Issuu on Google+

JOHAN DE KONING Laboratorium voor Architektuur

INSLUITEND SAS


2


INSLUITEND SAS Toen in de negentiende eeuw de industrialisatie goed op stoom kwam, groeide ook het aantal arbeiders dat in de fabrieken onder erbarmelijke omstandigheden aan het werk was. Omdat er weinig loon werd betaald, woonden die arbeiders zo mogelijk onder nog slechtere condities dan ze werkten. Meestal aan de rand van de stad, soms in min of meer gesloten enclaves bij de havens, dokken of rondom de fabrieken. Slechte hygiĂŤne, weinig voeding en het samenwonen van te veel mensen op een kleine plek veroorzaakten ziekten. Dysenterie en cholera braken regelmatig uit en vormden ook een bedreiging voor de gezonde stadsbewoners. Bovendien presteren zieke arbeiders doorgaans slecht. Dat zorgde ervoor dat de fabrikanten en ondernemers, dikwijls aangemoedigd door artsen en verontruste juristen, zich bogen over de vraag hoe deze situatie het hoofd kon worden geboden. Verbetering van de woonomstandigheden en het verkrijgen van voldoende frisse lucht leek een oplossing uit deze zichzelf in stand houdende malaise te kunnen bieden. Zo ontstonden de eerste tuinwijken, die later op grotere schaal werden gepland buiten de stad en daar tuindorpen genoemd worden, of wanneer ze nog een slag groter waren en vastgroeiden aan de stadsrand, tuinsteden. In Nederland kennen we er niet zo veel, om de eenvoudige reden dat onze industrie niet zo massaal groeide en er dus ook geen grote massa proletariĂŤrs ontstond. Bovendien bleken grote nieuwe bedrijven zich te vestigen op het platteland: de textielindustrie in Twente, de leerindustrie in Brabant, de mijnindustrie in Limburg. Ook andere grote tewerkstellingsprojecten als inpolderingen, moernering, aanleg van spoorwegen, kanalen en waterwerken speelde zich grotendeels buiten de stad af. Hoewel ook dit werk onder zeer armoedige omstandigheden tot stand kwam, zorgde het in ieder geval niet voor grote concentraties arbeiders. Dat was in het ons omringende buitenland wel anders. Daar worden dan ook de vroegste voorbeelden van experimentele huisvestingsmethoden bedacht en ontwikkeld. Tuinwijken kenmerken zich door een grote mate van groen, kleine huizen met grote tuinen, bomenrijke buurten en een gebogen stratenpatroon. Idylle. Pittoresk. Gevoel opgesloten te worden in het groen, los van de rest van de wereld. Door de lage dichtheid van bebouwing heerst er visuele rust, overheerst het groen, en wordt de ruimte beheerst door uitzicht en openheid. Vanwege de plaatsing in de periferie is er volop frisse lucht aanwezig. In de twintigste eeuw wordt de tuinwijk als het ware herontdekt door de modernen. Dat is niet zo verwonderlijk want zij streven dezelfde doelen van licht, lucht

3


4


en ruimte na. Dit keer ligt de nadruk echter op de ontwikkeling van een kleine goedkope woonunit, maar de overige karakteristieke blijven ongewijzigd. Gelegen op de overgang tussen stad en platteland (anno 2012 dikwijls reeds lang opgegaan in de steeds maar uitdijende massa van de stad), in een rustige omgeving dus, met lanen in plaats van straten, overgaand in stroken parkachtig publiek groen en bij elk huis een moestuin. Enclaves, die juist door hun externe ligging, meteen na de tweede wereldoorlog extreem populair worden bij de woningzoekenden. Bekende voorbeelden van tuinwijken in onze omgeving zijn: Nieuw Middelburg, Johannes van Epen, J.A. Vertregt, Middelburg, 1922 Griffioen, middenstand, Arend Rothuizen + Christian Broerse, Middelburg, 1949 Agnetha park, Gist (Brocades), E.H. Gugel + Louis Paul Zocher (tuinarch), Delft, 1884 Rooie Buurt, Kon Mij De Schelde, A. Dijkstra, Vlissingen, 1910. Witte dorp, Philips, Willem Dudok, Eindhoven, 1938 Klein Rusland, Huib Hoste + Louis Van Der Swaelmen (tuinarch), Zelzate, 1921-1928 Le Logis / Floreal, Staatsbank + Algemene Lijf- en Spaarrentekas, Jean Eggericx + Louis Van Der Swaelmen, (tuinarch), Brussel, resp. 1921 en 1922, Cité Moderne, Le Peuple, St Agata/Berchem, Brussel, Louis Bourgeouis + Louis Vander Swaelmen (tuinarch), Brussel, 1922 Welwyn Garden City, Ebenezer Howard + Louis de Souissons (tuinarch), Londen, 1920 Vreewijk, Marinus Grandpré Molière en Piet Verhagen, Rotterdam, 1913

Howard was er van overtuigd dat er in tuindorpen een veel grotere sociale samenhang zou ontstaan dan in de broeierige explosieve achterbuurten van de grote steden, juist vanwege de veel betere omstandigheden. Wanneer de eerste levensbehoeften zoals eten, bescherming tegen de elementen en gezondheid vervuld waren, kwam het met de sociale contacten en onderlinge verstandhouding van mensen vanzelf goed. Net zoals dat in traditionele dorpen het geval was. Saamhorigheid en sociale controle zorgen daar voor een optimum qua woonklimaat. Dus ook veel minder criminaliteit, alcoholmisbruik en vechtpartijen, waaraan in de grote stad geen gebrek was. Door de toegenomen mobiliteit door de komst van de spoorwegen en een uitgebreid netwerk van kanalen, zouden de dorpen bovendien goed bereikbaar zijn en nergens het idee kunnen postvatten van idyllische verbanningsoorden voor de arbeiders. Voorstudie Griffioen

Sun City, Phoenix, Arizona

5


Bij zijn vergaande vernieuwingen op stedebouwkundig gebied maakte Howard schematische tekeningen. Hierin kon hij duidelijk maken hoe de tuindorpen en steden als een soort planeten om de kern van de grote stad cirkelden. Grote stad was voor hem een relatief begrip. Hij vond dat elke stad van tussen de 50 en 60 duizend inwoners recht had op satellieten. In het gebied tussen de stad en de dorpen in was voldoende ruimte voor nuttige functies die hij eveneens bij voorkeur buiten de stadsgrenzen gerealiseerd zag. Er kan je een soort weemoedig terugkijken naar vroeger overvallen als je leest wat hij daar dan plant. Stadsparken en begraafplaatsen zijn nog tot daar aan toe. Maar ook: gevangenissen, psychiatrische klinieken, opvang voor geestelijk minderwaardigen, opvang voor wees- en straatkinderen, de groene school en een blindeninstituut, steenbakkerijen en -groeven. Allemaal functies dus die op institutioneel niveau nog (letterlijk) een plek moesten krijgen in de moderne maatschappij. Met zijn plannen voor de aanleg van tuindorpen lost Howard in een klap allerhande actuele problemen op. Merk op dat sport- en recreatievoorzieningen geheel ontbreken. Op dat moment in de geschiedenis speelde dat klaarblijkelijk nog hoegenaamd geen rol. Dat was wel degelijk het geval in de grootse plannen die de Franse architect Tony Garnier in 1904 toonde onder de naam Cité Industrielle. In tegenstelling tot het concentrische plan van Howard ging het hier om een langgerekte bandstad die op verschillende plaatsen concentraties van voorzieningen als scholen, zwembaden, renbanen, turnhallen en bovendien theaters en muziekhallen, bibliotheken en botanische kassen omvatten. In het parkachtige gebied eromheen verschenen verscheidene terrain de jeux. Garnier was niet geïnteresseerd in dorpse saamhorigheid. Hij zag deze nederzettingen vooral als gezonde steden – met nadruk op fysieke gezondheidscultus – die (overigens vlakbij) gescheiden werden van de industrie uit praktische overweging. Zijn orthogonale bandstad gaat naadloos op in het glooiende landschap van het Franse platteland, terwijl de grote industriële complexen er een zichtbare inbreuk op maken. In de tuinwijk is elk blok een keurig parkje met los staande villaatjes. Het lichamelijk onderhoud – onder andere badhuizen, massagesalons, heliotherapie maar ook het ziekenhuis en de opvang van gehandicapten – brengt hij onder in een aparte enclave, hoger op de heuvels gelegen: schoon en fris. Vervoer vindt plaats met een opgetilde metro. Van die beide historische voorbeelden kunnen we leren. Nu, anno 2012, voor de stedelijke vernieuwing van onze dagen. Met behorende actuele problematiek van milieu en duurzaamheid, ontpoldering, ontgroening, krimp, toenemend individualisme en afnemende betrokkenheid bij collectieve en sociale voorzieningen. Clustering daarvan kan voordelen opleveren. Lommerrijk groen biedt voordelen

6


voor te vestigen instituten die zich anders misschien niet hier zouden vestigen. Wellicht een alternatief vervoer systeem in plaats van overal autowegen. Maar bovenal de idyllische omgeving, met veel vrijheid voor de individuele bewoners, om tot een nieuwe manier van samenwonen te komen die alleen kans van slagen heeft als het geheel aantrekkelijk genoeg is. Daarbij zou de discriminerende exclusiviteit en allesbehalve vrijblijvende communiteit van een bejaardengetto als Sun City in Phoenix voorkomen moeten worden. Vrijheid tot elke prijs lijkt een gedateerde wens, die meer uitsluit dan insluit. Dat kan anders. En dat begint met bezinning op de architectuur. Ontwerpers die aan de slag gingen om de architectuur van de tuinwijken te bepalen stonden voor de keus of ze de vertrouwde vormen uit de op dat moment gangbare stromingen, het klassicisme of de neo-stijlen zouden gaan gebruiken of voor iets nieuws zouden kiezen. Men doet geen van beide. In vrijwel alle gevallen krijgen de tuinwijken een typische landelijke architectuurstijl. Die van het platteland, van de boeren afgekeken stijl, die tot dan toe vooral door dorpsaannemers was gebruikt. Geen hoog opgaande bebouwing want daarin konden slechts appartementen worden gebouwd en die pasten niet in de tuindorp gedachte. Dus lage bebouwing, met veel erkers, dakkapellen, uitgesproken schoorstenen en houten gevels of geveldelen. Balkons, veranda’s en ingangsportieken verlevendigen het straatbeeld, evenals de traditionele voortuinen. Ook de architectuur van de huizen moest de kalme sfeer van de provincie uitstralen en de onderlinge band tussen de bewoners versterken. Identificatie met het huis waar je woont op basis van zijn fysieke verschijningsvorm was van belang. Daarnaast speelde een snelle bouwtijd natuurlijk ook een rol en dus werden vele variaties op hetzelfde dorpse thema bedacht, telkens op een uniforme basisstructuur, waardoor de bouwproductie hoog kon zijn. In stedebouwkundige zin worden lange rijen identieke woningen vermeden en ook vanwege de gebogen straten – die zorg dragen voor een sterk intern gerichte blik – wordt geëxperimenteerd met korte blokken, afgewisseld met units van drie of vier woningen en soms zelfs vrijstaande huizen. Op die manier kon ook nog een hiërarchische opbouw van de wijk worden gevisualiseerd. Mensen met een hogere functie in het bedrijf waarvoor de wijk werd aangelegd kregen de vrijstaande huizen aangeboden, terwijl de gewone man verbleef in de meer aaneengeschakelde huizen.

7


Het zal wel duidelijk zijn dat een dergelijke hiërarchie niet werd toegepast in wijken waaraan geen ‘vaste’ onderneming was verbonden. Pas in de jaren dertig zullen de eerste tuinwijken worden opgetrokken in een veel modernistischer stijl, met platte daken, wit gepleisterde stucgevels en horizontale raampartijen. Overigens werden ook die wijken populair. Vooral Duitsland liep voorop met de ontwikkeling van dergelijke arbeiderswijken in Frankfurt en Berlijn, die romantische namen droegen als Onkel Tom Hutte of Freie Scholle. Maar soms gaven die namen ook meteen aan wie het meest voordeel had bij de aanleg van een dergelijke siedlung, namelijk de grote industrieën. In Berlijn is tussen 1929 en 1931 een hele nieuwe stad aangelegd onder de naam Siemensstadt. De bekende Vlaamse modernist Huib Hoste bouwde in Zelzate zo’n tuinwijk op basis van de moderne principes, al werden alle huizen wel uitgevoerd in schoon metselwerk en niet met een witte pleisterlaag bedekt. Deze wijk, die in opdracht van een corporatie opgericht door de plaatselijke aluminiumfabriek werd gebouwd kreeg de naam Klein Rusland, omdat de uitvoerder een tsaristisch militair was geweest in de strijd tegen de bolsjewieken in Rusland. Wanneer we op deze manier en met deze kennis in ons achterhoofd naar de uitbreidingswijken van Sas van Gent uit de jaren zestig en zeventig kijken, dan valt op hoe weinig is er overgebleven van die oorspronkelijke tuinwijk ideeën. Maar ook zien we ineens enorme kansen voor het grijpen als we de ontwikkelingen van vandaag eens leggen naast de tuinwijk plannen van begin twintigste eeuw. Want ga maar na: er is hier voldoend ruimte om een parkachtige omgeving aan te leggen, die ook nog eens heel goed zou kunnen aansluiten bij de groene conditie van de wat grotere omgeving. In feite zou het gebied rondom de Canisvlietse Kreek en de Molenkreek vanaf Westdorpe zo het kanaal kunnen oversteken en aansluiten op het gebied van de Grote en Rode kreek in de Nicasiuspolder ten zuiden van Philippine. Een grote sprong wellicht, maar geen te grote volgens mij. Heel de zuidelijke grensstreek zou er enorm van opknappen en in een keer op de kaart staan als aantrekkelijk natuur- en woongebied. Want die beide kwaliteiten kunnen er dan hand en gaan. Van begin af aan zou daarmee duidelijk zijn, dat er geen bos hoeft te worden aangelegd en ook geen omvangrijke parken of plantsoenen, maar dat het er juist om zou gaan de reeds bestaande natuurwaarden uit te breiden en het karakteristieke landschap van de streek juist door te zetten tot tussen de bebouwing. Beheer van dit landschap zou niet per definitie hoeven te behoren tot een gemeentelijke aangelegenheid, hetgeen de uitwerking van dit idee realistischer zou maken.

8


9


10


Ook is er nog altijd een stevige connectie met de industrie die de economie van Sas bepaalt. Vanuit vrijwel elke hoek merk je de aanwezigheid van de fabrieken nog op, doordat hun hoge torens, kranen of silo’s boven de bebouwing uitsteken of in het profiel van de straat een prominent beeld te zien geven. Investeringen in de woonomgeving vanuit de industrie, hopelijk met een minder paternalistisch en opportunistische plan erachter dan honderd jaar geleden, behoren nog altijd tot de mogelijkheden. Toevalligerwijs heeft juist de industrie in de kanaalzone gezorgd voor de aanleg van zogenaamde vloeivelden. Rondom Sas zijn er twee grote en drie kleinere van die velden te vinden, die vroeger cruciaal waren voor het functioneren van de fabrieken, maar tegenwoordig achterhaald zijn. Wel zouden die vloeivelden, misschien hier en daar in omvang wat beperkt, ideale rustplekken kunnen worden in het nieuwe groenmodel van de toekomstige tuinwijken.

Het is de bedoeling om de Sasse tuinwijk Groot Rusland in stappen te laten groeien. Steeds een deel slopen, vergroenen en dan in het groen opnieuw maar nu vrijstaande woningen bouwen. Zo is het gebied continu in ontwikkeling maar nooit leeg. En het groen ontwikkeld zich voor de bebouwing uit. Met de nieuwe huizen komen ook speelplekken, wandel- en fietspaden, paviljoens en wat verder aan voorzieningen nodig is.

11


Daar komt nog bij dat Sas van Gent in de jaren dertig een aantal prachtige voorbeelden van jaren dertig architectuur gerealiseerd werd, die nu als paradigma voor een nieuwe uitwerking van de tuinwijkgedachte dienst zouden kunnen doen. Doorbouwen op het verleden dus, maar dan vooral op een geheel eigentijdse manier. Op enkele plaatsen is dat pittoreske beeld reeds aanwezig. In de uitbreidingswijken Witte Wijk en Noord is dat nog op geen enkele wijze het geval, maar hierin zou stapsgewijs verandering kunnen komen. Al enige tijd geleden propageerde de gemeente het beleid om waar mogelijk kleine blokjes van onbewoonde woningen te slopen om op die manier ruimte te maken voor vrije kavels, waarop dan nieuwe, grotere woningen gebouwd zouden kunnen worden naar eigen smaak. Dat beleid lijkt op zichzelf een goede richting aan te geven. Zeker waar het gaat om meer individuele stijl van de bebouwing. Maar als je ziet welke resultaten dat tot nu toe heeft opgeleverd, dan lijkt bijstelling van die vrijheid voor de hand te liggen. Waarschijnlijk komt de nieuwe vrijheid beter tot zijn recht in een breder kader van de tuinwijk. Dat kader zou ervoor kunnen zorgen dat er veel meer ruimte tussen de onderlinge huizen komt en dat architectonische stijl een meer dorps en ambachtelijke sfeer gaat uitstralen, die indien gekoppeld aan het reeds bestaande jaren dertig erfgoed, heel goed een nieuwe impuls zou kunnen krijgen. Door op niet al te kleine schaal te denken (die van de exacte omvang van de huidige wijken), maar vooral oog te hebben voor de bredere landschappelijke context langs de staatsgrens, zou er een heel aantrekkelijk vestigingsmilieu gecreĂŤerd kunnen worden in Sas van Gent, dat de huidige krimp wellicht zou kunnen keren.

12


Al in de 19e eeuw werden er tuindorpen of wijken ontworpen. Vaak voor arbeiders van grote fabrieken. Zo konden ze gezond wonen en leven. En uiteraard fysiek in zodanige staat blijven dat ze hard en langdurig konden werken. Industriele ontwikkeling en de aanleg van tuindorpen gaan dus samen. Mooie voorbeelden zat. In Vlissingen voor scheepswerf De Schelde. Of in Delft voor de geroemde gistproducent. Maar ook in Zelzate, meteen over de grens. Daar heet die wijk poetisch Klein Rusland. Hij is in 1920 ontworpen door de bekende Vlaamse architect Huib Hoste en bestaat uit een aantal lage, kubistische woningblokken in steen, pleisterwerk of asbeton, met uiteraard tuintjes en een prettige openbaar gebied eromheen. Naast de woningen was er ook een hotel voor vrijgezellen en een watertoren. De naam is ontleend aan de Russische directeur van een aluminiumfabriek ernaast en de Russische militair die opzichter werd van de bouw van het dorp. Erg populair is de wijk vandaag de dag niet meer. Het groen is ook niet meer zo uitbundig als het ooit was. Maar passend is zo’n idyllische enclave in de sterk geïndustrialiseerde kanaalzone zeker. Een mooie bron van inspiratie voor de vernieuwing van nabuur Sas van Gent. Een tuinwijk nieuwe stijl. Met veel groen, meer dan ooit tevoren. Op de plaats van de huidige Witte Wijk en Europawijk net ten noorden daarvan. Een enorm transformatie proces, dat jaren in beslag gaat nemen, omdat er naast bezit van de corporatie, ook veel particulier bezit is. Bewoners moeten mee gaan doen. Mee gaan leven. En dat doen ze alleen als ze de voordelen zien. Die zijn dan ook groot. Al heeft het even tijd nodig voor iedereen dat zal inzien. Het aantal woning vermindert drastisch. En het type woningen niet minder. Er hoeven geen protserige kasteeltjes te komen in de plaats van de sobere jaren zestig blokjes. Liever niet zelfs. Ze mogen wel mooi en goed ontworpen zijn. Losse villa’s, geschakelde woningen of zelfs verbouwde fermettes uit oude casco’s, die een voorbeeld nemen aan de welgevallige architectuur langs de Stationsstraat. Iedereen zijn of haar eigen weide of bloemenhof. Minder wegen, lange verbindingen met gebogen profiel: je dwaalt door een groen park, waar iedereen woont als in een sprookje. Zelfs de oude vloeivelden van de industrie zijn omgevormd tot vijvers en kleine meren, middenin dit Zeeuws Vlaamse arcadium. Aansluitend bij het prachtige landschap rondom Westdorpe aan de overzijde van het kanaal en bij het natuurgebied rondom de Canisvlietse kreek. Een woonhof uit duizenden! Laten we het – denkend aan de eeuwig zingende bossen daar – dit keer Groot Rusland noemen!

8


7


mogelijkheden van de silo van de suikerunie. Wat zou je daar allemaal mee kunnen doen? Kijk eens naar Halfweg, naar Oberhausen of naar de Amsterdamse silo’s waar het Annie Schmidt museum gaat komen. Misschien kan er hier ook wel iets van een kinderpretpark in. Een experience heet dat tegenwoordig. Of misschien is een enorme bios realistischer. Zo niet, dan zou een woonbestemming ook geweldig zijn. Wie wil niet op een dergelijke hoogte wonen. Wellicht kan er nog een stuk bovenop? Er is meer. Van de machtige Vlaanderenhallen is weinig meer over dan het stenen karkas, op dit moment alleen nog in gebruik als werkplaats voor de carnavalswagens. Maar dat skelet biedt dan ook enorme mogelijkheden als overdekte markthal of als bedrijfsverzamelgebouw. Met licht vanuit het dak. Duurzaam gemaakt met zonneenergie en warmtekoppeling. Op een deel van de hallen dat al eerder vernieuwd werd, zou wellicht nog een opbouw gemaakt kunnen worden voor goedkopere woon-zorgunits. In het centrum heeft bijvoorbeeld ook de Marechausseekazerne een ander gebruik gevonden, zonder dat het historische setting ernstig geweld aangedaan is. En zo zijn er meer: de Hervormde kerk aan de Oostkade is al van functie gewisseld, terwijl er volop gewerkt wordt aan de metamorfose van het entrepot van de Suikerunie om er het Industrieel Museum in te kunnen vestigen. Een prima functie bij de entree van de stad. Teken dat er met een beetje verbeeldingskracht wel degelijk nieuw leven voor die prachtige industriÍle monumenten mogelijk is. Ze slaan net als de restanten van de oude bolwerken een mentale brug naar het verleden. Schinkel was niet alleen een romanticus, maar zeker ook een pragmaticus. Hij vond dat een echte architect alle stijlen moest beheersen die er te vinden waren. Dat hoort bij je vak. Maar hij was weer wel zo eigenzinnig dat hij zelf bepaalde wanneer en op welke plek een bepaalde stijl passend was. Keuze maakte hij niet altijd even fijnzinnig. Hij bouwde voor de staat. Daarbij kwam het etaleren van het Pruisische superioriteitsgevoel goed van pas. Eigentijds dan, want we gaan tenslotte, dat bleek ook uit zijn opvatting over de schoorstenen, vooruit. Wellicht zou een beetje van zijn chauvinisme in Sas best aan de orde kunnen komen. Al moet ik bekennen dat de bekende protestvlag van de streek hier in het straatbeeld nauwelijks opduikt. Schinkel zou met een bundeling van industrie, wonen, historie en haven wel uit de voeten kunnen. Nu de Sassenaren nog!

6


En tegelijkertijd daalt hiermee het aantal woningen. Dat doel wordt gesteund door de provincie. Her en der zie je de gaten ontstaan. Waar vroeger huizen stonden, staan nu plassen water. Het Julianapark, hier vlak naast het huis, is een bedenkelijk woonerf geworden. Merkwaardig dat juist zo’n parkje als eerste bebouwd moest worden met nostalgische cataloguskitsch. Zonde. Als je door de straten van het oude Sas wandelt valt op dat er allerlei aardige initiatieven zijn om bestaande gebouwen, soms zelfs met een industriële achtergrond, nieuw leven in te blazen. Op grotere en kleinere schaal. Vernieuwde gevels, een apart dakje, gerenoveerde ornamenten, tuinhuisjes en opvallende balkons. Leuk om te zien hoe mensen investeren in hun woning en woonomgeving. Van een luxe twee onder een kap uit de jaren twintig of dertig is nu een symmetrische villa gemaakt. Mooi. Begin van de twintigste eeuw bloeide Sas. Welgestelden uit de industrie wilden ook fraai wonen. Aan de Stationsstraat of de Parklaan. Voorname straten. Daar leefde Sas. Het vond zichzelf opnieuw uit. Van een sluis omringd door de vesting, tot aan het nijvere fabrikantenparadijsje. Nu zou de stap gemaakt moeten worden naar de groene tuinwijk. Alles ligt er als het ware klaar voor. Een unieke welstandsvrije zone voor vrij wonen in het groen in Zeeland. Lommerrijke oase in een industriële zone. Dus veel meer groen erin. Maak die straten smaller, leg er perken en bosschages aan, geef de huizen grotere tuinen, plant bomen. Laat een vereniging al dat groen beheren. Een VVE voor elke groene lob, zodat de gemeente niet opdraait voor die kosten. Ook de buitenwijken op manier omturnen, maar dan met architectuur in de zelfde kwaliteit als die van de Stationsstraat. Eens zien of er dan niemand meer wil wonen! Sas heeft een rijk industrieel verleden. Dat moet gekoesterd worden, te veel viel al ten prooi aan de Hollandse properheid en opruimwoede. K.F. Schinkel, die grote Duitse architect van de Romantiek, vond de rokende schoorstenen in Engeland al een hoopgevend symbool van de vooruitgang. In de Sasse straatbeeld komen ze steeds weer op verrassende wijze terug. Pijpen, silo’s en stellages. Stenen hallen en stalen containers. Het hoort bij Sas zoals een kater bij drank. Juist door hun afwijkende maat, zorgen ze voor de broodnodige onbalans in het dorpse perspectief. Zelfs als ze in onbruik raakten, kunnen ze nog een belangrijke functie vervullen, als baken en als onderdak voor evenementen. Denk eens aan de enorme

5


meer fabrieksarbeider dan landbouwer, meer Zeeuws Vlaming dan Zeeuw. Om nog maar te zwijgen van Nederlander. Toch ook geen Vlaming of Belg. Meer onder de indruk van hoge slanke schoorstenen of zware bakstenen silo’s dan van eindeloze geploegde akkers of naar de horizon reikende populierenrijen. Op elke beschikbare plek wordt geld verdiend, zeker langs het water. Toch zijn de straatprofielen ruim, open en laag. Nooit was er enige noodzaak om opeengepakt te wonen. Ruimte zat. En op geen enkel moment werd de economische druk zo hoog, dat de financiën tot krapte leidden. In tegendeel, wie hier goed verdiende kon en mocht dat laten zien. Rond de eeuwwisseling liet men vele fraaie optrekjes bouwen. Tegenwoordige strijdt Sas tegen de krimp en de leegstand. Morgen eens zien wat we daar mee aan kunnen vangen. Bijna een hele dag binnen vanwege de regen. Terwijl de ochtend zo zonnig begon. Spijtig genoeg mocht dat niet lang duren. Via buurvrouw’s klok, die tegen onze gezamenlijke muur hangt, kan ik het verloop van de uren zorgeloos volgen. Af en toe dringt ook een rinkelend piepje door. Misschien een magnetron of een droger? Muisstil is het verder in deze buurt. Zelfs overdag. Er fietsen weinig mensen, laat staan lopen. Over het pad naast het huis fietst alleen een buurman telkens met andere plastic tassen heen en weer of met zijn witte hond. Hij zwaait vriendelijk. Twee onverdroten bouwvakkers metselen een muur op, terwijl ze luisteren naar een Vlaamse radiozender. Pakt makkelijker op dan Omroep Zeeland. Ook rijden er veel auto’s van over de grens. Volgens mij komt het niet alleen door de regen, die trouwens in de middag stopt. Er lijkt een soort horror vacui te heersen. Niemand waagt zich op die veel te brede straten. Het veroorzaakt een vreemd soort nostalgie, naar een rijk industrieel verleden en dat nog niet helemaal verdwenen is. Zo eindigt de stationsstraat nog steeds in het stationsplein. Alleen is er geen station meer. Nu dient deze ruimte geen enkel doel meer. Het is een dubbele cul de sac geworden. Sas ziet er uit alsof het wacht op een wederopstanding. Dat alles straks ineens weer terugkomt en er tot die tijd beter zo weinig mogelijk kan veranderen. In het huis trof ik een boekje aan uitgebracht door Woongoed Zeeuws Vlaanderen, met daarin een toelichting op het beleidsprogramma voor de renaissance van Sas. Een van de pijlers in dat plan is het vrijmaken van grond door sloop van woningen voor vrije kavels. Bewoners kunnen daar dan hun droom waarmaken.

4


UITSLUITEND SAS december 2012 Omdat het al donker is als ik hier aankom, valt er nog niet veel te zeggen over het uiterlijk van Sas. Of het voldoet aan mijn verwachtingen of juist niet. Blijft een verrassing tot morgenochtend. Altijd weer spannend als je ergens in de avond arriveert. Bij het busstation Terneuzen tunnel moest ik overstappen op lijn 11. Het duurt maar een paar minuten voordat er klein busje mijn kant op manoeuvreert. Gelijk met twee meisjes die druk hun afgelopen werkdag bespreken, stap ik in. Mijn Ovkaart blijkt hier gewoon bruikbaar. Snel gaat het door het onverlichte landschap. In mosseldorp Philippine stappen de meisjes uit en blijf ik als enige passagier over. Mijn chauffeuse maakt mij erop attent dat ik in de verkeerde bus zit. Ik had eigenlijk lijn 6 moeten nemen, dat is de ‘normale’ bus. Groter ook. Deze minibus is te snel vol, dan moeten er mensen geweigerd worden. Onder de huidige omstandigheden lijkt me dat wat overdreven; we stoppen nergens en ik blijf dus de enige. Ik moet er toch op gewezen worden, vindt ze. Reizen in de provincie valt niet mee... Ongelukkigerwijs ligt de eindhalte in een soort niemandsland, naast het goederenspoor, vlakbij de grens met België. Dat laatste is niet zo gek natuurlijk. Sas van Gent is een grensplaats. De straat uit en je stapt Vlaanderen in. Maar daar wil ik nu niet heen. Ik sla linksaf een onduidelijke en zwak verlichte nieuwbouwwijk in. Helemaal achterin moet ik zijn weet ik, dus zet ik er flink de pas in. Wanneer ik de hoek om sla bij de achterzijde van de totaal verlaten Vlaanderenhallen, wappert zelfs in het donker de Krot of Kans vlag me vrolijk tegemoet. De korte gevel van het enig overgebleven twee-onder-een-kap blokje in deze buurt bereik ik na oversteek van een onderwater geregend stuk sloopterrein. Hier woon ik dus deze laatste week van het jaar. Klinkt treuriger dan het is. Sas is niet alleen een eindstation en grensplaats, het is ook een industrieterrein in verval en een handelsplek aan het water. Naar mijn voorlopig opgestelde mening moet dat van invloed zijn op het karakter van de bewoners hier. Noeste werkers,

3


2


JOHAN DE KONING Laboratorium voor Architektuur

UITSLUITEN SAS KROTofKANS-reeks nummer 13 ©2012

ISBN:

978-90-6354-158-3 Vormgeving:

MARTIEN LUTEIJN WWW.KROTOFKANS.NL


Inlsuitend Sas/Uitsluitend Sas