Page 1

UITGAVE VAN KOSMOPOLIS ROTTERDAM DECEMBER 2010 NUMMER 2


SuriNedWerk PO2

PO4 PO7 P14 P21

Chrystabelle Beaton KoppeltekenSurinamers

Charle Wilfrid

Een Indiase bloem uit Suriname voor de Nederlandse markt

Ginmardo Kromosoeto Derde generatie Javaan in Suriname

Rabin Soechit De wereld is zo klein geworden

PO5 P1o P15 P22

PO6 P11 P2o P23

Op en neer naar de jungle

Nederland was voor haar de vervulling van een droom

Bidjai Saktoe

Op mijn gemak in een melting pot

DEnise Zending

Per kerende post naar Suriname

Nancy Chee

Om de twee maanden de wereld over

Roberto Tjon A Meeuw

Tony Khan

De beste papieren voor Nederland

Ellen Tjon A Meeuw

Puzzelstukjes op hun plaats

Pim de la parra

www.kosmopolisrotterdam.nl

Poliglobale kosmopoliet

tel: 0031 10 417 74 22

Juliette Esajas


SuriNedWerk PO3

SuriNedWerk Als je in Rotterdam bent geboren en getogen, een Surinaamse achtergrond hebt, regelmatig voor langere tijd in andere landen verblijft en nu toch in Suriname bent gaan wonen. Noem je jezelf dan een Rotterdammer, een Surinamer, een Rotterdamse Surinamer of omgekeerd? En als je vader uit Hong Kong komt, jijzelf in Suriname bent geboren, gestudeerd hebt in Nederland en je tegenwoordig voor werk iedere twee maanden de hele wereld over reist. Verbind je jouw identiteit dan aan je geboorteland, je woonplaats, je culturele achtergrond of noem je jezelf wereldburger? En hoe ziet je leven er dan uit? Het zijn vragen die door iedereen weer anders worden beantwoord, zo blijkt ook uit SuriNedWerk. Van hun beeldverhalen is een buitententoonstelling gemaakt, getiteld SuriNedWerk, die in september en oktober van dit jaar in het wijkpark aan de Kruiskade in Rotterdam heeft gestaan. Van 10 december 2010 tot 31 januari 2011 is SuriNedWerk te zien in de Hermitage Mall aan de Lalla Rookhweg in Paramaribo. Bij de tentoonstelling is een gelijknamig magazine uitgegeven met foto’s van Otto Snoek en geschreven portretten van journalist Steven Adolf. SuriNedWerk is de tweede editie van een langer lopend project van Kosmopolis Rotterdam en Otto Snoek over eigentijdse culturele diversiteit. Otto Snoek zoomt hiervoor in op jongere generaties migranten in Nederland en hun transculturele netwerken. Met welke mensen, plaatsen en culturen verbinden zij zich en hoe zien zij hun eigen identiteit? De verhalen die ze vertellen zijn grootsteeds, grensoverschrijdend en ook gewoon de dagelijkse realiteit. Otto Snoek plaatste ze in een foto-installatie waar de kleuren en de levendigheid van af spatten. De foto’s zijn niet meer zo makkelijk te herleiden tot één stad of één land. Precies zoals de geportretteerden zelf hun omgeving zien: als een omlijsting van een wereldwijd leven. Eerder dit jaar ontwikkelden Otto Snoek en Kosmopolis Rotterdam de fototentoonstelling .nl.de.tr/turkishconnections, die te zien was op het Afrikaanderplein in Rotterdam-Zuid, op het Taksimplein in Istanbul en in Marxloh, Duisburg.

Foto’s: Otto Snoek Teksten: Steven Adolf Ontwerp: Studio Beige Drukwerk: European Print Brokers

otto snoeK

Eigentijdse netwerken in beeld: vrolijk, rauw en rommelig

otto Snoek (1966) groeide op in de rotterdamse wijk Feijenoord. “Surinamers waren altijd een vast onderdeel van mijn gezichtsveld,” zegt hij. “ze hoorden gewoon bij rotterdam.” de rotterdamse straten werden later een centraal thema in het werk van Snoek. als fotograaf zette hij de stad neer zoals deze zich aan het begin van de eenentwintigste eeuw ontwikkelde: een mengsel van kleuren en culturen, werkend en flanerend, soms rauw en rommelig dan weer vrolijk en feestend, maar altijd in beeld gebracht met humor en in het oog springende details. het grootstedelijke beeld is in beweging en dat laat otto Snoek met zijn werk zien. met Surinedwerk onderzoekt Snoek hoe mensen die migreren of van migrantenafkomst zijn, zich tussen verschillende landen en culturen bewegen. het zijn mensen met transculturele netwerken of simpel gezegd nieuwe wereldburgers. eerder fotografeerde Snoek de turkse gemeenschap op hun transculturele pad. “wat mij is opgevallen bij de meeste mensen die ik in beeld heb gebracht, is dat de scheidslijnen tussen de verschillende bevolkingsgroepen wegvallen”, zegt Snoek. “en onze Surinaamse geportretteerden hebben met de turken een onverwoestbaar optimisme gemeen. ze zijn voor de duvel niet bang en bereid risico’s te nemen. ze weten dat je energie in je projecten moet stoppen om er wat van te maken. ze hebben een soort instinct voor overleven meegekregen. het zijn principiële mensen, vind ik.”

invloed hebben. de nieuwe generatie eist hun eigen ruimte op en is duidelijk individualistischer. op een intuïtieve manier zoeken ze hun weg tussen hun culturele achtergrond en de mogelijkheden die hen verder worden geboden.” Familie en netwerken spelen nog steeds een grote rol, denkt Snoek. “ik zie vrijwel niemand meer van mijn familie. de mensen die ik fotografeerde, hebben contacten in rotterdam, paramaribo, de verenigde Staten, basel en milaan. die banden zijn hechter dan je denkt.”

“Ze staan diChter bij mij dan bijVoorbeeld de orthodoXe GemeensChaP in mijn WoonPlaats KrimPen.”

voor de nieuwe transculturele generatie is het onderscheid tussen allochtoon en autochtoon een achterhaalde zaak, denkt Snoek. “ze staan dichter bij mij dan bijvoorbeeld de orthodoxe gemeenschap in mijn woonplaats Krimpen.” ook het koloniale verleden, dat zo bepalend is voor de verhoudingen in Suriname en met nederland, verdwijnt meer naar de achtergrond. “de tussenschotten tussen Surinamers onderling en met bakra’s (iemand van nederlandse afkomst red.) zijn aan het afbrokkelen. de mensen die ik heb ontmoet, gaan daar steeds meer aan voorbij.”

het exotische beeld van de Surinamers uit de jaren zeventig kan wat Snoek betreft naast de portretjes op de schoorsteenmantel worden gezet. een deel van de tradities blijft wel een rol spelen. “maar je ziet dat ze een minder dominante

Tentoonstelling Ontwerp: Rob den Dulk, KLIEF aidk Grafisch ontwerp: Studio Beige Printwerk: Jeroen Noordhoek, Fotovakprint Bouw: Palli’s Lighting en Decor, Paramaribo Voor de totstandkoming van SuriNedWerk gaat onze speciale dank uit naar: Chrystabelle Beaton, Nancy Chee, Juliette Esajas, Tony Khan, Ginmardo Kromosoeto, Pim de la Parra, Bidjai Saktoe, Rabin Soechit, Roberto Tjon A Meeuw, Ellen Tjon A Meeuw, Charle Wilfrid, Denise Zending. En ook met dank aan: Armand van Alen en Jordan de Sanders, aan de Academie voor Kunst- en Cultuuronderwijs (AHKCO), Fatum Investments N.V./Hermitage Mall en Spanhoek Hotel voor de samenwerking en aan de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden voor hun financiële bijdrage. SuriNedWerk is een project van Kosmopolis Rotterdam.

deze uitgave is met zorg samengesteld. aan de inhoud kunnen niet zonder meer rechten worden ontleend. niets uit dit werk mag verveelvoudigd worden en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfi lm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Kosmopolis rotterdam. wijzigingen voorbehouden. © Kosmopolis rotterdam 2010, © Foto’s otto Snoek


SuriNedWerk PO4

Chrystabelle Beaton KoppeltekenSurinamers

Toen ze in Nederland was, dacht Chrystabelle dat ze Surinaamse was.

Als peuter, op haar tweede, vlak voor de Surinaamse onafhankelijkheid kwam Chrystabelle Beaton (38) met haar familie vanuit Paramaribo naar Nederland. Eerst woonden ze in Amsterdam, toen in Venlo en later in Hoogvliet. In Rotterdam werkte ze jarenlang als projectleider van het opbouwwerk in het centrum. Het idee om te emigreren groeide tijdens vakanties in Suriname. “Ik was Nederland een beetje zat en dacht, hier wil ik zijn. Er moet hier nog zoveel gebeuren. En ik had een nieuwe uitdaging nodig.” Chrystabelle werkt als gids op de boten die vanaf de monding van de Commewijne rivier stroomopwaarts de dolfijnen opzoeken. “Kijk de Guiana dolfijn is kleiner dan de tuimelaar en heeft een roze buik”, zegt Chrystabelle. Zij wijst naar de boeg waar de dolfijnen omhoog springen en hun bezoekers nieuwsgierig aankijken. Het toerisme in Suriname begint van de grond te komen, vooral aan de kust en in de uitgestrekte binnenlanden. “Dit land is supergroot en biedt veel kansen”, vertelt Chrystabelle. In het jaar dat ze nu in Suriname woont, heeft Chrystabelle haar eigen mogelijkheden op verschillende terreinen benut. Als gebiedscoördinator werkt ze voor stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname. Kinderen uit gebroken en arme gezinnen en uit achterstandswijken worden geholpen in het onderwijs. De stichting knapt schoolgebouwen op, koopt leerboeken en verstrekt zelfs kinderkleding. Los van dit project heeft Chrystabelle ook een eigen bedrijf opgericht: een bezorgservice van post. Ze kende niemand in Suriname en ze had ook geen netwerk om op terug te vallen. Ze leerde niet alleen iets over het land, maar ook over zichzelf door de cultuurverschillen. Ze heeft gemerkt dat ze veel directer is dan

de mensen in Suriname. “Ik zeg wat ik ervan vind. Hier moet je oppassen dat je mensen niet op hun teentjes trapt. Mensen vertellen hun verhaal vaak met een hele omweg.” Toen ze in Nederland was, dacht Chrystabelle dat ze Surinaamse was. “En nu merk ik dat ik veel van Suriname nog moet leren kennen.” Missen doet ze Nederland nog niet. Hooguit om kleren te kopen, want het aanbod in Paramaribo is wat beperkt. Ze is veranderd, zegt Chrystabelle. Anders dan in Nederland heeft ze nu veel contact met Hindostanen en Javanen. “Die had ik niet in mijn vriendenkring. Hier woon je met ze in de straat. Ik vind dat een verrijking.” Het verschil tussen allochtoon en autochtoon speelt in Suriname niet. “Creool-Surinamer, Javaan-Surinamer, Hindostaan-Surinamer, Chinees-Surinamer. Hier heb je alleen koppelteken-Surinamers.”


SuriNedWerk PO5

Bidjai Saktoe

Op mijn gemak in een melting pot

“Ik krijg er geen onderzoekende blikken.”

Kortgeleden was hij in Queens, New York, om zijn oom te bezoeken. Bidjai Saktoe (40) voelde zich er onmiddellijk op zijn gemak. “Ik werd er binnengehaald alsof ik er al jaren kwam”. Toen zijn oom hem meenam om te gaan voetballen met zijn Surinaamse vrienden klonk direct het ‘Fawaka?’. En zijn Amerikaanse neefjes gaan misschien vaker naar McDonald’s dan hun leeftijdgenootjes in Suriname en Nederland, maar ’s avonds wordt ook in New York gezamenlijk roti met kip in massala (Hindostaanse kerrie) gegeten. In Queens voelde Bidjai zich thuis, zelfs buiten de familiekring. “Ik krijg er geen onderzoekende blikken”, zegt Bidjai. In Nederland, buiten de grote steden, overkomt het hem regelmatig dat hij wordt nagestaard als een vreemdeling. Misschien dat hij zich daarom makkelijker beweegt in steden als New York, Londen, Mumbai/ Bombay of Bangkok, steden waar hij graag naar toe gaat. Bidjai is geboren in Suriname. Zijn opa kwam daar al in 1896 als immigrant uit India naar toe. In 1974, kort voor de onafhankelijkheid van Suriname, verhuisde Bidjai’s vader met zijn gezin naar Rotterdam. Hij ging in zijn jeugd een

aantal keren naar Suriname op vakantie, maar echt een band met het land voelde hij pas toen hij zeven jaar geleden terugkeerde om de as van zijn overleden vader te verstrooien. “Ik ben graag bij de familie en ook het leven in Suriname, dat zich veel buiten afspeelt, bevalt me erg. Dat mis je onmiddellijk als je weer terug bent in Nederland.” Het gemeenschapsgevoel van Hindo­ stanen maakt dat je het snel naar je zin hebt in Suriname, denkt Bidjai. “Er is een Surinaams gezegde dat de Creolen eten en drinken en zich minder druk maken om de dag van morgen; de Chinezen werken om hun graf te kunnen betalen en de Hindostanen werken voor hun familie. De Hindostaanse gemeenschap is sterk met elkaar verbonden en regelt alles voor elkaar.” Bidjai studeerde kunst- en cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit en werkte onder andere bij het International Filmfestival Rotterdam. Zo kwam hij via-via terecht bij The Back Lot festival als projectmanager. Deze stichting organiseerde jaarlijks twee filmfestivals in Paramaribo. Het was fijn om een tijd in Suriname te werken; hij had het gevoel

dat hij iets deed voor het land. Vorig jaar organiseerde hij in Den Haag een werkconferentie van het nieuw opgezette Arts Network India en nu werkt hij aan het China Festival Utrecht ter gelegenheid van 100 jaar migratie van Chinezen in Nederland. Hoe hij zichzelf noemt? “Hindoestaans natuurlijk, ik houd de tradities in ere.” Soms heeft hij het in gezelschap van anderen over ‘Wij Surinamers’. “En toch ben ik vooral Rotterdammer”, zegt Bidjai. Nuchter en relativerend: dat heeft hij tijdens zijn jeugd geleerd in RotterdamZuid. Daarom is het vaak even wennen als hij in Suriname is, aan het andere ritme en de soms chaotische manier waarop de zaken daar worden aangepakt. “Ik beleef er steeds meer plezier aan, werken is er veel meer ontspannen en altijd met een glimlach. “Misschien dat hij in de toekomst weer naar Suriname vertrekt of naar een grote stad ergens op de wereld. “In een melting pot voel ik me op mijn gemak.”


SuriNedWerk PO6

Tony Khan

De beste papieren voor Nederland

“Je moet de mensen de gelegenheid geven aan je te wennen.”

In het begin werd de kat uit de boom gekeken toen het tennispark Het Centrum plotseling bleek overgenomen door een atletische zwarte jongen met dreadlocks. Nog steeds komt het voor dat mensen hem eerst voorbij lopen als ze het tennispark binnen gaan. Tony Khan (41) was dat al gewend. “Ik beweeg me nu eenmaal in een overwegend blanke omgeving”, zegt hij. Dat is al zo van jongs af aan toen hij actief was in de cricketwereld. Ook toen hij in 1985 aanklopte voor een stage bij de tennisclub in het Friese SintAnnaparochie. Met dreadlocks tot zijn heupen. Er kwam een politiebusje langs om te vragen wat hij kwam doen. Maar al snel werd hij door de dorpsbevolking in de armen gesloten. Hij moet er vooral om lachen. “Je moet de mensen de gelegenheid geven aan je te wennen.” In de familie van Tony speelde sport een belangrijke rol. Zijn vader genoot faam als internationaal cricketcoach. Cricket geldt in Nederland nog steeds als een vrij elitaire sport; daar buiten wordt de sport veel meer bepaald door de nazaten van de voormalige Britse koloniën. Zelf volgde Tony ook een sportopleiding. Een tijdje twijfelde hij of hij judoka zou worden.

“Maar m’n hele leven in een dojo trok me minder. In tennis zit meer muziek.” Sinds vijf jaar werkt hij nu als eigenaar en trainer op de drie banen van het Rotterdamse tennispark Het Centrum. Tony is een echte ‘gravel fan’, dus toen hij de kans kreeg om Het Centrum over te nemen nam hij die met beide handen aan. Ingesloten door de huizenblokken aan de Mathenesserlaan en slechts bereikbaar via een smalle gang is het tennispark Het Centrum een verborgen oase in het hart van Rotterdam. Tony kwam er toevallig om met zijn tweelingbroer een partijtje te tennissen. Hij zag direct de mogelijkheden en vroeg de eigenaar of het park misschien te koop was. Dat was niet zo, maar een paar jaar later wel. Met Suriname heeft hij niet veel meer. Hij was amper een jaar oud toen hij in 1970 uit Suriname naar Nederland kwam. Als hij een keer terug wil naar de Caraïben is hij meer geïnteresseerd in het buurland Brits-Guyana waar zijn vader oorspronkelijk vandaan kwam. Al was het alleen al voor de cricketliefde van dat land. Reizen doet hij genoeg, het liefst naar plaatsen waar hij vrienden en kennissen kan ontmoeten. Zo is Spanje al jarenlang zijn

bestemming in de winter. Als het park gesloten is, organiseert hij tennisreisjes naar Barcelona. Daar regelt hij een baan met uitzicht over de stad en het strand. Of hij gaat naar Andorra om te skiën. Maar Nederland blijft zijn uitvalsbasis, want daar kent hij de weg. “En voor Nederland heb ik de beste papieren.”


Charle Wilfrid

SuriNedWerk PO7

Een Indiase bloem uit Suriname voor de Nederlandse markt “De gekte van de bloemencultuur: dat is echt een Nederlandse zaak.”

Charle Wilfrid (44) werd geboren in Suriname en studeerde als landbouwingenieur af aan de Universiteit van Wageningen. Jarenlang werkte hij in heel andere, zakelijke sectoren: bij Toneelgroep Amsterdam, het Nationaal Ballet en uitgeverij Wolters Kluwer. Maar hij wilde wat anders, iets voor zichzelf doen in plaats van een klein radertje zijn in een grote machine. Toen zijn vader in 2005 overleed, erfde hij 1,7 hectare aan land. Precies groot genoeg voor een kas en in Suriname was de tuinbouw net tot speerpunt uitgeroepen. Het was kortom, een goed moment om terug te gaan. In een kas, tussen vele bakken gevuld met curcumaknolletjes staat nu zijn bureau. Drieduizend vierkante meter aan curcuma, een van oorsprong Indiase bloem, heeft Charle hier geplant. “Dat is het achtertuintje van de gemiddelde tuinder in Nederland”, lacht hij. Maar als de plant hier goed gedijt en economisch rendabel wordt, kan het makkelijk drie hectare met curcuma worden. Gekweekt voor de export naar de rest van het Caribische gebied en naar Nederland natuurlijk. De planten zijn met plastic badges gemerkt: UB Snow, Chiang-Mai pink, Snow White. Het is een kwestie van uitproberen, vertelt Charle. Want Suriname kent nauwelijks kasteelt. Eerst was er te veel zon, toen waren de irrigatie en ventilatie van de computergestuurde klimaatbeheersing niet goed afgesteld. Je zou het curcuma project kunnen zien als het resultaat van een mengeling van culturen. Als hij niet in Nederland had gestudeerd, was hij vermoedelijk nooit op het kweken van een bloem uitgekomen, denkt Charle. De curcuma voldeed aan alle criteria: een niche in de markt die met relatief weinig mankracht kan worden

benut. Nederlandse kwekers ontvingen hem gastvrij en vertelden hun ervaringen. Hij begon met vijfduizend plantjes, waarvan de eerste bloemen intussen aan Surinaamse klanten zijn verkocht. Al zal de Surinaamse markt nooit het doel worden. “De gekte van de bloemencultuur: dat is echt een Nederlandse zaak. In landen als Suriname werkt dat niet”, zegt Charle. “Alles wat je hier ziet, heb ik van achter mijn bureau in de Amsterdamse Pijp bedacht. Ik heb dit met mijn eigen handen opgebouwd.” De bloemflesjes staan klaar en het transport richting Nederland kan van start. In het naseizoen tot het voorjaar, als de bloem in Nederland niet meer te kweken valt, ligt er een markt voor de ‘Suricurcuma’s’ open, zegt Charle. “Als je straks in november op de bloemenmarkt curcuma tegenkomt, dan is de kans groot dat hij van mij is.” Hij beweegt zich net als zijn bloem tussen de culturen. “Suriname is het land waar ik vandaan kom, maar voor mijn huis en mijn vriendin ga ik naar Amsterdam.” Na 23 jaar in Nederland te hebben gewoond, is hij anders tegen Suriname aan gaan kijken. Er valt hier een hoop te verbeteren, zegt Charle. Of het nou het verkeer is, het gebrek aan klantvriendelijkheid in de winkel of niet op je beurt kunnen wachten in een rij. En aan de andere kant is er weer die hartelijkheid. “Mensen zijn oprecht in je geïnteresseerd. ‘Fawaka’, hoe gaat het? Dat is authentiek Surinaams.”


SuriNedWerk P1O

Denise Zending Per kerende post naar Suriname

De vraag is wie het eerste in Suriname zal aankomen, vader of dochter.

Als ze vertrekken naar Suriname zal het eerst zijn om het land te verkennen. Ergens wonen en werken is anders dan er op bezoek zijn, zegt Denise Zending (34). Voor haar Antilliaanse vriend nog meer dan voor haarzelf. “De Antillen zijn toch anders”, zegt Denise. Ze hebben nog geen vast plan voor werk: het blijft een avontuur. Wat haar speciaal aanspreekt, is de diversiteit in Suriname. “Natuurlijk gaat dat niet altijd goed. Maar toch slagen de verschillende groepen er in om respect en begrip voor elkaar op te brengen. Je ziet dat ze elkaars feestdagen delen. Jammer dat dit in Nederland niet gebeurt met bijvoorbeeld het Suikerfeest.” Denise Zending is geboren en getogen in Rotterdam, uit een Nederlandse moeder een Creoolse vader. Haar vader vertrok op zijn achttiende vanuit Suriname naar Rotterdam. Zijn oudere zus vond het beter dat hij naar zijn moeder ging, die in Rotterdam woonde. “Op de post gedaan naar Nederland, zegt mijn vader altijd”, lacht Denise. Hij wil uiteindelijk weer terug, samen met haar moeder. De heimwee is gebleven. “Bijna als een soort liefdesverdriet”, zegt Denise. “Mijn oom die in Basel woont heeft dat ook, maar van mijn andere oom in Milaan durf ik dat niet te zeggen.” In Nederland studeerde Denise algemene cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit. Werken tussen verschillende culturen spreekt haar aan. Op dit moment werkt ze bij de Hogeschool InHolland als projectleider diversiteit. En jaren geleden al begon ze samen met een Koerdische vriendin een eigen modelijn voor vrouwen. “Surinaamse haarbanden, van die losse Turkse broeken, vrolijke kleuren uit Suriname, gecombineerd met rinkelende oosterse oorbellen.” Pas op haar 22ste kwam Denise

voor het eerst in Suriname, om het land te leren kennen van waaruit haar vader op de post was gedaan en om haar familie te bezoeken. Het was liefde op het eerste gezicht: “De warmte en de geuren van de bomen die je ruikt als de deur van het vliegtuig open gaat en je naar buiten stapt”, zegt ze. Een lange reeks van bezoeken volgde, met in de afgelopen jaren veel vrijwilligerswerk. Zo groeide het idee om te emigreren. Ondanks haar hang naar het land, ziet ze zichzelf niet als Surinaamse. “Nederlands vooral, maar ook Surinaams, Creools. Ik heb een beetje van alles. Geen halfbloed maar een dubbelbloed.” In Nederland krijg je al snel een stempel opgedrukt. “Volgens de definitie van het CBS ben je al allochtoon als je een buitenlandse vader hebt. Dan ben je dus een probleemgeval waar van alles mee moet gebeuren. Ik zou het beter vinden als mensen meer als individuen worden benaderd in plaats van in een hokje te worden gestopt.” De vraag is nu wie het eerste in Suriname zal aankomen, vader of dochter. Voor hem wordt het een weerzien, voor haar een nieuw avontuur. “Ik heb in korte tijd gezien hoe hard Suriname groeit. Als je creatief bent, zijn er genoeg bestaansmogelijkheden”, zegt Denise. “Ik wil een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het land. Voor mij en mijn vriend is het ook een uitdaging om bij nul te beginnen en iets nieuws uit te proberen.”


SuriNedWerk P11

Ellen Tjon A Meeuw Puzzelstukjes op hun plaats

“Als ik me daar aan ga ergeren, kan ik beter terug gaan.”

Suriname is misschien niet het Walhalla. Toen ze vanuit Nederland naar Suriname vertrok, ging Ellen Tjon A Meeuw (35) er in inkomen fors op achteruit. Maar het is iets persoonlijks dat haar naar het land trekt, een zoektocht naar haar achtergrond. “Ik wil ervaren waar mijn ouders vandaan komen en ik heb het gevoel dat de puzzelstukjes hier op hun plaats vallen.” Identiteit, daar wordt iedereen die emigreert onherroepelijk mee geconfronteerd. “Je persoonlijkheid neem je met je mee. Maar als je over een grens stapt, vormt dat ook je identiteit. Voor mij is het in ieder geval iets wat je ontwikkelt.” Zo is ze minder Nederlands sinds ze in Suriname woont, denkt Ellen. In Nederland hoorde ze er wel bij, maar soms ook weer niet. Bij een bezoek aan het Concertgebouw werd ze op haar schouder getikt. Of ze het tafeltje even wilde afnemen. Of ze kreeg opmerkingen dat ze ‘best wel goed Nederlands’ sprak. Ze ging er eerst altijd schouderophalend aan voorbij, maar het begon haar steeds meer op te vallen. “Ik wil beoordeeld worden op wat ik doe, niet op hoe ik er aan de buitenkant uitzie. Hier in Suriname heb je dat misschien ook, maar het is op de een of andere manier minder negatief.” Als kind moest ze iedere schoolvakantie naar

Suriname. “Dat was een drama”, herinnert Ellen zich. “Mijn vriendjes gingen fijn naar Frankrijk of kamperen op Ameland.” Zij moest slapen bij de familie en zwemmen in kreekjes met bruin water. Totdat ze tien werd en niet meer voor de halve prijs mee kon vliegen. Pas toen ze negentien was, kwam ze terug voor een stage en sindsdien ging ze ieder jaar. Na een drukke, overwerkte periode als producent bij Paradiso in Amsterdam bleef ze er vier maanden. “En toen dacht ik, ik ga niet meer terug.” Kiezen voor Suriname heeft voor- en nadelen. In Nederland was het keihard werken, maar iedere maand kreeg ze een goed salaris uitgekeerd. Ze had daar iets opgebouwd, maar altijd was er heimwee naar hier. En hier is het vechten om het hoofd boven water te houden. In Amsterdam was er het koude en onpersoonlijke van de mensen. Terwijl hier de zaken soms wel erg stil staan. Natuurlijk loopt in Suriname ook niet alles op rolletjes. De ambtenarij kan een moeras zijn; mensen die ja zeggen terwijl ze nee bedoelen en om de zaak heen draaien; de vriendjespolitiek van ons kent ons. Dat soort dingen. Ze heeft zich voorgenomen er aan voorbij te gaan. “Als ik me daar aan ga ergeren, kan ik beter terug gaan.’’ Ze doet nu veel aan sport. Trainen

in de gym. En dat is het leuke van een land als Suriname, voor je het weet ben je kampioen. Eind vorig jaar waren er de nationale fietskampioenschappen met een tijdrit op de weg. De avond ervoor had ze nog een feestje, maar ze besloot om toch mee te doen en werd tweede. “Ik heb een goede conditie’’, lacht ze. “Maar misschien zegt het ook wel iets over de rest.”


SuriNedWerk P14

Ginmardo Kromosoeto Derde generatie Javaan in Suriname

“Ik ben moslim, maar mijn kinderen gaan naar een katholieke school.”

“Mijn vader is van de rechteroever. Ik ben verwekt op de plantage Rust en Werk.” Ginmardo Kromosoeto (43) wandelt door het Sana Budaya, het ‘volkshuis voor cultuur’ van de Javanen: een grote overdekte ruimte voor bijeenkomsten aan de rand van Paramaribo. De hal is enkele jaren geleden gerenoveerd met steun van de Indonesische regering. Ernaast staat een wit monument ter nagedachtenis aan de Javanen, die aan het einde van de negentiende eeuw per stoomboot naar Suriname werden getransporteerd om op de plantages te werken. In augustus vindt hier een authentieke Pasar Malam plaats, vertelt Ginmardo. Er zijn cursussen batikken en er wordt op alle mogelijke manieren geprobeerd om de jongeren te stimuleren. Want niet alles gaat even soepel onder de Javaanse jeugd. “Sommigen glijden af”, zegt Ginmardo. “Ze hangen rond bij de winkels, ze kunnen hun weg niet vinden. Dat baart me zorgen.” Ginmardo vermoedt dat het iets te maken heeft met zoeken naar een identiteit. De zijne is ondanks zijn Javaanse achtergrond duidelijk Surinaams. Of misschien wel dankzij: Suriname is ten slotte een mengsel van identiteiten en culturen. Ginmardo is geen onbekende in Suriname. Hij is al jaren actief in de Nationale Democratische Partij van Desi Bouterse. De laatste jaren werkte hij als de directeur van diens kabinet. Na de afgelopen verkiezingen is Ginmardo beëdigd als lid van het Surinaamse parlement. En Ginmardo is actief in het bestuur van de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie. Maar ondanks zijn Javaanse roots gelooft hij heilig in een Suriname waar de verschillende bevolkingsgroepen juist gezamenlijk optrekken. Die boodschap bleek aan te slaan: de multi-etnische partij combinatie won de verkiezingen.

De migratie vanuit het toenmalige Nederlands-Indië naar de West is een koloniale geschiedenis, vertelt Ginmardo. Hij is de derde generatie Javaan in Suriname. In zijn familie gaat het verhaal dat zijn grootmoeder op haar zestiende onder valse voorwendselen was geronseld voor plantagewerk. Ze vonden werk op de plantage aan de rechteroever van de Commewijne rivier. Een plek waar nog steeds veel nakomelingen van Javaanse migranten wonen. Vroeger thuis werd er Javaans gesproken. Ginmardo verstaat het nog steeds, alleen het spreken gaat wat minder. Dat wordt misschien beter als het plan doorgaat om dit jaar voor een beurs naar Indonesië te gaan. In het dagelijks leven is hij directeur van het installatiebureau Multi Electrical System. Ooit begon hij met drie werknemers, inmiddels zijn het er zeventig. Hij is er trots op: zijn bedrijf legt de bedrading aan in grotere installaties in hotels of - recent nog - in het nieuwe Nationaal Archief van Suriname. Ginmardo gelooft in het multiculturele credo van zijn partij. “Ik ben moslim, maar mijn kinderen gaan naar een katholieke school.” Met kerst staat er een kerstboom in de woonkamer. Zijn vrouw is Creools, al had zijn vader hem liever met een Javaanse vrouw gezien. Suriname heeft een gemengde toekomst, denkt Ginmardo. Natuurlijk, sommige nieuwkomers, zoals de Brazilianen, integreren sneller dan bijvoorbeeld de Chinezen. “En toch zullen we er in Suriname samen uit moeten komen.”


SuriNedWerk P15

Nancy Chee Om de twee maanden de wereld over

Ze vliegt op en neer naar Zwitserland, Italië, Dubai en zelfs naar Hong Kong, van waar haar familie ooit emigreerde.

Nancy Chee (36) reist om de twee maanden de wereld over. Ze is net terug van een juwelen- en horlogebeurs in Basel. Ze vliegt op en neer naar Zwitserland, Italië, Dubai en zelfs naar Hong Kong, van waar haar familie ooit emigreerde. Nancy is van huis uit juwelier, net als haar vader. Daarnaast is zij sinds een jaar manager van het nieuwe Hotel Spanhoek, in het centrum van Paramaribo. Vader Chee stamt uit een familie van Hong Kong Chinezen van ondernemers en werd zelf horlogemaker. De juwelierszaak die hij in het centrum van de stad begon, groeide uit tot een keten van acht taxfree winkels onder leiding van de familie Chee. Zijn dochter Nancy is geboren in het Suriname van de culturele diversiteit. Het buurjongetje was Creool en aan de andere kant van de straat woonden Hindostanen. Nederland maakte er vanzelfsprekend deel van uit. “Toen ik jong was wilde ik er al graag naar toe”, kan ze zich herinneren. En dus trok ze in bij haar familie, maakte daar haar middelbare school af en ging studeren in Rotterdam. In 1996 keerde ze weer terug naar Paramaribo. “Ik kreeg heimwee, dit is mijn thuis”, vertelt ze. “Als ik nu

in Nederland ben, merk ik het direct”, zegt ze. “Het gejaagde leven, alles op tijd, de drukte op de weg en in de trein.” In sieraden herken je de Surinamer, ze houden van goud. “Ze hebben geelzucht”, lacht Nancy. “De Creolen willen graag grote sieraden, schakelkettingen van 150 gram, met het goud zo geel mogelijk. Voor de Hindostanen moet het glitteren en glanzen. Ze kopen ook meer diamanten. En de Javanen zijn weer conservatiever in hun smaak. Ze vallen op 24 karaats goud. Het moet vooral waarde hebben.” En de bakra’s? “Als ik vroeger in de Bijenkorf liep, zag je vooral van dat 10 karaats goud liggen. Ze zijn nu wat bewuster, maar ze vragen altijd waarom het zo duur is.” In 1998 kocht de familie het pand in het centrum, dat was een buitenkans, al wisten ze nog niet meteen wat ze er mee zouden doen. Het werd een hotel dat zich richt op zakelijke bezoekers en op toeristen die op zoek zijn naar meer comfort. Iets dergelijks was tot dan toe dun gezaaid in Paramaribo. “En het is weer eens iets anders dan sieraden”, lacht Nancy. Het hotel runt zij met haar broer. Net als de juweliersketen is het een echte familieonderneming. Zo ontwierp

haar schoonzus het interieur, met iedere kamer een eigen karakter. “We hebben veel hout gebruikt in de afwerking om iets van Suriname te laten zien”, zegt Nancy. Ondanks haar achtergrond beschouwt ze zichzelf eerst en vooral als een Surinaamse. Het gemengde van haar land bevalt haar. Het is het kapitaal van Suriname, denkt Nancy. “Het is onze kracht dat we hier met verschillende groepen in harmonie kunnen leven. Het maakt ons sterk.”


SuriNedWerk P20

Pim de la Parra Poliglobale kosmopoliet

“Nederland is een bijna perfecte samenleving. Maar het is tot stilstand gekomen.”

“Mensen zijn als eilanden die elkaar over de oceanen van misverstanden leugens toeroepen. Dat is van Vasily Rozanov, ken je die? Hij hield trouwens ook van seks. Kijk, dat vind ik nou mooi”, vertelt Pim de la Parra (70). Veertien jaar is hij nu terug in Paramaribo, na omzwervingen op de Antillen en in India. Eerder woonde hij twee keer zo lang in Nederland, maar daar ligt zijn hart toch niet. “Nederland is een bijna perfecte samenleving. Maar het is tot stilstand gekomen”, zegt De la Parra. Suriname is juist nog volop in beweging. Dat bevalt hem. En wat identiteiten betreft, daar is hij snel klaar mee. “Identiteit is een complete illusie”, zegt De la Parra. Neem de Surinaamse identiteit: die is wat De la Parra betreft ‘compleet amorf’. Net als de Nederlandse trouwens. “Zelf ben ik een poliglobale kosmopoliet. Iedereen maakt in principe hetzelfde mee. Maar, zoals de schrijver Louis Paul Boon al zei: het gaat er niet om hoe de dingen zijn, maar om hoe het voelt.” De woonkamer van de cineast lijkt op een omgevallen boekenkast. Op de slaapbank, op de stoelen, de tafel en op de grond staan stapels boeken. “Er is zoveel interessants te lezen”, zegt De la Parra. De laatste

tijd zoekt hij het vooral in het filosofische werk. “Steven Harrison, ken je die? Van hem is: ‘Zoek geen antwoord’. Dat is wijsheid! Overigens, weet een van jullie hoe ik mijn fucking computer aan de praat krijg?” Het is elf uur ‘s ochtends, De la Parra komt vers van onder de douche en bruist van de energie. De maker van het filmepos Wan Pipel trakteert het bezoek gastvrij op koffie met cognac. De poliglobale kosmopoliet voelt zich in zijn land van herkomst duidelijk op zijn gemak. Hier liggen zijn roots: een familie van Sefardische joden die in 1644 in de delta neerstreek. Grootvader was een joodse apotheker en er was al Indiaans, Schots en Creools bloed in de familie geslopen. “Ik ben een witte neger”, verklaart De la Parra. Een joodse opvoeding kreeg hij niet. Vader De la Parra dirigeerde het evangelische koor van de grote stadskerk van Paramaribo. “Kijk hier op de foto staat-ie. Natuurlijk naast de mooiste vrouw uit het koor.” Zoon Pimmetje mocht het orgel aantrappen. “In 1985 hoorde ik in Zimbabwe een koor zingen met precies dezelfde klanken, prachtig.” Buiten op straat wijst De la Parra naar de huizen. Daar woont een Chinees

en daar een Braziliaanse familie. Die Braziliaanse vrouw heeft een prachtige stem. Hij mag er graag naar luisteren als ze haar zang­oefeningen doet. Misschien moet Suriname maar Braziliaans worden. Hoewel, Wan Pipel blijft zijn eigen opus magnum. En die film is uiteindelijk een eerbetoon aan het onafhankelijke Suriname. “Collega-regisseur Wim Verstappen zei: het is het Surinaamse Wilhelmus.” De film is net gerestaureerd door het EYE filminstituut in Nederland. De film krijgt een nieuwe première in Paramaribo ter gelegenheid van de 35ste verjaardag van de Republiek Suriname. Met gepaste trots meldt de cineast in ruste: “zo gerestaureerd gaat die film weer duizend jaar mee.”


Rabin Soechit

SuriNedWerk P21

De wereld is zo klein geworden Tien jaar was hij weg uit Suriname: zes jaar studeren in Nederland en daarna vier jaar ervaring opdoen in een bedrijf in het Franse Duinkerken. Het was een goed leerproces, zegt rijsthandelaar Rabin Soechit (27). Rabin zit op kantoor, boven de hal waar de balen rijst op vervoer liggen te wachten. De hindoegod Shiva kijkt vanaf de wand goedkeurend toe. Niet dat hij de band met Suriname ooit verloor, daarvoor pendelde hij te regelmatig op en neer. “Maar je maakt dingen mee, je pikt dingen op en schakelt toch weer om als je terug bent. Aanpassen ligt in iemands natuur.” Je hoeft je eigen normen en waarden niet over boord te gooien om ook open te staan voor wat een andere cultuur te bieden heeft. “Neem mee wat goed is voor jezelf”, zegt Rabin. In zijn geval was dat gerookte zalm, grapt Rabin. En spitskool. Maar geen haring, dat krijgt hij nog altijd niet door zijn keel. Misschien zou Rabin het liefst nog in Frankrijk wonen, waar hij een tijd in de rijsthandel zat. Maar het bedrijf Rijstpak van zijn familie had hem nodig in de Surinaamse vestiging. “En voor het familiebedrijf ben ik overal inzetbaar.” Met een productie van zo’n 1200 hectare is Rijstpak een van de grootste rijstbedrijven van Suriname, vertelt Rabin trots. Al veertig jaar lang. Het familiebedrijf beschikt over een splinternieuwe, state of the art rijstmolen. De productie is voornamelijk voor de export naar het Caribische gebied, Frankrijk en Nederland. Maar voor de Surinaamse rijsthandel is het niet makkelijk om het hoofd boven water te houden. De concurrentie op de internationale markt is scherp en bovendien subsidiëren Europa en de Verenigde Staten hun rijst.

Je hoeft je eigen normen en waarden niet over boord te gooien om ook open te staan voor wat een andere cultuur te bieden heeft.

“Daar kun je moeilijk tegen op”, zegt Rabin. En dat is jammer, want Suriname kent van oudsher een rijstcultuur. “Het is een groot verlies als dat stil komt te liggen.” Rabin is onderdirecteur, onder zijn vader wel te verstaan. Want zo gaat dat in een familiebedrijf. “Thuis is hij mijn vader, hier de directeur.” Zijn grootvader richtte Rijstpak op. Zelf studeerde Rabin bedrijfskunde aan de TH Rijswijk. Hij kende Nederland als kind al van zijn schoolvakanties. Hij denkt nog wel eens aan Frankrijk. Het grote voordeel is dat hij zijn Franse klanten in hun eigen taal te woord kan staan. “De wereld is zo klein geworden”, zegt Rabin. “In onze handel weet je binnen een paar dagen waar de rijst te koop is en waar de vraag ligt. En met internet zie je hoe de vluchtschema’s in elkaar zitten om snel bij je klanten te komen.” Het leven in Frankrijk beviel hem goed. Hij denkt er nog vaak aan terug. Zijn oudste dochter, die in Frankrijk is geboren, heeft een bijzondere band met het land. Zelf voelde hij zich er thuis, ook vanwege kleine dingen die hem bevielen. Zoals een vers stokbrood kopen bij de bakker in de straat om vier uur ’s ochtends, voordat hij in de auto naar Nederland stapte. “Als ik ooit weer naar Europa ga, dan wordt het Frankrijk.”


SuriNedWerk P22

Roberto Tjon A Meeuw Op en neer naar de jungle

“Iedereen is kunstenaar. Ik probeer voor mezelf een verhaal te vinden.”

“Mijn roeping is dat ik mensen van hier daar naar toe kan krijgen en van daar hier kan brengen”, zegt Roberto Tjon A Meeuw (40). Daar is Nederland, hier is Suriname. Maar ook: daar is de jungle in het binnenland en hier zijn de straten van Paramaribo. Kunstenaar Roberto Tjon A Meeuw haalt zijn inspiratie uit het binnenland, waar hij het liefste is. Hij rijdt er als gids toeristen heen en eenmaal daar zoekt hij voorwerpen van de Marrons (Boslandcreool red.) die hij mee terug neemt naar de stad. Hij brengt er zijn cultuur, zegt Roberto en de Marrons geven hun cultuur terug. Roberto werkt met afval. Uit sloophout maakt hij kunstobjecten en meubels, waarbij het onderscheid niet altijd scherp te trekken is. Een van zijn buitenproportionele houten banken staat uitgestald voor het Nola Hatterman Instituut voor de kunst, gevestigd in het park van Fort Zeelandia. Het is een gewilde plek voor toeristen en dagjesmensen. Zij laten zich daar fotograferen als kleine kinderen op een veel te grote bank. En er is de muziek. Als hij niet in Rotterdam of elders optreedt als DJ Prepmatic draait hij met regelmaat in de Zanzibar in Paramaribo. Als kruising van Marron, Hindostaan en Chinees werd Roberto veertig jaar geleden in Paramaribo geboren. Op z’n achtste vertrok hij naar zijn vader in de Amsterdamse Geinwijk. Na drie jaar kwam hij even terug in Suriname en vertrok weer naar Nederland. Met vriendinnetjes op de fiets door de Bijlmer. “Ik was een goed aangepaste Nederlander”, lacht hij nu. Op zijn eenentwintigste ging hij het Nederlandse leger in. Als Korporaal eerste klas bij de elfde pantserdivisie van de garde grenadiers diende hij ondermeer in Srebrenica. Het was op dat moment precies wat hij zocht: snel op eigen benen staan, een outdoor baan, onafhankelijk.

Terug in de burgermaatschappij ontwikkelde hij zijn artistieke kanten. Hij werd DJ in de Melkweg: draaien voor zo’n zaal en de liefde die je krijgt, geweldig. Kunstenaar? “Iedereen is kunstenaar. Ik probeer voor mezelf een verhaal te vinden”, vertelt Roberto. Nederland was een goede leerschool en hij is er trots op. Maar zijn verhaal ging toch weer verder in Suriname. Tien jaar geleden vroeg zijn moeder zijn hulp bij het opzetten van benzinestations aan de grens met FransGuyana. Bij zijn reizen ontdekte hij het binnenland, de uitgestrekte jungle met zijn overweldigende natuur. Hij is er nog steeds vol van. “Het maakte me een ander mens.” Hij woont met zijn vrouw en twee zoontjes aan de rand van de stad. Hij heeft er zijn atelier en zijn tuin met beelden. Maar als het even kan, reist hij de wildernis in. Bijvoorbeeld met kunstenaars uit Rotterdam. Graag zou hij een Marronmuseum in Paramaribo willen stichten. Op en neer tussen die culturen. “Die bruggen wil ik slaan. Dat is mijn thuis.”


SuriNedWerk P23

Juliette Esajas Nederland was voor haar de vervulling van een droom

“Er werd geknokt over wie me op het schoolplein links en rechts een arm mocht geven.”

“Anansi is niet zomaar een spin, maar een slimme spin. En ook een beetje een schurk, een soort Reinaert de Vos”, zegt Juliette Esajas (54). Anansi speelt de hoofdrol in Surinaamse volksvertellingen die hun oorsprong in Afrika vinden. En de spin vormt de spil in het poppentheater waarmee Juliette optreedt voor haar kinderpubliek. Toen haar jongste dochter één werd, besloot Juliette haar kinderen op een positieve manier iets bij te brengen over hun Surinaamse achtergrond, hun cultuur en vooral hun zelfbeeld. Ze had zich al een tijdje lopen ergeren aan het imago van zwarte mensen. “Alleen sporters en zangers droegen iets positiefs bij en verder was het op televisie altijd uitgemergelde zwarte kinderen uit Afrika of filmrollen in slavenverhalen.” Het werd een Surinaamse spin uit Afrika in een Nederlandse poppenkast. De poppen maakte ze zelf: bruine poppen en één witte. “Die laatste was natuurlijk de boef”, lacht Juliette. Ze schrijft er zelf de verhalen bij. De moraal van haar verhalen is ‘eerlijk duurt het langst’ en zelfs Anansi wordt wel eens de dupe van zijn eigen egoïsme en gierigheid. Zelf kwam Juliette op haar elfde met haar ouders naar Nederland. Het was voor

haar de vervulling van een droom: in Nederland onderwijzer worden en dan teruggaan naar Suriname om er les te geven. In die tijd waren donkere mensen in Nederland nog iets bijzonders. “Er werd geknokt over wie me op het schoolplein links en rechts een arm mocht geven en altijd werd mijn schooltas voor me gedragen.” Pas later, in de jaren zeventig, kwamen de discussies op gang over het negatieve beeld van zwarte Surinamers. Juliette vond in die tijd dat veel van haar gekleurde vriendinnen zich ‘te wit’ gedroegen en te meegaand reageerden op de denigrerende taal over gekleurde mensen. Ze werd actief, vooral in organisaties voor Surinaamse vrouwen. Na haar HBO stond ze op het punt om terug te gaan naar Suriname. Ze had er al een baan, maar was zwanger van haar tweede dochter en bedacht dat haar kinderen beter in Nederland konden opgroeien. “Vooral de gezondheidszorg was hier nu eenmaal beter.” En toch bleef de keuze tussen blijven en terug gaan haar bezighouden. Zo was ze lange tijd actief in de Stichting Terug naar Suriname en het liefst zou ze op en neer pendelen vanuit Nederland naar andere landen. “Het voordeel van Nederland is

natuurlijk toch dat een aantal dingen hier goed geregeld zijn en je vrij bent om je mening te zeggen.” Nog steeds heeft ze ambities om weer iets nieuws op te bouwen in een ander land. In de Verenigde Staten volgde ze een cursus als schoonheidsconsulente en ze probeerde een aantal jaren een onthaastingskliniek op te zetten aan de kust van Senegal. Een koppelteken-Surinaamse heeft ze zich nooit gevoeld. Haar identiteit wordt eerder bepaald door een positief zelfbeeld zoals ze dat ook haar kinderen heeft proberen mee te geven. Eind jaren negentig verruilde ze haar baan als ambtenaar voor een eigen bedrijf als schoonheidsconsulente met producten van de Amerikaanse cosmeticakoningin Mary Kay. “De slagzin is Your natural Best: het beste uit jezelf halen”, zegt Juliette. “Dat is uiteindelijk wat ik ook anderen wil leren.”


SuriNedWerk is tot 31 januari 2011 te zien in de Hermitage Mall aan de Lalla Rookhweg in Paramaribo.

SuriNedWerk presenteert 12 mensen van Surinaamse afkomst, die in Nederland en Suriname wonen en werken en ook de hele wereld over reizen. Ze onderhouden privĂŠ en zakelijk allerlei relaties: zowel met mensen uit Suriname als met mensen uit andere landen en met een andere culturele achtergrond.

SuriNedWerk  

Magazine bij de fototentoonstelling SuriNedWerk (sept. 2010 in wijkpark het Oude Westen, Rotterdam). De tentoonstelling met 80 foto’s en wor...