Issuu on Google+

HET NATIONAAL MUSEUM VORMEN WE TEZAMEN

Ñapa 20/4/2002

Tres Het XXII Festival del Caribe, dat van 3 tot 9 juli 2002 in Santiago de Cuba, plaatsvindt, wordt dit jaar opgedragen aan de Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname. Een goede gelegenheid om stil te staan bij het cultureel erfgoed dat via Cuba op de Antillen terecht kwam. Daaronder vallen drie muziekinstrumenten: de bongo , de marimbula en de tres

Eerst gemaakt van eenvoudige kistjes voor het transport van stokvis, maar later uit kostbaar hout tot toonbeelden van ambachtelijke hoogstandjes. De kiem voor de bouw van de ‘tres Cubano’ worden gelegd als de eerste Spaanse kolonisten de Atlantische Oceaan oversteken en voet aan wal zetten op het eiland. Mandoline, luit en gitaar gaan mee naar de Nieuwe Wereld. De zoete tonen moeten de inheemse bevolking verleiden tot het katholieke geloof, zo meent de Spaanse koning. Zeemannen vinden tijdens de lange reis over de oceaan troost in de klanken van hun kleine gitaartjes, de ‘tiples’. En, ver weg van huis, luisteren de conquistadores, de veroveraars, en de missionarissen naar de vertrouwde Spaanse melodieën. Maar de Europese instrumenten van Moorse herkomst zijn schaars en te duur voor de gewone man in Cuba. Met eenvoudig gereedschap en de materialen die beschikbaar zijn maken zij hun eigen varianten op de instrumenten van de veroveraars. De klankkast van de eerste exemplaren van de tres werd gemaakt van de kistjes waarin stokvis werd vervoerd. De hals van hardere houtsoorten. De Cubaanse volksmuzikanten maken hun tres zelf. Een kleine gitaar, bespannen met zes snaren in drie – ‘tres’ - paren. Al doende leren de ambachtslieden de kneepjes van het vak van instrumentenmaker. En zo ontwikkelt de tres zich van een simpele ‘mandoline’ tot een verfijnd staaltje van ambachtelijk werk. De klankkast wordt groter, behoudt haar vorm van een peer, maar is aan de bovenkant op verschillende manieren afgewerkt. Ronde vormen is het meest gebruikelijk: de Tres Valenciano of Criollo. Maar ook kaarsrechte hoeken, acht- en eivormen komen voor. Heel enkel wordt een tres in zijn geheel van één houtsoort gemaakt. Liever kiest de bouwer voor elk onderdeel een ander ‘boom’: bijvoorbeeld de spar voor de deksel van de klankkast, ceder voor de bodem, rozenhout of mahonie voor de rug en ceder voor de hals. De autodidacte ambachtslieden groeien uit tot specialisten in het decoreren van het houtwerk. De een versiert een tres met tekeningen, vaak met symbolen van het vaderland, bloemen, vrouwenfiguren of toeristische afbeeldingen. De ander decoreert het instrument met ingelegde stukjes hout, ‘marquetería criolla’. Dat is wat anders dan de machinaal gefabriceerde series die worden opgevrolijkt met een simpele overtrek van de tekeningen. Etsen van paarlemoer, plastic of triplex verfraaien het deksel van de klankkast, maar dienen in de eerste plaats ter versteviging van de kast of om een gat weg te werken. De snaren van de tres waren oorspronkelijk van de ingewanden van onder meer eenden. Later schakelen de ambachtslieden over op metaal dat makkelijker te verkrijgen is. Sommige muzikanten, zoals de beroemde Cubaanse ‘treseros’ Arsenio Rodriguez en Isaac Oviedo, spelen de tres-partij in een nummer liever op een omgebouwde gitaar, de


‘guitarra-tres’. Met een speciale snarenklem, de zes snaren gereorganiseerd in paren, een toegevoegd stukje staartstuk en een ingekorte hals voor tien in plaats van twaalf fretten. Wellicht op zoek naar een betere akoestiek. De doorsnee tresero staat tijdens het musiceren. Met de tres aan een leren riem of koord om zijn nek. De rechterbovenarm lichtjes steunend op de rand van de klankkast. Het plectrum – een plaatje van plastic of schildpad – tussen de duim en wijsvinger van de rechterhand. En dan begint het spel van tokkelen en akkoorden aanslaan, van ritme, harmonie en melodie. Het zoeken van de balans tussen melodie en ritme, of eigenlijk tussen de creoolse ‘beat’ en de harmonie uit Zuid-Spanje. De tres groeit uit tot hét nationale snaarinstrument van Cuba en speelt een centrale rol in de Cubaanse volksmuziek. Eerst in de ‘punto’ en ‘chagüí’, populaire muzikale expressies van de bevolking op het platteland. En later - samen met gitaar, bongó, marímbula, claves, maracas en trompetten - in de ‘son’. Treseros vormen vanaf de jaren twintig de kern van sextetten en septetten, de ‘conjuntos de son’. Het zijn moeilijke tijden op Curaçao. De economie zit in het slop. Duizenden mannen en vrouwen uit de onderklasse emigreren naar Cuba. Op zoek naar een betere toekomst als werknemer op een van de suikerrietplantages. Via hen komt de ‘son’-muziek naar Curaçao. En met de muziek volgen de instrumenten. Het eiland kent in de jaren veertig haar eigen beroemde ‘tokadónan di tre’, zoals de Curaçaose tres-muzikanten worden genoemd. Augusto Boelijn, Augustu Gressman en Kimo Candelario behoren tot de eersten die de tres spelen op Curaçao, en ‘Papa Enkel’, die steelt de show tijdens optredens in het theater: hij heeft de tre achter zijn rug terwijl hij erop speelt. De traditie van de tres wordt voortgezet in het orkest van Arnell Salsbach met tresero Feliciano ‘Felix’ Susanna.

Bronnen: Helio Orovio, Diccionario de la Música Cubana, Cuba, La Habana, 1992. Huib Billiet, De klank van de houten druppel (Muziek op Cuba), Belgi ë, 1988. S. ‘Yapi’ Martijn, Kòrsou Musikal, 1e tomo (dékada 30,40 I 50), Curaçao. Centro de investigación y desarrollo de la música Cubana, Instrumentos de la música folclóricopopular de Cuba. Linda Rupert, Roots of our future. A commercial history of Curaçao, Curaçao, 1999.

Tekst: Eva Breukink. Foto: Prince Victor.


Tres