek niet veel te zijn. Alleen dat we met rust werden gelaten door de Duitsers. Die durfden en konden niets meer doen.

De Russen stalen alles wat los en vast zat. Ze waren dol op horloges, en ook op fietsen. Sommigen hadden nog nooit een fiets gezien! Had een fiets een mooie bel, dan moesten zij die hebben. We hebben slap gelegen van het lachen toen we hen een poging zagen doen om te fietsen. Sommige fietsen bleven op een gegeven moment kapot achter. Wij raapten die fietsen op en maakten van twee of drie fietsen weer één goede. ¶ Samen met een andere voormalige gevangene had ik op een gegeven moment een paar berijdbare fietsen in elkaar geknutseld. We stopten die onder het hooi met de simpele gedachte: we fietsen naar huis toe. We wilden naar Wittenberge aan de Elbe fietsen. We hadden gehoord dat dit de scheidslijn was tussen de Russen en de Amerikanen.

41


42

Na zo’n twintig dagen vroegen we aan de Russen verlof om te mogen vertrekken. Ze reageerden afwijzend: ‘We hebben meer kampen en nog duizenden gevangenen die hulp nodig hebben. Jullie worden te zijner tijd wel afgevoerd.’ Dat beviel ons helemaal niet. We hadden inmiddels goede hulp gekregen van een medegevangene, een Oekraïner. Hij had voor ons een document van het Duits in het Russisch vertaald. Daarop hadden we onze gegevens ingevuld, naam, leeftijd, enzovoorts. Dat document hadden we voorzien van stempels die we in het dorpshuis hadden gevonden. ¶ Met dit document op zak besloten we het er op te wagen en toch maar te gaan. En zo vertrokken we op een mooie dag, gewapend met ons indrukwekkende ‘officiële’ document. Het was de tweede helft van mei. We fietsten het dorp uit, met een beetje eten en verder niets... naar Nederland? Optimist moest je zijn, het heeft mij in alle ellende over alles heen geholpen. Elk dorp was op de toegangswegen afgezet met slagbomen, en je moest maar zien of je de Russische wachtposten kon passeren. Dat had onze Oekraïense medegevangene ons ook voorgehouden. ¶ We lieten steevast ons formulier zien en het werkte: we konden steeds door. Het had ons een grote dienst bewezen. We hebben drie of vier dagen gefietst. We wisten ongeveer wel in welke richting we moesten gaan. Maar we moesten onze fietsen regelmatig verdedigen tegen grijpgrage Russen. Alleen ons document hielp ons dan, want ook onze zebrakleding was geen garantie. Ik had nog steeds mijn kampkleding aan. We zijn uiteindelijk naar Wittenberge gefietst via Ruppin. ’s Nachts sliepen we onder de blote hemel, in schuren, in lege huizen, waar het maar kon. ¶ Op zaterdagmiddag, het was een mooie dag, kwamen we in Wittenberge aan. We belandden bij toeval onder aan de trappen van het gemeentehuis. Nauwelijks waren we afgestapt en er kwam een politieagent aanlopen. Die vroeg, ons inziens op een nogal onhebbelijke toon, wat we hier zochten. Nog voordat we konden reageren kwam er een gezelschap burgers de trap af. Tot onze grote verbazing herkenden we deze figuren. Ex- medegevangenen. Onder andere eentje, een communist van origine, die vanaf 1928 al onder de Weimarrepubliek was gearresteerd, en die was terechtgekomen in gevangenissen, tuchthuizen en uiteindelijk Sachsenhausen. Hij was nu opeens Ober Bürgermeister van de stad Wittenberge. ¶ Van hem hoorden we dat ze al ‘1 mei’ hadden gevierd en dat hij inmiddels een mooi huis had verworven. Ook anderen herkenden wij, twijfelachtige mannen die niet bepaald goed stonden aangeschreven bij de overige gevangenen. Het waren types die sadisme niet schuwden, aan vriendjespolitiek deden, fanatiek waren in hun rol als barakkenoudste en sommigen van hen konden ook niet van andermans spullen afblijven. We hoorden dat ze er ’s nachts op uittrokken om de inboedel van de huizen van voormalige SS’-ers en dergelijke te plunderen. Een van hen, een ‘groene’, bleek de nieuwe directeur van het ziekenhuis te zijn. ¶


Dit kon alleen maar mogelijk zijn door de groeiende macht van de Communistische Partij. Ook ons werden meteen allerlei mogelijke dingen in het vooruitzicht gesteld. We hadden er geen oren naar en vroegen hen ons ergens onder te brengen. We kregen adressen. Dat heeft er toe geleid dat ik mijn fietskompaan uit het oog ben verloren. We gingen ieder onze eigen weg.

Wittenberge lag aan de Elbe, en was de grens van de geallieerden. Aan de westkant lagen de Amerikanen, en wij zaten aan de Russische kant, de oostkant. Je kunt je voorstellen, dat mensen uit het westen waren gevlucht voor de Amerikanen, en omgekeerd, mensen uit het oosten voor de Russen. En de plaats die normaal misschien 70.000 inwoners telde, was een miljoenenstad geworden. Elke vlucht liep stuk op de Elbe. ¶ De brug lag deels in het water. De geallieerden hadden inmiddels een ponton over de rivier gelegd. Elke morgen trokken misschien wel duizenden mensen aan weerszijden van de Elbe naar de brug, in een poging erover heen te komen. Het was de weg naar de vrijheid. Van onze kant werden regelmatig vele vluchtelingen naar het westen getransporteerd, met name naar Frankrijk en Oostenrijk. Maar dit ging niet zomaar. Er werd streng gecontroleerd aan beide zijden, want er werden natuurlijk ook bepaalde personen gezocht. ¶ Een bureau van de gemeente had mij voor onderdak verwezen naar een zekere familie Voigt. Het was een Duitse familie, de vader werkte bij de Singer naaimachinefabriek. Ze hadden een dochter van 13 en een zoon van 7. Zij hebben mij een dag of tien onderdak verschaft. Hier ging het gevangenenpak eindelijk uit en kreeg ik burgerkleding. Het was ironie om bij een Duitse familie te verblijven. Misschien waren ze wel pro-Hitler geweest. Dat zou zomaar kunnen. Maar ik stond er niet bij stil. Ze hebben behoorlijk voor me gezorgd. En de fiets is daar gebleven. Ik heb hen vanuit Nederland nog een paar keer geschreven, tot zij op een moment niet meer over hun dochter spraken. In die tijd vreesden ouders het ergste voor hun dochters. ¶ Ik kwam weer onder de mensen, er viel een last van me af. Het zag er voor mij langzaam maar zeker beter uit. Ik vrolijkte op, Holland was in zicht. Ook ik toog elke dag naar het centrum om de juiste instantie te vinden. Ik had me opgegeven om verder te kunnen trekken. Eens kwam ik een militair tegen die er niet als een Rus uitzag. Wringend door alles heen dacht ik eerst nog met een Engelsman te maken te hebben. Het bleek een verbindingsofficier te zijn en een Nederlander. Die gaf eerst niet thuis, maar ik heb hem aangesproken, mijn situatie uitgelegd en tevens mijn gegevens achtergelaten. Zou het wat helpen? ¶ Of het door de officier kwam of niet, dat weet ik niet, maar ik kreeg niet lang daarna bericht dat ik me op een bepaald moment moest melden bij de Russische Kommandatura.

43


Dan kon ik de ponton oversteken naar de overkant, naar de Ameri-kanen. Zo ging het ook. We stonden met een aantal mensen gereed en moesten voor een aantal in militaire kledij gestoken mannen en vrouwen onze broek laten zakken. Zo werden we op afstand gekeurd en kennelijk goed bevonden, want we mochten de Elbe oversteken.

44

We werden naar de oever gebracht en daar stonden misschien wel vijftig dezelfde vrachtwagens waarin wij, geholpen door soldaten, plaatsnamen. De terugtocht ging nu echt beginnen. De rit bleek naar Magdeburg te gaan. Hier was een nog onbeschadigd stadsdeel ontruimd ten behoeve van de repatriëring van ik denk wel miljoenen ‘displaced persons.’ Deze benaming die op ons sloeg, hoorden we hier voor het eerst. We werden ondergebracht in een lege flat. Je moest uitkijken dat je niet bestolen werd, maar veel meer dan wat kleren en een plunjezak had je trouwens niet bij je. ¶ Of we hier één of twee nachten hebben doorgebracht, weet ik niet meer. Maar daarna gingen we met de trein verder. Ik heb vier dagen over de treinreis gedaan van Magdeburg naar Maastricht. De trein ging kris kras door Duitsland. Deze moest de gekste omwegen maken, want veel spoorlijnen waren kapot. Duitsland was immers heftig gebombardeerd, dus moest de trein zich een weg zoeken over de nog resterende gave lijnen. Uiteindelijk kwamen we in Maastricht aan.  ¶ Eindelijk weer in Nederland! ¶ We moesten naar een groot leegstaand klooster in Berg en Terblijt. Dat was na de bevrijding door de Engelsen gevorderd, ontruimd en ingericht als registratiecentrum voor terugkerende vluchtelingen. Iedereen werd door deze grenscontroledienst gescreend door de veiligheidsdiensten. Er kwamen ook immers NSB’ers terug, die wilden ze graag arresteren. Dat ik Duitser was, vond men overigens niet bijzonder. ¶ Ik ben daar twee dagen gebleven om alle formaliteiten af te handelen. Daarna was ik vrij. Je kreeg ook te horen wanneer je naar huis kon vertrekken. Daarop ben ik naar Maastricht gelopen. Ik heb daar mijn tante Nonneke opgezocht, de oudste zus van vader. Ze zat in het klooster van de missieorde Sint Petrus Claver aan de Bouillonstraat, vlakbij ‘t Vrijthof. ¶ Ik herinner me dat ik onderweg kersen heb gekocht van het beetje geld dat ik kennelijk had gekregen. Die kersen heb ik voor haar meegenomen. Ze kreeg haast een beroerte toen ze me zag en ze troonde me direct de kapel in om onze Lieve Heer te danken. Tante was in 1934 of 35 vanuit Keulen, met een kerkboek in de hand, gewoon de grens bij Glanerbrug overgestoken. ¶ Het werd tijd om naar huis te gaan.


De Prinses Irenebrigade zorgde voor de repatriëring van de vluchtelingen binnen Nederland. We gingen met vrachtwagens verder, in mijn geval richting Hengelo en Enschede. We reden via de Achterhoek naar Enschede toe. Op het eind was de vrachtwagen leeg. Iedereen was uitgestapt, maar ik moest nog door naar Oldenzaal. De chauffeur zei: ‘Dit is mijn laatste adres, ik kom niet zover.’ Ik zei toen tegen de chauffeur: ‘Moet ik na vijf jaar concentratiekamp de laatste tien kilometer naar Oldenzaal nog lopen’? Hij begreep het. ‘Nee’, zei die, ‘dat kan niet’. Vervolgens bracht hij me terug naar Oldenzaal. ¶ De helletocht zat er op. Op 22 juni 1945 stapte ik in Oldenzaal uit de vrachtwagen. 45

Ik was op zes dagen na vijf jaar weggeweest. En ik had al meer dan een jaar niets meer van thuis vernomen en was dus geheel onwetend van hoe het met vader, moeder, broer en zussen was vergaan. En waar zouden ze wonen? Daarom had ik de chauffeur de weg naar de Kerkstraat gewezen, naar het huis van de familie Braakhuis. Karel Braakhuis was mijn vriend en zo dacht ik, dan kom ik er wel achter hoe het allemaal zit. Zijn broer Gerard, de slager, stond in de winkel messen te slijpen op het moment dat de vrachtwagen voor de deur stopte. Hij vroeg zich waarschijnlijk af: ‘Wat moet die legerwagen voor mijn deur en wat wil die man hier?’ Hij zag me aankomen, zijn mond viel open van verbazing. Ik was het! ‘Ja’ zei hij, ‘Tjonge, jonge!’ ¶ Ik stond met Gerard te praten, de winkeldeur ging open, iemand passeerde Gerard, zegt ‘Hallo’ en kwam weer terug. Gerard zei: ‘Verrek, weet je niet wie dat was? Dat was je broer!’ Guido had de slager gebeld. Hij wilde een bijl lenen om thuis hout te hakken voor de kachel. Hij herkende mij natuurlijk niet, en ik hem niet. Toen ik werd opgepakt was hij een knulletje van veertien of zo. Toen ik hem terugzag in Oldenzaal, was hij een lange slungel, een stuk groter dan ik. ¶ Ik vroeg Gerard: ‘Is iedereen thuis?’ Ja, zei hij, iedereen, je vader is thuis, je broer is thuis, je zussen maken het goed, alleen Mirz’l is nog niet terug. Ik ben daarop naar huis gelopen, al moest Gerard me wel vertellen waar dat was. Mijn moeder was in 1942 immers noodgedwongen verhuisd naar de Paradijsstraat. Dat was maar een klein stukje lopen. ¶ Ik herinner me de thuiskomst nog goed. Mijn zus Tola deed open, met een schreeuw herkende ze me. Ik kon nog net voorkomen dat ze de hele buurt in rep en roer bracht. Moeder zat een kaart of zo te schrijven voor mijn zus Mirz’l die inmiddels in Zweden was gearriveerd. Vader zat de Twentsche Courant te lezen. Toen stapte ik de huiskamer binnen. Mijn vader keek eens over de krant en over zijn bril heen, en hij verzuchtte: ‘O god, weer een Engelsman.’ We hadden namelijk een piano thuis, en er was een soldaat ingekwartierd geweest, die piano speelde. Die nam wel eens een collega mee die ook speelde.


46

Mijn moeder zag het wel meteen en was helemaal verrast: ‘Hans!’ ¶ Alleen Mirz’l ontbrak nog. Zij heeft het heel moeilijk gehad. Zij is in 1941 in Ravensbruck terechtgekomen. In februari 1945 is ze vanuit het kamp naar Zweden gekomen met de zogenaamde Witte Bussen. De vrouwelijke krijgsgevangenen waren vrijgekocht door de Zweedse graaf Bernadotte en zij hoorde bij die groep. Ze heeft het zwaarder gehad dan ik. Mirz’l kwam pas in september 1945 thuis. ¶ Ook Guido was teruggekeerd. Omdat wij nog steeds de Duitse nationaliteit hadden, werd hij in 1944 opgeroepen voor militaire dienst, toen hij achttien werd. Hij kreeg in Nagold, in het Schwarzwald een parachutistenopleiding. Hij diende daarop in Polen. Hij werd daarna per trein overgeplaatst naar het westen, naar Frankrijk. Toen hij zag dat Bad Bentheim voorbij flitste, sprong hij in een opwelling net voor Oldenzaal uit de trein. Daarmee nam hij een groot risico, maar het liep goed af. Hij dook onder in Sint Isidorushoeve, niet ver van Oldenzaal, bij een boer. Omdat hij goed kon ‘plat praten’ viel niet op dat hij eigenlijk Duitser was. Het was niet ongevaarlijk, maar mijn zussen hebben hem wel eens op de boerderij opgezocht. ¶ De diaspora van de familie was verleden tijd, we waren goddank weer bij elkaar. Dat was toch een wonder, dat vader zijn onderduiktijd in Amsterdam had doorstaan. Dat moeder zich had weten te redden met de vier kinderen. Dat Guido zijn dienst en onderduiktijd had overleefd, en dat Mirz’l en ik levend waren teruggekeerd uit de kampen. ¶ We moesten die bewogen gebeurtenissen achter ons zien te laten. De tijd was er niet naar om terug te kijken. We moesten de oorlog vergeten en naar de toekomst kijken. ¶ Mijn gevangenenpak van Sachsenhausen heb ik naar huis meegenomen. Ik heb het lang bewaard, met dat nummer erop: 34735. Het is toch vijf jaar van mijn leven geweest.


6 Na 1945 Sporen van de oorlog

Toen ik thuiskwam, heb ik bij mezelf gezegd: ‘Wat achter me ligt, is geweest, nu moet ik iets in het leven zien te bereiken.’ Ik had al gezegd dat ik mijn middelbare school niet heb kunnen afmaken. Ik ben allerlei opleidingen gaan doen. Zo heb ik Nederlandse les genomen en ben Engelse handelscorrespondentie gaan leren om mij een beetje bij te scholen. Aan het werk, dat leek me de beste remedie. ¶ Ik kwam snel in het gewone leven. Na de oorlog had iedereen voldoende met zichzelf te stellen. Verhalen werden niet verteld. Ook in ons gezin was dat zo. Ieder was bezig met de toekomst, niet met het verleden. Iedereen wilde vooruit kijken, niet achterom. Natuurlijk had haast iedereen met de oorlog en de gevolgen daarvan te maken. Overal waren littekens. Maar de wederopbouw ging voor. Dus ook mijn verhaal bleef in me zitten. Ik kon snel wennen omdat ik er lichamelijk redelijk goed aan toe was. Ik was niet verzwakt of uitgemergeld, zoals zo velen dat wel waren bij hun terugkomst. Ik was in de kracht van mijn leven, ik was 26 toen ik in Oldenzaal terugkeerde. ¶ Mijn familie en ik hebben nooit overwogen om terug te keren naar Duitsland. Niet omdat we een haat hadden tegen Duitsland of Duitsers, maar we waren wel heel gereserveerd en terughoudend. Vader heeft in 1945 een verzoek gekregen van de secretaris van de Christen Democratische Unie (CDU), de naoorlogse opvolger van de Zentrumpartei, om aan de wederopbouw mee te werken. Benno Niggemeyer heette hij. Maar vader en moeder waren het eens: ze wilden niet terug. Er was teveel gebeurd. ¶ Ik vond het overigens later geen probleem om bijvoorbeeld in Duitsland met vakantie te gaan. Helemaal niet. Maar onze plek was in Nederland.

Ik heb verteld over Johan Loose uit Bergen op Zoom die ik in Sachsenhausen was tegengekomen. Hij had gezegd: ‘Als je de oorlog overleeft, kom dan bij me langs, als je geen werk kunt vinden.’ ¶ Hij was bakker en had in 1920 de LIGA-fabriek opgezet. Zijn zwagers stapten daar in als externe geldschieters.

47


48

Na drie jaar ontstond er onenigheid en werd de fabriek doorgezet door de boekhouder Neutelings. Deze heeft er een succes van gemaakt. Onder andere door een spectaculair voorval. Eens had de bemanning van een Italiaans vliegtuig een noodlanding op de Noordpool gemaakt. Er zijn vervolgens droppings per vliegtuig uitgevoerd waarbij zijn biscuits in de pakketjes zaten. Na de onenigheid is Loose vertrokken. Hij ging voor zichzelf beginnen, als fabrikant van diverse soorten wafels. Hij zette Loose’s biscuit op, die uitgroeide tot een ijswafelfabriek met landelijke bekendheid. Je kent ze wel, die hoorns voor ijs in alle soorten en maten. ¶ Nou, ik had de oorlog overleefd en had geen werk. Ik had Loose gemeld dat ik weer thuis was. Na mijn bericht van thuiskomst kreeg ik een uitnodiging van hem om eens naar Bergen op Zoom te komen. Dus ben ik gegaan. Het was niet eenvoudig om er te komen. Er was nauwelijks vervoer, ik ben ’s morgens eerst in de cabine van een kolenwagen naar Apeldoorn gegaan. Daarna verder met de trein, en ’s middags kwam ik eindelijk in Bergen op Zoom aan. ¶ Ik kwam daar op de slechtst denkbare dag. Piet, de enige zoon van de familie Loose, werd juist die dag begraven. Toen ik aankwam, zat de hele familie thuis in het zwart gekleed te treuren, ze kwamen net terug van de begrafenis. Ik kon dat niet weten. De post was toentertijd dagen onderweg, de verbindingen waren nog niet op orde. Ze hadden me wel een kaart gestuurd, maar die was nog niet in Oldenzaal aangekomen. Een ongelukkiger moment was niet mogelijk, het was een tragische situatie. ¶ Wat ik weet is dat hun zoon een jonge, veelbelovende man was, die was uitgezonden naar Dordrecht, om daar de voedseldistributie mee te organiseren. Hij had op een zomerdag enige verkoeling gezocht en had een duik genomen in de rivier De Kil. Hij bezweek aan een hartstilstand. Oorzaak was de sprong in de koude rivier. Maar wat meespeelde was dat hij peppillen had gebruikt. Die werden naderhand in zijn kleding aangetroffen. Wellicht had hij zich teveel ingespannen om bij de voedseldistributie te helpen. ¶ Tijdens de dagen van de begrafenis was er meer verdriet in Bergen op Zoom. Ricky Reef, ook afkomstig uit Oldenzaal, was logé bij de familie Loose. Ricky kende toevallig dochter Corrie Loose van een kostschool in Limburg. Bij de bevrijdingsfeesten in Oldenzaal was de vriend van Ricky door een ontploffing tijdens het vuurwerk om het leven gekomen. Om de zinnen wat te verzetten, was ze uitgenodigd om naar Bergen op Zoom te komen. Ik ben veertien dagen in Bergen op Zoom gebleven.

In oktober kwam Johan Loose naar Oldenzaal. Hij vroeg: ‘Wil je bij me komen werken?’ Ik zou eerst een jaar op kantoor werken en cursussen volgen. En zo ging het. In 1946 ben ik een jaar in Bergen op Zoom geweest, vooral voor opleiding. Ik heb daar op kamers gezeten.


Vanaf 1947 tot 1950 ben ik weer in Oldenzaal gaan wonen. In Bergen op Zoom werden weliswaar de wafels gemaakt, maar ik werd vertegenwoordiger van Loose in vier provincies, Friesland, Drente, Gelderland en Overijssel. Dat kon ik goed vanuit Oldenzaal doen. Een kantoor had ik niet, maar dat was geen probleem. Eerst heb ik alles met de trein gedaan. In 1948 kreeg ik een auto van de zaak, een tweedehands Fiat Toppeline, weet ik nog. ¶ Het contact met Bergen op Zoom verliep vooral via telefoon en brieven. Eens in de maand ging ik daar naar toe om persoonlijk verslag te doen van de stand van zaken. Mijn opdracht was vooral om de wafels te verkopen. Vanaf 1950 ging ik terug naar Bergen op Zoom. Daar werd ik in 1954 benoemd tot verkoopleider voor Nederland, België en Rheinland Westfalen. Mijn broer Guido was inmiddels handelsagent geworden van allerlei befaamde merken van chocola en dergelijke. Hij werd ook agent van Loose voor de vier noordelijke provincies, toen ik verhuisde naar Bergen op Zoom. ¶ In de eerste jaren na de oorlog stond de fabriek in de winter stil. Alleen in het voorjaar en zomer, tot aan september, werd productie gedraaid. In die maanden was de meeste vraag naar wafels. Maar dat was niet vol te houden. Op mijn aandringen ging de fabriek naast wafels ook koekjes produceren. Volgens mij was daar markt voor. Daardoor kon de fabriek later het hele jaar blijven draaien. Zo konden we de concurrentie volhouden.

Vader kon na de oorlog zijn draai maar moeilijk vinden. Hij was bijna zestig. Hij kon zich niet zo makkelijk meer aanpassen en ‘was het vechten voorbij.’ Hij heeft zijn oude beroep niet meer opgepakt. Bij mijn weten heeft hij na de oorlog geen contact meer gehad met Friedrich Muckermann. Die overleed al snel, in 1946. ¶ Op een dag zei hij: ‘Wat jammer dat we alles kwijt zijn van ‘Der Deutsche Weg’, niets is bewaard gebleven.’ Ik zei toen tegen hem: ‘Dan heb ik misschien goed nieuws. Ik heb namelijk kans gezien alle jaargangen van ‘Der Deutsche Weg’ te verstoppen op zolder, toen wij op 10 mei 1940 ons huis uit vluchtten. Misschien liggen ze er nog.’ Hij kon het niet geloven. Ik ben daarop naar ons oude huis gegaan op de Bentheimerstraat. ¶ Daar woonden inmiddels mensen die wij niet kenden. Ik belde aan, een vrouw deed open. Ik legde een en ander uit en vroeg of ik even op zolder mocht kijken. En ja hoor, alles lag er nog. Vader was stomverbaasd. Het leukste is nog dat Den Hamer, die mijn moeder in 1942 uit dat huis had gezet, zelf een aantal jaren de beste bewaker is geweest van ‘Der Deutsche Weg’! Hij werd in 1945 als NSB’er gearresteerd. De exemplaren van Der Deutsche Weg zijn naderhand naar het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (nu NIOD) gegaan. Ze zijn voor het nageslacht bewaard gebleven.

49


50

Materieel waren de omstandigheden redelijk goed. Vader kreeg een goed pensioen vanuit Duitsland. Hij had alleen een handicap: hij rookte dat het een lust was. Dat is hem uiteindelijk fataal geworden. Hij was uitgeblust, kon nog maar weinig interesse opbrengen voor allerlei dingen. De oorlog is, zeldzame momenten daargelaten, geen onderwerp van gesprek meer geweest. Je zou denken dat je aan elkaar uitgebreid je verhaal vertelt, maar dat hebben we thuis niet gedaan. ¶ Mijn vader overleed in 1957, toen hij 72 jaar was. Hij had veel meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog, de crisisjaren met zijn ups en downs, de Tweede Wereldoorlog. Ik moet zeggen dat dit voor mij een klap was. Ik heb toen een tijdje in onmin gelegen met Onze Lieve Heer. Ik was het gewoon niet eens met vaders dood. Mijn vader, die juist zo voor God en Kerk had gestreden!

Moeder is veel later in 1975 overleden, op 84-jarige leeftijd. Zij heeft nog een goed leven gehad. Tola is al die tijd bij haar gebleven in de Paradijsstraat. De traditie was, dat de familie met de Kerst altijd bij Tola en moeder langskwam. Twee jaar na de dood van moeder besloot Tola met Kerst zelf eens weg te gaan. Ze ging naar Spanje en daar ontmoette ze de Engelsman John Eccleston, trouwde met hem en ging uiteindelijk in de buurt van Geneve wonen, nog net in Frankrijk. ¶ Mirz’l kwam na de oorlog als laatste thuis uit het kamp. Ze heeft veel geleden in de oorlogsjaren. Ze kampte met een verzakte wervelkolom en heeft twee jaar in een gipsbed gelegen. Mirz’l was van zichzelf een tamelijk teruggetrokken iemand, en kwam moeilijk los van het verleden. Ze heeft jarenlang een uitgebreide correspondentie gevoerd met ex-medegevangenen. Naderhand is ze getrouwd met een Oostenrijker, Wim Fitzthum, en heeft nog jaren in Denekamp gewoond. Ze is overleden in 1997. ¶ Mijn tweelingzus Ilse is met Karel Braakhuis getrouwd. Ze zijn op een goed moment naar Groningen verhuisd. Karel maakte de overstap naar een functie in de zakenwereld, bij Meijerink in Groningen. Ilse werd later raadslid in de gemeente Groningen. Ze is in 1975 op 56-jarige leeftijd overleden. Karel is veel later, in 2008, weer in Oldenzaal gaan wonen. ¶ Mijn broer Guido heeft tot zijn dood als agent gewerkt, onder andere voor Loose. Hij is op 50-jarige leeftijd in 1976 overleden. Resi, mijn jongste zus, trouwde met Gerard Bult en is in 1994 overleden.

Lieske leerde ik in 1946 in Bergen op Zoom kennen. Zij was een van de drie dochters van Loose. Ik ben met haar getrouwd in 1951.


Ik wilde pas met haar trouwen op het moment dat ik officieel was genaturaliseerd tot Nederlander. Ik vertelde al dat dit jaren heeft geduurd. Ik heb haar in 1950 een aanzoek gedaan. Wij hebben vijf kinderen gekregen, drie zoons en twee dochters. ¶ Lieske en ik hebben in ons eerste trouwjaar een huis laten bouwen aan de Zuidzijdezoom. Ik leefde daar een heel ander leven dan ik gewend was. Met de familie Braakhuis die nog steeds in Oldenzaal woonde, had ik in die jaren niet zoveel contact. Je bent hard aan het werk, en het gezin moet gerund worden. En de vijf kinderen moesten worden opgevoed. Lieske en ik groeiden uit elkaar. Er waren vaak spanningen in huis. Over de oorlog heb ik in die periode zelden gesproken. Mijn kinderen hadden er amper een notie van. Ik besloot in 1974 om weg te gaan. We gingen scheiden. Dat was moeilijk voor de kinderen, dat begrijp ik heel goed. Op mijn jongste dochter Odette na, heeft dat ook een verwijdering gegeven met mijn kinderen. Ik ben daarop in Oosterhout in een appartement gaan wonen. Maar eerst ben ik afgereisd naar Noorwegen, naar een voormalige kampgenoot, om bij zinnen te komen. ¶ Ik raad nooit iemand aan om te scheiden. Het is zó ingrijpend in je leven, dat hakt erin. Je ziet je kinderen bijna niet meer. Je probeert ze toch te ontmoeten, in de buurt van waar ze werken, op school zijn en noem maar op. Je hoort dan hoe het thuis is, wat moeder de kinderen over je vertelt. Ondertussen kun je niet inspringen bij moeilijke situaties.

De oude Loose – die mij had aangenomen – was oprichter en jarenlang presidentdirecteur van de firma. Op een gegeven moment is hij gestorven. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar geen traan om heb gelaten. Het spijt me om dat te moeten zeggen. ¶ Hij heeft steeds gezegd dat hij het mede aan mij te danken had dat hij nog leefde, omdat ik hem in het kamp wel eens extra te eten kon geven. Maar ik kon geen band met hem opbouwen. Hij gedroeg zich in mijn ogen als een potentaat. Zoveel respect ik had voor mijn ouders, zo tegengesteld is dat bij hem geweest. Het is natuurlijk wel cynisch dat hij me aan een baan heeft geholpen en ik met zijn dochter ben getrouwd. ¶ Hij was al voor hij overleed, teruggetreden als eigenaar. Zijn dochters werden de nieuwe eigenaressen, hun echtgenoten de verantwoordelijke personen. Het ging daarna langzaam maar zeker bergafwaarts met de zaak. Dat was geen fijne tijd. Ondertussen was ik op mijn 63ste, in 1982, bij Loose vertrokken. ¶ De zaak is enkele jaren na mijn vertrek verkocht aan een zakenman uit Roermond en verhuisd en voortgezet in Maasmechelen, België.

51


52

Ik was op mezelf aangewezen. Het werk was achter de rug, voorbij. Mijn gezin zag ik vrijwel niet, op Odette na. Ik had wel veel bezigheden. Ik spaarde plastic reclametassen uit alle landen van de wereld en talloze firmapoststempels. Mijn poststempels heb ik kunnen verkopen aan iemand in Den Bosch, die de collectie wilde gebruiken voor een of ander museum. Ook de plastic tassen verzameling heb ik aan iemand anders overgedaan. Met de stempels en de tassen heb ik nog jarenlang het Guinness Book of Records gehaald. Verder fietste ik veel, zong in een mooi gregoriaans koor, was baszanger van het Oosterheidekoor in Oosterhout, en ging schilderen en puzzelen. ¶ Op een goede dag besloot ik oude contacten aan te halen. Zo belde ik in 1985 eens met Jo van Harten, de zus van Karel, van wie ik wist dat ze in Enschede woonde. Haar man Jan van Harten, was enige jaren daarvoor overleden. Het leek mij de moeite waard om weer contact te maken. Misschien had ze wel zin om een cruise te maken. Dat wilde ik eigenlijk graag. ¶ Mijn bezoek aan Enschede verliep voorspoedig. Alleen wilde ze niet naar de Zwarte Zee, maar een keertje wandelen in de Lutte, dat vond ze al heel mooi. Ik kende haar natuurlijk nog uit mijn Oldenzaalse tijd. We hadden ooit wel eens een blauwe maandag gezoend. Bovendien ben ik samen met haar naar het eerste feestje na de oorlog geweest, namelijk de trouwpartij van haar broer Johan Braakhuis in Goor. Maar het was toen niks serieus, hoor. We besloten elkaar vaker op te zoeken, en zo kwam ik steeds regelmatiger in Enschede, aan de Vanekerstraat. ¶ Uiteindelijk besloot ik in 1992 terug te gaan naar Twente. Ik vond een mooi seniorenappartement vlak bij de Plechelmus in Oldenzaal, en ging daar wonen. Terug naar de plaats waar wij achtenvijftig jaar eerder met ons gezin uit Duitsland naar toe waren gevlucht. De relatie met Jo werd en bleef een LAT-relatie. We hebben samen leuke dingen ondernomen. Jo kwam in 2008 ook naar Oldenzaal en woont nu in hetzelfde appartementencomplex als ik.

Lieske is in december 2002 overleden. Het contact met mijn kinderen werd steeds beter. De meesten zijn in de buurt van Bergen op Zoom blijven wonen. Sommigen waren allang getrouwd en hadden inmiddels kinderen. We hadden met elkaar een hele kloof te overbruggen. Heel geleidelijk kwam het wederzijdse vertrouwen terug. Ze zagen mij nog als de vader die hun in de steek had gelaten. Nu zie ik al mijn kinderen, aanhang en kleinkinderen weer en heb met iedereen normaal contact. Dat stemt gelukkig. Dit jaar heb ik met de hele familie en met Jo en jou, je broer Gerard en jullie partners mijn 90ste verjaardag gevierd. Een mooi moment. ¶ Bijzonder is dat ik mijn kinderen langzaam maar zeker meer ben gaan vertellen over de oorlog. Voor hun was dat een vrijwel onbekende periode van mijn leven.


We hadden er nooit over gepraat. Dat was best emotioneel, want ik had het altijd weggestopt. Ik geloof dat ik er wel goed mee overweg kan. Wat daarbij helpt is dat ik de laatste paar jaar weer op plekken ben geweest en mensen heb ontmoet die met de oorlog te maken hadden. ¶ Piet van Koulil, mijn schoonzoon, de man van mijn dochter Annelies, heeft daar erg bij geholpen. Hij is geïnteresseerd geraakt in mijn geschiedenis en die van mijn familie. Hij heeft veel uit het verleden uitgeplozen. Onder andere over het ontstaan van Looses fabrieken. Door zijn toedoen zijn wij met alle kinderen in 2007 in Bückeburg geweest, de geboorteplaats van Muckermann. Daar mocht ik samen met een neef van Muckermann, Romano, de ‘Muckermann Passage’ openen. In 2008 is deze neef bij mij langs geweest. Hij wilde mijn verhaal horen, en het ziekenhuis in Oldenzaal zien, waar zijn oom een tijdje heeft gewoond. We zijn in Glanerbrug ook naar de plaats geweest waar het klooster heeft gestaan. Dat is overigens goeddeels afgebroken en vervangen door een verzorgingshuis. ¶ Ik heb met Piet en een paar van mijn kinderen ook mijn geboorteplaats Lügde bezocht. En Piet kreeg het voor elkaar om mij zover te krijgen om in 2009 mee te gaan naar de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst in Sachsenhausen. Ik was daar nooit naar teruggegaan. Dat gaf wel een brok in mijn keel, dat was emotioneel. Sommige dingen waren nog precies hetzelfde, zoals de ingang. Ik heb daar mijn gevangenispak, met nummer 34735, ter beschikking gesteld aan het museum. Plus nog wat andere herinneringen die ik thuis had liggen. Ik kon het afsluiten, en het museum was daar erg blij mee.

Zo is de cirkel in zekere zin rond. Mijn leven heeft, terugkijkend, in belangrijke mate in het teken gestaan van het werk van mijn ouders, het verzet tegen de nazi’s, en de daaruit volgende onvermijdelijke vlucht naar Nederland. Dat heeft consequenties gehad voor mij en het hele gezin. Met name vader, moeder, Mirz’l en Guido hebben dat aan den lijve ondervonden. En de oorlog was nog niet afgelopen in 1945. Maar het leven heeft naast teleurstellingen ook mooie dingen gebracht, zoals mijn kinderen, en ik kan genieten van het leven. ¶ Mijn werk, mijn vrouw en later Jo – ze hebben allemaal iets te maken met ontmoetingen en gebeurtenissen van vóór en tijdens de oorlog. En mijn kinderen zijn daar langzaam maar zeker deelgenoot van geworden. Daar had ik jaren geleden niet meer op durven hopen.

53


54

Deel II Ter herinnering aan Kerstmis Heinkel 1943

Gedachten aan kerstmis van Nederlandse kampgevangenen Dit document is uniek. Het is een weergave van Kerstgedachten van vijf krijgsgevangenen in het kamp Sachsenhausen/Heinkel, 1943. Hans Steinhage heeft de geschreven versies in zijn plunjezak bij de vlucht tijdens de Dodenmars in april 1945 meegenomen. Herinneren kan hij het zich niet precies. Waarschijnlijk zijn drie Kerstgedachten onderweg verloren gegaan. Later, in Bergen op Zoom, heeft Hans een en ander uitgetypt. Het boekje is in 2006 weer boven water gekomen via de jongste dochter Odette. Een doos met spullen uit het ouderlijk huis was bij Odette terechtgekomen.


T E R

H E R I N N E R I N G

A A N

K E R S T M I S

H E I N K E L 1

9

4

3

-.-.-.-.-.-.-.-

55


1 Enkeling, =========

56

Een dorp staat in vlammen, kanonnen dreunen, granaten f luiten en detoneren met een onnoemelijk geweld. Van achter elk bosje, uit elk huis, van elke zandhoop wordt geschoten. De dood doet zijn ronde, hem en hem, haar en haar, dat en dat, alles! Niets blijft gespaard. De mensheid is in een delirium geraakt en kan zich niet meer uit deze waanzin losmaken. In deze orkaan van een haast onoverkomelijke chaos zit jij, enkeling, en denkt aan thuis. Op dat moment geen dreunen, geen detoneren; op dat moment is het stil. En als jij je dan in deze stilte realiseert, waarom het stil is, dan moet je tot de conclusie komen: ‘Het is stil, alléén omdat ik aan thuis denk, ja, er niet alleen aan denk, maar er hartstochtelijk naar verlang. Verlangen naar mijn familie, naar mijn gezin, naar een huiselijke kerstboom, waarbij je verloren in de zo bekende kerstlichtjes kunt staren.’ Maar waarom, enkeling, waarom weet je deze stilte niet te rekken om tot de erkenning te komen dat, ondanks alles, ondanks vaderlandsliefde, ondanks te snel verorberde overwinningsroezen, ja, ondanks f luiten, dreunen, detoneren, ondanks dat de band met thuis sterker is dan elk der andere verschijnselen, die, de geschiedenis heeft het immers geleerd, toch maar van korte duur zijn. Enkeling, wat heb je aan zo’n herinneringsf lits? Maar wat hebben ze vooral thuis aan zo’n herinneringsf lits? Waar blijft je wil om het Kerstfeest thuis te vieren? Je wil om ze thuis niet jaren te laten wachten? Ja, de wil, die heb je wel, hij zit zelfs in je vast geworteld, maar je bent te laf er met je lotgenoten over te praten. Maar begrijp je dan niet dat jij, alleen jij de schuld daarvan draagt, dat miljoenen en miljoenen mensen een kerstmis moeten vieren, dat in strijd is met alle begrippen van moraal? Het ligt aan jou, aan jou persoonlijk, dat het eind van deze waanzin, van deze bloeddorst waarin we leven, niet in zicht is. Het ligt aan jou, ja alleen aan jou om EEN HARMONISCHE WERELDORDE TE SCHEPPEN.


Begrijp toch dat je anders de wereld trekt naar een volkomen vernietiging. Als je dan iets vernietigen wil, vernietig dan bij je kameraden de angst om voor hun ware gevoelens uit te komen. In ’s hemelsnaam, Enkeling, rek de stilte, dan is de weg gebaand…. De Aanklager,

Jan van Heel, Den Haag, Blokschrijver Bl. 3 -o-o-o-o-o-

2 Kerstmis 1943 ============== Puer natus est! Een kind is ons geboren. Vreugde heerst er in alle huisgezinnen, alle harten kloppen sneller. Zou het Christuskindje dit jaar dan toch eindelijk den Vrede brengen in deze door haat en afgunst verscheurde wereld? Den Vrede, waarvan de Engelen zongen in de luchten van Bethlehem: ‘Vrede op aarde aan de mensen, die van goeden Wille zijn.’ Onophoudelijk hoort moeder deze troostende woorden. Het is alsof de Engelen van Bethlehem in een majestueus gezang haar boodschap laten brengen. Zou het waar zijn? Zou haar enige Zoon, op wie zij altijd zo trots was, met deze Kerstmis weer terugkomen? Onder haar drukke werkzaamheden werpt zij een blik naar het beeld, daar op de schoorsteenmantel. De rustige, vastbesloten uitdrukking, die haar van dit beeld toespreekt, geeft haar zoveel vertrouwen. Van dit beeld gaan haar ogen naar de Kerststal, die nu reeds voor de derde maal daar staat, zonder dat zijne handen de beeldekes hebben gerangschikt. Haar ogen zoeken het kribbeke. Het kindeke ligt daar met uitgestrekte armen.

57


58

Het is alsof het haar toelacht en uitnodigt dichterbij te komen. Zal ook deze Kerstmis zijn plaats leeg blijven? Zal ook deze Kerstmis geen gehoor worden gegeven aan de stem van het Kindeke, dat om Vrede vraagt en Liefde? Hij die zelfs het illustere voorbeeld HEEFT gegeven van ware Liefde en Offervaardigheid? Zal nu ook deze Heilige Nacht verstoord worden door het kanongebulder en het motorengeronk? Zal de stem van het Kindeke, dat maant tot Liefde, overschreeuwd worden door het gekrijs van haat en wraak en vergelding? Al deze vragen komen tegelijk in haar op. Zij weet waarom haar zoon zo ver van haar is, wat hem heeft bewogen het ouderlijk huis te verlaten. Zij weet ook dat hij lijdt, maar dat hij dit lijden vrijwillig aanvaard heeft voor de Vrede, voor het Kerstkindeke. Hij heeft alles, wat hem zo dierbaar is, verlaten, voordat zijn plicht hem riep; zijn diep gevoel voor rechtvaardigheid, zijn vaderland…. Nu is hij alleen, en zij draagt met hem dit offer…. Daar in de verte luiden de Kerstklokken en roepen de mensen ter Nachtmis. Over de witte velden door de besneeuwde straten spoedigen zij zich zwijgend en haastig naar de kerk… ‘GLORIA IN EXCELSIS DEO, ET IN TERRA PAX HOMINIBUS.’ Ere zij God in den Hoge, en op aarde de vrede aan de mensen, die van goede wille zijn….. De mensen van goeden wille, peinst zij… Zij zit daar, neergebogen, in gebed verzonken…. Heer, geef ons toch deze Vrede, waarnaar wij zo snakken, en laat mijn jongen behouden wederkeren. Mila, 006

alias: Michel Lacor, Bergen op Zoom, Terminer FST, -o-o-o-o-o-


3 Komt allen tezamen... ===================== Voor de tweede maal, voor velen van ons ook een derde maal, ja, zelfs een vierde maal, dat zij het Hoogfeest van Kerstmis niet thuis gedenken en beleven kunnen. Maar met ieder Kerstfeest, dat we niet te midden van onze dierbaren doorbrengen, wordt de herinnering aan het feest van Christus geboorte levendiger en veelZEGGENDER. En hoe kan het anders? Het Kerkfeest, is dat niet immer een familiefeest bij uitstek? Het feest van de eenvoud, van de armoede, de kinderlijkheid. Nu de hele wereld rondom ons heen in een grote, vreselijke en langdurige oorlog verwikkeld is, nu de glorie en de Vrede, het Gloria in Excelsis Deo, et in Terra Pax Hominibus, nog zo verre verwijderd is, nu de stilte van de Kerstnacht zo wreedaardig verstoord geworden is door kanonnengebulder en het geronk van oorlogsmachines. Nu in zovele huisgezinnen en families een zoon of dochter ontbreekt, nu moet ook voor onze dierbaren, daar ver weg in het lieve Vaderland, onze afwezigheid dubbel zwaar vallen. We zijn tot elkander gekomen vandaag, niet om eens op Germaansche manier het zogenaamde Weihnachten te gedenken, dat bestaat uit veel eten en drinken en een kerstboom, volbeladen met pakken en een akelig dikke vent met een soort kabouterpak aan, die men hier de ‘Weihnachtsman’ noemt. Neen, die geintjes passen niet op het Kerstfeest, dat staat ons niet aan. We hebben een Sinterklaas om elkander voor de gek te houden! Het Hoogfeest van de Kerstmis is ons daar te heilig en te verheven voor. Helaas is de laatste jaren het Kerstfeest ook in ons lieve Vaderland ontaardt in iets, wat het in West-Azië al lang was. Neen, wij zijn tezamen gekomen om dat huiselijke, gelukkige ogenblik te gedenken, waarin de Heiland door zijn geboorte en menswording Zijn grote werk voor de verlossing der Wereld begon….

59


60

We zijn tot elkander gekomen, om dat te zoeken, wat we thuis steeds gevonden hebben op deze dag: GELUK EN VREDE! Jongens, we hebben het in eigen hand dit geluk en deze Vrede te vinden en te behouden. Ook voor ons zijn deze dagen uiterst moeilijk en armzalig. Vanuit de materiÍle Nood, waarin we verkeren, geraken we o, zo makkelijk in een geestelijke nood. Wat missen we hier al niet: een Nachtmis, een Kerstcommunie, een Kerststal, de Kerstliturgie. Zelfs een Rozenkrans en een eenvoudig gebedenboek ontbreekt ons. Doch, ondanks dat onontbeerlijke, stelt het kerstkindje ons toch in staat een Kerstmis te horen, een Kerstmis te vieren, zij het dan op een wijze, waarvan geen onzer ooit enig begrip had, voor wij in deze moeilijke en onmogelijke gevangenschap geraakte. Het Kerstekind is in deze Heiligen Nacht tot ons gekomen in al Zijn eenvoud en armoede. Het spreidt zijn armen naar ons uit, zoals eens naar de arme herders van Bethlehem. En zijn we in onze afgeslotenheid, met onze armoede eigenlijk wel veel meer dan die herders? En in onze armoedige kleren en met onze lege handen staan we dan voor Hem en bieden Hem hetzelfde aan als eens de herders: verering, liefde, eenvoud en kinderlijke oprechtheid. We zijn weer kinderen, arme, hulpeloze kinderen, die troost zoeken bij dat arme, koude Kindje in de Kribbe. Venite Adoremus‌. Komt, laat ons Hem aanbidden, onze Heer. Onze Heer, onze Verlosser, onze Redder! Onze Heer: We zijn hem dank en eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd, omdat ons leven, onze vrijheid, slechts van hem af hankelijk is. Onze Verlosser, omdat Hij alleen ons kan verlossen uit deze naargeestige gevangenschap. Onze Redder, omdat slechts Hij ons redden kan uit de handen van onze redeloze vijand. Laat ons vandaag kinderlijk aan het Kerstkind al onze verlangens openbaren.


Ieder zijn eigen verlangens, zijn eigen wensen. Maar ik weet zeker, wanneer ik Hem uit naam van ons allen vraag, de volgende 25 December weer in ons eigen lieve Vaderland te midden van onze dierbaren en bekenden te mogen vieren, ik weet zeker: dat is de Kerstwens van ons allen – Onze Kerstwens op het Kerstfeest van 1943, dat we herdachten op het terrein van de Heinkel-Flugzeugwerke bij Oranienburg. Heda, 003.

61

alias: Herman Damveld, Bergen op Zoom, Kalkulator Halle -o-o-o-o-o-

4 Beste jongens, ============== Op de eerste plaats wens ik jullie allen een hartelijk en zalig Nieuwjaar. Verwacht alsjeblieft niet dat ik veel ga zeggen. Dit heb ik ook aan Willi gezegd, want je echte gevoelens, die uit de diepste diepten van het hart komen, kun je niet op papier zetten of in woorden uitdrukken. En toch wil ik het proberen, tenminste iets daartoe bij te dragen, om in deze kring een kerststemming te brengen. Zoals bij velen van ons, ben ik het vierde Kerstfeest van huis. En zoals het bij de mens nu eenmaal is, denkt hij vooral in deze tijd, nu nog meer dan vroeger, in de tijd die het Kerstfeest vooraf gaat – de Adventtijd – veel terug aan vroegere dagen. Er is geen Kerstfeest geweest, of ik was niet thuis, trouwens allen uit onze familie, als kleine kinder zijnde, en later ook toen we ouder werden en vrienden of vriendinnen hadden. En omdat ik half Nederlander en half Duitser ben en in mijn jeugdjaren het Kerstfeest in Duitsland heb gevierd, moet ik haast vanzelf over een Duits Kerstfeest


62

praten, zoals het in de jaren – in mijn jeugd – 1924-’33 gevierd werd. Ik wil dit zo goed mogelijk doen, als ik het mij kan herinneren. In deze jaren was er heel veel ellende in Duitsland door het verliezen van de oorlog. Er was weinig geld bij de mensen, maar het volk kon tenminste toch nog alles kopen. Er werd veel gedaan om oude gebruiken in ere te houden. Voor ons kinderen kwam er al een Kerststemming met elf november, met het St. Maartenfeest. Al lang van tevoren hadden we in de scholen thuis over St. Maarten en vanzelf over St. Nicolaas gesproken. En dan kwam de avond van St. Maarten. We gingen met Moeder naar het marktplein, waar hij voor de schooljeugd komen zou. Voorop een troep ganzen, vastgebonden aan een koord en geleid door een lief meisje, vervolgens enige wagens met ganzen en daarachter St. Maarten zelf op een wit paard. De stoet hield stil; je zag, hoe St. Maarten met een zwaard van het fijnste zilver een stuk van zijn mooie mantel sneed en het aan een bedelaar gaf (die bedelaar leek anders veel op die grote jongen met het rode haar uit de zesde klas. Die moet nu zeker al voor twee complete costumes stof ontvangen hebben). De volgende morgen vond je in je schoen pindanootjes, suikerbollen, pepernoten enz. Dan is St. Maarten voorbij en we gaan over tot het St. Nicolaas praktiseren. In Duitsland noemen ze de zwarte Piet ‘Knecht Ruprecht.’ Zou hij wel in de school komen, of misschien thuis? Wat zou hij alles van mij weten? En als kinderen waren we dan in een uiterst gespannen verwachting. Op 5 december kwam hij dan plotseling, juist voorbij de morgen recreatie: een bons op de deur (een gil en geschreeuw in de klas)! De jongen naast me sidderde over z’n gehele lichaam. Zou hij zo bang zijn? Daar staat St. Nicolaas, een eerbiedwaardige oude man, met een lange, witte baard. Achter hem knecht Ruprecht. Hij heeft al iemand in de zak, die mee naar de hemel gaat. Zijn voeten steken er onder uit: van hem wordt voor het volgend jaar peperkoek gemaakt. Wie zou het zijn? Huu, daar wordt er een afgeranseld! Wat zou die gedaan hebben?


Nu, dat is ook erg: zijn moeder heeft hem in de stad voor de bioscoop gezien. Wat erg! (Alsof ik nooit er voor sta?!). Jongen, dat die zich niet schaamt! Vooral niet die zwarte knecht in de ogen kijken, anders merkt hij het direct en heeft me zo te pakken. Goddank, hij heeft niet veel tijd, de St. Nicolaas, hij moet nog meerdere scholen bezoeken. Hij zal vanavond bij verschillenden van ons thuiskomen. Stiekem durf ik weer op te kijken. ‘Als hij van mij maar niet weet dat ik eergisteren aan de suikerpot heb gezeten.’ Nu zingen we een lied en de jongen naast me krijgt er een rood hoofd van (ik denk dat die blij is dat ie niet aan de beurt gekomen is). Ik anders ook. Dan nog eens een goede dag gewenst en met een ‘Tot het volgende jaar’ zijn ze (wat een opluchting) de deur uit. Zijn zij verdwenen. Nou, dat was op een kantje af. Op weg naar huis zie je, hoe St. Nicolaas ‘Tengelmann’s Koffie’ verdeelt. Wat raar! Thuis zei moeder: ‘Omdat je het hele jaar netjes opgepast hebt (ze moest maar alles weten), komt St. Nicolaas vanavond hier! En ja hoor, hij kwam. ’s Avonds zijn Tante Marie en Tante Therese op visite. Tante Marie heeft zo’n leuke man en hij brengt altijd wat mee. Ik vraag dus Tante waar de Oom vanavond is. Toen zei ze: ‘Hij moet vanavond werken.’ (Ik weet wel beter, hè). Daar wordt er nu eerst een kopje thee ingeschonken en veel gepraat, zoals dat op zulke avonden in de mode is. Onderwijl schuiven en glijden wij kinderen op onze stoelen heen en weer. Mirz’l, Tola, Ilse en ik zijn allen erg zenuwachtig en kibbelig. Daar, hoor, daar gaat de bel! Moeder springt op en maakt de kamerdeur open; ze valt op haar knieën en zegt: ‘Geloofd zij Jezus Christus Heilige Man!’ ‘In alle Eeuwigheid, Amen!’, antwoordden wij anderen. Met een oogopslag heb ik de situatie verkend en gezien dat er warempel alweer een in de zak zit. Ik schuif vliegensvlug van mijn stoel af, om de tafel heen en kruip in een hoek van de kamer die (volgens mij) nog enige beschutting biedt aan de zwarte knecht. Ik knijp mijn ogen dicht – hij mag me niet zien. Ik denk maar aldoor aan dien suikerpot.

63


64

St. Nicolaas ziet er heel anders uit als van vanmorgen en vanmiddag. Wat raar wat! … Oh, wat heeft ie knecht voor witte ogen, net als de duivel. En ik schuif langzaam uit de hoek weg naar de rookkamer en vlucht daar gauw onder de canapé, opdat hij me niet te pakken krijgt. Hier ben ik voorlopig veilig, maar mijn hart gaat van ‘bons-bons-bons’! Wat zegt Sinterklaas? ‘Ik ben een lafaard en kan gerust daar blijven zitten. Vader moet me maar onder handen nemen. Ik moest maar vooral niet vergeten wat ik bij mijn laatste bezoek bij Tante Marie tegen het keukenmeisje heb gezegd: ‘Oude dienstbus!.’ Waarachtig, dat was ik allang weer vergeten. Ruprecht kijkt naar me en bromt, maar hij moet toch lekker doen wat de Sint zegt, dus zal hij me met rust laten. Van Vader moet ik er onder uit komen. De zwarte mag me niets doen. Ik moet bidden, een Onze Vader. Nu, dat gaat goed, ik durf niet op te kijken. Sinterklaas blijft me maar steeds aankijken. Hij wil echter nog meer families bezoeken. We zingen gezamenlijk nog een lied en goddank, ze zijn er uit. Maar heerejee, wat heeft die alles meegebracht? Een grote Speculaasman, haast zo groot als ikzelf, staat in de hoek. Er wordt gesmuld van de koek en de cakes. Oom Ludwig en Oom Heinz komen ook nog, het wordt erg gezellig en veel te vroeg is het voor ons kinder bedtijd…. Sinterklaas is voorbij en vol blijde verwachting gaan onze gedachten al naar Kerstmis, naar het Christkind. Thuis heeft men vorige Zondag de Adventskrans opgehangen: een kaars brandt slechts. Na schooltijd gaan we niet recht naar huis, maar bekijken overal in de stad de etalages. Al je gedachten gaan naar en draaien alleen om het Kerstfeest. Wat mogen en wat kunnen we ons wensen van het Kerstkind? Wat mogen we op ons verlangbriefje zetten? Moeder zegt: ‘Het Kerstkind heeft dit jaar niet veel geld.’ Dus dat mooie, grote, witbruine paard, met dat echte vel, krijg ik dan toch niet. Oh, maar ik wens voor mij nog een paar handschoenen en een nieuwe matrozenpet met zulke bandjes er achter aan (echt Duits), en zo pijnigt zich mijn kleine kindergeest af, wat ik alles nodig heb.


De derde Adventszondag zegt Moeder, dat we maar voor wat stro moeten zorgen en dit in kleine stukjes moeten snijden, allen even lang. Ze zegt: ‘We moesten nu maar heel braaf zijn en haar, na iedere goede daad, een van die halmpjes geven. Die zijn nodig om het Kindje Jezus in het kribbetje warm te houden.’ Het spreekt vanzelf dat we alle mogelijke moeite deden om zoveel mogelijk van die strootjes af te geven. De tweede laatste Zondag voor het feest gingen we dan naar de binnenstad, met de tram, etalages bekijken. Wat was dat toch altijd heerlijk. Wat voor prachtige uitstallingen. Wij waren zo begeesterd, dat het, dienstmeisje of kindermeisje naargelang, alle moeite had om ons vieren bij elkaar te houden. Gewoon snoezig in die grote zaak van KramerMeerman, die grote boerderij met alles wat je je maar kunt indenken, daar en stel spoortreinen, met wachthuisjes en wissels, en zelfs elektrische treinen. Ergens anders weer stonden heel veel paarden, van het kleinste tot het grootste: je zou er toch zo graag eens opgeklommen zijn. Mijn zusters weer vonden de ene pop nog mooier dan de andere, zodat ze ten slotte niet meer wisten welke ze nu precies van het Christkindje zouden wensen. Vader en Moeder moesten dan altijd in die dagen zovele wensen aanhoren, dat ze ook niet meer recht wisten, welke cadeaux nu wel het meest geschikt leken. Een dag of twee later moesten we dan ons verlanglijstje schrijven. Er werden engelen op getekend, gekeurd en zeer netjes geschreven. ’s Avonds legden we ze dan op het raam. Hier kwam de Engelbewaarder ze dan af halen om ze mee te nemen naar de hemel. Maar natuurlijk als je erg braaf geweest was. Anders bleef die een hele poos liggen. Het eerste was natuurlijk ’s morgens altijd, vlug naar het raam lopen, de gordijnen opzij en kijken of het gebeurd was. Waren de briefjes weg, dan ging moeder naar de stad het Kerstkindje bestellen en uitnodigen en als het zo ver was, dan waren we dolblij, want dan konden we erop rekenen, dat het Kerstkindje kwam. Kwam moeder dan weer terug ’s avonds werd ze natuurlijk

65


66

van alle zijden bestormd en uitgevraagd, of het Kerstkindje bezwaren gemaakt had over dit en dat, of het nog wensen had die door ons nog vervuld moesten worden. Vader deed al een paar dagen zeer geheimzinnig. De deur van de voorkamer en de verbindingsdeur waren nu altijd potdicht en mijn zus, die door het sleutelgaatje gekeken had, vertelde me, dat ze engelen in de voorkamer had zien werken. ’s Middags ging ik kijken; ik had Moeder verteld wat mijn tweelingzusje Ilse gezien had. Maar je kon door het sleutelgaatje niets meer zien. Vader zei ’s avonds na het eten, dat hij nu met het Kerstkindje ging samenwerken en verdween in de voorkamer….. Dan kwam de Kerstvakantie! Heerlijk, nu hadden wij de tijd om onze versjes te leren die wij aan het kribbetje op Kerstmorgen zouden moeten voordragen. Het viel heus niet mee, maar eindelijk klopte het dan toch. Een geur van dennenbossen hing door het hele huis. Moeder bakte heel de laatste dagen lekkere koekjes, koek en taart, beter dan de bakker. Als er beneden gebeld werd, kwam het meisje ons eerst in een andere kamer brengen: ‘Om de engelen niet te verschrikken’, zei ze dan. Moeder beval het dienstmeisje alles nog eens een extra beurt te geven. Alles moest precies in de puntjes zijn. Het moest onze kleren de avond voor het grote feest klaarleggen. We zouden allen om half vier naar de Nachtmis gaan. Wat ben je toch zenuwachtig in die laatste uren. Je lag in je bed, je ogen dwaalden nog eens naar het Zondagspakje en met vele wensen ging je in het land van de dromen over. Veel te vroeg werd je gewekt: eerst was je krekelig, half uitgeslapen, maar dan een lichtstraal: het is Kerstmis. Gauw gewassen, aangekleed, gekamd. Moeder kwam f luisterend vragen of we gereed stonden en dan ging het in de donkere morgen naar de kerk. Overal zag men de lichtjes over de weg dansen van mensen die ook naar de Nachtmis gingen. De kerk was tot in alle hoeken vol, je kon er bijna niet doorheen komen. Je hield je aan Vaders jas vast om hem niet kwijt te raken. Onze plaatsen werden met veel gewring en f luisteren dan eindelijk gevonden. Wat een licht overal in de kerk en hoeveel Misdienaars er vandaag wel niet waren! Het kribbetje was een en al licht.


Nou, de heilige Jozef was beslist groter dan Vader, ja, maar de kameel, kijk eens, nou Moeder is toch groter dan dat kameel. Moeder kijkt naar mij en ik gauw weer in mijn gebedenboek. En wat een heerlijke liederen er vandaag gezongen worden. Ik moet toch even omkijken – achter op het koor, naast het orgel, staan veel zangers. En nu hoor de dames met hun engelenstemmen: ‘Hosanna David’s Zoon…’ Prachtig lied, wie kent het niet? Moeder kijkt weer naar me en schudt het hoofd. Nou, ik wil me beteren, want ik wil toch naar de communie. Veel te lang duurt alles voor ons, kleine kinderen. Maar eindelijk is het dan toch voorbij en gaan we naar huis. Als vader de deur opengesloten heeft, komt ons een geur van vers gezette koffie tegemoet. Het meisje heeft al alles kant en klaar, de koffie is gezet, in de huiskamer is de tafel feestelijk gedekt. Het gaat alles niet vlug genoeg. Nu mengt zich de geur van de gans in de casserolle met die van de koffie… Feeststemming! Het lang verwachte Kerstfeest is gekomen. Mirz’l, mijn oudste zus, slaat het muziekboek open voor Moeder. Het eerste stukje muziek op Kerstmis wordt altijd door haar gespeeld. ‘O kindje, o kindje, daal neer tot ons...’ Dat is zo ieder jaar met vele andere gebruiken. Veel kun je van zenuwachtigheid niet op. Nu gauw nog even het versje overlezen. Tola heeft een heel lang gedicht en ze zegt tegen het kindermeisje, dat ze met het briefje achter haar moet gaan staan. Eindelijk staat vader op en gaat naar de voorkamer. Het grote ogenblik (voor ons kinder in deze jaren) is gekomen en moeder gaat naar de piano en geeft ons allen een teken om te volgen. Dan begint ze heel zachtjes te spelen, en dan luider: ‘Naar ’t kribbe komt, naar Bethlehem’s stal..’, dan is het lied ten einde, wat wij gezamenlijk zongen. De verbindingsdeur naar de voorkamer is door Vader geopend. Reeds onder het zingen van het laatste couplet heb ik met een oog gezien, dat de Kribbe veel groter is dan het vorige jaar. Nu gaan we eerst een lied zingen voordat iedereen zijn versje begint op te zeggen. Eerst mijn oudste zus, dan mijn zus met het hele lange haar.

67


68

Ik kijk om naar de tafel, maar daar ligt zoveel en ik kan toch zo gauw niet zien waar m’n plekje is….Ik krijg een por van achteren en kijk nu ook werkelijk aandachtig naar Maria en Jozef en naar het kindje Jezus dat daar ligt op het door ons verzamelde stro. Wat?... Nu kom ik aan de beurt. Mijn stem heeft een beetje, ik ben een beetje zenuwachtig, tranen willen komen, maar neen-het-moet- ik breng het er goed af. Nu nog twee liederen: ‘Stille Nacht, Heilige Nacht’, als slot van deze kinderhulde en dan mogen we naar de tafel gaan en daar op het briefje zoeken, dat bij – oh, hier staat het al, Hansjosef. Wat komt me dat handschrift toch bekend voor, maar ik heb nu geen tijd om daarover te praktiseren. En dan volgt voor een kind, voor kinderen het schoonste en gelukkigste ogenblik van heel het jaar. Wat de een en ander ontvangen heeft, hoef ik hier niet nader uiteen te zetten. Ogen, die de laatste dagen een zalige glans vertoonden, stralen nu in zalige vreugde en zorgeloos is het lachen der kinderen. Deze Kerstdag vergeet je weer het hele jaar niet. Den gehelen dag wordt er gezongen, de piano komt maar niet tot rust. En wie onze mooie Kerstliederen kent, weet hoe schoon en feestelijk deze zijn. Er wordt met het nieuwe speelgoed gespeeld, gelezen uit nieuwe boeken. De zusjes spelen met hun nieuwe poppen ‘Moeder en Kind’, daar wordt gekeken of die broek, dat pak wel goed is en of het past, of die jurk correct zit. Op deze dag vergeten zelfs de ouders voor ogenblikken hunne zorgen. Iedereen is blij. (En hoe ondankbaar waren wij wel eens als het gewenste cadeau er niet bij was en er werkelijk veel moeite voor gedaan was om het te bemachtigen). Nu krijgt het kribbetje ook z’n beurt en wordt er door allemaal gekeken naar de veranderingen die het kribbetje dit jaar heeft ondergaan, vergeleken bij het vorige jaar. Zo komt de middag. De Kerstmaaltijd bestaat traditiegetrouw uit Gans, gevuld met gehakt, kastanjes en appels, naar smaak en keuze. Na het dessert mag ieder van de familie, groot of klein, een glas wijn drinken. Dan gaat ieder slapen. Alles ligt te bed. Maar je slaapt natuurlijk niet. Het spannende hoofdstuk uit je nieuwe boek vraagt veel te veel aandacht en houdt je wakker.


Toch vallen de ogen dicht, de emotie van een gelukzalig kinderhart…. Na het opstaan om vijf uur, volgt het bezoek van de Kerstcompletten met feestelijk lof en preek. Deze kerkdiensten op de feestdagen. En dan naar huis. Nu volgt een avond met gezang en koek en taart en koffie, daar wordt gesmuld en gespeeld en gelezen. Tussendoor worden noten grote en kleine – pinda’s en hazelnoten, walnoten en appels opgepeuzeld. Veel te vroeg is het bedtijd….. Tweede Kerstdag. ’s Morgens gaan we allen weer naar de Kerk, maar nu niet zo vroeg. Om acht of negen uur. Allen gezamenlijk, daarna het ontbijt en volgt eerst een bezoek naar de vriend en de meisjes gaan naar hun vriendinnen om eens daar een kijkje te nemen. Of ze zijn zelfs al gekomen en men gaat met hun naderhand mee. De tweede Kerstdagmiddag gaan we met Vader de vele kerken in de stad bezoeken om ‘kribbetjes’ te kijken. Ook Moeder is er natuurlijk bij. Er zijn toch zoveel kerken en zoveel kribben te bekijken. Naar een door vader eerst samengesteld programma wordt dit afgewerkt. Geweldige kribben zijn er altijd te zien. Nog vandaag zijn me enkele van hun nog goed in het geheugen gebleven. De Kribbe bijvoorbeeld in het Elizabeth-Ziekenhuis begon hoog boven in de koepel boven het altaar en kwam tot aan de Communiebank die nu veel meer naar het midden van de Kerk was geplaatst. In een andere Kerk waren het levensgrote figuren. In het krankzinnigengesticht besloeg de kribbe de hele Kerk rondom langs de muren. Ze was verdeeld in twintig tot vijfentwintig taferelen, van Maria Ontvangenis tot de weg van Nazareth, waar Jezus door zijn Moeder gezocht werd. Aan het einde van deze lange voorstelling stond een kleine kapel. Door een gleuf moest je nu een geldstuk steken, dan gingen de poorten van dat kapelletje open, een Engel verscheen en trok aan een touwtje, waaraan een zilveren klokje hing, dat helder luidde. Een bedelaar met een bedelares kwamen aan weerszijden naar het kapelletje, het Jezuskindje kwam door het midden van het kapelletje, gaf den Zegen, keerde zich om en ging terug. Zo ook man en vrouw, de engel hield op met luiden en de poorten gingen toe.

69


70

Dit herhaalde zich bij elk geofferde geldstuk. Voor ons kinderen was dat altijd een zalige attractie en een blij genot, dat natuurlijk twee of drie keer herhaald werd…. Mijn trouwe vrienden, moet ik dan nog zeggen dat het Driekoningenfeest ’s morgens ook werkelijk drie koningen bracht en dat Kerstboom en Kribbe zolang bleven staan tot de naalden er van af vielen? Het is een beetje lang geworden. Ik hoop niet dat ik jullie verveeld heb met mijn verhaal. Jullie begrijpen natuurlijk, dat het kinderlijk onnozele er natuurlijk met de tijd uitgegaan is, maar de wijze waarop we het Kerstfeest in latere jaren vierden, is telkens zo gebleven… Het is diep treurig, dat het Kerstfeest hier in Duitsland zo ontaard is en wel in een heidensfeest. Vierden zij het nog maar zoals vroeger…. Hastei,

alias: H.J.M. Steinhage, Oldenzaal, Blokschrijver Bau.Kdo. -o-o-o-o-o-

5 Metamorphosen of niet? ======================== Onwillekeurig, of men wil of niet, wordt ieder van ons, d.w.z. ons karakter, ons doen en handelen, onze gedachten en gevoelens, beïnvloed door het leven in dit kamp, in dit milieu, ja, in deze gedwongen samenleving met mensen, die, hoewel ze ons deels sympathisch, deels antipatisch zijn, in ieder geval dezelfde rechten hebben. Niemand kan ontkennen, dat die gedwongen samenleving op ons een grote invloed heeft uitgeoefend en nog uitoefent, op de een meer, op de ander minder. Als ons karakter nog geen verandering heeft ondergaan, bestaat er grote kans, dat dit met de tijd nog gebeuren zal. De meesten van ons kwamen in dit kamp, onbedorven, eerlijk, mensen met principien, anderen waren


zelfs nog onwetend en tamelijk naïef, vol goed vertrouwen in de wereld. Het ging thuis zo makkelijk en alles van een leien dakje: we hadden op tijd ons natje en ons droog je, gingen een oplichter en spelbreker uit de weg, lieten een praatjesmaker links liggen, deden dus geen moeite ons aan te passen aan het karakter van gewetensloze schurken en spitsboeven. Dat alles veranderde toen we enige tijd in het kamp waren: onze levensomstandigheden hadden zich totaal gewijzigd. We konden niet meer zeggen: ‘Ik doe wat ik zelf wil’, of ‘Laat ik mijn mond houden tegen zo’n slecht mens.’ Nee, we kwamen in aanraking met het uitvaagstel der maatschappij, werden gedwongen aan één tafel ons brood te eten met de beste vertegenwoordigers van de onderwereld, samen te werken met de grootste schurken en egoïsten, die er op twee benen rondlopen. Aan alle kanten stuitte deze beweging ons tegen de borst. Maar het bleef een feit: we konden de moeilijkheden niet ontgaan, zaten in hetzelfde bootje en moesten meevaren. En nu begon de grote strijd: de strijd tegen ons zelf, tegen onze eigen slechte natuur. Want bij nader inzien bleken we nog andere, verborgene en minder goede eigenschappen te bezitten, waarvan we in goede tijden, onder lieve mensen en in betere omstandigheden niets bespeurd hadden, maar die nu naar boven dreigden te komen en onze goede eigenschappen trachtten te verstikken. Nu vooral gold het “gignoskw seautou’, het ‘Het U Zelf’, en een geweldige strijd ontbrandde tussen het normale, betere ‘ik’ enerzijds en het opduiken van slechte karaktertrekken anderzijds. Op een goede dag kwamen we plotseling tot de ontdekking: ‘Wat heb je toch weinig sociaal gevoel’ of: ‘Jonge! Jonge! Wat ben ik toch eigenlijk een grote egoïst’, of nog: ‘Wat is er toch met mij aan de hand? Ben ik dan ook al een sadist geworden? Ik voel me bij het zien van een moord niet meer uit het evenwicht gebracht?’ Gevoelloos, hard en onverschillig werd ons karakter en onze geest, niet alle in dezelfde mate, maar ieder kreeg zijn portie mee. Nu schrikken we, bij het nader beschouwen van onze innerlijke gesteldheid terug voor onze eigen

71


72

Armoede: we zijn zo arm geworden, zo arm aan geest, zo arm aan verheven gevoelens en gedachten, zo arm aan menselijkheid. Daarvoor in de plaats ligt er een stuk grond braak, een stuk onverschilligheid, overwoekerd met egoïstenplanten, met hier en daar een struik sadisme, alles zonder kleur, zonder glans, droog en dor! En telkenmale, wanneer een storm heenwoedt over die kale vlakte, zien we het onkruid, de distels, de knoesten en verwoed beginnen we te wieden, met moed energisch, vol kracht, totdat het tempo weer verzwakt, nieuw onkruid opkomt en we weer vervallen in hetzelfde sleurleven. Kerstmis is een uiterst geschikte tijd om even de balans op te maken van de innerlijke stand van zaken. We zijn meer geneigd over anderen te oordelen en gewoonlijk wordt het vonnis dan zeer subjectief geveld: als we nu met diezelfde scherpte, waarmee we anderen af kammen, bij ons zelf de wonde plekken gaan aansnijden, zullen we een massa kleinigheden ontdekken, die beslist nog voor verbetering vatbaar zijn. Want dat een karakter door uiterlijke, hetzij goede of slechte omstandigheden veranderen kan, lijkt me erg twijfelachtig. De inhoud verandert niet, alleen de vorm kunnen we polijsten, afronden en vervolmaken. Dat gaat niet in één dag, nee, dat vraagt tijd en geduld. En nu er over enige dagen weer een nieuw jaar gaat beginnen, kunnen we vol moed de hand aan den ploeg slaan en beginnen met het omploegen van dat distelland. Een bloeiende akker willen we ervan maken, vruchtbaar, rijp en met bloemen van menselijkheid, fijngevoeligheid en ervarenheid bezaaid. Dat we zo, allen hier tezamen, als gerijpte en wijzer geworden mannen naar ons geliefde vaderland mogen terugkeren, dat wens ik jullie allen van ganser harte. Die genade ook willen we van het Kerstkind afsmeken in deze dagen.... Wikkomac,

alias: W.A. Kock, Eindhoven, Läufer F H S. -o-o-o-o-o-


73


74

Âś Der Deutsche Weg (nr. 9, Zondag 7 oktober 1934)


75


76

Âś Der Deutsche Weg (nr. 26, Dinsdag 28 juni 1938)


77

Âś Der Deutsche Weg (nr. 26, Dinsdag 28 juni 1938)


78

¶ Geboortehuis van Hans Steinhage, Lügde (1919)

¶ Ouderlijk huis, Emmastraat 15,

¶ Ouderlijk huis, Bentheimerstraat 61,

Oldenzaal (1934-1935)

Oldenzaal (1935-1942)

¶ Ouderlijk huis, Paradijsstraat 4,

¶ Emmalaan 19, Amsterdam (vijf jaar lang

Oldenzaal (1942-1977)

het onderduikadres van Josef Steinhage)


79

¶ Josef Steinhage

¶ Josef Steinhage en zijn vrouw, met hun oudste kleinzoon Jos (jaren ‘50).

¶ Pater Muckermann

¶ Pastoor Stokman


80

¶ Personeel van de Loose fabrieken, Bergen op zoom (eind jaren 50)

Grabow Wittenberge Amsterdam Oldenzaal Glanerbrug

Rheine

Sommerfeld Sachsenhausen

Bückeburg Lügde

Essen Bergen op Zoom Maastricht

¶ Meest genoemde plaatsen in dit boekje (Nederland en Duitsland)


81

¶ Sigarettenpijpje, gemaakt door gevangenen in Heinkel van plastic vliegtuigmateriaal ¶ Nummer van gevangenenpak van Hans Steinhage

¶ Nederlands vlaggetje op gevangenenpak Hans Steinhage ¶ Rode Kruisafbeelding op Hans’ gevangenenpak tijdens zijn verblijf in Heinkel


¶ Twee voorbeelden van Kampgeld uit Heinkel

82

¶ Wat oorspronkelijk bedoeld was om waardezegels uit te geven voor sigarettenverpakkingen werd uit nood gebruikt als inschrijvingsformulier om Hans Steinhage een officieel document te overhandigen als inschrijving van een ‘kampgevangene op weg naar huis’. Op 26 mei is dit document opgemaakt door een ambtenaar van de gemeente Wittenberge. De dagen daarna (tot 14 juni!) is Hans Steinhage vrijwel dagelijks naar het gemeentehuis gegaan, om te vragen of hij over de Elbe naar het Westen kon. Steeds kreeg hij een stempel.


Âś Kaart van Karel Braakhuis aan Hans Steinhage in Sachsenhausen 83

Âś Kaart van Anton Vink uit Maassluis, een teruggekeerde voormalige kampgevangene


84

¶ Brief van Mirz’l Steinhage uit Ravensbrück aan haar broer Hans Steinhage in Sachsenhausen (1942).


85


86

œ Brief van Hans’ moeder aan Hans Steinhage in Heinkel, mei 1944.


87


88

Âś Toeganspoort tot Sachsenhausen (2008)

Âś De dodenmars die ook Hans heeft gelopen (2008)


89

Âś Verzamelplaats, Sachsenhausen (2008)

Âś Executieplaats Industriehof, Sachsenhausen (2008)


90

¶ Hans onthulde, samen met een neef van Muckermann, Romano, de ‘Muckermann passage’ in Buckeburg (2007)

¶ Hans overhandigt zijn kampkleding aan het museum Sachsenhausen (2008)


91

Âś Hans Steinhage (2009)


92

Deel III Getuigenis in perspectief


7 Friedrich Muckermann en Der Deutsche Weg

Friedrich Muckermann was één van de bekendste personen in het Duitse katholicisme van de 20ste eeuw. Hij was een vooraanstaand strijder tegen het nationaalsocialisme. Hij werd geboren op 17 augustus 1883 in Bückeburg. In 1899 trad hij in Bleyenbeck (Nederland) toe tot de Jezuïetenorde. Hij studeerde filosofie, de Duitse taal en literatuur en theologie en werd in 1914 tot priester gewijd. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was hij werkzaam als aalmoezenier aan het front in Rusland. In Wilnia kwam hij in conflict met het nieuwe bolsjewistische bestuur. Dat liep zo hoog op dat zij hem op zekere dag in een overvolle kerk van de kansel kwamen halen en gevangen zetten. Pas negen maanden later, in 1919, keerde hij terug uit Russische gevangenschap. Hij begon te waarschuwen tegen het communisme en bolsjewisme. Maar het nationaalsocialisme was in zijn ogen helemaal geen alternatief. Ondanks alle propaganda stoelde het nazisme volgens Muckermann niet op westerse waarden, maar op heidense grondslag. Na zijn vrijlating werkte hij jarenlang als predikant en missionaris, en was hij journalist en schrijver. Van 1926 tot 1931 was hij redacteur van het katholieke literaire tijdschrift ‘de Graal.’ In 1933 trad hij op als gastdocent op Rolduc, op uitnodiging van de bekende Limburgse aalmoezenier Henri Poels. In 1934 moest Muckermann voor de nationaalsocialisten uitwijken naar Nederland. De nazi’s beschouwden hem als een grote vijand, zelfs als ‘Staatsfeind nummer eins.’ Hij wandelde bij Gronau de grens over en kwam in Glanerbrug terecht, waar hij in contact kwam met Josef Steinhage, die als Duitse émigré met zijn gezin naar Nederland was uitgeweken. Samen richtten zij het tijdschrift ‘Der Deutsche Weg’ op, dat in binnen- en buitenland werd verspreid. Het blad keerde zich tegen het nationaalsocialisme en de verschrikkingen dat het met zich mee zou brengen. Muckermann had veel invloed in katholiek Nederland. Hij leverde stukken aan het persbureau ‘Katholieke Wereldpost’ van Hoeben, dat er voor zorgde dat katholieke dagbladen goed werden geïnformeerd over het nazisme. Het optreden van Muckermann leidde al snel tot een reeks van officiële protesten in zowel Den Haag als het Vaticaan. Maar de Nederlandse regering, in het bijzonder de katholieke minister Van Schaik, toonde zich weinig toeschietelijk.

93


Pas na twee jaar, toen de minister van Buitenlandse Zaken De Graeff de houding van de regering tegenover de Duitse gezant niet langer verdedigbaar achtte, werd de redactie van Der Deutsche Weg duidelijk gemaakt dat de uitgave onder leiding van buitenlanders – namelijk beide Duitsers – niet kon worden voortgezet. Hans Steinhage vertelt welke simpele oplossing voor dat probleem werd gevonden. En ondertussen veranderde er niets. De Nederlandse regering weigerde de Duitsers nog verder tegemoet te komen.

94

Daaruit kan wellicht worden afgeleid dat Muckermann op hoog niveau bescherming genoot, want over het algemeen werd streng opgetreden tegen buitenlanders die zich publiekelijk mengden in vraagstukken rond de Duitse binnenlandse politiek. De Duitse jezuïet onderhield uitstekende betrekkingen met de leiding van de katholieke kerk. Aartsbisschop Jansen doneerde hoogstpersoonlijk duizend gulden aan Der Deutsche Weg en zijn opvolger, de bekende Jan de Jong, spelde de inhoud. Maar lang kon Muckermann niet in Nederland blijven. In 1936 ging hij naar Rome, in 1937 naar Wenen. Hij bleef onvermoeibaar doorgaan met het houden van toespraken en het publiceren van artikelen tegen het nazisme. In 1938 werd hem het Duitse staatsburgerschap ontnomen. In dat jaar was Muckermann aanwezig op een Conferentie in Basel, juist toen de nazi’s Oostenrijk annexeerden. Wijselijk keerde hij niet naar Wenen terug. In 1938 ging hij naar Parijs, waar hij vanaf 1939 regelmatig toespraken hield op de radio. Hij bleef betrokken bij ‘Der Deutsche Weg’, het blad dat wekelijks werd gemaakt en verspreid door Josef Steinhage vanuit Oldenzaal, zij het meer op afstand. Prof. Lou de Jong refereert in zijn levenswerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel I Voorspel (pagina 308) nog over het feit dat NSB leider Mussert in gesprekken met Hitler en andere nazi’s klaagt over de tegenwerking uit katholieke hoek in Nederland. Op advies van Hitler sprak hij met de Duitse minister van Kerkelijke Zaken, Kerrl. Het ging in de gesprekken niet alleen over de strijd van de kerk tegen de NSB. De Jong citeert Mussert: ‘Tevens over de actie van de Maasbode en der neue Weg van Oldenzaal.’ Lees ‘Der Deutsche Weg’. Mussert: ‘Beiden staan in verbinding met Duitse geestelijken. Weten alleen niet met wie.’ De Maasbode was in de jaren dertig de grootste Nederlandse krant van katholieke huize, gevolgd door de Volkskrant en de Tijd. In 1940 moest Muckermann opnieuw op de vlucht voor het oprukkende Duitse leger dat Parijs bezette. Schertsend schijnt hij tijdens zijn laatste radiotoespraak aldaar gezegd te hebben dat ‘een Duitser de laatste Fransman is geweest die het christelijke Avondland heeft toegesproken.’ Hij vond onderdak in St. Pardaoux-Lavaud in het gebied van de Creuse, in Vichy Frankrijk. Daar leidde hij een gedwongen teruggetrokken bestaan. In maart 1943 moest hij opnieuw vluchten voor de Gestapo en besloot naar Zwitserland te gaan. Daar publiceerde hij nog talloze artikelen in kranten en tijdschriften tegen het nazisme. Hij bracht ook nog drie boeken uit. Hij overleefde de oorlog, maar werd vrij snel daarna ziek. Op 2 april 1946 overleed hij in Montreux, Zwitserland.


8 Jozef Steinhage over Muckermann en Der Deutsche Weg

Josef Steinhage heeft zijn visie op zijn jaren met Muckermann en Der Deutsche Weg (DDW) gegeven in het boek ‘Friedrich Muckermann: Ein Apostel unserer Zeit’ van Nanda Herbermann (1903), uitgegeven door Ferdinand Schöningh te Paderborn. Deze mevrouw Herbermann was tot 1934 de secretaresse van Muckermann. Ze werd vanwege haar activiteiten voor Muckermann gearresteerd door de Gestapo in 1941. Zij is in Ravensbrück terechtgekomen en werd daar blokoudste van een barak met prostituées. Ze heeft, naar verluidt, in Ravensbrück contact gehad met Mirz’l Steinhage. Ze werd in 1943 vrijgelaten en heeft de oorlog overleefd, maar is uiteindelijk verslaafd aan alcohol overleden in 1979. Het boek verscheen in 1952 en bevat bijdragen van verschillende auteurs. Het hoofdstuk dat Josef Steinhage heeft geschreven, is hieronder in Nederlandse vertaling, weergegeven. Het heeft als titel: ‘Friedrich Muckermann und der Deutsche Weg.’ Het is te vinden op de pagina’s 94-102 van het boek. Muckermann und der Deutsche Weg Zomer 1934! Door financiële moeilijkheden van de uitgever van het Katholieke Kerkenblad voor Duitse katholieken in Holland wiens redacteur ik was – en wegens het aanmatigende optreden van de leider van de ‘Duitse kolonie’ in Enschede, die wilde voorschrijven wat in de genoemde krant wel en niet verschijnen mocht – had ik een bespreking met de Duitse zielzorger voor Twente, die in het klooster te Glanerbrug woonde. De zaak was besproken en met een geheimzinnig lachje volgde de uitnodiging: ‘Komt u even mee? In het Refter zit een meneer uit Duitsland!..’ Het was Friedrich Muckermann, die enkele uren eerder als vluchteling over de ‘groene grens’ was gekomen. Na een lange en grondige uiteenzetting over de plannen voor de komende strijd tegen het nazisme stelde Muckermann eenvoudig vast: ‘De heer God heeft ons samengebracht!’ Spoedig na deze bespreking gingen elke vrijdag grote pakketten met ‘katholieke nieuwsberichten’ naar Duitsland. Het blad was de opvolger van de in Munster door de Gestapo tot de dood veroordeelde ‘Katholischen Wochennachrichten’ van Muckermann. Regelmatig brachten de medewerkers van Friedrich Muckermann, P. Albert Maring en Nanda Herbermann authentiek materiaal voor deze ‘weeknieuwsberichten’ naar Holland.

95


Het was een genot te kunnen vaststellen, hoezeer de duizenden adressanten de plaatsen titelwisseling meteen juist begrepen hadden en hun berichten naar Holland stuurden. Maar er was voor een waarheidsgetrouwe berichtgeving in Duitsland geen ruimte meer. De katholieke en onmachtige pers was verboden of gelijkgeschakeld. Hoe kon men dan het gevaarlijke drukwerk dulden, dat over de grens kwam! De vrolijke drijfjacht begon! Al in de grensstreken werd naar de gevaarlijke Krantenpakketten gezocht, als waren dat verborgen helse machines. Maar tot eer van de Duitse postbodes moet worden gezegd dat ze ondanks de meute waarmee ze omgeven waren, een heleboel van deze pakketten naar binnen gesmokkeld hebben, zodat de zendingen hun doel bereikten. 96

Vervolgens werden de ‘Katholischen Nachrichten’ verboden en prompt verschenen ze elke week met een andere naam, zoals: Freies Deutschland, Westfalische Post, Landeszeitung, General Anzeiger en andere titels. Het ene verbod volgde het andere op, totdat tenslotte de bladen zonder titel de wereld ingingen. Zo ging het weer enkele weken goed, tot men uiteindelijk ‘alle Duitse kranten die in Oldenzaal werden uitgegeven’, een ban oplegde en alle ontvangers of lezers met straffen dreigde. Dan staakten wij de uitgave van dit verlichte blad. Intussen was – in augustus 1934 – reeds het eerste nummer van het strijdblad ‘der Deutsche Weg’ uitgekomen. Met de abonnees van het ter ziele gegane Kerkenblad en een snel samengestelde adressenlijst werd een eerste lezerskring geschapen. De vurige strijd tegen de vijand van Kerk en Christendom begon. Het eerste nummer was naar onze mening nog heel gematigd, maar de tweede maakte reeds duidelijk welke koers der Deutsche Weg ging varen. Dollfuss, de Oostenrijkse kanselier, was door een handlanger van Berlijn in zijn ambtswoning doodgeschoten. Als een beest had men hem laten doodbloeden en hem de priesterlijke bijstand ontzegd. De wereld verstarde van schrik, zij vond niet de woorden om deze bandietenstreek bij de juiste naam te noemen, en de Goebbels propaganda vervalste de waarheid. In die week verscheen het hoofdartikel in der Deutsche Weg met de kop: ‘ Die dunkle Stunde.’ Wat niemand durfde uit te spreken, zei Muckermann. Der Deutsche Weg noemde moord, wat moord was. ‘Misdadigers hebben het woord... Doodslag dreigt overal… Heilige onaantastbare mensen zijn slachtoffers… Slachtoffers van de hel zijn ze...’ Toen was er geen weg terug meer voor der Deutsche Weg; dat was overigens ook niet de bedoeling. Elk nummer werd een harde slag, een aanklacht, een protest, of een ontmaskering van de ‘legale’ daden en de duistere maatregelen van het nationaalsocialisme en zijn Führer en trawanten. Of het nu om het met Rome gesloten en nooit nagekomen Concordaat ging, of om de slachtoffers van de reeds toen bekende concentratiekampen, om de opheffing van de katholieke jeugdorganisaties en andere kerkelijke verenigingen, om de laaghartige deviezenprocessen tegen kloosters en priesters, waarbij zelfs de redelijke bisschop Legge van Meissen niet ontzien werd – om de katholieke en christelijke pers, om de jodenpogroms, of om al die leugenachtige en beschamende dingen die zich afspeelden, om het door Hitler uitgevonden en als gummi rekbare ‘positieve christendom’:


altijd was der Deutsche Weg helder in taal en oordeel, onuitputtelijk in zijn berichtgeving, die via alle mogelijke kanalen uit het nieuwe Duizendjarige Rijk werd gevoed. Goebbels en zijn trawanten probeerden der Deutsche Weg als smerig emigrantenproduct zwart te maken. Nutteloze pogingen. De wereld erkende de eerlijke stem van eerlijke mensen die zich tot vertolker van de onderworpenen en de onterfden hadden gemaakt. Het aanzien van der Deutsche Weg steeg. Spoedig waren het twintig landen, dan dertig en veertig, waarin deze stemmen werden gehoord. En in Duitsland? Alleen illegaal en met groot gevaar kon het blad de weg vinden door de keten van de bewakers die langs de grens stonden. En voor de staatsburgers was het lezen of het bezit van een exemplaar van der Deutsche Weg de weg naar het concentratiekamp. Hoewel, er waren uitzonderingen. Hoezeer de machthebbers het blad ook haatten, zij keken – graag of niet – toch in zijn pagina’s, die, zoals een spiegel, hun afschuwelijke beeld terugwierpen. En regelmatig kwamen door een nazistische boekwinkel officiële bestellingen: twintig exemplaren voor Berlijn, dan tien voor München en Neurenberg en zo ging het door. Betaald werd door de Duitse Bank. Wij lachten in ons vuistje. Sprak der Deutsche Weg dan rechtstreeks de lezers in Berlijn en München aan en stond er bijvoorbeeld: ‘Weet Adolf Hitler dat…’ of: ‘Meneer Goebbels, waar blijft de waarheid?...’, dan wisten wij dat zij deze vragen en aanklachten in hun ‘spiegel’ zelf zouden ontdekken. Het moest gaan zoals het ging: onder de druk van Berlijn en de Duitse ambassade in Den Haag werd de Hollandse regering, in het bijzonder het ministerie van Buitenlandse Zaken, tot maatregelen gedwongen die zij, weliswaar met tegenzin, tegen der Deutsche Weg ondernam. De Duitse druk werkte met argumenten zoals: ‘Dat door gevluchte Duitse staatscriminelen geleide blad dat in zijn politiek zelfs niet voor de heilige persoon van de Führer pas op de plaats maakt, stoort in hoge mate de vriendschappelijke betrekkingen tussen bevriende naties.’ Had Berlijn er reeds in een eerder stadium een spreekverbod voor Pater Muckermann in Holland doorheen gedrukt, nu werden ‘Rijksduitsers’ verboden leidende functies bij Der Deutsche Weg uit te oefenen. De gezant in Den Haag kon tevreden zijn, het kleine Holland was voor de grote buur door de knieën gegaan, maar Berlijn had geen reden tot juichen, want der Deutsche Weg verscheen opnieuw. Een dappere vriend, Pastoor Stokman in Oldenzaal, nam de redactie over, die daarmee in Hollandse handen was terechtgekomen. Ook de eigendomsverhoudingen werden geregeld en omdat het naar Hollands recht elke staatsburger vrij staat zijn mening in ieder hem passende taal te uiten, was de oplossing in het op zich precaire geval gevonden. Ik werd tot secretaris van de nieuwe redacteur benoemd… De strijd ging verder. In het jaar 1936 werd pater Muckermann door zijn meerderen naar Rome geroepen. Of men bezorgd was over de veiligheid van de pater of men de visie van Muckermann ten aanzien van de Duitse jezuïeten die het onder het naziregime buitengewoon moeilijk hadden, als onhoudbaar beschouwde, daarover heeft Muckermann zich niet uitgelaten. Hij ging naar Rome. Met pijn in het hart namen wij afscheid.

97


Maar het duurde niet al te lang, of zijn bijdragen bereikten ons vanuit de Eeuwige Stad. Hij had de naam Rüther aangenomen en ik Bonus. En onder deze schuilnamen werd de briefwisseling voortgezet – nog vier jaar lang. Muckermann zou ook aan de Tiber geen rust vinden. Hitler en Mussolini hadden de ‘Asvriendschap’ gesloten en het Duitse overwicht werd in Rome, zoals in heel Italië, voelbaar. Muckermann’s verblijf in Rome was niet onopgemerkt gebleven, en dat hij daar het leven van een kluizenaar leidde, geloofde Berlijn niet. De Gestapo in Rome werkte samen met Mussolini’s zwarthemden en bereidde de eliminatie van de gehate man voor. Maar voordat de daad tot uitvoering kon komen, was Muckermann inmiddels in Oostenrijk. 98

In de kerk van de Jezuïeten sprak hij tot duizenden Weners. Van de hoofdstad van het land uit trok hij de provincie in. Hij pepte het volk op. Met tienduizenden exemplaren van de DW werd de actie ondersteund. Muckermann predikte en schreef. Maar Oostenrijk was niet meer te redden. Het hoorde tot het vastomlijnde plan van Hitler om het land van zijn ‘vaderen’ in het Rijk terug te voeren, zoals het later gebeurde met de Sudetenduitsers, de Duitse Balten en anderen. Er volgden opgelegde besprekingen op de Salzberg met de Oostenrijkse bondskanselier Schusnigg, de afgedwongen ontvangst van het willige werktuig van Berlijn, Seyss Inquart, het verraderlijke dubbelspel van de Oostenrijkse minister van buitenlandse zaken Schmidt, dat door Herman Göring gedicteerde telegram en het uitzenden van Duitse troepen en dan hun intocht bij Linz aan de Donau – Maar Muckermann ontkwam tijdig over de Zwitserse grens en ging vandaar naar Frankrijk…Wij haalden opgelucht adem als eindelijk opnieuw een ‘Rütherbrief’ opdook. Hij kwam uit Parijs. De verbinding was hersteld. Nu volgden zware klappen voor Der Deutsche Weg. De eerste kwam uit Danzig, nadat Hitler de Gauleiter Forster tot regent van de ‘Vrije Stad’ had gemaakt. De eerste daad was het verbod van der Deutsche Weg en het in beslag nemen van abonnementsgeld van de giro. Bij de intocht in Sudentenland en Tjechoslowakije hetzelfde: verbod van de DDW en in beslagname van de gelden in Praag. In Polen ging het precies zo en in Italië eveneens. Maar ondanks deze tegenslagen en ondanks het verlies van duizenden trouwe lezers bleef de stem van der Deutsche Weg in de wereld hoorbaar. Zwitserland, Noord en Zuid Amerika - het toevluchtsoord voor vluchtelingen - Liechtenstein, de missieposten in China en Afrika, de oude Duitse koloniën en vooral Holland vulden de gaten in de lezerskring. En tot het einde telden wij 42 landen, die gastvrij waren voor der Duitsche Weg. Denemarken en Noorwegen waren bezet, om ze tegen de ‘inval van de Engelsen’ te beschermen, zoals Goebbels zei. Wanneer kwam het westen aan de beurt? De spanning was groot… en op de zondag namiddagen luisterden wij naar de woorden van de katholieke priesters op Radio Parijs. Wij hoorden de stem van Muckermann. In april 1940 verplaatsten we de redactie voor enkele dagen naar het binnenland (Volgens Hans Steinhage vond dat plaats in augustus 1939).


Men verwachtte de Duitse inval op een bepaalde aprilnacht – maar pas op 10 mei zou de lang bestaande vrees werkelijkheid worden. Al vroeg in de nacht kwamen uit Bentheim de Fanggruppen om eindelijk de gehate redactie op te heffen. Ze kwamen te laat. Adressen en abonnementslijsten waren reeds in een tuin van de buren begraven. Het huis was leeg. Pater Stokman had zich de avond ervoor reeds in veiligheid gebracht, en ik probeerde in de vroege ochtenduren het vege lijf te redden. Het lukte! Het lukte zelfs vijf jaar lang. Maar vraag niet hoe! En zoals Pilatus in Credo wordt genoemd, zo moet in deze ’Gedachten‘ een naam genoemd worden: Panheusen! Panheusen was een van de velen die elke week de grens overstaken en naar ons kwamen en op de een of andere wijze exemplaren van der Deutsche Weg mee naar Duitsland namen. Hij kon zich uitstekend legitimeren, als lid van kerkelijke verenigingen, als voormalige Windhorstbündler, verbonden met allerlei oppositiegroepen. Hij betaalde die tien of vijftien exemplaren, het geld kwam uit de hoedrand, uit de jasvoering of ergens anders vandaan. Een moedige jongen, dachten wij. En toch bleek hij een schurk. Want hij was het die na mijn vlucht, met een glimmend uniform aan, mijn vrouw, uit wier handen hij zoveel koppen thee had ontvangen, persoonlijk naar de gevangenis bracht en twee van mijn kinderen die in de administratie van der Deutsche Weg gewerkt hadden, voor vier jaar in KZ Ravensbruck en Sachsenhausen. Deze man is de walgelijkste herinnering van een aan herinneringen zo rijke tijd. Ik kom tot een afronding! Terwijl ik van de ene schuilhoek naar de andere sloop, die met ijver gezochte abonnementslijsten in de grond sluimerden, geloofde Muckermann vanuit Parijs de uitdovende stem van de Deutsche Weg opnieuw tot leven te kunnen roepen. Misschien geloofde hij dat de oorlogswals die Holland en België platgewalst had, tot stilstand zou komen voor de Franse Maginotlinie of de soldaten in Noord Frankrijk. Ik heb geen gelegenheid meer gehad met Muckermann over deze dingen te spreken. In elk geval was deze mooie droom snel ten einde en Muckermann moest opnieuw vluchten, eerst naar het niet bezette Frankrijk en daarna naar het vrije Zwitserland. Muckermann is dood! In zijn boeken en geschriften leeft hij onder ons verder. En ook de zes jaargangen van der Deutsche Weg waarnaar de machthebbers van toen zo lang en hardnekkig hebben gezocht, zijn voor het nageslacht bewaard gebleven. Ook zij zullen, als God het wil, op een dag opnieuw spreken. Ze zullen dan mede getuigen dat in de donkerste uren, in jaren van zielsnood en knechtschap, in jaren die waren gevuld met onbeschrijfelijke inbreuken in het leven van vrije mensen, waarheid, vrijheid en recht toch een veilige haven gevonden hadden, ook al lag het aan de andere kant van de grens. Mogen de oude Duitse deugden, voor welk behoud der Deutsche Weg streed, opnieuw in oude glorie herrijzen, opdat zij wederom gemeengoed worden onder het Duitse volk wiens een van de beste en moedigste zonen Friedrich Muckermann was. Vertaling: Hans van Harten

99


9 De katholieke pers

Ontleend aan een artikel van Corrie Sweep en Ad Maas (2005).

100

Verwant aan ‘Der Deutsche Weg’ zijn er meer initiatieven geweest vanuit katholieke kring tegen de nazi’s. Hans Steinhage vertelt over personen die samen met hem in Berlijn gevangen zaten, zoals Hein Hoeben en Arnold van Lierop. Met name de eerstgenoemde Hein Hoeben heeft een rol van betekenis gespeeld. Geboren in Teteringen (1899) studeerde hij aan het seminarie van de kapucijnen in Langeweg. Hij voelde zich in de jaren twintig verwant met diegenen die zich tegen het communisme en nationaalsocialisme keerden. Toen Muckermann in Münster een anti-nationaalsocialistisch persbureau opzette, kwam Hoeben spoedig in contact met hem. Dit resulteerde in samenwerking en vriendschap. Rond 1930 doopte Hoeben zijn al bestaande agentschap om in de Katholieke Wereldpost (KWP). Er ontwikkelde zich een steeds groter en hechter netwerk van correspondenten in meer dan veertig landen. Hitler verbood in 1933 de verspreiding van het katholieke nieuws, omdat dat steeds meer anti nationaalsocialistisch werd ingekleurd. Zoals beschreven vluchtte Muckermann naar Oldenzaal, en werkte behalve aan ‘Der Deutsche Weg’, ook intensief mee aan de Katholieke Wereldpost van Hoeben. Ondertussen had dit persbureau ondersteuning gekregen van het Nederlands Episcopaat. Hein Hoeben had ook veel contact met Titus Brandsma, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen en geestelijk adviseur van de Nederlandse roomschKatholieke Journalisten Vereeniging. De medewerkers van de KWP moesten steeds omzichtiger te werk gaan. Met valse paspoorten werden risicovolle reizen naar Duitsland ondernomen om verboden publicaties en preken vóór inbeslagname te verzenden naar de vele redacties in de wereld. Hoeben besefte dat bij een Duitse inval hij als een van de eersten gearresteerd zou worden. Op 11 mei 1940, een dag na de Duitse inval, vluchtte hij naar België en Frankrijk. Na een chaotische tocht keerde hij in Breda terug. Daar werd hij op 1 augustus door de Duitse politie ingerekend. De volgende dag werd hij naar Vught overgebracht. Ondertussen had de Sicherheitsdienst het hele archief van het persbureau leeggehaald. Hoeben kwam op 16 augustus in Berlijn terecht, waar ook prof. Dr. Robert Regout uit Nijmegen en rector Lambert Rooyackers uit Den Bosch naar toe waren gebracht. Hans Steinhage heeft ze hier ontmoet, hij vertelt er ook over. Voor de Duitsers waren het allemaal ‘Muckermänner’, mensen die met Muckermann hadden samengewerkt.


Hoeben werd in de politiegevangenis aan de Alexanderplatz voortdurend verhoord. Men hoopte daardoor ook achter de verblijfsplaats van Muckermann te komen. Hij werd alleen in een kleine cel opgesloten. Hoeben was zich er ten volle van bewust hoe het hem zou vergaan. Hoeben werd ziek en op 28 februari 1942 overleed hij in het Staatshospitaal in Berlijn. Na eerst begraven te zijn in Berlijn, werd hij in 1949 herbegraven in Teteringen. De Bredase kapelaan Arnold van Lierop (1897) over wie Hans Steinhage ook spreekt, was aangesteld tot geestelijk adviseur en redacteur van het persbureau van Hoeben. Later zou Van Lierop hoofdredacteur worden. Al kort na de capitulatie, op 16 juni 1940, werd hij door de Gestapo gearresteerd. Na een lange reeks van martelingen, verhoren en mishandelingen werd hij op 4 juli 1942, na een verblijf in Sachsenhausen, overgebracht naar Dachau. Daar overleed hij op 27 november 1942. Lambert Rooyackers (1905) werd gewijd tot priester in 1930. Hij werd in benoemd tot hoofdredacteur van het officiële orgaan van het bisdom ’s-Hertogenbosch, de Sint Jansklokken. Als hoofdredacteur gaf hij blijk van een anti nationaalsocialistische gezindheid, door onder andere in zijn blad regelmatig bijdragen op te nemen van Muckermann. Hij werd op 28 juni 1940 door de Gestapo gearresteerd en, na een korte tijd in de gevangenis van Vught en Arnhem gezeten te hebben, overgebracht naar de gevangenis van de Alexanderplatz in Berlijn. Vlak vóór Kerstmis 1940 volgde transport naar het concentratiekamp Sachsenhausen, spoedig daarna Dachau. Op 29 april 1945 werd hij door de Amerikanen uit Dachau bevrijd. Hij overleed in 1980. Robert Regout (1896) werd wegens zijn kritische houding ten aanzien van het naziregime op 3 juli 1940 gearresteerd. Er volgde een lange tijd van gevangenschap in Berlijn en uiteindelijk het concentratiekamp te Dachau. Uiteindelijk stierf hij daar in 1942. Titus Brandsma (1881) verzette zich tijdens de oorlog tegen het verwijderen van Joodse leerlingen en bekeerlingen van katholieke middelbare scholen. Hij was ook de architect van het verbod dat de Utrechtse aartsbisschop Jan de Jong uitvaardigde tegen het opnemen van NSB advertenties in katholieke dagbladen. Als gevolg daarvan arresteerde de Gestapo pater Brandsma op 19 januari 1942. Via Amersfoort en Kleef kwam hij in Dachau terecht. Na enkele weken van ontberingen overleed hij in het kamphospitaal door een dodelijke injectie. Hij werd in 1985 door de Paus zalig verklaard. Henri Poels (1868) was hoofdaalmoezenier van de arbeid in Limburg en pleitbezorger van de rooms-katholieke standsorganisatie. In 1933 protesteerde Poels fel tegen de wijze waarop in Hitler-Duitsland socialisten, communisten en joden werden behandeld. Poels nam stelling tegen totalitaire systemen als nationaal-socialisme en fascisme. Tijdens de meidagen van 1940 verbleef hij voor herstel na een lichte beroerte in Antwerpen. Terugkeer naar Limburg bleek onmogelijk, vanwege zijn houding tegen het nationaal-socialisme, maar ook door zijn medewerking aan Der Deutsche Weg. Poels vluchtte via Frankrijk naar Zwitserland, waar hij een begin maakte met het schrijven van zijn memoires. In juli 1945 keerde hij terug naar Nederland. Hij overleed in 1948.

101


10 Herinneringen van Jules Huf

102

Josef Steinhage heeft na zijn vlucht uit Oldenzaal in 1940 bijna vijf jaar ondergedoken gezeten bij de familie Huf in Amsterdam. Vader Huf was daar arts, en besloot Josef op te nemen. De familie woonde er nog maar een week. Dat Josel Steinhage als onderduiker deel uitmaakte van de familie viel niet op, juist omdat ze er pas net woonden. Zijn zoon, Jules Huf, had herinneringen aan de tijd dat Josef Steinhage bij hen in de familie was. Hij sprak daarover in een toespraak die hij hield ter ere van zijn vader, die postuum het Verzetsherdenkingskruis kreeg uitgereikt. Vader Huf was in 1981 overleden. De onderscheiding werd in juli 1984 aan de weduwe van de heer Huf, mevrouw Nelly Huf-Fuchs in verzorgingshuis Brentano te Amstelveen uitgereikt. Jules Huf overleed in november 2007 in Wenen, waar hij onder andere correspondent was en assistent van Simon Wiesenthal. Het Verzetsherdenkingskruis werd aan de heer Huf toegekend vanwege zijn manmoedige houding tijdens de Duitse bezetting. Dokter Huf beschouwde het behandelen van ondergedoken verzetsmensen en door de Gestapo opgejaagde joden als een erezaak. Tevens behoorde hij tot de artsen die demonstratief geweigerd hebben lid te worden van de zogenaamde Artsenkamer. Jules Huf sprak ter gelegenheid van de toekenning van het verzetskruis de aanwezige familie Steinhage toe. Hij begon met de volgende opmerking: ‘Mijn vader zou, als hij deze dag had mogen beleven, dit Verzetsherdenkingskruis met grote schroom – misschien wel met gewetensnood hebben aanvaard. Beseffend dat het kruis van dat Verzetskruis op de schouders van uw gezin heeft gelegen.’ Maar voor de familie Huf waren er ook hachelijke momenten. Jules Huf zegt daarover: ‘Zeker – mijn ouders hebben af en toe slapeloze nachten gehad. Er zijn tal van gevaarlijke ogenblikken geweest – mijn vader is een keer door een patiënt aangegeven en moest op de Euterpestraat komen – zijn broer die in de Hongerwinter ook bij ons woonde, werd plotseling gearresteerd – tenslotte wilden de Duitsers het huis vorderen. We hebben in feite nooit geweten hoe dicht de Gestapo voor onze deur heeft gestaan… Maar de grote confrontatie met de bezetters is wonder boven wonder uitgebleven.’ Hij gaf ook een typering van de man die vijf jaar lang bij de familie Huf ondergedoken had gezeten.


‘Na tien dagen zwerven, de wanhoop nabij met niets anders dan het adres van mijn vader op een luciferdoosje, belandde Jozef in ons gezin. Op de Emmastraat in Oldenzaal had hij in 1934 de strijd tegen het naziregime opgenomen... op de Emmalaan in Amsterdam moest hij die strijd uit puur lijfsbehoud staken. Vader kon de tranen van die tien jaar oudere onbekende man, die hem aan het eind van het avondspreekuur zijn uitzichtloze situatie had geschilderd, niet weerstaan en nam hem in huis op. Voorlopig! Het zijn vijf volle jaren geworden. Over wat Josef Steinhage in die vijf jaar, midden onder ons levend, als ‘oom Frits uit Luxemburg’ psychisch heeft moeten verwerken, kunnen wij ons nu pas een voorstelling maken. Zonder daar ook maar iets tegen te kunnen doen moest hij aanzien hoe alles, waarvoor hij sinds 1933 had gewaarschuwd, plaatsgreep. Hij, die elke week acht pagina’s tegen het humaniteitsverval in zijn vaderland had volgeschreven, moest nu zwijgen. Hem bleef niets anders over dan al zijn angsten, twijfels en wanhoop af te reageren in simpele huishoudelijke bezigheden. Hoe dikwijls zal hij bij het harken van de tuin, het voeren van de konijnen en het stoken van de verwarming gedacht hebben: ‘Is dit alles wat ik kan doen?’Hij, die ooit voorzitter van de Zentrumpartei in Essen was geweest! Onder mijn kerstboom in Wenen staat elk jaar een door hem gefiguurzaagde kabouter die met sterren naar de hemel gooit – de hemel bombardeert alsof hij wilde zeggen: ‘Grote God, doe iets! Wat doen ze met mijn vrouw, met mijn kinderen, met mijn land??’ Hij tuurde dan maar door het raam naar buiten naar de kastanjebomen die rondom ons huis stonden. Mijn vader zei dan: ‘Oom Frits – beter in Kastanienwald dan in Buchenwald.’ Dat was tegenover iemand die beter dan wij allemaal wist wat Buchenwald inhield, een gewaagde woordspeling – maar blijkbaar toch de enige manier om hem met zijn situatie te verzoenen. Hij is op deze manier een integrerend lid van ons gezin geweest. Hij slaagde erin over de barrière van zijn anonimiteit heen, met ons allemaal warme menselijke betrekkingen op te bouwen. Hij is zodoende een gave aanvulling van ons familieleven geworden. Een heel teer bestanddeel van een situatie die naar buiten toe moest worden afgeschermd, en die naar binnen toe zijn beperkingen had. Dat is hem gelukt, ofschoon hij niets wist over het lot van zijn vrouw en kinderen, niet eens onder zijn ware naam kon leven. Van welke grote menselijke kwaliteiten moet iemand vervuld zijn, die dat vijf jaar volhoudt? Het op drift geraakte Duitsland dat regelrecht op zijn eigen apocalypse afsnelde, meende in zijn fatale overmoed mensen als Josef Steinhage te kunnen ontberen. Wij zijn blij en dankbaar dat hij die jaren onder ons heeft geleefd.’ Gedichten van Josef Steinhage Gedurende zijn tijd in Amsterdam heeft Jozef Steinhage nog het nodige geschreven. Daarvan is niets bewaard gebleven. Wel twee korte gedichten, die op de volgende pagina’s zijn weergegeven. Ze zijn gedateerd op 12 april 1942.

103


trost

104

 Trotz Finsternis draussen Und Nacht im Herzen, Leuchten viel Sternelein, die Himmelskerzen!

Â


hoffe mensch

Verzage nicht Mensch! Off’ auf die Zeit die die Hunghernden speist die nackt sind, kleid’t und die Frierenden wärmt, Ketten zerfeilt und die Sorgen verscheucht, die Wunden heilt. Josef Steinhage 

105


11 Sachsenhausen en Heinkel

106

Sachsenhausen was een concentratiekamp in Nazi-Duitsland. Het kamp lag op ongeveer 35 kilometer van Berlijn, in de wijk Sandhausen bij het plaatsje Oranienburg. In Sachsenhausen zijn circa 30.000 tot 35.000 mensen omgekomen. Het kamp werd gebouwd door gevangenen uit Eserwegen. Als gevolg van de barre omstandigheden overleefden de meesten dit niet. Het was vooral een kamp voor politieke gevangenen. De eerste gevangenen waren Duitse communisten en joden. Na de Kristallnacht werden 1.800 joden naar Sachsenhausen getransporteerd, en vermoord in de weken erna. Eind 1939 waren er ruim 8.300 gevangenen in het kamp. Het waren communisten, sociaaldemocraten, vakbondsbestuurders, Jehovagetuigen, homoseksuelen en joden. In november van dat jaar was het aantal gevangenen al toegenomen tot ruim 11.300. Als gevolg van een tyfusepidemie en hongersnood stierven binnen enkele weken honderden gevangenen. De omstandigheden in Sachsenhausen waren ellendig. Zo werden dagelijks gevangenen doodgeschoten of opgehangen. Na de Duitse invasie in de Sovjet Unie werden duizenden Sovjetsoldaten als krijgsgevangene naar Sachsenhausen gebracht, van wie de meesten omkwamen. In 1942 werd Station Z aangelegd, een installatie voor het vermoorden van gevangenen. In maart 1943 werd dit uitgebreid met een gaskamer, die tot het einde van de oorlog werd gebruikt. Werk of geen werk was vaak levensbepalend voor de gevangenen. Al waren de arbeidsomstandigheden slecht, werk betekende vaak de mogelijkheid om te overleven. Maar het zware werk leidde voor velen uiteindelijk tot de dood. De werkzaamheden bestonden uit metselen, grondwerken, handwerk in de werkplaatsen, werken in munitiefabrieken of dienst in de keuken van het concentratiekamp of in de SS-keuken. Hans Steinhage vertelt zelf ook over het werk dat hij in het kamp heeft moeten verrichten. Heinkel was een buitenkamp van Sachsenhausen, zo’n acht kilometer verderop, waar voornamelijk vliegtuigbouw plaatsvond. Daar verbleven ook gevangenen. Hans Steinhage heeft daar het laatste deel van zijn gevangenschap doorgebracht. Begin 1945 naderden de geallieerden. Het kamp werd ontruimd. Zo’n 33.000 gevangenen moesten te voet het kamp verlaten, waarbij ze verdeeld werden in groepen van 400.


Het SS plan was om de groepen in te schepen vanuit Denemarken en dan deze schepen te laten zinken. Duizenden gevangenen kwamen onderweg om het leven, door uitputting of omdat ze werden doodgeschoten. Hans Steinhage heeft zelf met deze zogenaamde dodenmars moeten meelopen. Op 21 april 1945 werd het kamp door het Rode Leger bevrijd. Er waren nog slechts 3.000 gevangenen achtergebleven, waaronder 1.400 vrouwen. Ze waren er slecht aan toe. In de jaren tot 1950 werd het kamp deels gebruikt door het Russische leger voor Duitse krijgsgevangenen, maar ook voor tegenstanders van het nieuwe Oostduitse communistische regime. Later werd het kamp ingericht als museum en monument. In 2009 bracht Hans Steinhage met een aantal van zijn kinderen voor het eerst weer een emotioneel bezoek aan Sachsenhausen.

107


12 De vrouwen van Ravensbrück

108

Ravensbrück, zo’n 120 kilometer ten noorden van Berlijn, was tot 1945 het enige grote concentratiekamp op Duitse bodem waar hoofdzakelijk vrouwen waren geïnterneerd. Mirz’l Steinhage werd in 1941 in dit kamp gevangen gezet. Het waren hoofdzakelijk politieke gevangenen, verzetsvrouwen dus, hoewel er in het begin ook afdelingen joodse gevangenen en sinti/roma waren. Tussen 1939 en 1945 waren er in totaal zo’n 132.000 vrouwen en kinderen, 20.000 mannen en 1.000 vrouwelijke minderjarigen gedetineerd. Tienduizenden werden vermoord of stierven door ziekte, honger of medische experimenten. Na de bouw van een gaskamer aan het eind van 1944, vergastte de SS nog tussen de vijf en zesduizend gevangenen. Daarmee was Ravensbrück letterlijk een vernietigingskamp geworden. Ook werden talloze vrouwen overgeplaatst naar andere concentratiekampen, waar ze de dood vonden. In dit kamp Ravensbrück, ook wel ‘die Hölle der Frauen’ genoemd, hebben zo’n 850 Nederlandse vrouwen gevangen gezeten. De eerste Nederlandse gevangenen arriveerden in 1941, waaronder Mirz’l Steinhage, de laatsten in het najaar van 1944. Dit betrof een zeer groot ‘transport’ uit kamp Vught, geëvacueerd in verband met Dolle Dinsdag, dus in het zicht van de bevrijding. Van de ongeveer 850 Nederlandse gevangenen werd een groot aantal doorgevoerd naar andere kampen als Auschwitz, Mauthausen, Reichenbach en Dachau. Het precieze aantal Nederlandse slachtoffers in Ravensbrück is nooit vastgesteld. Volgens een ruwe schatting stierven er tussen de 200 en 300 Nederlandse vrouwen en kinderen. In april 1945 trachtte het Zweedse Rode Kruis, in een ware race tegen de klok, duizenden gevangenen uit Duitse concentratiekampen te bevrijden. Er was grote haast geboden bij deze evacuatie. Het risico bestond dat het terugtrekkende Duitse leger de achterblijvende gevangenen zou liquideren. Er was tevens haast geboden vanwege de enorme sterfte in het kamp, vanwege de extreme koude, de overbevolking en de vele ziektes die waren uitgebroken. Vanaf maart 1945 vonden onderhandelingen plaats tussen graaf Folke Bernadotte, vicepresident van het Zweedse Rode Kruis en SS-leider Heinrich Himmler. Uiteindelijk werd overeenstemming bereikt over het overbrengen van alle Scandinavische gevangenen naar Neuengamme, het dichtst bij Denemarken gelegen kamp, met de zogenaamde Witte Bussen. Vervolgens konden de vrouwen vandaar uit naar huis vertrekken. Daarna werd onderhandeld over vrijlating van alle andere vrouwelijke gevangenen.


Op 24 april, om vier uur in de ochtend, vertrokken uit kamp Ravensbrück twintig bussen met in totaal 800 vrouwen uit Nederland, België en Frankrijk. Het laatste transport vertrok op 26 april. Op weg naar de vrijheid vonden beschietingen plaats, waarbij nog enkele doden en gewonden zijn gevallen. Uiteindelijk keerden vrijwel alle vrouwen uit Ravensbrück na enkele weken of maanden terug naar huis, per vliegtuig, auto, boot of trein. Mirz’l Steinhage was één van de vrijgelaten gevangenen.

109


Verantwoording

110

De getuigenis van Hans Steinhage die in dit boekje is opgenomen, is tot stand gekomen op basis van een aantal lange gesprekken met de verteller, in de periode tussen juni 2008 en september 2009 in zijn huis in Oldenzaal. Er is gebruik gemaakt van informatie uit verschillende bronnen die over de familie Steinhage beschikbaar zijn. Dat heeft op een aantal punten met toestemming van Hans tot aanvullingen geleid. Als er soms verschillen waren tussen een of meer bronnen en de herinnering van Hans, zijn die met Hans besproken. In dit boekje is uiteindelijk gekozen voor de herinneringen die Hans aan bepaalde gebeurtenissen heeft gehad. Voor zover er interpretatieverschillen waren, ging het slechts over een beperkt aantal ondergeschikte details die niet van invloed zijn op de loop van het verhaal. Er is in de hoofdstukken over Sachsenhausen en de dodenmars gebruik gemaakt van aantekeningen die Hans zelf later over die periode heeft gemaakt. Deze aantekeningen zijn vaak letterlijk verwerkt in deze getuigenis. Een uniek document is de bundel met gedachten die Hans en zijn medegevangenen hebben opgeschreven rond Kerstmis 1943 in het gevangenkamp-


Heinkel. De geschreven versies heeft Hans uit het kamp in zijn plunjezak meegenomen en later overgetypt. Het boekje is in 2006 weer boven water gekomen via de jongste dochter Odette. Voor het schetsen van de context van de getuigenis in het tweede deel is voor een deel gebruik gemaakt van openbare bronnen die toegankelijk zijn via Internet. Er zijn twee uitzonderingen. De opgetekende herinneringen van Jules Huf aan Jozef Steinhage tijdens de vijf lange oorlogsjaren in Amsterdam zijn door Piet van Koulil, de echtgenoot van Annelies, dochter van Hans, beschikbaar gesteld. Er is ook een vertaling opgenomen van een hoofdstuk dat Josef Steinhage heeft geschreven in het boek ‘Friedrich Muckermann: Ein Apostel unserer Zeit’ van Nanda Herbermann. In dit hoofdstuk geeft hij zijn herinneringen weer aan de jaren dat hij met Muckermann Der Deutsche Weg uitgaf vanuit Oldenzaal. Piet van Koulil, de echtgenoot van Hans’ dochter Annelies, is veel dank verschuldigd. Hij heeft uit belangstelling voor het levensverhaal van Hans een groot aantal zaken uitgezocht. Naast genoemde documenten heeft hij meer informatie boven tafel gekregen, waaronder de weergave van een aantal gesprekken die het NIOD

had met de familie Steinhage op 20 en 21 februari 1965. Piet heeft daarnaast zijn aantekeningen beschikbaar gesteld van gesprekken die hij in februari 2007 met Hans heeft gevoerd. Die aantekeningen hebben mij geholpen bij het interviewen van Hans en het stellen van de juiste vragen. Tot slot heeft hij kopieën van ‘Deutsche Post für Holland’ en ‘Der Deutsche Weg’ aangereikt, waarvan een enkele bij wijze van voorbeeld in dit boekje is opgenomen. Wat betreft het fotomateriaal is gebruik gemaakt van foto’s die via Internet zijn opgespoord. Het betreft vooral foto’s die de familie Steinhage zelf gemaakt heeft of uit de verzameling van Hans Steinhage komen. ‘Gedenkstätte und Museum Sachsenhausen’ stelde historisch beeldmateriaal beschikbaar. Dank is verschuldigd aan Antoin Buissink van ontwerpbureau LandofPlenty, die het boek prachtig vormgegeven heeft zodat het een mooie uitgave is geworden. Tenslotte heeft Piet van Koulil het boek op een fraaie wijze gedrukt en gratis ingebonden en hij verdient daarvoor veel waardering. Hans van Harten februari 2010

111


Colofon

112

Uitgave Dit document is in eigen beheer uitgegeven door Hans van Harten (harten.visser@planet.nl) Amersfoort, 2010 Tekst en samenstelling Hans van Harten Historisch beeldmateriaal Gedenkst채tte und Museum Sachsenhausen Ontwerp en productie LandofPlenty (Antoin Buissink) Druk Drukkerij Boekhoven Bindwerk Piet van Koulil


E V 113

HET


E Z ER T WO 114

Profile for Antoin Buissink

Verzet door het Woord  

De Duitse familie Steinhage verzette zich al vroeg na de machtsovername van Hitler in 1933, tegen het nazisme. Dat was geen alledaags versch...

Verzet door het Woord  

De Duitse familie Steinhage verzette zich al vroeg na de machtsovername van Hitler in 1933, tegen het nazisme. Dat was geen alledaags versch...

Advertisement