Issuu on Google+

MEER LEZEN, BETER IN TAAL – VMBO E f f e c t e n v a n l e z e n o p t a a l o n t w i k ke l i n g


MEER LEZEN, BETER IN TAAL – VMBO E f f e c t e n v a n l e z e n o p t a a l o n t w i k ke l i n g


Januari 2013

COLOFON OPDRACHTGEVER

Sectorinstituut Openbare Bibliotheken en Stichting Lezen voor Kunst van Lezen TEKST

Sardes: Kees Broekhof EINDREDACTIE

Anette Heideman FOTO’S

Jørgen Koopmanschap Paul Ridderhof Met dank aan: - Biebsearch - de Bibliotheek Utrecht: de foto’s zijn gemaakt tijdens een groepsbezoek Read2Me! bij de bibliotheek - de Bibliotheek aan den IJssel VORMGEVING

Lijn 1, Haarlem DRUK

Drukkerij Edauw + Johannissen, Den Haag


KUNST VAN LEZEN

Het ministerie van OCW heeft in 2008 het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen geïnitieerd. De minister heeft het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken en Stichting Lezen opdracht gegeven het programma te coördineren. In 2011 is het programma op basis van de bereikte successen verlengd tot 2016. Kunst van Lezen kent op dit moment drie programmalijnen:

BoekStart BoekStart is een leesbevorderingsprogramma voor baby’s. Het doel is om ouders en baby’s intensief met kinderboeken en het voorlezen daar-

Leesbevordering is te omschrijven

van in aanraking te brengen door ze actief te binden aan de plaatselijke

als: het stimuleren van het ontwik-

openbare bibliotheek. Inmiddels doet 90% van de bibliotheken mee. Het

kelen van de leesmotivatie en de

vervolgprogramma BoekStart in de kinderopvang is erop gericht om als

literaire competentie van kinderen

bibliotheek professioneel samen te werken met kinderdagverblijven en

(0-12 jaar) en jongeren (12-18 jaar).

peuterspeelzalen. Er loopt nu ook een pilot met BoekStart in de boek-

Belangrijk uitgangspunt daarbij is

handel om de aanschaf van babyboekjes te promoten.

het continu aanbieden van activiteiten en projecten op het terrein

De Bibliotheek op school

van leesbevordering (de doorgaan-

Kunst van Lezen stimuleert duurzame samenwerking voor leesbevordering

de leeslijn). Met het ‘ontwikkelen

tussen bibliotheken en basisscholen. Vanaf 2012 is dit in breder verband

van leesmotivatie’ doelen we op

voortgezet als de Bibliotheek op school. De Bibliotheek op school is een

(les)activiteiten die kinderen en

aanpak rondom onder andere een volwaardige schoolbibliotheek, die

jongeren zoveel mogelijk positieve

geborgd is in het beleid van zowel de bibliotheek als de basisschool.

leeservaringen laten opdoen,

De voormalige programmalijn ‘Cultuurhistorische canon’ is ondergebracht

zodat ze plezier in lezen krijgen

bij de bouwsteen collectie. Kunst van Lezen richt zich daarnaast op strate-

en houden. Onder ‘literaire compe-

gische samenwerking tussen bibliotheken en het voortgezet onderwijs.

tentie’ verstaan we: het mee kunnen praten over boeken, de weg kunnen vinden in het brede aanbod van boeken, kennis hebben van de kenmerken van boeken (genres en dergelijke) en een eigen oordeel over boeken kunnen geven. Het gaat hierbij om kinder-, jeugden volwassenenliteratuur.

In bovenstaande afbeelding hebben we gevisualiseerd hoe deze projecten passen binnen de doorgaande leeslijn en de doorgaande lijn mediawijsheid.

L e e s b e v o rd e r i n g s n e t w e r ke n Ter ondersteuning van de genoemde programmalijnen wordt gewerkt aan een landelijk dekkende voorziening van lokale en bovenlokale leesbevorderingsnetwerken. Op kunstvanlezen.nl staat meer informatie over het programma en de drie programmalijnen.


INHOUDSOPGAVE

INLEIDING

7

1 | TA A L E N H E T V M B O

9

2 | E F F E C T E N VA N V R I J L E Z E N

11

3 | H E T B E L A N G VA N L E E S P L E Z I E R

17

4 | D E O P B R E N G S T VA N D E S C H O O L M E D I AT H E E K E N B I B L I O T H E E K

5 | TA A L B E L E I D : E E N M E S M E T T W E E K A N T E N

6 | HOE NU VERDER?

HANDIGE SITES

BRONNEN

24

22

23

21

19


INLEIDING

B i b l i o t h e ke n , m e d i a t h e ke n e n v m b o - s c h o l e n Voor vmbo-scholen is de taalontwikkeling van leerlingen veelal een bron van zorg. De typische vmbo-leerling komt de school binnen met een beheersing van de Nederlandse taal die onder het gemiddelde ligt en die een belemmering kan vormen voor succesvolle deelname aan het onderwijs. De achterstanden zijn hardnekkig en scholen slagen er vaak niet in om effectieve maatregelen te treffen om het tij te keren. Een van de meest onderschatte effectieve maatregelen die scholen kunnen treffen is een structureel beleid rond vrij lezen en vrijetijdslezen. Talloze wetenschappelijke studies tonen aan dat lezen een sterke bijdrage kan leveren aan de taalontwikkeling van leerlingen, zowel van goede lezers als van zwakke lezers. Het is verbazend om vast te stellen dat dit gegeven nauwelijks wordt opgepakt door scholen om de taalontwikkeling van leerlingen te bevorderen. En dat terwijl lezen thuis – aangewakkerd via vrij lezen op school – grote opbrengsten kan opleveren voor de taalontwikkeling, zonder dat dit lestijd op school kost! De ideale partner om een beleid voor vrij lezen en vrijetijdslezen vorm te

Een structureel beleid rond vrij lezen en vrijetijdslezen is een van de meest onderschatte maatregelen om de taalontwikkeling van leerlingen te bevorderen.

geven is de mediatheek, in samenwerking met de openbare bibliotheek. Hier bevindt zich de expertise om de leesmotivatie van leerlingen te stimuleren en om docenten te scholen in effectieve werkvormen en te informeren over het gebruik van boekencollecties en andere bronnen bij zaak- en beroepsvakken. De taalontwikkeling van de vmbo-leerling is dus een gemeenschappelijk belang van de school en de mediatheek/bibliotheek. De school wil de taalontwikkeling van de leerling bevorderen, de bibliotheek wil van de leerling een enthousiaste lezer maken. In deze brochure laten we zien dat deze twee doelen samenvallen binnen het onderwerp lezen: vrij lezen op school en vrijetijdslezen thuis.

D e m e e r w a a rd e i n b e e l d Als de school en mediatheek/bibliotheek doelgericht samenwerken, gaan de leerresultaten van de leerlingen omhoog. Want wat blijkt: wie meer leest, scoort hoger op taaltoetsen. Zo eenvoudig is de meerwaarde van een intensieve samenwerking te onderbouwen. Deze doelgerichte samenwerking past in een structureel taalbeleid met aandacht voor de doorgaande leerlijn taal, waarmee alle leerlingen effectief ondersteund worden om het referentieniveau 2F voor het vmbo te halen. Dat is een van de kerntaken van de school. De mediatheek/bibliotheek helpt de school om haar kerntaak beter uit te voeren. Deze brochure biedt daar argumenten voor op basis van internationaal en Nederlands onderzoek dat onweerlegbaar laat zien dat leerlingen die meer lezen betere resultaten halen op school.

I n h o u d v a n d e z e b ro c h u re Hoofdstuk 1 schetst de situatie rond taal in het vmbo: het taalniveau van de leerlingen, het belang van tekstbegrip en woordenschat en de noodzaak om achterstanden aan te pakken via een structureel taalbeleid. Het dilemma van het vmbo komt hier al direct aan de orde: leerlingen zouden 7<


meer moeten lezen, maar dat is nu juist waar velen niet goed in zijn en

Taalbeleid levert meer op als het veel aandacht besteedt aan leesbevordering.

wat zij niet graag doen. In hoofdstuk 2 vatten we de belangrijkste resultaten uit onderzoek naar de effecten van lezen op de taalontwikkeling samen. De voornaamste bronnen die wij hierbij gebruiken zijn het werk van Stephen Krashen (2011, 2003), het onderzoek van Suzanne Mol en Adriana Bus (2011, 2010) en het internationale PISA-onderzoek naar de leesprestaties en leesmotivatie van 15-jarigen in de OESO-landen (Gille e.a., 2010). Hoofdstuk 3 gaat kort in op het belang van leesplezier en beschrijft wat scholen kunnen doen om het leesplezier van vmbo-leerlingen te bevorderen. In hoofdstuk 4 beschrijven we het effect van de schoolmediatheek op de leerresultaten van leerlingen. Hier verwijzen we naar Amerikaans onderzoek van Keith Lance en Nederlands onderzoek van onderzoeksbureau Oberon (Kieft e.a., 2012). Hoofdstuk 5 geeft een beknopte schets van het taalbeleid dat vmboscholen zouden moeten voeren om met maximaal effect te werken aan de leerprestaties op het gebied van taal. We beargumenteren dat dit taalbeleid sterk gericht zou moeten zijn op het stimuleren van vrij lezen op school en vrijetijdslezen thuis. Hoofdstuk 6 vat de argumentatie van de hele brochure in enkele punten samen en geeft aan hoe vmbo-scholen en mediatheken/bibliotheken hun samenwerking intensief en opbrengstgericht kunnen inzetten ten behoeve van de taalprestaties van de leerlingen. â&#x2013; 

> 8


1 | TAAL EN HET VMBO

De helft van de Nederlandse basisschoolleerlingen gaat na groep 8 naar het vmbo. Een grote groep van deze leerlingen heeft een beperkte beheersing van de Nederlandse taal. Dit geldt vooral voor de leerlingen in de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen. Dit zijn de leerlingen die op de basisschool overwegend D- en E-scores (of IV- en V-scores) haalden op de Cito-toetsen voor taal (de twee laagste categorieĂŤn). Taalvaardigheid is op het vmbo, net als bij andere onderwijssoorten, een belangrijke voorwaarde om de opleiding met succes te kunnen afronden en door te kunnen stromen. Succes betekent perspectief op een hogere vervolgopleiding en daarmee uiteindelijk een betere positie op de arbeidsmarkt. Maar hogere vervolgopleidingen stellen ook hogere eisen aan de taalvaardigheid. Er staat dus veel op het spel voor vmbo-leerlingen. Voor velen van hen is de taal een struikelblok, maar tegelijkertijd een voorwaarde om hogerop te komen. 9

<


Te k s t b e g r i p De grootste taaluitdaging voor vmbo’ers is het goed kunnen lezen van teksten. Wie teksten goed begrijpt, is beter in staat om het onderwijs te volgen, om opdrachten te maken, om instructies goed uit te voeren en om ook buiten school goed om te gaan met geschreven taal. Veel vmboleerlingen vinden het lezen van teksten lastig. Uit onderzoek van Rijksuniversiteit Groningen blijkt dat maar liefst een kwart van de leerlingen in de basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen de teksten in schoolboeken niet goed begrijpt (Hacquebord e.a., 2004). Dit beeld wordt bevestigd door onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (2008) en het internationale PISA-onderzoek, dat laat zien dat in Nederland 15 procent van de jongeren van 15 jaar niet in staat is om eenvoudige teksten te lezen. Deze groep is vooral te vinden in de lagere opleidingen van het vmbo.

Tekstbegrip en woordenschat zijn van vitaal belang voor schoolsucces. Dit zijn precies de onderdelen van taal waarop veel vmbo-leerlingen laag scoren. Een structureel taalbeleid kan hier verandering in aanbrengen.

Wo o rd e n s c h a t Woorden kennen is een voorwaarde om teksten te kunnen begrijpen. Om goed met teksten uit de voeten te kunnen in het voortgezet onderwijs, moeten leerlingen ongeveer 17.000 Nederlandse woorden kennen. Veel vmbo-leerlingen zitten ver onder dit niveau. Toch moet je 95 procent van de woorden van een tekst kennen om die tekst echt goed te begrijpen! Om leerlingen te helpen om met onbekende woorden om te gaan, hebben sommige methoden woordenlijsten en voeren scholen soms speciale woordenschatprojecten uit. De opbrengst hiervan is echter niet toereikend om de achterstand in te halen, omdat het aantal woorden dat wordt aangeleerd beperkt is en omdat de nieuw verworven woorden meestal niet systematisch worden onderhouden.

Een stap vooruit Om vmbo-leerlingen te helpen een stap vooruit te maken is een doelgericht taalbeleid nodig dat bestaat uit twee componenten. De eerste component is vooral gericht op het didactische repertoire van docenten en heeft betrekking op het vak Nederlands, taal in de zaak- en beroepsvakken en extra ondersteuning voor leerlingen die zwak zijn op specifieke taalonderdelen. Het doel hiervan is om met behulp van effectieve didactiek struikelblokken in teksten voor leerlingen weg te nemen en leerlingen technieken te leren om zelf problemen bij het begrijpen van teksten op te lossen. De tweede component is gericht op vrij lezen – lezen in boeken, strips en tijdschriften naar eigen interesse, op school en thuis. Het doel van vrij lezen is om de taalvaardigheid van de leerlingen integraal te bevorderen. Deze tweede component moet evenveel aandacht krijgen en even planmatig aangepakt worden als de eerste; daarom is het een onderdeel van het taalbeleid en geen vrijblijvend onderwerp voor enkele enthousiaste docenten. Dat van vrij lezen veel verwacht mag worden voor de taalontwikkeling van leerlingen, wordt duidelijk in het volgende hoofdstuk. ■

> 10


2 | EFFECTEN VAN VRIJ LEZEN

De Amerikaanse onderzoeker Stephen Krashen heeft een groot deel van zijn wetenschappelijke carrière onderzoek gedaan naar het verband tussen vrij lezen en taalontwikkeling. Naast eigen onderzoek heeft hij een groot aantal studies van andere onderzoekers verzameld en met elkaar vergeleken. Hij vergeleek onder andere 54 studies naar verschillen tussen scores in begrijpend lezen op scholen die vrij lezen op het programma hadden en scholen die dat niet hadden. In 51 van de 54 onderzoeken bleken de leerlingen op scholen met vrij lezen even goed of beter te scoren. In zijn meest recente publicatie Free Voluntary Reading vat Krashen de bevindingen van een aantal onderzoeken samen. Hij concludeert dat vrij 11 <


lezen een positief effect heeft op de ontwikkeling van begrijpend lezen, spelling, schrijven, grammatica en woordenschat. Dit effect doet zich zowel voor bij het lezen in de eerste taal als bij het lezen in een tweede taal. Dat is goed nieuws voor de allochtone leerlingen in het vmbo, voor wie Nederlands niet altijd de moedertaal is. Krashen constateert dat scholen enorme kansen voor taalontwikkeling laten liggen, doordat zij te weinig ruimte geven aan vrij lezen op school. Een van de belangrijkste recente studies naar de effecten van lezen op de taalontwikkeling is uitgevoerd door de Nederlandse onderzoekers Suzanne Mol en Adriana Bus. Zij wilden weten welke effecten vrij lezen op de lange termijn heeft op de taalontwikkeling. Om dit te achterhalen verzamelden zij 85 internationale studies naar voorlezen, vrijetijdslezen en taalontwikkeling. Deze studies hebben betrekking op totaal 6.636 kinderen en jongeren van verschillende leeftijden. Door deze studies naast elkaar te leggen konden de onderzoekers een beeld samenstellen van de bijdrage van voorlezen en vrijetijdslezen aan de taalontwikkeling over de gehele periode van voorschool tot hoger onderwijs. Leerlingen die in hun vrije tijd

Mol en Bus concluderen dat kinderen en jongeren die veel lezen in

veel lezen scoren beter op taaltoetsen dan andere leerlingen. De

hun vrije tijd hoger scoren dan niet-lezende leerlingen op toetsen voor

relatie tussen vrijetijdslezen en

woordenschat, leesbegrip, basisvaardigheden van lezen, technisch lezen

taal- en leesvaardigheid blijft aan-

en spelling. Dit effect is duidelijk zichtbaar op alle leeftijden. Voor woor-

wezig tot in de volwassenheid.

denschat en technisch lezen geldt dat het effect van vrijetijdslezen zelfs

Suzanne Mol en Adriana Bus, 2011

steeds groter wordt naarmate de leerlingen ouder worden. Grafiek 1 toont de verschillen in taalprestaties tussen leerlingen (basisschool en voortgezet onderwijs) die veel lezen in hun vrije tijd en leerlingen die weinig lezen in hun vrije tijd. De gegevens hebben betrekking op leerlingen van zeven tot achttien jaar. Kijken we naar het onderdeel woordenschat, dan zien we dat van de leerlingen die veel lezen in hun vrije tijd 70 procent gemiddeld of bovengemiddeld scoort op woordenschat; van de leerlingen die weinig lezen in hun vrije tijd is dat slechts 30 procent. GRAFIEK 1 90 80 70 60 50 40 30 20

veel lezen in vrije tijd weinig lezen in vrije tijd

10 0 woordenschat

> 12

Bron: Mol & Bus.

leesbegrip

basisvaardigheden

technisch lezen

spelling


O o k z w a k ke l e z e rs p ro f i t e re n Er is dus veel winst te boeken via het lezen in de vrije tijd. Maar geldt dit wel voor iedereen? Zijn het niet juist de goede lezers die steeds beter gaan lezen? Dat zou betekenen dat leerlingen op het vmbo minder profijt zouden hebben van vrijetijdslezen, omdat zij vaker tot de groep van zwakkere lezers behoren. Om deze kwestie op te helderen hebben Mol en Bus de resultaten van studies naar goede en minder goede lezers met elkaar vergeleken. Ze concluderen dat de effecten van vrijetijdslezen zich

Zwakke lezers die veel lezen in

voordoen ongeacht het leesniveau van de leerlingen. Sterker nog, op het

hun vrije tijd gaan nog meer voor-

gebied van basisvaardigheden voor lezen gaan zwakke lezers zelfs meer

uit in de basisvaardigheden van

vooruit dan de vaardige lezers (zie grafiek 2). De onderzoekers stellen:

het lezen dan vaardige lezers.

‘voor zwakke lezers lijkt het vrijetijdslezen essentiëler voor het uitbreiden

Suzanne Mol & Adriana Bus, 2011

van hun basisvaardigheden dan voor vaardige lezers.’ Dat is ook goed te begrijpen: er valt voor zwakke lezers meer winst te behalen en door veel te lezen krijgen ze extra oefening in de basisvaardigheden. ‘Zonder extra leeservaringen gaat deze groep kinderen steeds verder achterlopen’, stellen de onderzoekers. GRAFIEK 2 90 80 70 60 50 40 30 20 10

veel lezen in vrije tijd

0

weinig lezen in vrije tijd vaardige lezers

zwakke lezers

Bron: Mol & Bus.

Wo o rd e n s c h a t Om goed met teksten te kunnen werken in het voortgezet onderwijs moeten leerlingen ongeveer 17.000 woorden kennen in de brugklas. De woordenschatomvang van de gemiddelde vmbo-leerling ligt daar ruim onder, met grote verschillen tussen leerlingen. Deze verschillen kunnen onder andere verband houden met de talige achtergrond van de leerlingen. Zo komen Turkse en Marokkaanse leerlingen op het vmbo met een woordenschat van gemiddeld 10.000 woorden, beduidend lager dan de woordenschat van de gemiddelde autochtone vmbo-leerling. Er zijn ook verschillen naar schooltype. Leerlingen die vmbo-t volgen scoren aanzienlijk hoger op leestoetsen dan leerlingen in de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen. Omdat woordenschat sterk bepalend is voor leesbegrip, ligt de conclusie voor de hand dat vmbo-t-leerlingen een grotere woordenschat hebben dan leerlingen in de lagere opleidingstypen. 13 <


Er is dus een grote bandbreedte aan woordenschat in het vmbo. Wat al deze leerlingen gemeen hebben, is dat ze met een grotere woordenschat veel beter in staat zouden zijn om het onderwijs goed te volgen en om teksten in schoolboeken goed te begrijpen. Er is dus alle reden om stevig in te zetten op het vergroten van de woordenschat van vmbo-leerlingen. Sommige scholen pakken dit aan via intentionele woordenschatstimulering (woordenschatinstructie), waarbij woorden van woordenlijsten en geselecteerde woorden uit zaakvaklessen systematisch onderwezen worden. Dit is absoluut nodig, maar het is niet voldoende. Om op deze wijze de woordenschat in een jaar met bijvoorbeeld 2.000 woorden te laten groeien, moeten iedere schooldag 10 nieuwe woorden systematisch aangeleerd worden en moet de beheersing van die woorden vervolgens goed onderhouden worden. Het is maar de vraag of dat een haalbare kaart is. In het basisonderwijs, waar intentionele woordenschatstimulering veel voorkomt, wordt vaak een standaard van 5 woorden per dag gehanteerd. Niet alle woorden die zo worden aangeboden zijn echter onbekend voor alle leerlingen en niet alle woorden worden ook op langere termijn onthouden. In de praktijk zegt men daar-

Om de woordenschat van leerlingen maximaal

om vaak dat 750 tot 1.000 woorden per jaar een maximale opbrengst is voor gerichte woordenschatinstructie. Dat is niet voldoende om een achterstand van vaak meer dan 5.000 woorden te overbruggen. Om te zorgen dat de woordenschat sneller groeit, is lezen in de vrije

te laten groeien is een

tijd de beste aanvullende aanpak. Vrij lezen is een vorm van incidentele

combinatie nodig van

over een interessant onderwerp. We zagen al in het eerder aangehaalde

gerichte woordenschat-

bijdrage levert aan de groei van de woordenschat. Maar wat is die bijdrage

instructie en vrij lezen.

je vaak hoort zeggen: ‘Als ze maar lezen, het maakt niet uit wat’.

woordenschatstimulering – terloops nieuwe woorden leren terwijl je leest onderzoek van Krashen en van Mol en Bus dat lezen inderdaad een grote precies? En maakt het ook uit wát je leest, of is het inderdaad waar wat

TABEL 1 | LEESDUUR EN -VOLUME Aantal minuten lezen per dag

Aantal gelezen woorden per jaar

65,0

4.358.000

21,1

1.823.000

14,2

1.146.000

9,6

622.000

6,5

432.000

4,6

282.000

3,2

200.000

1,3

106.000

0,7

21.000

0,1

8.000

0,0

0

Bron: Cunningham & Stanovich (1998), What Reading Does For The Mind.

> 14


Laten we eerst eens kijken naar de vraag wat lezen oplevert voor de woordenschat. Om die vraag te beantwoorden kijken we eerst naar het verband tussen leesduur en aantal gelezen woorden. Tabel 1 laat zien dat als leerlingen vijf minuten per dag lezen, zij jaarlijks al bijna 300.000

Amerikaanse onderzoekers schat-

woorden meer lezen dan een leerling die helemaal niet leest. En een leer-

ten dat leerlingen die een kwartier

ling die iedere dag een uur leest zit ruim boven de vier miljoen woorden

per dag lezen, hun woordenschat

per jaar! De volgende vraag is wat het verband is tussen het aantal gele-

kunnen uitbreiden met 1.000

zen woorden en het aantal nieuwe woorden dat je zo kunt verwerven.

woorden per jaar.

Amerikaanse wetenschappers die onderzoek hebben gedaan naar deze vraag schatten dat leerlingen die ongeveer een kwartier per dag lezen (1 miljoen woorden per jaar) hun woordenschat kunnen uitbreiden met 1.000 nieuwe woorden per jaar (Anderson e.a., 1988; Nagy e.a., 1987). Nederlandse onderzoekers die verschillende internationale studies naar dit onderwerp hebben geanalyseerd, stellen bovendien dat de kans dat leerlingen via lezen nieuwe woorden leren toeneemt naarmate kinderen ouder worden (Glopper e.a., 2000). Nu nog die andere vraag: maakt het ook uit wat leerlingen lezen of is het voldoende dat ze 端berhaupt lezen? Het antwoord op die vraag is

Het is extra goed voor de taal-

eenduidig: het maakt wel degelijk uit wat ze lezen. Dat is ook gemakke-

ontwikkeling om gevarieerd te

lijk te bedenken. Van een te makkelijke tekst valt weinig te leren, van

lezen en om boeken te lezen die

een te moeilijke tekst eveneens. En als je iedere dag leest, maar je leest

net iets boven het niveau van de

niets anders dan een voetbalblad, dan leer je heel wat voetbaltermen,

lezer liggen.

maar na verloop van tijd komt daar niets meer bij, de groei komt tot stil-

Denise Kortlever en Jeroen Lemmens,

stand en de woorden die je hebt geleerd zijn voor het leren op school

2012; PISA-onderzoek 2009

niet erg relevant. Dat het uitmaakt wat je leest, wordt door onderzoek bevestigd. De Nederlandse onderzoekers Kortlever en Lemmens bestudeerden het verband tussen leesgedrag en Cito-scores aan het einde van de basisschool. Zij stellen niet alleen vast dat kinderen die veel lezen in de vrije tijd hogere Cito-scores halen voor taal en rekenen dan andere kinderen, maar ook dat kinderen die boeken lezen die bedoeld zijn voor kinderen die een jaar verder zijn nog hogere scores halen. Boeken van een niveau dat net iets hoger ligt zijn dus extra goed voor de taalontwikkeling. Bovendien is het goed om verschillende soorten materiaal te lezen: boeken (fictie en non-fictie), strips, kranten, tijdschriften. Uit het internationale PISA-onderzoek blijkt dat jongeren van 15 jaar die gevarieerd lezen hoger scoren op taal dan jongeren die dat niet doen. 15 <


L a a g f re q u e n t e w o o rd e n Kennis van de basiswoordenschat (de 6.000 meest voorkomende woorden in de Nederlandse taal) is noodzakelijk om eenvoudige teksten te kunnen lezen. Deze basiswoordenschat van ‘hoogfrequente woorden’ wordt verworven in de loop van de basisschool. Na de basiswoordenschat komt het erop aan dat leerlingen ook woorden die minder veel voorkomen (‘laagfrequente woorden’) toevoegen aan hun woordenschat, zodat zij ook de minder eenvoudige teksten kunnen lezen waarmee zij in de loop van hun schoolloopbaan te maken krijgen. Dat kunnen algemene woorden zijn (‘verlaten’, ‘de gebeurtenis’), vaktaalwoorden (‘onderdompelen’, ‘contant’, ‘de evenaar’) of schooltaalwoorden (‘constateren’, ‘naarmate’, ‘de functie’). Schooltaalwoorden worden overigens niet exclusief op school gebruikt. Het zijn de meer formele woorden die je veel tegenkomt in schriftelijke taal, ook in de krant en in instructieteksten. Wat zijn goede bronnen om laagfrequente woorden tegen te komen? Om te beginnen natuurlijk de vaktaalteksten die de leerlingen op school krijgen, maar er zijn ook andere goede bronnen, die bij het vrij lezen gebruikt kunnen worden. Tabel 2 laat zien dat bijvoorbeeld kranten en tijdschriften uitstekende bronnen zijn voor laagfrequente woorden. Een bijkomend voordeel van deze media is dat ze actuele informatie bevatten, die weer goed is voor het uitbreiden van de kennis van de wereld – een belangrijke voorspeller van goede prestaties bij begrijpend lezen. Ook strips en jeugdboeken zijn goede bronnen voor laagfrequente woorden. Interessant is om te zien dat zelfs in gesprekken tussen hoogopgeleiden weinig laagfrequente woorden worden gebruikt. Leerlingen hebben dus meer kans om hun woordenschat uit te breiden door te lezen dan door te luisteren. ■

TABEL 2 | LAAGFREQUENTE WOORDEN PER 1.000 GESCHREVEN TEKSTEN Abstracts van wetenschappelijke artikelen

128.0

Kranten

68.3

Populaire tijdschriften

65.7

Boeken voor volwassenen

52.7

Strips

53.5

Jeugdboeken

30.9

Prentenboeken

16.3

TELEVISIE Populaire shows voor volwassenen

22.7

Populaire shows voor kinderen

20.2

Tekenfilms

30.8

Sesamstraat

2.0

GESPREKKEN MET VOLWASSENEN Getuigenverklaringen

28.4

Hooggeschoolden tegen vrienden en echtgenoten

17.3

Bron: Cunningham & Stanovich (1998), What Reading Does For The Mind.

> 16


3 | HET BELANG VAN LEESPLEZIER

Leesplezier en leesvaardigheid hangen nauw samen: in het PISA-onderzoek scoorden 15-jarige leerlingen met het minste leesplezier op een niveau dat nog net niet als laaggeletterd werd gedefinieerd; de leerlingen met het meeste leesplezier scoorden twee niveaus hoger. Helaas is het niet zo goed gesteld met het leesplezier onder middelbare scholieren. In hetzelfde onderzoek gaf de helft van de Nederlandse leerlingen aan dat zij nooit voor hun plezier een boek lezen. Hoe krijgen we deze leerlingen toch aan het lezen? Stephen Krashen geeft op basis van onderzoek naar ‘wat werkt’ de volgende richtlijnen voor het stimuleren van vrij lezen: • zet vrij lezen dagelijks op het rooster • ‘less is more’: als je denkt dat de leerlingen een half uur vrij lezen aankunnen, doe het dan 20 minuten • zorg voor gevarieerd leesmateriaal in de klas: makkelijke boeken, moeilijke boeken, informatieve boeken, strips, tijdschriften • laat de leerlingen zelf kiezen wat ze willen lezen • eis niet dat leerlingen hun boek uitlezen • praat met de leerlingen over wat ze gelezen hebben • geef het goede voorbeeld: als de leerlingen lezen, leest de docent ook • werk niet met een beloningssysteem • vraag niet om een boekverslag • toets de leerlingen niet op wat ze gelezen hebben De richtlijnen van Krashen wijzen op het belang van een structurele aanpak. Het omgaan met boeken wordt een vanzelfsprekend onderdeel van iedere lesdag. Docenten laten geregeld zien dat zij lezen belangrijk en leuk vinden. Er is ruimte in het lesprogramma om te praten over boeken en lezen. Overal zijn interessante boeken voorhanden, niet alleen in de lessen Nederlands, maar ook bij de zaak- en beroepsvakken. Leerlingen kunnen eenvoudig boeken lenen uit (of via) de mediatheek. Het creëren van een dergelijke vanzelfsprekende dagelijkse leesomgeving is effectiever dan het af en toe optuigen van een tijdelijk leesbevorderingsproject;

Leerlingen die met plezier lezen scoren hoger op taaltoetsen. Dat pleit ervoor om het stimuleren van leesplezier op te nemen in het taalbeleid van de school.

dergelijke projecten kunnen goed gebruikt worden als tijdelijke ‘aanjagers’, maar kunnen een structurele aanpak niet vervangen. Voorbeelden van leesbevorderingsprojecten zijn: • Leeskr8!, leesbevorderingslessen voor de onderbouw van het vmbo (www.leeskr8.nl) • De Weddenschap, een leesweddenschap tussen vmbo-leerlingen en bekende Nederlanders (www.deweddenschap.nl) • LeesCase, fragmenten uit recente jeugdboeken met lesopdrachten (www.leescase.nl) • Read2Me!, een voorleeswedstrijd voor brugklassers (www.read2mevoorleeswedstrijd.nl) • Leesdok, opdrachten om te werken aan leesontwikkeling (www.leesdok.nl).

17 <


Vo o r l e z e n Voorlezen wordt gewoonlijk niet direct geassocieerd met het vmbo. Toch kan voorlezen heel nuttig zijn. Leerlingen zijn namelijk gewend (en dat geldt niet alleen voor vmbo-leerlingen) om boeken te kiezen waarmee De belangrijkste vraag die je

zij al enigszins bekend zijn, bijvoorbeeld boeken uit een bepaalde reeks,

jezelf kunt stellen bij iedere

boeken van een bepaalde schrijver of boeken van een bepaald niveau.

leesactiviteit is of die activiteit

De docent kan dit patroon doorbreken door af en toe fragmenten uit

bijdraagt aan een leven lang

andere boeken voor te lezen. Zo maken de leerlingen kennis met andere

leesplezier.

schrijvers of andere onderwerpen, al dan niet aansluitend bij de lessen en

Hugh Calkins

projecten die op dat moment actueel zijn. En als de docent een boek van een iets hoger niveau neemt, dat wel heel spannend of interessant is, dan kan dat heel effectief zijn om leerlingen te motiveren om zelf verder te willen lezen in dat boek. Zo kan voorlezen gebruikt worden om leerlingen uit hun comfort zone te halen en hen te stimuleren om een volgende stap te maken in hun lees- en taalontwikkeling. â&#x2013; 

> 18


4 | DE OPBRENGST VAN DE SCHOOLMEDIATHEEK EN BIBLIOTHEEK

Een van de vereisten voor effectieve

Om maximale opbrengsten te bereiken moeten leerlingen ook buiten

leesbevordering is de

school lezen. De tijd die buiten school wordt gelezen, gaat niet af van de lestijd en zorgt voor extra effecten op de taalontwikkeling, waar leerlingen

aanwezigheid van

binnen school dan weer extra plezier van hebben. Om het lezen thuis te stimuleren is een goed uitgeruste schoolmediatheek en/of nauwe samen-

leesmateriaal.

werking met de openbare bibliotheek onmisbaar. Voor veel leerlingen is de bibliotheek immers de enige plek om aan boeken te komen. Onderzoek

De schoolmediatheek

laat zien dat als kinderen gemakkelijker toegang hebben tot een bibliotheek, het lezen in de vrije tijd toeneemt. De mediatheek en de openbare biblio-

en de bibliotheek zijn

theek kunnen ervoor zorgen dat leerlingen die van huis uit geen leescultuur kennen toch makkelijk boeken binnen hun bereik krijgen. In de Verenigde Staten is veel onderzoek gedaan naar het verband tussen

voor scholen de partners bij uitstek om

de schoolmediatheek en de leerresultaten van leerlingen. Een van de belangrijkste onderzoekers op dit gebied is Keith Lance, die in 1993 onderzoek

het lezen op school en

deed naar de relatie tussen de omvang van de schoolmediatheek en de leerresultaten op 221 basisscholen en middelbare scholen in de staat Colo-

thuis te stimuleren.

rado. Lance ontdekte dat de leerresultaten op scholen met een grotere mediatheek (grotere collectie, meer betaalde mensuren) significant hoger waren dan op andere scholen, ook na correctie voor andere factoren die deze verschillen zouden kunnen verklaren: 5 tot 15 procent van de verschillen in leesscores werden verklaard door verschillen in de omvang van de schoolmediatheek. Lance vond ook factoren met een indirect positief effect op de leesresultaten: de aanwezigheid van een professionele mediathecaris, die ook zelf instructie geeft, en de hoogte van de investeringen in de mediatheek. 19 <


Lance en andere onderzoekers hebben sindsdien soortgelijke onderzoeken

Een effectieve mediathecaris/bibliothecaris werkt aan leesbevordering en mediawijsheid. Samenwerking met de docenten verhoogt het effect op de leerresultaten van de leerlingen.

in heel Amerika uitgevoerd. Deze onderzoeken bevestigen het beeld uit de ‘Colorado study’ en geven ook nieuwe inzichten. Zo blijkt dat niet alleen de aanwezigheid van een schoolmediatheek, maar ook de samenwerking tussen de mediathecaris en de docenten een belangrijke bijdrage levert aan de leeropbrengsten. Lance noemt de volgende kenmerken van een effectieve mediathecaris: • werkt nauw samen met de docenten • neemt deel aan teamoverleg • geeft bijscholing aan docenten • plant lesonderdelen in overleg met docenten • geeft les aan leerlingen, zowel samen met docenten als zelfstandig Deze gegevens zijn zeer relevant voor de Nederlandse situatie. Uit een onderzoek onder mediathecarissen in Nederland blijkt dat die het bieden van leer- en werkruimte aan leerlingen als belangrijkste functie van de mediatheek zien, gevolgd door het opbouwen en beschikbaar stellen van een collectie. De bevindingen van Lance en van de andere onderzoeken die in deze brochure zijn besproken laten echter duidelijk zien dat het voor de leeropbrengsten van de leerlingen raadzaam is om juist leesbevordering op de eerste plaats te zetten. Dat wil niet zeggen dat dit het enige werk van de mediatheek zou moeten zijn. De mediathecaris helpt leerlingen ook om ‘mediawijs’ te worden, dat wil zeggen om goed om te gaan met gedrukte en digitale media. De inzet van deze expertise verlicht het werk van de docenten en verhoogt de opbrengst van het werk van de leerlingen waarbij gebruik van media een rol speelt. Ook voor dit onderwerp geldt dat nauwe samenwerking met de docenten meer oplevert voor de leeropbrengsten. Ondanks het evidente belang van een mediatheek, is de aanwezigheid van een mediatheek op school nog geen gemeengoed. Van de ruim 1.300 locaties voor voortgezet onderwijs in Nederland beschikken er naar schatting

> 20

ruim 500 niet over een mediatheek. ■


5 | TAALBELEID: EEN MES MET TWEE KANTEN

Uit het voorgaande komt het dilemma naar voren waar het vmbo mee worstelt: leerlingen zouden meer moeten lezen, maar lezen is nu juist wat velen van hen moeilijk of niet leuk vinden. Er moeten dus twee zaken tegelijk aangepakt worden: leesvaardigheid en leesplezier. Dat vraagt om een tweeledig taalbeleid, dat voor beide zaken een systematische en structurele aanpak biedt. De ene component van het taalbeleid zou zich moeten richten op het vergroten van de leesvaardigheid van leerlingen. Woordenschat, leesstrategieën, kennis van grammatica en algemene kennis zijn hier de sleutelwoorden. De lessen Nederlands bieden hiervoor een algemene basis voor alle leerlingen. Daarnaast is het nodig om in de zaakvak- en beroepslessen specifiek aandacht te schenken aan taalproblemen die het begrip van de les in de weg kunnen staan. Dat betekent dat ook de docenten van deze vakken instructie moeten geven in woordenschat en leerlingen moeten wijzen op het inzetten van de leesstrategieën die zij in de lessen Nederlands hebben geleerd. Ten slotte is voor leerlingen met grote en hardnekkige taalachterstanden extra ondersteuning nodig, gericht op de taalonderdelen waarop de leerling achterloopt, bijvoorbeeld hersteltrainingen technisch

Voor de brugklassen van het

lezen.

vmbo is een handig woordenschatinstrument beschikbaar, waarmee

De andere component van het taalbeleid zou zich moeten richten op vrij

docenten doelgericht kunnen

lezen en vrijetijdslezen. Het in deze brochure aangehaalde onderzoek toont

werken aan woordenschat in

aan hoe belangrijk dit is voor de taalontwikkeling van leerlingen. Het is

verschillende vakken: Handleiding

daarom aan te bevelen, juist gezien de relatief lage taalvaardigheid en lees-

Basislijst Schooltaalwoorden vmbo.

motivatie van veel vmbo-leerlingen, om deze component van het taalbeleid

ITTA, 2010

even stevig neer te zetten als de andere component. De onderwerpen die in ieder geval aan de orde zouden moeten komen zijn: • vrij lezen op het lesrooster • leesbevordering in de lessen Nederlands • leesbevordering in de zaakvakken • gebruik van de mediatheek • samenwerking tussen docenten en mediathecaris • samenwerking met de openbare bibliotheek De Inspectie van het Onderwijs stelt vast dat het op veel vmbo-scholen nog ontbreekt aan een goed opgezet taalbeleid. Er worden soms wel maatregelen genomen om taalachterstanden bij leerlingen weg te werken, met name in het eerste leerjaar, maar er is meestal geen sprake van een gestructureerde aanpak. Er is dus nog heel wat werk te verzetten. Gelukkig is er steeds meer ervaring waaruit geput kan worden om een goed taalbeleid uit te werken. ■

21 <


6 | HOE NU VERDER?

De informatie in deze brochure geeft scholen, mediatheken en bibliotheOpbrengstgericht werken met

ken handvatten om samen te werken aan de taalontwikkeling van leerlin-

de monitor

gen. De argumentatie voor die samenwerking kan als volgt samengevat

Stichting Lezen en het Sector-

worden.

instituut Openbare Bibliotheken hebben – in het kader van het

• Vmbo-leerlingen scoren gemiddeld lager op taaltoetsen dan andere

landelijke programma Kunst van

middelbare scholieren. Vooral lage scores op woordenschat en tekst-

Lezen – de Monitor de Bibliotheek op

begrip staan succesvolle deelname aan het onderwijs in de weg. Lage

school laten ontwikkelen. Dit is be-

taalscores komen vaker voor bij allochtone leerlingen, bij de lagere

doeld om scholen en bibliotheken

leerwegen en bij jongens.

te helpen om de opbrengst van hun samenwerking in kaart te

• Sommige scholen zetten zich in om de taalachterstanden van leerlingen te verminderen door gerichte instructie en extra taalondersteuning.

brengen. De monitor bestaat uit

De opbrengst hiervan is beperkt. Op veel vmbo-scholen ontbreekt een

digitale vragenlijsten voor leerlin-

taalbeleid voor een integrale, structurele aanpak van taalachterstanden.

gen, docenten en bibliotheekpersoneel. De vragenlijsten worden een keer per jaar afgenomen. De resultaten laten zien wat het

• Lezen voor het plezier – vrij lezen op school en vrijetijdslezen thuis – heeft een bewezen positief effect op verscheidene facetten van de taalontwikkeling, waaronder woordenschat en begrijpend lezen. • Mediatheken en bibliotheken kunnen vmbo-scholen helpen om de taal-

effect van de samenwerking is op

ontwikkeling van leerlingen te bevorderen door, in samenwerking met

het leen- en leesgedrag van leer-

docententeams, leerlingen te stimuleren om meer te lezen, op school en

lingen en op het leesbevorderende

thuis. Mediathecarissen en bibliothecarissen zetten hierbij hun deskundig-

gedrag van docenten. De monitor

heid in op het gebied van collecties (jeugdliteratuur, informatieve boeken,

is in 2011 in gebruik genomen

collecties bij zaakvakken, etc.), leesbevorderingsbeleid, leesbevorderende

voor het basisonderwijs. In de

activiteiten en het verzamelen van gegevens voor evaluatie.

loop van 2013 wordt de monitor opengesteld voor het voortgezet

De bovenstaande argumenten pleiten voor een intensieve(re) samenwerking,

onderwijs. Meer informatie over

die structureel wordt ingezet als onderdeel van het schoolbeleid:

de monitor is verkrijgbaar bij de

• De samenwerking tussen vmbo-scholen en mediatheek/bibliotheek wordt

openbare bibliotheek en via

opgenomen in een schoolbreed taalbeleidsplan, dat uit twee componen-

www.kunstvanlezen.nl.

ten bestaat: een component gericht op verbetering van de leesvaardigheid van leerlingen en een component gericht op het stimuleren van vrij lezen en vrijetijdslezen. • Mediatheek/bibliotheek en school houden ieder hun eigen resultaten bij: de school volgt de leerresultaten van de leerlingen; de mediatheek/ bibliotheek volgt het lees- en leengedrag van de leerlingen en de leesbevorderende activiteiten van de docenten. De mediathecaris en het docententeam maken geregeld gezamenlijk de balans op van deze gegevens in het kader van opbrengstgericht werken en passen zo nodig in overleg hun doelen en activiteiten aan. ■

> 22


HANDIGE SITES

Algemeen • www.kunstvanlezen.nl – site van het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen • www.leesmonitor.nu – site met nieuws en onderzoeksinformatie over lezen en leesbevordering voor verschillende leeftijdsgroepen overzichtelijk bij elkaar gezet. • www.lezen.nl – site van Stichting Lezen, de landelijke organisatie voor leesbevordering • www.siob.nl – site van het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken

Samenwerking met de bibliotheek • www.biebsearch.nl – site van het samenwerkingsproject tussen het voortgezet onderwijs, mbo's en de bibliotheek • www.debibliotheekopschool.nl – site van de landelijke strategische aanpak voor structurele samenwerking tussen basisscholen, gemeenten en bibliotheken, gericht op het bevorderen van leesplezier, het stimuleren van de taalontwikkeling en het verbeteren van de informatie- en mediavaardigheden van leerlingen

P ro j e c t e n e n m a t e r i a l e n • www.deweddenschap.nl – site van de jaarlijkse leesweddenschap die vmbo-leerlingen kunnen aangaan met bekende Nederlanders • www.itta.uva.nl – site van het ITTA kenniscentrum voor taalverwerving en taalontwikkeling; ga voor de schooltaalwoordenlijst voor het vmbo naar ‘publicaties’ en klik op ‘Handleiding Basislijst Schooltaalwoorden vmbo’ • www.leescase.nl – site van het project LeesCase van de CED-groep, met maandelijks nieuwe fragmenten uit recente jeugdboeken en lesopdrachten (werkt met licenties) • www.leesdok.nl – site met informatie over het programma Leesdok voor middelbare scholieren • www.leeskr8.nl – site van project Leeskr8!, ontwikkeld door bibliotheken, met leesbevorderingslessen voor de onderbouw van het vmbo • www.read2mevoorleeswedstrijd.nl – site van de jaarlijkse voorleeswedstrijd voor brugklassers van alle onderwijstypen

23 <


BRONNEN Anderson, R., Wilson, P. & Fielding, L. (1988), ‘Growth in reading and how children spend their time outside of school.’ Reading Research Quarterly, 23, 285-303. Appel, R., Kuiken, F. & Vermeer, A. (2001), Nederlands als tweede taal in het basisonderwijs. Utrecht/Zutphen: ThiemeMeulenhoff. Broekhof, K. (2011), Meer lezen, beter in taal: effecten van lezen op taalontwikkeling. Den Haag: Kunst van Lezen. Calkins, H. (2004), Letter to the editor. Education Week, September 29. Cunningham, A.E. (2009), Cognitive Consequences Of Reading Volume: Reading Makes You Smarter. Presentatie Konference om Laesevanskeligheder, augustus 2009, Kopenhagen. Cunningham, A.E. & Stanovich, K.E. (1998), ‘What Reading Does For The Mind’, American Educator, 22, pp. 8-15. Gille, E., Loijens, C., Noijons, J. & Zwitser, R. (2010), Resultaten PISA 2009: Praktische kennis en vaardigheden van 15-jarigen. Arnhem: Cito. Glopper, K. de, Fukkink, R. & Swanborn, M. (2000), ‘Incidenteel woorden leren tijdens het lezen’, Pedagogische Studiën, 348-364. Hacquebord, H.I., Linthorst, R., Stellingwerf, B. & Zeeuw, M. de (2004). Voortgezet taalvaardig. Groningen: Etco, Rijksuniversiteit Groningen. Inspectie van het Onderwijs (2011), De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2010-2011. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs Inspectie van het Onderwijs (2008). Basisvaardigheden taal in het voortgezet onderwijs: Resultaten van een inspectieonderzoek naar taalvaardigheid in de onderbouw van het vmbo en praktijkonderwijs. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs. Kieft, M., Eck, P. van & Grinten, M. van der (2012), Mediatheken in het voortgezet onderwijs: een werkveld in beweging. Utrecht: Oberon. Uitgevoerd in opdracht van Kunst van Lezen. Krashen, S. (2011), Free Voluntary Reading. Santa Barbara, California; Denver, Colorado; Oxford, England: Libraries Unlimited. Krashen, S. (2004), The Power Of Reading: Insights From The Research. Westport, Connecticut/London: Libraries Unlimited; Portsmouth, NH: Heinemann. 2nd edition. Lance, K.C., Welborn, L. & Hamilton-Pennel, Ch. (1993), Impact of School Library Media Centers on Academic Achievement: 1993 Colorado Study. Castle Rock, Colorado: Hi Willow Research and Publishing. Mol, S. (2010), To Read Or Not To Read. Leiden: Leiden University. Proefschrift. Mol, S. & Bus, A. (2011), ‘Lezen loont een leven lang’, Levende Talen Tijdschrift, 12, 3, 3-15. Nagy, W., Anderson, R. & Herman, P. (1987), ‘Learning word meanings from context during normal reading’. American Educational Research Journal, 24. Trapman, M., Gelderen, A. van, Steensel, R. van, Schooten, E. van & Hulstijn, J. (2012), ‘Linguistic knowledge, fluency and meta-cognitive knowledge as components of reading comprehension in adolescent low achievers: differences between monolinguals and bilinguals’, Journal of Research in Reading, 00, 00, 1-19. Van Steensel, R., Gelderen, A. van, Kruistum, C. van, Milliano, I. de, Trapman, M., Oostdam, R., Leseman, P. & Haan, M. de (in druk). ‘Hoe moeilijk is goed lezen en schrijven voor vmbo’ers? Inzichten uit onderzoek’. In: Van der Waals, J., & Van Schaijk, M. (Eds.), Het vmbo dichterbij. Bewegen tussen theorie en praktijk. Amsterdam: SWP. Verhallen, S. & Alons, L. (2010), Handleiding Basislijst Schooltaalwoorden vmbo. Amsterdam: ITTA.


M E E R L E Z E N , B E T E R I N TA A L Wie meer leest wordt beter in taal. Dit klinkt niet alleen logisch, het is ook echt zo. Meer lezen heeft een bewezen positief effect op woordenschat, spelling, grammatica, begrijpend lezen en schrijven. Deze brochure beschrijft, op basis van wetenschappelijk onderzoek, hoe vrij lezen op school en vrijetijdslezen thuis bijdragen aan de taalontwikkeling van vmbo-leerlingen. De mediatheek en de bibliotheek zijn voor de school de partners bij uitstek om het lezen te stimuleren. Deze brochure geeft daarom ook richtlijnen voor een effectieve samenwerking tussen vmbo-scholen en bibliotheken/ mediatheken.


Meer lezen, beter in taal - vmbo