Issuu on Google+

ACADEMIE

Nr 55 - jaargang 24 Okt 2013 - jan 2014

BERICHTEN

KVAB, 75 jaar jong

De titel “75 jaar jong” is een verwijzing naar het verleden maar ook naar de toekomst: we zijn jong en gaan de toekomst hoopvol tegemoet. Er is geen reden om niet fier te zijn op wat de Academie allemaal gepresteerd heeft op 75 jaar: zowel artistiek, wetenschappelijk als dienstverlenend naar de maatschappij. Uiteraard lag het accent telkens wat anders naargelang wie de leiding en/of verantwoordelijkheid heeft. En die is mede afhankelijk van de constituerende leden die binnen de Academie actief zijn en waren. Bij deze gelegenheid is het onze morele en ook aangename plicht al onze voorgangers te bedanken: ze hebben een bepalende invloed gehad op de vormgeving van de Academie zoals die nu bestaat. Door hun expertise en haar toepassingen hebben ze de geloofwaardigheid van de Academie duurzaam verhoogd.

Jubileumjaar 2013: 75 Jaar Verzelfstandiging van de Academie

Wellicht zullen sommige lezers wat verrast zijn indien wij hier dan ook schrijven dat we tezelfdertijd 75 jaar jong zijn. Maar toch, in termen van de leeftijd van de nieuwe leden van de laatste jaren is het niet onmogelijk dat we nog nooit zo’n jonge Academie hadden. Deze verjonging is het gevolg van zowel ons actief beheer als van het structureel verdwijnen van het verschil tussen geassocieerde en gewone leden, met daaruit voortvloeiend een algemene toename van het totaal aantal leden. Het huzarenwerk dat in de loop van 2013 uitgevoerd werd om het aantal vrouwen in de KVAB te laten toenemen zal ongetwijfeld hieraan ook bijgedragen hebben. Kortom, de troeven zijn er om tezamen de Academie te laten bloeien en uitstralen zoals nooit te voren.

7

9 Nieuwe Publicaties

We hebben in het recente verleden een besparingsmentaliteit gekweekt bij onszelf en bij de confraters en consorors; die mentaliteit was en is nog steeds broodnodig. Anderzijds is die besparingsmentaliteit op vele gebieden erg ‘vernietigend’: onder de dekmantel van die mentaliteit worden nieuwe, wetenschappelijke en artistieke initiatieven moeilijker te realiseren. Een gevolg is dat we beter naar de kwaliteit van deze initiatieven zullen moeten kijken. Ik pleit hier dus voor een dubbel doel: ons emanciperen van die noodlottige besparingsmentaliteit maar toch ook rekening houden met de beperkingen die de financiële randvoorwaarden ons opleggen. De twee hoeven niet tegenstrijdig te zijn. Immers, reeds Goethe stelde heel uitdrukkelijk dat beperkingen net creativiteit kunnen bevorderen. Géry van Outryve d’Ydewalle, Vast secretaris

Academie-Berichten verschijnt driemaal per jaar. Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Paleis der Academiën - Hertogsstraat 1 - 1000 Brussel - Tel. 02 550 23 23 - Fax 02 550 23 25 - e-mail: info@kvab.be www.kvab.be - redactie: Thomas Vandenberghe - vormgeving: Charlotte Dua - ISSN 0778-1008 - V.U. G. van Outryve d’Ydewalle.

10


Michel Buylen en Géry van Outryve d’Ydewalle Sophie Dejaegher

Michel Buylen had nauwelijks tijd nodig om te bedenken welke consoror of confrater hij zou willen interviewen, nadat hij eerder zelf bij Dominique Willems op gesprek kwam: het zou Géry van Outryve d’Ydewalle worden, de vast secretaris en hoogleraar emeritus psychologie. Van bij de eerste zin blijkt ook waarom: hun gemeenschappelijke interesse in kunst is zo groot, dat ze met moeite aan het echte interview toekomen. Maar via een gepassioneerd gesprek over schilders, vernis en stijlen, gaat de kunstenaar dan toch naar de essentie van wat hij van de psycholoog wil weten…

Géry d.: “Structuur is niet alleen een beperking; het biedt ook mogelijkheden tot creativiteit.” Michel B.: “Géry, een hapklare vraag en boutade om mee te beginnen: word je nu eigenlijk slimmer van kunst?” Géry d.: “Daarop moet ik met een vraag antwoorden: Wat is slim? (lacht). Maar nee, uiteraard haal je geen hogere punten door het bekijken van kunst. Wel is aangetoond dat kinderen die naar bepaalde symfonieën van Mozart luisteren, op latere leeftijd verstandiger zijn. Maar dit effect mag je niet generaliseren naar elke vorm van kunst. En je moet ook oppassen wat je onder slim verstaat. In het geval van Mozart gaat het om een versnelling van de mentale processen, het sneller leggen van verbanden. En dit is wellicht veroorzaakt door het ritme van de symfonie en niet door de melodie of het verhaal.”

Michel Buylen Kunstschilder

Lid van de Academie sinds 2006

Géry van Outryve d’Ydewalle

Experimenteel psycholoog KU Leuven Lid van de Academie sinds 1992 vast secretaris sinds 2010

2

Michel B.: “Ritme functioneert hier dus als een omweg tot orde en structuur, begrijp ik. Zie jij kunst dan als orde in de chaos?” Géry d.: “Ritme geeft inderdaad orde aan, en zorgt voor een structuur. En waar die structuur in zekere zin een beperking is, is ze anderzijds ook een weg naar mogelijkheden. Denk maar aan Goethes beroemde ‘in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. Ik wil dit niet veralgemenen, maar in zekere zin leidt beperking dus tot creativiteit, of – zo mogelijk – kunst.” Michel B.: “Met Goethe komen we terecht bij de kracht van het woord. Maar ik zou je net naar de niet-verbale kunsten willen vragen. Zijn die een ordening buiten het woord? Denk je dat de visuele kunsten beginnen waar het woord stopt?”

Géry d.: “Kijken naar kunst gebeurt altijd in een context die mede bepaalt wat je waarneemt en hoe je de kunst ervaart.” Géry d.: “Dat kan je zeker niet zomaar beweren. Een baby, bijvoorbeeld, vindt in de woorden die het rond zich hoort een ritme en structuur terug, en gaat zich dit eerst eigen maken. Pas later leert het daaruit de woorden herkennen. Woorden functioneren hier niet los van de kunsten.” “Anderzijds geef ik toe dat taal en kunst bij momenten ook relatief aparte werelden zijn, waar schijnbaar geen raakvlak is. Zelfs als in visuele stimuli – kunst of andere – woorden verwerkt zijn, dan nemen de kijkers die heel vaak niet waar. Publiciteitspanelen zijn daar een heel typisch voorbeeld van. Tijdens een voetbalmatch hebben de kijkers die borden voortdurend in hun blikveld. Toch zullen na de match maar enkelen in staat zijn op te noemen welke woorden er nu precies op die panelen stonden.” Michel B.: “En zou een kunstenaar kunnen beïnvloeden hoe je kijkt? Zou die ervoor kunnen zorgen dat je je wel dwingend bewust wordt van wat je ziet en de beelden ook verwerkt?” Géry d.: “Dat kan bij visuele kunsten inderdaad het geval zijn. Je kan uitkijken op een weiland zonder te merken dat er een schaap staat. Maar je kan niet naar het Lam Gods kijken zonder dat schaap centraal te zien staan. Maar daartegenover moet ik wijzen op context, beschaving, zelfs de inrichting van het museum. Al deze elementen bepalen hoe je kijkt en wat je waarneemt. En als je dan al slimmer wordt van het bekijken van kunst, dan alleen via omwegen. Omdat je gewezen wordt op details, omdat je uitleg krijgt, omdat het past in jouw context of iets doet in jouw beschaving.”

Volgende editie: Géry van Outryve d’Ydewalle interviewt Georges van der Perre


UITGELICHT Terugblik op de Francquiprijs 2012 Conny Aerts richt kijker op het voorbije jaar Marc Vanneste

Sterrenkundige Conny Aerts, directeur van het Leuvense Instituut voor Sterrenkunde en lid van de Klasse van de Natuurwetenschappen sinds 2011, kreeg op 13 juni 2012 de Francquiprijs uitgereikt. De prijs bekroonde de door haar en haar team gerealiseerde observatietechnieken van sterren gebaseerd op asteroseismologische metingen. De methodiek maakt het mogelijk om in het inwendige van grote sterren te kijken en zo het ontstaan en de evolutie van het sterrenstelsel in kaart te brengen. Zij was de eerste vrouw die de Francquiprijs voor exacte wetenschappen mocht ontvangen. Ondertussen zijn we een jaar verder. Hoe kijkt ze terug op het behalen van de onderscheiding? Heeft de Francquiprijs, ook wel eens omschreven als de ‘Belgische Nobelprijs’, haar wetenschappelijk voordeel opgeleverd, heeft hij bijgedragen tot het internationaal prestige van het Instituut voor Sterrenkunde? Wat volgt is een open gesprek over haar kijk op het heelal, de vorderingen van de wetenschap, de realisatie van een kinderdroom, de nadelen voor haar discipline van het gender- onevenwicht, de nooit aflatende strijd om met het Instituut voor Sterrenkunde internationaal aan de top te blijven, en het gevecht om subsidies. Hoe kijkt u als laureaat terug op het voorbije jaar? Wordt daar door buitenlandse collega’s naar opgekeken? Heeft het behalen van de Francquiprijs voor u en uw team geleid tot een wetenschappelijke meerwaarde? Conny A.: “De Francquiprijs was internationaal nauwelijks bekend onder sterrenkundigen, doodeenvoudig omdat hij er zelden wordt aan uitgereikt. Uitzonderlijk werd de prijs in 1964 uitgereikt aan de Luikse professor Paul Ledoux, voor theoretische astrofysica. En dat is al bijna een halve eeuw geleden. Misschien is daar nu een beetje verandering in gekomen. Eén van de condities verbonden aan de Francquiprijs is de organisatie van een internationaal symposium door de laureaat. Dit vindt plaats onder de titel ‘What asteroseismology has to offer to astrophysics?’ van 2 tot 4 december 2013 in de Universitaire Stichting. Het ligt in de bedoeling om de recente vooruitgang in de asteroseismologie open te trekken naar de bredere astrofysica.

De voorbereiding van het symposium leidde tot visibiliteit en contacten met toponderzoekers in de Verenigde Staten, Australië, Japan en gans Europa, die ondertussen hun deelname hebben toegezegd. Men kan dit zien als een win-winsituatie voor de internationale erkenning van zowel het Instituut voor Sterrenkunde als de Francquistichting zelf, wegens de brede internationale uitstraling. En vooral voor de wetenschappers uit de Verenigde Staten is het een beetje thuiskomen. De gewezen Belgische politicus Émile Francqui en de Amerikaanse president Herbert Hoover waren de architecten van het voedselhulpprogramma voor de Belgische bevolking tijdens de Duitse bezetting in W.O. I. Na afloop van de oorlog werden de fondsen die van het voedselprogramma over waren afgestaan aan het wetenschappelijk onderzoek aan de Belgische universiteiten. Een deel ervan werd besteed aan de oprichting van de Francquistichting met bijhorende prijs en de opening van de Universitaire Stichting.” Asteroseismologie: onderzoek van stertrillingen Welke titel past het best bij uw wetenschappelijke activiteit: sterrenkundige of asteroseismologe? Conny A.: “Ik wil het liefst als sterrenkundige betiteld worden. De term sterrenkunde is overkoepelend voor de begrippen astronomie, gebaseerd op observatietechnieken, en de zuiver theoretische astrofysica. Je zou bij uitbreiding kunnen stellen dat ook asteroseismologie zich van beide benaderingen bedient: observatie nadien geanalyseerd en geïnterpreteerd door de theoretische modellen van de astrofysica. Het boeiende is dat asteroseismologie niet enkel meer steunt op waarnemingen met terrestrische spiegeltelescopen, maar hoe langer hoe meer op observatie met uiterst precieze ruimtetelescopen zoals Kepler (gelanceerd in 2009) en CoRoT (eind 2006). Kepler is een ruimtemissie ontworpen door de NASA terwijl CoRoT uitgaat van de Franse ruimteorganisatie CNES (Centre national d'études spatiales), gesteund door diverse Europese partners waaronder België. De CoRoT missie kwam in 2012 tot haar einde, 3 jaar later dan voorzien.”

3


UITGELICHT Hoe kunt u asteroseismologie in het kort beschrijven? Conny A.: “Net zoals seismologen op Aarde trillingen in de inwendige structuur van onze planeet proberen te meten, doet asteroseismologie hetzelfde met sterren in onze Melkweg. In de asteroseismologie gebeurt dat een beetje via een omweg. De golven in sterren (enorme bollen van plasma) veroorzaken helderheidsvariaties in de buitenste lagen. Ze dringen door tot enkele honderdduizenden kilometer in de kern van de ster, tot ze op een dichtere massa botsen, waardoor ze worden teruggekaatst naar het oppervlak. Zo ontstaat een helderheidspiek. De intensiteit van de helderheidsvariaties stelt de asteroseismoloog in staat om de sterkte van de trillingen te bepalen. De methodiek stelde ons in staat te achterhalen dat van bepaalde sterren de kern sneller roteert dan het oppervlak. Van een aantal sterren stelden we vast dat de golven er dwars doorheen drongen. In dit geval hebben we te maken met zogenaamde rode reuzen, sterren van zo’n 5 miljard jaar oud, waarvan de buitenste lagen enorm zijn uitgezet en afgekoeld, waardoor ze een roodachtige kleur krijgen. Ook de zon zal op lange termijn in die zin evolueren. U ziet, de asteroseismologie laat ons toe om beetje bij beetje het mysterie rond het ontstaan en de evolutie van sterren te ontsluieren.” Over de zon gesproken, kan de asteroseismologie uitspraken doen over de intensiteit van een komende zonnestorm? Conny A.: “De zonnewind, de stroom van geladen deeltjes, is losgekoppeld van trillingen en bevingen van de zon, die worden bestudeerd in de helioseismologie. Dit verschijnsel heeft veeleer te maken met magnetisme. De zon maakt een magnetische cyclus door van 11 jaar. Elke 11 jaar is er een hogere zonneactiviteit met meer zonnevlekken en een sterkere zonnewind. Op een kosmische schaal is het ruimteweer van de zon trouwens peanuts in vergelijking met dat van andere sterren. Zonnewind kan, zoals bekend, op de Aarde een magnetische storm veroorzaken met het optreden van spectaculair poollicht als begeleidend verschijnsel. Gevreesde collateral damage is het plots tilt slaan van elektronische apparatuur. Tegenwoordig hebben we veel meer gevoelige toestellen dan pakweg 40 jaar geleden. Trouwens, je kan je afvragen wat de reactietijd van mensen zou zijn op voorspellingen van een toegenomen zonnewind. Als hier op Aarde seismologen waarschuwen voor een tsunami kan je nog wel iets ondernemen. Maar zonnestraling is overal op Aarde.

4

Bij andere sterren met een veel sterker magneetveld staan sterrenwind en sterrenbevingen niet noodzakelijk van elkaar los. De observatie van magnetisme van sterren in onze Melkweg is trouwens nog veelal onontgonnen terrein, evenals de samenstelling van de inwendige structuur van sterren en de veranderingen die daar plaats vinden. Er is daar nog veel ‘nieuwe’ sterrenkunde te ontdekken. Asteroseismologie is een betrekkelijk jonge tak van de sterrenkunde, wanneer is die tot ontwikkeling gekomen? Conny A.: “Je zou kunnen stellen dat de pure astrofysica aan de basis ligt van de asteroseismologie. In die zin was professor Paul Ledoux de grondlegger. Maar de discipline kwam pas echt tot ontwikkeling na de lancering van ruimtetelescopen zoals CoRoT en Kepler. Hun missie bestond er hoofdzakelijk in om op zoek te gaan naar exoplaneten, planeten die buiten ons Zonnestelsel rond een ster bewegen op afstanden van 100’en lichtjaren. CoRoT en Kepler zijn uitgerust met een performante digitale camera die helderheidsvibraties met uiterste precisie registreert. Telkens als zo’n planeet voor haar ster draait, ontstaan er dipjes in de lichtsterkte die de sterrenkundige toelaten die planeet te detecteren en er kenmerken van af te leiden. Momenteel zijn er een 730-tal exoplanetaire systemen bekend. Maar bij de jacht op exoplaneten registreerden de ruimtetelescopen ook helderheidsvariaties van een ander patroon die wijzen op seismologische veranderingen binnen de sterren. Daardoor kon de asteroseismologie een steile vlucht nemen. Of hoe afgeleide ontdekkingen, die afwijken van het hoofddoel van een missie, tot een stimulans leiden in een andere discipline.” Leven in het wetenschappelijke consortium Is er sprake van een soort wedloop tussen astronomische instituten in de jacht op sterren? Conny A.: “Je moet weten dat het Leuvense Instituut voor Sterrenkunde deel uitmaakt van het Kepler Asteroseismic Science Consortium dat bestaat uit meer dan 440 astronomen en waarvan het hoofdkwartier zich in Aarhus (Denemarken) bevindt. En ja, de Keplersatelliet houdt constant zo’n 150.000 sterren in het vizier, maar dit is maar een fragment van ons Melkwegstelsel. Er vallen meer dan genoeg seismisch actieve sterren te bestuderen, en daarom is een competitie om deze of gene ster te kunnen observeren er sinds deze missie niet echt meer. De organisatie van het consortium is zo dat bij wijze van ‘gentlemen’s


agreement’ elke partnerinstelling haar eigen type sterren heeft om te analyseren. Ze van mekaar afsnoepen werkt contra-productief en is not done. Sterrenkundige instituten zijn weliswaar competitief, maar blijven vriendelijk voor elkaar, ook omdat alle gegevens na één jaar vrij toegankelijk zijn voor iedereen op het www. Er is geen tijd om te bekvechten… en er zijn veel meer sterren gemeten dan astronomen om ze te analyseren. En van wetenschapsfraude hebben we ook geen last. Iedereen kan de analyses overdoen indien ze dat nodig vinden. Wij in Leuven worden internationaal ook geprezen om onze performante classificatiemethodiek. Op geregelde tijdstippen zendt de NASA de observatiedata van Kepler door naar de aangesloten sterrenkundigen. De Leuvense onderzoeksgroep asteroseismologie, waar een team van een 20-tal wetenschappers – zowel ingenieurs als sterrenkundigen – aan de slag is, slaagt er in om die gegevens snel accuraat te ontleden en interpreteren. Vervolgens wordt een selectie gemaakt van de interessantste sterren voor asteroseismologische vervolgstudies. We worden hierbij geholpen door de Mercatortelescoop op La Palma, die we in eigen beheer hebben. Dit laat ons toe de helderheidswaarnemingen door de satellieten te bevestigen met spectroscopische waarnemingen vanop Aarde. Doorgaans levert dit ‘logistiek comfort’ een voorsprong op ten opzichte van onze concurrenten en kunnen we snel met een gefundeerde publicatie voor de dag komen.”

“Ik breng mijn PhD studenten in pole position voor een eersterangsfunctie in het… buitenland. Het is wel frustrerend om je beste krachten keer op keer te moeten loslaten” Dus toch een soort competitie? Conny A.: “Jawel, in snelheid en efficiëntie, maar vooral ook een wedloop voor fondsen. Hoe interessanter het uit te werken studieproject, hoe groter de kansen worden om centen te vinden voor het project. Kijk, aan de Vlaamse universiteiten komen slechts een beperkt aantal onderzoeksgroepen in aanmerking voor stabiele structurele financiering. Het Instituut voor Sterrenkunde is daar helaas nog niet bij. Wij moeten het dus volledig hebben van ‘soft money’ waar wel bikkelhard moet worden voor geknokt. Met soft money bedoel ik eigenlijk fondsen die buiten de officiële subsidiekanalen van de overheid vallen. Wij ontvangen centen van het FWO (Fonds voor Wetenschappe-

lijk Onderzoek), van Belspo en van de Leuvense Onderzoeksraad op Belgisch niveau en momenteel ook van de ERC (European Research Council). Wat waren we gelukkig toen we de Advanced Grant voor toponderzoek in de wacht konden slepen. De toekenning viel net samen met de lancering van de ruimtetelescopen. Voor de asteroseismologie kon ons instituut dankzij deze Europese subsidie 7 getalenteerde PhD studenten en postdocs aantrekken.” Die met het verdwijnen van CoRoT en Kepler allemaal zullen moeten vertrekken? Conny A.: “Ja, de CoRoT missie is zoals gepland voorbij terwijl Kepler was gebouwd om tot 2013 te meten. De satelliet loopt sinds kort technisch mank. Twee gyroscopen die instaan voor stabiliteit van de satelliet zijn uitgevallen. Niet verwonderlijk, want ze waren gebouwd om 4 jaar te kunnen werken. Of ze nog hersteld kunnen worden, weet ik niet. In elk geval draait Kepler zijn laatste baantjes. Met TESS (Transisting Explanet Survey Satellite), waarvan de NASA de lancering in 2017 plant, is echter een opvolger in zicht. Hopelijk krijgt het Leuvense Instituut voor Sterrenkunde nieuwe kansen om in te stappen, terwijl wij in Europa hard werken om de ESA kandidaat-missie PLATO voor exoplaneet- en asteoseismologie-onderzoek geselecteerd te krijgen. De op handen zijnde lancering van de Gaia satelliet (ESA) biedt gelukkig al sneller perspectieven. Deze ruimtetelescoop zal de afstand tot zowat een miljard sterren in onze Melkweg screenen en deze afstandsinformatie kunnen we dan gaan koppelen aan de seismische metingen gedaan met CoRoT en Kepler. België behoort tot de Europese landen die deelnemen aan de Gaia-missie. Hopelijk kan ook het Leuvense Instituut voor Sterrenkunde met haar expertise een actieve bijdrage blijven leveren aan het project.” En kunt u de huidige ploeg onderzoekers toch wat langer aan boord houden? Conny A.: “Helaas, PhD-studenten en postdocs die werken aan het Instituut voor Sterrenkunde moet ik in zekere zin teleurstellen. “Je kan hier niet blijven”, zeg ik dan met pijn in het hart. Voorlopig kan ik geen van hen een vaste baan als

5


UITGELICHT onderzoeker in mijn departement aanbieden. Ik plaats hen wel succesvol in een startpositie voor een eersterangsfunctie in het… buitenland. Het is wel frustrerend om keer op keer je beste krachten te moeten loslaten. Van een brain drain gesproken. Straks loopt de Advanced Grant van de European Research Council af en begint de onvermijdelijke uittocht van heel wat talentvolle wetenschappers. Dan gaan we weer op zoek naar een nieuwe grant. Dat is nu eenmaal de gang van zaken in de onderzoekswereld.” Ook de genderrealiteit pleit niet in het voordeel van sterrenkunde. Conny A.: “Ach, er zijn genoeg meisjes met talent voor exacte wetenschappen. Alleen het rollenpatroon weerhoudt er hen soms van om voluit te gaan voor een loopbaan in die richting. En er is die andere realiteit. Meisjes met aanleg voor exacte wetenschappen kiezen sneller voor een bachelor wiskunde dan voor fysica en stromen tegenwoordig veel minder door naar sterrenkunde dan pakweg 10 jaar geleden. Het is een statistisch gegeven waar je niet onderuit kan.” Gezin en onderzoek afspraken maken

combineren:

goede

Hoe valt het mee of tegen om als echtgenote en moeder van een zoon en dochter je drukke beroepsactiviteit met je gezin te combineren? Conny A.: “Gelukkig heeft mijn man (Geert Molenberghs, lid van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde) ook een academische carrière. We zijn allebei wiskundigen van opleiding (Geert Molenberghs is statisticus). Gelukkig zijn onze onderzoeksdomeinen niet dezelfde, zodat bij gesprekken over het werk genoeg andere invalshoeken aan bod komen. Wij begrijpen van elkaar perfect de druk die gepaard gaat met een academische loopbaan: goed personeelsmanagement garanderen, opleiding geven aan junior onderzoekers, lezingen geven, aan congressen deelnemen in het buitenland, dringend een paper moeten schrijven, een intern verslag afmaken, een onderzoeksproject voorbereiden, de zoveelste subsidieaanvraag motiveren. Bovendien zetelen wij in tal van commissies en raden, zowel in de Verenigde Staten als in Europa. Ja, dienstverlening zeker? Bovendien doceer ik astrofysica en astronomie in Leuven, Nijmegen en Hasselt, in totaal 5 cursussen, wat relatief veel is. De rest van mijn tijd verdeel ik tussen mijn taak als directeur van het Instituut voor Sterrenkunde en wetenschappelijk onderzoek, waarvoor er helaas veel te

6

weinig tijd overblijft. Gezinsvakanties nemen is niet zo evident voor ons. Soms proberen mijn man en ik een weekje extra te breien aan congressen waar we beiden naartoe moeten en die (relatief gezien) niet zover uit de buurt liggen. Het meest lukt zoiets in de Verenigde Staten.” Als kind droomde u ervan om sterrenkundige te worden. Is de verwondering voor de fonkelende sterrenhemel nog altijd even groot als toen? Conny A.: “Vast en zeker, al heeft de romantische, mysterieuze connotatie van mijn kinderjaren plaats gemaakt voor kennis en weten, gedragen door metingen en cijfers. Mijn jeugd heb ik doorgebracht op het platteland. Een voordeel want er was relatief weinig lichtvervuiling. Ik vond het adembenemend fijn om me languit in het gras te leggen en naar de ontelbare twinkelingen te staren. Het stond vast, ik wou van sterrenkunde mijn beroep maken. Toen ik dat aan de directeur van de lagere school vertelde, duwde die me met de neus op de exacte feiten: “U zult wiskunde moeten studeren.” Hij kon mijn ouders overtuigen om in dit verhaal mee te gaan. Wiskunde was een prima basis voor mijn latere specialisatie. Dat ik nu astronoom ben, heb ik ook voor een deel aan hem te danken. Kijk, net zoals in mijn jeugd, worden door het observatiewerk en de metingen de drang naar weten en kennis nog aangescherpt. Als astronoom probeer je in de chaos van het heelal wetmatigheden te ontrafelen, die je toelaten inzicht te verwerven in de mysterieuze ‘wereld’ van de sterren. De verwondering laat je nooit meer los en blijft de drijfveer achter een uiterst boeiende wetenschappelijke zoektocht.” De Mercatortelescoop op La Palma (Canarische Eilanden)


Jubileumjaar 2013: 75 Jaar Verzelfstandiging van de Academie Academie viert 75 jaar verzelfstandiging als Nederlandstalige Academie Uitgave van de viering krijgt titel ‘Mee met morgen’ mee Interdisciplinariteit leidt tot intertekstualiteit

Bundel essays met als rode draad interdisciplinair inspireren Hans Rombaut Zoals de traditie het bij eerdere vieringen van de academie wil, werd ook nu gewerkt aan een boek over de viering. Vijftig essayist-leden werkten aan het Feestboek, dat de titel Mee met Morgen kreeg. Het boek kwam tot stand onder de begeesterende leiding van Frans Boenders en de Commissie Uitstraling. Mee met Morgen. Vijftig kortessays over de toekomst van kunst en wetenschap samengebracht door de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten is echter niet helemaal naar analogie van eerdere jubeluitgaven, vooral omdat het boek niet terugkijkt, maar de blik op de toekomst richt. Brede waaier aan thema’s De Academie heeft een aantal van de grootste specialisten en kunstenaars uit eigen rang, en ook enkele vorsers van buiten de academie, bereid gevonden om vanuit hun vakgebied een essay te schrijven over de toekomst. Mee met Morgen bevat vijftig essays in vraagvorm getiteld en gegroepeerd in vijf thema’s: onderzoek en ontwikkeling, innovatie, de samenleving van nu en straks, inspiratie over de grenzen van kunsten en wetenschappen en de erfenis van de mensheid in ruimte en tijd.

Mee met Morgen is een boek dat voor de geïnteresseerde lezer een vademecum kan zijn, een boek dat – letterlijk of figuurlijk – met je mee kan gaan. Hoewel de indeling logisch is, moet men het niet noodzakelijk tot het einde uitlezen. Het is een boek waarin je met de grootste vrijheid kan kiezen wat je leest. Wie de gedachte van de kunstenaar wil volgen kan opteren om te beginnen met een essay uit deel IV. Maar bij het lezen zal spoedig de interactie tussen wetenschap en kunst in de grote koepel van de cultuur duidelijker worden. In vijftig essays geeft de Academie aan al wie interesse heeft een rijkdom aan kennis, in duidelijke taal maar in grote verscheidenheid. In Mee met Morgen kijkt de lezer in de oneindige ruimte mee met de asteroseismoloog, de ruimtereiziger, de architect, de componist... Natuurlijk is er plaats voor het verleden en de toekomst daarvan, voor exacte wetenschap, voor verrassende ideeën: de hersenchirurg die de basis van toekomstige ontwikkelingen ook plaatst in het licht van oude filosofie, de nanowetenschapper die ijkt waar de hoogtechnologische vaart gevaar met zich meebrengt, de wetenschapper-ingenieur die schrijft over het wankelend vertrouwen in de wetenschapper...

Een

van

de

bijdragen

in

het

Feestboek beantwoordt de vraag of er op dit ogenblik een nieuwe universiteit op internet en campus groeit. Net als de Middeleeuwse Duitse ‘Wanderstudente’ door heel Europa trokken, zou e-learning hetzelfde op een veel bredere schaal kunnen toelaten.

Mee met Morgen. Vijftig kortessays over de toekomst van kunst en wetenschap samengebracht door de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Gent, Academia Press, 2013, 276 pp., 70 ill.

Bestellen Mee met Morgen kan ofwel apart (€ 20), ofwel samen met de eerdere uitgave Aedes Academiarum (€ 40), ofwel samen met een genummerde prent van Panamarenko (‘Studie, Bing Pod’) besteld worden (€ 300). Aedes Academiarum handelt over de architectuurgeschiedenis van het Paleis der Academiën. U kan op www.kvab.be/publicaties/ de bestelkaart downloaden en bestellen.

7


Jubileumjaar 2013: 75 Jaar Verzelfstandiging van de Academie Academie viert 75 jaar verzelfstandiging als Nederlandstalige Academie

Academische zitting op 22 oktober Feestviering verbindt verleden en toekomst De KVAB viert op 22 oktober 2013 de 75e verjaardag van haar verzelfstandiging als Nederlandstalige Academie in aanwezigheid van Z.M. Koning Filip. De Academie ontvangt die dag de voorzitter van het Vlaamse Parlement, de heer Jan Peumans. De heer Peumans heeft het gehad over de veranderende constellatie waarin de KVAB zich op dit ogenblik bevindt. Een hoogtepunt van de viering is de overhandiging van het jubileumboek aan de Koning door mevrouw Irina Veretennicoff, bestuurder van de Klasse Natuurwetenschappen. In het jubileumboek Mee met Morgen treden verschillende leden van de Academie op als Vlaamse Denkers en filosoferen ze over actuele en toekomstige evoluties in hun (vak)gebied of interessesfeer. In het tweede boek dat de KVAB met de viering van 75 jaar verzelfstandiging uitgeeft staan het ontstaan en het eerste decennium van de Academie centraal. Deze uitgave, De bewogen beginjaren van de Academie, heeft om duidelijkheid te scheppen over de beginjaren van de Academie zich beroepen op nieuw historisch onderzoek.

Historische schets van de Academie De weg naar het Nederlands als taal voor cultuur en wetenschap Hans Rombaut Met de nieuwe uitgave De bewogen beginjaren van de Academie rekenen we op een sterk verhoogde aandacht voor de vroege geschiedenis van de Academie. Voor de niet-ingewijden geven we hier een korte weergave van de feiten en tendensen tussen 1772 en 1938.

Oorsprong bewind

in

het

Oostenrijks

Met de patentbrief gegeven te Wenen op 16 december 1772 had de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia de Keizerlijke en Koninklijke Academie voor Wetenschappen en Schone Letteren opgericht (Académie impériale et royale des Sciences et Belles-Lettres), de zgn. Brusselse Theresiaanse academie, als bovenstructuur van onderwijs en wetenschap in de Zuidelijke Nederlanden. De voertalen waren er Latijn, Frans en Nederlands, en het aandeel aan Nederlandstalige inzendingen op prijsvragen was bijzonder groot. Het is duidelijk dat de Theresiaanse academie actief was vooraleer er in onze gewesten sprake was van een politieke taalstrijd. Deze eerste academie werd tijdens het Franse bewind als instelling uit het Ancien Régime afgeschaft, een eerste maal tijdens de eerste annexatie van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk in 1792-93, een tweede maal na de Franse overwinning bij Fleurus in 1794. Na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden heeft koning Willem I deze academie bij KB van 7 mei 1816 heropgericht als voortzetting van de vroegere Theresiaanse academie, maar als een nationale instelling van het nieuwe land. Dat wil zeggen dat de vroegere leden die nog in leven waren automatisch lid werden van de heropgerichte academie, maar evenzeer dat een groot aantal Noord-Nederlanders er ook lid van werden. Deze academie vergaderde voor het laatst tijdens het Verenigd Koninkrijk op 22 mei 1830.

De KVAB werd opgericht bij Koninklijk Besluit van 16 maart 1938 als een afspiegeling in structuur en inhoud van de Académie Royale de Belgique (ARB), die tot dan toe als nationale academie had gefungeerd. Waarom heeft deze verzelfstandiging plaatsgevonden, als er voorheen toch een nationale academie bestond? De context hiervan schuilt in de specifieke geschiedenis van ons land en zijn structuren.

Troonzaal tijdens de inauguratie van de Academiën op 21 januari 1939.

8


Jubileumjaar 2013: 75 Jaar Verzelfstandiging van de Academie Academie viert 75 jaar verzelfstandiging als Nederlandstalige Academie

De weg naar eigen Academiën De volgende vergadering had plaats op 30 oktober 1830 na de proclamatie van de Belgische onafhankelijkheid. De politieke gebeurtenissen van 1830 hebben de werking van de Theresiaanse academie nauwelijks verstoord, zo schrijven de auteurs van de inleiding van de Inventaire des Archives de l'Académie Royale de Belgique 1769-1984 op blz. X. Zij bleef een nationale academie, met in haar schoot een aantal Nederlandstalige leden, onder wie bijvoorbeeld Jan Frans Willems en Jan Baptist David, die zich conformeerden aan een in wezen Franstalige academie. In het kader van de spellingskwestie ijverden David en Willems reeds vanaf 1836 voor een Vlaamse academie. Dit laatste bleek echter een zeer moeilijke zaak. Als nationale academie duldde de ARB geen andere instelling naast zich met dezelfde wetenschappelijke bevoegdheden en dus kwam die Vlaamse academie er niet. Ter compensatie werden vanaf 1847 een aantal Vlaamse literatoren opgenomen in de ARB en verder stond zij, om deze “landelijke” invulling waar te maken, af en toe een Nederlandstalige publicatie toe of werd ook al eens een Nederlandstalig werk bekroond. Maar het was en bleef een dun laagje vernis. Later in de 19de eeuw kreeg de Vlaamse beweging meer politieke armslag en diegenen die langs Vlaamse zijde ijverden voor een Vlaamse academie, verkregen deze in 1886 als de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) te Gent. De andere cultuuruitingen van wetenschappelijke of artistieke aard bleven voorbehouden voor de ARB. Omdat reeds vanaf 1887, vooral onder impuls van Julius MacLeod in Gent, sterk geijverd werd voor “het bedrijven van wetenschap in de Nederlandse taal” heeft de KANTL plaatsen vrijgemaakt voor leden die geen letterkundigen waren, zoals bijvoorbeeld natuurwetenschappers. Een bekend voorbeeld daarvan was Albert J.J. Van de Velde, die later stichtend lid werd van de KVAB.

Het interbellum: een tumultueuze periode, ook voor de Belgische Academiën De Vlaamse kwestie zal vanaf 1920 de politieke agenda meer en meer beïnvloeden. Reeds voor W.O. I wordt een begin gemaakt met de vernederlandsing van het onderwijs, maar pas onder de Duitse bezetting en na W.O. I komt er ook daadwerkelijk Nederlandstalig hoger onderwijs. In 1923 werd de tweetaligheid van de Universiteit van Gent aanvaard. Toch wordt nog in 1921 als tegenhanger van de KANTL de Académie de Langue et Littérature française opgericht en

enkele jaren later de Académie royale des Sciences Coloniales, die eigenlijk ook Franstalig was. In 1929 werkten Huysmans en Destrée het 'Compromis des Belges' uit, dat de eentaligheid van de twee landsdelen voorstond binnen één België. Van dan af kwam de evolutie van de vernederlandsing van Vlaanderen in een stroomversnelling. In 1930 werd onder impuls van Van Cauwelaert, Huysmans en Franck de vernederlandsing van de Rijksuniversiteit van Gent doorgevoerd. In 1932 werden taalwetten gestemd die gebaseerd waren op taalhomogeniteit in Vlaanderen en Wallonië, waardoor tevens het Nederlandstalig onderwijs in Vlaanderen werd geregeld, waarna in 1935 ook de magistratuur werd vernederlandst. Het is in het licht van deze evolutie dat de geschiedenis van de academiën moet worden gezien. Binnen de ARB hebben diverse Vlamingen geprobeerd om het Nederlands meer aan bod te laten komen. Vóór W.O. I waren er o.m. de Nederlandstalige mededelingen van Florimond van Duyse en Paul Fredericq. Deze traditie werd na W.O. I voortgezet en vond zijn hoogtepunt met de bestuurder van de Classe des Sciences Jules Verschaffelt in 1935, maar op dat ogenblik was de taalwetgeving al zo ver doorgevoerd dat op dat ogenblik vanuit de Vlaamse beweging reeds de culturele autonomie tussen de Nederlandstalige en Franstalige gemeenschappen in België werd geëist. Als topje van de culturele ijsberg werd een verzelfstandiging van een Nederlandstalige academie naast de Académie Royale de Belgique vanaf 1936 voorbereid. Eigenlijk bestonden daartoe twee opties. De eerste was die van de oprichting van Nederlandstalige afdelingen naast Franstalige binnen de bestaande ARB, maar die werden vanuit de ARB afgewezen; de tweede was de verzelfstandiging van de Theresiaanse Academie in een aparte Nederlandstalige academie. Uiteindelijk is deze laatste optie werkelijkheid geworden met het KB van 16 maart 1938, later in datzelfde jaar gevolgd door de oprichting van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België. De inauguratie van beide academies had plaats tijdens een plechtige zitting in het Paleis der Academiën op 21 januari 1939. Vanaf dat moment is het de missie van de Vlaamse Academiën om het Nederlands als taal voor cultuur en wetenschap een plaats te geven in België.

9


Jubileumjaar 2013: 75 Jaar Verzelfstandiging van de Academie Academie viert 75 jaar verzelfstandiging als Nederlandstalige Academie

Nieuw historische uitgave over de bewogen beginjaren van de Academie Geschiedkundig overzicht voor, tijdens en na de oorlog, gekoppeld aan biografisch compendium Hans Rombaut In het tweede boek dat de KVAB met de viering van 75 jaar verzelfstandiging uitgeeft staan het ontstaan en het eerste decennium van de Academie centraal. Het heeft als titel De bewogen beginjaren van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (1938-1949) en is een uitgave onder de auspiciën van de nieuwe Commissie voor Historische Wetenschappen (CoHiWet). Deze publicatie gaat gepaard met een symposium op 22 oktober 2013, waarop de auteurs hun bijdragen toelichten. Het symposium laat ook ruimte voor discussie. De bewogen beginjaren van de KVAB gaat in op de boeiende periode van de jaren 1930 en '40. Els Witte leidt het boek in met aanmerkingen over het specifieke karakter van dit historisch onderzoek, en kadert de publicatie ook binnen hedendaagse onderzoekstendensen, in het bijzonder de sociale geschiedenis en de wetenschapsgeschiedenis. Ze slaat ook de brug met de hedendaagse opdrachten die de academie vervult.

Programma

22.10.2013

Het onderzoek werd verricht door de specialisten Bruno De Wever en Christophe Verbruggen, die de ontstaansgeschiedenis van de academie uittekenen tot 1940, Dirk Martin, die de oorlogsjaren voor zijn rekening neemt en Nico Wouters voor de naoorlogse periode. Deze drie basisbijdragen worden aangevuld met een rijk biografisch repertorium, waarbij eerst wordt ingegaan op twee bijzondere figuren, nl. de eerste twee vast secretarissen van de KVAB die worden voorzien van een dieper uitgewerkte biografie, prof. Alfred Schoep door Hendrik Deelstra en Paul De Paepe, en prof. Jean Haesaert door Hans Rombaut, gevolgd door een compendium van de vroegste generatie leden van de KVAB van 1938 tot 1949. Het geheel is rijk geïllustreerd met originele foto's, documenten en krantenknipsels.

10

Koning Leopold III in het bijzijn van de eerste voorzitter van de Academie, Minister van Staat Frans Van Cauwelaert, tijdens de plechtige inauguratie van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten in het Paleis der Academiën op 21 januari 1939.

Ondersteunend symposium: ‘De bewogen beginjaren van de KVAB, 1938-1949’ Eveneens in het kader van de viering van 75 jaar verzelfstandigde Nederlandstalige Academiën had er op 22 oktober 2013 een symposium plaats over de beginjaren van de KVAB. Els Witte, lid van de Klasse van de Menswetenschappen, vond een aantal specialisten bereid om over het eerste decennium van de KVAB nieuw historisch onderzoek te doen, met name Bruno De Wever, Christophe Verbruggen, Dirk Martin en Nico Wouters. Hierover wordt het boek De bewogen beginjaren gepubliceerd. Het symposium zelf staat in de voormiddag onder het voorzitterschap van prof. dr. Marc Boone, voorzitter van de Commissie Historische Wetenschappen, en tijdens de namiddag van dr. Rudi Van Doorslaer, directeur van het SOMA.

Voorzitter ochtendsessie: Marc Boone, lid van de Klasse Menswetenschappen, voorzitter CoHiWet 10u00: Opening van het symposium door Marc Boone 10u10: De historiografische context, door Els Witte 10u30: 'Dat noemt men nationale wetenschap'. De stichtingsgeschiedenis van de KVAB (1936-1940), door Bruno De Wever en Christophe Verbruggen 11u15: Biografische profielen van de eerste leden van de KVAB, door Hans Rombaut 11u40: Discussie Voorzitter namiddagsessie: Rudi Van Doorslaer, directeur CEGESOMA 13u30: 14u15: 15u00: 15u30:

De KVAB tijdens de bezetting: business as usual?, door Dirk Martin De naoorlog: van zuivering naar politieke strijd, door Nico Wouters Discussie Slotwoord door Ludo Gelders, voorzitter KVAB

Bestellen De bewogen beginjaren van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (19381949), Brussel, KVAB, 2013. (€ 12) kan besteld worden op www.kvab.be/publicaties/


ctu 1

Bilaterale overeenkomst tussen Vlaamse en ZuidAfrikaanse academiën Opent de weg voor nieuwe wetenschappelijke uitwisselingen Sofie Vanthournout

De Academie heeft vanaf 2013 hernieuwde aandacht voor bilaterale overeenkomsten met Academies wereldwijd. De KVAB heeft met een aantal Academiën een samenwerkingsovereenkomst afgesloten met de bedoeling om de samenwerking en mobiliteit tussen onderzoeksinstellingen en universiteiten van hun respectievelijke landen te bevorderen. Op 30 mei hebben de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns (SAAWK) en de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten een overeenkomst ondertekend waarin beide Academiën zich verbinden om samen de schouders te zetten onder wetenschappelijke initiatieven. Present aan Zuid-Afrikaanse kant waren de heer Wannie Carstens, voorzitter van de SAAWK, en de heer Hendrik Van Coller, erevoorzitter. De overeenkomst werd ondertekend door de vast secretaris en de voorzitter van de KVAB. Het belangrijkste wetenschappelijke initiatief wordt zichtbaar op het vlak van uitwisseling van onderzoekers. Ook het opzetten van gemeenschappelijke activiteiten zijn in de overeenkomst opgenomen. Een brede waaier van wetenschappelijke disciplines komen hiervoor in aanmerking. Naast de SAAWK telt Zuid-Afrika nog een andere Academie, nl. de Academy of Science of South Africa. De samenwerking kan desgewenst de actieradius van de Academiën zelf overstijgen. Voor sommige projecten kunnen ze optreden als mediator waarbij ze belanghebbende instellingen en organisaties uit beide landen samenbrengen en begeleiden. De leden van de SAAWK en de KVAB, en bij uitbreiding zowel de Vlaamse en Zuid-Afrikaanse academische wereld, krijgen vanaf nu de mogelijkheid om de overeenkomst in de praktijk te brengen. Concreet is het vanaf nu mogelijk om een subsidie voor een uitwisseling met een ZuidAfrikaans wetenschapper aan te vragen aan de KVAB, een regeling die op dit ogenblik al met 17 landen mogelijk is (voor de lijst van landen, zie www.kvab.be/intsamenw.aspx). De deadline voor een aanvraag tot uitwisseling is 31 oktober. Dan worden enkel aanvragen voor bilaterale uitwisselingen in 2014 aanvaard.

Onderscheidingen Wetenschapscommunicatie 2012 vullen leemte in Nieuwe prijs Academie inspanningen communicerende schappelijke onderzoekers

erkent weten-

Thomas Vandenberghe

2

De Stuurgroep Wetenschapscommunicatie van de Academie presenteert de heer Johan Braeckman als laureaat van de Loopbaanprijs, en de shortlist van de Jaarprijs, waarop 18 prominente wetenschappers prijken. De drie laureaten op de shortlist van de Jaarprijs zijn de heren Didier Vangeluwe (KBIN), Hugo Thienpont (VUB) en Stéphane Symons (KU Leuven). Dit zijn unieke onderscheidingen met als doel het erkennen en waarderen van de inspanningen van wetenschappers in het kader van wetenschapscommunicatie. De Onderscheidingen staan open voor wetenschappers uit alle universiteiten, hogescholen, wetenschappelijke instellingen en ondernemingen. De Stuurgroep was verheugd over het hoge aantal inzendingen voor deze prijs: 61 personen namen deel met inzendingen waaruit de passie over hun inspanningen en hun motivatie sprak. De Academie is blij met deze prijs een tastbare leemte ingevuld te hebben, nl. de vraag van deze wetenschappers naar één of andere globale erkenning. De Loopbaanprijs is bedoeld voor personen die naast uitstekende en continue verwezenlijkingen van wetenschapscommunicatie een sterke présence en impact hebben op de middelen waarmee aan wetenschapscommunicatie wordt gedaan. Volgend jaar staat de prijs weer open. De Stuurgroep bestaat uit specialisten in wetenschapscommunicatie van de Expertisecellen Wetenschapscommunicatie van de vijf universitaire associaties, van VIB en VITO, vanuit de ondernemingswereld, de pers en de media (Raf Scheers en Jan Hautekiet) en leden van de Academie. De onderscheidingen worden op 17 oktober 2013 uitgereikt. De laureaten en de aanwezigen (professionals in wetenschappelijke outreach) zullen er van gedachten wisselen over de verschillende manieren waarop wetenschapscommunicatie tot stand kan komen.

vlnr. Géry van Outryve d’Ydewalle, Ludo Gelders en Wannie Carstens

11


LAUREAAT LOOPBAANPRIJS Aanzetten tot kritisch denken als basisattitude

2e laureaat Hugo Thienpont (VUB)

Voor de Loopbaanprijs duidt de Academie Johan Braeckman (UGent) aan als Laureaat. De juryleden loven in het bijzonder zijn talrijke inspanningen om de eigenheden van de wijsbegeerte en de finesses van het wetenschappelijk denken in het algemeen op begrijpelijke wijze over te brengen. Johan Braeckman doet dit telkens met bijzonder veel enthousiasme en op een prikkelende en verfrissende wijze. Hij is er in geslaagd om mensen kritisch aan het denken te zetten over bio-ethische kwesties, de evolutietheorie en de feilbaarheid van ons denken. Vooral zijn initiatieven om de evolutietheorie voor een groot publiek te verklaren en te vergelijken met stromingen als het creationisme werden door de jury geapprecieerd. Johan Braeckman is auteur van 17 boeken en zet bijna onafgebroken activiteiten op, gaande van artikels, boeken en lezingen, tot radio- en tv-optredens en wetenschapscafés.

In het Atomium presenteerde Hugo Thienpont afgelopen jaar zijn onderzoeksgebied fotonica in een wervelende wetenschapsshow. Fotonica, de wetenschap en technologie van het licht, is een zeer brede onderzoeksdiscipline en heeft een impact op ieders dagelijkse leven. De jeugdige toeschouwers namen enthousiast deel aan de show die Thienponts team van jonge vorsers verzorgden over de unieke eigenschappen van licht en fotonen, en de toepassingen van de fotonica in geneeskunde, energieopwekking, datacommunicatie, beeldschermen en energiezuinige verlichting. De volledige show was opgebouwd uit zes modules, die elk werden gebracht door 1 of meerdere jonge, dynamische vorsers, zelf actief in het domein van de fotonica. Samen vormden de modules een visueel aantrekkelijke en leerrijke show voor het publiek, dat actief bij de experimenten of demonstraties werd betrokken. Hugo Thienpont leidt de fotonica-onderzoeksgroep B-PHOT aan de VUB. Het is één van de toonaangevende onderzoeksgroepen in de fotonica in Europa. Met haar onderzoek rond nieuwe lichtbronnen, zoals lasers voor medische toepassingen en LEDs voor energiezuinige verlichting, efficiënte zonneenergie-collectoren, driedimensionale beeldschermen, optische labs-on-a-chip (met o.a. toepassing in medische diagnose), overspant B-PHOT de belangrijkste onderzoeksdomeinen van de fotonica.

12

de heer Hugo Thienpont

Didier Vangeluwe is werkzaam bij het KBIN als hoofd van de Belgische Ringdienst. De ornitholoog onderzoekt wereldwijd het trekgedrag en de populatiedynamica van vogels, met speciale aandacht voor bedreigde vogelsoorten. De slechtvalk (Falco peregrinus) is één van deze vogels in gevaar: door het gebruik van DDT was de soort in de jaren ‘60 uitgestorven in België en buurlanden. Sinds 2004 zijn ze echter terug, nota bene in het hartje van Brussel, waar ze elk jaar hun nest maken in de noordtoren van de Brusselse Sint-Michiels- en SintGoedele-kathedraal. In 2005 riep Didier Vangeluwe het project ‘Valken voor iedereen’ in het leven, waarbij het doen en laten van het koppeltje slechtvalken en zijn kroost via een camerasysteem dag en nacht live kan worden gevolgd. “’Valken voor iedereen’ is voor mij een manier om de pracht en de fragiliteit van de natuur te kunnen tonen, maar ook de capaciteit die ze heeft om zich aan te passen”, vertelt Didier Vangeluwe. “Daarenboven is het een verrijking om de natuur te observeren, en dat wilde ik met zoveel mogelijk mensen delen. Op die manier is het een opstapje naar, een aantrekking tot de wetenschap.”

de heer Stéphane Symons

1e laureaat Didier Vangeluwe (KBIN)

de heer Didier Vangeluwe

LAUREATEN JAARPRIJS

3e laureaat Stéphane Symons (KU Leuven) Stéphane Symons is filosoof aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven en is de academisch verantwoordelijke van het jaarlijkse Feest van de Filosofie in Leuven, dat in 2014 aan zijn vijfde editie toe zal zijn. “Met het Feest van de Filosofie willen we de wijsbegeerte naar het brede publiek brengen. Niet alleen met de traditionele colleges en debatten, maar ook met een film- of theatervoorstelling, een tentoonstelling of een filosofische stadswandeling. Het thema is telkens maatschappelijk relevant. Bij de vorige editie was dat ‘economie en waarde’. We kiezen ook steeds een hoofdspreker met internationale faam, van wie de vertaalde boeken beschikbaar zijn in de reguliere boekhandel. Voor de eerste editie was dat bijvoorbeeld Hans Achterhuis.” “We mikken op een ruim publiek qua leeftijd en nationaliteit: er zijn workshops voor kinderen en sessies in het Engels voor internationale studenten en bezoekers. Ook qua achtergrond is het publiek divers: je hoeft geen oud-student filosofie te zijn!” En de formule blijkt aan te slaan: bij de vorige twee edities waren de 650 tickets telkens uitverkocht. “Filosofie lijkt een revival te kennen door de crisis die onze maatschappij doormaakt: filosofen kunnen dan helpen de oorzaken van maatschappelijke problemen te verwoorden en gaan op zoek naar mogelijke oplossingen.”

ct


tu

Laureaten Jaarprijs behoren tot zeer uite enlopende disciplines: biologie, fotonica en filosofie De Jaarprijs is voor wetenschappers die in 2011 of 2012 een originele activiteit hebben ontplooid en erin geslaagd zijn om dit overtuigend te combineren met hun onderzoekswerk. Juist om de waardering voor wetenschapscommunicatie breder ingang te doen vinden bij de verschillende onderzoeksinstanties werd er gekozen voor een shortlist van 17 personen, waarbij er twee een team vormen.

SHORTLIST JAARPRIJS Gino Baart (KU Leuven) Gino Baart is plantensysteembioloog aan de KU Leuven. Hij is realisator van Vestrock (Junior) University op het Vestrock festival te Hulst (NL). Vestrock University wil festivalgangers op een laagdrempelige manier informeren en inspireren op het gebied van duurzaamheid, klimaatverandering en andere populaire wetenschappelijke onderwerpen. Maarten Boudry (UGent) Maarten Boudry (wetenschapsfilosoof, UGent) is o.a. bekend van zijn reeks opiniestukken in de media en het boek 'De ongelovige Thomas heeft een punt', i.s.m. Johan Braeckman. De feilbaarheid van het menselijk redeneervermogen is een centraal gegeven. Karen De Coene (UGent) Met de tentoonstelling 'Liber Floridus 1121' heeft de Gentse kunsthistorica Karen De Coene het moeilijk toegankelijke middeleeuwse wereldbeeld aan de hand van een oorspronkelijk manuscript aanschouwelijk gemaakt. De tentoonstelling vond een evenwicht tussen trouw aan de wetenschappelijke inhoud en duidelijke communicatie. Wim Dehaene (KU Leuven) Wim Dehaene is onderzoeker in de microelektronica (KU Leuven) en is organisator van het 'Project IR13: ingenieur op 13 jaar'. In deze reeks workshops maken kinderen van de 1e graad S.O. kennis met de basisprincipes van de ingenieurswetenschappen. Pieter d'Hoine en Bart Pattyn (KU Leuven) Pieter d'Hoine en Bart Pattyn zijn op dit ogenblik de verantwoordelijken van de lessen voor de XXIe eeuw aan de KU Leuven (André Vande Putte, Bart Raymaekers en Gerd Van Riel gingen hen vooraf). Ze zijn vooral verantwoordelijk voor de samenstelling van het programma van de lessen, het inleiden van de sprekers en het modereren van de discussies. Jorgen D'Hondt (VUB) Jorgen D'Hondt is deeltjesfysicus (VUB) en secretaris van de Raad van Bestuur van het CERN. De

'WOW! van de kwantumfysica' was een reeks van 4 workshops, georganiseerd aan de VUB, voor jongeren. Hij organiseert ook reizen voor jongeren naar het CERN. Lieve Gheysen (UGent) Lieve Gheysen is directeur van het IPBO-UGent en organiseerde de veldproef van Phytophtoraresistente aardappels. De communicatie was een essentieel onderdeel en er werd van in den beginne contact gezocht met de pers. De veldproef had een duidelijke wetenschappelijke en maatschappelijke impact. Joseph Indekeu (KU Leuven) In 'Het schouwtoneel van de kwantumfysica' demonstreert en verduidelijkt Joseph Indekeu (KU Leuven) de ontdekkingen en toepassingen van de kwantumfysica voor het brede publiek door middel van een zelf ontworpen en zelf uitgevoerde show. Gert Peersman (UGent) Gert Peersman (UGent, Economie) is vooral bekend van zijn tweewekelijkse column in De Standaard, waarin hij duiding geeft over de economische actualiteit en zo bijdraagt tot de opinievorming. Hij is auteur van het boek De Perfecte Storm, dat gaat over de oorzaken van de financiële crisis. Jan Tytgat (KU Leuven) Jan Tytgat leidt het Labo voor Toxicologie en Bromatologie aan de KU Leuven en wordt vaak gevraagd om consumentenadvies te geven over voedingsmiddelen en medicijnen, bv. in het Radio2-programma 'Inspecteur Decaluwé' en in 'Ook Getest op Mensen'. Bram Vanderborght (VUB) Bram Vanderborght (VUB) heeft met zijn internationale wedstrijd RoboCup Junior aandacht voor het warm maken voor een carrière in wetenschap en techniek. In de RCJ maken jongeren een robot die het internationaal moet opnemen in een aantal behendigheidsopdrachten. Wim Verbeke (UGent) Wim Verbeke is als landbouweconoom verbonden aan de UGent, en hij heeft in de periode 20112012 enkele opgemerkte opiniestukken gepubliceerd. Hij verstaat de kunst om snel, accuraat en bewust in te spelen op concrete nieuwsfeiten die het brede publiek aanspreken. Francis wyffels (UGent) Francis wyffels (UGent, robotica) is medeoprichter van Dwengo, een vzw die wetenschapsbeleving met behulp van het programmeren van microcontrollers aan scholen aanbiedt. De jongeren en leraars krijgen de kans om zelf met robots aan de slag te gaan.

13


3

Nieuw rapport van EASAC met medewerking van de Academie Ondergrondse opslag van CO2: de tijd dringt Ben Laenen Info: Sofie Vanthournout

Uit het nieuwe rapport van de Europese federatie van Academiën voor Wetenschappen (EASAC) over het afvangen en het ondergronds opslaan van CO2 (Carbon Capture and Storage, CCS) in Europa blijkt dat de remmen om CCS te gaan toepassen eerder economisch en politiek van aard te zijn, dan technisch. Op 22 mei organiseerde EASAC een seminarie in het Paleis der Academiën om het rapport ‘Carbon Capture and Storage in Europe’ aan het publiek voor te stellen. Na dit druk bijgewoonde evenement trok een delegatie van de EASAC werkgroep naar het Berlaymontgebouw voor een briefing met leden van de Europese Commissie. Zoals één van de Commissieleden opmerkte, bevat het rapport geen nieuwe wetenschappelijke informatie, maar geeft het een zeer volledig en objectief overzicht van de stand van de techniek en de uitdagingen voor de ontwikkeling van CCS in Europa. Die opmerking is terecht en verwoordt perfect de doelstellingen die de EASAC werkgroep zichzelf oplegde bij de aanvang van de studie. Het beeld dat uit de studie naar voren komt is een van vertragingen in onderzoek en ontwikkeling, teruggeschroefde ambities en aanslepende remmingen op economisch en maatschappelijk vlak. Het resultaat is dat het potentieel om CO2 ondergronds op te slaan versmalt en dat de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is om CCS in Europa van de grond te tillen vertraging oploopt. Hoewel er zeker nog een reeks technologische hordes te nemen zijn voordat CCS efficiënt en grootschalig kan worden toegepast, blijken de meest prangende uitdagingen economisch en politiek van aard te zijn. De huidige financiële en politieke context is duidelijk niet geschikt om privé-investeringen in CCS aan te trekken. Integendeel, het enthousiasme waarop CCS initieel werd onthaald, taant. Tenzij er duidelijke politieke acties ondernomen worden om de maatschappelijke en financiële situatie te verbeteren, zal dit niet snel veranderen. En de tijd dringt: CCS is immers geen kraan die je even opendraait op het moment dat je ze nodig hebt.

4

St Standpunt over E-learning in he het hoger onderwijs KV KVAB daagt universiteiten uit Georges Van der Perre Ge In Info: Thomas Vandenberghe

Bij het begin van dit academiejaar was het nog in het nieuws: hoorcolleges filmen wa en op het web zetten (“webleren”) bleek dan misschien toch niet dé oplossing voor overbezette aula’s. Een andere polemiek ging over het gebruik van internet (en tablets) in het onderwijs: verruimt het de blik van de leerlingen of zet het een rem op hun verstandelijke ontwikkeling? En welke docent nog niet gehoord heeft van MOOCs (Massive Open Online Courses) heeft de laatste tijd niet aan een universiteit maar op een andere planeet vertoefd. Wat moeten we nu in ons onderwijs met al die toepassingen van de informatie- en communicatietechnologie (ICT) en het internet, kortom met e-learning”? De Klasse Technische Wetenschappen van de KVAB zocht op deze vraag een antwoord voor het hoger onderwijs. Volgens haar rapport ‘Van blended naar open learning’ is de tijd van de ad hoc oplossingen en het losse experimenteren voorbij. Universiteiten en hogescholen moeten dringend werk maken van een globale strategische visie op e-learning, of beter nog op blended learning: slimme combinaties van klassieke onderwijs- en leermethoden met e-learning. Doen ze dit nu niet, dan dreigen ze een historische kans voor interne vernieuwing te missen, een aantal ontwikkelingen te moeten ondergaan, en erger nog: een deel van hun actieterrein te moeten prijsgeven. Digital natives De studenten van vandaag zijn geboren in een digitale wereld van internet, laptops, tablets en smartphones. Ze voelen zich in hun sas op Facebook, Twitter en Youtube. Ze leven in een andere wereld dan de vorige generaties. Vragen (of maken) ze ook een andere universiteit? Onze universiteiten en hogescholen vandaag ICT en internet zijn al enige tijd doorgedrongen in hoor- en werkcolleges, en worden nu meer en meer ingezet voor het stimuleren en begeleiden van het zelfstandig leren, individueel en in

Het rapport besluit met een reeks aanbevelingen om de economische haalbaarheid, de technologische efficiëntie en maatschappelijke aanvaarding van CCS in Europa te verbeteren. Want hoewel er verschillende technieken ontwikkeld worden om CO2 nuttig te gebruiken, blijken die – nog – niet in staat om de rol van ondergrondse opslag over te nemen. Georges Van der Perre, voorzitter van de KTW-werkgroep.

14

ct


tu

groep. Voortrekkers aan de verschillende instellingen ontwikkelen intussen zeer innovatieve onderwijsvormen (“really” open learning) en geavanceerde technieken om het leerproces te monitoren (learning analytics). Webleren, knowledge clips, multicampus onderwijs Steeds meer wordt gebruik gemaakt van “web lectures” en “knowledge clips”: video-opnamen die via het web beschikbaar gesteld worden en die nieuwe creatieve combinaties van fysiek onderwijs met webleren toelaten. De studenten stonden aanvankelijk wat weigerachtig, maar beginnen er voordelen in te zien. Multicampusonderwijs op basis van live videoconferenties en web applicaties wordt al enkele jaren toegepast in het kader van de associaties en andere samenwerkingsverbanden (zoals netwerken voor permanente vorming) Wereldwijde ontwikkelingen: OER en MOOCs Voor de aanmaak en uitwisseling van digitaal leermateriaal is er een sterke wereldwijde trend naar “Open Educational Resources” (OER). Deze OER-beweging betekent voor onze hogere onderwijsinstellingen zowel een grote uitdaging als een nieuwe opportuniteit. Gebruiken ze trouwens reeds OERs op Vlaamse schaal? Een nog grotere uitdaging zijn de “Massive Open Online Courses” (MOOC) van instituten als Stanford, Berkeley, MIT, Harvard, met tienduizenden deelnemers wereldwijd. Hoe gaan onze eigen universiteiten en hogescholen hier mee om? Virtuele Erasmus Veelbelovende concepten als “Virtuele Erasmus” en “Virtuele Europese Universiteit” werden de voorbije decennia bedacht, ontwikkeld en uitgetest (met echte studenten) in het raam van een aantal projecten gefinancierd door de Europese Unie. Hierbij zitten studenten uit verschillende Europese universiteiten “online” samen in cursussen gegeven aan één of meerdere universiteiten. In deze Europese projecten was er vaak een creatieve inbreng van open- en afstandsuniversiteiten en van vormingsdepartementen in ondernemingen. Knelpunt: accreditatie Universiteiten en hogescholen hebben het moeilijk om studiepunten (credits) toe te kennen aan online opleidingsonderdelen, vooral als die van elders komen. Dit is een belangrijke beperking bij het gebruik van MOOCs en OERs, en bij de ontwikkeling van het “Virtuele Erasmus” concept. Dit laatste ligt nochtans helemaal in de lijn van de Bologna-verklaring. Een grote uitdaging is ook om digitaal opgedane kennis en vaardigheid te examineren. Dat kan moeilijk op klassieke wijze.

Dieper leren biedt meer mogelijkheden Met blended learning is een meer “studentgecentreerde” benadering van het leren mogelijk, wat leidt tot betere leerresultaten en een dieper inzicht. Met blended learning kunnen ook efficiënte oplossingen uitgekiend worden voor flexibel en deeltijds leren, daar waar studenten nog al te veel aan hun lot worden overgelaten. Een historische uitdaging Het rapport eindigt met één algemene, maar essentiële “conclusie en aanbeveling”: er is nood aan een systemische visie over de optimale valorisatie van de ICT en het internet voor het nieuw hoger onderwijs van de 21e eeuw. Deze visie moet gaan over de integratie van online cursussen en open leermateriaal (OER), de rol van de docent en de klas, de attitude van de student, de aanpak van de flexibilisering van het onderwijs, het gebruik van web lectures, de strategie t.a.v. de MOOCs, het openstellen van cursussen en leermateriaal voor levenslang leren (i.s.m. ondernemingen en de samenleving ) , de virtuele mobiliteit, en tenslotte de accreditatie: het toekennen van studiepunten. Bij dit alles kunnen de instellingen bouwen op de expertise die opgebouwd werd in de voorbije vijftien jaar, en mag natuurlijk de essentiële waarde van het samen leren en leven op een campus niet uit het oog verloren worden. Het zijn de universiteiten en hogescholen die deze systemische visie moeten ontwikkelen, er voor zorgen dat ze mee gevormd en gedragen wordt door het werkveld, de docenten en studenten, dat ze duidelijk communiceren met het brede publiek, en dat ze er een breed maatschappelijk draagvlak voor uitbouwen. Een historische uitdaging. Hoewel dit rapport uitgaat van de Klasse Technische Wetenschappen van de KVAB werd het geschreven door een interdisciplinair panel van pedagogen, technologen, docenten en industriëlen, en gaat het niet alleen over het onderwijs in wetenschap en technologie, maar over het hoger onderwijs in het algemeen, inclusief de humane en de biomedische wetenschappen. De heer Georges Van der Perre was voorzitter.

http://www.kvab.be/standpunten.aspx

15


5

ct

Standpunt Gerechtelijke erechtelijke Hervorming KVAB vraagt masterplan just justitie Hubert Bocken

In het nieuwe Standpunt 'De gerechtelijke hervorming' ijvert de Academie voor een grootschalige modernisering van justitie. In 2012 verscheen een omvangrijk boek over deze kwestie, als weerslag van het symposium gerechtelijke hervorming dat plaats had op 30 november 2011. Deze aanbevelingen werden overgemaakt aan de toenmalige Minister van Justitie. Om de impact te vergroten is nu overgegaan tot een uitgave in de reeks Standpunten van de Academie. De aanbevelingen gaan over de inrichting en werking van de gerechtelijke instellingen, het procesrecht en de besluitvorming op het gebied van justitiebeleid. Ze hebben geen betrekking op het vervolgingsbeleid, de strafuitvoering, de organisatie van de strafinrichtingen en het politiewezen. De gerechtelijke hervorming moet uitgaan van een globale visie waarin de volgende uitgangspunten centraal staan: Justitie is een openbare dienst die, zoals andere openbare diensten, kwaliteitsvol en efficiënt moet werken. Gerechtelijke procedures moeten leiden tot een effectieve oplossing van conflicten. Een goede rechtsbedeling vereist een kwali teitsvolle wetgeving die ondersteund is door wetenschappelijk onderzoek en tot stand komt in overleg met de actoren van justitie. De regeringsverklaring van de regering Di Rupo van 7 december 2011 bevat een aantal maatregelen die in de goede richting gaan, maar samen onvoldoende blijven. Een planmatige aanpak van de hervormingen is nodig door een meerjarenplan Justitie met de volgende elementen:

1. Justitie moet, zoals andere openbare diensten, effectief en productief zijn, kostenbewust werken, kwaliteitszorg toepassen en klantgericht zijn. Er zijn voldoende magistraten, maar zij moeten beter ingezet worden, in functie van de werkelijke werklast van de rechtscolleges. Dit vereist flexibiliteit, teamwerk en specialisatie. De inhoudelijke onafhankelijkheid van de rechter moet daarbij gewaarborgd blijven, maar deze onafhankelijkheid mag de organisatievorm niet in al zijn aspecten bepalen. Een vermindering van het aantal gerechtelijke arrondissementen is nodig, evenals een hergroepering in een eenheidsstructuur van de verschillende rechtscolleges binnen eenzelfde arrondissement. 2. De efficiëntie en effectiviteit van de gerechtelijke procedures moet verbeterd worden. De rechter moet de afhandeling van gerechtelijke procedures op een actievere wijze kunnen sturen. De mogelijkheden geboden door bemiddeling en andere vormen van buitengerechtelijke geschillenbeslechting moeten beter benut worden. Administratieve rechtscolleges moeten geschillen tussen overheid en burger binnen een redelijke termijn effectief kunnen oplossen, wat meer vereist dan de enkele nietigverklaring van administratieve rechtshandelingen. 3. De wetgeving op de inrichting en de werking van de rechtscolleges kan in vele opzichten verbeterd worden. Het Gerechtelijk Wetboek is verouderd en moet globaal herzien worden, maar ook een aantal beperkte wijzigingen van het burgerlijk procesrecht kunnen bijdragen tot een vlottere afhandeling van burgerlijke geschillen. Een gemeenschappelijke procesregeling is nodig voor de vele uiteenlopende administratieve rechtscolleges. In het strafprocesrecht werden tijdens de laatste jaren ingrijpende fragmentaire hervormingen doorgevoerd, in functie van specifieke deelproblemen. Deze hervormingen hebben de complexiteit en duur van de strafprocedures sterk doen toenemen en moeten grondig geëvalueerd worden. De aanbevelingen werden opgesteld door een comité bestaande uit leden van de Klasse van de Menswetenschappen, aangevuld met externe specialisten. De heer Hubert Bocken was voorzitter en verslaggever.

Hubert Bocken, voorzitter van de werkgroep en bestuurder van de Klasse Menswetenschappen.

16


tu

7 8

Marc Van Montagu M Laureaat L van de World W Food Prize 2013 013

Erkenning voor een levenswerk E nswerk

Marc M Van Montagu (Klasse Natuurwetenschappen) en de Amerikanen Mary-Dell ary-Dell Chilton en Robert T. Fraley krijgen de Wereldvoedselprijs 2013 toegekend. De World Food Prize is een Amerikaanse prijs die jaarlijks aan een of meer personen in de wereld wordt toegekend die een bijzondere prestatie hebben geleverd op de verbetering van de kwantiteit, kwaliteit of beschikbaarheid van levensmiddelen.

Prijs al enkele jaren indicatie voor topniveau van Vlaamse onderzoekers Info: Thomas Vandenberghe

In 1928 werd de Vlaamse Wetenschappelijke Stichting opgericht ter ondersteuning van verschillende Vlaamse wetenschappelijke initiatieven. Sinds 2002 reikt de Stichting beurtelings een prijs uit in de Humane, de Exacte en de Biomedische wetenschappen. De geldprijs ter waarde van € 10.000 is bedoeld voor jonge onderzoekers (tot 40 jaar). Volgend jaar (2014) wordt de prijs uitgereikt in de Humane Wetenschappen, waaronder geestes-, cultuur- en menswetenschappen worden verstaan.

Zij ontvangen de prijs gezamenlijk omwille "van hun individuele en onafhankelijke doorbraak als grondleggers van de moderne groene biotechnologie en hun bijdrage aan de ontwikkeling en toepassing ervan. Dankzij het onderzoek van deze wetenschappers kunnen landbouwers vandaag insecten-resistente en herbicidetolerante gewassen kweken. Deze GGOtechnologie kan echter ook zorgen voor een grotere variëteit aan gewassen met daarenboven een verhoogde opbrengst of ingebouwde ziekteresistentie. Bovendien kunnen met deze technologie op korte termijn gewassen ontwikkeld worden die ook in ongunstige klimaatomstandigheden kunnen groeien, zoals bijvoorbeeld in extreme droogte of warmte”.

De prijs van de Vlaamse Wetenschappelijke Stichting trekt de laatste jaren opmerkelijk veel kandidaten aan, die steeds van een zeer hoog niveau zijn. De laureaten van de vorige jaren zijn Koen De Temmerman (Griekse letterkunde, 2008), Koen Thas (wiskunde, 2009), Xiaobo Xu (geneeskunde, 2010), Anne Winter (geschiedenis, 2011) en Stefaan Vaes (wiskunde, 2012). De prijs wordt in elke driejaarlijkse cyclus door de KVAB (2x) en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België (KAGB, 1x) uitgereikt. De laureaat van 2013 wordt bekroond tijdens de Openbare Vergadering van de KAGB op 30 november 2013.

Marc Van Montagu is momenteel wetenschappelijk adviseur bij VIB en leidt IPBO, het Instituut voor Plantenbiotechnologie voor de Ontwikkelingslanden. De drie namen werden gisteren 19 juni bekendgemaakt. De prijs wordt overhandigd tijdens een ceremonie op 17 oktober aanstaande in de Verenigde Staten.

6

Jean Poesen geëerd met eredoctoraat at en buitenlands lidmaatschap Op 9 mei ontving professor Jean Poesen (Klasse Natuurwetenschappen) een eredoctoraat van de Alexandru Ioan Cuza University of Iasi, de oudste universiteit van Roemenië. Professor Poesen is verbonden aan de afdeling Geografie, Departement Aard- en Omgevingswetenschappen van de KU Leuven. Zijn onderzoek is vooral toegespitst op geomorfologische processen, bodemerosie en bodem- en waterconservering. In de plechtigheid werd zijn engagement voor de Roemeense academische gemeenschap onderstreept.

Oproep Prijs Vlaamse Wetenschappelijke Stichting 2014

Een maand later, op 19 jun juni 2013, werd hij benoemd tot buitenben lan lands lid van de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, het oudste geleerde genootschap in Nederland. De KHMW werd opgericht in 1752 met als doel “het bevorderen van de wetenschap en een brug te slaan tussen wetenschap en samenleving”, in iedere periode op een eigentijdse manier.

17


ctu

ON Opgemerkt De Koninklijke kasseien

9 Denkers Denkersp Denkersprogramma Jeugdwerkloosheid Jeugdwer Inez Dua

Het eerste denkersprogramma van de KVAB draait op volle toeren. Na twee enthousiast onthaalde workshops waar zowel beleidsmensen, de academische wereld als het middenveld met de sociale partners goed vertegenwoordigd waren, volgen nu twee brown bag seminaries. De problematiek van de jeugdwerkloosheid werd ondertussen geschetst met aandacht voor de verschillende deelproblemen en enkele buitenlandse modellen inzake arbeidsmarktbeleid gericht op jongeren kwamen aan bod. De brown bag seminaries gaan nu dieper in op een bepaald project en vinden telkens plaats van 12u00 tot 14u00 in het Paleis der Academiën. Op woensdag 23 oktober 2013 zal professor Bart Cockx (UGent) het economische luik van de problematiek uitdiepen aan de hand van recent onderzoek en op dinsdag 8 november 2013 wordt het project NFTE (Network for Training Entrepreneurship) voorgesteld. Een afsluitend open congres volgt op woensdag 11 december 2013 waar onder meer lezingen gegeven worden door Herman Van Rompuy, Dirk Van Damme, Jan Smets, Stijn Baert, Jan Eeckhout en Monica De Coninck. Voor het volledige programma kan u terecht op de website www.kvab.be/denkersprogramma en bij inez.dua@kvab.be . - 23.10: Lunchseminarie Prof. dr. Bart Cockx (UGent), 12u-14u - 08.11: Lunchseminarie NFTE Solvay, 12u-14u - 11.12: Open Congres, 9u-17u

18

Hans Rombaut

België is het land van de kasseien en Brussel is er de hoofdstad van. Het porfier van Quenast, Lessines en Soignies is wereldwijd geëxporteerd. Ook rond het Academiënpaleis en op het Paleizenplein werd bestraat met kasseien. Maar wie goed kijkt ziet verschillen. Op het Paleizenplein liggen grote rechthoekige bruine kasseien. Bij de overgang naar de Hertogsstraat ziet men grijze exemplaren, aan de toegangen tot het Academiënpaleis zijn het kleine onregelmatige witte keien. De eerste zijn afkomstig uit Zweden, de laatste zijn zogenaamde kinderkoppen uit Balegem. De andere zijn de typische Belgische kasseien, die tot in de VS bekend zijn als 'Belgian blocks'. Is dat toevallig? Wie daar meer van wist was wijlen Herman Liebaers (1919-2010), lid van de Klasse van de Menswetenschappen en hofmaarschalk van koning Boudewijn van 1974 tot 1981. Hij klaagde vaak over de kinderkoppen op zijn weg naar de Klassenvergaderingen en pleitte voor de aanleg van een strook ter breedte van ongeveer één meter met gelijkmatige tegels, zodat de knieën van de oudere academieleden zouden gespaard worden. Maar die strook is er nooit gekomen. De kinderkoppen mogen namelijk niet weg, zo vertelde hij mij. Ze moeten ten eeuwigen dage blijven liggen. Dat werd zo bepaald in 1926 bij de voorbereidingen van het huwelijk tussen prins Leopold en prinses Astrid van Zweden. Bij een bezoek aan het Koninklijk Paleis in Brussel had Astrids vader, prins Karel van Zweden (1861-1951), ook Oscar Karel Willem Bernadotte genaamd, opgemerkt dat de hoefslag van de paarden op het Paleizenplein niet helder genoeg klonk. Om daaraan te verhelpen heeft hij Zweedse kasseien naar België laten zenden om daarmee het Paleizenplein te bestraten. De Balegemse kinderkoppen moesten daar dus weg en werden elders rond het Koninklijk Paleis en ook rond het Academiënpaleis gelegd. Met dezelfde oorkonde werd bepaald dat de Zweedse en de verplaatste kasseien ten eeuwigen dage moesten blijven liggen, tot groot leed van Liebaers' oude knieën. Dit zijn dus “Koninklijke kasseien”, grapte hij, toen hij me dit vertelde. Ik weet niet of het verhaal waar is, maar Herman Liebaers wist veel, dat kunnen velen getuigen.


Jan Roegiers (19 oktober 1944-12 juli 2013) Professor Jan Roegiers was een eminent specialist in kerk- en cultuurgeschiedenis van de moderne tijd, in het bijzonder de periode van de Aufklärung. Hij was ook een autoriteit op het gebied van de universiteitsgeschiedenis. Hij was gewoon hoogleraar aan de faculteit Letteren van de KU Leuven en van 1980 tot 1996 hoofdbibliothecaris van de universiteitsbibliotheek, en verantwoordelijk voor archief en kunstpatrimonium. Hij heeft zich bijzonder verdienstelijk gemaakt voor de Revue d’Histoire ecclésiastique, waarvan hij van 1992 tot 2009 directeur was. In 1996 werd Jan Roegiers verkozen tot corresponderend lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Klasse Menswetenschappen. In 1999 werd hij gewoon lid van de Klasse. Van 2010 tot 2013 was hij voorzitter van de Publicatiecommissie.

Hilde Van Sumere (15 oktober 1932-13 mei 2013) Het indrukwekkende geometrisch-abstracte oeuvre van Hilde van Sumere omspant een halve eeuw. Al kenmerkt zich haar werk door de volledige afwezigheid van de menselijke figuur, toch ligt het ingebed in introspectie, een uitermate essentieel menselijke activiteit. Veel van haar monumentaal sculpturaal werk behoort tot de publieke ruimte en valt te bewonderen in binnen- en buitenland. Een bescheiden schatkamer van kleine sculpturen, gouaches, tekeningen en grafiek vervolledigen, op een veeleer intieme schaal, Van Sumeres verlangen naar ruimtelijke monumentaliteit. Roger Marijnissen prijst de 'hoogst zorgvuldige toewijding' van haar beelden die ze aandachtig volhoudt 'vanaf het eerste concept tot en met de allerlaatste behandeling'. Van Sumeres werk werd bekroond met talrijke onderscheidingen. Hilde Van Sumere trad toe tot de Academie als corresponderend lid in 1995, werd gewoon lid in 1999 en was sinds 2007 erelid. Zij was bestuurder van de Klasse van de Kunsten in 2007.

19


WAT IS

De ACADEMIE

WAT IS

volgens

De

ACADEMIE

WAT IS

volgens

KUNST

WETEN SCHAP volgens


Academieberichten 55