Page 1

Kwintessens

jaargang 22 1ste trimester 2013 abonnement 25 euro los nummer 7 euro

Tijdschrift over design en mode


Intro

Shoot

Vernieuwd......................................01 Trui Moerkerke en Johan Valcke Colofon nummer 1 jaargang 22

Cases

Kort

Hoofdredactie design Johan Valcke

..................................................02

Thema

Hoofdredactie mode Trui Moerkerke

Creativiteit in het kwadraat...........06 De kracht van co-creatie Natasja Admiraal

Redactie Steven Cleeren Christian Oosterlinck Mies Van Roy

Juwelen die spreken.......................14 De revival van broches en manchetknopen Koen Van der Schaeghe

Coördinatie Mies Van Roy Werkten mee aan dit nummer Natasja Admiraal An Bogaerts Eva Coudyzer Pia De Winter Stephanie Duval Elien Haentjens Joke Hoeven Frank Huygens Roel Jacobus Bie Luyssaert Stefan Mertens Lut Pil Kurt Vanbelleghem Koen Van der Schaeghe Jolien Vanhoof Marianne Verkest Jasmijn Verlinden Bert Willems Helga Willems Peter Wouters

Mind the gap..................................20 Over mode en kunst Kurt Vanbelleghem Couture Graphique........................26 Logo’s, lookbooks en het T-shirt als pamflet Natasja Admiraal

De wereld van Nestor ....................66 Kurt Vanbelleghem Zilver als papier ............................68 Peter Wouters Swingen zoals in de sixties ............70 Stephanie Duval Gespot Henry van de Velde Awards & Labels 2012....................................74 Elien Haentjens Axelle Red – Fashion Victim ..........75 Jasmijn Verlinden Beyond Art & Design: doctoraten in de kunst vanuit de MAD-faculty...... 76 Bert Willems

Design als accessoire......................36 Vier ontwerpers aan het woord Jolien Vanhoof

Groei door designmanagement......77 Marianne Verkest

Looking smart................................50 Slim textiel in artistieke experimenten en industriële toepassingen Christian Oosterlinck

Ontwerp Ward Heirwegh

Patroontekenen .............................64 Joke Hoeven

Ruimte in beweging.......................30 Het werk van Sara Plantefève-Castryck Lut Pil

Na de ene komt de andere..............44 Het dwingende ritme van de wisseling van collecties Roel Jacobus

Shoot David Flamée Marko Galovic Annelie Vandendael

Hang On .......................................53 Annelie Vandendael

Awareness Award 2013.................78 Lut Pil Graphic Mic Mac II.......................79 Lut Pil Special De Nieuwe Oogst 2012..................81

Druk Stevens Print ISSN 07791534 Abonnementen kunnen worden aangevraagd bij Design Vlaanderen of door overschrijving van € 25 op het rekeningnummer IBAN BE68 3751 1109 9334 / BIC BBRU BEBB. Adreswijzigingen worden gemeld op het redactieadres.

Niets uit deze uitgave mag worden gebruikt zonder toestemming van de uitgever. © Design Vlaanderen Alle adressen van designers, kunstenaars, galeries e.a. kunnen bij Design Vlaanderen verkregen worden.

verantwoordelijke uitgever: Johan Valcke, Koloniënstraat 56, 1000 Brussel

Redactieadres Design Vlaanderen Kwintessens Koloniënstraat 56 (7de verdieping) 1000 Brussel T +32 (0)2 227 60 60 F +32 (0)2 227 60 69 info@designvlaanderen.be www.designvlaanderen.be www.designvlaanderen.be/ nl/kwintessens www.facebook.com/ kwintessens


Vernieuwd!

We hadden het al aangekondigd en nu is het zover: u heeft het eerste nummer in handen van Kwintessens nieuwe stijl. Vorig jaar hebben we via een enquête gepeild naar de verwachtingen en tevredenheid van u, de lezer, over dit trimestriële magazine rond design en mode. Kwintessens is een buitenbeentje op de magazinemarkt en dat wordt door onze lezers geapprecieerd. Niet alleen inhoudelijk maar ook vormelijk lopen we uit de pas, want elk nummer wordt ontworpen door een andere vormgever. Dat is niet de makkelijkste weg om een identiteit op te bouwen, maar net met dat verrassende aspect heeft Kwintessens naam gemaakt. Maar stilstaan is achteruitgaan en daarom hebben we opnieuw gesleuteld aan het concept. Geen twee covers meer, maar een blad waarin design en mode samen een plek krijgen. Kwintessens verschijnt voortaan alleen nog in het Nederlands: een doordachte budgettaire keuze. Trouwens, ook aan de verspreiding van Kwintessens wordt gesleuteld. Van Belgisch design en Belgische mode opnieuw sant in eigen land maken, ook daar ligt een taak die Kwintessens wil opnemen. De mogelijkheid van een aanvullende internationale website of publicatie wordt momenteel nog onderzocht. Kwintessens krijgt een andere structuur, met vier blokken waarbinnen ruimte is voor een grote verscheidenheid aan onderwerpen.

In het grote blok Thema is er ruimte voor diepgang. In dit eerste nummer bieden we u boeiende lectuur rond mogelijke ‘cross-overs tussen design en mode’. Wat is mode? Wat is design? Waar ontmoeten deze domeinen elkaar? Het zijn uitgangspunten die nu eens een filosofisch en dan weer een heel praktisch antwoord krijgen. We verkennen de samenwerkingen tussen modeontwerpers en designers, gaan na of mode en design op eenzelfde ritme werken, bekijken de band tussen kunst en mode en hebben het over de kracht van co-creatie. Bijzondere aandacht is er voor juwelen en accessoires, domeinen waarin de cross-over tussen mode en design uitgesproken is. Bij Cases dekt de titel de lading: het gaat om concrete ‘cases’ waarin we telkens een opmerkelijk product, een techniek, een proces, een stukje geschiedenis presenteren. Niet in steekkaartjargon, maar verhalend. Ten slotte probeert de rubriek Gespot u te inspireren aan de hand van recensies van boeken, tentoonstellingen, workshops en beurzen. Kwintessens gidst u door het aanbod en helpt u een goede keuze te maken. Elk nummer sluit af met een Special. Dit keer is dat De Nieuwe Oogst 2012. Maak kennis met 22 ontwerpers die door Design Vlaanderen in 2012 erkend werden. Vanaf 29 maart kunt u hun werk trouwens bewonderen in de Design Vlaanderen Galerie. We wensen u veel plezier met deze vernieuwde Kwintessens. Trui Moerkerke en Johan Valcke

pagina 1

Kwintessens

Kort selecteert de belangrijkste lezingen, expo’s en nieuwsitems, ook van onze partners in het Design Platform Vlaanderen.


K

o

Guide to Belgian Fashion App

Overlijden Paul Rommens

In het verleden bracht Flanders Fashion Institute een papieren Guide to Belgian Fashion uit met een overzicht van de showrooms en defilés van Belgische ontwerpers tijdens de Paris Fashion Week. Een must have volgens journalisten en aankopers en dus komt er een vervolg op dit initiatief! Het meesleuren van een papieren gids is niet meer van deze tijd en daarom lanceert FFI voor de Paris Fashion Week AW13 de Guide to Belgian Fashion App! Deze wordt later geüpdatet met de details van de Belgen die aanwezig zullen zijn tijdens de London, Berlin en wellicht ook New York Fashion Week.

Paul Rommens, de oprichter van verlichtingsproducent Modular Lighting Instruments in Roeselare, overleed op 13 december op 66-jarige leeftijd. Paul begon in 1980 als importeur van armaturen; in 1983 produceerde zijn bedrijf zijn eerste eigen model. Gaandeweg werd Modular de wereldwijde marktleider op het vlak van innoverende lichtoplossingen voor horeca, bedrijven, musea en thuis. Voor zijn producten ontving Modular vele design­prijzen, waaronder in 2005 de Henry van de Velde Award voor Bedrijf. Paul was in 2004 één van de eerste designmeesters van de Stad Kortrijk. Hij was gekend als een echte levens­genieter. Zijn creativiteit leeft verder in zijn zoon Bernard, oprichter van ontwerp- en communicatiebureau Rotor.

Meer info op www.ffi.be

r

Europe’s Top 100 Schools of Architecture and Design

Het Italiaanse tijdschrift Domus stelde een lijst op van de 100 beste designscholen in Europa, niet op basis van personeelsaantallen of publicaties, maar gebaseerd op de positieve en negatieve aspecten van de opleiding. In de categorie architectuur vinden we Sint-Lukas (Brussel en Gent). Voor productdesign is de Ecole Supérieure des Arts Visuels – La Cambre in de lijst opgenomen: “The Bauhaus legacy of simple, smart solutions to problems is the predominant approach to designing objects.” Voor grafische vormgeving haalde LUCA (Sint-Lucas Gent) de lijst: “The high-quality workshops serve as meeting points for students and teachers, encouraging crosscollaboration.”

t

pagina 2

Paul Rommens. Foto: Willy Dee

Atelier grafisch ontwerp, LUCA (Sint-Lucas Gent)


Couture in kleur. Zijde en prints uit het Abrahamarchief

Deze tentoonstelling vertelt het verhaal van een Zwitsers bedrijf dat uitgroeide tot een handelszaak gespecialiseerd in het bedrukken van zijde. Abraham verwierf naam toen couturiers zoals Christian Dior, Hubert de Givenchy, Yves Saint Laurent en Cristóbal Balenciaga in de jaren 50 en 60 werkten met hun kostbaar textiel. Ook hedendaagse ontwerpers als Dries Van Noten, Peter Pilotto en Diane von Furstenberg experimenteerden later met de Abrahamprints. Het Antwerpse ModeMuseum haalde zijn mosterd bij hun Oostenrijkse collega’s. Zij wijdden met Soie Pirate: The Abraham Textile Archive in Zürich al eerder een expositie aan de stoffen­fabrikant. Het MoMu hernam en herwerkte deze tentoonstelling.

Centraal in het werk van de Nederlandse ontwerpster Christien Meindertsma staat het onderzoek naar de herkomst van producten. Wat kun je van de wol van één schaap maken? Welke producten worden van één varken gemaakt of wat levert één kavel vlas precies op? Ze vindt dat de consument te vervreemd is geraakt van de oorsprong van de dagelijkse dingen. Vanuit haar onderzoek ontstaan nieuwe producten, waarbij ze vaak ambachtelijke en lokale bedrijven betrekt. Voor haar boek PIG 05049 (een onderzoek naar de verschillende eindproducten die één varken oplevert) kreeg ze in 2008 een Dutch Design Award. Tijdens de A-Z lezing komt ze haar meest recente projecten toelichten. 23 april 2013 om 20 u., Z33, Hasselt

Belgium is Design tijdens Milan Design Week Belgium is Design, de jaarlijkse samenwerking van Design Vlaanderen, FIT en hun Waalse en Brusselse collega’s zal tijdens de Design Week in Milaan, van 9 tot 14 april 2013, opnieuw te gast zijn in de Triennale di Milano. In dit prestigieuze designmuseum brengen we hulde aan Henry van de Velde, dit naar aanleiding van zijn 150ste geboortedatum. Onder de titel The Toolbox brengen we ontwerpen van hedendaagse Belgische ontwerpers wiens producten in België geproduceerd worden. Het zijn objecten die de verhouding van de ontwerper tot de producent illustreren, met aandacht voor esthetiek en ethiek, en die de inspanningen en de kunde van de ontwerper valoriseren. Meer info op www.belgiumisdesign.be

Kwintessens

Van 12 maart tot en met 11 augustus 2013, MoMu, Antwerpen

A-Z lezing: Christien Meindertsma

Slotevenement Humin

Cristóbal Balenciaga, winter 1955/56. Foto: Tom Kublin

Op vrijdag 19 april 2013 vindt in Genk het slotevenement plaats van de tweede editie van het Humin-project. Het project helpt een concurrentievoordeel te creëren door peoplecentered innovation: innoveren mét en vóór de eindgebruiker. De 25 deelnemende Vlaamse bedrijven en designers zullen er de resultaten presenteren van de drie deelprojecten: Humin (coaching aan bedrijven om peoplecentered design strategisch in te zetten in de bedrijfsvoering), MyPrecious (co-creatie tussen zes bedrijven en zes designers) en 5X5 (vijf samenwerkingen tussen bedrijf en designer). Gastspreker is Gunter Pauli (Blue Economy). Humin is een project van Genk /C-mine en Designregio Kortrijk, met de steun van Vlaanderen en Europa (EFRO). Meer info op www.humin.be

pagina 3

Overlijden Guy Schockaert “Dear friends. I left our world this morning convinced that a paradise exists somewhere for graphic designers. My computer will be mute from now on. I loved you all.” Met deze woorden nam Guy Schockaert op 11 januari afscheid. Guy werd in Kortrijk geboren op 6 november 1949, studeerde grafische vormgeving en communicatie in Brussel en werkte als assistent van Michel Olyff. In 1971 begon hij zijn eigen ontwerpbureau Ad Hoc Design. Hij was voorzitter van UDB en BEDA, maar was vooral internationaal gekend voor zijn werk als board member van Icograda (International Council of Graphic Design Associations).


K

o

r

Laureaten Fernand Baudin Prijs 2012 De Fernand Baudin Prijs wordt sinds 2008 uitgereikt en bekroont de mooiste boeken uit Brussel en Wallonië. Voor de editie 2012 werden 141 boeken voorgedragen. Een internationale jury selecteerde 35 boeken en beoordeelde deze naar samenhang tussen vorm en inhoud, naar de samenwerking tussen de verschillende medewerkers van ieder boek, en naar het spanningsveld tussen experiment en traditie. Negen boeken werden uiteindelijk bekroond als laureaat van de Fernand Baudin Prijs 2012. De laureaten zijn Michaël Bussaer en Inge Ketelers, Salutpublic, Raf Vancampenhoudt, Casier / Fieuws, Manuela Dechamps Otamendi, Eric Lambé, PLMD (Aude Gravé et Rosalie Wagner), Joris Kritis en Rustan Söderling en NNstudio (Pierre Geurts).

H&M Design Award Met de Design Award wil H&M toekomstig modetalent uit Europese academies een duwtje in de rug geven. De tweede editie werd gewonnen door Minju Kim, een laatstejaarsstudente aan de Antwerpse modeacademie. Zij werd na de catwalkshow op de Stockholm Fashion Week tot winnares uitgeroepen en volgt zo de Deense Stine Riis op. Minju Kim nam deel aan de wedstrijd met haar derdejaars­collectie Dear My Friend. Deze baseerde ze op mangafiguren en bestaat uit acht speelse silhouetten in pastelkleuren. Minju Kim kreeg een geldprijs van 50 000 euro, maar mag vooral een mini­collectie samenstellen die dit najaar zal verkocht worden in een selectie van H&Mwinkels wereldwijd.

WORKSHOP UPCYCLING MEETS DESIGNERS Op 23 april 2013 nodigt Design Vlaan­ deren in het kader van het Europese SEE Platform-project, het kruim van designers en beleidsmakers uit. Het doel is om samen rond het thema van innovatieve upcycling te reflecteren, waarbij voorbeelden uit de sociale economie (kringwinkels) en het service design aan bod komen. In de na­middag kunnen ontwerpers speeddaten met verschillende aanbieders uit onder andere de sociale economie, en is er een workshop rond service design voor beleidsmakers, bedrijven en stafmedewerkers. Het programma en inschrijvingsformulier vind je op www.upcyclingfestival.org.

Meer info op www. prixfernandbaudinprijs.be

t

Dear My Friend, Minju Kim. © Kristian Loveborg

pagina 4

Felix – Leen Voet, Michaël Bussaer en Inge Ketelers. Foto: Piet Janssens

Waar is mijn nieuwsrubriek en agenda naartoe? Wie op zoek is naar zijn vertrouwde tentoonstellingsagenda of ander designnieuws zoals workshops, colloquia en wedstrijden, kan daarvoor terecht op www.designvlaanderen.be/nl/kalender. Volg je graag de laatste modenieuwtjes? Surf daarvoor naar www.ffi.be/nl/blog.


Wat is mode? Wat is design? En is het kunst? Vragen waar heerlijk en eindeloos over gefilosofeerd kan worden. Eens­ luidende antwoorden zijn er vanzelfsprekend niet. In dit dossier gaan we dan ook niet op zoek naar definitieve definities, maar verkennen we de samenwerkingen tussen mode-ontwerpers en designers, bekijken we de band tussen kunst en mode en de kracht van pagina 5

co-creatie. Bijzondere aandacht is er ook voor juwelen, want geen idioom dat de cross-over tussen design en mode beter belichaamt dan de juwelentaal.

Kwintessens

Th em a

Cross-over tussen mode en design


T H E M A

Creativiteit in het kwadraat De kracht van co-creatie

Wat gebeurt er als een mode-ontwerper en een designer de krachten bundelen? Is 1 plus 1 dan 3? Synergie of tweestrijd? En wat is eigenlijk de meerwaarde van co-creatie? Vier projecten die de vrucht zijn van een wisselwerking tussen creatieve disciplines. Dries Van Noten + Gijs Frieling + Job Wouters Alsof de verf nog nat is, zo nonchalant lijken de letters op de witte jas te zijn geschilderd. Het heeft iets weg van graffiti: kleurrijk, psychedelisch, gestileerd. Soms is een collectie van een bepaalde ontwerper in één oogopslag als zodanig herkenbaar, soms moet je twee keer kijken. Dries Van Noten heeft voor herfst / winter 2012-2013 duidelijk niet op safe gespeeld. Zijn in het oog springende mannencollectie kwam tot stand middels co-creatie. Niet één, maar twee creatieve geesten nam hij in de arm: de Nederlandse typograaf Job Wouters alias Letman en kunstenaar Gijs Frieling, bekend om zijn grote muurschilderingen met controversiële, vaak religieuze onderwerpen. Creativiteit tot de derde macht in dit geval. Een overeenkomst tussen Letman en Frieling is dat hun projecten vaak een tijdelijk karakter hebben. Dat hun werk plotseling vereeuwigd zou worden, nota bene in een modecollectie, kwam voor hen volstrekt als een verrassing.

pagina 6

Gijs Frieling, wist u meteen dat Job Wouters iets nieuws kon toevoegen aan uw werk? Gijs Frieling: Tijdens ons eerste project samen werd duidelijk dat Job en ik elkaar veel te vertellen hadden. Vernacular Painting hebben we gemaakt toen ik de Cobra Kunstprijs Amstelveen gewonnen had. Het moest een boek worden waarin zijn typografie even belangrijk zou zijn als mijn muurschilderingen. Job ontwierp nieuwe letters in de dubbelgekleurde kwasttechniek die ik veel gebruik. Het boek is bij Extrapool in Nijmegen gedrukt als risograph (een bijzonder digitaal drukprocedé, red.): een grove techniek met volle, krachtige kleuren, net als mijn schilderijen. De afdrukken blijven dicht bij het oorspronkelijke werk. Dries Van Noten, u vond de mannencollecties afgelopen jaren nogal serieus. En toen was daar plotseling het boek Vernacular Painting. Dries Van Noten: We leerden Gijs en Job kennen via dat boek, dat direct onze aandacht trok. De kracht ervan, als object en kunstvoorwerp op zich, is de tastbaarheid. Er was iets ‘controleerbaar levendigs’ en ‘conservatief rebels’ in hun muurschilderingen dat goed bij ons werk paste. Na de beslissing om ons voor de collectie te laten

inspireren door Frank Zappa, leek het kleurgebruik van Job en Gijs symbiotisch aan de psychedelische sfeer die we wilden creëren. Voor ons was dit een evolutie na de reeds gebruikte prints van James Reeve voor onze vrouwen­collectie voorjaar 2012. Nu we het resultaat van deze samenwerking kunnen aanschouwen, zijn we daar des te meer van overtuigd.

“De fusie van creatieve geesten heeft een extra vonk aan het werk gegeven.” – Dries Van Noten Verliep de samenwerking soepel? Job Wouters: Er was een duidelijke verdeling: Gijs maakte voorstellingen en ik de letters. Voor de collectie heeft Gijs een nieuw schilderij gemaakt en ik heb twee nieuwe woorden en een aantal ornamenten ontworpen. Het boek is steeds het uitgangspunt voor de collectie gebleven. Als je een model in een blouse met mijn woorden en een broek met Gijs’ schilderingen ziet, is het net een spread uit het boek, maar dan op zijn kant. DVN: Wanneer je met een artiest werkt die geen deel uitmaakt van je team, kun je alleen maar hopen dat de kledingstukken diens werk afbeelden op de manier die hij of zij juist acht. Je wil vooral vermijden dat de kleding iets verbeeldt waar de ander niet achter staat. Het feit dat Job en Gijs enthousiast waren om achteraf verder samen te werken aan de etalages van het Modepaleis, was een groot pluspunt. JW: Mode was voor ons een nieuwe wereld. Een collectie maken is een race tegen de klok en het was fascinerend om te zien hoe zo’n proces zich zo snel ontvouwt. Een week nadat we een email ontvingen van Lilly Heine, hoofd van de printafdeling, werden we in Antwerpen ontboden. Na een inleidend gesprek werden we naar de ontwerpafdeling geleid, waar een tiental mensen over prints uit ons boek gebogen zaten en daar textielproeven bij maakten. Alsof we plotseling in het laboratorium van Willie Wonka waren beland. GF: Even later haalde een assistent uit het kledingarchief een witte, halflange trenchcoat tevoorschijn die Dries Van Noten jaren geleden op de rommelmarkt had gevonden. Iemand had met gekleurde stiften de jas helemaal volgetekend. Daar waren we alle drie van onder de indruk. Op dat moment voelden we dat de samenwerking wel eens heel goed zou kunnen uitpakken. Wat was een eyeopener? GF: Aanvankelijk gaf Dries weinig aanwijzingen, maar als we iets maakten, dan haakte hij daarop in: iets meer zus, iets meer zo. Of: kan het hier nog wat voller? Eerder als een musicus onder een dirigent of een acteur onder een regisseur. Ik heb altijd gevonden dat de autonomie van beeldend kunstenaars overgewaardeerd wordt, dus deze werkwijze was heel verfrissend. Soms wordt een werk mooier als het niet in het centrum van de aandacht staat. Dat maakt de etalages in het Modepaleis zo geslaagd: het draait om de kleding en de schilderingen voegen daar een tweede laag aan toe.


Modepaleis Antwerpen

AW12,

Kwintessens

Etalage, Job Wouters & Gijs Frieling,

AW12, Dries Van Noten

Dries Van Noten

Job Wouters

DĂŠfilĂŠ, AW12, Dries Van Noten, Grand Palais, Parijs

pagina 7


JW: Hoewel we Dries Van Noten slechts vier keer hebben gezien, is er echt een band ontstaan. We zijn bijvoorbeeld samen naar een concert van Radiohead geweest. Zijn modehuis ademt een warm familiegevoel uit. Dat is best bijzonder voor een bedrijf met tachtig werknemers. Dries Van Noten heeft op ons een grote indruk gemaakt. Hij vaart zijn eigen koers en focust op draagbare kleren, hij maakt geen parfums of accessoires, zelfs geen reclame.

Spazioborgogno Gallery, Milaan

T H E M A

“Veel individuele kunstenaars zijn geobsedeerd door autonomie, terwijl je met co-creatie een veel gezondere verdeling bereikt.” – Gijs Frieling

West Moon Street Story,

Aan het einde van het eerste gesprek stelden jullie voor om de catwalk te beschilderen. Dat vond Dries Van Noten aanvankelijk nogal vrijpostig. GF: Ja, maar niet lang daarna werden we gebeld door Aminata Sambe voor Villa Eugénie, het bedrijf dat zijn shows produceert, met het verzoek een voorstel te doen voor een schildering achter de catwalk, in het Grand Palais van Parijs dan nog wel. We wisten niet wat we hoorden. Job en ik zijn 24 uur voor aanvang van de show begonnen met vier assistenten. Het was een enorme oppervlakte: ruim vijftig meter lang en vijf meter hoog. Dat is twee keer zo groot als de zaal die ik in het Bonnefantenmuseum heb gemaakt. Pas op het laatste moment werd besloten dat we tijdens de show door zouden schilderen, als een werk in uitvoering. Bent u verrast door het eindresultaat? DVN: Ik had nog nooit zo nauw samengewerkt met anderen buiten mijn team. Mode is in mijn opinie een ‘toegepaste kunstvorm’ en ik heb ervan genoten dat mijn ontwerpen niet alleen als canvas konden dienen maar ook als drijfveer voor hun eigen werk. De uitdaging was om een balans te behouden en de prints de kleding niet te laten overweldigen of omgekeerd. JW: Naar aanleiding van de show werden we uitgenodigd om een expositie te maken in Spazioborgogno Gallery in Milaan, waar we onze muurschilderingen combineerden met outfits van Dries Van Noten. Er is dus een hoop uit dit project voortgekomen, en dat terwijl ik zelf nooit het potentieel had gezien van een modecollectie geïnspireerd op ons boek.

pagina 8

www.driesvannoten.be www.gijsfrieling.nl www.letman.com

Etalage, Job Wouters & Gijs Frieling, Modepaleis Antwerpen

Vernacular Painting,

Wat is de meerwaarde van co-creatie? DVN: De fusie van creatieve geesten heeft een extra vonk aan het werk gegeven. Bovendien: met een sterk team om je heen is de af te leggen weg minder eenzaam. GF: Veel individuele kunstenaars zijn geobsedeerd door autonomie, terwijl je met co-creatie een veel gezondere verdeling bereikt. Wonderlijk was daarom het moment in het Grand Palais: daar hadden we in feite meerdere petten op en waren we zowel uitvoerders als auteurs. Dat is eigenlijk de meest autonome positie die je je maar kunt wensen. JW: Het eindresultaat is een soort Gesamtkunstwerk. Hoe invloedrijk dit project was blijkt uit het feit dat mijn werkwijze en die van Gijs steeds meer door elkaar zijn gaan lopen. Ik weet nog dat ik na al die letters ineens iets aan het schilderen was: dat voelde zo goed! Toen ik daarna nog wat letters moest kalligraferen, zei ik: “Gijs, doe jij dat maar. Dat kan jij ook.”

Job Wouters & Gijs Frieling


pagina 9

“Co-creatie is heel verrijkend, zeker nu het verhaal achter een product steeds belangrijker wordt.” – Tim Van Steenbergen Inmiddels is de Metronome in de verkoop, won het ontwerp de Interior Innovation Award 2012, en wordt er volop gewerkt aan een vervolg, waar Tim nu nog weinig over kan zeggen. Van Steenbergen: “Deze werkwijze bevalt me. Je leert dingen relativeren omdat je wordt geconfronteerd met de visie van een ander. Eigenlijk ben ik nooit het type ontwerper geweest dat zich in zijn eentje opsluit in zijn atelier. Liever ga ik de dialoog aan. Co-creatie is heel verrijkend, zeker nu het verhaal achter een product steeds belangrijker wordt. Ik kijk wel anders tegen het huidige modesysteem aan. Mocht ik voor mijn volgende collectie een jaar nodig hebben, dan neem ik die tijd. Ook in de mode verandert de manier van consumeren. Maar je moet het wel durven loslaten.” www.timvansteenbergen.be www.deltalight.be

Kwintessens

Dankzij zijn shows en theaterprojecten weet Tim Van Steenbergen als geen ander hoe belangrijk de juiste verlichting is. Toen Delta Light hem benaderde met de vraag een variant op de reeds bestaande lamp Husk te ontwerpen, aarzelde hij dan ook geen seconde. De modeontwerper staat erom bekend graag de grenzen van zijn domein te overschrijden. “Een tekening of print voor een lamp ontwikkelen vind ik niet zo interessant. Een architecturale opdracht des te meer. Dit was een dynamisch proces zonder tijdsdruk. In oktober zaten we voor het eerst rond de tafel, in mei waren de prototypes af en in september showde ik mijn voorjaarscollectie 2012 met een eigen lichtinstallatie! In totaal duurde het project een jaar. Dat blijkt in de designwereld behoorlijk snel te zijn, maar vergeleken met de mode is dat een zee van tijd.” Technische ondersteuning kreeg hij van productontwerper Maarten Demunster en zo ontstond een geheel nieuw product: de Metronome, een pendellamp die speelt met licht en schaduw. Door de lamellen individueel te kantelen geef je er een persoonlijke twist aan. De lamp verschijnt op de markt in drie maten. “Frappant is dat veel mensen er een jurk in zien, terwijl dat niet het uitgangspunt was. Door met verschillende maten te werken, leggen we wel een link naar mode.” Voor Delta Light was het een primeur na 24 jaar van inhouse design. “Met Tim hebben we de essentie van samen­ werken overtroffen,” aldus ontwerper en oprichter Paul Ameloot. “We wilden nieuwe vormen, kleuren en materialen verkennen, binnen ons eigen domein maar ook door op zoek te gaan naar raakvlakken met andere trendsettende sectoren. Mode stond daarbij bovenaan onze lijst. Met het mode– talent dat België rijk is, zochten we het in eerste instantie

dicht bij huis. Het resultaat is een uniek stuk dat anders, maar toch zo passend is voor zowel Tim als Delta Light.”

Metronome, Tim Van Steenbergen voor Delta Light. Foto: Tomas Vandecasteele

Tim Van Steenbergen + Delta Light


pagina 10

T H E M A

Bernhard Willhelm + Geoffrey Lillemon Happende monden, dansende paarse en groene lichamen, kapsels als plumeaus. Als het aan Bernhard Willhelm ligt, zijn dit de modellen van de toekomst. Voor zijn voorjaarscollectie 2013 maakte hij een freaky bewegend lookbook in samenwerking met de Amerikaanse 3D-animator Geoffrey Lillemon (studio Oculart) en Random Studio in Amsterdam. Als een creatieve visionair mixt Lillemon klassieke schildertechnieken met 3D-animaties en beeldende kunst met elektronica. Deze futuristische aanpak blijkt een bijzonder goede match met de bonte, vaak absurdistische mode van Bernhard Willhelm. De ontwerper – afgestudeerd aan de Antwerpse modeacademie – en zijn rechterhand Jutta Kraus staan erom bekend een eigen draai te geven aan het dwingende modesysteem. Ditmaal door de klassieke modeshow tijdens de Paris Fashion Week te vervangen door cyberpunk animated GIFs. Met behulp van Faceshift (een soort gezichtsscanner) en 3D Studio Max (een computerprogramma voor het vervaardigen van ruimtelijke modellen) creëerde Lillemon voor iedere outfit een uniek hoofd met eigen karaktertrekken en haast menselijke expressies. Grootste uitdaging was om de bewegelijke koppen van modieuze kapsels te voorzien. Stel je voor: een technoloog die verantwoordelijk is voor het haar en de make-up van een fotoshoot – een interessante nieuwe invalshoek. Om de kleding tot leven te laten komen, werd er voor de fotografie gebruikgemaakt van de zogenaamde wobble-techniek. Een wobble-beeld bootst na wat beide ogen zien wanneer je je richt op een object en je hoofd van links naar rechts beweegt. Onze hersenen vertalen dit automatisch naar een gevoel van diepte.

Een visueel spektakel is het driedimensionale lookbook beslist. Lillemon: “Met nieuwe media bereik je een compleet andere esthetiek dan met een klassieke fotoshoot. Het geeft een nieuwe dimensie aan haar en make-up en dat kan interessant zijn voor modeontwerpers.” Hoewel zijn 3D-animaties meestal ontstaan met een specifiek idee in het achterhoofd dat efficiënt wordt uitgevoerd, vereiste het samenwerken met een modeontwerper wel wat meer flexibiliteit. Zo was het idee aanvankelijk om enkel animaties te maken, maar bleken de stills uiteindelijk ook sterk genoeg om te gebruiken. Lillemon heeft de smaak van mode te pakken: binnenkort verschijnt er een interactieve video van zijn hand voor Iris van Herpen. www.bernhard-willhelm.com www.oculart.com www.random.nu


pagina 11 Kwintessens

SS13, Bernhard Willhelm & Geoffrey Lillemon. Foto: Petrovsky & Ramone. Styling: Niki Pauls


T H E M A

Walter Van Beirendonck + Folkert de Jong Walter Van Beirendonck baarde al eens opzien met gekleurde oorkappen en reusachtige vilten bolhoeden – het werk van de beroemde Britse mad hatter Stephen Jones met wie hij dikwijls samenwerkt. Dit seizoen schakelde hij voor zijn mannencollectie voorjaar 2013 de hulp in van de Nederlandse beeldhouwer Folkert de Jong. Alle modellen droegen een hoed van zijn hand en sommigen ook een halsstuk geïnspireerd op de oud-Hollandse molensteenkraag. “Ik was al jaren fan van Folkert vanwege zijn bijzondere kleurgebruik met veel pasteltinten,” aldus Walter Van Beirendonck. “We kwamen in contact tijdens de retrospectieve expo van mijn werk in het Antwerpse MoMu, hij bleek ook een bewonderaar van mijn mode. Op dat moment had ik de hoeden en kragen voor de collectie al getekend en plotseling zag ik een connectie. Ik heb hem spontaan gecontacteerd en hij reageerde bijzonder positief.”

“Zonder de samenwerking met Folkert was de collectie ongetwijfeld heel anders geworden. Dat is zo boeiend aan co-creatie. Het geeft je vleugels.”

pagina 12

– Walter Van Beirendonck Het was vrij voor de hand liggend dat de Jong in piepschuim zou werken, het materiaal waaruit hij ook zijn sculpturen vervaardigt. De rauwe hoge hoeden zorgen voor een vrolijke noot in de collectie met verder veel formele elementen als het klassieke mannenhemd, de smoking en de vlinderstrik. Inspiratie haalde Van Beirendonck uit secret societies:

geheime genootschappen met strikte dresscodes en omgangsvormen. “Een reactie op het feit dat we vandaag de dag nog maar moeilijk een geheim kunnen bewaren door sociale media, en op de veelheid aan informatie die elke seconde de wereld in wordt gestroomd.” De ontwerper die van begin af aan zijn collecties van kop tot teen uittekent inclusief de accessoires, houdt zelf de touwtjes in handen. Hij geeft nooit carte blanche, ook niet voor de muziek of choreografie. Toch was er wel een wisselwerking: hij toonde de schetsen en de Jong deed daarop een tegenvoorstel. Zo zijn de tekeningen een paar keer over en weer gegaan. “Het was aangenaam samenwerken, Folkert is een fijne kunstenaar met een autonome visie. Ik had er geen moeite mee de hoeden uit handen te geven. Zonder hem was de collectie ongetwijfeld heel anders geworden. Dat is zo boeiend aan co-creatie. Het geeft je vleugels.” De Jong op zijn beurt raakte gefascineerd door de mode­ wereld. Helaas kon hij niet bij de show aanwezig zijn omdat hij in het buitenland was, maar in zijn kast hangen inmiddels enkele ontwerpen van Van Beirendonck die hij met veel plezier draagt, zoals tijdens een event in Korea. “De samenwerking heeft mij een gevoel van vrijheid gegeven. Op heel natuurlijke wijze hebben wij elkaars werk kunnen complementeren. Ik merk dat het op een bepaald artistiek niveau niet meer uitmaakt of je nu met architectuur, mode, muziek of kunst bezig bent.” www.waltervanbeirendonck.com www.folkertdejong.org Natasja Admiraal


SS13, Walter Van Beirendonck & Folkert de

Silent Secrets,

pagina 13 Kwintessens

Jong. Foto: Dan Lecca


Juwelen die spreken

De revival van broches en manchetknopen

antieke manchetknopen, 1860.

T H E M A

© Guy-David Lambrechts

pagina 14

Geen idioom dat de cross-over tussen design en mode beter belichaamt dan dat van de juwelen, zeker als het over manchetknopen en broches gaat: twee sieraden die letterlijk verbonden zijn met de kleding die je draagt. Een boeiend duo accessoires, met een rijke geschiedenis en vandaag een ware revival. Het is een verhaal van kwaliteit en continuïteit, maar ook een betoog over het inslaan van nieuwe wegen. Dat bewijzen hedendaagse ontwerpers die ritmisch blijven hameren en vijlen aan de bijzondere kleinoden.

Tien jaar geleden zou men broches en manchetknopen als passé omschreven hebben. Vandaag maken de kleine accessoires het verschil. Met heel persoonlijke accenten, zijn de juweelontwerpen van Wouters & Hendrix, Clarisse Bruynbroeck, Jorge Manilla en Lore Langendries unieke stukken. De mode volgen ze niet, maar ze laten zich wel door het heden leiden. Broches zijn veelzijdige sieraden. Ze zijn op te spelden op een jasje, jurk, sjaal of zelfs een jeans. Je kan ze ook gebruiken om op een charmante manier iets dicht te spelden. Ze worden gedragen ter hoogte van het decolleté of net


© Guy-David Lambrechts

antieke manchetknopen, 1890.

Je kiest een broche omwille van de esthetiek of je laat je leiden door hun symboliek. Mannen tafelden immers met een dame links en rechts, waarbij de manchetknopen dan de aandacht konden trekken. De eerste manchetknopen waren relatief groot. De contouren werden net zoals de gebouwen, interieurs en meubels beïnvloed door de art nouveau. Vanaf 1890 ging mannen hun manchetknopen aan de zijkant dragen.”

Grasduinen

antieke manchetknopen, 1910. © Guy-David Lambrechts

pagina 15

Volgens Guy-David Lambrechts was de manchetknoop altijd een kind van zijn tijd: “Reist men vanaf 1900 vaker met de boot, dan ziet men dat aan de manchetknopen met scheepsfoto’s. De man toonde met welk schip hij de oversteek had gemaakt. Ook de abrupte stijlwijziging naar de art deco vindt men terug in de ontwerpen. Maar waar ze in Europa voornamelijk voorbehouden bleven voor de bourgeoisie, ging in de Verenigde Staten vanaf 1920 ook de massa manchetknopen dragen. Men kon ze bijvoorbeeld gebruiken om zijn beroep kenbaar te maken. In een oogopslag was duidelijk of je met een notaris, piloot of fotograaf te maken had. In Europa kwam de grote doorbraak pas in de jaren 50, wanneer de bevrijder het voorbeeld gaf. Met de komst van de flowerpower werden ze ook in Europa weer opgeborgen, tot het in jaren 80 en 90 bijzonder stil werd. Alleen de man in maatpak bleef nog trouw aan de manchetknoop. Maar in het afgelopen decennium is de revival een feit.”

Kwintessens

© Guy-David Lambrechts antieke manchetknopen, 1920.

onder de schouder, al zijn ze ook mooi over of op de schou­der of in de taille. Ze zijn er in alle mogelijke vormen, stijlen, groottes en kleuren. Van sober tot overladen, van eentonig tot kleurrijk. Je kiest een broche omwille van de esthetiek of je laat je leiden door hun symboliek. Broches hebben een lange geschiedenis. De manchetknoop is jonger, vierde in 2012 zijn 150-jarige bestaan, en geniet na een stoffige periode nu een ware revival. Wat geldt voor de manchetknoop, gaat ook op voor de broche, namelijk dat ze iets zegt over de drager zelf. Dat het meer kan zijn dan een elegant sieraad, bewees Madeleine Albright, de vroegere Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Via haar broches seinde ze jarenlang niet mis te verstane boodschappen door, haar visie op de gang van zaken. De ‘brochediplomatie’ was geboren. Een opvallende broche is net als een manchetknoop vaak onderwerp van gesprek. Maar dan moeten de heren wel de handen uit de mouwen steken, want anders blijven de sieraden onttrokken aan het zicht. In de jaren 60 kende de populariteit van de manchetknop een hoogtepunt, maar sindsdien verloor de man zijn interesse in het sieraad. Wie er alles van weet is Guy-David Lambrechts, een wandelende encyclopedie en tevens de trotse eigenaar van ’s werelds grootste en meest waardevolle collectie manchetknopen. “De manchetknoop volgde op de uitvinding van de manchet, voor het eerst getoond op de wereldtentoonstelling van Londen in 1862. Door de grote interesse ging men op zoek naar speciale materialen om unieke knopen te maken: ivoor, schildpad en handbeschilderd porselein, maar ook het destijds nieuwe materiaal guttapercha”, aldus Guy-David Lambrechts. “Bij het ontstaan van de knoop werd deze aan de bovenzijde van de hand gedragen, mede in functie van de zichtbaarheid voor de dames.


Met een geschiedenis van bijna 25 jaar, heeft het ontwerpersduo Wouters & Hendrix een klare kijk op de wisselende appreciatie van manchetknopen doorheen de tijd: “Mannen zien de manchetknoop opnieuw als een volwaardig juweel, als een effectieve toevoeging aan de outfit. Het is een bewuste keuze, een engagement om zich te onderscheiden. Ze geven een twist aan een klassiek pak.” Voor inspiratie duiken Wouters & Hendrix graag in het verleden, waar ze bijna vergeten technieken herontdekken. Zo ook met hun nieuwe collectie manchetknopen, deels een heruitgave van oude ontwerpen, maar aangevuld met nieuwe creaties. De lijn van zes manchetknopen wordt gepresenteerd in een sigarendoosje, als een hebbeding, zoals een juwelenkistje voor vrouwen. “Onze huidige collectie is geen primeur. Midden jaren 80 ontwierpen we reeds manchetknopen en met deze collectie spelen we in op een hernieuwde vraag. We voelen oude waarden en klassiekers terugkomen. Naast manchetknopen, een horloge en een trouwring, heeft een man weinig ter beschikking om zich te onderscheiden. Anno 2013 toont hij opnieuw durf, getuige het succes van de gekleurde manchetknopen. We hadden het zelf ingetogener verwacht. Een mooi voorbeeld zijn de knopen met parelmoer en inlegwerk van intens blauwe lapis lazuli: heel klassiek, maar mét een kwinkslag. Het smaakt naar meer. De collectie wordt zeker nog uitgebreid.”

pagina 16

Wouters & Hendrix

T H E M A


Lichamelijke sporen

Clarisse Bruynbroeck

pagina 17

Kwintessens

De manchetknopen van Clarisse Bruynbroeck zijn buitengewoon en een tikkeltje excentriek. De jonge juweelontwerpster en goudsmid grijpt terug naar de beginperiode, wanneer het juweel bovenop de manchet gedragen werd. De ontwerpster is al langer geboeid door het menselijke lichaam, een fascinatie die toenam toen haar zus aan ano­ rexia leed. Lichamelijke veranderingen krijgen een plaats in haar werk. Op het moment dat de structuur van het lichaam letterlijk zichtbaar wordt aan de buitenzijde, gaat zij het gebruiken in haar werk, zoals in dit bijzondere paar manchet– knopen. “Ik heb ze gebeeldhouwd in was en vervolgens in messing laten gieten. Ik werk graag met was, vertrekkende van een blokje klei, waarvan ik een negatieve mal maak. Van het uiteindelijke juweel wordt opnieuw een mal gemaakt, als basis voor de gieterij. De ontstaansgeschiedenis van de manchetknoop intrigeerde mij. Ik werk heel intuïtief en kom al doende tot een ontwerp. Ik maakte mijn knopen goudkleurig omdat ze mochten opvallen. Het mannelijke juweel prikkelt me sindsdien. Misschien wil ik er wel mee verder.”


T H E M A

Gelaagdheid Cross-over is een sleutelwoord voor juweelontwerpers. Grenzen vervagen dankzij kruisbestuivende artiesten. Volgens Jorge Manilla bevindt juweelontwerp zich op het kruispunt van disciplines: “Het hangt tussen mode, design en kunst. Er zijn elementen uit de drie disciplines nodig om tot een geslaagd juweel te komen. Voor productontwikkelaars zijn we als juweelontwerpers te weinig designer, omdat ons ontwerp te veel ‘verhaal’ bezit. Kunstenaars beweren dan weer dat het ons soms ontbreekt aan artistieke elementen. Het is voor mij echter geen kwestie van óf het ene óf het andere, maar een én-én-verhaal.”

“Juweelontwerp hangt tussen mode, design en kunst. Er zijn elementen uit de drie disciplines nodig om tot een geslaagd juweel te komen.”

pagina 18

Tales of a Big City, Jorge Manilla. Foto: Tom Lagast

– Jorge Manilla De Mexicaans-Vlaamse juweelontwerper is een origineel ontwerptalent die een aanstekelijke vrijheid uitstraalt. Vormelijk zijn zijn broches eerder klassiek, maar het materiaal is apart. Religie, mythe en spiritualiteit zijn terugkerende thema’s. De materie voor zijn collectie broches Tales of a Big City is zilver, al zou je dat niet onmiddellijk zeggen. “Ik wou iets maken dat heel hedendaags was, maar wel met het gebruik van klassieke technieken. Mijn inspiratie haalde ik uit Mexico-Stad, mijn geboortestad, of beter: uit het zicht op de stad vanuit het vliegtuig. Die foto is te zien op mijn website. Elk puntje op de foto is een huis, een familie, een verhaal.” Zo vind je miljoenen verhalen terug op één foto, vandaar ook de naam Tales of a Big City. De juwelen zijn volledig in zilver vervaardigd: “De korrel die je ziet, is zilverpoeder. Voor collega’s zijn het vaak restjes die ze laten smelten. Ik wou ze nadrukkelijk gebruiken. Daartoe deed ik onderzoek naar verschillende soorten soldeersel. Want het zijn diverse poedercoatings die erop gesoldeerd zijn. De kleurschakeringen zijn niet gemanipuleerd, maar het gevolg van een natuurlijk oxidatieproces. Elk stukje metaal reageert op een andere manier, waardoor je dat bijzondere coloriet krijgt. Ik heb ook enkele broches met holtes erin, zodat men zelf een persoonlijk verhaal in het juweel kan stoppen. De contouren verwijzen niet toevallig naar kadertjes van oude familieportretten: een confrontatie met ieders persoonlijke voorgeschiedenis.”


Totaalbeeld

www.antieke-manchetknopen.be www.wouters-hendrix.com clarissebruynbroeck.wordpress.com www.jorgemanilla.com www.lorelangendries.com Koen Van der Schaeghe Ponsbal Broche, Lore Langendries. © Dimitri Lowette

pagina 19

© Dimitri Lowette

Ponsbal Broche, Lore Langendries.

Kwintessens

In een periode van uniforme en monochrome silhouetten brengen broches een vrouwelijk accent of een romantische toets. Dat van de teloorgang van de broche geen sprake is, bewijst Lore Langendries. Met haar Ponsbal Broches maakt ze indruk en verenigt ze ambachtelijke en industriële facetten in een gedurfde collectie: “Ik liet me inspireren door een bolpons (een staafje met een bol aan het uiteinde, red.), een instrument dat de edelsmid gebruikt om metaal een bolvorm te geven.” Gebaseerd op de contouren van het gereedschap neemt ze dit werkinstrument als vormelijke basis en iconisch referentiekader. Het is een eenvoudige vorm maar met een spannend effect: je duwt een houten kraal onder je blouse doorheen de 8-vormige ring, waar– door het textiel deel gaat uitmaken van de broche. Lore Langendries speurt naar een combinatie van technische vernieuwing met ambacht en probeert zo een boeiende wisselwerking tussen beide op het spoor te komen. De broche bestaat in diverse vormen en maten en geeft aan elk kledingstuk de allure van een designer piece: “De broche is op zich maakt het niet bijzonder, maar wel de combinatie van het zilver met je eigen kleding. Net omwille van die betrokkenheid van de kleding, is de benaming ‘broche’ eigenlijk te beperkt voor dit juweel.”


T H E M A

Mind the gap

Over mode en kunst

pagina 20

Binnen een hedendaagse cultuur­ beleving neemt het hybride een steeds belangrijker plaats in. Combinaties van concepten en technieken uit verschillende disciplines leiden tot nieuwe opvattingen en creaties. De artistieke wereld van nu kleurt interdisciplinair, zowel op het niveau van de productie, de presentatie als van de kritische reflectie.

Het ongebreidelde uitlenen en overnemen van bepaalde visies en concepten uit verschillende artistieke disciplines houdt echter ook heel wat risico’s in. Bloemen of planten hebben hun wortels nodig om te blijven leven. Snijbloemen kan je nog wel een tijdje in leven houden, maar het is onvermijdelijk dat ze zullen verwelken. Hetzelfde geldt voor de concepten die kunstenaars en vormgevers uit andere disciplines wegplukken. Het ‘recycleren’ gebeurt vaak te letterlijk, te vormelijk; er wordt nauwelijks ingegaan op de geschiedenis, op het groeiproces. Artistieke expressies worden uit hun context gerukt en op een ‘platte’ manier gebruikt. Vormen, begrippen en acties worden overgenomen zonder hun wortels. Op die manier krijg je iets dat weliswaar vormelijke overeenkomsten vertoont met andere artistieke disciplines, maar inhoudelijk leeg blijft. Concepten als ‘het lichaam als canvas’ of het ‘sculpturale’ wijzen op verbindingen tussen kunst en mode. Alhoewel het mijn bedoeling is om zulke begrippen en opvattingen te kaderen binnen de hedendaagse kunst en mode, wil ik eerst even terugschakelen naar een historisch referentiekader. In de werken van de Vlaamse Primitieven zoals Rogier van der Weyden en Jan van Eyck bemerk je een toegenomen belangstelling van kunstenaars voor het fenomeen mode. Dit heeft alles met de tijdsgeest te maken: in alle domeinen van de samenleving zie je tijdens de Laatgotiek de ontluikende behoefte om zich als individu te gaan uiten. Dankzij een groeiende economie en tal van technische innovaties die handwerkslieden in staat stellen om uitzonderlijke producten te vervaardigen, wint het fenomeen mode meer aan meer aan belangstelling. Met de opkomst van een rijke burgerij ontstaat er een maatschappelijke klasse die via mode hun nieuw verworven rijkdom en maatschappelijke status

wil tonen. Het is dan ook vanzelfsprekend dat je dezelfde interesse ziet opduiken in de schilderijen van de belangrijkste kunstenaars uit deze tijd, want hun opdrachtgevers waren net die burgerlieden. Wat opvalt in meerdere werken uit deze periode is de extravagantie in vorm en materiaalgebruik: puntige herenschoenen van meer dan 60 cm lang, vrouwenkleren met ingenaaide buikkussens, exuberante hoofdtooi enz. Hiëronymus Bosch putte voor de aankleding van zijn fantastische taferelen uit zijn directe omgeving. De schilderijen uit de renaissancetijd spiegelen nog meer het toenemende belang van mode in de maatschappij. Mode is een nieuw statussymbool geworden: adel en rijke handelaars willen hun weelde (uit-)dragen en er wordt dan ook op zeer expliciete manier omgegaan met kleuren, stoffen, accessoires en juwelen. Overdaad, impact en expressie zijn drie sleutelwoorden om de mode van de hoogste klasse te omschrijven in het Italië van de renaissance. Het doel van de kleding is om drama, spanning, exuberantie en grandeur te etaleren. Er is één kunstenaar uit deze periode die het maatschappelijke belang en de weelderige impact van de mode op een sublieme manier vertaalt: Tintoretto. De Venetiaanse schilder behandelt stoffen en kleding op een onwezenlijk sculpturale wijze. Hij gaat niet langer de mode­tendensen representeren, maar interpreteert de wijze waarop mode zich manifesteert en geeft er een eigen uitstraling aan. In zijn Laatste Avondmaal (1547, San Marcuola, Venetië) wordt de kledij van de apostelen en van Jezus op zo een weelderige en sculpturale manier gepresenteerd, dat ze fundamenteel bijdragen aan de expressieve kracht van het werk. De dynamiek van de compositie is voor een groot stuk gebaseerd op de behandeling van de kleren van de apostelen, net zoals de sociale dynamiek van het toenmalige Venetië zich vertaalt in een vestimentaire overdaad. In het werk Sint-Joris en de draak (ca. 1553, The National Gallery, Londen), gaat Tintoretto nog een stukje verder. Je ‘leest’ het schilderij helemaal vanuit de kledij van de vluchtende prinses op de voorgrond. Het blauw en het roze worden erboven herhaald in het wapperende gewaad van Sint-Joris en in de wolken. Tintoretto maakte trouwens geen onderscheid tussen zijn schilderijen en de andere aspecten van zijn artistieke creativiteit. Hij maakte onder meer ook patronen voor geweven stoffen en tapijten. Hij had een grote interesse voor archi­tectuur en speelde een rol in de wereld van de muziek, literatuur en theater. Kortom, hij beschouwde zijn werk als een Gesamtkunstwerk. Zijn aanpak heeft een grote invloed gehad op andere kunstenaars zoals Velázquez, Delacroix, Manet en Cézanne, en op schrijvers en denkers zoals Oscar Wilde en Jean-Paul Sartre.


pagina 21

Sint-Joris en de draak, Jacopo Tintoretto. Š The National Gallery, London 2013

Kwintessens


T H E M A

Het samengaan tussen kunst en mode is het sterkst wanneer de heersende cultuurbeleving geen onderscheid maakt tussen vrije en toegepaste kunsten. De vormentaal primeert, en van daaruit worden vervolgens de artistieke producten afgeleid. De art nouveau is daar een mooi voorbeeld van: kunst en design waren toen intrinsiek verbonden. Kunstenaars gingen er niet van uit dat er een verschil bestond tussen het creëren van een uniek kunstwerk zoals een schilderij of sculptuur en het ontwerpen van een object dat gereproduceerd kon worden. De waarde van de artistieke creatie werd als gelijk beschouwd. Je kan voor deze periode ook niet stellen dat mode de trends binnen de beeldende kunst enkel maar echode. De esthetica van het modernisme was in elk domein gelijktijdig aanwezig, juist omdat het vaak dezelfde kunstenaars waren die in verschillende disciplines actief waren. De typische S-vorm die zo kenmerkend is voor de art nouveau vind je terug in zowel de architectuur, de grafische kunst, de schilder- en beeldhouwkunst, de mode als in de glas- of keramiekkunst.

Wanneer modeontwerpers afstappen van het uitgangspunt dat hun creaties ook commercieel levensvatbaar moeten zijn, opent zich een heel nieuwe wereld waarin de artistieke creatie primeert. Het begin van de 21ste eeuw kent zo’n geïntegreerde visie niet. Er is nu wel een sterke doorstroming van ideeën en concepten, maar die vertrekt niet vanuit een middelpuntvliedende artistieke visie. Binnen een sterk geïndividualiseerd landschap zijn er tal van cross-overs waarbij gelijk­ lopende inzichten een bepalende rol spelen in de manier waarop we kunst en mode benaderen. Waar ik vanaf wil is de zwart-witbenadering als zou mode oppervlakkig en tijdelijk zijn, en kunst net diepzinnig en universeel. Er zijn inhoudelijke aspecten die binnen beide disciplines ontwikkeld worden, zoals de belangstelling voor het lichaam, de rol van performance en een conceptuele werkmethode. Voor de hand liggende verbindingen die gemaakt kunnen worden aan de hand van begrippen als ‘schoonheid’ zijn echter gevaarlijk en leiden vaak tot spanningen tussen de disciplines en tot misverstanden bij het brede publiek.

pagina 22

Het lichaam als drager van een visie De Vitruviusman van Leonardo da Vinci is veruit het bekendste voorbeeld van de mens als maat van alle creatie. Nog meer dan bij de beeldende kunst is het menselijke lichaam het exclusieve uitgangspunt voor modeontwerpers. De boeiendste cross-overs vind je dan ook daar waar mode en kunst zich gaan focussen op de metamorfose van het lichaam. Is er bijvoorbeeld nog een onderscheid te maken tussen de tatoeage (het kruisje van hun logo) die A.F. Vandevorst op de huid van een model liet aanbrengen, en het woord ‘Guilty’ dat de Britse kunstenaar Douglas Gordon op de schouder van Oscar van den Boogaard liet tatoeëren? Binnen de figuratieve kunst speelt het lichaam vanzelfsprekend een centrale rol. Zowel kunstenaars als modeontwerpers hebben de taak om het lichaam ‘aan te kleden’ en op iconografisch vlak zie je dan heel boeiende uitwisselingen. Doorheen de geschiedenis gaan kunstenaars steeds weer terugvallen op de gangbare mode van hun tijd, ook nu nog. De enigmatische graffitikunstenaar Banksy gebruikt vaak de

Amerikaanse rapcultuur en bijhorende vestimentaire codes om zijn maatschappijkritisch discours te accentueren. Legio zijn ook voorbeelden van modeontwerpers die expliciet verwijzen naar een bepaalde vormentaal binnen de moderne en hedendaagse kunst. Wereldberoemd is de Mondriaan-jurk van Yves Saint Laurent uit 1965. Wanneer modeontwerpers afstappen van het uitgangspunt dat hun creaties ook commercieel levensvatbaar moeten zijn, dan opent zich een heel nieuwe wereld, eentje waarin de artistieke creatie primeert. Belangrijke designers die het lichaam aanschouwen als een naakte sculptuur waarmee men naar hartenlust aan de slag kan gaan, zijn bijvoorbeeld de Japanse modeontwerper Rei Kawakubo van Comme des Garçons en haar protegé Junya Watanabe, het Nederlandse ontwerpersduo Viktor & Rolf en natuurlijk Walter Van Beirendonck. Als je mode definieert als een stijl die door velen gedurende een korte periode gedeeld wordt, dan kan je hun extravagante ontwerpen probleemloos omschrijven als ‘antimode’. Hun ontwerpen worden onderbouwd door concepten als deconstructie, vervorming, gelaagdheid en identiteit. Er ontstaat een subtiel spel tussen observeerder en geobserveerde, tussen subject en object. Met een identiek vocabularium kan je ook de bodyart van kunstenaars als Orlan, Marina Abramovic of Chris Burden benaderen, of de extreme performances van de Weense Aktionisten zoals Hermann Nitsch en Otto Mühl duiden.

Concept en performance als methode Bodyart als een stroming binnen de hedendaagse kunst combineert een specifieke artistieke benadering (conceptuele kunst) met een nadrukkelijk artistieke presentatievorm (performance). Beide elementen zijn eveneens van bijzonder belang binnen de wereld van de modeontwerpers. Conceptuele kunst stelt het idee primair; de reflectie is belangrijker dan het uiteindelijke fysieke kunstwerk. Conceptuele kunst is een onderzoek naar beeldende conventies, een onderzoek dat sporen nalaat in de vorm van teksten, video’s of foto’s van bepaalde evenementen. De meeste uitingen van conceptuele kunst zijn tijdelijk en concretiseren zich in performances. Deze snelle dynamiek vertoont veel parallellen met de mode en háár vooraanstaande relatie met het tijdelijke. Het was een generatie van zeer getalenteerde Japanse modeontwerpers zoals Issey Miyake, Yohji Yamamoto en Rei Kawakubo die begin jaren 80 deze parallellen onderzochten en een conceptuele artistieke benadering vertaalden naar hun ontwerppraktijk. Hun winkels lijken op white cube kunstgalerieën en hun modeshows zijn doordachte en onderbouwde performances. Alle drie bleven ze doorheen hun carrière de grens tussen kunst en mode exploreren. De Engelse ontwerper Hussein Chalayan diept de symbiose tussen modeontwerper en conceptueel kunstenaar nog verder uit. Vanuit een gelijkaardige visie als die van Tintoretto op het creatieve proces maakt Chalayan geen onderscheid tussen de verschillende disciplines. Hij vertaalt zijn ideeën over wetenschap, religie en architectuur zowel naar de cat­ walk als naar de kunstgalerie. In 2010 presenteerde hij in de Lisson Gallery in London zijn eerste kunstwerk, I Am Sad Leyla, dat visueel niet rechtstreeks gerelateerd was met zijn mode. Naar de inhoud – de exploratie van het concept ‘identiteit’ – is er wél een directe link met zijn modeontwerpen. De recent afgestudeerde Britse modeontwerper Craig Green maakte op de London Men’s Fashion Week 2013 heel


Mondriaan Dress, Yves Saint Laurent. Foto: A. Guirkinger © Fondation Pierre Bergé – Yves Saint Laurent

pagina 23 Kwintessens

© Jan Mot, Brussels/Mexico City

Tattoo (for reflection), Douglas Gordon.


Hussein Chalayan. Š the artist and

Lisson Gallery

pagina 24

Walter Van Beirendonck & Folkert de Jong (hoed). Foto: Dan Lecca

Silent Secrets, SS13,

T H E M A

Banksy

I Am Sad Leyla,


Schoonheid als finaliteit? Tussen mode en kunst blijft er natuurlijk altijd een onderscheid bestaan. We kunnen wél vaststellen dat beide disciplines heel dicht in elkaars buurt komen, dat grenzen vervagen en dat er interessante cross-overs ontstaan. Nochtans is er volgens mij één duidelijk te onderscheiden criterium dat bepaalt of we met kunst of mode te maken hebben, en dat is de rol van het concept ‘schoonheid’ binnen het creatieve proces. In de modewereld is schoonheid een doel op zich, zowel in het ontwerp als in het eigenlijke gebruik van het ontwerp. Hoe extreem je die schoonheid ook gaat definiëren (cf. Vivienne Westwood), het ontwerp heeft tot doel om de drager een formele schoonheid aan te bieden waarmee hij of zij zich kan identificeren, en die een onderdeel is van de constructie van diens sociale identiteit. In kunst is schoonheid echter nooit een doel op zich maar slechts een middel. Kunst wordt niet gemaakt om enkel mooi te zijn, toch niet die kunst die onderdeel uitmaakt van de kunstgeschiedenis. Schoonheid is een bijproduct: het helpt om de principiële betekenissen en doelstellingen van het kunstwerk uit te dragen, maar verder heeft het geen finaliteit.

In de modewereld is schoonheid een doel op zich, zowel in het ontwerp als in het eigenlijke gebruik van het ontwerp. Dit onderscheid houdt geen waardeoordeel in, het laat enkel toe om op de juiste manier over de juiste dingen te spreken. Grenzen dagen kunstenaars en modeontwerpers trouwens uit om overschreden te worden. Scheidingslijnen stimuleren creativiteit en innovatie. Kurt Vanbelleghem

AW13, Craig Green

pagina 25

Kwintessens

SS13, Hussein Chalayan

wat indruk met zijn sculpturale performances. Zijn gebruik van een conceptueel kunstkader is uitgesproken. Hij heeft dan ook een achtergrond als beeldend kunstenaar. De presentaties van zijn collectie omschrijft hij als performances, waarbij de sculpturale kledingstukken zo ontworpen zijn dat ze een beeld creëren vanuit hun schaduwen en reflecties.


T H E M A

Couture Graphique

Logo’s, lookbooks en het T-shirt als pamflet

Met mode communiceren we dagelijks. Toch is Couture Graphique in het Museum of the Image (MOTI) in Breda de eerste tentoonstelling die de relatie tussen mode en grafische vormgeving diepgaand onderzoekt. De expositie Couture Graphique laat zien dat beide disciplines steeds sterker met elkaar verweven raken: “Merkbeleving is in de afgelopen decennia zo belangrijk geworden dat modehuizen tegenwoordig bijna kunnen bestaan zónder kleding”, stelt curator en modelector José Teunissen.

pagina 26

Hoe ontstond het idee achter deze tentoonstelling? Het idee komt van Mieke Gerritzen, directeur van MOTI. Zij merkte dat er nog maar weinig over het onderwerp was geschreven. Het opzetten van de tentoonstelling was heel arbeidsintensief, maar het resultaat is dan ook des te leuker. Alle grote modemerken wilden meewerken, van Vuitton tot Viktor & Rolf, en we hebben diverse stukken in bruikleen uit de collectie van het ModeMuseum in Antwerpen. Wanneer is grafische vormgeving een rol gaan spelen in de mode? In 1858 naaide de Franse couturier Charles Frederick Worth het eerste label in een kledingstuk. Mode werd daarmee een merk. De eerste ontwerper die een coherente visuele stijl neerzette – of brand image zoals we het vandaag noemen – was Coco Chanel. Het parelsnoer, de contrasterende bies, de dubbele c op de gouden knoop, de camelia, de handtas met ketting: stuk voor stuk herkenbare beelden die soms zelfs symbolen voor emancipatie zijn geworden. Ook Viktor & Rolf hebben een rijke, gelaagde beeldtaal ontwikkeld. Net als Chanel geven zij de voorkeur aan een klassiek kledingrepertoire met smokings, broek­pakken, veel zwart-wit en natuurlijk het logo in de vorm van een zegel. Door elementen te vergroten of te verkleinen spelen ze met proporties en dat maakt het tegelijkertijd herkenbaar maar ook spannend.

Tegenwoordig huren modehuizen artdirectors in om hun wereld grafisch te verbeelden. Journalist Tamsin Blanchard beschrijft dat in de tentoonstellingscatalogus als volgt: “Op een gegeven moment moet je toch duidelijk maken waarom je het ene of het andere witte overhemd wilt kopen.” Anders gezegd: het gaat om de wereld die erachter zit. Jonge avant-gardeontwerpers namen hierin het voortouw in de jaren 80 en lieten met een herkenbare huisstijl hun nationaliteit spreken. Zo is Paul Smith onmiskenbaar Brits en refereert aan klassieke mannelijke tailoring, terwijl Yohji Yamamoto het beeld oproept van traditionele Japanse kleding vermengd met een westerse coupe. Eind jaren 90 zijn bijna alle klassieke couturehuizen opgekocht door grote investeerders en volgen ook zij met grootse vernieuwingen. Artdirectors die hun sporen vaak al verdiend hebben in de popmuziek met het ontwerpen van covers en affiches, worden voortaan aangesteld voor het ontwerpen van logo’s, lookbooks, verpakkingen en advertenties. Wat levert die kruisbestuiving op? De modewereld wordt groter en dat draagt bij tot commercieel succes. Neem Marc Jacobs, die een belangrijke rol heeft vervuld in de herpositionering van Louis Vuitton. Aanvankelijk werd hij enkel gevraagd om een bijpassende kledinglijn voor het tassenmerk te ontwikkelen. Niet veel later schakelde hij bekende kunstenaars in om het klassieke logo nieuw leven in te blazen. Dankzij deze moderne beeldtaal werd het merk weer populair. Hetzelfde geldt voor Burberry: sinds Christopher Bailey in 2001 is aangesteld als creatief directeur heeft het bedrijf een explosieve groei doorgemaakt en spreekt het een andere doelgroep aan, puur door bestaande producten anders te fotograferen en slim gebruik te maken van sociale media.

“Kleding bepaalt de identiteit van een persoon en communiceert iemands houding een gedrag. Prints, patronen en andere grafische elementen maken die communicatie nog directer.” – José Teunissen Toont Couture Graphique vooral mode of meer grafisch werk? Het is een mix van beide. Er is een zaal gewijd aan ontwerpers die van nature heel grafisch te werk gaan en zich veelal laten inspireren door stripboeken, poppetjes en iconen. Denk aan Walter Van Beirendonck, Bas Kosters, de etnografische dessins van Bernhard Willhelm en de inte­ ressante breisels van Henrik Vibskov. Alle vier bouwen zij


studenten Gerrit Rietveld Academie, SS03

U beschouwt mode als één van de meest essentiële communicatiemiddelen. Met mode communiceren we dagelijks. Kleding bepaalt de identiteit van een persoon en communiceert iemands houding en gedrag. Prints, patronen en andere grafische elementen maken die communicatie nog veel directer en zijn de afgelopen decennia steeds invloedrijker geworden in de mode.

Uitnodiging voor Viktor & Rolf,

pagina 27

Toch zijn bepaalde communicatieve aspecten juist verloren gegaan. Waaiertaal bijvoorbeeld, of kleding die verraadt tot welke rang of familie iemand behoort, zoals in de middeleeuwen. Wat is daarvoor in de plaats gekomen? Individualiteit. Vanaf het moment dat kleding in de 19de eeuw goedkoper gemaakt kon worden voor de steedse burgerij ontstond de behoefte om een eigen smaak en stijl te ontwikkelen. Dit werd nog sterker in de 20ste eeuw met de democratisering van mode. Een nieuw communicatiemiddel voor de modemerken is de modefilm. De tentoonstelling eindigt daarmee, omdat dit medium nog volop in ontwikkeling is. Van Issey Miyake tonen we geen collectiestukken, wel een film met bijbehorende grafische uitingen.

De meest opmerkelijke cross-over tussen mode en grafische vormgeving is het T-shirt. Hoe ziet de toekomst van de modecommunicatie eruit? De volgende stap is dat modeontwerpers gaan samenwerken met wetenschappers en technici. De laatste ruimte van de tentoonstelling is ingericht als lab waar workshops worden gegeven en jonge ontwerpers onderzoek kunnen doen naar mode en techniek. Digitalisering beïnvloedt in hoge mate de communicatie. Een mooi voorbeeld daarvan is het project Soundwear van de Engelse ontwerper Simon Thorogood: een interactieve tool waarmee silhouetten kunnen worden gecreëerd aan de hand van muziekfragmenten. Dit soort smart textiles zijn typerend voor de richting die de mode zal inslaan: in een maatschappij met zoveel impulsen is het een logische stap dat we weer vanuit het gevoel gaan ontwerpen, met stoffen die reageren op het lichaam. Met de komst van dit soort technologieën begeven we ons op een kantelpunt. Een onderwerp an sich, waartoe we in Couture Graphique slechts een aanzet geven.

Uitnodiging voor Viktor & Rolf, Piet Paris, SS11

Kwintessens

aan een compleet eigen universum. Paul Boudens heeft een wand samengesteld met een selectie uitnodigingen en lookbooks die normaal gesproken alleen door pers en genodigden worden gezien. Interessant is dat dit verrassende drukwerk vaak helemaal in harmonie is met de collectie. Er is ook een pop-upshop van A.F. Vandevorst in de vorm van een miniziekenhuis. TSTSITW ofwel The Smallest Travelling Store in the World weerspiegelt de onmiskenbare beeldtaal van het Belgische modehuis dat tegelijkertijd bijna een ‘anti­merk’ is, net als Maison Martin Margiela.


Fat people are harder to kidnap, Antoine Peters, AW08

Uitnodiging voor Jurgi Persoons, Paul Boudens, AW99

pagina 28

T H E M A


Zijn deze ontwikkelingen ook op andere terreinen voelbaar? Innovatie gebeurt in alle domeinen. Het klinkt misschien gek, maar mode lijkt in dat opzicht nog het meest op de voedingsindustrie. Kleding- en textielproducenten maken zich zorgen, want 40% van de kleding die vandaag geproduceerd wordt, verdwijnt ongebruikt in de vuilbak. Net als bij voeding wordt de consument nieuwsgierig naar het productieproces: waar komt dit artikel vandaan, hoe wordt het geproduceerd? Slow food en slow fashion zijn de antwoorden op deze zoektocht naar iets oorspronkelijks. Wanneer je technologie linkt aan duurzaamheid, dan ontstaat er een soort nieuwe ‘luxe’. Met voedsel is daar nu al sprake van: je kan immers perfect om de supermarkt heen. Ik ben ervan overtuigd dat er ook in de mode kansen zijn voor klein en lokaal, al was die ruimte er lange tijd niet.

Read My Skin, Walter Van Beirendonck, SS11

Kwintessens

Wat is de meest opmerkelijke cross-over tussen mode en grafische vormgeving? Het T-shirt. Van de jeugdcultuur in de jaren zestig met Katharine Hamnett en Vivienne Westwood die er hun politieke ideeën mee ventileerden, tot recente exemplaren van Maison Martin Margiela en Comme des Garçons: op één of andere manier krijgt dit kledingstuk steevast de functie van een pamflet. We hebben daarom een volledige wand aan dit interessante medium gewijd. Ontwerpers van streetwear en graffiteurs als Piet Parra en Bape produceren ze in kleine oplages, wat de waarde van het product verhoogt. Het T-shirt is – net als de jeans – een tijdloos stuk dat in vrijwel geen enkele collectie ontbreekt. Tot slot: u pleit ervoor dat mode niet als oppervlakkig wordt bestempeld maar dat mode als cultuurfenomeen wordt bestudeerd. Hoe draagt Couture Graphique hieraan bij? Ik hoop dat bezoekers verder kijken dan de vraag: vind ik dit mooi, wil ik het kopen? Ik wil dat ze het grotere geheel van de mode-industrie zien: kleding als onderdeel van een brand waarbij grafische vormgeving en communicatie strategisch worden ingezet. Tegenwoordig kan een modemerk bijna bestaan zónder kleding. De resultaten van het onderzoek worden meegenomen in het kennisplatform van de Mode Biënnale Arnhem 2013. Ik trek ook de kar van het innovatienetwerk rond mode binnen de topsector Creatieve Industrie (de Nederlandse overheid besteedt voortaan bijzondere aandacht aan 9 sectoren waarin het land excelleert, red.). Ook daarin werken we vanuit de achterliggende gedachte dat wetenschappelijk onderzoek de modesector kan versterken. Aan de tentoonstelling wordt tevens een project gekoppeld met seminars voor studenten, dat ruimte biedt voor interessante actuele discussies.

www.motimuseum.nl Natasja Admiraal

pagina 29

Afbeelding uit een

Couture Graphique loopt tot 8 augustus 2013 in MOTI, Breda. Bij de tentoonstelling verschijnt een gelijknamige publicatie, ontworpen door Paul Boudens, de artdirector die veel samenwerkt met Walter Van Beirendonck en Martin Margiela. De vormgeving van de tentoonstelling is in handen van Paul Boudens en Gijs Frieling.

A.F. Vandevorst lookbook, AW03


Ruimte in beweging

Het werk van Sara Plantefève-Castryck

Sara Plantefève-Castryck

T H E M A

Vier witte wanden, een witte vloer, witte sokkels, wit papier en wit textiel: het zou het interieur kunnen zijn van een uitgezuiverd modernisme. Maar textielontwerpster Sara Plantefève-Castryck bekleedt dit obsessief met zwart-wit patronen, soms in een spel van positief en negatief. Het resultaat is een grafisch-textiele madness.

pagina 30

Mode en interieur worden beide geassocieerd met aankleden. Niet alleen de burgerij en de avant-garde van het negentiende-eeuwse fin-de-siècle hebben op de gelijkenis gewezen en de parallellie in de praktijk uitgewerkt. Ook protagonisten van het twintigste-eeuwse modernisme brachten vanuit een eigen filosofie mode en interieur in hun ontwerpen bijeen. En Le Corbusier vergeleek de uitzuivering van het moderne wonen met de effen colbert en gladde witte boord van het sobere herenkostuum.1 De interactie kenmerkt ook veel van het hedendaagse denken over design. Recent was dit nog te zien in de tentoonstelling

1. Zie voor een bespreking hiervan Mark Wigley, “Architecture after Philosophy: Le Corbusier and the Emperor’s New Paint”, in: Journal of Philosophy and the Visual Arts, 2, 1990, pp. 84-95.

Front to Back (najaar 2012) van Fransje Killaars: handgeweven textiel vormde de basis voor installaties die de betonnen ruimten van Fort bij Vijfhuizen (Nederland) in bonte kleuren aankleedde. Tegelijkertijd nodigden de met textiel bedekte of omwikkelde figuren uit om na te denken over het cultureel gebruik van textiel en mode. Interieurdesign en mode zijn door dit aankleden erg aan elkaar verwant.

Le Corbusier vergeleek de uitzuivering van het moderne wonen met de effen colbert en gladde witte boord van het sobere herenkostuum. Op de laatste architectuurbiënnale van Venetië (najaar 2012) werd het Nederlandse paviljoen onder handen genomen door het ontwerpbureau Inside Outside van Petra Blaisse. Een bewegende textiele installatie hertekende voortdurend de bestaande ruimte van het paviljoen. De interventie creëerde nieuwe perspectieven en mogelijkheden voor de architectuur. Niet voor niets sprak Dirk van den Heuvel reeds jaren geleden in een artikel over het werk van Petra Blaisse als over ‘de architectuur van het kleed’ en schreef hij: “Lange tijd was het kleed niet denkbaar in de architectuur. Structuur en constructie domineerden het moderne architectonische denken. Herlezingen van de theorieën van Gottfried Semper brachten een radicale wijziging in het beschrijven van de eigentijdse architectuurproductie.” 2 Semper wijst in zijn negentiende-eeuwse teksten op de gelijkenissen tussen de Duitse woorden ‘Wand’ (wand) en

2. Dirk van den Heuvel, “Inside-outside. Over het werk van Petra Blaisse en de architectuur van het kleed”, in: Oase, 47, 1997, p. 3.


‘Gewand’ (gewaad) en definieert ‘Bekleiding’ (bekleding, aankleding) als belangrijkste element van architectuur. Toch blijven architectuur, interieurvormgeving en kledij of mode vaak gescheiden terreinen, zowel in de ontwerp­praktijk als in het (kunst)historisch onderzoek. In zijn inleiding tot het boek Fashion, Interior Design and the Contours of Modern Identity (2010) stelt John Potvin: “Interior design, and specifically the domestic, has been occluded in discussions of fashion. Interior design marks out a liminal space and enterprise dubiously situated somewhere between architecture and fashion.” 3 De niet duidelijk gedefinieerde plaats van het ‘aankleden’ van een ruimte – ergens tussen architectuur en mode – is meteen ook een interessante uitdaging.

ene beeld of aspect dat mij triggert en mij inspireert in het maken van een stof of textielobject. Als ex-student grafisch ontwerp heb ik het gevoel dat ik in mijn werk steeds weer op zoek ben naar een grafisch aspect, een aspect dat ik vaak door middel van fotografie en een spel tussen 2D en 3D tot uiting zal brengen. Enerzijds is er die zoektocht naar het abstracte en afstandelijke, waar digitale middelen zoals fotografie worden ingezet en anderzijds is er een zoektocht naar de schoonheid van het onvolmaakte, weg van het digitale en terug naar het handschrift van een tekening dat zorgt voor een persoonlijke toets.”

“Ik heb het gevoel dat wij, de jongere generatie die als het ware met deze technologie is opgegroeid, meer afstand zal nemen van de digitale wereld. We zijn niet meer onder de indruk van het zoveelste technologische snufje. We zoeken eerder contact met materie en werkwijze.” – Sara Plantefève-Castryck

Schoonheid van het onvolmaakte Hoe krijgt dit gestalte in de visie van een jonge textielontwerpster als Sara Plantefève-Castryck? Ook zij kleedt de naakte wanden van een ruimte aan, maar niet om tegemoet te komen aan het verlangen naar behaaglijk wonen. Ze bekleedt een kubusachtige constructie volledig met papier, textiel en kledij die drukke grafische patronen vertonen. In haar uitgangspunt is een brede kijk op de dingen belangrijk. “Mijn textielwerk ontstaat door het inzetten van meerdere disciplines. Een onderzoek begint met het opzoeken in boeken en magazines, het fotograferen, scannen en weer bewerken van beelden. Het is een hele zoektocht naar dat

3. John Potvin, “The Velvet masquerade: fashion, interior design and the furnished body”, in Alla Myzelev en John Potvin (eds), Fashion, Interior Design and the Contours of Modern Identity. Surrey: Ashgate, 2010, p. 2.

pagina 31

Dit onvolmaakte en persoonlijke hebben voor Sara PlantefèveCastryck ook betekenis in relatie tot de ‘future textiles’. Technologie en digitale ontwikkelingen zullen een grote invloed hebben op hoe we met textiel omgaan, toch laat ze zich als ontwerpster er niet te direct door leiden. “Ik heb het gevoel dat wij, de jongere generatie die als het ware met deze technologie is opgegroeid, meer afstand zal nemen van de digitale wereld. We zijn niet meer onder de indruk van het zoveelste technologische snufje. We zoeken eerder contact met materie en werkwijze. Dat is voor mij als textielontwerper erg belangrijk. Ik wil technologie niet verbannen, maar zoek naar een harmonieus evenwicht. Handbeschilderde stukken creëren een emotionele waarde die je niet ervaart bij digitale prints. Het hele proces is belangrijk. Het ontstaat bij het tekenen en het ontwerpen. Dan volgt het onderzoek naar geschikt materialen, stoffen, borduursels of verven. Uiteindelijk begint het ontwikkelingsproces, een proces waar je vaak in een mentale toestand belandt. Het vergt enige con-

Kwintessens

24 Hours nr 1, Fransje Killaars. Foto: Roy Villevoye

Front to Back, Fransje Killaars, Fort bij Vijfhuizen. Foto: Ronald Sekan


pagina 32

Sara Plantefève-Castryck

T H E M A


pagina 33 Sara Plantefève-Castryck

Kwintessens


T H E M A

centratie om een lap textiel tot een goed einde te brengen. Het creëert een soort mentale ruimte in jezelf. Het is een toestand die ook vaak in het weefproces wordt omschreven: een verlies van tijd en ruimte en een plek om tot jezelf te komen. Wanneer je op het einde van het proces het zeefraam omhoog tilt of wanneer je de stoffen uitspoelt, slechts dán weet je of je werk vruchten heeft afgeworpen. Het is steeds weer spannend. Een handmatig stuk heeft voor mij een soort puurheid in zich. Dit alles geeft mij de kans om een band te smeden met mijn werk en een persoonlijke taal te ontwikkelen.”

Liefde voor grafisch ontwerp en voor textiel

pagina 34

De tekeningen worden op weefsels geprint en in breisels verwerkt, waarbij de structuur en textuur van het textiel de tekeningen beïnvloeden. Lagen over elkaar herhalen de idee van ‘bekledingslaag’ en creëren verbanden. Dunne stoffen houden even halt tegen de wand, als beweeglijke sluiers. Bollen wol geven de grafische patronen meer substantie en vormen zachte tegengewichten voor de strakke vlakken van de ruimtelijke architectuur. De opstelling lijkt ook de mogelijkheid in te houden dat patronen zich kunnen verplaatsen, elders tegen de wand of op de vloer kunnen worden gelegd. Wanneer de ontwerpster zelf aanwezig is, wordt ze via haar kledij een fragment van het grafische geheel. Ze accentueert hierbij de tegenstellingen van de installatie, of het nu gaat om structuur-decoratie, 2D-3D, stilstand-beweging, herkenning-vervreemding, of om eigenschappen zoals visueel-tactiel, uniform-gevarieerd, hard-zacht, wit-zwart, intellectueel-sensueel, materieel-immaterieel. Dit samengaan van idee, materie en beeld moet zo perfect mogelijk zijn en is het resultaat van gericht onderzoek. “Voor mijn werk

heb ik me vooral geconcentreerd op het overzetten van het handmatige van een tekening naar textiel. Het begon met een tekening waar ik vlakken obsessief vulde met bollen, kruisen en lijnen. Dit evolueerde naar andere patronen, stoffen en textielobjecten die het obsessieve van de tekeningen en een specifiek handschrift in zich dragen. Wanneer ook de wanden met dezelfde patronen worden beschilderd, gaan de stoffen en kledingstukken op in hun omgeving. Een logische laatste stap in dit proces was het creëren van een volledige ruimte waar je als toeschouwer als het ware geabsorbeerd wordt door de omgeving en de patronen. Kunstenaars die als inspiratiebron dienden waren onder andere Yayoi Kusama, Keith Haring en Tsumori Chisato. Ik koos er bewust voor zelf een ruimte te creëren in plaats van een bestaande ruimte te bekleden, ook al zou dat een interessant uitgangspunt zijn. Zelf een ruimte creëren was de juiste manier om een beslotenheid te ontwerpen waar je als toeschouwer toe aangetrokken wordt en waar je aandacht niet verstoord wordt door visueel niet passende objecten. Ik wou een totaalconcept creëren waar textiel en architectuur in relatie staan tot elkaar en elkaar aanvullen en waar mijn liefde voor grafisch ontwerp en voor textiel harmonieus samenvloeien.” De installatie is een wereld op zich en creëert geen tegenstelling tussen binnen en buiten of tussen geometrische architectuur en ‘zacht’ gemaakte woning. De ruimte is claustrofobisch en werkt dwingend in op de toeschouwer.

Installatie architectuurbiënnale Venetië 2012, Inside Outside. Foto: Rob ‘t hart


Samenwerking en interessante tussengebieden De wisselwerking tussen kunst en design creëert voor Sara Plantefève-Castryck een interessant tussengebied, dat ze ook herkent in de ontwerpen van het Deense modelabel MoonSpoon Saloon, waarvan ze recentelijk in Noorwegen een workshop volgde.

pagina 35

Paris Fashion Week

SS13, Marc Jacobs en Daniel Buren voor Louis Vuitton,

“Dit label met zijn geschilderde stoffen en overweldigende silhouetten spreekt me visueel en conceptueel erg aan. Het merk is niet alleen binnen de modewereld actief, maar zoekt ook samenwerking met kunstenaars en designers. Op haar modeshows vergroot Sara Sachs, ontwerpster van MoonSpoon Saloon, vaak het theatrale van de catwalk uit. MoonSpoon Saloon is uitgegroeid tot een label waar de grens tussen mode en performancekunst volledig lijkt weg te vallen. De catwalk outfits zijn vaak geïnspireerd op kostuumontwerpen van voormalige performances waaraan ze meewerkte. Het kan niet theatraal en surrealistisch genoeg zijn en toch blijkt het perfect te werken. Bij het begin van de workshop vatte Sara Sachs haar merk samen in de omschrijving: ‘we’re a fashion label with an artistic eye’. Ook andere kunstenaars of designers hebben al gewerkt in het gebied tussen kunst en design, zoals de reeds vermelde Yayoi Kusama. Onlangs is Yayoi Kusama nog ingegaan op een samenwerkingsvoorstel van Marc Jacobs voor Louis Vuitton. In dit laatste voorbeeld gaat het om een letterlijk kopiëren van Kusama’s bekende bollenpatroon op de kleding- en accessoirecollectie Infinity Dots. Bij MoonSpoon Saloon gaat het echter om nieuwe interpretaties.”

“Het is interessant hoe Marc Jacobs speelt met het grafische element in zowel zijn kledij als de ruimte waarin hij deze presenteert.” – Sara Plantefève-Castryck Ondanks de visuele drukte van de grafische patronen is het stil in de installatie van Sara Plantefève-Castryck. De ruimte, in zekere zin uiteengespat in zwarte stukjes armatuur, is opgeslorpt door een zwijgend wit en zwart, als sneeuw in beweging. De beslotenheid van de ruimte krijgt zo een weidsheid, die de Franse filosoof Gaston Bachelard in La poétique de l’espace (1957) via een citaat uit Henri Bosco’s Malicroix (1948) op poëtische wijze onder de aandacht bracht: “Rien ne suggère comme le silence le sentiment des espaces illimités. J’entrai dans ces espaces. Les bruits colorent l’étendue et lui donnent une sorte de corps sonore. Leur absence la laisse toute pure et c’est la sensation du vaste, du profond, de l’illimité qui nous saisit dans le silence.” Lut Pil

Kwintessens

Zonder focuspunten om zich op te richten, vraagt alles om aandacht in een veelheid aan fragmenten die nooit tot een eenheid samensmelten. Tegelijkertijd verdwijnt dat waar de blik zich op richt weer in een vibrerend spel van figuur en achtergrond. Kijken wordt hier een erg zintuiglijke activiteit, een visueel aftasten, zonder dat dit haptische kijken een echt zacht oppervlak raakt. Bollen wol en zijde zijn er eerder tekening of grafisch volume. De ruimte heeft een optische ‘boventoon’ in een ritme waar patronen botsen, zich herhalen, variëren en waar stoffering van de wand en aankleden van het lichaam visueel, materieel en misschien ook conceptueel inwisselbaar zijn. Het wordt een ruimte voor ongebreidelde grafische fantasie die in al haar madness een overvloed creëert die tegelijkertijd binnen de contouren van de wanden en van het geometrische raster van de compositie wordt gehouden. Tussen de architecturale structuur, de patronen, het textiel, de kledij en de toeschouwer ontstaan uiteenlopende interacties. “Ik heb het gevoel dat textiel en architectuur altijd al nauw verbonden zijn geweest. Textiel gaat als het ware de architectuur verbergen of juist benadrukken. Textiel wordt zo driedimensionaal, of het nu op het lichaam is of in het interieur. Daarom wou ik net het omgekeerde onderzoeken: hoe kan je het driedimensionale terug naar het tweedimensionale vlak brengen? Hoe ver kan je gaan in het verbergen van de ruimte en wanneer wordt de verwarring compleet? Beweging is daarbij een belangrijk onderdeel van mijn werk. Het hoeft niet noodzakelijk beweging in de letterlijke vorm van het woord te zijn. Het spel tussen contrasten en patronen zorgt ook voor beweging op het platte vlak. Spelen met 2D en 3D zorgt dan weer voor interessante optische illusies die ik steeds verder probeerde te exploreren. Dit project handelde voor mij dus specifiek over ruimte in beweging. Je voelde dit zelfs letterlijk aan wanneer je te lang in de installatie bleef staan. Helder kijken en denken werd moeilijk. Enerzijds verwarde het visuele schouwspel de toeschouwer, anderzijds activeerde het hem om op zoek te gaan naar illusie en realiteit. Niet alleen de beweging in mijn werk is voor mij belangrijk, ook de beweging die het bij het publiek uitlokt. Verder kijk ik ook rondom mij en heeft de modewereld haar invloeden op mij gehad. Niet enkel grote namen uit de hedendaagse mode spreken mij aan (Marimekko, Tsumori Chisato, Eley Kishimoto enz.) maar ook uit het begin van de moderniteit zoals Sonia Delaunay, Oskar Schlemmer, de Wiener Werkstätte.” Sara Plantefève-Castryck was ook erg onder de indruk van het defilé van Louis Vuitton tijdens de recente modeweek in Parijs (najaar 2012), waar ontwerper Marc Jacobs samenwerkte met de Franse kunstenaar Daniel Buren, die zijn bekende strepen in de ruimte had geïntegreerd. De overeenkomst tussen zijn installatie en de collectie van Marc Jacobs voor Louis Vuitton was opvallend. “Het is interessant hoe Marc Jacobs speelt met het grafische element in zowel zijn kledij als de ruimte waarin hij deze presenteert. Het levert een visueel interessant schouwspel op en geeft zijn collectie volgens mij letterlijk en figuurlijk meer diepgang. Scenografie is in de mode een belangrijk aspect.”


T H E M A

Design als accessoire

Vier ontwerpers aan het woord Hedendaags design is vaak niet meer dan een gewaagd, opvallend of grappig object. Dat is zowaar het tegenovergestelde resultaat van wat ooit een basisgedachte van design was: de meest efficiënte vorm voor een bepaalde functie. Nochtans kunnen ze beide perfect samengaan. Kwintessens ging eens kijken in het atelier van vier Belgische ontwerpers die buitengewone accessoires aan de man brengen. Puur vakmanschap, gecombineerd met een eigenzinnige twist.

Some-thing-els. Vormgeven door gewaarwording Els Jacobs ontvangt ons in haar atelier en concept store in hartje Gent. Al tijdens haar studie textielontwerp aan La Cambre richtte ze haar label Some-thing-els op. De kern? Gebreide sjaals die ze eigenhandig op een van haar handbreimachines vervaardigt.

pagina 36

Je bent nog maar twee jaar aan de slag als zelfstandige, maar je strategie heeft intussen al een bocht van 180 graden gemaakt? In het begin richtte ik me vooral op het middensegment, met grote aantallen sjaals die ik opsplitste in verschillende lijnen. Vandaag sta ik dichter bij wat meer bij mij past: kleine oplagen van draagobjecten om te koesteren. Eerder dan collecties, gaat het om opeenvolgende onderzoek­ingen. Van zodra een onderzoek is afgerond, begin ik aan iets nieuws, vaak op vraag van de klant. Ik koester hechte samenwerkingen, zoals die met de herencollectie 7d of met Kim Stumpf. Zij hebben hun eigen stijl, totaal verschillend van de mijne, maar zo blijf ik wel alert voor wat er mogelijk is en leer ik mijn machines op een andere manier kennen, ver weg van mijn comfortzone. In hoeverre is deze concept store belangrijk voor je carrière? Mijn winkel is mijn visitekaartje. Ik hou van tastbare dingen. Het gevoel van ergens binnen te wandelen en de ontwerpen te kunnen bekijken en voelen: dat is heel belangrijk voor mij. Het biedt je een zin voor realiteit. In school besef je nog weinig van de essentie van het vak. Bij de opstart van je zaak duiken er dan allerlei beperkingen op. Niet dat ik die per se als negatief beschouw. Om het hele plaatje te doen kloppen, zijn er nu eenmaal grenzen nodig. Ik werk altijd vanuit wat kan, niet vanuit wat zou kunnen. Creativiteit mag

je niet beknotten, maar creatief zijn betekent voor mij ook zoeken naar oplossingen, flexibel zijn en openstaan voor andere visies. Waar put jij inspiratie uit? Ik ga altijd op zoek naar een samenhang van materie, kleur en structuur. Perceptie fascineert me: hoe en waarom we bepaalde dingen zien of niet zien. Inspiratie is echt overal aanwezig. Je moet er alleen vatbaar voor zijn. Het is eigen aan mensen om het altijd ergens anders te gaan zoeken, terwijl ik mijn inspiratie liever uit persoonlijke ervaringen haal. Mijn ontwerpstijl groeit ook heel organisch. Ik bepaal nooit op voorhand hoe mijn sjaals er moeten uitzien. Vind je het belangrijk om vernieuwend uit de hoek te komen? Ik zie mezelf als designer, niet als iemand die twee of meerdere collecties per jaar moet maken om mee te kunnen draaien. Die werkwijze past niet bij mij. Van mijn volgende sjaal wil ik zelfs maar één exemplaar produceren en de rest op bestelling. Weet je dat ik nog modellen van 2007 aan de man breng? In de mode zou dat een regelrechte schande zijn. (lacht)

“Creativiteit mag je niet beknotten, maar creatief zijn betekent voor mij ook zoeken naar oplossingen, flexibel zijn en openstaan voor andere visies.” – Els Jacobs Je maakte ook al textielobjecten voor de interieurwereld. Spreekt die mix van mode en design je aan? Absoluut. Ik maak graag tijdloze producten, gebruiks­ objecten die ontstaan op de scheidingslijn tussen kunst en design. In mijn oude lookbooks drapeerde ik mijn creaties altijd op modellen, maar eigenlijk werkt dat te beperkend. Je kent die sjaal slechts één functie toe, terwijl sjaals ook gewoon mooie objecten op zich zijn. Hang hem op een stoel of schik hem op een tafel en je puurt zijn mogelijkheden uit. Wat is voor jou per definitie een ‘saaie’ sjaal? Goh, ik word zelf ook weleens betrapt met een doordeweekse sjaal uit de Veritas of H&M. (lacht) Het leuke aan dit accessoire is dat je je het helemaal kunt toe-eigenen. Een jurk is een jurk en die kan je maar op één manier dragen, met een sjaal is dat anders. Smaak is trouwens heel persoonlijk. Het is aan mij om klanten te vinden die mijn werk naar waarde schatten. En dat lukt tot nu toe wonderwel. www.some-thing-els.be


Kwintessens

Some-thing-els

pagina 37


T H E M A

Atelier 11. Verbeelding boven alles Er waren eens … twee Antwerpse vrienden met een passie voor juwelen met een hoek af: arty, highbrow, experimenteel. Hun eigenzinnigheid komt daarbij van pas, maar veel belangrijker voor Ludovik Colpaert en Flor Janssens zijn techniek en vakmanschap. Onze conclusie? Die mannen van Atelier 11 zijn een krak in hun vak. Flor Janssens aan het woord. De concept store van Atelier 11 is bijna tien jaar oud. Wat is de balans? Onze concept store is gegroeid vanuit het atelier dat al enkele jaren bestond. De opdrachten waar we toen aan werkten, kwamen soms in de etalage terecht en zo werd de nieuwsgierigheid van onze eerste klanten gewekt. Ondertussen is de winkel uitgegroeid tot een walhalla voor Atelier 11-fans. Ze vinden er zo goed als elk juweel terug dat we de voorbije tien jaar realiseerden, al plaatsen we wel altijd de meest recente collectie van het Silver Label en Black Label op de voorgrond. Het pand is onze link met de buitenwereld, ook de beste manier om contact te houden met klanten en hen te tonen hoe divers onze ontwerpen zijn. Elke collectie vertelt zijn eigen verhaal. Waar blijven jullie na al die tijd inspiratie halen? Sommige thema’s hangen gewoon in de lucht. Andere kiezen Ludovik en ik uit eigen interesses, geïnspireerd door een bepaalde film of muziek. Soms brengt een thema zo veel ideeën naar boven dat we een deel ervan overdragen naar een volgende collectie en dan later pas uitwerken.

“Onze collecties zweven ergens tussen grensverleggend design en verkoopbaar producten.” – Flor Janssens (Atelier 11) Hoe belangrijk is het om vernieuwend te zijn? Onze juwelen gaan mee met de modeseizoenen: we werken dus twee keer per jaar een nieuwe collectie uit. In elke reeks proberen we innoverend te zijn. De ene keer gebruiken we een verrassend materiaal, de andere keer een experimentele techniek, zoals rubbercoating of filigraan. Dat gebeurt allemaal wel stap voor stap, zodat de collectie steeds herkenbaar blijft. We zweren hoe dan ook bij humor, kleur en sterke concepten.

pagina 38

Atelier 11 wordt vaak in één adem genoemd met statement jewelry. Welk statement willen jullie maken? We creëren geen juwelen louter voor de versiering, voor hun materiële waarde of blingbling-gehalte. Het zijn ook geen ontwerpen die je impulsief koopt. Ze passen bij je, of net helemaal niet. Als een collectie over rockabilly gaat, dan willen we dat de vrouw die dat juweel draagt haar stoere kant laat zien. Een man die een ketting met een zwaard rond zijn nek draagt, voelt zich klaar om de wereld te veroveren. Jullie juwelen worden ook weleens ‘kunst voor het lichaam’ genoemd. Lovende woorden? Het is een mooi compliment, dat wel, maar wij zullen onze ontwerpen nooit als kunst claimen. Het is net de bedoeling om een zo breed mogelijk publiek te bereiken en de elitaire status van een galerie of museum te omzeilen.

Voelen jullie soms een bepaalde druk om vanuit een commercieel oogpunt meer draagbare, alledaagsere juwelen te produceren? Wij ervaren dat niet als een druk, integendeel. Onze collecties zweven ergens tussen grensverleggend design en verkoopbare producten. We merken vaak dat modehuizen anders werken: zij gaan al snel de experimentele toer op, maar krijgen tegen het einde van de rit geen enkel stuk verkocht. Verloren moeite, als je het ons vraagt. Jullie werk viel al in de smaak bij internationale namen als Jean Paul Gaultier en Carolina Herrera. Nochtans modehuizen met een heel andere stijl dan die van Atelier 11, toch? Zulke ontwerpers komen niet naar ons voor de kenmerkende stijl van Atelier 11, wel voor onze visie en expertise. Ze weten dat Ludovik en ik met hen meedenken om samen tot een geslaagd resultaat te komen. Ze willen hun juwelen laten maken door ontwerpers, niet door edelsmeden. En daar zijn wij goed mee gediend natuurlijk. (lacht) www.atelierelf.com


pagina 39

Kwintessens

Atelier 11


T H E M A

SENNES. Passie voor textiel Traditionele materialen doen rijmen met de hedendaagse context, dat is het uitgangspunt van textielontwerpster Nele De Block. In het verleden vielen Tim Van Steenbergen, Peter Pilotto en Dries Van Noten als een blok voor haar weeftechnieken. Sinds 2010 geeft Nele vanuit een oude, vervallen boerderij in Portugal gestalte aan haar eigen label: SENNES, wat zoveel betekent als search of essence. Je bent nu bijna drie jaar bezig. Heb je de essentie intussen gevonden? In zekere zin wel. Ik heb geleerd dat essentie niet enkel een minimale vorm van denken en ontwerpen inhoudt. Wel dat je vanuit niets en met weinig middelen iets moois kan bereiken. Ik beschouw SENNES als een experimenteel laboratorium waaruit nog van alles kan ontstaan. Momenteel doe ik dat vooral met handtassen, en dat loopt goed. Van bij de start is de productie bijna elk jaar verdubbeld. Vooral bij Japanse kopers werkt de collectie als een magneet. In eigen land is Graanmarkt 13 dan weer een mooie referentie. Je pendelt tussen België en Portugal. Is dat nodig? Het volledige productieproces vindt plaats in de Serra da Estrela, een uitgestrekt natuurreservaat met een rijke geschiedenis in de wolnijverheid. Ondanks zijn isolement leeft er veel knowhow in de streek. Mijn productiepartner werkt er met oude mechanische weefstoelen en kan de ecologische voetafdruk zeer klein houden. De natuur zit onlosmakelijk verweven in het DNA van SENNES en vanuit mijn buikgevoel zal ik ook altijd naar ecologische materialen teruggrijpen. Het heen en weer reizen tussen België en Portugal vraagt natuurlijk veel geduld, maar ik wil dicht bij de productie staan en ook de relatie met de plaatselijke werknemers moet goed zitten.

“De natuur zit onlosmakelijk verweven in het DNA van SENNES en vanuit mijn buikgevoel zal ik ook altijd naar ecologische materialen teruggrijpen.” – Nele De Block (SENNES) Wat inspireert jou? SENNES is een echte globetrottercollectie die zijn inspiratie vindt in het voortdurend onderweg zijn. Ik reis graag, al van jongs af aan. De subtiele verschillen in cultuur, klimaat en stijl blijven me boeien.

pagina 40

Probeer je vaak vernieuwend uit de hoek te komen? Ik zweer bij kwaliteit en authenticiteit. Vernieuwend is dan misschien de manier waarop ik een materiaal uit zijn oorspronkelijke context haal en er een nieuwe vorm en functie aan geef. Het is een uitdaging om bijvoorbeeld twee nobele stoffen als wol en linnen tegenover elkaar uit te spelen. Ik hou van die clash en probeer zo het geitenwollensokkencliché te doorbreken. Geloof me, die traditionele wevers in Portugal begrepen in het begin ook niet waarom een naad meer of minder echt wel een groot verschil maakt naar gevoel en stijl. (lacht) Voel je soms een bepaalde druk om vanuit een commercieel oogpunt meer draagbare handtassen te produceren? Absoluut niet. Ik vertik het om in te spelen op de trends van vandaag. Wat is überhaupt draagbaar of alledaags? Ik laat me veel liever puur intuïtief leiden door een idee in mijn

hoofd, dat ik daarna op papier zet en gebruik om te experimenteren met allerlei materialen. De vorm en de functie komen dan wel vanzelf tot leven. Tot slot: wat is jouw visie voor SENNES? Ik zou graag op dit ritme verder groeien. Ik werk niet seizoensgebonden en de collecties die ik maak, blijven ook voortbestaan. Als kleine speler is het een luxe om een partner met voldoende productiemogelijkheden naast je te hebben staan. Zo krijg ik de vrijheid om andere strategieën uit te bouwen. Een nieuwe samenwerking met een modeontwerper, kunstenaar of architect zie ik ook wel zitten. www.sennes.org


Kwintessens SENNES. Foto: Vasco Célio

pagina 41


T H E M A

Nathalie Verlinden. Het geheim van het ambacht Nathalie Verlinden studeerde beeldhouwkunst aan de Antwerpse Academie, tekende haar eerste paar schoenen in 1994 en bracht haar debuutcollectie uit in 2001. Vandaag worden haar ontwerpen in één adem genoemd met ecologisch leder en liefde voor zuiders vakmanschap. Of hoe één rijbewijs meer en één lief minder haar naar het Italiaanse Le Marche dreven … Je ontwierp destijds de eerste ecologische schoenencollectie voor dames. Hoe belangrijk is het voor jou om duurzaam te werken? Ik ben heel idealistisch. Als ik iets doe, dan wil ik het goed doen. In plaats van leder te bewerken met chemische producten verkies ik dierlijke vetten, boomschors en extracten van kastanjes en mimosa. Ik hecht ook veel belang aan kwaliteit, dat heb ik meegekregen uit mijn opvoeding. Mijn ouders hadden niet veel geld, maar de dingen die ze kochten waren duurzaam en altijd vervaardigd uit degelijke materialen. Zo’n 85% van de productie wordt met de hand vervaardigd, wat zich onvermijdelijk vertaalt in de prijs. Merk jij veel van de crisis? Neen, integendeel: de verkoop groeit. Hoe ik dat verklaar? Producten die met de hand zijn gemaakt, stralen een zekere bezieling uit en in tijden van crisis brengen ze consumenten soelaas. Ze shoppen bewuster en kieskeuriger. Jouw schoenen zijn vrij conceptueel. In hoeverre is mode te vergelijken met kunst? Mode heeft dezelfde creatieve kiemen als kunst of design. Qua inspiratiebronnen tappen ze allemaal uit één vaatje. Op voorwaarde natuurlijk dat je als ontwerper niet slaafs de grote modetrends moet volgen. Schoenen ontwerpen die morgen al oud nieuws zijn, heeft alles te maken met consumptiegerichtheid, niet met kunst. Mijn schoenen worden net mooier met de jaren, ze groeien mee met de persoon die ze draagt. Tijd is dus volgens mij geen vijand, maar een dankbare bondgenoot. Vind je het noodzakelijk om vernieuwend te zijn? Ik moet niet telkens met iets nieuws in de kijker staan, als je dat bedoelt. Let wel: ik maak het mezelf en mijn Italiaanse schoenmakers zeker niet gemakkelijk. Ik experimenteer graag met artisanale technieken die soms amper haalbaar zijn, zeker in grote oplages. Maar kijk, moeilijk gaat ook. (lacht)

“Producten die met de hand zijn gemaakt, stralen een zekere bezieling uit, en in tijden van crisis brengen ze consumenten soelaas.” – Nathalie Verlinden

pagina 42

Je ontwierp al schoenen voor Raf Simons en Bruno Pieters. Waarmee valt of staat een goede samenwerking? Je moet het gevoel hebben compatibel te zijn en geloven dat je elkaar een meerwaarde kunt bieden. Het plaatje moet gewoon kloppen. Niet alleen qua look en feel, maar ook de verhalen achter beide merken mogen elkaar niet tegenspreken. Ben je gegroeid als ontwerper? Op twaalf jaar tijd doe je nogal wat ervaring op. Omdat de technische kant van het vak veel dicteert, maak je als

designer altijd een evolutie door. Volleerd ben je nooit. De dag dat je ‘klaar’ bent, boeit het volgens mij niet meer. De afstand tussen mijn ziel en mijn werk, zoiets houdt me ook bezig. Die moet zo klein mogelijk zijn. Je naam aan een merk verbinden is per slot van rekening niet vrijblijvend. Je kan dan niet anders dan elk facet van a tot z opvolgen. En dat wil ik ook blijven doen: garant staan voor de kwaliteit die ik zelf eis. www.nathalieverlinden.com Jolien Vanhoof


Kwintessens

Nathalie Verlinden

pagina 43


T H E M A

Na de ene komt de andere

Het dwingende ritme van de wisseling van collecties Net als eb en vloed, ben je in mode en design van één ding zeker: dat na elke collectie een andere zal volgen. Gaat die wisseling steeds sneller of is dat slechts een illusie gecreëerd door handige marketeers? Of ligt de macht bij de consument die steeds sneller verlangt (eist!) naar een nieuw speeltje, een nieuwe look? Twee ervaren ondernemers getuigen: Steven Van Roy van modelijnen Just in Case en Magdalena, en Francis Vercaemst van interieur­textiel Casalis. Steven Van Roy (Just in Case en Magdalena): “Om de zes maanden heb je de kans om te scoren of juist niet” Het hart van Just in Case klopt in Iddergem bij Dender­ leeuw, waar de familie Van Roy al sinds 1870 actief is in kledingtextiel. In 1999 volgden Els en Steven Van Roy hun ouders op in VR Embroidery, dat een borduur- en een loonwerkafdeling omvatte. Els en Steven schakelden om naar de ontwikkeling en commercialisering van de dames­ collecties Just in Case en Magdalena.

pagina 44

“Loonwerk in België was een eindigend verhaal. Er werd al eerder veel productie uitbesteed aan Marokko en Tunesië maar toen in 1989 de Muur viel, stroomde op twee, drie jaar tijd bijna alle loonwerk naar Oost-Europa. Arbeidskost is in deze activiteit de bepalende factor”, vertelt Steven Van Roy. “Samen met het verdwijnen van het loonwerk bouwden we ook onze borduurafdeling af. Wat overbleef, is een kop-staartbedrijf. In Denderleeuw gebeuren de ontwikkeling en voorbereiding. Vervolgens produceren we in ons atelier in Roemenië, bij onderaannemers in Polen en Portugal, of kopen we aan in het Verre Oosten. De afrondende verkoop en opvolging zit dan weer hier.” Vandaag telt VR Embroidery in Denderleeuw 14 medewerkers, aangevuld met externe ontwerpers. Daarnaast zijn zeven vaste verkopers in dienst in de twee Just in Case winkels in Antwerpen en Brussel en de boetiek Garde-Robe National in Antwerpen. Hoe ontstond het merk Just in Case? Tijdens mijn opleiding modeontwerper liep ik stage bij Vicky Vinck. We hielden contact en toen ik hoorde van haar plannen voor een collectie, vroegen we haar en Katrien Strijbol om samen te werken. Just in Case groeide uit tot een succes in binnen- en buitenland. Het is een brede collectie die totaal verschillende types vrouwen mooi voor de dag laat komen. Op de Vlaamse tv-schermen dragen

Birgit Van Mol en Andrea Croonenberghs geregeld Just in Case. Internationaal konden we actrice Nicole Kidman er meermaals mee spotten. Vijf jaar geleden creëerden we met Nathalie Lachat ook een tweede merk: Magdalena, een totaal andere collectie, iets minder hoog in de markt gezet. Onlangs merkten we Siska Schoeters (Studio Brussel) op in Magdalena. Internationaal moet dit merk nog groeien. Hoe snel volgen uw collecties elkaar op? Wij werken vrij oubollig: een zomer- en een wintercollectie. Voor onze kleine organisatie is dat ruim voldoende. Esprit draait bijvoorbeeld een 12-tal collecties per jaar, Zara ruilt zijn aanbod om de zes weken. Dat zijn fantastische systemen maar ze vergen een grote organisatie en bovendien wordt het dan moeilijk om geïnspireerd te blijven. Wij hebben maar twee collecties per jaar maar ik ben trots dat het telkens om twee nieuwe concepten gaat. Twee keer per jaar beginnen we absoluut vanaf nul. Vanaf een blanco blad creëren we dan een volledig nieuw verhaal.

“Twee keer per jaar beginnen we absoluut vanaf nul. Vanaf een blanco blad creëren we dan een volledig nieuw verhaal.” – Steven Van Roy Hoe omvangrijk zijn de collecties? Voor Just in Case monsteren we 220 tot 240 stukken uit, voor Magdalena een 100-tal. Dat is behoorlijk veel en dan komen er nog accessoires bij. Elke zes maanden hebben we kans om het zeer goed of minder goed te doen. Je moet rekenen dat een zomercollectie tussen 15 januari en 15 maart, en een wintercollectie tussen 15 juli en 15 september klaar moet zijn. Wij doen ook relatief veel beurzen: Berlijn, Londen, Parijs, Milaan. Daar proberen we telkens iets nieuws te tonen. Onze collecties bevatten onderdelen voor bijvoorbeeld hoogzomer of lente. Dat is hard werken geblazen? Jazeker. Je moet de stoffen binnenkrijgen en de productie rond krijgen. Je draagt ook een financieel risico want hoewel het pre-ordered collecties zijn, moet je als producent de stoffen aankopen nog voor jouw klanten hun bestelling plaatsen. Dit proces speelt zich om de zes maanden opnieuw af. Bovendien maakt het internetverhaal alles nog sneller. In Duitsland wordt in de kledingssector 17% van de omzet online behaald. Dat is gigantisch: een op de zes stuks. Bij wijze van spreken moet de collectie die je vandaag bedenkt, morgen op het web staan en overmorgen verkocht zijn. De Belgische consument loopt op dat vlak nog achter. In dit dichtbebouwde land kan de eindklant zich nog gemakkelijk verplaatsen naar een echte winkel, in tegenstelling tot uitgestrekte gebieden in Duitsland, Frankrijk of Scandinavië. Hoe komt een collectie tot stand? Dat is een wisselwerking die een zeer intense relatie op lange termijn vergt. Eerst wisselen we met de ontwerpers tekeningen uit. Daarvan wordt een eerste staal gemaakt en


gepast op een levend model. De stilisten en de patroonmaker bundelen daarbij hun opmerkingen. Ondertussen gaan de stilisten op de stoffenbeurs kiezen maar nog niet bestellen. Dan maken we een tweede staal. Als dat goed is, kunnen we een model maken in de gekozen stof. Als dat opnieuw goed uitvalt, maken we van elk model vier stuks voor de beurzen. Dit loopt per collectie dus op tot ruim duizend stuks, een bijzonder dure investering. Daarna kunnen we de productie praktisch voorbereiden. Dat omvat onder meer de fittings – het graderen van modelmaat 38 naar de andere maten – en de aandacht voor kwaliteit. Ondertussen tonen we de collectie op de beurzen en als ze aanslaat, bestellen we de stoffen. Daarna starten de productie en uitlevering. Opnieuw hebben we hier om de zes maanden de kans om te scoren of het te verknoeien.

product hebt. Veel ontwerpers vinden mode een ‘kunst’, maar het blijft uiteindelijk een product dat verkocht moet worden. Geen mode zonder markt. Hoe belangrijk zijn uw eigen winkels in Antwerpen en Brussel? Agenten en andere winkels kopen slechts een gedeelte van de collectie aan, terwijl onze eigen winkels de volledige collectie tonen, dus alle 250 stuks. Dat is een wereld van verschil: wij tonen Just in Case zoals het moet zijn. Ook hier geldt dat om de zes maanden alles moet wisselen. We hebben dus opnieuw om de zes maanden de kans om het goed te doen of te verknoeien.

Kwintessens

Voor het op de markt brengen van een collectie moet je als ondernemer dus al even geëngageerd – of gek – zijn als de ontwerper? Absoluut. Zeker mijn zus Els, die met twee medewerkers instaat voor de ontwikkeling en productie. Zij is technischer aangelegd, ik denk meer in beelden en leg me toe op algemene zaken en verkoop. Je hebt immers maar recht op bestaan als je genoeg verkoopt. Gebeurt dat met creatieve ontwerpen, des te beter. Maar als je op het einde van de rit met rood schrijft in plaats van met zwart, dan heb je een probleem. In de mode zit niemand op je te wachten, je moet laten zien wie je bent, dat je een verkoopwaardig

SS13, Just in Case

pagina 45


T H E M A

Welke invloed heeft de economische crisis? De eerste dreun in 2008 voelden we in Italië, Denemarken, Ierland, Spanje en de Verenigde Staten. In Amerika verdwenen we toen zelfs van de markt en nu doen we er alles aan om terug te keren. Momenteel gaat het minder in Nederland en voelen we voor het eerst een effect in België. Het mag stilaan weer op gang trekken. Zwitserland doet het goed en met Japan gaat het intussen een stukje beter. Italië, het modeland bij uitstek, heeft het nog steeds zeer moeilijk. Wat doe je eraan? In Duitsland namen we kort geleden samen met Nathalie Vleeschouwer een agent in dienst. Als samenwerking tot meerverkoop leidt, waarom niet? Het heeft geen zin om elkaar kwaad in de ogen in de ogen te kijken. Als dit kostendelende systeem werkt, gaan we het ook op andere markten toepassen. Keert confectie ooit nog terug naar België? Dit land bezit textielgeschiedenis en -kennis. Met het Flanders Fashion Institute, Creamoda en MAD Brussels proberen we meer schwung in het landschap te krijgen. We werken hiervoor samen met de exportondersteunde overheidsdiensten FIT, AWEX en Brussel Invest & Export. Met het FFI zijn we een peterschapsproject voor jonge ontwerpers aan het opzetten, zodat ze met meer ondernemingskennis kunnen starten. Daarnaast kan het geen kwaad te luisteren naar mensen met visie, zoals ondernemer Herman Van de Velde of marketingprofessor Gino Van Ossel. Dan leer je hoe je zelfs in een crisistijd meerwaarde kunt creëren door op een aangepaste manier te werken. Zo laten wij onze digitale prints terug in België maken. Die machine kost toch even veel, gelijk waar ter wereld hij staat.

pagina 46

www.justincase.be www.magdalenacollection.be

AW12, Magdalena


Francis Vercaemst (Casalis): “Kleuren zijn de sleutel van klassiek modern tot shabby chic” Casalis, of het ‘huis bij de Leie’, belichaamt de doorstart van de ooit zo glorieuze textielsector. Francis Vercaemst en Veronique Vanden Avenne staren zich niet blind op grote volumes en zetten gericht in op creativiteit, innovatie, design. Hun karpetten, plaids, poefs, verlichting en akoestisch textiel vinden wereldwijd hun weg. “Dankzij kleuren kun je dezelfde collectie in verschillende marktsegmenten toepassen.” “Het is interessant om de looptijden van collecties in enerzijds kledij en anderzijds interieurtextiel eens naast elkaar te leggen. Ik ben geneigd me gelukkig te prijzen dat onze activiteit een minder hels ritme oplegt.” Meteen fileert Francis Vercaemst vlijmscherp het verschil in hectiek tussen mode en interieurdesign. Na zijn jeugd in Harelbeke en zijn opleiding handelsingenieur ging hij in 1985 aan de slag bij Philips Electronics. Vijf jaar later maakte hij zijn entree in het vloertextiel bij een Zuid-West-Vlaamse, industriële karpetfabrikant. Opnieuw vijf jaar later werd hij met twee vennoten zelfstandig. “We lieten carpetten produceren in Egypte en verkochten die in Europa. Opnieuw vijf jaar later waren de gloriedagen van industrieel vervaardigd tapijt gepasseerd en werd werken in Egypte een moeilijk verhaal. Ik maakte kennis met een ander verkoopsegment, namelijk dat van de ‘designmarkt’,

Kwintessens

Slumber, Casalis

Bonnet Bright, Casalis

pagina 47

Bonnet, Casalis


T H E M A

waar men tapijt gericht toepast in een interieur onder begeleiding van een interieurspecialist. We namen afstand van Egypte en in 2000 startten mijn vrouw en ik kleinschalig van bij ons thuis in Wielsbeke met Casalis. Negen jaar geleden verhuisden we naar een gerenoveerd fabriekspand in design­stad Kortrijk”, vertelt Francis Vercaemst. Van bij het begin ging de bal aan het rollen. Niet in het minst door de spoedige ontmoeting met de Amsterdamse ontwerpster Liset van der Scheer, die uitgroeide tot freelance art director. Casalis werkt ook samen met Marie Mees, Onno Radersma en Aleksandra Gaca. “Als nieuwkomer zetten we van bij het begin in op innovatie. Dat was de directe toegevoegde waarde van Liset, die van de Eindhovense Design Academy kwam. In de designmarkt moet je product per definitie vernieuwend, baanbrekend zijn. Design is een heel rijke wereld op het vlak van inhoud en verhaal. Het gaat niet alleen om de prijs maar om de combinatie van het product, de verpakking en de communicatie. Je moet er ook hard voor werken. Maar we hadden de wind mee: vandaag zetten we onze collecties via agenten af in 32 landen.” Hoe plant u het ritme van de collecties? Liset gaat af op haar buikgevoel en ik ben zeer gestructureerd. Toen we in 2000 startten, heerste volop de tijd van het minimalisme. Tapijten bevatten geen tekeningen, waardoor de klemtoon op de materie lag. De structuur moest heel bijzonder zijn. Liset had een aantal ontwerpen op de tekentafel en ik liet leveranciers van bijzondere garens de revue passeren, letterlijk. Op die manier kwamen we tot producten die nu nog bestaan. De eigenlijke productie besteden we uit aan specialisten binnen iedere sector. Zo werken we al van bij de eerste collectie goed samen met een Portugese fabrikant van handgetuft tapijt. We voelen er ons goed bij dat we alle energie in ontwikkeling en commercialisering steken. Dat maakt ons flexibel genoeg om een groot aanbod te creëren.

Bonnet, Casalis

“De keuze om iets op de markt te brengen, is heel beursgericht.” – Francis Vercaemst

pagina 48

Vreest u nooit zonder inspiratie te vallen? Op twaalf jaar tijd was dat wel de minste van onze zorgen. Het grootste probleem is het selecteren uit de ideeën, en van daaruit een goede balans vinden tussen ontwikkeling en omzet. Het genereren van ideeën komt van freelancers die hun totale tijd aan creativiteit kunnen besteden. We trokken wel iemand aan om de ontwikkeling te coördineren en op te volgen. Casalis startte met karpetten. Gaandeweg breidde u het gamma uit naar poefs, kussens, plaids, muurtextiel en nu ook verlichting. Kwamen die extra collecties uit eigen ingeving of op vraag van de markt? Enerzijds was Liset geïnteresseerd in andere technieken en toepassingen. Anderzijds was het mijn bekommernis om het merk niet te laten stagneren bij tapijten. De sterkte van Casalis is textielvernieuwing in diverse aspecten. Zo groeide het uit tot een krachtig designmerk en ontstonden de Bonnet Bright (verlichting), Slumber (poef) en Architextiles (muurtextiel). Ja, er bestaat een typische Casalis touch. We staan voor hoogstaande afwerking en leuke creativiteit in ontwerp en kleuren.

Architextiles, Casalis


Gaat u voort op marktonderzoek? “Wij doen niet systematisch aan marktonderzoek. De beslissingen over de producten worden genomen door Liset voor het creatieve, en door mij voor het commerciële luik. Ik geef het voorbeeld van de Bonnet Bright. Wij zijn al vier jaar bezig met het idee voor een lamp met textiel. In 2009 beslisten we op basis van het succes van de Bonnet  – de poef met wisselbare, gebreide hoes – om er ‘iets’ mee te doen in verlichting. In 2010 toonden we een zeer rudimentair prototype op de biënnale Interieur in Kortrijk. In 2011 schoven we het idee aan de kant om prioriteit te geven aan de Slumber. Daarna ontwikkelden we de lamp verder tegen Milaan 2012. Door de economische omstandigheden vreesden we voor de slaagkansen. Onze agenten waren niet onverdeeld positief over het nieuwe prototype. Begrijpelijk, want vanuit de markt kun je soms moeilijk oordelen over een product dat nog niet in zijn volle waarde getoond wordt. Toch beslisten we vanuit onze intuïtie om ermee door te gaan. Het sluit immers nauw aan bij onze poefs Bonnet: we gebruiken dezelfde 55 kleuren, wat het product herkenbaar maakt als Casalis. Bovendien kunnen we daardoor dezelfde garens gebruiken. Op Interieur 2012 in Kortrijk konden we het aangepaste ontwerp in zijn volle glorie tonen.

Stemt u collecties af op verschillende landen? Neen, wel op verschillende stromingen. Je hebt het chique ‘klassiek modern’ met dure materialen voor een rijk publiek. Die collecties omvatten bijvoorbeeld tapijten uit 100% mohair of zijde. Maar er is evengoed vraag naar meer avant-garde. Nederland loopt bijvoorbeeld altijd voorop. Tegenwoordig is het strakke, witte minimalisme verdwenen uit Europa en de moderne wereld. Hier zoekt men eerder vintage design en zogenaamde shabby chic. Onze collecties bestrijken die verschillende tendensen. Met kleuren kun je veel doen. Welk effect heeft de economische crisis? De Nederlandse en Zuid-Europese markten zitten sinds 2009 in een dip. We compenseren dat door in nieuwe markten te investeren. Het heeft ook zo zijn voordelen: door het wegvallen van exposanten wegens de crisis kregen we na jaren op de wachtlijst plots een stand op de meubelbeurs in Milaan. Anderzijds breidden we de collecties uit. Ons akoestisch textiel Architextiles opent ons aanbod naar de markt van de architecten. Gelukkig legde dit bedrijf een solide financiële basis, zodat we nu veel konden investeren zonder het bedrijf pijn te doen. Je moet sowieso vooruit. We beperken de kosten, maar ik weiger te remmen op ontwikkeling. www.casalis.be Roel Jacobus

Kwintessens

In vergelijking met het nerveuze ritme van collectiewisselingen in de kledij, lijkt het in interieurdesign rustiger. Of is dat slechts schijn? Wij werken niet met winter- en zomercollecties of zelfs tussencollecties, maar volgens een jaarlijkse cyclus. De keuze om iets op de markt te brengen, is heel beursgericht. Productiegewijs brengen wij een nieuwe collectie tegen de beurs van Milaan. Maar het initiatief tot een ontwikkeling staat daar los van, dat gebeurt redelijk vrijblijvend.

Bonnet, Casalis

pagina 49


T H E M A

Looking smart

Slim textiel in artistieke experimenten en industriële toepassingen

pagina 50

Eind 2011 opende in Ronse TIO3 zijn deuren: een centrum voor ondernemerschap, opleiding en ontmoeting, met een sterke focus op textiel en innovatie. Ronse was lang gekend als een echte textielstad, al is daar nu − jammer genoeg − weinig van over. TIO3 is gehuisvest in een oud ziekenhuis op een oppervlakte van 7 000 m². De ruwbouw werd gestript en opnieuw aangekleed met gigantische stukken textiel die dienen als zonnewering en helpen met de klimatisering van het gebouw. Ik werd er ontvangen en rondgeleid door communicatie- en eventmanager Ann Debaere en project manager Anna Maria Cornelia De Gersem. TIO3 huisvest ook de zetel van het Textiel IncubatieCentrum (TIC). Een aantal investeerders, vooral bedrijven uit de innovatieve textielsector maar ook bijvoorbeeld de Universiteit Gent, hebben deze nv opgericht om beginnende en groeiende ondernemingen te ondersteunen met knowhow in textielgerelateerde domeinen, zoals flooring, confectie, chemie, elektronica, innovatieve materialen, onderzoek, technisch textiel en publieke organisaties. Het TIC voorziet in een aantal werkruimtes voor starters. Verder vind je in het gebouw ook een Werkwinkel, wat tevens zorgt voor een voortdurend komen en gaan van mensen. Binnen het Europese Crysalis-project werkt TIO3 samen met partners uit Groot-Brittannië en Frankrijk. Dankzij Crysalis kon ook het inspiratie-atelier ingericht worden. Voor een minimaal bedrag kan je er komen werken en gebruikmaken van borduur- en naaimachine, weefgetouw en laser cutter. In het E-lab kan je aan de slag met intelligent textiel, leds, geleidende garens en Arduino’s (open source microcontrollers, red.). Bovendien kunnen hier geleidende garens, die nog vrij duur zijn, per meter aangekocht worden. Door een samenwerking met MateriO is er een bibliotheek van 100 vernieuwende

textielstalen te vinden, een collectie die in 2013 nog uitgebreid wordt met 100 nieuwe stalen. Je kan er ook gebruikmaken van de co-working space van Bar d’office.

In het E-lab kan je aan de slag met intelligent textiel, leds, geleidende garens en Arduinos. In de Research & Industry Gallery zijn heel wat voorbeelden te zien van toepassingen van smart textiles uit binnen- en buitenland: van handschoenen met een touchfunctie tot T-shirts waar je gitaar op kan spelen. Maar niet alles ziet er hoogtechnologisch uit. Er zijn bijvoorbeeld ook garens die ontelbare keren gewassen kunnen worden zonder te krimpen of te verkleuren. Bij voorbeelden uit het buitenland kijken we vooral naar de onderzoeksresultaten van de Swedish School of Textiles, een afdeling van de universiteit van Borås. Maar ook Vlaanderen blijft niet achter. Aan de Universiteit Gent wordt een brandweerpak ontwikkeld met ingebouwde sensoren die temperatuur, ademhaling en zweet controleren. Deze gegevens worden doorgestuurd naar een centrale computer via een zachte antenne. De positie van de brandweerman kan exact bepaald worden en bij problemen kunnen tijdig maatregelen genomen worden. Hiermee vergelijkbaar is het Mediatic-project van Centexbel, het technische en wetenschappelijke centrum voor de Belgische textielnijverheid. Het is een T-shirt voor gezondheidsbewaking op afstand. Daarvoor werden verschillende fysiologische sensoren, valdetectoren en plaatsbepalingssystemen in een kledingstuk geïntegreerd. Gelijkaardige toepassingen zijn tapijten met valdetectie of matrassen die doorgeven of een patiënt al dan niet in bed ligt. In het domein van de arbeidsveiligheid richt Centexbel zich vooral naar kleding als bescherming tegen chemische producten, biologisch gevaarlijke vloeistoffen, virussen en bacteriën, maar ook naar kleding voor verhoogde zichtbaarheid enz. Het hoeven niet steeds industriële toepassingen zijn. 30seven is elektrisch verwarmde kleding voor allerlei buiten­ activiteiten zoals skiën, fietsen en alpinisme. Zo is er een gebreid elastisch onderhemdje met vier verwarmingszones aan schouders, nek, nieren en onderrug, een daarenboven regelbaar op vier verwarmingsniveaus. Er zijn handschoenen met verwarmingszones op de rug van de hand, de vingers en de vingertoppen. Dit alles wordt van energie voorzien via lithiumbatterijen. 30seven is een product van Belginova uit Bellegem, vooral gekend als producent van fijne staaldraad.


Maison Close, Award/t

Kwintessens

Bravo, Melissa Coleman

Sioen

pagina 51


T H E M A

Een ander staalbedrijf dat innovatief bezig is in de textielsector is Bekintex, een dochterbedrijf van Bekaert. Zij doen onder meer onderzoek naar geleidende wol. Hun garens zijn toepasbaar als bescherming tegen verwondingen of tegen hitte, bruikbaar als geleiders of als versteviging. Toepassingen zijn legio: van antistatische matten, over verwarmend textiel, tot in de productie van autoramen. Ook onder de partners van het Textiel Incubatiecentrum vinden we wereldleiders in hun domein: Sioen, Alsico, DesleeClama. Sioen Industries is actief in het coaten van textiel, in de confectie van beschermkleding, in de productie van fijnchemicaliën en in de verwerking van technisch textiel. Hun stoffen zijn waterdicht, brandwerend, antistatisch, ademend, bedrukbaar, en bieden bescherming tegen wind, water, koude en chemische stoffen. Het gamma is uitgebreid en gaat veel verder dan fluohesjes. Zo is er bodywear verkrijgbaar die dankzij zijn moderne snit comfortabel onder aansluitende kleding gedragen kan worden. Alsico ontwikkelt en vervaardigt kleding voor horeca, diensten en de medische wereld. Hun paradepaardje is hoogtechnologische beschermkleding voor stofvrije en steriele ruimtes. Er zijn twee collecties: Clean4Work voor in de clean­room en Tex4Med voor de medische sector. De innovatie hoeft niet beperkt tot het gebruikte materiaal. Het A-Move systeem werd ontwikkeld door Alsico om een optimale bewegingsvrijheid en draagcomfort te garanderen: til- en hefbewegingen die zo typerend zijn voor de zorg­ sector, kunnen zo gemakkelijker worden uitgevoerd. De combinatie van het gebruikte weefsel en een nieuw systeem van assem­bleren zorgt ervoor dat de drager voortdurend een fris vrijheidsgevoel heeft.

Maison Close, Award/t

In het najaar van 2012 liep in TIO3 de tentoonstelling Pretty Smart Textiles, met innovatieve ontwerpen met elektronisch interactief textiel. Het was een mix van mode, kunst en technologie van overwegend Nederlandse ontwerpers. Leuk was vooral dat de bezoeker elk object zelf kon manipuleren. Hij kreeg dingen te horen, te zien, te voelen. Bij het wandtapijt Bravo hoorde men een melodie wanneer men met de vinger over het brailleweefsel bewoog. Solar Fiber is dan weer een flexibel fotovoltaïsch garen dat zonlicht omzet in elektrische energie. Dit slimme materiaal kan ook toegepast worden in allerlei producten waarin nu nog gewoon textiel gebruikt wordt, maar dan met het bijkomende voordeel dat energie opgewekt wordt. Ricardo O’Nascimento toonde onder andere de E-Ansa, een jurk die reageert op de frequentiesignalen van gsm’s.

Ook onder de partners van het Textiel Incubatiecentrum vinden we wereldleiders in hun domein: Sioen, Alsico, DesleeClama. Tot nu toe zijn er weinig voorbeelden van Vlaamse designers die zich gestort hebben op smart textiles. Wies Dehert van Awardt volgde een workshop in TIO3 onder leiding van Melissa Coleman. Wat daarop volgde was een ontdekkingstocht tussen leds, draadjes, soldeerbouten, weerstanden en geleidende draad. Tel daarbij nog tips van vakmensen, en ‘electro-Wies’ ging gretig aan de slag. Het resultaat is Maison Close: een zwarte tas in zacht lamsleder die vooraan als een gordijntje openschuift en waarin je door middel van een druk op de knop een rode gloed kan laten schijnen. In de voering zijn luikjes geslagen waarachter het binnenwerk met de rode leds verscholen zit. De binnenzak met ritssluiting is opgebouwd als kousenband. Gouden sluitingen, boa-veren en rood glitterleder maken de mysterieuze sfeer compleet. De tas is niet zomaar een show piece, je kan haar ook effectief gebruiken. Verscholen in de tas zit een batterijtje dat je kan opladen via je pc. Maison Close is dan voor een vol uur geopend. TIO3 denkt vooral aan de toekomst. Daarom vindt men het belangrijk dat studenten de weg naar het centrum vinden. Er zijn contacten met textielopleidingen zoals die van de academie van Gent, maar men mikt ook op anderen, zoals studenten productontwikkeling. Er is nog steeds een grote vraag vanuit de textielsector naar afgestudeerden. Om pas afgestudeerde ontwerpers te motiveren en te promoten, wordt in 2013 voor de tweede maal Jong Textiel georganiseerd: vijf ontwerpers worden door een jury geselecteerd en een eerste selectie wordt getoond vanaf 20 maart. De rest volgt vanaf 20 mei. www.tio3.be

pagina 52

Christian Oosterlinck


Kwintessens

Foto’s: Annelie Vandendael Styling: Marko Galovic Productie: David Flamée – Sketch Model: Sanne Rozé Met dank aan Bulo voor de locatie

Hang On

t oo Sh Hoe letterlijk kan je een thema neerzetten? De band tussen mode en design illustreren met jasjes, jurken en zelfs een badpak aan de ene kant, en aan de andere kant een resem kapstokken. Dat hebben fotografe Annelie Vandendael en stilist Marko Galovic niet tegengehouden om zich pagina 53

binnen dat strakke kader uit te leven. Ze zetten een sterke reeks beelden neer, waar de liefde voor Belgisch design en Belgische mode van afspat.


pagina 54

SHOOT

Jurk Lena Lumelsky.


Kwintessens

Sweater Frankly by Annelies Braeckman, blouse Tim Van Steenbergen, pantalon Annelies Braeckman, schoenen Elsa, halssnoer en ring Atelier 11. Bank Aero by Sellex, kapstok Souffle aM (Miel Cardinael en Sven Goemaere).

pagina 55


SHOOT pagina 56

Jurk Damien Fredriksen Ravn, schoenen Ellen Verbeek, handtas Delvaux. Stoel TAB Chair Alain Berteau voor Bulo, kapstok Lock Sylvain Willenz voor Tamawa.


pagina 57

Kwintessens

Jurk Patricia Vintage (@Labels Inc.), halssnoer a.Knackfuss. Kapstok Lines (Voltige) Diane Steverlynck en ChevalierMasson.


pagina 58

SHOOT

Jurk Stephan Schneider, halssnoer a.Knackfuss. Kapstok Kruk MaDe (Simon De Smet en Timothy Macken).


Kwintessens Jurk Tim Van Steenbergen, kraagje Damien Fredriksen Ravn, schoenen Veronique Branquinho. Tafel Z-Table Bataille-Ibens voor Bulo, stoel 03. Maarten Van Severen voor Vitra.

pagina 59


SHOOT pagina 60

Jurk, jas en tas Damien Fredriksen Ravn, halssnoer Wouters & Hendrix, schoenen Ellen Verbeek. Kapstok Jack Wim Segers voor Mookum.


pagina 61

Kwintessens

Jurk van Maureen De Clercq, schoenen Veronique Branquinho, ring Wouters & Hendrix. Kapstok Baobab Xavier Lust voor MDF Italia.


SHOOT pagina 62

Badpak Lenny Leleu, armband Wouters & Hendrix. Kapstokken Bloated Damien Gernay.


Patroontekenen

Swingen zoals in de sixties

pagina 63

Ca se s

Zilver als papier

Kwintessens

De Wereld van Nestor


C A S E S

Patroontekenen

Ze worden de ‘architecten’ van een kledingstuk genoemd, maar krijgen zelden krediet voor hun werk. Toch zijn onze patronenmakers en -maaksters of modelisten onmisbaar in het modeverhaal. Maak kennis met Elke Hoste, al 20 jaar docente ‘coupe’ aan de Antwerpse Modeacademie en de grande dame van het patroontekenen in Vlaanderen.

pagina 64

De VDAB riep het beroep van patroonmaker uit tot knelpuntberoep. Enerzijds geraken de vacatures voor modelisten nauwelijks nog ingevuld, anderzijds heeft het beroep een onsexy bijklank waardoor de opleidingen ook kampen met een tekort. Op deze manier dreigt veel technische kennis verloren te gaan. Zonder patroonmakers geen ingewikkelde drappages of kledingstukken. Het is dus alle hens aan dek voor de docente ‘coupe’ Elke Hoste, die naast haar werk aan de modeacademie ook een eigen zaak runt. Laten we eerst het geheugen even opfrissen: de wolk, de citroen en de flamingo van Walter Van Beirendonck in het Middelheim met Erwin Wurm vorig jaar, met al die kleine plukjes textiel die nauwgezet op het basisstuk waren gespeld, weet u nog? Die patronen werden

volledig met de hand gemaakt. “Niets is onmogelijk, het is gewoon een uitdaging”, repliceert Elke Hoste gezwind. In december 2012 was ze bezig met de voorbereiding van een volgend project. Ze heeft dan nog geen afgewerkte tekeningen gezien, maar waant zich alvast in het hoofd van de ontwerper. Dat de modelist louter de tekening van een designer vertaalt naar een technisch proces, blijkt een fameus understatement. Het is net cruciaal dat deze schakel in de modewaardeketen het verhaal van de ontwerper op de voet volgt. “Ik vind het belangrijk dat je als modeliste helemaal in het hoofd en in het hart van de ontwerper kan gaan. Je moet een heel hecht contact hebben om de ontwerpschema’s te begrijpen. Soms krijg je een tekening opgestuurd die op 101 manieren te interpreteren valt. Dan is het aan de modelist om de denkpiste van de ontwerper te volgen.” Of ze soms een discussie heeft met ontwerpers hierover? “Nauwelijks, als er al eens een woordenwisseling is, gaat het vaak over persoonlijke smaak, over de lengte van een rok of de plooiïng van een jurk. Na zoveel jaar ervaring hebben de meesten wel vertrouwen in mijn kunde,

maar het laatste woord ligt natuurlijk bij de ontwerper.” Hoste specialiseerde zich enkele decennia geleden voornamelijk in show pieces en exclusieve modellen. Ze opereert alleen en dus werkt ze nauwelijks nog volledige collecties af. Wie echter een snelle blik werpt op het modeveld kan al snel zien dat de ingewikkelde drappages en exuberante silhouetten tegenwoordig de catwalk overheersen. Als toeschouwer zie je echter niet welke technische kneepjes van het vak schuilgaan achter de juiste plooi en de juiste naad. Elke Hoste daarentegen moet de perfecte pasvorm weten te creëren en ook al gaat de verplaatsing van een schoudernaad vaak over een enkele millimeter, toch kan die het volledige resultaat bepalen. “Ik streef ernaar zoveel mogelijk bij te dragen”, zegt ze met veel flair. Op het moment dat we haar interviewen, heeft ze nog twee dagen voordat ze naar India vertrekt. Het werk stapelt zich op, maar niemand staat te springen om haar plaats in te nemen. Wie recent de vacaturekrant open­ sloeg, kon vaststellen dat de pagina’s niet geplaveid zijn met creatieve jobs.


De katern technische functies daarentegen heeft wat meer volume. Aan modelisten is immers een enorm tekort. Elke Hoste constateert dat er bijna geen opleidingen of scholen zijn die het werk aanleren zoals zij het ooit heeft geleerd. Langs de andere kant moet ze ook vaststellen dat het aantal fabrikanten op twintig jaar drastisch verminderd is. Gevolg: een krimpend aanbod. Een oplossing heeft ze voorlopig niet, maar als modelisten helemaal verdwijnen, zal dat alleszins leiden tot een verarming van het modeaanbod in Vlaanderen.

Elke Hoste. Foto: Michel Vaerewijck

Kwintessens

Joke Hoeven

pagina 65


C A S E S

De Wereld van Nestor

pagina 66

Johan Bonner, strategisch project manager, omschrijft Pars Pro Toto als een ‘atypisch full-service designbureau’. Hun portfolio is heel divers maar hun specifieke combinatie van design thinking en doing is wat alle projecten uiteindelijk verbindt. Eén van hun meest recente realisaties is De Wereld van Nestor, een on- en offline werkset, ontwikkeld in samenwerking met de dienst ouderenzorg van het OCMW Gent. De tool heeft als doel om de dienstverlening naar senioren op een variabele manier te ontwikkelen en om het seniorenbeleid beter te laten aansluiten bij de dagelijkse realiteit. De werkset is in feite een website die een aantal persona’s presenteert, de fictieve vrienden en kennissen van de centrale figuur, Nestor. De persona’s representeren verschillende types ouderen en aan de hand van hun ervaringen rond acht verschillende thema’s kunnen beleidsmakers inschatten welke de impact is van hun keuzes in domeinen als huisvesting, mobiliteit, sociale participatie, communicatie enz. De persona’s geven een duidelijk beeld van de leefwereld van verschillende types ouderen. Door deze types naast elkaar te plaatsen kan men niet alleen

gemakkelijker onderlinge verbanden ontdekken, maar ook de gediversifieerde impact van bepaalde beleidsbeslissingen gedeeltelijk voorspellen. De volledige uitleg over hoe lokale overheden deze tool kunnen inzetten in het uitbouwen van hun ouderen­ beleid, vindt men op de website www.dewereldvannestor.be. Wat mij vooral interesseert in dit en in soortgelijke projecten is de manier waarop de rol van designer voortdurend geherdefinieerd wordt doorheen het proces. Als designer moet je beschikken over een hybride persoonlijkheid, een grote affiniteit met de doelgroep en een sterk sociaal inlevingsvermogen. Omdat al deze projecten vertrekken vanuit een grondige observatie en een actieve, persoonlijke beleving, heeft een dergelijk proces ook vaak een impact op de manier waarop designers zich inschrijven in onze maatschappij. Daarom stelden we een aantal vragen aan Johan Bonner, de projectleider van De Wereld van Nestor. Je benadrukt dat deze tool complementair kan zijn aan een bestaand

ouderenbeleid. Wat bedoel je daar juist mee? De manier waarop een ouderenbeleid nu uitgewerkt wordt, is op zijn minst archaïsch te noemen. Het is gestoeld op een aantal beleidsinitiatieven van leidinggevende ambtenaren en lokale politici in combinatie met de voorstellen en grieven die komen vanuit het werkveld en de senioren zelf (bijvoorbeeld via de seniorenraad). Een eerste probleem hierbij is dat een seniorenraad nooit representatief is; de minder mondige of minder mobiele burger is daarin vaak niet vertegenwoordigd. Dat betekent dat heel wat specifieke behoeftes en situaties daar niet aan bod komen. Een tweede element is dat de algemene bevolking en ook de ouderen veel mondiger zijn – en nog zullen worden – en bewust aansturen op participatie. De stedelijke of gemeentelijke dienstverlening dient veel meer een proces te zijn in plaats van een op voorhand vastgelegd traject. De toekomst is veel complexer dan we kunnen voorstellen in plannen. Met minder middelen zullen we grotere uitdagingen moeten aangaan. Vandaar dat we domeinen als ouderenbeleid op een totaal andere manier moeten aanpakken en daarin kan service design


Welke impact kan een service design benadering nu hebben op een algemeen stedelijk of gemeentelijk beleid? Met de evolutie die ik nu zie, denk ik dat het perfect mogelijk is dat de centrumsteden binnen een aantal jaren hun eigen service designer in huis hebben. Ze beseffen meer en meer dat het ontwikkelen van een publieke dienstverlening een kerncompetentie moet zijn van het gemeentelijke of stedelijke bestuursapparaat en daarom gaan ze die marktconforme technieken ook zelf in huis halen. Hoe zou je een dergelijke functie omschrijven? Een groot deel van de job van service designer is evangelisatiewerk. Je leert mensen op een andere manier denken, samenwerken en oplossingen bedenken. 25% van de tijd zijn we bezig met het zelf bedenken van oplossingen; de andere 75% steekt in het meekrijgen van alle partijen in die andere manier van denken en handelen, in het uitdragen van die nieuwe aanpak. De analyse gebeurt samen met de klant, kwestie van relevante inzichten te creëren. De ontwikkeling gebeurt eveneens samen met de klant, in een participatief model. Enkel het eigenlijke designproductiegedeelte gebeurt nog in huis. We organiseren enorm veel workshops. Dat brengt een nieuwe kennis, ervaring en kunde met zich mee die je je als bureau eigen moet maken. We doen veel meer dan het oplossen van een probleem, we brengen een beweging op gang. Een service designer in dienst van een stad zou dus in staat moeten zijn om alle beleidsmensen en werknemers mee te krijgen in die klantgerichte, participatieve dienstverlening. Denk je nu zelf anders over de ouderenproblematiek? Je ziet inderdaad bij jezelf en bij je team een verandering. Doordat je zo dicht op die doelgroep zit, begin je zelf al eens na te denken over je eigen oude dag, of aan wat er moet gebeuren als je ouders met dergelijke gecon-

pagina 67

fronteerd problemen zullen worden. Je begint ook andere accenten te leggen. Ik zit bijvoorbeeld in een buurtcomité en daarin zijn we nu initiatieven aan het nemen gericht op precies deze doelgroep, iets waar ik vroeger nooit bij stil zou hebben gestaan. Je eigen bewustwording wordt vergroot en zo word je ook een rijker mens. Kurt Vanbelleghem

Kwintessens

een belangrijke rol spelen, met veel aandacht voor transparantie en participatie. De Wereld van Nestor gaat via de persona’s een doorsnede maken van de ouderenpopulatie en representeert ook hen die niet in de traditionele over­legorganen vertegenwoordigd zijn. Met deze tool kan een stad of gemeente dus een vollediger, holistisch beleid gaan voeren.


pagina 68

C A S E S

Zilver als papier

Het Zilvermuseum in Antwerpen is één van de weinige Vlaamse musea die consequent rond het edele metaal werken. Andere musea beschikken soms wel over een fraaie collectie, meestal een legaat en als zodanig dan ook tentoongesteld. Het Zilvermuseum werkt achter de schermen dikwijls mee aan andere initiatieven rond zilver. Onlangs nog verscheen er bij de Provincie Oost-Vlaanderen een uniek overzichtswerk Zilveren wind- & watermolenbekers in Europa ca. 1530-1760, waarin de fascinerende geschiedenis en het gebruik van molenbekers in Europa wordt geschetst. Auteur was de zilverkenner bij uitstek van het Zilvermuseum, Wim Nys. Het is dan ook een verdienste van het provinciaal museum om wetenschappelijk werk te doen en her en der in het land te helpen bij fraaie zilvertentoonstellingen. Daarenboven houdt het museum de vinger aan de pols met de hedendaagse ontwerpersscène door elk jaar een opdracht te geven. Dikwijls verlaten de hedendaagse ontwerpers het pad van het functioneel zilversmeedwerk dat we juist kennen van die verzamelingen maar creëren ze unieke stukken als autonoom kunstwerk. De titel van de laatste opdracht luidt Do Not Use, en zet meteen de

Met vallen en opstaan

staat opgesteld, een opstelling die de kunstenaar zelf koos. Nog tijdens zijn laatste jaar in Hasselt ontvangt hij de Wim Ibensprijs in 2010. De prijs is een huldebetoon aan beeldhouwer, gouden zilversmid Wim Ibens (1934-1997) die de afdeling edelsmeedkunst aan de Academie van Antwerpen stichtte. De prijs heeft vooral aandacht voor het vakmanschap van de kunstenaar.

Dries Dockx studeerde Juweelontwerp en Edelsmeedkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Nadien vervolmaakte hij zijn opleiding in Hasselt bij de Media, Arts en Design Faculty. “Tijdens mijn opleiding in Antwerpen merkte ik al gauw dat ik op het artistieke vlak af en toe te kort schoot, dat ik daar nog heel veel moeite mee had. In mijn masterjaar aan de academie ben ik uiteindelijk hierdoor ook gezakt. In Hasselt heerste een andere mentaliteit, andere inzichten en een andere manier van kijken naar mijn werk.” Na die ervaring gaat de kunstenaar heel onbevangen om met het edele metaal. De ene keer laat hij het zilver mat en zie je duidelijk de sporen van het labeur, de andere keer blinkt het zilver zoals de andere klassieke stukken waartussen het

De winnende stukken van Dries Dockx staan op ooghoogte vlakbij een raam. Het zijn werkelijk twee sculpturen die je langs alle kanten kan bewonderen. De doorkijkjes betrekken samen met de weerspiegelingen de kijker en de ruimte bij het stuk. Dries Dockx ‘tart’ het zilver. Als een stuk papier hangt een strook zilver aan zijn pot. Het is nochtans geen aanhangsel maar maakt er organisch deel van uit, alsof het altijd zo geweest is. Tegenover de massieve en stevige kannen waar je met vertrouwen hete thee of koffie in kan gieten, plaatst Dries Dockx luchtige sculpturale objecten met openingen en spelende vormen. Voor de Stercks­ hofopdracht maakt hij een theekan waaruit opnieuw alle functionele elementen zijn gehaald door het oppervlak in te snijden en de onderdelen

toon. Wat je te zien krijgt kan je maar beter niet gebruiken. De jonge zilversmid Dries Dockx (°1987) kreeg dit jaar de bestelling en maakt een theekan waar de thee hopeloos zou uitlopen en hij smeedt een schenkkan die zichzelf zou ledigen.


eruit te plooien. Zelfs het knopje van het deksel plooit hij uit het oppervlak. Verschillende omhoog geplooide blaadjes vormen een bloemknop. Bij de cilindervormige schenkkan gaat hij nog verder. Het werk is bijna een anatomie van de functionele structuur. Publicatie

Peter Wouters

pagina 69

Kwintessens

Foto © Anja Ruttyn

Sawn Mutations, Joris Dockx.

Foto © Anja Ruttyn

Rest de vraag hoe de toekomst van het museum eruit ziet. Er circuleren al lang masterplannen om het museum de 21ste eeuw binnen te leiden maar budgettaire beslommeringen en vooral technische beperkingen van het oude gebouw blokkeren deze al lang. De oude droom om het museum te verhuizen en meer in het centrum van Antwerpen te brengen in plaats van het verre Deurne komt dan opnieuw naar boven. Momenteel ligt er een project op tafel waar de Fabiolazaal, waar het vroegere Diamantmuseum was gevestigd, zou aangepast worden om het Zilvermuseum te ontvangen. Het zou een verdiende toplocatie zijn voor een museum dat al jaren in stilte verder werkt en met zijn opdrachten de niet zo evidente wereld van het hedendaagse zilver blijft steunen.

Do Not Use, Joris Dockx. Foto © Anja Ruttyn

Cast, Joris Dockx.

Bij de expo hoort een kleine uitgave in de reeks Sterckshofstudies waarin directeur Sandra Janssens een gesprek heeft met de zilversmid. De jonge kunstenaar legt uit hoe hij het functionele aspect van een object gebruikt of juist misbruikt. Tijdens zijn studie in Hasselt had hij een kopje gemaakt uit koper en een onderbord. Uit dat kopje had hij een oor gezaagd en opengevouwen; uit het bordje zaagde hij het lepeltje. Dat werd zowat zijn basisfilosofie voor zijn verdere oeuvre. Er is ook een bijdrage van David Huycke die het werk van zijn leerling toelicht en die in 1996 de allereerste Sterckshofopdracht kreeg toegewezen. Verhelderend en interessant, alleen zeer spijtig dat de foto’s van de stukken minder goed zijn en van het hele verhaal weinig of niets terug te vinden is in de afbeeldingen.


pagina 70

C A S E S

Swingen zoals in de sixties

Spraken we enkele seizoenen geleden nog lyrisch over de invloed van de jaren 50 op de mode, dan maakten de getailleerde silhouetten, wijde rokken tot onder de knie, brave twinsets en hooggesloten kraagjes op de catwalks van het seizoen lente / zomer 2013 opnieuw plaats voor invloeden uit de jaren 60. Herhaalt de geschiedenis zich?

dadige eyeliner. Toeval of niet, maar de modewereld lijkt opnieuw te volgen. Van Marc Jacobs’ eigen collectie en zijn werk voor Louis Vuitton tot het Italiaanse Moschino: de ontwerpers die voor SS13 de mosterd gingen halen in de rijke en bewogen modegeschiedenis van eind jaren 60, zijn niet op één hand te tellen.

Dat we zo in de ban waren van de elegante fifties, hadden we deels te danken aan de immens populaire tv-serie Mad Men. Die ging van start in 2007 en zette met een feilloos gevoel voor historische context een glamoureus beeld neer van het leven in Manhattan eind jaren 50, begin jaren 60. Het verhaal klopte, al leverde dat enkele politiek incorrecte scènes op. En het verhaal raakte blijkbaar een gevoelige snaar, want in een mum van tijd dweepte de hele wereld met alles wat ook nog maar een beetje naar Mad Men lonkte.

Inspiratie moet van ergens komen en het verleden is een dankbare bron. Maar hoe komt het dat één specifieke tijdsgeest zo duidelijk terug naar voren komt? Misschien is het wel zo simpel als bij Mad Men: zoals de mentaliteit ooit veranderde van de jaren 50 naar de jaren 60, vertonen we nu misschien opnieuw dezelfde reactie tegen dat wat voorafging.

Maar net zoals de wereld niet stilstond, evolueerde ook Mad Men over vijf seizoenen in de richting van dat andere deel van de jaren zestig, de Swinging Sixties. In het laatste seizoen ruilden de acteurs hun brave kostuums in voor flamboyante prints, minirokjes en over-

De elegante lady look van de fifties moest het al eens eerder afleggen tegen de stormachtige bevrijding van een nieuwe generatie babyboomers. Het zestienjarige model Twiggy wordt in Londen gebombardeerd tot boegbeeld van deze culturele jeugdrevolutie vanaf 1966 en verpersoonlijkt de honger naar creatieve expressie en bevrijding uit het keurslijf van de voorgaande periode. Op sociaal gebied staan de jaren

zestig bekend als de protestjaren: voor het eerst zet de jongerencultuur zich af tegen hun ouders. Het is het decennium van de flower power en de hippies. Een periode van democratisering en ontwikkeling, maar ook van de Dolle Mina’s, Beatmeisjes en de opkomst van massaconsumptie. Voor de mode betekende dit het einde van stijldictaten en het begin van de ‘alles kan en alles mag’-mentaliteit die sindsdien eigenlijk nooit meer weg te denken was uit het modebeeld. Dat we de afgelopen jaren zowel hebben rondgelopen in afgeknipte hotpants als in tot de grond reikende maxidresses, hebben we te danken aan de revolutie van de jaren 60. Voor een tijdperk dat ook vele decennia later nog zo herkenbaar is, is er voor de sixties immers niet echt één definiërende stijl of look. De Britse Mary Quant nam het idee van André Courrèges over om rokken tot boven de knie te laten vallen en gaf er nog een extra radicale twist aan. De geboorte van de minirok bepaalde misschien wel het bekendste trendbeeld van deze periode, maar er was ook nog de introductie van de bikini, van de extravagante go-go boots en van


frisse en levendige kleuren, als reactie op 20 jaar zwart en wit”, gaat ze voort. “Maar ik denk dat dit eerder gewoon een gevoel is. Ik volg geen trends en voor mij is de Chauncey collectie altijd draagbaar, sober en minimalistisch. Misschien was het startpunt wel de jaren 60, maar het silhouet is tijdloos.”

De space look van André Courrèges, de disk dress van Paco Rabanne, de geo­ metrische kapsels van Vidal Sassoon, de beehive en de A-lijnjurk: al deze iconische elementen uit de jaren 60 duiken met de regelmaat van de klok weer op in het modebeeld en ze zijn ook deze zomer alomtegenwoordig. Markus Lupfer baseerde zich op tekenfilmserie The Jetsons voor zijn eigen interpretatie van de futuristische look, Marc Jacobs gaf het typische dambordmotief van Louis Vuitton een flamboyante Mod make-over en plantte voor zijn eigen label een hedendaagse versie van Edie Sedgwick op de catwalk.

Ook voor Edouard Vermeulen is dit tijdperk een eindeloze bron van inspiratie. Al is dat niet enkel voor dit huidige seizoen zo, maar loopt het als een rode draad doorheen de dertigjarige geschiedenis van zijn modehuis Natan: “Het was de meest elegante periode. Met Jackie O en Audrey Hepburn en het begin van de haute couture”, vertelt de ontwerper. In die zin sluit zijn visie op de sixties aan bij die van Riccardo Tisci, die met de lente / zomer-collectie van Givenchy verklaarde terug te gaan naar de roots van het modehuis in de Parijse couture van die periode.

Na jaren van natuurlijke looks stuur­– den labels hun modellen dit seizoen de catwalk op met valse wimpers, erg aanwezige eyeliner en opzichtige retrokapsels. Rossella Jardini zocht de inspiratie voor Moschino dan weer bij de cultfilm Two for the Road, waar­in Audrey Hepburn bijzonder kleine jurkjes droeg. Die ultrakorte lengte, de felle kleuren en bloemenprints: de zomercollectie van het Italiaanse merk ziet er bijna uit als schoolhandboek voor sixties fashion anno nu.

Voor Vermeulen is de stijl van de jaren 60 misschien geen verzet tegen een voorgaande periode, maar het kan wel tellen als alternatief voor de allesoverheersende casual cultuur van tegenwoordig. “Het is vrouwelijker, met een mooie snit”, verklaart hij. Op de vraag waarom andere modehuizen en ontwerpers nu mee op de kar springen, antwoordt hij: “Misschien zijn de mensen na de laatste turbulente jaren wel op zoek naar kwaliteit, naar dingen die goed in elkaar zitten en naar dat gevoel van jezelf mooi te maken.”

Want zoals bij elke trend die terugkeert, krijgt ook die van nu updates en twists mee die het beeld relevant maken in de huidige wereld. De jaren 60 zijn blijkbaar een interessant startpunt voor de ontwerpers. Maar wat trekt hen vandaag zo in de periode aan? Ervaren we opnieuw een keurslijf waarvan we ons willen bevrijden? Volgens Nathalie Bouhana, de ontwerpster achter het Belgisch merk Chauncey, hoeven we het zo ver niet te zoeken. De damescollectie van het label voor deze zomer is onmiskenbaar geïnspireerd door de jaren 60, maar daar is geen vergezochte reden voor. “Ik probeerde er vooral happiness in te leggen en ik heb een positief gevoel bij de jaren 60. In mijn jeugd hield ik enorm van de film The Party met Peter Sellers en ik hou ook van de stijl van Pauline Longet, met haar glanzende tops en pastelgekleurde jurken”, vertelt Bouhana. “Ik wilde een mix van mooie,

pagina 71

Natan

Kwintessens

jurken in PVC. Prints werden gemixt en gematcht en konden niet kleurrijk genoeg zijn. De hippiebeweging zorgde er ook voor dat tie-dye, Paisley prints en bell bottoms hun weg naar de garde­ robe van de vrouw vonden. In Londen gaven de Mods dan weer een duidelijk androgyne trend aan.

Is het die drang naar fun en plezier of net de hang naar vrijheid om ons vrouwelijk te kleden zoals we het zelf willen? Waarschijnlijk zijn de jaren 60 zo’n populaire referentie omdat iedereen er iets anders uit kan uithalen. Alles kan en alles mag en daar worden we nu eenmaal vrolijk van. Stephanie Duval

MAC voor Moschino


Natan

pagina 72

Chauncey

C A S E S

Natan


Axelle Red –  Fashion Victim Tentoonstelling

Beyond Art & Design: doctoraten in de kunst vanuit de MAD-faculty Tentoonstelling en symposium

Awareness Award 2013 Wedstrijd Graphic Mic-Mac II Boek

Groei door designmanagement Boek

Gespot

pagina 73

Kwintessens

Henry van de Velde Awards & Labels 2012 Tentoonstelling


Foto: Michael De Lausnay

Naar goede gewoonte vond de tentoonstelling van de Henry van de Velde Awards opnieuw onderdak in de Loketten van het Vlaams Parlement. Net als in 2010 mocht Heimat, het bureau van Pieter Boons, de scenografie uitwerken. In het eerder strakke, authentieke kader van de lokettenzaal van het voormalige postchequegebouw integreerde Boons een huiselijke context, opgesplitst in twee delen. In de achterste hoek plaatste hij een typisch Vlaamse huisgevel, die met zijn door betonhekken omgeven tuin meteen de aandacht trekt. Van op afstand vormt het plaatje een afgelijnd geheel, maar als je dichter-­ bij komt, verplaatst de focus zich naar de individuele objecten. Ondanks de uitgesproken scenografie krijgen de Henry van de Velde Labels zo de aandacht die ze verdienen. De Nomad-lampen van Alain Gilles hangen aan een waslijn, voor het raam in de gevel hangt het ontwerp van Concrete en Pantopicon. Door deze presentatie wordt hun functie meteen duidelijk: het is een uitnodiging aan de Vlaming om via briefjes voor het raam opnieuw contact te zoeken met zijn buren. Wat ooit dienstdeed als een kastje voor een heiligenbeeldje herbergt in dit decor de vouwmessen van Filip De Coene. Een serre, die de OVAM Eco­ design Awards herbergen, en een schijnbaar gebetonneerde brievenbus en vuilnisbak, die meteen dienstdoet als stembus, versterken de typisch ‘Vlaamse’ setting nog.

SP

Henry van de Velde Awards & Labels 2012

GE

Tentoonstelling verhalend karakter hebben, is dat geen probleem. Een te prominent decor zou wellicht afbreuk gedaan hebben aan hun integriteit. Bij Ever Meulen speelt de scenografie wel een sterkere rol, maar louter als forum voor het universum van de designer. Een zuil laat zijn affiches zien; auto-onderdelen en een vitrine met schaalmodellen verklappen zijn liefde voor auto’s. Een ander kastje herbergt persoonlijke objecten, die bijna altijd in zijn lievelingskleur groen gekleurd zijn. Daarnaast krijgt ook het werk ruimschoots aandacht: van de stripverhalen uit zijn jeugd over de covers voor Humo en de platenhoezen voor Vlaamse bandjes, tot de enorme hoeveelheid gadgets waarvoor Ever Meulen ooit een tekening maakte. Dankzij deze rijke waaier aan objecten krijgt de bezoeker een verhelderend inzicht in het universum van de tekenaar. Boons is erin geslaagd om, onder andere door de opdeling van de ruimte en de rode belettering van de categorieën, een duidelijke visuele opsplitsing te creëren tussen de verschillende winnaars, maar tegelijk het geheel niet uit het oog te verliezen. Van op afstand vormt de tentoonstelling een geheel, zonder de individuele objecten te domineren. Want ondanks zijn sterk verhalende karakter neemt de scenografie nooit de bovenhand tijdens het bekijken van de individuele stukken.

pagina 74

De tentoonstelling Henry van de Velde Awards & Labels 2012 liep van 15 januari tot 2 maart 2013 in de Loketten van het Vlaams Parlement. Elien Haentjens

Foto: Michael De Lausnay

OT

Ook de visuele opening van het tweede deel bestaat uit een geüniformiseerde ruimte, namelijk een huiskamer. Tussen de met witte tape beplakte wanden, lampen, kastjes en kadertjes figureren de sofa’s van Indera (Laureaat van de Henry van de Velde Award voor Bedrijf). Dat de reportage over Indera in het televisietoestel is geïntegreerd, versterkt het geheel. In dezelfde lijn is het jammer dat dat bij Ever Meulen (Laureaat van de Henry van de Velde Award voor Loopbaan) en Maarten De Ceulaer (Laureaat van de Henry van de Velde Award voor Jong Talent) niet gebeurd is. De tv-schermen met de video’s staan daar wat los van de eigenlijke presentaties, al heeft dat ook te maken met de keuze daar voor een strakkere scenografie, waardoor het werk meer op de voorgrond treedt. Vooral bij Maarten De Ceulaer zijn het louter en alleen zijn creaties die het verhaal vertellen. Aangezien die objecten op zichzelf al een sterk


In 2010 pakte Modemuseum Hasselt uit met Ultramegalore, waarbij Hannelore Knuts haar tienjarige carrière als internationaal top­ model in beelden vertaalde. Nog tot en met 2 juni 2013 loopt Axelle Red – Fashion Victim, de tweede expo in deze reeks. De zangeres met Hasseltse roots kreeg carte blanche om haar verhaal te vertellen, waarin een glansrol is weggelegd voor (Belgische) mode. Kenneth Ramaekers vertelt. Hoe bevalt de samenwerking met celebrity curatoren? Toen we van start gingen met de voorbereidingen van Ultramegalore verklaarden velen mij gek. “Je gaat een model toch geen tentoonstelling laten samenstellen?” Ook dit keer kwam er commentaar. Het klopt dat de samenwerking met een gelegenheidscurator je voor bepaalde uitdagingen stelt. Ik heb vaak als strenge schoolmeester moeten optreden als de ideeën te gek werden en de veiligheid van de stukken of de bezoekers in het gedrang kwam. (lacht) Maar het is verfrissend en verrijkend om samen te werken met mensen die niet geremd worden door museumtheorie en conservatievraagstukken.

© Maria Gil

Waarom Axelle Red? Axelle is, net zoals Hannelore Knuts, een Limburgse met wereldfaam en een gerespecteerd figuur in de modewereld. Voor Axelle is mode al sinds het prille begin van haar bijna twintigjarig parcours een middel

Kwintessens

© Maria Gil

Sinds Kenneth Ramaekers er in 2008 er directeur werd, vaart Modemuseum Hasselt een nieuwe koers: naast de traditionele historische overzichtstentoonstellingen staan ook expo’s op het programma waarvan de curator een Limburgse beroemdheid is. Na Hannelore Knuts is het nu de beurt aan Axelle Red.

Axelle Red – Fashion Victim Tentoonstelling om zich uit te drukken, een passie, een kunst. Het begin van haar carrière viel samen met de opmars van de Zes van Antwerpen, die Axelle sindsdien blijft volgen en dragen. Ze combineert haar eerder poppy en meisjesachtige imago met een sterke avant-garde stijl en dat levert boeiende beelden en verhalen op. Hoe vulde Axelle de rol van curator in? Axelle is enorm perfectionistisch en was tijdens de voorbereiding van haar tentoonstelling quasi wekelijks in het museum. Ze is gewend om samen te werken met ontwerpers, die voor haar een soort tweede familie zijn geworden. Voor de samenstelling van de tentoonstelling werd ze bijgestaan door Didier Vervaeren, artistiek directeur, stilist en docent aan La Cambre, grafisch vormgever Paul Ritter, stilist Jean François Pinto en bevriende ontwerpers Veronique Leroy en Elvis Pompilio. Wat is de rode draad van de tentoonstelling? Madonna poseerde voor de cover van haar album Confessions on a Dance Floor met een look die heel erg doet denken aan die van Axelle op Face A – Face B. Het is niets nieuws: Axelles stijl inspireert en dat probeert de tentoonstelling te illustreren. De zangeres heeft in de loop van de jaren duizenden stukken verzameld waaruit een selectie van 120 silhouetten gemaakt werd. Bij elk stuk hoort een anekdote, Axelle en haar echtgenoot weten nog precies wát ze wannéér gedragen heeft. Zo is Maison Martin Margiela nu een klinkende naam maar in 1992 waren MMM’s tabi-schoenen compleet nieuw. Axelle is dan ook verslingerd aan haar tabi-boots en een aantal andere items zoals jumpsuits en hoeden van Elvis Pompilio, die een prominente plaats in de expo krijgen. Behalve mode omvat Axelle Red – Fashion Victim ook fotografie en video. De tentoonstelling Axelle Red – Fashion Victim is te bezoeken tot 2 juni 2013 in het Modemuseum Hasselt. www.modemuseumhasselt.be Jasmijn Verlinden

pagina 75

© Anette Aurel


Door de ervaringen van de MAD-faculty met het doctoraat in de kunst kan de onderwijsinstelling met kennis van zaken positie innemen binnen de discussie over het artistieke onderzoek. Vanuit Galerie De Mijlpaal werd het idee geopperd om een tentoonstelling op te zetten rond deze doctoraten in de kunst: Beyond Art & Design. De MAD-faculty ging daar met plezier op in en we koppelden er een symposium aan.

Beyond Art & Design: doctoraten in de kunst vanuit de MAD-faculty Tentoonstelling en symposium

GE

SP

OT

Hamerprint, Huycke & Wuytens. Foto © Huycke & Wuytens

Sinds enkele jaren legt het Vlaams Hoger Kunstonderwijs zich toe op een nieuw soort van activiteit: het onderzoek in de kunst en meer specifiek op het doctoraat in de kunst. Binnen de MAD-faculty werden recent enkele ontwerpers en kunstenaars geselecteerd die in samenwerking met de Universiteit Hasselt een doctoraat in de kunst uitvoerden. Het eerste doctoraat dat in deze context afgerond werd, is dat van David Huycke. Hij bestudeerde en herformuleerde de eeuwenoude granulatie­techniek door het expressieve potentieel ervan te onder­zoeken binnen de hedendaagse zilverkunst. Inmiddels worden er vanuit de MAD-faculty aan de Universiteit Hasselt jaarlijks een drietal doctoraten in de kunst verdedigd.

Tijdens het symposium zal er vooreerst aandacht zijn voor het specifieke artistieke onder­zoeks­ proces van de kunstenaar of ontwerper, alsook het nadenken daarover. Deze wisselwerking tussen artistieke praktijk en de reflectie daarop wordt gestuurd vanuit een doorgedreven contextualisering en heeft een zekere doelgerichtheid die uiteindelijk vertaald wordt in artistieke en talige media. Ook het delen van kennis zal aan bod komen. Informatie over de resultaten en het voorafgaande proces moeten immers gecommuniceerd worden en een nieuwe bijdrage leveren aan het academische en artistieke werkveld. Een andere vorm van overdracht ligt in het onderwijs en de internationalisering ervan. Artistieke doctoraten zijn een uitgelezen middel om de kennis en vaardigheden die aanwezig zijn in de onderzoeksgroepen (zowel in Vlaanderen als daarbuiten) te laten doorstromen naar de onderwijsactiviteiten, waardoor vernieuwing en verdieping optreedt. Ten slotte is er ook de maatschappelijke relevantie van het doctoraat in de kunst, en dit zowel op cultureel als op economisch, technologisch en sociaal-­ maatschappelijk vlak. Het aanbieden van tijd en ruimte aan kunstenaars en ontwerpers om zich te verdiepen in hun eigen praktijk geeft mogelijkheden om die praktijk naar een hoger niveau te tillen. Op deze manier kan het doctoraat in de kunst bijdragen aan innovatieve ontwikkelingen binnen (en eventueel zelfs buiten) het eigen medium, en aan het kwalitatieve onderwijs dat van hieruit ondersteund wordt. Het symposium en de tentoonstelling Beyond Art & Design worden georganiseerd door de MAD-faculty (Hasselt) en Galerie De Mijlpaal. Het symposium en de opening van de tentoonstelling vinden plaats op 7 maart. De tentoonstelling zal te bezichtigen zijn tot 18 april.

pagina 76

www.demijlpaal.com www.mad-fac.be Bert Willems onderzoekscoördinator MAD-faculty


Bedrijven die duurzaam willen groeien hebben het in deze economisch lastige tijden niet gemakkelijk. Hoe kunnen ze groeien? Welke aanpak werkt? In het nieuwe boek Groei door design­management getuigen acht Vlaamse bedrijven hoe designmanagement één van de instrumenten is die ondernemingen kunnen inzetten om het verschil te maken. Acht bedrijven kregen tijdens het gelijknamige proefproject coaching van Flanders InShape en van verschillende dienstverleners om design­management op maat van hun bedrijf te implementeren. Alle acht cases – uit heel diverse sectoren – komen in het boek aan bod en ook de designcoaches lichten hun specifieke aanpak toe in tekst en beeld. Hoewel er geen cijfers meegegeven worden, lijken de projectdeelnemers toch duidelijke resultaten te noteren: omzetstijging, toegenomen klanttevredenheid, toegang tot nieuwe markten, meer gemotiveerde medewerkers, succesvolle samenwerkingen met experten enz.

Groei door designmanagement Boek Na een uitgebreide inleiding over designmanagement en de waarde ervan, lichten de auteurs vier belangrijke bouwstenen van designmanagement toe, telkens met voorbeelden en praktisch toepasbare tips. Kennelijk is ‘coherentie’ het kernbegrip in dit boek en in designmanagement tout court. Designmanagement toepassen betekent onder meer dat een bedrijf ervoor moet zorgen dat alle zogenaamde touch points of contactpunten met de klanten een coherent geheel vormen. Vervolgens komen de acht cases aan bod. Ze verschillen erg van elkaar en toch komt daar duidelijk het belang van dat coherente geheel weer naar boven. Het boek levert een aantal inzichten en nuttige tips, al ziet het er naar uit dat professionele coaching nog niet meteen overbodig zal worden. Dit boek is uitgegeven als resultaat van een proefproject en claimt zeker niet om hét Nederlandstalig standaardwerk over designmanagement te zijn. Toch steekt de lezer er veel van op en de voorbeelden ondersteunen mooi de theorie. Wie geboeid raakt door het onderwerp vindt trouwens meer inspiratie in de fraaie literatuurlijst achteraan. Groei door designmanagement wordt uitgegeven door Yin Books en is te koop voor 29,50 euro. Bestellen kan via kim@flandersinshape.be. Marianne Verkest Flanders InShape

pagina 77

Kwintessens

Ook minister-president Kris Peeters bevestigt dit in zijn voorwoord: “Voor mij is dit boek een mooi bewijs dat design veel meer is dan vormgeving alleen; dat designers oplossingen kunnen aanreiken die veel verder gaan dan een fysiek product. Het is ook een bewijs dat de toegepaste creativiteit die design is, kan bijdragen tot groei.”


Link, Lore De Groote. © Associated Weavers

De derde editie van de ontwerpwedstrijd voor creatief en innovatief hergebruik van tapijtafval, uitgeschreven door tapijtproducent Associated Weavers uit Ronse, is voor de eerste maal Europees gelanceerd. Hogescholen uit Milaan, Magdeburg, Dundee, Leeds en Ljubljana schreven zich in, naast uiteraard de opleidingen uit België. De 101 inzendingen werden beoordeeld op ontwerp, originaliteit, functionaliteit, duurzaamheid, haalbaarheid en het aandeel van gerecycleerd tapijtafval. Opvallend was de kwaliteit van de dossiers.

OT SP GE

WEDSTRIJD Little Knot transformeert het beeld van een houten driepoot in een genereus gestoffeerd krukje. Rond een vulsel van tapijtafval wordt garen gewikkeld dat als draad uit tapijtrestanten is getrokken. Het garen heeft een uniek kleurenpatroon dat pas verschijnt nadat het tapijt is geweven, geverfd en weer uiteen getrokken. De loshangende koord toont het ambachtelijke van het maakproces en geeft het zitje, samen met de glans van het polyamidegaren, een sensuele verleidelijkheid. In CIL wordt een even gekend krukje geüpgraded tot een comfortabele stoel met rug- en zijleuning. Het doordacht tapijtgebruik steunt zowel op de stevigheid van de plooien als op een helder kleurcontrast.

CIL, Arina Fix. © Associated Weavers

pagina 78

Armor van Aaron Orye (Product Design, MAD-Faculty, KHLim Genk) kaapt met de nodige humor en ironie de derde prijs weg. Het beschermingspak uit tapijt is een originele manier van hergebruik en buigt paintball om naar een speelse tegenstelling tussen de superheld Iron Man en de nieuwe Carpet Man. De Awareness Award is geen vrijblijvende oefening. De winnaars worden actief gepromoot. Voor Plof, het winnende ontwerp van de eerste editie, is er voor de productie een samenwerking opgestart tussen het Belgische label Atelier belge, Associated Weavers en zijn er onderhandelingen met het Textiel Incubatie­ centrum van Ronse. Lut Pil

Little Knot, Kristine Boele en Kevin van den Berg. © Associated Weavers

Awareness Award 2013

Armor, Aaron Orye. © Associated Weavers

Winnaar is Link van Lore De Groote (Interieurvormgeving en meubelontwerp, Thomas More Mechelen). Binnen de inzendingen, die gedomineerd worden door ontwerpen van zitelementen, heeft Link duidelijk een andere focus. Uit kleine restjes tapijt – zeer goed realiseerbaar met het tapijtafval – worden verbindingselementen gesneden die stoelen mooi in een rij bijeenhouden. De onderste elementen zijn volledig gesloten terwijl de andere ronde openingen hebben waarin de poten worden geplaatst. Gestapeld zijn de ‘links’ een eenvoudige oplossing voor een herkenbaar probleem: schuivende, krassende en lawaaierige stoelpoten op een auditoriumvloer. Naast geluiddempende en vloerbeschermende verbindingselemenen zijn de links ook leuke ‘sokjes’ voor koude poten. Little Knot van Kristine Boele en Kevin van den Berg (Postgraduaat meubelontwerp, Thomas More Mechelen) en CIL van Arina Fix (Industrial Design, Hochschule Magdeburg Stendhal) delen de tweede plaats.


Zonder uitleg opent Graphic Mic-Mac II van Jan Hespeel en Randoald Sabbe met de eerste pagina uit The Gentle Art of Making Enemies (1890), een boek van James McNeill Whistler. Op die pagina publiceerde de schilder persreacties die in 1890 verschenen naar aanleiding van een geplande piratenuitgave van zijn verzamelde geschriften. Verzamelen en – eerlijke – piraterij: het omschrijft de speelse wijze van toeeigenen die het ontwerpersduo Jan en Randoald kenmerkt. Ze horen thuis in het rijtje van ‘grote boekverzamelaars’ en lijken wel amateurs die met een jongensachtige branie doe-het-zelfinstructies volgen, zie de uit bestaande boeken overgenomen beginpagina’s en intrigerende inhoudstafels waarmee Graphic Mic Mac II de lezer overvalt.

Graphic Mic-Mac II Boek Rik De Jonghe het volgende over het verschil tussen doorsnee grafisch ontwerp en dat van Jan en Randoald: “Kijkers hebben immers ondertussen al een verzadiging van de grijze communicatie die vaak bol staat van de kleuren. Mainstream alom, vaag, oppervlakkig, inwisselbaar en snel vergeten. Niet bij Jan en Randoald.” De brute kaft van Graphic Mic-Mac II, met vier grafische beelden die representatief zijn voor hun ontwerptaal, vat de complexe uitbundigheid dan ook perfect samen, visueel en conceptueel. Dat Jan en Randoald het zichzelf niet altijd gemakkelijk maken, nemen ze erbij. Soms lijken ze zelfs ‘biblioclasten’ van het traditioneel vormgegeven boek. Is de tweede inhoudsopgave die Graphic Mic-Mac II vooraan in het boek reproduceert er niet een uit The Enemies of Books (1880), een publicatie van de 19de-eeuwse bibliofiel William Blades? Ogenschijnlijke ‘boekenstormers’ zijn Jan en Randoald in werkelijkheid geïnspireerde boekliefhebbers die net daarom met hun werk meermaals in de prijzen vallen. Graphic Mic-Mac II is te koop voor 29,95 euro bij Copyright Bookshop (Gent en Antwerpen) en in de museumshop van het Huis van Alijn. Lut Pil

pagina 79

Kwintessens

Jan en Randoald verzamelen veel en het eerste deel van het 476 pagina’s dikke Graphic Mic Mac II toont een staalkaart van dit verzamelen en aanpassen: toegeëigende teksten, afbeeldingen van stenen, diamanten en handen, patronen van dierenhuiden en andere materialen, souvenirs van een virtuele wereldreis via Google Earth. Het zijn dingen die op zich reeds grafische kwaliteiten hebben en die door allerlei combinaties en ingrepen sterke beelden worden. Zo is hun werk, waarvan foto’s zijn opgenomen in het tweede deel van het boek, een babelse maar gecontroleerde mic-mac van bewerkte delen: een verrassende Wunderkammer die zichzelf graag relativeert. Ook Graphic Mic-Mac II werkt volgens hetzelfde principe. Het is geen catalogus, maar “een ongedwongen bundeling van papier”, aldus de ontwerpers. “We willen niet voorkauwen en de dingen niet op een dienbordje aanreiken.” De lezer mag de vormelijke en inhoudelijke gelaagdheid zelf ontcijferen. Voor het boek werden daarom geen nieuwe teksten geschreven. Wel zijn enkele eerder gepubliceerde bijdragen opgenomen die de lezer wat houvast bieden. In een van die teksten schrijft


es ig &D

7DE TRIËNNALE VOOR VORMGEVING IN VLAANDEREN

n

Conflict & Design

www. conflict and design .be

Co nf lic t

↓ Schrijf in! ↓

Neem deel aan de voorbereidingen van de Triënnale en schrijf je nu in voor de Conflict & Design workshops op 27 & 28 maart in C-mine Genk. De 7de Triënnale voor Vormgeving in Vlaanderen vindt plaats van 14 december 2013 tot 2 maart 2014 in C-Mine Genk en is een initiatief van Design Vlaanderen in samenwerking met C-Mine Genk en Design Hub Limburg.


Ontwerpers doen niet zomaar mee aan deze selecties. Er is natuurlijk de officiële erkenning van hun ontwerperstalent. Maar Design Vlaanderen biedt ook nog andere voordelen: pagina 81

Kwintessens

De tentoonstelling De Nieuwe Oogst is te bezoeken van 29 maart tot 26 mei 2013 in de Design Vlaanderen Galerie, Kanselarijstraat 19, 1000 Brussel. De Galerie is open van dinsdag tot vrijdag van 12 tot 17 uur, en in het weekend van 13 tot 17 uur (gesloten op 31 maart, 1 mei, 9 mei en 19 mei).

es po t

Het nieuwe ontwerptalent kan uit heel verschillende richtingen binnen de vormgeving komen: uit de toegepaste kunsten zoals glas, keramiek, textiel, meubelen, maar ook uit de grafische vormgeving, de industriële vormgeving, service design enz. Tweemaal per jaar, tijdens de Lente- en Herfstselecties, kunnen ontwerpers hun dossier voorleggen aan een externe jury. Als de jury oordeelt dat de producten creatief, verfrissend en vernieuwend zijn, wordt de ontwerper opgenomen in de database van Design Vlaanderen.

de ontwerpers kunnen subsidies aanvragen voor promotionele activiteiten, ze krijgen aandacht in dit tijdschrift en ze komen in aanmerking voor deelname aan tentoonstellingen en beurzen in binnen- en buitenland. In het kader van de kmo-portefeuille kunnen ze terecht bij het Agentschap Ondernemen voor een officiële erkenning als dienstverlener van strategisch advies en technologieverkenning.

G

Geregeld komt er nieuw designtalent bovendrijven. In de tentoonstelling De Nieuwe Oogst brengt de Design Vlaanderen Galerie jaarlijks het resultaat daarvan. Op de volgende pagina’s vindt u alvast een introductie tot de oogst van 2012.


Ruud Belmans

pagina 82

Wasbar. © Arne Jennard – Pinkeye

SPECIAL

Op merkenmaat

Ruud Belmans is creative director en medeoprichter van cross-over designstudio Pinkeye in Antwerpen. Ruud staat er momenteel aan het hoofd van het team dat interieurconcepten voor merken ontwerpt. “De bedoeling is dat ik stilaan opnieuw de algemene leiding in handen neem, dus ook over onze grafische ploeg”, aldus Ruud. Zelf heeft hij, onder andere door zijn studie productontwikkeling, de meeste affiniteit met de designprojecten. “Ik hou van tastbare dingen”, zegt Ruud, die onder andere meewerkte aan de ontwikkeling van de grappige kaasrasp Kasimir en de vriendelijke barbecue Buck. “In mijn gedachten ben ik wel een designer,” zegt hij, “maar design is een term die almaar vaker misbruikt wordt. Iedereen die iets in 3D kan tekenen, is vandaag een designer. Ik vind dat het begrip op die manier te veel gerelativeerd wordt. Ik heb me bijvoorbeeld nog nooit toegelegd op het ontwerpen van een meubel, omdat ik wéét hoeveel tijd daar inkruipt en hoe moeilijk het is. Het blijft wel in mijn achterhoofd spoken, dus misschien komt het er ooit wel van.”

Zoals een recent succesproject van Pinkeye, de Wasbar in Gent, een cross-over is van wasserette, bar en kapperszaak, zo is ook Pinkeye een designstudio die zich tegelijkertijd met alle facetten van design, marketing en branding bezighoudt: “Ik heb een twintigtal mensen rond me verzameld die allemaal andere talenten en interesses hebben. Ik vind het razend interessant om met hen te brainstormen en heel open over merken na te denken. Ik laat me graag door hen inspireren”, zegt Ruud. Daarnaast laat hij zich ook graag prikkelen door inspiratietrips naar grootsteden en door de dingen die hij ziet op online platformen als Instagram of Pinterest. De Pinkeye-studio in Antwerpen werd net gerenoveerd tot een functionele plek die tegelijk strak ontworpen is en een huiselijke gezelligheid uitstraalt. Ruud zelf staat duidelijk positief in het leven, en doet zijn job met heel veel plezier: “Wanneer dat plezier weg is, dan stop ik ermee.” Toch heeft de creatief directeur ook frustraties: “Het is moeilijk om geschikte mensen te vinden, omdat

er in ons land geen opleidingen zijn die aandacht besteden aan ontwerpen voor merken”, legt Ruud uit. Hij ambieert trouwens een wereldwijd succes met Pinkeye: “Ik zou over tien jaar graag de meest toonaangevende studio zijn in ons vakgebied”, zegt hij vastberaden. Zo’n zes jaar geleden startte Ruud zijn studio op om zijn opdrachten te kunnen kanaliseren. Tot dan werkte de productontwikkelaar als freelancer voor grote labels als Coca-Cola en Bacardi-Martini, wat resulteerde in slapeloze nachten en weekends volgestouwd met werk. “Dat is nu wel anders. Mijn werk is niet langer mijn leven. Ik ben wél een grote fan van creative worrying: de beste ideeën komen vaak naar boven op momenten dat je helemaal niet aan het werk bent.” www.pinkeye.be An Bogaerts


Frederic Boonen

Al in zijn jeugd droomde Frederic Boonen ervan om eigen baas te zijn. Nog voor hij als master in productdesign aan de Genkse hogeschool afstudeerde, had hij al zijn eigen bedrijfje opgericht: Boonen Design Studio. Boonen pakt het meteen efficiënt en marktgericht aan. Hij laat de vrije creatie links liggen en streeft er bewust naar om een totale dienstverlening aan de klant aan te bieden. Zijn opdrachten beginnen steevast met een stevig businessmodel waarmee hij een oorspronkelijk idee gefaseerd wenst te ontwikkelen tot een marktwaardig eindproduct. De ontwerper coördineert en stuurt het volledige traject als een volleerd commercieel manager. In een breed marktonderzoek gaat hij eerst op zoek naar gelijkaardige producten zodat zijn eigen ontwerp een unieke plaats kan veroveren. Boonen heeft oog voor de heersende trends en tracht doelgroepen in de nabije en verdere toekomst in kaart te brengen. Branding en merkidentiteit zijn voor hem geen loze begrippen. Na het kaderen van het product tekent Frederic Boonen vervolgens het ontwerp, verzorgt hij de engineering, creëert hij het prototype en besteedt hij de productie uit. Tenslotte voorziet hij ook de verpakking en de verzending. Het gehele traject van ontwerp tot eindproduct neemt al snel één tot twee jaar in beslag.

Als volbloed industrieel designer kiest Frederic Boonen voluit voor het principe van de modulariteit. Niet toevallig vindt hij de eenvoud en de oneindige mogelijkheden van Lego een inspirerend voorbeeld. In elk ontwerp tracht hij het aantal onderdelen te beperken tot het strikt noodzakelijke. Hij houdt zich ver van het ornament. Zijn ideale vormgeving is deze waarbij de contouren en de struc-

pagina 83

Kwintessens Umto

Boonen voelt zich als designer geenszins beknot door deze marktgerichte benadering. Dankzij de coördinatie van het gehele proces kan hij de coherentie en de kwaliteit van begin tot eind garanderen. Het succes van dit ‘totale design’ mag blijken uit het feit dat het orderboek al voldoende gevuld is met opdrachten uit de eigen provincie. Net als gelijkaardige kleinschalige ontwerpbureaus is Boonen Design Studio actief in diverse sectoren: mobiliteit (een parkeerautomaat, een laadpaal, een elektrische fiets en vouwstep), gezondsheidszorg (een bodyscanner), industrie (generators, klimatisatie), verlichting als projectmeubilair, en diverse collecties meubels voor zowel de tuin als de woonkamer.

Clean en efficiënt

tuur van de objecten uiterst eenvoudig, sober en haast clean zijn. Zowel in een carport, een tuinstoel als een generator huldigt Boonen het adagium form follows function. De ontwerper streeft ernaar om de functionaliteit van zijn producten zo vanzelfsprekend mogelijk te houden. Hij gruwt van toestellen met een overdaad aan bedieningsknoppen en stelt altijd de gebruiksvriendelijkheid van zijn ontwerpen voorop. Zijn ontwerpen in de mobiliteitssector zijn toekomstgericht. Hij droomt ervan

dat compacte eenpersoonswagens zich zouden kunnen voortbewegen over een wegdek waarin naast alle nodige elektrische leidingen en databekabeling ook verwarming is geïntegreerd. De visie van Frederic Boonen is gestoeld op een brede en vooruitziende blik. In zijn opdrachten tracht hij steeds verder te denken dan de eerste vraag van de klant reikt. www.fredericboonen.eu Frank Huygens


SPECIAL

Louise Charlier

Designproces als een spelletje pingpong

“Als student ambieerde ik het om design toegankelijk te maken voor iedereen. Nu ik in de praktijk sta, ondervind ik dat dat niet altijd mogelijk is. Zo ben ik samen met een Frans bedrijf momenteel bezig met de ontwikkeling van Kite, een opvouwbaar zitje dat ik tijdens een workshop bij Vitra ontwierp. Omdat het maximaal twintig euro mag kosten en bestemd is voor de Europese supermarkten, produceren we het in China. Maar voor grotere stukken verkies ik een productie in België of Europa, om ethische en ecologische redenen.” “Ik ben opgegroeid in Elsene maar heb altijd een sterke voorliefde gehad voor de natuur. Dat zie je aan de dingen die ik maak, maar ook aan mijn materiaal­ gebruik. Ik wil de natuur in huis brengen en duurzame objecten maken, zodat de eigenaars zich eraan hechten en de meubels kunnen doorgeven aan hun kinderen.

Om mijn liefde voor natuurlijk en eenvoudig design verder uit te diepen trok ik via een uitwisselingsprogramma voor een jaar naar Finland. Ook de sterke band met hun tradities spreekt me aan in Scandinavisch design.” “Vaak spruiten mijn ontwerpen uit mijn eigen leefwereld voort. Zo trek ik er tijdens mijn vakanties meestal met de tent op uit. Omdat het niet altijd eenvoudig is om je tent mee te nemen, bedacht ik Bikok als afstudeerproject aan La Cambre. Qua sfeer leunt het concept volledig aan bij een tent, want je kan er enkel in slapen en je bent dicht bij de natuur. Alleen kan deze gewoon blijven staan. In de winter kan je het terras opklappen en daarmee de ‘tent’ winddicht afsluiten. Met een Frans bedrijf bekijk ik momenteel de ontwikkelingsmogelijkheden.” “Sinds 2010 werk ik voor Médiane, het communicatiebureau van mijn vader. Eigenlijk is hij ook industrieel ontwerper, maar in de loop der jaren heeft de communicatie de bovenhand genomen. Zelf ben ik in het bedrijf gestapt op voorwaarde dat ik een designpoot mocht uitbouwen. Als eerste project binnen Médiane ontwikkelde ik de tafel 4U, die bestaat uit een blad en vier U-vormige stukken. Doordat de poten ontdubbeld zijn, ziet de tafel er licht uit, terwijl ze toch stevig is. Het is een erg eenvoudig ontwerp. De afwerking zit in de details.”

4U. Foto: Médiane

pagina 84

“Na 4U heeft het West-Vlaamse bedrijf De Zetel me ook gevraagd om een nieuwe stoel te ontwerpen. Ik ontwierp één hoofdstructuur, drie rugleuningen, twee zitvlakken en vier kleuren. Op die manier kan een café of restaurant een uniform maar toch speels interieur samenstellen.” “Het fijnste project tot nu toe is de ontwikkeling van een hek voor paarden. Om meer diversiteit te brengen in de markt vroeg het bedrijf Peter Müller aan drie designers om een voorstel te doen. Ik haalde de opdracht binnen en intussen is het prototype klaar. Het is een simpel, origineel ontwerp, waar iedereen tevreden over is. Het ontwikkelingsproces was zoals een pingpongspelletje en zo heb ik het het liefst, want producten moeten in eerste instantie beantwoorden aan de wensen van het bedrijf en de markt. Ik hou van dit soort opdrachten, want mijn hart ligt bij industrieel design.” www.louisecharlier.be Elien Haentjens


Couvreur & Devos

Kwintessens

1+1=3

Spock

Het dynamisme van dit jonge ontwerpersduo komt je meteen tegemoet bij een bezoek aan de thuishonk in Roeselare. Couvreur & Devos is opgericht als een logische spin-off van Maister, een allround, designgedreven communicatiebureau dat opgericht werd door Bram Couvreur in 2005. Bram Couvreur en Björn De Vos werken professioneel samen vanaf 2008, maar besloten samen de stap te zetten naar productontwikkeling in 2010. Als eerste gezamenlijke realisaties ontwierpen ze verlichtingselementen voor Modular: Spock (2010) en Scotty (2011, bekroond met Henry van de Velde Label en een Good Design Award). Andere realisaties voor verschillende klanten volgden spoedig. Ze mochten zelfs het totale lichtconcept van de Parijse state-of-the-art Social Club onder handen nemen, en de verrassingskoffer voor Piper-Heidsieck bleek eveneens een schot in de roos.

pagina 85

De recent gelanceerde BuzziWings zijn akoestische space dividers voor Buzzi­ Space. De opdracht illustreert mooi hoe Bram en Björn te werk gaan: de eerste professionele contacten van Maister voor de huisstijlontwikkeling van Buzzi­ Space vormden de aanzet van dit creatieve productontwerp. Nieuwe klanten voor productontwikkeling komen via mond-tot-mondreclame, met als belangrijke premisse dat je een goed ontwerp­ idee maar kan uitwerken mits een goede kennis van de klant én diens producten marktkennis. Bram en Björn zijn elkaars eerste klankbord – zowel kritisch als opbouwend – bij nieuwe ontwerpen. Voor het eerste ontwerpvoorstel bij de klant terechtkomt, sparen ze elkaar nauwelijks. Eenmaal het ontwerp wordt getoond aan de klant, wordt het nog afgetoetst totdat het design helemaal gefinetuned is. Een ontwerp afleveren waar alleen de klant tevreden mee

is, doen ze niet: ze halen net voldoening uit hun werk door het samen afleggen van een ontwerptraject tot het helemaal is wat ze zoeken. In de technische, budgettaire en andere beperkingen die worden opgelegd door de klant, zit voor hen net de uitdaging. Een sterk ontwerp kan je altijd bijschaven, een zwak ontwerp kan je nooit upgraden tot iets waar iedereen tevreden over kan zijn. Couvreur & Devos wérkt, omdat het geheel meer is dan de som der delen, zowel als duo als in de combinatie met Maister. www.couvreurdevos.be Stefan Mertens


Johan Devrome Geert De Kockere

SPECIAL

Ej^[bbe “Een illustratie is meer dan een prentje bij een tekst”

“Mijn werk als illustrator is niet in een hokje te plaatsen, vooral omdat ik het werk als een vormgever benader, wat altijd mijn hoofdberoep is geweest. Daardoor was ik onafhankelijk en naar mijn gevoel ook artistiek vrijer. Bovendien is het voor mij nodig om voortdurend te kunnen variëren. Persoonlijk vind ik het een sterkte, omdat ik me telkens kan aanpassen aan de publicatie en de doelgroep. Want een illustrator blijft voor mij een toegepast kunstenaar en de tekeningen moeten in balans zijn met de tekst, al beschouwen sommige vakspecialisten het werken in meer dan één stijl net als een zwakte.” “Eerder toevallig maakte ik enkele illustraties voor de Stipkrant, de kinderkrant van De Standaard, waar ik kort na mijn afstuderen als vormgever aan de slag ging. Omdat twee pagina’s niet gevuld raakten, vroeg hoofdredactrice Mariette Vanhalewijn aan mij om ze te illustreren. De tekeningen vielen zodanig in de smaak bij Uitgeverij Averbode, dat ze me de opdracht gaven om wekelijks drie pagina’s te maken voor hun jeugdbladen. En zo ging de bal aan het rollen. De ontmoeting met auteur Geert De Kockere in 1997 was van cruciaal belang. Samen maakten we het kinderboek Mosje, met een nominatie voor de Boekenpauw als resultaat.”

pagina 86

Johan Devrome

“De kracht van Mosje ligt volgens mij in de sterke verwevenheid van tekst, beeld en vormgeving. Het boek kwam tot stand als een pingpongspel, een kruisbestuiving tussen Geert en mezelf. Tekst en beeld vullen elkaar aan, maar vertellen ook een eigen verhaal. In een goed boek moeten ze niet alleen voor elkaar, maar ook voor

P

I G M A L I ON

de lezer voldoende witruimte laten, zodat interpretatie mogelijk is. Ik hecht veel belang aan de suggestieve kracht. Daarom plaats ik mijn figuren zelden of nooit tegen een achtergrond, en werk ik met fragiele, transparante materialen zoals inkt, potlood en aquarel.” “Voor mij geldt het principe less is more. Mijn figuren zijn nooit helden, maar net heel gewone mensen. Liever dan via de gelaatsuitdrukking druk ik hun emoties uit via hun lichaamstaal of handen, zoals bij de Vlaamse Primitieven. Ik hou van visuele stilte in mijn werk. Subtiliteit voer ik daarbij hoog in het vaandel: de glimlach primeert voor mij op de schaterlach. Door gelaagdheid in mijn werk te brengen wil ik zowel kinderen als volwassenen boeien.” “Met Geert De Kockere deel ik de onrust om telkens iets nieuws op te starten.

Door de crisis in de boekenindustrie heeft hij zelf de uitgeverij Pigmalion uit de grond gestampt. Binnen dat kader werken we samen aan de Boeketjes-reeks, een serie kleine boekjes met poëzie en poëtisch proza die Geert zelf via internet verkoopt. Voor mij is het een bijzonder fijn project, omdat ik erg vrij en suggestief kan werken. Het concept slaat aan: Geflipte liefde is na een kleine maand al aan een tweede druk toe. Ik ben er dan ook van overtuigd dat het boek zal blijven bestaan, maar dat we moeten blijven zoeken naar creatieve oplossingen en naar de mogelijkheden van een digitaal luik. In de geest van de doe-het-zelfbeweging zal de rol van de uitgever en boekhandel gerelativeerd worden.” users.telenet.be/hadejo Elien Haentjens


John Dierickx

verschillende omgevingen, zowel in woningen als in bedrijven, en creëren een warme sfeer in de leef- en werkruimtes. Eerst worden de verwachtingen van de architect en de klant afgetoetst en aan de hand van de bekomen informatie maakt John vervolgens een ontwerp dat rekening houdt met alle criteria, zoals lichtinval, persoonlijke voorkeur, plaatsing enz.

Wanneer men over glasramen spreekt, denkt men vaak nog aan de klassieke ramen die oude kerken en kloosters sieren. Het bedrijf Artglas, onder leiding van John Dierickx, ontwerpt echter glasramen met een modernere toets, ‘kunstig glas’ in al zijn facetten. Artglas werd door John in 2002 opgericht en thans werken er twee medewerkers die mee instaan voor de vervaardiging en plaatsing van de glaspanelen.

Het oude ambacht wordt nog steeds gehanteerd, maar een modernere benadering wordt toegepast via technisch geavanceerde technieken. De artistieke glaspanelen worden volgens de glas-in-loodtechniek gemaakt en kunnen zelfs tussen dubbele beglazing geplaatst worden. Er is ook plaats voor volledig nieuwe concepten, zoals een roterend glaspaneel dat op het ritme van de wind wentelt.

John streeft technische perfectie na bij het ontwerpen en realiseren van zijn artistieke glaspanelen. Voor zijn ontwerpen maakt hij gebruik van rechte en gebogen lijnen, van heldere glassoorten met verschillende structuren en kleuren.

John werkt veel samen met architecten. Architecten zijn immers de aangewezen personen om bouwheren een impuls te geven om ‘artglas’ te integreren in een nieuwbouw of te renoveren woning. Glaspanelen komen tot hun recht in

pagina 87

John wordt ook gevraagd om aan verschillende projecten mee te werken. Dat dit mooie en verrassende effecten oplevert, kan men zien in het project cArAvAn van Luc Theuwis. Negen oude caravans werden door Limburgse architecten en designers omgebouwd tot een tijdelijke B&B. De verschillende caravans werden opgesteld in de tuin van galerie Art and Advice. John werkte voor dit project samen met architect Vittorio Simoni. De klassieke caravan werd gedecoreerd met glaspanelen die het geheel een moderne impuls gaven. Dit project heeft Artglas heel wat positieve reacties opgeleverd. Artglas heeft al zijn ervaringen gebundeld in een mooie uitgave waarin zowel de moderne glaspanelen als de iets klassiekere getoond worden. Het zijn mooie voorbeelden van hoe en waar een glaspaneel geplaatst kan worden. Maar ook in de toonzaal van Artglas krijgt men al een mooie kijk op de verschillende mogelijkheden. www.artglas.be Helga Willems

Kwintessens

Artistieke glaspanelen


Ecologisch design, natuurlijk!

FF8

SPECIAL

Fosfor

pagina 88

De jonge ontwerpers Tom Suykerbuyk en Bernhard De Paepe vonden elkaar als collega’s in een firma waar ze samen het ontwerpteam vormden. Hun gedeelde interesse voor ecologisch verantwoord design was de basis voor het opstarten van Fosfor, nu zo’n zeven jaar geleden. Op voorbeeldige wijze vullen ze elkaar aan: na een brainstorm ontwikkelt Tom het prille idee tot een concept en vervolgens een ontwerp, waarna Bernhard de technische ontwikkeling, de prototypes en het opstarten van de productie voor zijn rekening neemt. Als multidisciplinair team geven ze vorm aan uiteenlopende projecten voor diverse sectoren. Vroeger was Fosfor voorname­ lijk werkzaam voor de marketing- en eventsector, waarvoor het de brand identity van een firma of merk in 3D-producten en omgevingen vertaalde. Fosfor tekende meerdere opmerkelijke installaties voor promotie en ontspanning in de stad en op muziekfestivals. Nu trekt Fosfor vooral jonge, gedreven ondernemers aan die dromen van een eigen product. Fosfor neemt de ondernemers bij de hand en begeleidt hen van A tot Z in de ontwikkeling van hun product en / of dienst.

Tom en Bernhard ervaren de opdrachten voor sterk verschillende sectoren niet als een moeilijke balans. Integendeel, het wisselende werk zorgt voor een kruisbestuiving van disciplines die enkel maar verrijkend werkt. De breed uitwaaierende productkennis en de samenwerking met uiteenlopende opdrachtgevers komt hun aanpak en visie ten goede. De ontwerpers kiezen ervoor om een project van meet af aan te begeleiden, van ruw idee tot eindproduct. Na een grondig marktonderzoek stelt Fosfor een product voor dat tegelijkertijd levensvatbaar is en een meerwaarde creëert ten opzichte van bestaande producten. Het gros van de opdrachtgevers vertrouwt het volledige project aan Fosfor toe. Na het ontwerp en het prototype kiest Fosfor voor de meest geschikte producent. Diverse opdracht­ gevers blijken aangenaam verrast door het out of the box denken van Fosfor. Niet voor niets werd hun ecologische visie begin 2009 bekroond met de eerste OVAM Ecodesign Award PRO. De signalisatie Wave voor ondergrondse parkings is niet alleen helder en efficiënt maar ook op meerdere punten milieubewust. Eén jaar later kaapt Fosfor opnieuw een

OVAM-prijs weg, met de fietsenstalling Bike Project, ontworpen in opdracht van Consider Group voor de stad Brussel. Het initiële idee bestond erin om de werknemer opnieuw op de fiets te krijgen en de werkgever een alternatief voor leasewagens te bieden. Het hele proces werd bestudeerd en geoptimaliseerd, waarbij het resultaat tegelijkertijd als product en als dienst ontwikkeld werd. Met de jaren ziet Fosfor de interesse van hun klanten voor een ecologische ontwerpwijze en productie groeien. De meest geëngageerde opdrachtgevers opteren voor een ecologisch sterk ontwerp vanuit een overtuigde, gegronde visie. Voor Fosfor passen hun meest geslaagde ontwerpen in een toekomstige, ideale wereld waarin design een wezenlijke bijdrage levert aan het welzijn van de mens. Met aandacht voor modulaire ontwerpen, zuinig materiaal­ gebruik, energievriendelijke productieprocessen en een vlotte recyclage, zet Fosfor al een flinke stap in die toekomst. www.fosfor.be Frank Huygens


Ward Heirwegh

Ward Heirwegh studeert in 2007 af aan Sint-Lucas Gent als grafisch ontwerper. Nadien werkt hij gedurende twee jaar voor het Brusselse ontwerpbureau Base Design. Daar leert hij de kneepjes van het vak, maar tegelijkertijd is hij op zoek naar een grotere eigen inbreng en dus start hij zijn eigen studio op. Ward ontwerpt voornamelijk voor de culturele sector, maar beseft ook dat de markt van publicaties voor deze sector behoorlijk verzadigd is. Opnieuw streeft hij naar meer eigen input, ook op inhoudelijk vlak. In 2010 start Ward zijn eigen publicatieplatform op, Sleeperhold Publications, waarmee hij zich begeeft op het terrein van het editorial design. Het is een onderzoeksgericht platform voor kunstenaarspublicaties en tegelijkertijd een mooi excuus om te experimenteren met inhoud, verschillende dragers en beschikbare distributiekanalen. Vandaag heeft Sleeperhold Publications een foto­ boek, een reeks van gezeefdrukte affiches, speelkaarten, een boek en een reeks vinylplaten uitgebracht. Voor het boek The Most Expensive Restaurant Ever Built nodigde Ward kunstenaars uit om een bijdrage te leveren met als uitgangs-

pagina 89

punt de verhalen van de Britse schrijver J.G. Ballard. De platenreeks bestaat uit tien lp’s, met muziek aan de bovenkant en op de onderkant een ets. Het laatste wat Ward wil, is zichzelf herhalen. Vandaar ook de keuze om er na tien items mee te stoppen. Zo blijft hij zichzelf steeds weer in vraag stellen. Eigenlijk is het een experiment in curatorschap in de breedste zin van het woord. Hij geeft ook regelmatig lezingen over het platform in binnen- en buitenland. Ward is dus meer dan een ‘vormgever’. Naast zijn publicatieplatform ontwerpt Ward onder andere alle toepassingen voor modeontwerpster Annemie Verbeke. De afwisseling tussen echte vormgevingsopdrachten en zelf-geïnitieerde projecten is voor Ward ideaal. Soms kan hij het toch niet laten om net dat tikkeltje méér te doen. Dat bewees hij ook met de opdracht om een visitekaartje voor een kookboekenrecensent te maken. Hij besloot om een originele fotoreeks te maken waarbij schrijf- en kookgerei in elkaar opgaan. Een ander project waarvoor Ward de grafische vormgeving dit jaar voor de

tweede keer verzorgde, is het Bâtard Festival in de Beursschouwburg in Brussel. De curator van het festival bracht alle deelnemende kunstenaars en ontwerpers samen om tijdens één werkweek als collectief iets op poten te zetten. Dit vertaalde zich in een ‘ruwe’ huisstijl voor het festival, met een blokkendoos van elementen waarmee vervolgens vrij gespeeld kan worden. Wards stijl is degelijk, erg typografisch, zonder poespas of franjes, droog en misschien zelfs een beetje ‘saai’, zoals hij zelf zegt. Maar het is dan wel een saaiheid die heel hedendaags is. Zijn droomopdracht is om voor enkele muzieklabels te mogen ontwerpen. Zijn meest recente werk hebt u nu in handen. www.wardheirwegh.com www.sleeperholdpublications .com Mies Van Roy

Kwintessens

TOOP magazine

Meer dan ‘vorm geven’


SPECIAL

Norayr Khachatryan

Vanuit een abstractie groeit de structuur

Norayr Khachatryan twijfelde of hij architect of designer wilde worden. Hij had al enige ervaring in een schrijnwerkers­ atelier en uiteindelijk koos hij toch voor interieurvormgeving, al was het met een zekere reserve. Hij wilde zeker geen badkamers of keukens inrichten maar wel objecten maken. Gelukkig was de opleiding aan Sint-Lukas Brussel ruimer dan verwacht en leerde hij er echt ontwerpen, vooral tijdens zijn stage in het bureau van Danny Venlet. In zijn werk vertrekt Norayr steeds vanuit een abstractie. Hij neemt veel foto’s, haalt er elementen uit, gebruikt ze als inspiratiebron. Dikwijls zijn het archi­ tecturale elementen. Ook techniek en

materiaal spelen een belangrijke rol. Het concept van een object kan heel technisch zijn. Hij tekent veel, maar soms laat hij de tekeningen een tijdje liggen vooraleer ze weer op te rakelen. Hij is ook vrij kritisch voor alles wat hij maakt. Een mooi voorbeeld van zijn werkwijze vormen de tapijtontwerpen Fragments voor Van Caster, een Mechelse winkel voor hedendaagse tapijten. Hij moest de tapijttechnieken leren kennen en de materialen zijde, wol en katoen. Aan de hand van enkele foto’s legt Norayr uit hoe hij tot het definitieve resultaat gekomen is. Een beeld van een naald herhaalt zich tot een soort zebramotief. Een oud industrieel dak transformeert zich tot een schuine zwarte rand op een wit vlak. Alle ontwerpen zijn vrij minimalistisch, ook naar kleurgebruik. Maar vanuit de abstractie groeit meestal een structuur: een strak lijnenspel in combinatie met hoeken van veelal 90° en 120°, wat heel wat combinaties toelaat. Voorbeelden hiervan zijn de YZ-lamp en de bijzettafels T3/4. Hij creëert structuren die vrij in de ruimte komen te staan. Het lijken soms beeldhouwwerken, al zijn ze steeds functioneel. Hoe belangrijk zijn technieken of gebruikte materialen? Veel is afhankelijk van de briefing van de klant. Een concept kan heel technisch zijn. De diagonale lijn in de metalen bijzettafels T3/4 en in de lederen BUF-poefs, lijkt op het eerste zicht een esthetische keuze, maar is in beide gevallen een oplossing voor twee totaal verschillende technische problemen. Norayr had het geluk dat zijn afstudeerproject, de N7-tafel, onmiddellijk door Casamania in productie genomen werd. Het gaf hem onmiddellijk enige naambekendheid, ook internationaal. Hij voert interieuropdrachten uit maar werkt vooral via galeries zoals het Brusselse We Are Different, die zijn werk nog tijdens Design September presenteerden. Wat zijn de toekomstplannen? Recent is hij verhuisd naar hartje Mechelen. Hij heeft er een klein pand gekocht en ingericht. De benedenverdieping moet ook een kleine toonzaal worden, zowel voor zijn eigen meubelen, als voor werk van bijvoorbeeld bevriende fotografen en designers. Netwerken is immers belangrijk.

N7

pagina 90

www.norayr.net Christian Oosterlinck


Grid

MichaËl Kruijne

Kwintessens

De eenvoud van meubelontwerp en de complexiteit van architectuur

Michaël Kruijne is van opleiding zowel productontwikkelaar als architect, maar werkt in de eerste plaats als architect met een doorgedreven ecologische insteek. Compactheid, oriëntatie, ventilatie, isolatie en luchtdichtheid zijn begrippen die in België nogal lomp gehanteerd worden en steevast ondergeschikt gemaakt worden aan het financiële plaatje. Zijn architectenvennootschap is momenteel onder meer bezig in scholen in Boom, Wieze, Zomergem en Eeklo, in het kader van het Scholen van Morgen-project. Meubelontwerp is echter nooit ver uit Michaëls gedachten. De eenvoud van een sterk meubelontwerp staat in contrast met de complexiteit van een gebouw. Als architect is Michaël gewoon om naar oplossingen te zoeken en – net als bij de architectuurprojecten – zijn ecologie en duurzaamheid ook in zijn meubelontwerpen belangrijke factoren. De ontwerpen mogen niet te complex zijn en de functi-

pagina 91

onaliteit primeert, wat vormelijk terugkomt in zijn ontwerpen. De Plunk Chair is zo een eenvoudige structuur van drie in elkaar schuivende platen, gemaakt van het lichte en recycleerbare geëxpandeerd polypropyleen. Deze steun geeft aan een zitzak het comfort van een zetel. Michaël Kruijnes ontwerpen zijn in productie bij labels als Sixinch (tafel MK) en Vange (zetel Nautilus, tafel MKT). MKT is een ronde tafel die door een uitsparing geschakeld kan worden tot een flexibel systeem. Meerdere tafels vormen dan een ketting waarvan de elementen kunnen roteren. De tafel MK was oorspronkelijk bedoeld in gecoat schuimrubber, maar is omwille van het gebruiksgemak nu in gelakt mdf verkrijgbaar. Zijn meest recente ontwerpen zijn uiterst eenvoudig. Grid is een modulair reksysteem dat zonder lijm of schroef gemonteerd kan worden. De elementen, verkrijg-

baar in twee lengtes, schuiven in elkaar. Opbergkastjes in gemoffeld staal kunnen geïntegreerd worden in het rek. De Traypod is een bijzettafeltje waarvan het blad niet enkel een dubbel gebruik heeft, maar ook als dienblad gebruikt kan worden. Een bureautafeltje wordt opgebouwd uit beuken multiplex. De poten schuiven in het onderblad en daarop wordt een bovenblad geplaatst dat alles klemvast bij elkaar houdt. Doordat de poten in verschillende richtingen staan, is het geheel toch stabiel, niettegenstaande het gebruik van plaatmateriaal. Tussen de platen is er opbergruimte voorzien en kabelgoten werden al gefreesd. Het is een ideaal bureau, bijvoorbeeld voor een schoolomgeving. www.kruijne.be Christian Oosterlinck


CathÉrine Lovatt

SPECIAL

Op zoek naar klassiekers

pagina 92

Ik tref Cathérine Lovatt bij haar thuis. Op de eettafel staan prototypes uit steengoed kriskras door elkaar. Na tien jaar stilte is de tijd aangebroken om opnieuw te creëren. Cathérine kiest resoluut voor het functionele. Bij het uitwerken van haar ideeën valt ze terug op haar jarenlange ervaring als keramiste. Het is een materie die ze kent, ook al primeert voor haar het object en vooral de vorm. Het materiaal wordt pas gekozen als het proto­type tot stand is gekomen. Aanvankelijk verloopt het creatieve proces niet van een leien dakje. Cathérine laat zich omringen en inspireren door allerhande spullen die haar aanspreken: broches van haar oma, schilderijen van Giorgio Morandi, vondsten van de rommel­markt, zijdecocons, speelgoed. Al deze indrukken worden uit elkaar gehaald en geherinterpreteerd. Ze worden delen van nieuwe puzzels en dat resul-

52 weeks

In 1989 studeert Cathérine Lovatt af aan het Hoger Instituut voor Beeldende Kunsten Sint-Lucas Gent in de richting keramiek, met als docenten Marnix Hoys en Rik Vandewege. Hierna volgt een jarenlange carrière als zelfstandige keramiste. Cathérine bouwt een vast klantenbestand voor haar handgedraaide serviezen, vazen en tuinpotten in landelijke stijl. Meer en meer voelt ze echter de hete adem van de massaproductie van de grote ketens in haar nek. Ze neemt de beslissing om een nieuwe weg in te slaan en wordt de persoonlijke assistente van een beeldend kunstenaar. Maar het bloed gaat waar het niet kruipen kan. teert in een reeks vazen die luisteren naar de namen Silhouette, Cocoon, Jewel en Towers. Met het servies Family Set begint de ontwerpster aan een volgend hoofdstuk. Voor dit servies is ze vertrokken vanuit de cilindervorm, een universele vorm die doorheen de kunstgeschiedenis telkens opnieuw naar voren treedt, onder meer in het minimalisme waar Cathérine een liefhebber van is. Het is voor haar van groot belang het ontwerp uit te puren, de eenvoud te vinden, het tijdloze. Op Interieur 2012 komt Cathérine naar buiten met 52 weeks. Het uitgangspunt is één jaar lang wekelijks te zoeken naar de relatie tussen licht en het uiteindelijke object, de lamp. Hier wordt niet enkel gewerkt met klei, want als de vorm of het object een ander materiaal vraagt,

dan schrikt Cathérine er niet voor terug om dit elders te zoeken. 52 weeks wordt een geheel van kandelaars, kleine tafellampen, grote staande lampen, hangen muurlampen. En er kondigt zich alweer een nieuw project aan: een servies waar deze keer misschien kleur aan zal worden toegevoegd. Cathérine zal zich ongetwijfeld vastbijten in deze nieuwe uitdaging. Voorzichtig toont ze mij de eerste proeven. Het wordt me duidelijk dat het einde nog lang niet in zicht is. Het is een zoektocht naar de klassiekers. Maar misschien staan die klassiekers nu al voor mijn neus … users.telenet.be/ catherinelovatt Pia De Winter


Rob Marcelis

“Websites ontwerpen, is technisch echt een vak apart. Maar qua vormgeving maakt dat voor mij geen verschil. Ook het grafisch ontwerp van een website dient om de inhoud overzichtelijk en aantrekkelijk te maken. Of mijn ontwerpen nu in print verschijnen of op een beeldscherm, het geeft mij evenveel voldoening. De drager is van secundair belang, al geef ik toe dat als mijn affiches levensgroot in de Antwerpse binnenstad prijken, dat toch wel een kleine kick geeft.” Niet alleen in de stad, maar ook op televisie zag Rob zijn werk passeren. Hij is namelijk de creatieve geest achter het logo van het voormalige VT4.

Rob Marcelis is grafisch ontwerper voor heel wat culturele organisaties in het Antwerpse, zoals De Roma, Rataplan en het Diamantmuseum. Jarenlang was Rob verantwoordelijk voor de huisstijl van HETPALEIS in Antwerpen. Nu die samenwerking vorig jaar tot een einde is gekomen, staat de ontwerper naar eigen zeggen op een keerpunt. “Het is best wel spannend om alle opties naast mekaar te leggen. Zal ik opnieuw meer gaan illustreren? Of ga ik misschien lesgeven? Ik ben er nog niet uit, maar het zijn sowieso boeiende tijden.” Rob merkt dat er de laatste jaren een duidelijke opwaardering is voor de job van grafisch designer, of ‘het ambacht’ zoals hij het zelf noemt. “Ik vind mezelf wel een ambachtsman”, zegt hij overtuigend. “Ik ben met communicatie bezig, met het overbrengen van een boodschap.

pagina 93

Ik doe dat op een heel persoonlijke manier, in een welbepaalde stijl, maar het uitgangspunt is altijd de vraag van de opdrachtgever.” Die eigen stijl is bij Rob een erg illustratieve stijl, rechtvoor-de-raap en nooit te vergezocht of hypertrendy. “Ik zie regelmatig grafische vormgeving die volgens mij alleen bezig is met ‘hip’ of ‘anders’ te zijn. Dat is niks voor mij. Ik werk heel hard vanuit een illustratieve hoek. Ik gebruik logo’s, letters en stukken tekst om mee te tekenen. De boodschap moet bovendien klaar en duidelijk zijn. Wanneer je een affiche drie keer vanuit een andere hoek moet bekijken om te begrijpen wat erop staat, dan is die voor mij niet geslaagd.” Rob kan zich met moeite de tijden nog herinneren waarin hij zijn werk verrichtte zónder computer, met knip- en plakwerk. Vandaag is heel het online gebeuren een vast onderdeel van zijn werkterrein.

“Een constante in mijn carrière is het contact met mensen. Wanneer het klikt met opdrachtgevers kom je tot het beste resultaat. Ik praat graag over mijn werk en ik put ook inspiratie uit het contact met verschillende mensen. Het is een niet te onderschatten onderdeel van mijn job als grafisch designer.” In Antwerpse huizen of studentenkoten kan je Rob’s werk wel eens terugvinden aan de muur, lang nadat het evenement in kwestie is afgelopen. “Dat vind ik wel fijn, dat mijn ontwerpen op die manier een tweede leven krijgen. Maar of me dat nu een kunstenaar maakt? Goh, dan moet je het begrip kunst al kunnen definiëren, en dat is bijzonder moeilijk. Ik kan mijn werk behoorlijk relativeren hoor. Het zijn per slot van rekening maar affiches.” www.robmarcelis.be An Bogaerts

Kwintessens

De kracht van illustraties


Muller Van Severen

SPECIAL

Kunst ontmoet design

pagina 94

In september 2011 ontwikkelde Muller Van Severen een rood zitmeubel dat doet denken aan een tekening waarvan de figuren gevormd worden door één doorlopende lijn, zo fragiel en vluchtig ziet het meubel eruit. Het bestaat uit twee dwars op elkaar geplaatste zetels, waarvan één ligzetel en één gewone zetel. Een modulaire overhangende lamp kan zowel de ene als de andere zitplaats verlichten. Het kader bestaat uit een fijn stalen frame en de zitvlakken worden gevormd door soepel leder. Het meubel balanceert in de ruimte tussen zijn en niet-zijn, een thema waar het duo ook mee speelt in hun kunstenaarschap. Het individuele werk van fotografe en kunstenares Fien Muller leest als een abstracte collage van verschillende voorwerpen en kleurenvlakken, als een schilderij van Miró. Kunstenaar Hannes Van Severen slaagt erin om voorwerpen te ontdoen van hun functie en ze te laten ageren met de omringende ruimte zodat een bijzonder bevreemdend effect ontstaat. De eerste meubelcollectie die het duo uitbrengt onder de naam Muller Van Severen kan worden omschreven als een kruisbestuiving van de creatieve ideeën

en inzichten die ze elk in hun persoon­ lijke oeuvre ontwikkeld hadden. De collectie is het organische gevolg van hun samenzijn als kunstenaarskoppel. De collectie bestaat uit opbergkastjes, lampen, open rekken, tafels, stoelen en accessoires. De ontwerpers vertrekken vaak vanuit het materiaal, waarvan ze de wezenlijke eigenschappen tegen elkaar uitspelen. De vier wanden van de marble box bestaan uit verschillende soorten marmer: een zwart-witte arabescato wordt gecombineerd met een rouge de flandre of een witte carrara wordt gemonteerd tegenover een noir belge. De natuurlijke kleurschakeringen en marmertekeningen zorgen ervoor dat elk stuk uniek en in beweging is. Dit wordt nog versterkt door de lichtinval die de kristalstructuur van het marmer telkens oplicht of in de schaduw plaatst. Opvallend zijn de open rekken met fijn frame en opbergplanken in gekleurd polyetheen. Koningsblauw, zeegroen, oranjerood en geel zijn maar enkele van de kleuren die deze collectie typeert. De meubels hebben meerdere functies: een klassiek rek loopt over in een tafel;

een ander rek heeft ongelijke schappen en wordt gecombineerd met een ligzetel; het blad van een tafel is tegelijkertijd een snijplank. De meubels zijn eigenlijk beeldhouwwerken of installaties, met veel aandacht voor de ruimte waarin ze worden geplaatst. De meubels van Muller Van Severen kenmerken zich door een minimalistische eenvoud en een eliminatie van onnodige details. Tegelijkertijd zorgen de kleuren en materialen voor een decoratieve diepgang. Vele stukken zijn eenvoudig in opzet, zoals de stoelen van gekleurde panelen die lijken alsof ze werden gestolen uit een Rubikskubus, en het onderlijnen van het gewone of alledaagse is ook wat de ontwerpers voor ogen hebben. Toch slaagt Muller Van Severen er met deze collectie in om – door de fijngevoelige combinatie van functie, kleur en vorm – het alledaagse moeiteloos te overstijgen. www.mullervanseveren.be www.valerietraan.be Eva Coudyzer


Iris Rombouts

Kwintessens

Zin in magazines

Iris Rombouts is grafisch vormgeefster maar bestempelt zichzelf liever als een ‘bladenmaakster’. Ze heeft haar eigen productiehuis, Image Boulevard, dat shoots en stylings verzorgt voor merken als Xandres, Hampton Bays, Caroline Biss en Hedgren, en ze is de creatieve kracht achter het online magazine Les Petits Belges. Sinds kort werkt Iris als artdirector voor Knack Weekend, waar ze de drijvende kracht is achter de restyling van het blad. Dat laatste neemt momenteel het grootste deel van haar tijd in beslag, maar het betekent zeker niet het einde van Image Boulevard. “Wanneer merken bij ons aankloppen, ben ik diegene die het mood board samenstelt, de juiste fotograaf, styliste en visagiste uitzoekt en een grafisch ontwerp bedenkt voor de catalogus. Ik vind het wel interessant om van bij het prilste begin bij een modecampagne betrokken te zijn.” Enkele jaren geleden voelde Iris dat de tijd rijp was om ook iets digitaals te gaan ontwikkelen. Het resultaat is het online magazine Les Petits Belges. “Het is een soort platform over de Belgische modewereld. Niet alleen de avant-gardistische ontwerpers, maar net zo goed de commerciële kant. Het internet heeft voor

pagina 95

onze sector zowel voor- als nadelen. Een groot nadeel is dat er almaar meer titels uit het Vlaamse medialandschap verdwijnen. Dat is natuurlijk jammer, maar het heeft wel tot gevolg dat diegenen die overblijven almaar beter worden.” Als kind van twee dichters bekijkt Iris magazines zeker niet louter beeldmatig. Ze houdt zich graag met álle aspecten bezig: teksten, titels, beelden, advertenties. “Ik ben een echte bladenmaakster”, zegt ze vastberaden. “Ik heb een passie voor letters. Ik kan als het ware verliefd worden op een lettertype. (lacht) Ik zal ook altijd meedenken over titels of coverteksten, hoewel dat in se mijn job niet is. Tekst en beeld zijn onlosmakelijk met mekaar verbonden.” Hoewel Iris bij Knack Weekend naar eigen zeggen “bij de beste titel van Vlaanderen zit”, is het haar droom als artdirector een blad te maken volledig naar haar eigen smaak en goesting: “Ik heb dat gedaan in 2004. Het heette The Secret Garden en werd in beperkte oplage uitgebracht. De bedoeling was om het jaarlijks te laten verschijnen, maar het is voorlopig bij die ene editie gebleven. Ik ben ervan overtuigd dat in elk mens een goed boek schuilt;

in mijn geval is dat dan een magazine. (lacht)” Helaas is Vlaanderen niet het Beloofde Land wanneer het op magazines aankomt: “Die tweetaligheid is een beperkende factor, het halveert meteen het lezerspubliek. Daar komt nog bij dat Vlaamse magazinelezers heel wispelturig zijn. Deze maand kopen ze dit blad, volgende maand weer iets anders. In Nederland bijvoorbeeld zijn ze veel vooruitstrevender wanneer het op magazines aankomt. Toch heb ik nooit de behoefte gevoeld om daar te gaan werken.” Haar creatieve input haalt Iris uit het dagelijkse leven. “Ik ben als een spons, ik heb altijd alles gezien en neem het mee. Ik lees ook veel internationale magazines. Kortom, ik sta met deze job op en ik ga ermee slapen, en dat vind ik prima zo.” www.imageboulevard.com An Bogaerts


Hawaiian Gem

Shana Teugels

SPECIAL

Passie en onderzoek

pagina 96

Aqueous Diamond, Bohemian Rock, Hawaiian Gem, Medusae, Moonpolyp, Wild Ocean: de namen van de juweel­ objecten van Shana Teugels roepen al even veel vragen op als de objecten zelf. Aan de ene kant lijken het namen voor deodorants waarin vrouwen hun haar wild uit de zee zwiepen, aan de andere kant refereren ze aan muziek, de Griekse mythologie of de kracht van de natuur. Deze diepte achter de ogenschijnlijke banaliteit typeert het werk van Shana Teugels helemaal. Shana heeft juweelontwerp en edel­ smeedkunst gestudeerd aan Sint Lucas Antwerpen. Die opleiding is cruciaal geweest voor haar. Door de contacten met Hilde De Decker zag ze in dat de fascinatie die ze als kind had voor alles wat glitterde en voor de kleur roze, nog niet verdwenen was. Wat anderen als kitsch beschouwen door een mate van banaliteit, minderwaardig materiaal, overdreven glitter of een extreme naïviteit, fascineert haar net. Haar masterproef werd dan ook een doorgedreven onderzoek over kitsch: wat is het, wat

betekent het voor haarzelf en voor anderen, wat vindt ze zelf mooi, wat vinden anderen mooi? Het resultaat: een reeks juweelobjecten die anders zijn. Het zijn objecten die – zoals Hilde De Decker zegt – “meedogenloos aantrekkelijk en afstotelijk lelijk tegelijk” zijn. De sieraden willen niet noodzakelijk behagen, maar ze weken wel iets los. Na haar studie is Shana één van de ontwerpers die uitgekozen worden voor Toegepast 16. Voor deze tentoonstelling gaat ze een traject aan met Daniel von Weinberger. Ze begint een stuk te maken, levert het bij hem af, hij werkt er verder aan, geeft het weer terug enz. Uiteindelijk gaat het zo een zes of zevental keren heen-en-weer. Het eindresultaat toont ze op de tentoonstelling van Toegepast, samen met de e-mailconversatie, om te tonen dat het traject minstens even belangrijk is als het resultaat. Shana houdt samen met haar vriend Yannick Val Gesto een blog bij over hun inspiratiebronnen: manga, kunst, kinderspeelgoed, kunstenaars, glitter,

sciencefiction, überkitsch, het passeert allemaal de revue en komt terug wanneer ze nieuw werk aan het creëren is. Het experiment primeert in Shana Teugels’ werk. Ze onderzoekt niet alleen de grenzen van kitsch, ze onderzoekt ook materialen, verhoudingen, vormen. Ze maakt intrigerende vormen en combinaties die erom smeken om aangeraakt te worden maar ons tegelijk ook vervreemden. Haar juweelobjecten passen niet binnen het traditionele juweelcircuit, niet alleen door het thema, het materiaalgebruik, de kleuren en de vorm, maar ook omdat draagbaarheid geen vereiste is. Ze maakt eerder reeksen, stukken die bij elkaar passen door thema en / of kleurgebruik. Zelf ziet ze haar werk het beste functioneren in het kunstgaleriecircuit, omdat daar het onderzoek meer centraal staat. Het sieraad kan daar volop object zijn. www.shanateugels.com www.goldenretreiver.tk Bie Luyssaert


Katja Van Breedam

Zo omschrijft Katja Van Breedam de bijna transparante kleur van haar werk in beenderporselein. In haar voorlaatste jaar deeltijds kunst­ onderwijs keramiek aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten in Lier wordt Katja geselecteerd voor deelname aan een masterclass porselein in het Europees Keramisch Werkcentrum in Den Bosch, met als gastdocent Piet Stockmans. Hoewel het niet de eerste keer is dat de keramiste in aanraking komt met porselein, wordt ze gebeten door de materie. Ze leeft zich ten volle uit op de verschillende materialen en hun karakteristieke eigenschappen. Uiteindelijk maakt ze de keuze om te werken met beenderporselein. Sneeuwwit, beenhard en bijna onhandelbaar: het porselein heeft namelijk de onhebbelijke gewoonte om sterk te vervormen tijdens het bakproces. De keramiste ziet het anders: “Het is als het leven, je gaat verder met dat wat op je pad komt.” Zo begint het spel tussen vervorming en het anticiperen daarop in het ontwerp.

pagina 97

Het veeleisende materiaal vraagt naar eenvoud in ontwerp en uitvoering. Die uitdaging maakt het creatieve proces nog intenser. Niettemin gebruikt ze het beenderporselein zowel voor haar functionele als sculpturale werk. Niks van het porselein gaat verloren in het atelier. De overschotten die ontstaan bij het gietwerk worden na een droogproces verwerkt tot een nieuwe plastische massa. Het wordt gebruikt voor haar minder functionele werk. Rotsformaties, de zon op het water, de plaatjes van een paddenstoel: indrukken waar Katja op inzoomt, verwerkt en abstraheert. Het wordt een spel van lijnen, vlakken en volumes omhuld in een zacht wit, een geheel dat uitnodigt tot aanraken. Het aanraken, het delen, het gebruiken van haar werk leidt tot één van haar recente creaties, het servies M!ro. Op zoek naar een basisvorm vertrekt Katja Van Breedam vanuit de druppel die neerstrijkt op een oppervlak. Hierbinnen wordt er gezocht naar díe verhouding in lengte, breedte en hoogte die de

vervorming kan dragen en uiteindelijk versterken. Het ontwerp houdt Katja zo eenvoudig mogelijk, zodanig dat de productie overzichtelijk en realistisch blijft. Na de eerste bakbeurt wordt elk stuk gepolijst tot het fluweelzacht is. De binnenkant wordt voorzien van een transparant glazuur dat rijkt tot aan de bovenste buitenrand. M!ro oogt zacht aan de buitenkant en uitnodigend licht aan de binnenkant. Het is pure eenvoud: bodem en wand, hard en sterk. En dan hebben we nog niet het genoegen mogen ervaren om eruit te eten. www.katjavanbreedam.be Pia De Winter

Kwintessens

M!ro

“Een straalblauwe hemel met dikke witte wolken verlicht door de zon”


Johny Van de Vyver

SPECIAL

Form follows function

Op een affiche voor de tentoonstelling 21 in de Design Vlaanderen Galerie heeft een smurf zich subtiel gepositioneerd aan de linkerzijde. Voor het Jeugdfilmfestival 2011 worden op kindergezichten filmmaskers geplakt en een affiche voor het Gentse cultuurcentrum Circa schreeuwt ons van ver ‘Amateur!’ toe. In het werk van grafisch vormgever Johny Van de Vyver zijn humor en relativering nooit ver weg. Meestal smokkelt hij op subtiele wijze allerlei humoristische details en dubbele bodems in het ontwerp. Die brengen de toeschouwer in verwarring, maar net daarom maken ze zo’n indruk. Zo haalt de smurf de balans van het ontwerp onderuit en relativeert hij de ernstige opzet van de affiche. De gemaskerde kinderen worden tot grappige superhelden gebombardeerd en de schofferende uitroep op de laatste affiche refereert alleen maar aan het Festival van het Amateurtheater.

In principe begint Johny Van de Vyver elke opdracht met een leeg blad. Het is de inhoud die het uiteindelijke resultaat zal bepalen. Deze manier van werken is tijdrovend en intensief, maar het resultaat is steeds verrassend en oprecht. Zijn werk kenmerkt zich eveneens door een bijzondere aandacht voor detail. Zo ontwierp hij voor het Insectenfestival een campagne waarbij insecten onopvallend achter elkaar marcheren doorheen de affiches en flyers. Het is een detail dat de toeschouwer waarschijnlijk niet opvalt, maar het is kenmerkend voor de nauwkeurige manier waarop Johny Van de Vyver opdrachten uitwerkt. Johny studeerde aan Sint-Lucas in Gent en aan de Sint-Joost Academie van Breda. Hij ontwerpt huisstijlen, logo’s, boeken en campagnebeelden voor zowel commerciële als artistieke klanten. Voor Studio Dumbar verzorgde hij onder meer de restyling van het logo en de huisstijl van de voormalige Koninklijke TPG Post. Als zelfstandig ontwerper was hij samen met Kris Demey verantwoordelijk voor de campagne en de scenografie van de tentoonstelling ExtravagAnt. Hij werkt ook geregeld voor uitgeverijen Prometheus, Manteau, Standaard Uitgeverij en Borgerhoff & Lamberigts. Momenteel combineert hij een lesopdracht aan Sint-Lucas Gent met een zelfstandige activiteit bij Ronny&Johny. Dit grafische bureau richtte hij op met collega-ontwerper Ronny Duquenne, met wie hij eenzelfde visie deelt. Johny Van de Vyver heeft nog ambitieuze plannen. Hij wil zich in de toekomst meer toeleggen op experimenteel, vrij werk en hij broedt ook nog op een aantal eigen lettertypes. Daarnaast zou hij graag de begintitels van een film ontwerpen en heeft hij ideeën voor een kleinschalige meubelcollectie. www.ronnyenjohny.be

pagina 98

Eva Coudyzer


© illustratie Klaas Verplancke

Klaas Verplancke

“Mijn stijl vloeit niet voort uit mijn manier van tekenen, maar uit mijn manier van denken. Ik werk in feite volgens het alom gekende designprincipe form follows function. Hóe ik teken wordt bepaald door wát ik teken. Op die manier vermijd ik elk automatisme en kan mijn werk alle richtingen uit. Net daarom heb ik ook zoveel bewondering voor Picasso: hij vond zichzelf telkens opnieuw uit.” “Mijn werk is een constante zoektocht tussen mijn artistieke eigenheid en de vraag hoe hoog de drempel voor de lezer mag zijn. Een tekening moet in eerste instantie raken, ze moet herkenbaar zijn en aansluiten bij de leefwereld van de kijker. Pas als je erin slaagt de aandacht vast te houden, kan je je boodschap overbrengen. Hoe algemener en hoe meer interpretatiemogelijkheden, hoe groter de kans op contact. Daarom zijn mijn illustraties vaak onbepaald in

pagina 99

ruimte en tijd; ze hebben geen specifiek decor zodat elke lezer het beeld makkelijk zelf kan aanvullen. Dat mijn boek Appelmoes intussen in tien talen vertaald is, bewijst dat de emoties universeel genoeg zijn om een breed publiek aan te spreken.” “In mijn illustraties behandel ik graag universele gedachten en emoties, dingen die je ziet als je je ogen dichtdoet. Ik breng los van elkaar herkenbare dingen samen in een nieuw concept. Dat levert vaak een pseudorealistisch, ietwat surreëel geheel op dat zich er perfect toe leent om ook humor te integreren. Alles kan en alles mag, of zoals Joost Swarte het formuleerde: ‘Alle fysische wetten verdwijnen in mijn werk’. In die wereld voel ik me telkens opnieuw een soort god, wat een grote verantwoordelijkheid inhoudt. Daarom neem ik mijn werk – en zeker dat voor kinderen – zeer au sérieux.”

“Op het einde van een verhaal moeten lezers het gevoel hebben dat ze thuiskomen, al kan het zijn dat ze ergens anders thuiskomen dan waar ze vertrokken zijn. Na het lezen van een boek of het bekijken van een film ben je een ander mens. Cultuur laat mensen zien hoe het anders kan. Het zet aan tot zelfreflectie en het leert je omgaan met het leven. In mijn verhalen schep ik altijd een vrolijke, optimistische sfeer, zonder de lastige vragen te omzeilen. Vooral in de boeken die ik ook zelf geschreven heb, zoals Appelmoes, Jot en Reus, zoek ik telkens opnieuw naar de beste taal – of het nu beeld of tekst is – om de emoties te vertolken. Daarbij maak ik vaak gebruik van universele metaforen, een beetje zoals in de klassieke schilderkunst.” “Ik wil hoe langer hoe minder imponeren. Als je illustraties louter om virtuositeit draaien, bedrieg je niet alleen je lezers, maar ook jezelf. Mijn boek Jot gaat daarover. Al impliceert die keuze meteen dat je je twijfels moet laten zien. Dat kan alleen als je over voldoende background en zelfvertrouwen beschikt. Bij het boek waar ik nu aan bezig ben, Tirol Inferno, probeer ik bewust vrijer te werken. Ik schets niet langer alles op voorhand, maar probeer mijn ideeën meteen onvoorbereid op papier te zetten en mijn twijfels en fouten in de ogen te kijken. Wie nooit een risico neemt, wordt ook nooit beloond.” www.klaas.be Elien Haentjens

Kwintessens

“Ik voel me elke keer opnieuw een beetje god”


Innovatie als drijvende kracht

Girl with a Pearl, kuppers&wuytens

SPECIAL

Karen Wuytens

Karen Wuytens studeert in 2004 af als edelsmid aan de Provinciale Hogeschool Limburg. Haar afstudeerwerk van schalen in Corian zet meteen de toon voor haar verdere carrière, met kernbegrippen als onderzoek, nieuwe materialen en technieken, innovatie, handmatig ingrijpen en de kleur ‘wit’.

pagina 100

Karen gaat gedreven aan de slag met het nieuwe materiaal van Dupont en maakt er ook enkele interieurobjecten mee voor haar selectie voor Toegepast 10. Het blijft niet bij dit ene materiaal. Ze beseft dat onderzoek voor haar een noodzaak is. In 2008 begint ze een doctoraat in de kunsten aan de MAD-faculty (i.s.m. UHasselt). Haar onderzoek handelt over het ontwerpproces en levert onder meer DoDesign op, een intelligente databank die materialen met technieken linkt. Voor het praktische luik van haar doctoraat werkt Karen onder meer samen met Materialise, één van de wereldspelers op het vlak van 3D-printing. Alles wat Corian had, heeft 3D-printing nog veel meer: Corian heeft het voordeel dat het materiaal via thermovormen relatief eenvoudig van vorm te veranderen is. Bij 3D-printen volgens selective laser

sintering wordt het ontwerp meteen geprint in zijn definitieve vorm en dit geeft vormmogelijkheden die voordien ondenkbaar waren. Een parelketting met aaneenvolgende schakels zonder rijggaren en met geïntegreerd slot, een juweel waarvan de verpakking in één keer mee geprint wordt, een armband uit twee delen die flexibel opent en sluit: 3D-printen maakt het allemaal mogelijk. Karen benut op een uiterst pure manier de eigenheid van de techniek en de kenmerkende eigenschappen van het materiaal. Af en toe verlaat ze de kleur wit en kleurt ze handmatig de juwelen, zoals bij het halssnoer Girl with a Pearl, waar een mooie schakering van witte tot intens blauwe kralen ontstaat. Het is niet alleen de technische innovatie op zich die Karen fascineert; het is het hele proces van ermee werken, de grenzen ervan aftasten, het leren kennen zodat je het in al zijn beperkingen kan gebruiken. In de zomer van 2012 richt ze samen met Jan Kuppers het label kuppers&wuytens op, waarin ze hun kennis en expertise samenbrengen. Kuppers&wuytens brengt tassen uit hoogwaardig tuigleder,

hedendaagse sieraden en objecten in 3D-printing, en de tassenreeks Design It Yourself (DIY). Als je deze tas koopt, koop je een stuk leder, een draagriem, knopen en een bodemplaat die je zelf samenvouwt tot een lederen tas. Je kan ze helemaal in elkaar steken door alleen maar je twee handen te gebruiken. Er is geen schaar, naaimachine of lijm nodig. Als je een nieuwe variant wil op je tas, kan je zelf een stuk canvas zoeken en de tas opnieuw vouwen, aangezien de tas tegelijkertijd als sjabloon dient voor elk volgend exemplaar. 2012 was een druk jaar voor Karen Wuytens. Samen met David Huycke kreeg ze een eervolle vermelding voor het werk Hamerprint voor de Schoonhoven Silver Award. In het werk combineren ze traditioneel gehamerd zilver met de techniek van rapid prototyping. Door ambacht en technologie samen te brengen in één werk verruimen ze ook hier de grenzen van hun vakgebied. www.karenwuytens.com www.kupperswuytens.com Bie Luyssaert


Op deze pagina staat steeds de advertentie van de grafisch ontwerper die Kwintessens heeft ontworpen. Ward Heirwegh koos ervoor om, naast zijn eigen publicatieplatform, enkele andere initiatieven waarvoor hij bewondering koestert, in de kijker te plaatsen.

ww

co

m

Sleeperhold Publications is a research-based, ephemeral platform for artist publications and functions as a valid excuse to experiment with the creation of content, different media and ways of distributing,… Up to now Sleeperhold released a photobook, a silkscreen posterset, a deck of gaming cards, a book of short stories and several vinyl records. It will cease activity after 10 outputs. In short, it is an experiment in curating in it’s broadest sense.

— Theophile’s Papers is a itinerant platform dedicated to the diffusion of independent editors, fanzines, newspapers and magazines specialized in art, photography, typography, and illustration, with a focus on the promotion of emerging projects and artist’s books.

Issue 4 — Marantha

Illustration by Ekta

w. sleeperholdpublications .

A journal about ordinary plants and other greenery www.theplant.info


Kwintessens 2013-1  

De cross-over tussen design en mode is het thema van dit nummer. Komen aan bod: de kracht van co-creatie, het werk van Sara Plantefève-Castr...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you