Page 1

Lisa Moore De ontsnappingen van David Slaney roman


De ontsnappingen van David Slaney


Lisa Moore De ontsnappingen van David Slaney roman

Vertaald door David Gr채vling

koppernik


Oorspronkelijke titel Caught Copyright © 2013 Lisa Moore Published by arrangement with House of Anansi Press, Toronto, Canada, www.houseofanansi.com Copyright Nederlandse vertaling © 2015 David Grävling Foto auteur Nathalie Marsh Omslagontwerp Andrea Bertolino isbn 978 90 821 7516 5 / nur 302 www.koppernik.nl


Voor Steve


De uitbraak


Zoeklicht Slaney kwam uit het bos en gleed een zacht glooiende dijk af naar de rand van de weg. Er was aan beide kanten van het asfalt alleen maar bos zover als hij kon zien. Hij dacht dat het waarschijnlijk drie uur in de ochtend was en hij was ongeveer drie kilometer van de gevangenis. Het had hem een uur gekost om door het bos heen te komen. Hij was onder het gaashek rond de binnenplaats gekropen en door het hoge gras aan de andere kant. Hij had voorovergebogen gerend en op zijn ellebogen en knieĂŤn gekropen, zichzelf voortzeulend over de grond, en hij was stil blijven liggen, met zijn gezicht tegen de aarde gedrukt, terwijl het zoeklicht over hem heen zwenkte. Aan het eind van het veld was een steile heuvel van losse schalie en de stenen waren weggekletterd onder zijn schoenen. De zolen van Slaneys schoenen waren taankleurig en glad. De taan was afgesleten en onder elke schoen zat een gladde plek van zwart rubber. Hij had zich voorgesteld dat de zolen op zouden lichten als het zoeklicht erop viel. Hij droeg de oranje overall. Die was altijd oranje geweest, maar als iedereen hem droeg was hij minder oranje. Heel even had de perfecte ovaal van hard licht hem ingesloten als de schaal van een ei en toen was hij verstijfd als een dier en ineengekrompen, een contra-intuĂŻtieve handeling, zou de psychotherapeut van de gevangenis hebben gezegd, wanneer ze weer terug in haar kantoor zouden zijn en de uitbraak

9


bespraken – ze had het over versprekingen en verplaatsingen, sublimering en contra-intuïtie, en hield rekening met een innerlijk mechanisme dat hij kon zien noch aanraken maar waar hij zich toch voor moest verantwoorden – daarna schoof het ovaal hem opnieuw het donker in en stormde hij de heuvel weer op. In de buurt van de top maakte de schalie plaats voor een curve van roodachtige aarde met een plateau van ruw gras en struiken. Er waren een gebarsten gele vleesemmer en een waswringer die op zijn kant was gelegd, glanzend wit. Slaney had een in elkaar verstrikt bosje takken gegrepen, maar dat liet los. Daarna wrikte hij de punt van zijn schoen diep in de aarde, duwde zijn borst over het plateau van prikkend gras en rolde erop. Daar bleef hij liggen, plat op zijn rug, met een bonkende borstkas, en keek naar de sterren. Hij was nog nooit zo ver van de Springhill-gevangenis geweest sinds de deuren van dat instituut hem vier jaar geleden hadden binnengelaten. Het was niet ver genoeg. Hij was overeind gekomen en begonnen te rennen. Dit was Nova Scotia en het was 14 juni 1978. Slaney zou de volgende dag vijfentwintig worden. De nacht van zijn ontsnapping zou, in momenten van oplichtende intensiteit, de rest van zijn leven bij hem terugkeren. Hij zag zichzelf op die heuvel in de stralende vlek van het zwenkende zoeklicht, het oranje van zijn eigen rug, zoals het eruitgezien kon hebben voor de bewakers in de wachttoren, als ze die kant op hadden gekeken.

10


De lange nacht Slaney stond op de snelweg en de verstildheid van de maanverlichte nacht legde zich over hem heen. De avond plofte neer en toen rende Slaney voor alles wat hij waard was, omdat het dwaas leek om stil te blijven staan. Daarna leek het dwaas om niet stil te zijn. Hij had het gevoel dat hij stil moest zijn om te kunnen luisteren. Hij luisterde uit alle macht. Hij wist dat de politieauto’s zouden komen en er zouden honden zijn. Hij accepteerde dat hij nu niets anders kon doen dan wachten. Een medegevangene die Harold heette had een plek voor hem geregeld. Het was een kamer boven een kroeg, meerdere uren van de gevangenis, als Slaney zover zou komen. Harold zei dat de kroeg van zijn oma was. Ze hadden een dansvloer van paardenhaar en serveerden de beste fish and chips in Novia Scotia. Er traden rockbands op die op doorreis waren en een keer per week strippers en ze sponsorden een schoolbasketbalteam. De plek van Harold was in Guysborough. De politieagenten zouden verwachten dat Slaney naar het westen ging. Maar Slaney verdween in tegenovergestelde richting. Een vrachtwagenchauffeur zou naar de veerboot in Noord-Sydney gaan om een lading Lay’s-chips naar Newfoundland te brengen. Slaney kon met hem meerijden tot aan de plek van Harold in Guysborough, en dan de volgende dag, wanneer alles wat rustiger was geworden, teruggaan. Hij boog voorover met zijn handen op zijn knieën en probeerde op adem te komen. Hij fluisterde tegen zichzelf. Hij zei een rijtje vloeken op en hij sprak een gebed uit voor de Maagd Maria, in wie hij half geloofde. Muskieten raakten hem overal aan. Ze gingen op zijn huid zitten en stopten hun

11


fijne dingen in hem en werden in slaap gesust en zwollen op en dachten dat ze sexy en dicht bij de dood waren. Ze kwamen in zijn mond en hij spuugde ze uit en ze vormden stippen in zijn speeksel. Ze zaten in de hoek van zijn linkerooglid. Hij veegde er een uit zijn oog en merkte dat hij huilde. Hij zat onder het snot en er vielen tranen van zijn wimpers. Hij kon het gezoem van één muskiet boven dat van de andere uit horen. Hij wist niet of het tranen waren of druppels zweet. Hij was uit de gevangenis ontsnapt en hij ging terug naar Colombia. Hij had geleerd van de eerste reis daar naartoe, de reis waardoor hij in de gevangenis was beland, dat de grootste fouten die zijn die je het gemakkelijkst kan maken. Er zijn fouten die midden in een leeg veld om liefde staan te schreeuwen. De grootste fout, die keer, was dat Slaney en Hearn de Newfoundlandse vissers van Capelin Cove hadden onderschat. De vissers hadden geweten van de kuilen die de jongens hadden gegraven om hun marihuana in te verbergen. Ze hadden de jongens met hun lange haar en scheppen en houwelen zien binnenrijden vanuit de stad en tenten op zien zetten in een leeg veld. Ze hadden hen de hele dag in de gaten gehouden op het strand, hen ’s nachts gehoord met hun gitaren rond het vreugdevuur. De vissers hadden de politie gebeld. Slaney en de jongens hadden het berekenende niet-optreden van de vissers aangezien voor een blind oog en ze waren aangegeven. Ze dachten dat ze beschut waren in de mist, maar die verraadde hen juist. Slaney en Hearn waren de weg kwijtgeraakt in een dichte mist toen ze vanuit Colombia naar huis zeilden. Ze waren maar een kilometer van de kust met twee ton marihuana aan boord en ze hadden hulp nodig. Er waren fouten en er was gebrek aan geluk, terwijl ze maar een heel klein beetje nodig hadden. Een heel klein beetje geluk

12


zou hen ondanks hun fouten door hun eerste reis heen hebben geholpen. Nu was Slaney weer vrij en hij wist hoe fouten werkten. Ze waren op te sporen, maar je moest alle tekenen achterstevoren of binnenstebuiten lezen. Die eerste fouten hadden hem veel gekost. Ze betekenden dat hij nooit meer naar huis kon. Hij zou Newfoundland nooit meer zien. Vanaf nu gaat alles gebeuren, dacht hij. Deze keer zouden ze het goed doen. Hij voelde geluk als een dierlijke aanwezigheid, wild en waakzaam. Hij moest het naar open terrein lokken. Het bij de keel grijpen. Slaney was uit de gevangenis ontsnapt en had zich een weg door het bos gebaand. Hij was in een greppel met lupine gestruikeld. Het zoeklicht moest daar in zijn huid zijn gesijpeld, vlak achter het hek van de gevangenis, een radioactief gezoem dat iets bij hem achterliet. Hij was zichzelf niet; hij was zichzelf met iets erbij. Of het licht had alles wat hij was weggebleekt, behalve de noodzaak om niet aangevallen te worden door politiehonden. De geur van lupine terwijl hij zich erdoorheen sloeg, de natte stelen die naar zijn schenen grepen. Koude regendruppels die van de bladeren vielen. Daarna kwam hij op de vluchtstrook van de weg. Hij sloeg met zijn handen rond zijn hoofd, meisjesachtige uithalen naar de muskietenzwermen. De gebeden die hij tussen de vloeken zei waren beleefd en hij had zijn bede teruggebracht tot één woord: het woord was ‘alsjeblieft’. Hij had het beeld in zijn hoofd van de Maagd Maria in doodgewone kleren, een spijkerbroek en een t-shirt. Ze was gecompliceerd maar kalm, eerder menselijk dan goddelijk. Hij dacht niet ‘maagd’, hij dacht gewoon en slim. Een meisje met een grassprietje tussen haar duimen waarop ze blies om een trillend geluid te maken. Hij riep haar nu. Zijn gebeden waren bedoeld om de angst te bezweren, en een

13


schaamte die niets te maken had met de misdaad die hij had begaan of met het feit dat hij aan de rand van de weg stond, onder de maan, bedekt met modder, afhankelijk van een exbajesklant met een vrachtwagen. Het was een ongewortelde en grillige schaamte. Het had de schaamte van een ander kunnen zijn, een storm die neerstrijkt, of een schaamte die van niemand was en tegen alles aan botste wat op zijn pad kwam. Zijn vloeken waren een bezwering tegen te veel nederigheid en de gebeden smeekten de Maagd om de muskieten weg te laten gaan. Toen accelereerde en trommelde de aarde. Hij sprong weer in de greppel. Hij ging plat op de grond liggen met de lupines trillend boven hem. De sirenes waren luid, zelfs vanuit de verte, baritongehuil dat daalde tot een helder metaalachtig geblaat. De hoepels van blikkerig, helder lawaai overlapten elkaar en de krijsende stroom echode de heuvels af. Slaney telde vijf auto’s. Ze waren met z’n vijven. Rode en blauwe ringen licht sneden door de lupinestelen en de hoofdjes van de bloemen zakten naar voren en zwaaiden terug door de luchtdruk terwijl de auto’s voorbijraasden. De sirene van elke afzonderlijke auto was zo schril, terwijl ze voorbijschoten, dat het geluid door de botten van zijn schedel drong, en de kleine hamer in zijn oor dreunde een boodschap van gekalibreerde doodsangst en de stenen waarop zijn wang in de greppel rustte trilden hard en daarna verwijderden de sirenes zich een voor een en de echo’s vervlogen en toen was het stil. Het was niet stil. Slaney dacht dat het stil was, maar er was wind die van ver kwam en die elke boom in beweging bracht. Takken schuurden piepend tegen elkaar aan. De bladeren van de lupines ritselden als de pagina’s van een glossy die werden omgeslagen. Vijf auto’s. Ze zouden nog vijf of zeven kilometer doorrijden

14


en dan zouden ze de honden loslaten. Het had zo lang geduurd voordat ze er waren omdat ze de honden moesten verzamelen. Slaney luisterde of hij geblaf hoorde, dat meegedragen zou worden door de wind. Hij kroop uit de greppel om op het eerste het beste voertuig te wachten en veegde met zijn handen over zijn borst en trok aan de kraag van zijn overall. Hij kon niet wachten op de vrachtwagen die ze hadden geregeld. Er kon van alles met die vrachtwagen zijn gebeurd. Hij moest hier zo snel mogelijk vandaan, voordat de honden opdoken. Er kwam een stationwagen voorbij met één koplamp en hij kon in de bleke gele koker zien dat het was begonnen te regenen. Er was een matras vastgebonden op het dak van de stationwagen. Hij minderde vaart. Er zat een vrouw die een sigaret rookte in de passagiersstoel. Ze draaide zich helemaal om om hem goed te kunnen bekijken terwijl ze tot stilstand kwamen. Slaney zou zich haar gezicht lang blijven herinneren. Een amberkleurig dashboardlicht scheen op haar bruine haar. De weerspiegeling van zijn eigen gezicht gleed over die van het hare op het raam en stopte toen de auto stopte, zodat hun twee gezichten voor een miniem moment één grotesk gezicht werden met twee neuzen en vier ogen, en er was een verlengd voorhoofd en een uitgerekte mannelijke kin onder haar volle mond en misschien zag zij hetzelfde van haar kant van het glas. De politieauto’s moesten haar al zijn gepasseerd en ze moest hebben geweten dat ze iemand zochten. Ze blies de rook uit en hij zag hoe die lui omhoog zwierde. Ze stak een arm uit en raakte het slot van het passagiersportier met een vinger aan. Daarna wachtten ze even en keken naar hem, al kon Slaney de chauffeur van de auto niet zien, en toen schoten ze ervandoor met een sproeiregen van grind dat tegen zijn dijen sloeg.

15


Slaney was zich ervan bewust geworden hoe klein hij was in verhouding tot de snelweg en de heuvels met de bomen en de hemel. Hij voelde het afwikkelen van de tijd. De tijd was als met een lier strakgetrokken en iemand had een tikje tegen de schakelaar gegeven en nu wikkelde hij met een wazige snelheid af. Hij verwachtte dat hij vast zou lopen. Als hij vastliep, zou hij niet meer loskomen. Vier jaar en twee dagen. De tijd bewoog zich gelijkmatig voort in de gevangenis, zonder ooit te versnellen of te vertragen. Hij was geleiachtig en gedachteloos. Hij had de uitbraak zo gepland dat hij uit de gevangenis kon zijn op zijn verjaardag. Slaneys zus was hem komen opzoeken in de gevangenis en ze hadden het over de uitbraak gehad, in algemene termen en met een soort code die ze verzonnen terwijl ze bezig waren. Ze had hem laten weten dat Hearn een nieuwe reis aan het plannen was en op hem rekende. Zijn zus stond in contact met Hearn. En zij had hem ook over de vrachtwagen verteld die hem aan de rand van de weg zou oppikken. Het kwam erop neer dat er een rit voor hem zou zijn op de afgesproken tijd. De meeste ontsnapte gevangenen worden op de eerste nacht buiten gepakt. Slaney moest die eerste nacht door zien te komen, en daarna zou hij naar het westen gaan, dwars door het land heen, naar Vancouver, waar hij met Hearn had afgesproken. Hij zou vanaf daar naar Colombia gaan en terugkeren met genoeg drugs om hen allebei miljonair te maken.

Easy Rider Er waren twee speldenpunten licht in de verte, die werden ondergedompeld en verdwenen en weer opdoken. Slaney bad tot de Maagd dat het de lichten van de vrachtwagen waren, met de chauffeur die zijn leven had gebeterd en Jezus in zijn hart

16


had toegelaten, en naar Anonieme Alcoholisten was gegaan en geloofde in het twaalfstappenprogramma en het oeroude, duistere advies van ĂŠĂŠn dag tegelijk. Deze chauffeur was, volgens Slaneys zus, gaan werken in een restaurant aan Duckworth Street, waar ex-bajesklanten welkom waren omdat de eigenaar ook een ex-bajesklant was, en hij had daar een verpleegster ontmoet en ze waren getrouwd en hadden een kind gekregen en een nieuw huis op het vasteland gekocht. Slaneys zus had hem gebeld en de chauffeur zei dat hij langs zou rijden en Slaney zou oppikken als hij hem zag en hem af zou zetten bij Harolds plek. De lupines aan de rand van de weg buitelden naar voren, stormden in de naderende koplampen door de greppel alsof er een dam was gebroken. Over de randen van de uitgestrekte donkere snelweg buitelden in een verlichte rivier van klotsend paars, terwijl ze buiten het bereik van de beukende lichten probeerden te komen. Toen was de vrachtwagen bij hem, oorverdovend; de lange zilveren flank vuil en zo dichtbij dat Slaney hem kon aanraken. Achter de vrachtwagen tuimelden de lupines terug in de duisternis, uitgebuiteld, uitgedoofd. De vrachtwagen was Slaney gepasseerd en hij was bedekt met een laag nat steengruis. De uitlaatgassen roken scherp in de met ozon geladen lucht. Hij veegde zijn gezicht af aan zijn mouw. Zodra Slaney de koplampen in de verte had gezien, wist hij dat hij gepakt zou worden als de vrachtwagen niet zou stoppen. Twee mogelijke levens vormden zich en splitsten, en een ervan was de vrachtwagen die stopte en het andere betekende dat hij binnen een uur gepakt zou worden. Betekende de wandeling door de gang naar zijn cel. Hij kon het beeld oproepen van een barst in de betonnen vloer bij zijn bed, of misschien kwam het ongevraagd. Dit was een teken dat

17


de gevangenis in hem was gekropen. Toen hij zijn ogen opendeed, zag hij dat de rode achterlichten van de vrachtwagen een eindje verderop waren gestopt. Hij rende hard; hij was bang dat de chauffeur van gedachten zou veranderen en ervandoor zou gaan. Slaney deed het portier van de vrachtwagen open en klom de cabine in. Het trillen van de in zijn vrij staande motor plantte zich door de stoel onder Slaney voort naar zijn dijen en kont en schouderbladen. Er stond een Maagd Mariabeeldje op het dashboard. Ze was ivoorkleurig, haar armen hield ze uitgestoken, met de kleine palmen naar boven. Haar bleke langwerpige gezicht omlaag gericht, ogen gesloten. De chauffeur schakelde en hij wachtte, zijn gezicht naar de zijspiegel gewend. Hij zat er gewoon, achter zich kijkend alsof hij alle tijd van de wereld had. Eindelijk kwam er een gele cabriolet voorbij en verdween. Dank je dat je bent gestopt, zei Slaney. De chauffeur stak zijn hand uit naar het plafond en raakte een lampje aan dat aanfloepte en hij keek naar Slaney. Er werden een paar muskieten zichtbaar in de buurt van het witte plafondlampje, en de weerspiegeling van de twee mannen in de grote zwarte voorruit, de gebroken witte lijn van de snelweg tussen hen door schietend. De chauffeur nam de oranje overall van Slaney in zich op. De muskieten verzamelden zich aan de binnenkant van de voorruit; door het licht glitterden ze als glassplinters. Slaney leunde naar voren en drukte zijn duim tegen een ervan. Hij keek naar zijn duim en daar was het pietepeuterige platgedrukte insect, de vleugels verpletterd, en een druppeltje bloed, waarschijnlijk van Slaney zelf. Een nachtwandeling aan het maken? vroeg de chauffeur. Slaney wreef met zijn duim over een naad van zijn overall.

18


Zoiets, zei Slaney. De chauffeur keek op zijn horloge. Hij zei dat hem verteld was dat Slaney verderop langs de weg zou zijn. Ik dacht dat ik nog een eind moest rijden voordat ik je tegen zou komen, zei de chauffeur. Je hebt geluk dat ik niet door ben gereden. Je bent op de verkeerde plek terechtgekomen. Het was moeilijk te bepalen waar ik was, zei Slaney. Had je geen instructies gekregen? Ik had helemaal niks. Je hebt geluk, zei de chauffeur. Ik hoop het, zei Slaney. Het komt en het gaat, zei de chauffeur. Het komt en het gaat. De chauffeur had een volle zwarte baard en een snor en dik vettig haar dat de sporen van de kam bij zijn slaap had behouden en in er nat uitziende krullen over de achterkant van zijn houthakkersjas hing. Hij raakte het plafondlampje aan en het ging uit. Hij manoeuvreerde de truck de snelweg op. De banden hobbelden met een artritische stoot het asfalt op en de sidderende machine werd soepel en ze vertrokken. Bijna meteen werd de vrachtwagen gepasseerd door nog drie politieauto’s met de lichten aan en Slaney dook ineen onder het dashboard. Daarachter liggen droge kleren, zei de chauffeur. Hij gebaarde met zijn hoofd naar een rode deken die hij boven de bank achter hen had gespijkerd. Slaney zag de blauwe Samsoniteweekendkoffer die van zijn moeder was. Slaneys zus moest de koffer voor hem hebben ingepakt. Hij klikte de chromen sloten met zijn duimen los en de koffer klapte open. Erin lagen een bruine envelop met driehonderd dollar en een stukje papier met daarop een telefoonnummer. Het moest het nummer van Hearn zijn. Hij leerde het nummer uit zijn hoofd en verfrommelde het stukje papier en

19


keek om zich heen hoe hij ervan af moest komen. Er was een asbak in de armleuning, maar die zat vol peuken. Hij maakte een balletje van het papiertje en slikte het in. Die driehonderd dollar moest elke cent zijn geweest die zijn zus had. Drie spijkerbroeken, ondergoed, sokken, een spijkerjack en een koekblik met een illustratie van Norman Rockwell van een landloper die vluchtte met een gestolen taart, een jachthond happend naar zijn broekspijpen. Hij tilde het deksel eraf en er zaten chocolate chip cookies in. Hij haalde er een van de vijf geruite overhemden uit, het zat ingepakt in cellofaan en was rond een stuk karton gevouwen, op zijn plek gehouden door een aantal spelden. Hij haalde de spelden eruit en legde ze op de leuning, waar ze trilden en rolden. Slaney kleedde zich op de bank om. Daarna voelde hij op de bodem van de koffer om te zien of zijn zus een of twee joints had meegepakt. Er zat een scheur in de blauwe voering bij de naad en er zat iets vast in het garen. Slaney wurmde twee vingers in het gat in de voering onder de ritsvakken. Het was een ring. Hij trok hem eruit. De oude verlovingsring van zijn moeder. Zijn moeder was de ring jaren geleden verloren tijdens een verblijf in het ziekenhuis en ze hadden gedacht dat hij gestolen was. Maar nee – hij was tussen de harde rand en de gescheurde stof gevallen. Slaney stopte de ring in de zak van zijn nieuwe spijkerbroek en leunde achterover in de passagiersstoel en hij en de chauffeur keken naar de lege snelweg voor hen. We gaan een kleine omweg maken, zei de chauffeur. Hij draaide een onverharde weg op met stoffige elzenstruiken die zo dichtbij groeiden dat de takken langs de vrachtwagen schraapten. De banden zonken weg in diepe gaten en klommen over stenen en ze kwamen maar langzaam vooruit, heen

20


en weer schommelend, op en neer stotend, alle achttien wielen, tot de weg zo dichtbegroeid was dat ze niet meer voor- of achteruit leken te kunnen rijden. De chauffeur doofde de lichten en deed de motor uit. Wat is er aan de hand? vroeg Slaney. Ik ga hier even wachten, zei de chauffeur. Een dutje doen. De politie haar werk laten doen. Hij kwam overeind en trok zijn spijkerbroek over zijn buik en verdween achter de rode deken. Slaney hoorde hoe hij het laken opensloeg en hij hoorde de laarzen van de chauffeur op de grond vallen en zijn hoofd het kussen raken. Buiten de cabine verroerde niets zich behalve de twijgen en takken die tegen de stalen wanden van de vrachtwagen schraapten. De ademhaling van de vrachtwagenchauffeur werd diep en gelijkmatig, een lang diep binnenhalen van lucht en de slijmerige fluittoon van het uitademen, dat net geen snurken kon worden genoemd. Slaney hoorde dichtbij een specht kloppen, snel en humorloos. Het was een prachtig geluid. De voorruit besloeg. Hij zat twee uur en tien minuten stil. Uiteindelijk kreunde de chauffeur en kwam wankelend van achter de deken vandaan en leek verbaasd te zijn toen hij Slaney zag, alsof hij hem compleet was vergeten. O, hallo, zei hij. Hij ging weer achter het stuur zitten en zocht in zijn zakken naar een kauwgumpje en bood Slaney er een aan en Slaney zei: Nee, bedankt. De chauffeur haalde het papiertje en het zilverfolie van een kauwgumpje en gooide ze uit het raam en vouwde het schijfje in zijn mond. Daarna startte hij de vrachtwagen. Slaney draaide zijn raam omlaag en gooide de oranje overall naar buiten. De vrachtwagen brak door de elzenstruiken de snelweg op. Slaney stak zijn hand achter de stoel uit naar het koekblik dat in zijn moeders koffer had gezeten en haalde het deksel eraf, en

21


de chauffeur nam een koekje toen het hem werd aangeboden en zei dat het lekker was. Slaney at zeven koekjes. Na een tijdje stak de chauffeur zijn arm onder zijn benen en trok een emmertje van Kentucky Fried Chicken tevoorschijn en zei dat Slaney alles mocht nemen wat er over was. Hij gaf het emmertje aan zonder zijn ogen van de weg te halen en Slaney haalde het kartonnen bedeksel eraf en erin zaten een paar drumsticks en een stapeltje servetjes. Slaney schraapte het vlees van de botten van elke drumstick. De hele emmer, zei de chauffeur. Gaven ze je daar niets te eten? Het was een raadsel voor me, zei Slaney, hoe ze het voedsel konden noemen. Niet lang na het invallen van de schemering besefte Slaney dat hij in slaap was gesukkeld, maar hij had gevoeld dat de chauffeur naast hem plotseling alert was geworden. Er lag iets op de weg. Een lichtgevend limoengroen voorwerp met de grootte en vorm van een schildpad. Het was fosforescerend en week en zag er giftig uit; het had de kwalachtige vaagheid van iets gedroomds. Slaney trapte met zijn voet alsof er een rem aan de passagierskant was. Ze raakten het voorwerp. Een krakend pok. Het was een plastic spaghettivergiet. Het werd vermorzeld onder de banden en Slaney zag de stukken rondvliegen in zijn zijspiegel. Lichtgevende spatten groen plastic. De stukken bleven hangen in het kielzog van de vrachtwagen, ronddraaiend in een maalstroom, en daarna omlaag dwarrelend en zich over het asfalt verspreidend.

22


Waakzaamheid Haal de sleutel van de kamer bij de bar, had Harold tegen hem gezegd. Zeg mijn halfzus Sue Ellen gedag. De stripbar was aan de snelweg met alleen een bungalow in de buurt die een eindje van de weg af lag. Er was een garage geweest, maar de benzinepompen waren weggehaald en het vuile raam was door een kogel geraakt. Een door de zon verzilverd gat ter grootte van een gulden, een web van barsten die zich in concentrische cirkels verspreidden naar het afbladderende raamkozijn. Er stonden onttakelde auto’s in het veld bij de garage, allemaal zonder wielen en portieren en met de motorkappen omhooggeklapt, de motoren waren verdwenen. Uit een van de ramen van een kreupele schoolbus die tot de assen in het gras stond, hing een doorweekte Union Jack. Achter de garage strekte zich een veld uit en daar was de bungalow van de grootmoeder met een vastgebonden paard op het gazon. Het paard was wit en sjokte in kringetjes rond, met op en neer gaande kop en een zwiepende staart. Slaney zag hoe Harolds grootmoeder de was ophing op het achtererf. De lijn gierde elke keer als ze hem omlaag trok naar het veld eronder. Hij bedankte de vrachtwagenchauffeur, maar ze bleven zitten en verroerden zich niet. Ik had niet verwacht dat ik zo ver zou komen, zei Slaney. Zodra hij het had gezegd, wist Slaney dat zijn opmerking waar was. Hij had gedacht dat hij gepakt zou worden. Vier jaar in de gevangenis lijkt nu een lange tijd, zei de chauffeur. Je zult dat gevoel kwijtraken. Daarna zei hij dat hij er niet bij betrokken had willen raken. Helpen en bijstaan, zei hij. Slaney keek naar de late-ochtendmist op de weg. De zon had de schaduwen al doen krimpen en

23


gaf een benauwde, broeierige warmte af. Hij wilde weten of de kamer beschikbaar was. Ik heb een nieuwe vrouw, zei de chauffeur. Je probeert te zien wat er gaat komen, maar het overvalt je, zei Slaney. Mijn vrouw zou dit niet hebben goedgekeurd, antwoordde de chauffeur. Ze zou met haar vuist op tafel hebben geslagen. Ze hadden de hele nacht samen in de cabine gezeten en Slaney had naar de berichten op de cb-radio geluisterd en er werd veel over zijn uitbraak gesproken. Er waren overal juten op de weg, zeiden de vrachtwagenchauffeurs. Slaney had het fragmentarische late-avondgeklets gehoord, half verborgen achter uitbarstingen van geruis en jargon over sirenes en agenten, over vrouwen met kanker en een klein meisje dat Nancy heette en haar eerste tand had verloren en hoe het weer was en hij had geleerd dat de chauffeur de bijnaam Wollie had vanwege zijn baard. Maar Slaney en de chauffeur hadden nauwelijks met elkaar gesproken. Nu ze er waren wilde de chauffeur praten. Hij vertelde Slaney wat hij had gehoord. Slaney en zijn vriend hadden voor meer dan een miljoen dollar aan wiet verloren toen ze werden opgepakt en er waren mensen in Montreal die erin ge誰nvesteerd hadden en die wilden hun geld terug. Ik vertel je dit omdat ik je zus graag mag, zei de chauffeur. Slaney bedankte hem en hij verzekerde de chauffeur dat hij voorzichtig zou zijn, en hij zei tot ziens, maar de man bleef doorpraten. Als je er met een paar verbrijzelde knieschijven vanaf komt, mag je jezelf gelukkig prijzen. Ik kende iemand die ze met een hamer te lijf zijn gegaan. Een ander is een oog kwijtgeraakt. Hoe goed ken je mijn zus? vroeg Slaney.

24


Waar heb je het in godsnaam over, zei de chauffeur. Ik ben getrouwd. Je zei dat je haar graag mocht. Jezus, niet op die manier. Ik vertel je dit omdat je zus een goeie meid is. Ze doet sociaal werk en heeft me geholpen. Aardige jonge vrouw. Je hoeft het me niet te vertellen, zei Slaney. De chauffeur keek fronsend door het raam. Hij bewoog de versnellingspook heen en weer. Ik stop midden in de rimboe voor je en dan kom je met die onzin over je zus. Je hebt gelijk, zei Slaney. Het spijt me. Weer een ander is door ze in een rolstoel beland, zei de chauffeur. Slaney knikte. De chauffeur begon weer: Een ander. Wat doet een ander ertoe. Nou, bedankt voor de rit, zei Slaney. Mijn vrouw en ik zijn nog maar twee jaar samen, zei de chauffeur. Misschien moet je niets tegen haar zeggen, zei Slaney. Hierover. De chauffeur zei dat niet zeggen wat er gebeurd was een andere vorm van liegen was, maar het was minder schadelijk. Hij zei tegen Slaney dat hij er pas relatief laat in zijn leven achter kwam hoe gemakkelijk het is om een leugen te vertellen, en dat hij ontdekte dat hij er aanleg voor had. Maar als kind trok eerlijkheid hem. Misschien begint iedereen zo, zei Slaney. Het is gewoon een kwestie van iemand recht aankijken, zei de chauffeur, en iets zeggen alsof je het nauwelijks de moeite waard vindt om erover te vertellen. Er kwam een vrouw uit de voordeur van de kroeg met een rode plastic emmer die morste terwijl ze liep. Ze droeg een

25


lange rok die bij elke stap die ze zette rond haar sandalen fladderde. Ze stak de parkeerplaats over naar de greppel en gooide het water erin en liep met gebogen hoofd terug. Ze leek in zichzelf te zingen. Recht aankijken, zei Slaney. Je kijkt ze recht aan en je kijkt een beetje in de verte, zei de chauffeur. Hij trok een gezicht, het gezicht dat hij trok wanneer hij loog, om zijn punt te illustreren. Het was een strijdlustige uitdrukking, plechtig en een tikje onverschillig. Slaney zag dat het dezelfde uitdrukking was die de chauffeur gebruikte als hij niet loog. Waarschijnlijk was het de enige uitdrukking die hij tot zijn beschikking had. Niemand trekt me in twijfel, zei de chauffeur. Hij schudde een beetje met zijn hoofd alsof dat een teleurstelling was. Je bent aardig, zei Slaney. Iedereen mag je meteen. Ik kan net zo makkelijk liegen als een boterham smeren, zei hij. Maar ik zal je wat vertellen. Als ik jou was, zou ik mijn oren openhouden. Zelfs van een leugen kan je iets leren. De chauffeur had nog een rit voor de boeg, maar hij leek nog steeds geen zin te hebben om de weg weer op te gaan. Hij had lang in de gevangenis gezeten, zei hij tegen Slaney. Veel langer dan vier jaar. Hij trok het gezicht weer naar Slaney. Ik zat er voor een misdaad die ik niet had begaan. Hij trommelde met twee vingers op het stuur. Slaney wist niet of hij hem wel of niet moest geloven. Als je jong bent als je erin gaat, blijf je niet zo, zei de chauffeur. Hij gaf toe dat hij niet in God geloofde, al had hij het voor zijn vrouw geprobeerd. Ze draaide lange diensten op een spoedafdeling als verpleegster. Het zijn niet de andere gevangenen en ook niet de bewakers, zei hij. Het is iets anders, de gevangenis zelf. Het is weer iets anders, zei Slaney. Er verscheen een verbaasde, zachte uitdrukking op het gezicht van de chauffeur. Hij

26


leek naar iets te kijken wat hij niet kon geloven. Hij bewoog zijn hand door de lucht in de richting van Slaney, alles wegwuivend wat hij zojuist had gezegd. Op het veld pakte Harolds grootmoeder haar wasmand op en liep naar binnen door de hordeur die ze achter zich sloot met een klik die Slaney vanaf de parkeerplaats van de kroeg kon horen. Het was een intiem geluid, dat door de bries over de velden naar het bot in zijn kaak werd gedragen. Je zult niet ver komen, zei de chauffeur. Dat kan ik je verzekeren. Ik ga het proberen, antwoordde Slaney. Hij deed het portier van de cabine open, sprong eruit en sloot het. Hij stond in de berm met zijn handen op zijn heupen. De vrachtwagen kroop de weg op en verdween over de snelweg.

Een kamer met uitzicht Slaney liep naar de rolstoeloprit die naar de zij-ingang van de kroeg leidde. Vanaf daar had hij uitzicht over rijen met kool en hooivelden. De wolken tuimelden, kronkelden en golfden door elkaar heen tot aan de horizon. De deur werd met een steen op een kier gehouden en het was erg donker binnen en het stonk er naar bier en sigaretten. Iemand had wiet gerookt. Er was een gele lichtkegel boven de pooltafel aan het eind van het vertrek. De barkeeper was een magere vrouw met lange zilveren vlechten waarvan de uiteinden waren vastgebonden met rode glazen balletjes. Haar huid was donkerbruin en haar ogen waren lichtblauw. Ze droeg een overall en had een pakje sigaretten in de mouw van haar witte t-shirt gerold. Er hingen twee brillen aan kettinkjes om haar nek. Ze was de asbakken aan het legen van de vorige avond.

27


Als je hier bent voor het darttoernooi, dat was gisteren, zei ze. Harold heeft me gestuurd, zei Slaney. Hij zei dat er misschien een kamer voor me was. Zei Harold iets over de alimentatie voor zijn drie kinderen bij twee verschillende moeders? vroeg de vrouw. Daar heeft hij niets over gezegd, zei Slaney. Ze reikte onder de bar en verplaatste een paar voorwerpen op een plank en kwam terug met een sleutel aan een houten hanger. Ze schoof die over de bar naar hem toe. Je hebt de kamer aan het eind, boven aan de trap, aan de linkerkant, zei ze. Iemand riep haar van achter uit de kroeg, vroeg iets over de bezorging van aardappels. De aardappels, zei ze tegen Slaney. Zie ik eruit alsof die aardappels me ook maar iets kunnen schelen? De hal boven werd voornamelijk verlicht door een rood exitbordje boven een achterdeur. Slaneys kamer bleek een compleet appartement te zijn met een brandtrap die naar de achterkant van het gebouw leidde en er was een kleine Hibachi-barbecue en een opgedroogde geranium in een gebarsten terracottapot. Slaney vond een paar hotdogworstjes in de minikoelkast van het keukentje. Een kleine witte Styrofoam-schaal stond naast de worstjes met het woord ‘klein’ met een blauwe marker op de zijkant geschreven. Er lagen een paar zakjes ketchup en mosterd en relish in de schaal. Er droop vocht uit de aluminiumfolieverpakking op Slaneys hand en hij rook de hotdogs en likte zijn vingers af. De vleeskleur van de worstjes leek verdwenen, en de houdbaarheidsdatum was met een week overschreden. Hij trok aan een koordje boven de wasbak en een tl-buis zoemde en flikkerde en ging aan. Er lagen een stuk of honderd dode huisvliegen op de vensterbank, maar de hotdogs zagen er onder het licht goed uit. Slaney nam de worstjes en de schaal met specerijen mee de

28


brandtrap op. Hij tikte tegen de brokken kool en een wolk van glinsterend zwart stof stoof op. Hij spoot aanmaakvloeistof op de kolen en liet het intrekken. Daarna goot hij wat over zijn handen om het plantensap eraf te krijgen dat er de vorige avond op was gekomen toen hij zich een weg door de struiken baande, al voelde het als ĂŠĂŠn onafgebroken avond zonder definitie of metrum. Zijn vingers plakten nog steeds aan elkaar. Slaney liep naar de keuken en gebruikte de Sunlight-zeep, draaide de kraan open en hield zijn handen eronder en daarna scheurde hij een paar velletjes van de keukenrol en droogde ze. Hij had vier jaar lang geen gebruik kunnen maken van een witte keukenrol. Dit moest de beste kwaliteit zijn die er was. Tweelaags of Donzig of Satijn, hij wist niet wat het was. Hij begreep dat er dingen waren waaraan hij gewend was geraakt, en hij was van plan ze weer te ontwennen. Slaney liep naar de slaapkamer en trok de gehaakte polyester bedsprei naar achteren. Hij had het patroon van de sprei al ergens anders gezien, violette rozen, maar hij kon niet bedenken waar. De lakens eronder waren op sommige plekken doorgesleten, maar roken naar frisse lucht. Hij ging liggen en de wereld doofde uit, een droomloze verstikkende slaap die eerder uitputtend bleek te zijn dan rustgevend. Toen hij wakker werd, uren later, was het alsof hij helemaal niet geslapen had. De avondzon scheen door de traanvormige raampjes van de deur naar de brandtrap en liet drie oranje druppels licht achter op de tegels. De deur was uitgezet door het weer en hij moest er hard aan trekken. Er klonk een luide piep. De zon ging onder, kokend rood. De hemel was roze gestreept en de witte lakens aan de lijn van de oude dame waren lichtjes amber gekleurd. De flanken van het witte paard waren goudroze en Slaney

29


huilde, want zelfs als hij niet ver kwam, zelfs als ze hem vanavond zouden pakken, was dit het waard. Het paard was het waard. Hij had het voorgevoel dat hij gepakt zou worden. Alsof zijn gevangenneming hem toebehoorde, een verantwoordelijkheid waarmee hij geboren was, als een titel of een kroon. Iemand had het gras gemaaid en het rook naar vers gras van de grasmaaier en munt dat in de warme lucht hing. Er moest een stukje munt onder de maaier zijn gekomen en dit was het waard. Hij dacht aan hoe hij door het bos was gerend en toen erkende hij pas hoe bang hij was geweest, voor de honden en de agenten en om weer naar de gevangenis te gaan. Slaney was vier jaar kwijtgeraakt aan het diepste soort eenzaamheid en verdriet en verveling. Van deze drie kwellingen was verveling de ergste. Vier jaren waren hem afgenomen en hij zou ze niet terugkrijgen en hij kon nauwelijks ademhalen als hij dacht aan wat hij gemist had. Hij wilde een telefoon. Hij kon nog niemand bellen, maar hij wilde een telefoon. Slaney wilde Jennifer bellen, dat was wat hij wilde. Slaney wilde haar aanraken. Haar gezicht zien. Hij kon niet geloven hoe graag hij dat wilde. Hij wilde dat haar kin op zijn knokkel rustte. Met zijn duim over haar wang strelen. Haar oogleden, haar mond kussen. Hij had haar al de tijd dat hij in de gevangenis zat gewild, maar hier op de brandtrap met de zon en het paard – iemand gooide een fles de trap af – wilde Slaney haar nog meer. De weilanden die zich zover als hij kon zien voor hem uitstrekten ontsloten zijn zintuigen. Alles wat hij was zette uit. Hij was bang geweest dat de gevangenis hem dit voorgoed had ontnomen, maar het kwam terug. Hij rukte zich los uit zijn gedachten en spuugde over de re-

30


ling. Daarna hurkte hij bij de barbecue en moest op de ballen van zijn voeten balanceren om de lucifers uit de zak van de strakke nieuwe spijkerbroek te krijgen en hij stak een lucifer af en liet die in de Hibachi vallen en het vuur laaide op in de proppen en ging weer liggen, vormde een laag over de kolen, blauw en groen. De vlammen knetterden over de zwarte glinsterende brokken. Hij ging terug naar binnen en deed de tv aan met het geluid zacht, liet zich in de leunstoel zakken en legde zijn voeten op de poef. Het was een oude leren poef met een patroon van geciseleerde olifanten die langs de zijkanten paradeerden, elke olifant hield de staart van de olifant voor zich in zijn slurf, een voorpoot geheven in afwachting van de volgende stap. Het stiksel had losgelaten en onder het leer zat een jutezak, en goudkleurig zaagsel stroomde op de tegels, een van de olifanten ontweiend. Slaney sliep in de stoel en werd wakker toen er hard op de deur werd geklopt. Hij sprong op en stond er met zijn hart galopperend in zijn borst. Hij had geen idee waar hij was; de kamer had andere afmetingen dan zijn cel. Het was gapend en vormloos en leeggehaald in het donker. Hij kon de kamer niet plaatsen en wist toen precies waar hij was. Zijn ingewanden werden vloeibaar en verkrampten en het was alsof hij leegliep. Hij was zijn evenwicht kwijt en de angst was zo verstikkend en groot dat hij zich niet kon verroeren. Slaney staarde naar de vloertegels; er lag een lipje van een blikje frisdrank bij de punt van zijn schoen. Hij keek ernaar maar zag het niet. Hij wist dat hij het niet zag. Wat hij zag was zijn lichaam dat op de vloer werd gesmeten, een knie op zijn rug, zijn handen geboeid op zijn rug. Er werd voor de tweede keer geklopt. Wie het ook was, hij bonkte zo hard op de deur dat het echode.

31


Hij was gepakt. Of hij was niet gepakt. Dit waren twee waarheden die onder bekers lagen in een balletje-balletjespel dat de vieze, onbeminde kamer boven de bar was waar hij in slaap was gevallen. In slaap vallen was een vergissing geweest. De slaap had hem overvallen, terwijl hij juist zijn best had gedaan om er niet aan toe te geven. Er waren dingen gebeurd terwijl hij sliep en het dak was van zijn leven geblazen en hij had het gemist. De sluimerende huisvliegen op de vensterbank in de keuken waren tot leven gekomen onder het tl-licht en hij hoorde ze zoemen. Of het tl-licht boven de wasbak zoemde. Een laag-wattagegezoem was in zijn slaap begonnen en zijn droom binnengedrongen en nu was het het gebrul van een kettingzaag dat op zijn schedel neerdaalde, erdoorheen scheurde. Slaney liep geluidloos naar de deur en legde zijn hand ertegen. Hij luisterde en hoorde een voet schuifelen op de tegel achter de deur. Zijn oor strekte zich uit naar het minieme geluid. Er werd weer geklopt en hij schrok zich bijkans een ongeluk en toen deed hij de deur open.

Celeste en Annette Ben je aan het barbecueĂŤn? vroeg het meisje. Ik ben Annette en zij is Celeste, zei het andere meisje. Zij waren de exotische danseressen uit de bar. Slaney was in slaap gevallen bij het geluid van de wellustige kreten van de mannen in het publiek beneden. Ze waren een gezang begonnen dat was doorgedrongen tot zijn droom; het geklap en gestampvoet waren marcherende olifanten geworden, donderwolken van stof. Strippers, zei Slaney. Kom binnen.

32


Annette hield de wijnfles die ze in haar hand had als een soort groet omhoog, hem heen en weer zwaaiend bij de hals. Daarna schuifelde ze langs hem. Leuke plek heb je hier, zei ze. Ze knipte een lamp aan en stond er met haar handen op haar heupen, op een spottende manier knikkend alsof ze het decoratiepotentieel kon zien. Op de televisie was het testbeeld. Een indiaanse chief met een gevederde hoofdtooi, een profiel van jukbeen en verdraagzaamheid. Er was een boekenplank met miniatuurbeeldjes van bosdieren, misschien wel tweehonderd, die waren verzameld uit doosjes Red Rose-thee. De beeldjes stonden op de afpellende vinyllaag van de multiplexplank alsof ze heuvels beklommen en valleien afdaalden in één grote exodus. Celeste hield haar hoofd schuin. Die klok heeft het twee keer per dag bij het juiste eind, zei ze. Naast de boekenplank hing een zonnestralenklok met een bronzen wijzerplaat en gouden Romeinse cijfers en lange puntige metalen pijlen die er aan alle kanten uit staken als stralen zonlicht. Hij was op kwart voor vier blijven staan en eronder zat een gat in de muur ter grootte van een vuist. Slaney nam de worstjes die hij uit de koelkast had gepakt mee en ze gingen met zijn drieën op de brandtrap zitten. De vlammen waren gedoofd en de kolen waren bedekt met een dikke laag bleek as, maar ze gloeiden oranje in hun kern toen de bries opstak. Slaney legde de worstjes erop en draaide ze om met een plastic vork. Annette haalde een joint uit haar tasje en stak hem aan en ze gaven hem aan elkaar door. Slaney zei dat hij vond dat het een goed gemiddelde was als je het twee keer per dag bij het juiste eind had. Hij verzon een theorie dat er gradaties van juistheid waren maar dat onjuistheid een slaande klok was die uit het niets kwam. Slaney had gedacht dat de meisjes de politie waren en hij had de deur aangeraakt met zijn hand.

33


Gradaties, zei Celeste. Ze fronste haar voorhoofd achter de joint. Ze likte aan haar vinger en smeerde een druppel spuug op de zijkant van het papiertje. Je kunt gedeeltelijk gelijk hebben, zei Slaney. Maar verkeerd is verkeerd. Net als bij een zwangerschapstest, zei Annette. Je bent in verwachting of niet. Ze bedoelt dat er niet zoiets als vals positief kan zijn, zei Celeste. Maar vals negatief kan wel. Dit is goed spul, zei Slaney. Colombian Gold? Hij dacht dat de woorden vals negatief pijnlijk mooi waren. Hij wou dat hij de betekenis ervan tot zich door kon laten dringen. Hij dacht aan zijn lerares Engels in de eerste klas. Juffrouw Benson met haar hoge hakken en de jurk met de grote bloemen en haar decolletĂŠ en haar mond. Iets als dubbel negatief kan ook niet, zei hij. En hij dacht dat het betekende dat dingen niet twee keer verkeerd konden gaan. Slaney had het kloppen gehoord en hij dacht: gepakt, maar in plaats daarvan hadden ze nu een soort feestje, Slaney en twee mooie, erge stonede gekke strippers, terwijl ze uitkeken over velden van ruisend gras. Ik dacht dat jullie de politie waren, zei Slaney. Maar jullie zitten aan de andere kant van het spectrum. Welk spectrum? vroeg Celeste. Slaney had de joint van haar overgenomen en hij hield de rook vast in zijn longen, liet die naar buiten glippen terwijl hij sprak. Het spectrum dat de politie aan het ene uiteinde heeft, zei Slaney. Hij bewoog de oranje punt van de joint in een boog door het donker om aan te geven hoe ver weg ze van dat alles af stonden. Je deed de deur open en daar waren we, zei Celeste. Hij besefte dat een gesloten deur voor lange tijd, misschien voor de rest van zijn leven, een bedreiging zou zijn. Dat was de reden

34


dat hij de volgende tocht meteen moest doen, om het achter de rug te hebben. Hij had het geld nodig. Hij had een nieuwe identiteit en geld nodig om verder te gaan met zijn leven. Hij moest afrekenen met wat er eerder was gebeurd. De grote afrekening, zei Slaney. Hij had de rechtszaal geboeid verlaten, terwijl overal om hem heen flitslampjes oplichtten, vier jaar en drie dagen geleden. Er waren telefoontjes en bezoeken geweest in die jaren en deze nacht was onderdeel van een groter plan dat buiten de gevangenis vorm aannam. Hearn zorgde ervoor dat dingen in gang werden gezet. Slaney en Hearn waren partners. De klus had Hearns verbeeldingskracht en het geloof dat alles goed zou uitpakken nodig. De eerste tocht was fout gegaan omdat ze niet op hun intu誰tie hadden vertrouwd. Hearn geloofde sterk in een persoonlijke, aangeboren wijsheid. Al sinds ze klein waren, had Hearn de gewoonte om, wanneer hij een beslissing moest nemen, zijn ogen te sluiten en een hand op te houden om alle bewegingen en al het geluid buiten heel even stil te zetten zodat hij naar zijn diepste gedachten kon luisteren. Slaney stak een vork in een hotdog die aan een kant zwart was gebrand en rolde hem om. Annette zei dat het haar niet uitmaakte hoe verbrand hij was. Ze zei dat hij er goed genoeg uitzag om op te eten. Celeste liep naar de keuken en ze hoorden hoe ze laden en kasten opende en weer dichtsloeg. Je eyeliner is helemaal uitgelopen, zei Slaney tegen Annette. Het is net alsof iemand je twee blauwe ogen heeft geslagen. Ik heb gehuild, zei Annette. Ze stonden met hun rug tegen de dakspaan geleund maar ze draaide zich naar hem toe. Maak het in orde, zei ze. Slaney likte aan zijn duim en wreef onder haar oog. Hij wreef een paar keer onder haar oog tot de vlek weg was. Ze had een iriserende pauwblauwe oogschaduw die tot aan haar wenkbrauwen kwam.

35


Die stomme klootzak op de eerste rij, zei ze. Ze staarde omhoog en haar mond stond open en toen hij klaar was, knipperde ze een paar keer. Daarna deed hij het andere oog. ’t Ziet er heel behoorlijk uit nu, zei hij. Celeste kwam terug met de schroevendraaier en hield de fles tussen haar benen. De kurk maakte glasachtige piepgeluiden en plopte, en Celeste nam een grote slok en de fles klokte en ze hield hem weer recht en veegde de bacillen met haar hand weg. Ze haalde de achterkant van haar hand langs haar mond. Slaney deelde de specerijen uit. Ze aten de worstjes, nog steeds koud vanbinnen, met de plastic vorken op terwijl ze naar de sterren keken. In het zuidelijk halfrond staan ze allemaal scheef, zei Slaney. Stroomt het toiletwater daar andersom weg? vroeg Celeste. Ik heb daar niet zoveel toiletten doorgespoeld zien worden, zei Slaney. Wat deed je daar? vroeg Annette. Ik zou zeggen dat hij niets goeds in de zin had, zei Celeste. Daarna vertelden ze wat ze het liefst wilden. Celeste wilde een gediplomeerd schoonheidsspecialiste worden en Annette wilde hogerop komen en Slaney wilde nog een worstje. Daarna zei hij dat hij rijk wilde zijn. La dee da, zei Annette. Neem ons niet kwalijk. Ik zou op dat paard daar beneden willen stappen en weggalopperen, zei Celeste. Het paard stond stil in het maanlicht met zijn kop naar beneden. Het was miserabel of het sliep. Slaney keek op zijn horloge en zei dat hij jarig was. Hij vertelde niet dat hij voor die gelegenheid uit de gevangenis was ontsnapt, maar hij dacht dat ze dat wel wisten. Eerst dacht hij dat hij met een van hen naar bed zou kunnen gaan, maar het werd duidelijk dat ze allemaal alleen naar bed zouden gaan en alleen wakker zouden worden, en Slaney zou ze geen van beiden terugzien.

36


Twee koningen Slaney had de hele dag geslapen. Hij maakte het bed op en deed de lichten uit voordat hij de deur van het appartement achter zich sloot. Om vier uur ’s middags liep hij de duisternis van de danszaal beneden binnen en wachtte tot de barkeepster van achter kwam zodat hij de sleutel terug kon geven en dankjewel kon zeggen. Het was dezelfde vrouw van de vorige dag, maar haar zilveren haar lag uitgewaaierd over haar schouders en ze droeg een spijkerjack met een smiley-button op de revers. Verder was er niets vrolijks aan haar te bespeuren. Ze wierp een vluchtige blik op Slaney en vroeg hoe Harold het maakte in de gevangenis. Hoe is het daar? vroeg ze. Is het erg? Slaney week een beetje opzij alsof ze hem een kaakslag wilde geven. Ze zei dat Harold het verkeerde pad op was gegaan in het leven. Ze was Harolds oudste zus. Sue Ellen Molloy was haar naam, zei ze, en ze had geprobeerd op hem te letten, maar ze had een boel te verhapstukken toen Harold opgroeide. We zijn met zijn eenentwintigen in onze familie, zei ze. Het was zwaar voor mijn moeders tanden. Tastte het glazuur aan. Ze verpulverden in haar mond. Haar botten werden zacht. Het nam het beste uit haar weg. Onze vader stierf plotseling en daarna kwam Harold. Niemand weet waarvandaan. Hij is maar een halfbroer van me. Dat heeft voor mij nooit iets uitgemaakt. Ik heb net zo hard mijn best gedaan voor Harold als voor de anderen nadat onze moeder was overleden. Slaney zei dat Harold hem had gevraagd haar gedag te zeggen en haar te bedanken voor alles wat ze had gedaan. Sue Ellen voerde de prijs van Slaneys kamer in de kassa in en daarna nog een keer zodat de getallen ronddraaiden en opnieuw in het kleine schermpje aan de achterkant van de kassa

37


verschenen met een min-teken ervoor. Ze scheurde de bon af en gaf die aan hem en als verschuldigd bedrag stond er nul. Hij nam hem aan en stopte hem in zijn zak. Hij werd geboren tijdens een orkaan, Harold, zei ze. Ik werd die ochtend wakker en er stond geen zuchtje wind. Het volgende moment werden de bomen uit de grond gerukt, wankelden rond als dronken mannen in een knokpartij. Harold was een huilbaby en daarna ging het bergafwaarts met hem. Harold is altijd met zaakjes bezig, zei Slaney. Hij is klein gebouwd, zei ze. Haar lippen op elkaar geklemd alsof ze iets vertrouwelijks had gezegd en daar spijt van had. Daarna zei ze dat ze zich zorgen maakte over Harold en dat er geen dag voorbijging zonder dat ze aan hem dacht. Ik heb maagzweren ter grootte van stuivers door aan hem te denken, zei ze. Daarom ben ik zo getekend. Ze legde haar handen op haar gezicht, duwde haar wangen naar binnen, trok de gerimpelde huid rond haar slapen strak zodat ze eruitzag alsof ze tegen harde wind in liep, haar ogen glanzende spleetjes. Daarna liet ze haar handen door haar haar gaan, tilde het zilveren gordijn op zodat het blonk in het licht, en liet het weer vallen. Je kunt een boel problemen ontlopen in de bak door gewoon de andere kant op te kijken, zei Slaney. Dat probeer ik je te vertellen, zei ze. Harold heeft er een handje van om van de ene beerpunt in de andere te lopen. Hij komt er om de zoveel jaar uit en het lijkt alsof hij er niet snel genoeg weer in kan komen. Ze opende een koelkast onder de bar en de flessen klingelden tegen elkaar en ze haalde de dop van een bierflesje en gaf het aan hem. Toen werd de zijdeur opengetrapt. De gouden middagzon, al ondergaand, scheen door de benen en over de schouders en tussen de ellebogen van een man. Hij droeg iets in zijn uitgestrekte armen wat de grootte had van een klein kind.

38


Toen de deur achter hem dichtviel werd het donker in de kroeg en terwijl de man dichterbij kwam, kon Slaney iets ineengekronkelds en pythonachtig diks rond de arm van de man onderscheiden. Hij hoorde iets kronkelen en klikken over de tegels. Wat heb je daar? vroeg Harolds zus. Deze is nauwelijks gebruikt, zei de man. Dat is iemands stofzuiger, zei ze. Een gloednieuwe Electrolux, zei de man. En ik heb al die dingen die eraan vast kunnen. Hij vertelde Slaney en Harolds zus dat hij zijn bank en bijpassende ligstoel had verloren in een de hele nacht durend pokerspelletje en dat hij niet had geslapen. Het kwam aan op de meubels, zei hij. Hij keek Slaney recht in de ogen maar leek het moment vlak voordat hij de bank verloor voor zich te zien. Twee koningen, zei hij. Slaney dacht even dat hij het over hen had. Ik ben op zoek naar iemand die me een goed bod kan doen, zei hij. Sue Ellen pakte de krant op waarin ze een kruiswoordpuzzel aan het maken was en gaf er een klap mee. Jij ziet eruit als iemand die een stofzuiger kan gebruiken, zei de man tegen Slaney. Hij was dichter naar de bar toe gelopen en in de lichtstrook die boven de kassa hing kon Slaney het gezicht van de man zien, geel verlicht en gecraqueleerd als een gevernist schilderij. Hij had sterk gekleurde wangen vol gesprongen adertjes, een paarse neus en zijn ogen waren bloeddoorschoten en het oogwit was hagedisgeel. Er hing een korstje aan zijn kleurloze onderste oogleden. Wat hij ook genomen had, het hield hem in een koortsachtige greep. Er zat een laagje snot op zijn bovenlip, en hij glansde van het zweet. Onder zijn volle, natte mond was een geitensik. Slaney zei dat hij geen stofzuiger nodig had. Als hij de man

39


had verteld dat hij aan lepra leed, had zijn opmerking misschien hetzelfde effect gehad. De man begon nerveus te trillen. Een schudden dat van zijn rechterknie tot aan de bovenkant van zijn hoofd door zijn lichaam trok. Hij zette de stofzuiger op de grond en draaide zijn nek een paar keer naar links om zichzelf weer onder controle te krijgen. Hij greep een van zijn magere schouders beet met de andere hand en draaide hem in langzame cirkels rond. Iedereen stofzuigt, zei de man. Zijn blik ging dwars door Slaney heen. Jezus, zei de man. Zo is het toch? Iedereen stofzuigt? Slaney zette zijn bierflesje geluidloos op de bar. Wat voor soort man maakt zijn huis niet schoon? vroeg de man. Dat zou ik graag willen weten. De suggestie van geweld bewoog zich als tocht rond Slaneys enkels. Het voelde alsof er zich een ontlading ging voordoen, de bliksemstraal van mythische kracht die verzwakte mensen op kunnen roepen vlak voordat ze de geest geven. Uit de ogen van de man sprak een moorddadige woestheid, maar hij praatte op een soort zangerige toon, een zijig gevlei, als een waarzegster die de stem van een voorbijkomende geest uit de lucht plukt. Je huis is je koninkrijk, zei de man. Wat ben jij, een varken? Sue Ellen legde haar potlood neer. Ze vroeg de man naar de stekker van de stofzuiger. Hij gaf die aan haar zonder zijn ogen van Slaney te halen of zijn woordenstroom te onderbreken. Een smerig varken dat zijn huis niet schoonmaakt, zei de man. Die het ene uiteinde van een stofzuiger niet van het andere kan onderscheiden. Je moeder was een zwijn. Een smerig varken dat nooit achter zich opruimde, en dat de waarde van zindelijkheid niet aan haar zoon heeft doorgegeven. Laten we eens kijken of dat ding het doet, zei Harolds zus. Ze trok het snoer er hand voor hand uit.

40


Een goede stofzuiger is een investering, zei ze. Ik heb het op de harde manier geleerd, had een goedkope gekocht. Ik kwam erachter dat de goedkope maar de helft van wat er op de vloer ligt oppikken. Je moet er twee keer overheen gaan. Dus zei ik tegen mezelf, als je iets wilt hebben waar je wat aan hebt, moet je ervoor betalen. Ze stak de stekker in het stopcontact en de stofzuiger begon te loeien en ze schreeuwde naar hem dat hij hem moest demonstreren. Neem me niet kwalijk, zei de man. Wat hem in zijn greep had gehad, was plotseling verdwenen. Hij had een vinger in een riemlusje van zijn spijkerbroek gestoken en zijn heup uitgestoken, in een poging een pose uit een Sears-catalogus na te doen, maar hij kon het niet volhouden. Zijn knie speelde weer op. Laat maar eens zien wat hij kan, zei de barkeepster. De man stofzuigde drie banen over de vloer van de bar en stopte om naar de barkeepster te kijken, maar ze gebaarde met haar hand dat hij door moest gaan. Moet je dat apparaat zien, riep ze. Dat is pas een goede stofzuiger. Kijk eens hoe hij dat vuil opzuigt. Hij begon geconcentreerd te zuigen en de motor was luid, en Slaney dronk zijn bier op en ze gaf hem een nieuwe en zette de opener erop en de dop schoot eraf en stuiterde rond tot ze haar hand erop legde. Daarna verdiepte ze zich in haar kruiswoordpuzzel. Ze droeg een ring met een minieme diamant. De diamant en het snoertje van goudkleurig tin waarmee de gum vastzat aan de bovenkant van het potlood glinsterden in het ovaal van licht dat op de bar scheen terwijl ze letters opschreef. De man had het tapijt gedaan en bevestigde een ander hulpstuk op het mondstuk en deed de dansvloer en de b端hne. Hij trok stoelen naar achteren en zette ze omgekeerd op de tafels en daarna zette hij ze weer op de vloer als hij klaar was.

41


Uiteindelijk drukte hij met zijn voet op de knop van de Electrolux en het apparaat stopte. Slaney had net zijn tweede biertje op en hij kwam overeind en haalde zijn geld tevoorschijn en legde een biljet op de bar. Dat is inclusief fooi, zei Slaney. Toe maar, zei Sue Ellen. Ze pakte het biljet op en stopte het in een conservenblikje zonder etiket naast de kassa. Daarna trok ze de stekker van de stofzuiger uit het stopcontact en gaf een harde ruk aan het snoer en liet het los en de stekker kronkelde over de bar en de vloer en schoot terug in het binnenste van het apparaat. Je vrouw gaat niet blij zijn als ze erachter komt dat hij weg is, zei de serveerster. Ga terug naar huis en zet hem weer in de kast voordat ze hem gaat zoeken. Doen alsof ik hem nooit heb gepakt, zei de man. Zet hem terug. Ik heb een fortuin verloren, zei hij. Ze hebben alles wat ik had van me afgenomen. Je kunt het niet terugdraaien, zei Sue Ellen. Ze tikte met het eind van het potlood op de bar en keek de man streng aan. Mensen willen altijd de klok terugdraaien, zei ze. Die klootzakken hebben misbruik van je gemaakt, Gerald, terwijl je nog maar net uit het ziekenhuis bent. Ik ben de bank kwijtgeraakt, Sue Ellen, zei hij. Als ik nu thuiskom van mijn werk kan ik nergens op zitten. Gerald is bewaker in het winkelcentrum. Toch, Gerald, zei Sue Ellen. Ik heb gesolliciteerd, zei hij. Dat is de baan die ik kreeg. Maar hij is ook goed met motoren, zei de barkeepster. Hij heeft hier ik weet niet hoeveel auto’s voor niks gemaakt. Hij doet het bijna voor niets. Mijn auto wilde een keer niet starten, afgelopen winter was het toch, Gerald? De bougie, zei de man.

42


Vreselijk slecht weer, zei Harolds zus. Ik heb de bougie vervangen, zei hij. Je bent goud waard als je je goed voelt, zei Sue Ellen. Je hebt geluk dat je die stofzuiger nog hebt. Hem terugzetten waar ik hem gevonden heb, zei Gerald. Sue Ellen draaide de krant om en telde blokjes met de punt van een potlood. Precies, zei ze. De man pakte de stofzuiger en de hulpstukken die erbij hoorden en verliet de ruimte door de deur, die achter hem dichtklikte.

Tien redenen om door te gaan Slaney was na het biertje in de bar vertrokken en deze keer ging hij richting het westen. Hij kreeg twee keer een lift en daarna kwam er van beide kanten meer dan een uur lang niets. Hij dacht erover om weg te lopen. Overwoog zijn keuzes. Dat was het advies van zijn psychotherapeut in de gevangenis. Overweeg en bereken. Gebruik je verstand. Pas je positie aan. Waarom liep hij niet weg? Het elastiek van zijn sokken begaf het bij de gedachte weer naar de gevangenis te moeten. Zijn sokken zakten af en schuurden, en zijn ingewanden waren net als zijn afgedragen sokken nu hij erover nadacht. Hij zou weg kunnen lopen en zwart kunnen werken en een rustig leven kunnen leiden onder een valse naam en vergeten worden. De wet zou hem vergeten. Maar er waren redenen om door te gaan: 1. Ze zouden binnen een paar maanden miljonair zijn, hij en Hearn. 2. Hij wilde op het water zijn. De wijd open openheid ervan.

43


De uitbundigheid en dolfijnen en vliegende vissen. De drieste betovering van het er gewoon voor gaan. De wind op het water en de stranden en de onzekerheid of het ze zou lukken. Adrenaline en hitte. 3. Opgeven zou betekenen dat ze hem gebroken hadden. 4. Hij zou de kern niet verraden. Hij wist niet precies wat de kern was, behalve dat het niet was aangeraakt in de vier jaar van zijn gevangenschap. Kom me maar vangen. Ze konden hem niet vangen. Hij fladderde in en uit beeld, de kern, gewichtig en breekbaar. 5. Hij wilde geloven dat hij niet gebroken kon worden. 6. Ze hadden een klein beetje geluk. Wat voor meeteenheid je ook gebruikte om geluk te kwantificeren. Ze hadden er meer van dan hiervoor. Een snipper meer geluk, en het zou genoeg kunnen zijn om hen erdoorheen te helpen. Ze hadden ervaring. Hij zou een boek kunnen vullen met wat hij had geleerd. 7. Hij wilde dat Jennifer weer verliefd op hem werd. Hij wilde een gewoon moment meemaken. Een kamer in een huis met televisiegeluiden, lommerrijke schaduwen en het gegons van was in een droger. Koperen pannen die boven het fornuis hangen, zalmkleurig en namaak-antiek. Hij wilde half wakker zijn in de keuken van een nieuw huis met Jennifer. Hij oefende de frase: Laat me je een rondleiding geven. Zaterdagochtend, een kleine kater en geil. Jennifer in zijn geruite flanellen ochtendjas, haar haar verfomfaaid van het bed, een halve sinaasappel op de glazen pers drukkend, hem om- en omdraaiend zodat het sap over de gegroefde glazen koepel in de rand eronder liep en de zaadjes eruit vielen. De geconcentreerde, kalme uitdrukking die ze had als ze het ontbijt maakte. 8. Het glas sinaasappelsap. 9. Haar kont als ze over het broodrooster boog om een si-

44


garet aan te steken. Ze had overal kaarsen staan. Ze kon zich midden in een gesprek van de stoel laten glijden om yogaoefeningen te gaan doen. Ze zat dan op haar handen en voeten, ingespannen en in gedachten verzonken, en strekte haar benen en stak haar kont omhoog en bleef ondertussen doorpraten. Hij wilde haar spaghetti. Niemand zou hem kunnen tegenhouden als hij eenmaal op het water was, weer op weg naar Colombia. Als hij Hearns stem kon horen zou hij zich beter voelen. Vier jaar, misschien was Hearn veranderd. Slaney had iemand nodig die hem van vroeger kende, een menselijk rรถntgenapparaat dat door botten en littekenweefsel kon gaan en zeggen: niet kwaadaardig, niet monsterlijk. Je bent nog dezelfde die je was, Slaney. Alleen beter. Een snipper geluk die vastzat als een splinter. 10. Er zit een vlinder onder je ribbenkast: de kern. Een vlinder of een komeet of een zilveren kogel. Iets onaangeraakts, ongeschondens, wat kan vluchten. Hij was bereid dat op de proef te stellen. Er een proefrit mee te maken. Hij zat op een door mos aangetaste kei met zijn hoofd in zijn handen en probeerde opnieuw een broederlijk vertrouwen in Hearn op te roepen.

Het verraad Het was al donker toen er een pick-up voor hem stopte en hij sprong op van de kei en gooide zijn moeders blauwe koffer in de achterbak en deed het portier open. Er was een man van ongeveer Slaneys leeftijd en er zat een Engelse setter op de passagiersstoel. De hond was hoofdzakelijk wit en had heldere bruine ogen en glanzende zwarte oren en hij begon over zijn hele lichaam te

45


trillen. Hij ging rechtop staan toen Slaney het portier opende en draaide in een kort kringetje, terwijl hij geen geluid maakte. Let maar niet op hem, zei de man. Er is ruimte genoeg. De hond ging liggen en legde zijn voorpoten over Slaneys benen. Zijn witte vacht was doorspekt met zwarte stippen en er zat een zwarte vlek rond elk oog en een gerafeld geel touw met een schuifknoop rond zijn nek. Wie is er braaf? zei Slaney. De hond rolde een lange tong naar buiten en likte Slaneys lippen. De chauffeur keek en keek nog eens. Dat was een kus, zei hij. Jezus, zei Slaney. Er lag een versnipperaar achter in de truck en de man zei dat hij een boerderij had en bloemen teelde die hij aan hotels en restaurants in de omgeving verkocht. Hij had bijen, zei hij, wat een experiment was. Daarna zei hij tegen Slaney dat hij het handschoenenvakje moest openen. Recht voor je, zei hij. Doe het open. Erin lag een afgescheurde hoek van een oude Shreddies-ontbijtgranenverpakking en er lag een stuk van een honingraat op het karton. Uit elke kleine, perfect gevormde grot van was sijpelde dikke, kleverige honing. De neus van de hond kwam met een paroxisme van snuifjes omhoog, zich uitstrekkend naar het vochtige karton, maar Slaney duwde hem met een elleboog aan de kant en klemde de snuit van de hond vast onder zijn arm. De hond hield zich stil en begon toen te worstelen. Probeer het, zei de man. Slaney nam een beetje van de honing op zijn vingers en proefde ervan. Hij had nooit eerder honing geproefd die niet uit een flesje kwam. Hij smaakte muskusachtig en mineraal, een gras-gouden zoetheid. De man zei dat hij setters fokte, en er een aardig centje aan verdiende. Hij had er een kennel vol van en zijn honden blaften niet omdat hij er niet tegen kon.

46


Ik houd niet van dat geluid, zei hij. Slaney likte de kleverigheid van zijn vingers en duwde het handschoenenvakje dicht en wreef met het manchet van zijn overhemd over de kleine hendel. Hij hield rekening met vingerafdrukken sinds hij ontsnapt was. Hij hield er geen rekening mee; hij was zich ervan bewust. De hond was gaan liggen en zijn kin rustte op Slaneys been. Hij maakt geen enkel geluid, zei de man. Heb je dat gemerkt? Geen piep, meneer. Zeg, zei Slaney. Hoe noem je deze knaap? Mijn vrouw noemt hem Knapperd, zei de man. Iedereen denkt altijd dat ze mij roept. Hallo Knapperd, zei Slaney, terwijl hij de hond bij allebei zijn oren vasthield en zijn voorhoofd tegen de neus van de hond liet rusten. Hallo mooie jongen. Een man kan dat niet roepen in het bos, zei de man. Hier Knapperd, riep Slaney. Daarna vertelde de man Slaney dat hij vorige week een hond had moeten afmaken. Hij had de hond al twintig jaar en het was het droevigste wat hij ooit had moeten doen en hij begon zich nu pas weer een beetje zichzelf te voelen. Heb hem naar de dierenarts gebracht, zei hij. En hij schudde zijn hoofd bij die gedachte. Het spijt me dat te horen, zei Slaney. Zelf ooit zoiets gedaan? vroeg hij. Slaney zei dat dat niet het geval was. Iets af moeten maken? Nee, zei Slaney. Hij keek omhoog naar me, zei de man. Mijn hand lag op zijn hart toen hij stierf. Ik voelde het stoppen. Zodra ze die naald erin stoppen is het voorbij. Zijn lichaam viel tegen me aan en hij was weg. Die hond volgde me overal naartoe. Sliep op mijn

47


bed. Je raakt gewend aan een hond. Hij wordt een deel van je. Ik weet niet of ik er al overheen ben. Er stonden alleen maar stoffige bomen langs de rand van de weg, kilometerslang, met slechts hier en daar een paar huizen, verscholen in het bos. Het begon donker te worden. Je wilt niet dat ze lijden, zei de man. Hij wreef hard in de hoek van zijn oog met de mouw van zijn overhemd en trok zijn snot met één lange stokkende ademteug zijn neus weer in. Hij was begonnen te huilen over de dode hond en Slaney werd er bang van. De situatie kwam onzeker en explosief op hem over. Ik vroeg aan de dierenarts, kun je zijn ogen sluiten, zei hij. Je kunt hun ogen niet sluiten. De ogen blijven open. Wat vind je daarvan? Er zit niets meer in. Ze zeggen dat het is alsof je het licht uitdoet. Het is geen licht. Geloof me. Wat het ook was wat hem verliet, kwam door die ogen naar buiten. Ik zag het verdwijnen. Heb jij dat ooit gezien? Slaney zei dat hij nooit iets van dichtbij had zien sterven, behalve vissen en een keer een rat in een val. Heb je kinderen? vroeg de man. Over vallen gesproken. Slaney zei dat zijn vriendin een dochter had. Ik heb een tweeling, zei de man. Hij stak zijn hand uit en klapte Slaneys zonneklep omlaag en er was een foto van twee kinderen in de armen van een warenhuiskerstman. Ze waren een verrassing, zei hij. Slaney vroeg of ze identiek waren. Identiek genoeg. Identiek betekent dat ze een soort van band hebben, zei Slaney. Net als de ene in slaap valt, begint de andere te blèren, zei de man. Dat is de band. Gaat de hele nacht zonder onderbreking door. Ze zeggen dat ik hun dutjes moet synchroniseren. Maar ik heb nog nooit gezien dat ze gelijktijdig hun ogen dicht hadden. We proberen er iets van te maken, maar hun moeder heeft

48


nog nooit een dag in haar leven gewerkt. Soms kom ik thuis en dan heeft ze de halve Avon-catalogus besteld. Slaney aaide de hond en hij nam een zijdeachtig zwart oor in zijn hand en liet het een paar keer door zijn losse vuist glijden en de ogen van de hond gingen een stukje open en heel even lichtten ze kwikzilverachtig groen op, een buitenaardse dierlijke gloed diep in de ogen van de hond, een inbezitneming die in een oogwenk kwam en ging, en Slaney dacht dat niets was zoals het leek, nooit, en dat het beter was om op je hoede te blijven. Vertrouwen was gewoon een andere vorm van luiheid en hij zou er niet aan toegeven. Hij zou voorlopig doen wat Hearn hem had verteld te doen, omdat hij geen keuze had. Maar hij zou het geen vertrouwen noemen. Hij zou op zijn hoede blijven voor de parallelle universa van donkere paden en verkeerde afslagen. Hij zou duizend keer per dag denken: als dit dan dat. Rekening houden met de zwakheid in het karakter van iedereen die hem van zijn doel kon doen afdwalen. De ogen van de hond gingen weer dicht en hij vlijde zijn kop tegen de vuist van zijn eigenaar. Je zou hem moeten zien rennen, zei de man. Wanneer hij in het bos is. Ik ben altijd bang dat hij niet terug zal komen. Hij vroeg Slaney waar hij naartoe ging. Slaney zei Alberta. Mekka, zei de man. Daarna minderde hij vaart en stopte aan de kant van de lege weg, stapte uit de truck en liet het portier open. Hij ging midden op de weg staan en klapte twee keer in zijn handen. De hond probeerde uit de truck te springen, maar kon het niet. Hij trilde over zijn hele lichaam. Slaney gaf hem een klein duwtje en de hond tuimelde met een kikkerachtige waggel naar de grond en schoot naar de rand van de weg. De chauffeur deed het portier dicht. De hond stond compleet stil, tilde zijn achterpoot op en piste

49


plechtig, met zijn staart recht naar achteren en zijn kop naar beneden alsof hij zich bewust was van de schande van honderden jaren gedomesticeerd te zijn. De man stond aan de rand van de weg naast zijn hond met zijn rug naar Slaney toe en plaste met de hond mee en stapte opzij, bracht zichzelf weer op orde, en liep de greppel in. Hij pakte een stok op en gooide die het bos in en de hond was weg. Daarna stapte de man achter de hond aan de struiken in. De takken ruisten en zwiepten om hem binnen te laten en sloten zich achter hem. Net toen Slaney zich realiseerde dat de man verdwenen was, kwam er een ander voertuig op de truck af, in een slakkengangetje. Het kwam uit het niets. Het laatste beetje zonlicht flikkerde over de voorruit van de andere wagen en Slaney kreeg een tintelend gevoel over zijn hele lichaam met de voorspellende zekerheid dat de auto op een paar meter afstand van de truck zou stoppen. Hij stopte precies waar Slaney had geweten dat hij zou stoppen. De motor draaide stationair en de auto bewoog niet. Slaney dacht aan het gesprek over de dood en de gevangen rat en de man die zonder reden huilde. Zelfs de scherpe metalen smaak onder alle zoetheid van de honing leek nu een voorspellende waarde te hebben. Slaney kon niet zien wie er achter het stuur zat, of hoeveel er in de auto zaten of zelfs wat het merk was. De koplampen waren wit, met roze en blauwe lichtkransen die in het donker versplinterden en de gesluierde vochtigheid in de lucht lieten zien. De duisternis zat als een bankschroef rond de twee gele aureolen geklemd. Slaney had het gevoel dat er drie of vier mannen uit zouden stappen met honkbalknuppels en hem tot moes zouden slaan. Wat een gevoel: om bedrogen te zijn. Het valt niet meer te ontkennen wanneer de gevolgen zich voordoen. Een val van

50


deze omvang is altijd iets waar je naartoe loopt. Er zit een element in van wil en onderwerping. Maar je kunt het niet aan zien komen. Een reeks stappen die elkaar opeten als de treden van een roltrap, tegelijkertijd naar voren en naar achteren draaiend. Hij wierp een blik achter zich en er was kilometerslang niets. De boomtakken kwamen bij elkaar boven de modderweg en vormden een tunnel van vervagend gouden licht. Slaney wist meteen dat hij liever zou sterven dan teruggaan naar de gevangenis. Dat kwam in hem op. Hij checkte het contact en zag dat de man de sleutels had meegenomen. Tussen de stoel van de chauffeur en de noodrem zag hij een krant liggen. Hij trok hem eruit en sloeg hem open en daar was zijn eigen foto, die de halve voorpagina in beslag nam. Het flitslicht maakte zijn ogen zwart en leeg. De kop was Ontsnapte gevangene David Slaney op de vlucht. En maar doorzeuren over die stomme dode hond, zei Slaney tegen zichzelf. Huilen over die hond. Hij praatte nu tegen zichzelf, hardop, zonder dat hij zich daarvan bewust was. Slaney greep naar de deurhendel. Als ik eerlijk ben, zei hij. Dan had hij al geweten dat ze op weg waren naar een afrekening sinds hij in de truck was gestapt. Het is zover, zei hij. En hij zei: Ik zal haar nooit zien. Dat is jammer. Dat is verdomde jammer. Dit zei hij allemaal zonder zich ervan bewust te zijn dat hij de woorden hardop uitsprak. Hij was klaar om ervandoor te gaan en zo hard te rennen als hij kon, maar hij merkte dat hij zich niet kon bewegen. Ze zouden hem doodslaan, zijn schedel intrappen met de stalen neuzen van hun laarzen, ze zouden zijn nieren kapotslaan met hun vuisten, ze zouden hem terugbrengen naar de gevangenis of ze zouden hem vermoorden en zijn hoofd op een

51


staak prikken. Hij hoopte dat het de laatste zou worden van deze mogelijkheden. Alles liever dan de gevangenis. Als er iets ging gebeuren, dan wilde hij dat het meteen gebeurde. Toen verscheen de man tussen de bomen en liep vanuit de greppel naar het raampje van het wachtende voertuig. Hij leunde naar binnen en sprak lang met wie er ook in zat. Slaney kon het silhouet van de man onderscheiden tegen het korrelige bos erachter. De man leunde met een arm tegen het dak van de wagen en met zijn voorhoofd tegen de arm. Hij stond naar het raampje toe gebogen te praten. Hij deed een stap naar achteren en stak zijn handen uit, alles aanbiedend of de kansen afwegend. Daarna leunde hij weer naar voren. Het was een soort discussie. Uiteindelijk klopte de man op de kap boven de draaiende motor. De wagen schoot naar voren, gravel in het rond spuitend, en Slaney zag dat de chauffeur een jonge vrouw in een witte blouse was. Ze keurde hem geen blik waardig terwijl ze langs hem reed. Ze zag er opgelucht of malicieus uit. De man stond daar midden op de weg met zijn handen in de achterzakken van zijn spijkerbroek, badend in haar achterlichten. Toen de auto allang was verdwenen floot de man. Het geluid schalde boven de bomen uit. De man stapte weer in de truck, zette de motor aan en drukte twee keer op de claxon. Na een poosje kwam de hond door het lage struikgewas ritselen en draafde heen en weer voor de stationair draaiende truck en de man deed het portier open en de hond sprong over zijn schoot, stinkend naar iets zo smerigs en sterks dat ze snel de ramen naar beneden draaiden. Jezus Christus, zei de man. Wat is dat in godsnaam? Hij moet in iets doods hebben gerold, zei Slaney. Er zaten brandnetels verstrikt in het zachte haar van zijn oren en buik.

52


De man schoof de hond weg van de versnellingspook en duwde die naar voren. De scherpe stank kwam en ging en Slaney besefte dat ze er in een paar minuten aan gewend zouden zijn. Je hebt de krant gezien, zei de man. Ik dacht wel dat jij het was toen ik iemand aan de rand van de weg zag staan. Lang als een hoog glas koud water. Wie zat er in die auto? vroeg Slaney. Dat was een oude vriendin, zei de man. Zo oud zag ze er niet uit, zei Slaney. Het was allemaal een beetje in het luchtledige blijven hangen, zei hij. Ik heet John Gulliver en ik neem aan dat jij David Slaney bent? Waarom ben je voor me gestopt? vroeg Slaney. Er zijn overal juten op de weg, zei Gulliver. Ik houd best van een jointje op zijn tijd. Is niets mis mee. Jezus, zei Slaney. Daarna had Gulliver het over de afwas op de aanrecht thuis, opgestapeld tot aan het plafond. Hij zei dat zijn vrouw zo lang als hij haar kende nog nooit de afwas had gedaan. Ik trek het niet, zei hij. En dat meisje in de auto, zei Slaney. Die meisjes waren voor één nacht, zei Gulliver. Ik heb een fout gemaakt. Hij zei dat het meisje in de auto zangeres was. Hij zei dat hij geloofde dat je één liefde in je leven krijgt. Eén liefde, en dat is het. Als je geluk hebt. Die stem van haar, zei hij. Hij had haar moeten smeken om met hem af te spreken. Ik wilde het haar zelf horen zeggen, zei hij. Dat het voorbij was. Zei ze het? vroeg Slaney. Waar je getuige van was, zei Gulliver. Dat was een afscheid. Ze wil me nooit meer zien. Hij reed verder zonder iets te zeggen. Daarna sloeg hij met zijn vuist op het dashboard.

53


Iedereen maakt wel eens een fout, zei hij. Toch? Slaney zei dat het waar was. Maar je moet boeten voor je fouten, geen twijfel aan, zei de man. Het volgende moment komt de informatie van mijn huidige vrouw, een tweeling zegt ze. Niet één maar twee. Rochelle, dat was Rochelle in de auto. Ze hoorde tweeling en ze keek niet meer om. We zaten allemaal in een bar en mijn huidige vrouw kwam naar ons toe en vertelde het. Vertelde het Rochelle en mij ten overstaan van iedereen. Maakte een scène. Begon erover of ik wilde dat die kinderen een vader hadden. Ten overstaan van iedereen zei ze: een tweeling. Twee maanden later was ik getrouwd. We probeerden er iets van te maken, de moeder en ik. Maar ik zal je wat vertellen. Hij schudde alleen zijn hoofd. Slaney gaf geen antwoord. Maar de hond schuifelde rond en liet zijn kaak op de schoot van de man zakken. Er is een landelijke zoektocht, zei John Gulliver. Je bent groot nieuws, vriend. Billy de Fucking Kid, neem me mijn taalgebruik niet kwalijk. Slaney gaf geen antwoord. De bijen zijn ontsnapt, zei hij. Afgelopen zomer. Ze krijgen het in hun hoofd. Heb je ze teruggekregen? vroeg Slaney. Ik moest gewoon wachten tot ze ergens tot rust waren gekomen, zei hij. Daarna sloop ik naar ze toe met een net. Slaney dacht weer over vertrouwen, het comfort dat het met zich meebracht. Het tegengestelde van vertrouwen was twijfel. Dat waren de twee keuzes. Hij stelde zich vertrouwen en twijfel voor als een tweeling, aan elkaar verbonden door één samengeklonken schedel, oog aan oog, die twee, vertrouwen en twijfel, in het donkere bos tegen elkaar schreeuwend: Kom op, hef je vuisten.

54


Of vertrouwen was een deur in je hoofd die je open liet staan. Je maakte een keuze. Wat er daarbuiten ook is: laat het maar komen. En twijfel was de wind die alles dichtsloeg. Blijf niet op één plek. Vestig je nergens. Dat was de twijfel. Hearn was niet naar de gevangenis gegaan. Hij was ervandoor gegaan toen hij op borgtocht vrij was. Vier jaar voor Slaney, Hearn was ertussenuit geknepen. En Hearn vermaakte zich. Hij had een vals identificatiebewijs voor zichzelf gemaakt en was naar de universiteit gegaan. Hij studeerde Engelse literatuur met de bedoeling hoogleraar te worden. Het had hem vier jaar gekost om de tweede reis te organiseren. Hearn wist zeker dat de politie geen idee had waar hij was. Er is een zin die ze bij de rechtbank gebruiken: een element van twijfel. Slaney herinnerde zich de definitie van ‘element’ uit zijn scheikundeboek op de middelbare school. Het betekende iets puurs. Twijfel was iets puurs en onverwoestbaars. De politie had staan wachten. De hele stad had op ze gewacht toen ze, vier jaar geleden, aankwamen over het water met twee ton wiet aan boord. Deze keer, had Hearn gesuggereerd, zou er geen politie zijn. Dit was Slaney allemaal via via ter ore gekomen. Harold had een oude vriendin die iemand kende die de berichten van Hearn had doorgegeven. Hoewel Harolds zus, Sue Ellen, het niet wist, zat Harold er voor lange tijd. Voor altijd. Hij kon informatie naar binnen en naar buiten krijgen en dat maakte zijn verblijf er winstgevend ondanks het feit dat hij klein van stuk was. Slaney wilde geloven dat er een band tussen mensen bestond. Hij wilde geloven dat vertrouwen ook puur was. Het was het waard om voor te vechten. Hij vertrouwde Hearn. Dat kon hij

55


hardop zeggen. Het zou beter zijn op die manier. En hij had geen keuze. Vertrouwen gloeide soms zonder reden uit zichzelf op, en dat soort vertrouwen kon je niet doven. John Gulliver stopte om te tanken en wat snacks voor onderweg te kopen. Hij zei dat hij helemaal naar Montreal ging en dat hij Slaney met plezier mee wilde nemen. Zei dat hij zelfs een plek in Montreal kende waar Slaney kon logeren. Hij zou ’s nachts doorrijden. Hij vulde de tank en liep de winkel binnen om te betalen en toen hij weer naar buiten kwam, was Slaney verdwenen.

Patterson Patterson zweette. De plooien van zijn huid waren klam, een vies ruikende vochtigheid waar zijn kleren zich aan hem vastklampten. Aan het eind van de dag hing er een vage stank om hem heen die hij verafschuwde. Een van de secretaresses had een keer haar neus opgetrokken. Zijn overhemden spanden om hem heen, een kleine snavel rond elke knoop. De knieën van zijn broeken kronkelden omhoog, sneden de circulatie af. De mouwen van zijn jasje waren als de bloeddrukbanden die ze in ziekenhuizen gebruiken. Zijn bloeddruk ging alle perken te buiten. Zijn zweet had een zo kenmerkende geur dat hij er half van hield en zich er tegelijkertijd voor schaamde. Patterson was die ochtend naar Nova Scotia gevlogen, had een auto gehuurd en ingecheckt bij een Holiday Inn. Op weg naar het café had hij een kledingzaak voor mannen gezien. Op het bord stond Kwaliteitskleding voor heren. Hij was van plan op de terugweg een paar nieuwe overhemden te kopen. Hij transpireerde hevig. Je zou niet verwachten dat zoiets je kon maken of breken.

56


Maar hij wist zeker dat hij daarom geen promotie had gekregen. Kijk naar Nixon, zweet werd zijn ondergang. Patterson was brigadier bij de Toronto Narcoticabrigade, maar er was hem te verstaan gegeven dat promotie in de ijskast was gezet. Promotie hing af van het feit of hij bij Brian Hearn kon komen. Er was een overhemdmaat waar hij niet boven wilde gaan. Als ze hem overhemden brachten die groter waren dan een bepaalde maat, zei hij nee. Patterson wilde niet in die maat groeien. Hij bestelde een whisky en de barman zette die voor hem neer op een papieren servetje. Kom je hier uit de buurt? vroeg de barman. Op doorreis, zei Patterson. Er stond een rij met flipperautomaten en een man in een leren pilotenjack stond tegen een ervan aan te rammen. Drie van zijn vrienden stonden om hem heen en moedigden hem aan en hij duwde met zijn heupen en dreunde tegen de chromen knoppen. De bellen schalden en tinkelden, met effect geschoten ballen vlogen omhoog en rolden terug. Er kwam limoengroen licht van de glazen plaat dat op de gezichten van zijn vrienden scheen, waardoor hun ogen zombieachtig leeg werden. Patterson hief zijn glas op om een slok te nemen en hij probeerde het zachtjes uit: inspecteur Patterson. Zei het tegen zichzelf, een kleine bezwering. Een groepje vrouwen kwam door de deur naar binnen, met veel kabaal. Een van hen liet een schril gegiechel horen en sloeg een ander met haar handtas op de schouder. Ze liep vlug naar de bar en wrong zich naast Patterson, zwaaiend met een bankbiljet tussen twee vingers. Haar wetlook mantelpakje glom helder rood en de rits was laag genoeg om een decolletĂŠ te laten zien. Een ogenblik kruisten hun ogen elkaar en ze was vol pret en pure onschuld, maar wat ze ook in Pattersons gezicht zag, het

57


zorgde ervoor dat ze zich afsloot. Ze keek over haar schouder naar haar vriendinnen. Hij wist dat ze heimelijkheid en gretige welwillendheid in hem had gezien en dat ze zich daardoor opzichtig voelde. De barman vroeg wat hij voor haar kon betekenen en ze werd meteen weer levendig, was Patterson vergeten. Ze bestelde een tafel vol cocktails, sloeg met haar vuist op de bar bij elk drankje dat ze bestelde. Een paar van de namen van de cocktails waren schuin en het deed haar plezier om ze te zeggen. Een man kwam door de deur van de bar in een rood-wit geruit Levi-overhemd en een spijkerbroek. Hij droeg een grote metalen riemgesp met het silhouet van een cowboy die op een wild paard reed. Hij droeg niet het suède jack met de franjes waar hij het door de telefoon over had gehad. De man ging op de kruk naast Patterson zitten zonder naar hem te kijken of iets tegen hem te zeggen. Hij bestelde roggewhisky met cola. Hij vroeg om iets te knabbelen. De barman zette een kommetje met nootjes tussen de twee mannen en Patterson schoof het een paar centimeter van zich af. Hij had die ochtend acht kilometer gerend en gewichten getild in een sportschool aan de rand van de stad. Hij had touwtjegesprongen. Hij probeerde het Hollywood-dieet te volgen. Een halve grapefruit, om mee te beginnen. Hij had gelezen dat grapefruit wonderen deed. Rood vlees, geen koolhydraten. Je werd niet geacht te sporten. Hij sportte. Je bent laat, zei Patterson. In een vorige generatie was zweet iets waard geweest, dacht Patterson. Het was een teken van eerlijkheid, zweet op je voorhoofd. Pattersons vader was boer geweest. Maar binnen één generatie was zweet een smet geworden. Het bezoedelde zijn onderarmen en de rug van zijn witte katoenen overhemden. Het kon parelen op zijn voorhoofd bij

58


een vergadering. Zijn wangen glommen in het kantoorlicht. Het droop heel langzaam over zijn slaap en het enige wat hij kon doen, was er niet aan zitten, om geen aandacht te trekken. Zijn dokter had gevraagd of er een familiegeschiedenis was. Er was zijn vader geweest, die zich aan de tafelrand vastgreep terwijl één kant van hem in elkaar kromp, zich op de vloer liet zakken, op één knie, daarna op beide knieën, en ten slotte plat op zijn rug, een arm uitgespreid over het zeil, toen Patterson acht was. Dat was geschiedenis. Ik moest een boodschap doen voor mijn vrouw, zei de man naast Patterson. Hij pakte een portemonnee uit zijn borstzak en vouwde hem open, hield een studiofoto op van twee kinderen, gewikkeld in flanellen dekens, op de achtergrond werd een Engelse vossenjacht voorbereid. Dat zijn mijn jongens, zei de man. Patterson zette zijn glas op het papieren servetje en draaide het de ene kant op en daarna de andere. Hij tilde het glas op, maar het servetje bleef aan de bodem plakken. Het glas zweette. Waar is Slaney? vroeg Patterson. De man klapte de portemonee dicht en stopte hem terug in zijn zak. Ik heb hem opgepikt. We waren meer dan drie uur samen. Ik had hem. Hij is weg, zei Patterson. Ik stopte om benzine te tanken, zei de man. Een paar snacks. Ik kom naar buiten en hij is weg. Het enige wat ik kan bedenken, is dat er een stationwagen op de parkeerplaats stond toen ik de winkel in liep en ik vermoed dat hij met die dame mee is gereden. Een huisvrouw, zo zag ze eruit. Dat is alles wat ik je kan vertellen. Hij was gewillig genoeg om me hem naar Montreal te laten brengen, hem af te zetten waar we hadden gezegd. Maar ik kom naar buiten en hij is weg.

59


Zei hij waar hij naartoe ging? vroeg Patterson. Hij zei Alberta. Patterson stopte zijn hand in de kleine glazen schaal. Minipretzels en stukjes ontbijtgraan vielen over de rand op de bar en zijn vuist zat vol. Hij sloeg de binnenkant van zijn hand tegen zijn mond en begon te peuzelen. We hadden het over Montreal, zei de man. Hij is absoluut op weg daarnaartoe. Er waren laterale stappen in Pattersons carrière geweest, de afgelopen vijf jaar. Die carrièrestappen waren een teken van een soort rust van de kant van de leidinggevenden. Hij kon zijdelings verplaatst worden, moesten ze hebben gezegd. Moest O’Neill hebben gezegd. Patterson was halverwege de veertig en hij had nu al inspecteur moeten zijn. Hij was in overweging genomen en er was niets van gekomen. Een band was zich aan het voorbereiden in een hoek van het café. Ze hadden een rookmachine aangezet en een dikke mist zocht zijn weg tussen de poten van de tafels, blauw, geel, groen wordend door de van kleur veranderende spotlights. De vrouw in het glanzende mantelpakje was naar de rand van het podium gelopen. Ze veranderde in een wazige rode vlek in de rondzwevende rook. Een van de muzikanten liep voor de stroboscooplamp langs naar een microfoonstandaard, een gemechaniseerd hypergeflikker van zwaaiende armen en fladderend haar. Hij zei plechtig: Een, twee, een, twee, test, test, en de feedback krijste en siste. Patterson had alle reden om te vermoeden dat hij over het hoofd was gezien, maar toen liet O’Neill hem naar zijn kantoor roepen. O’Neill had de ene na de andere doos met dossiers op zijn bureau gesmeten. Ze hadden een klus voor hem. Die zeer hoog werd aangeslagen. Als je dit klaarspeelt, Patterson, dan is de promotie zeker.

60


Zweet verzamelde zich rond Pattersons haargrens, in de achterkant van zijn nek. Hij wreef met zijn handpalmen over zijn broek. De Newfoundlanders, had O’Neill gezegd.

61

Profile for Koppernik

Lisa Moore, De ontsnappingen van David Slaney leesfragment  

Lisa Moore, De ontsnappingen van David Slaney leesfragment  

Profile for koppernik
Advertisement