Issuu on Google+

000 — 072

KWINTESSENS Design

VLAAMS TIJDSCHRIFT VOOR VORMGEVING EN MODE 2 DE TRIMESTER — JAARGANG XVIII ABONNEMENT € 23,55 LOS NUMMER € 6,25


COLOFON Colophon

HOOFDREDACTEUR Editor in chief Johan Valcke REDACTIE Editorial team Steven Cleeren Christian Oosterlinck Lut Pil AUTEURS Authors Roel Jacobus Meike Janssens Elke Peeters Ellen Pillen Philip Willaert FOTOGRAFIE PORTFOLIO Photography portfolio Koen Van Damme REDACTIEADRES Editorial offices Design Vlaanderen/Kwintessens Koloniënstraat 56 (6de verdieping) 1000 Brussel T +32 (0)2 227 60 60 F +32 (0)2 227 60 69 E info@designvlaanderen.be W www.designvlaanderen.be VORMGEVING Design Brusatto DRUK Printing Sint-Joris VERTALING Translation ElaN Translations DataTranslations

Abonnementen kunnen schriftelijk of telefonisch worden aangevraagd op het adres van Design Vlaanderen of door overschrijving van € 23,55 op het rekeningnummer 733-0321964-51. Subscriptions may be requested in writing or by telephone by contacting the Design Flanders editorial offices or by transferring E 23,55 to bank account number IBAN BE 75 7330 3219 6451. Adreswijzigingen worden gemeld op het redactieadres. Changes of address may be sent to our editorial offices. Niets uit deze uitgave mag worden gebruikt zonder toestemming van de uitgever. ©Design Vlaanderen Nothing contained in this publication may be used, whether in part or in whole, without the publisher’s consent. ©Design Flanders Alle adressen van designers, kunstenaars, galeries e.a. kunnen bij Design Vlaanderen verkregen worden. The addresses of designers, artists, galleries and other information are available upon request from Design Flanders.

001 — 002 JOHAN VALCKE

VOORWOORD Foreword 003 — 009 ELKE PEETERS

DESIGN DAT DOET VERKOPEN: BEURSSTANDS Design that sells: trade fair stands 010 — 016 LUT PIL

TUSSENRUIMTEN WAARIN MEN WIL VERDWALEN: DESIGNPROJECTEN VOOR HISTORISCHE GEBOUWEN In-between spaces in which to lose oneself: design projects for historical buildings 017 — 020 ELLEN PILLEN

BELGISCH DESIGN IN ANTARCTICA Belgian design in Antarctica 021 — 026 ROEL JACOBUS

HOE DESIGN UW WINKELKARRETJE HELPT VULLEN: RETAIL DESIGN RESEARCH LAB How design helps fill your shopping cart: Retail Design Research Lab

027 — 038

PORTFOLIO 039 — 045 PHILIP WILLAERT

ENCLAVES VAN ZINTUIGLIJK GENOT: DESIGNHOTELS Enclaves of sensual pleasure: design hotels 046 — 048 MEIKE JANSSENS

HET TERUGGEVONDEN VERHAAL: FRANK STEYAERT IN HET CAERMERSKLOOSTER The recovered story: Frank Steyaert in the Caermers Convent 049 — 054 LUT PIL

SUPERSTORIES: DUIZEND EN EEN VERHALEN... A thousand and one stories 055 — 064

MILAAN 2009 Milan 2009 065 — 068

NIEUWS 068 — 071

AGENDA


001 — 002 JOHAN VALCKE

VOORWOORD Foreword

Since January 2009, Design Flanders has been part of Flanders Enterprise (AO). Our administrative roots may have changed for the second time in a few years, but our core task remains essentially the same. We are flexible and we adapt. We assume that our customers - i.e. you - will not notice a difference between Design Flanders in the VLAO or in the AO. In fact, there is the potential for an interesting synergy with the other services that fall under Flanders Enterprise, particularly in the area of grants and advice for businesses. One thing which is really interesting for our design firms is the accreditation they receive to offer their advice through the SME portfolio. This is a measure designed to support businesses, in which these companies can be reimbursed up to half the cost of specialist advice, including design advice. This is good for the customer, good for the design firms and good for creativity in the business world. Whereas previously consultancies had to cough up money and run through a protracted procedure, now all our design firms need as a guarantee of quality is accreditation from Design Flanders. The European Commission is taking design seriously now too, as we can see from the recently published working document entitled Design as a driver of user-centred innovation. The document contains a questionnaire, to be filled in by everyone in the design world, be they a business, an individual or an organisation. The EC is even expressly calling for as much input as pos-

Sedert januari 2009 is Design Vlaanderen een deel van het Agentschap Ondernemen. Voor de tweede keer in enkele jaren tijd verandert onze administratieve inbedding, maar onze kernopdracht blijft grotendeels dezelfde. We zijn flexibel en passen ons aan. We gaan ervan uit dat onze klanten -u dusniet echt het verschil zullen zien tussen Design Vlaanderen in het VLAO of in het AO. Er is trouwens een interessante synergie mogelijk met de andere diensten die bij het Agentschap Ondernemen zijn ondergebracht, vooral op het vlak van subsidiĂŤring van en advies aan bedrijven. Heel interessant voor onze designbureaus is de erkenning die ze krijgen om advies te geven via de KMO-portefeuille. Dat is een steunmaatregel voor bedrijven waarbij ze tot de helft van de kosten van een gespecialiseerd advies, ook een designadvies, kunnen terugkrijgen. Goed voor de klant, goed voor de designbureaus en goed voor de creativiteit in het bedrijfsleven. Waar adviesbureaus vroeger geld moesten ophoesten en een langdurige procedure doorlopen, volstaat nu voor onze designbureaus de erkenning door Design Vlaanderen als kwaliteitsgarantie. Ook de Europese Commissie neemt design nu ernstig, getuige het recent gepubliceerde werkdocument Design as a driver of user-centred innovation. Bij het document is ook een vragenlijst gevoegd die iedereen uit de designwereld, zowel bedrijf, individu als orga-


002

nisatie, kan beantwoorden. De EC vraagt zelfs uitdrukkelijk om zoveel mogelijk input, want op basis hiervan zal het directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie zijn toekomstige beleid bepalen, wat dan weer zal afschijnen op het design- en innovatiebeleid van de Europese lidstaten. Het is dan niet ondenkbeeldig dat allerlei landen, regio’s en besturen design zullen opnemen in hun beleid als kritische economische succesfactor. Dit tweede nummer van Kwintessens handelt over de projectmatige inbreng van design in het dagelijkse leven, in de architectuur, op beurzen, in hotels en zelfs op de Zuidpool. Philip Willaert schrijft in zijn artikel dat design werkelijk overal is: “Het heeft er alle schijn van dat design over de mensheid is neergedaald.” Hij zit er niet ver naast. Design is inderdaad een geïntegreerd deel van het menselijke bestaan geworden. Het was het altijd al, maar nu wordt het ook als dusdanig erkend. En dan hebben we het ook over vormgeving die voorbij het puur functionele gaat, die een meerwaarde biedt aan de mens in de samenleving, via een product, een publieke ruimte of een dienstverlening. ‘Designer’ staat op het punt een gerespecteerd beroep te worden in Europa. Er zijn echter nog gebieden waar design weinig ingang vindt en dat zijn de overheidsdiensten: federale, nationale, regionale en in het bijzonder de lokale overheden. Design Vlaanderen heeft echter -op vraag van minister Ceysensmet de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten een roadshow georganiseerd over de implementatie van design in deze lokale overheden. Onze voorlopige conclusie is dat er nog veel werk moet verricht worden, op enkele schitterende uitzonderingen zoals Kortrijk, Gent of Genk na. Gemeenten zien design nog vooral als een kost en niet als een investering die op middellange termijn het welzijn van hun inwoners helpt verbeteren. We werken om daarin verbetering te brengen.

sible, because the Directorate General of Enterprise will be basing its future policy on this, and it in turn will reflect on the design and innovation policies of European member states. It is not unimaginable that a variety of countries, regions and administrations will involve design in their policies as a critical factor of economic success. This second issue of Kwintessens looks at the systematic introduction of design into everyday life, into architecture, into trade fairs, into hotels and even into the South Pole. In his article, Philip Willaert writes that design really is everywhere: “Everything would seem to suggest that design has descended upon humankind.” He is not far off. Design has indeed become part and parcel of human existence. It always was, only now it is also recognised as such. We are talking about design that goes beyond the purely functional and offers added value to people in society through a product, a public space or a service. “Designer” is on the verge of becoming a respected profession in Europe. However, there are areas which design has been unable to truly penetrate as yet, and these are in state services: federal, national, regional, and more particularly, local governments. But Design Flanders has, at the request of Minister Ceysens, organised a roadshow in association with the Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten [Association of Flemish Cities and Municipalities] on the subject of implementing design into these local authorities. For the time being, we can conclude that, aside from a few fabulous exceptions such as Kortrijk, Ghent and Genk, there is still a great deal of work to be done. Municipalities still tend to see design first and foremost as a cost, and not as an investment that will help improve the welfare of their residents in the medium to long term. We are working to bring about an improvement in this situation.


DESIGN DAT DOET VERKOPEN: BEURSSTANDS Design that sells: trade fair stands De ene reikt naar de sterren, de andere absorbeert de huisstijl van zijn opdrachtgever en de derde kiest resoluut voor een eigen signatuur. Op het eerste gezicht lijken de visies van deze drie bedrijven in niets op elkaar, maar toch maken ze alle deel uit van hetzelfde domein: de bouw van beursstands. Wij gingen op zoek naar de liefde voor dit vrijwel onbekende vak en kwamen terug met drie gepassioneerde verhalen. Zoals hun logo met de gevleugelde apen verkondigt, reikt het Hasseltse concept- en designbureau Creneau International naar de sterren. Wat dat precies betekent vragen we aan Bart Canini, al anderhalf jaar algemeen directeur van deze creatieve broeihaard. “Zoals dit bureau is er maar één,” meent Bart. “Er zijn vergelijkbare bedrijven te vinden in het buitenland, maar het dienstenpakket dat wij aanbieden is uniek voor België. Door strategisch en probleemoplossend te denken, hebben we op basis van onze ervaringen het aanbod steeds verder kunnen uitbreiden.” Bij Creneau International kan je terecht voor designconcepten, interieurs, branding en grafisch werk, in een businessto-business-context. In totaal werken hier 23 mensen: ontwerpers, projectmanagers, verkopers, administratieve krachten en werklieden die in het atelier prototypes en projecten uitvoeren. Iedereen die op het loonlijstje staat, is jong, dynamisch en barst van creativiteit.

CRENEAU INTERNATIONAL STAND VOOR COLWELL

003 — 009 ELKE PEETERS

Creneau International ging twintig jaar geleden van start in onvervalste rock‘n-roll-stijl en kende een snelle groei. Geen wonder dat het bedrijf met heel wat praktische problemen te kampen kreeg. De interne structuur was niet opgewassen tegen het groeiende succes. “Dag en nacht werd er gewerkt, opdrachten werden op het laatste nippertje afgeleverd en alle redenen waren goed om een feestje te bouwen. Niemand houdt een dergelijke levensstijl lang vol. Daarom hebben we de laatste jaren hard gesleuteld aan een goede organisatie binnen het bedrijf. Structuur is nodig om te kunnen evolueren. Onze ervaring groeit met de dag. Ondertussen trekken we steeds meer geïnteresseerden aan. Sinds enkele jaren runnen we een bijkantoor in Dubai en zijn we aanwezig in Sydney, Praag en binnenkort ook Jakarta. Waar ook ter wereld, iedere klant heeft zijn persoonlijke eisen. Alles wat we ontwikkelen, sluit precies aan bij de huisstijl van de opdrachtgever. Natuurlijk ontwerpen we die huisstijl het liefst zelf. Of het nu gaat om een visitekaartje, een winkelinrichting of een beursstand, keer op keer leveren wij maatwerk af. Dat is alleen mogelijk als er een goede en langdurige verstandhouding bestaat tussen klant en designer.” Creneau International probeert nooit zijn eigen signatuur achter te laten. Het is immers de klant die in de spotlights staat. “Ik waak erover dat een idee dat van onze ontwerptafels komt, niet herkenbaar is als een


CRENEAU INTERNATIONAL STAND VOOR DARK CRENEAU INTERNATIONAL EIGEN STAND

One reaches for the stars, another absorbs the corporate style of his employer, and yet another chooses resolutely for his own signature. At first glance, the visions of these three companies do not resemble one another whatsoever. However, they do all make up a part of the very same domain: the construction of trade fair stands. We went in search of the love for this rather unknown profession, and returned with three very passionate stories. Just as their winged-monkey logo proclaims, the Hasselt concept and design agency, Creneau International, is reaching for the stars. We asked Bart Canini, General Director of this creative hotbed, what that means precisely. “There is only one agency like this,” is Bart’s opinion. “Similar companies can be found abroad, but the service package we offer is unique in Belgium. By thinking in a strategic and problem-solving manner, we have been able to further expand what we have to offer based on our experiences.” Creneau International can help you with design concepts, interiors, branding, and graphic work in a business-to-business context. A total of 23 people work here: designers, project managers, sales representatives, administrative employees and workmen who realise prototypes and projects in the workshops. Everyone on the payroll is young, dynamic and bursting with creativity. Creneau International was established twenty years ago in true rock-’n-roll fashion and it grew with tremendous speed. It is no wonder that the company had a lot of practical problems to deal with. The internal structure was not able to cope with the growing success. “We worked day and night, assignments were delivered at the very last minute and any reason to party was a good one. Nobody can keep up that kind of lifestyle for long. That’s why we have worked really hard the past few years to create good organisation within the company. Structure is necessary in order to evolve. Our experience grows with each day. Meanwhile, more and more interested people are taking notice of us. We have had a branch office in Dubai now for a couple of years and we are represented in Sydney, Prague, and soon in Jakarta as well. Everywhere in the world, each customer has his own personal demands. Everything we develop fits in perfectly with the customer’s corporate style. Of course, we prefer to develop that corporate style ourselves. Whether it be a business card, a shop interior or a stand at a trade fair, we deliver custom-made material each and every time. This is only possible if there is a good, longstanding relationship between the customer and the designer.” Creneau International never attempts to leave its own mark. It is, after all, the customer


that must be in the spotlight. “I ensure that an idea that comes from our design tables is not recognisable as a Creneau International creation. In my opinion, that would be an unacceptable error. The customer is king, and our designers always keep that in the back of their minds. They are masters in interpreting corporate styles, in making our customers’ dreams tangible. A typical Creneau creation does not actually exist. Our customers determine what we do. This isn’t to say that we don’t aim for originality. We provide solutions which distinguish one brand from all the others. Whoever walks in here knows very well that he will walk out with a very unique concept. Inconspicuous realisations are wasted on us.” Ecology and sustainability are important, and these aspects can count on the needed attention, even in the flighty business of trade fair stands. Much more than before, Creneau International’s customers choose raw materials which are environmentally friendly. LED lighting is preferable to incandescent lamps, the materials used must be practical and easy to maintain. Creneau International does not see a great deal of difference between the construction of a trade fair or the entire interior design of a business, other than the price. Bart Canini: “Because the budget for a trade fair stand is usually limited, we like to work with simple, inexpensive materials, which we can set up and take down again quickly, and which we can easily alter, therefore providing a new image. Our trade fair stands are often used for several years. Jazzing up the stand with a new colour or another pattern is sufficient to make a brand appear fresh and up-to-date time and time again. We must also not lose sight of the function the trade fair stand has; attracting, informing, and selling continue to be the main objectives. For us, every stand is a logical extension of the brand’s identity. It is wonderful to receive compliments from satisfied customers at an opening reception. That is what I like the most about such short-running projects. I revel in the joy each employee experiences when, once again, a project has been realised on time and within the agreed upon budget. We really get a kick out of success.” Creneau International does not consciously follow the fashionable colours and trendy atmospheres. Though Odette Groeneveld from Sine Concept in Borgerhout is very keen on them. She is just now feeling ready to start on major works. “I graduated as an interior designer ten years ago. Quite by coincidence, via a head-hunter, I came into contact with a company which builds stands. I was completely sold. I learned the basics, and fell in love with the profession and the satisfaction I got from short assignments. Two years later, I took hold of the reins myself and started Sine Concept. The name means “without

CRENEAU INTERNATIONAL STAND VOOR LEVI’S

005

Creneau International-creatie. In mijn ogen zou dat een ongeoorloofde fout zijn. De klant is koning en dat houden onze designers goed in het achterhoofd. Zij zijn meesters in het interpreteren van huisstijlen, in het tastbaar maken van datgene waar onze klanten van dromen. Eigenlijk bestaat er niet echt iets als een typische Creneau-creatie. Onze klanten bepalen wat wij doen. Dat wil niet zeggen dat we niet mikken op originaliteit. Wij reiken oplossingen aan die een merk doen onderscheiden van andere merken. Wie hier binnenloopt, weet heel goed dat hij met een uniek concept weer naar buiten zal gaan. Onopvallende realisaties zijn niet aan ons besteed.” Ecologie en duurzaamheid zijn belangrijk en zelfs in de vluchtige business van de beursstands mogen deze aspecten op de nodige aandacht rekenen. Veel meer dan vroeger kiezen de klanten van Creneau International voor milieuvriendelijke grondstoffen. LED-verlichting krijgt de voorkeur boven gloeilampen, gebruikte materialen moeten praktisch zijn en makkelijk te onderhouden. Creneau International ziet niet gek veel verschil tussen de opbouw van een beurs en het inrichten van een zaak, behalve het prijskaartje dan. Bart Canini: “Omdat het budget voor een beursstand meestal beperkt is, werken we graag met eenvoudige en goedkope materialen die we snel kunnen opstellen en weer afbreken én die we makkelijk een nieuwe

uitstraling kunnen aanmeten. Vaak gaan onze beursstanden enkele jaren mee. Om als merk iedere keer weer fris voor de dag te komen, volstaat het om de stand op te vrolijken met een nieuw kleurtje of een andere print. Ook mogen we de functie van een beursstand niet uit het oog verliezen; aantrekken, informeren en verkopen blijven de hoofddoelen. Voor ons is elke stand een logisch vervolg op de identiteit van een merk. Heerlijk is het om op een openingsreceptie complimentjes te krijgen van tevreden klanten. Dat vind ik het allerleukste aan dergelijke kortlopende projecten. Ik kan ook eindeloos genieten van de voldoening die iedere medewerker ervaart als alweer een project binnen de afgesproken tijd en binnen het opgegeven budget gerealiseerd werd. Succes geeft ons best wel een kick.” Creneau International achtervolgt niet bewust de modekleuren en trendy sferen. Wie er wél tuk op is, is Odette Groeneveld van Sine Concept in Borgerhout. Zij voelt zich nog maar net klaar voor het grote werk. “Tien jaar geleden studeerde ik af als interieurvormgeefster. Heel toevallig kwam ik via een headhunter in contact met een bedrijf dat stands bouwt. Ik was meteen verkocht. Ik leerde er de basis, werd verliefd op het vak en de voldoening die korte opdrachten me gaven. Na twee jaar nam ik de touwtjes zelf in handen en richtte ik Sine Concept op. Die naam betekent ‘zonder (vooropgesteld) concept’ en met die


006

filosofie treed ik mijn klanten tegemoet. Mijn persoonlijke stijl doet er niet veel toe. Het zijn de opdrachtgevers die goed uit de verf moeten komen. Vaak hebben ze trouwens een huisstijl die al jarenlang meegaat en waaraan ze willen houden. Het is dan aan mij om uit te zoeken wat hun sterke punten zijn, zodat ik ze kan vertalen in een aantrekkelijke beursstand.” Het liefst ontwerpt ze standen die gastvrijheid uitstralen. Bezoekers wil ze een warm, intiem gevoel geven. “Daar ben ik het beste in”, zegt ze. Voor shockeffecten is Sine Concept dus niet te vinden. Odette houdt het graag subtiel. Zuurstof voor haar ontwerpen vindt ze in haar directe omgeving. “Kaartjes, uitnodigingen voor tentoonstellingen, muziek, mooie meubels, modeblaadjes en ook de krant zijn onuitputtelijke bronnen van inspiratie. Ik verzamel alles wat me aanspreekt op een groot prikbord. Uiteraard zijn beurzen ook absolute schatkamers voor mij. Ik bezoek ze zo vaak ik kan. Het is daar dat de nieuwste materialen, kleuren en trends te zien zijn. Naar mijn gevoel lopen beursstands qua vormgeving ver vooruit op de reguliere architectuur en interieurvormgeving. Ik zit in een sector die me alert houdt.” Nu leeft Odette vooral van ontwerpopdrachten voor andere bouwers van stands, maar daar komt stilaan verandering in. “Steeds vaker krijgen bedrijven mij in het oog en schuiven ze me de vraag toe om hun beurspresentatie van a tot z te realiseren. Ik luister naar hun wensen en vertaal hun huisstijl naar een stand. Omdat ik geen eigen personeel heb, ben ik aangewezen op externe bedrijven voor de praktische uitvoering van mijn ontwerpen. Hoewel ik al jarenlang meedraai, blijft de sector een stoere mannenwereld. Gelukkig kan ik er steeds beter mee omgaan; zodra mijn medewerkers zien dat ik niet te beroerd ben om een handje toe te steken tijdens de opbouw, win ik hun volste vertrouwen.” Met trots vertelt ze over haar eerste grote project, gerealiseerd voor de Nederlandse vestiging van Hunter Douglas, een bedrijf dat zich specialiseert in zonweringen, gevels, plafonds en raambekledingen. “Het bedenken en realiseren van deze immense stand ervoer ik als een keerpunt voor Sine Concept. Voor het eerst werden mijn capaciteiten als designer op alle vlakken gerespecteerd. Van de ontwerpfase tot het uitdelen van gadgets aan bezoekers: alles heb ik tot in de puntjes verzorgd. Bijna één jaar voorbereiding was er nodig om deze stand te ontwikkelen. Tweeënveertig mannen hebben tien dagen lang ongelofelijk hard gewerkt om hem op te bouwen. Het is helemaal geworden zoals ik het graag wilde.”

In Roeselare ontmoeten we Bernard Rommens, zaakvoerder en bezieler van Rotorgroup. De opvallende ontvangst zet meteen de toon van dit gesprek: twee ‘doodgevroren’ poolreizigers in glazen kisten verwelkomen ons. Het is eens wat anders dan een comateus Sneeuwwitje … “Deze ongelukkigen maakten deel uit van een beursstand die we zes jaar geleden voor lichtgigant Modular ontwierpen.” vertelt Bernard. “Het verhaal ging dat de twee op zoek gingen naar het ultieme licht, het vonden en meenamen. Spijtig genoeg zijn ze op de terugweg doodgevroren. Hun lijken werden aangetroffen in een iglo, het ultieme licht hadden ze nog steeds bij zich.” Eigenzinnig kan je de aanpak van Rotorgroup zeker noemen. Niets van wat ze bedenken is mainstream, trends lanceren ze zelf en het liefst van al zaaien ze verwarring. Het product hoeft niet eens klaar en duidelijk in de kijker te staan. “We creëren sferen die blijven nazinderen. We maken dingen waar mensen nog lang over praten. Of het nu gaat om een prestigieuze opdracht of om een vraag van de slager uit het dorp, onze voorstellen zullen altijd ongewoon zijn. Elk concept waar we onze schouders onder zetten, wordt uitgewerkt tot in de details. Dat gaat van uitnodigingen en drankjes tot kleding toe. Argeloze toeschouwers zetten we met veel plezier op het verkeerde been.” Hoe komt het dat Rotorgroup met deze ongebruikelijke visie toch het vertrouwen wint van klanten over de hele wereld? Bernards vader bouwde gedurende 30 jaar geloofwaardigheid op als zaakvoeder van een verlichtingswinkel, later als eerste Belgische producent van laagspanningsverlichting. Modular was ’s mans geesteskind en Bernard leerde er tien jaar lang de knepen van het vak. Vier jaar geleden deed de familie Rommens het bedrijf Modular van de hand, maar het bleef de belangrijkste klant van Rotorgroup. “Rotorgroup was de creatieve cel van Modular. Na de overname bleef het als een aparte firma bestaan. Wat we voordien alleen deden voor Modular, doen we nu ook voor andere opdrachtgevers. Rotorgroup bestaat uit Rotor Graphics, Rotor Interiors en Rotor Design. We ontwerpen hoofdzakelijk allerlei vormen van visuele communicatie: huisstijlen, catalogi, websites, commerciële ruimtes en beursstands, maar ook producten zoals profielen, displays en verlichting verlaten geregeld onze ateliers. Klinkende namen als Modular, Novy, Durlet, de stad Koksijde, Classica en BMW rekenen we tot ons klantenbestand, maar ook kleinere ondernemingen uit de buurt kloppen hier aan voor een pittig logo of een knallende actie. Uiteraard be-

(a predetermined) concept”, and it is with that philosophy that I approach my customer. My personal style really doesn’t matter much. It’s the customer that must look good. They often have a corporate style that they have had for years and which they want to keep. It’s my job to find out what their strong points are, so I can translate them into an attractive trade fair stand.” She particularly likes to design stands which radiate hospitality. She wants to give visitors a warm, intimate and welcome feeling. “That’s what I’m best at,” she says. Sine Concept is therefore not fond of shock effects. Odette likes subtlety. She finds the oxygen for her designs in her immediate surroundings. “Cards, invitations for exhibitions, music, beautiful furniture, fashion magazines and the newspaper are inexhaustible sources of inspiration. I gather everything that catches my eye and stick it on a big bulletin board. Of course, trade fairs are absolute treasure chests for me. I visit them as often as I can. It is there that the newest materials, colours and trends can be seen. In my opinion, when it comes to design, trade fair stands are way ahead of standard architecture and interior design. I work in a sector that really keeps me alert.” Odette currently makes her living mainly from design assignments for other stand builders, but that is gradually changing. “More and more often, companies are taking notice of me and requesting that I realise their trade fair presentation from A to Z. I listen to their wishes and translate their corporate style into a stand. Because I don’t have my own personnel, I depend on external companies for the practical realisation of my designs. Although I’ve been doing this work for years, the sector remains a male-dominated world. Fortunately, I’m able to cope with it better these days; I win their complete trust as soon as my colleagues see that I’m not afraid to roll up my sleeves and help set everything up.” She proudly tells about her first big project, realised for the Dutch branch office of Hunter Douglas, a company specialised in awnings, facades, ceilings and window dressings. “I experienced devising and realising this immense stand as a turning point for Sine Concept. For the first time, my capacities as a designer were respected in all areas. From the design phase to handing out gadgets to the visitors: I took care of everything, right down to the very last detail. Nearly an entire year of preparation was needed to design this stand. Forty-two men worked incredibly hard for ten days to get it all set up. It turned out exactly how I wanted it.” In Roeselare, we meet Bernard Rommens, manager and driving force behind Rotor Group. The rather conspicuous reception immediately sets the tone for this conversation: two pole trav-


ROTOR GROUP, STAND VOOR MODULAR TIJDENS DE MEUBELBEURS VAN MILAAN 2009

SINE CONCEPT STAND VOOR HUNTER DOUGLAS


ROTOR GROUP STAND VOOR MODULAR OP INTERIEUR 02 ROTOR GROUP STAND VOOR MODULAR OP INTERIEUR 08

ellers “frozen to death” in glass cases welcome us. Something other than a comatose Snow White … “These unfortunate travellers were part of a trade fair stand we designed six years ago for lighting giant Modular.” Bernard tells us. “The story goes that the pair went in search of the ultimate light, found it, and took it with them. Unfortunately, they froze to death on their way back home. Their bodies were found in an igloo, and they still had the ultimate light with them.” You can certainly call Rotor Group’s approach unique. Nothing they create is mainstream. They launch trends themselves, and what they love most is to create confusion. The product does not even need to be blatantly visible. “We create atmospheres with an aftershock. We make things that people keep on talking about. Whether it be a prestigious assignment or a request from the village butcher, our proposals will always be unusual. Each concept we put our backs into is worked out to the smallest detail. From invitations and drinks to clothing. It gives us a great deal of pleasure to lead unsuspecting visitors down the garden path.” How is it that Rotor Group is able to win the trust of customers throughout the entire world with this unconventional vision? Bernard’s father built up 30 years of credibility as the manager of a lighting shop, later as the first Belgian manufacturer of low voltage lighting. Modular was this man’s brainchild and for ten years, Bernard learned the tricks of the trade there. The Rommens family sold the company Modular four years ago, but it remained Rotor Group’s most important customer. “Rotor Group was the creative department at Modular. After the takeover, it remained in existence as a separate firm. What we previously only did for Modular, we now also do for other customers. Rotor Group consists of Rotor Graphics, Rotor Interiors and Rotor Design. We mainly design all kinds of visual communication: corporate styles, catalogues, websites, commercial areas, and trade fair stands, but also products such as profiles, displays and lighting leave our studios on a regular basis. Well-known names such as Modular, Novy, Durlet, the city of Koksijde, Classica and BMW can be found in our customer database. Smaller companies from the neighbourhood also come knocking on our door for a pithy logo or an explosive action. They, of course, do not all have astronomical budgets, but that’s not necessary. We’re interested in the creative challenge. And that’s just as big in every assignment.” Whatever Bernard and his team realise, the end result will always bear the Rotor signature. “Rotor Group wants to mean added value to every brand that interests us. We stand as one man behind our unique style. Everyone who


works here has the finishing touch of the company under their belt, though I do request that all proposals and decisions be run past me. We brainstorm often. Naturally, not all of our designs can be called extreme. The customers determine how far we go, although they identify completely with the Rotor Group philosophy. As long as our ideas stir up conversation, it’s okay. There is always a sharp edge to be found somewhere, but one project sticks in people’s minds longer than the other,” Bernard laughs. Rotor Group finds inspiration in ordinary things. Things that were once manufactured due to a practical need and are therefore deprived of any sense of aesthetic, can completely beguile Bernard. A military tank, a city or a simple branch are productive points of departure for new, innovative concoctions. The Biennale Classica in Kortrijk is a good example of this. “The entire design for this trade fair is based on a city map. Vases on pedestals function as meeting places and wide lanes can be found everywhere. It is obvious that the shops in the street are, in this case, the stands. The idea is simple, the possibilities endless. For the following edition of Classica, we will further expand the existing concept and we will delve into the history of a city. Boulevards will become “time lanes” which connect the various trade fair themes with each other, large candlesticks will take the place of the vases and old-fashioned studios will receive a stage. In our opinion, innovation goes hand in hand with timehonoured craftsmanship,” Bernard explains. This year, they are sending Modular to the furniture trade fair in Milan with a goddess and a demon under their arm. The temptations of city life form the lines within which the brand will present its newest collections. In keeping with tradition, it is not the products which will be highlighted, but the various atmospheres.

schikken ze niet allemaal over astronomische budgetten, maar dat hoeft niet. Het gaat ons om de creatieve uitdaging. En die is voor elke opdracht even groot.” Wat Bernard en zijn team ook realiseren, het eindresultaat zal altijd de Rotorsignatuur dragen. “Rotorgroup wil een toegevoegde waarde betekenen voor elk merk dat ons aanspreekt. Wij staan als één man achter onze unieke stijl. Iedereen die hier werkt, heeft de finishing touch van het huis goed in de vingers. Toch verlang ik dat alle voorstellen en beslissingen langs mij gaan. We brainstormen vaak. Natuurlijk zijn niet ál onze ontwerpen extreem te noemen. Het zijn de klanten die bepalen hoever we gaan, hoewel ook zij zich volledig herkennen in de filosofie van Rotorgroup. Zolang onze ideeën spraakmakend zijn, is het goed. Er zit altijd wel ergens een scherp randje aan, maar het ene project blijft wat hardnekkiger hangen dan het andere,” lacht Bernard. Inspiratie vindt Rotorgroup in het alledaagse. Spullen die ooit werden geproduceerd uit praktische noodzaak en daarom verstoken zijn van enig gevoel voor esthetiek, kunnen Bernard toch mateloos bekoren. Een militaire tank, een stad of een doodgewone tak zijn dankbare uitgangspunten voor nieuwe, innovatieve hersenspinsels. De biënnale Classica in Kortrijk is daar een mooi voorbeeld van. “Het hele ontwerp van deze beurs is gebaseerd op een stadsplan. Vazen op sokkels fungeren als ontmoetingspunten en overal vind je brede lanen terug. Het spreekt voor zich dat de winkels in het straatbeeld in dit geval de stands zijn. Het idee is eenvoudig, de mogelijkheden zijn oneindig. Voor de volgende editie van Classica diepen we het bestaande concept verder uit en gaan we graven in de geschiedenis van een stad. Boulevards worden ‘tijdslanen’ die de verschillende beursthema’s met elkaar verbinden, grote kandelaars nemen de plaats in van de vazen en ambachtelijke ateliers krijgen een podium. Volgens ons gaat vernieuwing hand in hand met aloud meesterschap,” legt Bernard uit. Modular laten ze dit jaar naar de meubelbeurs van Milaan vertrekken met een godin en een demon onder de arm. De verleidingen van het stadsleven vormen de lijnen waarbinnen het merk zijn nieuwste collecties zal presenteren. Naar goede gewoonte zullen niet de producten, maar de verschillende sferen belicht worden.

ROTOR GROUP STAND VOOR MODULAR OP INTERIEUR 08

009


010 — 016 LUT PIL

BRAM BOO WITTE NON

TUSSENRUIMTEN WAARIN MEN WIL VERDWALEN: DESIGNPROJECTEN VOOR HISTORISCHE GEBOUWEN In-between spaces in which to lose oneself: design projects for historical buildings


The context is clearly determined when designers are commissioned to design for listed buildings. Guidelines and sometimes even very strict requirements from the Monumentenzorg (National Trust) limit both the customer’s request and the designer’s freedom. The situation is, however, also a challenge; combining culturalhistorical patrimony with new functions and modern comfort requires research into the optimum interaction between the existing building and the new features. Keeping the patrimonial estate intact as much as possible with its own architectural, material and psychological impact, does not, however, mean that the designer must deafen his own style and only leave his mark in the most discreet manner. Though Hans De Pelsmacker chose not to make a statement in his 2007 assignment for the hogeschool Sint-Lucas Beeldende Kunst (SaintLucas College of Visual Arts) in Ghent. His interior for the previous council chamber in what was once a 19th century monastery is included in a comprehensive renovation and new build project. The college is building new studios on its site and renovating parts of the neo-Gothic monastery and schoolhouse of the Broeders van de Christelijke Scholen (Brothers of the Christian Schools) in order to adapt them to new needs. The rather dark area of the council chamber, which now functions as a work space for the Headmaster, conjures up an image somewhat like what Wilfried Wouters calls a “closed universe” in his contribution about the origin of the Saint-Lucas schools: “Through this fusion of religion, art, education and politics, Saint-Lucas attempted to create a closed universe within which the creativity of the artist and the craftsman was subject to a ‘total concept’ (...).”01 Hans De Pelsmacker was asked to realise several pieces of furniture for this room: a Headmaster’s table, a mobile telephone cabinet, a meeting table, a display case for art books, a simple coat rack and an étagère where invitations from (former) students and colleagues can be displayed. These new designs are supplemented with a low coffee table and a light fixture which Hans De Pelsmacker had already previously designed. With this limited amount of furniture, the client attempted to retain sufficient space for movement in a rather small room. Cabinets are not necessary: the archives are stored in the secretary’s office next door. Hans De Pelsmacker takes on the assignment with respect for what must remain as heritage, but this does not mean that he always agrees with the decisions made by the Monumentenzorg. The renovation is not meant to renounce the original character of the room, although this character is anything but ideal for its current use. However, Hans does not conserve the neo-Gothic

HANS DE PELSMACKER DIRECTIEKANTOOR SINT-LUCAS

011

Wanneer designers in opdracht ontwerpen voor beschermde gebouwen is de context duidelijk bepaald. Richtlijnen en soms zelfs dwingende eisen van de dienst Monumentenzorg beperken zowel de vraag van de opdrachtgever als de vrijheid van de ontwerper. De situatie is echter ook een uitdaging; cultuurhistorisch patrimonium combineren met nieuwe functies en hedendaags comfort vereist een onderzoek naar de optimale interactie tussen het bestaande gebouw en de nieuwe ingrepen. Het zo intact mogelijk bewaren van het erfgoed met zijn eigen architecturale, materiële en psychologische impact, betekent echter niet dat de vormgever zijn eigen ‘taal’ moet verzwijgen en enkel discreet aanwezig mag zijn. Toch heeft Hans De Pelsmacker net géén statement willen maken met zijn in 2007 uitgevoerde opdracht voor de hogeschool Sint-Lucas Beeldende Kunst in Gent. Zijn inrichting van de voormalige raadzaal in wat eens een 19de-eeuws kloostergebouw was, kadert binnen een omvattend renovatie- en nieuwbouwproject. De hogeschool bouwt op haar site nieuwe ateliers en verbouwt delen van het neogotische kloosterpand en schoolgebouw van de Broeders van de Christelijke 01

Scholen om ze aan te passen aan nieuwe behoeften. De vrij donkere ruimte van de raadzaal, die nu dienst doet als werkruimte van de directeur, roept nog iets op van wat Wilfried Wouters in zijn bijdrage over het ontstaan van de Sint-Lucasscholen een “gesloten universum” noemt: “Door deze versmelting van godsdienst, kunst, opvoeding en politiek trachtte Sint-Lucas een gesloten universum te creëren waarbinnen de creativiteit van de kunstenaar en ambachtsman aan een ‘totaalconcept’ werd onderworpen (...).”01 Hans De Pelsmacker werd gevraagd om voor deze ruimte een aantal meubels te realiseren: een directietafel, een mobiel telefoonkastje, een vergadertafel, een pronkkast voor kunstboeken, een eenvoudige kapstok en een etagère waarop uitnodigingskaarten van (oud-)studenten en collega’s kunnen worden uitgestald. Deze nieuwe ontwerpen worden aangevuld met een lage boekentafel en een lichtarmatuur die Hans De Pelsmacker reeds voordien had ontworpen. Met dit beperkte aantal meubels probeert de opdrachtgever voldoende beweegruimte over te houden in een niet al te grote kamer. Opbergkasten zijn niet nodig: archief wordt immers bewaard in het aanpalende secretariaat.

Wilfried Wouters, “Broeders en Baronnen. Het ontstaan van de Sint-Lucasscholen”, (Brothers and Barons. The Origin of the Saint-Lucas Schools) in Jan De Maeyer (red.), De Sint-Lucasscholen en de neogotiek 1862-1914 (The Saint-Lucas Schools and the neo-Gothic), Kadoc-Studies 5, Leuven: Universitaire Pers, 1988, p. 177.


012

Hans De Pelsmacker vat de opdracht op met respect voor wat als erfgoed bewaard moet blijven, wat niet wil zeggen dat hij het altijd eens is met de beslissingen van de dienst Monumentenzorg. De ingreep wil het oorspronkelijke karakter van de ruimte niet verloochenen, ook al is dit karakter voor een actueel gebruik allesbehalve ideaal. Hans behoudt de neogotische context echter niet als inhoudelijk element van de nieuwe ontwerpen. Hij kent de christelijk-ambachtelijke traditie van het Sint-Lucasonderwijs te goed, een traditie waarin hij zelf nog is opgegroeid. Zijn ingreep ontkent die traditie niet, maar accentueert ze evenmin. De neogotische bouw wordt een materieel onderdeel van de opdracht die hij opvat als een totaalgebeuren. De strakke vormentaal van de nieuwe meubels en de al even hedendaagse materialen als aluminium vormen een tegenstelling met de aanwezige architectuur en aankleding. De geometrische lijnen en de herhalende modules horen thuis in een heldere, modernistische taal. De pronkkast BabelPH/071, die in 2007 een Henry Van de Velde Label ontving, zet die rasterstructuur in beweging: de asymmetrische plaatsing van de boekensteunen creëert een visuele dynamiek die ook een inhoudelijke invulling krijgt. “BabelPH/07 is een concept voor een boekenmeubel waarbij het labyrint een metafoor is voor de zoektocht naar kennis en verklaring. De boekenkasten staan vrij in de ruimte en de indelingen zijn onregelmatige structuren. De boeken kunnen op diverse manieren geplaatst worden, waardoor er een visueel traject doorheen de kast en de boeken ontstaat.” Herhaling en verschil kenmerken ook de twee relatief smalle tafels die hij ontwerpt. In het blauwe frame van de directeurstafel loopt het witte werkblad aan een zijde door tot aan de tafelrand. Dit detail werkt functioneel en visueel: het geeft aan dat de tafel aan één zijde intensief gebruikt wordt om te werken en te schrijven, terwijl van de bezoeker aan de andere kant van de tafel meer afstand verwacht wordt. De vergadertafel is een visuele echo van de directeurstafel, maar is nog smaller om de deelnemers aan de vergadering voldoende dicht bij elkaar te brengen. Beide tafels worden met elkaar verbonden door een langwerpig grijs tapijt op de vloer. De lijnen die zo gevormd worden, staan dwars op de diagonalen van de veelkleurige neogotische tegelvloer. De meubels zijn zodanig in de ruimte geplaatst dat ze binnen de beperkingen van de gegeven ruimte optimaal kunnen functioneren. En beperkingen zijn er: de centraal geplaatste schouw werkt als een troon, het weinige natuurlijke licht beperkt de mogelijkheden van de opstelling, donkere hoeken, ge-

brandschilderde ramen en een fragment van een verdwenen lambrisering versterken het gevoel opgesloten te zijn in de kamer. Ook de wanden worden in het geheel geïntegreerd. Het kleurgebruik op de muur wordt aangepast aan de ruimte en speelt in op bepaalde (soms storende) historische decoratie-elementen. Hans De Pelsmacker, die zichzelf een beeldhouwer noemt en ervaring heeft met ruimtelijk werken, ontdekt tijdens deze opdracht voor het eerst echt kleur. Met intense kleurvlakken wil hij in de donkere ruimte licht brengen: een groene wand en een oranje reliëf creëren een evenwicht tussen de neogotische elementen en de nieuwe ontwerpen. De tegenstellingen vormen een dialoog die een eenheid aangaat met de architectuur, zonder het historische of het moderne te laten domineren. Hans De Pelsmacker wil zich de ruimte niet toe-eigenen. Toch lijkt men dit soms te verwachten van een ontwerper; na zijn opdracht voor lichtarmaturen in de Brugse stadsschouwburg (2002) verweet men hem ook al dat hij teveel op de achtergrond was gebleven, omdat zijn verlichtingselementen op een natuurlijke wijze in het gebouw opgingen. Hans De Pelsmacker wil vooral dat zijn meubels en de ruimte waarin ze staan, intens gebruikt worden. In navolging van Donald Judd benadrukt hij het verschil tussen kunstobject en gebruiksvoorwerp. De leefruimte waarin Donald Judd zijn eigen meubels plaatste was geen ‘witte kubus’. Ook de meubels van Hans De Pelsmacker vragen geen smetteloze tentoonstellingsruimte. Ondanks hun minimalistische taal zijn vorm en verhouding er voor een concreet gebruik. Wie met zijn meubels leeft, moet ze naar zijn hand zetten: “Mijn ontwerpen zijn sterk genoeg om te overleven”. Hans De Pelsmacker vindt het prachtig om te zien hoe de ruimte vol geraakt, hoe computers en stapels papier de tafels veroveren en antieke kasten, oude schilderijen en historische ‘restanten’ steeds meer de ruimte in beslag nemen. “Zo moet het”, zegt Hans De Pelsmacker tevreden. Het is alsof de boekenkast BabelPH/071 – “een doolhof waarin de lezer kan verdwalen”, haar format heeft overgedragen op de hele werkruimte, waarin uiteenlopende werelden op een bijna surreële wijze samenkomen. Alsof deze ruimte een video-installatie is met twee schermen die toch niet gelijktijdig bekeken kunnen worden. De ritmes en kleurtonen verschillen en de verhaallijnen lopen asynchroon, maar het is de dubbelprojectie die een tussenruimte installeert waarin men mag verdwalen. De opdracht van Bram Boo voor Z33 is even duidelijk afgelijnd. Binnen een vastgelegd budget krijgt hij van het Hasseltse kunsten-

context as an intrinsic element of the new designs. He knows the Christian-craftsman tradition of the Saint-Lucas educational system all too well, a tradition in which he himself grew up. His intervention does not deny the tradition, nor does it accentuate it. The neo-Gothic building becomes a material component in the assignment which he conceives to be a complete event. The austere design of the new furniture and the just as modern materials, such as aluminium, form a contrast with the present architecture and decor. The geometric lines and the repetitive modules belong to a clear, modernist language. The BabelPH/071 display case, which was awarded a Henry Van de Velde Label in 2007, brings movement to this grid structure: placing the bookends asymmetrically creates a visual dynamic and also gives it an intrinsic content. “BabelPH/07 is a concept for a bookcase in which the labyrinth is a metaphor for the search for knowledge and elucidation. The bookcases stand freely in the room and they are arranged irregularly. Books can be placed in various ways, creating a visual route throughout the case and the books.” Repetition and difference also characterise the two relatively small tables he designed. In the blue frame of the Headmaster’s table is a white tabletop reaching to the edge of one side of the table. This detail has both a functional and visual purpose: it shows that, on one end, the table is used intensively for working and writing, while more distance is expected from the visitor at the other end of the table. The meeting table is a visual echo of the Headmaster’s table, but it is smaller so as to bring the participants in the meeting sufficiently close together. Both tables are connected by a long, grey rug on the floor. The lines which are formed are perpendicular to the diagonals of the multi-coloured neo-Gothic tile floor. The pieces of furniture are arranged in the room allowing optimal functioning within the limited space allotted to them. And there are limitations: the centrally placed chimney functions as a throne, the small amount of natural light limits the arrangement possibilities, dark corners, stained-glass windows and a fragment of panelling long gone strengthen the sense of being locked up in the room. The walls have also been integrated into the whole. The use of colour on the walls has been adapted to the room and forms a partnership with certain (sometimes disruptive) historical decor elements. Hans De Pelsmacker, who calls himself a sculptor and has experience with spatial working, discovered pure colour for the first time during this assignment. He wishes to bring light into a dark room using intense colour surfaces: a green wall and an orange relief create a balance between the neo-Gothic elements and the new designs. The contrasts form a dialogue which creates unity


HANS DE PELSMACKER BABELPH/071

HANS DE PELSMACKER DIRECTIEKANTOOR SINT-LUCAS

HANS DE PELSMACKER DIRECTIEKANTOOR SINT-LUCAS


BRAM BOO CONGRESZAAL Z33

centrum de vrijheid om voor de kapittelzaal (nu congreszaal) van het voormalige begijnhof een tafel, stoel en zitbank te ontwerpen die bestand zijn tegen intens gebruik in een publieke context. Het is een vraag naar functionele meubels met voldoende comfort en uitgevoerd in stevig materiaal. Tafel en stoel moeten ook stapelbaar zijn en respectievelijk in 10 en 80 exemplaren geleverd worden. Het strikte budget is een reële beperking, maar ook een uitdaging. De houten meubels waarvoor Bram Boo gekend is en die hij ambachtelijk uitvoert, zijn voor deze opdracht te duur. Industriële productie en een ander materiaal dringen zich daarom op. Aluminiumplaat is een haalbaar alternatief, maar betekent voor Bram Boo wel een zoektocht naar Belgische bedrijven die willen meewerken aan het op punt stellen van meubels in een kleine oplage. Voorlopig zijn de ontwerpen immers enkel voor Z33 geproduceerd en worden ze niet op de markt gebracht. Aluminium past bij het karakter van de ruime kapittelzaal waarin een houten lambrisering en een wit bepleisterd balkenplafond sfeerbepalende elementen zijn. De strakke en seriële structuur van het plafond zal als beeld geïntegreerd worden in het frame van de tafel. Ook de geschiedenis van het begijnhof wordt in de ontwerpen verwerkt. Begijnen, ‘witte nonnen’ (Bram Boo vindt het een krachtige omschrijving), vrijwillige armoede, zuiverheid, afgesloten miniatuurstad,

rechthoekige percelen: begrippen uit een dossier over het Hasseltse begijnhof die in het hoofd van de ontwerper blijven hangen. Uiteindelijk zullen ze bepalend worden voor de nieuwe ontwerpen. Ze vormen een impuls tot meubels die vertrekken vanuit functie maar nadien vooral geleid worden door emotie. Emotie is een centraal begrip in de designopvatting van Bram Boo. Emotie geeft het functionele object een verhalende en subjectieve dimensie die voor de ontwerper zowel in het ontwerpproces zelf als in het gebruik van het product belangrijk is. Soms zijn de verhaalelementen expliciet, maar de omgang en de erbij horende ervaring blijven open. De stoel Witte non (2007) verwijst naar de kap van een begijn. De witte kleur past bij het verhaal – “nonnen zijn zwart-wit, katholiek, streng”. Er bestaat trouwens ook een prototype volledig in zwart, en een ontwerp met twee witte en twee zwarte poten. Het wit vormt een mooi contrast met de houten aankleding van de kapittelzaal. De stoelen staan er als figuranten op een filmset. “In deze congreszaal komen en gaan steeds nieuwe mensen, enkel de stoelen blijven staan. Ze zijn de figuranten van de omgeving geworden.” Bram Boo wil de gebruiker meer geven dan een bruikbare stoel. De titels geven hints en richten de blik op contexten voorbij het strikt functionele. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Witte non een rol kreeg (en niet enkel als figurant) in

with the architecture, where neither the historical nor the modern dominate. Hans De Pelsmacker does not want to claim the room. Though people do often expect this from a designer; after his assignment for light fixtures in the Bruges municipal theatre (2002), he had already been accused of being too much of a wallflower, because his lighting elements were incorporated in the building in a very natural way. Hans De Pelsmacker wants mainly for his furniture and the room in which they stand to be used intensively. Following in the footsteps of Donald Judd, he emphasises the difference between art object and tool. The living area in which Donald Judd placed his own furniture was not a “white cube”. The furniture from Hans De Pelsmacker also does not require a sterile exhibition area. Despite their minimalist style, form and proportion are present for specific use. The person living with the furniture must make it to his own taste: “My designs are strong enough to survive”. Hans De Pelsmacker loves to see how the room becomes full, how computers and stacks of paper overrun the tables and antique cabinets, old paintings and historical “remains” begin to take over the room. “That’s how it should be,” Hans De Pelsmacker says satisfied. It is as if the BabelPH/071 bookcase - “a labyrinth in which the reader can become lost” - has transferred its format to the entire work area, where different worlds come together in an almost surreal manner. As if this area is a video installation with two screens which cannot be watched simultaneously. The rhythms and colour tones differ and the story lines are not synchronised, but it is the double projection which installs a gap in which one can become lost. The assignment from Bram Boo for Z33 is just as clearly defined. Within a predetermined budget, the art centre in Hasselt gives him the freedom to design a table, chair and a sofa that can withstand intensive use in a public context, like that of the chapter hall (now the conference hall) of the previous béguinage. It is a request for functional furniture with sufficient comfort and constructed out of strong materials. Table and chair must be stackable and delivered respectively in 10 and 80 pieces. The strict budget is a serious limitation, but a real challenge as well. The wooden furniture for which Bram Boo is known, and which is constructed in an old-fashioned manner, are much too pricey for this assignment. Industrial production and other materials are, therefore, pushed to the foreground. Aluminium plating is a feasible alternative, but means Bram Boo must go in search of Belgian companies that are willing to cooperate in the realisation of furniture in a limited edition. For now, the designs are only produced for Z33 and will not be brought onto the


BRAM BOO VRIJWILLIGE ARMOEDE EN ZUIVERHEID

market. Aluminium fits in with the character of the spacious chapter hall, in which wooden panelling and a white plastered-beam ceiling are the elements which determine the atmosphere. The austere and serial structure of the ceiling will be integrated as an image into the table frame. The history of the béguinage will also be incorporated into the designs. Beguines, “white nuns” (Bram Boo finds this to be a strong description), voluntary poverty, pureness, closed miniature city, square plots: concepts from a dossier on the Hasselt béguinage which remain in the thoughts of the designer. In the end, they will determine the new designs. They form an impetus for pieces of furniture that depart from a functional point of view, but which are then mainly led by emotion. Emotion is a main concept in Bram Boo’s design vision. Emotion gives the functional object a narrative and subjective dimension, which is important to the designer both in the design process and in the use of the product. Sometimes the story elements are explicit, but the relationship and the experiences associated to it remain open. The Witte non (2007) (White nun) chair refers to a nun’s wimple. The white colour fits in well with the story - “nuns are black and white, Catholic, strict”. A prototype also exists, which is entirely black, and a design with two black legs. The white forms a beautiful contrast with the wooden décor of the chapter hall. The chairs stand like extras on a film set. “New people come and go in this conference hall, only the chairs remain in place. They have become the extras in the surroundings.” Bram Boo wants to give the user more than just a practical chair. The titles provide hints and throw a glance at contexts beyond the strictly functional. It is, therefore, no wonder that the Witte non is given a role (and not just that of an extra) in the exhibition and publication Forms with a Smile (2008). “Iconic, ironic, and poetic”: recognition and emotion go hand in hand. Rough sketches of the chair are followed by a 1/10-scale model in which the seat of the chair is folded out of paper and all kinds of details are tested. A full-size cardboard model, in which forms and angles are tested, almost maniacally and to the millimetre, determines the final design. The cardboard model is later translated into aluminium prototypes. Also, the austere, not too large tables, Vrijwillige armoede en zuiverheid (2007) (Voluntary poverty and purity) form a constant in the area of the chapter hall. They replace kitsch wooden tables and repeat the rhythm of the parallel beams in the ceiling. Bram Boo recognises a simple yet strong form element in those beams, which has occupied him for quite some time. The table frame is tested with three legs and slanted supports. But the ideas of poverty and purity lead to a perfect design with an expressive contrast between the

BRAM BOO VRIJWILLIGE ARMOEDE EN ZUIVERHEID (DETAIL)

015


016 BRAM BOO RECHTHOEKIGE PERCELEN

de tentoonstelling en publicatie Forms with a Smile (2008). “Iconisch, ironisch en poëtisch”: herkenning en emotie gaan samen. Vlugge schetsen van de stoel worden gevolgd door een model op schaal 1/10, waarbij de kuip van de stoel in papier wordt geplooid en allerlei details worden uitgeprobeerd. Een kartonnen exemplaar op ware grootte, waarin vormen en hoeken bijna maniakaal - tot op de millimeter - worden uitgeprobeerd, legt het ontwerp definitief vast. Het model in karton krijgt nadien zijn vertaling in aluminium prototypes. Ook de strakke, niet te grote tafels Vrijwillige armoede en zuiverheid (2007) vormen een constante in de ruimte van de kapittelzaal. Ze vervangen kitscherige houten tafels en herhalen het ritme van de evenwijdige balken in het plafond. In die balken herkent Bram Boo een eenvoudig maar sterk vormelement waar hij al lange tijd mee bezig is. Het frame van de tafel wordt uitgeprobeerd met drie poten en met schuin geplaatste steunen. Maar de ideeën van armoede en zuiverheid leiden tot een uitgepuurd ontwerp, met een expressieve tegenstelling tussen het zwarte blad en de witte lijst. De tafels vallen ook op door het detail waarmee ze in elkaar schuiven. Door te spelen met een vooruitstekend hoekprofiel kunnen ze op meerdere manieren

geschakeld worden. De afwerking in poederlak en de subtiele rondingen van de lasnaden en van het werkblad geven de tafel een onderhuidse sensualiteit die nog versterkt wordt wanneer de exemplaren een beetje schots en scheef staan opgesteld. In die wanorde hebben ze ook iets van platgelegde schoolborden, grote schrijftabletten die enthousiast gebruikt zijn. Bij het roestvrij stalen wachtmeubel Rechthoekige percelen (2007), dat reeds in een houten versie bestond, kunnen de horizontale bladen niet worden verschoven. Maar de gebruikers krijgen er ruimte (misschien wel vooral mentale ruimte) om het wachten op een eigen manier ‘uit te zitten’. Bram Boo speelt in deze opdracht voortdurend met zwart en wit. De tafel is een zwart vlak in een witte lijst en de stoel heeft in de ontwerpfase zwarte en zwart-witte varianten gekend. Op Toegepast 13 (najaar 2008), een presentatie van werk van jonge vormgevers die een jaar lang begeleid werden door Bram Boo, hing een studie van de kuip van zijn witte stoel tegen een zwart vierkant. Zo gepresenteerd leek de geplooide vorm een geabstraheerde weergave van een witte non, in een lange traditie van geschilderde portretten. Ook het Zwart vierkant (1913) van Kazimir Malevitsj of reliëfs van het constructivisme schemerden door, zonder dat deze referenties er door de ontwerper zijn ingelegd. Ondanks een zekere figuratieve dimensie is de taal van de meubels vooral abstract en open voor emoties. Misschien heeft het wit er ook een eigen klank, zoals Kandinsky het ooit in zijn theoretische uiteenzetting Über das Geistige in der Kunst (1910/1912) formuleerde: “Innerlijk klinkt wit als een niet-bestaande klank […]. Het is niet een dood zwijgen maar een dat vol mogelijkheden is. Het wit klinkt als een zwijgen dat plotseling verstaanbaar kan worden. Het is een niets dat jeugdig is, of, juister nog, een niets van voor het begin, van voor de geboorte. Zo klonk wellicht de aarde in de witte tijden van de ijsperiode.”02

02 Wassily Kandinsky, Spiritualiteit en abstractie in de kunst, (Spirituality and abstraction in Art) Zeist, 1993, p. 91.

black tabletop and the white frame. The tables are eye-catching due to the detail in which they slide into one another. By toying with a protruding corner profile they can be linked together in various ways. The powder coating finish and the subtle rounding of the welding seams and the work surface give the table a hidden sensuality, which is strengthened even further when the pieces are arranged in a somewhat willy-nilly fashion. In that disarray, they also give slight remembrance to a chalkboard lying flat, large writing tablets which are enthusiastically used. The horizontal tabletops of the stainless steel sofa, Rechthoekige percelen (2007) (Rectangular plots), which already existed in a wooden version, cannot be moved. But the users are given space (possibly predominantly mental space) to “sit out their time” as they so choose. Bram Boo plays continually with black and white in this assignment. The table is a black surface in a white frame and the chair has known a black and a black and white version in the design phase. At Toegepast 13 (autumn 2008), a presentation of works from young designers who were coached by Bram Boo for a year, a study of the seat for the white chair was hung against a black square. Presented in this manner, the folded form gave an abstract impression of a white nun in a long tradition of painted portraits. Also, the Zwart vierkant (Black square) (1913) from Kazimir Malevitsj or reliefs of constructivism shone through, without the designer having placed them there. Despite a certain figurative dimension, the style of the furniture is mainly abstract and open to emotions. Maybe the white has its own sound as well, such as Kandinsky once formulated in his theoretical explanation Über das Geistige in der Kunst (Concerning the Spiritual in Art)(1910/1912): “Internally white rings as a non-existing sound […]. It is not a deathly silence, but one full of possibility. White rings as a silence which can suddenly become coherent. It is a nothingness which is youthful, or, even more correct, a nothingness before the beginning of time, from before birth. So must the Earth have sounded in the white period of the Ice Age.” 02


017 — 020 ELLEN PILLEN

Antarctica: de quasi onbekende onderzijde van onze wereldbol. Sinds Adrien de Gerlache er in 1897 voor het eerst overwinterde en Dixie Dansercoer en Alain Hubert het zo’n tiental jaar geleden doorkruisten, heeft het ‘laatste continent’ haar geheimen slechts mondjesmaat prijsgegeven. In het spoor van deze ontdekkingsreizigers trekken onderzoekers en wetenschappers nog steeds naar de witte woestijn. Niet langer de Koning Boudewijnbasis is hun vertrekpunt, maar wel een volledig nieuwe versie, het Princess Elisabeth-station. Het werd in opdracht van de federale overheid ontworpen, gebouwd en gefinancierd door de International Polar Foundation, met de hulp van publieke en private partners. Het station bevindt zich op de noordelijke kam van het Utsteinen-gebergte, waar het in de rots verankerd kon worden, omdat deze gebergtes op 1400m hoogte bloot liggen. Doordat het op poten staat, versnelt de wind eronder en wordt de sneeuw weggeblazen. Zo wordt vermeden dat het station ondergesneeuwd raakt. Nog voor het volledig af was, werd het station al door verschillende onderzoeksteams gebruikt als basiskamp.

01

CHARLES EAMES EN EERO SAARINEN ORGANIC CHAIR (1940) FOTO ©VITRA

BELGISCH DESIGN IN ANTARCTICA Belgian design in Antarctica

Het station gaat uit van het zero emission-energieconcept, en het is dan ook een staaltje van milieuvriendelijkheid. Het draait voor 100% op hernieuwbare energievormen als wind- en zonne-energie. Bovendien verbruikt het slechts 20% van de energie die een vergelijkbaar Antarctisch station zou verbruiken. Alain Hubert vertelt: “Dat komt erop neer dat de boordcomputer je vraagt om vijf minuutjes te wachten om een douche te nemen, omdat hij nog even moet ventileren in de keuken”.01 Respect voor de natuur is het absolute uitgangspunt. Dit uit zich in milieuvriendelijke bouwmaterialen, de beste technieken voor afvalbeheer en een optimaal energieverbruik. Zo wordt voor de verwarming onder meer warmte gerecycleerd van de systemen, de computers en de bewoners. In september 2007 stond het station opgesteld in Tour & Taxis in Brussel, waar het Erik Indekeu - sinds een jaar de designpartner van Nedda El-Asmar - inspireerde om een servies te ontwerpen. Omdat ze toen net bezig waren met het ontwerp voor een suite in het d-hotel te Kortrijk, werd het idee uitgebreid tot een volledig interieurconcept waarin ook weer het milieu centraal staat. Criteria waren

Joeri De Bruyn, Princess Elisabeth Station, in A+, nr. 214, oktober – november 2008 (October – November), pp. 58-66. Ook aan te raden voor de meer technische uitleg van het station. (Also recommended for the more technical explanations of the station.)


NEDDA EL-ASMAR SASTRUGI VOOR ROYAL BOCH — FOTO ©WOLF & WOLF RONAN EN ERWAN BOUROULLEC ALCOVE SOFA FOTO ©VITRA

SORI YANAGI ELEPHANT STOOL (1954) FOTO ©VITRA

Antarctica: the quasi-unknown bottom of our planet. Since Adrien de Gerlache first spent the winter there in 1897 and Dixie Dansercoer and Alain Hubert travelled across it about ten years ago, the “last continent” has only sparingly revealed its secrets. Following in the footsteps of these explorers, researchers and scientists still travel through the white desert. The King Boudewijn base is no longer their point of departure, but a completely new version, the Princess Elisabeth station, is instead. Its design was commissioned by the Federal Government, constructed and financed by the International Polar Foundation, with support from public and private partners. The station is located on the northern ridge of the Utsteinen Mountain. It could be firmly attached to the rock, as these mountains are bare from a height of 1400 m. Because it has been built on legs, the wind accelerates underneath, thus blowing away the snow. In this manner, the station avoids getting snowed under. The station was used by various research teams as a base camp even before it was completely finished. The station is based on a zero emission energy concept and is, therefore, an example of environmental friendliness. It operates completely on renewable energy forms, such as wind and solar energy. In addition, it uses just 20% of the energy that a similar Antarctic station should use. Alain Hubert says: “What this basically means is that the board computer asks you to wait five minutes to take a shower because it has to first ventilate the kitchen”.01 Respect for nature is the absolute point of departure. This is visible in the environmentally-friendly building materials, the best techniques for waste management and optimum energy use. Among other things, residual heat from the systems, the computers and the residents is recycled to be used for heating. In September 2007, the station was set up in Tour & Taxis in Brussels, where it inspired Erik Indekeu - Nedda El-Asmar’s design partner for a year now - to design a dish service. Because they were just staring on a design for a suite in the d-hotel in Kortrijk at that time, the idea was expanded into a complete interior concept in which the environment again took centre stage. The criteria were quality, sustainability and respect for man and the environment during the production process. Nedda very quickly arrived at manufacturers, famous in the areas of sustainability and quality, such as the Belgian Libeco, which provided the linen for the bedrooms. Since its collaboration on this project, Libeco has become one of the official suppliers of the Princess Elisabeth station. The mattresses are from Recticel and are made of foam that can withstand freezing temperatures of up to -20°C. Vitra, which attempts


019

to keep CO2 emissions under control as much as possible during production and, therefore, fits in perfectly with the vision of the South Pole station, was responsible for the furniture. Thanks to this project, Vitra has also become an official supplier. For the interior of the Princess Elisabeth station, Nedda El-Asmar and Erik Indekeu opted for beautiful and sustainable materials and products in order to create a cosy oasis for the scientists to regain their strength. If they spend the winter there, they are sometimes there for four to eight months, so the South Pole must feel a bit like a “home”. There is no room for accessories, because it is, after all, a research station, but the beauty can be found in the furniture’s design. With a rational selection based on sustainability and comfort, Nedda and Erik wanted to create an atmosphere without leaving too much of their own mark. It is - as she says herself - more of a “dormitory” with a collection of sustainable design furniture than a total interior concept. The scientists must enter large amounts of data, and in doing so, have to sit in a chair for long periods of time. Very well-thought out in the area of ergonomics, the Headline by Mario and Claudio Bellini for Vitra, is an excellent choice. Even when leaning backwards, when there is a heavy load on the shoulders and neck, they are supported by the chair. In this way, the spine stays in balance. In addition, the seat allows the air to circulate through a net, making the Headline extremely comfortable. It was not just comfort that played an important role in Nedda’s choice, but also respect for the environment. 53% of this chair is manufactured from recycled aluminium. The other materials are 98% recyclable, which makes this Headline very sustainable. The first piece of furniture in the living room is the Organic Chair (1940) by Charles Eames and Eero Saarinen. This iconic reading chair is the result of a search for organic design shapes. Together, they designed this chair for the occasion of the Organic Design in Home Furnishings in the Museum of Modern Art in New York. Not until around 1950 were the production techniques sufficiently developed that organically shaped seat shells could be mass produced. The chair is still very popular today among design lovers. In the living room, there are also several Elephant Stools (1954) by the Japanese designer Sori Yanagi. The simple, almost childlike design provides a happy note in the South Pole station. The stool can also be used as a table and it is easy to stack. In addition, it is made of polypropylene. This material can withstand low temperatures and so that the stool can also be used outside in the snow. Sori Yanagi won the Japanese Competition for Industrial Design in 1951 and he is the founder of the Yanagi Industrial Design Institute. A bit further in and you will find the Click (2006) table, which does not look like a folding table, but

kwaliteit, duurzaamheid en respect voor mens en milieu tijdens het productieproces. Al gauw kwam Nedda terecht bij producenten met faam op het vlak van duurzaamheid en kwaliteit, zoals het Belgische Libeco, dat het linnengoed voor de slaapkamers leverde. Sinds hun medewerking aan dit project is Libeco één van de official suppliers van het Princess Elisabeth-station geworden. De matrassen zijn van Recticel en bestaan uit een schuim dat bestand is tegen vriestemperaturen van -20°C. Voor het meubilair zorgde Vitra, dat bij de productie de CO2-uitstoot zo goed mogelijk onder controle probeert te houden, en zich zo aansluit bij de visie van het Zuidpoolstation. Ook Vitra is hierdoor officieel leverancier geworden. Voor de inrichting van het Princess Elisabeth-station kozen Nedda El-Asmar en Erik Indekeu voor mooie en duurzame materialen en producten, om voor de wetenschappers een gezellige oase te creëren waar ze terug op krachten kunnen komen. Als ze er overwinteren, verblijven ze er vier tot soms acht maanden en dus moet het Zuidpoolstation een beetje een ‘thuis’ worden. Er is geen ruimte voor accessoires, want het blijft een onderzoeksstation, maar de schoonheid zit dan in de vormgeving van de meubels. Met een rationele selectie in functie van duurzaamheid en comfort hebben Nedda en Erik een sfeer willen creëren zonder hun eigen stempel te willen doordrukken. Het is - zoals ze zelf zegt - eerder een ‘studentenkot’ met een verzameling duurzame designmeubels dan een totaal interieurconcept. De wetenschappers moeten veel gegevens invoeren en zitten dus lange tijd op een stoel. De op ergonomisch vlak erg doordachte Headline van Mario en Claudio Bellini voor Vitra is dan een uitstekende keuze. Zelfs bij het achteroverleunen, wanneer de schouders en de nek zwaar belast worden, worden deze ondersteund door de stoel. Zo blijft de wervelkolom in balans. Bovendien laat de zitting de lucht circuleren door een netweefsel, waardoor de Headline heel comfortabel is. In Nedda’s keuze telde echter niet alleen het comfort, maar ook het respect voor het milieu. Deze stoel is voor 53% vervaardigd uit gerecycleerd aluminium. De andere materialen zijn voor 98% herbruikbaar, wat deze Headline heel duurzaam maakt. Het eerste meubel in de woonkamer is de Organic Chair (1940) van Charles Eames en Eero Saarinen. Deze iconische leesfauteuil komt voort uit de zoektocht naar organische vormen van design. Samen ontwierpen ze deze fauteuil naar aanleiding van de tentoonstelling Organic Design in Home Furnishings in het Museum of Modern Art in New York. Pas rond 1950 waren

de productietechnieken voldoende ontwikkeld om organisch vormgegeven zitschalen in grote oplages te produceren. De stoel is vandaag nog steeds erg populair bij designliefhebbers. In de woonkamer bevinden zich ook enkele Elephant Stools (1954) van de Japanse ontwerper Sori Yanagi. De eenvoudige, bijna kinderlijke vormentaal zorgt voor een vrolijke noot in het Zuidpoolstation. Het krukje kan ook als tafeltje gebruikt worden en is eenvoudig stapelbaar. Bovendien is het gemaakt uit polypropyleen. Dat materiaal is bestand tegen lage temperaturen en het krukje kan dus ook buiten in de sneeuw worden gebruikt. Sori Yanagi won in 1951 de Japanese Competition for Industrial Design en is de stichter van het Yanagi Industrial Design Institute. Iets verderop staat het tafeltje Click (2006), dat er niet uitziet als een klaptafeltje, maar het wel is. Met een enkele druk op de knop klapt het in of uit. Bovendien is het mechanisme verzonken in het tafelblad en kan je tot tien van deze tafels stapelen op één trolley. Alberto Meda is ingenieur, en dat merk je aan zijn ontwerpen. Ze bieden ogenschijnlijk simpele maar grondig bestudeerde oplossingen die het dagelijkse gebruik ervan vereenvoudigen. Bij een tafel horen stoelen en dus koos Nedda in de collectie van dezelfde ontwerper de MedaSlim (2004), een stoel die uitblinkt door zijn strakke vormgeving. Ten slotte moeten de wetenschappers in het Zuidpoolstation ook gezellig kunnen cocoonen. Hiervoor selecteerde Nedda de Alcove Sofa (2006) van de Franse designbroers Ronan en Erwan Bouroullec. Deze bank is een wereldje op zich, je kan er op je eentje in wegkruipen, of gezellig samen keuvelen. Naast de selectie van de meubelen, ontwierpen Nedda en designpartner Erik Indekeu zelf een ‘zuidpoolservies’, Sastrugi genaamd. Het bestaat uit 4 delen: een grote mok, een kom, een bord en een keramische lepel. Het zijn de essentiële elementen van een servies, waaruit de wetenschappers alle mogelijke gerechten kunnen eten. De bedoeling was namelijk om een eenvoudig maar multifunctioneel servies te ontwerpen. De mok is groot, want de wetenschappers moeten genoeg vocht kunnen opnemen. Ondanks de sneeuw en het ijs, is Antarctica immers één van de droogste gebieden op aarde. Met een vleugje fantasie en poëzie geeft Nedda het servies een meerwaarde. Zo loopt de rand van het servies een beetje schuin, en verwijst het zo naar de licht gekantelde positie van Antarctica ten opzichte van de aardas. Bovendien komt de naam Sastrugi uit het Russisch, waarin het duidt op de harde sneeuwduinen en ribbels die ontstaan door opgewaaide sneeuw. Ze zijn typisch voor poollandschappen en komen dus ook vaak voor op Antarctica.


ALBERTO MEDA CLICK — FOTO ©VITRA PRINCESS ELISABETH-STATION EXTERIEUR

Wanneer ik Nedda vraag of er invloeden uit de zilversmeedkunst doorwerken in haar ontwerpproces voor keramiek, legt ze uit dat het hier niet gaat om unieke, handgemaakte stukken, maar eerder om een industrieel ontwerp, waarbij wel een aantal stappen in het proces gelijklopen met bijvoorbeeld een ontwerp voor zilveren bestek. De eerste maquettes maakten ze in schuim, bij zilverwerk is dat meestal hout of was. Dit schuim wordt bijgewerkt tot alle verhoudingen volledig kloppen. “Ik zoek mijn vorm driedimensionaal. Ik wil kunnen voelen hoe een bestek in de hand ligt en hoe een kromming moet lopen. Mijn werk is vrij intuïtief.”02 Wanneer het model af is, wordt het definitief uitgetekend en kan het gemaakt worden in het bedoelde materiaal, hier in keramiek door de Belgische producent Royal Boch, eveneens official supplier van het Princess Elisabeth-station. Als alles volgens plan verloopt, kunnen wij vanaf mei een klein beetje Antarctica in huis halen, want de Sastrugiset wordt dan ook in de winkels verkocht. Een deel van de opbrengst gaat naar de International Polar Foundation.

02 Nedda El-Asmar in Weekend Knack, 10 oktober (October) 2007.

it is. With a single push of the button, it folds in or out. In addition, the mechanism is submerged in the tabletop. Up to ten of these tables can be stacked on just one cart. Alberto Meda is an engineer, and this is noticeable in his designs. They offer seemingly simple though thoroughly researched solutions which makes using them even easier. A table needs chairs, thus Nedda selected a chair out of the collection from the same designer, the MedaSlim (2004). It’s a chair that really stands out, thanks to its austere design. Finally, the scientists at the South Pole station must be able to cocoon cosily. For this, Nedda selected the Alcove Sofa (2006) by the French design brothers Ronan and Erwan Bouroullec. This sofa is a world in itself; you can crawl in all alone or have a pleasant little chat with someone. In addition to the furniture selection, Nedda and design partner Erik Indekeu designed a “South Pole dish service” themselves called Sastrugi. It consists of four parts: a large mug, a bowl, a plate and a ceramic spoon. They are the essential elements of a service, from which the scientists can eat all kinds of dishes. The intention was to design a simple yet multifunctional service. The mug is large, because the scientists must drink plenty of fluids. Despite the snow and ice, Antarctica is actually one of the driest areas on Earth. With a little bit of fantasy and poetry, Nedda gives the service added value. The edge of the service is a bit slanted, thus referring to the slightly slanted position of Antarctica in regards to the earth’s axis. In addition, the name Sastrugi is Russian, and denotes the hard snow dunes and ridges which are created by snow being blown upwards. They are characteristic of polar landscapes and are also very common on Antarctica. When I ask Nedda if influences from silversmithing affect her design process for ceramics, she explains that, in this case, it is not about unique, handmade pieces, but more of an industrial design, in which a number of steps in the process are the same as those, for example, for a silver cutlery design. They made the first models in foam. In silversmithing, wood or wax is generally used. The foam is modelled until all of the proportions are completely right. “I search for a three-dimensional shape. I want to be able to feel how a piece of silverware lies in the hand and how a curve must go. My work is very intuitive.”02 When the model is finished, the definitive drawing is completed and it can be made in the intended material, in this case ceramic, by the Belgian manufacturer Royal Boch, also official supplier for the Princess Elisabeth station. If everything goes according to plan, we will be able to bring a little piece of Antarctica in to our homes as from May, because the Sastrugi set will then be for sale in the shops as well. Part of the profits will go to the International Polar Foundation.


HOE DESIGN UW WINKELKARRETJE HELPT VULLEN: RETAIL DESIGN RESEARCH LAB How design helps fill your shopping cart: Retail Design Research Lab

RETAIL DESIGN RESEARCH LAB

021 — 026 ROEL JACOBUS

Met het uitroepen van retail design als een speerpunt in haar opleiding interieurarchitectuur, wil de Provinciale Hogeschool Limburg de Vlaamse achterstand op dit domein goedmaken. Blikvanger vormt het nieuwe Retail Design Research Lab: gloednieuw, uniek in Europa en ter beschikking van onderwijs, onderzoek én bedrijven. “Het zou leuk zijn mochten Vlaamse retailers niet meer naar het buitenland moeten voor de ontwikkeling van hun winkelinrichting”, zegt Katelijn Quartier. Zij doctoreert op het verkoopseffect van verlichting in supermarkten en behoort tot de zeskoppige academische ploeg rond retail design. De Provinciale Hogeschool Limburg sloeg de handen in elkaar met de Universiteit Hasselt om de opleiding interieurarchitectuur te ‘academiseren’. Binnen dit domein bouwt de PHL op de Campus Diepenbeek drie speerpunten uit: meubel, scenografie en retail design. Vooral het derde aspect kent een stroomversnelling: de helft van de studenten – een 25-tal – kiest voor deze optie, er werd een zeskoppig wetenschappelijk team samengesteld en in de benedenverdieping ontstond een uniek experimenteel laboratorium. Bovendien sloot de PHL voor retail design samenwerkingsverbanden met het Piet Zwarte Institute in Rotterdam, de Technische Universiteit Delft, het Laboratorium voor Lichtonderzoek


RETAIL DESIGN RESEARCH LAB

By placing retail design at the forefront of its interior architecture course, the Provincial University College of Limburg hopes to make up the Flemish deficit in this area. The jewel in the crown is the new Retail Design Research Lab: brand-new, unique in Europe and available to education, research and the commercial world. “It would be great if Flemish retailers no longer had to look abroad when developing their store layouts”, says Katelijn Quartier. She is doing a doctoral thesis on how lighting can influence sales in supermarkets and is a member of the six-man academic retail design team.

RETAIL DESIGN RESEARCH LAB

The provincial University College of Limburg joined the University of Hasselt to turn interior architecture into an academic course. The PHL has developed three key areas on the Diepenbeek campus: furniture, scenography and retail design. The third aspect in particular has gained in momentum: half of the students – about 25 – go for this option, a six-man scientific team has been appointed, and a unique experimental laboratory has been set up on the ground floor. For its retail design course the PHL also struck up partnerships with the Piet Zwarte Institute in Rotterdam, the Technische Universiteit Delft, the Lighting Research Laboratory of the KAHO St. Lieven in Ghent and the Research Department at Philips in Eindhoven. “From the micro perspective, the research area of retail design refers to the crossdisciplinary activity of designing floor space in stores and how this relates to consumers. It has points in common with psychology, lighting technology, materials technology, sales management and other disciplines. The binding element in all of this is interior architecture. From the macro perspective, retail design is all about the placement of shops and shopping centres in urban environments and how this relates to the fabric of the town or city. Interest in retail design is growing within interior architecture. In the fields of marketing and applied economics people have been investigating the relationship between store layout and purchasing behaviour for 30 years or so. In a market where products are looking more and more alike, retailers are having to find new ways to differentiate”, says the academic team of its research subject. Professor Koenraad Van Cleempoel coordinates doctoral researchers Katelijn Quartier, Ann Petermans, Bie Plevoets and scientific assistants Jan Vanrie and Lara Vesentini. There is not a strong tradition of scientific research in interior architecture, although one does appear to be developing, perhaps as part of the struggle to liberate itself from the parental discipline of architecture.


023

The first person to get to use the Retail Design Research Lab was Katelijn Quartier. This interior architect is writing a doctoral paper on how supermarket lighting affects the behaviour and mood of the consumer. For the purposes of her research the lab was arranged as a rational, almost clinical mini-supermarket. The shelving was set out in a spartan space: no music, no advertising posters, whitewashed walls, no other customers. “In this controlled environment we are able to set all disruptive factors to zero”, says Katelijn Quartier. “When our test subjects in the lab are induced to a particular state of mind we can be sure that this is due to nothing but the lighting. My research is concerned with white light specifically, which is of greatest relevance to supermarkets.”

Was there a call for this research from the market, or was it your own idea? Katelijn Quartier: “Both. As an interior architect I noticed that little academic research had been done on lighting in the retail trade. On this subject I contacted 15 specialists in the field: designers, retail marketers, lighting manufacturers, lighting architects, set designers and retailers. I made a very detailed preliminary study before selecting the bulbs, because there are many different types of ‘white’ light. Then I worked with our cross-disciplinary team to describe a methodology to link purchasing behaviour with emotions and with perception of atmosphere. Once we have worked out the methodology for our lighting research we will be able to apply it to other factors such as coloured lighting, colour, sound, odour and routing.

How did you set up the lighting? Katelijn Quartier: “The lab shop is programmed to have lighting settings which mimic those of the three existing supermarkets. With the press of a button the lighting can be set to ‘better department store’, or ‘mid-level supermarket with extensive product-range’ or, finally, ‘price buster’. I went and measured the light in the supermarkets to get the settings right: not just the light strength (lux), but colour temperature (ratio of white to yellow) and differences in atmosphere. Each type of supermarket has its own lighting settings and these are found more or less throughout the chain. The better department store places the emphasis on cosiness - e.g. more intimate lighting in the wine department - and uses spotlights to highlight the products. On the other hand, supermarkets with a broader base use a lot of white light, which creates a very clear picture all around the store. With this they emphasise that they really do carry everything. By comparison the lighting settings for the cheap discounter are

van de KAHO St.-Lieven in Gent en de Dienst Onderzoek van Philips in Eindhoven. “Het onderzoeksdomein retail design verwijst, op microschaal, naar de interdisciplinaire activiteit in verband met de inrichting van winkelruimtes en de relatie met consumenten. Er zijn raakvlakken met psychologie, lichttechnologie, materialenleer, verkoopsmanagement en andere disciplines. Interieurarchitectuur vormt daarbij het bindmiddel. Op macroschaal verwijst retail design naar de stedelijke inplanting van winkels en winkelcentra en de relatie tot het stedelijke weefsel. De belangstelling voor retail design neemt toe binnen interieurarchitectuur. Binnen marketing en toegepaste economie wordt de relatie tussen winkelinrichting en koopgedrag al 30 jaar onderzocht. In een markt waarin producten steeds meer op elkaar lijken, wordt het voor retailers belangrijker om zich op andere manieren te differentiëren”, stelt het academische team zijn onderzoeksdomein voor. Professor Koenraad Van Cleempoel coördineert doctoraatsonderzoekers Katelijn Quartier, Ann Petermans, Bie Plevoets en wetenschappelijk medewerkers Jan Vanrie en Lara Vesentini. Interieurarchitectuur heeft een beperkte traditie in wetenschappelijk onderzoek, maar lijkt dit steeds meer te ontwikkelen, niet in het minst als onderdeel van de ontvoogdingsstrijd met de moederdiscipline architectuur. De eerste die aan de slag mocht in het Retail Design Research Lab is Katelijn Quartier. Deze interieurarchitecte doctoreert op de invloed van verlichting op het gedrag en het gemoed van de consument in supermarkten. Voor haar onderzoek werd het lab ingericht tot een sobere, haast klinische minisupermarkt. De winkelrekken staan opgesteld in een spartaanse ruimte: geen muziek, geen reclameborden, witte muren, geen andere klanten. “In deze gecontroleerde omgeving worden alle storende factoren op nul gezet”, vertelt Katelijn Quartier. “Wanneer de testpersonen tijdens het winkelen in ons lab in een bepaalde gemoedstoestand gebracht worden, dan zijn we zeker dat dit enkel en alleen door de verlichting komt. Mijn onderzoek gaat specifiek over wit licht, wat het meest relevant is voor supermarkten.” KWAM DIT ONDERZOEK UIT EEN EIGEN OPWELLING OF OP VRAAG VAN DE MARKT? Katelijn Quartier: “Beide. Als interieurarchitect constateerde ik dat verlichting in de detailhandel weinig bestudeerd was op academisch niveau. Daarop sprak ik met een 15-tal specialisten uit het veld: desig-

ners, retailmarketeers, verlichtingsfabrikanten, lichtarchitecten, toneellichtontwerpers en retailers. Aan de selectie van de lampen besteedde ik een uitgebreid vooronderzoek, want er bestaan heel veel soorten ‘wit’ licht. Vervolgens zette ik, samen met ons interdisciplinair team, een methodologie uit om het koopgedrag te linken aan enerzijds emoties en anderzijds sfeerbeleving. Eenmaal we deze methodologie hebben uitgewerkt voor lichtonderzoek, kunnen we ze ook toepassen op factoren zoals kleurlicht, kleur, geluid, geur, routing.” HOE GING U TE WERK VOOR HET OPBOUWEN VAN DE VERLICHTING? Katelijn Quartier: “De laboratoriumwinkel is ingesteld op de lichtsettings die refereren naar drie bestaande supermarkten. Met een druk op de knop verandert de belichting van ‘het betere warenhuis’, naar ‘de middenklasse supermarkt met breed aanbod’ tot uiteindelijk ‘de prijzenbreker’. Voor deze instellingen ben ik in deze supermarkten het licht gaan meten: niet alleen de lichtsterkte (aantal lux), maar evenzeer de kleurtemperatuur (verhouding wit-geel) en de sfeerverschillen. Elke soort supermarkt heeft zijn eigen lichtkenmerken, die grotendeels in alle vestigingen doorgetrokken worden. Het betere warenhuis legt het accent op gezelligheid – bijvoorbeeld met intiemer licht in de wijnafdeling – en zet met gerichte spots de producten in de kijker. De breed georiënteerde supermarkt daarentegen gebruikt heel wit licht, wat overal in de winkel een zeer helder beeld opwekt. Daarmee ligt de nadruk op het feit dat ze werkelijk alles in huis hebben. De lichtsetting van de goedkope discounter lijkt plots duister. Hier wordt gekozen voor een weliswaar warmer, geler licht, maar wel veel minder sterk. Alsof ze ook door het lichtgebruik willen benadrukken dat ze geen nodeloze kosten maken. De 120 deelnemers aan het onderzoek werden verdeeld over elk van de drie types lichtinstellingen. Daarna werden de resultaten met elkaar vergeleken.” HOE VERLIEP HET ONDERZOEK? Katelijn Quartier: “Het eerste experiment was opgebouwd rond dubbele winkelrekken met tomaten, waarboven we twee verschillende soorten licht plaatsten. Bij de tomaten bijvoorbeeld hing links een lamp die de roodheid beter naar voren bracht, rechts een neutraal licht. We keken welke tomaten de nietsvermoedende proefpersonen in hun winkelmandje legden. Bij groenten maakt de belichting een wezenlijk verschil. Bij verpakte producten in de rekken oefende het lichtef-


024

fect nauwelijks invloed uit, daar spelen andere zaken zoals routing [het uitstippelen van een traject in de winkel, n.v.d.r.]. Tijdens de diverse stappen van de experimenten brachten 120 mensen een bezoek van twee tot drie minuten aan de winkel. Ze werden tijdens het winkelen met vier camera’s gefilmd en kregen voordien en nadien vragen over de uitgelokte emoties en het koopgedrag. Om statistisch significant te zijn, stelden we de groep evenwichtig samen met mannen en vrouwen, studenten en werkenden, diverse leeftijdscategorieën, enz.”

UNIEK IN EUROPA HOORT ONDERZOEK NAAR COMMERCIËLE INVLOEDEN NIET MEER THUIS IN EEN ECONOMISCHE OF PSYCHOLOGISCHE FACULTEIT DAN BINNEN HET DEPARTEMENT ARCHITECTUUR? Katelijn Quartier: “Architectuur kenmerkt zich door zijn holistische aanpak, zijn kijk op de hele ruimte. Voor een totaalaanpak stelden we een multidisciplinair team samen. Daarin zitten behalve interieurarchitecten ook een psycholoog en een statisticus. Een van de startende doctoraten – rond het effect van geuren in winkels – heeft een promotor uit het departement Handelswetenschappen. Ons doctoraatsproject rond routing loopt dan weer in samenwerking met de mobiliteitsspecialisten van de Universiteit Hasselt.” BESTAAT ER AL IETS VERGELIJKBAAR IN HET BUITENLAND? Katelijn Quartier: “Lampenfabrikanten zoals Philips hebben een demonstratieruimte, maar wij kennen geen ander experimenteel lab. Op basis van onze contacten met het werkveld en door de internationale belangstelling van pers en bedrijven, durven wij zeggen dat dit uniek is in Europa. Door publicaties en deelname aan congressen willen we heel wat internationale connecties leggen. Zo wekten we de interesse van een Britse fabrikant van koelinstallaties voor winkels.” OP WELKE MANIER VERLEENT HET LAB DIENSTEN AAN BEDRIJVEN, ORGANISATIES EN INSTELLINGEN? Katelijn Quartier: “Wij voeren eigen onderzoek uit maar kunnen ook ingehuurd worden door bedrijven, bijvoorbeeld voor specifieke vragen over de verlichting en opstelling van rekken. We hanteren wel de regel dat we niet twee keer hetzelfde onderzoek voeren voor twee verschillende opdrachtgevers. Tegelijk geldt dat onderwijs en onderzoek voorop staan en dus altijd de bovenhand moeten krijgen op mogelijke commerciële belangen.”

HOE ZIET DE TOEKOMST VAN HET LAB ERUIT, WAT ZIJN JULLIE GROEIPLANNEN? Katelijn Qartier: “Dit lab biedt veel mogelijkheden maar het is en blijft een laboratorium. Dat betekent dat we de onderzoekresultaten ook in veldtests moeten uitzetten en kijken of we tot dezelfde bevindingen komen. Voor simulaties van licht, geur en geluid hebben we plaats genoeg. Maar voor routing zullen we eventueel moeten samenwerken met partners waar meer ruimte voorhanden is.”

KAN DESIGN DE CRISIS KEREN? HOE STAAT HET MET DE ROL VAN DE INTERIEURARCHITECT? Katelijn Quartier: “Vroeger werd de interieurarchitect gezien als een ‘decorateur’ die de gordijnen en tapijten koos, terwijl we zoveel meer kunnen doen. Retailers gaan nu vaak naar Nederland of Engeland om hun winkelinrichting te ontwerpen. Met onze opleiding en infrastructuur beantwoorden we duidelijk aan een nood uit de markt. Het zou tof zijn mochten de Belgische retailers nu niet meer naar het buitenland moeten gaan. Slechts een beperkt aantal winkelketens hebben iemand vast in dienst voor de inrichting en het onderhoud van de vestigingen. Dat is meestal nodig, want als de 20ste winkel klaar is, kan hij alweer beginnen aan de eerste. De vernieuwing van het interieur gaat steeds sneller: voor de grote concerns ligt de norm al op drie jaar. Sommige groten hebben een eigen ontwerpdienst met architecten en stylisten. In Nederland wordt vaak met visual merchandisers gewerkt.” KAN BETER DESIGN DE RETAILSECTOR WAPENEN TEGEN DE CRISIS? Katelijn Quartier: “Daar doen we met ons team liever geen uitspraken over. We zien wel dat in de sector veel op buikgevoel gebeurt. Er worden heel veel dingen beweerd over belichting, maar het feitelijke effect is niet altijd bewezen. Het veld kent een pragmatische inventiviteit die wij proberen te staven met onderzoek en cijfers. Los van modes of hypes zoeken wij naar langdurige, tijdloze factoren. Nu bijvoorbeeld led-technologie aan een opmars is bezig is, houden wij een onderzoek naar kleurverlichting tout court.”

DE VLAAMSE LAMP GAAT HARDER BRANDEN OP WELK PEIL STAAN DE VLAAMSE RETAIL DESIGNERS ? Katelijn Quartier: “Weliswaar met enige achterstand op de VS, is Londen de Europese metropool voor retail design. Neder-

dark. They go for a warmer, yellower light but with far fewer lux. It is as though they aim to emphasise through their use of light that they do not incur unnecessary costs. The 120 participants in the study were spread over these three lighting settings. Then the results were compared.”

How was the study conducted? Katelijn Quartier: “The first experiment was built around double shelving units containing tomatoes, above which we fitted two different types of light. To the left of the tomatoes, for example, there was a light which emphasised their redness, and to the right a neutral light. We looked at which tomatoes the u nsuspecting test subjects placed in their baskets. The lighting made an appreciable difference when it came to vegetables. In the case of packaged products on the shelves the lighting effect exerted barely any influence at all, but other factors play their part here, such as routing [laying out a route through the store]. During the various stages of the experiments a total of 120 people paid a 2- to 3-minute visit to the store. While shopping they were followed by four cameras, and they were asked questions about how they felt and about their purchasing behaviour before and after. To make the results statistically significant the group was composed in such a way that it contained a balance of men and women, students and working people, a variety of age categories, etc.”

Unique in Europe Wouldn’t research into commercial effects be more appropriate in a faculty of economics or psychology than in the department of architecture? Katelijn Quartier: “Architecture is characterised by its holistic approach, its consideration of the overall space. To ensure a total approach we put together a multi-disciplinarian team. Besides interior architects this team contains a psychologist and a statistician. One of the starting PhDs – on the effect of odour in shops – is promoted by the department of commercial science, while our PhD project on routing is run in collaboration with the mobility specialists from the University of Hasselt.

Is there anything comparable being done in other countries? Katelijn Quartier: “Bulb manufacturers like Philips have demonstration areas, but we know of no other experimental lab. Based on our contact with people in the field and international interest from the press and the business world, we might even go as far as to say that this is unique in Europe. By publishing our work and taking part in congresses we hope to set up numerous interna-


025

tional connections. We have attracted the interest of a British manufacturer of in-store cooling appliances, for example.” RETAIL DESIGN RESEARCH LAB

How does the lab offer its services to businesses, organisations and institutions? Katelijn Quartier: “We carry out our own research but businesses can hire our services. They can do this, for example, for specific questions about lighting or shelving. We do have a rule, however, that we will not carry out the same study twice for different clients. At the same time, education and research take priority and must therefore take precedence over commercial interests at all times.

What are the lab’s prospects for the future, what are your plans for growth? Katelijn Quartier: “This lab presents plenty of opportunities, but it is a laboratory and it always will be. What this means is that we will need to design field tests based on the research results to see if we reach the same findings. We have all the room we need to simulate light, odour and sound. But when it comes to routing we may have to look for partners with more space.”

Can design take us out of the crisis? What is the interior architect’s current role? Katelijn Quartier: “People used to see the interior architect as the ‘decorator’ who picked the curtains and carpets, but there is so much more we can do. These days, retailers often go to the Netherlands or the UK to design a shop layout. Our training and infrastructure is clearly responding to a need expressed in the market. It would be great if Belgian retailers no longer felt the need to go abroad. Not many chains employ a permanent member of staff to lay out and maintain the stores. But one is generally needed because by the time he has finished on the 20th store it will be time to start again on the 1st. Interiors are being renewed more and more frequently: the bigger groups usually do this once every three years. Some of the larger ones have their own design department, with their own architects and stylists. Companies in the Netherlands often have visual merchandisers.”

Can the retail sector arm itself against the crisis through better design? Katelijn Quartier: “This is not the sort of thing that our team would be happy to comment on. But what we are seeing is that in many things this sector relies on gut feelings. All kinds of assertions are made about lighting, but its actual effect is not always proven. There is inventiveness

DISCOVER THE HIDDEN PERSUADERS How good is it to be involved in testing hidden persuaders? Katelijn Quartier: “It is great fun. The nice thing is that the test subjects don’t know what it’s about. When I interview them after their visit to the store I ask them questions about the tiles, the shelves, the odour. Then, at the end, when I ask them if they noticed anything about the lighting, almost all of them say that they weren’t really paying attention. But there must be something in it, if they all picked the paprika under that light. Have a look at the lighting yourself when you go shopping. You will notice that the more ‘upmarket’ supermarkets have different lighting in every department.” Wine darker, cosier, more intimate, more festive Meat the bulb has a ‘meat filter’ which improves the colour red Cheese a yellow light enhances the colour of the product Fish white light to emphasise freshness


026

ONTDEK DE VERBORGEN VERLEIDERS HOE LEUK IS HET OM VERBORGEN VERLEIDERS TE TESTEN? Katelijn Quartier: “Heel plezierig. Het is leuk dat de proefpersonen niet weten waarover het gaat. In het interview na hun winkelbezoek stel ik vragen over de tegels, de rekken, de geur. Wanneer ik dan uiteindelijk vraag of ze iets aan de verlichting gemerkt hebben, dan zegt bijna iedereen dat ze daar niet op gelet hebben. Maar wanneer iedereen precies díe paprika onder díe lamp koos, dan moet er toch wel iets zijn? Probeer bij het winkelen zelf eens op de verlichting te letten. Je zal zien dat de ‘betere’ supermarkt in elke afdeling een andere lichtzetting hanteert.” WIJN donkerder, gezelliger, intiemer, feestelijker VLEES lamp met ‘vleesfilter’ die het rood verbetert KAAS geel licht versterkt de productkleur VIS wit licht om de versheid te benadrukken

land komt kort daarna, maar in België leggen slechts een vier-, vijftal interieurbureaus zich uitsluitend op winkels toe. Maar we halen onze achterstand in, mede doordat retail design een van de drie speerpunten in onze opleiding interieurarchitectuur geworden is, naast meubelontwerp en scenografie. Dit is uniek in ons land. We stellen vast dat de helft van onze studenten kiest voor retail design. Deze jongeren moeten tijdens hun opleiding ook een (korte) stage lopen bij een van de vele bedrijven waarmee wij contacten hebben. Retail design is de eerste van onze specialisaties die naar onderzoeksniveau gebracht is. Ik startte als eerste op dit terrein met een doctoraat, intussen zijn we al met drie.” HOE IS HET GESTELD MET DE VLAAMSE LICHTDESIGNERS? Katelijn Quartier: “Meestal zijn ze bezig met de technische aspecten: lichtsterkte, soorten armaturen enz. Ze focussen minder op de menselijke kant, hoe de persoon de belichting ervaart. Mensen die met lichtarchitectuur bezig zijn, vermijden vaak donkere plekken, terwijl die ook hun functie hebben. Maar België en Nederland kennen geen opleiding lichtarchitectuur, in tegenstelling tot de VS en Groot-Brittannië waar een dergelijke masteropleiding wel bestaat. De talrijke Vlaamse verlichtingsfabrikanten hebben wél heel veel technische kennis in huis. Die willen wij combineren met onze internationale ervaringen en onderzoeksresultaten op het vlak van de beleving van het licht.” IS VLAANDEREN EEN GOEDE PLAATS VOOR LICHTONDERZOEK? Katelijn Quartier: “Vlaanderen is er uitstekend voor gelegen, dankzij het grote aantal fabrikanten van verlichtingsapparatuur. Ook de retailers zijn in dit onderzoek geïnteresseerd. We stellen vast dat de bedrijven hiervoor openstaan en dat de interesse vrij groot is.”

in the field, which has arisen through practical necessity, and we are trying to support this with our research and figures. We aim to set the trends and hype aside and uncover the long-term, timeless factors. Now that LED technology is on the rise, for example, we are conducting a study into coloured lighting, full stop.”

Flemish bulbs will burn brighter Where do Flemish retail designers stand in the overall scheme? Katelijn Quartier: “Albeit a little behind the US, London is the European retail design metropolis. The Netherlands follows just behind, but in Belgium only four or five interior bureaus concentrate exclusively on stores. However, we are making up ground, partly because retail design has become one of the three spearheads of our interior architecture course, alongside furniture design and scenography. This is unique to our country. The figures show that half of our students opt for retail design. While on the course these youngsters do a (brief) work placement at one of the many companies with which we are in contact. Retail design is the first of our spearheads to be taken to research level. I was the first to start in this field with a Ph.D., but now there are three of us.”

Where do the Flemish lighting designers fit in with this? Katelijn Quartier: “They tend to deal with the technical aspects: light intensity, types of fitting, etc. They are less interested in the human dimension, or how a person experiences lighting. People who are involved in lighting architecture are often intolerant of dark spaces, although they do have their functions. But there are no courses in lighting architecture in Belgium or the Netherlands, unlike the US and UK which offer Masters degrees in this subject. Flemish lighting manufacturers, of which there are many, have a great deal of technical know-how. We would like to combine this with our international experience and research results in the experience of light.”

Is Flanders a good place for lighting research? Katelijn Quartier: “Flanders is excellently positioned for this thanks to the huge number of lighting equipment manufacturers. Retailers are interested in this research too. We are seeing that businesses are open to the idea, that there is quite a lot of interest.”


027 — 038

PORTFOLIO


RESTAURANT DELL’ANNO KORTRIJK Ontwerp Design Bart Lens

LAMBRECHTS SHOWROOM HASSELT Ontwerp Design Steven Brouns (Zoink)

VERZEKERINGSKANTOOR MADESCO ROESELARE Ontwerp Design Gerd Couckhuyt

KAAITHEATER-CAFÉ BRUSSEL Ontwerp Design Dirk Meylaerts

Oude Dekenij Sint Maartenskerkhof 8 8500 Kortrijk

G. Verwilghensingel 36 3500 Hasselt

Zuidstraat 56 Roeselare

Sainctelettesquare 20 1000 Brussel

Claudio en Gaelle van Dell’Anno in Kortrijk zijn door het succes van het tv-programma Mijn Restaurant niet meer uit de media weg te slaan. Productiehuis Kanakna benaderde Design Vlaanderen met het idee om de inrichting van één restaurant te laten verzorgen door een ontwerper, als een extra prijs. Via de wekelijkse nieuwsbrief van Design Vlaanderen aan de professionele sector werd een oproep gedaan naar ontwerpers. Verschillende portfolio’s werden voorgelegd aan de winnaars, die uiteindelijk kozen voor Bart Lens. Bij dit project moest alles razendsnel gebeuren en bepaalde keuzes voor de inrichting waren gekoppeld aan sponsors. Toch slaagde Bart erin om een stijlvolle inrichting te realiseren die duidelijk zijn stempel draagt.

Het is intussen al van 2005 geleden dat Steven Brouns de Henry van de Velde Prijs voor Jong Talent won. Maar hij zit zeker niet stil: zijn realisaties omvatten de zetel uit het decor van De 7de dag, zitmeubelen voor Hotel Corbie, het hoofdkwartier van Carglass enz. Recent werkte hij aan de inrichting van het nieuwe gebouw van Lambrechts in Hasselt, een architecturaal project van Holistic Architects. Het is de grootste showroom voor sanitair in de Benelux en is qua interieur helemaal niet te vergelijken met andere showrooms.

Gerd Couckhuyt oogstte vooral veel lof met de inrichting van discotheek Zuri in Knokke. Zijn meest recente realisatie is een verzekeringskantoor in Roeselare, waar hij onder meer de receptie (met een opmerkelijke balie), de kantoren en de vergaderzaal verzorgde. Het is een hedendaagse inrichting voor een zaak die reeds 4 generaties bestaat; vandaar de verlichte fotobalk. Voor de inrichting werd vooral geput uit de eigen Mooncollectie. Twee tafels die speciaal ontworpen werden voor dit project, zullen trouwens binnenkort door Moon op de markt gebracht worden. Voor de verlichting koos Gerd voor Modular, met o.a. de door hem ontworpen Izar.

Op 22 april opende het nieuwe café van het Kaaitheater zijn deuren. Pas in januari kregen Dirk Meylaerts en Tom Mares de opdracht voor de inrichting hiervan. Dat is een korte tijd, vooral omdat alles nog in eigen atelier gerealiseerd moest worden. De ruimte is volledig ontkleed en lijkt wel een kantine, maar hierdoor komen tafels en stoelen ook beter tot hun recht. De kleurrijke lineaire accenten refereren naar een testbeeld zoals dit vroeger op televisie te zien was. De berkenstammen zijn dragers van kapstokken.

Thanks to the success of the TV programme, Mijn Restaurant (My Restaurant), the media has been all over Claudio and Gaelle of Restaurant Dell’Anno. Production company Kanakna approached Design Vlaanderen with the idea of having a designer design the interior of one of the restaurants, as an extra prize. A call for portfolios was published in Design Vlaanderen’s weekly newsletter to the professional sector. The winners reviewed various portfolios, finally choosing Bart Lens. The emphasis was on speed for this project and certain design choices were determined by the programme’s sponsors. And yet, Bart succeeded in clearly leaving his mark with this stylish design.

Steven Brouns was the winner of the Henry van de Velde Prize for Young Talent in 2005. Since then, he has been quite the busy bee: his projects include the sofa used on the set of current affairs programme, De Zevende Dag, seats and sofas for Hotel Corbie, the headquarters of Carglass, etc. Most recently, he worked on the design of the new building for Lambrechts in Hasselt, an architecture project by Holistic Architects. This is the biggest showroom for sanitary equipment in the Low Countries and its interior is a far cry from the traditional bathroom showroom.

Gerd Couckhuyt made a name for himself with the design of Zuri Discotheque in Knokke. His most recent project is the office of an insurance company in Roeselare, where he was in charge of designing the reception (with a striking desk), the various office spaces and the meeting room. This fourthgeneration business consciously opted in favour of a contemporary design, hence the lit up photo beam. He mainly drew on his own Moon collection for the design. Moon will soon market two tables that were specifically created for this project. Gerd worked with Modular for the lighting, which features, among others, the Izar, which he designed.

The new Kaaitheater café was officially opened on 22 April. Dirk Meylaerts and Tom Mares were commissioned to create the interior design as late as January. That is a very short time frame, especially because everything had to be created in their own workshop. The space has been completely stripped and resembles a canteen, but as a result, the tables and chairs stand out more. The linear colourful accents refer to the TV test card of the olden days. The birch trunks are used as supports for coat hangers.


KAPSALON ELLE-LUI MOL Ontwerp Design Leo Aerts

BIBLIOTHEEK WATERMAAL-BOSVOORDE Ontwerp Design Xavier Lust

SUSHI-RESTAURANT KO’UZI ANTWERPEN Ontwerp Design Roel Vandebeek

SCHOENWINKEL HATSHOE BRUSSEL Ontwerp Design Danny Venlet

Logen 33 2440 Geel

rue des 3 Tilleuls 32 1170 Brussel

Sint-Jorispoort 22 2000 Antwerpen

A. Dansaertstraat 89 1000 Brussel

Leo Aerts (Alinea) staat garant voor een sobere en efficiënte vormgeving, gekoppeld aan flexibiliteit en originaliteit. Als interieurarchitect gebruikt hij zowel eigen ontwerpen als meubelen van gekende bedrijven en bevriende ontwerpers. De inrichting van dit kapsalon en wellness-centrum is daarvan een bewijs. Let op de strakke tafel met uitklapbare spiegels en vooral de wand met bijna over de volledige lengte de Colore, een lichtberging uit gelakt MDF en een gelakte glazen rug, zwevend opgehangen aan de muur.

De jongste jaren beperkt Xavier Lust zich bijna uitsluitend tot opdrachten als meubelontwerper. We moeten dan ook teruggaan naar 2006 voor de afronding van dit bibliotheekproject in Watermaal-Bosvoorde, dat reeds aanving in 2001. De zwarte boekenrekken contrasteren sterk met de rode tafels en alles is bewust strak gehouden. De verlichting op de leestafels doet evenwel denken aan kranen in een havenlandschap.

Onder de naam Beek (un) limited ontwerpt Roel Vandebeek eveneens architectuur en interieurprojecten. Zo realiseerde hij reeds een veertigtal showrooms voor het bedrijf Profel (ramen en deuren). Nu verbouwt hij een voormalig drankendepot tot zijn eigen kantoorruimte. Ko’uzi, een Sushi-bar in Antwerpen, is een kleiner project dat dateert van 2007. Het interieur koppelt een hedendaagse inrichting aan Japanse elementen.

In recent years, Xavier Lust has almost exclusively limited himself to furniture design commissions. He did however complete this library project – commenced in 2001 - in Watermaal-Bosvoorde in 2006. The black book cases strike a bold contrast with the red tables; the whole library is a perfect example of consciously pared down design. The lighting on the reading tables is reminiscent of the cranes in a port.

Roel Vandebeek also realises architecture and interior design projects under the name Beek (un) limited. He has already designed forty showrooms for Profel (a company specializing in windows and doors). At present, he is converting a former drinks depot into his own office space. Ko’uzi, an Antwerp sushi bar, is a smaller project, which he completed in 2007. The interior combines contemporary design with Japanese elements.

Om veel interieurs van Danny Venlet te zien, moet men eigenlijk naar Australië reizen. In samenwerking met Dirk Meylaerts realiseerde hij evenwel in 2003 de kleine schoenwinkel Hatshoe in de Brusselse Dansaertstraat. Enkel de wand en de vitrine worden gebruikt om schoenen te tonen van Dries Van Noten, Nathalie Verlinden, Véronique Branquinho enz. Door de legplanken over de volledige wand te laten doorlopen en het licht van achteraan te laten komen, lijkt de winkel heel wat groter dan de eigenlijke oppervlakte van 10m2.

Leo Aerts (Alinea) prefers simple and efficient design, combined with flexibility and originality. As an interior architect, he uses his own design as well as furniture by well-known design companies and friends of his, who are also designers. The design of this hair dressing salon and wellness centre is a perfect example of this approach. Check out the clean, pared-down table with foldable mirrors. Another interesting feature is the Colore, a floating suspended sideboard with integrated light source, made of lacquered MDF and a shiny glass back, which runs along the entire length of the wall.

If you are interested in seeing more of Danny Venlet’s work, you will have to travel to Australia. The designer did however realize the design for the tiny shoe shop, Hatshoe, in the Dansaertstraat in Brussels in 2003, in collaboration with Dirk Meylaerts. Only the wall and the window display are used to show shoes by Belgian designers such as Dries Van Noten, Nathalie Verlinden, Véronique Branquinho, etc. The shop looks considerably larger than its effective 10-m² surface area because the shelving runs along the entire wall and the light comes from the back of the shop.


RESTAURANT DELL’ANNO KORTRIJK


LAMBRECHTS SHOWROOM HASSELT


VERZEKERINGSKANTOOR MADESCO ROESELARE


KAAITHEATER-CAFÉ BRUSSEL


KAPSALON ELLE-LUI MOL


BIBLIOTHEEK WATERMAAL-BOSVOORDE


SUSHI-RESTAURANT KO’UZI ANTWERPEN


SCHOENWINKEL HATSHOE BRUSSEL


KOEN VAN DAMME ARCHITECTURAL PHOTOGRAPHY WWW.KOENVANDAMME.BE


ENCLAVES VAN ZINTUIGLIJK GENOT: DESIGNHOTELS Enclaves of sensual pleasure: design hotels Het heeft er alle schijn van dat design over de mensheid is neergedaald. Ook in de hotelsector gaat het begrip gretig over de tong sinds de Franse ontwerper Philippe Starck en de Amerikaanse ondernemer Ian Schrager eind jaren tachtig het nieuwe logeren lanceerden in het Royalton Hotel in New York. Succes volgde snel en designhotels winnen almaar aan populariteit. Meer dan ooit zijn deze enclaves van zintuiglijk genot en momentane kicks geliefd bij het publiek. Maar in wat verschilt een designhotel nu precies van een doorsnee hotel? Geen gemakkelijke vraag, zo bleek op een onlangs gehouden debat in het Brusselse designhotel The Dominican. HET FENOMEEN De reis- en hotelwereld worden thans beheerst door cultuur, consumptie, een mix van het globale en het lokale en een toegenomen zorg voor het milieu. Sociologen als John Urry spreken in dit verband over het ‘einde van het toerisme’. Mensen zijn voortdurend toeristen, of ze nu reizen of de stortvloed aan beelden ondergaan die elke dag over hen wordt uitgestort. “De pret heeft de wereld veroverd”, meent ook Tracy Metz in haar boek Pret! Leisure en landschap. Vrije tijd is meer dan de tijd die je zelf naar keuze kunt besteden, het is uitgegroeid tot een alomtegenwoordige cultuur van fun met een reusachtige

THE DOMINICAN

039 — 045 PHILIP WILLAERT

economische betekenis. De manier waarop we onze vrije tijd besteden, is minstens even bepalend voor onze sociale identiteit als ons werk of onze bezittingen. Er is een explosieve groei van bedrijven die deze quality time voor ons willen invullen. In een bikkelharde concurrentiestrijd moeten de leisure-aanbieders alles uit de kast halen om de consument voor zich te winnen. Onze honger naar belevenissen leidt ertoe dat de plekken waar we onze vrije tijd doorbrengen, steeds multifunctioneler worden. Functies die vroeger gescheiden waren, vloeien nu in elkaar over. Zo zijn stadions veelzijdige leisure centers, vervlochten met tal van andere functies die net zo vaak níet als wél met sport te maken hebben. In het funshoppen worden winkelen, horeca en attracties gecombineerd tot een totaalvorm van recreatie. Hotels kunnen in deze belevingseconomie niet achterblijven. HET DEBAT Hotel The Dominican (Carlton-groep) in hartje Brussel was een tijdje geleden het uitgelezen decor voor een debat rond het thema Designhotels: a trend or a treat? Moderator was designrecensent Dieter Van Den Storm, geflankeerd door designers Fabiaan Van Severen, Danny Venlet, Bart Lens en journaliste Marie Pok. Zij gingen op zoek naar de aard en het wezen van het fenomeen designhotel, een fenomeen dat past in het tijds-


V.L.N.R.: FABIAAN VAN SEVEREN, DANNY VENLET, BART LENS, MARIE POK, DIETER VAN DEN STORM

Everything would seem to suggest that design has descended upon humankind. In the hotel sector it has been the talk of the town since the French designer Philippe Starck and the American entrepreneur Ian Schrager launched the concept of design hotels with the Royalton Hotel in New York. Success was not long in coming and design hotels are now seriously gaining in popularity. More than ever, these enclaves of sensual pleasure and momentary kicks are a favourite with the public. But how does a design hotel actually differ from an average hotel? Not an easy question to answer as we discovered during a debate held in the Brussels design hotel – The Dominican. The Phenomenon

beeld van integrale imagineering van fysieke en symbolische omgevingen, zoals de Nederlandse hoogleraar Hans Mommaas het uitdrukt: “Alles lijkt langzamerhand opgenomen in het overkoepelende (cultuur-)toeristische en recreatieve universum van de esthetische verbeelding en het zintuiglijke genot.” GEVOEL VAN WINKELEN “Vormgeving weekt een gevoel los en gaat over beleving”, zei Venlet bij wijze van opener. Als ontwerper steekt hij die emotionele component niet onder stoelen of banken. Het liefst werkt hij projectmatig want dan heeft hij alles tot in het kleinste detail in de hand. In Sydney en in Antwerpen realiseerde hij winkelinrichtingen die een geweldig ‘gevoel van winkelen’ genereren. Architect en productontwikkelaar Bart Lens liet tijdens het debat een ander licht schijnen op het door hem gerealiseerde Dominican-project. Vooral vanuit architecturaal oogpunt gaf hij glans en vooral betekenis aan het designconcept van The Dominican. Hij herbouwde het pand waar de Franse schilder Jacques-Louis David ooit verbleef. De fundamenten gaan zelfs terug tot de 15de eeuw, toen de Dominicanen zich hier als stadsorde kwamen vestigen. Lens zag zich geconfronteerd met een vrij complex gegeven maar besloot het historische verhaal mee te nemen in zijn concept. De context beperkte de mogelijkheden, maar gaf anderzijds

voldoende stof tot nadenken. Zijn aanpak is open en eerlijk. “We zijn afgestapt van het vals ‘façadisme’”, licht de architect uit Hasselt toe. “Doorheen het gebouw lopen ‘straten’ die aansluiten op het stedelijke weefsel.” Daarmee maakte de architect het gesloten karakter van de site ongedaan en trok hij het hotel open naar de omliggende straten en pleinen. Dat is trouwens geheel in de lijn van de filosofie van de Dominicanen, die zich sterk inlieten met het geestelijk welzijn in de steden. Het concept van het gloednieuwe designhotel The Dominican reikt dus verder dan de aanschaf van enkele designvoorwerpen. Lens introduceerde in de architecturale opzet een multifunctionele plek. Verder bracht hij groen, licht en transparantie binnen. Voor het predicaat ‘design’ vindt Bart Lens het belangrijk om uit te pakken met een totaalconcept. “Dat is hier jammer genoeg niet gebeurd”, betreurt Lens, wiens ingreep zich beperkte tot de architectuur. De aankleding gebeurde door het bureau FG Stijl uit Amsterdam.

The hotel and travel world are governed by culture these days, by consumption, a mix of global and local and an increased focus on the environment. Sociologists such as John Urry talk in this respect about the ‘end of tourism’. People are continual tourists, whether they are travelling or being subjected to the huge flow of images that immerse them every day. “Fun has conquered the world”, according to Tracy Metz in her book Pret! Leisure en landschap (Fun, Leisure and Landscape). Leisure time is now more than just the time that you can spend on yourself in the way you want. It has grown into an omnipresent culture of fun with a huge economic meaning. The way we spend our free time is as important for our social identity as our work or our possessions. There is an explosive growth in the number of companies that want to fill this quality time for us. In a rock-hard competitive environment companies offering leisure have to pull out all the stops in order to win over consumers. Our hunger for experiences means that the places where we spend our free time have to be increasingly multifunctional. Functions that were once individual now intermingle. Stadiums are now multi-faceted leisure centres, brimming over with a host of other functions that may or may not have anything to do with sports. In fun shopping, shops, hotel and catering and different attractions are combined to create a total form of recreation. Hotels cannot afford to lag behind in this Experience Economy.

The debate

NIEUWE LEVENSSTIJL Het debat Designhotels: a trend or a treat? gleed soms wat weg in een oceaan van verwarring over wat nu het vloeibare begrip ‘design’ eigenlijk inhoudt. Ook aan de hedendaagse sociologie van vertier en consumptie werd nauwelijks geraakt. Eén ding werd in elk geval duidelijk: bij designhotels gaat het niet

The Dominican Hotel (Carlton Group) in the heart of Brussels was the exquisite setting a while ago for a debate on the theme of Design hotels: a trend or a treat? The moderator was design critic Dieter Van Den Storm, flanked by designers Fabiaan Van Severen, Danny Venlet, Bart Lens and journalist Marie Pok. They went in search of the nature and fibre of the phenomenon of the de-


sign hotel, a phenomenon that fits into the portrait of an era of integral imagineering of physical and symbolic settings as the Dutch professor Hans Mommaas puts it: “Everything seems to be gradually turning into an overlapping (cultural)tourist and recreational universe of aesthetic fantasy and sensual pleasure.”

New lifestyle The debate Design hotels: a trend or a treat? got a little bit lost in an ocean of confusion about the current rather fluid concept of what ‘design’ actually means. The subject of the contemporary sociology of leisure and consumption was touched on only slightly. One thing was clear in any case: the subject of design hotels is not just about creating a trendy style. The hotel concept has to at least fit in with our new, flexible lifestyle

D-HOTEL — FOTO© BLACK & LIGHT PHOTOGRAPHY-RUDY BEYENS

“Design evokes a feeling and is about experience”, said Venlet for openers. As a designer he does not stick the emotional aspect under chairs or benches. He likes to work in a project-oriented way because then he has control of everything down to the smallest detail. In Sydney and in Antwerp he produced the interior design for stores that generated ‘a shopping feel’. Architect and product designer Bart Lens shed a different light during the debate on the Dominican project that he created. He converted the property where the French painter Jacques-Louis David once lived. The foundations even go back to the 15th century when the Dominicans came and set up as a municipal order. Lens saw himself confronted with a relatively complex assignment, but he decided to include the historic story in his concept. This context limited the possibilities, but also created lots of food for thought. His approach is open and honest. “We moved away from the false ‘façadism’”, explained the architect from Hasselt. “There are ‘streets’ running throughout the building that connect with the urban fibre.” This is how the architect eliminated the closed character of the site and opened up the hotel to the surrounding streets and squares. This in fact is also completely in line with the philosophy of the Dominicans, who were strongly involved with the spiritual welfare of the town. The concept of the brand-new design hotel – The Dominican – is about more therefore than just using a few design pieces. Lens introduced a multifunctional aspect to the architectural project. He brought green, light and transparency inside. For the predicate ‘design’ Bart Lens found it important to work with a total concept. “Sadly enough, this did not happen here”, bemoaned Lens, whose input was restricted to the architecture. The furnishings were entrusted to FG Stijl from Amsterdam.

THE DOMINICAN (LOBBY)

A shopping feel


042 D-HOTEL FOTO ©CLAUDE SMEKENS D-HOTEL — FOTO ©BLACK & LIGHT PHOTOGRAPHY-RUDY BEYENS

full of experiences and momentary kicks. Fabiaan Van Severen added his bit. Together with other ‘names’ such as Ozark Henry he created a suite in the Kortrijk d-hotel. This hotel is a successful marriage between historic heritage and futuristic design. The site of the d-hotel features a protected and authentic restored windmill (1841), as well as listed farmhouse. These historic elements are architecturally combined with minimalist new buildings in glass and concrete. The site in Marke differs considerably from The Dominican. At The Dominican architecture and space are designed to fit in with the existing building. In these circumstances, Bart Lens created a style that puts us in mind of the time of bows and arrows. In Brussels, no rigid, minimalist lines to be found anywhere. Skylights and ‘walk-throughs’ split The Dominican into areas that create experiences and good feelings. On the outside a classic approach has been used, characterised by a clear constructive logic. It is a style moreover that is in perfect harmony with the Théâtre de la Monnaie nearby. It is not the relatively pretty decor that makes The Dominican a design hotel, but the way it is structurally split up. The hotel brings the city indoors. Meeting, lounging, recharging batteries and tourism are concepts that blend in perfectly with The Dominican. These functions are not necessarily present just in design hotels. Hospitals, shopping malls, airports and other areas where there is a flow of people, also offer these facilities today.

Filled with sensations

D-HOTEL FOTO ©CLAUDE SMEKENS

Experiences are there for the taking in The Dominican. The layout of the rooms is far from the norm. You go down a step for instance to get to your bed in a room that is five metres high. Sleeping here is like a theatrical ritual. During the debate Venlet exclaimed: “The design hotel evokes images. Each corner that a designer creates is filled with sensations and yet every corner is different. A motel is not a hotel and this difference is something a designer reflects instinctively.” Marie Pok added: “People like to experience things that are unusual”. Venlet endorsed this: “Incorporating experiences in your design encourages people to reflect. I think it’s important that people think and that they push out their boundaries. A design hotel is not ‘brown’. That’s exactly what we are trying to get away from.” Pok finds that design hotels profile themselves by being ‘different’. She thinks of a label that these types of hotels can be recognised by. Fabiaan Van Severen tried to tone this down a bit: “We mustn’t elevate design hotels either. I rarely sleep in this kind of hotel, you can also feel fine in a chain hotel”, he said, just a little bit provocatively. Danny Venlet was not of the same opinion. He does not like ‘standard’ and he offered the la-


043

conic correction: “Just give me a friendly neighbourhood hotel.” But what actually sets design hotels apart from other hotels? Hesitant attempts were made to outline the concept. One thing everyone agreed on during the debate was that design hotels are not buildings created just to accommodate design furniture. “Design has to work”, said Van Severen. Bart Lens concluded: “Design hotels have to be innovative and bring additional experiences. Just take the Hotel Metropole in Brussels. It must have been very trendy and ‘design’ in its day. Today we see it as dead ordinary and classic, but at the time nothing like it had been seen before. The experiment was pushed to the limit and it pushed out borders. That’s what a design hotel today has to do. In the same way that Ikea brought design to the masses, design hotels have to circulate these new experiences. Design hotels have to be trendsetters. They have to push out borders and experiment. And that happens all too infrequently.”

Genius loci The brand-new Carbon Hotel in Genk fits in perfectly with the current lifestyle culture. Just like The Dominican this hotel is an outspoken urban project. The genius loci – the concept that the architect theoretician Christian Norberg-Schulz came up with at the end of the seventies – is given form and meaning in this project. Abandoned station areas are increasingly being adopted. To name a few: in Hasselt there is the CederPark-project, the station in Ostend is coming out with a gigantic awning by the Austrian top architect Dietmar Feichtinger and Brussels, Antwerp, Liège and Leuven are also putting all hands to the deck. Also the station in Genk wasn’t exactly a nice place to hang around. In order to turn the tide, Peter Cornoedus of the architect’s office PC & Partners focused on the relationship between people, the environment and architecture in his design, after having studied the site in depth. For the architect, the station is an archetypical site and he wanted his design hotel to be closely implicated in this. He designed the hotel building to face the station creating a positive response to a negative location. Architect Cornoedus aimed for a high-quality architecture that reinforced the spatial setting. This is clearly visible when you compare the building with the adjoining modal architecture of all sorts of project developers. The ridiculousness of this is such that words fail one. In this centre of mediocrity the Carbon Hotel stands head and shoulders above the rest.

enkel om het aanmeten van een hip stijltje. Het hotelconcept moet minstens aansluiten bij onze nieuwe, flexibele levensstijl vol ervaringen en momentane kicks. Fabiaan Van Severen sloot zich hierbij aan. Hij richtte samen met andere ‘namen’ als Ozark Henry een suite in in het Kortrijkse d-hotel. Dat hotel is een geslaagd huwelijk tussen historisch erfgoed en futuristisch design. Op de site van dhotel bevindt zich een beschermde en authentiek gerestaureerde windmolen (1841), alsook een beschermd hoeveplein. Deze historische elementen worden architecturaal verenigd met een strak nieuwbouwcomplex van glas en beton. De plek in Marke verschilt aanzienlijk van The Dominican. Bij The Dominican spelen architectuur en ruimtelijke indelingen in op het gegeven van het bestaande erfgoed. In deze omstandigheden mat Bart Lens zich zelfs een stijl aan die refereerde aan de tijd van spitsbogen en arcaden. In Brussel geen rigide, minimalistische lijnen te bespeuren. Inkijkjes en doorsteekjes delen The Dominican op in plekken van beleving en goed gevoel. Aan de buitenkant werd een classicistische toon gehandhaafd, gekenmerkt door een heldere constructieve logica. Het is een stijl die overigens mooi harmonieert met de nabijgelegen Muntschouwburg. Het is niet de vrij zoete aankleding die van The Dominican een designhotel maakt, maar wel de structurele opdeling. Het hotel laat de stad binnenstromen. Vergaderen, loungen, herbronnen en toerisme zijn begrippen die je perfect met The Dominican kan koppelen. Overigens spelen deze functies niet enkel bij designhotels. Ook ziekenhuizen, shopping malls, luchthavens en andere ‘stroomplaatsen’ bieden tegenwoordig dezelfde faciliteiten aan. VERVULD VAN SENSATIE De ervaringen liggen in The Dominican voor het rapen. De indeling van de kamers valt buiten het stramien. Zo deel je eerst een trap af om je bed te vinden in een vijf meter hoge kamer. Slapen heeft hier alles van een theatraal ritueel. Venlet liet tijdens het debat vallen: “Het designhotel roept beleving op. Elke plek die een ontwerper creëert is vervuld van sensatie, maar elke plek is ook anders. Een motel is nu eenmaal geen hotel en dat verschil geef je als ontwerper gevoelsmatig weer.” Marie Pok valt bij: “Mensen willen graag het buitengewone ervaren”. Venlet beaamt: “Het incorporeren van ervaringen in je ontwerpen zet aan tot reflectie. Ik vind het belangrijk dat mensen nadenken en dat ze grenzen verleggen. Een designhotel is niet ‘bruin’. Daar willen we net van af.”

Pok vindt dat designhotels zich profileren door hun ‘anders’ zijn. Ze denkt aan een label waaraan zulke hotels herkend en erkend kunnen worden. Fabiaan Van Severen nuanceerde op zijn beurt een en ander: “We moeten designhotels nu ook weer niet gaan verheffen. Ik slaap zelden in zulke hotels, je kan je ook goed voelen met een serieproduct”, klinkt het een tikkeltje provocerend uit zijn mond. Danny Venlet heeft het daar minder op begrepen. Hij houdt niet van ‘standaard’ en corrigeert laconiek: “Geef mij maar een gezellig buurthotel.” Maar wat onderscheidt het designhotel nu van andere hotels? Aarzelend worden pogingen ondernomen om het begrip af te lijnen. Over één ding is iedereen tijdens het debat het eens: het designhotel is geen gebouw waarin wat designmeubelen naar binnen worden gesmokkeld. “Design moet kloppen”, zegt Van Severen. Bart Lens concludeert: “Designhotels moeten vernieuwend zijn en een extra beleving met zich meebrengen. Neem nu het Hotel Metropole in Brussel. Dat moet in zijn tijd heel trendy en ‘design’ geweest zijn. Wij zien het nu als doodgewoon en klassiek, maar toen was het nooit eerder gezien. Het experiment was ten top gedreven en grensverleggend. Dat moet een designhotel vandaag ook zijn. Net zoals Ikea het design naar de massa bracht, zo moeten designhotels die nieuwe ervaringen uitdragen. Designhotels moeten trendsetters zijn. Ze moeten grenzen verleggen en experimenteren. En dat gebeurt nog te weinig.”

GENIUS LOCI Het gloednieuwe designhotel Carbon Hotel in Genk sluit mooi aan bij de tegenwoordige lifestylecultuur. Net zoals The Dominican is ook dit hotel een uitgesproken stedelijk project. De genius loci – het begrip waar architectuurtheoreticus Christian Norberg-Schulz eind jaren zeventig mee uitpakte – kreeg in dit project vorm en betekenis. Meer en meer worden verloederde stationsbuurten aangepakt. Om maar wat te noemen: in Hasselt loopt het CederParkproject, het station in Oostende pakt weldra uit met een gigantische luifel van de Oostenrijkse toparchitect Dietmar Feichtinger en ook Brussel, Antwerpen, Luik en Leuven zetten alle zeilen bij. Ook het Genkse station was allerminst een plek om happy van te worden. Om het tij te keren legde Peter Cornoedus van het architectenbureau PC & Partners in zijn ontwerp de relatie tussen mens, omgeving en architectuur, na uitvoerig de plek bestudeerd te hebben. Voor de architect is het station een archetypische plek en hij wilde zijn designhotel daar nauw bij betrekken. Hij richtte het hotelgebouw naar het station toe en gaf zo een


044

positief antwoord op een negatieve locatie. Architect Cornoedus streefde naar een kwaliteitsvolle architectuur die de ruimtelijke omgeving versterkte. Dat is duidelijk te merken als je het gebouw vergelijkt met de aangrenzende modale architectuur van allerlei projectontwikkelaars. De potsierlijkheid ervan valt met geen woorden te beschrijven. In deze poel van middelmatigheid steekt het Carbon Hotel er met kop en schouders bovenuit. AANDACHTIGE PASSANT Het mijnverleden vormt de rode draad in het concept. Hoe kan het ook anders met de talloze mijnsites op een steenworp? Cornoedus creëerde met zijn team een aansprekende hedendaagse architectuur. De architect heeft het over een ‘mannelijk’ gebouw en doelt daarmee op de hoekige rechtlijnigheid ervan. “Er zijn geen rondingen”, oppert de architect. Glas en met dunmortel gestapelde bakstenen bepalen de toon en het uitzicht van het stoere complex. Het hotel afficheert zich aan de buitenkant eigenlijk nauwelijks als hotel, laat staan als designhotel. De aandachtige passant merkt dat pas op als hij ziet hoe het hotel zich van de omgeving onderscheidt. GORDIJNRAMEN Het interieur is een aaneenschakeling van in elkaar vloeiende ruimtes. Door de hoge gordijnramen komt de stad naar binnen en treedt het hotel naar buiten. Van op straat kan men ongestoord in het restaurant kijken, ’s avonds is het gebouw verlicht en wisselen de kleuren naargelang het tijdstip. Het innovatieve van het hotel zit onder meer in de grensverleggende architecturale concepten. Gangen zijn niet langer sombere corridors maar open plekken van ontmoeting. Ze kijken uit op de bewegingen van de stad. Net zoals in Brussel verknoopt het hotel in Genk zich uitbundig met zijn omgeving, zowel visueel als fysisch.

KLEURSTELLING Ook hier weer geen klassieke kamerinrichting. De kamers wekken een loftgevoel op door de ruimtelijke aanpak van de architect. Zo kost het geen moeite om vanuit je bad naar de televisie te kijken. “Je zoekt in een hotelkamer wat je thuis niet hebt”, licht de architect toe. Aan sterrenquotering doet Cornoedus niet mee. “Die is normatief en bovendien regionaal. We wilden veeleer een bijzondere beleving creëren.” Er werd uitgegaan van een eenvoudige kleurstelling: wit, grijs en (koolstof-)zwart, met een knipoog naar het mijnverleden. Meer uitgesproken kleuraccenten vind je bijvoorbeeld op het plafond van het restaurant en de wijnbar, waarop een puzzel van Marokkaanse cementtegels het oog amuseert. Het Carbon Hotel biedt nu eenmaal sensaties voor alle zintuigen. “Je komt terecht in een nieuwe wereld van goed gevoel, schoonheid, gezondheid en fitheid”, zo leert de folder. Daar is niks meer aan toe te voegen.

CARBON HOTEL

ONTWERPERS VAN EIGEN BODEM Ontwerpers van eigen bodem worden in het Carbon met trots getoond; het behangpapier is van Arte, de verlichting van Kreon. De keramiek van Piet Stockmans, het meubilair van Indera en de barokke poef Le Couchon passen hier goed bij elkaar en zorgen voor een mix van originaliteit, luxe en design. De personeelsuniformen zijn van de hand van Stijn Helsen. Internationale namen als Ingo Maurer, Bose, Yaoke en Velum ondersteunden eveneens de unieke sfeer. Stijl vind je er in overvloed en daarbij is de architect en zijn team niet over één nacht ijs gegaan. Alle 60 Carbon Style kamers kijken uit op de exclusieve daktuin, een heuse groene oase met

groot terras, deels overdekt met een nomadische tentvorm. Op de bovenverdieping van het hotel is Carbon Sense gevestigd, voor wie zichzelf wil trakteren op een uitgebreide relaxatie en verzorging. Wie dan nog niet genoeg heeft, kan nog Carbon Taste – restaurant met wijnbar – uitproberen alvorens tussen de veren te duiken.

Attentive passers-by The mining history forms the leitmotif throughout the concept. How could one do otherwise with the innumerable mining sites just a stone’s throw away? With his team Cornoedus created an attractive piece of contemporary architecture. The architect talks about a ‘male’ building and by this he is referring to the square straightness of it. “There are no round edges”, advanced the architect. Glass and bricks held together with thin mortar set the tone and the look of the stalwart complex. From the outside the hotel barely looks like a hotel, let alone a design hotel. Attentive passers-by will only notice this when they see how the hotel stands out from its surroundings.

Curtain windows The interior is a series of rooms that flow into each other. The high curtain windows bring the city inside and the hotel steps outside. From the street people can look easily into the restaurant and in the evening the building is lit up and the colours change depending on the time. The innovative aspect of the hotel is among others in the pioneering architectural concepts. Corridors are no longer dark and gloomy but open meeting areas. They look out over activities taking place in


the town. In the same way as in Brussels the hotel in Genk stands out lavishly from its surroundings both visually as well as physically.

Home-grown architects

CARBON HOTEL

Home-grown designers are showcased in the Carbon with pride: the wallpaper is by Arte, the lighting by Kreon. The ceramics by Piet Stockmans, the furniture by Indera and the baroque pouff Le Couchon all fit together harmoniously and create a mix of originality, luxury and design. The staff uniforms are created by Stijn Helsen. International names such as Ingo Maurer, Bose, Yaoke and Velum also added their support to the unique atmosphere. There is an abundance of style and the architect and his team invested considerable time getting it right. All 60 Carbon Style rooms look out over the exclusive roof garden, a giant green oasis with a big terrace, partly covered over with a nomadic tent. Carbon Sense is located on the top floor of the hotel for those who are looking for full-blown relaxation and treatments. And for those who still haven’t had enough, there is Carbon Taste – restaurant with wine bar – where they can sample the offerings before jumping between the sheets.

Here again the rooms are not designed classically. The architect’s approach to the space has conjured up the feel of a loft. You can lounge in your bath and look at the TV without any problem. “When you go to a hotel you want to find things you do not have at home,” explained the architect. Getting stars is not something that Cornoedus is bothered about. “It is prescriptive and also regional. We wanted to create a very special experience.” They based themselves on a simple colour design: white, grey and (carbon) black with a nod at the mining history. More pronounced colours can be seen for instance in the ceiling of the restaurant and the wine bar, where a jigsaw puzzle of Moroccan cement tiles amuse the eye. The Carbon Hotel offers a host of sensations for all the senses. “You find yourself in a new world of good feelings, beauty, health and fitness,” according to the folder. What more can we add?

CARBON HOTEL

Colours


046 — 048 MEIKE JANSSENS FRANK STEYAERT SCHEEPSWRAK — FOTO ©YVES VAN POUCKE

HET TERUGGEVONDEN VERHAAL: FRANK STEYAERT IN HET CAERMERSKLOOSTER The recovered story: Frank Steyaert in the Caermers Convent


047

The first impressions of this site are impressive. The different rooms of the Caermers Convent show the works to their full advantage and contribute to the atmosphere in the work. The pieces shown in the low gallery are horizontal; in the other rooms the works are taller and more monumental. The ceramic sculptures of Frank Steyaert are entangled in a dialogue with the architecture. The works evolve as the day goes by and the accents are constantly changing so that visitors are continually having their senses aroused in some way. The different textures of the works make them very tactile. Rough and glazed surfaces interchange, but are channelled to create visual suspense. Frank Steyaert works in minute details creating a brittle surface by baking the pieces several times over. Colours are carefully selected and fit in with the surroundings. The patina is baked and sometimes protected with enamel. The use of colour is of primary importance and he starts with lighter shades ending up with black. To achieve this Frank Steyaert uses different types of clay and glazes, sometimes also adding paint and glass. This results in subtle shifts as the fluid ranges of colours filter and flirt as the light falls on them. The main focus in this exhibition falls on De scheepswrakken (The Shipwrecks), a recurrent theme in his works. In the older works one has the tendency to look inside. The interiors of the boats are revealed and the decay of the wooden structure is emphasised. There are also more recent works on show that shed light on the meaning of his earlier works. His works have gradually evolved to what we would describe as abstract, three-dimensional paintings. Audiences are able to project their imagination onto these works of art more than with other ceramic pieces. They are also aided in this by his poetic titles. In this series there are many references to sailing and the contrasts he creates in texture play an even more important role than in his other works. One of the recent pieces is called Het teruggevonden verhaal (The Recovered Story): a map on which an archaeological site is presented in relief. The remains of a ship are revealed layer by layer. The work is associated with the recovered wall paintings in the Caermers Convent. The layered aspect of the wall paintings is not yet clearly visible, traces from the different eras all have their own story to tell. Frank Steyaert lives on the Dender and takes his inspiration from these surroundings. The boat for him is a metaphor for the road travelled, and this is particularly pertinent in stranded shipwrecks, battered by time. With their slow decay, each vessel tells its ‘personal’ story. Just like people the boats seem to be free, but they are in fact bound to rivers, canals and locks. Ceramics

De eerste indruk van de locatie is indrukwekkend. De verschillende ruimtes van het Caermersklooster laten de werken tot hun recht komen en dragen bij tot de sfeer van het werk. In de lage gang staat horizontaal werk, in de andere ruimtes wordt meer in de hoogte en monumentaler gewerkt. De keramische beelden van Frank Steyaert zijn verstrengeld in een dialoog met de architectuur. De werken evolueren ook mee met het tijdstip van de dag en krijgen almaar wisselende accenten, waardoor de bezoeker voortdurend andere prikkels krijgt. De verschillende texturen van de werken maken dat ze een grote tactiliteit hebben. Ruwe en geglazuurde oppervlakken wisselen elkaar af, maar worden gekanaliseerd om een visuele spanning te creëren. Frank Steyaert creëert minutieus een korstig oppervlak door meerdere keren te bakken. Kleuren worden zorgvuldig geselecteerd en afgestemd op de locatie. Het patina is ingebakken en soms met email beschermd. Kleurgebruik is van elementair belang en hij start met de lichtere tinten om te eindigen met zwart. Frank Steyaert maakt hiervoor gebruik van diverse kleisoorten en glazuren, soms ook verf en glas. Subtiele overgangen zijn het resultaat, de fluïde kleurschakering filtert en flirt met de lichtinval. In deze tentoonstelling wordt voornamelijk gefocust op De scheepswrakken, een steeds terugkerend thema in zijn oeuvre. Bij de oudere werken heb je de neiging om naar binnen te kijken. De binnenruimte van de boten wordt dan onthuld en de aftakeling van de houten structuur wordt benadrukt. Er worden ook recentere werken getoond, die een licht werpen op de betekenis van zijn vroegere werken. Zijn oeuvre evolueerde stilaan naar wat we abstracte, driedimensionale schilderijen zouden kunnen noemen. Meer dan met andere keramiek kan de toeschouwer zijn verbeelding projecteren op de kunstwerken. De kijker wordt hierin bijgestaan door een poëtische titel. In deze reeks zijn er voldoende verwijzingen naar de scheepvaart en het spel van de textuurcontrasten neemt een nog grotere plaats in dan in zijn andere werken. Een van de recente werken heet Het teruggevonden verhaal: een plattegrond waarop in reliëf een archeologische site te zien is. De overblijfselen van een schip werden laag per laag blootgelegd. Het werk staat in verbinding met de teruggevonden muurschilderingen in het Caermersklooster. De gelaagdheid van de muurschildering is nog duidelijk te zien, sporen uit verschillende periodes hebben elk hun eigen verhaal.


048

FRANK STEYAERT SCHEEPSWRAK

is a fragile medium and extremely well suited for representing the transient nature of the ships that are not quite sunk. We see cracks that are created by an accelerated drying process. By making the cracks darker, the grooves seem to be even deeper. It is a conscious way of retaining the traces of life. The beauty is paradoxical here, because it is linked to decline. Vaulted church structures are another source of inspiration for Steyaert’s work. There are parallels of course between the ribbed structure of a boat and that of trusses, but the same visual motifs also appear in nature. We just have to look at the veins in a leaf or the wings of a bird. In a side chapel of the Caermers Convent, the shipwrecks are shown upright reminding us of gothic arches. In all the works, man is an absent presence, that is felt merely in the remains of his human activity. The work moves between empathic humanity and detached abstraction. The works of Frank Steyaert are beautifully presented in the exhibition Het teruggevonden verhaal (The Recovered Story). There is a constant interplay between the location and the ceramic works. It is not difficult for Steyaert to gain the full attention from visitors throughout his recovered story.

Frank Steyaert leeft aan de Dender en laat zich inspireren door die omgeving. Bij hem is de boot een metafoor voor de afgelegde weg, meer nog wanneer het gaat om gestrande wrakken, gehavend door de tijd. Elk vaartuig vertelt door zijn langzame aftakeling zijn ‘persoonlijke’ verhaal. Net zoals de mens lijkt de boot vrij, terwijl ze gebonden is aan rivieren, kanalen en sluizen. Keramiek is een broos medium en uitermate geschikt om de vergankelijkheid van het net niet gezonken schip weer te geven. Er zijn barsten te zien, verkregen door een versneld droogproces. Door de barsten donkerder te maken, lijken de kloven nog dieper. Het is een doelbewust bewaren van de sporen van het leven. De schoonheid is er paradoxaal, want verbonden met het verval. Kerkelijke gewelfconstructies zijn een andere inspiratiebron in het werk van Steyaert. Er zijn uiteraard parallellen tussen de geribde constructie van een boot en die van een dakgebinte, maar hetzelfde visuele motief vinden we ook terug in de natuur. Kijken we maar naar de nerven van een blad of de vleugels van een vogel. In een zijkapel van het Caermersklooster worden de scheepswrakken verticaal tentoongesteld, waardoor ze doen herinneren aan gotische spitsbogen. In al het werk is de mens een afwezige aanwezigheid, enkel te voelen door de overblijfselen van zijn menselijke activiteit. Het werk begeeft

zich tussen empathische menselijkheid en afstandelijke abstractie. Het oeuvre van Frank Steyaert komt in de tentoonstelling Het teruggevonden verhaal goed tot zijn recht. De locatie en de werken staan in onderlinge wisselwerking. Het kost Steyaert dan ook weinig moeite om de toeschouwer mee te slepen in zijn verhaal. Het teruggevonden verhaal, nog tot 14 juni te bezoeken in het Provinciaal Centrum voor Kunst en Cultuur Caermersklooster, Vrouwebroederstraat 6 in Gent. De toegang is gratis. Gelijktijdig loopt de fototentoonstelling Roest op het Ijzeren Gordijn van Wouter Rawoens.

Het teruggevonden verhaal (The Recovered Story), on show until 14 June in the Caermers Convent Provincial Centre for Art and Culture, Vrouwebroederstraat 6 in Gent. Entrance is free. The photo exhibition Roest op het Ijzeren Gordijn (Rust on the Iron Curtain) by Wouter Rawoens is on at the same time.


JORIS LAARMAN BONE ARMCHAIR — FOTO ©STUDIO LAARMAN

049 — 054 LUT PIL

SUPERSTORIES: DUIZEND EN EEN VERHALEN... A thousand and one stories SuperStories, de tweede triënnale voor beeldende kunst, mode en design in Hasselt, is een tentoonstelling met duizend en een verhalen. Waar de eerste triënnale Super! over cross-overs ging, kiest de Nederlandse curator Koos Flinterman nu voor het verhalende, voor werk waarin associaties en metaforen betekenissen oproepen voorbij het functionele. Super! werd in deze tweede editie dan ook vanzelfsprekend SuperStories, ook al is de superlatief in de titel dan minder van toepassing op het soort verhalen dat de triënnale brengt. SuperStories is geen sensationele tentoonstelling. De verhalen mogen ook eenvoudig zijn of discreet verteld worden. Dat neemt niet weg dat het geheel een boeiende tentoonstelling vormt. Het thema is in zijn vaagheid misschien niet zo’n sterk concept, maar laat net daardoor veel ruimte aan de ontwerpen zelf. Het verhalende is in 2009 geen nieuw gegeven voor design, en nog minder voor kunst en mode. Koos Flinterman weet dat ook, maar vindt het verhalende wel opvallend aanwezig in het designgebeuren van vandaag. Een belangrijke opening hiervoor werd in de 01

jaren ’90 gecreëerd door het conceptuele design. In hun essay voor de catalogus van de triënnale verwijzen Guus Beumer en Louise Schouwenberg naar deze periode: “De eersten die inhoudelijk en visueel de ‘natuurlijke’ grenzen van het designvak tartten, waren Nederlandse ontwerpers die in het begin van de jaren 1990 onder de vlag van Droog Design het zogenaamde conceptueel design lanceerden. Ontwerpen van het eerste uur, zoals Jurgen Beys coconmeubels en zijn tot bank getransformeerde boomstronk, Tejo Remy’s flessenlamp en voddenstoel, Gijs Bakkers gebreide theepot, Rody Graumans’ kroonluchter van 85 lampen, de vroege tafels en stoelen van Richard Hutten en de Knotted Chair van Marcel Wanders refereerden wel aan functionaliteit, maar vertelden toch hoofdzakelijk een tot de verbeelding sprekend verhaal.”01 Koos Flinterman wil dit verhalende brengen zonder dit te moeten situeren in een context van crossover. “De cross-over is geen a priori meer. Beeldende kunst, design en mode hebben nu eenmaal hun eigen laboratorium met eigen formules. Ze vertellen een eigen verhaal binnen een eigen context.”02 Het opnieuw bena-

Guus Beumer en Louise Schouwenberg, “Ambacht is luxe, en meer...”, in SuperStories. 2de triënnale voor beeldende kunst, mode en design (SuperStories. 2nd expressive art, fashion and design triennial), Oostkamp: Stichting Kunstboek, 2009, p.27. 02 Koos Flinterman, “Inleiding”, in SuperStories. 2de triënnale voor beeldende kunst, mode en design (SuperStories. 2nd expressive art, fashion and design triennial), Oostkamp: Stichting Kunstboek, 2009, p.14.


WILLIAM COBBING UNTITLED

drukken van de verschillen tussen de disciplines is een standpunt dat met recht verdedigd kan worden. Koos Flinterman presenteert kunst, mode en design in de triënnale ook als afzonderlijke trajecten. In de beschikbare tentoonstellingsruimten wordt er telkens gefocust op een bepaalde discipline. In het Modemuseum is dat mode, in het cultuurcentrum en Nationaal Jenevermuseum beeldende kunst en in Z33 design. Toch lijkt veel van wat in Z33 te zien is een vorm van cross-over in zich te dragen, wat niet verwonderlijk is, omdat het verhalende juist de natuurlijke grenzen van design openbreekt. Een tweede rode draad in SuperStories is de aandacht voor het ambachtelijke, al kan dat ambachtelijke ook industrieel vertaald zijn. Koos Flinterman spreekt over een vorm van ‘concentratie’ wanneer de kunstenaar of ontwerper het belang inziet van fysieke aanwezigheid en visualisatie. Dit komt mooi tot uiting in wat als een inleiding of samenvatting van de tentoonstelling gezien kan worden: het Kosmopolitische Kippenproject van Koen Vanmechelen in het CIAP. Koen Vanmechelen is reeds vanaf 2000 intensief bezig met een kweekproject waarin kippen van over heel de wereld onderling worden gekruist. Van de Mechelse Bresse, die gevormd is door een Mechelse Koekoek en een Poulet de Bresse, tot steeds nieuwe generaties die uit de genenvermenging ontstaan. Het is een SuperStory over

de ontwikkeling van wat Koen Vanmechelen een ‘superbastaard’ noemt, een ‘door genenvermenging ijzersterke kosmopolitische kip’. Het project, dat voor hem een metafoor is voor het belang van multiculturaliteit, kent een luik waarin hij samenwerkt met wetenschappers. Het Kosmopolitische Kippenproject is echter meer dan een genetisch experiment. Ook de visuele output is een essentieel onderdeel. Foto’s van de verschillende generaties kippen en installaties waarin glazen eieren worden uitgebroed als in een laboratorium van de toekomst, maken duidelijk dat Koen Vanmechelen zich eveneens concentreert op een fysieke dimensie in zijn project. Vanmechelen werkt met glas en combineert daarbij technieken uit verschillende culturen en van verschillende meesters (dus ook hier weer geen ‘raszuiverheid’). Hij bevestigt daarmee wat Guus Beumer en Louise Schouwenberg in hun essay de verhalende kracht van ambachtelijke technieken noemen, ambachtelijke technieken “die, los van iedere toegevoegde betekenis van de ontwerpen, in zichzelf al een weelde aan betekenissen en verwijzingen in zich dragen.” De glazen kippen wijzen op een virtueel kruisen, op een toekomst die misschien volledig artificieel maar alleszins genetisch gelaagd zal zijn. Ook Nick Ervinck werkt zowel digitaal als ambachtelijk, met reële materialen. Gefascineerd door science fiction en architec-

SuperStories, the second art, fashion and design triennial in Hasselt, is an exhibition of a thousand and one stories. Whereas the first triennial Super! was all about crossovers, Dutch curator Koos Flinterman has now gone for narrative works in which associations and metaphors evoke meanings beyond the functional. In this second edition it was self-evident that Super! would become SuperStories, though the superlative in the title does not really apply to the types of story the triennial brings. SuperStories is not a sensationalist exhibition. The stories might be simple or discreetly told. This does not mean to say that the exhibition as a whole is less fascinating. This vagueness may have weakened the theme’s concept but, precisely because of this, it leaves the stage open to the designs themselves. The narrative is nothing new to design in 2009, nor is it new to art or fashion. Koos Flinterman is aware of this but believes that the narrative is very much present in today’s design scene. Conceptual design opened the way for this in the 1990s. In their essay for the triennial catalogue Guus Beumer and Louise Schouwenberg make reference to this period: “The first people to go beyond the design profession’s ‘natural’ boundaries, both intrinsically and visually, were the Dutch designers who launched so-called conceptual design in the early 1990s under the Droog Design flag. The early designs such as Jurgen Beys’ cocoon furniture and his tree trunk transformed into a bench, Tejo Remy’s bottle lamp and rag chair, Gijs Bakkers’ knitted teapot, Rody Graumans’ 85-bulb chandelier, the early tables and chairs by Richard Hutten and the Knotted Chair by Marcel Wanders may have been steeped in functional references but, more than anything, they told a story which appeals to the imagination.”01 Koos Flinterman seeks to investigate this narrative without situating it in a crossover context. “The crossover is no longer a given. Expressive art, design and fashion now have their own laboratory and their own formulas. They tell their own story in their own context.”02 Emphasising once again the differences between disciplines is, quite rightly, a defensible point of view. In the triennial Koos Flinterman presents art, fashion and design as separate pathways. Each of the exhibition areas focuses on a particular discipline. In the fashion Museum this is fashion, in the cultural centre and National Gin Museum it is expressive art, and in Z33 it is design. Yet it seems that much of the work on view in Z33 contains an element of crossover, which is hardly surprising given that the narrative is what breaks open the natural boundaries of design. The second recurring theme in SuperStories is attention to craftsmanship, although this craftsmanship may have an industrial interpreta-


NICK ERVINCK GNI T BG 2006 — FOTO ©TOM DE VISSCHER KRIJN DE KONING WORK FOR SERGE LEBORGNE GALLERY, PARIS

tion. Koos Flinterman speaks of a sort of “concentration” when the artist or designer understands the importance of physical presence and visualisation. This is nicely expressed in what might be considered a summary of or introduction to the exhibition: Koen Vanmechelen’s Cosmopolitan Chicken Project in the CIAP. Since 2000 Koen Vanmechelen has been working intensively on a project in which chickens are being crossbred around the world. There are crossbreeds ranging from the Mechelen Bresse, created by crossing a Mechelen Koekoek with a Poulet de Bresse, to new generations created through the process of gene mixing. And this is a SuperStory about the development of what Koen Vanmechelen calls a ‘super bastard’, a ‘cast iron cosmopolitan chicken created by gene mixing’. The project, which he sees as a metaphor for the importance of multiculturalism, contains an element in which he works with scientists. However, the Cosmopolitan Chicken Project is more than a genetic experiment. The visual output is also an essential component. Photographs of the various generations of chickens, and installations in which glass eggs are incubated as though in a laboratory of the future, make it clear that in his project Koen Vanmechelen is also concentrating on a physical dimension. Vanmechelen uses glass and in so doing combines techniques borrowed from several cultures and several masters (so again, no “pure breeding” here). With this he confirms what Guus Beumer and Louise Schouwenberg call in their essay the narrative power of traditional techniques; traditional techniques “which, independently of any meaning ascribed by the designs, have in themselves a wealth of meanings and references.” The glass chickens refer to a virtual crossbreed, to a future which might be completely artificial but will, in any case, be genetically stratified. Nick Ervinck also works digitally and traditionally, using real materials. Fascinated by science fiction and architecture, he builds imaginary worlds which exist in digital and physical form. “My digital prints offer a glimpse of a digital world or, equally, an alternative reality. These glimpses reveal the possibilities opened up by my research in which sculptural elements constantly place themselves in new compositions and meanings.”03 The surreal worlds are translated into hand-made sculptures in which materials are tested for their ability or inability to form real or virtual images. “The more I worked in the virtual world the bigger my urge to place this virtual world back in reality and experience it physically. And the urge to make these images as perfect and clean as possible in reality, in the way they were designed virtually. Going in search of the near inhuman, the divine, an object which is almost not of our world, something extra terrestrial.”


052

tuur bouwt hij ingebeelde werelden die in digitale en fysieke vorm bestaan. “Mijn digitale prints bieden een doorkijk naar een digitale wereld, maar evenzeer naar een andere realiteit. Deze doorkijken tonen mogelijkheden uit mijn onderzoek waarin sculpturale elementen zich in steeds nieuwe composities en betekenissen plaatsen.”03 De surreële werelden krijgen vertalingen in sculpturen die met de hand worden gemaakt en waarin materialen worden uitgetest in hun mogelijkheden en beperkingen om zowel reële als virtuele beelden te vormen. “Hoe meer ik in de virtuele wereld bezig was, hoe meer de drang kwam om deze virtuele wereld opnieuw in de realiteit te plaatsen en fysiek te ervaren. Maar ook de drang om deze beelden in de realiteit zo perfect en clean mogelijk te maken, zoals ze virtueel ontworpen zijn. Op zoek gaan naar dat bijna onmenselijke, goddelijke, een object dat bijna niet van onze wereld is, iets buitenaards.” De fysieke aanwezigheid van een werk is heel expliciet wanneer het gaat om een opdracht die specifiek voor een bepaalde ruimte is gemaakt, zoals bij enkele installaties in Z33. Reeds bij het binnenkomen van het gebouw valt de ingreep van Krijn De Koning op. Blauw geverfde balken op schaal van de architectuur creëren in de inkomhal een labyrintische dynamiek die verder loopt op de wanden. Het vlak- en lijnenspel zet de ruimte visueel in beweging. De installatie verstoort de vertrouwde ervaring om daarna de bestaande architectuur met een vernieuwde aandacht te bekijken. Tegelijkertijd lijkt de ingreep er volledig thuis te horen. Op maat van het gebouw én van de bezoeker nodigt de constructie uit om zelf een parcours te bepalen: lopend langs een verticale balk die de normale doorgang blokkeert, zittend op een horizontale balk laag bij de vloer of het oplopende ritme volgend dat naar de bovenverdieping leidt. Ook de installatie van Germaine Kruip in de grote bovenzaal is op een bevreemdende manier volledig geïntegreerd in de ruimte. Onverwacht lijkt het glazen plafond overschaduwd te worden door een voorbijglijdende wolk die de zaal geleidelijk verduistert. Wat eerst een lage, gesloten ruimte is, verandert in een landschappelijke onbestemdheid, in een herinnering aan een wolkenhemel. “Als beeld krijgt het vorm dankzij het geheugen van de kijker. Niet voor een verklaring, evenmin voor een illustratie, maar als een verhaal. Een bewolkte hemel,

maar niet hier.”04 Deze verhalende associaties worden ook opgeroepen door designobjecten die niet speciaal voor de ruimte van Z33 zijn ontworpen. De strakke houten meubels van Bram Boo zijn functionele tafels, stoelen en kasten, maar tegelijkertijd eigenzinnige karakters in een theatraal verhaal. Bovendien zijn sommige van de tentoongestelde meubels, zoals Paparazzi, nog echte fictie: de bureaustoel met de vele bakjes, zoals een jas van de paparazzo vol zakken om fototoestellen en prullaria in op te bergen, is in zijn huidige vorm niet comfortabel en vraagt nog aanpassing om er een bruikbaar zitmeubel van te maken. Maar de verhalende impuls is belangrijk vanaf de eerste ontwerpschets, en dit blijft zo, ook bij nieuwe ontwerpen. Voor de tentoonstelling Prophets & Penitents in de Sant’Ambrogio in Milaan ontwerpt Bram Boo een stoel waar de vele bakjes aan de bovenkant van de rug worden bevestigd. Ze vormen een soort aureool en verwijzen op een bijna barokke (maar ook wel kubistische) wijze naar de figuur van Sant’Ambrogio, wiens portretten zoals dat van Francisco de Zurbaran belangrijkheid oproepen door de heilige af te beelden met breed uitstaande mantel en hoge mijter. Ook SuperStories heeft een thema dat alle kanten uit kan. “Alles is een verhaal”, aldus Koos Flinterman, “dus ook het verhaal van vader en zoon”. Kleurrijk en monumentaal wordt dit verteld met de schilderijen van vader Bram Bogaert aan de wand en de meubels van zoon Bram Boo. Bij Dan Van Severen en Maarten Van Severen is deze dubbelopstelling door de aard van het werk meer ingetogen. “Alles is een verhaal” maakt van SuperStories een verhalenbundel met steeds wisselende inhoud. Nu eens gaat het om het ontstaansproces van een stoel, zoals de Bone Chair van Joris Laarman; de stoel lijkt organisch gegroeid zoals de takken van een boom of de beenderen van een lichaam, maar werd voor zijn structuur volledig berekend met software afkomstig uit de auto-industrie. Dan weer zijn het meubels die zijn samengesteld uit recuperatiemateriaal, zoals het ensemble dat Martino Gamper heeft opgebouwd uit toegeëigende meubels van Gio Ponti. Gekende verhalen worden afgewisseld met minder gekende. Soms zijn het ook bizarre taferelen, zoals Mind over Matter (MOM) van Sylvie Zijlmans. Gaat het om een hybride lamp die de geest verlicht, of krijgen onheilspellende

03 Nick Ervinck geciteerd door (quoted by) Hilde Van Canneyt, “Gesprekken met kunstenaars. Nick Ervinck”, in Kunstletter, 8, maart (March) 2009. 04 Mxine Kopsa, “Geest is synoniem met beeld”, in SuperStories. 2de triënnale voor beeldende kunst, mode en design (SuperStories. 2nd expressive art, fashion and design triennial), Oostkamp: Stichting Kunstboek, 2009, p. 137.

The physical presence of a work is extremely explicit when that work is commissioned for a specific space, as is the case with a few of the installations in Z33. You notice the intervention of Krijn De Koning as soon as you enter the building. Beams painted blue on the same scale as the architecture create a labyrinthine dynamic in the entrance hall which carries through to the walls. The interplay of lines and surfaces visually accentuates the space: the construction echoes certain rhythms of the building and contradicts others. The installation interferes with dependable experience to make us look again at the existing architecture with renewed attention. At the same time the intervention appears to be completely at home. The construction invites you to describe a route on the scale of the building and on that of the visitor: along a vertical beam which blocks the normal passage, sitting on a horizontal beam down low by the floor, or following the accelerating rhythm which leads to the top floor. The installation by Germaine Kruip in the large area upstairs is also fully incorporated in the space in a strange way. It seems that the glass ceiling is unexpectedly overshadowed by a passing cloud which gradually darkens the room. What seems at first to be a low, enclosed area changes into a scenic vagueness reminiscent of a cloudy sky. “It takes shape as an image via the memory of the beholder. Not as an explanation, nor as an illustration, but as a story. A cloudy sky, but not here.”04 These narrative associations are also thrown up by design objects which were not designed especially for Z33. The austere wooden furniture by Bram Boo includes functional tables, chairs and cabinets, but at the same time reveals defiant characters in a theatrical story. And some of the furniture items on display, such as Paparazzi, are still pure fiction: the office chair with its many compartments, like the coat of a paparazzo full of pockets to hold cameras and all kinds of other stuff, is not comfortable in its present form and is in need of more work to make it into a proper seat. But the narrative impulse is an important factor right from the first design sketch, and it remains so, even for new designs. For the Prophets & Penitents exhibition in the Sant’Ambrogio in Milan, Bram Boo designed a chair to which was attached, at the top of the back, a series of compartments. They form a sort of halo and make reference in an almost baroque (or even Cubist) way to the character of Sant’Ambrogio, whose portraits, such as that of Francisco de Zurbaran, command importance by picturing the saints in flared cloaks with tall mitres. SuperStories also has a theme which leaves plenty of room for manoeuvre. “Everything is a story,” says Koos Flinterman, “even the story of father and son”. This is told in a colourful and monumental way by putting the paintings


LINDE HERMANS RODE SCHOENTJES — FOTO ©KRISTOF VRANCKEN CHRISTOPHE COPPENS FEED ME HAND BROCHE — FOTO ©MARC TOPS

of father Bram Bogaert on the walls around the furniture of son Bram Boo. In the case of Dan Van Severen and Maarten Van Severen this dual installation is more modest, in view of the nature of the work. “Everything is a story” makes SuperStories a compendium of stories with an everchanging content. Now it is all about the process of creating a chair, such as the bone chair by Joris Laarman, which appears to have grown organically like the branches of a tree or the bones of a body, but which relies completely for its structure on software from the automobile industry. Or then again, it is all about furniture made from recuperated materials, such as the ensemble put together by Martino Gamper from furniture appropriated from Gio Ponti. Well-known stories alternate with the lesser-known. At times they may be about bizarre scenes, such as Mind over Matter (MOM) by Sylvie Zijlmans. Is it about a hybrid lamp which lights up the soul? Or will sinister thoughts materialise into specific shapes and transform fiction into a hideous object? Less figurative but every bit as mysterious we have the furniture of Casimir, whose functional dimensions cry out to be discovered as volumes which appear to be closed. The Hasselt Fashion Museum is showing collections which are fascinating for their tactile qualities and unexpected use of materials. Fabric prints are made into dresses in intriguing ways and historical models or familiar accessories are reproduced in rebellious variations. Looking is touching with the eyes here, being overrun by a bizarre world. Strangely enough this is equally true of much of what the cultural centre has to offer. The architectural space in the cultural centre, with its broad corridors and bars lying in wait, already has something of a surreal, film-like quality. In this environment radiators have ears or legs (William Cobbling) and abstract sculptural forms, such as what looks like construction material, enter into a subtle dialogue with the architecture and the visitor (Stefaan Dheedene). Photography too, a medium with no tactile skin, succeeds surprisingly in bringing the physical aspect of our environment to the surface, at times in an extremely emphatic away, as we see in the photographic installation by Els Vanden Meersch. The walls of a small, enclosed room are full of photographs of empty, similar-looking rooms. The obsessive control exercised by this type of standardised architecture can literally be felt in this claustrophobic space, which imprisons the onlooker in hard, white light. The stories in SuperStories might be very rational at times, but they have an equal emotional impact.


054

BRAM BOO BACKSTAGE — FOTO ©INK

gedachten concrete vorm en wordt fictie een grimmig object? Minder figuratief maar even mysterieus zijn de meubels van Casimir die als ogenschijnlijk gesloten volumes willen ontdekt worden in hun functionele dimensies. Het Modemuseum van Hasselt toont collecties die fascineren door tactiele kwaliteiten en onverwachte materialen. Stofbedrukkingen worden op een intrigerende wijze in jurken verwerkt en historische modellen of vertrouwde accessoires in eigenzinnige variaties vertaald. Kijken wordt hier een aanraken met de blik die overspoeld wordt door een bizarre wereld. Vreemd genoeg is dit ook zo bij veel van wat in het cultuurcentrum is te zien. De architecturale ruimte van het cultuurcentrum, met de brede gangen en wachtende bars, heeft reeds surreële, filmische kwaliteiten. In deze omgeving krijgen radiatoren oren of benen (William Cobbing) en gaan abstracte

sculpturale vormen als quasi-bouwmateriaal een subtiele dialoog aan met de architectuur en de bezoeker (Stefaan Dheedene). Ook de fotografie, een medium zonder eigen tactiele huid, weet op een verrassende manier het fysieke van onze omgeving zichtbaar te maken, soms op heel beklemmende wijze, zoals bij de foto-installatie van Els Vanden Meersch. De wanden van een kleine, afgesloten ruimte hangen vol foto’s van leegstaande, op elkaar gelijkende ruimten. De obsessionele controle die door dit soort gestandaardiseerde architectuur wordt uitgeoefend, is letterlijk voelbaar in de claustrofobische ruimte waarin de toeschouwer in hard, wit licht gevangen staat. De verhalen van SuperStories zijn soms erg rationeel, maar hun emotionele impact is even groot.


055 — 064

ANITA NEVENS

MILAAN 2009 Milan 2009

ABC, VIA SAVONA 19A Tijdens de meubelbeurs in Milaan werd voor de derde maal ABC–Authentic Belgian Creativity gepresenteerd. Dit initiatief van Flanders Investment & Trade en Design Vlaanderen heeft intussen zijn vaste stek in de Via Savona verworven. De locatie is gesitueerd in de Zona Tortona, het kloppend hart van Milaan tijdens de grootste designhappening ter wereld. De architectuur van de stands was deze keer in handen van Bart Lens en Pieter Boons. Waar tijdens de vorige editie wel eens de kritiek werd geuit dat alles te dicht op elkaar stond, kregen de objecten nu alle ademruimte. Dat had deels ook te maken met het feit dat het aantal deelnemers beperkt werd. Eén spazio baadde in een sfeer van licht en de stands werden er afgescheiden door doorschijnende witte doeken. De andere ruimte bestond voor het grootste deel uit een zwarte tunnel waarin diverse ontwerpen geïntegreerd werden. Als lokker waren voor de ramen kleine presentaties te zien van de deelnemers: een tekstpaneel, een kader met foto en een voor ons land typische sanseveria. In de zwarte tunnel werden diverse producten samen gepresenteerd. Bij het binnenkomen stootte men onmiddellijk op een bad ontworpen door Ben Steensels. Al meer dan 60 jaar is Lambrechts een toonaangevende groothandel in water en warmte. Het

bedrijf telt 190 medewerkers en realiseert een omzet van 75 miljoen euro. Het productengamma werd de laatste jaren voortdurend uitgebreid. Ben, een medewerker van Bart Lens, ontwierp Ben in Bad als eindwerk. Bart bracht hem met Lambrechts in contact en dit resulteerde in een prototype dat in Milaan voor de eerste maal getoond werd. Verder in de tunnel viel de XXXLL(amp) op van Eden Design. Dit bedrijf is voor al actief in domotica en automatisering, maar doet ook de productie van de ontwerpen van Bart Lens. De XXXLamp was ook al te zien op Interieur Kortrijk. Nieuw was de i-light: een minimale vorm (een staafje met een bolletje eronder) maar met een optimaal lichteffect. Brems, Limburgs deurenspecialist, bracht de Secret Slide naar een internationaal publiek. Bij deze schuifdeur zijn geen rails meer merkbaar. De deur zelf kan geïntegreerd worden in om het even welk soort wand. Een laag verf of behang maakt haar helemaal onzichtbaar. Jaga was voor de tweede maal te gast op ABC. Ze leggen de jongste tijd vooral de nadruk op het cradle-to-cradle-principe. Zo hebben ze stoeltjes gemaakt van de houtafval van het bedrijf. De opvallendste nieuwkomer in de collectie is ongetwijfeld de Vertigo. Jeroen Theuns & Caroline Voet zijn de ontwerpers van de Ahrend Philink-tafel. Bij het grote publiek zijn ze vooral gekend als de


056

ABC, Via Savona 19A CHRISTOPHE COPPENS THE TABLE COLLECTION VOET THEUNS ARCHITECTEN VOOR AHREND PHILINK, PHILINK

JAGA VERTIGO

BEN STEENSELS VOOR LAMBRECHTS BEN IN BAD

BREMS SECRET SLIDE SFEERBEELD AUTHENTIC BELGIAN CREATIVITY

ABC-Authentic Belgian Creativity was presented for the third time at the fashion fair in Milan. Since then, this initiative by Flanders Investment & Trade and Design Flanders has acquired a permanent spot in the Via Savona. It is located in the Zona Tortona, the beating heart of Milan during the world’s biggest design event. This time the stand architecture was in the hands of Bart Lens and Pieter Boons. Whereas there was some criticism that the objects had been crammed too closely together in the last edition, they now have more room to breathe. Another reason for this was that the number of participants has become smaller. One spazio was bathed in an atmosphere of light and the stands were separated from each other by translucent white sheets. For the most part, the other area consisted of a black tunnel in which a number of objects were incorporated. Small presentations by the participants could be seen in front of the windows, as attractors: a text panel, a photo in a frame and a Sansevieria native to Italy. A number of products were presented together in the black tunnel. At the entrance, one immediately ran into a bath designed by Ben Steensels. Lambrechts has been a leading wholesaler in heating and water for more than 60 years. The company has 190 employees and a turnover of EUR 75 million. The product range has expanded unrelentingly in recent years. Ben, one of Bart Lens’s colleagues, designed Ben in Bad as his final project at college. Bart introduced him to Lambrechts and this resulted in a prototype, which was displayed for the first time in Milan. A little further down the tunnel, our attention turned to The XXXL-L(amp) by Eden Design. This company operates mainly in demotics and automation, but also produces designs by Bart Lens. The XXXLamp was also formerly on display at the Interieur Kortrijk. A new object was the i-light: minimalist in design (a rod with a little ball at the end), but with an optimal lighting effect. Brems, a door specialist from Limburg, introduced the Secret Slide to an international audience. There are no rails to be seen on this sliding door. The door itself can be built into any type of wall. It can be made completely invisible with a layer of paint or a sheet of wallpaper. Jaga was a guest at ABC for the second time. They have recently been emphasising their adoption of the cradle-to-cradle principle. They have been making chairs from the company’s wood waste. The most outstanding newcomer in the collection is without a doubt the Vertigo. The designers of the Ahrend Philink table are Jeroen Theuns & Caroline Voet. They are best known to the general public as the archi-


ROOS VAN DE VELDE VOOR SERAX TABLE ART — FOTO ©SERAX JAMES VAN VOSSEL OVERALL TL

MEI LEE/THALEN & THALEN MANDARINE-BOWL BART LENS VOOR EDEN DESIGN I-LIGHTS HUBERT VERSTRAETEN/TAMAWA WATCH — FOTO ©ERIC CHERPION

architecten van de jongste editie van Interieur. Ze zoeken projecten die aanleiding geven tot onderzoek naar ruimtelijkheid en dialoog. Aan de basis van het blad van de Philink-tafel ligt een wiskundige verhouding (phi), dat maakt dat er ontelbare configuraties tussen verschillende tafels mogelijk zijn: van een koppeling van twee tafels tot uitgebreide conferentie-opstellingen. Anita Nevens geeft al een aantal jaren les in Singapore. Haar project in Milaan draaide rond het thema Mobile Living. Het meubel dat ze presenteerde is dan ook heel compact en heeft tal van mogelijkheden. Tevens legt het een link naar de traditionele crafts en de westerse en Indonesische cultuur. De andere ruimte was voorbehouden voor kleinere objecten en juwelen. Het bedrijf Serax, dat al meermaals de handen in elkaar sloeg met gekende designers uit binnen- en buitenland, vond in Roos Van de Velde de geknipte partner. Voor haar is de natuur de rode draad in al haar creaties. Het porseleinen servies dat broos oogt maar sterk is, geeft aan hoe Roos Van de Velde de natuur ervaart. Tamawa, met Hubert Verstraeten als designer, nam reeds voor de 3de maal deel aan ABC. Nieuw was dat Hubert ook ontwerpen van anderen in de collectie opgenomen heeft. De resultaten van samenwerkingen met Nedda El-Asmar en Elric Petit waren voor de eerste maal te zien in Milaan.

Mei Lee is juweelontwerpster en runt sinds enkele jaren de O Gallery in Brussel. Sinds enige tijd werkt ze samen met Thalen & Thalen. Rob Thalen maakte 25 jaar lang bronzen sculpturen. In 2006 richtte hij samen met zijn zoon een bedrijf op voor zilverwerk. Hun samenwerking resulteert in monumentaal zilverwerk.. Christophe Coppens lanceerde vorig jaar zijn eerste collectie objecten voor in huis, gewijd aan The Table. Bedoeling is om vervolgens ook objecten voor andere kamers uit te brengen. De collectie bevat zowel glas- en kristalwerk, porselein als linnen. Het zijn klassieke, functionele objecten als vazen, borden en schalen, maar vormgegeven met een glimlach. Omdat tijdens deze editie minder deelnemers toegelaten werden tot ABC, hadden we jonge ontwerpers opgeroepen om zich kandidaat te stellen voor de Salone Satellite. James van Vossel werd geselecteerd en opgenomen in ABC. OVERALL-TL is een modulaire lamp die verouderde TL-armaturen in een nieuw kleedje steekt. De Kabas is een strandhandtas, met bergzak binnenin, die kan opgeblazen worden tot zitkrukje of hoofdkussen. Maar veel aandacht trokken vooral de Hoopsa en Zoo, een kinderzitje.


058

NATHALIE DEWEZ VOOR HABITAT, STELLA

MARINA BAUTIER FOLD

ALAIN GILLES VOOR QUI EST PAUL MY FIRST TRANSLATION

OP DE BEURS EN IN DE STAD Tijdens enkele speciale evenementen zoals Prophets & Penitents, georganiseerd door Damn° Magazine, en het Nederlandse Red Light District was ook heel wat werk van Vlaamse ontwerpers te zien. Op de beurs en in de stad waren nog heel wat Belgische premières, maar hier laten we liever de beelden spreken.

BENOIT DENEUFBOURG PIPELINE

WBDM, PIAZZA XXV APRILE 9 Onze Franstalige collega’s hadden naar visibiliteit het nadeel dat het plein vlak bij de Corso Como, waar zij exposeerden, veranderd was in een bouwwerf. Toch slaagden ze erin een schitterende presentatie af te leveren met niet minder dan 16 deelnemers.

DIANE STEVERLYNCK TIGHT

BIG-GAME, BLUR COLLECTION FOTO ©MICHEL BONVIN

SYLVAIN WILLENZ CANDY COLLECTION — SHELF FOTO ©JULIEN DE WILDE

ATELIER A1, VIA PONTACCIO 8-10 Met steun van Brussels Export stelden de 6 ontwerpers van Atelier A1 tentoon in de prachtige Brera-wijk, vlak naast de showroom van Moroso en tentoonstellingen van Gaetano Pesce en Ettore Sottsass. Niet alleen de locatie, maar vooral de nieuwe ontwerpen waren trokken de aandacht.


DAMIEN GERNAY (DUSTDELUXE) TEXTURED — FOTO ©DUSTDELUXE CHARLOTTE LANCELOT FORMAT 10/10

CHRISTIANE HOEGNER, CUSHIONED FOTO ©CHRISTIANE HOEGNER

tects of the most recent Interieur fair. They look for projects which allow for some investigation into three-dimensionality and dialogue. A mathematical relationship (phi) lies at the basis of the Philink table, allowing for countless configurations between the various tables: from a union of two tables to a full conference setup. Anita Nevens has been teaching in Singapore for several years. Her project in Milan was based on the theme of Mobile Living. The piece she presented is therefore very compact and offers a wide variety of possibilities. It also establishes the link with traditional crafts and Western and Indonesian cultures. The other area was set aside for smaller objects and jewellery. The company Serax, which has collaborated with well-known designers from home and abroad on several occasions, found the ideal partner in Roos Van de Velde. Nature is the underlying theme in all her creations. The very brittle looking but strong porcelain service shows how Roos Van de Velde experiences nature. Tamawa, with Hubert Verstraeten as its designer, has already taken part in ABC three times. What was new this time was that Hubert had included works in the collection by other designers. The results of collaborations with Nedda El-Asmar and Elric Petite were to be seen for the first time in Milan. Mei Lee is a jewellery designer and has been running the O Gallery in Brussels for several years. She has been working with Thalen & Thalen for some time now. Rob Thalen has been making bronze sculptures for 25 years. In 2006, he and his son set up a silversmithing company. Their collaboration has resulted in monumental silver works. Last year, Christophe Coppins launched his first collection of indoor objects for the home, dedicated to The Table. The aim is to then bring out objects for other rooms. The collection contains works in glass and crystal, porcelain and linen. These are classical, functional objects such as vases, plates and dishes, designed with a smile. Since fewer participants were admitted to ABC for this edition, we asked young designers to put themselves forward as candidates for the Salone Satellite. James van Vossel was selected and included in the ABC. OVERALL-TL is a modular lamp which revamps the old fluorescent tube fixtures. The Kasas is a handbag for the beach, with a storage pocket inside that can be inflated to become a seat or a headrest. But the Hoopsa and Zoo, a children’s seat, attracted a great deal of attention.

ATELIER BLINK, NANI FOTO ©ATELIER BLINK

059


060

FABIAAN VAN SEVEREN VOOR INDERA GRAND ECART & CROSSED LEGS

Atelier A1, Via Pontaccio 8 - 10 With support from Brussels Export, the six Atelier 1 designers exhibited their work in the magnificent Brera district, right next to the Moroso showroom and Gaetano Pesce and Ettore Sottsass exhibitions. The big attractor was not just the location, but the designs.

WBDM, Plazza XXV Aprile 9 When it comes to visibility, our Frenchspeaking colleagues suffered the disadvantage that the square near Corso Como, where they were exhibiting, had turned into a building site. Nonetheless, they did manage to give a fabulous presentation involving no fewer than 16 participants.

At the trade fair and in the city There was also quite a lot of work by Flemish designers to be seen at a few special events, such as Prophets & Penitents, organised by Damn° Magazine and the Dutch Red Light District. There were also lots of Belgian premiers at the trade fair and in the city, but we would rather let the pictures speak for themselves here. WIM SEGERS VOOR INDERA, BLEND VINCENT VAN DUYSEN VOOR TRIBU, NEUTRA-LOUNGER

DIRK WYNANTS VOOR EXTREMIS, KOSMOS


JEAN-FRANÇOIS D’OR VOOR TOSSB, DISK

LUC RAMAEL VOOR MARTINELLI LUCE, BEAM

ALAIN BERTEAU VOOR BUZZISPACE BUZZISTOOL

KRISTOF PYCKE VOOR KREON, ROKKO

BRAM BOO (RED LIGHT DISTRICT) SLEEPLESS — FOTO ©JASPER WILLEMEN

ALAIN MONNENS VOOR TOSSB, HAT

061


LACHAERT & DHANIS VOOR DROOG PADLOCK

NEDDA EL-ASMAR VOOR VANGE SECRETABLE

ARNE QUINZE VOOR QUINZE & MILAN FINGERS SHELVES


XAVIER LUST VOOR SKITSCH, BLOW UP

BIG-GAME VOOR MOUSTACHE BOLD CHAIR — FOTO © MILLO KELLER KARIM OSMANI VOOR VERDEN BY LINTELOO

MAARTEN DE CEULAER VOOR CASAMANIA BY FREZZA, PILE OF SUITCASES

MARTIN MARGIELA MAT, SATINÉ, BRILLANT (INSTALLATIE)


064

ALAIN GILLES VOOR BONALDO BIG TABLE

XAVIER LUST VOOR DRIADE SOURCE

GERD COUCKHUYT VOOR MODULAR NOZZLE


BEURZEN

KUNSTSUPERETTE 60 deelnemers, jong talent van 13/06/2009 tot 14/06/2009 deelnamekosten € 40 Plaats Sint-Baafsplein Info KunstSuperette, Rodelijvekensstraat 17, 9000 Gent kunstsuperette@gmail.com TECHTEXTIL, INTERNATIONAL TRADE FAIR FOR TECHNICAL TEXTILES AND NONWOVENS van 16/06/2009 tot 18/06/2009 Thema The Innovation Interchange Info Messe Frankfurt Exhibition GmbH, Ludwig-Erhard-Anlage 1, D-60327 Frankfurt am Main +49 69 75 75 69 48 www.messefrankfurt.com CODE09-COPENHAGEN DESIGN EVENT van 27/08/2009 tot 30/08/2009 Info Bella center, Center Boulevard, 2300 Copenhagen +45 32 52 88 11 www.bellacenter.de MAISON & OBJET van 05/09/2009 tot 09/09/2009 Info SAFI, 4, Passage Roux, F-75850 Paris Cedex 17 +33 1 44 29 02 18 www.maison-objet.com 100% DESIGN LONDON van 24/09/2009 tot 27/09/2009 Info 100% Design London, Gateway House-28 the Quadrant Richmond, UK-TW9 1DN Surrey +44 20 89 10 7193 www.100percentdesign.co.uk ORIGIN van 06/10/2009 tot 18/10/2009 2 periodes met wisselende deelnemers: 6-11/10 en 13-18/10 Info Crafts Council, 44a Pentonville Road, UK N1 9BY London Islington +44 20 72 78 77 00 www.craftscouncil.org.uk

LA FIRA DE SANTA TERESA 2009 (KERAMIEK) van 15/10/2009 tot 18/10/2009 inschrijven tot 03/07/2009 Max. 20 deelnemers. Stand: 9m2. Info Patronat Municipal de Serveis Culturals, La Rambla 24, 43700 El Vendrell +34 977 66 56 84 ceramica@elvendrell.net ARTDESIGNFELDKIRCH van 06/11/2009 tot 08/11/2009 ca. 90 exposanten Info ArtDesign Feldkirch, Schlossergasse 8, 6800 Feldkirch +43 55 22 73 46 73 413 www.artdesignfeldkirch.at COCOON 09 van 13/11/2009 tot 22/11/2009 Plaats Brussels Expo Info Artexis, St. Lambertusstraat 135, 1200 Brussel 02 740 10 20 www.artexis.com DESIGN@WORK van 06/12/2009 tot 10/12/2009 Info Stichting Interieur, Groeningestraat 37, 8500 Kortrijk 056 22 95 22 www.designatwork.be AMBIENTE van 12/02/2010 tot 16/02/2010 NEXT: NEW PLATFORM FOR YOUNG, CREATIVE SUPPLIERS WORKING IN NICHE MARKETS. 2 AREAS : LOFT (INTERIOR DESIGN) & CARAT (JEWELLERY) inschrijven tot 28/10/2009 deelnamekosten € 980, excl. BTW TALENTS FREE EXHIBITION SPACE FOR YOUNG DESIGNERS inschrijven tot 20/10/2009 Info Messe Frankfurt Exhibition GmbH, Ludwig-Erhard-Anlage 1, D-60327 Frankfurt am Main +49 69 75 75 69 48 www.messefrankfurt.com

WEDSTRIJDEN

ALGEMEEN

6 TH CHEONGJU CRAFT COMPETITION van 23/09/2009 tot 01/11/2009 inschrijven tot 22/06/2009 Thema Outside the Box. Max. 2 inzendingen/persoon. Info Cheongju City, 755 Sajik 1-dong, Heungdeok-gu, 361-828 Cheongju City www.okcj.org BEST-ED! EUROPEAN ENVIRONMENTAL DESIGN AWARD inschrijven tot 30/06/2009 Categorieën Sustainable building-Industrial design-Publishing-Graphic Design-Business. Ontwerpen gerealiseerd tussen 2003 en 2008. Info DIMAD-Madrid Designers’ Association, P° de la Chopera 14, 28045 Madrid en.best-ed.org/the_award SERAX DESIGN COMPETITION inschrijven tot 30/06/2009 2 categorieën: bloemenvaas of schaal (max. 40 x 30 cm) of solifleur (max: 100 x 20 x 20 cm). Mogelijke materialen: hout, glas, kunststof, terracotta, metaal. Info Serax, Neerveld 7, 2550 Kontich 03 458 05 82 www.serax.com GOOD DESIGN AWARD 2009 inschrijven tot 01/07/2009 deelnamekosten 300 US$ Info Chicago Athenaeum, 601 S. Prospect Avenue, IL 61036 Galena +1 81 57 77 44 44 www.chi-athenaeum.org DESIGN NATURE van 01/10/2009 tot 24/10/2009 inschrijven tot 15/12/2009 Hoofdtentoonstelling van de volgende Biennale internationale de design de Liège. Kandidaat-deelnemers kunnen een dossier inzenden. Info Liège Province Culture-Création & Promotion Artistiques, Rue des Croisiers 15, 4000 Liège 04 232 86 76 www.prov-liège.be/culture/

NIEUWS


PRIJZEN

IF PRODUCT DESIGN AWARD 2010 inschrijven tot 30/09/2009 deelnamekosten tot 15/8: € 115, tot 15/9: € 145, tot 30/9: € 205, excl. BTW Info IF-Industrie Forum Design e.V., Sandstrasse 33, D-80336 München +49 89 57 93 30 73 www.ifdesign.de

INDUSTRIËLE VORMGEVING

2009 TAIWAN INTERNATIONAL DESIGN COMPETITION inschrijven tot 10/06/2009 Thema Restore Info Taiwan Design Center, 3F, Bldg.G, 3-1 Park Street, 115 Nangang Taipei +886 2 26 55 81 99 tidc.boco.com.tw

JUWELEN & ZILVERSMEDEN

NIEUWS

21. DEUTSCHER NACHWUCHSWETTBEWERB FÜR EDELSTEIN- UND SCHMUCKGESTALTUNG IDAROBERSTEIN 2009 inschrijven tot 14/09/2009 Thema Lichtspiele. 40. DEUTSCHER SCHMUCKUND EDELSTEINPREIS IDAR OBERSTEIN 2009 inschrijven tot 14/09/2009 Thema Es lebe die Reflexion. Max. 4 inzendingen per deelnemer. Info Bundesverband der Edelsteinund Diamantindustrie, Mainzer Strasse 34, 55743 Idar-Oberstein +49 67 81 94 42 40 info@bv-edelsteine-diamanten.de

6. INTERNATIONALE KERAMIKBIENNALE van 09/10/2009 tot 29/11/2009 inschrijven tot 22/06/2009 Thema At the Moment. Enkel beeldend werk, max. 2 jaar oud. Info KulturZentrum Kapfenberg, Mürzgasse 3, 8605 Kapfenberg +43 38 62 22 50 11 241 www.keramik-biennalekapfenberg.at IX BIENAL DE CERAMICA DE MANISES 2009 van 12/11/2009 tot 17/01/2010 inschrijven tot 22/06/2009 Info Museu de Ceramica de Manises, C/Sagrario 22, 46940 Manises www.manises-bienal.com 2010 TAIWAN CERAMICS BIENNALE van 17/06/2010 tot 31/10/2010 inschrijven tot 30/07/2009 Voostel voor tentoonstellingen in 2 categorieën. Ca. 10-20 beelden insturen + concept expo Info Taipei County Yingge Ceramics Museum, 200 Wunhua Road, Yingge Jen, Taipei 239 www.ceramics.tpc.gov.tw III INTERNATIONAL CERAMICS BIENNALE OF MARRATXI inschrijven tot 11/12/2010 Info Marratxi Municipal Council Area de Cultura, C. Santa Barbara s/n, 07141 Sa Cabaneta - Marratxi +34 97 17 97 624 www.marratxi.es MEUBEL

TEXTIEL EN PAPIER

2010 FIBERARTS INTERNATIONAL inschrijven tot 21/08/2009 deelnamekosten: 35 US$ Info Fiberart International, P.O.Box 5478, PA 15206 Pittsburg +1 41 25 21 25 47 www.fiberartinternational.org HOLLAND PAPIER BIENNALE inschrijven tot 30/08/2009 Info Museum Rijswijk, Herenstraat 67, NL-2282 BR Rijswijk +31 70 39 03 617 www.hollandpapierbiennale.nl INTERNATIONALE EXHIBITION OF FELT ART: THE CLIMATE IS CHANGING van 07/05/2010 tot 07/07/2010 inschrijven tot 01/11/2009 deelnamekosten: bij selectie: € 75 Selectie voor tentoonstelling. Na Prato, tentoonstellingen in Groot-Brittannië en Duitsland Info Museo del Tessuto di Prato, Via Santa Chiara 24, 59100 Prato +390 574 61 15 03 www.po-net.it/tessuto CONCOURS TAPISSERIES MINIATURES 2009 inschrijven tot 15/11/2009 Max. afm: 15 x 15 x 15 cm. Minimum 3 ontwerpen/deelnemer. Recent werk, max. 3 jaar oud Info Domaine de la Lice, Rue Poulet 12, 1440 Braine le Chateau 02 366 93 12 www.wallonie-isoc.org/ domaine-de-la-lice.htm

KERAMIEK

V BIENNAL DE CREMAMICA EL VENDRELL 2009 inschrijven tot 19/06/2009 Nieuw, nog niet gepubliceerd werk. Selectie van max. 15 deelnemers. Info Patronat Municipal de Serveis Culturals, La Rambla 24, 43700 El Vendrell +34 977 66 56 84 www.elvendrell.net

9TH ANDREU WORLD INTERNATIONAL DESIGN COMPETITION SEPTEMBER 2009 inschrijven tot 14/09/2009 Wedstrijd voor het ontwerpen van tafel of stoel Info Andreu World, Urbanizacion Olimar, Chiva, Valencia +34 96 18 05 700 www.andreuworld.com

2009 VALCELLINA AWARD inschrijven tot 30/11/2009 deelnamekosten: € 20 Max. afm: 30 x 150 cm. Werk jonger dan 01/01/2008 Info Le Arte Tessili Association, Via Ciotti 1, 33086 Montereale/Valcellina +39 03 33 76 79 515 www.premiovaklcellina.org LACE EXHIBITION: JOANNA I THE MAD inschrijven tot 20/07/2009 Selectie voor kanttentoonstelling Info Museo y Centro Didactico del Encaje de Castilla e Léon, Carnicarias 6, 47100 Tordesillas www.museoencaje.com

Al worden de Red Dot Awards voor productontwerp pas op 29 juni uitgereikt, toch kunnen we al melden dat Dark 6 maal in de prijzen gevallen is, Leo Aerts twee maal (met de schaal Caldofreddo en de kastencollectie Curva) en Delta Light één keer, met Topix. Een volledige lijst laureaten vindt u in het volgende nummer. In het vorige nummer publiceerden wij een overzicht van de IF Awards voor productdesign. Met de Breezer, een parasol van ontwerper Davy Grosemans voor Sywawa, werd pas voor de tweede maal een Belgisch ontwerp met een IF Gold Award bekroond. In 2008 viel deze eer te beurt aan de Bryce-radiator van Vasco, ontworpen door Frederik Aerts. Ann Van Hoey heeft in Korea op de 5th World Ceramic Biennale brons gehaald in de categorie Ceramics as an expression. In Kroatië behaalde ze de Kerameikon Bronze Medal Award met het werk Growing: door middel van een op Japanse origami geïnspireerde vouwtechniek ontvouwt een bloemknop zich in drie stappen tot de grote kelk van een volwassen bloem. Hélène De Ridder en Annelies Slabbynck werden geselecteerd voor de tentoonstellingen International Exhibition of Mini-Textile Art (Oekraïne) en International Triennial for Miniature Textiles (Hongarije). Voor de IXe Triennale  Internationale des mini-textiles in Angers is Hélène tevens geselecteerd met Avec ou sans eau: een werk in batik op keukenrolpapier, nadien is het papier gesponnen met de hand. De Provinciale Prijs Vormgeving 2008 werd toegekend aan  ontwerpbureau Pars pro toto uit Gent voor de ontwerpen van een serie lederen computertassen voor Samsonite, een babytas/babyzitje voor Baby-Art en de ontwerpen voor de vormgeving van de behuizing van een spraakcomputer voor spraakgestoorde patiënten. Lut Laleman ontvangt de nominatiepremie voor een reeks schalen en vazen in porselein. De expositie van deze Prijs gaat door in het Caermersklooster in Gent van 17 juli tot en met 13 september.


Lut Laleman kreeg de Bayerischer Staatspreis für Gestaltung 2009 voor een set porseleinen schalen. Marieke Pauwels is laureate in de Westerwaldpreis 2009 in de categorie ‘sculptuur en installatie’. Op 29 augustus opent de tentoonstelling van deze wedstrijd in het Keramikmuseum Westerwald in Höhr-Grenzhausen, waarna het werk te zien is op andere locaties in Duitsland en daarbuiten. Op 4 juni werden de Plantin Moretusprijzen 2009 uitgereikt. In totaal werden 11 boekvormgevers bekroond, waaronder: Gert Dooreman, Jurgen Maelfeyt, Lodewijk Joye, Koen Bruyñeel, Hugo Puttaert, Johan Vandebosch en Leen Depooter. Leen Depooter mag voor De Post een postzegel ontwerpen die in 2011 zal worden uitgegeven. Meer info vindt u terug op www.plantinmoretusprijzen.be

CURSUSSEN, WORKSHOPS, LEZINGEN, COLLOQUIA

ALGEMEEN

GLAS

7 DE INTERIEUR DECORATIE CONGRES 15/06/2009 Deelnamekosten € 50 + € 30 per extra persoon, excl. BTW Thema See me-feel me-touch me. Winkelbeleving, klantenervaring & de 5 zintuigen. Locatie Handelsbeurs, Gent Info Textirama, Poortakkerstraat 90, 9051 Gent 09 24 38 450 www.textirama.be

XAVIER LENORMAND: BLOWN GLASS van 22/06/2009 tot 27/06/2009 Deelnamekosten € 590 PERRIN & PERRIN: FUSING van 04/07/2009 tot 05/07/2009 Deelnamekosten € 175 LUCIO BUBACCO: FLAMEWORKING van 06/07/2009 tot 11/07/2009 Deelnamekosten € 590 JANINE JACQUOT-PERRIN: FUSING/THERMOFORMING van 20/07/2009 tot 25/07/2009 Deelnamekosten € 590 BARBARA IDZOKOWSKA: DRAWING ON GLASS van 24/08/2009 tot 29/08/2009 Deelnamekosten € 590 EMMANUEL SZTUKA: GLASS BEADS van 07/09/2009 tot 11/09/2009 Deelnamekosten € 590 Info Musée-Atelier du Verre, 1, rue du Général de Gaulle - BP2, 59216 Sars-Poteries +33 327 61 61 44 museeduverre@cg59.fr

KOEN DEPREZ - MONIQUE VERHELST: MAAR EERST WAS ER HET WOORD 26/09/2009 Deelnamekosten € 35 DE STUDENTENHOMES VAN WILLY VAN DER MEEREN BEDREIGD 29/08/2009 Deelnamekosten € 9 Locatie VUB Kultuurkaffee Info KOREI vzw, Alverdries 1, 1653 Dworp 02 267 51 84 of 02 380 22 09 arletteclauwen@skynet.be

DESIGN WORKSHOPS AT BOISBUCHET van 28/06/2009 tot 12/09/2009 Deelnamekosten € 885-1650/ studenten: € 685-1350 Diverse workshops met o.a. Humberto & Fernando Campana, Maarten baas, Héctor Serrano, Max Lamb, Sam baron, Ricardo Salas, Paul Haigh etc. Info Vitra Design Museum, Charles-Eames-Strasse 1, D-79576 Weil am Rhein +49 76 21 70 23 585 www.design-museum.de 11 TH EUROPEAN CONFERENCE ON CREATIVITY AND INNOVATION van 10/28/2009 tot 10/30/2009 Thema Make it Happen. Geïnteresseerde sprekers kunnen een voorstel tot presentatie, workshop of best practice indienen. Locatie Square, Brussel Info Flanders District of Creativity, Vlamingenstraat 83, 3000 Leuven 016 24 88 24 www.flandersdc.be

INDUSTRIËLE VORMGEVING

NEW PRODUCTS IDEATION van 11/06/2009 tot 12/06/2009 Deelnamekosten € 1050, excl.BTW Info Verhaert Design & Development, Hogenakkerhoekstraat 21, 9150 Kruibeke 03 250 19 00 www.verhaert.com RE-THINKING… DESIGN van 17/06/2009 tot 18/06/2009 Locatie The Stanford Court, San francisco Info Design Management Institute +1 617 33 86 570 www.dmi.org FEMME METALLE MEETS MISTER DESIGN 25/06/2009 Locatie Monasterium, Gent. Vlaamse netwerkevent dat de metaalsector samen brengt met de creatieve sector. Info Clusta, Technologiepark 903, 9052 Zwijnaarde (Gent) 09 264 57 93 www.clusta.be

POSTGRADUAAT PACKAGING DESIGN van 01/10/2009 tot 31/01/2010 Deelnamekosten € 700, studenten: € 500. Korte en zeer gespecialiseerde opleiding voor professionele ontwerpers. 2 volle lesdagen/week + 1 dag zelfstudie. Info Hannelore Van den Abeele, Hogeschool WenK – St. Lucas, Zwartezustersstraat 34, 9000 Gent. 0477 34 68 75 www.sintlucas.wenk.be

JUWELEN & ZILVERSMEDEN

SUMMER WORKSHOP:IRIS BODEMER van 20/07/2009 tot 31/07/2009 Deelnamekosten 1450 € + 20% BTW Max. 12 deelnemers Info Alchimia, Via dell’Orto 35 R, I-50124 Firenze +39 55 22 32 18 www.alchimia.it

KALLIGRAFIE

KATHARINA PIEPER MASSIMO POLELLO van 08/07/2009 tot 11/07/2009 Deelnamekosten € 150 Locatie De Nobele Donk, Ekeren van 11/8/2009 tot 15/8/2009 Deelnamekosten € 460 Plaats abdij, Tongerlo Info Kalligrafia, Molenlaan 8, 2160 Wommelgem 03 354 55 44 www.kalligrafie.be KERAMIEK KERAMIEK SEMINAR: NIRDOSH PETRA VAN HEESBEEN-LUK VERSLUYS-MAGDALENA ODUNKO- BILL VAN GILDER van 20/03/2010 tot 21/03/2010 T.g.v. 100 jaar keramiekopleidingen in Gouda Info SBB Gouda, Graaf Florisweg 64, 2800 BD Gouda +31 182 39 63 88 www.sbbgouda.nl

NIEUWS


TEXTIEL EN PAPIER

TEXTIELWEEKEND van 02/10/2009 tot 04/10/2009 Lezingen, performances, workshops, exposities, symposium,… Info Audax Textielmuseum, Goirkestraat 96, NL-5046 GN Tilburg +31 13 42 22 41 www.textielweekend.nl 2009 ETN CONFERENCE van 21/07/2009 tot 24/07/2009 Deelnamekosten leden: € 135, nietleden: € 235 Thema Cultural Revival of Old Textile Centres. Locatie: Haslach & Linz (Oostenrijk). Programma van 2031/07 met workshops, excursies enz. Info European Textile Network, P.O. Box 5944, 30059 Hannover +49 511 81 70 06 www.etn-net.org

DESIGN VLAANDEREN NIEUWS

AGENDA

Van 12 juni tot 16 augustus loopt in de Design Vlaanderen Galerie de jaarlijkse tentoonstelling De Nieuwe Oogst, met werk van de pas erkende ontwerpers. Deelnemers aan deze editie zijn: Frederik Aerts (industriële vormgeving), Lotte De Mey, Sophie Heymans, Elisabeth Leenknegt, Nathalie Perneel, Lieve Vandycke (juweelontwerp en zilversmeden), Veerle Decapmaker (keramiek), Damien Gernay, Benoit Deneufbourg, Luc D’Hanis, Alain Gilles, Charlotte Lancelot (meubel- en interieurobjecten) en Anita Kars (textiel & accessoires). Op 10 september opent de tentoonstelling Visual Voltage, met Zweeds design rond het thema ‘energie’.

NIEUWS

De tentoonstelling Je Suis Dada verzamelt het werk van 32 ontwerpers en biedt een blik op de humoristische, verrassende en vaak surreële kant van de Vlaamse vormgeving. Deze expo werd in 2008 opgezet naar aanleiding van de evenementen rond Torino-World Design Capital en houdt -na bezoek aan de eigen galerie- nu halte op verschillende plaatsen in het buitenland. Van 10 september tot 11 oktober is de tentoonstelling te bezoeken in de Design Austria Galerie, en van 21 oktober tot 29 november in het Museum of Decorative Arts in Praag. Op 2 oktober 2009 vindt de volgende editie plaats van de workshops Design maakt het verschil. Gedurende een volledige dag zullen bedrijven uit verschillende sectoren zich met hun designer voorstellen en hun verhaal vertellen.

BELGIË ANTWERPEN ANTWERPEN

CYNTHIA JACOBS: VESPERTINE LAKE tot 27/06/2009 do-za 11-18 u. Beyond Fashion Pourbusstraat 7 03 237 85 41 www.beyondfashion.be DAISY BOMAN: BELONGING tot 13/06/2009 di-vr 9-18 u., za 14-18 u. Designcenter De Winkelhaak Lange Winkelhaakstraat 26 03 727 10 30 www.winkelhaak.be STEENRIJK: STUDENTEN EDELSMEDEN DKO KASKA EN IKA van 26/06/2009 tot 13/09/2009 ma-vr 10-17 u., za-zo 13-17 u. Galerie Insularte Verbindingsdok Westkaai 30 www.insularte.be PAPER FASHION tot 16/08/2009 Modemuseum Nationalestraat 28/1 03 470 27 70 www.momu.be COLUMBUS ACHTERNA tot 19/07/2009 Museum Plantin-Moretus Vrijdagmarkt 22 03 221 14 50 museum.antwerpen.be/ plantin_Moretus POL QUADENS: POL VOOR OVO EDITIONS tot 30/06/2009 di-za 10-18 u. Si Accomodi Frankrijklei 135 03 232 31 70 www.siaccomodi.be GARBAGE PIN PROJECT van 05/06/2009 tot 27/06/2009 do-za 14-18 u. Silke & The Gallery Steenhouwersvest 49 0474 78 01 37 www.silkefleischer.com

ELKE BOON: STITCHES AND IMAGES tot 21/06/2009 vr 16-20 u., za-zo 14-18 u. Stieglitz 19 Arthur Goemaerelei 19 0495 515 777 www.stieglitz.be XAVIER DE CLIPPELEIR: TRANSFORMING POLYHEDRAL SCULPTURES tot 19/06/2009 ma-vr 9-18 u. Universiteit Antwerpen Campus Groenenborger Groenenborgerlaan 171

DEURNE

VAN KEMPEN. VAN ZILVERSMID TOT FABRIKANT tot 21/06/2009 di-zo 10-17.30 u. Zilvermuseum Sterckshof Hooftvunderlei 160 03 360 52 52 www.zilvermuseum.be

MECHELEN

CITY VISIONS EUROPE: HERKOMST EN TOEKOMST VAN DE EUROPESE STAD tot 21/06/2009 Station Mechelen Koning Albertplein www.cityvisionseurope.eu

BRUSSELS GEWEST BRUSSEL

LES PRÉMICES DE LA BANDE DESSINÉE. OU LE SIÈCLE D’AVANT TINTIN van 05/06/2009 tot 03/10/2009 di-za 10 -17 u. Bibliotheca Wittockiana Bemelstraat 21 02 770 53 33 www.wittockiana.org PLANTIN-MORETUSPRIJS 2009 van 05/06/2009 tot 30/08/2009 di-zo 10-18 u., do 10-21 u. Bozar Ravensteinstraat 23 02 507 84 30 www.bozar.be


HUMAN VS NATURE: RUANGSAK ANUWATWIMON-UDOM UDOMSRIANAN tot 10/06/2009 di-za 14-19 u. GMT+ Elsensesteenweg 258 www.gmt7.org DRESS CODE, CES VÊTEMENTS QUI NOUS COLLENT À LA PEAU tot 25/07/2009 ma-za 11-17.30 u. ISELP Waterloolaan 31 02 504 80 70 www.iselp.be VEGETAL CITY, A VISION BY LUC SCHUITEN tot 30/08/2009 di-zo 10-17 u., 10-22 u. Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis Jubelpark 10 02 741 72 11 www.kmkg-mrah.be WERVELEND: HAUTE COUTURE VOOR TAFELS. INSTALLATIE VAN CARMEN HOYOS-HOY tot 21/06/2009 ma-vr 10-12.30 u./13.30-17 u. Museum voor het kostuum en de kant Violetstraat 12 02 213 44 50

LIMBURG HASSELT

BEST OF! PROVINCIALE ARCHITECTUURPRIJZEN IN PERSPECTIEF tot 28/06/2009 di-vr 10-17 u., za-zo 13-17 u. Cultuurcentrum Hasselt Kunstlaan 5 011 22 99 31 www.ccha.be IN HER SHOES tot 08/11/2009 di-vr 10-17 u., za-zo 13-17 u. Modemuseum Gasthuisstraat 11 011 23 96 21 www.hasselt.be

HEUSDEN-ZOLDER

VELO tot 14/06/2009 vr-zo 14-18 u. De Mijlpaal Brugstraat 45A 011 43 52 02 www.demijlpaal.com

LOMMEL

ANIMA MUNDI, DE VERBORGEN ALCHEMIE VAN GLAS tot 30/08/2009 di-zo 10-17 u. Glazen Huis. Vlaams Centrum voor Hedendaagse Glaskunst Dorp 14b 011 54 02 21 www.hetglazenhuis.be

OOST-VLAANDEREN GENT

ELSENE

DE TIJD VAN DE BOETIEK. VAN MARKTKRAAM TOT EBAY tot 18/10/2009 di-vr 12-18 u., za-zo 10.30-18 u. Fondation pour l’architecture Kluisstraat 55 02 642 24 62

LUCE DELHOVE: PALME SELVAGGE O NON tot 14/06/2009 wo-zo 14-19 u. Art Track Zuidstationstraat 8 09 225 39 49 www.arttrack.be

FRANK STEYAERT WOUTER RAWOENS tot 14/06/2009 di-zo 10-17 u. Caermersklooster Vrouwebroersstraat 6 09 269 29 10 www.caermersklooster.be SCHOONHOVEN SILVER AWARD YRJÖ KUKKAPURO van 04/07/2009 tot 13/09/2009 KERAMIEK VAN RAOUL DUFY van 04/07/2009 tot 11/10/2009 di-zo 10-18 u. Design museum Gent Jan Breydelstraat 5 09 267 99 99 design.museum.gent.be DE DOLLE JAREN VAN HET VARIÉTE-THEATER 1880-1940 tot 13/09/2009 Huis van Alijn Kraanlei 65 09 269 23 50 www.huisvanalijn.be

KLUISBERGEN

WILLY LANGMANS-DOROTHEA VAN DE WINKEL tot 13/07/2009 za-ma 14-19 u. Galerij Theaxus Ommegangstraat 3 055 38 60 53 www.galerij-theaxus.com

VLAAMS-BRABANT MEISE

PHET CHENG SUOR: GRAINES DE MÉMOIRE tot 18/10/2009 Nationale Plantentuin van België Nieuwelaan 38 02 454 87 54 www.plantentuinmeise.be

WEST-VLAANDEREN BRUGGE

INTIMACY INTIMACY: CHRISTINE VANOPPEN-JAN VANDER ELST OEYEN & WINTERS ENZ. tot 28/06/2009 dagelijks 15-18 u. Art-O-Nivo, Wollestraat 25 050 33 50 61 www.artonivo.be

DAMME

ERIC LAROYE-NEVIN ARIG-FRANCIS DUSEPULCHRE-THÉRÈSE LEBRUN- JEPHAN DE VILLIERS KLANKSCHALEN tot 14/06/2009 ma, vr 11-13/14-18 u., za-zo 11-18 u., do 14-18 u. Galerie Indigo Kerkstraat 15 050 37 03 31 www.indigoartgallery.be

KNOKKE-HEIST

INTERNATIONAAL CARTOONFESTIVAL 2009 van 28/06/2009 tot 27/09/2009 dagelijks 10-19 u. Lagunahall Krommedijk

KORTRIJK

SECRET GARDENS. VERBORGEN STADSGROEN tot 11/10/2009 di-zo 10-12/14-17 u. Broelmuseum Broelkaai 6 056 27 77 80 www.secretgardens-kortrijk.be

OTEGEM

JO VAN RIJCKEGHEM TINE DEWEERDT-GEERT DE KOCKERE tot 28/06/2009 wo-za 9-12/14-18.30 u., zo 10-12/14-18 u. De Egelantier Zwevegemstraat 83 056 77 63 96 www.egelantier.be

ZWEVEGEM

RINGVORMEN. CURATOR: TINE VINDEVOGEL van 13/06/2009 tot 28/06/2009 za-zo 14-18 u. Transfo Zwevegem P. Ferrardstraat 15-21

AGENDA

DE NIEUWE OOGST van 12/06/2009 tot 16/08/2009 di-vr 11-18 u., za-zo 13-17 u. Design Vlaanderen Galerie Kanselarijstraat 19 02 227 60 68 www.designvlaanderen.be


WALLONIË HORNU

CHARLES KAISIN: DESIGN IN MOTION van 20/06/2009 tot 27/09/2009 di-zo 10-18 u. Grand Hornu Images Rue Sainte-Louise 82 065 65 21 21 www.grand-hornu.be

TOURNAI

DIANE DIDIER: LIGHT MOTIF, UN MONDE DE TISSUS tot 28/06/2009 EAST SIDE STORIES tot 12/07/2009 di-zo 9.30-12.30 u./14-17.30 u. Centre de la Tapisserie 9, Place Reine Astrid 069 23 42 85 www.centre-tapisserie.org

DUITSLAND DÜSSELDORF

AGENDA

UFO. GRENZGÄNGE KUNST UND DESIGN tot 05/07/2009 ma-di 11-20 u., vr 11-24 u. NRW-Forum Kultur und Wirtschaft Ehrenhof 2 www.nrw-forum.de

IDAR OBERSTEIN

TRUIKE VERDEGAAL: ASSIGNMENTS tot 26/06/2009 Fachhochschule des landes Rheinland-Pfalz Vollmersbachstrasse 53 +49 678 16 41 18 PAUL DERREZ: COOL CREATOR tot 26/06/2009 DORIS BETZ: BALANCEAKT van 30/06/2009 tot 31/07/2009 di-vr 10-12 u./14-16 u. Villa Bengel www.io-leuchtet.idar-oberstein.de

MÜNCHEN

BLUE-WHITE, WHITE-BLUE: CARINE NEUTJENS E.A. van 18/06/2009 tot 01/08/2009 di-vr 10-18 u., za 10-13 u. Galerie Handwerk Max-Joseph-strasse 4 +49 89 59 55 84 www.hwk-muenchen.de/galerie PETER SKUBIC tot 26/06/2009 ma-vr 13-19 u., za 11-14 u. Galerie Spektru Theresienstrasse 46 +49 89 28 45 90 www.galerie-spektrum.de

HANAU

MARIANNE SCHLIWINSKI: SCHMUCK UND FOTOGRAFIE tot 26/06/2009 METALLKUNST 1900-1950: SAMMLUNG GIORGIO SILZER tot 05/07/2009 di-zo 11-17 u. Gesellschaft für Goldschmiedekunst Altstädter Markt 6 +49 61 81 25 65 56 www.gfg-hanau.de

HANNOVER

BLÜTENZAUBER THE MAGIC OF FLOWERS van 06/06/2009 tot 04/07/2009 Handwerkskammer Hannover Berliner Allee 17 +49 51 13 48 59 www.hwk-hannover.de

DEMOCRATIC DESIGN: IKEA tot 12/07/2009 za-wo 10-17 u., do-vr 10-20 u. Pinakothek der Moderne Barer Str. 40 +49 89 23 80 53 60 www.pinakothek.de

PFORZHEIM

GLANZSTÜCKE. SCHMUCK DER WIENER WERKSTÄTTE tot 05/07/2009 di-zo 10-17 u. Schmuckmuseum Pforzheim im Reuchlinhaus Jahnstrasse 42 +49 72 31 39 21 26 www.schmuckmuseumpforzheim.de

SCHWÄBISCH GMÜND

WELTPATENTE AUS SCHWÄBISCH GMÜND. DIE FIRMA ERHARD & SÖHNE, VOM KUNSTHANDWERK ZUM INDUSTRIEDESIGN van 28/06/2009 tot 18/10/2009 di-wo/vr 14-17 u., do 14-19 u., zazo 11-17 u. Silberwarenfabrik Ott-Pauser Milchgässle 10 +49 71 71 38 910 www.schwaebisch-gmuend.de

FINLAND HELSINKI

NEAR AND FAR. JEWELRY ARTISTS AT THE MUSEUM OF CULTURES: JORGE MANILLA E.A. tot 08/11/2009 di-do 11-20 u., vr-zo 11-18 u. Kukttuurienmuseo Etelaïnen Rautatiekatu 9 www.kulttuurienmuseo.fi

FRANKRIJK BORDEAUX

TANIA CONCKO: PROJET CAMPUS-CITÉ YVES FARGE, BÈGLES tot 14/06/2009 di-zo 11-18 u. Arc en rêve-Centre d’architecture 7 rue Ferrère +33 56 52 78 36 www.arcenreve.com

LE FEL

MARTIN MCWILLIAM tot 30/06/2009 2 ÈME FESTIVAL EUROPÉEN DE SCULPTURES CÉRAMIQUES: LE RÈGNE ANIMAL van 11/07/2009 tot 01/09/2009 Galerie Du Don Le Don du Fel +33 565 54 15 15 www.poteriedudon.com

MEISENTHAL

DECORUM, RELECTURE CONTEMPORAINE DES TECHNIQUES TRADITIONNELLES DE DÉCOR DU VERRE van 20/06/2009 tot 06/09/2009 CIAV place Robert Schuman +33 3 87 96 87 16 www.ciav-meisenthal.fr

PARIS

JULES CHÉRET tot 06/09/2009 MADELEINE VIONNET van 24/06/2009 tot 31/01/2010 Musée des Arts Décoratifs 107 rue de Rivoli +33 1 42 60 32 14 www.lesartdecoratifs.fr

ROUBAIX

AGATHA RUIZ DE LA PRADA tot 21/06/2009 La Piscine-Musée D’art et d’Industrie 23, rue de l’Espérance +33 3 20 69 23 60 www.roubaix-lapiscine.com

SARS-POTERIES

MELINDA SIPOS: FENÊTRES FICTIVES tot 15/06/2009 VERRE L’EST van 25/06/2009 tot 31/08/2009 wo-ma 10-12.30/13.30-18 u. Musée-Atelier du Verre 1, rue du Général de Gaulle - BP2 +33 3 27 61 61 44

SÈVRES

RÉSONANCES: 25 CÉRAMISTES JAPONAISES CONTEMPORAINES tot 15/06/2009 wo-ma 10-17 u. Musée National de Céramique Place de la Manufacture +33 1 41 14 04 20 www.musee-ceramique-sevres.fr


GROOT-BRITTANNIË HOVE

DEVIANTS tot 16/09/2009 Hove Museum & Art Gallery 19 New Church Road +44 273 77 94 10

LONDON

LAURA BAKKER: OVERZICHTSEXPOSITIE tot 16/08/2009 di-za 10-17 u., zo 13-17 u. Museum Lambert Van Meerten Oude Delft 199 +31 15 26 02 358 www.erfgoed-delft.nl

DEN HAAG

DAVID WATKINS-WENDY RAMSHAW SILVERMAKER tot 20/06/2009 ma-za 10-18 u. Contemporary Applied Arts 2 Percy Street +44 20 74 36 23 44 www.caa.org.uk

GLAS(S). 40 JAAR GLASAFDELING RIETVELDACADEMIE tot 01/11/2009 di-zo 11-17 u. Gemeentemuseum Stadshouderskaai 41 +31 70 33 81 120 www.gemeentemuseum.nl

JERWOOD CONTEMPORARY MAKERS van 10/06/2009 tot 19/07/2009 Jerwood Space 171 Union Street www.jerwoodvisualarts.org

BIËNNALE KIJKDUIN 2009: ECHOES OF THE SEA van 13/06/2009 tot 05/07/2009 Stichting Biënnale Kijkduin Nederhoflaan 12 +31 6 51 70 94 43 www.biennalekijkduin.nl

NEDERLAND AMSTERDAM

BEESTACHTIGE TASSEN tot 23/08/2009 dagelijks 10-17 u. Tassenmuseum Hendrikje Herengracht 573 +31 20 524 64 52 www.tassenmuseum.nl

DELFT

LAURA BAKKER: NIEUW WERK tot 29/08/2009 wo-vr 11-18 u., za 11-17 u., za 11-17 u. Galerie Lous Martin Kromstraat 3 +31 15 213 26 97 www.lousmartin.nl DUNCAN ROSS tot 27/06/2009 JAS/MV van 15/08/2009 tot 12/09/2009 di-vr 11-18 u., vr 19-21 u., za 11-17 u. Galerie Terra Keramiek Nieuwstraat 7 +31 15 214 70 72 www.terra-delft.nl

HEESWIJK-DINTHER

ZOMERTENTOONSTELLING 2009: CHRISTIANE ZEGHERS HEIN SEVERIJNS-RICHARD PRICE- VINCENT VAN GINNEKE tot 11/10/2009 do-zo 13-17 u. Interart Beeldentuin Gouverneursweg 6C +33 413 29 33 28 www.interart.nl

LEEUWARDEN

LEVENSWERK 07: BEATE REINHEIMER tot 06/09/2009 SCHERVEN & GELUK: HUWELIJKSSERVIEZEN IN NEDERLAND tot 01/11/2009 di-zo 11-17 u. Keramiekmuseum Princessehof Grote Kerkstraat 11 +31 58 2 94 89 58 www.princessehof.nl

NIJMEGEN

VAALS

RUDOLF KOCEA-BEATE KLOCKMANN- CHRISTINE MATTHIAS ULRICH REITHOFER tot 10/06/2009 di-vr 11-18 u., za 11-17 u. Galerie Marzee Lage Markt 1-3/Waalkade 4 +31 24 32 296 70 www.marzee.nl

SJAAK SMETSERS-THEO GULIKERS tot 28/06/2009 APPIE DRIELSMA van 05/07/2009 tot 06/09/2009 di-vr 14-17 u., za 14-17u., zo / 13-17 u. De Kopermolen von Clermontplein 11 +31 43 30 64 668

JAN JANSEN-SWIPSTOLK van 02/07/2009 tot 08/30/2009 di-vr 10-17 u., za-zo 12-17 u. Museum Het Valkhof Kelfkensbos 59 +31 24 360 88 05 museumhetvalkhof.nl

ROTTERDAM

BRAZIL CONTEMPORARY tot 23/08/2009 di-za 10-17 u., zo 11-17 u. Nederlands Architectuurinstituut (Nai) Museumpark 25 +31 10 440 12 00 www.nai.nl

4TH INT. EXHIBITION OF MINIATURE TEXTILES van 14/06/2009 tot 22/06/2009 Scythia anschnei.public.kherson.ua

RIJSWIJK

RIJSWIJK TEXTIEL BIËNNALE van 27/06/2009 tot 13/09/2009 di-vr 14-17 u., za 11-17 u. Museum Rijswijk Herenstraat 67 +31 70 39 03 617 www.museumryswyk.nl

OEKRAÏNE KHERSON

TILBURG

KNITTED WORLDS tot 14/06/2009 VAN EIJK & VAN DER LUBBE: SUBJECTS van 27/06/2009 tot 11/10/2009 di-vr 10-17 u., za-zo 12-17 u. Audax Textielmuseum Goirkestraat 96 +31 13 42 22 41 www.textielmuseum.nl

AGENDA


BRUSATTO WWW·BRUSATTO·BE


000 — 024

KWINTESSENS Mode

VLAAMS TIJDSCHRIFT VOOR VORMGEVING EN MODE 2 DE TRIMESTER — JAARGANG XVIII ABONNEMENT € 23,55 LOS NUMMER € 6,25


colofon Colophon

Hoofdredacteur Editor in chief Veerle Windels auteurs Authors Mieke De Lombaerde Frank de Roover Stéphanie Duval fotosessie Photo shoot David Flamée-Sketch (productie/production) Tim Stoops (beeldverwerking/digital imaging) redactieadres Editorial offices Flanders Fashion Institute Nationalestraat 28/2 2000 Antwerpen T +32 (0)3 226 14 47 F +32 (0)3 232 63 96 E ffi@modenatie.com W www.ffi.be VormgeVing Design Brusatto druk Printing Sint-Joris Vertaling Translation ElaN Translations DataTranslations

Abonnementen kunnen schriftelijk of telefonisch worden aangevraagd op het adres van Design Vlaanderen of door overschrijving van € 23,55 op het rekeningnummer 733-0321964-51. Subscriptions may be requested in writing or by telephone by contacting the Design Flanders editorial offices or by transferring E 23,55 to bank account number IBAN BE 75 7330 3219 6451. Adreswijzigingen worden gemeld op het redactieadres. Changes of address may be sent to our editorial offices. Niets uit deze uitgave mag worden gebruikt zonder toestemming van de uitgever. ©Design Vlaanderen Nothing contained in this publication may be used, whether in part or in whole, without the publisher’s consent. ©Design Flanders Alle adressen van designers, kunstenaars, galeries e.a. kunnen bij Design Vlaanderen verkregen worden. The addresses of designers, artists, galleries and other information are available upon request from Design Flanders.

001 — 004 Frank de roover & Mieke de LoMbaerde

Jurken als gedacHten: PaPer fasHion The dress as an idea: Paper Fashion 005 — 007 veerLe WindeLs

de mode Van maureen declercq Maureen Declercq’s fashion 008 — 013

class 0f 2009 graPHic Work 014 — 016 stéphanie duvaL

oVer mode en PersoonliJkHeid: Walter, de meest controVersiële On fashion and personality: Walter, the most controversial 017 — 019 stéphanie duvaL

lenny leleu: Het leVen door een zonnebril Lenny Leleu: life through a pair of sunglasses 020

Vitrine gent: kleur in de stad Vitrine Gent: Colour in the city 021 — 022

nieuWs 023 — 024

teleX


001 — 004 FRANK DE ROOVER & MIEKE DE LOMBAERDE

Colourful dresses hang by the dozens above our heads on clothes hangers against the ceiling of the buttercup yellow room. With his discerning approach to colour and space, scenographer Bob Verhelst plays with the senses of the unsuspecting visitor. We are in 1966, when throw-away dresses, i.e. dresses for one day (or two), hit the market and created a furore. This hype, which lasted about two years, has now become museumfähig and is the focus of this exhibition in the MoMu in Antwerp.

Stunt The first paper, throw-away dresses were conceived as an advertising stunt. The American Scott Paper Company launched them to promote its latest napkins, hand towels and toilet paper. When you bought these paper products, you received a voucher, which you could then use to order a dress by mail. It wasn’t 100% paper, but made from Dura Weve, a fabric with paper-like qualities which was actually a mix of cellulose and rayon. The dresses were available in a single style, in two print patterns and in four sizes. Scott Paper launched them in the spring of 1966 and received half a million orders by the summer of that year. This success spurred the competition on and even led to a shortage of paper in 1967. In turn, the paper shortage stimulated the development of paper-like substitutes and alternatives.

Language of clothes In those days, you ordered your clothes by mail or bought them from a store. There was no such thing as a fitting room. Dresses came in flat cardboard sleeves with a viewing window. They bore names that conjured up all kinds of wonderful things: Island Paradise, Flower Fantasy, Florescence. Or what do you make of Paperdelic Paper Dress or Confetti? The dress was always pictured on the box. And so we see the charming Here’s your apron and kerchief-set featuring a housewife in her cosy biotope. The dear woman is wearing a paper dress with the same print pattern as the tablecloth, plates and napkins. All that is missing is wallpaper to match. Originally, there were two prototypes: the “bandanna dress”, which calls the Wild West to mind, and the “sandwich-board dress”, on which the wearer displayed modern art (op art,

JURKEN ALS GEDACHTEN: PAPER FASHION The dress as an idea: Paper Fashion

AF VANDEVORST, LENTE-ZOMER 2004 FOTO ©ETIENNE TORDOIR/CATWALKPICTURES.COM

Visit Paper Fashion and you are immersed in the sixties: promising years, marked by change. The time was so ripe for new ideas that stunt became hype, and hype became social phenomenon. So it was with throw-away dresses, one-day dresses which are now museumfähig (museum worthy).


002

Wie Paper Fashion bezoekt, gaat kopje-onder in de sixties: beloftevolle jaren, gekenmerkt door verandering. De tijd was zo rijp voor nieuwigheden dat een stunt een hype werd en een hype een maatschappelijk fenomeen. Zo ook de throw-away dresses, jurken voor één dag die vandaag museumfähig zijn. Kleurige jurken hangen bij tientallen boven ons hoofd, aan kleerhangers tegen het plafond van de ranonkelgele zaal. Scenograaf Bob Verhelst bespeelt door zijn uitgekiende aanpak van kleur en ruimte de zinnen van de argeloze bezoeker. We schrijven 1966 wanneer throw-away dresses, kleedjes voor één dag (of twee) op de markt komen én furore maken. Deze hype, die zo’n twee jaar duurde, is inmiddels museumfähig én de focus van deze tentoonstelling in het MoMu in Antwerpen. STUNT De eerste papieren wegwerpjurken waren bedoeld als reclamestunt. De Amerikaanse Scott Paper Company lanceerde ze om promotie te maken voor haar nieuwste servetten, handdoeken en toiletpapier. Kocht je deze papieren producten, dan kreeg je een tegoedbon waarmee je via postorder een jurk kon ontvangen. Geen 100% papieren jurk, maar eentje van Dura Weve, een stof met het

karakter van papier maar eigenlijk een mix van cellulose en rayon. De jurken waren voorradig in één stijl, twee bedrukkingen en vier maten. Scott Paper lanceerde ze in de lente van ’66 en ontving in de zomer van dat jaar al een half miljoen bestellingen. Dat succes prikkelde de concurrentie en leidde in ’67 zelfs tot papierschaarste. De papierschaarste op haar beurt stimuleerde de ontwikkeling van papierachtige substituten en alternatieven. KLERENTAAL In die tijd bestelde je kleren via de post of je kocht ze in een warenhuis. Een pashokje kwam er niet aan te pas. De jurken boden zich in platte kartonnen hoezen met kijkvenster aan. Er stonden namen op waarbij je je allerlei heerlijks voorstelde: Island Paradise, Flower Fantasy, Florescence. Of wat te denken van Paperdelic Paper Dress of Confetti? De jurk werd telkens afgebeeld op de doos. Zo zie je het bekoorlijke Here’s your apron and kerchief-set, waarop een huisvrouw in haar knusse biotoop te zien is. Vrouwlief heeft een papieren jurk aan met net dezelfde print als tafelkleed, bordjes en servetten. Alleen dito behangpapier ontbrak er nog aan. Aanvankelijk kon men twee prototypes onderscheiden: de ‘bandana-jurk’ die aan de wild west doet denken en de jurk-als-sandwichbord, waarmee de draagster moderne

pop art). These dresses were printed as quickly as newspapers. So women were wearing the news, hot off the press. Politicians would also campaign by carrying images on their backs: they protested against the atom bomb and against the war in Vietnam. It was a time of idols, myths and icons. On the street, you could see who was most the popular at the time: was it Bob Dylan or the Beatles? Clothing as art Throw-away clothing was made from Dura Weve or Tyvek. These materials are produced through a thickening process like that used for paper and felt. They take only a fraction of the time that it takes to spin and weave traditional textiles. Paper dresses didn’t have to last that long. As a result, the price was low and ladies were able to buy a whole wardrobe. In 1966, Mars Manufacturing brought out blank paper dresses which came with a box of watercolours. To get the point across, the company even hired Andy Warhol for a demonstration. Nico, the fragile singer for the Velvet Underground, laid out on the table in one of these blank dresses. On his muse, Warhol wrote “fragile”. Clothing is art. Put a person in it and it becomes applied art. Wearing clothes is a performance. In one of the rooms, we come across a wall which is completely taken up by a poster. We see a young woman - dressed in a paper bikini - who is running towards the surf. Perhaps the message is that this is a woman of the sixties, a modern woman who dares to take a risk? Just imagine what would happen if the paper tore in the water....

PAPER FASHION FOTO ©BOY KORTEKAAS

HARRY GORDON, POSTER DRESSES (ADVERTENTIE VOOR LIFE MAGAZINE, 1968)

Size The exhibition also has a small table on which a television stands. In the picture, we see Jane Birkin and Françoise Hardy in clothes made from newspaper clippings, an interpretation of Les petites papiers by Serge Gainsbourg. The sound, and the noise on the screen, is just as it was back then. Charming. We are actually going to reflect on a time when child wives could dazzle and bewitch in their big-little girls’ dresses. Detractors scornfully referred to this as the “potato sack cut”. In fashion jargon, it is referred to as the “Aline dress”: there is no waist. But the short dresses do reveal a hitherto unseen length of leg. An adult woman would wear the same throw over as her darling daughter, albeit a few sizes different. There was something suspiciously childlike about it. Anne Kurris’ collection of children’s clothes elicits similar reflections. Thirty years after the heyday of paper fashion, she dresses a little girl in a dress, the entire front of which is printed with a blown up picture of a cat’s head. Ten years later, we see the same little girl, the same dress, but just a few sizes bigger and now with two cats’ heads.


The nature of paper Paper cannot flow around the body like silk or velvet can. But it can stand at a 90° angle to a person’s skin. A whole series of distinct, sculptural pieces have arisen as a result of this property, such as the asymmetric pleated skirt, made from several layers of crepe paper, by A. F. Vandevorst. Of course, you also get pleats with Issey Miyake, who perfected a technique for pleating finished items of clothing in 1999. The items are placed between two sheets of paper in a hot press to give the clothes their permanent pleats. For the Atopos collection, Issey Miyake recuperated a number of sheets of paper from the process to make new dresses. His pupil, Hiroaki Ohya, displayed three origami dresses from the Wizard of Jeanz 2000 series. Observant visitors will see a book flap hanging from the hem of each item of clothing. From this, each dress unfolds like a story. Not all of these creations are made of 100% paper or crepe, but they do imitate the expression of paper models. Another place another way The oldest items on display at Paper Fashion are from Japan. In as early as the 10th century, the Japanese had mastered the art of making stiff paper supple and waterproof: kamiko. Buddhist monks would make their rain capes from kamiko. You couldn’t wash it, but you didn’t have to. On returning to the temple, the monks would burn their paper clothes to rid themselves of the thoughts that had permeated them during

PAPER FASHION FOTO ©BOY KORTEKAAS

Indebted to the sixties The MoMu welcomes modern designers as part of the Paper Fashion exhibition. Walter Van Beirendonk and Dirk Van Saene were each commissioned by La Redoute to create a Back to the sixties dress. Van Beirendonk’s dress is in no need of a label: the print is of himself (recognisable by his bald head and prominent beard) sitting on a bear in the middle of a colourful composition. Dirk Van Saene depicts the woman in an idyllic pastel spring landscape. Sarah Caplan’s Poster Dresses date from 1999. Bob Verhelst displays her Twin Towers in colour alongside Harry Gordon’s Poster Dresses in black & white. A nice combination. Gordon’s most eye-catching dress must surely be the one with the blow-up of an eye, especially since the MoMu uses the same print for the poster. The look is intriguing. Rumour has it that it’s one of Audrey Hepburn’s eyes. Further along, we see the Airmail Dress (1999) by Hussein Chalayan. In its blank condition, it is a plain dress with a bottom hem alternating in blue, white and red. Follow the logical lines when folding and we can reduce the dress down to an airmail envelope, ready to send.

kunst (op art, pop art) etaleerde. De jurken werden zo snel bedrukt als kranten rollen van de pers. Zodoende kleedden vrouwen zich met nieuws, heet van de naald. Ook politici voerden campagne via afbeeldingen op hun rug: de atoombom werd gecontesteerd, net als de oorlog in Vietnam. Het was ook een tijd van idolen, mythes en iconen. In het straatbeeld kan je zo zien wie op dat moment het populairst was: Bob Dylan of dan toch de Beatles? KLEREN ALS KUNST Wegwerpconfectie wordt gemaakt van Dura Weve of Tyvek. Zulke materialen worden bekomen door een bindproces gelijkaardig aan dat van papier en vilt. Hun productie duurt maar een fractie van de tijd die nodig is om traditioneel textiel te spinnen en te weven. Papieren jurkjes hoefden ook niet lang mee te gaan. Hun prijs was bijgevolg laag, zodat dames er zich een hele garderobe van konden aanschaffen. Mars Manufacturing bracht in ’66 zelfs blanco papieren jurken op de markt, inclusief een doos waterverf. Om de bedoeling duidelijk te maken, huurde het bedrijf Andy Warhol in voor een demonstratie. Nico, broze zangeres van Velvet Underground, vleide zich in zo’n blanco kleedje op een tafel. ‘Fragile’ schreef Warhol op zijn muze. Kleding is kunst. Zodra er een mens in steekt, wordt het toegepaste kunst. Kleren dragen is een performance.

In een van de zalen stuiten we op een muur die geheel in beslag wordt genomen door een poster. We zien een jonge vrouw die -gehuld in papieren bikini- de branding tegemoet loopt. De boodschap is misschien dat dit een sixties-vrouw is, een moderne vrouw die risico’s aandurft? Stel dat het papier zou scheuren in het water ... TAILLE In de tentoonstelling staat ook een tafeltje met daarop een tv. In beeld zien we Jane Birkin en Françoise Hardy in krantenknipselkleedjes, die Les petits papiers van Serge Gainsbourg vertolken. Het geluid en de ruis op het beeld is net als toen. Charmant. We gaan zowaar mijmeren over de tijd dat kindvrouwtjes konden betoveren en bedwelmen in hun grote-kleine-meisjesjurkjes. Kwatongen noemden dit smalend de ‘patattenzak-snit’. In het modejargon heet het de ‘A-lijn-jurk’: taille is volstrekt afwezig. Wel lieten die korte jurkjes een nooit eerder gezien eind benen zien. Een volwassen vrouw droeg -weliswaar met enkele maatjes verschil- hetzelfde overgooiertje als dochterlief. Het had iets verdacht kinderlijks. De kinderkledingcollectie van Anne Kurris ontlokt reflecties van dien aard. 30 jaar na de hoogdagen van paper fashion kleedt ze een klein meisje in een jurk waarvan de hele voorzijde is bedrukt met de opgeblazen foto


004

van een kattenkop. Tien jaar later zien we hetzelfde meisje, hetzelfde kleedje, wel een paar maatjes groter en nu met twee kattenkoppen. SCHATPLICHTIG AAN DE SIXTIES In het kader van Paper Fashion verwelkomt het MoMu hedendaagse ontwerpers. Walter Van Beirendonck en Dirk Van Saene realiseerden in opdracht van La Redoute elk een Back to the sixties-jurk. De jurk van Van Beirendonck behoeft geen naamkaartje: de print toont hemzelf (te herkennen aan de kale knikker en de prominente baard), gezeten op een beer temidden van een kleurrijke compositie. Dirk Van Saene strikt de vrouw met een idyllisch pastellen lentelandschap. Uit 1999 zijn de Poster Dresses van Sarah Caplan. Bob Verhelst heeft haar Twin Towers in kleur en Harry Gordons Poster Dresses in zwart-wit samen uitgestald. Een mooie combinatie. De meest in het oog springende jurk van Gordon moet wel die met de blow-up van een oog zijn, zeker nu het MoMu dezelfde print voor de affiche gebruikt. Die blik intrigeert. Men fluistert dat het een van Audrey Hepburns ogen is. Verderop zie je de Airmail Dress (1999) van Hussein Chalayan. In onbeschreven toestand is dat een blanco jurk met onderaan een zoom in afwisselend blauw, wit en rood. Vouwen we ze volgens de logica van de plooien op, dan herleidt de jurk zich tot een verzendklare luchtpost-enveloppe.

Paper Fashion, nog tot 16 augustus 2009 in het ModeMuseum, Nationalestraat 28, 2000 Antwerpen. Meer info: www.momu.be Op dinsdag kan u docenten en studenten van de opleiding Conservatie en restauratie van de Artesis Hogeschool Antwerpen aan het werk zien, terwijl ze het pakje van een airhostess of een kamiko-jas uit de Edo-periode restaureren. Voor de duur van de tentoonstelling is daartoe, middenin het tentoonstellingsgebeuren, een atelier ingericht.

meditation. This is another way of interpreting Chalayan’s Airmail Dress: as a carrier of thoughts on paper. Shifu was another technique which the Japanese developed in the 16th century. Due to a scarcity of other materials, poor farmers would tear up their old ledgers to make thin strips of paper which they then spun into compact threads. This technique was unbelievably refined by the Samurai. For reasons of economy, Brazilians and Mexicans would lay their poor out to rest in an imitation smart suit made completely from paper. They reproduced everything in the tiniest detail, right down to a paper brand label. Neatly done.

Paper Fashion runs until 16 August 2009 in the ModeMuseum (Fashion Museum), Nationalestraat 28, 2000 Antwerp. More info: www.momu.be. On Tuesday, you can see lecturers and students from the Conservation and Restoration course at Atesis College Antwerp at work restoring an air hostess’s suit or a kamiko jacket from the Edo period. A workshop will be set up especially for this purpose for the duration of the exhibition.

SARAH CAPLAN (MPH DESIGN), TWIN TOWERS’ POSTER JURK — FOTO ©PANOS DAVIOS ©ATOPOS COLLECTIE, ATHENE

DE NATUUR VAN PAPIER Papier kan niet zoals zijde of fluweel om een lichaam vallen. Het kan wel in een hoek van 90° op iemands huid staan. Door die eigenschap ontstonden een hele reeks uitgesproken, sculpturale stukken, zoals bijvoorbeeld de asymmetrische plissérok in verschillende lagen krippapier van A.F.Vandevorst. Plissé tref je natuurlijk ook bij Issey Miyake, die in 1999 een techniek creëerde waarbij afgewerkte kledingstukken geplisseerd worden. De stukken worden tussen twee vellen papier in een hittepers geplaatst om zo de kleren hun permanente plooien te geven. Voor de Atopos-collectie recupereerde Issey Miyake op die manier een aantal vellen papier tot nieuwe jurken. Zijn leerling Hiroaki Ohya toont drie origami-jurken uit de reeks Wizard of Jeanz 2000. Oplettende bezoekers zien aan de zoom van elk kledingstuk een boekflap hangen. Daaruit ontvouwt elke jurk zich als een verhaal. Niet alle creaties zijn 100% papier of krip maar ze bootsen wel de expressie van papieren maquettes na.

ELDERS EN ANDERS De oudste items die Paper Fashion toont, zijn afkomstig uit Japan. Al in de 10de eeuw verstond men er de kunst om van stijf papier soepel en waterproof papier te maken: kamiko. Zo maakten boeddhistische monniken regencapes van kamiko. Wassen kon je kamiko niet, maar dat hoefde ook niet. Bij hun terugkeer in de tempel verbrandden de monniken hun papieren kleren, om zich van de gedachten te ontdoen die ze er tijdens de meditatie aan hadden toevertrouwd. Zo zou je ook Chalayans Airmail Dress kunnen interpreteren: als drager van neergeschreven gedachten. Een andere techniek die Japanners ontwikkelden in de 16de eeuw was shifu. Wegens gebrek aan ander materiaal, verscheurden arme boeren oude rekeningboeken tot dunne repen papier die ze tot compacte draden draaiden. De techniek werd door de samoerai ongelooflijk verfijnd. Zuinigheidsoverwegingen noopten ook Brazilianen en Mexicanen ertoe om straatarme mensen af te leggen in een nagebootst chique pak, helemaal uit papier. Alles werd tot in het kleinste detail nagemaakt, tot een papieren merklabel toe. Opgebaard en netjes.


005 — 007 VEERLE WINDELS

FOTO ©KURT DE WIT @ CONGOBLUE

DE MODE VAN MAUREEN DECLERCQ Maureen Declercq’s fashion

FOTO ©KURT DE WIT @ CONGOBLUE

Maureen Declercq doet exact waar elke ontwerper van droomt: een collectie op de markt brengen wanneer ze daar zin in heeft. Op de benedenverdieping van haar eigen huis lanceerde ze een compleet nieuw modeconcept; twaalf sobere stuks met een absolute meerwaarde. “Ik heb niks te verliezen.” Wanneer ik haar die ochtend bezoek, staan de ontwerpen in een lege witte ruimte, op de benedenverdieping van haar huis in Antwerpen. Ze heeft een kleine collectie jurken gemaakt en die hangen één voor één op Stockman-bustes. Het zijn witte en zwarte ontwerpen, die kriskras in de ruimte staan en maar mondjesmaat hun eigenheid prijsgeven. De ontwerpen ogen immers sober, maar aan de mouw, de kraag of de schouder verraden ze een twist in de vorm. Ook haar Belgische fabrikant, Manfred Gobert van Soficotex, komt langs om voor het eerst het resultaat in zijn totaliteit te zien. Hij is tevreden. Maureen glundert. Ze studeerde in 1996 af aan de modeafdeling van de Antwerpse academie, maar daarna had ze geen zin om een eigen collectie op te starten. “Ik was er toen absoluut niet klaar voor, maar ik heb in die periode wél gesolliciteerd met een book dat ik had samengesteld. Om heel eerlijk te zijn: ik had toen willen solliciteren bij Martin Margiela in Parijs, maar dat is er nooit van gekomen. Ik kon op andere plekken in Parijs meteen aan de slag. Zo’n

onbetaalde stage die je dan fortuinen kost. [lacht]” Maureen ging ook als freelance ontwerpster aan de slag bij onder meer de Britse keten Marks & Spencer (waar ze ontwierp voor Berghaus, red.) en bij de Belgische fabrikant An Staels (waar ze McGregor Woman mee opstartte, red.). “Ik werkte ook als freelance styliste voor verschillende modebladen en voor reclamecommercials.” Bovendien begon ze les te geven, aan de modeafdeling van de academie van Sint-Niklaas, en de laatste jaren ook aan de academie van Antwerpen. En toen was er die vriendin van vroeger met wie Maureen afsprak. “We hadden elkaar in geen jaren gezien. Ik dacht: nog eentje die zal vragen waarom ik geen eigen collectie ben opgestart en of ik niet gefrustreerd rondloop. Maar we spraken niet over mode. Tot ik plots uit mezelf zei dat ik zin had om een eigen collectie uit te brengen. Ik stond een beetje versteld van mijn eigen woorden, maar ze waren er wel uit. Ik ben nadien gaan grasduinen in mijn tekeningen van vroeger en stootte op dat book van tien jaar geleden. Daarin stonden al die ontwerpen in wit en zwart. Ik dacht: dit is nog steeds relevant. Hier kan ik een concept rond bouwen.” Maureen spreekt van een concept, liever niet van een collectie. De inspiratie kwam van Het meisje met de parel van Vermeer. Vooral de sfeer van het werk intrigeerde haar. “Eigenlijk is het een uitgebreide vormstudie. Ik


FOTO ©KURT DE WIT @ CONGOBLUE

heb gezocht naar nieuwe vormen rond mouw en schouder. Dat is mijns inziens ook het mooiste waarrond je als ontwerper kan werken. Ik heb niet op de computer gewerkt, maar gewoon op de pop. Niks drapage, gewoon vanuit de basis die ik al jaren in de vingers heb. De pop zet ik vaak in profiel om te zien of het van alle kanten klopt. Dat deed ik op de academie ook al. Ik heb trouwens gemerkt dat al mijn foto’s uit die tijd altijd in profiel waren genomen. Ik koos voor mooi katoen als materiaal, waar ik voor het uitwerken van deze vormen heel graag mee gewerkt heb. In totaal zijn er twaalf jurken in twee kleuren: zwart en wit, de twee kleuren die ik al jaren geleden voor ogen had.” Ze stelde een deadline voorop: 1 april – beslist geen aprilgrap. Ze besloot om niet in het gewone modesysteem te stappen, maar haar jurken voor te stellen in haar eigen omgeving, los van een agent, los van het winkelcircuit. Dus nodigde ze op een avond in april vrienden en kennissen uit om te komen kijken naar de collectie en gaf ze hen de mogelijkheid om een bestelling te plaatsen, een beetje zoals in de hoogdagen van de Franse couture. De try-out verliep vlekkeloos. Talloze mensen bestelden een jurk die ze twee weken later al konden aantrekken. “Het mooie aan dit gegeven is dat mensen zomerjurken uitproberen op een moment dat het buiten mooi weer is. Ik had echt geen zin om in januari, wanneer het vriest, uit te pakken met een zomercollectie.

Het is natuurlijk tegelijk een slimme zet om met een beperkte investering toch een mooie minilijn neer te zetten. Maar het is ook meer dan dat. Veel mensen kunnen vandaag de dag niet meer kiezen uit de chaos van het aanbod. Wat moeten ze aantrekken? Hoe maken ze een keuze uit dat gigantische aanbod? Bij mij kunnen ze terecht voor een heel persoonlijke aanpak. Ze kunnen kiezen en keuren, en er bovendien de tijd voor nemen.” De ontwerpster heeft de prijzen bewust laag gehouden. Haar jurken hebben prijskaartjes tussen de 125 en 250 euro. Toch wordt alles in België gecreëerd. Een bewuste keuze, omdat je hier nog dingen gedaan krijgt. “De prijzen kunnen laag gehouden worden omdat ik niet op beurzen sta en ook geen agentuur moet betalen. Er zijn geen tussenpersonen die geld kosten. Ik ben een kleine ondernemer, maar … ik heb ook niks te verliezen.” Dat laatste lijkt ook niet te gebeuren. De allereerste presentatie van haar jurken bleek een succes en ook sindsdien zijn de reacties alleen positief. “Om heel eerlijk te zijn: ik voelde me die avond precies als tijdens de show van de academie, al die jaren geleden. Net alsof ik terug achttien was, een heerlijk gevoel. Tijdens het ontwerpen van de jurken had ik al een plezant gevoel, en die rust is eigenlijk gebleven.” Waarom ze niet vroeger met haar concept op de proppen is gekomen? Maureen

Maureen Declercq is doing exactly what every designer has always dreamt of: marketing a collection when he or she feels like it. She launched a completely new fashion concept on the ground floor of her own home; twelve pared down dresses with absolute added value: “I have nothing to lose”. When I visit her that morning, the designs are set up in an empty white space, on the ground floor level of her home in Antwerp. She has designed a capsule collection of dresses, which are all hanging on individual Stockman mannequins. The dresses are white or black, are scattered across the space and gradually reveal their individuality. Although they may look austere, there is always a twist in the shape of the sleeve, collar or on the shoulder. Her Belgian manufacturer, Manfred Gobert of Soficotex, drops in to have a look at the collection as a whole. He is satisfied. Maureen is visibly happy. Maureen graduated in 1996 from the Antwerp Academy’s fashion department, but at the time she did not feel like launching her own collection. “I really wasn’t ready for it, but at the time, I did apply for jobs with a book that I had put together. To be honest: I really wanted to apply for a job with Martin Margiela in Paris, but it never happened. I was offered other jobs in Paris. The kind of unpaid traineeship, which costs you a fortune. [laughs]”. Maureen started working for British chain, Marks & Spencer, as a freelance designer (where she designed for Berghaus, ed.) and for Belgian manufacturer An Staels (with whom she launched McGregor Woman, ed.). “I worked as a freelance stylist for various fashion magazines and also styled commercials.” She also started teaching, at the fashion department of the Academy of Sint-Niklaas, and in recent years also joined the team of the Antwerp Academy. And then Maureen met up with a friend from the past. “We hadn’t seen one another in years. I thought: here’s another one who will ask me why I did not launch my own collection or whether I feel frustrated. But we did not discuss fashion. And then I suddenly blurted out that I felt like having my own collection. I was somewhat surprised by my own statement, but I did say it. Afterwards, I started browsing through my designs of the past and I found my book, which I had put together ten years ago. It was full of designs in black and white. I thought: well, this is still relevant. I can build a concept around it.” Maureen prefers to refer to a concept, rather than a collection. The inspiration came from Vermeer’s Girl with a pearl earring. She was mainly intrigued by the atmosphere of the work. In fact, it is an extensive study of shapes. I mainly searched for new shapes around the sleeve and the shoulder. I think those are the most beautiful


FOTO ©KURT DE WIT @ CONGOBLUE

aspects to work on. I did not work on the computer, but on the mannequin. No draping. I just applied the basics that I have mastered over the years. I often turn the mannequin sideways, to see if everything looks right from every side. I already used to do this at the academy. I also noticed that all my pictures at the time were taken in profile. I chose to use beautiful cotton as my main fabric and I really enjoyed working with it to create these shapes. There are a total of twelve dresses in two colours: black and white, the two colours that I was thinking of years ago.” Maureen set herself a deadline: 1 April. Not a joke. She opted out of the usual fashion system, deciding instead to present her dresses in her own surroundings, without an agent, without stores. So one April evening, she invited her friends and acquaintances to come view the collection, giving them the option of placing an order, a little like the heyday of French couture. The try-out went without a hitch. Several people ordered a dress, which they were able to start wearing two weeks later. “The nice thing about this is that people could try on summer dresses at a time when the weather is nice outside; I really did not want to launch a summer collection in January, as it freezes. And naturally, it’s also a good move to launch a pretty capsule line with a limited investment. At the same time, it’s more than that. These days, people are simply incapable of choosing from the chaos. What to wear? How to choose from the enormous offer? I offer a highly personal approach. They can choose and inspect, and take their time.” The designer has consciously kept prices low. Her dresses cost anything between 125 and 250 euros. And everything is made in Belgium. A conscious choice, because you can still get things done here. “The prices are low because I do not go to trade fairs and do not have to pay an agent. There are no intermediaries which cost money. I’m a small entrepreneur, but I have nothing to lose.” And so it seems. The first presentation of her capsule collection was a success and ever since, she’s only met with positive response. “To be honest: that evening I felt just like I did during the Academy show, all those years ago. As if I was eighteen. A wonderful sensation. I really felt good as I designed the dresses and I am glad to say that I still feel relaxed about it.” Why did she not think of this before? Maureen laughs. “I always wanted to do this, but this is the furthest I’ve taken it. I have questions, of course. Will my line continue to be a success? What next? It seems as if I came out of nowhere, but that is not the case of course. I know the fashion world and I know fashion inside out. It’s just... the puzzle just seems to fit now.”

lacht: “Eigenlijk kriebelde het altijd al, maar zo concreet als nu is het nooit geworden. Er blijven weliswaar vragen: zal de lijn blijven lopen? Hoe ga ik het verder uitbouwen? Het lijkt alsof ik van niks begonnen ben, maar dat is natuurlijk niet zo. Ik ken het wereldje en ik weet hoe de mode draait. Alleen … het lijkt echt alsof de puzzelstukjes vandaag pas samenvallen.” www.maureendeclercq.be


HAN MANNAERT Every Cloud Has Its Silver Lining Fashion Department – KASK Gent hanmannaert@gmail.com


008 — 013

CLASS 0F 2009 GRAPHIC WORK

STEPHANIE D’HEYGERE Humanimalus Fashion Department – Artesis Hogeschool Antwerpen dheygerestephanie@hotmail.com

PRODUCTION David Flamée - Sketch DIGITAL IMAGING Tim Stoops THANKS TO the students and teachers of Fashion Department - Artesis Hogeschool Antwerpen, Fashion Department - KASK Gent, Fashion Department - ENSAV La Cambre Mode(s) Bruxelles.


SARAH BOS / CLÉO BAELE “I AM WHAT I PLAY” Fashion Department – KASK Gent / PCVO Waas en Durme - Lokeren info@blackballoon.be


SARAH DE GRUNNE Fashion Department - ENSAV La Cambre Bruxelles sarahdegrunne@gmail.com


SENA YOON Hi. Mr. Kim Jong-il Fashion Department – Artesis Hogeschool Antwerpen sssn34@naver.com


ELISE GETTLIFFE CO2 Fashion Department – Artesis Hogeschool Antwerpen elisegettliffe@hotmail.fr


014 — 016 STÉPHANIE DUVAL

OVER MODE EN PERSOONLIJKHEID: WALTER, DE MEEST CONTROVERSIËLE On fashion and personality: Walter, the most controversial

FOTO ©HOUTEKIET

Gallons of ink have flowed on the subject of Belgian fashion. But few designers have ever been fortunate enough to see a whole book devoted to their work. This has all changed now thanks to Agnes Goyvaerts and the publishers Houtekiet. Walter Van Beirendonck: De controversieelste van de Antwerpse modeontwerpers (Walter Van Beirendonck: the most controversial of all the Antwerp fashion designers) is the first in what is to be a series of books about Belgian designers. When Houtekiet told Agnes Goyvaerts about their idea for a series on Belgian fashion designers, she was immediately enthusiastic. “For the first title, we were looking for someone who is really well known, and not just someone who is known in the business,” says Agnes. “So I suggested Walter.” He had just celebrated his 50th birthday and seemed about ready to look back on his career. “Walter knew that as a fashion journalist, I had followed his career from the very beginning, and that certainly helped him make up his mind to cooperate,” she adds. This was not the first time that Walter had been approached with a proposal for a book. He had been courted by several publishers in the past, so he says: “But they were more interested in photographic material. They wanted to make a glossy, coffee table book, but that’s not what I wanted. I wanted to tell a story about my collections, my career and the ideas behind my collections. And that’s what made the Houtekiet proposal interesting.” Being selected as the first designer wasn’t a problem for Walter. “I’ve gotten used to setting things in motion. At times, or at most times, Belgian designers have a tendency to play it safe and so they don’t take the initiative.” This was not something that Walter was guilty of. But he did insist on keeping control of the overall picture, which he did by appointing Paul Boudens as his designer. Paul has taken care of Walter’s printing and graphic design since the very beginning, so he is very closely involved in Walter’s work. The result is a book which completely captures the atmosphere of Walter’s world, not only in the way it is written, but in the way it looks.

Monumental work Before Agnes started writing, she went to visit Walter a few times in his atelier. “We went through all his archives and I was very surprised at how orderly he had been in keeping everything. Sketches, invitations to shows, press cuttings... everything was filed neatly by season. We also sat down and watched videos of his shows, while he gave a running commentary.” Agnes has a number of books to her name, but she makes it clear that she is no novelist. “My approach to this book differed little from my work as a journalist. I did my research, I did


015

my interviews and I wrote it up in the journalistic style. But in one way it was hugely different, and that was the sheer length of the project. The things I write usually end up in the waste paper basket the day after they are published and I’ve already moved on to the next thing. But this really was a monumental work.” This book, on the most controversial of the Antwerp designers, has a chronological structure to it. “I thought about dividing the book up, into subjects,” explains Agnes, “but then I thought it might be too complicated for anyone who is not well versed in fashion.” She tells the story of Walter’s career, not just in the context of the fashion world, but in the broader cultural setting. “I went and found out which films, books and exhibitions were in vogue at the various times of his collections. I also involved people who have worked closely with Walter or know him well, and so the story also unfolds through their eyes. In the process, I noticed that no one had anything bad to say about Walter. He often comes across as very strict, and people who don’t know him often brand him as an ogre, but this is far from the truth.”

Good times and bad times When Agnes started her career as a fashion journalist, the Antwerp Six had just come flying out of the starting blocks. So you could say she has been following Walter’s career for many years. And she learned something new when she was putting the book together. “What surprises me most are the stories about Walter’s difficult periods. When things weren’t going well, he used to put up a front. I have only just heard how things really were. When he was working with Mustang, for example, he had enough financial muscle to organise big shows, but when the partnership came to an end, so did everything else. I found it extremely interesting to find out how he dealt with situations like these, how he climbed back to his feet and carried on.” Walter is also appreciative of the fact that the book covers these aspects: “Obviously, things don’t always go well in fashion and it is a difficult but fascinating profession. Future young fashion designers are best advised to take a long hard look at the various aspects of fashion.” The designer found the actual process of writing quite a special experience. “Of course memories came flooding to my mind when we went through my box files together,” he tells us. “I think that, of all things, I should be proud that I have always remained true to my own signature and personality, and I’ve never compromised in this ‘cutthroat’ world. Being ethical and operating in an honest way were always priorities for me.”

Over Belgische mode vloeide al veel inkt. Weinig ontwerpers kregen echter de kans om een volledig boek over hun werk gepubliceerd te zien. Daar komt dankzij Agnes Goyvaerts en uitgeverij Houtekiet nu verandering in. Walter Van Beirendonck: De controversieelste van de Antwerpse modeontwerpers is het eerste boek in wat een reeks over Belgische designers moet worden. Toen Houtekiet bij Agnes Goyvaerts kwam aandragen met het idee voor een reeks over Belgische modeontwerpers, was ze meteen enthousiast. “Voor de eerste titel zochten we iemand die zeer bekend is, en niet enkel bij modekenners,” zo zegt Agnes. “Dus stelde ik Walter voor.” Die had net zijn vijftigste verjaardag gevierd en bleek klaar voor een terugblik op zijn carrière. “Walter wist ook dat ik hem als modejournaliste van bij het begin gevolgd heb en dat heeft zeker geholpen bij zijn beslissing om mee te werken,” voegt Agnes nog toe. Het was voor Walter niet de eerste keer dat hij benaderd werd met een boekvoorstel. Verschillende uitgeverijen deden dat al eerder, zo vertelt hij: “Maar die wilden vooral werken met fotomateriaal. Een glossy koffietafelboek wilden ze er van maken, en dat wilde ik niet. Ik wilde een verhaal vertellen over mijn collecties, mijn carrière en mijn ideeën achter de collecties. Net dat maakte het voorstel van Houtekiet interessant.” Dat hij als eerste ontwerper werd uitgekozen, was voor Walter geen probleem. “Ik ben het wel gewoon om dingen op gang te trekken. De Belgische ontwerpers hebben soms, of zelfs meestal, de neiging om op safe te spelen en dan kijken ze de kat uit de boom.” Dat deed Walter dus niet. Wel stond hij er op om de controle te behouden over het totaalbeeld, wat gebeurde door Paul Boudens aan te stellen als vormgever. Die verzorgt al sinds het begin het drukwerk en de grafiek voor Walter, en is dus erg nauw betrokken bij diens werk. Het resultaat is een boek dat niet enkel qua tekst, maar ook qua look volledig de sfeer van Walters wereld uitstraalt. WERK VAN LANGE ADEM Voor ze begon te schrijven, ging Agnes een paar keer met Walter samenzitten in zijn atelier. “We hebben zijn archieven bovengehaald en ik was enorm verrast door de ordelijkheid waarmee hij alles had bijgehouden. Schetsen, uitnodigingen voor defilés, persknipsels … alles zat netjes per seizoen opgeborgen. We hebben ook naar video’s gekeken van zijn shows, terwijl hij zat te vertellen.” Hoewel Agnes verschillende boeken op haar naam heeft staan, maakt ze duidelijk dat ze geen romanschrijfster is. “De aanpak

voor dit boek verschilde niet enorm van mijn journalistieke werk. Ik heb research gedaan, interviews afgenomen en in reportagestijl geschreven. Maar wat wel erg verschilt, is de duurtijd van het project. Normaal liggen mijn teksten de dag na verschijnen al in de prullenmand en ben ik alweer bezig aan het volgende. Dit boek was wel een werk van lange adem.” Het boek over de meest controversiele ontwerper uit Antwerpen werd chronologisch opgebouwd. “Ik heb er nog even over gedacht om het boek per thema te organiseren,” legt Agnes uit, “maar dat leek me toch te ingewikkeld voor modeleken.” Ze brengt het verhaal over Walters carrière niet enkel in de context van de modewereld, maar in die van de brede cultuur. “Ik ben gaan opzoeken welke films, boeken en tentoonstellingen in zwang waren tijdens de verschillende periodes van zijn collecties. Daarnaast betrok ik ook mensen die nauw met Walter samenwerken of die hem goed kennen, waardoor het verhaal ook door hun ogen bekeken wordt. Daarbij viel het trouwens op dat niemand iets slechts te zeggen had over Walter. Hij komt vaak erg streng over en mensen die hem niet kennen, bestempelen hem soms als een boeman, maar dat is niet waar.” GOEDE EN SLECHTE TIJDEN Toen Agnes haar loopbaan als modejournaliste begon, schoten ook de Zes van Antwerpen net uit de startblokken. Beroepsmatig volgt ze Walter dus al jaren op de voet. Toch leerde ook zij nog iets bij tijdens het samenstellen van het boek. “Ik ben vooral verrast door de verhalen over Walters moeilijke periodes. In tijden waarin het niet goed ging, hield hij een zekere schijn hoog. Nu pas heb ik gehoord hoe het er soms echt aan toe ging. Tijdens zijn samenwerking met Mustang, bijvoorbeeld, was er genoeg financiële draagkracht om grote shows te organiseren, maar toen die samenwerking ten einde liep, was het ook daarmee ineens afgelopen. Ik vond het enorm interessant om er achter te komen hoe hij met zo’n situaties omging, hoe hij recht krabbelde en verder ging.” Ook Walter apprecieert dat het boek deze aspecten aan bod laat komen: “Het is duidelijk dat het niet altijd even makkelijk gaat in de mode en dat het een zwaar maar boeiend beroep is. Voor jonge ontwerpers in spe is het zeker een aanrader om kennis te maken met de verschillende facetten van de mode.” Het schrijfproces was voor de ontwerper zelf een bijzondere ervaring. “Natuurlijk kwamen er massa’s herinneringen naar boven toen we samen door mijn archiefdozen gingen,” vertelt hij. “Ik denk dat ik vooral fier mag zijn dat ik altijd mijn eigen


LET’S TELL A FAIRYTALE (ZOMER 1987) FOTO ©PATRICK ROBYN ©WALTER VAN BEIRENDONCK

signatuur en persoonlijkheid trouw gebleven ben en nooit toegevingen gedaan heb in deze ‘moordende’ wereld. Ethiek en op een eerlijke manier functioneren was altijd een prioriteit voor mij.”

W.&L.T., PARADISE PLEASURE PRODUCTIONS (WINTER 1995-1996). FOTO JEAN-BAPTISTE MONDINO ©WALTER VAN BEIRENDONCK

IN WOORD EN BEELD Volgens Agnes zijn het zijn oeverloze fantasie en creativiteit die van Walter zo’n succes maakten. “Hij blijft in zijn eigen wereld, wars van tendensen. Hij is niet echt tegendraads, maar wel apart en soms choquerend. Zijn fascinatie voor seks komt bijvoorbeeld geregeld terug in zijn werk. Niet om te provoceren, maar gewoon omdat het sterke beelden zijn.” Op de cover prijkt dan ook het bekende zelfportret van Walter in zijn blootje. Maar de ontwerper ging niet verder in het zichzelf blootgeven dan deze ludieke allusie. “Walter wou een boek over zijn carrière en invloeden, niet over zijn persoon. Er staat wel een klein stukje in van Dirk Van Saene (zijn privépartner, red.), maar verder wordt er over relaties niet uitgewijd”, vertelt Agnes. “De focus ligt echt wel op zijn werk.” Daarom wordt het boek ook gevuld met talloze paginagrote foto’s. Die vormen een visuele aanvulling op de ideeën en omschrijvingen van zijn collecties. Om die onder woorden te brengen, had Walter het soms moeilijk: “Soms kunnen 1000 woorden niet uitleggen wat je met één beeld kan zeggen. Maar uitleg bij concepten of beelden is best wel belangrijk en vooral nuttig om de ontwerper beter te begrijpen.” Daarom liet Agnes hem honderduit vertellen over zijn creatieve exploten. “Walter beschrijft heel veel, dus daarin heb ik serieus moeten snoeien, want in een lopende tekst zou het moeilijk zijn om te lezen. We hebben het bijvoorbeeld ook over materialen, maar ik heb geprobeerd te vermijden dat het een al te technische uitleg zou worden.” TOEKOMSTPLANNEN Agnes zou graag het boek nog in een Engelse vertaling zien verschijnen, om meer lezers aan te spreken. “Bovendien begrijpt 70% van de studenten aan de Antwerpse academie nauwelijks Nederlands”, redeneert ze. Nadien zou het de beurt zijn aan een volgende Belgische ontwerper. Als de reeks wordt voortgezet, is dat alvast met de zegen van Walter.

In words and images Agnes tells us that what made Walter such a great success was his boundless imagination and creativity. “He stays in his own world, impervious to trends. He is not contrary, but he is different and sometimes shocking. For example, his fascination with sex recurs frequently in his work. Not as a means to provoke, but simply because the images are strong.” Walter’s famous naked self-portrait graces the cover. But the designer never gave himself any more exposure than this frivolous allusion. “Walter wanted a book about his career and influences, not his person. The book does contain a little piece by Dirk Van Saene (his significant other, ed.), but aside from this, it says nothing about relationships”, says Agnes. “The focus really is on his work.” This is why the book is filled with countless full-page photos. They lend visual support to the ideas behind and the descriptions of his collections. At times, Walter found it difficult to put words to them: “Sometimes 1000 words are not enough to express what you can say with just one picture. But it is important to explain concepts and images, especially when trying to understand the designer.” This is why Agnes let him talk nineteen to the dozens about his creative exploits. “Walter has a lot to say and so I’ve had to cut a lot of down, because it would be too difficult to read in running text. We talked about materials, for example, and I’ve tried to avoid making it all too technical.”

Plans for the future Agnes would like to see the book translated into English, in order to appeal to more readers. “Actually, 70% of the students at the Antwerp Academy have very little understanding of Dutch,” she reasons. Then, of course, there is the next Belgian designer. And, if the series continues, this is bound to be with Walter’s blessing.


017 — 019 STÉPHANIE DUVAL

LENNY LELEU: HET LEVEN DOOR EEN ZONNEBRIL Lenny Leleu: life through a pair of sunglasses

FOTO ©LISELOTTE HABETS

Lenny Leleu’s story is as unexpected as it is inspirational. Like many little girls, she dreamt of being a fashion designer. But what made her different from all the other little girls her age was the environment she grew up in - an army base in Germany. Portrait of an ambitious newcomer. “I don’t know where I got it from,” she tells us with a laugh, “but as a child, there was nothing I liked better than drawing dresses.” But little girls grow up, and Lenny’s parents wanted her to study something more sensible, such as Latin and mathematics. After finishing secondary school, Lenny decided that the only subject that really appealed to her would bring her to Antwerp. But, when she enrolled at the Fashion Academy, the entrance tests proved too difficult for her. “I had hardly any experience in drawing and sewing; I really didn’t think the entrance exams would be so hard.” So before entering, she did a foundation year in arts and humanities, to give her a solid basis. “This course gives you a taster of all the different arts subjects, but in my case, it was immediately very motivated and specific,” says Lenny. Lenny passed her second selection test. “I really did find it very hard in the beginning. I did have some ability to draw, but not as much as the rest. I was far too impressed by what everyone else around me was doing. As a result, I put myself under too much pressure and was unable to enjoy myself. But things clicked for me in the second year and I started doing exactly what I pleased. Strangely enough, that’s when things started going well.” This strong urge towards individuality is one of the reasons why Lenny chose the fashion course in Antwerp. “For me, going to work for someone else was never an option. I wanted to do fashion because I want to add something. I want to push the boundaries and challenge myself to actually produce something new, even though it has all been done before. In Antwerp, the course is very much about developing a personal style, to enable you to create your own collection. It really was the best choice for me.” Lenny made it clear with her final year collection that she wasn’t one for making life easy for herself. Taking the everyday theme of mass tourism as her basis, she set out to create a beautiful summer collection. She put together a fresh, ready-to-wear collection under the playful motto of I love Costa Brava, which included surprising interpretations of typical holiday clothing. She also developed a range of sunglasses in collaboration with Theo, and had a go at designing her own swimsuit: “It was a real challenge to do something new with such a small area,” says Lenny, explaining her fascination with this minimal item of clothing. “And when things look impossible, you can count me in!” she adds with a laugh. What


018

Het verhaal van Lenny Leleu is even onverwacht als inspirerend. Net zoals vele kleine meisjes droomde ze van een carrière als modeontwerpster. Wat ze niet deelde met haar leeftijdsgenootjes was de omgeving waarin ze opgroeide: een legerbasis in Duitsland. Portret van een ambitieuze nieuwkomer. “Ik weet echt niet waar het vandaan kwam,” vertelt ze lachend, “maar ik deed als kind niets liever dan jurken tekenen.” Kleine meisjes worden groot en Lenny’s ouders zagen haar liever een nuchtere richting volgen, zoals Latijn-Wiskunde. Maar na de middelbare school besloot Lenny dat de enige studie die haar echt aansprak, haar naar Antwerpen zou brengen. Toen ze zich inschreef aan de Modeacademie bleken de ingangsproeven voor Lenny te zwaar te zijn. “Ik had amper ervaring met tekenen of naaien; ik was echt niet voorbereid op zo’n moeilijke ingangsexamens.” Daarom volgde ze eerst een voorbereidend jaar aan de kunsthumaniora, om een degelijke basis te verkrijgen. “Het is een richting die je van alle kunstrichtingen wil laten snoepen, maar bij mij was het meteen heel gemotiveerd en gericht,” zegt Lenny. Bij de tweede selectieproef lukte het Lenny wél. “Ik heb het in het begin echt heel moeilijk gehad. Ik kon wel wat tekenen, maar niet zo goed als de rest. Ik was echt te hard onder de indruk van wat iedereen rond mij deed. Ik legde daardoor te veel druk op mezelf, waardoor ik niet kon genieten. Maar na het tweede jaar heb ik een ‘klik’ gemaakt, en deed ik alleen nog wat ik echt zelf wilde. Gek genoeg ging het toen plots vanzelf.” Die grote drang naar individualiteit is een van de redenen waarom Lenny koos voor de Antwerpse modeopleiding. “Voor iemand anders gaan werken, was voor mij nooit een optie. Ik wilde mode doen omdat ik er iets aan wil toevoegen. Ik wil grenzen verleggen en mezelf uitdagen om toch iets nieuws te brengen, ook al is alles al eens gedaan. In Antwerpen is de opleiding erg gericht op het ontwikkelen van een persoonlijke stijl, zodat je een eigen collectie kan maken. Het was echt de beste keuze voor mij.” Met haar afstudeercollectie maakte Lenny duidelijk dat ze het zichzelf niet graag makkelijk maakt. Zich baserend op een banaal thema als massatoerisme, wilde ze een zomercollectie maken die mooi was. Onder het ludieke motto I love Costa Brava zette ze een frisse prêt-à-portercollectie neer, met verrassende interpretaties van typische vakantiekleding. Daarnaast ontwikkelde ze een reeks zonnebrillen in samenwerking met Theo en waagde Lenny zich ook aan een badpak: “Het was een hele uitdaging om iets nieuws

te doen met zo’n beperkte oppervlakte,” verklaart Lenny haar fascinatie voor het minimale kledingstuk. “En als het onmogelijk lijkt, ben ik er voor gewonnen!” voegt ze lachend toe. Wat begon met een badpak, werd uiteindelijk een minicollectie van zeven verschillende modellen: allemaal even strak belijnd en gesofistikeerd sexy. Na haar studie was Lenny niet klaar voor een vaste job. “Je krijgt een opleiding die er zo uitgesproken op gericht is om een eigen stijl te ontwikkelen, dat het me verbaast dat niet méér studenten hun eigen pad kiezen wanneer ze afstuderen,” bedenkt Lenny. Zelf stortte ze zich meteen op de creatie van een tweede badpakkenlijn, nadat ze werd uitgenodigd voor de modeshow van het Gentse modeevenement Let’s Play Fashion. “Het is evident dat ik daarvoor niet opnieuw mijn eindejaarscollectie wilde gebruiken,” glimlacht ze haast verontschuldigend over haar eigen ijver. Lenny stopte nooit met werken aan haar eigen collecties, ook niet tijdens de stages die haar naar de Verenigde Staten lokten. “Op school kregen we een e-mail van het Amerikaanse bedrijf Daryl K. dat om stagiaires vroeg. Ik kende het merk niet echt, maar wilde altijd al naar New York gaan. Het was een erg klein bedrijf, waar ik aan bijna alles mocht meewerken: patronen verbeteren, samples naaien, met Photoshop werken … Na een maand werd ik zelfs ingezet om mee te ontwerpen.” Daarnaast vond Lenny ook nog de tijd om een filmstudent aan de New York University te helpen met zijn afstudeerproject. Op twee weken tijd stak ze verschillende kostuums in elkaar voor zijn reclamefilmpje voor Johnny Walker, dat recent in de top 10 van The Art and Technique of the American Commercial 2009 Show werd opgenomen. Na Daryl K. volgde een stage aan de andere kant van de VS, in Los Angeles. “Jeremy Scott is een designer waar ik zelf erg achter sta,” vertelt Lenny. “Ze zochten er iemand die kort voor de show in Parijs alles kon helpen opzetten. We waren met drie mensen en alles werd door onszelf genaaid en gecreëerd. Het was een creatieve en minder commerciële werkomgeving, waar ik ontzettend veel ervaring heb opgedaan.” Tijdens de stage toonde ze haar eigen werk aan de grensverleggende boetiek New High (m)art, die haar T-shirts en zonnebrillen opnam in hun aanbod. “De winkel verandert elke drie maanden van thema en zoekt telkens jonge, beginnende ontwerpers die daarbij passen. Toen ik er werd bijgehaald, was het thema Cosmic Collision: Intelligent Design for the Second Big Bang.” Het miniwinkeltje geniet veel bijval bij modekenners en bij de grote opening was

started out as a swimsuit turned into a mini collection of seven models - each with minimal lines and a sophisticated sexiness. Lenny wasn’t ready for a full-time job when she finished her studies. “The training you get there is so explicitly geared towards developing your own style that I am amazed that more students don’t follow their own path when they graduate,” Lenny muses. She threw herself into creating a second line of swimwear after being invited to the Let’s Play Fashion show at the Ghent fashion event. “Obviously, I didn’t want to trot out my final year collection again,” she says with a smile, almost apologising for her own diligence. Lenny never stopped working on her own collections, not even during intern periods that took her to the United States. “At school, we got an e-mail from the American company, Daryl K., asking for interns. I hadn’t really heard of the brand, but had always wanted to go to New York. It was a really small company and I was able to work on just about everything: improving patterns, sewing samples, working with Photoshop, etc. After a month, they even put me to work designing.” Lenny even managed to find time to help a film student at New York University with his final project. In the space of two weeks, she put together a variety of costumes for his advertising film for Johnnie Walker, which was recently included in the top 10 at The Art and Technique of the American Commercial 2009 Show. After Daryl K., she joined another company as an intern on the other side of the US, in Los Angeles. “Jeremy Scott is a designer who I fully support myself,” says Lenny. “They were looking for someone who could help set everything up shortly before the show in Paris. There were three of us and we sewed and created everything ourselves. The environment was more creative than commercial and I gained a huge amount of experience from it.” During this training period, she showed her own work at the groundbreaking boutique, New High (m)art, which included her T-shirts and sunglasses in their product range. “The shop changes themes every three months and is always looking for young, beginning designers who fit in there. When I was brought in, the theme was Cosmic Collision: Intelligent Design for the Second Big Bang.” The mini-store is much applauded by fashion connoisseurs and the American fashion magazine Women’s Wear Daily was present at the grand opening. It was clear they were impressed by Lenny when she was the only young designer they mentioned in the article on the opening. Stylists are also frequent visitors to the boutique. One borrowed a pair of Lenny’s sunglasses and placed them on the nose of singer, Fergie, at a photo shoot. Fergie liked them so much that she


FOTO ©LISELOTTE HABETS

ook het Amerikaanse modevakblad Women’s Wear Daily aanwezig. Dat zij onder de indruk waren van Lenny werd duidelijk toen ze haar als enige jonge designer vermeldden in hun artikel over de opening. Ook stylisten frequenteren de boetiek regelmatig. Een van hen leende een zonnebril van Lenny uit en zette hem voor een fotoshoot op de neus van zangeres Fergie. Die vond hem zo leuk dat ze hem prompt kocht. “Dat is natuurlijk leuk, want normaal verwachten zo’n sterren altijd dat ze die dingen gratis krijgen. We zouden nu willen proberen Fergie mijn badpakken te laten dragen tijdens haar tournee, omdat ze perfect bij haar glamoureuze stijl passen.” De kans is dus groot dat Lenny’s grote doorbraak eerder in Amerika zal plaatsvinden dan in haar thuisland. Ook dit voorjaar reisde ze weer naar New York, om samen met de eigenares van New High (m)art haar collectie voor te stellen aan nieuwe boetieks. “De eigenares kocht zelf een van mijn T-shirts en kreeg er vaak positieve reacties op, dus vroeg ze of ze mij mocht vertegenwoordigen in de States.” Produceren doet Lenny in België, om een goede kwaliteit te garanderen en dicht betrokken te blijven bij elke stap. Maar voor de expansie van haar merk kijkt Lenny toch vooral over de landsgrenzen heen. “Het is een heel ander product dan je van een Belgische ontwerper zou verwachten, en bovendien is het hier in België amper een maand zomer. Mijn persoonlijke fascinatie voor de Verenigde Staten deed me daar beginnen, maar ik kijk ook naar landen als Australië.” Stap voor stap wil ze de wereld veroveren en het is duidelijk dat Lenny’s ambitie en talent haar een flink eind op weg zullen helpen.

FOTO ©LISELOTTE HABETS

bought them. “That was really cool of course, because big stars like that normally expect to get everything for free. We should try to get Fergie to wear my swimsuits on tour, because they fit in so perfectly with her glamorous style.” There is every chance that Lenny will make her big breakthrough in America rather than in her home country. She travelled to New York again this year, where she and the owner of New High (m)art presented her collection to new boutiques. “The owner bought one of my T-shirts and got lots of very positive reactions when she wore it, so she asked if she could represent me in the States.” Lenny produces her clothes in Belgium, to guarantee good quality and stay closely involved in each step. But when it comaes to expanding her brand, Lenny is looking beyond our country’s borders. “The product is completely different to what you would expect from a Belgian designer, and on top of that, it will be summer in Belgium in less than a month. My personal fascination with the United States is what got me started there in the first place, but I’m also looking at countries like Australia.” Lenny aims to conquer the world step-by-step, and it is clear that her ambition and talent will take her a long way down that road.

FOTO ©LISELOTTE HABETS

019


020

VITRINE GENT: KLEUR IN DE STAD Vitrine Gent: Colour in the city

Colours. Het thema van Vitrine 2009 kon niet beter gekozen zijn. Het project, dat in 1998 voor het eerst georganiseerd werd door het Flanders Fashion Institute, reist opnieuw naar Gent. Vitrine vindt er plaats van 18 tot 27 juni, onder het goedkeurend oog van kunstgoeroe Jan Hoet. Vitrine heeft al een heuse staat van dienst. Toen het voor het eerst georganiseerd werd door het Flanders Fashion Institute, kreeg het kruim van de Belgische modewereld de kans om het publiek via vitrines in de Antwerpse binnenstad warm te maken voor mode in al zijn varianten. Vandaag is het Vitrine-project nog steeds een springplank voor jong modetalent dat via expo of performance in een of andere winkel, galerie of eethuis de weg zoekt naar een publiek. Dat zal met deze Colours-editie allicht niet anders zijn. Het FFI doet dit keer beroep op niemand minder dan Jan Hoet. De man die het SMAK in Gent een smoel gaf en nadien ook het museum MARTa in het Duitse Herford grote diensten bewees, werd aangezocht om talent mee uit te kiezen en te begeleiden naar de Vitrine-tiendaagse. Hij deed dat naar eigen zeggen met plezier, al weten we uit het verleden dat Jan Hoet en mode niet altijd door eenzelfde deur konden. We zijn dus meer dan benieuwd! Op het programma staan een 27-tal installaties van bekende en minder beken-

de namen uit het Gentse. Glaskunstenaar Elisabeth Leenknegt, de ontwerpster achter de collectie Glasjuweel, brengt haar kunst in 3D. We moeten er dus een brilletje voor opzetten en zullen dan pas zien wat zij voor ons in petto heeft. Lenny Leleu [zie ook elders in dit nummer] zal er haar nieuwste collectie badpakken presenteren en Carolin Lerch van Pelican Avenue heeft voor ons een videoinstallatie klaar. Lingeriefabrikant Van de Velde laat voor het eerst de ontwerpers zelf naar buiten komen met een installatie. Onder meer Nele Feyen (Marie Jo) en Marco Galovic (Marie Jo L’Aventure) gaan op zoek naar vrouwelijkheid in de mode. Jungo Geortay, de Belgische ontwerper van Koreaanse afkomst die studeerde aan la Cambre en bij onder meer Lanvin en Gaultier werkte in Parijs, pakt uit met zijn Stars Invaders, een soort kleureninvasie in de stad en tegelijk ook een hommage aan graffitikunstenaars waar ook ter wereld. Ook Jo De Visscher, Sofie De Nil, Sofie D’Hoore, Veronique Branquinho en designer van het jaar Stefan Schöning mogen ons verrassen. Vitrine in Gent loopt van 18 tot 27 juni in de straten van Gent (in vitrines en in openbare plekken). Meer info: www.ffi.be

Colours. Vitrine 2009 could not have chosen a better time. The project, which was organized for the first time in 1998 by the Flanders Fashion Institute, is back in Ghent again and will be held from 18 until 27 June under the approving eye of art guru, Jan Hoet. Vitrine can pride itself on an impressive record. At the time, when it was first organized by the Flanders Fashion Institute, the cream of the crop of the Belgian fashion world was given the opportunity to raise awareness among the general public in display windows in Antwerp’s city centre for the various aspects of fashion. These days, the Vitrine project still serves as a launch pad for young fashion talent that tries to find an audience through an exhibition or a performance in a store, gallery or café. This Colours edition will be no different. This time around, the FFI will be working with Jan Hoet. The man who became the face of the SMAK contemporary arts museum in Ghent and who also helped put the MARTa museum in Herford, Germany on the map. He was asked to select and provide guidance in the run-up to the ten-day Vitrine happening. He enjoyed doing it, although we know that Jan Hoet was not always fashion-minded in the past. We are more than intrigued! The programme includes 27 installations by well-known and lesser-known names from Ghent. Glass artist Elisabeth Leenknegt, the designer of the Glasjuweel collection, will be showing her art in 3D. We will need the customary redgreen glasses to see what she has in store for us. Lenny Leleu (see elsewhere in this issue) will be showing her most recent bathing suit collection, while Carolin Lerch of Pelican Avenue has prepared a video installation. Lingerie manufacturer Van de Velde has put its designers in the spotlight. Nele Feyen (Marie Jo) and Marco Galovic (Marie Jo L’Aventure) have created their own installations, searching for femininity in fashion. Jungo Geortay, the Belgian designer of Korean origin, who studied at La Cambre and worked for Lanvin and Gaultier in Paris, among others, created Stars Invaders, an invasion of colour in the city as well as a homage to graffiti artists worldwide. Jo De Visscher, Sofie De Nil, Sofie D’Hoore, Veronique Branquinho and designer of the year, Stefan Schöning have also been invited. Vitrine Ghent will run in Ghent’s streets (in window displays and in public places) from 18 until 27 June. For more information: www.ffi.be


Tal van Belgische ontwerpers zijn aanwezig met hun werk op de modebiënnale van Arnhem. Dit evenement vindt plaats van 6 juni tot 6 juli in dé Nederlandse modestad bij uitstek (met de bekende modeafdeling aan de ArtEZ-hogeschool). Het Flanders Fashion Institute treedt aan als partner. Anna Heylen, Bernhard Willhelm, Christophe Coppens, Maison Martin Margiela, Raf Simons maar ook nieuwe namen zoals Demna Gvasalia en Peter Hornstein staan op de affiche, naast internationale namen als Jil Sander, Lanvin, Hussein Chalayan en natuurlijk het Nederlandse cultduo Viktor & Rolf. Het overkoepelende thema is SHAPE, en dat kan geen toeval zijn. Piet Paris, artistiek directeur van de Biënnale, wil ‘vorm’ centraal stellen. Paris, een bekende illustrator en modevisionair in Nederland, zegt dat het bovendien niet slecht gaat met de Nederlandse modemakers. Toch stelt hij onomwonden: “Ze willen allemaal Viktor & Rolf zijn en dus zijn ze allemaal fan van de jas met de negen mouwen. Helaas hou je dat soort dingen geen eeuwigheid vol.” Several Belgian designers will be attending the fashion biennial in Arnhem, where they will be showing their work. This event will take place in the Dutch fashion city par excellence (with its renowned fashion department at the ArtEZ college) from 6 June until 6 July. The Flanders Fashion Institute is a partner of this event. Anna Heylen, Bernhard Willhelm, Christophe Coppens, Maison Martin Margiela, Raf Simons as well as new talent such as Demna Gvasalia and Peter Hornstein will be travelling to Arnhem, but also international brands such as Jil Sander, Lanvin, Hussein Chalayan and, of course, Dutch cult duo, Viktor & Rolf. The overarching theme is SHAPE, which is not a coincidence. Paris, a wellknown illustrator and fashion visionary, says that Dutch fashion designers are actually doing quite well. And yet he is quite frank: “They all want to be Viktor & Rolf and so they are all fans of the nine-sleeved jacket. Unfortunately, you can’t do this forever.”

www.arnhemmodebiennale.com

IN HER SHOES IN HASSELT In her shoes in Hasselt Het Modemuseum van Hasselt pakt uit met een tentoonstelling over schoenen. Het wordt een historische expo die de periode 1900 tot nu belicht, aan de hand van opmerkelijk schoeisel ontworpen door bekende namen als André Perugia, Roger Vivier, Salvatore Ferragamo en Charles Jourdan. Ook de Nederlander Jan Jansen komt aan bod, net als de wereldvermaarde Manolo Blahnik, Jimmy Choo en Christian Louboutin. België is eveneens vertegenwoordigd, met werk van Els Proost, Nathalie Verlinden, Ellen Verbeek en Linde Hermans. In her shoes, nog tot 8 november in het ModeMuseum, Gasthuisstraat 11, Hasselt. www.modemuseumhasselt.be The Hasselt Fashion Museum is organising an exhibition on shoes. This historic exhibition highlights the period from 1900 to the present, showcasing remarkable shoes by such luminaries as André Perugia, Roger Vivier, Salvatore Ferragamo and Charles Jourdan. Dutch designer Jan Jansen is also included, as well as the world-renowned shoe trifecta, Manolo Blahnik, Jimmy Choo and Christian Louboutin. Belgium is also represented with work by Els Proost, Nathalie Verlinden, Ellen Verbeek and Linde Hermans. In her shoes, until 8 November at the ModeMuseum, Gasthuisstraat 11, Hasselt. www.modemuseumhasselt.be

NIEUWS

BELGISCHE MODE IN ARNHEM Belgian fashion in Arnhem


VERONIQUE BRANQUINHO ARTISTIEK DIRECTRICE VAN DELVAUX Veronique Branquinho appointed artistic director at Delvaux De Antwerpse modeontwerpster Veronique Branquinho is sinds maart de nieuwe artistiek directrice van Delvaux. Ze heeft haar eerste drie ontwerpen (herfstwinter) getoond tijdens haar prêt-à-portershow in Parijs, maar is intussen een volledige lente-zomercollectie aan het klaarstomen voor het prestigieuze Belgische luxehuis. Branquinho mag er nauw samenwerken met de Studio van het huis en met de vele vakmensen die in het atelier in het Arsenaal in Brussel werken. “Ik ben heel blij met de samenwerking, omdat we heel veel waarden delen. Ik hou van dit soort echte luxe, van vakmanschap en authenticiteit.”

NIEUWS

Antwerp fashion designer, Veronique Branquinho, has been appointed as the new artistic director of Delvaux, since March. She showed her first three designs (autumn-winter) during her prêt-à-porter show in Paris, but is now preparing a complete spring/summer collection for the prestigious Belgian luxury brand. Branquinho is working with the brand’s Studio as well as with the numerous craftsmen of the workshop at the Arsenal in Brussels. “I am delighted about this collaboration, because we have many values in common. I love this type of real luxury, of craftsmanship and authenticity.”

www.delvaux.com

BELGISCHE MODE IN MILAAN Belgian fashion in Milan Opgemerkt tijdens de modeweek van Milaan begin maart: Mikio Sakabe en Sandrina Fasoli. Ze mochten allebei defileren in The White Club, in het hart van de modestad, en konden op die manier toch een statement maken voor winter 2009. Zowel Mikio (oudstudent van de modeafdeling van de Antwerpse academie) als Sandrina Fasoli (oud-student La Cambre) vonden het een uitgelezen kans om hun werk aan een internationale schare pers en buyers te tonen. Newcomers during Milan Fashion Week at the beginning of March: Mikio Sakabe and Sandrina Fasoli, who were invited to show their designs at The White Club, in the centre of the fashion city, enabling them to make a statement for winter 2009. Mikio (a former student of the fashion department of Antwerp’s fashion academy) as well as Sandrina (former student of La Cambre) felt this was an excellent opportunity to show their work to the international press and buyers.


It’s showtime! Op 11, 12 en 13 juni tonen alle modestudenten van de academie Antwerpen hun kunnen tijdens Show2009 (info: www. antwerp-fashion.be). Een week ervoor is het de beurt aan de modeafdeling van La Cambre (info: www.sherpa.be). Voor de modestudenten van Gent is het wachten tot 18 juni, wanneer zij -ook tijdens een driedaagse- hun creativiteit laten zien (info: www.uitbureau.be). *** In het kader van de modeshow van de academie van Antwerpen wordt Show/off #2 gelanceerd, een magazine met de highlights van de studenten en nieuws over de afdeling mode. Het magazine wordt vast en zeker een collector’s item. Meer info: www.antwerp-fashion.be. *** Het Modemuseum van Antwerpen (MoMu) heeft de prijs van de kinderjury in de wacht gesleept in het kader van de Museumprijs 2009. Het MoMu kreeg 2 500 euro voor de kindvriendelijke publieksprogramma’s. *** Alexandra Verschueren, master-student aan de modeafdeling van de Antwerpse academie, heeft de MoMu-prijs 2009 gewonnen en mag dus haar afstudeercollectie Medium presenteren in de MoMuGallery, op de benedenverdieping van het MoMu. Ze wordt geprezen omwille van haar unieke visuele taal. Zegt Verschueren: “Ik speel met materialen en met de spanning ertussen. En ik jongleer met vorm. Wat je ziet, is niet altijd wat je krijgt.” *** Dries Van Noten is de afgelopen maanden opnieuw in de prijzen gevallen. Voka/Kamer van Koophandel Antwerpen en het Waasland voegt de ontwerper toe aan haar Galerij van Prominenten omwille van zijn uitzonderlijke bijdrage aan de regio op socio-economisch en cultureel vlak. In het verleden kregen onder meer Peter Piot en Luc Tuymans de prijs. *** Haider Ackermann heeft op het Festival van Cannes Tilda Swinton gekleed. *** Jean-Paul Knott heeft een herfstwintercollectie klaar voor 3Suisses. *** La Maison Martin Margiela heeft een helm getekend en ontwikkeld voor Ruby. Er is nog meer nieuws van het avant-garde Huis: tijdens de designweek van Milaan werden de eerste ontwerpen van La Maison Home onthuld. De collectie bestaat uit behangpapier, lampen en tapijten, maar het mag gezegd dat de eerste presentatie een teaser was voor wat nog komen moet. Wanneer de échte lijn gelanceerd wordt in de winkels, is nog niet geweten. Evenmin onduidelijk is de lancering van het eerste Margiela-parfum, een samenwerking met L’Oréal, dat eveneens in de steigers staat. *** Walter Van Beirendonck zit niet stil. Hij bedacht voor de Belgische fietsersbond een nieuwe fietstas en maakt nu ook een illustratie voor de befaamde singer-songwriter Mika. Hij is in uitstekend gezelschap, want ook Paul Smith, Alber Elbaz en Manish Arora leveren een bijdrage. www.fietsersbond.be/nieuws/belgerinkel

TELEX

It’s showtime! On 11, 12 and 13 June, all the fashion students of the Antwerp Academy will be showing off their skills during Show2009 (information: www.antwerp-fashion.be). The week before, the fashion department of La Cambre will be in the hot seat. The fashion students of Ghent will have to wait until 18 June, when they too will be able to showcase their creativity, during a three-day event (information: www. uitbureau.be). *** In the frame of the fashion show of the Antwerp Academy Show/off #2, a magazine with highlights about the students and news from the fashion department, will be launched. The magazine will definitely be a collector’s item. More information: www.antwerpfashion.be. *** The Antwerp Fashion Museum (MoMu) has been awarded a prize by the children’s jury in the frame of the 2009 Museum Prize. The MoMu received 2,500 Euros to set up child-friendly public programmes. *** Alexandra Verschueren, a Master’s student in the Academy’s fashion department, has won the 2009 MoMu Prize, meaning she can present her graduation collection, Medium, in the MoMuGallery, on the museum’s ground floor level. The jury praised her unique visual language. Verschueren says: “I like to play with materials and with the tension between them. And I juggle shapes. What you see, is not always what you get.” *** Dries Van Noten recently won yet another award. Voka/Chamber of Commerce Antwerp and Waasland has added the designer to its Gallery of Eminent Public Figures because of this exceptional social-economic and cultural contribution to the region. In the past, the prize has already been awarded to Peter Piot and Luc Tuymans. *** Haider Ackermann dressed Tilda Swinton at the Cannes Film Festival. *** Jean-Paul Knott has completed an Autumn/Winter collection for 3Suisses. *** La Maison Martin Margiela has designed and developed a helmet for Ruby. There is more news from the avant-garde fashion brand: during Milan design week, it revealed the first designs of La Maison Home. The collection is made up of lamps, carpets and wallpaper. The presentation was a teaser with more to come soon. The exact launch date of the collection in stores has not been published yet. More information is also forthcoming about the launch date of the first Margiela perfume, a collaboration with L’Oréal, which is also in the pipeline. *** Walter Van Beirendonck is always coming up with something new. For the Belgian bicycle federation, the designer designed a new bicycle bag and now he is also doing some illustrating work for famous singer-songwriter, Mika. He is in excellent company, as Paul Smith, Alber Elbaz and Manish Arora also contributed. www.fietsersbond.be/nieuws/ belgerinkel *** Belgian fashion designer, Simon-


TELEX

*** De Belgische modeontwerper Simon-Pierre Toussaint (vorig jaar afgestudeerd aan de modeafdeling van de Antwerpse academie, red.) heeft op het befaamde modefestival van Hyères de publieksprijs en de prijs van de stad Hyères in de wacht gesleept. Hij deelde ook de CrystallizedSwarovski Elements Award (ter waarde van 15 000 euro). *** Tijdens ITS Trieste treden ook de modeontwerpers Elise Getliffe en Karisia Paponi aan, naast Yuima Nakazato (met accessoires). Zij blijven in de shortlist van de wedstrijd, die op 10 en 11 juli zijn finale kent. www.itsweb.org *** Wie tegenwoordig de metro neemt in Brussel, kan er oog in oog komen te staan met boeiende beelden van Stephan Vanfleteren. Mode in de metro is een uniek project waarbij modellenvoor-één-dag gefotografeerd werden in stukken van bekende Brusselse ontwerpers. Onder meer Christophe Coppens, Cathy Pill en Annemie Verbeke hebben aan het project hun medewerking verleend. *** De Lokale Politie van Antwerpen en het Flanders Fashion Institute hebben de handen in elkaar geslagen voor een wedstrijd die moet leiden tot een nieuw uniform voor het onthaalpersoneel van de politie. De wedstrijd is toegankelijk voor ontwerpers die een link hebben met de stad Antwerpen (daar werkzaam of daar afgestudeerd). Maandag 23 juni om 14 uur is de uiterste datum voor het indienen van de individuele dossiers. *** Op 20 mei kwamen de directeuren van de academies voor Schone Kunsten van Antwerpen, Gent en Brussel, alsook de directeuren van de respectieve modeafdelingen samen in het Flanders Fashion Institute. Toekomstige samenwerkingsverbanden werden besproken, naast de rol die het Flanders Fashion Institute kan opnemen in de stage- en loopbaanbegeleiding van studenten en afgestudeerden. Ook het opzetten van een alumniwerking voor de bachelor/master in mode werd besproken. *** De expo Antwerp Fashion heeft al meer dan 10 000 bezoekers mogen ontvangen in Tokio. De tentoonstelling brengt een overzicht van Belgisch modetalent van de voorbije twintig jaar, en loopt nog tot 28 juni in de Tokyo Opera City Art Gallery. *** An Buermans, de winnares van de VTM-modetalentenjacht De Designers, heeft een tweede collectie uitgebracht bij JBC, waar ze sindsdien aan de slag is. Alweer erg succesvol, naar verluidt.***

Pierre Toussaint (who graduated last year from the fashion department of the Antwerp Academy, ed.) recently won the audience prize and the prize of the city of Hyères during the famous fashion festival of Hyères. He also shared the Crystallized Swarovski Elements Award (to the amount of 15,000 Euros). *** Fashion designers, Elise Getliffe and Karisia Paponi, as well as Yuima Nakazato (with accessories) will showing their work during ITS Triest. They are on the competition’s shortlist, with the final being organised on 10 and 11 July. www.itsweb.org *** Anyone taking the metro in Brussels might find himself eye to eye with some fascinating images by Stephan Vanfleteren. Mode in de metro (fashion in the metro) is a unique project, involving photo shoots of models for a day in the designs of well-known Brussels designers, such as Christophe Coppens, Cathy Pill and Annemie Verbeke. *** The Local Antwerp Police Force and the Flanders Fashion Institute have joined forces for a competition, which should lead to a new uniform for the staff manning the police force’s reception desks. The competition is open to all designers who have a link with the city of Antwerp (working or graduated there). Individual applications have to be submitted by Monday 23 June at the latest.*** On 20 May, the directors of the Academies of Fine Arts of Antwerp, Ghent and Brussels as well as the directors of the respective fashion departments met at the Flanders Fashion Institute. Future collaborations were discussed, in addition to the role that the Flanders Fashion Institute can play as regards traineeships and career guidance for students and graduates. The setting up of an alumni association for the fashion Bachelor/Master’s degree was also discussed. *** The Antwerp Fashion exhibition has already welcomes more than 10,000 visitors in Tokyo. The exhibition gives an overview of two decades of Belgian fashion talent and will run until 28 June at the Tokyo Opera City Art Gallery. *** An Buermans, the winner of TV channel VTM’s fashion talent competition De Designers (Flemish Project Runway) has presented her second collection for JBC, where she was offered a job. Another success, apparently.***


Kwintessens 2009-2