Page 51

Flamingo’s leven monogaam. De paren blijven vaak een aantal seizoenen bij elkaar.

twee andere ondersoorten van Phoenicopterus ruber, terwijl de Chileense flamingo zo sterk van de andere twee verschilt dat sommige biologen hem als een afzonderlijke soort behandelen. De Andes-flamingo en Jams ‘flamingo hebben in tegenstelling tot de kleine flamingo geen achterteen of ‘hallux’, maar alle drie hebben zij een meer gespecialiseerd zeefapparaat dan de grotere flamingo’s die tot het geslacht Phoenicopterus behoren. Flamingo’s leven monogaam en kunnen erg oud worden: in het wild zijn vogels van 50 jaar oud waarschijnlijk niet zeldzaam. De paren blijven vaak een aantal seizoenen bij elkaar. Meestal planten ze zich nogal onregelmatig voort en hangt het van de regenval af of ze al dan niet nestelen. De nestkegels zijn van modder en kunnen 30 cm hoog zijn; ze bieden bescherming tegen overstromingen en de vaak intense hitte aan de grond. Mannetjes en wijfjes bouwen samen de nesten door met hun snavel modder naar hun voeten te trekken. Het enkele grote ei wordt door de ouders om beurten bebroed en wanneer het kuiken is uitgekomen, blijft het nog een paar dagen in het nest. Daar krijgt het van de ouders een afscheiding uit de klieren van de krop. Het jong van de rode flamingo kan voor zijn eigen voedsel zorgen als het 4 tot 6 weken oud is, maar bij de roze en de kleine flamingo krijgt het kuiken voedsel van de ouders tot het uitvliegt. Tegen die tijd heeft het een geknikte snavel, net als volwassen vogels, en kan het zelf foerageren. Wanneer ze het nest verlaten, leven de jonge vogels in grote groepen; bij de kleine flamingo kunnen die groepen soms wel 30000 vogels tellen. De ouders zijn blijkbaar dankzij het geluid dat hun jong maakt in staat het in die groepen te vinden en te eten te geven. De jonge vogel vliegt uit wanneer hij ongeveer elf weken oud is. In de volgende twee of drie jaar verliest hij geleidelijk zijn grijze jeugdkleed, maar hij plant zich pas voort als hij helemaal roze is. Flamingo’s wilden zich in dierentuinen niet goed voortplanten, totdat werd ingezien

hoe belangrijk een goede verenkleur van de volwassen vogels is en er carotenoïden aan het voedsel werden toegevoegd. In het begin werd dat o.a. met wortels, pepers en gedroogde garnalen geprobeerd. Tegenwoordig wordt er een synthetische kleurstof aan het voedsel toegevoegd. De Phoenicopterus-flamingo’s planten zich nu ook in gevangenschap goed voort. De vogels leven altijd in grote groepen en in hun kolonies gaat het luidruchtig toe. Het komt bijna niet voor dat er in kleine groepjes wordt genesteld; een uitzondering vormt de rode flamingo, waarvan de geïsoleerde populatie op de Galàpagos-eilanden soms in groepjes van maar 3 tot 5 paren nestelt. Door groepsrituelen worden alle vogels ertoe gebracht om in dezelfde tijd te paren. Als gevolg daarvan komen alle eieren ongeveer tegelijk uit, zodat de periode waarin er kwetsbare kuikens in de kolonie zijn zo kort mogelijk is. Het is interessant dat de grondlegger van de systematische biologie, Linnaeus, de rode flamingo als de typische flamingo beschreef, en niet de roze flamingo, die in Europa leefde en die hij vermoedelijk beter kende. De exemplaren die hij beschreef zullen wel door reizigers uit West-Indië zijn meegenomen. Die reizigers kwamen ook terug met mythen over het broeden van deze vogels: ze zouden daarbij hun poten buiten de nestkegel laten bungelen. In werkelijkheid vouwen ze hun poten onder zich, precies zoals andere vogels ook doen. Flamingoveren worden geleidelijk valer van kleur als ze aan het zonlicht worden blootgesteld. Dat is misschien een van de redenen waarom er in het verleden geen grote aantallen van deze vogels voor de verenhandel zijn gedood. Daarentegen werd hun in het zuur ingelegde tong vroeger als een zeldzame delicatesse beschouwd en beschouwen sommige mijn-

JONASmagazine  

Eénmalige uitgave van het magazine JONAS

Advertisement