Issuu on Google+

In 2004 verscheen het mooie naslagwerk ‘Een eeuw beeldende kunst in Limburg’ van Ludo Raskin. Sindsdien is het landschap al weer heel wat nieuwe kunstenaars rijker. Met deze nieuwe generatie laten we u graag kennis maken in dit boek. Talentontwikkeling is één van de speerpunten van het beleid. Een rijk kunstenlandschap, in kruisbestuiving met het kunstonderwijs, stimuleert talenten om te groeien. Maar weliswaar komt niet alleen jong talent aan bod in dit boek. Ook de gevestigde Limburgse kunstenaars, waaronder de baanbrekers van het eerste uur, krijgen een bijzondere plaats. Door jonge en gevestigde kunstenaars de kans te geven om hun talenten verder te ontwikkelen en deze samen te bundelen ontstaat er een vruchtbaar en vooruitstrevend beeldende kunstenklimaat in Limburg. Het is alleen dankzij dit klimaat en de krachtenbundeling van vele actoren met een hart voor kunst dat we erin geslaagd zijn om onderscheidende projecten zoals het Z33-project rond kunst in de open ruimte en Manifesta naar Limburg te halen. Uiteraard is dit boek geen volledige en afgeronde weergave. De makers hebben een selectie moeten maken uit de vele getalenteerde kunstenaars. De beeldende kunstensector in Limburg is relatief jong maar kent wel een parallelle ontwikkeling met het nationale kunstgebeuren. Toch zijn onze kunstenaars buiten de provinciale grenzen te weinig bekend. Er is nog teveel onwetendheid over de rijkdom aan Limburgse beeldende kunsten. Het is dan ook van belang om onze kunstenaars niet alleen binnen Limburg maar ook daarbuiten in de kijker te zetten. Deze publicatie past perfect in dit gegeven. Door de verspreiding van dit boek willen we Limburgse beeldende kunsten ontsluiten en profileren. Zo garanderen we dat het werk van de belangrijkste Limburgse kunstenaars in het collectief geheugen bewaard zal blijven. Mijn woord vooraf voor dit kunstboek is vooral ook een dankwoord. Op de eerste plaats is het gericht aan de kunstenaars die dit boek mogelijk hebben gemaakt. Zonder hun creaties was dit prachtige geheel vol beelden onmogelijk. Zij zijn dankzij hun verscheidenheid een bron van culturele rijkdom voor Limburg. Vervolgens gaat mijn grote dank uit naar initiatiefnemer Kunst in Limburg, de partners CIAP, MAD-faculty, FLACC, Z33 en ARTISIT en last but not least de auteurs. De woorden en beelden in dit boek zullen u meenemen in een prachtige, intrigerende reis doorheen het landschap van Limburgse beelden. Gedeputeerde van Cultuur, Provincie Limburg Gilbert Van Baelen

The comprehensive book ‘Een eeuw beeldende kunst in Limburg’ [A century of visual art in Limburg] by Ludo Raskin was published in 2004. Since then, quite a few new artists have arisen. In this book, we would like to introduce this new generation of artists. The development of talent is the driving force behind our policy, and we believe that the cross fertilization between the rich art landscape and art education will encourage talent to grow. But this book is not exclusively devoted to young talent. The established artists, among whom several pioneers, are also represented. Providing both young and established artists the opportunity to develop and to combine their talents creates a productive and progressive climate for visual arts in Limburg. It is thanks to this climate and the bundled forces of several actors within the field of visual arts that we have succeeded to attract distinguished projects such as Manifesta 9 and the Z33 project on art in the public space. Of course, this book is not completely comprehensive: the editors had to make a selection from the many talented artists. The visual arts sector in Limburg is relatively new, but has developed in parallel with the national arts scene. Yet, our artists are not well-known outside the provincial borders and little is known about the richness of visual arts in Limburg. It is therefore important to put our artists in the spotlight, both in Limburg and further abroad. This publication fits perfectly well within that purpose. Through the distribution of this book, we would like to promote Limburg visual arts. In doing so, we guarantee that the work of Limburg most important artists rests in our collective memory. This preface is essentially about appreciation. First, to all the artists that made this book possible. Without their unique creations, this beautiful ‘landscape of images’ could not exist. These artists and their divers artworks are a source of Limburg cultural wealth. I would also like to express my gratitude to the initiator of this book, Kunst in Limburg; the partners CIAP, the MAD-Faculty, FLACC, Z33 and Artisit; and last but not least to the authors. The words and images in this book will take you on a beautiful, intriguing journey through the landscape of visual arts. Deputy of culture of the Province of Limburg Gilbert Van Baelen

Met dit boek tonen we wat er leeft op het gebied van beeldende kunst in Limburg. Met veel beelden vergezeld van duidende teksten. De inhoud is divers als het Limburgse landschap van beeldende kunst zelf ook is.

With its numerous pictures, accompanied with texts, this book provides a glance on the field of visual arts in Limburg. The content is just as diverse as the art scene in Limburg itself. Reading this book, you can start off on page one and follow the page nummers chronogically. Or you can open it randomly and browse forward or backward, as you like. When finished reading, this does not mean the story is ending. This is a story about a comprehensive art reality, limited by page numbers. The visual art scene is in constant motion. The future will bring change and new things and especially new artists. Thus, new stories will be told. If you want to know more about these stories, you can visit our online platform www. kunstinlimburg.be.

Je kan dit boek beginnen waar je wil. Je kan de chronologie van de paginanummers volgen of je opent het lukraak en doorbladert het naar voor of naar achter. Hoe definitief inkt op papier ook is, waar het boek eindigt is zeker niet waar het verhaal eindigt. Het omvat slechts een selectie uit een veel uitgebreidere realiteit. Ook is het landschap constant in beweging. De toekomst staat open voor veranderingen, nieuwe dingen en vooral ook nieuwe kunstenaars. De rest van het verhaal This website is a meeting point for anyone who kan je blijven volgen via ons online presentatieplatform www. loves art and is looking for just a tad more. You will kunstinlimburg.be. Deze website is een ontmoetingsplaats voor iedereen die van kunst houdt en op zoek is naar meer. Je vindt er informatie over kunstenaars, tentoonstellingen en andere kunstprojecten in Limburg. Je kan kunst in Limburg ontdekken via de agenda maar ook via interviews, video- en fotoreportages, recensies, nieuwsberichten en andere artikels over het Limburgse kunstgebeuren. Kunst in Limburg

find information about Limburg artists, artists in Limburgartists, exhibitions and other art projects in Limburg. You can discover art through the online interviews, video and photo reports, reviews, news reports and other articles about the Limburg art scene. Or you can use check the agenda as a guide through the landscape of visual art in Limburg. Kunst in Limburg

Een blik op beeldende kunst in Limburg — A view on visual arts in Limburg

This publication is an initiative of ‘Kunst in Limburg’, the platform for everyone who loves visual arts. In this digital era, a book may seem slightly old-fashioned, but nothing could be further from the truth. A book is tangible, lasting and speaks to the imagination and is therefore the perfect medium to portray visual arts. This book offers an original, modern and open look at the landscape of visual arts in the province of Limburg. This Belgian province has a rich, diverse and high-quality arts culture. While reading this book, you will discover the variety of activities and actors in the field of visual arts in Limburg. This is in the first place credited to the artists, but also to a large number of organisations, teachers, curators, private initiatives and art enthusiasts.

This book ‘Landscape of images. A view on visual arts in Limburg’ will lead you through the landscape of visual arts in Limburg. You will meet Limburg artists, from established artists to young talents. You will also be introduced to various organizations and initiatives that focus on visual art. They are all committed to art, each in their own, unique way.

LANDSCAPE OF IMAGES

Deze publicatie is een initiatief van Kunst in Limburg, het platform voor iedereen die van beeldende kunst houdt. In dit digitale tijdperk lijkt een boek misschien een beetje ouderwets maar niets is minder waar. Kunst is er om gezien te worden en hoe kan dit beter dan met iets dat tastbaar, blijvend en verbeeldend is. Dit boek biedt een originele, actuele en onbevangen kijk op het Limburgse beeldende kunstenlandschap. Limburg beschikt over een zeer rijk, divers en kwalitatief cultuuraanbod. Tijdens het lezen van het boek zal je ontdekken dat er heel wat beweegt op het vlak van beeldende kunsten in Limburg. Dit is in de eerste plaats de verdienste van kunstenaars maar ook van heel wat organisatoren, docenten, tentoonstellingsmakers, privé-initiatieven en kunstliefhebbers, allen met een groot hart voor kunst.

Dit boek ‘Landschap van beelden. Een blik op beeldende kunst in Limburg.’ biedt een mooie introductie op het gevarieerde landschap van beeldende kunst in Limburg. Je ontmoet Limburgse kunstenaars, van gevestigde waarden tot jong talent. Je maakt kennis met verschillende organisaties en initiatieven die iets doen met kunst. Ze zetten zich in voor kunst, elk op hun eigen manier, maar wel allen met een groot engagement.

Een blik op beeldende kunst in Limburg — A view on visual arts in Limburg

Dear Art Lover,

LANDSCAPE OF IMAGES

Beste Kunstliefhebber,


Z33 — 062 — 091

An Moons

THE TRACK OF LIMBURG’S VISUAL ARTS POLICY

HET PARCOURS VAN HET BEELDENDE KUNSTENBELEID IN LIMBURG

154— 165

VISUAL ARTS ACADEMIES IN LIMBURG

WILLO GONISSEN — 151

TOM VANUYTRECHT — 142

HASSELT — 121 — 122

MALOU SWINNEN — 147

GENK — 132 — 135

ARTISIT — 112 — 119

LARA ALMARCEGUI — 105

KATLEEN VERMEIR — 092

Z33 — 078

RAF SIMONS — 066

ADO HAMELRYCK — 042

ARTISIT — 112 — 119

MAASMECHELEN — 124 — 125

LILIANE VERTESSEN — 148

MO RAMAKERS — 149

ACADEMIES BEELDENDE KUNST IN LIMBURG

152 — 153

PRIVATE ART INITIATIVES

144 — 147 PRIVATE KUNSTINITIATIEVEN

YOUNG LIONS

128 — 129 Sint-truiden 132 — 135 GENK 136 — 137 future formers 138 — 143 JONGE LEEUWEN

ARTIST TALK WITH HONORÉ D’O

121 — 122 HASSELT 124 — 125 MAASMECHELEN 126 — 127 HONORé D’O VERTELT

CITIES OF LIMBURG AS EXHIBITION SPACE FOR VISUAL ART

MARK KENT — 100

Z33 — 062 — 091

Z33 — 062 — 091

ARTISIT — 112 — 119 Jonge leeuwen — 138 — 147

LIMBURGSE STEDEN ALS PRESENTATIEPLEK VOOR BEELDENDE KUNST

120 — 147

ARTISIT - STUDIO OUTSIDER ART

TRANSIT — 101

HECTOR ZAMORA — 104

ARTISIT - ATELIERWERKING OUTSIDER ART

112 — 119

Peter De Graeve

SYMBIOSES - AN INDEPENDENT VIEW OF HYBRID ART

106 — 109 SYMBIOSEN - EEN AUTONOME KIJK OP HYBRIDE KUNST

FLACC - WORKPLACE FOR VISUAL ARTISTS

MAD-RESEARCH — 059

IVES MAES — 068

FLACC - WERKPLAATS VOOR BEELDENDE KUNSTENAARS

094 — 105

Christine Vuegen

WHERE ART AND SCIENCE MEET

079 Ontmoeting tussen kunst en wetenschap

Z33 MEETS MAD-FACULTY

072

Z33 - HOUSE FOR CONTEMPORARY ART

MAD-FACULTY — 046 — 61

KOEN VANMECHELEN — 014

ANDRÉ BERTELS — 002

GIDEON KIEFER — 150

ELINE CAUTREELS — 143

FLACC — 094 — 105

GERT ROBIJNS — 131

GUY BLEUS — 123

FRED EERDEKENS — 088

Z33 — 062 — 091

Z33 — 062 — 091

MAD-FACULTY — 046 — 61

PETER DE CUPERE — 054

CAROLINE COOLEN — 021

PIETER GEENEN — 022

MAD-FACULTY — 046 — 61

CIAP — 028 — 035

PETER HULSMANS — 024

ELISE BERKVENS — 019

JEF GEYS — 005

BRAM BOGART — 004

HUGO DUCHATEAU — 037

FILIP VAN DINGENEN — 027

FIA CIELEN — 020

SARA BOMANS — 006

HERMAN MAES — 012

DAAN GIELIS — 051

CIAP — 028 — 035

PIET STOCKMANS — 039

JAN L. CARLIER — 053

KOEN VAN DEN BROEK — 049

Z33 - HUIS VOOR ACTUELE KUNST

062 — 091

059 MAD-RESEARCH

Luc Lambrecht

MAD-FACULTY - IT’S COMPLETELY MAD

047 MAD-FACULTY - TE GEK?

FREDERIC GEURTS — 023

ARNO RONCADA — 026

KARL PHILIPS — 025

Vincent van den meersch — 036

MAD-FACULTY - MEDIA, ARTS AND DESIGN

046 — 061

Francis Smets

EARLY PIONEERS

036 — 044 BAANBREKERS VAN HET EERSTE UUR

CIAP - CENTRE FOR CONTEMPORARY ART

CIAP - CENTRUM VOOR ACTUELE KUNST

028 — 035

018 — 027 CIAP - PARALLEL WORLDS

014 OPEN UNIVERSITY OF DIVERSITY

LEON VRANKEN — 010

JOHAN CRETEN — 008


Een blik op beeldende kunst in Limburg — A view on visual arts in Limburg

LANDSCAPE OF IMAGES


3

Een blik op beeldende kunst in Limburg — A view on visual arts in Limburg

LANDSCAPE OF IMAGES

2—


002 — 003

© André Bertels

ANDRÉ BERTELS — uit de reeks 'Gelaagde landschappen', 2008


© Erwin Maes

JEF GEYS

BRAM BOGART — Rode Rouge, 2008

© Hugo Maertens

BRAM BOGART — La vie en rose, 1990

© Hugo Maertens

BRAM BOGART — Petite parisienne, 1990

004 — 005

Dan Holsbeek

© Hugo Maertens

BRAM BOGART — Ommegang de Bruxelles, 1998

www.brambogart.eu

De foto’s, tekeningen, schilderingen, fenomenale beelden en installaties van Jef Geys zijn meerduidig en nauwelijks te bevatten. Zijn oeuvre draagt de sporen van het leven en is permanent in dialoog met dat leven. Jef Geys observeert de ‘umwelt’, niet zozeer als aanzet tot introspectie, maar veeleer vanuit een sociale bewogenheid. Zijn anti-elitair oeuvre zoekt de confrontatie met de omgeving en behandelt zowel socio-economische, politieke als artistieke aberraties. Zijn kritisch gehalte hoeft niet noodzakelijkerwijze uit te monden in wrangheid, maar gaat herhaaldelijk gepaard met een knipoog. jefgeysweblog.wordpress.com Dan Holsbeek

Jef Geys’ photos, drawings, paintings, phenomenal images and installations are ambiguous and difficult to grasp. His oeuvre bears testimony of life and is in permanent dialogue with that life. Jef Geys observes the ‘umwelt’, not so much as an inspiration for introspection, but rather based on social awareness. His anti-elitist oeuvre looks for confrontation with the environment and handles both socio-economical, political and artistic aberrations. His critical content does not necessary have to end in unpleasantness, but is repeatedly accompanied by a wink. jefgeysweblog.wordpress.com Dan Holsbeek

tentoonstelling: Kome, Koninklijk Museum Schone Kunsten — © Jef Geys

Dan Holsbeek

JEF GEYS — Kempens Informatieblad – Omslag van Koninklijk Museum Schone Kunsten, 2012

www.brambogart.eu

© Hugo Maertens

Bram Bogart’s (1921 - 2012) pieces are a symbiosis of abstract-expressionism and matter art. The impressive paint masses are more like sculptures than paintings. His compositions reach out from twoto three dimensionality and thus break through the boundaries between the disciplines. Thanks to the pure and vibrant colours and the intense pictorial movement, these always abstract, sometimes monochrome works, evoke a remarkable tension: the immense lightness of spiritualised matter.

BRAM BOGART — Street Blue, 1993

De werken van Bram Bogart (1921 - 2012) zijn een symbiose van abstract-expressionisme en materiekunst. De indrukwekkende verfmassa’s lijken veeleer sculpturen dan schilderingen. Zijn composities reiken vanuit de twee- naar de driedimensionaliteit en doorbreken zo de grenzen tussen de disciplines. Door de zuivere en levendige kleuren en de intense picturale beweging evoceren deze immer abstracte, al dan niet monochrome werken, een merkwaardige spankracht: de onnoemelijke lichtheid van vergeestelijkte materie.

© Hugo Martens

BRAM BOGART — Rubens en Ensor in Zottegem, 1990

© Hugo Maertens

BRAM BOGART — Soleil Mineur, 1994

BRAM BOGART


© Sara Bomans

SARA BOMANS — FYI the end, 2009

© de kunstenaars

— Elsewhere - uit de serie 'projected life', 2009

Sara Bomans in collaboratie met Remco Roes en Hallveig Ágústsdóttir

Dan Holsbeek

www.sarabomans.be Dan Holsbeek

© Sara Bomans

www.sarabomans.be

Sara Bomans is a relatively young artist who remains unconfined to a single discipline, but who has nevertheless drawn attention for her use of atypical materials such as textiles and hair. Given the nature of the materials, her works of knitted elements and hair are formally distinct on the one hand, but also show technical and thematic parallels on the other. Her compositions repeatedly testify to a self-relativistic light-footedness, though this remains invariably subtle and meaningful even with respect to such loaded topics as life, death and sexuality. An intense dialogue can also be found between the use of words and images in each form.

SARA BOMANS — zonder titel, 2010

Sara Bomans is een relatief jonge artieste die zich niet laat inkapselen binnen één discipline, maar die zich niettemin vooral heeft laten opmerken door het gebruik van een aantal weinig courante verbeeldingsmiddelen: textiel en haar. Haar brei- en haarwerken zijn door de aard van het materiaal enerzijds vormelijk onderscheiden, maar vertonen anderzijds technische en thematische parallellen. Haar composities getuigen herhaaldelijk van een zelfrelativerende lichtvoetigheid, die echter steevast subtiel en zinvol blijft, ook wanneer het beladen onderwerpen als leven, dood en seksualiteit betreft. Weerkerend manifesteert zich ook een intense dialoog tussen woord en tekenwaarde van de vormen.

© de kunstenaars

Sara Bomans in collaboratie met Remco Roes en Hallveig Ágústsdóttir — Melancholic Refreshments - uit de serie 'projected life', 2011

© Sara Bomans

SARA BOMANS — Capture 07, 2011 © Jef Geys

JEF GEYS — Kempens Informatieblad – Omslag Speciale Editie Brussel

006 — 007

SARA BOMANS


© Kristtof Vrancken

JOHAN CRETEN Courtesy Almine Rech, Brussel — © Kristien Daem

JOHAN CRETEN — Pliny’s sorrow, 2011

© Sara Bomans

SARA BOMANS — Capture 01, 2009

JOHAN CRETEN Johan Creten illustreert dat de connotatie van keramiek, porselein en brons met gedateerde vormen onterecht is en dat deze materialen een volwaardige plaats verdienen binnen de wereld van de actuele kunst. Het zijn volwaardige voertuigen voor semiotische verwijzingen en conceptuele ontwerpen. In zijn beelden exploreert hij niet zelden de grenzen van het technisch vermogen, ook refereert hij herhaaldelijk aan maatschappelijke en kunsthistorische situaties, die hij de ene keer bevraagt, de andere keer bewondert en waar hij ons op nog een ander moment wil voor waarschuwen. Johan Creten bewerkstelligt die dialoog door zijn keramische beelden een relatie te laten aangaan met de ruimte, met andere objecten en vooral door het gebruik van meerduidige symbolen.

008 — 009

Dan Holsbeek

Johan Creten illustrates that the connotation of ceramics, porcelain and bronze with dated forms is unjust and that these materials deserve their place in the current art world. They are fully-fledged vehicles for semiotic referrals and conceptual design. In his sculptures he often explores the boundaries of technical ability, and he repeatedly refers to social and art historical situations, which he questions on the other hand, and admires on the other hand and sometimes he just wants to warn us about. Johan Creten achieves this dialogue by letting his ceramic images enter into a relationship with the space, with other objects and most importantly by using ambiguous symbols. Dan Holsbeek


© Pieter Huybrechts

LEON VRANKEN — Untitled, 2009

© Pieter Huybrechts

LEON VRANKEN — Untitled, 2011

© Pieter Huybrechts

© Pieter Huybrechts

LEON VRANCKEN — Untitled, 2011

LEON VRANKEN — Untitled, 2011

Courtesy: Almine Rech, Brussel — © Kristien Daem

JOHAN CRETEN — Pliny’s sorrow, 2011

© Carine Demeter

LEON VRANKEN — The traveling riddle, 2009

010 — 011

LEON VRANKEN Door objecten op een oneigenlijke manier te presenteren, door ze uit hun context te halen, creëert Leon Vranken een onwezenlijke sfeer. Ze worden door deze conceptuele kunstenaar geherdefinieerd, ze worden minder gebruiksvoorwerp en meer betekenisdrager. De voorwerpen, ook wanneer ze uit eenzelfde materiaal zijn gemaakt, krijgen een individuele bewerking, waardoor de ruimtelijke figuren het aanzien krijgen van een aparte letter in een woord, van een apart woord in een zin, van een aparte zin in een eigenzinnige beeldentaal. Dan Holsbeek

By presenting objects incorrectly, by removing them from their context, Leon Vranken creates an unreal atmosphere. This conceptual artist redefines them, they become less of a utensil and more of a carrier of significance. The objects, also when they are made from the same material, are processed individually, giving the spatial figures the look of a separate letter in a word, of a separate word in a phrase, of a separate phrase in a singular figurative language. Dan Holsbeek


Herman Maes is een schilder pur sang, niet zozeer omdat hij de schildersborstel hanteert, maar vooral omdat hij schilderkunst ademt. De dialoog die deze kunstenaar voert, is een dialoog over de grenzen heen van tijd en ruimte. Door middel van zijn schilderkunst reflecteert hij immers over de betekenis van het medium, peilt hij naar wisselende benaderingen van in de schilderkunst weerkerende thema’s en exploreert hij schijnbare tegenstellingen als figuratief-abstract en geometrisch-organisch. Zeer nadrukkelijk is de flinterdunne scheidingslijn tussen figuratie en abstractie waarop de kunstenaar zich beweegt, wanneer hij zijn landschappen, architecturale ruimtes, lichamen en portretten aan het doek toevertrouwt. www.hermanmaes.com

HERMAN MAES — Geen titel, 2011

© Herman Maes © Herman Maes

© Herman Maes

HERMAN MAES — Geen titel, 2012

012 — 013

HERMAN MAES — Ijsschots over Londen, 2009

Dan Holsbeek

Herman Maes is a painter pur sang, not so much because he applies the paint brush, but most of all because he breathes the art of painting. The artist's dialogue is a dialogue across the borders of time and space. Through his paintings he reflects on the significance of the medium, assesses varying approaches of recurrent themes in art and explores apparent contradictions such as figurative-abstract and geometricorganic. Very obvious is the wafer-thin dividing line between figurative and abstract where the artist finds himself when he puts his landscapes, architectural spaces, bodies and portraits on canvas. www.hermanmaes.com Dan Holsbeek

© Herman Maes

HERMAN MAES — Geen titel, 2004

© Herman Maes

HERMAN MAES — Geen titel, 2003

HERMAN MAES


Open University of Diversity

014 — 015

Lees de volledige tekst op www.kunstinlimburg.be. Neem ook een kijkje op www.koenvanmechelen.be.

OpUnDi wants to be a creative laboratory, a meeting point and a place of performance in one. The imposing rooms of the former factory are home to Koen Vanmechelen’s pieces of art, studio and workshop and also provide room for lectures and meetings. But OpUnDi is much more than that. It is also a travelling incubator and intellectual room. Wherever in the world Koen Vanmechelen's cosmopolitan project is setting up camp, a 'subsidiary' or dependence of the OpUnDi ‘mother house’ originates.

“Whether mythic or scientific, the view of the world that man builds is always largely a product of his imagination.” François Jacob, Myth and Science (1982)

In this former factory in Hasselt, where cattle used to be processed into jelly, Vanmechelen’s cosmopolitan chicken is now serving a bigger purpose as a key element in his ‘Cosmopolitan Chicken Project’. Read the full text on www.kunstinlimburg.be. Also check out the website www.koenvanmechelen.be.

© Stoffel Hias

OpUnDi wil tegelijk een creatief laboratorium, een ontmoetingspunt en performanceplaats zijn. De imponerende ruimtes van de voormalige fabriek geven onderdak aan Koen Vanmechelens kunstwerken, studio en atelier en bieden plaats aan lezingen en meetings. Maar OpUnDi is verre van dat alleen. Het is ook een reizende incubator en intellectuele ruimte. Waar ook ter wereld het kosmopolitische project van Koen Vanmechelen zijn tenten opslaat, ontstaat een ‘bijhuis’ of dependance van ’moederhuis’ OpUnDi. Zoals afgelopen jaar in Venetië, waar Koen Vanmechelen tussen 4 juni en 7 november 2011 in het prachtige Palazzo Loredan zijn tentoonstelling ‘Nato A Venezia’ presenteerde. Of begin dat jaar in Ciudad Dario in Nicaragua waar een nieuwe CosmoGolem het licht zag.

OPEN UNIVERSITY OF DIVERSITY In the spring of 2011, at the 54th Biennale of Venice, Koen Vanmechelen declared his ‘Open University of Diversity’ (OpunDi) open. His idiosyncratic ‘Cosmopolitan Chicken Project’ (CCP) found a permanent dwelling place in the 19th century Jelly Factory in the Blauwe Boulevard district in the capital of Limburg, Hasselt. A 19th century setting for 21st century art.

KOEN VANMECHELEN — Studio 05, Open University of Diversity

© Herman Maes

HERMAN MAES — Geen titel, 2012— G

In de lente van 2011, op de 54ste Biennale van Venetië, verklaarde Koen Vanmechelen zijn ‘Open University of Diversity’ (OpUnDi) voor geopend. Zijn idiosyncratische ‘Cosmopolitan Chicken Project’ vond een permanent onderkomen in de 19deeeuwse Gelatinefabriek aan de Blauwe Boulevard in de Limburgse hoofdstad Hasselt. Een 19de-eeuws kader voor 21ste-eeuwse kunst.


The oeuvre of Koen Vanmechelen (Sint-Truiden, 1965) is rooted in concepts such as identity, biocultural diversity, cosmopolitanism and fertility. He does not shy away from social commitment and situates his art at the heart of society. From here, this artist spins interdisciplinary threads to other fields such as science, philosophy and ethics. Vanmechelen gained international acclaim with the ‘Cosmopolitan Chicken Project’, a worldwide breeding project in which different national chicken breeds were crossbred with a view to creating a super-bastard chicken. In 2000, he presented the first crossbreeding of the Mechelse Koekoek from Belgium and the Poulet de Bresse, the pride of the French chicken breeders. Since then, the project has already produced fifteen new generations. The crossbreeding is a metaphor for the peaceful coexistence of different species and breeds, and for the dynamics, fertility and creativity of life itself. The ‘Cosmopolitan Chicken Project’ engages in the debate on current issues such as genetic manipulation, cloning and globalisation. It tries to enrich the multicultural society from a wide range of perspectives. Therefore the artist has worked for years with renowned scientists from alpha, gamma, and beta sciences, resulting in various interdisciplinary projects. For that reason the Hasselt University awarded him an honorary doctorate in 2010. In 2011 Vanmechelen founded the ‘Open University of Diversity’ in Hasselt as a base for his diverse work. OpUnDi is an intellectual crossroad around biocultural diversity, an incubator for new ideas, a place where people can come together with Vanmechelen’s work as a source of inspiration. www.koenvanmechelen.be Peter Pollers

www.koenvanmechelen.be

© Meinder Milissen, student Fotografie MAD-faculty

Peter Pollers © Koen Vanmechelen

Cuauhtémoc Medina (curator Manifesta) bezoekt Koen Vanmechelen, 2012

© Stoffel Hias

© Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

KOEN VANMECHELEN — The Cosmopolitan Chicken Project – Mechelse Fayoumi

Tentoonstelling in Z33: Nr. 7 The Cosmopolitan Chicken Project: Red Jungle Fowl Genus XY, 2004 — © Sam Wodinski

KOEN VANMECHELEN

Het oeuvre van Koen Vanmechelen (Sint-Truiden, 1965) is verankerd in concepten als identiteit, bioculturele diversiteit, kosmopolitisme en fertiliteit. Hij schuwt het engagement niet en situeert zijn kunst in het hart van de samenleving. Van daaruit spint deze kunstenaar interdisciplinaire draden naar andere domeinen zoals wetenschappen, filosofie en ethiek. Vanmechelen verwierf internationale bekendheid met het ‘Cosmopolitan Chicken Project’, een wereldwijd kweekproject waarin verschillende nationale kippenrassen gekruist worden met het oog op een superbastaardkip. In 2000 presenteerde hij een eerste kruising tussen de Mechelse Koekoek uit België en de Poulet de Bresse, de trots van de Franse kippenkwekers. Sindsdien heeft het project al vijftien nieuwe generaties voortgebracht. Het kruisen is een metafoor voor het vreedzaam samenleven van verschillende soorten en rassen én voor de dynamiek, vruchtbaarheid en creativiteit van het leven zelf. Het ‘Cosmopolitan Chicken Project’ voert het debat over actuele kwesties zoals genetische manipulatie, kloneren en globalisering. Het probeert de multiculturele samenleving te verrijken vanuit een veelheid aan invalshoeken. Hiervoor werkt de kunstenaar al jaren samen met gerenommeerde wetenschappers uit alfa-, gamma- en bètawetenschappen, wat resulteerde in tal van interdisciplinaire projecten. De Universiteit Hasselt kende hem daarom in 2010 een eredoctoraat toe. Midden 2011 richtte Vanmechelen in Hasselt zijn ‘Open University of Diversity’ op, een uitvalsbasis voor zijn divers oeuvre. OpUnDi is een intellectueel kruispunt rond bioculturele diversiteit, een broedplaats voor nieuwe ideeën, een plaats waar mensen kunnen samenkomen met Vanmechelens werk als inspiratiebron.

KOEN VANMECHELEN

016 — 017

Open University of Diversity

KOEN VANMECHELEN — Studio 06, Open University of Diversity

KOEN VANMECHELEN


CIAP — Parallel Worlds

Met het tentoonstellingsproject ‘Parallel Worlds’ (03.06 – 30.09.2012) wil CIAP het (inter)nationale publiek laten kennismaken met wat deze regio te bieden heeft op het vlak van de actuele beeldende kunst. De expositie is een levendige momentopname van de Limburgse kunstscene. CIAP-curatoren Jos Berben en Tony Van Knippenberg selecteerden werk van tien jonge kunstenaars die afkomstig zijn uit de provincie of er een nauwe band mee hebben.

CIAP — PARALLEL WORLDS With the exhibition project ‘Parallel Worlds’ (03.06 – 30.09.2012) CIAP wants to introduce the (inter) national audience to what this region has to offer in terms of contemporary art. The exhibition is a lively snapshot of the art scene in the Belgian province of Limburg. CIAP curators Jos Berben and Tony Van Knippenberg have selected the work of ten young artists from Limburg or with a close connection to the province.

De titel van de tentoonstelling verwijst enerzijds naar de oeuvres van de gepresenteerde kunstenaars, die zich als ‘parallelle werelden’ naast elkaar ontwikkelen, weliswaar met de nodige kruisbestuivingen. Anderzijds houdt de titel ook een verwijzing in naar Limburg als een perifere regio waar er zich parallel aan de centrumsteden een aparte scene ontwikkelt.

On the one hand, the title of the exhibition refers to the oeuvres of the artists exhibited, which are developing alongside each other like ‘parallel worlds’, albeit with the usual cross-pollinations. On the other hand, the title is also a reference to Limburg as a peripheral region where, parallel to the central towns and cities, a separate scene is developing.

De deelnemende kunstenaars zijn Elise Berkvens, Fia Cielen, Caroline Coolen, Pieter Geenen, Frederic Geurts, Peter Hulsmans, Karl Philips, Arno Roncada, Filip Van Dingenen en Koen Vanmechelen.

The artists participating in the project are Elise Berkvens, Fia Cielen, Caroline Coolen, Pieter Geenen, Frederic Geurts, Peter Hulsmans, Karl Philips, Arno Roncada, Filip Van Dingenen and Koen Vanmechelen.

ELISE BERKVENS De recente schilderijen van Elise Berkvens (Schijndel, NL, 1982) zijn de steeds voorlopige uitkomsten van een complex proces van zoeken en aftasten. Berkvens is gefascineerd door de spanningsverhouding tussen het platte vlak van het schildersdoek en de suggestie van ruimtelijkheid. Ze vertrekt vaak van foto’s of andere beelden van natuur, architectuur of interieurs die haar uitdagen om er letterlijk en figuurlijk een draai aan te geven. De tweedimensionale beelden worden geplooid, gebogen en/of verknipt tot driedimensionale objecten. Vervolgens worden deze uiterst fragiele maquettes gefotografeerd, en deze documentaire foto’s dienen op hun beurt weer als inspiratiebron bij het schilderen. De motor achter deze complexe dialectiek tussen het platte vlak en de derde dimensie is steeds de subtiele wisselwerking tussen wat uiterlijk waargenomen wordt en wat dit innerlijk teweegbrengt. In die zin zijn de schilderijen van Elise Berkvens dan ook geen abstracte schilderijen te noemen. Hoewel een duidelijk herkenbaar motief veelal ontbreekt, zijn er naast het spel tussen vormen en kleuren en de suggestie van diepte en ruimte ook talloze echo’s van ongrijpbare gevoelens en gemoedstoestanden. In dit ernstige spel, in deze speelse wetenschap verkent de kunstenaar de grenzen van de fysieke én mentale ruimte.

The recent paintings by Elise Berkvens (Schijndel, NL, 1982) are the ever temporary products of a complex process of searching and exploring. Berkvens is fascinated by the tension between the flat surface of the painting canvas and the suggestion of three-dimensionality. As a starting point, she often uses pictures or other images of nature, architecture or interiors which challenge her to literally and figuratively put a twist on them. The two-dimensional images are folded, bent and/or cut up into three-dimensional objects. Subsequently, these extremely fragile models are photographed and these documentary pictures in turn serve as a source of inspiration for her painting. The driver behind this complex dialectic between the flat surface and the third dimension is always the subtle interplay between what can be observed externally and what it causes internally. Thus, in this sense, the paintings of Elise Berkvens should not really be referred to as abstract paintings. Although a clearly recognisable motif is mostly missing, apart from the play between the shapes and colours and the suggestion of depth and space, there are also many echoes of intangible feelings and moods. In this serious play, in this playful knowledge, the artist explores the boundaries of both physical and mental space. Peter Pollers

ELISE BERKVENS — Chasing Appearances, 2011

© Elise Berkvens

© Elise Berkvens

ELISE BERKVENS — From There On It Might Be Possible, 2011

Zicht op de installatie, Gfzk, Lepzig — © Stoffel Hias

KOEN VANMECHELEN — The Cosmopolitan Chicken Project – Genetic freedom, 2011

018 — 019

Peter Pollers


Tentoonstelling Art Fort, Lier

CAROLINE COOLEN — Flag, 2010

© Celeste Koopman

FIA CIELEN — Dark Matter, 2012

FIA CIELEN

Caroline coolen

De tekeningen, sculpturen en installaties van Fia Cielen (Hasselt, 1978) getuigen van een doorgedreven fascinatie voor de schaduwzijde, voor de donkere en bevreemdende aspecten van wat ons omringt. Zo duiken in haar recente tekeningen herhaaldelijk de motieven van het masker en het monster op. De hybride wezens die deze tekeningen bevolken, worden als het ware op het moment zelf van hun metamorfose geportretteerd. Ze aarzelen op de drempel tussen mens en dier, of tussen levend wezen en dode materie. Met de reeks sculpturen getiteld ‘Myths of the Near Future’ gaat Fia Cielen nog een stap verder. Voor deze werken doet ze een beroep op levende spinnen die met hun web de door haar gemaakte, op boomtakken gemonteerde geometrische structuren vervolledigen. De museale toonkast wordt zo een experimenteel terrarium. De controle over de uiteindelijke vorm van de sculpturen wordt uit handen gegeven. Deze werken zijn een indringende metafoor voor de natuur die onze maakbare, overgereguleerde mensenwereld opnieuw zou kunnen inpalmen en overwoekeren. Cielen was als kind al gefascineerd door dit soort post-apocalyptische doemscenario’s. Deze zijn volgens haar niet eens zo denkbeeldig: ze zouden wel eens het logische gevolg van onze huidige omgang met de natuur kunnen zijn. Toch wil de kunstenaar hiermee naar eigen zeggen niet zozeer onze opinies sturen of een politiek statement maken. Ze is meer geïnteresseerd in de ervaring van het wonderlijke als tegengif voor de status quo waarin we met z’n allen verstrikt dreigen te geraken.

The drawings, sculptures and installations by Fia Cielen (Hasselt, 1978) show a deep fascination with the shady side, with the dark and strange aspects of what surrounds us. For instance, in her recent drawings the motifs of the mask and the monster crop up repeatedly. The hybrid beings which inhabit these drawings are, as it were, being portrayed at the very moment of their metamorphosis. They hover on the threshold between human and animal, between living being and inanimate matter. With the series of sculptures entitled ‘Myths of the Near Future’ the artist even goes one step further. For these works, she uses living spiders which, with their webs, complete the geometric structures she created and assembled in tree branches. The museological display cabinet thus becomes an experimental terrarium. The control over the final shape of the sculptures is relinquished. These works are a probing metaphor for nature which could take over and overrun our makeable, overregulated human world again. As a child, Cielen was already fascinated by this kind of post-apocalyptic doom scenarios. The way she sees it, they are not even that imaginary: they could well turn out to be the logical consequence of the way we are currently treating nature. However, according to the artist, her intention with this is not really to steer our opinions or make a political statement. Instead, she is more interested in the experience of the weird and wonderful as an antidote for the status quo which threatens to entangle us all. www.fiacielen.com Peter Pollers

www.fiacielen.com Peter Pollers

Een uitbundige stroom van verlangens, dromen en visies laat Caroline Coolen (Bree, 1975) stollen tot monumentale sculpturen. Vanuit een rijke verzameling aan indrukken – uit gesprekken, uit reizen, uit het leven zelf – modelleert zij geleidelijk aan haar oeuvre. Deze verzameling is als een doos boordevol puzzelstukjes van ervaringen, geregistreerd in schetsen die ze verder verwerkt tot imposante beeldhouwwerken en tekeningen. Beide brengt ze ook samen in levensgrote installaties waardoor de toeschouwer haar wereld in drie dimensies kan binnenwandelen. Caroline Coolen heeft een onstuimige drang tot scheppen, maken, creëren. Haar beelden dragen dan ook de sporen van haar creatieve energie, de zichtbare letsels van hun ontstaansproces. Zo krijgt elk beeld zijn unieke karakter. Het onaffe en unieke worden extra in de verf gezet door het gebruik van snel toepasbare materialen die volgens haar niet moeten onderdoen voor de klassieke materialen zoals marmer, brons of keramiek. Het inspireert haar om in eenzelfde beeld verf en houtskool, brons en polyesterschuim, keramiek en karton tegen elkaar uit te spelen. Niet alleen met het virtuoos verwerken van onconventionele materialen zet Coolen de traditie op zijn kop. Ook inhoudelijk daagt ze in haar eigen directe beeldspraak de kunstgeschiedenis en de toeschouwer uit, met antihelden, mysterieuze heraldische motieven of een vlag die er is bij gaan zitten. Vormen en motieven uit het verleden worden in haar handen allerminst dode materie. Doorheen de ervaring van het nu ontpoppen ze zich tot frisse, krachtige gedaantes en betekenissen die een haast onuitputtelijke verbeeldingswereld oproepen. www.carolinecoolen.com

© Caroline Coolen

CAROLINE COOLEN — White Stripes, 2011

Tentoonstelling: Betrekkelijk Rustig, Kasteel van Rekem © Kristof Vrancken

CAROLINE COOLEN — Heraldic Ceramic, 2008

Courtesy: Fia Cielen en HISK Gent — © Boud Cielen

FIA CIELEN — Wunder der Schöpfung, 2008

FIA CIELEN — Dusty Old Bones, Full of Green Dust, 2008

Jurgen Gaethofs

Courtesy: Fia Cielen en Annette De Keyser Gallery

020 — 021

Docent MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Afdeling Vrije Kunsten

An abundant flow of desires, dreams and visions, solidified into monumental sculptures. Tapping into a rich collection of impressions – from conversations, travels, life itself – Caroline Coolen (Bree, 1975) gradually models her oeuvre. This collection is like a box overflowing with jigsaw pieces of experiences, recorded in sketches which she subsequently converts into imposing sculptures and drawings. Both are also brought together in life-size installations so that the spectator can step into her world in three dimensions. Caroline Coolen has a wild urge to create, make, craft. Consequently, her sculptures bear the signs of her creative energy, the visible scars of their genesis. This gives every sculpture its unique character. This incompleteness and uniqueness are emphasised even more through the use of quick-to-apply materials, which she claims measure up well to traditional materials such as marble, bronze or ceramic. It inspires her to play with paint and charcoal, bronze and polyester foam, ceramic and cardboard off against each other in the same sculpture. Coolen does not just turn tradition on its head with her virtuoso manipulation of unconventional materials. From a content point of view, too, she uses her direct imagery to challenge art history and the spectator with antiheroes, mysterious heraldic motifs or a flag which has claimed a spot in her work. In her hands, shapes and motifs from the past are most definitely not transformed into inanimate matter. Through the experience of the now they emerge as fresh, powerful forms and meanings which evoke an almost inexhaustible world of imagination. www.carolinecoolen.com Instructor MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Visual Arts Jurgen Gaethofs


Vanuit een vast camerastandpunt registreert Pieter Geenen (Hasselt, 1979) de wereld. Een op het eerste gezicht stilstaand beeld, vaak opgenomen in de vroege ochtend of tijdens de nacht, vertoont beetje bij beetje subtiele bewegingen. Het landschap geeft zo heel geleidelijk zijn verborgen eigenschappen prijs. De ogen en oren van de toeschouwer worden op scherp gezet. Met de weinige of contrasterende zintuiglijke indrukken kunnen we doorheen een reis door onze eigen mentale tijd en ruimte het beeld en het landschap met eigen betekenissen invullen. De landschappen die Pieter Geenen laat zien – en waarvan de toeschouwer zijn eigen landschap maakt – zijn niet willekeurig gekozen. Bewust kiest hij plaatsen die doorheen de stroom aan berichten van internationale nieuwszenders en kranten al beladen zijn met heel specifieke politieke en maatschappelijke betekenissen. Door zijn verstilde manier van registreren confronteert de kunstenaar de oorspronkelijke kwaliteiten van een landschap met de identiteit die zowel de individuele mens als het collectieve geheugen eraan gegeven hebben. Bewapend met statief en mobiele telefoon trok Pieter Geenen onlangs naar Teheran, de hoofdstad van Iran. Hij registreerde er onder meer het plein waar reeds in 2009 volksprotesten uitbraken, gericht tegen het regime van president Ahmadinejad. De beelden van zijn gsm, tevens het middel waarmee de aanhangers van oppositieleider Mousavi hun verhaal wereldwijd via sociale media konden verspreiden, tonen nu geen opstand meer. We zien slechts een quasi leeg plein, als een verlaten strijdtoneel waarin de sporen van de confrontatie tussen machthebbers en oppositie onzichtbaar – maar des te meer voelbaar – nazinderen.

Coutesy Annie Gentils Gallery

PIETER GEENEN — nocturne #2, 2012

Pieter geenen

Frederic geurts From a fixed camera angle, Pieter Geenen (Hasselt, 1979) records the world. What appears to be a still image at first glance, often recorded in the early morning or at night, reveals subtle movements bit by bit. Thus, the landscape very gradually yields its secret characteristics. The spectator’s eyes and ears are made to focus intently. The few or contrasting sensory impressions allow us to add our own meanings to the image and landscape through a journey across our own mental time and space. The landscapes Pieter Geenen shows – and which the spectator processes into his own landscape – have not been chosen at random. He consciously selects places which through a stream of international news channel and newspaper reports have been laden with very specific political and social meanings. Through his still manner of recording, the artist confronts the original qualities of a landscape with the identity attributed to it by both the individual person and collective memory. Armed with tripod and mobile phone, Pieter Geenen recently travelled to Teheran, the capital of Iran. One of the places he recorded was the square where, already in 2009, popular protests broke out against the regime of president Ahmadinejad. The images recorded with his mobile phone, the very means which enabled the supporters of opposition leader Mousavi to spread their story worldwide via social media, now no longer show rebellion. All we see is a virtually empty square, like an abandoned battleground in which invisible – but all the more tangible – traces of the confrontation between those in power and the opposition continue to reverberate.

Frederic Geurts (Wilrijk, 1965) maakt ruimtelijk werk, sculpturen en installaties. Meestal zijn het uiterst fragiele, ijle constructies. Bij voorkeur werkt hij ter plaatse aan een kunstwerk op maat van de plek. Hij laat zich inspireren door de context, de architectuur en de betekenis van deze plaats. Met minimale middelen – touw, staaldraad, transparant gaas – weet Geurts een maximum aan zeggingskracht te bereiken. Het ingewikkelde en vaak erg arbeidsintensieve ontstaansproces is meestal niet af te lezen aan het uiteindelijke kunstwerk. Bij een eerste aanblik moet je de neiging onderdrukken je in de ogen te wrijven. Is dit een visioen, een fata morgana? Of is het er echt? Alsof iemand erin geslaagd is om met een eenvoudig gebaar een getekende lijn in drie dimensies neer te zetten. Virtuositeit om de virtuositeit is echter niet Geurts’ betrachting. Het gaat hem veeleer om een schroomvolle reflectie over de plaats van de mens in de kosmos of – dichter bij huis – de relatie van een toeschouwer tot een concrete plek. Hij kan zich wel vinden in de idee van Heidegger dat kunst een (waarheids)gebeuren is waarbij hemel, aarde, eeuwigheid en eindigheid samenkomen. Maar meer nog vormen de natuur en de natuurwetenschap een bron van inspiratie. Zo herinnert de in zijn werk vaak voorkomende ellipsvorm bijvoorbeeld aan de baan van de aarde om de zon en de bewegingen van de andere planeten. Die ‘grotere beweging’ plaatst onze drukdoenerij en ons rondgeren hier op aarde meteen in een breder perspectief.

www.silenceisgolden.be

www.fredericgeurts.be

Jurgen Gaethofs

Frederic Geurts (Wilrijk, 1965) creates spatial work, sculptures and installations. They are usually extremely fragile and thin structures. He prefers to work on a piece of art on site. This way, he lets the context, architecture and the meaning of the place inspire him. Using a minimal amount of equipment – rope, steel wire, transparent gauze – Geurts is able to achieve maximum expression. The final work of art shows no evidence of the complex and often very labourintensive process behind its creation. At first glance, you have to suppress the urge to rub your eyes. Is this a vision, a fata morgana? Or is it really there? It is as if someone has managed to capture, in one fluid motion, a drawn line or brushstroke in three dimensions. Yet, virtuosity for virtuosity’s sake is not what Geurts is after. He is much more interested in a humble reflection of humankind’s place in the cosmos or – closer to home – the relationship a spectator has with a specific place. He does second Heidegger’s notion that art is a (truthful) experience in which heaven, earth, eternity and finiteness come together. But nature and natural sciences are even more of a source of inspiration. For instance, the ellipse shape often found in his work reminds us of the earth’s trajectory around the sun and the movements of the other planets. This ‘bigger movement’ instantly puts our fussing and our rushing around here on earth in a broader perspective. www.fredericgeurts.be Instructor MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Visual Arts Peter Pollers

Docent MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Afdeling Vrije Kunsten

www.silenceisgolden.be

© Frederic Geurt

FREDERIC GEURTS — Cercle corrigé, 2012

CIAP

022 — 023

Jurgen Gaethofs


Peter Hulsmans (Heusden, 1964) werkt doorgaans met lichte materialen zoals papier, karton, was, houtfineer of spiegels in plexiglas. Zijn objecten en installaties zijn vaak niet alleen visueel licht, maar ook draagbaar en gemakkelijk verplaatsbaar. Door hun inherente kwetsbaarheid missen ze het gewicht, maar ook het ‘sérieux’ die kunst meestal omgeeft. Deze verstoring van het normale verwachtingspatroon nodigt uit tot een open interpretatie. Vastgeroeste betekenissen komen weer op losse schroeven te staan en je wordt je nadrukkelijk bewust van je rol als toeschouwer. Hulsmans’ werken verwijzen vaak naar objecten, ruimtes en situaties die zo alledaags zijn dat ze nauwelijks nog worden waargenomen: een stoel, een tafel, een muur, … Maar tegelijk wijken ze er in grote mate van af door het gebruikte materiaal, door een distortie of deconstructie van de vorm of door een afwijkende presentatie. Een object, bijvoorbeeld een stoel of een muur, wordt van zijn functie beroofd. Het verliest zijn vanzelfsprekende rol. Daardoor kan je het ding weer louter visueel benaderen als een vorm in de ruimte. Of je kan je juist gaan bezinnen over wat een stoel of een muur in feite is, hoe die dingen onze leefgewoonten conditioneren. Peter Hulsmans zet onze vertrouwde omgeving als het ware tussen aanhalingstekens. Zo schept hij ruimte voor reflectie over de complexiteit en de gelaagdheid van elke realiteit.

KARL PHILIPS Karl Philips (Hasselt, 1984) zoekt naar alternatieven voor de veilige, maar ook beklemmende beslotenheid van het sedentaire bestaan. Vanaf zijn zestiende trok hij al liftend rond en hij botste daarbij op groepen van mensen die eveneens voortdurend rondzwerven. Bijvoorbeeld een zigeunergemeenschap die elke vierentwintig uur haar woonwagens moest verplaatsen om in orde te zijn met de wet op het wildkamperen. Dit deed hem inzien hoeveel aanpassingsvermogen en levendige creativiteit er nodig zijn om zich staande te kunnen houden in de marge van de samenleving. Sindsdien is de zelfkant van onze maatschappij zijn thuis en in één adem ook zijn bron van creativiteit. De performances – of zijn het guerrilla-acties? – van deze kunstenaar vloeien rechtstreeks voort uit zijn manier van leven. Leven, kunst en creativiteit zijn voor Karl Philips immers onlosmakelijk met elkaar verbonden in een organisch proces waarbij het ene project zowel inhoudelijk als vormelijk voortspruit uit het andere. De materiële sporen van Philips’ acties nemen doorgaans de vorm aan van onconventionele artefacten of bewoonbare constructies. Hun functionele vormelijkheid getuigt van zijn ongedwongen esthetisch aanvoelen en biedt een inkijk in het associatieve, collage-achtige denken eigen aan deze kunstenaar. Voelt u ook al het verlangen om in zijn voetsporen te treden?

Peter Hulsmans (Heusden, 1964) mostly works with light materials such as paper, cardboard, wax, wood veneer or plexiglass mirrors. Often, his objects and installations are not only visually light but also portable and easily movable. Because of their inherent vulnerability they miss the weight, but also the gravitas which usually surrounds art. This disruption of normal expectations invites an open interpretation. Established meanings are turned on their head and you become expressly aware of your role as a spectator. Hulsmans’ works often refer to objects, spaces and situations which are so ordinary that they are hardly ever noticed anymore: a chair, a table, a wall, ... But at the same time, they are quite different because of the materials used, a distortion or deconstruction of the shape or because of a deviating presentation. An object, for instance a chair or a wall, is stripped of its function. It loses its obvious role. As a result, you can once again approach the object purely visually as a shape in the space. Or you can, in fact, reflect on what a chair or a wall actually is; how these objects condition our way of life. Peter Hulsmans puts our familiar environment in speech marks, as it were. By doing so, he creates room for reflection on the complexity and the stratification of every reality. www.peterhulsmans.be Peter pollers

Peter Pollers

Zie ook p. 60-61

PETER HULSMANS — An act, 2008

Jurgen Gaethofs

© Piëtro Celestina

www.peterhulsmans.be

PETER HULSMANS — Point, 2011

© Piëtro Celestina

PETER HULSMANS — Reconversion, 2009

CIAP

024 — 025

PETER HULSMANS

Karl Philips (Hasselt, 1984) looks for alternatives to the safe, but also oppressive isolation of sedentary existence. From the age of sixteen, he hitchhiked around and, along the way, ran into groups of people who were also continuously roaming around. For instance, a gypsy community which had to move its trailers every twenty-four hours in order to comply with the law on wild camping. This made him realise how much flexibility and dynamic creativity is needed to be able to survive in the margins of society. Ever since then, the fringes of our society have been his home and in the same breath also his source of creative inspiration. The performances – or are they guerrilla actions? – by this artist are a direct result of his way of life. After all, to Karl Philips, life, art and creativity are inextricably linked in an organic process whereby one project springs from another, both with regard to content and form. The material traces of Philips’ actions mostly take on the form of unconventional artefacts or habitable constructions. Their functional design shows his relaxed aesthetic feel and offers an insight into the associative, collage-like thinking characteristic of the artist. Perhaps you already feel the urge to follow in his footsteps? Jurgen Gaethofs Also p. 60-61


FILIP VAN DINGENEN — Flota Nfumu, 2009

arno roncada

Jurgen Gaethofs

Compilatie archief, Barcelona Zoo

FILIP VAN DINGENEN — Els Nens dibuixen en Floquet, 2006

Peter Pollers

© Arno Roncada

© Karl Philips

KARL PHILIPS — You Tube Drive Inn, 2011

026 — 027

Jurgen Gaethofs

Filip Van Dingenen (Diest, 1975) profileert zich als een researcher, een antropoloog-kunstenaar die via onderzoek een stukje van de wereld in kaart brengt. Hij is daarbij bijzonder gefascineerd door het spanningsveld tussen werkelijkheid en fictie. Een groot deel van zijn werk kan opgevat worden als een artistiek onderzoek naar de kunstmatige constructies en ruimtes die de mens bedacht heeft om de alledaagse realiteit te ontvluchten. Van Dingenen nam de sluiting van de lokale dierentuin van Zwartberg als vertrekpunt voor een fijnmazig en wijdvertakt artistiek onderzoeksproject onder de noemer ‘Zoonation’. Ook dierentuinen bevinden zich immers in het escapistische niemandsland tussen droom en realiteit. Ze weerspiegelen het verlangen naar een utopische plek, een ongerepte paradijselijke toestand. De zoo belichaamt de paradox van een kunstmatig stukje natuur. Hoe levensecht de oorspronkelijke biotoop van het dier er ook gesimuleerd wordt, het blijft een hyperreële nabootsing, een illusoire schijnvertoning die niet gespeend is van ideologische vooronderstellingen. Van Dingenen verzamelde een schat aan gegevens over de voormalige zoo in Zwartberg. Hij interviewde tal van betrokkenen en reisde de dieren achterna die een andere bestemming kregen in dierentuinen en safariparken overal ter wereld. Zo ontstond er een amalgaam van foto’s, tekeningen, tabellen en teksten. Die worden op verschillende manieren ontsloten, onder meer via tentoonstellingen, een website en een boek. Daarbij worden de wetenschappelijk methodiek – identificeren, classificeren, archiveren – tegelijk ten top gevoerd én kritisch bevraagd.

Nothing is what it seems anymore. Particularly when it comes to the massive amount of pictures bombarding us on a daily basis. The same images appear in different media as a clarification or in defence of their own truth. In the twenty-first century, the battle between newspapers, news channels and mobile phones for the monopoly of the representation of reality has well and truly begun. What should we still believe? Should film and photography still represent reality? The abuse of images which supposedly depict the truth and the manipulation of digital images via software also give room once more to imagination and interpretation. It is this tension between reality and imagination in which Arno Roncada (Genk, 1973) operates as an artist. His photographic images are not snapshots meant to record the ever-changing world, but rather carefully selected images aiming to capture an idea. Sometimes, he finds these places in the world around us; other times, he constructs a space himself which meets his idea. Environments which at first glance appear to be ordinary, are lifted out of reality and transformed into images which highlight various layers of this reality. As an artist or photographer who constructs his own images, he himself remains in the background of his images and he leaves room for the spectator to add his own layers of associations and interpretations to the tension between what is real and unreal, possible and impossible, between the moment in time and the duration, between the razor-sharp spot-lit place and the space which has almost completely disappeared in the mist.

ARNO RONCADA — Unsuccesful apllicants will not be notified, 2010

Niets is nog wat het lijkt. Zeker als we het hebben over de massa aan beelden waarmee wij dagelijks overspoeld worden. Dezelfde beelden duiken in verschillende media op ter verduidelijking of verdediging van hun eigen waarheid. In de eenentwintigste eeuw is de strijd tussen kranten, nieuwszenders en mobiele telefoons om het monopolie van de representatie van de werkelijkheid volledig losgebarsten. Wat moeten we nog geloven? Moeten film en fotografie de werkelijkheid nog weergeven? Het misbruiken van beelden die zogezegd de werkelijkheid verbeelden en het manipuleren van digitale beelden via software maken ook opnieuw ruimte voor verbeelding en interpretatie. In deze spanning tussen werkelijkheid en verbeelding opereert Arno Roncada (Genk, 1973) als kunstenaar. Zijn fotografische beelden zijn geen momentopnames die de steeds veranderende wereld willen vastleggen, maar zorgvuldig gekozen beelden die een idee willen vatten. Soms vindt hij deze plaatsen in de ons omringende wereld, dan weer construeert hij zelf een ruimte die aan zijn idee beantwoordt. Op het eerste gezicht dagdagelijkse omgevingen worden door hem uit de werkelijkheid gelicht en worden beelden waarin verschillende lagen van die werkelijkheid oplichten. Als kunstenaar of fotograaf die zijn eigen beelden construeert blijft hijzelf in zijn beelden op de achtergrond en laat hij ruimte voor de toeschouwer om eigen lagen van associaties en interpretaties toe te voegen aan het spanningsveld tussen echt en onecht, mogelijk en onmogelijk, tussen het moment in de tijd en de duur, tussen de haarscherp uitgelichte plaats en de bijna helemaal in de mist opgaande ruimte.

filip van dingenen Filip Van Dingenen (Diest, 1975) presents himself as a researcher, an anthropologist-artist who, through research, records a fragment of the world. He is particularly fascinated by the tension between reality and fiction. A large part of his work can be seen as artistic research into the artificial constructions and spaces humankind has devised to escape everyday reality. Van Dingenen took the closure of the local zoo in Zwartberg as a starting point for an exhaustive and complex artistic research project by the name of ‘Zoonation’. After all, zoos are situated in the escapist no-man’s-land between dream and reality as well. They reflect the desire for a utopian place, an unspoilt paradisiacal situation. The zoo embodies the paradox of an artificial piece of nature. However true to life the original biotope of the animal is being simulated, it remains a hyperreal imitation, an illusory diversion which is not devoid of ideological presuppositions. Van Dingenen collected a wealth of data about the former zoo in Zwartberg. He interviewed many of those involved and followed the tracks of the animals which had been given a new home in zoos and safari parks across the world. This resulted in an amalgam of pictures, drawings, schedules and texts. These are made public through various means, including exhibitions, a website and a book. In Zoonation Van Dingenen once again uses scientific methodology and at the same questions its procedures: identification, classification, archiving. Peter Pollers


CIAP — centrum voor actuele kunst Eigenzinnige tentoonstellingen, intense kunstbeleving

Sinds 1976 profileert CIAP zich als vurige pleitbezorger van hedendaagse kunst in Limburg. Als organisator van tentoonstellingen, lezingen en kunstreizen. Als informatieverstrekker en uitgever van publicaties, grafiek en multipels. Maar ook als een ijkpunt voor kwalitatieve kunst- en cultuurspreiding. In 2008 verhuisde CIAP naar een nieuwe uitvalsbasis, op de bovenverdieping van een groot industrieel pand dat deel uitmaakt van de 19e eeuwse gelatinefabriek aan de Hasseltse kanaalkom. De nieuwe expositieruimte met een oppervlakte van meer dan 500 m² illustreert de schaalvergroting en professionalisering die CIAP ambieert op alle terreinen waarop het al meer dan 35 jaar succes oogst.

FILIP VAN DINGENEN — Flota Nfumu, 2006

028 — 029

Geslaagde ontmoetingen CIAP houdt het kunstendiscours levendig, met een nieuwsbrief en website waarop de organisatie de actuele beeldende kunst becommentarieert en informatie verschaft over de eigen verenigingsactiviteiten. En dat zijn er heel wat, zoals exposities, geleide bezoeken aan belangrijke tentoonstellingen, lezingen, publicaties en uitgaven van kunstwerken. CIAP-leden staan op de eerste rij in het kunstenveld en krijgen de mogelijkheid om de belangrijkste internationale tentoonstellingen te zien. De kunstreizen van CIAP, met ruime aandacht voor hedendaagse architectuur, groeiden in de loop der jaren uit tot gekoesterde ontmoetingsmomenten met de nadruk op een intense kunstbeleving. Een eigenzinnig tentoonstellingsplatform In de eigen expositieruimte organiseert CIAP doorlopend tentoonstellingen gericht op een ruim publiek. Op beide locaties samen – de huidige in de gelatinefabriek en de oude aan de Zuivelmarkt in Hasselt – werden tot dusver meer dan 220 tentoonstellingen ingericht, en daarnaast nog een 50-tal exposities buitenshuis in samenwerking met andere kunst- en cultuurcentra. Meer dan 700 binnen- en buitenlandse kunstenaars konden hun werk zo één keer of meermaals tonen. Altijd streeft CIAP een hoogstaand kwalitatief niveau na met de nodige aandacht voor de promotie van lokaal talent. Voor veel jonge kunstenaars was en is exposeren in CIAP een eerste belangrijke confrontatie met de kunstscene. De intimiteit van de huiskamer CIAP speelde bij gebrek aan galeries in Limburg ook onrechtstreeks een belangrijke rol in de verspreiding van kunst. Dankzij de medewerking van 85 kunstenaars was het mogelijk om kunstwerken (grafiek en objecten) in beperkte oplages en tegen een gunstige prijs aan de leden aan te bieden. In 36 jaar werking is

CIAP — CENTRE FOR CONTEMPORARY ART HIGHLY INDIVIDUAL EXHIBITIONS, INTENSE ART EXPERIENCES Since 1976, CIAP has presented itself as an ardent advocate of contemporary art in Limburg. As an organizer of exhibitions, lectures and art tours. As an information provider and publisher of publications, prints and multiples. But also as a benchmark for quality arts and cultural dissemination. In 2008, CIAP moved to its new base, on the upper floor of a large industrial building that forms part of the 19th century gelatine factory in Hasselt. The new exhibition space with a floor area that exceeds 500 square metres reflects the level of expansion and professionalisation which CIAP aspires to in all the areas in which it has been successfully active for over 35 years. Successful encounters CIAP keeps the art discourse alive, with a newsletter and a website in which the organization comments on contemporary art and provides information about its own activities. And there are many: exhibitions, guided visits to major exhibitions, lectures, publications, and editions of works of art. CIAP members are first in line when it comes to art-related activities and are given the opportunity to visit major international exhibitions. Over the years, CIAP’s art tours – in which ample attention is given to contemporary architecture – have grown into cherished moments of encounter that centre on the intense experiencing of art. A highly individual exhibition platform CIAP organizes on-going exhibitions in its own exhibition space, aimed at a wide audience. Both sites ��� the current one in the gelatine factory and the old one at the Zuivelmarkt in Hasselt – have hosted more than 220 exhibitions, and over 50 exhibitions were organised in collaboration with other art and cultural centres. More than 700 local and foreign artists were given an opportunity to show their work at least once, and some of them even various times. CIAP always strives to present high-quality work and aims to create opportunities for the promotion of local talent. For many young artists, exhibiting at CIAP was and is a first major confrontation with the art scene. The intimacy of the living room Because of the lack of galleries in Limburg, CIAP also came to play an important role in the dissemination of art. Thanks to the collaboration of 85 different artists, we were able to offer artworks (prints and objects) in limited editions at favourable prices to the CIAP members. In 36 years of operation, the distribution of no less than 103 different multiples is quite an achievement. There were not only opportunities for young upcoming talent. Established artists have aligned

de verspreiding van niet minder dan 103 verschillende multipels een prestatie van formaat. Niet alleen veel aankomende jongeren kregen kansen. Ook bekende kunstenaars schonken CIAP hun vertrouwen, zoals Roger Raveel, Panamarenko, Rik Poot, Woody van Amen, Jan Fabre en Luc Tuymans. En Limburgers zoals Hugo Duchateau, Piet Stockmans, Thierry Renard, Malou Swinnen, Liliane Vertessen en Johan Creten. De filosofie achter dit aspect van CIAP is hedendaagse kunst te midden de mensen brengen. En waar kan dit beter dan in de intimiteit van de huiskamer. Honderden kunstwerken zijn aan een schappelijke prijs verkocht en maken nu deel uit van vele kleine en grote privéverzamelingen. Dagelijks leren leven met eigentijdse kunst krijgt zo een concrete inhoud en betekenis. CIAP blijft zich ook in de toekomst inzetten voor de verspreiding van kunst.

themselves with CIAP as well, such as for instance Roger Raveel, Panamarenko, Rik Poot, Woody van Amen, Jan Fabre and Luc Tuymans. And artists from Limburg such as Hugo Duchateau, Piet Stockmans, Thierry Renard, Malou Swinnen, Liliane Vertessen and Johan Creten. It is CIAP’s underlying philosophy to bring contemporary art among the people. And where could this be more appropriate than in the intimacy of the living room? Hundreds of works of art were sold at reasonable prices and are now part of many small and large private collections. This is how living with contemporary art in the home is given significance and meaning. CIAP will continue to be a platform for the dissemination of art in the future as well. On the barricades CIAP leads the way in championing contemporary art. When in 1997 the exhibition policy of the Provincial Beguinage was questioned and threatened to be reduced because it was considered to be too elitist, CIAP organised a massive petition which was handed to the governor. One year later, artist Jef Geys made this petition and the issues surrounding contemporary art in Limburg the subject of a special edition of his Kempens Informatieblad (Campine Information Paper). This publication was the first to present a public collection of views and reactions by politicians, interested people, and artists. A few years before, CIAP had already initiated the discussion on the absence of a museum, by printing the slogan 'Limburg desperately needs a contemporary art museum’ on every invitation card.

Op de barricades CIAP staat op de bres voor hedendaagse kunst. Toen in 1997 het tentoonstellingsbeleid van het Provinciaal Begijnhof in vraag gesteld werd en dreigde afgebouwd te worden wegens te elitair, zette CIAP een grootschalige petitie op en overhandigde die aan de gouverneur. Kunstenaar Jef Geys maakte een jaar later deze petitie en de problematiek van de hedendaagse kunst in Limburg tot onderwerp van een speciale editie van zijn Kempens Informatieblad. Die publicatie was daarmee de eerste publieke verzameling van standpunten en reacties van politici, geïnteresseerden en kunstenaars. Een paar jaar voordien zwengelde CIAP het discours al aan omtrent de afwezigheid van een Limburgs museum, door In 2009, the Flemish Community recognized CIAP de slogan ‘Limburg heeft een museum voor hedendaagse kunst as a centre for visaul arts. The City of Hasselt and broodnodig’ op iedere uitnodigingskaart te drukken. the provincial government of Limburg subsidize the In 2009 erkende de Vlaamse Gemeenschap CIAP als centrum voor beeldende kunst. Ook de Stad Hasselt en het provinciebestuur van Limburg subsidiëren de vereniging en erkennen daarmee het belang van kwalitatieve kunst- en cultuurspreiding door een privé-initiatief op basis van vrijwilligerswerk. www.ciap.be Ludo Raskin

association as well and consequently recognize the importance of quality-based art and cultural promotion through private initiative based on voluntary work. www.ciap.be Ludo Raskin


Duotentoonstelling: Jenny Watson/Fia Cielen, 2010 — Courtesy galerie Transit © Bert De Leenheer

Jenny Watson

Tentoonstelling: Blame it on the Boogie, 2010 — © Kuilboer / Kruisdijk

Conny Kuilboer — Suckers and Fuckers and Stupid Retards, 2010

Tentoonstelling: Triënnale voor mode, design en kunst ‘SuperBodies’, 2012 — © Yang Zhenzhong

Solotentoonstelling: tsi tsi rikiki, 2011 — Courtesy: Maes & Matthys Gallery

Ruth van Haren Noman — madapolan, 2010

Solotentoonstelling: tsi tsi rikiki, 2011 — Courtesy: Maes & Matthys Gallery

Ruth van Haren Noman — coralita, 2009

Tentoonstelling: Soundspace, 2011 — Courtesy: Paul Devens en Intro in situ © Kristof Vrancken

Solotentoonstelling, 2011-2012 — © Stijn Ank

Stijn Ank — 32.2011, 2011

Tentoonstelling: Soundspace, 2011 — Courtesy: Erwin Stache en Intro in situ — © CIAP

Paul devens — Pavilion

Tentoonstelling: Soundspace, 2011 — Courtesy: Paul Devens en Intro in situ — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: Between the Sacred and the Profane, 2010

erwin stache — 87,3 kilo Ohm, 2011

Paul devens — Pavilion

JOHAN GELPER — Paviljoen, 2010

YANG ZHENZHONG — foto uit de reeks ‘Extras’, 2010

CIAP

030 — 031


Tentoonstelling: A Painter’s Lullaby, 2009 © Kristof Vrancken

Jan Van Imschoot

Tentoonstelling: Alter Nature: Harder, Better, Faster, Stronger, 2011 © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: Blame it on the Boogie, 2010 — © Kuilboer / Kruisdijk

Esther Tielemans — Stage 2, 2009

032 — 033

Street Art Festival, Hasselt, 2011 — © CIAP

Tentoonstelling: Alter Nature: Harder, Better, Faster, Stronger, 2010-2011 © Marcia Nolte

Marcia Nolte — Corpus 2.0: Smokinghole, 2008

Dzia & Ligone — in actie tijdens de Paint Club Battle

Tentoonstelling: No Government No Cry - een project van Kendell Geers , 2011 — © CIAP

Kendell Geers

Tentoonstelling: Bedenk dat ge op onbekend terrein zijt, 2010 Courtesy: galerie Tatjana Pieters en galerie Akinci

Anne Wenzel — Bright Solitude, 2009

Tentoonstelling: Stijn Ank, 2011-2012 — © Stijn Ank

Stijn Ank


Tentoonstelling: No Government No Cry - een project van Kendell Geers, 2011 — © Laetitia Jeurissen

Stephen Thompson — Performance

Tentoonstelling: Jenny Watson/Fia Cielen, 2010 Courtesy: galerie Transit — © Bert de Leenheer

Jenny Watson — Mare and Foal, 1993

Tentoonstelling: Bedenk dat ge op onbekend terrein zijt, 2010

Anton Cotteleer

CIAP

034 — 035

Tentoonstelling: Alter Nature: Harder, Better, Faster, Stronger, 2011 — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: No Government No Cry, 2011 — © Laetitia Jeurissen

Kendell Geers

Tentoonstelling: A Painter’s Lullaby, 2009 — © Kristof Vrancken

Jan Van Imschoot


HUGO DUCHATEAU In zijn vroege werk experimenteerde Hugo Duchateau hoofdzakelijk met de werktuigen van de kunstenaar: potlood, papier, verf en borstel, houtskool. Hij schilderde het schilderen en hij tekende het tekenen. Later is het eerder de verhouding tussen natuur en cultuur die hem bezighoudt. Lijnen en vlakken vormen een spel van gecontroleerde chaos waarin de kunstenaar kan experimenteren met kleur, vorm en substantie. Meer en meer legt hij zich toe op installaties. Nog later laat Hugo Duchateau de natuur de vrije loop: de verf druipt, installaties woekeren. De kunstenaar oordeelt wanneer de natuur haar werk heeft gedaan en wanneer het kunstwerk kunst is. www.hugoduchateau.net

© Hugo Duchateau

© Hugo Duchateau

HUGO DUCHATEAU — 2011-2012

© Debby Thijs, student Fotografie MAD-faculty

Lieve Vanhoyland

HUGO DUCHATEAU — 2011-2012

VINCENT VAN DEN MEERSCH — Zonder titel, 1982

© René Duchateau — Uit het boek 'Een eeuw beeldende Kunst in Limburg' door Ludo Raskin, 2004

036 — 037

p. 40

EARLY PIONEERS Now that Limburg is a temporary synonym of contemporary art – and hopefully for time to come - let’s seize the opportunity to ponder on the question of ‘how it all started’. My intention in this article is to stand up in defence of some artists who played a ground-breaking role in the province. To do so, we have to go back to the second half of the sixties of last century. It is not really a known fact that Limburg linked up with progressive art movements at quite an early stage. While Ghent was the capital of contemporary art in Flanders at that time, partly stimulated by Karel Geirlandt, Limburg climbed the stage almost simultaneously. In my opinion four artists deserve to be put in the spotlight in this context: Hugo Duchateau, Ado Hamelryck, Piet Stockmans and Vincent Van den Meersch. For a complete overview I gladly refer to the unsurpassed standard work by Ludo Raskin, Een eeuw beeldende kunst in Limburg (A century of visual arts in Limburg): 1900-2000 (2004). It talks equally and without distinction about all artists from before and after the pioneering days. But where to start? Who gets the merits? I think Ludo Raskin is giving a subtle hint in his overview. The book is dedicated to Vincent Van den Meersch ‘artist and impassioned educator’. I share his conviction that the return to the pioneering era should in the first place be a tribute to Vincent Van den Meersch (1912-1996) because of the two cited reasons: his own oeuvre and his lectureship. And, please let me add a third reason: his charismatic personality – which is not at all contrary to his extreme modesty. The high quality and enduring topicality of Vincent Van den Meersch’ painting works are beyond doubt, even though they are not yet acknowledged in full. In 1984 Vincent received the Award of the Flemish Community for an artist’s career. Nevertheless, his quiet, introverted, disengaged oeuvre was never really noticed.

VINCENT VAN DEN MEERSCH — Zonder titel, 1989

Nu Limburg zich deze zomer met Manifesta 9 even – en hopelijk voor een lange tijd – synoniem van de actuele kunst mag noemen, is het goed stil te staan bij de vraag ‘hoe het allemaal begon’. In dit artikel wil ik een lans breken voor enkele kunstenaars die de rol van voortrekker in de provincie gespeeld hebben. Daartoe moeten we terugkeren naar de tweede helft van de jaren ’60 van de vorige eeuw. Het is weinig bekend dat Limburg al vroeg aanknoopte bij de progressieve kunststromingen. Waar Gent op dat ogenblik de hoofdstad van de hedendaagse kunst in Vlaanderen was, mede onder impuls van Karel Geirlandt, hees Limburg zich bijna gelijktijdig op het podium. Ik beperk me tot vier kunstenaars die ik in dat opzicht het meest naar voren meen te moeten schuiven: Hugo Duchateau, Ado Hamelryck, Piet Stockmans en Vincent Van den Meersch. Voor wie een volledig overzicht wil, verwijs ik graag naar het onvolprezen standaardwerk van Ludo Raskin, Een eeuw beeldende kunst in Limburg: 1900-2000 (2004). Hierin komen alle kunstenaars zowel van voor als van na de pioniertijd in gelijke mate en zonder onderscheid aan bod. Maar met wie dan beginnen? Aan wie deze verdienste toekennen? Ik meen dat Ludo Raskin in zijn overzichtswerk een subtiele hint geeft. Het boek wordt namelijk opgedragen aan Vincent Van den Meersch ‘kunstenaar en bezield pedagoog’. Ik deel zijn overtuiging dat de terugkeer naar de pioniertijd in de eerste plaats een hulde moet brengen aan Vincent Van den Meersch (1912-1996), omwille van de twee aangehaalde redenen: zijn eigen oeuvre en zijn docentschap. Daaraan voeg ik nog een derde toe: zijn charismatische persoonlijkheid – die niet in tegenspraak is met zijn extreme bescheidenheid. De hoge kwaliteit en de blijvende actualiteit van het schilderkunstige oeuvre van Vincent Van den Meersch zijn boven alle twijfel verheven, hoewel zij nog veel te weinig onderkend worden. In 1984 ontving Vincent de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor een kunstenaarsloopbaan. Maar de echte aandacht voor dit stille, introverte, onthechte oeuvre is er nooit gekomen.

© René Duchateau — Uit het boek 'Een eeuw beeldende Kunst in Limburg' door Ludo Raskin, 2004

Tentoonstelling: No Government No Cry, 2011

BANKSY - KENDEL GEERS

Francis Smets

HUGO DUCHATEAU

Baanbrekers van het eerste uur

In his early work Hugo Duchateau mainly experimented with the artist’s tools: pencil, paper, paint and brush, charcoal. He painted the art of painting, and drew the feel of drawing. Later in life he became interested in the relation between nature and culture. Lines and planes form a play of controlled chaos which allows the artist to experiment with colour, form and substance. More and more he focused on installations. Even later, Hugo Duchateau let nature run free: the paint drips from the canvas, the installations grow awry. The artist decides when nature has done its work and when the piece of art is art. www.hugoduchateau.net Lieve Vanhoyland


Piet Stockmans Tactility and vulnerability are the two words that best describe the work of Piet Stockmans. As a designer of dinner services, Piet Stockmans uses pure forms without any additional decoration. His free work is mainly based on repetition. In his larger installations, the repetition seems endless at times, and it is up to the viewer to discover the subtle differences in the thousands of seemingly identical objects. His functional dinner services are based on the rational, whilst his free work focuses more on emotion and intuition. In both cases he mainly uses porcelain with the dominant colors being white and blue. www.pietstockmans.com Lieve Vanhoyland

www.pietstockmans.com

for Europe, Curator Jan Boelen, Z33

PIET STOCKMANS © Kristof Vrancken

PIET STOCKMANS — Cabinet of Curiosities from Belgium

© Hugo Duchateau

HUGO DUCHATEAU — Val, 2005 038 — 039

Lieve Vanhoyland

© Reginald Tackoen, student Fotografie MAD-faculty

Tactiliteit en kwetsbaarheid zijn de twee kernwoorden die het best het werk van Piet Stockmans omschrijven. Als ontwerper van serviesgoed hanteert Piet Stockmans een uitgepuurde vormentaal zonder enige decoratie. Zijn vrije werk is vooral gestoeld op herhaling en het repetitieve. In zijn grotere installaties lijkt de herhaling soms eindeloos en is het aan de toeschouwer om de subtiele verschillen te ontdekken in duizenden ogenschijnlijk identieke objecten. Daar waar zijn serviesgoed functioneel is en ontstaat vanuit de ratio, is zijn vrij werk intuïtiever en gevoeliger. In beide gevallen gebruikt hij hoofdzakelijk porselein en zijn de dominerende kleuren in zijn werk wit en blauw.


040 — 041

BAANBREKERS VAN HET EERSTE UUR

p. 36

Vincent Van den Meersch situeert zich in de grote traditie van de abstracte schilderkunst. Zonder enige exuberantie of uitspatting, verstild als het is, bezit zijn werk toch een grote lyrische kracht die zich onder het schijnbaar koele, geometrische oppervlak verbergt. Door die opmerkelijke, sensuele kant stijgt het ver uit boven de zogenaamde ‘constructivistische’ kunst. Zijn schilderkunst hanteert er slechts in schijn de vormentaal van. Onderhuids vertoont zij een immense lust van het schilderen. Door de onorthodoxe kleur en de bevreemdende verhoudingen duikt een verbazende hartstocht op die principieel niet bij dit soort schilderkunst hoort. Zij bereikt een precair evenwicht, zowel gereserveerd als gedurfd, zowel vergeestelijkt als erotisch. Al het menselijke is erin aanwezig. Zelf een leerling van Kokoschka, was Vincent Van den Meersch van 1949 tot 1955 docent plastische kunsten aan Sint-Lukas in Brussel. In 1955 werd hij docent aan de nieuw opgerichte kunsthogeschool in Hasselt, later omgevormd tot het Provinciaal Hoger Instituut voor Kunstonderwijs (PHIKO). Hij had hier tot 1977 het atelier schilderen onder zijn hoede en introduceerde er de eigentijdse geest. Het is in deze studio dat het in de vroege jaren ’60 begon te gisten. Vincent was hoegenaamd geen tafelspringer of grootspreker. Maar zijn heldere, weloverwogen en vastberaden inzichten hadden meer overtuigingskracht dan stoere taal zou gehad hebben. De minzaamheid, de openheid en de visionaire kracht maakten op zijn studenten indruk. De rol die Vincent in dit atelier gespeeld heeft en de impact die hij op een aantal van zijn meest begaafde studenten had, zijn cruciale factoren in deze geschiedenis geweest. De eerste doorbraak was de oprichting van de Research Group in 1967. Een garde gedreven studenten van Vincent sloeg de handen in elkaar. Jos Jans, Hugo Duchateau, Jan Withofs, Dré Sprankenis en Hélène Keil waren destijds de rebellen die zich tot doel stelden de provincie open te breken voor de eigentijdse kunst. Dat zij Vincent Van den Meersch opnamen in de groep, getuigt van de waardering voor hun leermeester en voorbeeld. De rol van de Research Group in die jaren kan niet voldoende beklemtoond worden. Met hun provocerende happenings – de geest van provo waarde door Vlaanderen – braken zij de ban. Het schokeffect werkte. Voordien was er niets in Limburg. Plots kon de hedendaagse kunst er gedijen. Daar moet aan toegevoegd worden dat het provinciebestuur een voor Vlaanderen exceptionele rol gespeeld heeft in het ondersteunen van dit proces. De figuur van Albert Dusar moet hier vermeld worden. Als hoofd van de Provinciale dienst voor cultuur was hij van bij het begin de hedendaagse kunst gunstig gezind. Hij gaf aan zijn medewerkers, Ludo Raskin en Urbain Mulkers, een vrijbrief om deze beleidsoptie in daden om te zetten. Reeds in 1970 kreeg de Research Group een grote tentoonstelling in het Provinciaal Begijnhof (het huidige

Vincent Van den Meersch is a part of the great tradition of abstract painting. Even without exuberance or excess, in all its tranquillity, his work still possesses a great lyrical power hiding under the apparently cool, geometrical surface. Due to that remarkable, sensual side it largely surpasses the so-called ‘constructivist’ art form. His painting only appears to be using its form language. But underneath the skin, hides an immense lust for painting. Due to the unorthodox colour and surprising proportions, an amazing passion emerges which does not usually belong to this type of painting. It reaches a precarious balance, both reserved and daring, both spiritualised and erotic. It contains everything that is human. As a student of Kokoschka, Vincent Van den Meersch was a teacher of plastic arts at Sint-Lukas in Brussels between 1949 and 1955. In 1955 he became a teacher at the newly founded art school in Hasselt, which was later converted to the Provincial Higher Institute for Art Education (PHIKO). Until 1977 he was in charge of the painting studio there and contributed to its contemporary spirit. This studio is where the fermentation process started in the early sixties. Vincent was not a grandstander or boaster at all. But his clear, well-considered and determined insights had more power of persuasion than any strong language would have had. His affability, openness and visionary power made an impression on his students. The role Vincent played in this studio and the impact he had on some of his most talented students, have been crucial factors in this story. The first breakthrough was the foundation of the Research Group in 1967. A passionate group among Vincent’s students decided to join forces. Jos Jans, Hugo Duchateau, Jan Withofs, Dré Sprankenis and Hélène Keil were the rebels at the time and their aim was to pry the province open and let contemporary art in. The fact that they included Vincent Van den Meersch in the group bears testimony of their appreciation for their master and example. I cannot emphasize enough the role of the Research Group in those years. With their provocative happenings – the spirit of provo roamed through Flanders – they turned the tide. The shock effect was working. There used to be nothing in Limburg. Suddenly contemporary art found a way to thrive. We must also remember that the provincial authorities played an exceptional role in support of this process, previously unseen in Flanders. The figure of Albert Dusar needs to be mentioned in this respect. As head of the Provincial Department for Culture he was favourably disposed to contemporary art right from the start. He gave his staff, Ludo Raskin and Urbain Mulkers, a licence to convert this policy option into actions. As early as in 1970 the Research Group was granted a large exhibition at the Provincial Beguinage (currently Z33). The effect on a national level soon revealed itself. In 1971 Jos Jans was granted with the Young Belgian Painting award, while Hugo

Z33). Het effect op nationaal niveau manifesteerde zich spoedig. In 1971 won Jos Jans de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst, terwijl Hugo Duchateau en Ado Hamelryck genomineerd werden. Van de Research Group hebben enkel Vincent Van den Meersch en Hugo Duchateau een actieve kunstenaarsloopbaan uitgebouwd. Dré Sprankenis overleed jong (1939-1983). Jos Jans (°1936), toch aanvankelijk de drijvende kracht van de groep, deemsterde geleidelijk weg, allicht niet opgewassen tegen de hardheid van de kunstwereld – in de praktijk zelden de ‘zachte sector’die hij pretendeert te zijn. Hélène Keil (°1948) verdween stilaan van de scene. Jan Withofs (°1943) keerde zich in een soort ‘duchampische’ geste af van de kunst en zocht andere horizonten op. Jammer van het verloren gegane talent zal men zeggen, maar in ieder geval was de kogel door de kerk. In 1973 eisten de Limburgse kunstenaars definitief hun plaats op. Het begon in de progressieve galerie De Wittepoppentoren in Hasselt, die twaalf kunstenaars presenteerde. Dezelfde selectie ging vervolgens op tournee. Grote tentoonstellingen in het ICC in Antwerpen en in de Sint-Pietersabdij in Gent zetten Limburg op de kaart van de actuele kunst in Vlaanderen. Als we het jaar 1973 als referentie nemen, stellen we vast dat van de twaalf betrokken kunstenaars vooral Vincent Van den Meersch, Hugo Duchateau, Ado Hamelryck en Piet Stockmans op een eenzame hoogte gebleven zijn. Urbain Mulkers (19452002) mag daarbij niet vergeten worden. Toch moet vooral op zijn verdienste als curator van de tentoonstellingen in het Provinciaal Begijnhof gewezen worden, een activiteit waar hij ongetwijfeld een deel van zijn artistieke loopbaan aan opgeofferd heeft. Piet Stockmans en Hugo Duchateau waren studenten van Vincent Van den Meersch. Ado Hamelryck kwam in 1967 in Limburg aan vanuit het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen (nu kortweg HISK en in Gent gevestigd). Dit instituut was destijds veeleer een bolwerk van behoudsgezindheid. Ado vond in Limburg merkwaardig genoeg de nodige impulsen om zich van dit conservatisme te bevrijden. p. 43

Duchateau and Ado Hamelryck were nominated. The only members of the Research Group to develop an active artistic career were Vincent Van den Meersch and Hugo Duchateau. Dré Sprankenis died young (1939-1983). Jos Jans (°1936), who had initially been the driving force of the group, gradually faded away, most likely not up against the harshness of the artistic world, which in practice is hardly ever the ‘soft sector’ it pretends to be. Hélène Keil (°1948) quietly disappeared from the picture. Jan Withofs (°1943) withdrew in a kind of ‘Duchamp-like’ gesture from the arts and looked up new horizons. What a waste of talent, people will say, but at least the die was cast. In 1973 artists from Limburg definitely claimed their place in history. It started in the progressive gallery De Wittepoppentoren in Hasselt, which presented twelve artists. The same selection then went on tour. Great exhibitions at the ICC in Antwerp and at Saint Peter’s abbey in Ghent put Limburg on the map of contemporary art in Flanders. If we take the year 1973 as a reference, we find that from the twelve original artists, especially Vincent Van den Meersch, Hugo Duchateau, Ado Hamelryck and Piet Stockmans have remained unique. We should not forget Urbain Mulkers (1945-2002) either. Though his main merits lie in his work as curator of the exhibitions at the Provincial beguinage, for which he undoubtedly sacrificed part of his artistic career. Piet Stockmans and Hugo Duchateau were students of Vincent Van den Meersch. Ado Hamelryck arrived in Limburg in 1967 from the Higher Institute of Fine Arts in Antwerp (now HISK and located in Ghent). Back then this institute was rather a stronghold of conservatism. Strangely enough Ado found the right impulses in Limburg to free himself from this conservatism.


© Carine Demeter

ado hamelrijck — Polystyrene, spray op hout, Serie van 10/1, 2004-2007

© Lieven Geuns, student Fotografie MAD-faculty

ADO HAMELRYCK

p. 41

© Carine Demeter

ado hamelrijck — Voegpasta, bordverf, grafietstift op hout, Serie 3/1, 1997

Lieve Vanhoyland

© Carine Demeter

Lieve Vanhoyland

Ado Hamelryck's work is minimal, but not minimalist. Creating paintings, graphite drawings and reliefs the artist leaves traces, repetitively applied, invariably in full black - the richest and deepest of all colours – on a surface matter. His work is the product of a deliberate, albeit intuitive process. These seemingly monochrome black planes result in an unexpected richness in texture and tonality. For Ado Hamelryck black is one of the nicest and most exciting colours. “Personally, I think I am a colourist. I make matter black and think about the incidence of light and reflection.”

ado hamelrijck — Schuimkarton, bordverf, grafietstif, Serie van 5/2, 2004-2007

Het werk van Ado Hamelryck is minimaal, maar niet minimalistisch. In zijn schilderijen, grafiettekeningen en reliëfs beperkt de kunstenaar zich tot het repetitief aanbrengen van sporen – steevast in vol zwart, de rijkste en diepste van alle kleuren - op een drager. De handeling gebeurt meestal intuïtief, maar toch weloverwogen. De schijnbaar monochrome zwarte vlakken die zo ontstaan, brengen een onvermoede rijkdom qua textuur en tonaliteit aan het licht. Voor Ado Hamelryck is zwart één van de mooiste en boeiendste kleuren. "Ik vind van mezelf dat ik een colorist ben. Ik maak materie zwart en hou me bezig met lichtinval en weerkaatsing."

© Carine Demeter

ado hamelrijck — Schuimkarton, bordverf, grafietstift, Serie van 5/1, 2004-2007

042 — 043

ADO HAMELRYCK

Het gelukkige toeval zorgde er voor dat zij alle drie – Duchateau, Hamelryck en Stockmans – aangetrokken werden als docenten aan het SHIVKV in Genk (thans de MAD-faculty) en ze elkaar daar vonden. De schilderijen en de installaties van Hugo Duchateau (°1938) zijn twee schijnbaar gescheiden praktijken.Tussen beide bestaat echter een onderliggend verband. De fascinering voor de natuur, hoe zij zich presenteert en vooral hoe zij vorm en schoonheid creëert: dat is de grote leidraad in alles wat de kunstenaar doet. De aandacht voor al het kleine en toch buitengewone in de natuur en bij uitbreiding voor al wat zich spontaan aan de waarneming aandient, maakt van de kunstenaar een ‘ziener’, letterlijk, iemand die oog heeft voor de eenvoudige schoonheid en daar zijn wereldbeeld op bouwt. In zijn schilderijen is hij steeds dichter de idee gaan benaderen van het schilderij dat zichzelf schildert, alsof het zonder voorbedachte rade gebeurt, terwijl het toch maar mogelijk gemaakt wordt door de lange ervaring van de schilder. Hij beoefent als het ware het oude principe van ‘naturam imitare’, de natuur nabootsen, maar dan wel in een heel nieuwe betekenis. Al schilderend imiteert hij de werkwijze van de natuur. Door voortdurend van haar voorspelbaar traject af te wijken, bereikt de natuur toch haar doel, alsof zij het zo voorzien had. Zo ook het schilderij. Het volgt zijn eigen weg vanuit zijn autonome ingrediënten. Het is eigengereid en toch, telkens het lukt, een wonder. De installaties van hun kant tasten voortdurend de dialoog tussen natuur en cultuur af, vanuit een positie van bescheidenheid. Vandaar ook vaak de milde humor in deze installaties (geen ironie!), waarmee Hugo Duchateau vooral zichzelf op zijn plaats wil zetten. Ado Hamelryck (°1941) actualiseert in zijn werk een andere traditie die een lange, culturele voorgeschiedenis kent: schilderen als een vorm van geestelijke praktijk, zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in zekere tendensen van kalligrafie, maar ook in de schilderkunst binnen bepaalde spirituele, vooral oosterse tradities zoals de Dao. Een soort yoga als het ware. Onthechting, traagheid, geduld, concentratie zijn conditiones sine qua non voor dit oeuvre. Door de inzooming op het elementaire van de schilderkunst, geeft de kunstenaar een eigentijdse invulling aan wat veel oorspronkelijker is. Alles is tot het uiterste gereduceerd in dit oeuvre. Het is gewijd aan de beoefening van één kleur, beter nog de nulgraad van de kleur: het zwart. Immense oppervlakken worden met grafietstift ‘gezwart’. Dit proces vereist energie, volharding en ascese. Het einddoel is steeds de leegte. Tekens vermenigvuldigen zich door eindeloos herhaalde bewegingen van hand, arm en lichaam tot ze opgaan en verdwijnen in het immense, alles beheersende zwart. Het is de eeuwige terugkeer van verschijnen en verdwijnen, het onophoudelijke proces waarmee de geest zich in een ultieme inspanning poogt te verzoenen. Een veld van wijsheid, zo kan ieder werk van Ado Hamelryck bestempeld worden.

It is a lucky coincidence that all three of them – Duchateau, Hamelryck and Stockmans - were hired as teachers at the SHIVKV in Genk (now the MAD faculty) and that they found each other. The paintings and installations of Hugo Duchateau (°1938) are two apparently separate activities. However, there is an underlying connection between both. The fascination for nature, how it presents itself and especially how it creates form and beauty: that is the leitmotiv in everything the artist does. Attention for small and yet extraordinary details in nature and, by expansion, for everything which spontaneously presents itself for observation makes the artist a ‘visionary’, literally, someone with an eye for simple beauty as a foundation for his view of the world. In his paintings he came closer and closer to the idea of the painting that paints itself, as if it happens without premeditation, while it is actually the painter’s long experience that makes it happen. He pursues, as it were, the old principle of ‘naturam imitare’, imitating nature, though with an entirely new meaning. He imitates nature’s methods while painting. By deviating from its predictable path, nature reaches its objective, as if it were exactly how it was supposed to happen. The same happens to the painting. It follows its own path based on its autonomous ingredients. It is headstrong and still, every time it works out, a miracle. The installations, on the other hand, constantly feel out the dialogue between nature and culture, based on a position of modesty. Hence the often mild humour in these installations (not irony!) which Hugo Duchateau uses to put himself in his place. Ado Hamelryck (°1941) presents a modern version of another tradition with a long, cultural history in his work: painting as a kind of spiritual practice, such as it is expressed in certain tendencies of calligraphy, but also in painting within certain spiritual, mainly oriental, traditions like the Dao. A kind of yoga, really. Disengagement, slowness, patience, concentration are conditiones sine qua non for this oeuvre. By zooming in on the elementary aspects of painting, the artist presents a contemporary interpretation of something far more original. Everything is reduced to the limit in this oeuvre. It is dedicated to practising one colour, or better, the zero boundary of colour: black. Immense surfaces are ‘blackened’ with a graphite pencil. This process requires energy, persistence and ascesis. The final goal is always emptiness. Signs multiplying as a result of the endless repetition of hand, arm and body movements until being absorbed by and disappeared in the immense, overpowering blackness. It is the eternal return of appearing and disappearing, the incessant process by means of which the spirit tries to reconcile in an ultimate effort. A field of wisdom, that is the exact denomination of each of Ado Hamelryck’s works.


BAANBREKERS VAN HET EERSTE UUR

044 — 045

Als we een aspect van traditie bij Piet Stockmans (°1940) willen aanhalen, zou ik het zonder aarzelen ‘vakmanschap’ willen noemen. De arbeid in één enkel materiaal, porselein, waarmee de naam Stockmans geassocieerd is, heeft hem terecht wereldwijde erkenning bezorgd. Steeds over en weer gaand tussen toegepaste en vrije kunst, hebben beide disciplines elkaar geïnspireerd, bevrucht en verrijkt. Ik zie er in dit geval niet de noodzaak van in om tussen beide een radicaal onderscheid en een hiërarchie te stellen. Stockmans toont precies aan hoe kunstmatig en ongegrond die opdeling soms is. De onwaarschijnlijke technische perfectie in zijn industriële producten maakt plaats voor een even beheerste imperfectie in zijn artistiek werk. Deze komt steeds tot stand vanuit de gegevenheid van het materiaal en vanuit de fysieke handeling die het vereist. De kunstenaar stelt zijn handen en zijn arbeid ten dienste van het materiaal. Hij dialogeert er mee en laat het zelf zijn eigen wil en weg volgen, wat tot een natuurlijke schoonheid leidt. In zijn beste werken betreft het vaak eindeloze series van dezelfde elementen die in hun minimale onderlinge afwijkingen tot een verstilde verzoening komen. Maar waarom zouden we niet bereid zijn sommige van zijn schalen of vazen eveneens kunstwerken te noemen? Na deze pioniers zijn hele generaties kunstenaars opgestaan, met werk van heel diverse pluimage, invalshoek, strekking en verschijningsvorm. Limburg is een levendig kunstenveld. De provincie is rijk aan hedendaagse kunst en kunstenaars. Zij moet die rijkdom blijven koesteren. Vincent Van den Meersch is helaas op weg om vergeten te worden. Dat is onduldbaar. De drie andere hier besproken kunstenaars zijn zeventigers, dynamischer en werkkrachtiger dan ooit. Toch moeten we beseffen – net zoals zijzelf doen – dat niemand het eeuwige leven heeft. Na hen komen al de volgende generaties, tot en met de jongste lichting. Gaan wij toestaan dat zij allen bestemd zijn om ooit vergeten te worden? Nu staat het ‘aanstormend talent’ in de kijker, maar het lot van Vincent is een goede les. De kunstenaars kunnen alleen maar proberen goed werk te maken. Het voortbestaan en de toekomstige perceptie ervan hebben zij niet in handen. Hier is een taak voor de overheid weggelegd. Wijst de leeftijd van de eerste generatie er niet precies op dat het de hoogste tijd wordt om het hedendaagse kunstpatrimonium in Limburg op een of andere wijze te consolideren? Het boek van Ludo Raskin is een aanzet en een voorzet. Hoe waardevol ook, het volstaat niet. De provinciale overheid moet dringend overwegen op welke manier zij dit rijke patrimonium wil beschermen. Het is zonder meer haar plicht.

If we want to cite an aspect of tradition in the works of Piet Stockmans (°1940) I would call it ‘craftsmanship’, without hesitation. Labour in a single material, porcelain, with which the name Stockmans is associated, has quite rightfully given him worldwide recognition. Torn between applied and free art, both disciplines inspired, fertilised and enriched each other. In this case I do not see why a radical distinction and hierarchy should be defined. Stockmans shows exactly how artificial and unfounded this division sometimes is. The improbable technical perfection in his industrial products makes room for an equally controlled imperfection in his artistic work. It is generated by the nature of the material and the physical action it requires. The artist puts his hands and labour at the service of the material. He enters into a dialogue with it and lets it follow its own will and path, which leads to a natural beauty. His best works often contain endless series of the same elements which reach a silent reconciliation in their minimal mutual deviations. But why would we not be prepared to also call some of his dishes or vases pieces of art? After these pioneers entire generations of artists got up, with works of very different natures, perspectives, intents and appearances. Limburg is a lively field of arts. The province has a wealth of contemporary art and artists. It must cherish this wealth. Unfortunately, Vincent Van den Meersch is well on his way to be forgotten. We cannot allow this. The three other artists we discussed are in their seventies, more dynamic and energetic than ever. However, we have to realise – just like they do – that no one lives forever. The following generations are already succeeding them, including the youngest batch. Are we going to allow that they are all destined to be forgotten some day? We are now focusing on up-and-coming talents, but Vincent’s fate is a good lesson. Artists can only try to make good works. They have no control about the survival and future perception of their art. The government has a task in this respect. Considering the age of the first generation, is it not high time to consolidate the contemporary art heritage in Limburg one way or another? Ludo Raskin’s book is an impulse and an onset. No matter how valuable, it is just not enough. The provincial authorities should urgently contemplate how this rich heritage can be protected. It is their duty, nothing more, nothing less.


MAD-FACULTY — MEDIA, ARTS AND DESIGN

MAD-FACULTY — Té GEK?

De kunstpraktijk van Limburg Kritisch, maatschappijgericht en vakoverschrijdend

© Piet Stockmans

PIET STOCKMANS — 10.000 kopjes, 1982

Binnen de opleidingen Beeldende Kunsten, Audiovisuele Kunsten en Productdesign biedt de MAD-faculty een brede waaier van afstudeerrichtingen aan. Je kan hier terecht voor Vrije Kunsten (schilderkunst, keramiek, vrije grafiek, beeldhouwkunst), Grafisch Ontwerp, Juweelontwerp en Edelsmeedkunst, Animatiefilm, Communicatie & Mediadesign (interaction design, game art & design), Fotografie, Productdesign en Televisie-Film. MAD-faculty neemt de laatste jaren zowel in onderwijs als in onderzoek een polepositie in Vlaanderen en Europa in. Studenten stappen in een academisch bachelor- en masterprogramma waarin context- en onderzoeksgericht ontwerpen centraal staan. Naast een gedegen vorming in de basisvaardigheden, speelt het leeraanbod voortdurend in op kunstkritische en maatschappelijke ontwikkelingen. Wie afstudeert aan MAD-faculty kan daar vanuit zijn eigen discipline op anticiperen. MAD-faculty geeft actuele trends een plaats via modules, workshops, lezingen en internationale samenwerkingsverbanden en dit met een uitgekiend evenwicht tussen afdelingsspecifieke en vakoverschrijdende opleidingsonderdelen. Kiezen voor MAD-faculty is kiezen voor een kritische blik. En voor die skills en tools waarmee je klaar bent voor morgen. www.mad-fac.be

MAD-FACULTY — MEDIA, ARTS AND DESIGN THE ART PRACTICE OF LIMBURG CRITICAL, SOCIETY-ORIENTED AND INTERDISCIPLINARY Within its Visual Arts, Audiovisual Arts and Product Design programmes, the MAD-faculty offers a wide range of specialisations. Here you will find Free Arts (painting, ceramics, free graphics and sculpture), Graphic Design, Jewellery Design and Goldsmithing, Film Animation, Communication and Media Design (interaction design, gaming art & design), Photography, Product Design and Television/Film. In recent years, the MAD-faculty has taken pole position both in teaching and in research within Flanders and across Europe. Students enroll in an academic bachelor and master programme in which context-oriented design and research take central place. Aside from offering thorough training in basic skills, the curriculum keeps up-to-date with current art critical and social devellopments. Those who graduate from MAD-faculty are trained to anticipate said developments from within their own specialised discipline. MAD-faculty approaches current trends through a variety of modules, workshops, lectures and international collaborations, creating, in this way, a sophisticated balance between department-specific and interdisciplinary courses. With MAD-faculty, one chooses to adopt a critical perspective, to acquire those skills and tools that will prepare one for tomorrow. www.mad-fac.be

Kunstcriticus en tentoonstellingscurator Luk Lambrecht schreef een essay over het bijzondere initiatief dat MAD-faculty heet. Wij trakteren u op een bloemlezing van citaten. De volledige tekst vindt u op www.mad-fac.be en www.kunstinlimburg.be.

MAD-FACULTY — IT’S COMPLETELY MAD! Art critic and exhibition curator Luk Lambrecht wrote an essay about the special initiative called MADfaculty. We treat you to a selection of quotations. The full text can be found on www.mad-fac.be and www. kunstinlimburg.be

“Wat betekent het bestaan van ‘vrije kunsten’ in de context van een professionele opleiding in de kunsten die geen exacte ‘producten’ kan afleveren? Hoogstens kan men jonge mensen op een intense manier begeleiden, hen het zelfvertrouwen schenken om er een goed oog in te hebben en te houden en het perspectief bieden dat ze later kunnen doorstromen als ‘kunstenaar’ in een ‘kunstenveld’, waarin vandaag meer en meer wazige kwaliteitscriteria circuleren en waar de kunstmarkt de norm en selectie overneemt.”

“What is the meaning of the existence of ‘liberal arts’ in the context of a professional training in the arts that does not produce any actual ‘products’? At most, young people can be given guidance in an intense way, can be given confidence to develop and maintain a good eye, and be offered the perspective that later they can become ‘artists’ in an art field in which today increasingly more hazy quality criteria are circulating and in which the art market has taken over both norm and selection. “

046 — 047

Luk Lambrecht

Luk Lambrecht


KOEN VAN DEN BROEK De landschappen die Koen van den Broek schildert, dragen de sporen van menselijk handelen, maar stellen die mens zelf nooit aanwezig. De kunstenaar gaat op een welhaast filmische wijze inzoomen op landschappelijke aspecten met een grote picturale waarde. De gebouwen, de wegen, de trottoirbanden, de bruggen en andere, lijken slechts een alibi voor het voeren van een dialoog met de drager, voor het schilderen zelf. Zijn kunst beweegt zich in een schemerzone tussen figuratie en een geabstraheerde metataal. Ze richt zich echter steevast op de essentie. De composities die vaak ogen als overbelichte foto’s met harde schaduwen herinneren aan bepaalde vormen van Amerikaanse schilderkunst. Koen van den Broek profileert zich als een schilder die op zoek gaat naar het wezen van de schilderkunst, naar het wonder van de wisselwerking tussen lijn, vlak, kleur en drager. www.koenvandenbroek.org

048 — 049

MAD-FACULTY

Luk Lambrecht

Luk Lambrecht

© Meinder Milissen, student Fotografie MAD-faculty

“Through their visions in their own work, the teachers provide the students with sharp positions - either useful or to be questioned- which facilitate the quest of the aspiring artist for a personal artistic grammar.” KOEN VAN DEN BROEK

“De docenten geven via hun visies in eigen werk aan de studenten scherpe standpunten die bruikbaar en te contesteren blijven, maar die de zoektocht van de kunstenaar in spe naar een persoonlijke artistieke grammatica vergemakkelijken.”

Dan Holsbeek Courtesy: Gallery Baton, Korea

KOEN VAN DEN BROEK — Hope, 2012

Docent MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Afdeling Vrije Kunsten

The landscapes that Koen van den Broek paints carry the marks of human activity, but never the human beings themselves. In an almost cinematic way, the artist zooms in on aspects of landscape that have a highly pictorial value. Objects such as buildings, roads, gutters and bridges seem merely an alibi for conducting a dialogue with the canvas − for the act of painting itself. His art lies in a twilight zone between figuration and abstract meta-language, but focuses invariably on the essence. The compositions, which often look like overexposed photos with hard shadows, are reminiscent of certain American styles of painting. Koen van den Broek has become known as a painter who searches for the basic nature of the art of paint-ing, for the marvel of interplay between line, surface, colour and canvas. www.koenvandenbroek.org Instructor MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Visual Arts Dan Holsbeek


“MAD-faculty is een oase in een woestijn, opererend in een semigrootstedelijke regio die niet meteen wordt beschouwd als een puntig wereldcentrum voor beeldende kunst. In de luwte van het grote kunstgebeuren in de nabije (groot)steden weet MAD-faculty een stevige reputatie uit te bouwen en kunstenaars-docenten aan te trekken die allemaal van betekenis zijn binnen de ruime en hybride kunstwereld.”

DAAN GIELIS

“MAD-faculty is an oasis in a desert, operating in a semi urban region that is not immediately recognised as an edgy world centre for visual arts. In the shadows of the great art scenes of the nearby (large) cities, MAD-faculty has managed to build a solid reputation and attract artist-lecturers, all of whom hold significant positions within the broad and hybrid art world.“

Een pagode-vormige vogelkooi omgeven door Philodendron planten. Zo verwijst de jonge kunstenaar Daan Gielis naar modernistische architectuur, huiselijk design en kunstgeschiedenis. Om de nadrukkelijk aanwezige sculpturen en objecten te bekijken moet je rond de sculpturen lopen waardoor een filmische ervaring ontstaat. Zijn werken nodigen uit tot een trage, gedegen observatie. Een bewuste keuze die associaties vrijlaat.

Luk Lambrecht

“Op mijn eigen tempo” Na wetenschappen-moderne talen in het middelbaar onderwijs was een kunstopleiding een gok, vanwege mijn minieme artistieke achtergrond. Het werd vrije kunsten, vrije grafiek om precies te zijn, omdat ik dacht dat ik me zou kunnen verdiepen in computertechnieken. Ik had weinig verwachtingen en geen ambities in de kunstwereld. Vier jaren MAD-faculty hebben daar verandering in gebracht. Hasselt, Limburg, docenten en medestudenten hebben ervoor gezorgd dat ik me op mijn eigen tempo heb kunnen inleven in en ontwikkelen binnen de kunstwereld. De rode draad doorheen deze vier jaar was het experimenteren en uitproberen op een eigen manier. Ik startte in vrije grafiek, maar dankzij het flexibele onderwijsconcept (het artistiek ontwikkelingsplan) heb ik me uiteindelijk verdiept in installatiekunst. De nadruk lag op kennis ontwikkelen en op het vormen van een attitude ten opzichte van de hedendaagse kunst. De support van docenten en de stimulans om ook buiten de schoolcontext met de materie bezig te zijn, legden de basis voor mijn verdere groei. De school zorgde voor een stimulerende omgeving en dito docenten, maar stelde zich op de juiste momenten ook op als obstakel. Vreemd genoeg heb ik net daardoor een DIY-attitude gekweekt, die nog altijd, en misschien meer dan ooit, belangrijk is.

Luk Lambrecht

getuigenis van Daan Gielis — afgestudeerd aan MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, afdeling Vrije Kunsten in 2010 Daan Gielis

A pagoda-formed bird cage surrounded by Philodendron plants — this is how the young artist Daan Gielis refers to modern architecture, home design and art history. To view his enormous sculptures and objects, you have to walk around them. This movement creates a cinematic experience for the viewer, who is invited to make a slow, thorough observation. This conscious choice leaves the viewer free to make associations. “At my own pace” After having studies sciences-modern languages in high school, an art education was a gamble, because of my minimal artistic background. I chose visual arts, printmaking to be precise, because I thought that it would give me an opportunity to delve into computer techniques. I had low expectations and no ambitions in the art world. Four years at MAD-faculty have changed all that. Hasselt, Limburg, teachers, and fellow students have made that I could work myself in and develop myself within the art world at my own pace. The common thread throughout these four years was experimentation and trying out things in my own way. I started in printmaking, but thanks to the flexible educational concept (the artistic development plan), I eventually became engrossed in installation art. The emphasis lied on developing knowledge and forming an attitude towards contemporary art. The support of teachers and the incentive to also deal with the matter outside of the school context laid the foundation for my further growth. The school provided a stimulating environment and equally stimulating teachers, but would at the right times also act as obstacle. Oddly enough, this made me develop a DIY attitude, which still, perhaps now more than ever, is showing its importance. testimonial by Daan Gielis — graduated from MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, Visual Arts in 2010

© Daan Gielis

DAAN GIELIS — Planter, 2011

© Daan Gielis

DAAN GIELIS — Circle, 2009

Courtesy: S.M.A.K., Gent

KOEN VAN051 DEN BROEK — Melrose Ave balloons, 2007 050 —

Daan Gielis


Getuigenis Dries Dockx

getuigenis van Dries Dockx – afgestudeerd aan MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, afdeling Juweel- en Edelsmeedkunst in 2012

JAN L. CARLIER De zoektocht naar het ware en het streven naar zingeving vormen een constante in de kunst van Jan L. Carlier. Zijn kunst kan niet bestaan zonder de idee. De tekeningen, objecten en installaties van deze artiest onderscheiden zich door hun uitgepuurde vorm. Hij vertrekt vaak van eenvoudige voorwerpen die door hun vorm een semiotische en beladen meerwaarde hebben. Hij gaat ze vervolgens als een volleerd surrealist uit hun verband halen en ze combineren, waardoor hij een veelvoud van nieuwe inhouden schept. Hij ‘her-teken-t’ de ‘be-teken-is’. Docent MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Afdeling Vrije Kunsten Dan Holsbeek

© Jan L. Carlier – uit arteVentuno archief

JAN L. CARLIER — De lange mars

© Jan L. Carlier – uit arteVentuno archief

JAN L. CARLIER — The Crucification of the Mickey Mouse's Nephews, 2007

052 — 053

MAD-FACULTY

DRIES DOCKX

testimonial by Dries Dockx – graduated from MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt Object & Jewellery in 2012

The search for truth and the aim for meaning is a constant in Jan L. Carlier’s art. His art cannot exist without the idea. The drawings, objects and installations of this artist stand out due to their purified form. He departs from often simple objects which have a semiotic and emotionally charged added value because of their form. Then, as a fully-qualified surrealist, he takes them out of context in different combinations, thus creating a multitude of new contents. He ‘redesigns’ their ‘significance’. Instructor MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Visual Arts Dan Holsbeek

© Jan L. Carlier – uit arteVentuno archief

After four years in Antwerp, I knew that goldsmithing was what I really wanted to do and continue to do. Yet I was still too uncertain to fully set out in search of my own artistic identity. The question “What am I in my work?” made me want to have a foreign experience. After lying awake, thinking about further training at the HDK (Göteborg Universitet) with Tore Svensson, I decided on something closer to home. MAD-faculty with David Huycke offered a strong alternative which I will never regret. From day one of my extra master year, my hunger for new people with a new outlook, a new environment, and new inspiration grew exponentially. There were a lot of impressions coming at me, at breakneck pace, but I learned to make my way through them. For me, The Master Studio Art Object and Design led by Karen Wuytens, David Huycke and Bert Willems, was the key to success. We talked and discussed in group and sought, under personal guidance, for ways of naming things. I developed my own artistic vocabulary. Together with the writing of my research paper, this resulted in a light point that shines ever brighter in a seemingly endless sea of possibilities. The need to articulate and critically reassess my own trajectory was extremely enlightening. An last but not least, the fatherly hand of our instructor Audi Pauwels made our workshop a great practical and stimulating environment. In combination with the smooth communication between the various departments, MAD-faculty for me became a place where I could thrive. I will long enjoy the fruits of my ‘foreign’ experience, in the backyard of Flanders.

JAN L. CARLIER — Zelfportret - Souvenir de Suisse, 1990

Na vier jaren studeren in Antwerpen wist ik dat edelsmeedkunst was wat ik echt wilde doen en blijven doen. Toch was ik nog te onzeker om volop op zoek te gaan naar een artistieke eigenheid. De vraag ‘Wat ben ik in mijn werk?’ deed me hunkeren naar een buitenlandse ervaring. Na wakker gelegen te hebben van een vervolgopleiding aan de HDK (Göteborg Universitet) bij Tore Svensson, besloot ik het iets dichter bij huis te zoeken. MAD-faculty bood met David Huycke een stevig alternatief waarvan ik nooit spijt zal hebben. Vanaf dag één van mijn extra masterjaar groeide mijn honger naar nieuwe mensen met een nieuwe kijk, naar een nieuwe omgeving en naar nieuwe inspiratie exponentieel. Er kwam heel wat op me af, in sneltreinvaart, maar ik leerde me er een weg doorheen banen. De masterstudio Kunst/Object en ontwerp onder leiding van Karen Wuytens, David Huycke en Bert Willems was voor mij de sleutel tot succes. We praatten en discussieerden in groep en zochten, onder erg persoonlijke begeleiding, naar manieren om dingen te benoemen. Ik ontwikkelde mijn eigen artistieke woordenschat. Samen met het schrijven van mijn onderzoeksartikel zorgde dit voor een steeds duidelijker wordend lichtpunt in de haast eindeloze zee van mogelijkheden. Het moeten onder woorden brengen en kritisch herbekijken van mijn eigen traject werkte enorm verhelderend. En last but not least maakte de vaderlijke hand van onze docent Audi Pauwels van ons atelier een geweldig werkbare en stimulerende omgeving. In combinatie met de vlotte communicatie tussen de verschillende instanties werd MAD-faculty daardoor voor mij een plek waar ik geweldig goed kon aarden. Ik zal nog lang de vruchten plukken van mijn ‘buitenlandse’ ervaring, in de achtertuin van Vlaanderen.

© Fons Brepoels - arte Ventuno archief

“Own artistic vocabulary”

JAN L. CARLIER — De kus, 1987

“Eigen artistieke woordenschat”


performance: Sweat, 2010

Troubleyn, Jan Fabre

PETER DE CUPERE — Smell dance

Instructor MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Visual Arts Dan Holsbeek

Luk Lambrecht

Luk Lambrecht

Tentoonstelling: Oilfactory Tree, Pocketroom Antwerpen, 2010

Brafa art fair, Tour & Taxis Brussel, Galerie Ronny Van de Velde, 2012 © Smart-pictures.be

PETER DE CUPERE — Miniature Lab

MAD-FACULTY

Dan Holsbeek

“If art is indeed the mirror of society, then an education at MAD-faculty in Hasselt is a very good and visible proof thereof.”

PETER DE CUPERE — Olfactory Tree

PETER DE CUPERE

Docent MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Afdeling Vrije Kunsten

“Als kunst dan toch een spiegel van de maatschappij is, dan is een opleiding aan MAD-faculty, afdeling Vrije Kunsten in Hasselt er een bijzonder goed en zichtbaar bewijs van.”

© Smart-pictures.be

www.peterdecupere.net

054 — 055

PETER DE CUPERE — Scentedo2

www.peterdecupere.net

Tentoonstelling: IAMA1, 2009

Peter De Cupere’s objects and installations sometimes assume the air of a lab, then present themselves as metalanguage or set themselves apart by a socialcritical dimension, but without exception they generate a multisensory dimension. Current art experience is expanded by an olfactory aspect. Peter De Cupere is inspired by the expressive and process-based qualities of scents, by their ability to remind, touch, strengthen, alienate, etc. The interaction with environment and spectator is extremely important.

PETER DE CUPERE — Smoke Room

De objecten en installaties van Peter De Cupere hebben soms de allures van een labo, presenteren zich dan weer als metataal of onderscheiden zich een andere keer door een maatschappijkritische dimensie, doch zonder uitzondering genereren ze een multisensorische dimensie. De courante plastische ervaringen, worden hier uitgebreid met het olfactorische. Peter De Cupere is begeesterd door de beeldende en procesmatige kwaliteiten van geuren, door hun bekwaamheid om te herinneren, te beroeren, te versterken, te vervreemden enz. De wisselwerking met omgeving en toeschouwer is uitermate belangrijk.

© Michiel Pauwels, student Fotografie MAD-faculty

Brafa art fair, Tour & Taxis Brussel, Galerie Ronny Van de Velde, 2012 © Smart-pictures.be

PETER DE CUPERE — Miniature Lab

PETER DE CUPERE


Tentoonstelling: GYM,2012, MAD-faculty, Campus Elfde Linie — © Niels Klerkx

© Nina Nijsten i.o.v. Kunst in Limburg

Opbouw tentoonstelling EXIT10

Tentoonstelling: EXIT11 — © Joke Hansen

JOKE HANSEN — Good Night Sweet Betty, 2011

© Nina Nijsten i.o.v. Kunst in Limburg

Opbouw tentoonstelling EXIT10

Luk Lambrecht

© Carlo Valkenborgh

MARIE-PAUL GOORMANS

Tentoonstelling: W.O.O.D.S.Y / Crossing the wild, CC Strombeek, 2012 — © MAD-faculty, Vrije Kunsten

JOKE HANSEN

“At MAD-faculty, openness between various disciplines is not an empty slogan. Open doors keep the discourse alive about the essence of the view that, at most, the medium/means can only provide the best possible visual/aesthetic form for the story of the artist.”

LUT VANAUTGAERDEN

Tentoonstelling: CC Strombeek — © MAD-faculty, Vrije Kunsten

© Nina Nijsten i.o.v. Kunst in Limburg

Opbouw tentoonstelling EXIT10

© Elias Ghequiere

Elias Ghequiere

Tentoonstelling: Sniff Receptor, Z33, 2003

PETER DE CUPERE — Smell-movie Sniff Receptor Luk Lambrecht

JONAS VANBUEL

© Nina Nijsten i.o.v. Kunst in Limburg

Opbouw tentoonstelling EXIT10

Tentoonstelling: C-mine, Genk, 2012

PETER DE CUPERE — Cultural Odor Generator

MAD-FACULTY

056 — 057

“De openheid tussen de verschillende disciplines is voor MADfaculty geen loze slogan. Open deuren houden het discours warm omtrent de essentie in de zienswijze dat het medium/middel hoogstens de best mogelijke plastische/esthetische vorm verleent aan het verhaal van de kunstenaar.”


Het voorbije jaar verdedigde David Huycke het eerste doctoraat in de kunst aan MAD-faculty en ondertussen zijn er een vijftiental andere doctoraten in voorbereiding. Deze zullen ongetwijfeld hun meerwaarde bewijzen binnen MAD-faculty en voor de interacties met de buitenwereld, zowel regionaal als internationaal.

Tentoonstelling: SPOOR, Borgloon, 2012 © Carlo Valkenborghs

4 onderzoeksgroepen: Art/Object & Design - www.artobjectdesign.be Social Spaces - www.socialspaces.be Image & Word - www.imageword.be Play & Game - www.playandgame.be

MAD-RESEARCH — CLUSTERS OF EXPERTISE MAD-faculty trains students to become academic artists or designers with an investigative attitude. They learn to question their own position on the basis of acquired artistic and design-related techniques, which offer, aside from the traditional scientific methods, an alternative method of acquiring knowledge and/ or generate meaning, all within the same academic domain. MAD-Research, the MAD-faculty research institute, brings together the expertise of teachers and researchers in various research groups. The focus is on research based on public places, social design and social media; research that approaches the (art) object from a cross-disciplinary approach, research into different media that ‘float’ between that which is traditionally experienced as text or image and research into the development of games from a multi-disciplinary context. This past year, David Huycke defended the first Ph.D. in Art at MAD-faculty and about fifteen others are currently being prepared. These will undoubtedly prove to be of great added value for MAD-faculty and its interactions with the non-academic world, both regionally and internationally. 4 research groups: Art/Object & Design - www.artobjectdesign.be Social Spaces - www.socialspaces.be Image & Word - www.imageword.be Play & Game - www.playandgame.be

MAD-Research - Open Spaces - Multitouch table ism Z33 - kunst in de open ruimte © Cedric Vanaken

Het onderzoeksinstituut van MAD-faculty bundelt de expertise van docenten en onderzoekers in verschillende onderzoeksgroepen. De focus ligt op onderzoek gebaseerd op de publieke ruimte, social design en sociale media, onderzoek dat het (kunst)object benadert vanuit een cross-disciplinaire aanpak, onderzoek naar verschillende media die ‘zweven’ tussen datgene wat traditioneel als tekst of als beeld ervaren wordt naar het ontwikkelen van games en spelen vanuit een multi-disciplinaire context.

MARIE-paul goormans

KARL PHILIPS Tentoonstelling: CC Strombeek — © MAD-faculty, Vrije Kunsten

KARL PHILIPS Tentoonstelling: SPOOR, 2012, Borgloon © MAD-faculty, Vrije Kunsten

Liesbeth CROONEN

Tentoonstelling: CC Strombeek

JOLIEN GOORTS VERONIQUé ALBERGHS GREET THEUNKENS

MAD-faculty vormt studenten tot academisch kunstenaar of ontwerper met een onderzoekende houding. Je leert je eigen positie telkens opnieuw in vraag stellen aan de hand van artistieke en ontwerpende technieken, die naast de klassieke wetenschappelijke methoden een alternatieve manier bieden om kennis en/ of betekenis te genereren, maar binnen diezelfde academische wereld.

Tentoonstelling: Los, 2012, Kasteel Oud Rekem © MAD-faculty, Vrije Kunsten © Matthieu Dierickx

MATTHIEU DIERCKX — 3-D collage

Tentoonstelling: SPOOR, Borgloon, 2012 © MAD-faculty, Vrije Kunsten

TWAN KERCKHOFS Tentoonstelling: CC Strombeek — © MAD-faculty, Vrije Kunsten

WIM VAN DER CELEN

058 — 059

Tentoonstelling: Los, 2012, Kasteel Oud Rekem © Jolien Goorts © MAD-faculty, Vrije Kunsten

© Nina Nijsten i.o.v. Kunst in Limburg

Opbouw tentoonstelling EXIT10

MAD-RESEARCH — Bundels van expertise


Getuigenis Karl Philips “Uit bed komen en werken”

"Get out of bed and get to work"

Liftend van Marokko, net op tijd voor mijn toelatingsproef, kwam ik aan in Hasselt. Na een jaar rondhangen op straat en logeren bij vreemden zou ik dan toch een studiekeuze maken.  In al mijn naïviteit ging ik voor schilderkunst, een keuze die ik nog altijd niet volledig kan plaatsen. Wel ben ik achteraf bekeken heel tevreden en dankbaar. Koen van den Broek werd mijn docent, a pain in the ass. Van hem heb ik op een zeer collegiale manier veel geleerd, vooral dat ik geen schilder ben. Idealen hebben en cynism sucks, maar hoe vertaal je dat in interessant werk, zonder je idealen overboord te gooien? Moet de kunstenaar zich op alle vlakken verantwoorden? Wat werkt het beste: louter beeldtaal en tijdsgeest of een herberedeneerde theorie waaruit alleen de printer voldoening haalt? Consequent vasthouden aan je idealen of door een commerciële instelling meer gewicht in de schaal leggen? Zoekend naar antwoorden leverde ik een masterproef af die me inhoudelijk en fysiek op de proef stelde, maar ook voor nieuwe uitdagingen plaatste, zoals mijn toelating tot het Hoger Instituut voor Schone Kunsten (HISK, Gent).  Wonen op de campus was voor mij een fantastische ervaring: uit bed komen en hard werken, verder niets. Voor mij blijft MAD-faculty een enorm instituut met veel aandacht voor eigen profilering. Toch heb ik een persoonlijke begeleiding genoten, en humaniteit ervaren. Lydia (directiesecretaresse) heeft nog een doos pralines van me te goed! 

I arrived in Hasselt, hitchhiking from Morocco, just in time for my entrance exam. After a year of hanging out on the streets and staying with strangers I was going to choose a study course after all.  In my naivety I went for painting, a choice I still cannot fully understand. But in retrospect I am very happy and grateful... Koen van den Broek was my teacher, a pain in the ass. I learned a lot from him in a very collegial way, especially the fact that I’m not a painter. Have ideals and cynicism sucks, but how do you translate that into interesting work, without giving up your ideals? Must the artist justify himself at all levels? What works best: visual language and spirit of the times or a reworked theory that can only please the printer? Firmly stick to your ideals or put more weight in the scale through a more commercial attitude? Searching for answers, I delivered a master thesis that challenged me both physically and in terms of content, but also made me face new challenges, such as my admission to the Higher Institute for Fine Arts (HISK, Ghent). Living on campus was a fantastic experience for me: get out of bed and work hard, nothing else. For me, MAD-faculty remains a great school that places great emphasis on the student’s own development. Still, I have had much personal guidance, and felt great humanity. I still owe Lydia (school’s office assistent) a box of chocolates!

getuigenis van Karl Philips – afgestudeerd aan MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, afdeling Vrije Kunsten in 2010 Zie ook p. 25

testimonial by Karl Philips – graduated from MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, Department of Fine Arts in 2012

© Karl Philips

KARL PHILIPS — 24 hours / 1 meter, 2010

060 — 061

MAD-FACULTY

Also p. 25


Z33 — huis voor actuele kunst

DAAR MOET JE HEEN

Met een nieuwe blik kijken naar dagdagelijkse dingen

Tentoonstelling: Nepotists, opportunists, freaks, friends and strangers intersecting in the grey zone, Z33, 2010

KARL PHILIPS — 24 hours / 1 meter (opbouw)

Z33 dankt zijn naam aan de locatie, Zuivelmarkt 33, de historische begijnhofsite van Hasselt. Het ontwikkelt sinds 2002 tentoonstellingen in de begijnhofhuisjes en in Vleugel ’58, een tentoonstellingsgebouw met museale kwaliteiten uit 1958. De energie en de ambities van Z33 reiken letterlijk voorbij de muren van de oase van rust van de begijnhofsite. Wie inzicht wil krijgen in de volle omvang van de activiteiten van Z33 moet daarom goed zoeken. Z33 werkt direct of indirect mee aan talloze activiteiten in de regio en ver daarbuiten.

Z33 - house of contemporary art Looking at everyday things with new eyes Through projects and exhibitions, Z33 encourages visitors to look at everyday things in a fresh, new way. Z33 is a unique laboratory and a meeting place for experimentation and innovation in contemporary art and design. Z33 gets its name from its location, Zuivelmarkt 33, the historic site of the Béguinage of Hasselt. It has realised exhibitions since 2002 in the Béguinage houses and in Vleugel ‘58 (Wing ’58), a museum-quality exhibition hall from 1958. The energy and ambitions of Z33 literally reach beyond the walls of the oasis of tranquillity of the site. To understand the full scope of Z33’s activities is not an easy task. Z33 is directly or indirectly involved in numerous activities in the region and beyond.

Begijnhofsite Hasselt, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

Z33 moedigt met projecten en tentoonstellingen bezoekers aan om op een nieuwe manier naar dagelijkse dingen te kijken. Z33 is een uniek laboratorium en een ontmoetingsplaats voor experiment en innovatie in actuele kunst en vormgeving.

“Ik bezoek Z33, Huis voor actuele kunst, nu al een vijftal jaar op regelmatige basis. Mijn relatie met de kunstruimte begon zeer voorzichtig en behoedzaam. In 2007, toen ik vernam dat Jurgen Bey, Anthony Dunne en Fiona Raby, en Martí Guixé zouden deelnemen aan de groepstentoonstelling Designing Critical Design in Hasselt heb ik de website van Z33 bezocht. Ik durf bijna niet te zeggen dat ik het moeilijk vond hun ongebruikelijke mengeling van kunst, vormgeving, architectuur en kritische houding in overeenstemming te brengen met de stijve sfeer die de Limburgse stad in mijn herinnering uitstraalde. Nadat ik Z33 enkele keren had bezocht, moest ik mijn mening echter herzien. Dit was dé plaats om naartoe te gaan als ik tentoonstellingen wilde zien die enkele van de diepzinnigste hedendaagse thema’s behandelden en geen strenge grenzen stelden aan creatieve disciplines. Om de paar maanden, als ik in het kleine Waalse dorp ben waar mijn familie woont, neem ik een bus naar het centraal station van Verviers en vervolgens een eerste trein naar Luik-Guillemins waar ik, afhankelijk van het seizoen, gedurende een halfuur in de ijzig koude, winderige, vochtige of snikhete hal rondhang van Santiago Calatrava’s ‘alleraangenaamste’ station. Ten slotte neem ik een tweede trein (waarschijnlijk de traagste die de NMBS ter beschikking heeft) naar Hasselt. Ik probeer nog niet te denken aan de terugreis.”

062 — 063

Régine Debatty - www.we-make-money-not-art Uit LOGBOOK Z33, 2012

The Place to go “I’ve been frequenting Z33 House for Contemporary Art for five years now. My relationship with the art space started on a very cautious and guarded foot. Back in 2007, I was informed that Jurgen Bey, Anthony Dunne & Fiona Raby and Martí Guixé were having a joint exhibition, Designing Critical Design, in Hasselt. I had a look at Z33’s website and I’m ashamed to say I had trouble reconciling their unusual mix of art, design, architecture, and critical stance with the prissy allure of the Limburg city as I remembered it. After a few visits to Z33, however, I relented. This was the place to go if I wanted to see exhibitions that embraced some of today’s most thought-provoking topics and didn’t put strict borders to creative disciplines. So once every few months, when I’m back in the tiny Walloon village where my family lives, I take one bus to Verviers Gare Centrale, then a first train to LiègeGuillemins where I loiter for 30 minutes in the icy/ windy/humid or hot as hell depending on the season waiting space of Santiago Calatrava’s ‘glorious’ station and finally, I take a second train (probably the slowest the National Rail has in stock) to Hasselt. I try not to think about the way back home.” Régine Debatty - www.we-make-money-not-art Uit LOGBOOK Z33, 2012


Tentoonstelling: Time Tomb, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: (un)balanced - Frederic Geurts, Z33, 2009 © Kristof Vrancken

Frederic Geurts — Aluminium Plaat, 2009

Tentoonstelling: (un)balanced - Frederic Geurts, Z33, 2009 — © Kristof Vrancken

Arcangelo Sassolino — Time Tomb

Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Susanna Hertrich — Prostheses for Instincts, 2008

Frederic Geurts — Spiraal, 2009

Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 © Kristof Vrancken

Kin Wah Tsang — The Second Seal

Z33

064 — 065

Beeldende kunst en maatschappij Een eigen collectie heeft Z33 niet, wel een permanent tentoonstellingsaanbod. Elk jaar presenteert Z33 drie grote en drie kleinere tentoonstellingsprojecten in eigen huis, met telkens een sterk maatschappijgerichte insteek. Actuele thema’s komen kritisch aan bod, vanuit verschillende artistieke standpunten en gekoppeld aan een uitgebreid randprogramma. Z33 is een van de weinige plekken in België die beeldende kunst in de brede betekenis, inclusief vormgeving, agenderen in relatie tot maatschappelijke thema’s. Centrale tentoonstellingsthema’s waren bijvoorbeeld de waterproblematiek (1% Water, 2008 ), arbeid (Werk Nu, 2009), natuur (Alter Nature, 2010) en de angstgedreven maatschappij (Architecture of Fear, 2012). De projecten van Z33 bestaan altijd uit een tentoonstelling en een uitgebreid randprogramma.

Visaul arts and society Z33 does not own a permanent collection, but has an extensive programme of temporary exhibitions. Every year, Z33 presents three large and three smaller exhibition projects, each with a strong societal approach. Current themes are critically adressed from different artistic positions and linked to an extensive fringe programme. Z33 is one of the few places in Belgium that places the visual arts in the broadest sense - including design - in relation to contemporary social themes. Central exhibition themes have included the water issues (1% Water, 2008), work (Work Now, 2009), Nature (Alter Nature, 2010) and the society of fear (Architecture of Fear, 2012).


RAF SIMONS In 2003 was Raf Simons gastcurator van een tentoonstelling 'Guided by Heroes' in Z33. In deze tentoonstelling gaf hij inkijk in zijn wereld en inspiratiebronnen. Raf Simons studeerde industriele vormgeving in Genk maar al snel bleek dat zijn roeping in de modewereld lag waar hij in geen tijd de internationale top bereikte. Raf Simons slaagde erin de energie en het bijzondere van jeugdcultuur te verbinden met de precisie van de klassieke kleermakerskunst. Muziek, kunst, performance, beelden en woorden spelen een belangrijke rol bij het creëren van zijn universum waar attitudes en statements rond individualiteit en onafhankelijkheid minstens even belangrijk zijn als de kleren zelf. Een andere constante in zijn werk is de constante zoektocht naar vernieuwing.

In 2003 Simons was guest curator of the Z33 exhibition 'Guided by Heroes', in which he gave an insight into his world and inspirations. Raf Simons studied industrial design in Genk but soon found that his calling lay in the fashion world, where he has climbed the international ladder in no time. Simons has succeeded in combining the energy and dynamism of youth culture with the precision of classic tailoring. Music, art, performance, images and words all play an important role in creating his universe, where attitudes and statements on individuality and independence are as important as the clothes themselves. Another constant in his work is the continual quest for innovation. www.rafsimons.com

Spring-summer 2004 Quilt

Tentoonstelling: Over de mensen en de dingen, Z33, 2005 — © Kristof Vrancken

Raf Simons — ‘returned’,

Tentoonstelling: Guided by Heroes, curator: Raf Simons , Z33, 2003 © Eddy Daniëls

Evan Holloway — Left-handed guitarist

Tentoonstelling: NET, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Numen / For Use — NET

Z33

066 — 067

www.rafsimons.com


www.ivesmaes.be Catherine L. Futter

Ives Maes explores the architecture of world’s fair sites as they look today. He investigates the effect of time, place and context on the remains of these global events. His images provide an alternative view to the utopian vision provided by these global events.  In his elegant photographic installations Maes invites the viewer to explore the optimistic visions of the fairs and the often sad reality of their present. He is noted for creating installations that provoke viewers to make new connections with ordinary objects. Maes’s first installation of images of the architectural remnants of world’s fairs was also his first major solo exhibition ‘The Great Exhibition’ (2008) held in Z33 in Hasselt. His penetrating gaze, sharp focus and cropped images allowed the viewer to contemplate both the past and the future. Visitors to his recent exhibition ‘The Future of Yesterday’ (2012) at the Nelson-Atkins Museum of Art in Kansas City encountered restrained photographic installations with a vibrancy and detail that provoked closer looking to divine the greater and deeper story. With Maes’ compelling images and works the whole world seems to take on a new relevance. www.ivesmaes.be Catherine L. Futter

Tentoonstelling: The Great Exhibitions, Z33, 2008 — © Kristof Vrancken

Ives Maes gaat na hoe architecturale constructies die werden gecreëerd voor wereldtentoonstellingen er tegenwoordig uitzien. Hij onderzoekt de invloed die tijd, ruimte en context hebben gehad op de overblijfselen van deze wereldwijde evenementen. Zijn foto’s bieden een alternatieve kijk op de utopische visie die deze expo’s presenteren. In zijn elegante fotografische installaties nodigt Maes de toeschouwer uit het optimistische beeld van de tentoonstellingen te verkennen EN ook stil te staan bij de bedroevend slechte staat waarin de overblijfselen zich vandaag vaak bevinden. Maes is bekend om zijn installaties die toeschouwers aansporen een nieuwe relatie tot stand te brengen met alledaagse objecten. Zijn eerste fotografische installatie over de architecturale overblijfselen van wereldtentoonstellingen was tevens zijn eerste grote solotentoonstelling ‘The Great Exhibition’ (2008) die in Z33 te Hasselt werd georganiseerd. Zijn doordringende blik, scherpe focus en compacte foto’s stelden het publiek in staat zowel na te denken over het verleden als over de toekomst. Bezoekers van zijn meest recente tentoonstelling ‘The Future of Yesterday’ (2012) in het NelsonAtkins Museum of Art in Kansas City werden geconfronteerd met sobere fotografische installaties. De levendige, gedetailleerde foto’s nodigden uit tot nadere bestudering om zo het ruimere kader te kunnen schetsen. De fascinerende foto’s en werken van Ives Maes lijken een nieuwe zin en betekenis te geven aan de wereld.

Ives Maes — Palazzo dei Congressi vs. Darth Vader, 2008

Tentoonstelling: The Great Exhibitions, Z33, 2008 — © Kristof Vrancken

Ives Maes — Atomium (Expo ’58: Evaluatie van de wereld voor een humaner wereld, 1958) vs. Klaatu (The Day the Earth stood still, 1951)

Tentoonstelling: The Great Exhibitions, Z33, 2008 — © Kristof Vrancken

Ives Maes — Cellule

Tentoonstelling: The Future of Yesterday: Photographs of Architectural Remains at World's Fairs

Ives Maes — Hanover, 2000 Tentoonstelling: Guided by Heroes, curator: Raf Simons , Z33, 2003 — © Eddy Daniëls

Kathy Grannan — Noland

068 — 069

Ives maes


Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 © Kristof Vrancken

Jill Magid — A Reasonable Man in a box

Z33

070 — 071

Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Charlotte Lybeer — The Villages, 2011 (Productieopdracht)

Tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Susanna Hertrich — Prostheses for Instincts, 2008

Jennifer & Kevin McCoy — Soft Rains #6: Suburban Horror, 2004

De Geuzen — Global Anxiety Monitor, 2007


Toonmoment: MAD about FEAR, Z33, 2012 in het kader van de tentoonstelling Architecture of Fear — © Mender Milissen

Meinder Milissen — Body Image

Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Allison Kudla — Growth Pattern, 2009

Tue Greenfort — Wardian Case ACCESS in PHL - in het kader van Architecture of Fear, Z33 – kunst in de open ruimte, 2011 — © Kristof Vrancken

Toonmoment: MAD about FEAR, Z33, 2012 in het kader van de tentoonstelling Architecture of Fear © Michiel Pauwels

Marie Sester — Acces

Michiel Pauwels — The chemical company

pit - Kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 © Kristof Vrancken

These past few years the Z33 exhibition themes were applied during workshops and creative projects at MAD-faculty. During ‘Alter Nature’ (2010) the students were challenged by the subject of synthetic biology. The resulting (art)works of the students were on display at the expo ‘Alter Nature: my biological (r) evolution’. During the exhibition ‘Architecture of Fear’ (2011) a group of Master students Photography had an exercise about themes such as the philosophy of disaster, the permanent state of exception, the generic city, the capsular civilization. The results were shown in the mini exhibition ‘MAD – about Fear’. The students and teachers of MAD-faculty collaborated together to help the Japanese artist Tadashi Kawamata design and construct the ‘project Burchtheuvel’, an immense wooden sculpture in the public space. This artwork is part of pit – art in the public space of Borgloon-Heers.

Tadashi Kawamata - project Burchtheuvel

Toonmoment: MAD about FEAR, Z33, 2012 in het kader van de tentoonstelling Architecture of Fear © Lieven Geuns

Toonmoment: MAD about FEAR, Z33, 2012 in het kader van de tentoonstelling Architecture of Fear © Julie Van der Vaart

Lieven Geuns — Torture

Opening tentoonstelling: Architecture of Fear, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Z33

072 — 073

Julie van der Vaart — Marianne

De voorbije jaren waren de tentoonstellingen in Z33 ook het uitgangspunt voor modules en ateliers aan de MAD-faculty. In het kader van het tentoonstellingsproject ‘Alter Nature’ (2010) werkten de studenten samen rond de onderwerpen die worden opgeworpen door synthetische biologie. De resultaten werden getoond in de mini-expo ‘Alter Nature: my biological (r)evolution’. In het kader van de tentoonstelling ‘Architecture of Fear’ (2011) werkte een groep Masterstudenten Fotografie aan een opdracht rond enkele aansluitende thema’s: de filosofie van de katastrofe, de permanente uitzonderingstoestand, de generische stad, de capsulaire beschaving. De resultaten werden getoond in de miniexpo ‘MAD – about Fear’. Onder begeleiding van de Japanse kunstenaar Tadashi Kawamata ontwierp en bouwde een groep studenten en docenten mee aan het ‘project Burchtheuvel’, een grote houten sculptuur in de open ruimten. Dit kunstwerk maakt deel uit van pit – kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers.

Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Z33 MEETS MAD-FACULTY


Performance in het kader Alter Nature, kunstencentrum BELGIË, 2011 — © Yann Marussich

Adam Zaretsky — Orange Pheasant Project, 2008

Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Tuur Van Balen — Cook me. Black Bile, 2011

Tentoonstelling: Tentoonstelling: Alter Nature: The Unnatural Animal, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Julien Berthier — Le Paradoxe de Robinson, 2007

Reinier Lagendijk — Zonder titel , 2009

Z33

074 — 075

Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — Courtesy Reinier Lagendijk — © Kristof Vrancken

Yann Marussich — Bleu Remix (performance) Tentoonstelling: Alter Nature: We Can, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Allison Kudla — Growth Pattern, 2009

Het belang van interdisciplinariteit “De termen ‘multidisciplinair’, ‘interdisciplinair’, en ‘transdisciplinair’ zijn tegenwoordig zo populair dat je haast zou verwachten dat ze deel uitmaken van de modus operandi van musea en andere kunstinstellingen. In plaats daarvan tref je ze enkel aan als terugkerende elementen op de aanvraagformulieren ingevuld door kunstenaars die op zoek zijn naar een opdracht. Toch voel ik soms dat de grenzen tussen creatieve disciplines nog nooit zo duidelijk omlijnd zijn geweest.   Acht jaar geleden, toen ik begon te bloggen met het enthousiasme van een nieuweling, vertelde men me telkens opnieuw over de tweedeling die er heerste in de hedendaagse kunstwereld. Enerzijds is er de Hedendaagse Kunst, met grote H en K. De kunst die je bewondert in het Tate Modern, die je zou willen kopen tijdens Frieze, de kunst die de pagina’s van haast alle magazines siert die je door je handen laat gaan bij de krantenverkoper of in een museum. Anderzijds is er nieuwe mediakunst. Er bestaan wellicht verschillende definities van de uitdrukking ‘nieuwe mediakunst’, maar het is veilig te zeggen dat de term verwijst naar de kunst die een voorliefde heeft voor recente technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Nieuwe mediakunst is de underdog en wordt haast nooit uitgenodigd op feestjes voor Hedendaagse Kunst. Je ziet deze kunstvorm op verschillende plaatsen (de ‘festivals’) en leest erover in magazines die je misschien niet vindt bij de krantenverkoper. Acht jaar later is er nog steeds geen sprake van een verzoening tussen deze twee kunstvormen.   Ik ga dus naar festivals voor nieuwe mediakunst en naar tentoonstellingen over hedendaagse kunst. Maar zoals vele mensen ben ik ook geïnteresseerd in kritisch design, activisme, architectuur en grafische vormgeving. Dit betekent dus nog meer plaatsen, evenementen en publicaties. Je hoeft helemaal geen Ibn Khaldun, Leonardo da Vinci of universeel genie te zijn om deze vormen van creativiteit vaker onder één dak met elkaar te willen zien communiceren. Z33 biedt echter een dergelijk forum. Het kunstencentrum is een van de weinige plaatsen waar de werken van ontwerpers van allerlei slag, architecten en kunstenaars (behorend tot de categorie nieuwe media of ‘gewoon hedendaags’) in dialoog met elkaar treden over een gemeenschappelijk thema. Ik ken niet veel kunstencentra die hier op een dergelijke naadloze manier in slagen. MU in Eindhoven, Stroom in Den Haag, HMKV in Dortmund of CCCS-Strozzina in Firenze misschien. Eerlijk gezegd kan ik niet veel andere instellingen bedenken... Régine Debatty - www.we-make-money-not-art Uit LOGBOOK Z33, 2012

The importance of being interdisciplinary “Multidisciplinary”, “interdisciplinary”, “cross-disciplinary” and “transdisciplinary” are such fashionable terms  nowadays that you’d expect them to be part of the modus operandi of museums and other art venues, instead of just finding them as  recurring elements on the  application forms filled outby artists looking for a commission. Yet, I sometimes feel that the boundaries between creative disciplines are as high as ever. 8 years ago, when I started blogging with the enthusiasm of the neophyte, I was told time and time again about the dichotomy ruling the contemporary art world. On the one side you have the Contemporary Art world - with a big C  and a big  A. The art you admire at Tate Modern, that you would like to buy at Frieze, the one that graces the pages of pretty much any art magazine you grab at the newsagent’s or museum. On the other side there is new media art. Definitions of the expression ‘new media art’ may vary, but it is safe to say that it refers to the art that has a predilection for recent developments in technology and science.. New media art is the underdog, it almost never gets invited to Contemporary Art’s parties. You can see it in different venues (the ‘festivals’), read about it in magazines that you might struggle to find at the newsagent’s. 8 years later, these two are still inhabiting two separate islands. So, I go to new media art festivals and then to contemporary art exhibitions. But like many people,  I’m also interested in critical design, activism, architecture, and graphic design. Which involves even more venues, events, and press outlets... You don’t have to be an Ibn Khaldun or a Leonardo da Vinci, Renaissance Man par excellence, to desire to see these fields of creativity converse more regularly under one roof. Z33, however, offers such a forum. The art centre  is one of those rare spaces where the work of designers of all affiliations, architects and artists (new media or ‘just contemporary’) enter in a dialogue about a common theme. I can’t think of many art centres managing this in such a seamless way. MU in Eindhoven, Stroom in The Hague, Maybe HMKV in Dortmund or CCCS-Strozzina in Florence. To be honest, I can’t think of many more... Régine Debatty - www.we-make-money-not-art Uit LOGBOOK Z33, 2012


Z33

076 — 077

- finalised in 2011

Tentoonstelling: Alter Nature: My biological (r) evolution, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Hannah Joris — Shape (of) Life, 2010

Tentoonstelling: Tentoonstelling: Alter Nature: The Unnatural Animal, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Revital Cohen — Ready-to-use Models, 2011

Tentoontelling: Alter Nature: My biological (r)evolution, Z33, 2010 — © Kristof Vrancken

Sofie Boons — My Bacteria Rings, 2010

Tentoonstelling: Alter Nature: The Unnatural Animal, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Tentoonstelling: Alter Nature: My biological (r)evolution, Z33, 2011 © Kristof Vrancken

Iben-Moller Decost — Parure de Vie, 2009

Tentoonstelling: Alter Nature: My biological (r)evolution, Z33, 2011 © Kristof Vrancken

Hannes Groffy — Takringen, 2010


UHasselt werkt samen met kunstenaars

Tentoonstelling: Kris Verdonck – EXHIBITION #1, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

In de hypergespecialiseerde maatschappij sloopt UHasselt de muren tussen vakgebieden. De jongste universiteit in België is een dynamische instelling die interdisciplinariteit hoog in het vaandel draagt. Kunst en wetenschap zijn een vertrouwd koppel op de campus in Diepenbeek en Hasselt. Een nieuw lange termijnproject steekt het vuur aan de lont van samenwerkingen.

Kris Verdonck — EXOTE, 2011

Tentoonstelling: Kris Verdonck – EXHIBITION #1, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Kris Verdonck — EXOTE, 2011 Kris Verdonck — performance SHELL

Tentoonstelling: Kris Verdonck – EXHIBITION #1, Tentoonstelling: Kris Verdonck – EXHIBITION #1, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Kris Verdonck — GOSSIP Tentoonstelling: Kris Verdonck – EXHIBITION #1, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Kris Verdonck — Warehouse of machinery, used in performances / installations (1995 - present)

078 — 079

Ontmoeting tussen kunst en wetenschap

Beheerder Marie-Paule Jacobs zet er enthousiast haar schouders onder: "We geloven echt in grensoverschrijdingen tussen disciplines zodat mensen 'out of the box' gaan denken en elkaar ontmoeten. Recent is via een wedstrijdformule beslist om de Gentse kunstenaar Philip Van Isacker een kunstwerk te laten maken voor de stadscampus. Bij de realisatie ontstaan op verschillende niveaus wisselwerkingen met wetenschappers. Omdat het budgettair moeilijk is om veel kunst zelf aan te kopen, is nu een nieuw project opgestart. De universiteit biedt aan Z33, huis voor actuele kunst in Hasselt, een tentoonstellingsruimte aan waar een ander publiek in contact komt met kunst. Het hoofdidee is om elk academiejaar een kunstenaar te inviteren voor een expositie van tien of twaalf maanden, maar ze moet niet per se zo lang te zien zijn. Het is niet de bedoeling om een permanent werk te kopen, al kan dat eruit voortvloeien. Toen Z33 een paar kunstenaars voorstelde, hebben we gekozen voor Edith Dekyndt omwille van de connecties met fysische fenomenen." Edith Dekyndt (°1960) is een Belgische kunstenares uit Doornik die internationaal hoog wordt aangeslagen. Het werk kan subtiel zijn en toch behoorlijk hypnotiserend. Om een voorbeeld te noemen: 'Dream Machine' (2006), een ogenschijnlijk zachte video met de drie primaire kleuren die snel bewegen, is een oogbombardement dat de alfagolven in de hersenen aanspreekt. Het project in UHasselt staat nog in de steigers. De mogelijkheden werden afgetast in laboratoria die de kunstenares wou bezoeken, en dat was een fascinerende trip. Wat is voor Dekyndt het meest interessant aan een samenwerking met wetenschappers? "De relatie tussen kunst en wetenschap is een gigantisch groot gespreksonderwerp. De ene dag vind ik dat ze totaal verschillend zijn. De andere dag denk ik dat er overeenkomsten zijn omwille van de prospectieve research, maar de benadering is anders. Kunstenaars werken in een atelier en wetenschappers in een laboratorium. Als ik dat kan gebruiken, dan kan het mijn atelier worden, een heel goed atelier met specialisten. Voor mij is het een uitwisseling omdat ik de wetenschapper niet wil gebruiken als een technicus die iets doet dat ik niet zelf kan doen. In de dialoog kan er iets gebeuren, of niet. Wat ik doe, is altijd heel eenvoudig. Ik wil niet iets dat hightech lijkt. Waar ik niet van hou, is het idee dat kunst en wetenschap een soort van nieuwe kunst

Where art and science meet UHasselt collaborates with artists In this hyper-specialised society, Hasselt University has been pulling down the walls between academic fields. Belgium’s youngest university is a dynamic institute that strongly believes in interdisciplinarity. Art and science are a familiar team at the campus in Diepenbeek and Hasselt, and their teamwork has recently been further ignited by a new long-term project. Marie-Paule Jacobs, administrator at Hasselt University, is enthusiastic about the hard work that has gone into this: “We really do believe in pulling down boundaries between disciplines so that people can start thinking 'out of the box' and meet each other. We decided to have the Ghent artist Philip Van Isacker create an artwork for the city campus. Its creation involved varying levels of interactions with scientists. Thanks to possibilities in the university’s budget for purchasing art, a new project has started up: the university is offering Z33, House for Contemporary Art (Hasselt) an exhibition area where a different public can come into contact with art. The main idea is to invite an artist for an exposition of ten to twelve months each academic year - although they do not need to be on display for this long. We don’t intend to permanently purchase an artwork, although this may eventually happen. When Z33 suggested a few artists, we chose Edith Dekyndt because of the links with physical phenomena.” Edith Dekyndt (°1960) is a Belgian artist from Doornik who has received wide international acclaim. Her work can be both subtle and hypnotising. A good example of this is her 'Dream Machine' (2006), a video installation that initially seems quite mellow. The piece shows three primary colours moving at a fast pace. It provides an explosion to the eyes and speaks to the alpha waves in the brain. The project in UHasselt is still under construction. Dekyndt began by exploring possibilities in laboratories that she wanted to visit. It became a fascinating tour. What interests Dekyndt most about working together with scientists? “The relationship between art and science is an extremely wide topic of conversation. One day, I think that they’re completely different. And the next, I see the similarities because of the prospective research, but also the distinction between their different approaches. Artists work in a studio and scientists in a laboratory. If I can use this, it can become my studio, a first-rate studio filled with specialists. I see it as an exchange: I don’t want to use the scientist as a technician who does something that I myself can’t do. During a dialogue things may or may not happen. Everything I do is very simple. I don’t want anything that looks high-tech. And I don’t like the


"We geloven heel sterk in die cross-over", benadrukt prof. dr. Jean Manca. Hij is decaan van de faculteit wetenschappen en werkt in het Instituut voor Materiaalonderzoek aan de ontwikkeling van flinterdunne, flexibele zonnecellen om energie te produceren. "Kunst en wetenschap kunnen elkaar inspireren en sterker maken. Er zijn een aantal parallellen. Het onderzoek is belangrijk en er zijn gelijkaardige denkpistes. We willen steeds verder gaan, we tasten de volgende grenzen af, we zoeken naar nieuwe vormen en proberen tot een beter inzicht te komen van wat we niet begrijpen, al gebeurt het op verschillende domeinen. Voor ons is een laboratorium wat een atelier is voor een kunstenaar. De vrijheid van denken en de verbeelding lopen ook als een rode draad door beide disciplines. Albert Einstein zei het al: ‘Imagination is more important than knowledge'. Zo komen nieuwe inzichten en theorieën tot stand. Kunstenaars komen dikwijls spontaan naar ons toe. Wim Delvoye is komen kijken naar onze nieuwe materialen en de jonge kunstenaar Frederik De Wilde beschouwen we als een 'artist in residence'. Samen met hem wordt nu op vraag van studenten een kunstwerk gemaakt waar eveneens onderzoekers aan meewerken."

"We believe strongly in that cross-over", Professor Jean Manca emphasises. He is dean of the Faculty of Science and works for the Institute for Materials Research (Instituut voor Materiaalonderzoek), where he is developing flexible sun cells to produce energy. ‘Art and science can inspire and strengthen one another. We can draw a number of parallels here. The research is important and there are similar trains of thought. We both aim to keep pushing further, to test the limits, to search for new forms and to gain better insight into what we don’t understand, even though this happens in different domains. The laboratory is to us what the studio is to an artist. Freedom of thought and imagination run like a red line through both disciplines. In the words of Albert Einstein: ‘Imagination is more important than knowledge’. And in this way, new insights and theories are generated. Artists will often approach us of their own accord. Wim Delvoye, for example, came to view our new materials, and we consider the young artist Frederik De Wilde our ‘artist in residence’. At the request of students, he is currently creating an artwork, again involving researchers."

Christine Vuegen

Read the full article on www.kunstinlimburg.be.

Tentoonstelling: Fuzzy Electronics (& Magnetics), Netwerk, Aalst, 2009

idea that art and science can create a new type of art. I avoid questions about the relationship between the two, because these aren’t so simple. If you ask me, it’s more the art critics’ and philosophers’ places to think about this. There are caricature representations of the artist as someone who earns lots of money within a short period and of the scientist who develops medicine for the public in the laboratory, but really works for the pharmaceutical industry. What place do the artist and scientist have in society? This is perhaps the real question.”

Frederik De Wilde — Electric Organ Discharge 4 # EOD 04

Discharge 4 # EOD 04

Tentoonstelling: Fuzzy Electronics (& Magnetics), Netwerk, Aalst, 2009

Frederik De Wilde — Electric Organ

Discharge 2 # EOD 02

© Christopher Klem Franken

Frederik De Wilde — Electric Organ

doen ontstaan. Vragen over de relatie tussen beide ga ik uit de weg omdat het niet zo simpel is. Het lijkt me meer iets voor kunstcritici en filosofen om daarover na te denken. Bovendien circuleren er karikaturale voorstellingen van de kunstenaar als iemand die op korte tijd veel geld verdient en de wetenschapper die in zijn laboratorium wel medicijnen voor ons ontwikkelt, maar in dienst staat van de farmaceutische industrie. Wat is de plaats van de kunstenaar en de wetenschapper in de maatschappij? Dat is misschien de echte vraag."

Christine Vuegen

UHasselt, 2012 — © Pauline Niks

Edith Dekyndt

UHasselt, 2012 — © Pauline Niks

Edith Dekyndt

UHasselt, 2012 — © Pauline Niks

Edith Dekyndt

080 — 081

ontmoeting tussen kunst en wetenschap

Lees het volledige artikel op www.kunstinlimburg.be.


Artists: - Aeneas Wilder - #Untitled 158 - Wesley Meuris - Memento - Paul Devens - Proximity Effect - Ardie Van Bommel - Field Furniture “Pure Nature” - Dré Wapenaar - Tranendreef - Fred Eerdekens - Twijfelgrens - Tadashi Kawamata - project Burchtheuvel - Gijs Van Vaerenbergh - Reading Between the Lines

www.philipmetten.com

NNERCOMA, Z33 – kunst in de open ruimte, 2010 — © Kristof Vrancken

Opening Philip Metten – INNERCOMA, Z33 – kunst in de open ruimte, 2010 — © Kristof Vrancken

Kunstenaars - Aeneas Wilder - #Untitled 158 - Wesley Meuris - Memento - Paul Devens - Proximity Effect - Ardie Van Bommel - Field Furniture “Pure Nature” - Dré Wapenaar - Tranendreef - Fred Eerdekens - Twijfelgrens - Tadashi Kawamata - project Burchtheuvel - Gijs Van Vaerenbergh - Reading Between the Lines

Midden-Haspengouw is a typical culture landscape, designed to its own needs by human hands. pit zooms in on three recurring themes in the region. First of all on the religious heritage. In and around Borgloon you find a lot of small parish churches. These churches are, however, often empty, as a result of the declining church visits. The future of the empty churches is a current problem anticipated by some artists in pit. Other artists focus on the agro-economic landscape of Midden-Haspengouw. The changing economic situation in the area leads to commuters and sleeping towns, but also to new forms of residential tourism. pit finally finds its inspiration in the culture-historical heritage of the region. In the area of Borgloon you can find for example the Roman Road (Romeinse Kassei) and the Fruit track (Fruitspoor). These tracks provide a good accessibility and interesting cycling and biking routes. Moreover, they display the historical value of the region.

www.philipmetten.com

Midden-Haspengouw is een typisch cultuurlandschap, naar eigen behoeften vormgegeven door mensenhanden. pit zoomt in op drie terugkerende thema’s in de regio. Ten eerste is er het religieuze erfgoed. In en rond Borgloon vind je heel wat kleine parochiekerkjes. Deze kerken staan echter steeds vaker leeg, als gevolg van het dalende kerkbezoek. De toekomst van de leegstaande kerkjes is een actuele problematiek waar enkele kunstenaars in pit op inspelen. Andere kunstenaars gaan in op het agrarisch-economisch landschap van Midden-Haspengouw. De veranderende economische situatie in de streek geeft onder meer aanleiding tot pendelaars en slaapdorpjes, maar ook tot nieuwe vormen van verblijfstoerisme. pit vindt ten slotte inspiratie in het cultuur-historisch erfgoed van de regio. In de buurt van Borgloon vind je bijvoorbeeld de Romeinse Kassei en het Fruitspoor. Deze sporen zorgen voor een goede bereikbaarheid en interessante (fiets- en wandel-) routes. Ze geven bovendien de historische waarde van de streek weer.

pit is an organic project of Z33 that unfolds since June 2011 in the region of Haspengouw. Also in 2012 the project is still evolving. Some of the works remain in place for a longer period, others can be seen for only a short time. Besides the artworks that are placed in the open space, there are also workshops, side activities and public events.

NNERCOMA, Z33 – kunst in de open ruimte, 2010 — © Kristof Vrancken

pit is een organisch project van Z33 dat zich sinds juni 2011 ontrolt in de regio Midden-Haspengouw. Ook in 2012 evolueert het project steeds. Enkele werken blijven een langere tijd staan, andere kan je slechts een korte periode bezichtigen. Naast de kunstwerken die in de open ruimte geplaatst worden, worden ook workshops, randactiviteiten en publieksmomenten opgezet.

pit - art in the public space of Borgloon –Heers pit, a project of Z33 – house for contemporary art, brings art in the public space of Borgloon-Heers. The artworks in the landscape make passers-by and visitors look differently at the surroundings. After all, the landscape contains many stories that are not always immediately visible. Established names as well as young talents get to work in Haspengouw. All artists anticipate the landscape and the local context in a special way.

www.philipmetten.com

Tentoonstelling: Fuzzy Electronics (& Magnetics), Netwerk, Aalst, 2009

Z33

082 — 083

Frederik De Wilde — Electric Organ Discharge 4 # EOD 04

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers pit, een project van Z33 – huis voor actuele kunst, brengt kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers. De kunstwerken in het landschap laten voorbijgangers en bezoekers anders naar de omgeving kijken. Het landschap bevat immers vele verhalen die niet altijd onmiddellijk zichtbaar zijn. Zowel gevestigde namen als jong talent gaan in Haspengouw aan de slag. Alle kunstenaars spelen op een speciale manier in op het landschap en op de lokale context.


pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 © Kristof Vrancken

Wesley Meuris — Memento

Te waterlating van De Badeend in de Kanaalkom van Hasselt, Z33 – kunst in de open ruimte, 2009 — © Kristof Vrancken

Florentijn Hofman — De Badeend

Z33

084 — 085

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 © Kristof Vrancken

Aeneas Wilder — #Untitled 158

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 © Kristof Vrancken

Paul Devens — Proximity Effect

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 © Kristof Vrancken

Aeneas Wilder — #Untitled 158


pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

Tadashi Kawamata — project Burchtheuvel

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

Gijs Van Vaerenbergh — Reading Between the Lines

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

Gijs Van Vaerenbergh — Reading Between The Lines, 2011

Tadashi Kawamata — project Burchtheuvel

pit - kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

Dré Wapenaar — Tranendreef

Tadashi Kawamata — project Burchtheuvel

pit - Kunst in de open ruimte van BorgloonHeers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

Dré Wapenaar — Tranendreef

Z33

086 — 087


© Meinder Milissen, student Fotografie MAD-faculty

FRED EERDEKENS

The oeuvre of Fred Eerdekens goes beyond proof of falsification. He studies the ‘not’. Not as something non-existent, but as something not shown. The ‘not’ needs to be redefined; not in terms of ‘not present’ but ‘present differently’. These ‘different presences’ translate into a subtle, poetic interplay of light and dark. The shadows of his work show the different presences of the illuminated object, through which the different means of ‘showing’ result in different ways of seeing. www.fred-eerdekens.be Martine Geerts

www.fred-eerdekens.be

Courtesy: Spencer Brownstone Gallery, New York

Cabinet of Curiosities from Belgium for Europe, Z33 curator Jan Boelen, 2011 © Kristof Vrancken

FRED EERDEKENS — Still, 2005

FRED EERDEKENS

Martine Geerts

© Vercruysse

pit – kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

Het oeuvre van Fred Eerdekens gaat verder dan het falsificatiebewijs. Hij onderzoekt het ‘niet’. Niet als iets onbestaands maar als iets dat niet getoond wordt. Het ‘niet’ dient geherdefinieerd te worden; niet in functie van niet-aanwezig zijn maar ‘anders-aanwezig’. Deze ‘anders-aanwezigheden’ vertalen zich in een subtiel poëtisch spel tussen licht en donker. De schaduwen van zijn werken tonen de andere aanwezigheden van het belichte object waardoor het ‘anders-tonen’ resulteert in een ‘anders-kijken’.

FRED EERDEKENS — Neo-Deo, 2002

pit – kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

FRED EERDEKENS — Twijfelgrens

pit - Kunst in de open ruimte van Borgloon-Heers, Z33, 2012 — © Kristof Vrancken

FRED EERDEKENS — Twijfelgrens

088 — 089

Tadashi Kawamata - project Burchtheuvel

FRED EERDEKENS


Z33 as curator Z33 also curates exhibitions by external parties. Exhibitions created by Z33 in the past include ‘Emmy + Gijs + Aldo’ in the Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, ‘Food Forward’ at Stroom in The Hague, ‘Cabinet of Curiosities from Belgium for Europe’ for the office of European President Herman Van Rompuy and ‘The Machine’ in C-mine in Genk. Tailor-made programme For every exhibition, Z33 develops a tailor-made programme for families, teachers, youths and children, individually or in groups. During every exhibition, groups can book a guided tour and every Saturday and Sunday we organise free mini tours. Families can visit exhibitions using the Kijkwijzer (10-14 years) or a Kinderblik (6-10 years) or they can take a more creative approach in the education room. Z33 organizes creative art workshops for children and youths three times a year during school holidays: Artist for 1 Day (9-12 years) or Kunztlab (13-15 years).

Kunztlab - Great Graphics, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

www.z33.be

Kunztlab - Great Graphics, Z33, 2011 — © Kristof Vrancken

www.z33.be

Z33 als Curator

The Machine, preview in Milan, 2012, Z33 curator — © Kristof Vrancken

Thomas Vailly — The Metabolic Factory

Aanbod op maat Z33 ontwikkelt rondom elke tentoonstelling een aanbod op maat voor gezinnen, leerkrachten, jongeren en kinderen, individueel of in groep. Groepen kunnen bij elke tentoonstelling een gegidste rondleiding reserveren en elke zaterdag- en zondagnamiddag staan er gratis minirondleidingen op het programma. Gezinnen kunnen tentoonstellingen bezoeken met behulp van de Kijkwijzer (10-14 jaar) of een Kinderblik (6-10 jaar) of ze kunnen voor een creatieve verwerking terecht in de educatieve ruimte. Voor kinderen en jongeren organiseert Z33 drie maal per jaar creatieve kunstateliers tijdens de schoolvakanties: Kunstenaar voor 1 Dag (9-12 jaar) of Kunztlab (13-15 jaar).

The Machine, preview in Milan, 2012, Z33 curator © Kristof Vrancken

Thomas Vailly — The Metabolic Factory

The Machine, preview in Milan, 2012, Z33 curator — © Kristof Vrancken

Thomas Maincent — SpiderFarm

The Machine, preview in Milan, 2012, Z33 curator — © Kristof Vrancken

The Machine, preview in Milan, 2012, Z33 curator — © Kristof Vrancken The Machine, preview in Milan, 2012, Z33 curator — © Kristof Vrancken

Joong Han Lee — Haptic Intelligentsia Thomas Maincent — SpiderFarm Joong Han Lee — Haptic Intelligentsia

090 — 091

Z33 als curator Z33 fungeert ook als curator voor tentoonstellingen bij externe partijen. Zo maakte Z33 in het verleden onder andere de tentoonstellingen ‘Emmy+Gijs+Aldo’ in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, ‘Food Forward’ in Stroom Den Haag, ‘Cabinet of Curiosities from Belgium for Europe’ voor het kabinet van Europees president Herman Van Rompuy en ‘The Machine’ in C-mine in Genk.


Sinds 2006 is Katleen Vermeir ook lid van het tijdelijk collectief ‘Potential Estate’ dat ideeën van artistieke samenwerking onderzoekt in een context die bepaald wordt door identiteit en post-nationale kwesties.

www.katleenvermeir.be www.in-residence.be Katleen Vermeir is one of the artists in the summer exhibition Mind the System, Find the Gap (2012) at Z33. She and Ronny Heiremans are also participating at Manifesta with their project 'The Residence (a wager for the afterlife)' at Manifesta 9, produced by FLACC.

Courtesy the artists. Photographer: Kristien Daem

092 — 093

Katleen Vermeir is één van de deelnemende kunstenaars in de zomertentoonstelling ‘Mind the System, Find the Gap’ in Z33. Samen met Ronny Heiremans is Katleen Vermeir deelnemende kunstenaar van Manifesta 9 met het project ‘The Residence (a wager for the afterlife), geproduceerd door FLACC.

Vermeir & Heiremans — The Residence (a wager for the afterlife) 2012

www.katleenvermeir.be www.in-residence.be

for the afterlife), 2012

Courtesy the artists. Photographer: Kristien Daem

Katleen Vermeir is a Belgian artist who lives and works in Brussels. Katleen Vermeir's work focuses mainly on the hidden layers of specific (often architectural) environments, and on the relation between time and space and the way we experience this relation. In 2006 the artist started working with Ronny Heiremans on 'A.I.R', a collaborative project, which examines architecture as a significant ideological force and deals with issues concerning the interrelatedness of private and public spheres, art and the economy. Since 2006 Katleen Vermeir also takes part in the temporary collective 'Potential Estate', which explores ideas of artistic collaboration in a context defined by identity and postnational issues.

Vermeir & Heiremans — The Residence (a wager for the afterlife), 2012

Katleen Vermeir (1973) is een Belgische kunstenares die woont en werkt in Brussel. Katleen Vermeirs werk richt zich voornamelijk op de verborgen lagen van bepaalde (vaak architecturale) omgevingen en op de relatie tussen tijd en ruimte en de manier waarop wij deze relatie ervaren. In 2006 startte ze samen met Ronny Heiremans 'A.I.R' op, een samenwerkingsproject waarin architectuur wordt onderzocht als een significante ideologische kracht en waarin wordt ingegaan op kwesties over de verwevenheid van private en publieke domeinen, kunst en economie.

Courtesy the artists. Photographer: Kristien Daem

Vermeir & Heiremans — The Residence (a wager

(letter to Ronny Heiremans), 1999,VHS video transferred to DV, black&white, silent, ratio 3:4, 30', concept & realisation: Katleen Vermeir

Katleen Vermeir — Waterdrawing

KATLEEN VERMEIR


FLACC — werkplaats voor beeldende kunstenaars Gelijkheid aan de basis van reflectieve en experimentele projecten FLACC faciliteert in Genk jaarlijks 10 tot 15 kunstenaarsprojecten, op maat van de hedendaagse kunstenaarsrealiteit. De procesmatige trajecten ontvouwen zich los van enige presentatiedruk en zijn in de meeste gevallen gericht op de realisatie van nieuw werk. Centraal staan gelijkheid, samenwerking en ruimte voor experiment.

FLACC levert praktische, inhoudelijke en financiële bijstand. En dat binnen een langdurige samenwerking waarbij de kunstenaar kan blijven rekenen op vergaande ondersteuning. Hij kan zich volledig en in alle concentratie wijden aan zijn project, waarvan de procesmatige totstandkoming, in samenwerking met FLACC, dikwijls even belangrijk is als het materiële resultaat zelf. FLACC stelt dat de realisatie soms ondergeschikt is aan theoretische verdieping, experiment of vernetwerking die de artistieke ontwikkeling van de kunstenaar ten goede komt.

Courtesy the artists. Photographer: Kristien Daem

Vermeir & Heiremans — The Residence (a wager for the afterlife), 2012

Elk jaar introduceert FLACC gerenommeerde en beloftevolle buitenlandse kunstenaars in het Belgische kunstenveld. Maar ook jonge kunstenaars en ervaren talent van eigen bodem krijgen steun, zelfs over de grenzen heen. Cruciale elementen in de FLACC-werkplaatsprojecten: theoretisch onderzoek, input van experts, praktische haalbaarheid en een aangepaste output in relatie tot de atelierarbeid, bijvoorbeeld door een bijdrage aan het kunstendiscours, publicatie of presentatie.

De aantrekkingskracht van keuzevrijheid FLACC beschikt over ruime, professionele ateliers voor metaalen houtbewerking, een digitale studio, een ovenatelier voor keramiek, brons en glas en een multifunctionele ruimte. Dit geeft de kunstenaars een grote keuzevrijheid in materialen en technieken en verleent aan FLACC een enorme aantrekkingskracht. Voor een gering bedrag kunnen professionele kunstenaars op aanvraag ook gebruikmaken van deze faciliteiten. Daarnaast vormen de persoonlijke, projectmatige aanpak, technische en organisatorische kennis en het brede netwerk minstens even belangrijke pijlers van FLACC.

094 — 095

Dankzij een breed netwerk van ondersteunende en inhoudelijke partners vormt FLACC voor zijn kunstenaars een opstapnetwerk en springplank naar het nationale en internationale kunstenveld, curatoren en culturele organisaties. Dit professionele netwerk blijft ook na de samenwerking met FLACC van onschatbare waarde voor met name jonge kunstenaars. De notie werkplaats Sinds 2006 heeft FLACC unieke projecten opgezet met ruim 90 kunstenaars. Kunstenaars die de notie werkplaats in vraag

FLACC - workplace for visual artists Equality-based reflective and experimental projects Every year, FLACC facilitates the realisation of 10 to 15 artists’ projects in Genk, in tune with the contemporary context of art making. The processbased projects are developed independently of any need for presentation, and are in most cases aimed at the realization of new work. Core concepts here are equality, cooperation, and space for experimentation. Every year, FLACC introduces renowned and promising foreign artists into the Belgian artistic landscape. But young talent and experienced Belgian artists are also supported, even across borders. Crucial elements in the FLACC workplace projects are: theoretical research, input from experts, practical feasibility, and an output in relation with the studio labour, for example by contributing to the art discourse, a publication or a presentation. FLACC provides practical, material and financial assistance through extended collaborations with artists. The selected artists can, in this way, count on an extensive level of long term support. They can fully concentrate on their projects, whose process-driven realisation, worked out in collaboration with FLACC, is often just as important as the physical result itself. FLACC suggests that this realization is sometimes even secondary to the deployment of activities which can aid the artistic development of the artist, such as theoretical deepening, experimentation and networking. The attraction of choice FLACC has spacious, professional workshops for metal and woodworking, a digital studio, a kiln studio for ceramics, bronze and glass and a multifunctional space. This gives participating artists great freedom of choice in terms of materials and techniques and makes FLACC an attractive working place. Upon request, and for a small fee, other professional artists are also welcome to use these facilities. Other, equally important, key elements in the FLACC organisation are its personal, project-driven approach, its technical and organizational knowledge, and its extensive network. Thanks to a broad network of supporting and content providing partners, FLACC is able to offer its artists a stepping stone network and function as a springboard into the national and international art fields, with links to curators and cultural organizations. Even after the collaboration with FLACC, this professional network remains invaluable, especially for young artists. The workplace concept Since 2006, FLACC has developed unique projects with more than 90 artists. Artists who question the

stellen, de historische en multiculturele context van Genk exploreren, of net de specifieke faciliteiten van FLACC. Ook de context van de Euregio en de driedeling van België in een Vlaamse, Franse, en Duitse taal- en cultuurgemeenschap leiden tot boeiende projecten, evenals participatieve initiatieven en samenwerkingstrajecten met het landschap als centraal thema. FLACC realiseert projecten met een toegevoegde waarde voor het contemporaine nationale of internationale kunstendiscours, zoals de projecten van Anne Wenzel, Hector Zamorra, Mark Kent, Lara Almarcegui, Nick Ervinck, Jon Mikel Euba en Geert Goiris. Het op het juiste moment ondersteunen en mee ontwikkelen van jong talent, zowel tijdens als na de kunstopleiding, is een belangrijk onderdeel van de FLACC-werking.

workplace concept, who investigate the historical and multicultural context of Genk, or explore the facilities at FLACC. The context of the Euroregion and the tripartite division of Belgium into Flemish, French, and German language and cultural communities can inspire exciting projects, as can participatory initiatives and cooperation projects that focus on the landscape as a central theme. FLACC realizes projects with an added value in the context of the national and international contemporary art discourse, such as the projects of Anne Wenzel, Hector Zamorra, Mark Kent, Lara Almarcegui, Nick Ervinck, Jon Mikel Euba and Geert Goiris. The timely support and co-development of young talent, both during and after the actual art training, is an important part of the FLACC operation.

FLACC werkt structureel samen met het Frans Masereel Centrum in Kasterlee en met de Maastrichtse Jan van Eyck Academie. De werkplaatsfaciliteiten en technische expertise zijn collectief beschikbaar en de Jan van Eyck Academie biedt FLACC-kunstenaars vrije toegang tot haar bibliotheek en documentatiecentrum. Daarnaast gaat FLACC projectgebonden partnerschappen aan, waarbij de partner zowel een duidelijke inhoudelijke meerwaarde biedt, als bijdraagt aan de presentatie van het project.

FLACC is engaged in a structural collaboration with the Frans Masereel Centrum in Kasterlee and the Jan van Eyck Academie in Maastricht. The workshop facilities and technical expertise are collectively available and the Jan van Eyck Academie offers FLACC artists free access to its library and documentation centre. In addition, FLACC engages in project-based partnerships, in which the partner not only provides a distinct content-related added value, but also contributes to the presentation of the project.

Reflecteren over werkwijze en productie FLACC richt zich tot kunstenaars die reflecteren over hun eigen oeuvre, werkwijze en productie. Het einddoel komt altijd tot stand in samenspraak met de kunstenaar, wat een flexibel proces impliceert naargelang de specifieke noden en doelstellingen om zo het instrumentaliseren van de artistieke methodiek of werkplaats te vermijden. FLACC bevindt zich enigszins in de periferie van het Vlaamse kunstenveld. Veel kunstenaars ervaren deze relatieve afzondering als positief, juist omdat het hen de mogelijkheid biedt zich te concentreren op hun werk. Die periferische ligging trekt ook een bepaald type kunstenaar aan, met een aparte attitude. Een kunstenaar die afzondering omzet in concentratie en intensivering van zijn project.

Reflection on process and production FLACC is aimed at artists who reflect on their own work, process and production. The ultimate goal is always realised in consultation with the artist, which implies a flexible process adjusted to the specific needs and goals, so as to avoid the instrumentalisation of both the artistic methodology and the workplace. FLACC is situated on the periphery of the Flemish art field. Many artists experience this relative isolation as positive, precisely because it allows them to concentrate on their work. This peripheral location attracts certain types of artists; people with a particular attitude, able to transform the sense of seclusion that pervades the place into personal concentration and the intensification of his or her project.

Reflectie en verdieping Niet alle projecten vertrekken vanuit de faciliteiten die FLACC aanbiedt. Maar door de stimuli die uitgaan van de ateliers, dialoog, reflectie, tijd en ruimte kan de kunstenaar een nieuwe blik werpen op zijn eigen productie. Daarom vertegenwoordigt elk werkplaatsproject ontegensprekelijk de resultante van een samenwerking tussen FLACC en kunstenaar. FLACC ontzorgt de kunstenaar op elk gebied, door financiële, technische, facilitaire en inhoudelijke ondersteuning en door de tijdsdruk naar een toonmoment te minimaliseren. De keuze van een toonmoment op

Reflection and deepening Not all projects are initiated at the FLACC facilities. But the stimuli that are generated through the various workshops, dialogues, reflections, time and space can help artists gain a new perspective on their own production. In this respect, every workshop project is the manifest product of a collaborative process between the artist and FLACC. FLACC offers assistance to artists in many areas, by providing financial, technical, facilitative and substantive support, and by minimizing the pressure that invariably occurs in the period leading up to a presentation moment. The choice for a presentation moment at a specific time and location provides added value for the location, the audience, and the artist who engages in a broader art discourse


Art Workplace in development In the coming years, FLACC aims to investigate the concept of the art workplace through a number of clusters which take the changing artistic practice as their starting point and formulate a central question through a historical analysis of the artist’s position: is the artists’ workshop in its present form the most appropriate instrument through which the artistic production can be supported? The changing role of the artist and the artistic profession, along with the changing production models, makes a redefinition of the workplace necessary. The often proven added value of an art workplace is, however, not in question here. These subjects question the role of the artist. They raise questions to which FLACC cannot formulate any definitive answers; questions which also call for reflection and discussion. They create the impetus for the development of alternative models which would better adapt the workplace to the changing needs and realities of the artist. This will provide FLACC with opportunities to raise the level of support given to artists in the future, creating more visibility and a better level of integration in the contemporary art field. www.flacc.info

collectie Stedelijk Museum SM's, 's Hertogenbosch (NL) Courtesy: Galerie Tatjana Pieters en Akinci Amsterdam — © John Stoel

Anne Wenzel — Bright solitude (chandelier), 2007

FLACC

096 — 097

www.flacc.info

Courtesy: Sarah Vanagt

Kunstenwerkplaats in ontwikkeling FLACC wil de notie kunstenwerkplaats de komende jaren bevragen in een aantal clusters, die vertrekken vanuit de veranderende artistieke arbeid en via een historische analyse van het kunstenaarschap komen tot de centrale vraag: is de kunstenaarswerkplaats in zijn huidige vorm nog het meest geschikte instrument om de artistieke productie te ondersteunen? De steeds veranderende rol van de kunstenaar en het kunstenaarschap, samen met de veranderende productiemodellen, maakt een herdefiniëring van de werkplaats noodzakelijk. De vaak bewezen meerwaarde van een kunstenwerkplaats staat hierbij niet ter discussie. Deze onderwerpen bevragen de rol van de kunstenaar. Ze werpen vragen op die FLACC niet definitief kan beantwoorden, maar roepen ook op tot reflectie en discussie. Ze geven de aanzet tot het ontwikkelen van alternatieve modellen die ervoor zorgen dat de werkplaats beter gaat aansluiten bij de veranderende noden en werkelijkheid van het kunstenaarschap. Dit stelt FLACC in staat om kunstenaars in de toekomst nog beter te ondersteunen, met meer zichtbaarheid en een nog betere inbedding in het hedendaagse kunstenveld.

on a national and international level. FLACC believes that a long-term commitment to assisting young, promising, and experienced artists will accelerate and deepen the development of their personal oeuvre and consequently also fulfil a constructive role in the Flemish and international art discourse.

Sarah Vanagt — filmstill Les Mouchoirs de Kabila

een specifieke plek en moment biedt een meerwaarde voor zowel de locatie, het publiek als de kunstenaar, die de dialoog aangaat binnen een ruimer kunstdiscours op nationaal en internationaal vlak. FLACC gelooft dat een langdurig engagement bij jonge, beloftevolle en ervaren kunstenaars leidt tot een versnelling en verdieping van de ontwikkeling van het eigen oeuvre en op die manier een constructieve rol speelt in het Vlaamse en internationale kunstdiscours.


Wapke Feenstra — Bichterweerd Courtesy: Wapke Feenstra

Courtesy: the artist

Courtesy: Tinka Pittoors

© Jean Bernard Koeman

WOBBE MICHA

TINKA PITTOOERS — Detail Plastic Territory - Urbicide

Holodeck Convention

098 — 099


MARK KENT

TRANSIT

Op een minutieuze manier ontwerpt Mark Kent (1972, Cork, Ierland) abstracte patronen. De patronen worden vooral ruimtelijk gepresenteerd in de vorm van muurtekeningen of geprint op canvas, behangpapier en textiel. Het imperfecte en asymmetrische systeem doet de blik van de toeschouwer aanhoudend dansen over het oppervlak, tevergeefs op zoek naar harmonie. De basis van de patronen ligt in het leven zelf. Kent houdt fanatiek de coördinaten bij die hem omringen en hij manipuleert er zijn ontwerpen mee. De installatie 'Rough Sleeping Patterns', die hij recent presenteerde op de expo 'House Trip' tijdens Art Forum Berlin, vloeide voort uit de geografische coördinaten die hij verzamelde tijdens een fietstocht door Noorwegen. Voor FLACC waagde de kunstenaar zich voor het eerst aan het ontwerp van een driedimensionaal patroon vanuit geluidscoördinaten die hij registreerde tijdens een trip in de euregio. Het driedimensionale patroon was opgebouwd uit een skelet en een huidstructuur dat industrieel is vervaardigd tot een monumentale sculptuur. Het resultaat is een modulair monument dat rondreisde in de regio en in een wisselende vorm conform de respectievelijke geluidsopnames werd gemonteerd. In maart 2008 stond het werk telkens voor een weekeinde opgesteld in Alsdorf, Maastricht, Eupen en Genk.

For FLACC the artist ventured into unknown territory and designed a three-dimensional pattern based on sound coordinates he recorded during a trip in the Euregio. This three-dimensional pattern consists of an industrially manufactured skeleton and skin structure. The result is a modular monument that is travelling around in the Euregio and is assembled in various forms depending on the respective sound recordings. In March 2008 the installation was shown in consecutive weekends in Alsdorf, Maastricht, Eupen and Genk. The project was realised within the framework of Gemaal, an interregional collaboration in the Maas Rhine Euregio between the cities of Alsdorf, Eupen, Genk and Maastricht.

Het Europees gesubsidieerde project Transit, dat in 2009 is gestart en tot in 2011 doorliep, is een samenwerking tussen tien Europese academies uit zes Europese landen, de festivals EMAF (DE) en Vidéoformes (FR) en FLACC. Het hoofddoel van Transit is het ontdekken van nieuw talent binnen Moving Art en het bieden van geschikte ontwikkel- en presentatiemogelijkheden op een Europees niveau, zodat een aantal jonge veelbelovende kunstenaars hun transit naar de professionele kunstwereld kunnen maken.

Transit, the EU-funded project that ran from 2009 to 2011, was a collaborative effort by ten European academies from six European countries, the festivals of EMAF (DE) and Vidéoformes (FR), and FLACC. The project’s main aim was to discover new talent in Moving Art and provide young and promising artists appropriate opportunities for development and presentation at a European level, so as to enable their transit to the professional art world. The ten art academies supporting Transit were convinced of the importance of Moving Art, constituting a Europe-wide network that offered a large number of young and promising artists transnational mobility opportunities for themselves and their artwork.

Transit bouwt aan een netwerk van tien kunstacademies, die allen geloven in het belang van Moving Art, in zes Europese landen. Samen vormen zij een basis voor een Europees netwerk voor jong The theme of the project was Moving Art as a Witness talent. Het creëert een transnationale mobiliteit voor een groot (as an individual memory of past events, as a personal aantal jonge kunstenaars en kunstwerken. observer and commentator of things happening now, Het thema is Moving Art as a Witness (as an individual memory of past events, as a personal observer and commentator of things happening now, as a visionary of future developments). Het project volgt een tweejarig plan, waarbij studenten de kans krijgen hun talenten te ontwikkelen en tentoon te stellen. Tijdens het verblijf van de zes geselecteerde studenten werden gesprekken opgezet met o.a. kunstenaars, curatoren en critici, om het netwerk van de studenten te vergroten en hen in aanraking met de verschillende actoren binnen de kunstwereld te laten komen.

Courtesy: Kilian Kretschmer

Kilian Kretschmer — filmstill VASE

Deelnemende kunstacademies: Kunsthochschule für Medien (Keulen, DE), Staatliche Hochschule für Gestaltung (Karlsruhe, DE), Ecole Supérieure d’Art de Clermont Communauté, (ClermontFerrand, FR), ArtEZ Academie voor Beeldende Kunsten (Enschede, NL), Sint-Lukas Hogeschool (Brussel), Sint-Lucas Hogeschool (Gent), Vilnius Academy of Fine Arts (Vilnius, LT), Academy of Fine Arts (Proznan, PL) en Le Fresnoy, Studio National des Arts Contemporains (Tourcoing, FR).

© Kristof Vrancken

Marc Kent — detail Industrial Sound Recordings from Gemaal

FLACC

100 — 101

Het project kwam tot stand in het kader van Gemaal, een interregionale samenwerking in de Euregio Maas Rijn tussen de steden Alsdorf, Eupen, Genk en Maastricht.

Meticulously Mark Kent (1972, Cork, Ireland) designs abstract patterns. These patterns are mainly presented in three-dimensional forms such as mural paintings or prints on canvas, wallpaper and textiles. Because of the imperfect and asymmetrical system the spectator's eyes keep dancing over the surface, vainly looking for harmony. The basis for the patterns is life itself. Kent fanatically stores the coordinates surrounding him and applies them to his designs. The installation 'Rough Sleeping Patterns', which he recently presented at the 'House Trip' exhibition of Art Forum Berlin, was the fruit of a biking trip in Norway, during which Kent gleaned geographical coordinates.

as a visionary of future developments). The project follows a two-year plan, where students have the opportunity to develop and show their talents.

Six selected students received the opportunity to interview artists, curators, critics and others, to enlarge their networks and to meet a variety of players in the world of art. Participating art academies: Kunsthochschule für Medien (Cologne, DE), Staatliche Hochschule für Gestaltung (Karlsruhe, DE), Ecole Supérieure d’Art de Clermont Communauté (Clermont-Ferrand, FR), ArtEZ Academie voor Beeldende Kunsten (Enschede, NL), Sint-Lukas Hogeschool (Brussels), Sint-Lucas Hogeschool (Ghent), Vilnius Academy of Fine Arts (Vilnius, LT), Academy of Fine Arts (Proznan, PL), Le Fresnoy, Studio National des Arts Contemporains (Tourcoing, FR) and the Festivals of EMAF (DE) and Vidéoformes (FR).


FLACC

102 — 103

Courtesy: Jon Mikel Euba

Courtesy: Hedwig Brouckaert

© Arno Roncada

Virginie Bailly — Point de vue

Jon Mikel Euba — One Week, Two Horses, Three Cameras

Hedwig Brouckaert — BilateriaGYD


FLACC

104 — 105

In september 2007 organiseerde Hector Zamora een picknick en plande een gerichte permanente interventie op de terril, de mijnafvalberg van Winterslag, die de ruimte activeert. De terril van Winterslag vormt het hoogste en meest zichtbare punt van de stad en sluit aan bij C-mine. Samen met de aanwezigen bepaalde Zamora tijdens de picknick vorm en inhoud van de ingreep en voerde die meteen ook uit. Dit werk zet zich niet in een traditie van land art maar wilde een publieke happening zijn, een spel, een uiting van graffiti, over vrijheid en de impact van een berg met boodschap. Het wilde bovenal een katalysator zijn dat ook mensen in de toekomst, los van zijn ontstaanscontext, aanzet tot het schrijven en tekenen op de berg vanuit de aanwezige setting. Nu, jaren na de eerste interventie, wordt de locatie nog steeds gebruikt voor interventies. Nu niet door de kunstenaar, maar door de lokale bevolking die de stenen gebruikt om nieuwe boodschappen te schrijven. De interventies werden (en worden nog steeds) minutieus en vanuit uiteenlopende perspectieven geregistreerd.

In July 2007, Hector Zamora (1974, Mexico City, Mexico) resided in Genk. Unlike most FLACC projects, this artist was selected to leave behind a permanent trace in the city. FLACC and the city of Genk had given Zamora the assignment to create a permanent feature at C-mine. The former mine complex in Winterslag at the time was in scaffolding, as it was decided to transform it into a site for culture, tourism and creative economy. In the beginning of September 2007 Hector Zamora organised a picnic and a permanent intervention to re-activate the space on the 'terril'. This Winterslag slag heap is the highest and most visible landmark in the city, and is situated near C-mine. During this picnic Zamora, together with those present, decided on the form and contents of the intervention and it was carried out straightaway.

Centraal in het werk van Lara Almarcegui staat de fascinatie voor ruimtes die ontsnappen aan de vormgeving van architecten of stadsplanners – de stedelijke ruimtelijke planning – zoals braakliggende terreinen, afbraakwoningen en ruïnes. Voor FLACC analyseerde Almarcegui een domein in Genk dat de komende jaren onaangeroerd zal blijven. Dit gebied zal - ook wanneer de meeste anderen allang opnieuw bebouwd zijn - een plek blijven toegankelijk voor de toeschouwer en waar verbeelding ruimte krijgt. Hier kan de natuur vrij haar gang gaan, enkel beïnvloed door wind, regen, zon, beplanting, spontaan gebruik en omliggende resten. Het laten bestaan van een lap grond waar geen ontwerp aan te pas is gekomen. Het project ‘Braakliggend terrein in Genk’ is het tweede in een reeks van protected braakliggende terreinen. Het eerste bevindt zich in de haven van Rotterdam.

Courtesy: Hector Zamorra

In juli 2007 resideerde Hector Zamora (1974, Mexico City, Mexico) in Genk. In tegenstelling tot de meeste projecten die FLACC opzet, is de kunstenaar geselecteerd om een duurzaam spoor in de stad na te laten. Zamora krijgt van FLACC en de stad Genk de opdracht toegewezen om een blijvende ingreep te voorzien aan C-mine. Het voormalige mijnterrein in Winterslag stond op dat moment in de steigers door de recente herbestemming als site voor cultuur, toerisme en creatieve economie.

LARA ALMARCEGUI

Hector Zamora — No titel

HECTOR ZAMORA

Central to the work of Lara Almarcegui is the fascination with spaces that escape the design of architects and urban planners - urban planning such as vacant lots, demolition and ruins. For FLACC Almarcegui analyzed a terrain in Genk that will remain untouched in the coming years . This area - even when most others have long been re-built - remains a place for imagination and accessible to the viewer. Here, nature's own way free, affected only by wind, rain, sun, plants, spontaneous use and surrounding residues. The existence of a piece of land to which no design has come to pass. The project ‘Braakliggend terrein in Genk' is the second in a series of preserved vacant lots. The first is located in the port of Rotterdam.


Symbiosen Een autonome kijk op hybride kunst Peter De Graeve

In hun grondige studie schetsen Camiel van Winkel, Pascal Gielen en Koos Zwaan het beeld van wat zij noemen ‘de hybride kunstenaar’.1 Het betreft, zoals de ondertitel aangeeft, een veldonderzoek in Nederland en Vlaanderen naar ‘de organisatie van de artistieke praktijk in het postindustriële tijdperk’.

106 — 107

© FLACC

Lara Almarcegui — A Wasteland

De auteurs vertrekken voor hun definitie van het eenvoudige typologische onderscheid dat Bureau en Shapiro maken tussen ‘polyvalente’ en ‘polyactieve’ kunstpraktijken (L’artiste pluriel, Villeneuve d’Ascq, 2009). Polyvalent kunstenaar is wie binnen zijn praktijk ook niet-artistieke taken vervult, zoals het verzorgen van de PR. Polyactief is degene die naast de kunstpraktijk andere beroepsbezigheden heeft, zoals bijklussen in een restaurant. Pluriactief is elke kunstenaar die verschillende kunstdisciplines combineert, bijv. webdesign naast beeldhouwkunst.2 Ten slotte is er het concept van de ‘hybride kunstenaar’ dat, voor alle duidelijkheid, niet door Bureau en Shapiro zelf, maar door Van Winkel, Gielen en Zwaan is geïntroduceerd. Hybride is de kunstenaar die beantwoordt aan twee eigenschappen: (1) het combineren van autonome en toegepaste kunst en (2) het niet ervaren of aanvaarden van een scheiding tussen autonome en toegepaste kunst. Drie eigenaardige aspecten kenmerken deze studie over artistieke hybridisering. Ten eerste slagen de auteurs er nooit in duidelijk te maken of en, zo ja, in welke mate een hybride kunstpraktijk afwijkt van de genoemde polyvalente, polyactieve en pluriactieve modellen. Uit de enquête in de Nederlandse en Vlaamse kunstwereld blijkt dat kunstenaars, eenmaal hierom gevraagd, hun ‘hybriditeit’ definiëren als een combinatie van de drie (kunst)-sociologische modellen.3 In die zin is hybriditeit veeleer een mengsel van activiteiten – of van ‘identiteiten’, zo je wil. (Een dergelijk ‘aggregaat’ lijkt ook te sporen met het begrip zelf van het hybride.) Toch weerhoudt dit de auteurs er niet van om vervolgens een typologie op te stellen, waarin de categorieën netjes van elkaar gescheiden worden, zodat hybriditeit uiteindelijk als een aparte en niet langer als een geaggregeerde identiteit verschijnt.4 Ten tweede wordt pas in een relatief laat stadium van het onderzoek een extra categorie toegevoegd, namelijk die van de ‘monolithische’ kunstenaar. Alles wijst erop dat de echte tegenstelling waarnaar de auteurs op zoek zijn gegaan, die is tussen de ‘hybride hedendaagse’ kunstenaar, die volop participeert aan de postfordistische samenleving, en deze ‘monolithische’ kunstenaar, die zijn kunstpraktijk er zoveel mogelijk van afschermt.5 Ten derde weerklinkt in de conclusie van de studie de oproep, om ervoor te zorgen dat wij (voor de kunst en de toekomstige kunstenaar) ‘het voortbestaan van een vrije creatieve tijdruimte [zouden] garanderen’. Die garantie past

Symbioses An independent view of hybrid art In their comprehensive study, Camiel van Winkel, Pascal Gielen and Koos Zwaan outline the image of what they call ‘the hybrid artist’.1 As the title indicates, the work concerns a field study in the Netherlands and Flanders on ‘the organisation of artistic practice in the post-industrial era’. Underlying the authors’ definition is the simple typological distinction drawn by Bureau and Shapiro between ‘polyvalent’ and ‘polyactive’ art practices (L’artiste pluriel, Villeneuve d’Ascq, 2009). Polyvalent artists also perform non-artistic tasks in their daily practice, such as PR activities. Polyactive artists engage in additional work activities independent of their artistic practice, such as moonlighting in a restaurant. Pluriactive artists combine different artistic disciplines, e.g. web design as well as sculpture.2 Finally, there is the ‘hybrid artist’, a term introduced not by Bureau and Shapiro themselves, but by Van Winkel, Gielen and Zwaan. Hybrid artists have two characteristics: (1) they combine autonomous and applied art, and (2) they do not experience or accept a distinction between autonomous and applied art. There are three separate points to be made about this study on artistic hybridisation. First, at no point do the authors clarify whether or to what extent a hybrid artistic practice differs from the abovementioned polyvalent, polyactive and pluriactive models. The survey among Dutch and Flemish artists reveals that they define their ‘hybridity’ as a combination of the three (art-) sociological models.3 In this sense, hybridity is rather a combination of activities – or of ‘identities’, if you will. (Such an ‘aggregate’ also seems to be inconsistent with the concept of the hybrid itself.) Nevertheless, the authors go on to establish a typology with neatly delimited categories, such that hybridity ultimately appears as a separate rather than an aggregated identity.4 Second, it is not until late in the work that an extra category is added, namely that of the ‘monolithic’ artist. It seems that the real dichotomy that the authors seek is that between ‘hybrid contemporary’ artists, who participate fully in the post-Fordist society, and ‘monolithic’ artists, who shield their artistic practice from it as far as possible.5 Third, the conclusion to the study echoes the call to ensure that, for art and for the future artist, we ‘shall guarantee the survival of a free, creative space’. This guarantee, again, aligns with the pursuit of ‘protection of an autonomous artistic space’.6 This call for restoration of the autonomous artistic space sounds authentic. It is reminiscent of Schiller’s early modern theory of aesthetic autonomy: Freiheit in der Erscheinung (‘Freedom in Appearance’) and Autonomie in der Erscheinung (‘Autonomy

dan weer in een streven naar ‘bescherming van een autonome artistieke tijdruimte’.6 Het pleidooi voor een herstel van de autonome artistieke tijdruimte klinkt authentiek. Je kunt hierin zelfs een echo van de vroegmoderne schilleriaanse theorie van de esthetische autonomie herkennen (‘Freiheit in der Erscheinung’, ‘Autonomie in der Erscheinung’). In dit opzicht vind ik hun appel niet alleen charmant, maar zelfs fundamenteel en noodzakelijk.7 Alleen valt het nauwelijks te rijmen met de definitie van de hybride kunstenaar, waar immers de opheffing van de grens tussen autonome en toegepaste kunst centraal staat, waar met andere woorden de gewenste autonomie bij voorbaat en van binnenuit is uitgehold. Die spanning heeft te maken met het feit dat het concept van de hybride kunstenaar nauwelijks enige wetenschappelijke of filosofische relevantie heeft. ‘Hybridisering’ is veeleer een ordewoord uit het hedendaagse activisme dan de beschrijving van een artistieke realiteit. In die zin is de hybride kunstenaar dan ook de eerste artistieke mythe van de eenentwintigste eeuw. Hij is overal en nergens. Hij is polyvalent, polyactief en pluriactief. En in zijn echt vrije tijd – dat wil zeggen: in de schaarse momenten dat hij offline is en even uitrust van de voortdurende ‘netwerking’, ‘deskilling’ en ‘multisociale inzetbaarheid’ –, kun je hem zelfs monoliet noemen. Hij is alles en niets. Zonder het met zoveel woorden te zeggen (er wordt alleen in de bibliografie melding van gemaakt) leunen de auteurs in hun terminologie en ideologie nauw aan bij het gekende boek van Hardt en Negri, Empire.8 In dat boek wordt, zoals bekend, de doorbraak van het ‘postfordistische tijdperk’ beschreven, met de komst van een postmodernistische en postkolonialistische wereld, en van postindustriële (Hardt en Negri spreken zelf liever van een ‘transnationale, informatie-industriële’) economieën. Dit postfordisme, postkolonialisme en postindustrialisme vatten Negri en Hardt samen onder de noemer ‘imperiale soevereiniteit’, waarmee een nieuw globaal paradigma wordt geïntroduceerd in de overgang van modernisme naar postmodernisme.9 Zoals blijkt uit de gehanteerde terminologie is de genoemde studie over de hybride kunstenaar op het raamwerk van Empire gestoeld. (Ook het hele hoofdstuk over ‘theorie’ kan gelezen worden als de uitdieping van het fenomeen postfordisme in de hedendaagse kunst.) De hybride kunstenaar is dan ook een epifenomeen van dit postfordisme. Hij bevindt zich op de frontlinie van de postindustriële samenleving, en wordt niet voor niets ‘wellicht een goede barometer voor postfordistische werk- en leefstrategieën’ genoemd.10

in Appearance’). In this regard, I find their appeal not just charming, but in fact fundamental and necessary.7 Still, it is difficult to reconcile with the definition of the hybrid artist which, after all, gives precedence to breaking down the barrier between autonomous and applied art, where the desired autonomy is derived, in other words, in advance and from the inside out. This tension relates to the fact that the concept of the hybrid artist has little scholarly or philosophical relevance. ‘Hybridisation’ is more a slogan of contemporary activism than the description of an artistic reality. In this sense, the hybrid artist is also the first artistic myth of the 21st century. He is everywhere and nowhere. He is polyvalent, polyactive and pluriactive. And in his real free time – that is, in those rare moments when he is offline and taking a break from the constant ‘networking’, ‘deskilling’ and ‘multisocial availability’ – you could even call him monolithic. He is everything and nothing. In their terminology and ideology, the authors tend closely towards Hardt and Negri’s seminal work, Empire,8 though mention of this is only made in the bibliography. This book, as is widely known, describes the breakthrough of the ‘post-Fordist era’ with the advent of a postmodern and postcolonial world, and of post-industrial economies (though the authors themselves prefer to speak of ‘transnational, information-industrial’ economies). Hardt and Negri subsume this post-Fordism, postcolonialism and post-industrialism together under the term ‘imperial sovereignty’, which introduces a new global paradigm in the transition from modernism to postmodernism.9 As evidenced by the terminology used, Van Winkel, Gielen and Zwaan’s study on the hybrid artist is based on the framework of Empire. (The entire chapter on ‘theory’, too, can be read as the extension of the phenomenon of post-Fordism in contemporary art.) The hybrid artist is then also an epiphenomenon of this post-Fordism. He is at the front line of the postindustrial society, and is called ‘a good barometer for post-Fordist work and life strategies’ for good reason.10


SYMBIOSEN - Een autonome kijk op hybride kunst

108 — 109

Maar met het begrip ‘hybriditeit’ hebben Negri en Hardt een filosofisch monster gecreëerd. Over het postfordistische regime beweren ze: ‘een reeks distincties [markeert] de conceptuele overgang van moderne naar imperiale soevereiniteit: van volk naar massa, van dialectische oppositie naar beheer van hybride zijnsvormen, van de plaats van moderne soevereiniteit naar de non-plaats van het Empire, van crisis naar corruptie.’11 Binnen die distincties wordt de hybriditeit zelf als volgt gedefinieerd: ‘Hybriditeit op zich is een gerealiseerde differentiepolitiek,waarbij verschillen worden ingezet om grenzen te tarten. Dit is waar het postkoloniale en het postmoderne elkaar het sterkst tegenkomen: in de gezamenlijke aanval op de dialectiek van moderne soevereiniteit en de voorstelling van bevrijding als een politiek van de differentie.’12 En verder: ‘Mobiliteit en hybriditeit zijn niet bevrijdend, maar controle hebben over de productie van mobiliteit en stilstand, van zuiverheden en vermengingen is dat wel. De werkelijke waarheidscommissies van het Empire zullen constituerende vergaderingen van de massa zijn, maatschappelijke fabrieken voor de productie van waarheid.’13 En waar Negri en Hardt de ‘hybride constitutie’ (ofwel de kracht van maatschappelijke transformatie, uitgaand van de hybridisering) beschrijven, lezen we eerst: ‘We kunnen ons deze eerste transformatie-as dus voorstellen als een overgang van een gemengde constitutie naar een hybride constitutie. (…) Hier vinden we opnieuw de non-plaats van macht die we eerder in onze analyse van soevereiniteit onthulden. De non-plaats is de plaats waar de hybride controlefuncties van het Empire worden uitgeoefend. (…) Onze problematiek (…) is nu doordrongen van de volle intensiteit van de bij deze overgang naar de postmoderniteit betrokken verplaatsingen, aanpassingen en hybridiseringen.’14 En uiteindelijk: ‘Deze breuk, en alleen deze breuk, brengt ons op het ontologische terrein van de massa en op het terrein waarop circulatie en hybridisering biopolitiek zijn. (…) Biomacht – een grens van de hybridisering van het natuurlijke en het kunstmatige, van behoeften en machines, van verlangen en de collectieve organisatie van het economische en het maatschappelijke – moet zichzelf voortdurend regenereren om te kunnen bestaan.’15 Het concept van de hybridisering beschrijft dus zowel een reële situatie, ‘onze postfordistische wereld’, als een ideale transformatie, ‘de machtsgreep van een postkoloniale en postmoderne massa’, die vanuit haar hybride subjectiviteit een einde moet stellen aan het ‘autonome, essentialistische en soevereine individu’. Het hybride is dus realiteit en fictie tegelijk. Eenvoudig gezegd: het is een fictieve realiteit, en dus een mythe. Tegelijk oproepen tot een terugkeer naar autonome kunst en

But with the term ‘hybridity’, Hardt and Negri have created a philosophical monster. With respect to the post-Fordist regime they assert that ‘a series of distinctions … conceptually mark the passage from modern to imperial sovereignty: from the people to the multitude, from dialectical opposition to the management of hybridities, from the place of modern sovereignty to the non-place of Empire, from crisis to corruption.11 Within these distinctions, hybridity itself is defined as follows: ‘Hybridity itself is a realized politics of difference, setting differences to play across boundaries. This is where the postcolonial and the postmodern most powerfully meet: in the united attack on the dialectics of modern sovereignty and the proposition of liberation as a politics of difference.12 Further: ‘Mobility and hybridity are not liberatory, but taking control of the production of mobility and stasis, purities and mixtures is. The real truth commissions of Empire will be constituent assemblies of the multitude, social factories for the productions of Europe.13 And where Hardt and Negri describe the ‘hybrid constitution’ (or the power of societal transformation, based on this hybridisation), we first read: ‘We might thus pose this first axis of transformation as a passage from mixed constitution to hybrid constitution. (…) Here we find once again the non-place of power that our analysis of sovereignty revealed earlier. The non-place is the site where the hybrid control functions of the Empire are exercised. (…) Our problematic (…) is [now] infused with the full intensity of the displacements, modulations, and hybridizations involved in the passage to modernity.14 And finally: ‘This rupture, and only this rupture, brings us to the ontological terrain of the multitude and to the terrain on which circulation and hybridization are biopolitical. (…) Biopower – a horizon of the hybridization of the natural and the artificial, needs and machines, desire and the collective organization of the economic and the social – must continually regenerate itself in order to exist.15 The concept of hybridisation thus describes both a real situation, ‘our post-Fordist world’, as an ideal transformation, ‘the seizure of power of a postcolonial and postmodern multitude’, which due to its hybrid subjectivity must put an end to the ‘autonomous, essentialist and sovereign individual’. The hybrid is therefore reality and fiction at once. Simply put, it is a fictional reality, and thus a myth. At the same time, calls for a return to autonomous art and strict adherence to the hybridity mythology lead to inextricable contradictions and absurdities. This is why Van Winkel, Gielen and Zwaan’s ‘hybrid artist’ in fact describes a modern-day myth (as stated, the first artistic myth of the 21st century). Today, the real distinction is between the ideal of autonomous

de hybriditeitsmythologie aanhangen leiden tot onontwarbare tegenstrijdigheden en absurditeiten. Dat is de reden waarom Van Winkel, Gielen en Zwaan met de ‘hybride kunstenaar’ een hedendaagse mythe hebben beschreven (zoals gezegd, de eerste artistieke mythe van de eenentwintigste eeuw). Vandaag situeert de reële tegenstelling zich tussen enerzijds het ideaal van een autonome kunst – zoals bijv. een Schiller haar zag – en anderzijds onze reële kunstpraktijken die in sneltempo de ‘toegepaste’ ruimten worden van een door technologie, informatisering en biogenetica gedreven wetenschap. Dit soort verwetenschappelijking creëert geen ‘hybride’ maar een ‘symbiotische’ kunst (zoals ze geen ‘massa’, maar veeleer ‘amorfe wereldpopulaties’ creëert). De symbiotische kunst is per definitie niet autonoom. Ze is, in Schillers taal, een non-kunst. Elke idealisatie van de autonome kunst is een verzet tegen die non-kunst. Ze bevat – in en dankzij de idealisering, die ze vergt en vormgeeft – een afwijzing van de niet-creatieve symbiosen die vandaag artistieke mainstream zijn geworden. Ze is – in en dankzij het vasthouden aan een kunstideaal – de ontkenning zelf van de mythe van de hybriditeit. Peter De Graeve, filosoof en decaan aan de faculteit Architectuur en Kunsten, associatie KU Leuven 1. C. van Winkel, P. Gielen en K. Zwaan, De hybride kunstenaar. De organisatie van de artistieke praktijk in het postindustriële tijdperk, Expertisecentrum Kunst en Vormgeving, AKV|St.Joost (Avans Hogeschool), 2012. (Zie ook: http://lectoratenakvstjoost.com/2012/03/08/lbk-onderzoeksrapport-de-hybride-kunstenaar/) 2. De hybride kunstenaar, blz. 9 3. De hybride kunstenaar, blz. 58-61. 4. De hybride kunstenaar, blz. 60. 5. De hybride kunstenaar, blz. 65. 6. De hybride kunstenaar, blz. 78-79. 7. Zie hiervoor Fr. Beiser, Schiller as Philosopher, A Re-Examination, Clarendon Press, Oxford, 2005, blz. 204-212. 8. Michael Hardt & Antonio Negri, Empire, Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts / Londen, Engeland, 2000. (Hier geciteerd in de vertaling: Empire, Van Gennep, Amsterdam, 2002.) 9. Empire, blz. 146. [2000, blz. 137.] 10. De hybride kunstenaar, blz. 69. 11. Empire, blz. 207. 12. Empire, blz. 154. 13. Empire, blz. 164. 14 Empire, blz. 318-319. 15. Empire, blz. 361, 384.

art on the one hand – as Schiller saw it, for example – and our actual artistic practices on the other, which are rapidly becoming ‘applied’ areas of science driven by technology, informatisation and biogenetics. This type of academisation creates not a ‘hybrid’ but rather a ‘symbiotic’ art (just as it creates not ‘multitudes’ but rather ‘amorphous world populations’). By definition, symbiotic art is not autonomous. It is, in the language of Schiller, a non-art. Every idealisation of autonomous art is a revolt against this non-art. It involves – in and thanks to the idealisation, which it both needs and shapes – a rejection of the non-creative symbioses that have today become the artistic mainstream. It is – in and thanks to adherence to an artistic ideal – the very denial of the myth of hybridity. Peter De Graeve, philosopher and dean at the faculty Architecture and Arts, associated with KU Leuven


KUNSTWERK[T], 2009, Toonmoment in FLACC, 2009 © Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

Matchbox is een tentoonstelling op wielen op initiatief van vzw KUNSTWERK[t] die in de zomer van 2009 van start ging in Limburg in Z33. In de eerste editie stond de ontmoeting tussen een professionele en een niet-professionele kunstenaar centraal. Er werd telkens werk van twee kunstenaars getoond, twee kunstenaars waartussen een zekere 'match' bestaat. Jan Boelen, artistiek directeur Z33, en Ronald Van de Sompel, voormalig artistiek directeur FLACC, selecteerden de kunstenaars. In augustus werden de werken die Fia Cielen & Cathérine Petré en Samira El Khadraoui & Saskia Oosterlynck in het kader van dit project maakten, getoond in FLACC.

Matchbox in Limburg

KUNSTWERK[T], 2009 Matchbox met Fia Cielen en Cathérine Petré © Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

Matchbox in Limburg Matchbox in Limburg

KUNSTWERK[T], 2009 Matchbox met Fia Cielen en Cathérine Petré © Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

Matchbox in Limburg

KUNSTWERK[T], 2009 — © Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

KUNSTWERK[T], 2009 — © Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

Matchbox in Limburg

110 — 111

MATCHBOX An initiative of the non-profit organisation KUNSTWERK[t], Matchbox is an exhibition on wheels first launched in Z33 in Limburg in the summer of 2009. The first exhibition revolved around the meeting between a professional and a non-professional artist. Work by two artists, between whom there is some form of ‘match’, is always shown. The artists were selected by Jan Boelen, the artistic director of Z33, and Ronald Van de Sompel, the former artistic director of FLACC. Works created by Fia Cielen & Cathérine Petré and Samira El Khadraoui & Saskia Oosterlynck for this project were exhibited in FLACC in August.


ARTISIT — atelierwerking outsider art De zin van waanzin

KUNSTWERK[T], 2009, Toonmoment in FLACC, 2009 © Christophe Ketels i.o.v. Kunst in Limburg

Broedplaats en vertegenwoordiger van beeldend werk De atelierwerking vormt de ruggengraat van ARTISIT. Het atelier is nu eenmaal de broedplaats voor beeldend werk. Daarnaast kunnen de atelierkunstenaars bij ARTISIT onderling ervaringen uitwisselen, overleggen over artistieke beslissingen, sociale contacten onderhouden en begeleiding krijgen van professionele kunstenaars. Zo organiseert ARTISIT inspirerende ateliergesprekken met toonaangevende kunstenaars als o.a. Luc Tuymans, Jon Thompson, Ronny Delrue, Jarg Geismar, Fred Eerdekens en Koen Vanmechelen. In het verlengde van deze atelierwerking treedt ARTISIT op als artistiek consulent, voor specifieke begeleiding in die aspecten van het kunstmetier waarin kunstbeoefenaars met een belastende psychische achtergrond vaak tekortschieten, zoals het voorstellen van een portfolio aan galeriehouders, curatoren en museumdirecteurs. Dit is nefast in een kunstwereld waar persoonlijke mythologie en imago vaak belangrijker zijn dan de productie zelf. Daarom vertegenwoordigt ARTISIT zijn kunstenaars actief bij alle sleutelfiguren op de actuele kunstscène. Ook praktisch wordt bijgesprongen door portfolio’s met tekst- en beeldmateriaal te maken ter ondersteuning van het atelierwerk. Bovendien bouwt ARTISIT een netwerk uit met ateliers die vergelijkbare accenten leggen op artistieke kwaliteit en zich evenzeer positioneren buiten elke therapeutische context.

Psychologically vulnerable people often find it hard to present themselves, or their work, in a convincing manner. ARTISIT provides services in terms of management and art consulting to assist them in this task. The studio, founded in 2003 under the legal wings of the non-profit organisation Centrum Bruno Renson, has grown into a seven member artist collective. In addition, in recent years, more than twenty additional artists have come to vent their creativity in the ARTISIT studio. The original goal remains unchanged: help artists who find themselves forced to interrupt their creative work because of a psychiatric illness get back on track. ARTISIT provides workplace accommodation, workshops, studio discussions, exhibition prospects, and personal guidance to help artists find their way into the art world again. Breeding ground and representative organisation for visual arts The artist’s studio is the backbone of the ARTISIT operation. The studio is traditionally the breeding ground for the creation of art work. In addition, at ARTISIT, studio artists can exchange experiences, discuss artistic decisions, maintain social contacts and receive guidance from professional artists. In this way, ARTISIT organizes inspiring studio discussions with leading artists such as Luc Tuymans, Jon Thompson, Ronny Delrue, Jarg Geismar, Fred Eerdekens and Koen Vanmechelen. Aside from the studio operation, ARTISIT also acts as an artistic consultancy, providing specific guidance in those areas of the art business in which art practitioners with a psychiatric background often fall short, such as presenting a portfolio to gallery owners, curators, and museum directors. This is detrimental in an art world where personal mythology and image are often considered more important than the work itself. ARTISIT actively presents its artists to all the key figures in the contemporary art scene. In practical terms, portfolios with texts and images are realised to illustrate and contextualise the studio work. Moreover, ARTISIT actively forms part of a network of studios that position themselves outside of any therapeutic context and place similar emphasis on artistic quality.

Sociaal-artistieke groepstentoonstellingen Sinds 2004 verzorgt ARTISIT regelmatig opgemerkte groepstentoonstellingen en bijhorende publicaties. Het zijn samenwerkingsverbanden rond een thema, met centrale vragen naar de betekenis van outsiderkunstenaars en de houding van het cultuurbeleid tegenover sociaal-artistieke projecten. In de tentoonstelling ‘De Bibliotheek van Babel’ (2006) in het asielcentrum van Sint-Truiden fungeert de babylonische spraakverwarring als metafoor voor de niveaus waarop mensen uitgesloten worden. Zowel mensen van buiten de ‘burcht Europa’, als personen met een psychiatrisch verleden, vallen maatschappelijk uit de boot. Vandaar dat de inclusiegedachte in de gehele werking de leidraad vormt. Eerder te Sint-Truiden vond het kunstproject ‘Waanwezigheden’ (2004) plaats met integratie van een tentoonstelling in de Begijnhofkerk, een debat in de Academiezaal en een podiumgebeuren (dans, poëzie en muziek). ‘De geparfumeerde tuin’ (2005) is dan weer een tentoonstelling over de poëtische kracht van seksualiteit met sculpturen, tekeningen, schilderijen en teksten. Ook bakermat Genk speelt een prominente rol in de ARTISIT-creaties, zoals in ‘Car City’ (2010). Het is een samenwerkingsinitiatief met Ford Genk, opgevat als een sociaal-artistiek onderzoek naar de impact van een autoproducerende multinational op de concrete levenssfeer van zij die hun brood verdienen aan de lopende band. Dit jaar stelt het ARTISIT-collectief grafisch werk, installaties en schilderwerken tentoon in de Mechelse Galerie Duende onder de noemer ‘Tijd/tijdloos’. ARTISIT profileert zich tevens internationaal door uitwisselingsprojecten in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken. Het ARTISIT-collectief Gaston Wuestenbergs, Marcel Hoeben, Jos Holtappels René Lipkens, Marie-Ange Vanheusden, Kristien Vansummeren, Angélique Vantuykom www.artisit.be

artist talk Luc Tuymans, 2006 — © ARTISIT

ARTISIT

112 — 113

Matchbox in Limburg

Psychisch kwetsbare personen verkopen zich zelden overtuigend. ARTISIT beweegt zich daarom op het niveau van management en kunstconsultancy. Het atelier, opgericht in 2003 onder de juridische vleugels van de vzw Centrum Bruno Renson, is inmiddels uitgegroeid tot een zevenkoppig kunstenaarscollectief. Daarnaast hebben de afgelopen jaren ruim twintig extra kunstenaars hun creativiteit botgevierd in atelier ARTISIT. De oorspronkelijke doelstelling blijft ongewijzigd: kunstenaars, die hun creatief werk hebben moeten onderbreken vanwege een psychiatrische opname, de mogelijkheid bieden om de artistieke band terug op te nemen. Met werkplaatsaccommodatie, workshops en ateliergesprekken, tentoonstellingsvooruitzichten en persoonlijke begeleiding biedt ARTISIT ondersteuning om de weg te vinden in de kunstwereld.

ARTISIT - studio outsider art The sense of madness Psychosis loosens creative desires and stimulates artistic imagination. This is what Plato and Aristotle teach us in antiquity. And this is what psychoanalysts teach us today. In the twentieth century, outsider art has become a defining term. But the curse of marginality weighs upon the outsider artist. The Limburg-based ARTISIT fundamentally questions this form of segregation. ARTISIT stimulates the discourse on this very issue, but aims mainly to let the quality of artwork speak for itself, and break down the barriers between outsider art and the professional art circuit.

artist talk Jarg Geismar, 2006 — © ARTISIT

Psychose maakt creatieve verlangens los en prikkelt artistieke verbeelding. Dat leren ons Plato en Aristoteles in de oudheid. En dat leren ons de psychoanalytici vandaag. Outsider art is in de twintigste eeuw een begrip geworden. Maar op de outsiderkunstenaar zelf weegt de banvloek van marginaliteit. Het Limburgse ARTISIT stelt die apartheid fundamenteel in vraag. ARTISIT wakkert het discours daarrond aan, maar wil dit vooral bewijzen door de kwaliteit van kunstwerken. Het is de bedoeling de muur tussen outsider art en het professionele kunstcircuit te slopen.

Social artistic group exhibitions Since 2004, ARTISIT frequently realises notable group exhibitions and accompanying publications. These are collaborative projects based on particular themes that concern issues that relate to the position of outsider artists and existing cultural attitudes towards socioartistic projects. In the exhibition ‘De bibliotheek van Babel’ (The Library of Babel) (2006) held at the refugee centre of Sint-Truiden, the Babylonian confusion of tongues served as a metaphor for the different levels at which people are excluded. Both people from outside of “fortress Europe”, and people with a psychiatric history, are socially excluded. This is why the idea of inclusion is used as a guideline throughout the entire operation. Earlier, also in Sint-Truiden, we presented the art project ‘Waanwezigheden’ (2004) which integrated an exhibition at the Beguinage Church, a debate in the Academy Hall and a stage event (dance, poetry and music). ‘De geparfumeerde tuin’ (The Perfumed Garden) (2005) in turn, was an exhibition about the poetic power of sexuality that included sculptures, drawings, paintings and texts. Our hometown of Genk plays a prominent role in the ARTISIT creations as well, as evidenced for instance in the ‘Car City’ (2010) project. It is a collaborative initiative with Ford Genk, conceived as a socio-artistic research project that investigates the impact of a multinational car producer on the actual lives of those who earn a living on the assembly line. This year, the ARTISIT collective exhibits graphic works, installations and paintings in the Mechelen Duende Gallery under the title ‘Time/timeless’. ARTISIT also developed a strong international profile through exchange projects in the United Kingdom and Denmark. The ARTISIT-collective Gaston Wuestenbergs, Marcel Hoeben , Jos Holtappels, René Lipkens, Marie-Ange Vanheusden Kristien Vansummeren, Angélique Vantuykom

www.artisit.be


project Car City Genk, 2010 — © Geert Driessen i.o.v. Kunst in Limburg

The ARTISIT-creation 'Car City' (2010) is a collaborative initiative with Ford Genk, conceived as a socioartistic research project that investigates the impact of a multinational car producer on the actual lives of those who earn a living on the assembly line.

ARTISIT

114 — 115

project Car City Genk, 2010 © Geert Driessen i.o.v. Kunst in Limburg

project Car City Genk, 2010 — © Geert Driessen i.o.v. Kunst in Limburg

project Car City Genk, 2010 — © ARTISIT

project Car City Genk, 2010 — © ARTISIT

De ARTISIT-creatie ‘Car City’ (2010) is een samenwerkingsinitiatief met Ford Genk, opgevat als een sociaal-artistiek onderzoek naar de impact van een autoproducerende multinational op de concrete levenssfeer van zij die hun brood verdienen aan de lopende band.

Kunstenaar ARTISIT © JGeert Driessen i.o.v. Kunst in Limburg

Jos Holtappels

ARTISIT — CAR CITY


project Enter Brugge, 2010 — © ARTISIT

project Car City Genk, 2010 — © Geert Driessen i.o.v. Kunst in Limburg

116 — 117

project Bibliotheek van Babel, Sint Truiden,2006 — © ARTISIT


GASTON WUESTENBERGS - ecologische mistoestanden Gaston Wuestenbergs werkt onafgebroken verder aan zijn oeuvre, bestaande uit een type ‘kunstenaarsboeken’ waarin hij zijn natuurobservaties weergeeft en inhoudelijke commentaar levert op de ecologische mistoestanden die hij waarneemt in de manier waarop de samenleving haar natuurlijke omgeving verwaarloost. Dan Holsbeek

ecological wrongs Gaston Wuestenbergs continuously keeps working on his own body of work, which consists of a type of 'artists' books' in which he records his observations of nature and writes down substantive comments on the environmental wrongs he perceives in the way society neglects its natural environment.

ARTISIT

project Mystieke Stemmen Genk, 2011 — © ARTISIT

GASTON WUESTENBERGS — Installatie, 2011

118 — 119

project Enter Brugge, 2010 — © ARTISIT

Dan Holsbeek


HASSELT

LIMBURGSE STEDEN ALS PRESENTATIEPLEK VOOR BEELDENDE KUNST

The visual arts form an integral part of the activities of the Hasselt cultural centre. Every season the centre organises five projects, each with three exhibitions. The focus is on Belgian artists post-1945, from all possible artistic disciplines. To this end we have different exhibition spaces, one of which is permanently used to display photography. We also organise educational exhibitions and workshops for children and young people.

Tentoonstelling: Pêle-Mêle Guy Bleus® – 42.292 — © cultuurcentrum Hasselt, 2010

Tentoonstelling: Manoeuvres © cultuurcentrum Hasselt, 2010

Guy Bleus — Installatie Pray for the Holy Administration, 1994

Tentoonstelling: Pêle-Mêle Guy Bleus® – 42.292 — © cultuurcentrum Hasselt, 2010

Fred Boffin

Fernand Haerden and Eef Proesmans

Groepstentoonstelling: Hommage aan de Monochromie © cultuurcentrum Hasselt, 2010

project Nostalgia Genk, 2009 — © ARTISIT

De beeldende kunsten maken volwaardig deel uit van de werking van het cultuurcentrum Hasselt. Ieder seizoen organiseert cultuurcentrum Hasselt een vijftal projecten met elk een drietal tentoonstellingen. De focus ligt op Belgische kunstenaars van na 1945, uit alle mogelijke kunstdisciplines. Hiervoor beschikt het over verschillende tentoonstellingsruimten. Eén van de ruimten is permanent voorbehouden voor het medium ‘fotografie’. Ook organiseren we educatieve tentoonstellingen en workshops voor kinderen en jongeren.

Guy Bleus

120 — 121

JOHAN VAN GELUWE — Installatie

Fernand Haerden en Eef Proesmans

The visual arts policy in the Province of Limburg is pursued by a number of important stakeholders. In addition to Z33, CIAP, FLACC, MAD-Faculty and a handful of private galleries, it is chiefly the culture centres of Hasselt, Genk, Sint-Truiden, Tongeren and Maasmechelen that provide most structural support to visual art. Cultuurcentrum Hasselt, for instance, has for years profiled the work of national and regional visual artists and photographers and also houses the Kunst in Huis (Art in House) loan service. Cultuurcentrum C-mine Genk makes grateful use of its greater exhibition possibilities at the C-minesite and the permanent presence of Studio Pieter Stockmans; and exhibits both national and regional visual art and design talent. CC De Bogaard Sint-Truiden focuses on the presentation of chiefly Limburg-based artists and the organisation of profiled projects in open-air (see ‘Het Dorp/Le Village’ of Gert Robijns). De Velinx Tongeren focuses chiefly on young talent in visual art and photography (see ‘De jongens van de buurt’). And finally, CC Maasmechelen operates from the periphery and for more than 30 years has pursued a clearly structured art policy with regional embedding.

Karel De Meester

Het beeldende kunstenbeleid in de provincie Limburg wordt door een aantal belangrijke actoren gevoerd. Naast Z33, CIAP, FLACC, MAD-Faculty en een beperkt aantal privé-galeries besteden vooral de cultuurcentra van Hasselt, Genk, SintTruiden, Tongeren en Maasmechelen structurele aandacht aan beeldende kunst. Zo profileert cultuurcentrum Hasselt zich al jaren met werk van nationale en regionale beeldend kunstenaars en fotografen en huisvest het tevens de uitleendienst Kunst in Huis. C-mine Genk maakt dankbaar gebruik van zijn grotere tentoonstellingsmogelijkheden op de C-minesite en de permanente aanwezigheid van Studio Pieter Stockmans en stelt daarbij zowel nationale en regionale beeldende kunst als designtalent tentoon. CC De Bogaard Sint-Truiden legt de nadruk op de presentatie van voornamelijk Limburgse kunstenaars en het opzetten van geprofileerde projecten in openlucht (zie ‘Het Dorp/ Le Village’ van Gert Robijns). De Velinx Tongeren besteedt veel aandacht aan jong talent in beeldende kunst en fotografie (cfr. ‘De jongens van de buurt’). CC Maasmechelen ten slotte opereert vanuit de periferie.


Tentoonstelling: Pêle-Mêle Guy Bleus® – 42.292 — © cultuurcentrum Hasselt, 2010

www.mailart.be Dan Holsbeek

Kortrijk, Broeltoren, 1992 — © Guy Bleus

Groepstentoonstelling: Liefde voor het Boek — curator Ludo Raskin © cultuurcentrum Hasselt, 2010

Guy Bleus

Groepstentoonstelling: Hommage aan de Monochromie © cultuurcentrum Hasselt, 2010

Tentoonstelling: De verborgen schatten — © cultuurcentrum Hasselt, 2010

Het exploreren van communicatie en overeenkomstige kwaliteiten van kunst loopt als een rode draad door het oeuvre van Guy Bleus. Het is een voor deze kunstenaar onvermijdelijke zoektocht die leidde naar engagementen in uiteenlopende werelden: performance art, mail art, graffiti art, alsook van collage en installatie. In België mag hij zonder twijfel worden bestempeld als de pionier aangaande geurkunst. Het zwaartepunt en de betekenis van zijn omvangrijk en afwisselend werk zijn echter gelegen in de mail art. Deze bood hem niet alleen de opportuniteit om de alom tegenwoordige bureaucratie te hekelen, maar ook om een internationaal gereputeerd archief aan te leggen 'T.A.C.-42.292'. Hiermee benadrukte hij de onvermijdelijke relatie tussen mensen en maatschappelijke nummers en cijfers.

Guy Bleus — Geurinstallatie, 1992

122 — 123

CC HASSELT

Yvan Theys

GUY BLEUS The exploration of communication and the corresponding qualities of art are like a thread through Guy Bleus' oeuvre. It is an inevitable search for this artist which has led to commissions in diverse worlds: performance art, mail art, graffiti art, collage and installation. In Belgium, he can, without a doubt, be considered a pioneer in scent art. The focus and the significance of his sizeable and varying work lie in mail art though. This not only gave him the opportunity to criticise the omnipresent bureaucracy but also to collect an internationally renowned archive "T.A.C.-42,292". In doing so he underlines the inevitable relationship between people and social numbers and figures. www.mailart.be Dan Holsbeek


MAASMECHELEN

124 — 125

enrichment with further national and international artistic potentiality. Fernand Haerden and Eef Proesmans

Fernand Haerden en Eef Proesmans

© Bart Slangen

Bart Slangen — Iceland

CC Maasmechelen zal de aandacht voor beeldende kunsten verder uitwerken, diversifiëren en profileren. Vanuit de noodzaak tot en het gebrek aan creatie- en presentatieplekken in de ruimere regio en aansluitend bij de algemene artistieke werking van het cultuurcentrum, wil CC Maasmechelen een inhoudelijke vrijplaats zijn voor de beeldend kunstenaar en zijn werk. Het centrum zet hierbij in op discursieve omkadering, een kwalitatieve en gevarieerde keuze van projecten en kunstenaars, en het scheppen van een dynamisch en uitdagend inhoudelijk klimaat voor de presentatie en creatie van beeldende kunst. Een prikkelende presentatiecontext die beantwoordt aan de behoefte om zich nationaal te oriënteren en te positioneren, heeft intussen effectief vorm gekregen in de structurele samenwerking met

1995 and 1998 were memorable benchmarks because of two theme exhibitions, respectively ‘Mijntekens’ and ‘Water/Stof’, where, very explicitly, the link was made to the surrounding area, the changing industrial landscape, the border country position and the cream of the Belgian Limburg art scene was invited to join forces with Dutch Limburg artists to achieve these themes in different locations. No servitude, but reflection on the individuality of the Maasland resulted in the ‘Carne Vale’ project in 2000, when photographer Dominique Van Huffel not only showed the ambiguity of carnival in the cultural centre itself, but also extra muros. Thus confirming the regional embedding. CC Maasmechelen will further develop, diversify and profile the support for visual arts. Based on the need to find, and the lack of, creation and exhibition spaces in the wider region and following the general artistic operation of the cultural centre, CC Maasmechelen wants to be a sanctuary in terms of content for the graphic artist and his/her work. The centre is investing on a discursive framework, a qualitative and varied choice of projects and artists, and the creation of a dynamic and provocative climate in terms of content for the presentation and creation of visual arts. A scintillating presentation context which meets the need for national orientation and positioning has been effectively shaped in the structural co-operation with the ‘Het Domein’ museum in Sittard (the Netherlands), which guarantees a permanent but varying presence of renowned contemporary art on a loan basis. This permanent cross-border collaboration means an international quality collection can be drawn from, representing both young and renowned talents, and will also encourage other visual artists to exhibit their work in Maasmechelen. The limitation of a peripheral location is converted into an unmistakeable

het museum ‘Het Domein’ uit Sittard (Nederland), dat garant staat voor een permanente maar wisselende aanwezigheid van befaamde hedendaagse kunst op uitleenbasis. Met deze samenwerking wordt niet alleen blijvend grensoverstijgend gewerkt, maar kan ook geput worden uit een collectie van internationaal niveau, die tegelijk jonge en gerenommeerde talenten vertegenwoordigt, en die ook andere beeldend kunstenaars artistiek zal aansporen om werk in Maasmechelen te presenteren. De beperking van een perifere ligging wordt dan omgebogen tot een onmiskenbare verrijking met verdere nationale en internationale artistieke potentialiteit.

© Bert Wevers

Zo werden 1995 en 1998 memorabele ijkmomenten omwille van twee thematische tentoonstellingen, respectievelijk ‘Mijntekens’ en ‘Water/Stof’, waarbij heel uitdrukkelijk de link gelegd werd met de omgeving, het veranderde industriële landschap, de grenslandpositie en waarbij het kruim van de Belgisch Limburgse kunstscene uitgenodigd werd om samen met Nederlands Limburgse kunstenaars deze thema’s te verwerkelijken op diverse locaties. Geen dienstbaarheid aan maar reflectie over de eigenheid van het Maasland leidde in 2000 tot het project ‘Carne Vale’, waarbij fotograaf Dominique Van Huffel niet alleen in het cultuurcentrum zelf, maar ook extra muros de ambiguïteit van carnaval in scène zette. De regionale inbedding is hiermee bevestigd.

At the basis of the structural support for visual art by CC Maasmechelen is always the positioning of the double assignment: on the one hand public functioning in a wider local context and going for public participation and community formation and, on the other hand, offering the Maasland area a forum for modern visual art which exceeds the local community in order to contribute regionally and nationally to a climate for the presentation and creation of visual arts. This tension between general assignment and specific desire is reflected in complete commercial freedom, the opportunity therefore to remain outside the market and to guarantee the artist absolute artistic freedom. The consideration that the cultural centre, because of its freedom, is the best place for an artist to keep his/ her integrity intact, has meant that CC Maasmechelen has always been an ideal presentation and creation location for visual artists, a place of recollection, reflection and critical questioning. The periphery has been used as a strength and social connotation as a reference.

Bert Wevers — zonder titel

Aan de basis van de structurele aandacht voor beeldende kunst door CC Maasmechelen ligt telkens de situering van de dubbele opdracht: enerzijds publiek functioneren in een brede lokale context en inzetten op publieksparticipatie, gemeenschapsvorming in de omgeving van het Maasland, anderzijds een forum bieden aan hedendaagse beeldende kunst die het lokale overstijgt, om zo regionaal en nationaal bij te dragen tot een gunstig klimaat voor de presentatie en creatie van beeldende kunst. Deze spanning tussen algemene opdracht en specifieke betrachting vindt haar ontlading in een complete commerciële ongebondenheid, de mogelijkheid dus om buiten de marktbeweging te blijven en de kunstenaar volstrekte artistieke vrijheid te garanderen. De overweging dat het cultuurcentrum, net omwille van zijn ongebondenheid, een plaats is waar de kunstenaar zijn integriteit het best kan bewaren, heeft ervoor gezorgd dat CC Maasmechelen voor beeldend kunstenaars steeds een presentatie- en creatieplek bij uitstek is geweest. Een plek van herinnering, bezinning en kritische bevraging die de periferie als troef en sociale connotatie als referentie heeft uitgespeeld.


Honoré d’O is één van onze belangrijkste installatie- en videokunstenaars die in binnen- en buitenland actief is. Hoewel hij internationale faam geniet, kiest de kunstenaar, die de wereld als werkplek heeft, ervoor om regelmatig in cultuurcentra tentoon te stellen. Zo zal hij in 2012 werk creëren voor CC Maasmechelen. Wat drijft een kunstenaar met internationale faam om te presenteren en te creëren in een cultuurcentrum? Honoré d’O vertelt. São Paulo Biennale — © Honoré d’O

Honoré d’O — Carrrroussssellle éternelle (video still)

“Ik sta aan de kant waar de kunst moet gemaakt worden, niet waar ze de wereld moet veroveren of waar ze de maatschappij moet dienen in meestal een kortetermijnbeleving. Plek en menselijke aanwezigheid zijn daarbij van absoluut, niet te relativeren belang. Het werk neemt het klimaat van de omgeving over en daarin oefenen mensen een immense invloed uit op het abstracte sprookje dat ik wil laten verbeelden. Als ik vergelijk met grotere projecten zoals momenteel in Sydney (Australië) of Seoul (Zuid-Korea), treft me vooral het persoonlijke contact dat ontstaat bij de creatie van werk op kleinere locaties (Wetteren, Deinze, Herzele, Maasmechelen). Als je de omgeving waarin je wandelt en werkt, “spiritueel kapitaal”, naar waarde weet te schatten, ben je gezegend door het lot. De uitdaging om steeds opnieuw je beste werk te maken – ongeacht de locatie – komt echter vanuit jezelf. Uiterlijke omstandigheden prikkelen je, je put energie uit de omgeving maar uiteindelijk blijf je voor jezelf de enige opdrachtgever die de lat hoger legt dan de private of publieke actoren.”

126 — 127

“Het vermogen van kunst om mensen aan te spreken, reikt verder dan het domein van de betrokkenen die zich in de materie bekwamen. Kunsthistorisch, maatschappelijk, etnisch of economisch, er zijn specialisaties genoeg. Je maakt enerzijds het beeld toegankelijk, je stopt er anderzijds de delicate verbanden in: ritmes en akkoorden, noem het contrapunt en fuga, gelaagdheden die alleen een toegewijd luisteraar hoort. Ik hou ervan de zuiver oerklassieke wetmatigheden van het beeld toe te passen in een nieuwe verschijningsvorm die verrast. Zonder het conventionele kaderwerk rond een cultuurproduct blijven toeschouwers zonder ontdekkingszin of gevoel voor avontuur makkelijk 'in de kou staan'.” “Meestal zijn mijn werken eenvoudige plastische/organische composities. Ze bestaan uit conceptuele subconstructies waarin een duidelijk idee schuilt van kennen en ontkennen. Het grote beeld verbergt beslissingen die van verstandelijke aard zijn: hoe iets van betekenis verandert, waar zekerheid twijfel wordt, waar een oplossing zich ontdubbelt, waar positief en negatief rollebollen en waar plots het omgekeerde waarheid wordt. Vooral waar de woorden van het denken de beeldtaal

Why work and exhibit in a local cultural centre? Artist talk with Honoré d’O Honoré d’O is one of our most important installation and video artists, active both in Belgium and abroad. Thanks to his international renown, the artist has the world as his workplace – yet he chooses regularly to exhibit his work in local cultural centres. In 2012, for instance, he will create a series of works for the Maasmechelen Cultural Centre. What motivates an artist of international renown to work and exhibit in a local cultural centre? “I’m in favour of the place where the art has to be made, not where it has to conquer the world or to serve society for what is usually only the short term. The absolute importance of place and human presence cannot be relativised. The work takes on the climate of its surroundings, and in this sense people exert an immense influence on the abstract story that I want to portray. In comparison with bigger projects such as those currently in Sydney (Australia) or Seoul (South Korea), what particularly strikes me in the creation of work at smaller locations is the personal contact that arises (Wetteren, Deinze, Herzele, Maasmechelen). If you happen to really value the environment that you walk around and work in as ‘spiritual capital’, then you’re blessed by fate. But the challenge to constantly do your best work – regardless of location – comes from within. External circumstances inspire you, and you draw energy from the environment, but ultimately you yourself remain the only client who sets the bar higher than the private or public actors. The capacity of art to speak to people goes beyond the domain of those actors who are actually qualified in the field. Art-historical, societal, ethnic or economic – there are plenty of specialisations. On the one hand you make the image accessible, but on the other hand you also infuse it with delicate touches: the rhythms and chords, the counterpoint and fugue; layers that only a dedicated listener hears. I love applying the pure, ultra-traditional rules of imagery in a new form that surprises people. Without the conventional framework surrounding a cultural product, viewers without a sense of discovery or adventure are just left out in the cold. My works are usually simple plastic or organic compositions. They consist of conceptual subconstructions that give off a clear sense of knowing and repudiating. The big picture hides decisions that are intellectual in nature: how something significant changes, where certainty becomes doubt, where a solution is duplicated, where positive and negative go head over heels and where suddenly the reverse becomes true. Especially where the words of thought

the title (design), 2010-2012

© Honoré D'o

Honoré d’O — If language substitutes

the title, 2010-2012

Honoré d’O vertelt

© Alain Alquier

Honoré d’O — If language substitutes

Waarom presenteren en creëren in een cultuurcentrum?

proberen uit te dagen. Voor mij is de visuele taal een absoluut medium, zoals muziek of literatuur. Ze werkt zonder bijkomende voorbehoedsmiddelen. En de spiritualiteit wordt helderder naarmate je de humor en de grammaticale regels ontrafelt. De ware kunstliefhebber kan bijvoorbeeld gemakkelijk vaststellen dat een beeld met niet-kunstzinnig materiaal, met draden en doorlopende luchtverbanden een goed geschilderd schilderij is, maar wie ervan uitgaat dat een schilderij slechts een gebeuren is met verf-op-doek, zit natuurlijk gevangen in mijn ‘proposal’. Dit voorstel begeeft zich in een breder kunstbegrip dat ik het ‘open lichaam van de kunst’ noem. Je moet het beeld niet kunnen vastnemen en je mag kiezen voor materialen die geen artistiek parfum verspreiden. Vroeger heb ik intensief gebruik gemaakt van niet-duurzaam materiaal om een ervaring van tijdelijkheid ondubbelzinnig vast te leggen. Mijn geliefkoosde materialen, polystyreen (piepschuim) en pvc, blijven inspirerend en uitdagend als artistieke drager, ze zijn bovendien permanent en niet biologisch afbreekbaar. Pvc-lijnen kun je lezen als potloodlijnen in de lucht, ze stralen een buitengewoon gevoel van vrijheid uit. Piepschuim is dan weer erg kwetsbaar, je moet ermee omgaan als met porselein. Deze materialen verraden een geestelijk opzet en suggereren de noodzaak tot of het verlangen naar een spirituele benadering, in sprankelende staat van oorlog met de oppermachtige pragmatische aanpak.”

try to challenge the language of imagery. For me, visual language is an absolute medium, like music or literature. It works in and of itself. And the spirituality becomes clearer the more you unravel the humour and the grammatical rules.

“De objectmatigheid in mijn werk verliest dus aan gewicht ten voordele van de lucht en de vrije ruimte, die opgenomen worden als onderdeel van het kunstwerk. De plek waarin we ademen, en van waaruit onze perceptie van de wereld tot stand komt, wordt pertinent het zwaartepunt van de kunst. De poëzie van het leven heeft een integere kant die alomtegenwoordig is. Vandaag schuwt ze vooral de consumptie en de media- en informatiezieke wereld. Begrippen als groei, expansie, koopkracht, welvaart, succes, naam en faam krijgen een cynische bijklank. Het zijn minderwaardige criteria die het niveau van de kunst verlagen, niet alleen van het product maar ook van het globale discours. De crisis in de kunst bestaat erin dat de controlerende en geprofessionaliseerde wereld 100% focust op welvaart en succes, en zo van scheppende kunst toegepaste kunst maakt. Ik weiger consumptie te stimuleren. Ik laat niet toe dat de economische dwanggedachte, waaraan we verplicht worden deel te nemen, onze deelname aan de idee beschaving ondermijnt. Daarom kan je de zin van mijn werk slechts lezen vanuit een moedwillige opgewektheid, een noodzakelijke frisheid tegenover de ruwe en basale materie van het competitieve leven. Een omgeving die deze visie waardeert en stimuleert, draagt bij tot de nodige verinnerlijkte rust, die een waardevoller comfort is dan luxe. De tijd, die onophoudelijk de vorige generaties met de volgende verbindt, zal daarbij zelf het ultieme oordeel vellen.”

So the focus on objects in my work is diminished in favour of air and free space, which become integral parts of the artwork. The heart of the work becomes the space in which we breathe, and from which our perception of the world comes about. The poetry of life has an honest side to it that is omnipresent. Today, it shuns in particular consumption and the mediaand information-sick world. Notions such as growth, expansion, purchasing power, prosperity, success, name and fame take on a cynical undertone. They are deficient criteria that lower the level of art, not only of the product but also of the global discourse. The crisis in art is that the professional control of this world focuses 100% on prosperity and success, and in this way turns creative art into applied art.

Eef Proesmans

For example, the true art lover can easily determine if a painting done with poor materials, with threads hanging off it and air bubbles everywhere, has been painted well. But those who assume that something can only be a painting if it’s paint on canvas, are naturally, a captive in my ‘proposal’. This proposal revolves around a broader concept of art that I call the ‘open body of art’. You don’t have to be able to figure out the picture and you can choose materials that aren’t dripping with artistic pedigree. In my earlier works I used lots of materials that wouldn’t last, to create an unambiguous experience of temporality. My favourite materials, polystyrene and PVC, still inspire and challenge me as artistic media; they are also permanent and not biodegradable. You can read PVC lines like pencil lines in the air; they give off an extraordinary sense of freedom. And polystyrene is very vulnerable – you have to handle it as you would porcelain. These materials reveal a spiritual intent and suggest the need or the longing for a spiritual approach, in a gleaming state of war against the supremely pragmatic approach.

I refuse to stimulate consumption. I do not let the economic obsession in which we are obliged to participate undermine our stake in the idea of civilisation. Therefore, you can only see my work as being based in a wilful good humour, a necessary freshness in opposition to the raw and base material of competitive life. An environment that values and promotes this vision contributes to the inner peace that we need, which is a more precious comfort than luxury. Time itself – which incessantly links the previous generations with those that follow – will thus pass the ultimate judgement.” Eef Proesmans


SINT-TRUIDEN

Kunstenaars exposeren op speciale plekken mèt respect voor de eigenheid van deze unieke locaties. Hierdoor komt een wisselwerking tot stand tussen de kunstwerken en hun omgeving. Buiten de strakke witte muren van het museum spreekt kunst op een andere manier tot de toeschouwer. Het kader draagt bij tot het verhaal van de kunstenaar en omgekeerd brengen de werken hun omgeving op een geactualiseerde manier onder de aandacht.

Tentoonstelling: Delicious, Villarte, Begijnhof, Sint-Truiden, 2005 — © Dirk Pauwel

LARA ALMERCEGUI — De puinhoop

128 — 129

VILLARTE projecten: Lara Almarcegui – De puinhoop (Delicious, 2005) Dirk Braeckman - Sustained (Delicious 2005) Hugo Duchateau – Pinakel (Mijnhof=Begijnhof, 2007) Toon Tersas (En het woord is beeld geworden, 2007) Denmark – Parrots (¿Archieven?, 2009) Bram Bogart – Kortenbos (2010) Gert Robijns – het Dorp (2011)

The entwinement between contemporary art and the city's heritage constitutes a constant thread in the projects of non-profit organisation Villarte. Artists exhibit in special locations with respect for the uniqueness of these locations. This creates an interaction between the works of art and their surroundings. Outside of the rigid white walls of museums, art appeals to spectators differently. The setting contributes to the artist's story and, vice versa, the works give the surroundings new meaning. VILLARTE projects Lara Almarcegui – De puinhoop (Delicious, 2005) Dirk Braeckman - Sustained (Delicious 2005) Hugo Duchateau – Pinakel (Mijnhof=Begijnhof, 2007) Toon Tersas (En het woord is beeld geworden, 2007) Denmark – Parrots (¿Archieven?, 2009) Bram Bogart – Kortenbos (2010) Gert Robijns – het Dorp (2011)

Tentoonstelling: MijnhofBegijnhof, 2008 — © Jan Bellen

De verwevenheid tussen hedendaagse kunst en het erfgoed van de stad vormt steeds een rode draad in de projecten van vzw Villarte.

Villarte is an art organisation in Sint-Truiden which gives a contemporary cultural purpose to the many historic religious buildings that typify the city as Flanders' sixth biggest monument city. In addition to classical music and jazz concerts in the Academiezaal, Villarte also profiles itself through visual arts exhibitions.

HUGO DUCHATEAU — Pinakel, 2008

Villarte is een kunstorganisatie in Sint-Truiden die een hedendaagse culturele invulling geeft aan de talrijke historische religieuze gebouwen die de stad als zesde monumentenstad in Vlaanderen typeren. Naast klassieke muziek en jazzconcerten in de Academiezaal zijn tentoonstellingen beeldende kunst een discipline waarmee Villarte zich profileert.


M HKA, Antwerpen, 2003 — © A4A vzw

GERT ROBIJNS — interventie 'Fade In-Out', 2003

Beelden Buiten, Tielt, 2004

GERT ROBIJNS — De laatste doet de deur dicht en het licht uit, 2004

Z33, Hasselt

GERT ROBIJNS — Never Left Right, 2005 GERT ROBIJNS — Zonder titel, 2009

© Jan Bellen, Jurgen Persijn

GERT ROBIJNS — Het Dorp, 2011

130 — 131

VILLARTE

GERT ROBIJNS "Voordat ik het heb over Het Dorp, dat tot nog toe niet alleen het omvangrijkste project van de kunstenaar is, maar ook een waarmee hij naar zijn geboortedorp terugkeert, wil ik even stilstaan bij de algemene kenmerken van Gert Robijns' werk. Volgens mij zijn namelijk alle eigenschappen en kwaliteiten van Het Dorp terug te vinden in zijn andere werken. We kunnen die losweg en ietwat onnauwkeurig 'site-specifieke sculpturale interventies' noemen die meestal een substantiële en tegelijk minimale graad van 'verplaatsing' impliceren. Het enige verschil met de andere werken is dat hij voor het bijna levensgrote houten model van zijn dorpscentrum, geconstrueerd op een nabijgelegen voormalig militair vliegveld, de schaal waarop hij meestal werkt, heeft veranderd. En schaal - en daarmee bedoel ik alle mogelijke maten - is een sleutelelement in zijn artistieke vocabularium." Inleiding tot de tekst ‘De geordende verdeling van blinde vlekken in de ordelijke orde der dingen’ door Anselm Franke voor Day for Night; Anselm Franke, Bettina Klein, Gert Robijns; ISBN 9789020996289; uitgeverij Lannoo

"Before I talk about Het Dorp, which to date is not only the artist’s largest project, but also one in which he returns to his home town, I’d like to take a moment to consider the general features of the work of Gert Robijns. This is because I think all the characteristics and qualities of Het Dorp can also be seen in his other works. We can loosely and somewhat inaccurately call these 'site-specific sculptural interventions' that usually imply a substantial but at the same time a minimal degree of 'relocation'. The only difference with the other works is that for the near-life-size wooden model of his village, constructed on a nearby former military airfield, he has changed the scale on which he usually works. And scale – and by that I mean all possible sizes – is a key element in his artistic vocabulary." Introduction to the text ‘De geordende verdeling van blinde vlekken in de ordelijke orde der dingen’ (‘The ordered distribution of blind spots in the orderly scheme of things’) by Anselm Franke for Day for Night; Anselm Franke, Bettina Klein, Gert Robijns; ISBN 9789020996289; Lannoo Publishing


GENK

The city, its history and inhabitants are a permanent source of inspiration for the artistic creations initiated there. Therefore, Art in Genk is never an isolated given, but always looks to connect with its inhabitants, their stories and heritage. Artistic creation, both in temporary projects and public space, does not happen out of the blue. The ambition is: no art for the sake of art.

132 — 133

Het project ‘Nostalgia’ uit 2008 is hiervan een goed voorbeeld. In een open oproep aan alle Genkenaren werd gevraagd gekoesterde objecten binnen te brengen die een verhaal vertelden. Het verhaal werd genoteerd, de objecten opgenomen in een tentoonstelling. Temidden van de verhalen en objecten lieten kunstenaars van Atelier ARTISIT zich inspireren in geïmproviseerde atelierruimtes. Beeldend kunstenaar en artistiek archivaris Johan van Geluwe stond in voor de opstelling van de voorwerpen. Erfgoed, gemeenschapsvorming en beeldende kunst liepen naadloos in mekaar over, versterkten mekaar. Voortdurend wordt gezocht hoe hedendaagse kunst ingeschreven kan worden in de projecten die uitgewerkt worden. Zo werd bijvoorbeeld voor het ‘Genker Kookboek’ fotografe Liesje Reyskens aangezocht een reeks portretten te maken die in het boek opgenomen werden als inleiding bij elk hoofdstuk. Of nog, in het kader van een project rond Sint-Barbara in 2006, getiteld ‘Bovenaards & Ondergronds’, werden verschillende opdrachten uitgeschreven om de relevantie van dit icoon, de patrones van de mijnwerkers, voor vandaag te illustreren. Onder andere Els Dietvorst en Hanneke Paauwe gingen ermee aan de slag. In het kader van de tentoonstelling ‘Black-out’, die in de zomer van 2012 op C-mine te zien is, grijpt Sofie Muller de figuur van Sint-Barbara opnieuw aan om een nieuw werk te creëren. Met beeldend kunstenaar Sofie Muller komen we bij de permanente ingrepen in de publieke ruimte van Genk. Hierin is de voortdurende zoektocht naar aansluiting bij de biografie van

The ‘Nostalgia’ project from 2008 is a good example. In an open call to the population, the people of Genk were asked to submit cherished objects which told a story. The story was recorded, the objects were included in an exhibition. In the middle of the stories and objects, artists of Atelier ARTISIT let their inspiration reign in improvised studios. Visual artists and artistic archivist Johan van Geluwe were in charge of setting up the objects. Heritage, formation of communities and visual arts smoothly overlapped and strengthened one another. A continuous search for ways how to register contemporary art in the projects under development. For example, for the ‘Genker Kookboek’ (Genk Cooking Book) photographer Liesje Reyskens was asked to make a series of portraits to be included in the book as an introduction to each chapter. Or, in the context of a project about Saint Barbara in 2009, entitled ‘Bovenaards & Ondergronds’ (Superterrestrial & Underground) several assignments were issued to illustrate the relevance of this icon, the patroness of the miners, for today. Individuals like Els Dietvorst and Hanneke Paauwe set to work with this theme. In the context of the exhibition ‘Black-out’, which will be set up at C-mine in the summer of 2012, Sofie Muller again reverts to the figure of Saint Barbara to create a new work. With visual artist Sofie Muller we arrive at the permanent interventions in the public space of Genk. In this context, the permanent search to find a connection to the biography of a certain place and, hence, the story and heritage of Genk is the basic

de entender mi lenguaje, 2009

De stad, zijn geschiedenis en bewoners zijn voor de artistieke creaties die geïnitieerd worden een voortdurende inspiratiebron. Kunst in Genk is dan ook nooit een geïsoleerd gegeven maar zoekt telkens aansluiting bij de bewoners, hun verhalen en erfgoed. Artistieke creatie, zowel in tijdelijke projecten als de publieke ruimte, gebeurt dus niet zomaar. De ambitie is: geen kunst om de kunst.

een bepaalde plek en dus het verhaal en erfgoed van Genk een basisvertrekpunt. Het meest recente voorbeeld hiervan is het werk ‘Tableau Vivant’. Sofie Muller werd in 2011 uitgenodigd als kunstenaar in residentie voor het Emile Van Dorenmuseum. Het museum herbergt een bijzondere collectie landschapsschilderijen uit de negentiende en vroege twintigste eeuw en brengt de geschiedenis van het landschapsschildersoord dat Genk ooit was. Sofie Muller kreeg de opdracht het verhaal van het museum te integreren in de aangrenzende site, waar de Welzijnscampus en woonzorgcentrum Toermalien in volle opbouw waren. Een levende tuin, met bevreemdend bloedrode vijver, zwarte grassen en geknotte plataan komt temidden enkele gebouwen te staan. Een stukje landschap eist in de verstedelijkte omgeving zijn plek terug op. De knotboom wordt omarmd door een bronzen meisje, geïnspireerd op Fanny Van Doren. Zij was de dochter van landschapsschilder Emile Van Doren, haar persoonlijke held. Om zijn werk in herinnering te houden schonk zij villa Le Coin Perdu en zijn inboedel, vandaag het Emile Van Dorenmuseum aan het Genkse stadsbestuur. De bronzen Fanny klampt zich vast aan de herinnering van haar vader, aan het oude ‘Genck’, waar ooit landschapsschilders ‘en masse’ doorheen de bossen en over de heidevlaktes zwierven. De knotboom en het kind zullen in de loop der jaren mekaar in een voortdurend intensere omhelzing steeds meer aanhalen, wanneer de stam zich ook langzaam rondom de kinderarmen hult. ‘Tableau Vivant’ van Sofie Muller verdiept en verbreedt de betekenis van de publieke ruimte, actualiseert het verleden, zonder in anekdotiek of simpele esthetiek te vervallen.

point of departure. The most recent example is the work ‘Tableau Vivant’. In 2011 Sofie Muller was invited as an artist in residence for the Emile Van Doren museum. The museum contains a special collection of landscape paintings from the nineteenth and early twentieth century and tells the story of the landscape painters’ place Genk once was. Sofie Muller was given the assignment to integrate the museum into the adjacent site, where the Welzijnscampus and home and care centre Toermalien were in full construction. A living garden with a strange blood-red pond, black grass and truncated plane tree sits among several buildings. A piece of landscape reclaims its place in the urbanised environment. The truncated tree is embraced by a bronze girl, inspired by Fanny Van Doren. She was the daughter of landscape painter Emile Van Doren, her personal hero. To keep the memory of his work alive, she donated villa Le Coin Perdu and its household effects, today the Emile Van Doren museum, to the local authorities of Genk. The bronze Fanny holds on to her father’s memory, to the old ‘Genck’, where landscape painters roamed the woods and heathland in great numbers. The truncated tree and the child will come closer over the years, in an embrace which will become more intense as time goes by, when the trunk will gradually encapsulate the child's arms. Sofie Muller’s ‘Tableau Vivant’ deepens and widens the meaning of the public space, updates the past, without reverting to anecdotic or simple aesthetics.

© Dennis Brebels

Genk, a breeding ground of artistic creation, is not just an idle objective listed in the city's cultural policy plan, but also a reality in Genk. C-mine as a greenhouse of creation and innovation, arts studio FLACC, photography collective Zwiep and theatre group Yawar are only a few examples. The city’s cultural actors translate the proposition into reality, each time in a different way. For the city’s two academies, artistic creation is a core task. Also the library, for example with an annual city poem themed around Poetry Day, C-mine cultural centre with projects like the Kinderkunstenfabriek (Children's Art Factory) and Dienst Cultuur (Culture Department) with performances in the public space underline the objective.

Mekhitar Garabedian — Tú, que me lees, estás seguro

Genk, een broedplaats van artistieke creatie, is niet zomaar een loze doelstelling ingeschreven in het stedelijk cultuurbeleidsplan, maar ook een realiteit in Genk. C-mine als broeihaard van creatie en innovatie, kunstenwerkplaats FLACC, fotokring Zwiep en theatergroep Yawar zijn slechts enkele voorbeelden. Door de stedelijke cultuuractoren wordt de stelling telkens op een andere manier naar de realiteit vertaald. Voor de twee stedelijke academies is artistieke creatie een kerntaak. Ook de bibliotheek met bijvoorbeeld een jaarlijks stadsgedicht in het teken van Gedichtendag, C-mine cultuurcentrum met projecten als de Kinderkunstenfabriek en Dienst Cultuur met de realisaties in de publieke ruimte onderschrijven de doelstelling.


Nostalgia, Genk — © Dries Delputte

Sofie Muller — Sint-Barbara, 2012

134 — 135

GENK - Broedplaats van artistieke creatie

Kristof Reulens Coördinator Erfgoed en Beeldende Kunst Stad Genk

© Liesje Reyskens

Kristof Reulens Heritage and Visual Arts Coordinator City of Genk

Janina Janiak — Portret Genker Kookboek, 2009

For all recent works in the public space we can also say that they literally belong to the place they are made for, both in terms of content and physical form. Combining local history and heritage, the inhabitants and the singularity of the city give the works a fertile ground to root, grow and slowly become intrinsically part of the place where they were made. Manifesta 9 is taking on the same challenge. The Biennale clearly chooses to feel out the options of how visual arts can update and deepen our heritage. And the other way around, Manifesta 9 is looking for the options of the urban reality and heritage of Genk and the mining region to feed and challenge contemporary art creations and demand a place in current society. Nostalgia, Genk — © Christophe Vander Eecken

Voor alle recente werken in de publieke ruimte geldt dan ook dat ze letterlijk thuishoren op de plek waarvoor ze gemaakt zijn, zowel naar inhoud als fysieke vorm. Het combineren van de lokale geschiedenis en erfgoed, de bewoners en de eigenheid van de stad geeft de werken een vruchtbare voedingsbodem om te wortelen, te groeien en langzaam zelf een onlosmakelijk onderdeel te worden van de plek waarvoor ze ooit gemaakt werden. Manifesta 9 gaat dezelfde uitdaging aan. De biënnale kiest er duidelijk voor de mogelijkheden af te tasten hoe beeldende kunst erfgoed kan actualiseren en verdiepen. En omgekeerd gaat Manifesta 9 op zoek naar de mogelijkheden van de stedelijke realiteit en het erfgoed van Genk en de mijnregio om hedendaagse kunstcreatie te voeden en uit te dagen een plek in de huidige maatschappij op te eisen.

Also other recent art projects in Genk’s public space are clearly embedded in the biography of the place where they end up in. The neon letters applied to the facade of Genk’s city library by Mekhitar Garabedian go deep. “Tu, que me lees, ¿estás seguro de entender mi lenguaje?”, a quotation from The Library of Babel of the Argentinean writer Jorge Luis Borges poses an especially relevant question for a library in a city where language deficiency is on the rise. The work ‘Belvedère’ by Renator Nicolodi at Waterschei cemetery is based on a location-specific concept. The access gate, a gate to another world maybe, is prominently present at the entrance of the cemetery. In Waterschei people are also buried according to the prescriptions of Islam, therefore the abstract symbolism, referring to the transition between life and death, between here and somewhere else can be read by all users.

Sofie Muller — Tableau Vivant, 2012

Ook andere recente kunstrealisaties in de openbare ruimte in Genk graven zich duidelijk in de biografie van de plek waar ze terechtkomen in. De neonletters die Mekhitar Garabedian aan de gevel van de Genkse stadsbibliotheek aanbracht, gaan de diepte in. “Tu, que me lees, ¿estás seguro de entender mi lenguaje?”, een citaat uit ‘De Bibliotheek van Babel’ van de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges stelt een bijzonder relevante vraag voor een bibliotheek in een stad waar taalachterstand alleen maar toeneemt. Ook het werk ‘Belvedère’ van Renato Nicolodi op de begraafplaats van Waterschei is locatiespecifiek opgevat. De toegangspoort, een poort naar een andere wereld misschien, staat prominent aan de ingang van het kerkhof. In Waterschei gebeuren ook begravingen volgens de voorschriften van de islam waardoor de abstracte beeldspraak, verwijzend naar de overgang tussen leven en dood, tussen hier en elders, door iedere gebruiker leesbaar is.


www.futureformers.be

Kolonel Dusartplein Hasselt — © Eeland

www.futureformers.be

Toonmoment Future Formers, 2012

Young artists such as Karl Philips, Daan Gielis, Gert De Clercq, Peter Westenbergh and the collective Aifoon were ideally suited to the worlds and visions of our youth, and their guidance resulted in exceptionally diverse results ranging from performances and soundscapes to street art and guerrilla actions.

Kolonel Dusartplein Hasselt — © Eeland

Jonge kunstenaars als Karl Philips, Daan Gielis, Gert De Clercq, Peter Westenbergh en het collectief Aifoon vonden maximale aansluiting bij de leefwereld en visie van onze jeugd. Dit resulteerde in diverse performances, soundscapes, streetart en guerrilla acties.

Toonmoment Future Formers, 2012

Z33, FLACC, Villa Basta, Social Spaces and Studio Silo were all involved in addition to the funding body, Foundation P&V, and the coordinator, eeland. Thanks to their various areas of expertise, each of these parties helped to enrich the process and bring about the strongest possible approach. For instance, Z33 & FLACC joined forces to provide the artists with equipment and production support. Villa Basta took care of youth recruitment, while the Social Spaces group from the MAD-faculty adopted the role of artistic and visual coordinator to ensure that the project developed in the right direction. Finally, Studio Silo carefully filmed the whole process and produced a documentary that should allow the project to live on as an example of good practice for artistic and participatory youth projects.

Kolonel Dusartplein Hasselt — © Eeland

Naast de subsidiërende instantie stichting P&V en coördinator eeland werden Z33, FLACC, Villa Basta, Social Spaces en Studio Silo betrokken. Elke partij verrijkte het proces vanuit eigen expertise tot de sterkst mogelijke aanpak. Zo sloegen Z33 & FLACC de handen in mekaar voor het aanreiken van artiesten en het verzorgen van productionele ondersteuningen. Villa Basta nam de jongerenwerving voor haar rekening, daar waar Social Spaces van MAD-faculty de rol van artistieke en visuele coördinator opnam om het complexe project in goede banen te leiden. Tot slot filmde Studio Silo het hele proces nauwgezet en maakte er een documentaire van die een voorbeeld moet zijn voor andere artistieke en participatieve jongerenprojecten.

Toonmoment Future Formers, 2012

Kolonel Dusartplein Hasselt — © Eeland

Toonmoment Future Formers, 2012

The concept behind FutureFormers involves recruiting young volunteers in five diverse Limburg cities – Beringen, Genk, Hasselt, Sint-Truiden and Overpelt – to represent their vision of the future using their own visual language, characteristic of the city and its inhabitants. The ultimate goal is to combine the future visions of the five individual results or artworks into a single, joint artwork or cultural symbol that represents the vision of the future of all young people.

Kolonel Dusartplein Hasselt — © Eeland

Nostalgia, Genk — © Christophe Vander Eecken

Het concept van FutureFormers omvat het neerstrijken in vijf diverse Limburgse steden - Beringen, Genk, Hasselt, Sint-Truiden en Overpelt – om overal aan de slag te gaan met jonge vrijwilligers om vanuit hun typerende vormtaal, eigen aan het karakter van de stad en haar inwoners, een toekomstvisie te gaan verbeelden. Finale bedoeling is het verbinden van deze vijf individuele resultaten of kunstwerken tot één gesamtkunstwerk of cultureel symbool voor de toekomstvisie van alle jongeren.

Toonmoment Future Formers, 2012

136 — 137

Sofie Muller — Tableau Vivant, 2012

FUTURE FORMERS


© Niels Vaes

Het Labo (Thinking about design since 1987) saw the light of day because in the late eighties the young lions looked fruitlessly for a forum to showcase their designs. Has Limburg made progress in terms of youth and art? Patrick Reuvis: “If I go back in time I certainly see a positive evolution and the province has had a huge share in this.” Tom Vanuytrecht agrees, “but it has to be said that everything is still in its infancy. A lot of things are stirring in the field of youth and art, but a lot of initiatives don't get off the ground. They see the light of day and are then lost. However, Z33 has been a catalyst.” “With the arrival of Jan Boelen as artistic director and his consistent policy, the operation of Z33 has been successful, although I am slightly wary about Z33’s monopolisation,” adds Patrick Reuvis. “And the fact they don't have a real collection policy is a choice that was made. If resources are limited, it is better to invest in dynamic. If we want a museum reference, we drive to Eindhoven, Maastricht or Liège. Moreover, when we started Het Labo in the late eighties, there was no forum after art training. There was nothing. We used to rent exhibition space in the former Gelatine factory. We financed the rent with the sale of drinks at our exhibitions and the support of a couple of members, or the occasional project subsidy.” If you take a look at art education in Limburg, we don’t see a problem. There is secondary and higher art education, there are academies and conservatories, courses and workshops are given: transferring stimuli, honing the feeling for art. The province is bursting with cultural centres since the infrastructural construction craze which started in the seventies. But what about the young artist who wants to aspire to higher levels? Who closes the gap between training and professional practice?

© Niels Vaes

Neemt men een kijkje bij het kunstonderwijs in Limburg, dan zien we dat daar geen probleem is. Er is secundair en hoger kunstonderwijs, er zijn academies en conservatoria, men geeft cursussen en workshops: prikkels overbrengen, de zin in kunst aanscherpen. De provincie bulkt van de culturele centra sinds de infrastructurele bouwwoede vanaf de jaren ’70. Maar wat met de jonge artiest die het vrijblijvende niveau wil ontstijgen?

© Niels Vaes

Kolonel Dusartplein Hasselt — © Eeland

Eddie Guldolf, Staff member Cultuurcentrum C-mine Genk co-organised the exhibition ‘Young Turks’ (2011). Six young Flemish people with Turkish roots were given carte blanche.

Het Labo (Thinking about design since 1987) zag het licht omdat de jonge leeuwen eind jaren ’80 vruchteloos op zoek waren naar een forum om hun ontwerpen te etaleren. Heeft Limburg op het vlak van jeugd en kunst vooruitgang geboekt? Patrick Reuvis: “Als ik terugkeer in de tijd, dan zie ik zeker een positieve evolutie die niet in het minst door de provincie bewerkstelligd is.” “Inderdaad,” beaamt Tom Vanuytrecht, “maar we moeten toch stellen dat alles nog in de kinderschoenen staat. Er roeren vele zaken op het vlak van jeugd en kunst, maar veel initiatieven komen niet bovendrijven. Ze ontstaan en vergaan dan weer. Z33 is niettemin een katalysator geweest.” “Met de komst van Jan Boelen als artistiek directeur en zijn consequente beleid, werpt de werking van Z33 vruchten af, ook al ben ik wat beducht voor de monopolisering van Z33, “vult Patrick Reuvis aan. “En dat men er geen echt collectiebeleid voert, is een keuze. Zijn de middelen beperkt, dan is het beter om in dynamiek te investeren. Willen we een museale referentie, dan rijden we naar Eindhoven, Maastricht of Luik. Overigens: toen wij eind jaren ’80 met Het Labo begonnen, was er na de kunstopleiding geen forum. Er was niets. Toen huurden wij maar een toonruimte in de voormalige Gelatinefabriek. De huur financierden we met de verkoop van drank op onze expo’s en de steun van enkele leden, of af en toe een projectsubsidie.”

NIELS VAES — Charlie Bit Me, 2011

138 — 139

Toonmoment Future Formers, 2012

Eddie Guldolf, stafmedewerker cultuurcentrum C-mine Genk, stond mee aan de wieg van de tentoonstelling ‘Jonge Turken’ (2011) waar zes jeugdige Vlamingen met Turkse roots carte blanche kregen.

Artist and designer Patrick Reuvis (1963) was one of the founding members of ‘Het Labo’ in Hasselt and was at the cradle of ‘Toegepast’. Het Labo organises thematical exhibitions bringing together national and international artists and designers from different disciplines.

NIELS VAES — Crooked Ping Pong, 2011

Kunstenaar en designer Patrick Reuvis (1963) was één van de stichtende leden van Het Labo in Hasselt en stond aan de wieg van Toegepast. Het Labo organiseert thematische tentoonstellingen en brengt zo nationale en internationale kunstenaars en designers van verschillende disciplines samen.

Young wolf Tom Vanuytrecht (1982) is an artist and a founding member of the brand new ‘VONK’. ‘VONK vzw’ provides temporary workspace to promising artistic talent and receives financial support from the city of Hasselt.

© Niels Vaes

Jonge wolf Tom Vanuytrecht (1982) is kunstenaar en een stichtend lid van het gloednieuwe VONK. VONK vzw heeft tijdelijke werkruimte veil voor beloftevol artistiek talent en wordt financieel ondersteund door de stad Hasselt.

Young Lions. About art and youth in Limburg The visual arts sector in Limburg is flourishing like never before. But anyone who wants to implement long-term and systematic change in the field of art has to think about its foundations, and therefore the future. For the younger generation to deliver, smart investments are required. What ground has been covered and what are interesting initiatives? We asked some people in the art scene, initiators:

NIELS VAES — David Lynch, 2011

De beeldende kunstsector in Limburg bloeit dezer dagen. Maar wie duurzaam en systematisch werk op het vlak van de kunst wil leveren, moet denken aan zijn funderingen, en dus aan de toekomst. Men mag alles van de jeugd verwachten, maar dan moet men schrander investeren. Hoe is het gesteld met het combo jeugd en kunst in Limburg? Welke weg werd afgelegd en wat zijn interessante initiatieven? We vroegen het aan een aantal mensen uit het veld, initiatiefnemers:

NIELS VAES — Gjevilvasshytta, 2011

Over kunst en jeugd in Limburg

© Reg Carremans

REG CARREMANS — Leftovers, 2011

JONGE LEEUWEN


Er is werk verzet. En er is werk in het vooruitzicht. Waren we verplicht geweest om Limburg van arrivisme te betichten, dan was de toekomst onzeker. Limburg heeft een weg afgelegd: van de tijd toen Patrick Reuvis Het Labo uit de grond hielp stampen omdat er in Hasselt niets was, tot VONK en de andere initiatieven van nu. Maar wat moet de toekomst brengen? Tom Vanuytrecht stelt voor om te beginnen met te sleutelen aan de communicatie tussen de verschillende actoren. “Dat is de basis.” Eddie Guldolf zegt het met een statement: “Limburg moet van het underdoggevoel af.” Matthias Depoorter

A lot has been done. And there is still a lot of work ahead of us. If we had to accuse Limburg of arrivism, the future would be uncertain. Limburg has covered a lot of ground: from the time when Patrick Reuvis helped found the Het Labo because there was nothing in Hasselt, to VONK and the other current initiatives. But what must the future bring? Tom Vanuytrecht suggests to start by working on the communication between the different stakeholders. “That is the foundation.” Eddie Guldolf makes a statement: “Limburg has to rid itself from the underdog feeling.” Matthias Depoorter

www.vonkhasselt.be www.hetlabo.be www.c-mine.be

www.vonkhasselt.be www.hetlabo.be www.c-mine.be

Tentoonstelling: Jonge Turken

Derya Akgüre — Van zwart naar wit, 2011

Tentoonstelling: Jonge Turken

And immigrant art really does still constitute unchartered territory: young and old. In 2011, cultuurcentrum C-mine Genk broke new ground with the ‘Young Turks’ exhibition. Six young Flemish people with Turkish roots were given carte blanche. If there is no fear to tackle the issue, like in Genk, it results in promising results. Silence is dangerous. “Suddenly these young Turks discovered the power of their work and creativity,” entrusts Eddie Guldolf. “Young people need examples, not only (inter)national, but also regional. Examples are crucial, but there are too few.”

Derya Akgüre — Van zwart naar wit, 2011

140 — 141

JONGE LEEUWEN

Echt onontgonnen terrein betreft nog altijd de kunst van allochtonen: jong en oud. Cultuurcentrum C-mine Genk leverde in 2011 pionierswerk met de tentoonstelling Jonge Turken. Zes jeugdige Vlamingen met Turkse roots kregen toen carte blanche. Durft men de kwestie aan te kaarten, zoals in Genk, dan resulteert dat in beloftevolle resultaten. Zwijgen is nefast. “Plotsklaps ontdekten die jonge Turken de kracht van hun werk en hun creativiteit,” vertelt Eddie Guldolf. “Jonge mensen hebben voorbeelden nodig, niet alleen (inter-)nationaal, maar ook regionaal. Voorbeeldfiguren zijn cruciaal, maar die zijn er te weinig.”

In his study ‘Hasselt op weg naar een artistieke biotoop?’ art sociologist Pascal Gielen (2010), thinks that Hasselt shopping city must create more space for artists. This applies a fortiori to younger artists who need space to create and reside. An example of this is ‘VONK’. “The starting point of the incorporation of VONK was the lack of space for us young artists to work. Limburg doesn't really have a studio tradition. FLACC in Genk does offer this but only for defined projects. At VONK a jury needs to approve a file and portfolio. If approved the candidate is able to use the studio for one year. This project is all about time to be able to develop.” Tom Vanuytrecht saw how his classmates – he graduated as Master in Visual Arts at the Provinciale Hogeschool Limburg, now MAD-faculty, Campus Elfde Linie – after graduating left the province. “Few young artists remain in Hasselt. As soon as someone is successful he moves. Everyone used to go to Paris.” No art without networking. “And still we need to reiterate that rarely have so many young and professional Limburg-based (podium) artists graduated,” knows Eddie Guldolf. “But it is true there are too few regional examples. Not only is there a brain drain of engineers or IT people, it also applies to artists. It is easier to find success in big cities where the climate is more art friendly.”

Tentoonstelling: Jonge Turken

Derya Akgüre — Van zwart naar wit, 2011

In zijn studie ‘Hasselt op weg naar een artistieke biotoop?’ (2010) stelt kunstsocioloog Pascal Gielen dat Hasselt winkelstad meer ruimte voor kunstenaars moet creëren. Dat geldt a fortiori voor jongere kunstenaars die ruimte nodig hebben om te creëren en te resideren. Een voorbeeld hiervan is ‘VONK’. “De oprichting van VONK vzw in 2010 vloeide inderdaad voort uit een gebrek aan atelierruimte, “vertelt Tom Vanuytrecht. “Limburg kent eigenlijk geen atelierwerking. FLACC in Genk biedt dat wel aan, maar enkel in functie van afgelijnde projecten. In VONK komt men binnen na de goedkeuring van een aanvraag met portfolio dat door een jury wordt bekeken. Dan mag de kandidaat een jaar van het atelier gebruik maken. Hier draait het om tijd om zich verder te kunnen ontwikkelen.” Tom Vanuytrecht zag hoe zijn klasgenoten na het afstuderen – Vanuytrecht studeerde in 2008 af als Master in de Beeldende Kunsten aan toenmalige Provinciale Hogeschool Limburg, nu MAD-faculty, Campus Elfde Linie in 2008 - uit de provincie wegtrokken. “Weinig jonge kunstenaars blijven nu eenmaal in Hasselt hangen. En het moment dat men succes kent, verhuist men. Vroeger trok ook iedereen naar Parijs.” Geen kunst zonder netwerking. “En toch moeten we stellen dat er zelden zo veel jonge en professionele Limburgse (podium-)kunstenaars afgestudeerd zijn,” weet Eddie Guldolf. “Maar het is waar dat er te weinig regionale voorbeelden zijn. Braindrain is er niet enkel voor ingenieurs of mensen uit de IT, maar ook voor kunstenaars. Als ze het willen maken, dan lukt hen dat makkelijker in grote steden waar het klimaat kunstvriendelijker is.”


ELINE CAUTREELS Temporality and a procedural character are the key words in his art. It is not the permanent final product that is important, but rather the process of construction and even potential destruction. Music is undoubtedly the greatest source of inspiration for his work. He sees his working method as similar to that of a oneman band: ‘The works are the songs and the exhibitions are the records or albums. As an artist you have total control during the thought and production process, but once the work is done, you lose that control.’ vanuytrechttom.blogspot.com Tom Vanuytrecht Tom Vanuytrecht graduated from MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, Visual Arts in 2008 and won the Kunst in Limburg price (2011) (in the context of the Wanatoeprijs – an award for the best Master project). He is a founding member of VONK vzw, an initiative that provides temporary workspace to promising artistic talent.

vanuytrechttom.blogspot.com Tom Vanuytrecht

Cautreels' work is related to the idyllic landscape paintings from the Romantic movement. Though she is also taking a stand against our society, where the image of a perfect landscape is kept up, for example, in the world of advertising. By showing both the idyllic result and the underlying technical setup of her installations, she shatters that illusion. Elien Haentjens

Cautreels’ werk sluit aan bij de idyllische landschapsschilderkunst uit de Romantiek. Tegelijk neemt ze stelling in tegen onze maatschappij, waarin het beeld van een perfect landschap onder andere in de reclamewereld in stand gehouden wordt. Door in haar installaties zowel het idyllische resultaat als de achterliggende technische opstelling te tonen, doorprikt ze die illusie.

Eline Cautreels graduated from MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, Visual Arts in 2011. She also won the Kunst in Limburg price (in the context of the Wanatoeprijs – an award for the best Master project) en is selected as participant for Toegepast 17.

ELINE CAUTREELS — Agar Agar, oase schuim, schimmel, 2011

© Eline Cautreels

© Tom Vanuytrecht

© Tom Vanuytrecht

Eline Cautreels studeerde af aan MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, afdeling Vrije Kunsten in 2011. Ze won de prijs Kunst in Limburg (2011) (in het kader van de Wanatoeprijs – prijs voor het beste afstudeerproject) en is geselecteerd voor Toegepast 17.

© Tom Vanuytrecht

memory, Molar, 2008 - © Tom Vanuytrecht

Land(e)scape With her works Eline Cautreels wants to tell spectators that idyllic landscapes and untouched nature are lost. She does so by confronting photos and videos of real, but strongly abstracted landscapes with images of illusionary, but also very recognisable landscapes which she personally sets up in scale models. This is how the artist constantly sows doubt between fiction and non-fiction. She questions our visual observation.

Elien Haentjens

TOM VANUYTRECHT — DMND/HD series - Birth/Decomp (2of 4), 2009

142 — 143

TOM VANUYTRECHT — Molding unique form from

TOM VANUYTRECHT

Tom Vanuytrecht studeerde af aan MAD-faculty, Campus Elfde Linie, Hasselt, afdeling Vrije Kunsten in 2008 en won de prijs Kunst in Limburg (2011) (in het kader van de Wanatoeprijs – prijs voor het beste afstudeerproject). Hij is mede-oprichter van VONK vzw, een initiatief voor betaalbare atelierruimtes in Hasselt voor jonge, ambitieuze kunstenaars.

Land(e)scape Met haar werk wil Eline Cautreels de toeschouwer op het verlies van het idyllische landschap en de ongerepte natuur wijzen. Dat doet ze door foto’s en video’s van echte, maar sterk geabstraheerde landschappen te confronteren met beelden van illusionaire, maar tegelijk heel herkenbare landschappen die ze zelf in maquettevorm opzet. Op die manier zaait de kunstenares constant twijfel tussen fictie en non-fictie. Ze stelt onze visuele waarneming in vraag.

© Alexander Van Merle

Tijdelijkheid en een procesmatig karakter zijn de kernwoorden in zijn kunst. Niet het blijvend eindproduct is belangrijk, wel het proces van vervaardiging en zelfs de mogelijke vernietiging ervan. De grootste inspiratiebron voor zijn werk is ongetwijfeld muziek. Hij beschouwt zijn manier van werken ook als die van een One Man Band. ‘De werken zijn de nummers en de expo’s de ep’s of de albums. Als kunstenaar heb je volledige controle tijdens het denk- en productieproces, maar eenmaal het werk gemaakt is, ben je de controle kwijt’.

Tom Vanuytrecht is first and foremost a sculptor. Yet, his work usually combines different media: drawing, photography, video, sculpture, sound.

TOM VANUYTRECHT — White Metal Series / Icon one - Excavation of Modern Tirany, 2011

TOM VANUYTRECHT - © Tom Vanuytrecht

Tom Vanuytrecht is in de eerste plaats beeldhouwer. Toch is zijn werk meestal een combinatie van verschillende media: tekenkunst, fotografie, video, sculptuur en geluid.

ELINE CAUTREELS

TOM VANUYTRECHT


Zoals elke provincie huisvest Limburg heel wat artistieke, qua vorm erg uiteenlopende privé-initiatieven. Om ook deze particuliere stemmen uit het veld te horen nodigde Kunst in Limburg een delegatie uit rond de tafel. Want hoe zien zij de toekomst van kunst in de provincie Limburg? Wat zijn hun noden? En hoe zien ze hun rol in die toekomst?

Dat die kruisbestuiving langzaam maar zeker verdwenen is, vinden ze een gemiste kans. Ze hebben het gevoel dat het commerciële aspect te veel als een vies woord benaderd wordt. Terwijl je volgens hen in de eerste plaats een erg groot kunstliefhebber moet zijn om als privépersoon voortdurend energie te blijven pompen in een artistiek project.

© Eline Cautreels

ELINE CAUTREELS — Agar Agar, 2011

Op dit moment is er volgens deze particuliere initiatiefnemers weinig tot geen samenwerking tussen de door de overheid gesteunde, non-profit kunstsector en zijzelf. Al was dat volgens hen ooit anders. De particuliere partners stellen dat ze hun rol als tussenschakel tussen publiek en overheid, tussen kunstenaar en kunstinstelling en tussen kunstenaar en beleid de laatste jaren als sneeuw voor de zon zagen smelten.

Evenwicht De discussie rond een museum voor beeldende kunst sleept al erg lang aan in Limburg, maar tijdens het debat blijkt net de afwezigheid van zo’n instelling een op verschillende niveaus terugkerend issue. Zo denken de gesprekspartners dat het ontbreken van een museum bij de Limburgers tot een gebrekkig artistiek referentiekader leidt. Maar bouwen kunstliefhebbers in andere provincies hun referentiekader op basis van de museale tentoonstellingen op? En ligt in dit hiaat niet net een kans voor de privé-initiatieven om zich te profileren?

144 — 145

Hoewel dit geen evidente opdracht is, slaagden verschillende privépersonen er de afgelopen jaren in om het Limburgse artistieke veld kracht bij te zetten met hun tentoonstellingen. Al is het daarbij niet altijd eenvoudig om een evenwicht te vinden tussen het artistieke en commerciële aspect. Want uiteindelijk hebben galerijhouders en privépersonen ook geen missionarisfunctie, stippen de gesprekspartners aan. Al biedt hun bijdrage - meer dan misschien in andere provincies - een reële artistieke meerwaarde voor Limburg? Artistiek netwerk Ook het vinden van een afzetmarkt is voor de Limburgse privé-initiatieven niet altijd even eenvoudig. Omdat het aantal Limburgse particuliere kopers sowieso al niet erg dik gezaaid is, maar ook omdat er geen museum is dat zijn collectie dient

PRIVATE ART INITIATIVES How do they view the future of art in Limburg? Like every province, Limburg is home to all sorts of private art initiatives whose work, and views, are highly divergent. To ensure that all these voices get to have their say, Art in Limburg invited a group of private curators for a round-table discussion. How do they view the future of art in the province of Limburg? What are their needs? And how do they see their role in this future? At present, these private initiatives feel that there is little to no cooperation between themselves and the government-backed, non-profit arts sector. But, they say, this was not always the case. In their view, in recent years they have watched their role as intermediary between public and government, between artist and art institutions, and between artist and policy melt like snow under the sun. They see the slow but sure disappearance of this cross-fertilisation as a lost opportunity. While the commercial aspect of art is seen as a dirty word, they feel that as a private initiative you have to be a genuine art lover in the first place to constantly keep pumping energy into an artistic project. Balance The discussion on a museum of fine arts has long dragged on in Limburg, and the debate revealed that the absence of such an institution remains a recurring issue at different levels. According to the participants, the fact that no such museum exists in Limburg gives rise to a deficient artistic frame of reference among local residents. But do art lovers elsewhere really get their frame of reference from museum exhibitions? And in any event, doesn’t the lack of a museum present an opportunity for private initiatives to fill this gap? It may not have been an easy task, but with their exhibitions in recent years, the various curators have given a strong boost to Limburg artistic scene. Striking a balance between the artistic and commercial aspects is rarely simple; after all, they say, gallery owners and private individuals are not missionaries. Still, their contribution offers real added value to the art world in Limburg, perhaps more so than in other provinces. Artistic network Also difficult for the Limburg private initiatives is the issue of finding a market. The number of private buyers in Limburg is by no means large, but the problem is compounded by the fact that there is no museum that needs to expand its collection. The Province of Limburg has an art policy and does make purchases but, the participants claim, if it were

Forum Tri Euregionaal kunstcentrum Oud-Rekem © Peter Cox

P.P. Calzolari — Senso Titolo, 1972-1975

Hoe zien zij de toekomst van kunst in Limburg?

Forum Tri Euregionaal kunstcentrum Oud-Rekem © Marc Scheepers

Esther Tielemans — Abstracte Opstelling, 201

PRIVATE KUNSTINITIATIEVEN

uit te bouwen. Al voert de Provincie Limburg wel degelijk een kunstbeleid en verricht ze ook aankopen. Toch stellen de gesprekspartners dat een nauwere samenwerking met andere privé-initiatieven uit eigen streek voor dat aankoopbeleid een positief signaal kan geven naar particulieren en bedrijven toe.

to cooperate more closely with local galleries when it comes to this purchasing policy, this would be a positive signal for private initiatives. What cannot be ignored is the fact that these private initiatives have now managed to attract an art-loving public from around the province, but also from the rest of the Netherlands and the Euregion. It is to their credit that they have made a significant contribution to the development of an artistic network in the province as well as a lively art scene. By expanding their own networks, for example, they are helping to counter the lack of a ‘Friends of the Museum’ network.

Feit is dat deze privé-personen met hun initiatieven intussen een kunstminnend publiek uit de provincie, maar ook uit de rest van het land en de Euregio, weten aan te trekken. Dat ze op die manier sterk bijdragen aan de uitbouw van een artistiek netwerk in de provincie en een levendig kunstklimaat, behoort dan ook tot hun verdiensten. Door hun eigen netwerk uit te bouwen helpen Strong together ze bijvoorbeeld het gebrek aan een museale vriendenkring te In addition, Limburg is still coping with its historic reputation as a mining area; this label sticks all counteren. Samen sterk Daarnaast moet Limburg nog steeds afrekenen met zijn historische reputatie als mijngebied. Zowel binnen als buiten zijn grenzen krijgt de provincie dat etiket nog al te vaak opgeplakt. Al achtte Manifesta net dit aspect dan weer boeiend om er zijn tentoonstelling rond op te bouwen. Bovendien speelt de geografische ligging en de moeilijke bereikbaarheid van de provincie niet in haar voordeel. Niet alleen bekleedt Limburg een decentrale locatie in het land, maar ook de privé-initiatieven zelf liggen op ruime afstand van elkaar. Om daaraan tegemoet te komen borrelde tijdens het debat het idee op om de openingstijden op elkaar af te stemmen. Als kunstliefhebbers tijdens hun bezoek meerdere semi-commerciële initiatieven kunnen combineren, zijn ze wellicht sneller geneigd om tot in Limburg te komen. Ook het idee om een gemeenschappelijke communicatie te voeren, eventueel in de vorm van een folder, kwam aan de oppervlakte. Al zijn de private kunstinitiatieven in deze alvast vragende partij voor een externe coördinator. Jong geleerd, oud gedaan Tot slot wierpen de gesprekspartners enkele voorstellen op om de wisselwerking met het onderwijs te versterken: Van meer aandacht voor hedendaagse kunst in het middelbaar onderwijs over scholieren die stage lopen bij hen tot een nauwer contact met het hoger kunstonderwijs en hun pas afgestudeerde leerlingen, zodat ze na hun afstuderen niet meteen naar (een galerij in) een grote stad vertrekken, maar hun carrière in eigen streek starten. Door langs beide kanten actief in te zetten op deze thema’s kunnen jongeren in de toekomst deel uitmaken van een levendig Limburgs artistiek klimaat, opperen de gesprekspartners.

too often to the province both within and outside its borders. But it was precisely this reputation that motivated Manifesta’s exhibition on the theme. Still, the geographical location and difficult accessibility of the province do not work in its favour. Limburg itself is far from central in the Flemish region, or Belgium for that matter., but the private initiatives, too, are located at considerable distance from one another. To deal with these issues, the idea was raised of coordinating each initiative’s opening hours with one another. If art lovers could combine multiple semicommercial initiatives during their visit, they may be more likely to come to Limburg. Further, a common form of communication, such as a brochure, could also be introduced. The initiatives are already seeking out an external coordinator for this initiative. Learnt in the cradle, lasts till the grave  Finally, the participants came up with several proposals to strengthen their interaction with the field of education. This may involve, for example, more attention for contemporary arts in secondary education, student internships, and closer contact with institutes of higher artistic education and their recent graduates. The hope is that, rather than heading straight for (a gallery in) a big city, these graduates may instead choose to start their careers in their own region. By actively pursuing these themes from both sides, the participants claim, young people should in the future be part of a lively artistic climate in Limburg. Thanks to years of chipping away by the participants and their colleagues, perceptible change is already underway. For instance, many new galleries, such as the Eastman Gallery and Alley, have opened their doors across Hasselt in the last few years. To keep this positive vibe on a roll, the private art initiatives are already working to improve their links with government-subsidised, non-profit arts organisations. In the future, this should give rise to new collaborations


De gefotografeerde modellen van Malou Swinnen, veeleer vrouwen dan mannen, kijken steevast zonder schroom in de camera en gaan de toeschouwer onbevreesd tegemoet. Dit is niet zo vanzelfsprekend als men beseft dat ten gevolge van de eigenzinnige mise-enscène en vooral door het ontbreken van een kader de aandacht van de toeschouwer voor het model wordt geïntensifieerd, de psyche wordt blootgelegd en fysische kwaliteiten en onvolkomenheden worden uitvergroot.

© Malou Swinnen

Malou Swinnen

Dan Holsbeek

© Bart Deflin

Forum Tri Euregionaal kunstcentrum Oud-Rekem — © Peter Cox

Malou Swinnen

BARt DEFLIN — When people were shorter and lived near the water, 2012

Tentoonstelling: Confessiones, Landcommanderij Alden Biesen, 2007 — © De Mijlpaal

Eduardo Chillida — Zicht ruimte

Forum Tri Euregionaal kunstcentrum Oud-Rekem — © Peter Cox

Luciano Fabro — Promoteo, 1986 Forum Tri Euregionaal kunstcentrum Oud-Rekem — © Marc Scheepers

— Uffizi Porte, 1994

MICHELANGELO PISTOLETTO

146 — 147

Sol LeWitt — Complex Forms No. 8, 1988

Elien Haentjens

Elien Haentjens

PRIVATE KUNSTINITIATIEVEN

Tentoonstelling Mens Sana, 2011 © De Mijlpaal

Lut Maris: De Mijlpaal, Heusden-Zolder www.demijlpaal.com

Mens Sana

Deelnemers: Annemie Van Laethem en Eric Croux: Forum Triangulare vzw Euregionaal Kunstcentrum Kasteel Oud-Rekem - www.forumtri.be Maurice Lambrechts: Interart Center, Hasselt - www.interartcenter.be Anouk Vilain: Anouk Vilain Art Gallery, Diepenbeek - www.anoukvilain.be Luc Theuwis: kunstadviesbureau Art & Advice, Hasselt www.artandadvice.com Lut Maris: De Mijlpaal, Heusden-Zolder - www.demijlpaal.com

© Malou Swinnen

Malou Swinnen — Bernard Wilhelm uit de reeks “Le regard de personae”, 2011

Tentoonstelling: White Not — © De Mijlpaal

Bart Lens — 2007

Tentoonstelling Ge-Koppeld — © De Mijlpaal

Marrie Bot — Beeld Timor, 2007

Forum Tri Euregionaal kunstcentrum Oud-Rekem © Marc Scheepers

Gabriel Lester — Fortuin, 2010

and, in their wake, inspirational cross-fertilisation Na het jarenlang aan de weg timmeren, is er intussen voelbaar verandering op til. Zo openden heel wat nieuwe privé-initiatieven, between different artistic players. zoals Eastman Gallery en Alley, de afgelopen paar jaar de deuren Participants: Annemie Van Laethem en Eric Croux: Forum Triangulare in Hasselt. Om deze positieve vibe kracht bij te zetten zijn de vzw Euregionaal Kunstcentrum Kasteel Oud-Rekem gesprekspartners alvast vragende partij om de banden tussen de www.forumtri.be door de overheid gesubsidieerde, non-profit kunstinstellingen en Maurice Lambrechts: Interart Center, Hasselt www.interartcenter.be henzelf aan te halen. Zodat er in de toekomst nieuwe samenAnouk Vilain: Anouk Vilain Art Gallery, Diepenbeek www.anoukvilain.be werkingen en in hun kielzog ook inspirerende kruisbestuivingen Luc Theuwis: kunstadviesbureau Art & Advice, Hasselt tussen de verschillende artistieke spelers kunnen ontstaan. www.artandadvice.com

The photographed models of Malou Swinnen, more women than men, always look into the camera without diffidence and head towards the spectator without fear. This is not so obvious if you realise that, as a result of the self-willed stage setting and especially due to the lack of a frame, the spectator’s attention for the model is intensified, the psyche is revealed and physical qualities and imperfections are enlarged. Dan Holsbeek


© LilianeJoyV

LILIANE VERTESSEN — 69, 1983

Het oeuvre van Mo Ramakers – in uiteenlopend materiaal en diverse disciplines - illustreert een door het leven zelf ingegeven engagement. Haar werken zijn gelaagd en refereren vaak binnen één creatie aan diverse maatschappelijke aberraties. Mo Ramakers observeert en becommentarieert als bewuste wereldburger haar ‘Umwelt’. Ze doet dat echter nooit vanuit een naïef idealisme, maar wel met zin voor relativering en steevast met een knipoog.

Mo Ramakers's oeuvre – in various materials and disciplines - illustrates an engagement inspired by life itself. Her works are layered and often refer to various social aberrations within one creation. As a conscious citizen of the world, Mo Ramakers observes and comments on her ‘Umwelt’. However, she never does so departing from naive idealism, but with a sense of perspective and invariably with a wink. www.moramakers.com Dan Holsbeek

www.moramakers.com © LilianeJoyV

LILIANE VERTESSEN — Kus, 1983

© LilianeJoyV

LILIANE VERTESSEN — Punk, 1983

© LilianeJoyV

LILIANE VERTESSEN — X-Rated, 1983

Mo Ramakers

Dan Holsbeek

Liliane Vertessen

© Mo Ramakers

MO RAMAKERS — Man & Woman © Mo Ramakers

MO RAMAKERS — UNinverse & I

Dan Holsbeek

© LilianeJoyV

148 — 149

Dan Holsbeek

The staged and theatrical images that Liliane Vertessen is often associated with showcase an artist who is a creator, object and image all at once. Her self-portraits take on an unmistakably erotic image through their provocative posture and clothing and the coloured neon lights. She seems to present herself variably as a prostitute, Lolita or femme fatale as well as an incorrigible exhibitionist. Yet she is an exhibitionist who reveals less than what she conceals because the self-reflections hidden in her work remain elusive to the viewer.

LILIANE VERTESSEN — Close, 1983

De geënsceneerde en theatrale beelden waarmee Liliane Vertessen vaak wordt geassocieerd, etaleren een artieste die tegelijkertijd schepper, object en beeld is. Haar zelfportretten krijgen door de provocerende houding, de uitdagende kledij en het gekleurde neonlicht onmiskenbaar een erotische dimensie. Ze lijkt zich wisselend te presenteren als prostituee, lolita, femme fatale, evenals een onverbeterlijke exhibitioniste. Echter een exhibitioniste die minder onthult, dan verhult, want de in het werk verscholen zelfbespiegelingen blijven voor de toeschouwer onvatbaar.


© Willo Gonissen Tentoonstelling in arteVentuno, Modern & Contemporary art, Brussel — © Willo Gonissen

WILLO GONNISSEN — Spiderman, 2009 WILLO GONNISSEN — Mon voyage, 2008

Tentoonstelling in arteVentuno — © Willo Gonissen

WILLO GONNISSEN — Luchtspiegeling, 2010

De twee- en driedimensionale composities van Willo Gonnissen zijn vooral subtiel en wezenlijk en bovendien zijn ze tegelijk cerebraal en poëtisch. Zijn uitgepuurde vormen bevragen de toeschouwer, zoals ook Socrates dat ooit deed. Ze weken inzichten los omtrent de talloze betekenissen waarmee ze werden beladen of waarvan ze drager zijn. Willo Gonnissen onderstreept dat elk ding, elke vorm een verhaal heeft en dat wisselende verbanden een pluraliteit aan gegevens genereren, dat zij met andere woorden voertuig zijn voor telkens weer een ander verhaal.

gideon-kiefer.blogspot.com Dan Holsbeek

Willo Gonnissen's two- and three-dimensional compositions are chiefly subtle and real and at the same time cerebral and poetic. His pure forms question the spectator, like Socrates once did. They release insights regarding the many meanings heaped on them or which they carry. Willo Gonnissen underlines that everything, every form has a story to tell and that changing relationships generate a plurality of data, or that they are the vehicle for another story every time. www.willogonnissen.be Dan Holsbeek

Dan Holsbeek

Tentoonstelling in arteVentuno, Hasselt © Willo Gonissen

www.willogonnissen.be WILLO GONNISSEN — Handmade, 2011

Dan Holsbeek

WILLO GONNISSEN

© Gideon Kiefer

gideon-kiefer.blogspot.com

Gideon Kiefer’s two-dimensional work evokes a false sense of familiar everyday reality on the one hand and reveals a concealed truth on the other. This artist is fascinated by so-called ‘authoritative’ figures who often seem cloaked in a veneer of control. He ruthlessly emphasises the fact that this power is relative and intimately related to powerlessness - departing from the world of doctors, scientists and business people. Gideon Kiefer provides his images, which are borrowed from real life, with his own stamp and then gives them back to the world. For example, he captures figures associated with power in a recurring network of perspective and composition lines that form a metaphor for structure, order and depth, but can also be experienced as a jumble or a grid in which the system threatens to become entangled. Kiefer confronts the viewer with the relative nature of freedom and the tragedy of powerlessness.

GIDEON KIEFER — Monument For The Luscious House Of Unwanted Detachment

© Gideon Kiefer

Het tweedimensionale werk van Gideon Kiefer evoceert enerzijds een bedrieglijk gevoel van vertrouwd zijn met alledaagse werkelijkheden en onthult anderzijds een verdoken waarheid. Deze kunstenaar is gefascineerd door de zogenoemdE ‘gezaghebbende’ figuren, die vaak omzwachteld lijken met een predicaat van controle. Dat die macht relatief is en immanent gerelateerd moet worden aan onmacht, benadrukt hij - vertrekkende vanuit de wereld van onder andere dokters, wetenschappers en zakenlui - op onbarmhartige wijze. Gideon Kiefer voorziet zijn aan de werkelijkheid ontleende beelden van een eigen stempel om ze vervolgens terug te geven aan de wereld. Zo vat hij bijvoorbeeld met macht geassocieerde personages, weerkerend in een netwerk van lijnen die herinneren aan compositie- en perspectieflijnen en in die zin metafoor kunnen zijn voor structuur, orde en diepte, maar insgelijks ook kunnen worden ervaren als een kluwen, als een raster waarin het systeem dreigt verstrikt te raken. Kiefer confronteert de toeschouwer met de relativiteit van vrijheid en de tragiek van onmacht.

Tentoonstelling in Galerie Voss, Duitsland — © Willo Gonissen

WILLO GONNISSEN — The ship, the sea and the mountain, 2005

© Gideon Kiefer

GIDEON KIEFER — The Frontal Lobotomy Of Giovanni Di Nicolao Arnolfini

© Gideon Kiefer

GIDEON KIEFER — La Rencontre Ou Bonjour Monsieur van der Weyden

150 — 151

GIDEON KIEFER

— The Wall of Sleeping Children

GIDEON KIEFER


ACADEMIES BEELDENDE KUNST IN LIMBURG Visual Arts Academies in Limburg

Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten - Bilzen academie.bilzen.be

Stedelijke Academie voor Schone Kunsten - Hasselt

www.hasselt.be/nl/organisation/89/academie-voor-schone-kunsten.html

Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten - Heusden-Zolder © Stedelijke Academie voor Schone Kunsten, Hasselt

www.academie.be

Kunstacademie Maasmechelen www.kunstacademie-online.be

Noord-Limburgse Academie voor Beeldende Kunst (NIKO) - Neerpelt www.nikovzw.be

Academie Haspengouw - Sint-Truiden www.academiehaspengouw.be

Pentagoon Academie - Tongeren www.pentagoon.be

Academie van Genk Plastische Kunsten academie.genk.be

VeBeM (overkoepelende vereninging van de academies voor beeldende kunsten en media (audiovisuele kunsten) in Limburg)

© Gemeentelijke Academie voor Beeldende Kunsten, Heusden-Zolder

ACADEMIES

152 — 153

© Pentagoon Academie, Tongeren

© Stedelijke Academie voor Beeldende Kunsten, Bilzen

www.vebem.be


Het parcours van het beeldende kunstenbeleid in Limburg An Moons

Limburg is, zowel economisch als cultureel, een regio in transformatie. De laatste jaren positioneerde Limburg zich als dynamische, creatieve regio waar heel wat beweegt op artistiek vlak. Het mijnverleden en de perifere ligging werden ooit als obstakels voor culturele ontwikkeling beschouwd. Die tijd is definitief voorbij. De mijnsites vormen nu broeihaarden van creatieve ontwikkeling. De site van Waterschei werd zelfs geselecteerd als hoofdlocatie voor de Europese kunstbiënnale Manifesta die voor de negende editie het Limburgse mijnverleden als thema koos. Ook de parallelle events van Manifesta 9 op de andere mijnsites, zoals ‘Forces’ en ‘The Machine’ (Winterslag), ‘RE:Converse’ (Beringen), ‘High Voltage’ (Heusden-Zolder) en ‘GARTENCITY #1’ (Maasmechelen), beloven veel goeds. Zoals dit boek illustreert, verovert Limburg stilaan maar zeker een vaste plaats op de artistieke kaart in Vlaanderen, België, de Euregio en ver daarbuiten. In deze tekst beschrijven we het bij momenten moeizame maar boeiende parcours van het Limburgse beeldende kunstenbeleid. Het rijke Limburgse (hedendaagse) beeldende kunstenlandschap, dat het onderwerp vormt van dit boek, is deels organisch gegroeid uit jonge, artistieke krachten die een cruciale rol speelden bij de creatie van een artistiek netwerk. De beleidsimpact mag echter niet onderschat worden. De eerste decennia na WOII heerste er een culturele ‘laissez-faire-politiek’ die de beleidsverankering van beeldende kunsten afremde, maar ook de vrije ruimte creëerde om experiment en artistieke (talent)ontwikkeling mogelijk te maken.

The track of Limburg visual arts policy An Moons

Limburg is a region in transformation, both economically and culturally. The province of Limburg is positioning itself more and more as a dynamic, creative region in which many things are happening within the artistic field. The coal mining history and the peripheral location of Limburg were previously considered as barriers of cultural development. Nowadays, the mining locations are sites of creative development. The site of the former Waterschei mine is even selected as the main location of the European art biennial Manifesta. Also the parallel events of Manifesta 9 on the other mining locations, such as ‘Forces’ and ‘The Machine’ (Winterslag), ‘RE:Converse’ (Beringen), ‘High Voltage’ (Heusden-Zolder) and ‘GARTENCITY #1’ (Maasmechelen) are promising. As this book illustrates, Limburg is conquering a strong artistic position in Flanders, Belgium and far beyond. In this text we describe the difficult yet fascinating track of Limburg contemporary visual arts policy. The rich regional landscape of contemporary arts is partly shaped by young, artistic forces that play a crucial role in the creation of an artistic network in Limburg. Policy also played its part however, and its impact should not be underestimated. The first decades after World War II were characterized by a cultural ‘laissez-fairepolitics’, which, on the one hand, decelerated the local anchoring of visual arts but, on the other hand, created the free space to stimulate experiment and artistic development.

De jaren van de (her)opbouw: van het ‘Cultureel Verbond’ tot ‘artiestenherrie’ In 1938 kocht het provinciebestuur, onder stimulans van gouverneur Hubert Verwilghen, het Begijnhofcomplex. Het complex werd uitgebouwd tot een Provinciale Wetenschappelijke Bibliotheek met een tentoonstellingsruimte, door Ludo Raskin een ‘cultureel centrum avant la lettre’ genoemd1. De oorlog vertraagde de uitbouw. In afwachting werden de tentoonstellingen georganiseerd in de Hasseltse zaal ‘Onder de Toren’. Met de oprichting van de ‘Limburgse Federatie voor Beeldende Kunsten’ in 1945 werd het startschot gegeven van het naoorlogse beeldende kunstenbeleid. De Federatie werd opgericht als onderdeel van het Cultureel Verbond, dat verschillende culturele federaties groepeerde, en had als doel om "contacten tussen regionale kringen te stimuleren, aangesloten kunstenaars te steunen en aan te moedigen om binnen en buiten de provinciegrenzen te exposeren"2. Andere initiatieven uit die tijd waren de uitgave van het cultureel maandblad ‘De Tijdspiegel’ (1946) – de spreekbuis van het Cultureel Verbond – en de oprichting van de Provinciale Commissie voor Kunstambachten (1946) ter bevordering van de kunstambachten en (industriële) vormgeving. Met deze commissie werd een voedingsbodem gecreëerd voor design en de verankering van toegepaste kunsten in Limburg. Onder het bewind van gouverneur Louis Roppe vanaf de jaren ‘50 werd het breekpunt met het (oorlogs)verleden een feit en kreeg het kunstenbeleid meer structureel vorm. In 1952 werd de ‘Provinciale Prijs voor Schone Kunsten’ geïntroduceerd en in 1954 richtte Limburg een ‘Limburgse Culturele Raad’ op. Binnen de provincie werd in 1953 ook een ‘Provinciale Culturele Dienst’3 opgericht voor de promotie van Limburgse cultuur. De Dienst stond in voor de begeleiding van Limburgse culturele initiatieven en de ontwikkeling van nieuwe acties, zoals tentoonstellingen, wedstrijden, de aankoop van kunstwerken en een verdere uitbouw van de Commissie voor Kunstambachten. Deze dienst, later ook Directie Cultuur genoemd, vormde een stuwende kracht achter het huidig productiebeleid.

154 — 155

De zaal ‘Onder de Toren’ deed in de jaren ’50 nog dienst als tentoonstellingsruimte. Eén van de meest spraakmakende tentoonstellingen daar was ‘De Mijn’ in 1951. Deze tentoonstelling toonde werk van de laureaten van een wedstrijd georganiseerd door de Federatie voor Beeldende Kunsten, naar aanleiding van 50 jaar ontdekking van steenkool in Limburg. Een niet-Limburgse jury selecteerde uitsluitend jonge kunstenaars die wars waren 1 Raskin, Ludo (2004). Een Eeuw Beeldende Kunst in Limburg. Hasselt: Provincie Limburg. 2 http://www.hemotech.be/belisch/pages/site/databank.html#DEMIJN 3 De Dienst Cultuur werd achtereenvolgens geleid door Albert Dusar, Ludo Raskin, Jean-Paul Coenen en JeanPierre Dewael. Momenteel is er geen afzonderlijke Directeur Cultuur meer en valt de Beleidscel Cultuur onder de bevoegdheid van de directeur Mens Tom Van Thienen.

The years of (re)construction: from the ‘Cultural Covenant’ to ‘The Mine’ project In 1938, the province bought the ‘Beguinage Complex’ in Hasselt. The complex was transformed into a Provincial Scientific Library, including also an exhibition space. World War II slowed down the development of the ‘Beguinage Complex’. Until the opening of the new exhibition space, exhibitions took place in the exhibition hall ‘Onder de Toren’ in Hasselt. In 1945, the ‘Limburg Federation of Visual Arts’ was established as a part of the ‘Cultural Covenant’ that grouped several cultural federations. The aim of the Federation was to stimulate contacts between regional art associations and to support artists to exhibit outside Limburg. Other initiatives at that time were the publication of the monthly cultural magazine ‘De Tijdspiegel’ (‘Time Mirror’) (1946) and the establishment of the ‘Provincial Commission for Art Crafts’ (1946) to promote art crafts and (industrial) design. In 1952, the ‘Provincial Award for Fine Arts’ was introduced and in 1954 the province pitched a ‘Limburg Cultural Board’. In 1953, the ‘Provincial Cultural Department’ was established for the promotion of Limburg culture. The department was responsible for the assistance of regional cultural initiatives and the development of new actions such as exhibitions, contests, the acquisition of artworks and a further development of the ‘Commission for Art Crafts’. One of the most revolutionary exhibitions at that time was ‘The Mine’ project in 1951. This exhibition showed work of laureates of a contest organized by the ‘Federation of Visual Arts’. An external jury (i.e. from outside Limburg) exclusively selected young artists that rejected traditional painting. The selection caused a cultural shock throughout Limburg. ‘The Mine’ led to a cultural breaking point whereby a new generation of artists were threatening the power position of elder generations. It became clear at that moment that there was room for avant-garde art in Limburg.


van landschapsschilderkunst. Deze selectie deed de Limburgse kunstwereld op haar grondvesten daveren. In Het Belang van Limburg van 18 februari 1951 werd in een artikel over ‘De Mijn’ gesproken van ‘een schok der ideeën’, ‘artiestenherrie’ en zelfs ‘een dreiging van haarkepluk’. ‘De Mijn’ zorgde voor een breekpunt, waarbij een nieuwe generatie van kunstenaars de macht overnam, tot groot ongenoegen van de oudere generatie. Dat deze tentoonstelling zo’n revolutie zou veroorzaken had ook de Federatie nooit durven denken. Het werd toen al duidelijk dat er in het perifere Limburg ruimte was voor avant-garde kunst.

156 — 157

HET PARCOURS VAN HET BEELDENDE KUNSTENBELEID IN LIMBURG

Van een receptieve koers tot ‘avant-garde’ kunstbewegingen Een grote lacune in die tijd was het gebrek aan een Limburgse kunstonderwijsinstelling als artistieke voedingsbodem. Als antwoord hierop, richtte de Provincie in 1955 de ‘Provinciale Technische School voor Ambachtelijke Kunsten en Bouwkundig Tekenen’ op. Deze school kreeg later de naam ‘Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur en Toegepaste Kunsten’, daarna beter bekend als het ‘PHIKO’ (Provinciaal Hoger Instituut voor Kunstonderwijs) en het ‘PHAI’ (Provinciaal Hoger Instituut voor Architectuur). Het PHIKO, nu ‘MAD-Faculty’, is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van hedendaagse kunst in Limburg. In 1958 werd op de Begijnhofsite de nieuwe Vleugel van architect Gustaaf Daniëls opgetrokken. ‘Vleugel ’58’ werd geopend in 1959 en zou een streekmuseum (historische en heemkundige collectie van het Provinciaal Museum), een museum voor moderne kunst en een mijnmuseum bundelen. Omwille van budgettaire beperkingen bleef een collectievorming uit. De werking beperkte zich tot tentoonstellingen van moderne en actuele kunst. De activiteiten van ‘Onder de Toren’ werden stapsgewijs overgeheveld naar de nieuwe vleugel. In de daaropvolgende jaren kunnen we bezwaarlijk spreken van een actief beleid dat zich richtte op de verankering van beeldende kunsten. Niet vreemd hieraan was de specifieke Limburgse context die gekenmerkt werd door de excentrische en perifere ligging ten opzichte van de culturele driehoek Brussel-Antwerpen-Gent, de (kunst)onderwijsachterstand, de late industriële (mijn)ontwikkeling en het ontbreken van een grootstedelijke context met een eigen kunsttraditie en grootstedelijke infrastructuur. Het Limburgse cultuurbeleid bestond in die periode noodgedwongen uit het nemen van eigen initiatieven via eigen instellingen. Met de werking van het Begijnhof werden geen potten gebroken. Het museum opteerde in de jaren ’60 voor een receptieve koers en een (kwalitatief en geografisch) breed aanbod om het gebrek aan andere tentoonstellingsruimten op te vangen.

The rise of ‘avant-garde’ art movements Still an important gap at that time was the lack of a provincial art education institution providing a crucial artistic foundation. In 1955, the Province established a provincial higher education department for arts and architecture in Hasselt (PHIKO and PHAI). The school was, together with the media and design academy of Genk (SHIVKV), very influential in further developing contemporary art in Limburg. In 1959, the new building ‘Vleugel ‘58’ (Wing ’58) was opened at the ‘Beguinage Complex’. ‘Vleugel ‘58’ bundled a museum for modern art, a mine museum and a local history museum. Because of budgetary constraints the museum’s actions were restricted to exhibitions of modern and contemporary art. The activities of the exhibition space ‘Onder de Toren’ were transferred step by step to the ‘Vleugel ’58’. The specific regional context, characterized by Limburg peripheral location, its late industrialisation, the slow educational development and the lack of a metropolitan context, slowed down the further development of visual arts policy and activities at the ‘Beguinage Complex’. The provincial cultural policy was restricted to supporting initiatives through its provincial institutions such as the Provincial Museum. The Museum however followed a rather conservative, receptive approach. The art scene itself was more revolutionary. Formerly, it almost exclusively consisted of local art associations, represented by the Federation. From the sixties onwards, some revolutionary art movements emerged that consisted of former students of the PHIKO. The most famous art groups at that time were the ‘Helikon Group’ and the ‘Research group Hasselt’. The members of the Helikon Group (1961-1969) 1 exhibited their own work and contemporary art works of (inter) national artists in their ‘Helikon’ gallery in Hasselt. Until the mid sixties the Helikon Group was considered to be the only organization in Limburg that closely followed developments within the domain of contemporary art. The other revolutionary art group, ‘Research Group Hasselt’ 2 (1967-1972), broke with traditional art concepts and aimed to connect with innovative avant-garde pop art and conceptual art. During the sixties and seventies, several artist movements and avant-garde galleries were funded in the region. In 1969, the ‘Limburg Cultural Board’ was transformed into the ‘Limburg Board for Culture’. From that moment on, it also included a ‘visual arts’ commission. The board developed a rather progressive code with regard to the integration of artworks in new provincial buildings. With a view to the 1 The Helikon Group consisted of Pierre Cox, Paule Nolens, Lucienne Porta, Robert Vandereycken, Walter Vilain, Armand Van Rompaey and Ray Remans. 2 The Research Group consisted of Vincent Van den Meersch and his former students Hugo Duchateau, Hélène Keil, Jos Jans, Jan Withofs and Dré Sprankenis.

Dit stond in schril contrast met de kunstscène zelf. Voorheen bestond deze vooral uit lokale kunstkringen, vertegenwoordigd door de Federatie. Vanaf de jaren ‘60 kwam hier verandering in. Deze evolutie werd mee mogelijk gemaakt door het PHIKO waar jong talent zich, los van remmingen en tradities, kon ontplooien. De bekendste kunstbewegingen uit die tijd waren de ‘Helikon Groep’ en de ‘Research Group Hasselt’. De leden van de Helikon Groep4 (1961-1969) brachten in hun Hasseltse galerij ‘Helikon’ het publiek in contact met eigen werk en met eigentijdse kunst van (inter)nationale kunstenaars. Tot midden jaren ’60 werd de Helikon Groep beschouwd als enige Limburgse organisatie die de ontwikkelingen inzake hedendaagse kunst op de voet volgde. De andere vooruitstrevende kunstbeweging ‘Research Group Hasselt’ (1967-1972), bestaande uit Vincent Van den Meersch en zijn oud-leerlingen5, doorbrak traditionele kunstopvattingen en zocht aansluiting bij vernieuwende avant-garde popart en conceptuele kunst. Het provinciebestuur – in het bijzonder Albert Dusar, Ludo Raskin en Urbain Mulkers – speelde hierbij een niet te miskennen stimulerende rol. In 1970 zette de Research Group een tentoonstelling op in het Begijnhof waarmee ze nationaal furore maakte. In die jaren ontstonden er diverse avant-garde kunstenaarsgroepen en galerijen. Naast de stromingen rond de kunstschool in Hasselt en ondertussen ook het ‘Shivkv’ in Genk (Stedelijk Hoger Instituut voor Visuele Kommunikatie en Vormgeving) ontstond er een beweging van kunstenaars in en rond Leopoldsburg6, waar de militaire aanwezigheid zorgde voor een geëmancipeerde en kosmopolitische sfeer.

societal anchoring of (contemporary) art, artworks had to be more visible in society, in daily life, and in provincial buildings in order to stimulate audience participation. Nonetheless, it still took 20 years to establish a large-scale approach of art integration in provincial buildings. In 1973 the ‘Limburg School’ was established, consisting of most members of the Research School complemented with new, emerging artists 3. Unfortunately, the different members went their own way, leading to the school’s disappearance.

In het provinciehuis bleef het in die periode relatief rustig. In 1969 werd de Culturele Raad herdoopt tot de ‘Limburgse Raad voor Cultuur’ met ook een commissie beeldende kunsten. De raad ontwikkelde een vooruitstrevend reglement voor de integratie van kunstwerken in nieuwe provinciale gebouwen. Met het oog op verankering binnen de samenleving, moest kunst meer in het straatbeeld verschijnen en publieksbetrokkenheid stimuleren. Het duurde nog wel tot eind jaren ’80, begin jaren ‘90 vooraleer van een grootschalige aanpak van kunstintegratie sprake was. In 1973 ontstond, als afgeleide van de Research Group en onder impuls van Ludo Raskin, de ‘Limburgse School’. Deze bestond uit bijna alle leden van de Research School, uitgebreid met opkomende kunstenaars7. Jammer genoeg was ze geen lang leven beschoren want al snel gingen de kunstenaars hun eigen weg. 4 De Helikon Groep bestond uit Pierre Cox, Paule Nolens, Lucienne Porta, Robert Vandereycken, Walter Vilain, Armand Van Rompaey en Ray Remans. 5 De Research Group bestond uit Vincent Van den Meersch en zijn oud-leerlingen Hugo Duchateau, Hélène Keil, Jos Jans, Jan Withofs en Dré Sprankenis. 6 Jef Geys, Liliane Vertessen en Piet Stockmans behoorden tot deze groep. 7 De Limburgse School bestaat uit: Vincent Van den Meersch, Hugo Duchateau, Hélène Keil, Jos Jans, Jan Withofs, Piet Stockmans, Ado Hamelryck, Gido Vanlessen, Rik Coolen, Urbain Mulkers en Tejo Van den Broeck.

3 The members of the Limburg School were Vincent Van den Meersch, Hugo Duchateau, Hélène Keil, Jos Jans, Jan Withofs, Piet Stockmans, Ado Hamelryck, Gido Vanlessen, Rik Coolen, Urbain Mulkers and Tejo Van den Broeck.


158 — 159

HET PARCOURS VAN HET BEELDENDE KUNSTENBELEID IN LIMBURG

Vleugel ‘58 binnen een context van culturele autonomie en spreiding De bescheiden pogingen die in de jaren ’60 en ’70 ondernomen werden om de beeldende kunsten beleidsmatig te verankeren, zoals de Limburgse School, waren zonder blijvend resultaat. Dit was niet alleen toe te schrijven aan een beperkte beleidsbelangstelling en het ontbreken van een grootstedelijke omgeving. De Vlaamse context van culturele autonomie en democratisering was zeker zo bepalend. De jaren ’70 kenmerkten zich door een doorgedreven uitbouw van instellingen als onderdeel van een spreidingsbeleid. Omwille van het verdwijnen van de tot dan toe vooral particulier geëxploiteerde infrastructuur, nam de nood aan onderdak voor cultuur eind jaren ’60 toe. Frans Van Mechelen, Minister van Nederlandse Cultuur, bouwde begin jaren ’70 in snel tempo cultuurcentra in Vlaanderen. Volgens de minister zou elk gezin, elke woning een cultureel centrum moeten worden. Deze visie illustreerde het grote 'spreidingsideaal' van die tijd. Centraal stond het streven naar een kwaliteitsvol en gediversifieerd aanbod, optimaal gespreid in tijd en ruimte en gericht op participatieverhoging. Ook cultureel Limburg ontsnapte niet aan deze spreidingsmanie. Via cultuurcentra kregen lokale kunstenaars de kans om hun werk aan een breed publiek te tonen en zo ook bij te dragen tot het nobele doel van ‘volksverheffing’.

Vleugel ’58 within a context of cultural autonomy and democratisation The modest attempts in the sixties and seventies to anchor visual arts into regional policy were not very successful, which can be partly explained by the Flemish context of cultural autonomy and democratization. The seventies were characterized by an excessive development of institutions in support of a cultural ‘diffusion policy’. Because of the disappearing of private infrastructure, the need for cultural accommodation increased at the end of the sixties. Frans Van Mechelen, Minister of Culture, was responsible for building at high speed so-called ‘culture centres’ in Flanders at the beginning of the seventies. The aim was to stimulate a qualitative and diversified cultural supply, optimally spread in time and space and aimed at audience participation. Also Limburg could not escape this trend towards dispersion and more institutions. Via culture centres local artists could exhibit their artworks, leading to ‘people’s elevation’. The ‘Beguinage Complex’ kept its position as the regional ‘place to be’ for contemporary art. By means of (inter)national cooperation and exchange, regional artists could show their work outside the province and visitors had the chance to get to know the international art scene. The exhibitions at the ‘Beguinage Complex’ were increasingly focusing on the international art scene. But not everyone could appreciate this stubborn, progressive approach. The Provincial Museum was criticized for paying no attention to young, local artists and of being too avantgarde and internationally oriented. In addition, it was accused of nepotism in favouring the descendants of the international avant-garde and the art trade. A lot of local artists had to search for other exhibition outlets to show their work. Several actors in the field of visual arts also regretted the lack of a structured art collection. To bridge this gap a group of art lovers founded the association CIAP. The call for local anchoring of visual arts was obvious. It is therefore not surprising that in 1987 the ‘Limburg Board for Culture’ was transformed into the ‘Limburg Board for Cultural Policy’ (LRC) and that the visual arts were integrated in the commission ‘cultural conservation and arts’.

Binnen de Begijnhofmuren bleef men redelijk gevrijwaard van deze spreidingsmanie. Het Begijnhof bleef dé Limburgse ankerplaats voor alles wat met vooruitstrevende beeldende kunst te maken had. Via (inter)nationale samenwerking en uitwisseling kregen Limburgse kunstenaars de kans hun werk buiten de provincie te tonen en kwamen bezoekers in contact met de internationale kunstscène. De tentoonstellingen in het Begijnhof werden steeds meer toegespitst op het internationale kunstgebeuren. Het museum bouwde hiermee vanaf 1975 een mooi palmares op dat buiten de Limburgse grenzen gelauwerd werd. Maar niet iedereen kon de eigenzinnige, vooruitstrevende stempel van het Begijnhof appreciëren. Volgens critici was er onvoldoende aandacht voor jonge, lokale kunstenaars. Het Begijnhof zou té avant-garde, internationaal en op zichzelf gericht zijn en verdacht worden van vriendjespolitiek ten goede van de ‘epigonen van de In the eighties, the stubborn, dynamic ‘centipede’ of the Department of Culture, Jan Kenis (1951-1997), internationale avant-garde’ en kunsthandel. Een citaat uit het artikel ‘Kunst in ’t Begijnhof: het verraad der klerken’ in De Nieuwe Hasselaar van april 1981 illustreert de kritiek: “In het hoogmoedig kunstcenakel van het Hasseltse Begijnhof wordt het provinciaal kunstambt gedreven door stijlvolle ambtenaren achter dito bureaus in een afgetrokken lucht van kunstboeken, kunstgeschiedenis, marktprijzen en makelaars. Zij houden zich ijverig bezig met voornamelijk het promoten

put his progressive stamp on the cultural policy in Limburg.4 Kenis was responsible for the Commission for Art Crafts since 1982. He aspired to reach a broader audience for progressive art and culture. 4 Recently, a Kenis Group was founded consisting of Limburg opinion makers and cultural representatives among which Z33 director Jan Boelen. Inspired by the critical mind and enthusiasm of Kenis, this group aims to stimulate reflection and action within the field of arts and culture aimed at the creation of a broad and strong artistic basis for arts and culture in Limburg.

van avant-garde-kunst en zeg maar loze experimenten.” Veel lokale kunstenaars moesten elders, in cultuurcentra, onderdak zoeken voor hun werk. Ook het feit dat Limburg niet over een museum met een gestructureerde collectievorming beschikte, werd betreurd. Om aan deze lacune tegemoet te komen, richtten verschillende kunstliefhebbers in 1976 de vereniging voor Culturele Informatie en Actueel Prentenkabinet (CIAP) op. De roep naar beleidsverankering van lokale beeldende kunsten was groot. Het is dan ook geen toeval dat in 1987 de Limburgse Raad voor Cultuur werd herdoopt tot de Limburgse Raad voor Cultuurbeleid (LRC) en dat de beeldende kunsten werden opgenomen in de commissie cultuurconservering en kunsten. In de jaren ’80 drukte de eigenzinnige, dynamische duizendpoot van de Dienst Cultuur, Jan Kenis (1951-1997), zijn vooruitstrevende stempel op het Limburgse cultuurbeleid.8 Kenis was sinds 1982 verantwoordelijk voor de Commissie voor Kunstambachten. Hij beoogde een breder publiek voor vooruitstrevende kunst en cultuur in Limburg te bereiken. "Ik heb geen zin om pro forma iets te doen, om te fungeren als een bloempot in een lege ruimte. Want trippelen door de witte zalen kan iedereen”, aldus Kenis.9 Onder zijn invloed verschoof de aandacht van de Commissie voor Kunstambachten van traditionele kunstambachten naar toegepaste kunsten. In het Begijnhof werden projecten rond vormgeving van wereldniveau opgezet. In 1983 organiseerde de Commissie, in samenwerking met Jenny Meirens, in Brussel de tentoonstelling ‘Jonge Limburgse modeontwerpers’. Dit project betekende de nationale doorbraak van ontwerpers zoals Marina Yee, Dirk Bikkembergs en Martin Margiela. Na het vertrek van Jan Kenis ontstond er een leemte op vlak van toegepaste kunsten. Op initiatief van de Dienst Cultuur werden mensen uit het toegepaste kunstenveld, waaronder de initiatiefnemers van IDEM en Labo, samengebracht in een adviesgroep voor initiatieven rond vormgeving. Hun belangrijkste realisatie was de inrichting van de wedstrijd ‘Toegepast’ in 1996 die de Provinciale Prijs voor Kunstambachten (geldprijs) moest vervangen. Toegepast voorzag in een nieuwe formule waarbij afgestudeerden van Limburgse ontwerpopleidingen een beurs kregen om nieuw werk te maken onder begeleiding van een zelfgekozen ‘peter’. De winnaars mochten dit werk, hun afstudeerwerk en het werk van de ‘peter’ tentoonstellen in het Begijnhof.

8 Recentelijk werd er een Kenisgroep opgericht, bestaande uit Limburgse opiniemakers en culturele vertegenwoordigers waaronder huidig Z33-directeur Jan Boelen. Geïnspireerd door de kritische geest en het enthousiasme van Kenis wil deze groep reflectie en actie stimuleren op vlak van kunst en cultuur gericht op een sterke artistieke voedingsbodem en breed draagvlak voor kunst en cultuur in Limburg. 9 http://www.kenisgroep.be/wie-is-jan-kenis.htm

Under his influence the attention of the Commission moved from traditional art crafts to applied arts. Top applied arts projects were set up at the ‘Beguinage Complex’. In 1983, the Commission organized, together with Jenny Meirens, an exhibition with young Limburg fashion designers in Brussels. This project resulted in the national breakthrough of designers such as Marina Yee, Dirk Bikkembergs and Martin Margiela. The departure of Jan Kenis quickly caused a gap in the field of applied arts. Therefore, the Department of Culture founded an advisory group that consisted of several actors from the applied arts sector, among which the initiators of IDEM and Labo. Their most important realization was the establishment of the contest ‘Toegepast’ in 1996 that had to replace the ‘Provincial Award for Art Crafts’. ‘Toegepast’ provided for a new formula whereby graduates of applied arts schools in Limburg received a grant to create new artwork under the guidance of a coach. The winners of ‘Toegepast’ received the opportunity to exhibit their new work, their graduation project and the artworks of the coach in the ‘Beguinage Complex’.


160 — 161

HET PARCOURS VAN HET BEELDENDE KUNSTENBELEID IN LIMBURG

Tijd voor herbronning: naar een meer ‘productiegericht’ meerwaardebeleid Midden jaren ’90 werd het instellingsbeleid steeds meer uitgehold. De provincie werd als intermediair bestuursniveau gedwongen tot een globale, coherente, strategische visie gericht op cultuurspreiding én -productie alsook op hun onderlinge relatie. Deze visie werd mee bepaald door het kerntakendebat tussen de provincies en de Vlaamse overheid en een veranderend Limburgs cultuurlandschap. Ook het gebrek aan structurele, professionele productiekernen noodzaakte een andere, meer productiegerichte aanpak. Tot dan lag de focus op spreiding via geografisch verspreide cultuurcentra. In de jaren ’60, ‘70 en ’80 overheerste een ‘zelf doen’-beleid (eigen activiteitenbeleid), gericht op het wegwerken van ‘geografische witte vlekken’. Midden jaren ’90 evolueerde men naar een impulsbeleid waarbij andere actoren gestimuleerd werden tot een gediversifieerde, kwaliteitsvolle kunstproductie. Hierbij primeerde het ‘doen doen’ (ondersteuningsbeleid) op het ‘zelf doen’.10 Voortaan ging de aandacht naar het wegwerken van ‘inhoudelijke witte vlekken’. Het provinciaal activiteitenbeleid moest beperkt blijven tot provinciale instellingen. Een productiebeleid omvatte ook financiële en logistieke steun en begeleiding van jong, creatief talent, dat voorheen aangewezen was op voorzieningen in andere provincies. De beleidsmatige aandacht verschoof van receptieve cultuurspreiding via cultuurcentra naar cultuurproductie via professionele productiekernen. Desalniettemin bleef de situatie in Limburg precair. Productieondersteuning beperkte zich tot projectmatige steun op korte termijn. Het aantal organisaties dat structureel met kunstproductie bezig was, bleef beperkt. Bovendien bevonden deze zich verspreid over de provincie, was er weinig tot geen interactie en beschikte geen enkele Limburgse stad over een alomvattende culturele infrastructuur, met sterke versnippering tot gevolg. Door de geringe productiekansen en –structuren zette de artistieke braindrain zich voort. Het feit dat de Vlaamse subsidiestromen zeer onevenwichtig verspreid waren over de provincies, kwam deze situatie niet ten goede. Toen bleek al dat de grootstedelijke benadering van de Vlaamse reglementering niet beantwoordde aan de Limburgse context. Een situatie die ons vandaag nog parten speelt en steeds meer een positieve discriminatie legitimeert. In 1994 ging het ‘Centrum voor Kunsten’ van start met als uitvalsbasis het Begijnhof. Het (multidisciplinaire) centrum beoogde de ontwikkeling van nieuwe concepten rond cultuurproductie en centrumwerking om het kunstleven in Limburg te stimuleren. Haar werking omvatte twee pijlers: 1) productieondersteuning via 10 Via het label ‘Brandend Cultureel’ (1997) bijvoorbeeld werd een kwaliteitslabel toegekend aan erkende cultuurcentra die bijzondere voorstellingen programmeerden.

Period of revitalization: towards a more ‘productionoriented’ policy In the nineties the institutions policy was increasingly reduced. As an intermediary level the province was forced to develop a global, coherent, strategic approach aiming at cultural diffusion and production and on their mutual relationship. This reorientation was also influenced by the debate on the task division between Flanders, the provinces and the cities. In addition, the lack of structural, professional production centres necessitated another, more productionoriented, approach. In the sixties, seventies and eighties a provincial ‘activity policy’ dominated to eliminate ‘geographical gaps’. During the nineties, policy moved to a ‘supporting policy’ that stimulated other cultural actors to contribute to a diversified, qualitative art production, and to eliminate ‘gaps with respect to content’. The provincial activity policy had to be restricted to provincial institutions. A production policy also involved financial and logistical support and the coaching of young, creative talent. In sum, policy moved from a ‘receptive cultural diffusion’ approach via culture centres to a ‘cultural production’ approach via professional production centres. Nevertheless, the situation in Limburg remained critical. Production support was limited to project-related support on the short term. The number of organizations structurally engaged in art production was still very small. Moreover, there was no concentration of production initiatives and the province was still missing a city with a comprehensive cultural infrastructure. Due to the restricted production opportunities and structures the artistic ‘brain drain’ continued. The fact that Flemish funding streams were unevenly distributed throughout Flanders was not beneficial either. In 1994, the ‘Centre for Arts’ was founded at the ‘Beguinage Complex’. The (multidisciplinary) centre aimed to develop new concepts of cultural production to stimulate the art scene in Limburg. The Centre focused on production support via the gallery and workshops, and proper programming via exhibitions in the ‘Provincial Museum’. Hardly a year later, the scope of the Centre was narrowed to visual arts with attention to both autonomous and applied arts and to production support, diffusion, training and events. In 1996, the ‘Provincial Museum’ and the ‘Centre for Arts’ merged into the ‘Provincial Centre for Visual Arts’ (PCBK). The start of the PCBK was very difficult. The cooperation of PCBK with the regional art field was too ad hoc and project-related. It failed to stimulate and continue the concentration of visual arts initiatives in Hasselt. In addition, the PCBK did not have a clear image, profile and collection policy. The Centre provided support for young artists but mostly by means of subsidies, exhibition projects and a production office.

onder meer de galerij en workshops en 2) eigen programmering via tentoonstellingen in het Provinciaal Museum. Amper een jaar later werd de werking verengd tot beeldende kunsten met zowel aandacht voor vrije als toegepaste kunsten en gericht op productieondersteuning, spreiding, vorming en evenementen. In 1996 ontstond uit de fusie tussen het Provinciaal Museum en het Centrum voor Kunsten het ‘Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten’ (PCBK). Hiermee werd een periode ingeluid van trial & error, machtswissels en herbronning. Het PCBK ondervond een moeilijke start en herpositionering. De opzet was om een werking uit te bouwen met meerwaarde voor het cultuuraanbod en productieklimaat in Limburg. Maar het PCBK kreeg de kritiek te geïsoleerd te werken. Het centrum onderhield wel contacten met het werkveld maar op een zeer ad hoc en projectmatige wijze. Het slaagde er onvoldoende in om de geringe concentratie van beeldende kunstinitiatieven in Hasselt structureel te stimuleren en bestendigen. Bovendien had het PCBK geen duidelijk imago, profiel, inhoudelijke invulling en collectiebeleid. De werking beperkte zich tot een ‘vrijblijvende kunsthal voor hedendaagse beeldende kunst’ met een klein draagvlak en publiek. Er werd ondersteuning geboden aan (jonge) kunstenaars maar vooral via subsidies (‘subsidiëring van bijzondere projecten hedendaagse kunsten’), galerijtentoonstellingen en een productiebureau. Het was 5 voor 12 en hoog tijd om actie te ondernemen. De kloof tussen het aanbod en het publiek en tussen cultuurproductie en -spreiding moest dringend gedicht worden. Er moest een globale beleidsaanpak ontwikkeld worden, gericht op meer spontane cultuurproductie én op de cultuurconsument. De uitdaging voor het provinciebestuur bestond erin om meer een beleidsniveau te worden en minder een inrichtende macht van instellingen. Het ‘doen doen’ beleid moest meer centraal komen te staan. De rol van de provincie werd meer ondersteunend en coördinerend via de platformwerking, adviesverstrekking en een structureel ondersteuningsbeleid. Het streefdoel was de ontwikkeling van een omgeving waarin kunstdisciplines mekaar positief inspireerden en waarin creativiteit en jong talent werden gestimuleerd. In 2002 werd het Platform Beeldende Kunsten Limburg opgericht als samenwerkingsverband tussen de provincie en de organisaties CIAP, FLACC (Flanders Art and Crafts Center), NICC-Limburg (Nieuw Internationaal Cultureel Centrum) en het PCBK. De platformwerking omvatte een inhoudelijke en organisatorische samenwerking tussen professionele organisatoren gericht op krachtenbundeling. Tevens werd hiermee een kader gecreëerd met ruimte voor innovatie, experiment, eigen productie- en talentontwikkeling. Het platform beoogde overleg, meer publieksdoorstroming naar de partners en productionele ontwikkelingen via ‘FreeSpace’ waarmee er ruimte geboden werd aan beeldende kunstenaars.

The precarious situation required a comprehensive policy approach aimed at more spontaneous cultural production and consumption. The challenge for the province was to become a ‘policy level’, in terms of undertaking supporting and coordinating actions, instead of being a ‘provider of institutions’. The target was to develop an enabling and inspiring environment in which creativity and young talent were stimulated. In 2002 the ‘Platform for Visual Arts Limburg’ was founded as a partnership between the province and the organizations CIAP, FLACC (Flanders Art and Crafts Centre), NICC-Limburg (New International Culture Centre-Limburg) and the PCBK. The platform involved cooperation between professionals in order to join all forces and to create free space for innovation, experiment, production and talent development.


162 — 163

HET PARCOURS VAN HET BEELDENDE KUNSTENBELEID IN LIMBURG

Van het PCBK naar Kunstencentrum Z33 De nieuwe globale beleidsaanpak impliceerde nieuwe accenten, nieuwe werkterreinen en nieuwe speerpunten. Eén van de speerpunten was het PCBK. Een inhoudelijke en infrastructurele evaluatie van het PCBK resulteerde in een nieuwe visie op de werking en programmering. Aandachtspunten hierbij waren een geïntegreerde visie op het museum en de Begijnhofhuisjes als één groot tentoonstellingscomplex, prioritaire aandacht voor productieondersteuning, een mix van een hoogstaand kunstenaanbod en ‘sublieme beeldvorming’ en ruimte voor tentoonstellingen met gastcuratoren. Het PCBK moest openstaan voor kunstenaars en professionals die in opperste vrijheid wilden experimenteren, maar moest zich ook openstellen voor het brede publiek. Het Begijnhof was met haar tentoonstellingsruimtes één van de mooiste en strategisch best gelegen locaties om een eigen provinciaal aanbod te realiseren. Een heroriëntatie naar vormgeving als nieuw accent, met aandacht voor hedendaagse beeldende kunsten, zou de Begijnhofsite en de provincie een uniek en complementair profiel kunnen bieden. Deze heroriëntatie naar toegepaste kunsten was niet verwonderlijk, gegeven de Limburgse traditie op dat vlak. De herbronning en heroriëntatie leidden tot het ontstaan van Kunstencentrum Z33 (Zuivelmarkt 33). De boeiende maar complexe taak van de Z33-leiding – Jan Boelen (artistiek) en Steven Dusoleil (zakelijk) – bestond erin om een provinciaal centrum voor vormgeving uit te bouwen dat het instrument zou vormen van het Limburgs beleid rond toegepaste en beeldende kunsten. Een uitdaging voor Z33 was om de wereld van toegepaste kunsten te laten interageren met die van de autonome hedendaagse kunsten, en hierbij een breed cultureel publiek aan te spreken. Zowel de huisjes als Vleugel ’58 werden hierbij aangewend. Er werd een beleidsplan voor 2002-2006 opgesteld met twee opdrachten: 1) de ontwikkeling van een provinciaal beleid rond hedendaagse, beeldende kunst en vormgeving en 2) de uitbouw van een presentatie- en kenniscentrum rond actuele kunst, media en design. Vanaf 2002 brengt Z33 projecten die zich op het snijvlak van (nieuwe) media, vormgeving en actuele beeldende kunst bevinden en die bezoekers stimuleren op een alternatieve manier naar alledaagse dingen te kijken. Met deze invalshoek plaatst Z33 zich buiten het klassieke beeldende kunstencircuit en bekleedt ze een vrij unieke positie binnen Vlaanderen en de Euregio. In de daaropvolgende jaren werd het uitgetekende beleid voortgezet. Centraal stond het verhogen van de kwaliteit en complementariteit van het aanbod, evenals de ondersteuning van jong en talentvol productie-initiatief. Er werd een subsidiebeleid geïnitieerd gericht op meerwaarde, vernieuwing en een bovenlo-

From the PCBK to the Arts Centre Z33 The new, comprehensive policy approach implied new accents, new spearheads and new work areas. The PCBK was one of the spearheads. An evaluation of the PCBK resulted in a new view on its functioning and programming. Points of interest were an integrated approach of the ‘Beguinage Complex’ as one big exhibition complex, attention to production support, a mix of a distinguished art programming and ‘sublime imaging’, a space for exhibitions of guest curators and openness to experimental artists and the broader audience. One of the trumps of the ‘Beguinage Complex’ was its beautiful and strategic location. A reorientation towards design with attention to contemporary visual arts could offer the complex a unique and complementary profile. This reorientation toward applied arts was not a surprise, given the regional tradition in that field. The revitalization and reorientation resulted in the rise of the Arts Centre ‘Z33’ (Zuivelmarkt Z33). The exciting but complex task for the Z33 management – Jan Boelen (artistic) and Steven Dusoleil (business) – comprised the development of a provincial centre for design. A challenge for Z33 was to stimulate interaction between applied and autonomous arts and to appeal to a broad cultural audience. The policy plan (2002-2006) mentioned two assignments: 1) the development of a provincial policy on contemporary, visual arts and design; and 2) the development of a presentation and knowledge centre on contemporary art, media and design. The aim of Z33 is to offer the audience an alternative way to look at ordinary things. This approach is rather exceptional within a Flemish and Euregional context.

kale werking. Z33 slaagde er vrij snel in om zich te verankeren in het Vlaamse Kunstendecreet. Dit was uitzonderlijk als Limburgse organisatie. Aan het begin van de 21ste eeuw kende Limburg nog heel wat ‘witte vlekken’. Via de initiatie van de Vlaamse impulssubsidies door Minister Van Grembergen probeerde men deze vlekken te verhelpen om een inhaalbeweging te maken op vlak van cultuurproductie. Deze subsidies, waarvan onder meer CIAP en het Platform Beeldende Kunsten Limburg konden genieten, moesten een impuls geven aan kwaliteitsvolle en duurzame culturele initiatieven. Het doel was om via investeringen kunstenaars en culturele organisaties op een termijn van drie jaar de mogelijkheid te bieden zich decretaal te verankeren (Kunstendecreet 2006) of op zichzelf te functioneren. De recente zorgwekkende preadviezen voor de structurele Vlaamse subsidies illustreren dat deze verankering nog steeds geen evidentie is. De perifere ligging, het gebrek aan een grootstedelijke context en de beperkte schaalgrootte maken een Vlaamse doorbraak zeer moeilijk. Zeker binnen een context waarbij kleine spelers als eerste slachtoffers sneuvelen binnen besparingsgolven, zijn de Limburgse kunstinitiatieven zeer kwetsbaar. Anno 2012: samen alles op talent! Het actuele cultuurbeleid omvat drie speerpunten: kansen aan talent, krachtenbundeling en onderscheidende projecten. De verdere uitbouw van Z33, onder meer op vlak van kunst in de open ruimte, en een tweedelijnsbeleid gericht op meerwaarde en ondersteuning van beeldende kunstenorganisaties staan hierbij centraal. Talentontwikkeling vormt één van de prioriteiten in het huidige beleid. Beloftevol talent moet optimale kansen krijgen voor doorgroei en ontwikkeling. Eind 2009 kreeg het talentontwikkelingsbeleid ‘STROOM’ structureel en concreet vorm. Een belangrijke stap hierbij was de goedkeuring van het reglement ‘Subsidiëring talentontwikkeling in het kader van het impulsbudget STROOM’. Jean-Pierre Dewael en Eef Proesmans van de Dienst Cultuur (nu Beleidscel Cultuur) speelden bij de ontwikkeling van dit reglement een zeer stimulerende rol. Dankzij dit reglement kunnen jonge, beeldende kunstenaars sinds 2010 een aanvraag indienen voor beurzen en voor ontwikkelingsbeurzen. Voor commerciële organisaties, zoals bijvoorbeeld galerijen, werd het investeringsfonds STROOMinvest opgericht dat achtergestelde leningen verschaft. De bestaande subsidiereglementen die de Limburgse cultuurorganisaties structureel aansturen, werden aangepast met een nadruk op talentontwikkeling. De ervaring, knowhow, capaciteit en netwerken van Limburgse cultuurhuizen, die voorheen onvoldoende benut werden, worden nu meer dan ooit opengesteld voor toonmomenten en projecten van jong, creatief talent. De platforms spelen hierbij, als motor van ontwikkeling,

Anno 2012: talent, talent, talent! The present cultural policy contains three spearheads: talent development, cooperation and distinctive projects. Points of attention are the further development of Z33 (for example in the field of art in public space) and a second-line policy aimed at added value and the support of visual arts organizations. Talent development is one of the current policy priorities. Promising, creative talent should get the opportunity for future growth and development. An important step in this regard was the approval of the subsidy regulation ‘STROOM’. Thanks to this, young, visual artists can apply for grants. For commercial organizations (e.g. galleries), STROOMinvest was funded which provides loans. Since the launch of ‘STROOM’, young artists increasingly make use of the experience, knowhow, capacity and networks of cultural organizations in Limburg. The ‘Platform for Visual Arts Limburg’ has recently been transformed into the platform ‘Art in Limburg’. The reorientation strives for a revival of the platform. One of the priorities of the platform and its partners – CIAP, FLACC, MAD-faculty, Z33 and ARTISIT – is an increasing visibility of the local visual arts network and of its associated organizations. The platform tries to profile the visual arts sector in Limburg in relation to the centralized arts supply in larger Flemish cities such as Antwerp and Ghent. Action points concern the development of a (online and offline) presentation platform, a further development and anchoring of the local arts network, support of young artists and coorganisation. This book is one of the concrete initiatives of ‘Art in Limburg’. The platform will also set up a parallel program of Manifesta 9 in which semi-professional and amateur artists exhibit their artworks. This program will be integrated in the parallel Manifesta 9 project ‘RE:Converse’.


164 — 165

HET PARCOURS VAN HET BEELDENDE KUNSTENBELEID IN LIMBURG

een cruciale rol. De werking van het Platform voor Beeldende Kunsten stond de laatste jaren op een laag pitje. De recente herdoop in ‘Kunst in Limburg’ beoogt een revival van het platform. Eén van de prioriteiten is het verhogen van de zichtbaarheid van het lokale beeldende kunstennetwerk en van de geassocieerde instellingen. Hiermee trachten het platform en de partners – FLACC, CIAP, Z33, MAD-faculty en ARTISIT – de Limburgse beeldende kunstensector te profileren ten opzichte van het gecentraliseerde kunstenaanbod van de Vlaamse grootsteden. Centraal staan verbreding, integratie en profilering. Actiepunten betreffen de ontwikkeling van een (online en offline) presentatieplatform, een verdere uitbouw en verankering van het lokale netwerk, ondersteuning van jonge kunstenaars en co-organisatie. Dit boek is één van de concrete initiatieven die in 2012 door Kunst in Limburg opgezet worden. Er wordt dit jaar ook ingezet op een randprogramma van Manifesta voor semi-professionele en amateurkunstenaars. Dit wordt geïntegreerd in het parallel Manifestaproject ‘RE:Converse’. Een blik op de toekomst Z33 krijgt wel eens de kritiek dat er te weinig aandacht is voor Limburgse beeldende kunstenaars. Via Kunst in Limburg tracht men hieraan tegemoet te komen. De vraag naar een Limburgs museum voor hedendaagse kunst is nog steeds actueel. Hoewel de pleitbezorgers beseffen dat omwille van decretale beperkingen en geringe financiële middelen een museum onhaalbaar is, wordt nu en dan toch nog het woord ‘ontbrekende politieke wil’ in de mond genomen. Het feit dat er geen museum is, wil niet zeggen dat van kunstproductie geen prioriteit gemaakt wordt. Een museum vergt naast een gestructureerde collectievorming ook conservering, restauratie, onderzoek, ontsluiting, digitalisering en dit binnen optimale omstandigheden. Dit vergt veel middelen, tijd en ruimte. Binnen de context van de staatshervorming – waarbij de rol van de provincies ter discussie staat – is dit geen haalbare kaart. Bovendien rijst de vraag of er binnen het druk bezette Vlaanderen überhaupt nog plaats is voor een nieuw museum en dus nog meer versnippering. Vanuit het motto ‘samen sterk’ moet ingezet worden op meer samenwerking met musea, kunstencentra en andere organisaties in Vlaanderen en de Euregio. Limburgse kunstenaars kunnen alleen maar sterker worden door zowel inhoudelijke als geografische grenzen te overschrijden en de krachten te bundelen. De rol van een provincie omvat in eerste instantie een dynamisch tweedelijnsbeleid, gericht op ondersteuning en talentontwikkeling als noodzakelijke wortels voor artistieke ontwikkeling. Eerst zaaien, dan oogsten. Het platform Kunst in

The future of visual arts policy in Limburg Z33 is sometimes criticized for paying only minimal attention to Limburg visual artists. Some actors within the field of visual arts are still asking for a Limburg museum for contemporary art. Although they recognize the fact that a new museum is not realistic within the current financial and regulatory context -- in which the role of the province is increasingly questioned --, they nonetheless blame politicians of ‘political unwillingness’. A museum implies not only a structured collection but also, and in optimal circumstances, conservation, restoration, research, and digitalization. Moreover, the question arises whether there is sufficient space for a new museum in Flanders. The lack of a museum and a regional art collection does not mean, however, that visual arts production is no priority within arts policy. On the contrary. Yet, it is important to strive for more cooperation with other museum institutions, arts centres and organizations in Flanders and the Euregion. Regional artists can only become stronger if they cross both geographical and artistic borders and join forces. The primary role of the province embodies a dynamic second-line policy aimed at support and talent development that provide the foundation of artistic development. The platform ‘Art in Limburg’ should aim to maximize the visibility, profiling and charisma of the Limburg visual arts, not by developing a structured collection but through presentation moments and (inter)national cooperation. Distinctive projects such as the unique project of Z33 on art in the public space and Manifesta 9 play a crucial role in this context. These projects create the opportunity to present top artworks in Limburg and to exhibit at the same time the best of the province, for example through the parallel events of Manifesta 9. A huge challenge for the future is the development of the ‘Beguinage Complex’, ‘Zone Z’. This complex can be considered as a ‘calm but strategic location in the city of Hasselt’. A few years ago the province started with a study of the potential of this location as ‘the place to be’ for culture in Limburg, as a ‘beacon’ for the province in the city, and as a zone of innovation and creation. The development of ‘Zone Z’ will influence the further development of Z33 as a ‘unique lab and (meeting) space for experiment and innovation’. This year, Z33 celebrates its 10th anniversary with its largest exhibition ever, showing artworks of more than 30 national and international artists. Nobody can predict the future of contemporary visual arts in Limburg and of Z33. The Z33-project on art in the public space will have an enormous impact on the positioning of Z33 within the artistic landscape. Investing in the future implies investing in the support of added value and creative talent, aimed at both cultural production and diffusion. It should be no problem that creative talents spread their wings outside Limburg, on the condition that they receive in

Limburg the opportunity to learn to fly. Limburg moet, in samenwerking met Z33, een tandje bijsteken om de zichtbaarheid, profilering en uitstraling van de Limburgse References BAM (2011). Frisse lucht, lange adem. Historiek, cijfers en scenario’s van het beeldende kunstveld in Vlaanderen. Gent: BAM. beeldende kunsten te maximaliseren. Niet door de uitbouw van Claessens, Jos. Beleidsverklaring 2006. Design Platform Limburg (2010). Bookazine Design in Limburg – 15 een gestructureerde collectie maar via toonmomenten en (inter) jaar Toegepast. nationale samenwerking en uitwisseling. Onderscheidende Geerits, Jaak (2005). De Belgische situatie van de beeldende kunsten. projecten zoals het unieke project van Z33 rond kunst in de open (http://www.slib-art.be/followup/sterkte_zwakte/sterkte_zwakte.htm) Kunst in Limburg (2011). Actieplan 2012 Kunst in Limburg. Sleypen, Sylvain. Beleidsverklaringen 1997, 1998, 1999, 2000. ruimte en Manifesta 9 vormen hierbij belangrijke katalysatoren. Lavigne, Jean-Paul. Beleidsverklaringen 2002, 2003. Dergelijke projecten creëren een kans om kunstwerken van Lavigne, Jean-Paul (2001). Intern document ‘Beleidsopties Cultuur 2001-2006’. hoogstaand niveau in Limburg te plaatsen en tegelijk het beste Raskin, Ludo (2004). Een eeuw beeldende kunst in Limburg. Hasselt: Provincie Limburg. van de provincie te presenteren, bijvoorbeeld via de parallelle Van Baelen, Gilbert. Beleidsverklaringen 2007, 2008, 2009, 2010, Manifesta-events. 2011, 2012.

Een grote uitdaging voor de toekomst is de ontwikkeling van de Begijnhofsite, ‘Zone Z’. Deze site vormt momenteel een ‘stille maar strategische ruimte in de stad’. Een aantal jaren geleden startte de provincie met een onderzoek naar het potentieel van deze zone als dé plek voor cultuur in Limburg, als baken voor de provincie in de stad, als zone van innovatie en creatie. De uitbouw van deze site zal een stempel drukken op de verdere ontwikkeling van Z33 als ‘uniek laboratorium en ontmoetingsplaats voor experiment en innovatie’. Op een aantal jaren tijd verankerde Z33 zich als zichtbaarste speler binnen de actuele beeldende kunsten in Limburg en ver daarbuiten. Dit jaar bestaat Z33 tien jaar. Om dat te vieren plant ze deze zomer – als parallel Manifesta-project – haar grootste tentoonstelling ooit ‘Mind the System, Find the Gap’ met meer dan 30 nationale en internationale kunstenaars. Hoe de toekomst van de Limburgse beeldende kunsten en van Z33 er zal uitzien, dat kan niemand voorspellen. Het project rond kunst in de open ruimte kan de positie van Z33 als hefboom voor de regio nog versterken. Investeren in de toekomst van beeldende kunsten impliceert investeren in de ondersteuning van meerwaarde én van talent, zowel ten behoeve van cultuurspreiding als -productie. Dat artistieke talenten hun vleugels uitslaan richting de grootsteden hoeft geen probleem te zijn, zolang ze binnen de provincie maar alle kansen krijgen om te leren vliegen . Bronnen BAM (2011). Frisse lucht, lange adem. Historiek, cijfers en scenario’s van het beeldende kunstveld in Vlaanderen. Gent: BAM. Claessens, Jos. Beleidsverklaring 2006. Design Platform Limburg (2010). Bookazine Design in Limburg – 15 jaar Toegepast. Geerits, Jaak (2005). De Belgische situatie van de beeldende kunsten. (http://www.slib-art.be/followup/ sterkte_zwakte/sterkte_zwakte.htm) Kunst in Limburg (2011). Actieplan 2012 Kunst in Limburg. Sleypen, Sylvain. Beleidsverklaringen 1997, 1998, 1999, 2000. Lavigne, Jean-Paul. Beleidsverklaringen 2002, 2003. Lavigne, Jean-Paul (2001). Intern document ‘Beleidsopties Cultuur 2001-2006’. Raskin, Ludo (2004). Een eeuw beeldende kunst in Limburg. Hasselt: Provincie Limburg. Van Baelen, Gilbert. Beleidsverklaringen 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012. Van Baelen, Gilbert (2006). Intern document ‘Beleidsvoorbereiding Cultuur 2006-2012’. Vlaams Parlement (2003). Handelingen Commissie voor Cultuur, Media en Sport. Vraag om uitleg van de heer Flor Ory tot de heer Paul Van Grembergen over de impulssubsidies voor duurzame culturele initiatieven in Limburg. VVP (2004). VVP-sectordossier Cultuur. Brussel: VVP. www.kunstonline.info/levelone/php/general/bibliotext.php?biblioid=7384&functionid=2&section=persons www.hasel.be/_uploads/Erfgoedcel/downloads/Helikon_Museumpeil_4_2009.pdf www.hemotech.be/belisch/pages/site/databank.html#DEMIJN www.cosimo.be/paginas/een_bloeiende_cultureel_leven_geintegreerd_in_het_proviciaal_beleid.html www.kenisgroep.be/wie-is-jan-kenis.htm

Van Baelen, Gilbert (2006). Intern document ‘Beleidsvoorbereiding Cultuur 2006-2012’. Vlaams Parlement (2003). Handelingen Commissie voor Cultuur, Media en Sport. Vraag om uitleg van de heer Flor Ory tot de heer Paul Van Grembergen over de impulssubsidies voor duurzame culturele initiatieven in Limburg. VVP (2004). VVP-sectordossier Cultuur. Brussel: VVP. http://www.kunstonline.info/levelone/php/general/bibliotext.php?biblioid =7384&functionid=2&section=persons www.hasel.be/_uploads/Erfgoedcel/downloads/Helikon_Museumpeil_4_2009.pdf www.hemotech.be/belisch/pages/site/databank.html#DEMIJN cosimo.be/paginas/een_bloeiende_cultureel_leven_geintegreerd_in_ het_proviciaal_beleid.html


CIAP

MAD-FACULTY

Z33

FLACC

Actuele Kunst vzw

Media, Arts and Design

Huis voor actuele kunst

Werkplaats voor beeldende Atelier kunstenaars

Armand Hertzstraat 21 bus 1 B-3500 Hasselt

Campus C-mine Genk C-mine 5, B-3600 Genk (Winterslag)

Zuivelmarkt 33 B-3500 Hasselt

T. +32 (0)11 22 53 21 ciap@telenet.be

T. +32 (0)89 30 08 50 infomad@khlim.be

T. +32 (0)11 29 59 60 info@z33.be

Casino Modern AndrĂŠ Dumontlaan 2 B-3600 Genk

www.ciap.be

Campus Elfde Linie Hasselt Elfde Liniestraat, B-3500 Hasselt T. +32(0)11 23 88 88 infomad@phl.be

www.Z33.be

166 — 167

www.mad-fac.be

T. +32 (0)89 84 52 23 info@flacc.info www.flacc.info

ARTISIT

Oude Luikerbaan 97 B-3500 Hasselt T. +32 (0)494 39 84 79 artisit@artisit.be www.artisit.be


Colofon Landschap van beelden. Een blik op beeldende kunst in Limburg. / Landscape of images. A view on visual arts in Limburg.

ISBN 9789074605557 EAN 9789074605557 wettelijk depotnummer D/2012/5857/31

Een publicatie van / A publication by Kunst in Limburg

© 2012 All rights reserved

Opgedragen aan Bram Bogart (1921-2012). / Dedicated to Bram Bogart (1921-2012). Kunstenaars / Artists Elise Berkvens, André Bertels, Guy Bleus, Bram Bogart, Sara Bomans, Jan L. Carlier, Eline Cautreels, Fia Cielen, Caroline Coolen, Johan Creten, Peter Decupere, Hugo Duchateau, Fred Eerdekens, Pieter Geenen, Frederic Geurts, Jef Geys, Willo Gonnissen, Daan Gielis, Ado Hamelryck, Peter Hulsmans, Gideon Kiefer, Herman Maes, Ives Maes, Karl Philips, Mo Ramakers, Patrick Reuvis, Gert Robijns, Arno Roncada, Raf Simons, Malou Swinnen, Piet Stockmans, Niels Vaes, Koen Van den Broek, Filip Van Dingenen, Koen Vanmechelen, Liliane Vertessen, Leon Vranken, Tom Vanuytrecht Teksten / Texts Peter De Graeve, Matthias Depoorter, Elien Haentjens, Fernand Haerden & Eef Proesmans, An Moons, Luc Lambrecht, Ludo Raskin, Kristof Reulens, Francis Smets, Christine Vuegen Deelnemers / Participants Eric Croux, Eddie Guldolf, Lut Maris, Maurice Lambrechts, Luc Theuwis, Annemie Van Laethem, Anouk Vilain, VONK, Villarte, Future Formers, vzw Het Labo Partners van Kunst in Limburg / Partners of Kunst in Limburg ARTISIT, CIAP, FLACC, MAD-faculty, Z33 Eindredactie / Editors Ellen Eurlings, An Moons Redactie / Editors Karen Swyngedauw, Tom Mondelaers Redactiecoördinatie / Editorial coordination Ellen Eurlings, Lieve Vanhoyland Vertalingen / Translations Campana Michael Meert – Art English Fotografie / Photography Alle fotografen worden vermeld bij iedere foto. / All photocredits are mentioned with each photo. Zwart-wit portretten door / Portrait black & white by: Studenten Fotografie, MAD-faculty, Campus C-mine, Genk: Lieven Geuns, Meinder Milissen, Michiel Pauwels, Reginald Tackoen, Debby Thijs. Onder leiding van Annick Geenen. Behalve portret Johan Creten: door Kristof Vrancken / Students Photography, MAD-faculty, Campus C-mine, Genk: Lieven Geuns, Meinder Milissen, Michiel Pauwels, Reginald Tackoen, Debby Thijs. Instructor: Annick Geenen. Except portrait Johan Creten: by Kristof Vrancken. Grafische Vormgeving / Graphic design Vincent Vandevenne – The Second of May Met medewerking van / With cooperation of gedeputeerde voor cultuur Gilbert Van Baelen Jan Boelen, Jan Bloemen, Iris Debremaeker, Ellen Eurlings, Luc Flipkens, Sarah Indeberghe, Carina Lopez, Jolein Martens, Lut Maris, An Moons, Joris Mulkers, Peter Pollers, Luuk Nouwen, Kenny Stals, Sonja Schreurs, Kema Spencer, Lieve Vanhoyland, Ilse Van Roy, Joris Verdonck Ook dank aan / Thank you to Alle medewerkers van de deelnemende organisaties en iedereen die we vergeten zijn op te noemen / All employees of the participating organisations and those we might have forgotten. Verantwoordelijke uitgever / Publisher Tom Van Thienen

168 — 169

Druk / Printing Leen

Kunst in Limburg is een initiatief van Platform Cultuur Limburg, gedeputeerde voor Cultuur Gilbert Van Baelen, Provincie Limburg. / Kunst in Limburg is an initiative of the Art Platform Limburg, deputy of Culture Gilbert Van Baelen, Province of Limburg. Kunst in Limburg Zuivelmarkt 33 B-3500 Hasselt info@kunstinlimburg.be www.kunstinlimburg.be ‘Landschap van beelden. Een blik op beeldende kunst in Limburg.’ bevat beelden en beeldfragmenten afkomstig van verschillende bronnen. Informatie over de oorspronkelijke auteurs en de bronnen werden zo gedetailleerd mogelijk vermeld, maar ondanks onze inspanningen konden enkele auteurs niet geïdentificeerd worden. Met vragen of bezwaren kan u steeds terecht bij Kunst in Limburg.

In making ‘Landscape of images. A view on visual arts in Limburg.’ we have quoted images taken from various resources. Information concerning the original authors and sources has been credited as detailed as possible. Despite these efforts, some sources nevertheless could not be identified. Please contact Kunst in Limburg in case of questions or objections.


170 — 170


Landschap van beelden. Een blik op beeldende kunst in Limburg.