Issuu on Google+


K o n i n kl i j k P a l e i s A m s t e r d a m

Koning Lodewijk

Napoleon

& z i j n Pa l e i s o p d e D a m

k o n i n k l i j k p a l e i s a m s t e r d a m


Inhoud

Woord vooraf Inleiding Marianna van der Zwaag —5—

Lodewijk Napoleon als eerste koning van Holland en eerste bewoner van het Koninklijk Paleis Amsterdam Lodewijk Napoleon en de vorming van de Nederlandse monarchie Eveline Koolhaas-Grosfeld —9— Koning van het empire Frans Grijzenhout — 19 —

De inrichting van het Koninklijk Paleis Amsterdam in context De empirestijl en de inrichting van paleizen in Frankrijk en Nederland Bernard Chevallier — 37 —

De empire inrichting in detail Een koninklijke transformatie De empire inrichting van het Koninklijk Paleis Amsterdam Renske Cohen Tervaert & Aagje Gosliga — 53 —

Literatuur — 87 —

Plattegrond begane grond en 1 ste verdieping 1808–1810 92 – 95


6

Charles Howard Hodges (1764–1837), Portret van Lodewijk Napoleon (1778–1846), olieverf op doek, 1809. Rijksmuseum, Amsterdam


Marianna van der Zwaag

wo o rd vo ora f Het Koninklijk Paleis Amsterdam was niet altijd een paleis. Midden in de Gouden Eeuw werd het ontworpen en in gebruik genomen als stadhuis van Amsterdam, in die tijd de rijkste en machtigste stad van de jonge Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden. Je ziet het nog steeds in de architectuur en in de decoraties van het gebouw waarin de trots, de ambities en idealen van de bestuurders van het toenmalige Amsterdam weerspiegeld worden. Pas anderhalve eeuw later, in 1808, kreeg het gebouw de functie waarin velen het tegenwoordig kennen. Het was het moment waarop de toen 29-jarige koning Lodewijk Napoleon (1778 – 1846) er zijn, aanvankelijk tijdelijk bedoelde, intrek nam. Nederland was aan het begin van de negentiende eeuw een satellietstaat van Frankrijk. In 1806 werd Lodewijk Napoleon, broer van Napoleon Bonaparte, koning van ‘Holland’ en kort daarna werd Amsterdam de hoofdstad. Hoewel het gebouw slechts vijf jaar diende als Frans – Koninklijk en Keizerlijk – Paleis zouden het bepalende jaren blijken. Tot op de dag van vandaag heeft het gebouw zijn paleisfunctie behouden en is het thans ontvangstpaleis van het Koninklijk Huis. Deze publicatie gaat terug naar de beginjaren van het gebouw als koninklijk paleis. Naar hoe het er aan toe ging toen de jonge koning aan zijn architecten de opdracht gaf om het stadhuis in ijltempo te transformeren in een paleis. De beste meubelmakers en stoffeerders uit Amsterdam en Den Haag werden aangetrokken om vooral het interieur van het gebouw een metamorfose te laten ondergaan. Duizenden meters felgekleurde stof, honderden stoelen, tafels, kasten, klokken en kroonluchters van exclusieve materialen als satijn, zijde, mahoniehout en verguld koper- en bronsbeslag werden naar binnen gebracht om het gebouw volgens de laatste Franse mode in te richten. Wonderlijk goed sloot die mode, de empirestijl, aan bij de architectuur van het stadhuis, omdat ze beide geïnspireerd waren op de Oudheid. In deze publicatie en de gelijknamige, daaraan gekoppelde tentoonstelling wordt het bijzondere verhaal verteld van koning Lodewijk Napoleon en zijn Amsterdamse paleis. U treft vier bijdragen aan van specialisten die schrijven over de metamorfose die het gebouw onderging en de context waarin dit plaatsvond. Eerder verschenen publicaties van Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam over dit onderwerp waren: Empire in het Paleis uit 1983 en ’s Konings Paleis op de Dam uit 1989. In de nieuwe publicatie is gekozen voor een bredere opzet. Ook de Europese context waarin de empire interieurstijl zich ontwikkelde is beschreven en er is aandacht voor de waardering

7.


van Lodewijk Napoleon als eerste koning van ons land. Met dezelfde voortvarendheid waarmee Lodewijk de transformatie van het oude stadhuis naar paleis ter hand nam, initieerde, bespoedigde en implementeerde hij belangrijke beleidsmaatregelen die tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. Koning Willem I, die in 1814 werd ingehuldigd in De Nieuwe Kerk in Amsterdam, heeft veel van hetgeen door koning Lodewijk Napoleon werd bewerkstelligd voortgezet, evenals de latere Oranjevorsten. De totstandkoming van deze publicatie en de gelijknamige tentoonstelling is het resultaat van de inzet en samenwerking van velen. Veel dank gaat uit naar de auteurs in deze publicatie: prof. dr. Frans Grijzenhout, dr. Eveline Koolhaas-Grosfeld, dr. Bernard Chevallier, drs. Renske Cohen Tervaert, drs. Aagje Gosliga. Dank ook aan musea en instellingen die voor de tentoonstelling belangeloos hun kostbare bezit tijdelijk afstonden en iedereen die verder geholpen heeft de tentoonstelling en publicatie mogelijk te maken: documentairemaakster Karina Meeuwse, Studio Mekaniek, in de rol van adviseurs: dr. Martijn van der Burg, dr. Jeroen Koch en dr. Paul Rem, Rijksgebouwendienst, vormgevers Ger Feijen en Ian Brown, vertalers Yvette Rosenberg en Directie Vertalingen (AVT) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en niet in de laatste plaats veel dank aan alle collega’s in het Koninklijk Paleis. Het Koninklijk Paleis werd in de periode 2005–2009 intensief gerestaureerd. De vroege negentiende-eeuwse interieurstukken uit de tijd van Lodewijk Napoleon hebben er uiteraard hun plek behouden. Ik sluit dan ook graag af met de uitnodiging het Koninklijk Paleis te bezoeken en het gebouw en het interieur weer in volle glorie te bewonderen. U bent van harte welkom! Marianna van der Zwaag Hoofd Presentaties Koninklijk Paleis Amsterdam

8


Klok met Napoleon afgebeeld als Julius Caesar, Parijs, ca. 1808 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang

9.


10

‘Tafereelen uit de regering van Koning Lodewijk, 1806-1810’, nr. 74 uit Prenten-magazijn voor de jeugd, serie ‘Vaderlandsche geschiedenis’, uitgegeven door Jan Schuitemaker, Purmerend, 1845. Atlas van Stolk, Rotterdam


Eveline Koolhaas-Grosfeld

L odew i j k Na poleon en de vo rming va n de Nederla nd se monarc hie ‘Zedert een paar dagen had deze staatkundige metamorphose plaats, die zich hier naauwelijks doet bespeuren. Alles gaat geregeld den ouden gang, als ware er niets gebeurd. De drukpers zwijgt; de gemoederen blijven bedaard; men hoort geene openlijke twisten voor of tegen; de verschillende staatspartijen schijnen te zijn verdwenen’.1 Zo verwoordt een reisboek uit 1806 de stemming in Nederland kort na de oprichting van het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. De auteur overdrijft wat die algemene bedaardheid betreft, maar met een ‘staatkundige metamorphose’ is niets teveel gezegd.2 De ruim twee eeuwen oude federale Republiek werd omgesmeed tot een erfelijke, constitutionele monarchie, twee miljoen republikeinse burgers werden onderdanen. Merkwaardig genoeg is deze cruciale politieke en culturele operatie lange tijd stiefmoederlijk behandeld door de geschiedschrijving. De Bataafs-Franse Tijd die begon met de revolutie van 1795 werd weggezet als Franse import, geen nationale geschiedenis. Voor zover Lodewijk Napoleon werd herinnerd was het grotendeels zoals op deze negentiende-eeuwse kinderprent: een vorst die het beste met zijn volk voorhad, maar het ondertussen deed zuchten onder zijn ‘wufte en spilzieke’ aard.3 Pas in de late twintigste eeuw begon dit te veranderen. Vernieuwend onderzoek naar de staats- en natievorming tijdens de Bataafse Republiek (1795–1806) opende ook de ogen voor het Koninkrijk Holland.4 Inmiddels is het onderzoek naar deze periode zover gevorderd dat een afgewogen oordeel over de regering van Lodewijk Napoleon mogelijk is.5 Wat deed onze eerste koning nog meer dan dure paleizen bouwen? Hierover gaat het volgende. Nationaal koningschap Als een opgedrongen vorst, buitenlander, niet van koninklijk bloed, niet gekroond (zijn broer verzet zich hiertegen), beseft koning Lodewijk goed dat hij zijn machtspositie niet beter kan legitimeren dan door zich geliefd te maken bij de Nederlanders. Hij weet ook wat zij ten diepste verlangen: politieke rust, orde en herstel van de economie

11 .


12

Geleverd door Joseph Cuel (1763-1846), Somno uit de slaapkamer van koningin Hortense, 1809 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang


en de welvaart. Direct na zijn aantreden ontvouwt Lodewijk zijn visie op de neergang van de oude Republiek en zijn strategie voor herstel. Volgens hem ontbreekt het de Nederlanders aan ‘esprit national’, de drijfveer om gezamenlijk ergens de schouders onder te zetten. Religieuze verdeeldheid, federalisme en particularisme hebben de modernisering en economische vooruitgang van Nederland in de weg gestaan. Wat de stadhouders niet voor elkaar kregen, omdat zij nooit oppermachtig genoeg waren geweest, zou hem als soeverein wel lukken: het bewerkstelligen van de nationale eenheid die de welvaart herstelt en Nederland naar het niveau van de meest verlichte naties zal optillen. Aan het welslagen van dit plan verbindt Lodewijk zijn toekomstige roem. Zijn ambitie is om uit te groeien tot het symbool van nationale eenheid en welvaart, en de geschiedenis in te gaan als een ‘Majesté nationale’, een nationale koning die zich geliefd weet bij al zijn onderdanen.6 Concentratie van macht: constitutie Lodewijks ideeën over eenmaking sluiten wonderwel aan op die van de radicale unitarissen uit de voormalige Bataafse Republiek. Ook zij waren van mening dat eenmaking een voorwaarde was voor herstel. Met de proclamatie van de één-en-ondeelbaarheid van de Republiek in de Staatsregeling van 1798, Nederlands eerste grondwet, was de eerste stap gezet. Dit eenheidsbeginsel is daarna nooit meer gewijzigd. Tegelijkertijd was de trias politica ingevoerd; het hoogste gezag lag nu in handen van de vertegenwoordigende, wetgevende macht. Door traineren van de federalistische hervormers verliep het ombuigen van de oude bestuursstructuur in centralistische richting echter zeer moeizaam. Tot ergernis van Napoleon die zijn bondgenoot voortdurend onder druk zet om slagvaardiger op te treden. Uiteindelijk benoemt hij zelf de ambassadeur Rutger Jan Schimmelpenninck (1761–1825) in 1805 tot raadpensionaris (een archaïsch woord voor president) en geeft hem de opdracht de grondwet te wijzigen. De Staatsregeling van 1805 legt de ‘oppermacht’ bij de volksvertegenwoordiging én de raadpensionaris; hij mag alleen niet zelf aan wetgeving doen en hij moet advies inwinnen bij de Staatsraad, een nieuw in het leven geroepen bestuursorgaan. De Nederlanders hebben dus al kennis gemaakt met een autocratisch bestuur als Schimmelpenninck in 1806 op aandringen van Napoleon plaats moet maken voor zijn broer Lodewijk.7 Nog datzelfde jaar ligt er weer een nieuwe grondwet die nog autocratischer is dan de vorige: de ‘Constitutie voor het Koningrijk Holland’, onze eerste monarchale grondwet. Nu heeft de koning alle feitelijke macht, de Staatsraad mag niets ondernemen zonder zijn aanwezigheid. De grondwet biedt Lodewijk zelfs de mogelijkheid om in bepaalde omstandigheden buiten de volksvertegenwoordiging om te regeren.8

13 .


Bekwame bestuurders Gezien de continuïteit in het streven naar machtsconcentratie, eenmaking en modernisering verbaast het niet dat een aantal vooraanstaande bestuurders uit de Bataafse Tijd onder Lodewijk hun werk blijft doen. Een treffend voorbeeld is de radicale unitaris en later minister van Financiën Isaac Jan Alexander Gogel (1775–1821). Hij ontwierp een landelijk uniform belastingstelsel dat al onder Schimmelpenninck werd aangenomen en vervolgens onder Lodewijk Napoleon werd ingevoerd.9 Maar het zijn zeker niet alleen ex-revolutionairen, ook oud-Oranjegezinden zien de noodzaak van modernisering in. Eén van hen is de voormalige regent Adriaan Pieter Twent van Raaphorst (1745–;1816), eminent waterstaatkundige en vurig pleitbezorger van een nationaal waterstaatsbestuur. Onder Schimmelpenninck is hij lid van de wetgevende macht en van de coördinerende ‘Commissie van Superintendentie over den waterstaat’. Wanneer in 1808 de grote overstromingen in Zeeland Lodewijk Napoleon doen besluiten om één apart ministerie van Waterstaat op te richten, benoemt hij Twent tot eerste minister.10 En zo zijn er meer voorbeelden die tonen dat Lodewijk zijn adviseurs en ministers kiest om hun capaciteiten, of zij nu unitarist, federalist of orangist zijn geweest.11 Tegelijkertijd is de samenwerking van mensen met verschillende achtergrond een informele manier om op hoog niveau een ‘esprit national’ te kweken. Op een officiële, koninklijke manier doet Lodewijk dit met de instelling van een ridderorde, de Koninklijke Orde van de Unie, voor Nederland een noviteit. Het gaat hier niet zozeer om een onderscheiding voor uitzonderlijke prestaties, als wel om de vorming van een elite rondom de troon die het voortouw neemt bij het uitdragen van nationale eensgezindheid. Staatsvorming moet gepaard gaan met natievorming, zo weet ook Lodewijk Napoleon.12 Natievorming Dat de koning de vorming van een Nederlands nationaliteitsbesef serieus neemt, blijkt bijvoorbeeld uit de omzichtigheid waarmee hij de wet op het nationaal lager onderwijs implementeert. Het doel van deze eerste, onder Schimmelpenninck aangenomen Nederlandse schoolwet, is een uniforme schoolhervorming. Uit financiële overwegingen is er onderscheid gemaakt tussen (gratis) openbaar en bijzonder particulier onderwijs, maar beide staan onder toezicht van een landelijke schoolinspectie. De schoolwet kan Lodewijks goedkeuring wegdragen, hij is er alleen op tegen dat religie een plaats in het onderwijs blijft houden. Ook al zien de wetopstellers religie meer als een soort opvoeding tot verlichte deugdzaamheid, Lodewijk voorziet hier toch een splijtzwam in de samenleving, dus een bedreiging van de nationalisering. Daarom vaardigt hij in 1808 een aanvullende regel op de

14


Willem Bartel van der Kooi (1768–1836), Portret van Adriaen Pieter Twent (1745–1816), graaf van Rosenburg met het ereteken van de Koninklijke Orde van de Unie, olieverf op koper, 1809. Rijksmuseum, Amsterdam

schoolwet uit die predikanten en priesters het plaatselijk schooltoezicht verbiedt.13 Dit betekent overigens niet dat er aan de vrijheid van godsdienst wordt getornd. Dit grondrecht, toegekend in 1798, bleef in de grondwet van het Koninkrijk Holland bestaan; hetzelfde geldt voor het gelijkheidsbeginsel. Het gevolg is dat de voorheen bevoordeelde gereformeerde kerk haar voorrangspositie verliest. Daarmee kwam de overheid voor enorme financiële en organisatorische problemen te

15 .


staan. Ambtsdragers van alle gezindten – protestanten, katholieken, joden, doopsgezinden, lutheranen, remonstranten – hebben nu recht op een traktement van de overheid. Bovendien moeten zij allemaal over kerken kunnen beschikken. Lodewijk wil vaart maken, vooral ook omdat hij gelijkberechtiging van religies ziet als een middel tot nationale verzoening. In 1808 richt hij een apart ministerie van Eredienst op. Dat hij ondertussen op zijn reizen door het land eigenmachtig grote bedragen wegschenkt aan zowel protestanten als katholieken voor de bouw of renovatie van kerken zal hem bij de minister niet geliefd hebben gemaakt; wél bij de begunstigden.14 En dan tot slot de aanmoediging van ambachten, kunsten en wetenschappen, bij uitstek het middel om nationale trots te kweken. Lodewijk gaat ook hier voortvarend te werk: in 1806 richt hij bij Binnenlandse Zaken een Directoraat-generaal van Schone Kunsten op, in 1808 het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schone Kunsten.15 Het nationale museum dat sinds 1800 bestond wordt Koninklijk Museum, zoals bij Grijzenhout in dit boek beschreven. Schilders kunnen hier de werken van hun beroemde voorgangers bestuderen. Over de eigentijdse kunsten in het algemeen is Lodewijk niet erg enthousiast, die bieden weinig om internationaal mee uit te blinken.16 Er worden plannen gesmeed voor een Koninklijke Academie, maar de openbare tentoonstellingen zijn sneller gerealiseerd: in 1808 wordt voor het eerst zowel een tentoonstelling van nationale nijverheid als een van nationale kunst georganiseerd.17 De hoop is dat de wedijver het algemene peil doet stijgen zodat de Nederlandse nijverheid en kunst op den duur weer kan concurreren met het buitenland. Ondertussen kunnen de meest veelbelovende schilders en architecten alvast met een studiebeurs naar de academies in Parijs en Rome.18 Daar moeten zij zich de principes van de moderne, neoclassicistische kunst eigen maken, maar met behoud van de nationale identiteit. De schilders krijgen nadrukkelijk de opdracht mee om de ‘geest der Vlaamsche [=Nederlandse] School’ te behouden.19 Slot Met de komst van de monarchie verloren de Nederlanders het laatste restje van de democratie die zij in 1795 hadden verworven. Er kwam wel wat voor terug. Behalve de genoemde instituties bijvoorbeeld ook een uniform burgerlijk wetboek. Het ‘Wetboek Napoléon ingerigt voor het Koningrijk Holland’ is geen kopie van de ‘Code Napoléon’, zoals lang is gedacht. Lodewijk stond erop dat wetten waar nodig werden aangepast aan de Nederlandse zeden en gewoonten.20 Al met al mag gezegd worden dat de regering van Lodewijk Napoleon krachtige nieuwe impulsen heeft gegeven aan het staatsvormings- en moderniseringsproces van Nederland in de vroege negentiende eeuw.21 Veel van zijn hervormingen

16


hebben de tand des tijds doorstaan: Rijkswaterstaat, nationaal lager onderwijs, codificatie, Koninklijk Instituut, nationale tentoonstellingen, Prix de Rome. Heeft Lodewijk zich ook geliefd weten te maken bij zijn onderdanen? Wel bij degenen die zijn optreden bij rampen en werkbezoeken persoonlijk hebben meegemaakt. Maar een nationale koning …? De tragiek is natuurlijk dat zijn koninkrijk na vier jaar in 1810 werd ingelijfd bij Napoleons keizerrijk. Die periode van onderdrukking heeft pas echt het nationaal gevoel van de Nederlanders aangestoken. Dr. Eveline Koolhaas-Grosfeld onderzoeker, tekst & beeld editor op het gebied van kunst- en cultuurgeschiedenis

1 Reis door Holland, in het jaar 1806, Amsterdam 1807, p. 73. Dit reisboek, een editie van de Amsterdamse uitgever Evert Maaskamp, wordt uitvoerig besproken in Koolhaas-Grosfeld 2010, pp. 225–267. 2 Over de reacties in Nederland: Velema 2006, pp. 53–55; Joor 2000, pp. 488– 494. 3 Voor de herinnering aan Lodewijk Napoleon in de negentiende eeuw: Lok 2006. 4 N.C.F. van Sas, De metamorfose van Nederland, pp. 69–129 en 275–294 5 Zie: Het Koninkrijk Holland, ook verschenen als A. Jourdan (red.), Louis Bonaparte, Roi de Hollande, Parijs 2010; Hallebeek /Sirks 2006; Koolhaas-Grosfeld 2007; Van der Burg 2009; Lokin e.a. 2010. Recente populariserende literatuur: Rietbergen 2006; Meeuwse 2008; Tweehonderd jaar Koninkrijk Holland. Themanummer van Geschiedenis Magazine, 2006, nr. 3; Uitterhoeve 2010. 6 Jourdan 2006; Van der Burg 2009, pp. 57–58. 7 Rosendaal 2005, pp. 24–32; Van Sas 2004, pp. 293–302.

8 Van der Burg 2009, pp. 45–74; Dölle 2006; Roeleveld 2006. 9 Ydema 2006. 10 Beekelaar 2012; Van de Ven 2006. 11 Jourdan/Van den Burg 2005. 12 Sanders 2007. 13 Braster 2006; Van den Burg 2009, pp. 125–151. 14 Schoon 2006. 15 Brummel 1951; Mijnhardt 1997; Hoogenboom 1985; Van der Burg 2009, pp. 179–201. 16 Bergvelt 2007. 17 Over de academie-plannen: Reynaerts 2001, pp. 29– 60; over de nijverheidstentoonstellingen: Eliëns 2007; over de kunsttentoonstellingen: Hoogenboom 1985; Ouwerkerk 2003, pp. 21–36; Koolhaas-Grosfeld 2001. 18 Bergvelt 1984. 19 Hoogenboom 1985, p. 37. 20 Van der Burg 2009, pp. 97–125; Brandsma 2006. 21 Zie verder Jourdan 2006, pp. 143–146; De Haan/Van Zanten 2006; Van der Burg 2009, pp. 231–250.

17 .


18

Geleverd door Joseph Cuel (1763-1846), Fauteuil uit de salon der officieren, 1808 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang


Geleverd door Joseph Cuel (1763-1846), Fauteuil voor de salon van de kroonprins, 1809 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang

19 .


20

François-Honoré-Georges Jacob-Desmalter (1770-1841), Bergère uit de slaapkamer van de koning, 1805-1808 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang


Frans Grijzenhout

Ko ni ng va n het em pi r e Op 20 april1808 trok een lange stoet in plechtige optocht van Utrecht naar Amsterdam. Het middelpunt van de optocht werd gevormd door de staatsiekoets van Louis Bonaparte alias Lodewijk Napoleon, Koning van Holland. Aan het begin van de middag bereikte de stoet het tolhek van de stad aan de kant van het Diemermeer. Daar bood de burgemeester de koning de sleutels van de stad aan op een blauwfluwelen kussen met gouden franje. Vandaar trok de stoet, toegejuicht door duizenden nieuwsgierige Amsterdammers, langs diverse, speciaal voor de gelegenheid opgerichte erepoorten via de Middenweg de Plantage in, langs de hortus botanicus en de synagogen over de Blauwbrug, door de Amstelstraat naar de Botermarkt (het tegenwoordige Rembrandtplein), de Munt en ten slotte via de smalle Kalverstraat naar de Dam. Bewoners en winkeliers hadden de uitdrukkelijke opdracht die dag geen ‘kruiwagens, tafeltjes, kranen, koopmans en andere goederen, rijdtuigen’ etc. langs de route te plaatsen. Aangekomen op de Dam betrad de koning onder het bulderend geluid van 33 kanonschoten zijn paleis, tot op dat moment het trotse stadhuis van Amsterdam.1 Behalve 29 juli 1655, de dag van de ingebruikname van het nieuwe stadhuis van Amsterdam, is geen andere datum in de geschiedenis van het gebouw van zo grote symbolische en praktische betekenis geweest als 20 april 1808. Met de verandering van functie veranderde in alle denkbare opzichten de betekenis van het gebouw. Die verandering werkt door tot op de huidige dag, al hebben de ongelukkige koning Lodewijk en diens opvolger, zijn broer keizer Napoleon Bonaparte, het paleis en Nederland allang weer verlaten. Naar de hoofdstad Met de komst van Lodewijk Napoleon naar Amsterdam werd die stad de hoofdstad van het koninkrijk. Dat was een beslissende breuk met de politieke cultuur van de oude Republiek der Vereenigde Nederlanden: die bestond sinds haar totstandkoming in de late zestiende eeuw immers uit een federatie van zeven, in principe gelijkwaardige, provincies. Den Haag was in die constellatie het bestuurlijk centrum van het belangrijkste gewest Holland en de plaats van de bijeenkomsten van de Staten-Generaal van de Republiek. Na het ontstaan van de Bataafse Republiek in 1795 en de vorming van de nationale eenheidsstaat in 1798 werd Den Haag werkelijk het politieke centrum van het land. Daar

21 .


Ludwig Gottlieb Portman (1772–na 1828), De aankomst van Lodewijk Napoleon bij het Paleis op de Dam op 20 april 1808, aquatint, 1808. Stadsarchief Amsterdam

bevonden zich de Nationale Vergadering en de ministeries die na de Bataafse Revolutie waren gevormd. Maar het concept van een ‘hoofdstad’ paste net zo min bij de grondbeginselen van de oude Republiek als bij de revolutionaire beginselen van de Bataafse eenheidsstaat. Toen Lodewijk Napoleon in het jaar 1806 door zijn broer Napoleon Bonaparte als koning naar Holland werd gestuurd, besloot hij aanstonds dat hij zich met zijn hof en alle staatsinstellingen wilde vestigen in Amsterdam, omdat dat nu eenmaal de grootste en vanouds de rijkste stad van het land was.2 Misschien speelde daarbij ook een rol dat het Stadhouderlijk Kwartier aan het Haagse Binnenhof volstrekt ongeschikt bleek als koninklijk paleis. De koning moest in Den Haag residentie houden ‘in een paleis, zamengesteld uit een hoop zeer ouderwetsche en smakeloos gebouwde huizen’, die ‘een beleedigende tegenstelling’ opleverden met de prachtige woningen elders in de stad.3 De gebouwen aan de Utrechtse Drift die de koning in 1807 – als tussenstation in de richting van Amsterdam – tot paleis had laten inrichten, konden hem evenmin bekoren, ondanks de uitgebreide verbouwingen die daar hadden plaatsgevonden.4 En het contrast tussen de Franse verfijning en de Hollandse boersheid gaf telkens weer aanleiding tot hilariteit bij zijn hofhouding: ‘De ernstigste en het veinzen meest gewone hovelingen konden hunnen lach niet altijd bedwingen, wanneer zij

22


eenige van die goede en stevige Hollanders ontmoeteden, welke in het hofgewaad zulk eene verlegene houding hadden, dat men hen niet kon aanzien, zonder den schijn aan te nemen, van hen uit te lagchen’.5 Van de andere paleizen die de koning ter beschikking stonden, was hij het meest te spreken over het Loo en over huis Welgelegen bij Haarlem. Soestdijk daarentegen vonden de Fransen ‘eene eenvoudige en zeer nederige woning (…) niets is zeker minder lustig, dan een huis van tiggelsteenen, welks vertrekken zeer slecht zijn afgedeeld, en wiens omtrekken vrij treurig en modderig zijn’. Men stierf er bovendien van verveling.6 Nee, Amsterdam moest het worden. Van stadhuis tot paleis Den Haag was in formele zin nooit de hoofdstad geweest van de Republiek. Amsterdam op zijn beurt was beslist niet ingericht op een functie als koninklijke residentie en als politieke hoofdstad. Met zijn traditie van stedelijke autonomie en met de infrastructuur van een compacte, barokke handelsstad was Amsterdam niet erg geschikt voor de vestiging van een koninklijke hofhouding en een omvangrijk regeringsapparaat. Een aantal grotere complexen kon worden ingericht alsministerie. Het ministerie van Financiën werd gevestigd in het oude Sint Jorishof aan de Spinhuissteeg, het departement van Marine en Koloniën in het Oost-Indisch Huis. Het ministerie van Buitenlandse Zaken vond onderdak aan de tegenwoordige Spuistraat; de ministeries van ‘Openbaren Eeredienst’ (godsdienst), Oorlog, Justitie en Politie werden naast elkaar gevestigd aan de Oude Turfmarkt. Ook andere instellingen, zoals de Staatssecretarie, de Rekenkamer, het Gerechtshof, de directie van de Waterstaat en de Koninklijke Drukkerij vonden in de loop van 1808 hun plek in de stad. Helemaal zonder slag of stoot ging dat alles niet. Net als een half jaar eerder in Utrecht moest in Amsterdam een aantal panden worden onteigend en opgekocht, in totaal voor een bedrag van driehonderdduizend gulden. Ontroerend zijn de smeekbeden van sommige bewoners van het Oudezijds Huiszittenhuis, het Gasthuis, het Oudemannenhuis, het Sint Jorishof en de galerijen boven de beurs, die hun woon- of werkruimte moesten afstaan aan de koning en zijn ministers. Met lede ogen moest bijvoorbeeld Pieter de Wit, een van de bewoners van het Sint Jorishof, toezien hoe datgene wat hij ‘met zweed en zorg (…) bij een gebragt’ had, aan hem en zijn gezin werd ontnomen. Het kon niet anders of dit zou hun ‘leven verkorten’.7 Dergelijke smeekbeden mochten echter niet baten. Nog voortvarender dan bij de vestiging van de ministeries ging het er aan toe bij de herinrichting van het stadhuis tot Koninklijk Paleis. Na een pro-forma aanbieding van het gebouw door het stadsbestuur gaf de koning begin februari 1808 de eerste opdrachten tot

23 .


ontruiming van het stadhuis. In de daaropvolgende weken moest alles op alles worden gezet om ervoor te zorgen dat de koning op 20 april in elk geval een deel van het verbouwde en heringerichte paleis kon betrekken. Kosten (één miljoen gulden)8 noch moeite (als het moest werd er ’s nachts doorgewerkt) werden gespaard om het stadhuis om te toveren in een heus koninklijk paleis. Alle vertrekken ondergingen een metamorfose dankzij een kleurige en kostbare inrichting in de moderne empirestijl. Het stadsbestuur was intussen vertrokken naar het Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal.9 Dat stadsbestuur was het laatste in een serie besturen van steeds wisselende samenstelling, die de stad Amsterdam sinds de Bataafse Omwenteling van 19 januari 1795 had gekend. Hoewel de Bataafse Revolutie, na de zestiende-eeuwse Opstand, gerust een van de belangrijkste politieke gebeurtenissen in de Nederlandse geschiedenis genoemd mag worden, heeft zij verhoudingsgewijs weinig beroering teweeg gebracht in het Amsterdamse stedelijk bestuur. Het belangrijkste verschil met de situatie voor 1795 was dat de Raad der Gemeente het nu voor het zeggen had, waar de stedelijke vroedschap tot op dat moment bijzonder weinig feitelijke macht kon uitoefenen. Waren in de oude Republiek de burgemeesters de machtigste gezagsdragers, na 1795 werden zij de uitvoerders van de besluiten van de Raad. Dat was uiteraard een wezenlijke en ingrijpende verandering in de machtsverhoudingen. Ook in de personele samenstelling van het stedelijke politieke apparaat veranderde in 1795 het een en ander. Nieuwe burgers kwamen op het kussen en er kwam een einde aan een stadsbestuur dat in toenemende mate had berust op coöptatie binnen een beperkt aantal regentenfamilies. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat de Bataafse Omwenteling zeker in Amsterdam een fluwelen karakter had. Er is geen druppel bloed gevloeid. De homines novi van 1795 waren keurige juristen, kooplieden en ondernemers. Zo keurig, dat ze zich regelmatig moesten verweren tegen de verwijten van de leden van de revolutionaire clubs die hen ervan beschuldigden te slap op te treden tegen de aanhangers van het vroegere Oranjebewind. Behalve in de eveneens roerige patriottentijd (1780–1787) stonden in geen andere periode in de geschiedenis van het oude stadhuis zo vaak burgercomités en opgewonden leden van de revolutionaire clubs in het stadhuis als in de eerste jaren na de revolutie van 1795. Overigens had een en ander bijzonder weinig gevolgen voor de inrichting van het gebouw. Hoewel de namen van sommige bestuursinstellingen veranderden en de opschriften boven de deuren navenant werden aangepast, hoefde er aan de indeling van het oude stadhuis, dat nu Huis der Gemeente moest heten, niets te veranderen. En na 1802, toen de revolutionaire gemoederen intussen flink bedaard waren, was er van enige volksaandrang ook geen sprake meer.

24


Gerrit Lamberts (1776–1850), De afbraak van de Waag, pen en penseel op papier, 1808. Rijksmuseum, Amsterdam

Pro et contra De nieuwe, monarchale verhoudingen na 1806 lieten niet toe dat het stadsbestuur een smeekbede aan de koning zou kunnen richten om in het oude stadhuis te mogen blijven. Slechts Johan Valckenaer, een doorgewinterd Bataafs politicus die door de koning gevraagd was hem op onafhankelijke wijze te adviseren, durfde een tegengeluid te laten horen. Aanvankelijk, in de herfst van 1807, had hij aan de koning laten weten dat de stemming in de stad die van het sombere jaargetijde reflecteerde en dat de komst van de koning naar Amsterdam een positief effect zou kunnen hebben op het moreel van de burgers. Alleen al het zien uitladen van stoelen met daarop de koninklijke adelaar zou hen goeddoen, aldus Valckenaer.10 Maar toen Valckenaer dit schreef, was het besluit om het stadhuis tot koninklijk paleis te maken nog niet gevallen. In een na dat besluit, op 5 februari 1808 geschreven memorandum wees Valckenaer de koning er dringend op dat dit besluit alle Amsterdammers in het hart zou treffen. Om de koning te overtuigen somde hij ten slotte alle bouwkundige nadelen op: ‘Koude vertrekken, die ook vochtig, te groot en droefgeestig zijn en zonder enig gemak of comfort, zoals de

25 .


moderne bouwkunst zou weten te bieden voor het genoegen van een fraaie bewoning. Hoge gewelven, die door hun ouderdom ook nog eens ruimte laten aan alle tocht. Hoge en antieke schouwen en, vanwege de enorme dikte van de geheel in natuursteen opgetrokken muren, geen enkele mogelijkheid om daar goede van te maken volgens de moderne smaak. Geen enkele mogelijkheid tot afzondering en weinig gelegenheid tot vrij verkeer binnen het gebouw; het vrijstaande gebouw staat aan alle kanten bloot aan de nieuwsgierigheid en de indiscretie van alle leeglopers in de stad. Geen enkele mogelijkheid om binnen- of buiten te treden behalve in de open lucht en voor het gehoor en het gezicht van een ieder die zich op elk uur van de nacht of de dag ophoudt op het plein voor het stadhuis. De arcades op de begane grond zijn te smal voor de doorgang van uw koetsen, Sire; die zouden niet eens het begin van de grote trap kunnen bereiken. (…)’ En zo ging het nog enige tijd verder. Valckenaer raadde het de koning ten sterkste af voort te gaan op de ingeslagen weg, niet alleen vanwege allerlei praktische bezwaren, maar vooral omdat hij voorspelde dat de koning zich op deze wijze zou vervreemden van de bevolking van Amsterdam. Het zou voor iedereen veel beter zijn, zo meende Valckenaer, wanneer de koning een mooi nieuw paleis, in de moderne smaak, liet bouwen in de Plantage. Met een laatste verzoek om vergiffenis voor zijn vermetelheid sloot Valckenaer zijn moedige boodschap af.11 Het zou wel eens kunnen zijn, dat Valckenaers zo goed bedoelde advies een averechtse werking heeft gehad. Hij had er, ter versterking van zijn argumenten, nog op gewezen dat het Waaggebouw tegenover het stadhuis zorgde voor allerlei overlast die de koning zeker onwelgevallig zou zijn: de Dam lag meestal vol met kisten en vaten, er was altijd beweging en lawaai, de omringende smalle straten waren voortdurend verstopt door de lastsleeën die onderweg waren naar de Waag. Het laconieke antwoord van de koning volgde een dag later: ‘Ik wens dat het Waaggebouw tegenover het stadhuis van Amsterdam wordt afgebroken, opdat men er langs kan. Geef daartoe meteen de nodige orders’. En ondanks enig ambtelijk tegenspartelen en vertragen, werd ook dit besluit spoedig uitgevoerd. Andere critici durfden zich niet met naam en toenaam te laten horen. Valckenaer meldde op 15 februari 1808 aan de koning dat de bezoekers van de schouwburg een opvoering van de komedie ‘De molenaar van Sans-Souci’ hadden opgevat als een stille verwijzing naar het gedrag van de koning. In het toneelstuk ging het immers om Frederik de Grote van Pruisen die een molen wilde laten afbreken om een beter uitzicht te hebben vanuit zijn paleis Sans-Souci, maar die na heftig

26


verzet van de molenaar dat onzalige idee ten slotte liet varen. Elke toespeling op de kwestie van het stadhuis en de Waag werd door het publiek met luid applaus beloond.12 De dichter Helmers had al eerder, in 1806, onder de dekmantel van de antieke geschiedenis, zijn medeburgers beklaagd. In een ‘Fragment uit een onuitgegeven treurspel’, in 1806 gepubliceerd, had hij Holland impliciet vergeleken met Griekenland ten tijde van de verovering door de Romeinen in de tweede eeuw voor Christus, met als beroemde openingszin: ‘Het vonnis is geveld, ja Grieken, gij wordt slaven’. Nu, in 1808, durfde Helmers de publicatie niet aan van een drietal kritische gedichten die hij zojuist had geschreven op de toestand van het land, waaronder een ‘Uitboezeming, by gelegenheid dat Louis Napoleon Amsterdamsch Stadhuis tot zyn paleis verkoos’. De kernregels van dat gedicht luiden: ‘Ik zie uw kapitool den dwingland prijs gegeven: – Men zegt, gy boodt het aan, door Vorstenmin gedreven, Neen, hy ontwrong het U, ontroofde het U als buit, En schopte, o felle hoon, uw achtbren raad daaruit. Het achtste wonder, ’t blyk van onzer Vadren glorie; Door magt en wysheid sterk (getuig hiervan Historie) Beroemd door heel Euroop, dat blyk van vroeger magt Strekt slechts ten schande aan ons, verbasterd nageslacht, Een dwingland, Neerlands vloek, door zyne magt vermetel Gebiedt… en ’t Kapitool strekt den tyran tot zetel.’13 Dat was krasse taal en het was mooi gezegd. Maar het deed eigenlijk geen recht aan de goedbedoelde pogingen van de koning om zich zoveel mogelijk te verdiepen in, ja te vereenzelvigen met de Nederlandse geschiedenis en cultuur. Hij ging daarin zover dat hij zich al snel en steeds meer vervreemdde van zijn broer de keizer. In juli 1810 moest hij de kroon neerleggen en werd Holland ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Dat Amsterdam zich sindsdien na Parijs en Rome de derde stad van het Rijk mocht noemen, en uit dien hoofde in oktober 1811 de keizer en diens vrouw mocht ontvangen, was zeker niet zonder betekenis, maar al met al ook niet meer dan een schrale troost. Innerlijk en uiterlijk In 1808 onderging het oude stadhuis van Amsterdam een volledige gedaanteverwisseling. Bij die transformatie ging het om veel meer dan een architectonische ingreep of een herinrichting van de vertrekken met meubelen naar de laatste mode. Het wezen van het gebouw veranderde ingrijpend en blijvend. Valckenaer had gelijk gehad: het stadhuis was in zijn oorspronkelijke staat volkomen ongeschikt als paleis. Het was een publiek gebouw

27 .


dat makkelijk toegankelijk was voor de bevolking van de stad. Het was ook typisch een werkgebouw, waar dagelijks een grote hoeveelheid zaken werd afgehandeld. En de symboliek van het gebouw was geheel gericht op de representatie van de stad Amsterdam als machtige handelsmetropool in een burgerlijke republiek. In zo’n gebouw moesten de Franse architect Thibault en de Amsterdamse assistent-stadsarchitect Ziesenis een koninklijk paleis projecteren dat heel specifieke eisen stelde aan het gebruik, aan de interne ruimteverdeling en aan het aspect van representatie. En dat is hun wonderwel gelukt. Een koninklijk paleis volgens Napoleontische maatstaven was in principe opgebouwd rond drie kernen: een zogenaamd ‘groot staatsie-appartement’, een appartement van de koning en een appartement van de koningin.14 Gewoonlijk kende het groot staatsie-appartement een aantal representatieve ruimtes, waarvan de troonzaal zeker de belangrijkste was. Ook een concert- of balzaal en een ceremoniële eetzaal maakten daarvan deel uit. De appartementen van de koning en koningin waren weer onderverdeeld in een staatsie-appartement en een zogenaamd binnenappartement. In de staatsie-appartementen bevonden zich onder andere een salon van de koning respectievelijk van de koningin en een eetzaal voor elk van hen. Het binnenappartement, zowel van de koning als van de koningin, bevatte in elk geval een slaapkamer, een kleedkamer en een bibliotheek. De koning had in het binnenappartement ook nog de beschikking over een werkkamer en een kamer voor kaarten en plattegronden. Thibault en Ziesenis zijn erin geslaagd de belangrijkste van deze ruimten in onderlinge samenhang onder te brengen op de eerste verdieping van het paleis.15 Om een grote, representatieve eetzaal en de nodige voor- en wachtruimten te creëren, werden de grote galerijen rondom de beide binnenhoven opgedeeld met tussenwanden. De voormalige Burgerzaal in het hart van het gebouw werd omgevormd tot de door veel bezoekers zo geroemde grote ontvangst- of feestzaal. De troonzaal en de overige grote staatsievertrekken bevonden zich aan de westzijde van het paleis. Het staatsie-appartement en het binnenappartement van de koning waren gesitueerd aan de zonniger oostkant met uitzicht op de Dam. Voor de kroonprins werd in 1809 ruimte gecreëerd aan de zuidzijde, grenzend aan het binnenappartement van de koning. Koningin Hortense de Beauharnais, die in totaal niet meer dan vier weken (in 1810) in het paleis zou doorbrengen, moest het stellen met een appartement aan de donkere noordwestzijde van het gebouw. Zij zou zich nog jaren later beklagen over de donkere kamers, de stank die uit het water van de Nieuwezijds Voorburgwal optrok en de deprimerende decoratie met doodshoofden die zij zich van het paleis herinnerde. Maar haar relatie met de koning was dan ook zeer slecht en van Nederland heeft zij nooit kunnen houden.16

28


Titelpagina van Etiquette du Palais Royal, 1808. Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau, ‘s-Gravenhage

Los van de meer of minder representatieve ruimten moest een paleis ook plaats bieden aan de talrijke leden van de hofhouding. Al met al telde de hofhouding van de koning enige honderden leden, van wie een deel daadwerkelijk in het paleis woonde. Zij vonden plaats op de begane grond, de tweede en de derde verdieping. Voor de pages en voor enige belangrijke functionarissen werd elders in de stad onderdak geregeld. Zo’n hofhouding was natuurlijk een kostbare zaak. Aanvankelijk ging er jaarlijks ongeveer 4 miljoen gulden in om. In 1810 was dat bedrag na een aantal forse bezuinigingsrondes terug gebracht tot ongeveer 2,3 miljoen gulden.17 Het hof was georganiseerd langs vier lijnen.18 De grootmaarschalk was belast met het militair bevel in de paleizen. Vanuit die functie regelde hij ook alle personenverkeer met de koning. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor de ‘dienst van de mondbehoeften, de tafels, de brand, het licht, het zilverwerk, het linnengoed en de liverei’. De grootkamerheer hield toezicht op alle ceremonies en het protocol aan het hof. De opperstalmeester droeg verantwoordelijkheid voor alles wat te maken had met koetsen, paarden, pages en knechten en de opperjagermeester regelde het voor vorsten zo belangrijke jachtgebeuren. Daarnaast behoorden enkele andere officieren tot het Huis die niet onder een grootofficier vielen. Van hen voerde de intendant-generaal het bestuur over de koninklijke domeinen en over de ‘meubelen, werken en herstellingen en onderhoud der gebouwen’. Elk paleis had voorts een eigen intendant ‘belast met de bewaring der meubelen, het opzicht der gebouwen en tuinen, alsook met derzelver verfraaijing en herstelling’. De toegangsrechten tot de verschillende gedeelten van het paleis waren strikt hiërarchisch, van vertrek tot vertrek en van functionaris tot functionaris minutieus geregeld. Van alle hoge functionarissen mochten de grootmaarschalk en de grootkamerheer het dichtst bij de koning komen. De grootkamerheer was aanwezig bij het kleden van de koning en kleedde de koning bij grotere ceremoniële gelegenheden zelf: hij hing hem de mantel om, bracht de ordetekens aan en reikte de

29 .


koning degen, hoed en handschoenen aan. De grootmaarschalk stond altijd zo dicht bij de koning dat hij diens orders rechtstreeks kon ontvangen; hij begeleidde de koning bij ceremoniÍle maaltijden van en naar de tafel en bood hem te drinken aan. Grootkamerheer en grootmaarschalk hadden verregaande toegangsrechten in alle delen van het paleis. Aan het andere eind van het spectrum stonden bijvoorbeeld de schoonmakers die dagelijks onder toezicht van de kamerheren het slaapvertrek van de koning in orde moesten brengen, maar die daar slechts via de achtergangen mochten binnenkomen en nooit door het staatsiegedeelte van het appartement mochten gaan. De overgang van binnenappartement naar staatsie-appartement speelde een symbolische rol bij het dagelijkse lever van de koning. Ongeveer een uur na zijn ontwaken en aankleden trad hij uit het binnenappartement in het staatsie-appartement. In het staatsie-appartement van de koning vond overleg plaats met ministers en andere hoge functionarissen, werden particuliere audiÍnties gehouden, werden allerlei personen aan de koning voorgesteld, werden maaltijden van een gewoon ceremonieel niveau gehouden en vonden ’s avonds de zogenaamde cirkels of speelavonden en kleinere concerten en bals plaats. Bij het zogenaamde coucher aan het eind van de middag trok de koning zich weer in het binnenappartement terug. Daar kon hij in stilte werken (de etiquette schreef uitdrukkelijk voor dat de kamerheer altijd zachtjes moest kloppen en bij geen gehoor een kwartier moest wachten voordat hij het opnieuw probeerde) of lezen. De bibliotheek van het paleis was goed voorzien: tegenover een betrekkelijk gering aantal boeken van theologische en moraalfilosofische aard stonden omvangrijke secties met betrekking tot militaire zaken, kunsten en wetenschappen, de geschiedenis van de ouden, van Frankrijk en Nederland, reisliteratuur en romans. In het zogenaamd groot staatsie-appartement vonden de grote, openbare ceremonies plaats. De belangrijkste ruimte daarvan was de troonzaal, zeer weelderig gedecoreerd in fluweel en rood satijn met classicistische decoraties in gouddraad, met de troon en twee armstoelen voor de koningin en kroonprins op een goudkleurige verhoging waarop een tapijt in groen laken was gelegd.19 In de troonzaal ontving de koning, zittend op de troon, de grote staatsinstellingen zoals de staatsraad, het wetgevend lichaam en het hooggerechtshof. Ook werden hier de leden van de door Lodewijk Napoleon ingestelde Koninklijke Orde van de Unie ingewijd. In de meest representatieve vertrekken van het paleis waren bustes van de koning in marmer en pleister en geschilderde portretten van de koningin en de kroonprins te zien. De grote eetzaal en de feestzaal in het groot staatsie-appartement werden gebruikt voor plechtige maaltijden, feesten en bals. De koning beschikte over zeer uitgebreide porseleinen serviezen, uiterst luxueus

30


zilver- en glaswerk en kon putten uit een wijnvoorraad met duizenden flessen. Aan het hof waren een directeur de la musique, een maître de ballet, twee zangeressen en een dozijn musici, onder wie de beroemde fluitist Drouet, verbonden. Dat was overigens bescheiden vergeleken bij de uitgebreide voorzieningen voor de hofkapel: drie aalmoezeniers, drie kapelaans, een prediker, acht hulpkapelaans, een sacristijn, een organist, een koster, vier zangers en vier koorknapen. De muziekbibliotheek van het paleis bevatte opera’s van onder anderen Gluck, Salieri, Spontini, missen van Mozart en Haydn, strijkkwartetten van Haydn en ouvertures van Paisiello, Cherubini, Cimarosa en Mozart (Die Zauberflöte).20 Het grootste feest dat in deze jaren in het Amsterdamse Paleis is gehouden, was zeker de viering van het eenjarig bestaan van de Orde van de Unie op 25 april 1808, enige dagen na de ingebruikname van het paleis. De koning maakte indruk door bij die gelegenheid een korte toespraak te houden in het Nederlands.21 Voorts werd een Franstali­ ge cantate opgevoerd, vermoedelijk gecomponeerd door de directeur de la musique, Plantade, waarin Neptunus, Apollo en Mars elkaar de eer betwisten wie van de belangrijkste Nederlanders zij beschermden. Waren dat niet Snellius, De Ruyter, Tromp en Piet Heijn, vraagt Neptunus, god van de zee, uitda­gend. Daar brengt Mars als oorlogsgod Van Coehoorn, Brederode en Douza tegenin, waarop Apollo als god van de kunsten de roem van Vondel, Poot, Erasmus en Grotius opeist, evenals die van de onsterflijke Boerhaave en Coster. Oppergod Jupiter, stellig bedoeld als mythologische verbeelding van de koning, maant zijn ondergeschikten tot een­dracht, waarop de ridders van de Orde ten slotte de koning toezingen.22 Daarmee gaf de koning aan Amsterdam en aan het koninkrijk zijn cultuurpolitieke programma mee: een autocratische monarchie in een classicistisch decor met als doelstelling de herleving van de Nederlandse roem en welvaart. Het oude stadhuis veranderde in 1808 in koninklijk paleis. Van een plek waar de burger zijn medeburger ontmoette en zijn relatie met de stad regelde, verkeerde het in een toneel van koninklijke representatie. Van een openbaar, voor iedereen toegankelijk geheel, werd het een gebouw met een scherpe bewaking van buiten en een strikte gereglementeerde personenstroom van binnen. In plaats van insluiting van de burgerij als geheel was nu eerder sprake van uitsluiting; slechts een kleine, geprivilegieerde groep had in principe nog toegang tot het gebouw. Was het stadhuis primair gericht op functionele administratie, in het paleis ging het veel meer om rituele representatie. De bouw van het balkon aan de voorgevel in 1808 symboliseert het moment van de afstandelijke voorstelling van de monarchie, net zoals de transformatie van Burgerzaal naar Balzaal als een treffende samenvatting van de functieverandering en de overgang van republikeinse naar monarchale representatie kan worden opgevat. Hoe schitterend en belangrijk

31 .


de inrichting met empiremeubelen naar de laatste mode ook was, met enige overdrijving kan gezegd worden dat het gebouw op 20 april 1808 veranderde van een interieur in een exterieur. Museum Eén gedeelte van het paleis was in principe wel openbaar, namelijk het Koninklijk Museum.23 Dit museum was gevestigd in een aantal zalen op de tweede hoofdverdieping aan de achterkant van het paleis, bereikbaar via de ingang aan de kant van de Nieuwezijds Voorburgwal. In het museum waren enige honderden kunstwerken samengebracht, voor het grootste deel afkomstig van de voormalige Nationale Konstgallerij, die sinds 1800 in Den Haag was gevestigd. Het Koninklijk Museum in het paleis werd op 15 september 1808 geopend, gelijk met de eerste ‘tentoonstelling van levende mees­ters’. De collectie van het museum bestond – geheel in overeenstemming met de cultuurpolitiek van de koning – voor het grootste gedeelte uit schilderijen die betrekking hadden op de vaderlandse geschiedenis. Daar hoorden ook enige belangrijke schilderijen bij die tot 1808 hadden behoord tot het stedelijk kunstbezit, zoals Rem­brandts Nacht­wacht en de Schutters­maaltijd ter viering van de Vrede van Munster van Bartholomeus van der Helst. Daarnaast waren in het museum schilderijen te zien met een bijbels of klassiek onderwerp en een gestaag groeiende groep schilderijen die een compleet beeld moesten geven van de Hollandse schilderschool. Het museum heeft er niet heel lang gezeten. In 1817 verhuisden de verzamelingen naar het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal, van waaruit ze in 1885 werden overgebracht naar het nieuwe gebouw van het Rijksmuseum. De museale functie van het paleis ging voor een deel terug op de ‘kunstkamer’ die al in de achttiende eeuw in het stadhuis gevestigd was. Daar konden kunstenaars prenten en marmeren en gipsen kopieën van klassieke kunstwerken bestuderen en natekenen. En in de rariteitkamer van het stadhuis waren allerlei ‘oudheden’ opgesteld die herinneringen opriepen aan de door de Bataafse revolutionairen afgeschafte gilden en het in 1795 verdwenen stedelijk bestuur. Het nieuwe Koninklijk Museum was daarentegen vooral een instrument van de nieuwe koninklijke representatie, ondanks het feit dat het museum in formele zin geen deel uitmaakte van het paleis en de kosten ervan voor het grootste deel ook niet door de koning zelf werden gedragen. De opname van oud Oranjebezit, van oud stedelijk kunstbezit en van belangrijke voormalige privé-verzamelingen van kunst uit de Hollandse school geeft ook aan dat het paleis drager was geworden van datgene wat men in Frankrijk, na de Franse revolutie, was gaan beschouwen als het ‘patrimonium’ van de natie: de kunstvoorwerpen die hadden toebehoord en betekenis hadden gegeven aan de voormalige machthebbers, die nu hun functie hadden verloren en als

32


een gemeenschappelijke erfdeel aan de natie waren toegevallen.24 Met het verdwijnen van de oorspronkelijke functie van het stadhuis in 1808 werd het hele gebouw in zekere zin tot erfgoed, net zoals de schilderijen van Rembrandt, Van der Helst en anderen die als erfgoed in het Koninklijk Museum werden opgenomen. Het bed van Napoleon Het zou, achteraf gezien, heel wel denkbaar zijn geweest dat het paleis op de Dam na het vertrek van de Fransen zijn oude functie zou hebben herkregen. Maar de geschiedenis heeft een andere loop genomen. Nederland wilde in 1813 om allerlei redenen niet terugkeren naar het republikeinse model van vóór 1806. En de inhuldiging van het staatshoofd dient volgens de Grondwet van het Koninkrijk in de hoofdstad Amsterdam plaats te vinden; in de praktijk gebeurt dit sinds 1814 in de naast het paleis gelegen Nieuwe Kerk. Het Koninklijk Paleis heeft daarmee de naam en functie behouden die daar ten tijde van Lodewijk Napoleon als eerste aan gegeven zijn. De historicus Colenbrander heeft eens geschreven dat koning Willem I zich de raad kon aantrekken die Joseph Fouché na Waterloo zou hebben gegeven aan de Bourbons, namelijk om zich te ruste te leggen in het bed van Napoleon (‘se coucher dans le lit de Napoléon’).25 Daarmee bedoelde Colenbrander natuurlijk in overdrachtelijke zin dat de nieuwe monarchie van 1813 kon voortbouwen op en gebruik maken van de staatkundige structuren die in de Bataafs-Franse tijd in Nederland tot stand waren gekomen. Die observatie is tot op bepaalde hoogte zeker juist, zoals elders in deze publicatie zal blijken. Of de prins van Oranje ooit ook letterlijk in een van de bedden heeft geslapen die Lodewijk Napoleon voor zijn nieuwe paleis in Amsterdam had besteld, weten we niet; wel is zeker dat de troon van Lodewijk Napoleon zelfs na de inhuldiging van Willem I als souverein nog enige tijd in de troonzaal van het paleis te zien was.26 Hoe dan ook kunnen we vaststellen dat Lodewijk Napoleon, ondanks de klaagzangen van Helmers en anderen destijds, erin geslaagd is het stadhuis met zijn nieuwe bestemming en de radicale herinrichting in empirestijl een tweede leven te geven. Ook nu er steeds meer wetenschappelijke belangstelling is gekomen voor het oorspronkelijke republikeinse decoratieprogramma van het stadhuis en dit programma weer in volle glorie hersteld en geïntegreerd is in het decor van het paleis, blijft de inrichting van de representatieve vertrekken op de hoofdverdieping met het empiremeubilair van Lodewijk Napoleon volkomen overtuigen. Het is deze bijzondere mengeling van een zeventiende-eeuws republikeins decoratieprogramma met een vroeg-negentiende-eeuwse empiremeubilering die het Koninklijk Paleis op de Dam zijn eigen karakter geeft. In het belangrijkste monument van het

33 .


Hollandse republikanisme kon Lodewijk Napoleon de koning van het empire worden. Prof. dr. Frans Grijzenhout Hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Nieuwere Tijd aan de Universiteit van Amsterdam

Het volgende is een bewerking van de tekst die eerder onder de titel ‘Paleis van Bonaparte’ is gepubliceerd in: Goossens 2005, pp. 62– 91. 1 Het verheugd hoofdstad Amsterdam bij de blijde inkomst van Zijne Majesteit Lodewijk Napoleon, Koning van Holland, op den XX april des jaars MDCCCVIII, Amsterdam, 1808. 2 Over Lodewijk Napoleon o.a.: Bonaparte 1820; Rocquain 1875; Cat. tent.; Zaal 1983; Amelunxen 1989; De Negentiende Eeuw 30 (2006) nrs. 3– 4. 3 Garnier 1823, pp. 10–15. 4 Evers 1941. 5 Garnier 1823, p. 107. 6 Ibid., p. 166. 7 Pieter de Wit aan de koning, 29 juni 1808. SA, 5053, Nieuw Stedelijk Bestuur, inv.nr. 905. 8 AN, Archives du cabinet de Louis Bonaparte, Roi de Hollande (1806–1810), AF IV 1788, nr. 128. 9 Voor een algemeen overzicht van de situatie van het paleis in de jaren 1808–1813: Emeis1981. 10 Johan Valckenaer aan de koning, 23 november 1807, AN, AF IV 1820, nr. 40. [vertaling FG] 11 Valckenaer aan de koning, 5 februari 1808, UB Leiden, Collectie Valckenaer. [vertaling FG] De originele Franse tekst bij Brugmans 1913, pp. 19–21. Zie ook Zaal 1983, pp. 83–84. 12 Valckenaer aan de koning, 15 februari 1808, afgedrukt bij Brugmans 1913, p. 41. 13 Van Hattum 1988, het citaat op pp. 15–16. 14 Voor het volgende: Etiquette 1808; het manuscript in AN, AF IV 1788, nr. 4. De meeste stukken met betrekking tot de hofhouding van Lodewijk Napoleon zijn bewaard in Parijs. Een klein deel is aanwezig in het Koninklijk Huisarchief: Fragmentarchieven van het Civiele Huis van Lodewijk Napoleon, koning van Holland. Voor de verbouwing van het paleis in 1808 in relatie tot de hofetiquette zie ook:

34

Vlaardingerbroek 2011, pp. 175–203, m.n. pp. 176–181. 15 Voor het volgende: Lunsingh Scheurleer 1953, pp. 242–260 en Lunsingh Scheurleer 1955, pp. 25–38; Fleurbaay 1983; Huisken, 1996. Voor al deze publicaties zijn de Archieven van de Thesaurier en de Intendant tijdens het Keizerrijk in het Koninklijk Huisarchief, Den Haag, onder andere met gedetailleerde overzichten van de aankopen ten behoeve van de inrichting van het paleis in 1808 van onschatbare betekenis. Zie ook NA, 2.01.25, Ministerie van Financiën 1795–1813, Kroondomein en de Hofhouding van koning Lodewijk Napoleon en de Franse keizer, 1806–1813, 2.01.25, m.n. de nrs. 21, 54, 100, 384. 16 Hanoteau 1927–1930, pp. 75–87. De figuur van Hortense de Beauharnais heeft vele schrijvers maar vooral ook schrijfsters aangetrokken: Wright 1961; De la Croix 1984; Wagener 1992; Cat. tent. 1993; Dufresne 2000. 17 AN, AF IV 1720, nr. 13 ; AF IV 1788, nrs. 117, 121, 146–147; AN, Maison de l’Empereur, O2 1792, nrs. 326–341. 18 Voor het volgende: zie de in noot 15 genoemde bronnen en literatuur. 19 AN, O2 668. 20 AN, O2 1094/73 21 AN, AF IV 1819, nr. 150. 22 AN, AF IV 1819, nr. 37. 23 Voor het volgende uitgebreider: Grijzenhout 1999. 24 Grijzenhout, ‘Inleiding’, in: Grijzenhout 2007, pp. 7– 9. 25 Colenbrander 1903, pp. 720–781, aldaar p. 762. Ook: Colenbrander 1919, pp. 48– 92, aldaar p. 75. Zie ook: Lok 2009, hoofdstuk 3: ‘Het bed van Napoleon’, pp. 75–116. 26 Vlaardingerbroek 2011, p. 205.


Carel Breytspraak (1769-1810), Boekenkast voor de bibliotheek van de koning, 1809 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang

35 .


36

Eduard Muller (1760-1830), Tafel voor de salon van de koningin, 1808 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang


Geleverd door Joseph Cuel (1763-1846), Secretaire uit het boudoir van koningin Hortense, 1809 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang

37 .


38

De troonzaal in het paleis te Fontainebleau. Réunion des Musées Nationaux-GP, Parijs. Foto Gérard Blot


Bernard Chevallier

De em pi restijl e n de i nri ch ting va n pa l e i zen i n Fra nkrijk en Nederland Bestaat de empirestijl wel? Het is een uniek voorbeeld in de kunstgeschiedenis van een stijlperiode die niet naar een vorst is genoemd; niemand heeft het immers over een Napoleon I-stijl, terwijl achter de benaming ‘empirestijl’ toch voortdurend het beeld van de keizer opdoemt. De empirestijl is feitelijk een onderdeel van de neoklassieke stroming die zich in heel Europa ontwikkelt vanaf de herontdekking van de Oudheid in de jaren 1765–1770 tot de terugkeer naar het historicisme, waarmee rond 1830–1835 een radicale breuk met de voorafgaande periode wordt ingeluid. In die neoklassieke stroming zijn twee afzonderlijke periodes te onderscheiden, elk met een eigen specifieke stijl. De eerste periode zet na de roerige jaren van de Revolutie de archeologisch geïnspireerde Lodewijk XVI-stijl van het einde van de jaren 1780 voort, met de voor die stijl kenmerkende finesse, fantasie en charme. De tweede periode die aanmerkelijk imposanter, statiger en overdadiger is, komt vanaf 1808 op en eindigt in Frankrijk tegen 1835, tijdens de regering van koning Lodewijk Filips (1830–1845), al zet ze zich elders in Europa, in Rusland en in de Verenigde Staten nog even voort. In reactie op de krullerige vormen van wat doorgaans de Lodewijk XV-stijl wordt genoemd zien in de jaren 1760 nieuwe esthetische criteria het licht die verband houden met de hernieuwde belangstelling voor de Oudheid. Bron voor deze ‘Griekse’ of ‘Etruskische’ stijl zijn de publicaties omtrent de opgravingen in Herculaneum (1719) en later ook Pompeï (1750) en de informatie die beschikbaar kwam over de monumenten in Griekenland en op Sicilië. Samen met een aantal Egyptische motieven (vooral gepopulariseerd door het werk van Piranesi) vormt dit Grieks-Romeins erfgoed de basis voor de archeologische stijl die aan de vooravond van de Revolutie zo populair was en waarop koningin Marie-Antoinette zozeer gesteld was. Vanaf het einde van de jaren 1780 komen we bij kunstenaars al motieven tegen die een kwart eeuw later het vocabulaire van het empiretijdperk zullen vormen, zoals sfinxen, palmetten, rozetten, klauwen en leeuwenkoppen. Die sterk door de archeologie beïnvloede esthetiek vormt ook de voedingsbodem voor de jonge architecten Charles Percier (1764–1838) en Pierre-FrançoisLeonard Fontaine (1762–1853) wanneer zij tussen 1785 en 1790 in

39 .


40

De troon van de keizer in het Palais des Tuileries in Parijs, in: Charles Percier, Recueil de décorations intérieures, Parijs, 1812, nr. 48. Koninklijke Bibliotheek, ‘s-Gravenhage


Rome de inventaris opmaken van de plaatselijke antieke en moderne monumenten. De talrijke tekeningen waarmee ze terugkeren, verwerken ze in werken als Palais, maisons et autres édifices modernes dessinés à Rome dat in 1798 verschijnt en, vooral, in hun Recueil de décorations intérieures, waarvan de eerste druk dateert uit 1801. Deze prenten, die in heel Europa worden verspreid, zullen tal van ambachtslieden inspireren en de motieven ervan staan model voor de lieren, palmetten, bliksemstralen, gevleugelde sfinxen, bloemmotieven, overwinningsattributen, griffioenen en toortsen die meer dan twintig jaar lang het vocabulaire van de decoratieve kunsten zullen beheersen. Deze twee kunstenaars waren voor het empire wat Charles Lebrun was voor de regeerperiode van Lodewijk XIV – hun invloed is vergelijkbaar met die van deze schilder, die vooral als leider van het decoratieprogramma voor Versailles zijn stempel op de kunsten van zijn tijd heeft gedrukt. Ze wisten concreet invulling te geven aan de ideeën omtrent kunst van Napoleon, die, zoals hij Vivant Denon, directeur van zijn musea, ooit toevertrouwde, vooral op grandeur berustten. Mooi is wat allure heeft, was de opvatting van de keizer. Eigenlijk was het deze neoclassicistische, sterk door de antieke cultuur beïnvloede generatie er enkel om te doen Rome te overtreffen. De keizer zelf verklaarde in 1808: ‘Mijn wens is het dat de Franse kunstenaars de roem van Athene en Italië doen vergeten’.1 Het hoge productieniveau uit het empiretijdperk toont aan dat noch de kwaliteit noch het raffinement van de toegepaste technieken had geleden onder het verdwijnen van de gilden ten tijde van de Revolutie en dat de tentoonstellingen van nijverheidsproducten die de regering regelmatig organiseerde tot het beoogde doel hadden geleid: industriële productie in de decoratieve kunsten. De keizer zal er zijn voordeel mee weten te doen wanneer in een tijdsbestek van nauwelijks veertien jaar alle residenties waaruit tijdens de Revolutie het meubilair verdwenen is, opnieuw van meubelen moeten worden voorzien. Hij laat zelfs optekenen dat ‘bij ieder plan tot verfraaiing van een paleis bedacht moet worden in hoeverre de kunsten en manufacturen er baat bij hebben; dat gebeurt thans hoegenaamd niet’. Als Eerste Consul beschikt Napoleon in eerste instantie enkel over het Palais des Tuileries, dat tussen december 1799 en februari 1800 in allerijl gemeubileerd wordt, hoofdzakelijk met wat rest na de ineenstorting van het ancien régime, aangevuld met enkele leveringen. Al snel moet een tandje bijgezet worden wanneer het paleis van SaintCloud, dat hij in het najaar van 1802 betrekt, van meubels moet worden voorzien. Veel hergebruik, enkele luxe bestellingen – het is allemaal net genoeg, maar van een residentie van een soeverein is nog geen sprake. Bij de grondwet van het jaar XII (18 mei 1804), waarmee het Keizerrijk een feit wordt, vermeldt de Civiele Lijst een Domaine de la Couronne dat alle voormalige residenties van Lodewijk XVI omvat, dat wil zeggen, naast de Tuileries en Saint-Cloud ook de kastelen van

41 .


42

Badkamer van de keizer in het paleis te Fontainebleau. Réunion des Musées Nationaux-GP, Parijs. Foto Jean-Pierre Lagiewski

Versailles, het Trianon, het Louvre, Meudon, Rambouillet, Compiègne en Fontainebleau. Vermeld wordt verder dat gelet op de bezoeken van de keizer aan zijn departementen ‘verspreid over het hele rijk keizerlijke paleizen gerealiseerd moeten worden’.2 Zo verwerft hij paleizen in Straatsburg, Bordeaux, Marrac bij Bayonne en Laken, aan de rand van Brussel. In het buitenland betrekt Napoleon paleizen in Mainz, dat op dat moment onder Franse heerschappij staat, in de Piemonte (Turijn en Stupinigi) en in Toscane (het Palazzo Pitti in Florence). Aangezien hij behalve keizer van Frankrijk ook koning van Italië is, beschikt hij verder over het Koninklijk Paleis in Milaan en laat hij ook een paleis in Venetië inrichten, waarvan hij de voltooiing echter niet meer zal meemaken. Met de annexatie van de pauselijke staten wordt Rome na Parijs de tweede hoofdstad van het Keizerrijk; het Palazzo del Quirinale, voorheen het zomerverblijf van de paus, ondergaat een transformatie tot Keizerlijk paleis en krijgt de naam Monte-Cavallo. De werken voor de binnendecoratie zijn in 1813 voltooid, maar door de val van het Franse Keizerrijk blijft de meubilering onvoltooid. Aanvankelijk worden de verblijven haastig ingericht, maar vanaf 1805–1806 begint dat te veranderen. De eerste echt specifieke bestellingen betreffen de inrichting van een troonzaal in de Tuileries en in Saint-Cloud; vervolgens komt de periode waarin de keizer het kasteel van Laken laat meubileren en voor zijn moeder een deel van het Grand Trianon laat inrichten, terwijl zijn zus Pauline het Petit Trianon betrekt. De belangrijkste leverancier tijdens het empire is de firma Jacob-Desmalter, die tussen 1803 en 1813 meubelen produceert. Alleen al voor het paleis in Fontainebleau levert ze 217 bedden, 58 consoles, 87 secretaires, 106 bureaus en 577 stoelen. Meubelmakers, bronswerkers, zijdefabrikanten, tapissiers, porseleinfabrikanten – allemaal worden ze ingeschakeld om dit formidabele programma te realiseren. Napoleon wenst een luxueus hof waarvan de manier van leven excessieve uitgaven met zich meebrengt, die ten goede komen aan de luxegoederenindustrie en de kunsten. De vormen en het decoratief


vocabulaire ondergaan grote veranderingen. Ze worden zwaarder en massiever in vergelijking met de voorafgaande periode. Rechte kapregels krijgen de voorkeur boven omrullende rugstijlen; de taps toelopende voet maakt plaats voor een voet met dubbele baluster; de rechte armleuning krijgt een gebogen vorm; de gondelstoel met gewelfde holle rug wint aan populariteit; de ruimte wordt steeds meer opgevuld met decoratieve motieven, alsof zich een horror vacui ontwikkelt; en mahoniehout wordt – niet alleen vanwege het importverbod van het continentaal stelsel – vervangen door verguld hout dat in palmetten, bloemen en rozetten uitgesneden wordt. Rond de jaren 1808 zien we dus onmiskenbaar een nieuwe stijl met massievere vormen opkomen waarin bloemmotieven een steeds belangrijkere plaats innemen en waarin het decoratief houtsnijwerk allengs zwaarder wordt. Dat is ook het moment waarop de keizer het gebruik van inheems hout verplicht stelt. Het betekent de doorbraak van plataan-, iepen-, taxus- en essenhout in het meubelwerk – houtsoorten die met hun heldere tinten vooruitlopen op de zogeheten Karel X-stijl, vernoemd naar de laatste Franse koning uit het geslacht van de Bourbons, die regeerde van 1824 tot 1830. De etiquette van het keizerlijk paleis bepaalt tot in de kleinste details de inrichting van de verschillende appartementen van het keizerlijk paar, en alle verblijven worden zo veel mogelijk ingericht naar het model van de Tuileries, dat in onderstaand citaat nauwkeurig omschreven wordt: ‘Het keizerlijk paleis van de Tuileries is verdeeld in een groot staatsie-appartement, een privé-appartement van de Keizer en een privé-appartement van de keizerin. Het groot staatsie-appartement bestaat uit een concertzaal, een eerste salon, een tweede salon, een troonzaal, de salon van de keizer en een galerij.3 Het privé-appartement van de keizer omvat een staatsie-appartement en een binnenappartement. Het staatsieappartement bestaat uit een Salle des Gardes, een eerste salon en een tweede salon, het binnenappartement uit een slaapkamer, een werkkamer, een achterkabinet en een topografisch kabinet.4 Het privé-appartement van de keizerin is eveneens verdeeld in een staatsie-appartement en een binnenappartement. Het staatsie-appartement bestaat uit een antichambre, een eerste salon, een tweede salon, de salon van de keizerin, een eetzaal en een concertzaal. Het binnenappartement omvat de slaapkamer, de bibliotheek, het cabinet de toilette, het boudoir, de badkamer en een achterkabinet.’5

43 .


Nog nauwkeuriger zijn de voorschriften omtrent het ameublement van de diverse appartementen zoals die zijn te vinden in het Règlement pour l’ameublement des palais impériaux établi le 6 thermidor an XIII  (25 juli 1805): ‘Groot appartement en staatsie-appartement van de Keizerlijke Hoogheden. De antichambre en eerste salons worden gemeubileerd met ruime bankjes en taboeretten bekleed met Savonnerie-tapijt, dat ook wordt gebruikt voor de stoffering van de portières en kamerschermen. Er worden geen gordijnen aangebracht. Deze vertrekken worden voorzien van zoveel tafels en veldbedden als nodig is voor de het personeel. Tweede salons, wachtkamers, muziek- en speelzalen en salons van de prinsen en de Keizerlijke Hoogheden. Voldoende taboeretten en ployants bekleed met tapijt of zijde. Gordijnen, portières en kamerschermen hebben dezelfde stoffering. Voorts worden er enkele consoles met kandelabers geplaatst. Slaapkamer: een fauteuil aan beide kanten van het ledikant, een fauteuil de toilette, een canapé, tabourets ployants en commodes; en gordijnen, schermen en portières met dezelfde stoffering als het ameublement. De antichambres, eerste salons en vestibules worden verlicht met quinquet lampen en grote lantaarns; de andere vertrekken worden voorzien van kroonluchters. In de belangrijkste vertrekken en met name de dienstvertrekken worden pendules geplaatst. Alle meubels worden voorzien van een hoes, die alleen bij ceremoniële gelegenheden en in de paleizen waar het keizerlijk paar verblijft weggenomen wordt… In de regel dienen de fauteuils van de Keizerlijke Hoogheden omgekeerd geplaatst te worden in de vertrekken waarin H.K.H niet dagelijks verblijven’.6 Vóór de instelling van de etiquette berustte de verantwoordelijkheid voor het beheer van de twee paleizen waarover de Eerste Consul beschikte, de Tuileries en Saint-Cloud, bij de intendant van zijn Huis, Charles-Louis Pfister, die al snel, in november 1801, plaats maakte voor Duroc. De etiquette bepaalde het volgende: ‘De grootmaarschalk van het paleis is belast met de verdeling van de appartementen en vertrekken in de keizerlijke paleizen. Hij regelt de meubilering en wendt zich tot de intendant-generaal voor herstel- en onderhoudswerkzaamheden en de levering van alle benodigde meubelen’.7 Het gaat hier om Géraud-Christophe Michel Duroc, hertog van Frioul, die van november 1801 tot februari 1805 gouverneur en

44


Bibliotheek van de keizer in het paleis te Compiègne. Réunion des Musées Nationaux-GP, Parijs. Foto Daniel Arnaudet

vervolgens, tot zijn dood in juli 1813, grootmaarschalk van het paleis is. Tien jaar lang zal hij toezien op alles wat met het ameublement te maken heeft en daarbij rechtstreeks orders van Napoleon ontvangen. Als grootmaarschalk heeft hij van alle grootofficieren van de Couronne de zwaarste en moeilijkste taak. Zijn aanpak, consequent optreden en werkvermogen wekken bewondering, temeer daar hij de functies van beheerder, diplomaat en militair combineert. Napoleon, die de werklust van Duroc niet is ontgaan, maakt hem tot zijn manusje-van-alles. Duroc werkt rechtstreeks samen met twee belangrijke figuren: de intendant-generaal van het Huis van de Keizer, die toeziet op alle uitgaven van de dienst, en de beheerder van het keizerlijk ameublement, die belast is met de uitvoering van zijn opdrachten omtrent meubilering. De functie van intendant-generaal wordt in eerste instantie, van juli 1804 tot juli 1805, vervuld door CharlesPierre Claret, graaf van Fleurieu, vervolgens, van juli 1805 tot april 1811, door graaf Pierre Daru, ook al zo’n noeste werker, en tot slot, vanaf april 1811, door Jean-Baptiste Nompère de Champagny, hertog van Cadore. Slechts twee personen hebben de functie van beheerder van het keizerlijk ameublement vervuld: Etienne-Jacques Calmelet, van november 1804 tot februari 1806, en Alexandre-Jean Desmazis, van februari 1806 tot september 1815. Napoleon is een veeleisend man; hij bemoeit zich met alle details, hetgeen het er niet eenvoudiger op maakt voor de mensen die rechtstreeks met hem werken. Hij houdt alles uiterst nauwgezet in de gaten. Er zijn talloze voorbeelden te geven van de gedetailleerdheid van zijn orders. Als Eerste Consul al maakt hij duidelijk geen mahoniehout, geen lakenstof, geen kasjmier en zo weinig mogelijk vergulde versieringen en beschilderingen te wensen; hij wil een uiterst sober, eenvoudig vormgegeven ameublement voor de privé-vertrekken, met uitsluitend papierbehang aan de muren en meubelen die zijn gestoffeerd met zijde uit Lyon of van andere fabrieken. Pracht en praal moeten zijn voorbehouden aan

45 .


Slaapkamer van de keizerin. Réunion des Musées Nationaux-GP, Parijs. Foto Daniel Arnaudet

het groot staatsie-appartement. De beheerder van het ameublement, die goed op de hoogte is van de stijl die de keizer voor zijn privé-meubelen wenst, dringt aan op ‘versimpel, het is voor de keizer’.8 Zijn wensen zijn vaak bijna maniakaal te noemen. Zo verstrekt hij in 1806 bijvoorbeeld de volgende orders: ‘In de slaapkamer van de Keizer moet de feu à galerie worden aangepast, daar Z.K.H. niet van zulke haarden houdt’ en ‘Van de grootmaarschalk had ik al mogen vernemen dat Z.K.H. voor pliants de voorkeur geeft aan de vorm met twee rechte armleuningen; dat ik stoeltjes met een ander ontwerp heb gebruikt

is dan ook enkel vanwege het respect dat ik verschuldigd meende te zijn aan de fabrikanten van de talloze exemplaren die ik in de meubelopslag heb aangetroffen…U kunt Z.K.H. verzekeren dat vanaf heden alleen nog pliants besteld zullen worden die in overeenstemming zijn met zijn orders’.9 Om zeker te zijn van de naleving van zijn opdrachten dicteerde hij deze meestal zelf, zoals in februari 1810 voor het verfraaien van de appartementen ten behoeve van de nieuwe keizerin Marie-Louise: ‘Ik stel 15.000 franc beschikbaar voor borduurramen, ladekasten, schrijftafels, tire-lires (kastjes met vakken voor het bewaren van papieren) en andere kleine meubelen voor de keizerin.

46


Het is praktisch als ze overal dezelfde vormen en dezelfde apparaten voor dagelijks gebruik aantreft’.10 In februari 1800 neemt Joséphine Bonaparte, de eerste vrouw van Napoleon, als echtgenote van het staatshoofd haar intrek in de Tuileries, in het voormalig appartement van Marie-Antoinette. Nadat de nodige werkzaamheden zijn uitgevoerd (de Revolutie is aan het paleis niet ongemerkt voorbijgegaan) betrekt ze een aantal ruimtes waarvan de decoratie en het ameublement pas begin 1808, met het omvangrijke herinrichtingsproject van Napoleon, vernieuwd zullen worden. Het meubilair vormt bepaald geen eenheid; het bestaat uit voormalige meubelen van de koningen en prinsen, aangevuld met leveringen van Jacob Frères, een meubelfirma die in 1796 is opgericht en in 1803 verder gaat onder de naam Jacob-Desmalter. Tot het ameublement behoren tal van kostbaarheden uit de collecties van de overleden koningin, wier voormalige appartementen in Saint-Cloud en Fontainebleau de keizerin overigens ook tot verblijf zullen dienen. Zodra Percier en Fontaine de decoratie van haar appartementen ter hand nemen, eist Joséphine dat ze hun plannen aan haar voorleggen. Zo vraagt ze Fontaine in 1806 expliciet om tekeningen te maken voor het verfraaien van haar kamer in de Tuileries, waarvan ze de decoratie verouderd vindt. Ze zal echter tot maart 1808 moeten wachten alvorens de keizer daartoe opdracht geeft. Joséphine is erbij als de architecten hun werk presenteren; Fontaine schrijft hierover dat de keizerin ‘naar ons idee niet meer het vertrouwen heeft dat ze voorheen had en ons beschouwt als ouderwets; ze maakt onomwonden duidelijk dat bij haar alles grijs en goudkleurig moet zijn, met fraaie arabesken en antiek stucwerk’.11 Hij betreurt dat de eisen van het keizerlijk paar – grandeur voor de keizer, verfijnde details voor de keizerin – zich niet vertalen in een toereikend budget. Tien dagen later, wanneer Napoleon voor een veldtocht naar Spanje vertrokken is, legt Joséphine bij Fontaine opnieuw haar eisen op tafel voor ‘het decoratieve, het verfijnde, het weelderige dat de indeling en inrichting van haar appartement moet kenmerken’.12 Bij zijn terugkeer toont de keizer zich tevreden over het resultaat, maar het is duidelijk dat met de wensen van de keizerin in het geheel geen rekening is gehouden. Met de grootst mogelijke omzichtigheid komt Fontaine, die zich aan de orders van de keizer heeft moeten houden, de keizerin tekst en uitleg geven. In december 1808 schrijft hij daarover in zijn Journal: ‘Ze heeft haar appartement bezocht en was niet tevreden. Ze vindt dat we haar orders niet hebben opgevolgd; ze had om mooie dingen verzocht, maar in plaats daarvan hebben we, meent ze, de lambrisering en plafonds overladen met zware, ouderwetse versieringen. De meubelen zijn niet mooi en niet weelderig genoeg. H.K.H. is duidelijk niet content. Ik heb niet geprobeerd ons

47 .


werk te verdedigen. Ik heb excuses aangeboden en om clementie gevraagd, in de overtuiging dat een beroep op haar welwillendheid meer vruchten afwerpt dan een beroep op haar gezond verstand’.13 De sobere aanpak van de Tuileries zien we terug in Saint-Cloud, wanneer dit verblijf wordt ingericht voor het consulspaar dat er in het najaar van 1802 zijn intrek neemt. De ruimte die Joséphine wordt geboden lijkt soms minimaal, aangezien Napoleon alles wat met de ontvangstruimtes of zijn eigen vertrekken te maken heeft tot in de kleinste details controleert. Zo omschrijft hij bij de opdracht tot inrichting van het Grand Trianon in 1809 ieder onderdeel van zijn ameublement tot in detail; de keizerin mag zich alleen met de andere appartementen bezighouden. Op 24 februari schrijft hij: ‘Wat het Grand Trianon betreft wil ik dat in de meubilering ervan wordt voorzien zonder dat het me geld kost en dat in de voormalige ruimte van Madame komen te staan het bed dat ik afgelopen jaar in de Tuileries had, het meubelstuk dat in mijn privé-salon stond, het meubelstuk dat in de salon des Aidesde-Camp stond en het meubelstuk dat beneden bij de keizerin stond. Zelf wil ik het ledikant dat ik daarvóór had, dat naar ik meen nog door de paus gebruikt is. Het paleis is geheel van lambrisering voorzien en daarom moeten overal schilderijen komen te hangen. Denon opdracht geven om een plan voor een fraaie inrichting van de galerie te maken. Hier zouden enkele van mijn kunstvoorwerpen uit Villiers een plaatsje kunnen vinden. Met dat alles en de 400.000 franc moeten beide paleizen gemeubileerd kunnen worden. Voor ieder appartement een plan laten maken en dat aan de keizerin voorleggen’.14 Het lijkt er dus op dat Joséphine toch een stem heeft gehad bij het Trianon, maar door de scheiding heeft ze de inrichting ervan nooit kunnen aanschouwen. Dat geldt ook voor Compiègne, dat in opdracht van Napoleon al in 1807 bewoonbaar gemaakt wordt onder leiding van Berthault, de architect van Joséphine te Malmaison. Het appartement van de keizerin is medio 1809, enkele maanden voor de scheiding, klaar, voorzien van alle decoraties en meubelen; Joséphine zal het echter nooit zien, laat staan bewonen. Toch is haar voorliefde voor weefsels met harmonieuze kleurcombinaties en ingewikkelde patronen, in pijpplooien gedrapeerde zijde en gourgourans (gestreepte zijdestof) met festons en rozetten er duidelijk in terug te vinden. In Fontainebleau neemt ze haar intrek in het appartement van Marie-Antoinette, waar in 1805 in haar slaapkamer het ledikant wordt geplaatst dat voor de vorstin was bedoeld. Om in stijl te blijven, komen daar ook de twee commodes te staan die voor haar speelsalon waren besteld. De muren worden bespannen met een schitterend in brokaat en chenille-garen geweven stof die in 1790 voor de koninklijke meubelopslag was afgemaakt. Voor de privé-vertrekken wordt even overwogen een nieuwe muurdecoratie in Pompeï-stijl te maken, maar uiteindelijk worden ze alleen van luxe meubelen voorzien en gestoffeerd met

48


Château de Versailles, Grand Trianon: Salon des Malachites (salon van de keizer). Réunion des Musées Nationaux-GP, Parijs. Foto Harry Bréjat

kostbare zijde uit Lyon. Verbazingwekkend is het aantal vazen in deze vertrekken: zo’n veertig stuks maar liefst sieren de schouwen, consoles en zelfs de onderstellen van de secretaires! Fontaine meldt in dit verband dat zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de smaak van de keizerin: ‘Zoals voorgesteld zou met de meubilering van het privéappartement van H.K.H. de keizerin gewacht kunnen worden, temeer daar haar bedoelingen niet bekend zijn en er dus een risico bestaat dat dingen gedaan worden die haar mogelijk niet bevallen’.15 In de tien jaar waarin Joséphine een vooraanstaande positie innam,

en zelfs na de scheiding, heeft ze de nodige invloed uitgeoefend op het gebied van binnenhuisinrichting. Dankzij haar goede smaak – ‘perfect’ in de ogen van haar tijdgenoten – wist ze de officiële, soms wat starre stijl van het regime in haar woonvertrekken een wat minder streng karakter te geven. Naar het voorbeeld van zijn broer, die aan het eind van zijn regeerperiode meer dan veertig verblijven in Europa tot zijn beschikking had, stelt koning Lodewijk Napoleon zich niet tevreden met de drie voormalige paleizen van het Huis van Oranje, het Binnenhof in Den Haag, het centraal gelegen Soestdijk en Huis ten Bosch in de bossen rondom

49 .


Malmaison: Salle du conseil. Réunion des Musées Nationaux-GP, Parijs. Foto Daniel Arnaudet

Den Haag, waar hij alleen in 1806 en 1807 verblijf zal houden en dat het ‘Koninklijk Paleis in het Bos’ genoemd zal worden. Hij laat zijn oog ook vallen op andere residenties, zoals Het Loo, de enige echt koninklijke woning waar het hof in zijn geheel gehuisvest kan worden, Utrecht, waar hij een complex van gebouwen verwerft dat nauwelijks een paleis genoemd kan worden, en Soestdijk, een onaangenaam, treurig stemmend oord, eens het favoriete buitenhuis van het Huis van Oranje, waar de koning zijn melancholie de vrije loop laat. Belangrijker is Amsterdam, de stad die in 1808 zijn hoofdstad wordt en waar hij het voormalig stadhuis voor veel geld laat inrichten

tot een luxe, volledige gedecoreerde en gemeubileerde residentie. Lodewijk Napoleon wil zijn hof de etiquette van Parijs opleggen. In zijn bibliotheek is een exemplaar van de Étiquette du Palais Impérial pour l’année 1806 met tal van aantekeningen van zijn hand aangetroffen waarvan de tekst geheel aan het Koninkrijk Holland aangepast is – de term impérial is overal doorgestreept en vervangen door royal. De etiquette geldt alleen voor de staatsresidenties, niet voor de privé-verblijven. De etiquette voor Holland wordt in 1808 gepubliceerd onder de naam Étiquette du Palais Royal. De organisatie is gelijk aan die van

50


Étiquette du Palais Impérial met aantekeningen. Koninklijk Huisarchief, ‘s-Gravenhage

het Huis van de Keizer, met een grootmaarschalk van het paleis – eerst baron de Broc, vervolgens baron Roest d’Alkemade – die hier dezelfde functie heeft als in Parijs, en een grootmeester van ’s Koningshuis, een functie die wordt vervuld door de Sénégra en later, onder de naam intendant-generaal, door baron Van Lamsweerde en de heer Twent van Raaphorst. Eind 1810 was de lieve som van 2.242.151,10 franc uitgegeven, waarvan 982.151,10 franc alleen al voor het paleis in Amsterdam, en 1.260.000 franc voor Het Loo, de residentie in Utrecht, paleis Soestdijk en het Koninklijk Paviljoen in Haarlem. Zo telt de in 1810 opgestelde inventaris van Het Loo ongeveer 2.000 meubelen, waarvan er nog bijna 400 over zijn. Net als Napoleon kan Lodewijk het niet laten zich met de kleinste details te bemoeien, getuige deze notitie van de koning: ‘De tafel van de Staatsraad moet een rechthoekige vorm hebben; aan een van de korte zijden zal ik plaatsnemen, en de drie andere zijden zijn voor de ministers, met voor elk van hen aan weerszijden twee tafeltjes… op alle tafels moet een groen kleed met een bies rondom komen te liggen; het kleed op mijn tafel moet een gouden franje hebben’.16 En naar Frans voorbeeld organiseert hij in Utrecht tentoonstellingen van nationale nijverheid om Hollandse producten onder de aandacht te brengen. Frankrijk is ook het voorbeeld voor zijn besluit om voor de paleizen een systeem voor het inventariseren van meubelen in te voeren dat berust op een brandmerk met een lettercode. Het systeem voor Amsterdam, dat in 1809 ingesteld wordt, bestaat uit de letters AP (Amsterdams Paleis), een nummer voor de zaal en een nummer voor het voorwerp. In de beschrijvingen worden ook de kleuren van de stoffen vermeld. Afgezien van enkele meubelen van Jacob-Desmalter die hij uit Frankrijk laat komen plaatst hij zijn opdrachten vooral bij Hollandse ambachtslieden, met als belangrijkste Joseph Cuel, een tapissier met Franse wortels die zich in 1792 in Amsterdam heeft gevestigd, en Carel Breytspraak, maar ook bij ambachtslieden in Den Haag, zoals Albert Eeltjes, een stoelenfabrikant, Matthys Horrix en Eduard

51 .


Muller, een beeldhouwer annex meubelmaker gespecialiseerd in consoletafels. De tapissiers waren allemaal Hollanders, en alle verlichtingselementen waren van Hollandse leveranciers. Voor de ontwerpen werd veelal geput uit Meubles et objets de goût  van Pierre de La Mésangère. Veel van deze meubelen zijn bewaard gebleven in Hollandse collecties, maar Napoleon heeft er, tot spijt van de Hollanders, een aantal van meegenomen naar zijn paleizen in Antwerpen en Mainz. Bernard Chevallier

Merkteken “AP”. Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau, ’s-Gravenhage. Foto Tom Haartsen

Conservator Cultureel Erfgoed in Frankrijk en voormalige directeur van het Malmaison Museum

1 2 3 4 5 6 7 8 9

De keizer ten overstaan van de leden van het Instituut, 5 maart 1808. Senatus consultum van 28 floréal, jaar XII (18 mei 1804), artikel 16. Étiquette 1806, titel II, hoofdstuk I, p. 84. Étiquette 1806, titel II, hoofdstuk II, pp. 86–87. Étiquette 1806 titel II, hoofdstuk III, pp. 89– 90. NA, archieven van Napoleon, 400 AP 4. Étiquette 1806, titel I, hoofdstuk II, artikel 1, p. 12. Geciteerd in Lefuel 1923, p. 78. Geciteerd in Samoyault-Verlet 1974, p. 8.

52

10 NA, serie O2, 548, brief van Daru aan Desmazis, 19 februari 1810, met daarin opgenomen de brief van Napoleon d.d. 18 februari 1810. 11 Fontaine 1987, 1987, p. 204 (23 maart 1808). 12 Fontaine 1987, p. 208 (3 april 1808). 13 Fontaine 1987, p. 218 (4 december 1808). 14 NA, serie O2, brief van Napoleon aan Daru, 24 februari 1809. 15 Geciteerd door Samoyault-Verlet 1974, p. 8. 16 Geciteerd door Lunsingh Scheurleer 1953, nr. 4, p. 6.


François-HonorÊ-Georges Jacob-Desmalter (1770-1841), Ledikant van Lodewijk Napoleon, 1805-1808 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang

53 .


54

Carel Breytspraak (1769-1810), Stoel voor de grote eetzaal, 1808. Het ontwerp werd ontleend aan de Meubles et Objets de goût van Pierre de La Mésangère. Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang


Renske Cohen Tervaert & Aagje Gosliga

Ee n ko ni n kl ijke transf o rmatie D e emp i re i nri c hting va n he t Koni nkl ijk Pa leis Am ste rda m ‘Wees welkom dierb’re Vorst! in ‘s werelds achtste wonder. God, die U macht en kracht met deugden gaf te voegen, Geeve U dit gebouw te toeven met genoegen.’1 Of men in Amsterdam oprecht blij was met de komst van Lodewijk Napoleon op 20 april 1808 valt te betwijfelen. Een luttele twee maanden ervoor, in februari, had het stadsbestuur onder druk het gebouw aan de Dam verlaten en zich verplaatst naar het Prinsenhof. Lodewijk had het stadsbestuur laten weten dat hij het paleis tijdelijk in gebruik zou nemen. De koning had grootse plannen om in de Plantagebuurt een nieuw paleis te laten verrijzen. Een week na zijn verhuizing naar Amsterdam liet Lodewijk vastleggen dat hij te zijner tijd aan het Wetgevend Lichaam een wetsvoorstel zou doen om een paleis te bouwen.2 Door de slechte economische situatie waarin zijn koninkrijk zich bevond en door de lege staatskas moest hij geduld hebben. Aangezien het stadhuis tijdelijk als paleis zou dienen en omdat Lodewijk had bepaald dat het gebouw binnen acht dagen weer in een stadhuis veranderd moest kunnen worden, kozen zijn architecten voor een goed ogend interieur dat slechts een beperkte levensduur zou hebben. De uiteindelijke kosten van de verbouwing kwamen alsnog voor rekening van de staat, waarbij het niet om geringe bedragen ging. Uiteindelijk bedroegen de verbouwing en de inrichting van het Amsterdamse paleis het aanzienlijke bedrag van 1.040.342 gulden, vergelijkbaar met ruim 7 miljoen euro vandaag de dag.3 Structurele veranderingen Om het stadhuis bewoonbaar te maken, moesten eerst een aantal functionele veranderingen plaatsvinden.4 Ondanks de op papier groots lijkende implicaties werd de bouwkundige structuur van het gebouw

55 .


Om de salons beter te verwarmen paste men het verwarmingssysteem aan en werden de oude tochtige zeventiendeeeuwse kruiskozijnen vervangen door dubbele vier- en zesruitige schuiframen met witte vitrages ervoor om de warmte beter vast te houden.6 Vooral deze laatste aanpassingen van de vensters gaven het exterieur van het gebouw een ander uiterlijk. Het stadhuis kreeg ook aan de buitenzijde het karakter van een woning voor een vorst. De oorspronkelijke gevelcompositie van architect Jacob van Campen (1596–1657) wijzigde verder door het aanbrengen van een balkon aan de Damzijde, het sluiten van de bogen op de begane grond aan de Damzijde en de toevoeging van twee nieuwe ingangen in de zijgevels aan de huidige Paleisstraat en de Mozes en Aäronstraat.7 Via de ingang aan de Paleisstraat was het mogelijk om de Wisselbank te bereiken, het enige niet-koninklijke instituut dat in het gebouw op de begane grond gevestigd bleef. Op 20 april werd de verbouwing kort onderbroken door het

56

De Burgerzaal zoals afgebeeld in C.T.J.L. Rieber, Het Koninklijk Paleis te Amsterdam, Leiden/Haarlem 1902

niet wezenlijk aangepast. Van de bestaande kantoren op de verschillende verdiepingen maakten de architecten van Lodewijk Napoleon een nieuwe bruikbare indeling. Zoals uit de voorgaande artikelen van Frans Grijzenhout en Bernard Chevallier blijkt, was de Franse Étiquette de leidraad voor de benodigde structuur van rijen aaneengesloten vertrekken voor de koninklijke appartementen, keukens, kapel, ruimtes voor de paleiswacht en de hofhouding.5 In de Franse paleizen lagen de privévertrekken normaal gesproken op de eerste verdieping en de ontvangstruimtes op de begane grond met toegang tot de tuin. Door het ontbreken van een cour of een tuin kwamen de officiële ontvangstzalen en koninklijke privévertrekken in Amsterdam op de hoofdverdieping te liggen. Om meer ruimte voor al deze verschillende salons te creëren werden de galerijen van de Burgerzaal afgesloten en in meerdere vertrekken ingedeeld door de plaatsing van houten tussenwanden.


Julien-Léopold Boilly (1761–1845), Portret van Jean-Thomas Thibault (1757–1826), steendruk. Rijksprentenkabinet, Amsterdam

bezoek van Lodewijk Napoleon aan zijn nieuwe paleis. De verbouwing en de inrichting waren nog niet voltooid maar stelden de koning wel in de gelegenheid om in een gepaste omgeving zijn eerste ontvangsten te houden. Elementen in de inrichting die de koning niet aanstonden werden na zijn vertrek gewijzigd. Daarnaast werd Lodewijks eerste officiële besluit te Amsterdam, gedateerd op 21 april, in werking gesteld: de vestiging van een Koninklijk Museum in zijn nieuwe onderkomen. In juli 1808 begon men aan de inrichting van het museum op de derde verdieping, in de voormalige krijgsraadzalen.8 In augustus rondde men de verbouwing af en het museum opende in september zijn deuren. De verbouwing was uiteindelijk in 1809 klaar. Als laatste werden de appartementen van de koningin en prins gestoffeerd en gemeubileerd.9 De eerder genoemde werkzaamheden waren gericht op de appartementen die op korte termijn zouden worden gebruikt. Koningin Hortense en kroonprins Napoleon Louis zouden het paleis pas in 1810 voor de eerste en enige keer betreden.

de architecten De transformatie van het stadhuis tot koninklijk paleis kwam tot stand onder toezicht van twee architecten. Lodewijk benoemde bij zijn aantreden als koning, evenals zijn broers en zusters, een Fransman tot hofarchitect: Jean-Thomas Thibault (1757– 1826). Thibault was in die functie verantwoordelijk voor de ontwerpen en verbouwingen van de koninklijke paleizen. In Frankrijk had Thibault een goede staat van dienst opgebouwd. Hij behoorde tot de architecten die naast Charles Percier (1764–1838) en Pierre François Léonard Fontaine (1762–1853), met wie hij bevriend was, vorm gaven aan de nieuwe empirestijl en de paleizen van de Bonapartes. Eerder had hij onder toezicht van Fontaine voor keizerin Joséphine aan de tuinen van Malmaison, en voor prinses Caroline, de zuster van Napoleon, aan de interieurs van het Elysée en Neuilly gewerkt. Voor Lodewijk werkte hij in 1804 aan diens buitenplaats SaintLeu en zijn stadshuis in de Rue Cerutti te Parijs. Thibault was dus

57 .


perfect op de hoogte van de keizerlijke hofstijl en daardoor geschikt om ook in Holland als hofarchitect te dienen.10 Vanaf 10 december 1807 kreeg Thibault de functie controleur des bâtiments en daarmee de hoofdverantwoordelijkheid voor de ontwerpen. Hij ontwierp niet alleen de binnenhuisarchitectuur, maar ook delen van het ameublement, zoals waarschijnlijk de boekenkasten in de bibliotheek (p.33). Daarnaast werd al op 25 december 1807 Bartholomeus Willem Hendrik Ziesenis (1768–1820) als architect voor het Amsterdamse paleis aangesteld. Ziesenis regelde de uitvoering van de ontwerpen van Thibault en ontwierp ook zelf.11 De meubelmakers en leveranciers werkten naar ontwerpen van de architecten die onder het toezicht van Thibault gemaakt werden. Door de omvang en het korte tijdsbestek van de verbouwing werd er nog een opzichter over de werken in Amsterdam aangenomen, P.J. Huybrechts.12

Een nieuw gezicht In het voorgaande artikel stond Frans Grijzenhout al stil bij het meest cruciale onderdeel van de transformatie van het gebouw: van een publiek toegankelijk stadhuis naar een gesloten koninklijk woonpaleis.13 Deze transformatie hield niet alleen in dat de kantoren geschikt moesten worden gemaakt voor salons en slaapkamers, ook de symboliek van het zeventiende-eeuwse decoratieprogramma moest worden uitgewist. De grote schoorsteenstukken van onder meer Govert Flinck (1615–1660) en Ferdinand Bol (1616–1680) en de sculpturen van de Vlaamse beeldhouwer Artus Quellinus (1609–1668), die de macht en de waarden van het stadsbestuur verbeeldden, moesten uit het zicht verdwijnen of ondergeschikt worden gemaakt aan de nieuwe vormentaal van het hof. Deze symboliek onderstreepte het gezag van de nieuwe vorst en het interieur diende een passend, rijk kader te bieden voor het koningschap. Eén aspect bleef onveranderd: het gebouw bleef het centrum van de macht. Het nieuwe paleis diende, zoals gezegd, niet alleen een koninklijke rijkdom en waardigheid uit te stralen, maar moest ook binnen korte tijd worden voltooid en bovendien reversibel zijn. De metamorfose kwam daarom vooral tot uitdrukking in de aankleding van de nieuwe ruimten. Het interieur kreeg door de enorme hoeveelheid toegepaste stoffen, de luisterrijke verlichting en vloerkleden haar nieuwe gezicht. ‘Overal heerscht pracht en vorstelijke grootheid, gepaart met eene voorbeeldelooze zindelijkheid, die aan Hoven zoo ongewoon, doch eene der Hollandsche natie aangeborene eigenschap is’, constateerde letterkundige Pieter Gerardus Witsen Geysbeek (1744–1833) bij zijn beschrijving van het paleis in 1809.14

58


Fragment van het behang uit de eetzaal van de koning. Intendance der Koninklijke Paleizen, ‘s-Gravenhage

Tapissiers en stofferingen Het zwaartepunt van de werkzaamheden lag op het aankleden van de nieuwe ruimten door middel van stoffering en meubilering. Hoewel deze aanpak sneller was dan een daadwerkelijke verbouwing, waren de aanpassingen bepaald niet goedkoop. Voor de stoffering van de Grote Ontvangstzaal en de Troonzaal samen werd maar liefst 48.800 gulden betaald, een tiende van de totale kosten. De gepeperde rekeningen ontlokte de intendant van het paleis de uitspraak dat ‘wie in Holland rijk wilde worden, apotheker of tapissier moest worden’.15 In Nederland werden de tapissiers behangers genoemd. In tegenstelling tot zijn moderne naamgenoot was de negentiende-eeuwse behanger eerder een stoffeerder en interieurstylist: het grootste deel van zijn werkzaamheden bestond uit het bekleden van meubelen en het stofferen van kamers. Vanaf 1804 was de tapissier van Lodewijks paleizen Baptiste Charpentier. Als valet de chambre tapissier van de koning kreeg hij in Holland een nieuwe rol. Zijn instructie omschrijft dat hij een ontwerp moest maken voor meubelen, aangeven wie het zou moeten uitvoeren en welke stof gebruikt moest worden.16 Zijn taak overlapte dus met die van de architecten. In de praktijk zal hij de spin in het web zijn geweest tussen de architecten en de leveranciers. Na de herindeling van de ruimten kon worden begonnen met de aankleding. Deels werd daarbij gebruik gemaakt van de bestaande inrichting van andere paleizen (zoals Utrecht, Huis ten Bosch en Soestdijk), maar het meeste werd nieuw besteld. De kamers werden eerst door de tapissiers Weenink en Kam voorzien van een eerste afwerking met meubelpapier of behangseldoek. Hierop kon vervolgens wandbekleding van stof of papier worden aangebracht. De plafonds kregen een doekplafond.17 Over het algemeen werden twee soorten wandbekleding gebruikt: tentures van textiel en papiers de tapisserie. Vooral in de staatsievertrekken en officiële ontvangstkamers werd veel gewerkt met

59 .


verschillende typen textiel: brokaat, satijn, gros de Tours (een zware zijden stof), gourgouran (een gestreepte zijdestof), fluweel, moirés, gouden en zilveren passementen en damast. De stoffen werden gebruikt voor gordijnen, wandbespanning en bekleding van het meubilair. Door het herhalen van motieven in het meubilair en in de tentures kon er per ruimte een eenheid worden gerealiseerd.

Fragment van een behangstaal voor de grote zaal op Paleis het Loo. Nationaal Archief, ‘s-Gravenhage

De stoffering bepaalde voor het grootste deel de aanblik van de vertrekken. Dit zal zeker ook het comfort van de ruimten hebben vergroot. Voor de tot dan toe kale vensters kwamen nu gordijnen van

zijde met draperieën van velours over vergulde roeden (in de hoofdvertrekken) en katoenen gordijnen (in de dienstruimten). Op de vloeren kwamen tapijten te liggen: het duurdere tapis moquette werd gebruikt in de staatsie-appartementen. Tapijten werden geleverd door de Haagse tapissier Weenink en de Amsterdammers Moorman en Van Oosthuizen. Het duurste was een tapijt van 6.056,10 franc voor de Grote Ontvangstzaal. In salons die een minder officieel karakter hadden werd als wandbespanning over het algemeen papierbehang toegepast. Het veelal rijkversierde behang paste men niet alleen toe op wanden, maar ook op plafonds of als randversiering. Sommige ontwerpen imiteerden de

60


bloem- en bladmotieven van de zijden stoffen en konden de illusie geven van hangende draperieën, kant en moiré. Door de toepassing van de empirestijl werd het behang nu bedrukt met klassieke motieven zoals speren, helmen, zwaarden, guirlandes en griffioenen. De meest luxe soorten ondergingen een productieproces van wel tachtig stappen van het drukken van motieven en kleuren met verschillende blokken. Bij de restauratie en renovatie van het paleis tussen 2005 en 2009 is door de nieuwe textiele afwerking een gewenste eenheid tussen het zeventiende-eeuws interieur en het negentiende-eeuws meubilair bevorderd.18 De wandbespanning en stoffering van de vensters maken deel uit van het zeventiende-eeuwse interieur en zijn daarom gebaseerd op patronen uit die tijd. De nieuw geweven tapijten behoren daarentegen tot de meubilaire inrichting en zijn wat betreft de patronen afgeleid van fragmenten van vroeg negentiende-eeuwse tapijten uit het paleis zelf. Bij het ontwerp hiervan is gestreefd naar een eigentijds concept dat weliswaar past binnen de geschiedenis van het paleis, maar geen reconstructie van de oorspronkelijke stadhuisinrichting of van de empire aankleding is. De huidige tapijten zijn in feite een reconstructie van de oorspronkelijke Doornikse tapijten, waarvan nog fragmenten bewaard zijn gebleven. Er zijn twee typen tapijten: een met grootschalige motieven en rijk geornamenteerde rand en de ander met een kleinschalig blokpatroon. Bovendien zijn de kleurstellingen van de textiele afwerking steeds aan elkaar gerelateerd. Zo zijn de appartementen gelegen aan de Damzijde in blauw, aan de achterzijde van het paleis in geel en de ontvangstsalons en tussengelegen appartementen in rood uitgevoerd. Meubelen Voor zijn komst naar Holland in 1806 bestelde Lodewijks intendantgeneraal Baron De Sénégra stofferingen en meubelen bij de belangrijkste Parijse firma’s Boulard en Jacob-Desmalter. Dit tot onvrede van de koning, die met zijn opdrachten juist de Hollandse nijverheid wilde stimuleren: ‘Ik wens ook dat u niet uitsluitend in Parijs aankopen doet voor het paleis’, schrijft Lodewijk aan zijn intendant-generaal in augustus 1806, ‘aangezien het mijn wens is dat om zoveel als mogelijk gebruik te maken van de kooplieden in Den Haag of Holland’.19 De opdrachten aan meubelmakers werden genoteerd in het Livre de commandes. De bijbehorende tekeningen van de architecten waarnaar de ambachtslieden dienden te werken, zijn helaas niet bewaard gebleven. Voor de ontwerpen werd veel geput uit decoratieprenten zoals de serie Collection de Meubles et Objets de goût uitgegeven door Pierre de La Mésangère vanaf 1802. Prenten waren een goedkoop middel om de laatste mode te volgen. Het ontwerp voor de stoelen in de grote eetzaal en dat van de armstoelen in de salon van de koning werden

61 .


Empire draperieën in: Pierre de La Mésangère (1761-1831), Collection de Meubles et Objets de goût, Parijs, ca. 1802-1807, nr. 237. Metropolitan Museum of Art, New York, Harris Brisbane Dick Fund, 1930

letterlijk aan De La Mesangère ontleend (p.52). De meubelen werden bij voorkeur uitgevoerd in het door de gevlamde tekening geliefde mahoniehout, dat sinds de jaren 1780 populair was. Dit was een dure houtsoort die uit Cuba en Santo Domingo geïmporteerd werd. Sinds de import vanaf 1806 bemoeilijkt werd door de invoering van Napoleons’ Continentaal Stelsel (waarbij de zeehandel met Groot-Brittannië werd geblokkeerd) paste men steeds meer fineer van mahonie toe. In vergelijking met de voorgaande stijlperiode waren de meubelen vrij sober van lijn en massief van vorm. De decoratie bestond voornamelijk uit vuur vergulde appliqués en de dekbladen waren van marmer.

leveranciers Toen in begin 1808 het stadhuis in gereedheid werd gebracht, werd er zoveel mogelijk naar Amsterdamse leveranciers gezocht. Bij de al eerder gebruikte leveranciers uit Den Haag, de stoelenmaker Albert Eeltjes (1751– 1836), de meubelmaker Eduard Muller (1760–1830), de tapissiers Johannes Kam jr. (ca. 1774–1819) en uit Utrecht Lambertus Lambotte (ca. 1762– 1840), voegden zich nu Amsterdamse namen. Kam ging een samenwerking aan met de tapissier Étienne Weenink (ca. 1752–1825). De belangrijkste tapissier, gezien naar de waarde van zijn opdrachten, was echter

62


de van oorsprong Franse Joseph Cuel (1763–1846), die sinds 1798 gevestigd was op de Nieuwendijk. De tapissiers gebruikten behangselpapieren van Jean George Berger, gevestigd in de Kalverstraat, en stoffen voornamelijk van de firma Van der Meulen. Als voornaamste meubelmaker werd Carel Breytspraak (1769–1810) aangetrokken. Naast deze firma’s was er nog een groot aantal andere ambachtslieden werkzaam voor het paleis, zoals de meubelmaker Goller, die een enkele levering verzorgden, of onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden voor hun rekening namen.20

Kroonluchters en kandelabers uit de tijd van Lodewijk Napoleon. Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto’s Wim Ruigrok



Verlichting Verlichting was een belangrijk en gezichtsbepalend element in de paleizen van Lodewijk Napoleon, ook in zijn Amsterdamse paleis. In elk vertrek op de hoofdverdieping hing in het midden van de ruimte een lichtkroon, meestal van verguld brons en behangen met kristal. De kronen, geleverd door de firma’s P. Reeder & Zoon en Ciovino & de gebroeders Truffino, waren van Franse herkomst, van een buitengewoon hoge kwaliteit en dan ook zeer kostbaar. Een lichtkroon met plek voor achttien kaarsen kostte over het algemeen meer dan 2.750 gulden.21 Bij de inrichting van het Amsterdamse paleis bleek het vinden van

63 .


ten telden, een koopje.22 Ondanks de eenvoudige constructie, simpele decoratie en spaarzaam gebruik van kristal gaven de Hollandse kroonluchters en de achttien bijpassende girandoles de belangrijkste ontvangstzaal van het Franse paleis een koninklijke uitstraling. Naast kroonluchters gebruikte men kandelabers, kandelaars en simpele kaarsenhouders om de verschillende ruimten te verlichten. Het voordeel was dat deze konden worden verplaatst naar de ruimte waar op dat moment het meeste licht nodig was. Voor een grootser effect en de betere verspreiding van het licht plaatste men de kandelaars zo mogelijk voor een spiegel. De kristallen aan de lampen hadden niet alleen een decoratieve functie, maar zorgden er voor dat het licht

64

Quinquet lamp van de firma Lancelot, prent. Bibliothèque Marmottan, Parijs

Olielamp van een kroonluchter uit de grote ontvangstzaal, vervaardigd door Hendrik Bosch. Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto Wim Ruigrok

betaalbare, bij voorkeur Nederlandse kroonluchters voor de Grote Ontvangstzaal de grootste uitdaging. Kronen met een doorsnede van bijna twee meter en een hoogte van circa drie meter konden niet zomaar worden besteld. Het resultaat van de lastige zoektocht is nog altijd te zien in de Burgerzaal, waar zes van de in totaal acht geproduceerde kroonluchters van ijzer, blik en kristal hangen. Het licht van elke kroon kwam van de twaalf olielampen die aan de ring waren bevestigd. De uiteindelijke kosten van ongeveer 5.000 gulden waren in vergelijking met de twee offertes van de beroemde Parijse bronswerker Antoine André Ravrio (1759–1814), die respectievelijk circa 34.500 voor zes bronzen en 21.500 gulden voor zes vergulde varian-


Verlichting uit de Burgerzaal. Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto’s Wim Ruigrok

zich verveelvoudigde. Het effect van het licht op de vergulde onderdelen van de inrichting, op de satijn en zijde stofferingen en op de gepolitoerde mahoniehouten meubelen moet het interieur een nog rijkere uitstraling gegeven hebben. Alhoewel kaarsen de belangrijkste lichtbron bleven in het begin van de negentiende eeuw, werden deze steeds vaker vervangen door olielampen. In 1783 vond men de Argandlamp uit, een olielamp waarbij de verbranding beter functioneerde.23 Deze lampjes heten ook wel quinquet naar de apotheker Antoine Arnoult Quinquet (1745–1803) die

de lampen populair maakte in Parijs. Tegenwoordig zijn alle teruggebrachte lichtkronen en lampen in het Koninklijk Paleis voorzien van nieuwe halogeen-kaarsverlichting. Een Franse indeling De sobere inrichting van het stadsbestuur had plaats gemaakt voor een koninklijke grandeur waar men in Holland onbekend mee was. Een Franse hoveling merkt in zijn memoires dan ook op dat ‘niets van de vorige regering kon helpen bij de totstandkoming van een koninklijk hof, na de eenvoud van het republikeinse regime diende, hoewel niet de overdaad, dan minstens een rijkheid, een entourage van een

65 .


66

De Burgerzaal. Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Erik & Petra Hesmerg


meer verheven rang te komen (…)’.24 Ongeacht de Franse inbreng bleef het Hollandse karakter van het gebouw behouden door een ingehouden grandeur. Volgens de beschrijving van Witsen Geysbeek ‘droeg het Stadhuis van Amsterdam de bewondering van geheel Europa weg’, maar deed ‘het Koninklijk Paleis zulks niet minder, door de eenvoudige, maar tevens prachtige inrigting van het geheel, en door de smaakvolle verdeeling der onderscheidene vertrekken in ‘t bijzonder’.25 Ondanks het rijke interieur blijkt uit een brief uit 1813 van baron d’Alphonse (1756–1821), intendant van binnenlandse zaken, dat de kamers mooi waren maar grotendeels somber en triest. Alleen de Grote Ontvangstzaal, de vroegere Burgerzaal, bleef ook bij zijn nieuwe bestemming een van de prachtigste van Europa.26 Door de bewaard gebleven correspondentie, offertes, rekeningen en het vanuit Frankrijk ingevoerde inventarissysteem, waarbij ruimten werden genummerd en het meubilair van een corresponderend brandmerk werd voorzien, is het mogelijk om te reconstrueren hoe de belangrijkste vertrekken van het paleis er tussen 1808 en 1811 moeten hebben uitgezien. Van een aantal zalen van het paleis volgt een uiteenzetting van deze inrichting. Grote Ontvangstzaal De beroemde Burgerzaal van het Stadhuis werd al snel omgedoopt tot Lodewijks Grande Salle: de Grote Ontvangstzaal. Hier vonden in de korte tijd dat de koning het paleis bewoonde de grote plechtigheden en feesten plaats, zoals het Feest van de Orde der Unie.27 In februari 1808 werd een plan opgesteld voor de aankleding. ‘De stoffen aankleding van de ramen van de grote ontvangstzaal behoort tot het mooiste en meest rijke wat men zich kan voorstellen aan stoffen zowel als gallons, franjes, enz.’, schreef de intendant.28 Dit décor werd geleverd door Cuel en juist in de Burgerzaal bleek hoe goed de empire aankleding aansloot bij de klassieke architectuur van het gebouw. Voor de ramen kwamen nu grote gordijnen van witte zijde versierd met geel en rood passement en franje, en rode draperieën over vergulde roeden met een kroon in het midden. Tussen de pilasters aan de korte zijden werden spiegels geplaatst met eveneens gordijnen en draperieën ervoor, die het ritme van de ramen voortzetten. Voor de bovenvensters kwamen blauwe gordijnen. De reeks vlaggen en vaandels, bevestigd aan weerszijden van het beeld van Atlas, vormde een indrukwekkende aanvulling op het decor. Zij waren door de Hollanders op hun vijanden veroverd, met name in de Tachtigjarige Oorlog op de Spanjaarden. Tot 1806 hingen deze trofeeën in het Binnenhof te Den Haag. Voor de verlichting werden verder de eerder besproken enorme lichtkronen geplaatst. De marmeren vloer met haar wereldkaarten verdween onder een enorm tapijt. Voor het hof en de gasten werden

67 .


Anoniem, De grote ontvangstzaal, aquatint, ca. 1810. Uitgever E. Maaskamp, Amsterdam. Stadsarchief Amsterdam

stonden honderd taboeretten en 36 bankjes klaar in rijen langs de wanden. Er kwam meer dan 300 meter Frans linnen aan te pas om hoezen te maken, waarmee de meubelen beschermd werden als het paleis niet in gebruik was.29 Het resultaat was ‘vraiment un coup d’œil majestueux’, in de woorden van een Frans lid van de hofhouding.30

Troonzaal Vanuit de Grote Ontvangstzaal bereikte de bezoeker via een kleine passage de laatste ruimte van het groot staatsie-appartement: de Troonzaal. De voormalige Schepenzaal was na de Burgerzaal de grootste ruimte in het paleis en daarmee de aangewezen plaats voor de troon. In eerste instantie had men de ruimte bestempeld als concertzaal, en Cuel had een daarvoor passende chamois-kleurige (licht okergele) met groene stoffering aangebracht. Dit kon de koning niet bekoren, waarop de stoffering werd hergebruikt voor het kabinet van de koningin en in de galerij naast de hofkapel.31 De nieuwe troonzaal werd opnieuw door Cuel aangekleed met een koninklijke stoffering.

68


69 .

De Schepenzaal met kroonluchters uit de tijd van koning Willem III. Rijksgebouwendienst, ’s-Gravenhage. Foto Wim Ruigrok

De troonzaal in 1808. Reconstructietekening naar ontwerp van Paul den Boer door Studio Van Wees


Ook de troonzetel met zijn vergulde voetenbankje had een karmozijnrode draperie met goudgalon. Hoe de troonzetel zelf eruit zag, is niet bekend. Er is geen beeld van bewaard gebleven en hij werd onder koning Willem I ontmanteld. In ieder geval stond hij op een verhogingwaarvan de treden met groene stof waren bekleed. De pages mochten op deze treden zitten tijdens de ceremoniën waarbij de koning zelf op zijn armstoel had plaatsgenomen. De opperkamerheer zorgde ervoor dat in de troonzaal de verdere benodigde meubelen aanwezig waren: fauteuils voor de koningin en de kroonprins en taboeretten voor de aanwezige dames.32 Voor de koningin en de kroonprins – de enige leden van de hofhouding die gewoonlijk mochten zitten tijdens ceremonieën – was er een vergulde fauteuil, geleverd door Cuel en bekleed met rood velours. Buiten de stoel van de koning in de Staatsraadzaal, geleverd door Eeltjes en Weenink, waren dit de enige vergulde meubelen in het hele paleis.33 Tot onder koningin Wilhelmina (1898–1948) was deze ruimte in gebruik als troonzaal; tegenwoordig worden hier lezingen en muziekavonden georganiseerd. Salons Naast de troonzaal en de Grote Ontvangstzaal deden een aantal tussenen hoeksalons, de Salon der Ambassadeurs en de Biljartkamer dienst als kleinere ontvangstvertrekken. De salons kregen eenzelfde inrichting, maar een stoffering in een andere kleurencombinatie, bijvoorbeeld geel en lila, blauw en geel, oranje en groen of geel en rood.34 In elk vertrek stonden ameublementen bestaande uit twaalf stoelen en veertien of zestien armstoelen, in sommige salons vermeerderd met

70

Geleverd door Joseph Cuel (1763-1846), Taboeret voor de Grote Ontvangstzaal, 1808. Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam

Voor de ramen hingen dubbele gordijnen van karmozijnkleurig satijn met draperieën van velours in dezelfde kleur. Deze waren gedrapeerd over vergulde roeden met in het midden de koninklijke kroon en de wapens van de elf Hollandse departementen. Boven de architraaf, die het lagere gedeelte van de troonzaal afscheidde, hing een rijke draperie van velours en satijn in dezelfde kleur op vergulde batons.


De Kamer van de Commissaris van Kleine Zaken met het schoorsteenstuk ‘Allegorie van de kunsten’ van Jurriaan Andriessen (1742–1819). Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto Wim Ruigrok

canapés. De stofferingen en de meeste ameublementen voor deze salons kwamen uit het atelier van Cuel. In de Salon der Ambassadeurs hing boven de schoorsteenmantel het schilderij Allegorie van de kunsten van vader Jurriaan (1742–1819) en zoon Christiaan (1775–1846) Andriessen. Deze twee Amsterdamse schilders gaven het schilderij aan de koning cadeau bij zijn aankomst in Amsterdam. Zij hoopten met deze gift opdrachten te verwerven van het hof. Het schilderij werd al snel vervangen door een stucreliëf, maar is bij de laatste restauratie tussen 2005 en 2009 teruggeplaatst. In de salons ontving de koning niet alleen zijn gasten voor een

goed gesprek. Deze ruimtes werden onder meer gebruikt voor het spelen van spelletjes als biljarten, carambole, kaarten, trictrac, quadrille en bouillotte. Dat het een belangrijk onderdeel van het hofleven was, blijkt ook uit een dagboekfragment van politicus Gijsbert Karel van Hogendorp (1762–1834) over het feest ter ere van de Orde van de Unie: ‘de dames werden naar de galerijen geleid voor het spel, de Koning speelde in een apart vertrek, waar zich nog twee tafels bevonden (…)’.35 Het paleis had een speciaal ingerichte biljartkamer met centraal in de kamer een mahoniehouten biljarttafel. In de andere salons stonden meer speeltafels met een uitklapbaar bovenblad.36 Naast de algemene ontvangstkamers hadden de koning en koningin ieder aan een eigen zijde van het gebouw hun privévertrekken. Het

71 .


hofleven bepaalde de scheiding tussen de kamers van de heer en vrouw des huizes. Voor zijn privésalon koos Lodewijk de meest representatieve ruimte buiten de voormalige Burgerzaal en Schepenzaal: het Burgemeestersvertrek. Deze voormalige vergaderruimte van de burgemeesters met de grote schoorsteenstukken van Ferdinand Bol en Govert Flinck werd gestoffeerd in de kleur groen, aangevuld met de steunkleuren lichtgeel en wit.37 Aan de wanden hingen portretten van zijn moeder en zijn tweede zoon Napoléon-Louis en twee tekeningen, waarvan op de ene een voorstelling van zijn geliefde buitenplaats SaintLeu in Frankrijk was afgebeeld en op de andere de Slag bij de Piramiden. Eeltjes leverde een canapé, zestien armstoelen en twaalf stoelen voor de salon. Dit type stoel met accoladevormige voorpoten en ronde armleuningen versierd met rozetten zien we ook terug in een portret van Napoleon. In de salon stonden tussen de ramen twee consoletafels van Muller, een ronde tafel gemaakt door Breytspraak met een pied en forme d’autel en een pianoforte vervaardigd door de Amsterdamse pianobouwers Meincke en Pieter Meyer.38 Naast de twee Romeinse consuls Marcus Curius Dentatus en Fabritius, verbeeld op de schilderijen van Flinck en Bol die respectievelijk de deugden onomkoopbaarheid en onverschrokkenheid symboliseren, verwees ook de pendule met een voorstelling van De eed der Horatiërs naar gewaardeerde eigenschappen uit de oude Romeinse Republiek: heldenmoed en trouw aan het volk. De symboliek moet Lodewijk aangesproken hebben als koning van Holland. De vertrekken van koningin Hortense werden op de grootst mogelijke afstand van de vertrekken van haar echtgenoot gesitueerd, diagonaal aan de overzijde van de hoofdverdieping. De grote scheiding was exemplarisch voor de slechte verhouding tussen beide echtelieden. Hortense schrijft over haar salon: ‘Mijn salon, die vroeger als rechtbank voor strafzaken had gediend, was versierd met een fries van wit en zwart marmeren doodskoppen, en men had dit hoog aangeschreven beeldhouwwerk niet willen vernielen. De gangen waren somber; mijn vertrekken lagen tegenover de kerk; de lucht was er afschuwelijk en als je de vensters opende drongen van de gracht verstikkende walmen en zwaveldamp naar binnen’.39 Voor de laatst in te richten vertrekken was slechts een beperkt budget beschikbaar van 25.000 gulden. Voor dit geld leverde Cuel stoelen, canapés en bergères met vergulde vrouwenhoofden in blauw en oranje. Het ameublement werd aangevuld met meubelen uit andere kamers. De bronzen klok met het thema Oedipus en Antigone, die in eerste instantie aan de kroonprins was toebedeeld, is veelzeggend. De pendule verbeeldt het verhaal van Antigone die haar vader Oedipus, ondanks dat hij zijn vader heeft vermoord, trouw blijft. Lodewijks zoons zouden altijd trouw blijven aan hun vader, ook als ze niet in zijn nabije omgeving werden opgevoed.

72


Behalve de koning en koningin kreeg ook de kroonprins, de tweede zoon van Lodewijk en Hortense, zijn eigen salon. Wederom leverde Cuel het ameublement, ditmaal met een rood en gele stoffering en uitgevoerd met vergulde leeuwenkoppen en -poten (p.17).40 De leeuw komt ook terug in de vuurbokken en de enige consoletafel die Breytspraak vervaardigde voor het Amsterdamse paleis.

Jean Auguste Dominique Ingres (1780–1867), Portret van Napoleon als Eerste Consul, olieverf op doek, 1803/4. Collection Musée des Beaux-Arts de Liège, Luik

Eetkamer Het concept van een aparte zaal om te dineren stamt uit de tweede helft van de achttiende eeuw.41 Aan het Franse keizerlijk hof was de eetzaal een van de belangrijkste ruimtes van het paleis. Eén van de hoofdstukken uit de Étiquette is geheel gewijd aan het ritueel van de maaltijden en aspecten als de tafelindeling en -dekking. In zijn paleis beschikte Lodewijk over een grote eetzaal voor officiële gelegenheden en een kleinere eetzaal in zijn eigen appartement. Verder hadden de koningin, de kroonprins, de grootmaarschalk en de adjudant van het paleis een eigen eetkamer. De noord-galerij werd geheel bestemd tot grote eetzaal. Hier stonden honderd stoelen van Breytspraak, ingelegd met ebbenhout en bekleed met scharlakenrood velours (p.52). Er lag een blauw tapijt en ook de ramen hadden blauwe gordijnen van taffeta over vitrages. Tegenover de ramen waren in de blinde nissen spiegels aangebracht om het effect van de drie lichtkronen te versterken. In vergelijking met de andere eetkamers was de grote eetzaal sober ingericht. De inventaris vermeldt slechts één ander meubel: een speeltafel (eveneens van Breytspraak). Waarschijnlijk werd maar af en toe gebruik van de zaal gemaakt en werden op dat moment de verlengbare eettafels uit de nabijgelegen eetzaal van de koning gebruikt. Witsen Geysbeek schrijft dat ‘de groote maaltijden’ gewoonlijk in de Grote Ontvangstzaal werden gehouden.42 Bij een dergelijk diner en grand

73 .


Slaapkamers Net als bij de salons was het naar Frans voorbeeld gebruikelijk dat de heer en de vrouw des huizes, in dit geval de koning en de koningin, binnen hun appartement over een eigen slaapvertrek beschikten. De koninklijke slaapkamers kregen een plek in de hoekappartementen op de bel-etage: de koning sliep in het voormalige kantoor van de thesauriers-ordinaris en de koningin diagonaal aan de andere zijde van het gebouw in de voormalige rekenkamer. Voor de slaapkamer van de koning werd uit het Haagse paleis het

74

De noordgalerij ingericht als grote eetzaal in ca. 1900. De stoelen van Breytspraak staan hier nog op hun plek. Afgebeeld in C.T.J.L. Rieber, Het Koninklijk Paleis te Amsterdam, Leiden/Haarlem 1902

couvert werd de tafel van de koning op een verhoging geplaatst met een baldakijn erboven. Vaker zullen de etentjes en petit couvert hebben plaatsgevonden in de koninklijke appartementen. Alleen het koninklijk paar zat op een fauteuil, voor de rest van het gezelschap waren er stoelen. Wanneer Lodewijk bij Hortense dineerde was het zelfs zo dat de heren in het gezelschap niet mochten zitten, tenzij de koning hen daartoe uitnodigde.43 In de eetkamers werd over het algemeen gebruik gemaakt van papierbehang als wandbespanning in plaats van stof. Papier was minder gevoelig voor het opnemen van geuren dan stof en daardoor bleef de etensgeuren minder lang in het vertrek hangen. Cuel kreeg de opdracht de koninklijke eetkamers te behangen. Zo kreeg de eetzaal van de koningin een zachtgeel behang met groene bloemen en een velours rand. Verder waren de eetkamers overwegend groen van kleur. Voor alle eetkamers maakte Breytspraak eettafels die konden worden verlengd, al naar gelang het aantal gasten. De eetzalen werden bediend door de keukens van het paleis. Hiertoe waren onderin het gebouw in de zuidwestelijke hoek diverse ruimtes ingericht met een eigen functie. Buiten de keuken waren er bijvoorbeeld een wijnkelder, rotisserie, patisserie en zilverkamer, elk met hun eigen personeel.


ameublement van de slaapkamer van de koningin gebruikt. Dit bestond uit een ledikant, twee bergères, zes fauteuils, vier stoelen, twee têtes-à-têtes (bankjes), twee voetenbankjes, een commode, een somno i.e. een rechthoekig nachtkastje bestemd voor de bourdalou, een po, en een vuurscherm. Het ledikant is nu te zien in de Assurantiekamer, een deel van de zitmeubelen staat opgesteld in de Vroedschapskamer. Dit zijn de enige meubelen die met zekerheid aan Jacob-Desmalter toegeschreven kunnen worden, omdat zijn stempel erop staat (p.18). De hoge kwaliteit viel ook tijdgenoten op: ‘men kan in dit land geen mooiere meubels bekomen’.44 Het belangrijkste meubel in de slaapkamer was echter het ledikant met een bootvormig ontwerp, de zogenaamde lit en bateau (p.51). Het bed kon op twee manieren in een ruimte worden geplaatst. De lit de bout werd met de smalle kant tegen de wand geplaatst. In het Amsterdamse paleis werd de manier lit de travers of lit de milieu gebruikt waarbij het bed met de lange zijde tegen de wand werd geplaatst. Het bed van de koning stond op een verhoging van enkele treden, met daarop een kleed met tijgerdessin. In de koninklijke slaapkamers koos men voor de hoofdkleur geel. De meubelen waren bekleed met geel satijn en ook de gele tenture was vanuit Den Haag overgebracht. De stoffering van de rest van het vertrek werd daarop aangepast. Alleen een bedhemel met bijbehorende gordijnen ontbrak. Muller maakte vervolgens een hemel die in zijn tympaanbekroning aansloot bij de rugleuning van de stoelen. Twee pilasters tegen de muur achter het bed ondersteunden de hemel. Een met de sprei harmoniërende gele stof werd gekozen voor de gordijnen en de draperieën. Ook voor de overige stoffering gebruikte men verschillende nuances geel. Van de oorspronkelijke stoffering, uit dit vertrek noch uit een der andere, is helaas niets meer over. Hortense sliep liever in haar ijzeren reisbed, hoewel zij in haar slaapkamer zowel een mahoniehouten ledikant als een rustbed tot haar beschikking had. De laatste was geleverd door Cuel, samen met acht armstoelen, twee bergères, een voetenbankje, zes stoelen, en een somno. Somnus betekent slaap in het Latijn. De nachtkastjes waren rijkelijk versierd met verguld bronzen ornamenten met voorstellingen van onder andere klaprozen en fakkels. Een ander typerend meubel in de slaapkamer was de wentelspiegel, destijds psyché genoemd. Sinds korte tijd wist men manshoge spiegels te produceren. Deze staande spiegels, die snel populair werden, worden nu tot de typische empire-meubelen gerekend.

jacob-desmalter Jacob-Desmalter was als vaste meubelmaker van de keizer en zijn familie één van de bekendste Parijse firma’s. Hij leverde meubelen van de hoogste kwaliteit. In 1763 vestigde Georges Jacob (1739–1814) zich als

75 .


menuisier, stoelenmaker, in Parijs. Hij bediende een rijke clientèle waartoe ook Marie-Antoinette behoorde. In de late jaren 1780 begon Jacob in de nieuwe, vooruitstrevende antieke stijl meubels te ontwerpen voor de schilder Jacques Louis David. Georges Jacob ontsnapte aan de guillotine door deze nauwe band met David, in tegenstelling tot het grootste deel van zijn klantenkring. In 1796 namen zijn zoons Georges Jacob II en François-Honoré-Georges Jacob het bedrijf over. De firma ‘Jacob Frères’ bleef door de woelige politieke jaren heen één van de belangrijkste meubelleveranciers voor de elite. Zo maakten zij het beroemde ameublement voor het hôtel van Madame Récamier. In oktober 1803 overleed Georges Jacob II en nam zijn broer de naam Jacob-Desmalter aan. De firma ging dan verder onder de naam ‘Jacob-Desmalter et Cie’. In het atelier van Jacob werkten honderden mensen en kon een meubel geheel gemaakt worden, van het draaiwerk tot de bekleding en de bronzen decoraties. Dit was een groot verschil met de Hollandse ateliers. Die waren ten eerste veel kleiner – zo had Breytspraak ‘maar’ tien man in dienst – en door de naweeën van het oude gildesysteem waren de werkzaamheden meer gescheiden. Eeltjes bijvoorbeeld bekleedde zijn stoelen niet zelf, maar liet dit door Weenink en Kam doen. Hierdoor vond er veel onderaanneming plaats. Hoewel Lodewijk de opdracht had gegeven zoveel mogelijk een beroep te doen op Hollandse leveranciers, werd er in het begin van zijn koningschap een grote bestelling bij Jacob-Desmalter gedaan, bestaande uit een aantal stoelen en twee bedden voor de vertrekken van de koning en de koningin (p.18). De meubelen van Jacob-Desmalter vonden ook hun weg naar particulieren in Holland. Zo kon men bij Cuel terecht voor Jacob-meubelen.



Badkamer In een aantal van zijn paleizen liet Lodewijk Napoleon een badkamer aanbrengen, waaronder in Paleis Het Loo en zijn paleis in Amsterdam.45 Lodewijk ging zeer regelmatig in bad, mede omdat hij aan een vorm van reuma leed en dacht dat het baden een heilzaam effect had. Meestal werden twee kleine ruimtes ingericht voor het badritueel. De ene diende voor de badkamer en de andere als cabinet de toilette, een soort kleedkamer. De badkamer van Lodewijk was net als de andere vertrekken gestoffeerd met een tapijt, gordijnen in rood en groen die niet geopend konden worden en ingericht met mahoniehouten stoelen, een gueridon, een spiegel en een pendule.46 Het bad zelf moest ‘van een fraaij en vertind koper zijn, en van gedaante en grootte als door den behaagen des Konings opgegeeven zal worden’.47 In een ruimte naast de badkamer zorgden een ijzeren fornuis, een koperen ketel en een loden bak met een inhoud ‘drie maal grooter dan het bad’

76


voor het warme en koude water dat via een buis door de muur het bad van water kon voorzien. Zaal van de Staatsraad De bemoeienissen van de koning bij het interieur van de Zaal van de Staatsraad zijn exemplarisch voor zijn hoge mate van betrokkenheid bij de inrichting van zijn nieuwe paleis. De Staatsraad, het adviserend orgaan van de koning, kwam voortaan bijeen in de voormalige vergaderzaal van de Vroedschap, het adviserend orgaan van het Amsterdamse stadsbestuur. De koning zelf omschreef aan intendant Van Lamsweerde nauwkeurig hoe de inrichting eruit moest zien. In het vertrek werden negen eikenhouten tafels in U-vorm geplaatst met daarop groene tafelkleden afgezet met goudgalon.48 Aan de kop stond de tafel van de koning met een karmozijnrood kleed met gouden franje. De leden van de Staatsraad kregen 38 stoelen met een bekleding van zwart velours terwijl hijzelf als voorzitter van de vergadering op een vergulde stoel zetelde. Behalve de drie consoletafels van Eduard Muller leverde Jansen de tafels, Weenink de tafelkleden en de stoffering voor de stoelen en Cuel de stoelen zelf.49 Doordat de zaal tevens als concertzaal werd gebruikt, stond het meubilair voor de vergaderingen niet permanent in dit vertrek, maar opgeslagen in een kamertje naast de Troonzaal. Op de blauwe gordijnen na was verdere stoffering niet noodzakelijk. Net als in de salon van de koning verloren de wandvullende zeventiende-eeuwse schilderijen door de nieuwe functie van de ruimte niet aan betekenis en hoefden daardoor niet te worden bedekt. Het grote schilderij Mozes kiest de zeventig oudsten en de trompe l’oeil-schilderingen vervaardigd door Jacob de Wit, en de schoorsteenstukken Salomons gebed om wijsheid van Govert Flinck en Jethro adviseert Mozes van Jan van Bronckhorst staan alle symbool voor het geven van goede raad. Bibliotheek en topografisch kabinet Net als zijn keizerlijke broer had Lodewijk een passie voor boeken. Hij zou er zelf een schrijven na zijn vertrek uit Nederland (Marie ou les Hollandoises, 1814) en doneerde grote sommen aan de Koninklijke Bibliotheek. In zijn nieuwe paleis liet Lodewijk in de voormalige secretarie dan ook een bibliotheek inrichten, die hij gebruikte als zijn werkkamer. Volgens Garnier was de bibliotheek te Amsterdam de omvangrijkste van alle paleizen, met 4.325 boekwerken. Een kwart daarvan betrof Nederlandse titels. Alleen in het Amsterdamse paleis was daarnaast een cabinet topographique (kaartenkamer) ingericht. Hier beschikte de koning over 266 kaarten, atlassen, reiskaarten en schetsen van de hele wereld. Napoleon liet uiteindelijk een selectie hiervan overbrengen naar Parijs.50

77 .


De Vroedschapskamer. Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto Wim Ruigrok

De bibliotheek en het kabinet werden door Cuel behangen met groen behangselpapier en groene zijden gordijnen. Groen was de geijkte keuze voor bibliotheek en studeervertrek, aangezien men dacht dat deze kleur rustgevend voor de ogen was.51 Cuel leverde verder stoelen en fauteuils voor de twee ruimten. In de bibliotheek bevond zich ook een ‘Napoleon’, een klein kistje waarin papieren werden bewaard.52 De imposante boekenkasten werden geleverd door Carel Breytspraak (p.33). Uit het contract dat daarvoor opgesteld werd met Ziesenis blijkt dat de kasten voor een bedrag van 6.000 gulden binnen vier weken dienden te worden geleverd. Elke dag uitstel werd beboet met 50

gulden. De kasten dienden te worden gemaakt naar een geleverde tekening met ‘planken van extra droog Rijnsche of Rigaas wagenschots (fijn, kwartiers gezaagd eikenhout), en de pilasters, lijsten, voetstuk, plinten en voorsprong van massief gaaf en fraay gevlamd mahonij hout’.53 De planken werden bekleed met groen laken met goudgalon, en voor de deuren kwamen groene geplisseerde gordijnen om de boeken tegen stof en licht te beschermen.54 Boven de deuren stonden de namen van de negen muzen: Klio, Thalia, Erato, Euterpe, Polyhymnia, Kalliope, Terpsichore, Urania en Melpomene. Nog geen jaar later werden de bibliotheek en het kabinet verplaatst naar de tussenverdieping, om ruimte te maken voor de salon en slaapkamer van de kroonprins. Daarbij verdwenen een aantal muzen.

78


Koninkli j k e ka p el

Carel Breytspraak (1769–1810), In tafel opklapbare trap voor de bibliotheek, 1809. Intendance der Koninklijke Paleizen, ’s-Gravenhage. Foto Saskia Broekema

Naar Frans gebruik liet de praktiserend rooms-katholieke Lodewijk in de Constitutie voor het Koninkrijk Holland vastleggen dat in al zijn paleizen een kapel zou worden gesticht voor diensten voor de koninklijke familie en haar hofhouding.55 De kapel van zijn Amsterdamse paleis kreeg een plek op de begane grond, in de voormalige Vierschaar. De twee etages hoge ruimte waar in de stadhuisperiode het doodvonnis ceremonieel werd uitgesproken, lijkt door haar monumentale uitstraling toepasselijk voor een kapel. Uit de bewaard gebleven bouw-

plannen blijkt echter dat door de toevoeging van een verlaagd plafond en een verhoogde vloer de Vierschaar een volledige transformatie had ondergaan. De dramatische sculpturen en reliëfs van de beeldhouwer Artus Quellinus verborg de tapissier achter blauwe draperieën. Niets herinnerde meer aan de voormalige functie van de ruimte. In de eenvoudig ingerichte kapel stonden dertig iepenhouten stoelen bekleed met zwart velours en twee bronskleurige credenstafels.56 Het noodzakelijke altaarzilver werd vanuit de Utrechtse hofkapel overgebracht. Volgens de beschrijving van Witsen Geysbeek uit 1809 heerste er ‘eene donkerheid, welke ten volle overeenstemt met het plegt-statelijke doel’ van de kapel.57 De koning zelf woonde de dienst bij vanuit

79 .


een koninklijke loge, een vast element in de kapel van de paleizen. De koning kon deze loge bereiken via zijn privé-vertrekken op de hoofdverdieping. Het altaar stond tegenover de loge voor de voormalige secretariszetel. Boven het altaar hing een schilderij van met een voorstelling van de geboorte van Jezus.58 Appar tement van de Grootmaarschalk Op de begane grond aan de achterzijde van het paleis, op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal met de Paleisstraat, bevond zich het appartement van de grootmaarschalk Du Broc. Deze was als Grand Maréchal verantwoordelijk voor de koninklijke paleizen; hun inrichting, de verdeling van kamers en meubelen en hun onderhoud.59 Terwijl de andere grootofficieren in huizen in de stad werden ondergebracht, had de grootmaarschalk in het paleis een eigen vestibule, eetzaal, salon, kabinet, slaapkamer, boudoir en bureau tot zijn beschikking. De aankleding daarvan was wel iets minder rijk dan die van de bovengelegen appartementen. Zo stonden er in de eetzaal stoelen van iepenhout in plaats van mahonie, bekleed met zwart velours. Deze stoelen werden geleverd door Cuel. De vertrekken waren overwegend groen van kleur, met uitzondering van de salon. Hiervoor leverde Eeltjes een ameublement van een bank, armstoelen en stoelen bekleed door Weenink en Kam met hemelsblauwe gourgouran afgezet met oranje-wit galon.60 De gordijnen en het tapijt waren eveneens blauw met oranje. Personeelsver trekken De tweede en derde verdieping waren bestemd voor de huisvesting van het lagere personeel. De voltallige hofhouding bestond uit meer dan 300 hoofden, van de grootmaarschalk tot de kaarsenjongen. Niet iedereen kon in het paleis worden ondergebracht. De kamers waren ingericht naar de hofhiërarchie: hoe hoger de functie die iemand bekleedde, des te meer kamers en meubelen stonden hem tot beschikking. Het eenvoudigste onderkomen was een enkel vertrek met daarin een eikenhouten schrijftafel en een nachtkastje, twee stoelen met rieten zitting en een stapelbed: deze kamers werden dan ook door meerdere personen gebruikt. De hiërarchie bepaalde ook het uiterlijk van de meubelen. Waren in de koninklijke vertrekken de commodes van mahoniehout met wit marmeren bladeren, die van de grootmaarschalk had een blad van grijs marmer; een rang lager moest het doen met eikenhouten meubelen met een marmeren blad, en weer een stap lager waren de commodes van naaldhout met een houten blad. Dit onderscheid was ook terug te zien in de bedden, die van rijke mahoniehouten meubelen met vuur verguld beslag terugliepen naar eenvoudige, opklapbare exemplaren.

80


Overigens waren het wèl dezelfde leveranciers die ook de bovenverdiepingen inrichten.61 Decoratie

De Vierschaar, de voormalige hofkapel. Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto Wim Ruigrok

De decoratie in de aankleding van het Amsterdamse paleis werd door de architecten niet willekeurig gekozen. Binnen de paleizen van de familie Bonaparte waren meubelen net als uniformen, eretekens, juwelen, klokken en serviezen politieke instrumenten om de glorie van het Franse rijk uit te stralen. Naast de plaats van het meubilair en regels

over het gebruik ervan binnen het hof volgens de Étiquette, benadrukte ook de symboliek in de decoratie de machtspositie van de keizerlijke familie.62 In het Amsterdamse paleis lijkt deze symboliek minder prominent aanwezig in vergelijking met de Franse paleizen, zeker nu het tegenwoordig moeilijk voor te stellen is hoe de ruimten er destijds uit gezien moeten hebben. Toch zijn er nog elementen in het decoratieprogramma terug te vinden die verwijzen naar leiderschap, macht en andere relevante eigenschappen passend bij een koning. Het gebruik van specifieke symbolen als uiting van een politieke macht komt voort uit een eeuwenoude traditie. Na de Revolutie zochten de Fransen naar een tegenhanger van de Franse lelie, het symbool van de afgezette Bourbon koningen. De vormentaal van de klassieke

81 .


82

Albert Eeltjes (1751–1836), Fauteuil uit het appartement van de grootmaarschalk. Rijksgebouwendienst, ‘s-Gravenhage. Foto Wim Ruigrok

oudheid bleek hiervoor uitermate geschikt, zoals de Frygische muts op een lans als symbool van de vrijheid en de fasces (roedenbundel) als symbool van rechtvaardigheid, eendracht en macht.   Napoleon, die in 1799 na een staatsgreep als Eerste Consul van de Franse Republiek aantrad, zocht net als zijn politieke voorgangers naar persoonlijke emblemen. Naast de letter N vond Napoleon deze in de grootse dynastieën uit het verleden: de adelaar – de absolute heerser van het rijk der vogels en symbool van zijn grote voorbeeld Karel de Grote, keizer van het West-Romeinse Rijk – en de bij – het symbool van de Merovingen, koningen van de Salische Franken. Zijn broer Lodewijk nam in de ontwerpen voor het wapen van zijn nieuwe koninkrijk de bij, de letter N en de adelaar over als verwijzing naar Frankrijk. Daarnaast eigende hij zich de Hollandse gekroonde generaliteitsleeuw toe die elf pijlen, de elf departementen van Holland, vasthoudt. Als Grand Connêtable van Frankrijk mocht Lodewijk de handen met zwaarden aan het wapen toevoegen. Specifieke verwijzingen naar Napoleon zelf zijn in het Amsterdamse paleis niet meer terug te vinden, als ze er überhaupt al zijn geweest. Zwanen en vlinders, in Frankrijk geassocieerd met keizerin Joséphine, daarentegen wel, maar deze symbolen verloren in Holland hun persoonlijke relatie met de keizerin (p.16 & 35). De vlinder is namelijk gerelateerd aan het verhaal over de onmogelijke liefde tussen Psyché en Amor, en staat symbool voor de ziel en de gewichtloze wereld. De zwaan staat binnen de Griekse mythologie voor de gedaanteverandering van Zeus en is tevens verbonden aan de goden Venus en Apollo. De Kelten beschouwden de zwaan als het embleem van vorstelijkheid en zuiverheid.63 Immens populair in het Amsterdamse paleis was het thema van de overwinning, de Victorie en bijbehorende symbolen als lauwerkransen, olijftakken, palmtakken, eikenbladeren, vleugels, trofeeën, helmen, zwaarden, strijdbogen en fasces. Andere veelvoorkomende classicistische motieven waren bazuinen, de lier en attributen van verschillende Griekse en Romeinse goden, en beeltenissen van de goden zelf zoals


Minerva, Venus, Apollo, Bacchus, Mars en Diana. Deze werden aangevuld met decoratieve elementen als sterren, griffioenen, chimaera, leeuwenpoten, bloemen, palmetten, putti, dansende nimfen, sfinxen en Egyptische vrouwenhoofden. Een groot deel van de decoratieve motieven was gebaseerd op archeologische vondsten van Napoleons expeditie in Egypte en muurschilderingen in Pompeï, die in de achttiende eeuw door opgravingen werden ontdekt.64 In Recueil de décorations intérieures stelden Percier en Fontaine dat de keuze van de decoratie op het desbetreffende meubel of object ook afgestemd moest zijn op de functie van het meubelstuk. Hun dogma, overgenomen van twee Franse architecten Ledoux en Boulée, was als volgt: ‘Doe alles met een reden, voer alles zo uit dat die reden duidelijk zichtbaar is, en de gebruikte middelen rechtvaardigt’.65 Zo werden bijvoorbeeld symbolen van slaap (klaproos), vruchtbaarheid (Thyrsus staf) of de nacht (godinnen met toortsen) aangebracht op meubelstukken in de slaapkamer (p.10). Het ging hierbij niet zo zeer om het uitbeelden van de functionele waarden van het object, als wel dat er een verbinding werd gelegd met het verleden. De relatie met het alom bekende culturele erfgoed van de antieke oudheid versterkte de boodschap van grootsheid en macht die een empire inrichting diende uit te stralen.

klokken Een belangrijk element in het empire interieur waren klokken.66 De toevoeging van klokken was niet alleen bedoeld om het functionele aspect – het lezen van tijd – maar diende ook als statussymbool, als luxe object, pronkstuk en versterkte in veel gevallen de symboliek binnen het interieur. In de 1.500 kamers van het paleis van Fontainebleau stonden in totaal 66 pendules en in Malmaison twaalf. Uit de inventarissen uit 1810 blijkt dat Paleis Het Loo twaalf empire klokken in bezit had, het paleis in Utrecht en het Paviljoen in Haarlem beide vier. In het Amsterdamse paleis stonden de meeste klokken met minimaal dertien gedocumenteerde varianten. De klokken in het Amsterdamse paleis zijn allemaal van Franse makelij, maar besteld bij Nederlandse leveranciers zoals de eerder genoemde Haagse firma P. Reeder en de Amsterdamse firma Ciovino & de Gebroeders Truffino. De klokken kregen een vaste plek op een schoorsteenmantel of op een wandtafel voor een spiegel. Het brons werd vaak gecombineerd met andere luxueuze materialen als marmer, half-edelstenen en porselein. De meest simpele empire klokken waren gebaseerd op vormen uit de architectuur. Het Amsterdamse paleis had in ieder geval één soortgelijke klok. Alle andere klokken in het paleis waren zogenaamde pendules à sujet, klokken met een voorstelling. De voorstellingen zijn ontleend aan populaire thema’s uit de klassieke oudheid of

83 .


gebaseerd op beroemde eigentijdse schilderijen of beeldhouwwerken zoals De Eed der Horatiërs van Jacques Louis David (1748–1825) (p.85). Doordat een aantal klokken in de inventarissen zonder verdere naamsduiding als pendule te boek staan, is het niet met zekerheid te achterhalen om welke klokken uit de huidige collectie het gaat, wanneer deze zijn aangekocht en in welke ruimte ze precies hebben gestaan.67 De klokken namen een groot deel van het inrichtingsbudget voor hun rekening. Voor een simpele klok betaalde men al gauw 500 gulden en een mooier exemplaar ging voor 2.200 gulden of meer. De duurste pendule in het Amsterdamse paleis is de klok met een voorstelling van Napoleon als Caesar aangekocht voor een bedrag van 4.200 gulden (p.7). Een voorbeeld van een klok met een toepasselijke symboliek is de pendule Studie en lichtzinnigheid uit de salon van de kroonprins.68 Het feit dat de Studie zich in de afgebeelde scène niet laat afleiden door Lichtzinnigheid moest een wijze les zijn voor de jonge prins.

Besluit Lang heeft Lodewijk Napoleon niet van de inrichting van zijn Amsterdamse paleis kunnen genieten. Ruim twee jaar na de intocht in Amsterdam, op 1 juli 1810, deed de koning onder druk van zijn broer keizer Napoleon afstand van de troon ten behoeve van zijn zoon, kroonprins Napoléon-Louis. In plaats van de troonsoverdracht toe te kennen lijfde Napoleon op 9 juli de Hollandse departementen bij het Franse keizerrijk in. Een maand later werd het paleis officieel tot Keizerlijk Paleis verklaard. Napoleon en zijn tweede vrouw Marie-Louise zouden uiteindelijk alleen in oktober 1811 in het Paleis op de Dam verblijven. Sinds het vertrek van de Fransen is de inrichting van het paleis compleet veranderd. De protestantse Koning Willem I liet als eerste de katholieke hofkapel ontmantelen. In de eeuw die volgde, veranderde de inrichting beetje bij beetje door het wijzigen van de functies van verschillende ruimten, aanvullingen van objecten zoals nieuwe kroonluchters en vernieuwingen in stoffering door slijtage. Toch zijn het vooral de restauraties van de jaren 1930 en 1950 geweest waarbij de meeste elementen uit de korte Franse periode voorgoed zijn verwijderd. Intensief gebruik van het gebouw en het meubilair gedurende twee eeuwen heeft duidelijk haar sporen achtergelaten. Voor de herinrichting bij de renovatie van het Koninklijk Paleis Amsterdam tussen 2005 en 2009 is het grootste deel van het empire meubilair gerestaureerd en opnieuw gestoffeerd. Anders dan bij een museaal object zijn de meubelen nog altijd in gebruik. Vereisten voor de restauratie waren soliditeit en stabiliteit van de constructie en een kwalitatief goede bekleding met zo min mogelijk verlies van het oorspronkelijke uiterlijk.

84


Anoniem, Wapenschild van het Koninkrijk Holland: ‘Eendragt maakt magt’, tekening, 1806–1810. Atlas van Stolk, Rotterdam

Net als in het begin van de negentiende eeuw is de empire collectie weer in haar volle glorie te bewonderen, of in de woorden van de Franse hovelingen, een coup d’oeil majestueux! Drs. Renske Cohen Tervaert wetenschappelijk medewerker Koninklijk Paleis Amsterdam

Drs. Aagje Gosliga onderzoeker/kunsthistorica

85 .


1 2 3 4

Onze dank gaat uit naar dr. Paul Rem voor zijn adviezen bij het schrijven van dit artikel. Kikkert 1981, p. 67. Brugmans 1913, pp. XXXV-XXXVII en pp. 102–103. Lunsingh Scheurleer 1953, p. 247. Pieter Vlaardingerbroek geeft in zijn publicatie Het paleis van de Republiek: geschiedenis van het stadhuis van Amsterdam een uitgebreide uiteenzetting van de structurele veranderingen tussen 1808 en 1809: Vlaardingerbroek 2011, p. 175–203. 5 De voorgeschreven indeling van een Franse paleis wordt uitgebreid behandeld in het artikel van Frans Grijzenhout en van Bernard Chevallier, respectievelijk pp. 25–30 en pp. 41–42. 6 Voor meer informatie over het verwarmingssysteem zie Huisken 1996, pp. 75–79; en Vlaardingerbroek 2011, p. 186. 7 De kosten van het aanbrengen van het balkon werden in mei 1808 vastgesteld op een totaal van 8.900 gulden. Nationaal Archief, ‘s-Gravenhage (NA), 2.01.25, inv.nr. 100, nr. 23/25. Pas op 10 november 1808 was het balkon geïnstalleerd. 8 Vlaardingerbroek 2011, p. 188. Zie ook het artikel van Frans Grijzenhout, p. 30. 9 Vlaardingerbroek 2011, p. 189. 10 Vlaardingerbroek 2011, p. 181. 11 Ibid. Op 30 juli 1808 veranderde de onderlinge werkverdeling: de architecten moesten de ontwerpen maken en deze ter goedkeuring overleggen aan Thibault. De meeste grote verbouwingen waren echter al voor die tijd uitgevoerd. 12 Voor een uitgebreide uiteenzetting van de organisatie van de hofhouding in relatie tot de opdrachtgeving rond de inrichting, zie: Gosliga 2007, pp. 81–84. 13 Zie artikel Frans Grijzenhout op p.29. 14 Witsen Geysbeek 1809, p. 100. 15 NA, 2.01.25, inv.nr. 100, Estimat no. 2, 24 februa ri 1809 en inv.nr. 54.II, nr. 44, 26 januari 1809. 16 Vlaardingerbroek 2011, p. 181–182. 17 Vlaardingerbroek 2011, p. 185–186. 18 Heiden 2009, p. 3, 16 –17. 19 AN, fonds 112 AP, inv.nr. 1, brief 28 augustus 1806. 20 Zie voor meer informatie over de leveranciers Berkhout 1953, Gosliga 2006, Lunsingh Scheurleer 1953 en 1955 en Rem 2003. 21 Chevallier 2008, p. 208. 22 NA, 2.01.25, inv.nr. 109. 23 Een innovatie waarbij zuurstof werd toegevoegd aan de lamppit, waardoor er een gelijkmatig, rustig licht ontstond. Zie voor meer informatie over elektrisch licht in historische interieurs de volgende uitgave van de Rijksgebouwendienst: Beek 2011. Voor meer informatie over de restauratie van de verlichting in het Koninklijk Paleis Amsterdam zie Heiden 2009, pp. 9–10. 24 Garnier 1828, p. 9. 25 Witsen Geysbeek 1809, p. 96. 26 Brugmans 1983, p. XLIV en 177. 27 Vlaardingerbroek 2011, p. 198. 28 NA, 2.01.25, inv.nr. 100, nr. 1, brief 27 februari 1808. 29 NA, 2.01.25, inv.nr. 368, nr. 749. 30 Garnier 1823, p. 128.

86

31 NA, 2.01.25, inv.nr. 54.II, no. 83, brief 14 augustus 1809. 32 Étiquette 1808, p. 118; 77. 33 KHA, G4–D9, p. 83. Deze fauteuils zijn op details na gelijk aan stoelen in Huis Barnaart te Haarlem, eveneens geleverd door Cuel, die Lodewijk bij zijn bezoek aan die stad gezien moet hebben. 34 Fleurbaay 1983, p. 36. 35 Het is onbekend welk spel er werd gespeeld. Hogendorp 1981, p. 118. 36 KHA, G4– D8 37 Fleurbaay 1983, p. 40. 38 Lunsingh Scheurleer, p. 255. 39 Zaal 1983, pp. 162–163. Zie ook Huisken 1996, pp. 129–134. 40 Fleurbaay 1983, p. 46. 41 DeLorme 2005, p. 70. 42 Witsen Geysbeek 1809, p. 9. 43 Étiquette 1808, p. 97, 101, 103. 44 NA, 2.01.25, inv.nr. 100, nr. 222. 45 Rem 2006, p. 139. 46 KHA, G4–D8. Huisken 1996, pp. 116 –117. 47 NA, 2.01.25, inv.nr. 100, nr. 162. 48 KHA, G4-D3: ontwerp in potlood van plaatsing meubilair Staatsraad. Zie ook Fleurbaay 1983, p. 38 en Huisken 1996, pp. 92– 97. 49 KHA, G4–D3: Palais d’Amsterdam, Extract des sommes partis sur l’Etat du Mobillier (datum onbekend). Zie ook Lunsingh Scheurleer 1953, p. 258. 50 Garnier 1828, p. 153. 51 Chevallier 2008, p. 207. 52 AN, fonds O/2, inv.nr. 1098, inventaris paleis Amsterdam, 1812, p. 18. 53 NA, 2.01.25, inv.nr.156, nr. 40. 54 NA, 2.01.25, inv.nr 156, nr. 122, 8 december 1808. De planken werden bekleed door Weenink en Kam, in 29 dagen. Zij leverden bovendien twee groene tafelkleden voor de leestafels in beide vertrekken. 55 Zie voor een uitgebreide uiteenzetting van alle hofkapellen van Lodewijk Napoleon: Rem 2007, pp. 157–158. Publicaties die enkel de hofkapel in Amsterdam behandelen zijn: Fleurbaay 1983, p. 32; Huisken 1996, pp. 100–103; Brugmans 1913, pp. XXIV en XXX; Molen 1973, pp. 7– 9. 56 KHA, G4–D8. 57 Witsen Geysbeek 1809, p. 97. 58 KHA, G4–D8. 59 KHA, G4–A3, Étiquette 1809, p. 2. 60 NA, 2.012.25, inv.nr. 365, nr. 609, rekening Eeltjes en KHA, G4–C38: rekening van Weenink & Kam, voor diverse paleizen. 61 KHA, G4–D8. 62 DeLorme 2005, p. 58. 63 Nouvel-Kammerer 2007, p. 23. 64 DeLorme 2005, p. 106. 65 Percier en Fontaine 1812, p. 10. 66 Chevallier 2008, pp. 31–34, Haspels 2003, pp. 32– 40. 67 Erkelens 2006, pp. 65–71. 68 AN, fonds O/2, inv.nr. 1098, inventaris Paleis Amsterdam, 1812.


Klok ‘Eed der Horatiërs’, Parijs, ca. 1808 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang

87 .


88

Carel Breytspraak (1769-1810), Cilinderbureau uit de slaapkamer van de koning, 1808-1809 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Qiu Yang


Literatuur

Afkortingen voor geraadpleegde archieven AN KHA NA SA

= = = =

A rchives Nationales, Parijs Koninklijk Huisarchief, Den Haag N ationaal Archief, Den Haag S tadsarchief Amsterdam

Amelunxen 1989 Amelunxen, Louis Bonaparte. Bruder Napoleons – Erster König von Holland, Keulen etc., 1989 Beek 2011 R. van Beek, Wout van Bommel, Henk van der Geest, Elektrisch licht in historische interieurs, Rijksgebouwendienst, Den Haag 2011 Beekelaar 2012 G.A.M. Beekelaar, ‘Adriaan Pieter Twent’: Biografisch Woordenboek van Nederland, URL: http:// www.historici.nl/Onderzoek/ Projecten?BWN_1780tot1830 Bergvelt 1984 E. Bergvelt, ‘De élèves-pensionnaires van Koning Lodewijk Napoleon’, in: Reizen naar Rome: Italië als leerschool voor Nederlandse kunstenaars omstreeks 1800, cat.tent. Haarlem, Teylers Museum, 1984, pp. 45-79 Bergvelt 2007 E. Bergvelt, ‘Lodewijk Napoleon, de levende meesters en het Koninklijk Museum (1806-1810)’, in: E. Koolhaas-Grosfeld e.a. (red.), Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, Zwolle 2007, pp. 63-77 Berkhout 1953 O. Berkhout, ‘De Haagse stoelenmaker Albert Eeltjes (1751-1836)’, Antiek 9 (1974-1975), pp. 453466 Bonaparte 1820 Louis Bonaparte, ex-Roi de Hollande, Documens historiques et réflexions sur le gouvernement de la Hollande, 3 delen, Parijs 1820

Brandsma 2006 F. Brandsma, ‘Een basterd Code Napoleon’? Het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland’, in: J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (1806-1810), Hilversum 2006, pp. 221-249 Braster 2006 J.F.A. Braster, ‘De schoolwet van 1806: blauwdruk voor een onderwijsbestel’, in: J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nerderland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (18061810), Hilversum 2006, pp. 147-164 Brugmans 1913 H.P. Brugmans, Van Raadhuis tot Paleis, Amsterdam 1913 Brummel 1951 L. Brummel, ‘De zorg voor kunsten en wetenschappen onder Lodewijk Napoleon’, Publicaties van het genootschap voor Napoleontische studiën 1 (1951) pp. 11-26 Van der Burg 2009s M. van der Burg, Nederland onder Franse invloed. Culturele overdracht en staatsvorming in de napoleontische tijd, 1799-1813, Amsterdam 2009 Cat.tent. 1959 Cat. tent. Lodewijk Napoleon en het Konink­r ijk Holland, Amsterdam (Rijksmu­s eum), 1959 Cat.tent 1993 Cat. tent. La reine Hortense. Une femme artiste, Arenenberg en Parijs, 1993

89 .


Chevallier 2008 B. Chevallier, Empire Style, Authentic Decor, Thames & Hudson, Londen 2008 Colenbrander 1903 H.Th. Colenbrander, ‘Gijsbert Karel van Hogendorp in zijn rijpen leeftijd IV’, Onze Eeuw 3 (1903), pp. 720-781 Colenbrander 1919 H.Th. Colenbrander, ‘Studiën over de Nederlandse restauratie’, De Gids 83 (1919), pp. 48-92 De la Croix 1984 R. de la Croix, duc de Castries, La reine Hortense, fille d’impératrice et mère d’empereur, Parijs 1984 DeLorme 2005 Eleanor P. DeLorme, ‘Innovative Interiors: The Settings for Joséphine’s Life’, in Eleanor P. DeLorme (red.), Joséphine and the Arts of the Empire, Los Angeles 2005, pp. 57-75 De Negentiende Eeuw 30 De Negentiende Eeuw 30 (2006) nrs. 3-4: Themanummer: Het Koninkrijk Holland (1806-1810) Dölle 2006 A.H.M. Dölle, ‘De constitutie voor het Koningrijk Holland van 1806’, in: J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nederland in Franse schaduw, Hilversum 2006, pp. 25-47 Dufresne 2000 C. Dufresne, La reine Hortense, Parijs 2000 Eliëns 2007 T. Eliëns, ‘Een Franse zetbaas als pleitbezorger voor de Hollandse nijverheid’, in: E. Koolhaas-Grosfeld e.a. (red.), Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, Zwolle 2007, pp. 63-77 Emeis 1981 M.G. Emeis, Het Paleis op de Dam. De geschiedenis van het gebouw en zijn gebruikers, Amsterdam 1981 Erkelens 2006 W. Erkelens, ‘De “patriottische intentie” van Lodewijk Napoleon: tafelstukken en pendules uit Parijs’, in: A.D. Renting, Lodewijk Napoleon; Aan het hof van onze eerste koning 1806-1810, Zutphen 2006, pp. 63-79 Étiquette 1806 Étiquette du Palais Impérial, Parijs 1806

90

Étiquette 1808 Étiquette du Palais Royal, Utrecht 1808 Evers 1941 G.A. Evers, Utrecht als koninklijke residentie. Het verblijf van Lodewijk Napoleon te Utrecht , 1807-1808, Utrecht 1941 Fleurbaay 1983a E. Fleurbaay, Empire in het Paleis; De inrichting van het Paleis op de Dam ten tijde van Lodewijk Napoleon, Amsterdam 1983 Fleurbaay 1983b E. Fleurbaay. ‘De kroonluchters in de Burgerzaal van het Paleis op de Dam’, Antiek, vol. 18 (19831984), pp. 5-14 Fontaine 1987 P.-F.-L. Fontaine, Journal, eerste deel, Parijs 1987 Garnier 1823 A.L. Garnier, Het hof van Holland, onder den regering van Lodewijk Bonaparte. Door een Auditeur, Amsterdam 1823 Garnier 1828 A.L. Garnier, Mémoires sur la cour de Louis Napoléon et sur la Hollande, Parijs 1828 Goossens 2005 E.-J. Goossens (red.), Stadhuis van Oranje. 350 jaar geschiedenis op de Dam, Amsterdam 2005 Gosliga 2006 A. Gosliga, ‘The Dutch tapissiers of Louis Napoleon’, in: H. Piena en A. Barth (red.), Empire Furniture: introduction, adoption, adaptation and conservation: proceedings eighth international symposium on wood and furniture conservation, Amsterdam, 17-18 november 2006 Gosliga 2007 A. Gosliga, ‘ “L’intention patriotique” van Lodewijk Bonaparte  en de Hollandse kunstnijverheid’, in: E.A. Koolhaas-Grosfeld (red.), Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, Zwolle 2007, pp. 77-99 De Gou 1997 L. de Gou, De Staatsregeling van 1805 en de Constitutie van 1806: bronnen voor de totstandkoming, Den Haag 1997


Grijzenhout 1999 F. Grijzenhout, Een Koninklijk Museum. Lodewijk Napoleon en het Rijksmuseum 1806-1810, Zwolle 1999 Grijzenhout 2007 F. Grijzenhout, Erfgoed. De geschiedenis van een begrip, Amsterdam 2007 De Haan/Van Zanten 2006 I. de Haan en J. van Zanten, ‘Lodewijk als wegbereider van Willem? Kritische kanttekeningen bij een nieuw idée reçu’, in: Het Koninkrijk Holland (18061810), pp. 285-301 Hallebeek/Sirks 2006 J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (1806-1810), Hilversum 2006 Hanoteau 1927-1930 J. Hanoteau (red.), Mémoires de la reine Hortense, publiés par le prince Napoléon, 3 dln., Parijs 1927-1930 Haspels 2003 J.J.L. Haspels, A.M.L.E. Erkelens, M.F. van KersenHalbertsma, Koninklijke klokken in Paleis Het Loo, Zwolle 2003 Van Hattum 1988 M. van Hattum, Jan Fredrik Helmers. Drie gedichten (1808), Amstelveen 1988 Heiden 2009 P. van der Heiden, Restauratie en renovatie van het paleis; Negentiende-eeuwse schittering in zeventiendeeeuwse context, Rijksgebouwendienst, Alkmaar 2009 Hogendorp 1981 G.K. van Hogendorp, Journal d’Adrichem (1806-1809) en Journal de La Haye (1810-1813), Den Haag 1981 Hoogenboom 1985 A. Hoogenboom, ‘De rijksoverheid en de moderne beeldende kunst in Nederland, 1795-1848’, in: H. van Dulken, e.a. (red.), Kunst en beleid in Nederland, Amsterdam 1985, pp. 13-79 Huisken 1996 J. E. Huisken, ’s Konings Paleis op den Dam. Het Koninklijk Paleis op de Dam historisch gezien, Zutphen 1996

Joor 2000 J. Joor, De adelaar en het lam. Onrust , opruiing en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de Inlijving bij het Franse Keizerrijk (18061813) Amsterdam, 2000 Jourdan 2006 A. Jourdan, ‘Staats- en natievorming in de tijd van Lodewijk Napoleon’, in: Het Koninkrijk Holland (1806-1810), pp. 132-147 Jourdan/Van der Burg 2005 A. Jourdan en M. van den Burg, ‘Napoléon et les élites bataves: un même combat?’, in: T. Lentz (red.), Napoléon et l’Europe. Regards sur une politique, Parijs 2005, pp. 226-257 Kikkert 1981 J.G. Kikkert, Koning van Holland. Louis Bonaparte 1778-1846, Rotterdam 1981 Koolhaas-Grosfeld 2001 E. Koolhaas-Grosfeld, ‘Tentoonstellingen 1808-1813: een kleine selectie van grote werken’, in: J. Kloek en W.W. Mijnhardt, 1800. Blauwdrukken voor een samenleving, Den Haag 2001, pp. 409-417b Koolhaas-Grosfeld e.a. 2007 E. Koolhaas-Grosfeld e.a. (red.), Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, Zwolle 2007 Koolhaas-Grosfeld 2010 E. Koolhaas-Grosfeld, De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800, Zutphen 2010 Lefuel 1923 H. Lefuel, François-Honoré-Georges Jacob-Desmalter, Parijs 1923 Lok 2006 M. Lok, “De schaduwkoning”, de beeldvorming van koning Lodewijk tijdens de Restauratie’, Het Koninkrijk Holland (1806-1810), pp. 273-285 Lok 2009 M.M. Lok, Windvanen. Napoleontische bestuurders in de Nederlandse en Franse Restauratie, 1813-1820, Amsterdam 2009 Lokin e.a. 2010 J.H. Lokin e.a. (red.), Tweehonderd jaar codificatie van het privaatrecht in Nederland, Groningen 2010

91 .


Lunsingh Scheurleer 1953 Th.H. Lunsingh Scheurleer, ‘De inrichting van het Koninklijk Paleis te Amsterdam onder Lodewijk Napoleon’, in: Publikaties van het Genootschap voor Napoleontische Studiën, 1953, vol. 4, pp. 243-258 Lunsingh Scheurleer 1955 Th.H. Lunsingh Scheurleer, ‘De inrichting van het Koninklijk Paleis te Amsterdam onder Lodewijk Napoleon II’, in: Publikaties van het Genootschap voor Napoleontische Studiën, 1955, vol. 7, pp. 25-35 Meeuwse 2008 K. Meeuwse (red.), Lodewijk Napoleon. De Hollandse jaren, Uithoorn 2008 Mijnhardt 1997 W. W. Mijnhardt, ‘ “Het Volk van Nederland eischt Verlichting”: Franse hervormingsijver en Nederlandse wetenschapsbeoefening (1795-1815),’ in: W.P. Gerritsen, Het Koninklijk Instituut (18081851) en de bevordering van wetenschap en kunst, Amsterdam 1997, pp. 11-37 Molen 1973 Joh.R. ter Molen, ‘Het zilver van de “Warmondcollectie”, herdruk uit Jaarboek Haarlem (1973) Nouvel-Kammerer 2007 O. Nouvel-Kammerer, Symbols of Power, Napoleon and the Art of the Empire Style 1800-1815, Harry N. Abrams inc., New York 2007 Ouwerkerk 2003 A. Ouwerkerk, Tussen kunst en publiek, Leiden 2003 Percier en Fontaine 1812 C. Percier en P. F. L. Fontaine, Recueil de décorations intérieures comprenant tout ce qui a rapport à l’ameublement , Parijs 1812 Rem 2003 Paul Rem, Hofmeubilair. Negentiende-eeuwse meubelen uit de collectie van Paleis Het Loo, Zwolle 2003 Rem 2006 P. Rem, ‘De paleizen van Lodewijk Napoleon en hun inrichting’, in: A.D. Renting, Lodewijk Napoleon. Aan het hof van onze eerste koning 1806-1810, Zutphen 2006, pp. 19-35 Rem 2007 P. Rem, ‘De hofkapel in de Hollandse paleizen van Lodewijk Napoleon’, in: E.A. Koolhaas-Grosfeld (red.), Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, Zwolle 2007, p. 149-165

92

Reynaerts 2001 J. Reynaerts, ‘Het karakter onzer Hollandsche School.’ De Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, 1817-1870, Leiden 2001 Rietbergen 2006 P.J. Rietbergen, Lodewijk Napoleon, Nederlands eerste koning 1806-1810, Amersfoort/Brugge 2006 Rocquain 1875 F. Rocquain, Napoléon et le roi Louis, Parijs 1875 Roeleveld 2006 J. Roeleveld, “Cette grande inertie qu’on rencontre sans cesse dans la marche des affaires”, in: Het Koninkrijk Holland (1806-1810), pp. 177-192 Rosendaal 2005 J. Rosendaal (inl.), Staatsregeling voor het Bataafsche volk 1798. De eerste grondwet van Nederland, Nijmegen 2005 Samoyault-Verlet 1974 C. Samoyault-Verlet, ‘Le remeublement de Fontainebleau sous l’Empire’, Souvenir napoléonien, nr. 277, september 1974 Sanders 2007 G. Sanders, ‘De Ridderorden van Lodewijk Napoleon’, in: E. Koolhaas-Grosfeld e.a. (red.), Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, Zwolle 2007, pp. 37-63b Van Sas 2004 N.C.F. van Sas, De metamorfose van Nederland: van oude orde naar moderniteit , 1750-1900, Amsterdam 2004 Schoon 2006 D.J. Schoon, ‘Lodewijk Napoleon en de regeling der godsdiensten in Holland’, in: J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (1806-1810), Hilversum 2006, pp. 77-101 Uitterhoeve 2010 W. Uitterhoeve, Koning, keizer, admiraal: 1810: De ondergang van het Koninkrijk Holland, Nijmegen 2010 Velema 2006 W.R.E. Velema, ‘Lodewijk Napoleon en het einde van de republikeinse politiek’, in: Het Koninkrijk Holland (1806-1810), pp. 147-159


Van de Ven 2006 G.P. van de Ven, ‘Lodewijk Napoleon en de Waterstaat’, in: J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (1806-1810), Hilversum 2006, pp. 125-147 Vlaardingerbroek 2011 P. Vlaardingerbroek, Het paleis van de Republiek: geschiedenis van het stadhuis van Amsterdam, Zwolle 2011 Wagener 1992 F. Wagener, La reine Hortense, Parijs 1992 Witsen Geysbeek 1809 P. G. Witsen Geysbeek, Het tegenwoordig Amsterdam, Amsterdam 1809 Wright 1961 C. Wright, Daughter to Napoleon. A biography of Hortense, queen of Holland, Londen 1961 Ydema 2006 O. Ydema, ‘Op zoek naar draagkracht. Belastingen vóór, tijdens en na de tijd van Lodewijk Napoleon’, in: J. Hallebeek en A.J.B.Sirks (red.), Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (1806-1810), Hilversum 2006, pp. 101-125 Zaal 1983 W. Zaal (red.), Lodewijk Napoleon, Koning van Holland: Gedenkschriften, Amsterdam 1983

93 .


Begane grond A Wisselbank 1. Achteringang en vestibule 2. t/m 10. Appartement van de hofmaarschalk 11. Vestibule voor lakeien 12. Verblijven voor de militaire wacht 13. Hofkapel 14. Vestibule voor de koning 15. t/m 18 Keukens 19. Zilverkamer, bakkerij, opslag brandstof, kamer lampenist 20. Thesaurie 21. Kamer van de concierge 22. Opslag 23. Eetkamer van de adjudant van het paleis 24. Kamer van de nachtwacht 25. Kantoor van de portier 26. Personeelseetkamer

 8

 7

 6

 4

 5

 9

 10

 11

  A

  A

  A

  A

94

 12

  A

  A


25

 2

 20

 3

 1

 24

 23

 21

 22  26

 19

 19

 19

 19

 12

 15  14

 13

 16

 17

 18

 12

 12

B.W.H. Ziesenis (1768-1820), Begane grond 1808-1810 met in rood aangegeven de kachels die de hoofdverdieping verwarmen. Historische Topografische Atlas, Stadsarchief Amsterdam

95 .


1 ste verdieping 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24

Kapel Grote Ontvangstzaal Troonzaal Salon der Ambassadeurs Biljartkamer Slaapkamer en salon van de kroonprins (voorheen: Topografisch kabinet en bibliotheek) Slaapkamer van de koning Salon van de koning Salon der grootofficieren Galerij voor de Kapel Tussensalon Zaal van de Staatsraad Eetkamer van de koning Dienkamer Eetkamer van de koningin Slaapkamer van de koningin Salon van de koningin Salon der pages Bodenkamer Tussensalon Hoeksalon Salon der officieren Tussensalon Grote eetzaal Tussensalon

 4

 3

 17  18

 5

 19

 20

 6

96

 21

 7


2  15

 16

 24

 14

 1

 23  13

 22

 11  8

 12

 0  10  9

B.W.H. Ziesenis (1768-1820), Hoofdverdieping 1808-1810. Historische Topografische Atlas, Stadsarchief Amsterdam

97 .


Colofon De publicatie Koning Lodewijk Napoleon & zijn Paleis op de Dam verschijnt in het kader van de gelijknamige tentoonstelling in het Koninklijk Paleis Amsterdam. Amsterdam, 29 juni tot en met 16 september 2012. Auteurs Dr. Bernard Chevallier Drs. Renske Cohen Tervaert Drs. Aagje Gosliga Prof.dr. Frans Grijzenhout Dr. Eveline Koolhaas-Grosfeld Redactie Marianna van der Zwaag Tekstredactie Renske Cohen Tervaert Aagje Gosliga Roosmarijn Ubink Vormgeving Eriksen/Brown, Oslo Druk & Lithografie Calff & Meischke Uitgever Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam ISBN 978 90 720 8043 1 © 2012 Stichting Koninklijk Paleis Amsterdam/ de auteurs Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een CISAC-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2012.

k o n i n k l i j k p a l e i s a m s t e r d a m



Koning Lodewijk Napoleon & zijn Paleis op de Dam