Issuu on Google+


p. 3 De dichters p. 5 Muziek p. 6 Vliegenvangers van de verbeelding Poëzie en proza p. 8 De roman en het vers p. 10 De Amerikaanse poëzie leeft p. 12 Wallace Stevens, laatste Hollander der Amerikanen p. 14 De epiek van Herman Gorter p. 16 Fernando Pessoa’s andere vaderland p. 18 De stiltes van Jon Fosse p. 20 Wisława Szymborska – Einde en begin Een filmportret p. 22 Layla en Madjnun: Liefde, poëzie en krankzinnigheid… p. 25 Amerika, Amerika Rotterdamse dichters p. 26 De C. Buddingh’-prijs 2010 p. 28 Poetry International in Antwerpen VPRO De Avonden p. 29 Poetry in the Afternoon en Poetry Talks p. 30 Tomas Lieske (Nederland) p. 32 Het juiste woord Dichters in Verborgen Tuinen p. 33 Nieuw op Poetry International Web: Indonesië p. 34 Het leven (z)onder het vernis Poëzietheater p. 36 Eugenijus Ališanka (Litouwen) p. 38 Singing Reality kunstfilmprogramma samengesteld door Maria Barnas p. 40 Poëzie op het scherm Bits of poetry p. 41 GARDENSENSIBILITIES hoorspel p. 42 Ron Winkler (Duitsland) p. 44 Katia Kapovich (Rusland / Verenigde Staten) p. 45 Hasso Krull (Estland) p. 46 ‘Zwaan kleef aan’ slotprogramma p. 48 Arrangementen p. 49 Praktische informatie / Met dank aan…

‘Wat wel en niet mag, is in wetten vastgelegd’ Alfred Schaffer Proza en poëzie Toen Poetry International bekendmaakte dat het thema van het festival in 2010 de relatie tussen poëzie en proza betrof, stoof menigeen op: het leek alsof we de zorgvuldige opgebouwde kaders van de literaire conventie hadden doorbroken. Ook de Amerikaanse dichter Charles Simic, die in opdracht van Poetry International een essay schreef over de relatie tussen poëzie en proza, spreekt over de weerstand die hij ondervond toen hij zijn eerste prozagedichten publiceerde. Bij de toekenning van de Pulitzerprijs in 1990 aan zijn poëzie in prozavorm, ontstond er een aanzienlijk protest onder literatuurcritici. Men eiste een verklaring: hoe kon een prijs voor poëzie worden gegeven aan iets dat per definitie geen poëzie was? En onlangs stapte in Ne­der­land politicus Frits Bolkestein uit de jury van de Ida Ger­hardt­prijs. Bolkestein achtte de prozagedichten in de be­k roon­de bundel Kooi van Alfred Schaffer niet in de geest van de vormvaste poëzie van de naamgeefster van de prijs. Zijn laatste woorden, hand al aan de deurklink: ‘Er is toch zeker nog wel verschil tussen proza en poëzie, of hoe zit dat?’ Een strikte scheiding tussen poëzie en proza lijkt echter achter­ haald en het overgangsgebied tussen de twee disciplines vormt een boeiende en rijke bron voor dichters en romanciers. Tijdens het 41e Poetry International Festival levert het thema mooie pro­gramma’s op over verhalende, epische lyriek, over prozage­ dichten en readymades. Programma’s over de poëzie in roman­ passages. Over romans die dichters beïnvloedden en ge­dichten

Bas Kwakman © Tineke de Lange

die romanschrijvers inspireerden. Verenigde Staten Het festival heeft daarnaast bijzondere aandacht voor poëzie uit de Verenigde Staten. Met herinneringen aan de rijke wissel­ werking tussen de Amerikaanse en Europese poëzie uit het verleden heeft Poetry International lang geijverd voor een Ame­ rikaans domein op het digitale poë­zietijdschrift Poetry Inter­ national Web. Dat domein is in maart 2010 eindelijk tot stand gekomen, in nauwe samenwerking met The Poetry Foun­dation in Chicago. Hopelijk is het een eer­s­te aanzet voor een nieuwe luchtbrug waarop Amerikaanse dichters in de voet­spo­ren van Whalt Whitman, Allen Ginsberg en Wallace Stevens, en Euro­ pese dichters in de voetsporen van Arthur Rim­baud, Joseph Brodsky en Wisława Szymborska el­kaar kunnen kruisen. In dit licht presenteert het Poetry International Festival een aan­tal belangrijke Amerikaanse dichters, een programma rond Wallace Stevens, een boekpresentatie, debatten en de officiële lancering van het Amerikaanse domein op Poetry International Web. Als vanouds biedt het Poetry International festival de rijkdom van de poëzie uit de hele wereld. Naast de themaprogramma’s rond proza en poëzie uit de Verenigde Staten zijn er gevarieerde programma’s met dichters uit Afghanistan, Litouwen, Soedan, Denemarken, Noorwegen, Spanje, Zuid-Korea, Japan, Brazilië, Rusland, Nederland, Estland, Polen, Peru, Ierland, Marokko, Frankrijk, België, Friesland en Duitsland, elk met hun persoon­ lijke en unieke stemgeluid en voordracht.

‘Manieren om naar een merel te kijken’ Opening van het 41e Poetry International Festival zaterdag 12 juni, 20.00 uur

grote zaal

Naar analogie van Wallace Stevens’ gedicht ‘Thirteen ways of looking at a blackbird’ presenteert Poetry International een veel­ kleurig openingsprogramma met tal van ma­nieren om naar poëzie te kijken. Niet en­kel talig via voordracht, maar ook via thea­ter, film, beeldende kunst, muziek en dans roept poëzie ervaringen op. Hoe indringend, misleidend en verleidelijk taal kan zijn, kunt u het hele festival lang in vele programma’s ervaren en dat is ook precies het oogmerk van deze avond. Een fast forward poëzietrip door de festivalweek heen met voordrachten van festivaldichters, poëzietheater naar Edgar Lee Masters’ Spoon River Anthology, een preview op het kunstfilmprogramma van curator Maria Barnas, de wereldpremière van ‘The Arrest’ van Yannis Kyriakides en MAE (voorheen Maarten Altena Ensemble) en nog veel meer. Poëzie laat zich immers niet beperken tot taal alleen.

Geniet dus van 11 tot en met 18 juni in de Rotterdamse Schouw­ ­burg van de levendigheid in de huiskamer bij Nobelprijswin­ nares Wisława Szymborska, luister naar de poëzie in het proza van Hiromi Itō en Tomas Lieske en naar de als proza op­ge­ schreven poëzie van Thomas McCarthy. Hoor de twijfel van Ursula Andkjær Olsen naast de onverbloemde stelligheid van Nyk de Vries. Ontdek de verhalen in de vormvaste gedichten van Katia Kapovich en in het beeldenrijke werk van Carlos Lopéz Degregori en zet je af tegen de indrukwekkende beeld­spraak van Antonio Gamoneda. Begrijp via het werk van Michael Palmer, C.K. Williams en Christian Hawkey de noodzaak van een nieu­we luchtbrug met de Verenigde Staten en merk hoe je het engagement van de Afghaan Kamran Mir Hazar koppelt met dat van de Braziliaanse dichter Lêdo Ivo. Zie niet alleen het experiment in het werk van Marc Kregting en Erik Spinoy, maar ook in dat van Hassan El Ouazzani en Al-Saddiq AlRaddi. Zet de gebroken taal van Valérie Rouzeau naast de dries­­te van Kim Hyesoon of de zich telkens hernemende ge­ dichten van Ron Winkler en ontdek de veelstemmigheid van Ewa Lipska en ‘winterdichter’ Hasso Krull. Ik wens u een me­ morabel festival toe. Bas Kwakman (directeur)

Wereldpremière tijdens openingsprogramma

Yannis Kyriakides & MAE: ‘The Arrest’ zaterdag 12 juni, 20.00 uur

grote zaal

De  moderne componist Yannis Kyriakides heeft een fascinatie voor het spannings­ veld tussen muziek en taal. Veel van zijn composities – zoals A conspiracy cantata (Gaudeamus Prijs 2000) of Dreams of the blind (2006) – spelen met het gegeven dat tekst en muziek met elkaar overhoop kunnen liggen. In het openingsprogramma presenteert Kyriakides de wereldpremière van ‘The Arrest’ op basis van een tekst van de Franse schrijver-dichter George Perec. Het wordt uit­gevoerd door het door hem geleide ensemble MAE (voorheen Maarten Altena En­semble) dat voor deze gelegenheid bestaat uit zes musici: viool, recorder, klarinet, piano, percussie en contrabas. 3

Yannis Kyriakides & MAE © MAE


De dichters Eugenijus Ališanka (Litouwen, 1960)

Eugenijus Ališanka

Al-Saddiq Al-Raddi

Ursula Andkjær Olsen

Jon Fosse

om de mensen te beschermen die dat leven leiden. donderdag 17 juni, 21.30

werd in Siberië geboren als zoon van ballingen, die twee jaar later terugkeer­ den naar Litouwen. Zijn poëzie is wars van conventies in taal en symboliek. Gedichten die overduidelijk gesitueerd zijn in een typisch Litouws dorps­ landschap in het postcommunistische tijdperk krijgen een universele di­ men­­sie. In andere gedichten worden mythen naar een Litouwse context ver­plaatst. Op een concrete, visuele manier worden zo intellectuele worstel­ingen onder woorden gebracht. maandag 14 juni, 21.30 uur kleine zaal /

uur

Hiromi Ito- (Japan, 1955) is een van de belangrijkste en meest gewaardeerde dichters van Japan. Sinds haar debuut in de late jaren zeventig geldt ze als een levendige, dyna­m­­ische vrouwelijke dichter. Ze publi­ceerde meer dan tien poëziebundels waaronder de werken Watashi wa Anjuhimeko de aru (Ik ben Anjyuhimeko, 1993) en Kawara Arekusa (Wild gras op een rivieroever, 2005). Itō verkent de meest uiteenlopende onderwerpen in haar poëzie; van de relatie tussen de seksen, de orale tradities van de Indiaanse stammen van Noord-Amerika, tot de popmuziek van de jaren zestig en de levensduur van planten. vrijdag 18 juni,

www.booksfromlithuania.lt (tab ‘EN’)

Ursula Andkjær Olsen (Denemarken, 1970)

Antonio Gamoneda

Hiromi Ito

Christian Hawkey

Lêdo Ivo

verbindt in haar poëzie associatief conflicten en tegengestelde krachten waar­bij bekende woorden, spreekwoorden en uit­drukkingen in hun context een nieuwe betekenis krijgen. Volgens Andkjær Olsen is ‘poëzie op zoek naar het schone met behulp van beeldende, klink­ende en ritmische middelen; om je te bezinnen op de wereld en niet in het minst op je eigen gebrek aan perfectie.’ In mei 2010 verscheen haar bundel Have og helvede (Tuin en hel).

20.00 uur kleine zaal * Poetry Talk: vrijdag 18 juni, 19.15 uur foyer / op Poetry International Web: http://japan.poetryinternationalweb.org

Lêdo Ivo (Brazilië, 1924)

donderdag 17 juni, 20.00 uur kleine zaal * hoorspel GARDENSENSIBILITIES: maandag 14 juni, 21.30 uur Krijn Boon Studio / www.surfurs.dk

schreef naast journalistiek werk gedichten, verhalen, (memorealistische) romans en essays. Meteen vanaf zijn debuut in 1944 ontving hij vele prijzen en onderscheidingen. Ivo schrijft warme en zinnelijke gedichten en staat daar­mee los van de dichters van zijn generatie, die teruggrijpen naar poëzie met klassieke en strakkere vormen. Nadat hij zijn aanvankelijke voorliefde voor breedsprakigheid en abstracties had afgelegd, is Ivo uitgekomen bij ironische korte parodieën. In 2000 verscheen een keuze uit zijn werk in het Nederlands in de bundel Vleermuizen en blauwe krabben in de vertaling van August Willemsen. donderdag 17 juni, 20.00 uur kleine zaal

Al-Saddiq Al-Raddi (Soedan, 1969)

Katia Kapovich

Marc Kregting

Kim Hyesoon

Hasso Krull

woont al zijn hele leven in Khartoem Omdoerman. Al-Raddi debuteerde in 1996 met de bundels Ghina’ al-‘Uzlah (Zangen van eenzaamheid) en Matahat al-Sultan (Het labyrint van de sultan). Hij werd onmiddellijk gezien als een dichter van grote betekenis. Al-Raddi is zich bewust van de complexiteit van zijn positie als Afrikaanse dichter die in het Arabisch schrijft. In zijn gedichten verwijst hij naar de wrede Soedanese geschiedenis, maar bena­ drukt hij ook het belang van het andere, cultureel rijke Soedan. donderdag 17 juni, 20.00 uur diq­_ Al-Raddi

Katia Kapovich (Rusland / Verenigde Staten, 1960) werd geboren in het huidige Moldavië, maar verhuisde, omdat haar werk niet in de voormalige Sovjet-Unie mocht worden gepubliceerd, in 1990 naar Israël, waar ze debuteerde. Twee jaar later emigreerde ze naar de Verenigde Staten. Haar Engelstalige bundels Gogol in Rome (2004) en Cossacks and Bandits (2008) werden er enthousiast ontvangen. Kapovich’ poëzie is ver­ halend en overpeinst de levens van mensen die oorlog, verlies, onrecht­vaar­ digheid, trauma en verplaatsing hebben moeten verdragen. Ze verzet zich echter tegen de wanhoop: ‘alleen door het gebrek aan vrije tijd kan men de schoonheid van de creatie beseffen.’ donderdag 17 juni, 21.30 uur grote

kleine zaal / www.poetrytranslation.org/poets/Al-Sad

Jon Fosse (Noorwegen, 1959)

Tomas Lieske

Carlos López Degregori

Ewa Lipska

Thomas McCarthy

noemt zijn gedichten ‘wrakgoed’, iets wat toevallig aan komt drijven tijdens het schrijven. Op zijn vierentwintigste debuteerde Fosse met de roman Rødt, svart (Rood, zwart), drie jaar later verscheen zijn poëziedebuut. Hij schrijft poëzie, proza, kinderboeken en essays en verwierf grote internationale be­ kendheid met zijn toneelstukken. Fosse gebruikt een taal zonder franje, eenvoudig, met een repeterend ritme en muzikale herhaling. Het gaat Fosse niet om de boodschap en de betekenis, maar om wat hij ‘de stille stem’ noemt, een inzicht of ervaring tussen de regels, in de stiltes van het bestaan.

zaal / www.myspace.com/kapovich

Kim Hyesoon (Zuid-Korea, 1955) woont in Seoul en debuteerde in 1979. Ze was een van de eerste vrouwen van wie werk werd opgenomen in het literaire tijdschrift Munhak kwa Jis˘ong. (Literatuur en intellect). Kims poëzie over­stijgt de grenzen van de traditio­ nele esthetica en de traditionele ‘vrouwen­poëzie’ (Yo˘ryusi). In haar experimen­ tele werk verkent ze de complexe rol van vrouwen in de zeer patriarchale samenleving in Korea en probeert ze weerstand te bieden aan de conventies van literaire taal en vorm die in Korea lange tijd door de mannen werden bepaald. Het verzet heeft volgens haar bij vrouwelijke dichters geleid tot een irreëel, surreëel en zelfs fantast­isch taalgebruik. woensdag 16 juni, 21.30

woensdag 16 juni, 20.00 uur, grote zaal * voorstelling ‘Ik ben de wind’ door Nationaltheatret uit Oslo: dinsdag 15 juni, 20.00 uur grote zaal

Antonio Gamoneda (Spanje, 1931)

Kamran Mir Hazar

Michael Palmer

Hassan El Ouazzani

Valérie Rouzeau

schrijft in afzondering van de literaire kringen en ontwikkelde zo een van de meest vernieuwende stemmen in de hedendaagse Spaanse poëzie. Ge­ heugen, geschiedenis en zelfanalyse stutten een heel intense en verdichte schriftuur, die zich aan de lezer aanbiedt als een mythische ruimte van kennis en emotie, waarin (kennis van) de dood een centrale rol inneemt. Gamoneda publiceerde een twintigtal poëziebundels en is een veelvuldig on­derscheiden dichter, prozaschrijver, essayist en recensent van architectuur en plastische kunsten. dinsdag 15 juni, 21.30 uur grote zaal * Poetry Talk:

dinsdag 15 juni, 19.15 uur

uur

C.K. Williams

Nyk de Vries

2

Ron Winkler

kleine zaal

Marc Kregting (Nederland, 1965) ziet schrijven als ontsnapping. Deze in Breda geboren dichter ontwikkelt vluchtlijnen uit voorgevormde identiteiten en eenduidige betekenissen. Hij experimenteert bijvoorbeeld met persoonlijke voornaamwoorden: de hoofd­ personen in de recente bundels Dood vogeltje en Zoem! zijn onzijdig (het) of algemeen (men). Kregting probeert in zijn poëzie de instituties te verkennen die het maatschappelijke leven en privéleven betekenis verlenen. Ontsnappen kan volgens hem echter alleen met kennis van het terrein. Om die reden schrijft hij zowel poëzie, proza, essays of blogs, en overschrijdt hij de grenzen tussen deze genres. maandag 14 juni, 21.30 uur kleine zaal / http://deho

foyer / http://farogamoneda.blogsome.com

Christian Hawkey (Verenigde Staten, 1969)

Erik Spinoy

grote zaal www.wavepoetry.com/authors/28

pakte in zijn debuutbundel The Book of Funnels (2004) het spoor op van dichters van The New York School en werd daarvoor geprezen door niemand minder dan John Ashbery. De poëzie van Hawkey, die in zowel Brooklyn als Berlijn woont en poëzie vertaalt uit het Duits, is speels, geestig en iron­isch. In zijn gedichten valt vrijwel altijd een vileine kritiek te lezen op de Amerikaanse cultuur. De in slaap sussende verworvenheden van het heden­ daagse stadsleven plaatst hij tegenover de oorlogen die worden uitgevochten

ningpot.blogspot.com/

3


modernistische verschuiving in de Marokkaanse poëziewereld. El Ouazzani’s poëzie is sterk gebaseerd op mythologie, waarbij hij mythische toespelingen in een postmodernistische geest vermengt met alledaagse gebeurtenissen. In zijn eerste bundel, Hudnatun ma (Een Wapenstilstand, 1997), kenmerken zijn gedichten zich door eenvoud van taal en intimiteit, zonder dat daarbij betekenis en diepgang verloren gaan. zondag 13 juni, 20.00 uur grote zaal

behoort tot de belangrijkste schrijvers van het onafhankelijke Estland en heeft diverse boeken geschreven, waaronder Talv (Winter, 2006) en Neli korda neli (Vier keer vier, 2009). Zijn poëzie is diep geworteld in het Estse land­schap, maar overstijgt de regionale grenzen door de aandacht die ze geeft aan aspecten van het moderne leven en door het intellect van de dicht­ er. Krull voelt zich sterk aangetrokken tot mythologieën, scheppingsverhalen en de kosmologie. Achter zijn directe en toegankelijke poëzie gaat een op­ merkelijke diepgang schuil. woensdag 16 juni, 21.30 uur kleine zaal * Poetry Talk: woensdag 16 juni, 19.15 uur

Michael Palmer (Verenigde Staten, 1943)

foyer

woont sinds 1969 in San Francisco maar bracht zijn jeugd door in New York. Hij wordt gezien als een van de meest prominente levende Amerikaanse dichters. Palmer heeft tientallen bundels poëzie geschreven en werkte, naast zijn werk als redacteur en vertaler, samen met verschillende beeldend kunste­ naars, componisten en choreografen. In zijn werk problematiseert Palmer be­ grippen en taalgewoontes en toont hij politiek engagement omdat hij naar eigen zeggen in een tijd leeft waarbij ‘zelfs de dood en het “ik” tot handelsarti­ kelen zijn getransformeerd’. vrijdag 18 juni, 20.00 uur kleine zaal

publiceerde verhalen en romans voordat hij met een poëziebundel debut­eerde. Hoewel al zijn werk in essentie poëtisch is, neigen zijn gedichten in zekere zin ook weer naar proza, althans op het oog: ze zijn vaak langademig en breed en hebben iets weg van symfonieën. In zijn barokke en mysterieuze werk bouwt Lieske een unieke wereld op waarin stijl en sfeer, mythe, magie en het onzegbare centraal staan. Voor Hoe je geliefde te herkennen ontving hij in 2007 de VSB-poëzieprijs. dinsdag 15 juni, 21.30 uur grote zaal

Bram van Sambeek

Yannis Kyriakides & MAE: ‘The Arrest’

(zie pag. 3) Kyriakides  en het door hem geleide MAE (voorheen Maarten Altena Ensemble) presenteren  ‘The Arrest’, een compositie voor elektronica en ensemble, gebaseerd op een tekst van de Franse schrijver-dichter George Perec. wereldpre­­mière

Valérie Rouzeau (Frankrijk, 1967)

Ewa Lipska (Polen, 1945)

schokte in 1999 de Franse poëzie met haar debuut Pas Revoir. Rouzeau’s werk is volstrekt onacademisch en wortelt in een populaire poëzietraditie waar­a an grote namen zijn verbo als die van Apollinaire, Queneau, Desnos en Prévert. Het is een traditie die niet bang is voor experiment, voor woord­ speling, voor neologismen of gebroken tndenaal. In haar latere poëzie, met name in Va où en Quand je me deux perfectioneerde Rouzeau haar eigen­ zinnige taal tot een fijnzinnige muzikale stijl. Behalve dichter is ze vertaler van Engelse poëzie naar het Frans. maandag 14 juni, 21.30 uur kleine zaal

debuteerde in 1967 met de bundel Wiersze (Gedichten). Ruim twintig poë­ zie­bundels, enkele verzamelbundels en verscheidene literaire prijzen later, behoort Lipska tot de belangrijkste dichters van haar generatie in Polen. Vanwege groeiend wantrouwen tegen de alledaagse taal ontwikkelde Lipska een omgekeerde taal die confronterend en vaak onheilspellend is en woorden ontdoet van hun valse betekenis. Haar gedichten zijn helder en met weinig woorden schept ze op licht-ironische wijze haar eigen werke­lijkheid. vrijdag grote zaal

tijdens openings­programma – zaterdag 12 juni, 20.00 uur grote zaal Andy Moor

Carlos López Degregori (Peru, 1952)

is een denkende dichter die zich, waar het denken ophoudt, beroept op poë­ zie en taal. Als denker is hij geïnteresseerd in de grenzen van het kennen en als dichter vraagt hij zich af of de poëzie die grens misschien zou kunnen slechten. Spinoys beheerste en ironische poëzie zit vol weelderige klank­rijk­ dom en dubbelzinnige betekenissen. Het gaat in zijn werk steeds om de ver­ houding tussen mens en werkelijkheid en daarmee fungeert Spinoy als een van de belangrijkste representanten van het postmodernisme in de Vlaamse poëzie. woensdag 16 juni, 20.00 uur grote zaal / op Poetry Inter­national

fagot

juni, 20.00 uur

Lavinia Meijer

Thomas McCarthy (Ierland, 1954) publiceert al vanaf jonge leeftijd gedichten. Het belang van zijn werk ligt in een permanent, gedetailleerd onderzoek naar het falen en slagen van de Ierse Republiek als onafhankelijke staat. McCarthy was een van de eersten die daar kritisch over durfde te schrijven en wordt gezien als een van de be­ langrijkste dichters van zijn generatie. In zijn laatste twee boeken Merchant Prince (2005) en The Last Geraldine Officer (2010) spelen proza en poëzie een gelijkwaardige rol. zondag 13 juni, 20.00 uur grote zaal / op Poetry Inter-

Kamran Mir Hazar (Afghanistan, 1976) is prominent journalist, mensenrechtenactivist en geëngageerd dichter en de man achter de website kabulpress.org die ontwikkelingen in Afghanistan internationaal zichtbaar maakt. Hij vluchtte in 2007 naar Noorwegen, van­ wege het toenemende repressieve bewind van de Afghaanse autoriteiten. In dat­zelfde jaar publiceerde hij Lahn-e tond-e asbi dar ezlâ’-e parvân-e sjodan (De kreet van een paard als hij zich tot mot ontpopt). Mir Hazar experi­ menteert met de taal en zet poëzie tegenover journalistiek: ‘Poëzie doet iets oplichten van de dingen in het leven die niet veranderen: de liefde, de dood, het droge land.’ dinsdag 15 juni, 21.30 uur grote zaal * Poetry in the Afternoon:

derdag 17 juni, 21.30 uur

grote zaal / http://ckwilliams.com

21.30 uur

hardangerviool

Ron Winkler (Duitsland, 1973) brak in 2004 door met de bundel vereinzelt Passanten. Behalve dichter is hij oprichter van het poëzietijdschrift intendenzen, een gevierd poëzievertaler, en bloemlezer van werk van jonge Amerikaanse dichters (Schwerkraft, 2007). Winkler schrijft voor een generatie waarin ‘iedereen bij zijn geboorte / een te­le­­foon bewoont’. In de tegenwoordige werkelijkheid – waarin alles vol­gens Winkler wordt verzappt, versampled, verfilterd en vertwitterd en ons den­k­en op woordniveau in fragmenten en labyrinten en lachwekkend grofsche­ ma­t ische beelden uiteenvalt – houdt hij zich met humor en ironie staande.

tuin Café Floor / www.kabulpress.org

Hassan El Ouazzani (Marokko, 1970) is een voorloper van de jongste generatie Marokkaanse dichters. Niet alleen door de vernieuwende aspecten van zijn eigen poëzie, maar ook door zijn in­­terviews en publicaties als poëziecriticus, zorgde hij voor een algehele post­-

vrijdag 18 juni, 20.00 uur

4

kleine zaal / www.ronwinkler.de

grote zaal / www.lavinia meijer.com

Benedicte Maurseth Bruno Ferro Xavier da Silva

behoort tot de jonge generatie getalenteerde Noorse hardangerspeelsters. De hardan­gerviool is een traditioneel Scan­ ­dinavisch instrument, maar Benedicte Maurseth houdt zich evengoed bezig met im­provisatie en hedendaagse mu­ziek. Haar muziek is speciaal gemaakt voor en ver­weven met de voordracht van dichter Jon Fosse. woensdag 16 juni,

20.00 uur seth.html

Muziekwetenschapper en componist Rokus de Groot ver­ taalde in 2006 zijn fascinatie voor Layla en Madjnun naar een muziektheaterstuk. Speciaal voor Poetry International bewerkte hij het slot ervan, Acte III, ‘Majnun’s love mad­ ness in the desert’, dat zal worden uitgevoerd door Bassem Al-Khouri (tenor en qanun), Eduard van Regteren Altena (violoncello) en Haider al-Timimi (break dance). Het stuk is ook tijdens de opening van het festival op zaterdag 12 juni te zien. woensdag 16 juni, 21.30 uur grote zaal

Meindert Velthuis, Rita Knuistingh Neven en Nina Hitz
 De Rotterdamse bariton en countertenor Meindert Velthuis, pianiste Rita Knuistingh Neven en celliste Nina Hitz ve­ rtolken tijdens het programma over Wallace Stevens twee liederen van componist Ned Rorem, gebaseerd op de ge­ dichten ‘A Child Asleep in Its Own Life’ en ‘A Clear Day and No Memories’ van Stevens. donderdag 17 juni, 20.00

Bruno Ferro Xavier da Silva basgitaar & elektronica

De basgitaar heeft doorgaans een begeleidende rol, maar in handen van deze kunstenaar/muzi­kant/componist wordt het instrument leidend. Vaak laat hij zich begeleiden door één of zelfs twee drummers, maar hij geeft ook solo-optre­ dens. Bijvoorbeeld op Lowlands en vorig jaar in Tokio, waar hij met kunstenaarscollectief Anti­strot was. donderdag

17 juni, 21.30 uur roxdasilva

harp

is een bijzonder getalenteerde en veelgeprezen harpiste. Ze geldt als ambassadrice voor de harp als solo-instrument: door minder bekende harp­muziek van vroege compo­nisten te spelen en door com­ponisten van nu te stimuleren om voor harp te schrijven. Net als Bram van Sambeek won ze vorig jaar de Nederlandse Muziek­prijs. dins­dag 15 juni,

C.K. Williams (Verenigde Staten, 1936)

national Web: http://ireland.poetryinternationalweb.org

Lavinia Meijer

Benedicte Maurseth

Rokus de Groot: ‘Majnun’s love madness in the desert’

uur grote zaal

kleine zaal / www.myspace.com/andymoortheex

/ www.nykdev.nl

is een van de meest gedistingeerde en veelzijdige Amerikaanse dichters van zijn generatie. Hij staat vooral bekend om zijn baanbrekende gebruik van lange, prozaïsche zinnen. Williams’ poëzie wordt gekenmerkt door een in­ tens persoonlijk karakter, maar ook door de aandacht die hij besteedt aan de sociaal-maatschappelijke problemen in de wereld, soms zelfs resulterend in documentaire-poëzie. In september 2010 zal deze winnaar van verschil­ lende prestigieuze poëzieprijzen zijn nieuwe bundel Wait presen­teren. don­

Andy Moor

komt uit Engeland en is sinds 1990 de vaste gita­rist van The Ex. Ook speelt hij regelmatig met com­ponist Yannis Kyriakides waarmee hij Un­sounds oprichtte, een label voor experimentele elektronische muziek. Hij bracht dit jaar zijn eer­ste solo-cd ‘Marker’ uit, een brede verkenning van onorthodoxe gitaarstijlen. maandag 14 juni, 21.30 uur

Nyk de Vries (Friesland/Nederland, 1971) kwam in zijn creatief werk onbedoeld uit bij het ‘prozagedicht’. Hij ziet zijn teksten als bijproducten van zijn eigen gedachtestroom over schijnbaar onbelangrijke of onzinnige dingen. Deze korte, wonderlijke en melancho­ lieke bijproducten zijn compact en gedetailleerd, en zijn zowel in het Fries als in het Nederlands verschenen. woensdag 16 juni, 21.30 uur kleine zaal

grote zaal / www.bramvansambeek.com

elektrische gitaar

Web: http://belgium.poetryinternationalweb.org

20.00 uur grote zaal / www.librosperuanos.com/autores/lopez_degregori. html

Bram van Sambeek is vaste solofagottist van het Rotterdams Phil­har­monisch Orkest, maar ook zeer actief in de ka­mer­muziek en veel­ gevraagd solist in uiteen­lopen­de orkesten als het London Symphony Or­chestra en het Kremlin Kamerorkest. Samen met o.a. Liza Ferschtman maakt hij deel uit van Cooperating Creative Musicians, een collectief dat ernaar streeft een baan­brekende klassieke muziekbele­ving te creëren. In 2009 won Van Sambeek de Nederlandse Muziekprijs. zondag 13

Erik Spinoy (België, 1960)

debuteerde in 1978 met de bundel Un Buen Día (Op een goede dag), waarna hij talloze artikelen en essays schreef en diverse poëziebundels pu­ bli­­ceerde. In zijn poëzie schept López Degregori een geheel eigen, myste­ rieuze beeldenwereld in een ogenschijnlijk heldere taal met zwarte humor. Een gedicht moet volgens hem een krachtige vorm en een sterke emotie hebben en een eigen, onafhankelijk leven leiden. Het moet de lezer ver­ras­ sen, wakker maken en de andere kant van de dingen laten zien: ‘Achter elke kast is een schittering of een gang of een valse deur.’ woensdag 16 juni,

dins­dag 15 juni, 16.00 uur

Elke avond is er een bijzondere muzikale voordracht tijdens het internationale poëzieprogramma. Enkele aspraakmakende musici geven korte solo-optredens. Die optredens staan los van de poë­ zievoordrachten, maar zullen er zeker aan refereren. Het instrument als stem, de muziek als taal.

/ op Poetry International Web: http://morocco.poetryinternatio nalweb.org

Tomas Lieske (Nederland, 1943)

18 juni, 20.00 uur

Muziek

­

Hasso Krull (Estland, 1964)

grote zaal / http://onqueueartists.com/maur

ARTVARK

5

grote zaal / www.myspace.com/bjfer

ARTVARK SAXOPHONE QUARTET (zie pag. 49) Vernieuwende composities, eigenzinnige solisten en de av­on­ tuurlijke groove van vier saxofoons. Zwaan kleef aan: vrijdag

18 juni, 21.30 uur

grote zaal / www.artvarksq.com

LEWINSKY QUARTET & ARTVARK SAXOPHONE QUARTET

(zie pag. 49) Jaren vijftig en zestig Blue Note en Hammond, met vier saxen in de frontlinie. slotfeest: vrijdag 18 juni, 22.45 uur foyer / http://www.myspace.com/lewinskyquartet


John Updike: vertalingen van zijn poëzie en verhalen Poetry Talk: zondag 13 juni, 19.15 uur

foyer

Poëzie en proza: voordracht en debat zondag 13 juni, 20.00 uur, vervolg om 21.30 uur

Van de vorig jaar overleden Amerikaanse schrijver John Updike zijn vooral zijn ro­mans en verhalen bekend. Tijdens het Poetry Inter­national Festival publiceert Uit­geverij De Arbeiderspers echter niet alleen de verhalenbundel De tranen van mijn vader, maar ook de poë­ziebundel Eindpunt van de prozaïst-dichter. Waar en wanneer kan dat beter dan voorafgaand aan een Poetry-avond waarop de relatie tussen poëzie en proza centraal staat? Updike-fan Joost Zwagerman voert u enthousiast mee in zijn waardering voor Updikes werk en reikt het eerste exemplaar van Eindpunt uit aan poëzievertaler Rob Schouten en dat van De tranen van mijn vader aan prozavertaler Auke Leistra.

Hassan El Ouazzani (Marokko) en Thomas McCarthy (Ierland) lezen hun werk en gaan met elkaar in gesprek. Over het verschil in opvatting tussen de Arabische en de Europese poëzietraditie waar het gaat over vorm en inhoud van het (proza)gedicht. Ook bespreken ze waarom sommige teksten zich moeilijk als proza, noch als poëzie, noch als prozapoëzie laat beschrijven. In het In het tweede uur gaan de dichters en tevens prozaschrijvers Joost Zwagerman, Tomas Lieske en Anneke Brassinga in debat over het prozagedicht en het onderscheid tussen proza en poëzie. Ze belichten hoe beide genres in hun werk gestalte krijgen. Presentator en gespreksleider: Margot Dijkgraaf

Vliegenvangers van de verbeelding

Joost Zwagerman

Door Mischa Andriessen

Het behaagt dichter en essayist Charles Simic om raadsels raadselachtiger te maken en met schrijnend heldere zinnen een groter mysterie te scheppen. Het essay ‘Proza­poëzie’ dat hij op uit­nodiging van Poetry International schreef en dat is ge­ pu­bliceerd in de festivalbloemlezing Hotel Parnassus, begint met de verzuchting: ‘Prozapoëzie bestaat al bijna twee eeuwen en nog steeds is er niemand in geslaagd fatsoenlijk uit te leggen wat het is.’ Wie het werk van de in 1938 in Belgrado ge­ boren, maar al jaren in de Verenigde Staten wonende en werkende Simic kent, weet dat hij een dergelijk essay schrijft vanuit zijn fascinatie voor het ongrijpbare. Hij cirkelt rond het mysterie en zelfs als hij een poging onderneemt om aan het we­zen ervan te raken, laat hij het mysterie toch intact. In 1990 kreeg Simic de roemruchte Pulitzerprijs voor zijn bun­del prozagedichten The World Doesn’t End. Zoals hij in het eer­der genoemde essay beschrijft, ontlok­­te die toekenning des­tijds veel kritiek. Op de inhoud van de verwijten gaat hij in zijn essay niet in, maar in een interview stelt hij dat zijn proza­gedichten door con­ser­ vatieve critici niet als poëzie werden ge­zien: ‘Poëzie heeft strofen en een metrum, pro­zapoëzie is gewoon proza en het is schandalig om dat te bekronen als poëzie.’ Destijds voelde Simic geen behoefte om zich te verdedigen. Een beschrijving van de manier waarop de gedichten in The World Doesn’t End tot stand waren gekomen, zou zijn criti­casters alleen maar kwader maken, schrijft hij in zijn opstel. Daarin biecht hij nu pas op hoe hij tot het schrijven van proza­gedichten kwam: ‘Ik kende een paar tijdgenoten die proza­gedichten schreven en ik hield van wat zij schreven, maar voor mij ging het schrijven van poëzie altijd over vorm en de strijd om woord­en in een regel of een strofe in te passen.’ Hoe ogenschijnlijk laconiek ook beschre­ven, Simic rakelt hier een essentieel punt op: het vormaspect. Hoe kunnen ge­dichten die er niet uitzien als gedichten toch ge­dichten zijn? Voor som­migen is het glashelder: gedichten zijn vormvast, proza­ge­dichten vormeloos. Recent stapte Frits Bolkestein uit de jury van de Ida Gerhardt­­poëzieprijs vanwege onenigheid over de keuze voor Alfred Schaffer. Diens bekroon­de bundel Kooi bevat im­mers ook proza­gedichten en die kunnen volgens Bolkestein niet vormvast zijn.

6

grote zaal

Tomas Lieske

Juist uit die schijnbare eenvoud en het og­en­­schijnlijk gebrek aan focus op de vorm, haalt de prozapoëzie volgens Simic haar aan­­ trekkingskracht. ‘Wat ons zo char­­meert is haar onhandig­heid, haar ge­brek aan verwachting, of ambitie.’

zijn dan de manier waarop ze klonken. Zelfs wanneer hun grootste kracht in de klank school, dan nog zou er iets te zeggen moeten zijn over wat deze in korte paragrafen vervatte poëzie zo verleidelijk maakt. Zoals er ook iets te zeggen valt over waar­ om deze ge­dichten, die er uitzien als proza, toch onder de poë­ zie geschaard kunnen worden.

Veel prozagedichten maken inderdaad een meer achteloze in­ druk dan andere gedichten, maar is die achteloosheid niet vooral suggestief, een vermomming eigen­­lijk? Simic: ‘Dat is moeilijk te beant­woord­en. Ja, onbeholpenheid is een soort vermomming, maar aan de andere kant, vermoed ik, dat de meeste dichters er niets aan kunnen doen. Dat is waar het komische tevoorschijn komt. Bij het schrij­­ven van een prozagedicht voelde ik me altijd als Buster Keaton of Chaplin die in een van die stomme kome­ dies een een­voudige opdracht proberen uit te voer­en en het hel­­e­­maal verkeerd doen.’

Voor hij die vraag begint te antwoorden, citeert Simic in zijn opstel een van de pro­­zagedichten uit The World Doesn’t End. Charles Simic © Pieter Vandermeer

Vanzelfsprekend is de vorm van prozapoëzie wel degelijk van belang. Voor Simic is de kor­te paragraaf de belangrijkste com­ponent van prozapoëzie gebleken. Hij ontdekte die vorm bij toeval, toen hij aan­tekeningen uit notieboekjes in de computer overzette. Hij herlas die korte prozafrag­menten, raak­ te be­geesterd door hun klank en besefte zich dat ‘er een boek in zat.’ Het probleem hoe deze fragmenten moesten heten, deed zich pas voor toen ze gepubli­ceerd gingen worden. Simic in ‘Proza­poë­zie’: ‘Noem ze niets,’ zei ik tegen mijn re­dac­teur. ‘Je moet ze toch íets noemen,’ zei zij, ‘zodat de boek­ winkel weet onder welke rubriek ze moeten komen te staan.’ Het is niet onwaarschijnlijk dat het werkelijk zo is gegaan,maar daarmee heeft Simic nog maar weinig losgelaten over wat hem toen­ tertijd voor deze vorm won. Dat moet meer

Anneke Brassinga

‘Ik werd gestolen door de zigeuners. Mijn ouders stalen me meteen weer terug. Toen stalen de zigeuners me nog eens. Dit ging een tijdje zo door. Het ene moment lag ik in de woonwagen te zuigen aan de donkere tiet van mijn nieuwe moeder, het volgende zat ik aan de lange eetkamertafel met een zilveren lepel mijn ontbijt te nuttigen. En nu was het de eerste dag van de lente. Een van mijn vaders zat in de badkuip te zingen; de andere was een levende mus aan het beschilderen in de kleuren van een tropische vogel.’

Opzet of niet, kan prozapoëzie door de an­dere vorm iets be­ werkstelligen waar andere poëzie niet toe in staat is? ‘Als ik kon zeggen wat dat is, kon ik definiëren wat een prozagedicht is, maar dat kan ik niet. In mijn geval is het dat onvermogen om te zeggen wat het is dat me inspireert en maakt dat ik ze lees.’

Vertaling: Peter Nijmeijer

Simic’ essay is een inspirerende dwaal­tocht, waarin de onmacht om prozapoë­zie te definiëren toch een boeiende inkijk biedt in wat zij allemaal vermag. En zo­ver verwijderd van een definitie is Simic aan het slot van zijn opstel niet: ‘Ze zien er uit als pro­ za en werken als gedichten, omdat ze zich, met de schijn tegen, in vliegenvangers van onze verbeelding ver­anderen.’

Na in zijn essay aanvankelijk vooral om­trekkende bewegingen te hebben uit­ge­voerd, komt Simic na het citeren van dit pro­ zagedicht ineens ter zake: ‘Het moei­lijkste voor dichters is zich­­ zelf te be­­vrij­den van hun eigen, gebruikelijke ma­nier om naar de wereld te kijken en ma­nieren te vinden om zichzelf te ver­ rassen. Dat is wat me in deze stukken beviel. Het leek alsof ze geen moeite hadden ge­kost en kwa­­­men, net als alle proza­ gedicht­en, in wat James Tate ooit een “misleidend een­voudige verpakking” noemde: de para­­graaf.’

Charles Simic schreef op uitnodiging van Poetry International het essay ‘ Prozapoëzie’ als opening van de festivalbloemlezing Hotel Parnassus. Poëzie uit de hele wereld.

7


In één adem uit De invloed van romans op poëzie maandag 14 juni, 20.00 uur

kleine zaal

Kamran Mir Hazar uit Afghanistan en Carlos López Degregori uit Peru spreken over hun favoriete roman Pedro Páramo van de Mexi­caanse schrij­­ver Juan Rulfo. Heeft deze lyrische ro­man invloed gehad op hun werk? De dicht­ers lezen een fragment uit de ro­man en een eig­en gedicht dat ze zonder deze roman niet had­den kunnen schrijven. Ursula Andkjær Olsen (Denemarken) en Christian Hawkey (Vere­nigde Staten) kozen Molloy/Malone sterft/Naamloos van Samuel Beckett. Beide dichters vertellen over hun fas­cinatie voor deze trilogie, ze lezen een frag­ment uit Naamloos en een eigen ge­dicht dat aansluit bij Becketts romans. Acteur Hugo Koolschijn leest een fragment uit Molloy. Pre­­sen­tatie: Toef Jaeger

juan rulfo Pedro Páramo

literatura

latina

meulenhoff

Pedro Páramo vertelt het verhaal van de gelijknamige grootgrond­bezitter en dorps­tiran van Comala, een hoop stenen in de woestenij onder de brand­ende zon. Pedro Páramo heeft orde gebracht in zijn dorp, maar de rust die er heerst is kerkhofrust. De doden praten door in hun graven en ver­tellen, fluisterend en zuchtend, over zijn wandaden. Met een geraffineerde vertel­ techniek schil­dert Rulfo het beeld van de klassieke potentaat die zijn hele leven zijn dorp heeft geterroriseerd uit woede om het verlies van zijn grote jeugdliefde. In dezelfde periode dat Samuel Beckett Wacht­en op Godot schreef, schreef hij ook de tragikomische roman­trilogie Molloy/ Ma­lone sterft/Naamloos. De romans in de trilogie worden steeds minder samenhang­end en waren volgens Beckett zelf sterk verbonden met zijn eigen gevoelens van ver­val, vervreemding en isolement. Molloy volgt de kreupeling Molloy op zijn zwerf­ tochten en later de detective Moran die de opdracht krijgt Molloy te vinden; in Malone sterft lezen we het verslag van een man op zijn sterfbed; en in Naamloos heeft de ver­teller zelfs geen naam meer en nauwelijks een lichaam.

Dit programma wordt financieel ondersteund door Hivos/NCDO

De roman en het vers Door Janita Monna

Onlangs werd in het weekblad De Groene Amsterdammer een lijst gepubliceerd van de eenentwintig belangrijkste romans van de pas begonnen 21e eeuw. Op die lijst prijkten boeken van Philip Roth, Arnon Grunberg, Sandro Veronesi, Dave Eggers en Marlene van Niekerk, schrijvers die volgens de literaire critici, schrijvers en uit­ gevers voorlopig het gezicht van de 21e-eeuwse literatuur bepalen. Zouden er on­der deze romans boeken zijn die straks in andere literaire genres hun sporen na­laten? Of misschien al nagelaten hebben? De vraag of romans, en dan vooral klassíeke, invloed hebben gehad op poëzie staat centraal tijdens het festivalprogramma op maandagavond. Dat klinkt als een hel­ dere vraag, toch is de verhouding tussen beide genres complexer dan op het eerste gezicht lijkt. Zo schreef de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee een intrigeren­ de roman over falend dichterschap: ‘Op andere dagen, slechte dagen, vraagt hij zich af of aan gevoelens zo eentonig als de zijne ooit grote poëzie zal ontspruiten. Zijn innerlijke muzikale drang, die vroe­ger zo sterk was, is al verflauwd. Is hij nu zijn dichterlijke drang aan het verliezen? Zal hij van poëzie naar proza worden ge­ dreven? Komt het daar in het geheim op neer: dat proza tweede keus is, het toe­ vluchtsoord voor mislukte creatieve geesten?’ Dat zijn de vragen die de hoofdpersoon uit Portret van een jongeman kwellen.

Lang mogen de wegen van de roman en het ge­dicht dan nog niet uiteen lopen, de beide genres lijken wel enigszins van elkaar ver­vreemd te zijn geraakt. Bleef voor de ro­ man werkelijkheidsgetrouw­heid nog altijd een belangrijk criterium, in poëzie werd steeds meer gestreefd naar een hoge mate van au­tonomie van het vers. Nieuwe kunst­ vormen als de fotografie met het stilstaande beeld en de film, met haar mon­tage­tech­ nieken hadden grote invloed op ver­nieuw­ende dichters als Paul van Os­ta­ijen, zoals ook het impro­visa­tiekarak­ter van de nieu­

het gefrag­menteerde karakter van de tekst en de ontkenning van tijd. Het precieze taalgebruik, de ritmische struc­turen, de vermeng­ing van reële en imaginaire werelden, en vooral ook de fantas­tische sfeer, ver­­sterken dat idee voor hem. Zijn fascinatie voor Rulfo heeft zeker doorgewerkt in zijn eigen ge­dichten. En Degregori is daarin niet de enige. De scheidslijn tussen ro­ man en gedicht mag in veel gevallen zonneklaar zijn, maar al te vaak worden uitstapjes over de soortgrens gemaakt. De mo­ derne roman in verzen leent zich goed voor exploratie van per­ soonlijke en wereld-, dan wel vaderlandse geschiedenis. Derek Walcott verbindt in Omeros het ko­loniale verleden van de Cari­ ben, via de klassieke Homerus, met het moderne alle­daagse le­ven op de eilanden. En in History the home movie ver­telt Craig Raine de geschiedenis van de afgelopen eeuw aan de hand van ervaringen van een Engelse en een Rus­sische familie. Omgekeerd krijgt het prozagedicht in de Nederlandse poëzie een geheel nieuwe lading dankzij dichter Alfred Schaffer. De jongste roman op het lijstje van Poetry’s festivaldichters da­teert uit 1997: The God of Small Things van de Indiaase Arundhati Roy; voor 21e-eeuwse klassiekers is het misschien te vroeg om te be­palen wat hun invloed is, of zal zijn. Al zullen enkele van deze boeken indirect al wel hun sporen nagelaten hebben. Zoals de Deense dichter Ursula Andkjær Olsen, ook te gast in Rotterdam, het treffend zegt: ‘Het gaat vaak achter mijn rug om. Toen ik werkte aan mijn boek De schoonheid hangt aan de bomen, dacht ik niet aan Beckett en het was zeker drie jaar geleden dat ik hem voor het laatst las. Maar er is, vooral in de toon van het boek, duidelijk invloed van Beckett. Een goed gekookte invloed, dus.’

Beelden uit de film Pedro Páramo

Wie ‘roman’ opzoekt in de Dikke van Dale vindt als eerste betekenis: ‘Episch ge­ dicht uit de middeleeuwen, waarin de avonturen van ridders worden verhaald’. In veel van deze ridderromans, verhalen op rijm, was een hoofdrol weggelegd voor Karel de Grote. Bekend – al zijn er maar enkele fragmenten van overgeleverd – is nog altijd Het Roelandslied, een bewerking van het Franse Chanson de Roland. Met de briefroman Pamela, or virtue rewarded van Samuel Richardson werd in de achttiende eeuw de basis gelegd voor wat heden ten dage als roman wordt gezien. Deze succesvolle vorm kreeg in Nederland navolging in Sara Burgerhart van Elisabeth Wolff en Aagje Deken. Als een eeuw later in Engeland de als feuilleton geschreven romans van Charles Dick­ens verschijnen, in Rusland Misdaad en straf van Dostojewski en Anna Karenina van Tolstoj en in Frankrijk de boeken van schrijvers als Stendhal en Balzac, komt de roman tot volle bloei. Er is aandacht voor ontwikkeling van de karakters en de opbouw en spanning van het verhaal, en ook humor ontbreekt niet. Veel romans worden daarnaast gebruikt om sociale en maatschappelijke misstanden aan de kaak te stellen. Met Multatuli’s Max Havelaar als belangrijkste en bekendste Ne­ derlandse voorbeeld.

8

we muziek, de jazz, dat had. Dicht­ers en beeld­end kun­ste­naars trokken samen op in bewegingen als dada en Cobra/Vijftig. En ook de grote romans uit de negentiende en twintigste eeuw hebben hun sporen nagelaten in de poëzie, zoals belangrijke ge­dicht­en hun uitwerking hadden in de roman. Poetry International vroeg alle dichters van het festival naar de ro­man die het meeste invloed op hun werk heeft gehad. Ook dat le­ver­de een interessante lijst grote klassiekers op: Samuel Beckett, Lewis Carol’s Alice in Wonderland, Gustave Flaubert met Ma­dame Bovary, James Joyce, Franz Kafka, Virginia Woolf, Robert Musil. Opvallend genoeg werd de roman Pedro Páramo van de Me­xicaanse auteur Juan Rulfo twee maal genoemd: door Kamran Mir Hazar uit Afghanistan en Carlos López Degregori uit Peru. Volgens López Degregori is Pedro Páramo behalve als ro­man, te lezen als een gedicht in proza, vanwege

Over de invloed van romans op poëzie en omgekeerd zal voor­ lopig het laatste woord nog niet gesproken zijn.

9


De Amerikaanse poëzie leeft

Donderdag 17 juni staat in het teken van poëzie uit de Verenigde Staten met programma’s over het Ameri­kaanse domein van Poetry International Web, met voor­­dracht­­en van Christian Hawkey, Katia Kapovich en C.K. Williams en met programma’s over Wallace Stevens (zie pag. 14 en 15). Michael Palmer leest op vrijdag 18 juni om 20.00 uur.

Poetry International Web: domein Amerika

Dichters uit de VS

Beat- Projectivistische Language- Flarf- Feministische Conceptuele Afrilachian Imagistische Objectivistische Concrete BekentenisNaked New York School Erasure Mixed Media Academisch San Francisco Renaissance- Postmoderne PerformanceSpoken Word OutsiderCowboy- Neo Verse Drama Klank- Def Deep Image Remix Straat- Formalistische Fireside- Computer- Constrained Slam-

Poetry in the Afternoon: donderdag 17 juni, 16.00 uur tuin Café Floor

Voordrachten van Christian Hawkey, Katia Kapovich en C.K. Williams. Muziek: Bruno Ferro Xavier da Silva (bas­gitaar en elek­ tronica). Presentatie: Tsead Bruinja

De poëzie in Amerika is versplinterd, twistziek, energiek, harts­ tochtelijk, vol ennui, dikwijls irritant, soms zelfs boeiend. Ze wordt gedreven door esthetische overtuiging, politieke over­tui­ g­ing, het gevoel van woorden op de tong. Ze is slim, on­no­zel, rijk aan ideeën, rijk aan dingen. Ze rijst op uit het landschap, het dialect, de intuïtie. Er bestaat een poëzie voor ieder vermo­ gen, een klaslokaal voor iedere leerling.

blik ergens op de wereld de volgende prach­tige nieuwigheid wordt bedacht. En dan weer de vol­gende. En de volgende. En uit dat alles komt uiteindelijk iets voort dat de eeuwen trot­ seert. Ik hoop dat ik het herken als ik het zie.

Door Katherine Coles / vertaling: Jabik Veenbaas

Maar ze is allereerst versplinterd. Ze kent kampen voor popu­ list­en en elitaristen, voor links en rechts georiënteerde ideologen en voor dichters die niet aan ideologieën doen (Mail me nou alsjeblieft niet dat alle poëzie ideologisch is en dat alleen een naïeveling dat anders ziet. Of om me juist het omgekeerde te laten weten. Ik schrijf geen manifest, ik noteer wat ik waar­ neem). Ze heeft haar aandachttrekkers en haar kluizenaars, haar gemeenschapsdenkers en haar gestaalde individualisten, haar Dirty Harry’s en haar Blanches Dubois. Ze behelst dichters die zichzelf (met meer of minder succes) op gegronde wijze binnen tradities plaatsen en dichters die aan de traditie trachten te ontsnappen. Ze kent kletsmeiers en zwijgers, dichters die zich voegen naar de Germaanse regels en dichters die voornamelijk Latijn spreken. En als ze geen poëtica bevat die bij je past, be­ denk er dan zelf maar een. Soms kijk ik naar het werk van een dichter en ben ik verbaasd als ik vervolgens hoor hoe de dichter zichzelf aanduidt. De lijst bevat kwalificaties voor elke geslachtelijke en etnische identi­ teit, waaronder alle bovenstaande en nog veel meer die ik ver­ geten ben of waar ik nooit van heb gehoord. We hebben dicht­ers die kranten woordelijk overtypen om ze vervolgens weer als gedichten te publiceren en dichters die druk bezig zijn met het schrappen van woorden uit Milton. De L=A=N=G=U=A=G=E-dichters zijn inmiddels ingebed in de gevestigde orde, in ieder geval in een gevestigde orde. In de

10

Katherine Coles van de Poe­try Foundation in Chi­cago krijgt de vrije hand in haar presentatie van de Amerikaanse poëzie en het Ameri­­kaans do­mein op het Poetry International Web.

frontlinie stonden, althans vorige week, de Flarf-dichters en de dichters die computerprogramma’s schreven om gedichten voor hen te maken, vermoedelijk terwijl ze zelf aan de bar hingen. Ik ben daar blij om. Als ik er mijn aandacht op richt, voel ik het bruisen en zoemen in de lucht, alsof er in iedere kelder van de stad iemand een nieuw soort poëzie aan het schrijven of be­ denken is. Moet ik dat dan ook allemaal lezen, of in een be­ nauwd, warm zaaltje zitten terwijl het me wordt voorgelezen? God verhoede het.

Natuurlijk gebeurt dat niet alleen hier. Ik spreek over Am­erika omdat me dat gevraagd is, en omdat ik iets van Amerika af­weet. Het is erg jammer hoe weinig wij hier en jullie daar­ ginds elkaar kennen. Hier kennen diegenen onder ons die wel eens iets buiten het eigen kleine groepje lezen misschien alleen Engelstalige poëzie, en heel misschien dan nog, de vertaalde poëzie buiten beschouwing gelaten, die van één andere taal, maar op geen stukken na de grote polyglottenpot met prut­telende woordbrij die de wereld te bieden heeft. Dus we mogen ons er niet over verbazen wanneer mensen die oceanen en talen ver van ons verwijderd zijn, slechts het ge­ringste idee hebben van wie we zijn. Een idee dat, net als dat van onszelf, gekleurd is door politiek en vooroordelen, be­paald door dichters die Nobel­prijzen of andere inter­ nationale prijzen hebben gewon­nen. En door hen die vertaald werden, misschien niet omdat ze vertegen­woordigen wat er in hun ei­gen land ge­beurt, maar omdat ze andere landen iets laten zien waar ze zelf al in geloven. We we­ten allemaal wie het zijn. Dit gebeurt met jullie poëzie in mijn land en met die van ons in jullie land.

Hij verhoede ook dat ik vergeet dat er een constante ver­hou­d­ing bestaat, en vraag me niet welke, van de hoeveelheid goe­de poëzie ten opzichte van de hoeveelheid slechte poëzie. Dat is het geval in de wetenschap – Einstein heeft het gezegd – en ik geloof dat het ook zo is in de poëzie. Dus hoe meer poëzie er wordt geschreven, hoe waarschijnlijker het is dat er iets opduikt dat goed genoeg is om ons helemaal van onze stoel te blazen, wat voor school we ook aanhangen. Ik ben geen cy­­nicus, zoals u al wel zult hebben geconcludeerd; ik ge­loof dat er op dit og­en-

Van afstand zien we eruit als een monoliet, vermoed ik. Maar dat kunnen we onmogelijk zijn. We zijn tegelijk de mensen die George W. Bush kozen en de mensen die Barack Obama kozen, de mensen die de pest hebben aan onze gezondheids­ zorgwetgeving omdat die ‘socialistisch’ is en die er de pest aan hebben omdat die wetgeving niet met individuele beta­ ling werkt. En we kun­nen jullie die verwarring niet kwalijk ne­men. Zoals Whitman al zei: ‘Wij omvatten menigten.’ Dus ik vermoed dat ons poëtische landschap, het landschap

Katherine Coles is werkzaam bij de Poetry Foundation in Chicago, beheerder van het Amerikaanse domein op Poetry International Web.

donderdag 17 juni, 21.30 uur

grote zaal

zo­a ls wij dat zien (zoals ik het zie) weinig gelijkenis vertoont met datzelfde landschap zoals jullie het zien. Het ziet er voor mij al anders uit dan voor mijn buren, omdat we allemaal tu­ren door de lenzen van onze eigen ervaring. Voor mijn vriend de L=A=N=G=U=A=G=E-dichter is onze poëzie de L=A=N=­G=­ U=A=G=E-poëzie, dus Michael Palmer, Susan Howe, Lynn Hejinian en Christian Book, ook al is die laatste Canadees – en tevens de onderdrukster van die L=A=N=G­=U=A=G=E-poëzie. Voor mijn vriend de formalist is onze poëzie Marilyn Hacker, Annie Finch, Richard Howard en Mark Strand, ook al zijn Richard en Mark allebei eigenlijk geen formalisten – of wel soms? Gisteravond hoorde ik Karen Volkman voordragen – een jonge dichteres uit Montana. Haar tweede bundel be­stond hele­ maal uit prozagedichten, haar derde helemaal uit sonnetten. Tot welke school behoort ze dan? Ik bedenk er een: de ekster­school. Een eksterdichter pakt iedere techniek die hem of haar voor de snavel komt, en rooft uit de nesten van anderen met een gepassio­ neerde vorm van rondzwervende aandacht. Ik wil niet de gladjakker uithangen, maar ik wil wel luchtig over­ ­komen. Leden van al onze scholen en kleine ommuurde klas­ lokaaltjes binnen scholen zijn ernstig – behalve als ze principieel niet ernstig zijn, en in dat geval zijn ze dáár weer ernstig over. Maar ik wil niet pretenderen, ook al wordt me het vuur aan de schenen gelegd, dat de Amerikaanse poëzie aan de hand van twee, drie of een half dozijn lijnen kan worden ge­karakteriseerd. In haar chaos en diversiteit, haar merkwaardige optimisme en nu en dan aanwezige humeurigheid, weerspiegelt de Amerikaanse poëzie het land, dat duizelingwekkend grote land, waar de di­versiteit – van geografie, etniciteit, taal, politieke achtergrond, noem maar op – eindeloos is. Die poëzie voldoet nooit precies aan mijn ideaalbeeld. Die poëzie voldoet precies aan mijn ideaalbeeld.

11


Poetry must resist the intelligence almost successfully

A Mythology reflects its region

Wallace Stevens: orde scheppen tussen werkelijkheid en verbeelding

De ontvangst van Wallace Stevens in de Lage Landen

donderdag 17 juni, 20.00 uur

Poetry Talk: donderdag 17 juni, 19.00 uur

grote zaal

Festivaldichters Christian Hawkey (Verenigde Staten), Michael Palmer (Verenigde Staten) en Hasso Krull (Estland) lezen hun favoriete Stevens-gedicht en dragen voor uit eigen werk. Onder lei­ding van Stevens-kenner Bart Eeckhout be­­spreken ze waar en hoe Stevens’ bena­de­ring van kunst, muziek, filosofie en de comic spirit raakt aan hun eigen werk. Presentatie: Bart Eeckhout

Wallace Stevens: Man made out of words donderdag 17 juni, 22.45 uur

grote zaal

foyer

De dichters Erik Spinoy, K. Michel, Tom Van de Voorde en Willem van Toorn spreken over de ontvangst van Wallace Stevens in Neder­land en lezen hun vertalingen van zijn poëzie. Ook zijn vertalingen te horen van Hugo Claus, Frans Kellendonk, Rein Bloem en Gerrit Kouwenaar. Presentatie: Bart Eeckhout

Stevens’ flamboyante verbale techniek en filosofische visie op het Amerikaanse leven worden met bijzonder archiefmate­riaal prachtig geïllustreerd. Voor iedereen die na het Stevensprogramma nóg meer wil weten over het leven en werk van de Pennsylvania Dutchman die op zoek ging naar The Am­eri­can Sublime. Een Voices and Visions-documentaire van het Center for Visual History, 1988

Wallace Stevens, laatste Hollander der Amerikanen Peter Stuyvesant is niet de enige Nederlander die een sterretje verdient op de Amerikaanse vlag. Een paar decennia nadat de beroemde Fries New York had gesticht, nam een zekere Michiel Stevens de boot naar de nieuwe wereld. Wat er vervolgens met hem gebeurde, daar hebben we eigenlijk het raden naar. Maar zeker is dat hij ene Ryertie Mol huwde, een paar kinderen kreeg en voor je het weet, zit je anderhalve eeuw verder. Veel indruk lijkt hij dus niet gemaakt te hebben op de geschiedenis. Toch is hij van onschatbaar belang. Om de simpele reden dat hij een stukje DNA heeft bijgedragen aan de kleinzoon van de kleinzoon van zijn kleinzoon: Wallace Stevens (1879-1955), een wel­ stell­ende heer van stand, advocaat bij een verzekeringsmaatschappij, die voldoende geld verdiende om er een paar dure liefhebberijen op na te houden. Zijn statige mansion in het duffe provinciestadje Hart­ford bood onderdak aan antieke vaasjes uit China, likeurbonbons uit Parijs, bibliofiele uitgaven uit Engeland, sigaren uit Havana en een beeldschone vrouw wier profiel op een of ander Amerikaans muntstuk prijkte. Al dat moois en lekkers was blijkbaar geen bezwaar om naast een succesvolle carrière als zakenman een van de belangrijkste stem­ men van de moderne Westerse poëzie te worden. Zonder Wallace Stevens had de twintigste-eeuwse Amerikaanse poë­ zie er totaal anders uitgezien: minder filosofisch, minder abstract, min­­­der erudiet, minder spiritueel, maar ook minder komisch en spits­ ­vondig in haar kijk op de wereld en de verbeelding. Stevens is de dichter van de uiterste precisie die het beste van de Europese traditie wist te verzoenen met de uitdagingen en denkbeelden van Amerika. Zijn werk is zo rijk dat het vrijwel elke Amerikaanse dichter die na hem gedebuteerd is met een zware erfenis heeft belast. Bovenal liet hij een uiterst ge­nietbaar oeuvre na dat ons nog steeds iets weet te ver­ tellen over de relatie tussen poëzie en verbeelding, taal en werke­lijk­ heid. We moeten hem eeuwig dankbaar zijn voor on­sterfelijke ge­dich­

12

anderen schreven gedichten over hem, nog anderen trachtten zijn gedichten te vertalen of lieten hun eigen gedichten voor­a f­ gaan door een motto van zijn hand. Dichters als Baudelaire, Rimbaud, Rilke of Pessoa werden dan wel meermaals en inte­ graal vertaald in het Nederlands, toch zal je heel hard je best moeten doen om een gelijkaardig lijstje als dat van Stevens te maken over hun invloed op de heden­daagse poëzie.

Dat Nederlanders zwijgzaam en koppig zouden zijn, laat ik in het midden, maar de gedachte is wel leuk dat de belangrijkste Amerikaanse dichter van de vo­rige eeuw voor een stuk een Nederlander was, of zich minstens zo voelde. Er zijn immers even­veel redenen om in Wallace’ voorzaat een Vlaming te zien. Volgens de Gentse literatuur­professor Bart Eeckhout is het niet ondenkbaar dat Stevens afstamde van Vlamingen die tij­­ dens de contrareformatie naar Neder­land waren gevlucht. Hij heeft meer dan een punt, want de naam Stevens komt immers vooral voor in Vlaanderen, in het bijzonder in de streek van Gent, een stad die bekend staat om haar zwijgzame, koppige bevolking.

Door Tom Van de Voorde

Wallace Stevens, rond 1931 © Huntington Library

ten als ‘The Snow Man’, ‘The Man with the Blue Guitar’ of ‘The Idea of Order at Key West’. Zo iemand laat je maar al te graag ook een beetje Ne­ der­lander zijn. Maar tussen de boot van Michiel en de geboorte van Wallace is er zoveel tijd verstreken dat je in geval van de dichter moeilijk nog van een Neder­ lander in Amerika kan spreken, eerder van een Ameri­ kaan met Nederlandse wortels. Zo noemde Michiels ver­re nazaat zichzelf wanneer hij een etnisch-culturele verklaring zocht voor zijn stubbornness and taciturnity.

Hoe belangrijk Stevens ook is in dichtersland, de receptie van zijn werk bij het Nederlandstalige lezerspubliek is niet bepaald een succes te noemen. De enige twee Nederlandse vertalingen van Stevens die ooit in boekvorm verschenen, werden onver­ biddelijk verramsjt. Misschien heeft het te maken met de moei­ l­­ijk­heidgraad van zijn werk, gecombineerd met het feit dat Nederlandstalige lezers Engelse literatuur makkelijker in het origineel kunnen lezen, zeker in vergelijking met Franse of Portugese literatuur. Maar het valt ook op dat weinig gerenom­ meerde poëzievertalers zich ooit serieus gewaagd hebben aan Stevens, terwijl dichters dat wel hebben gedaan. Misschien omdat poëzievertalers te goed beseffen hoe on­vertaalbaar Stevens wel niet is. Dat ze in hun vertaling te veel rekening zouden houden met allerlei onvertaalbaarheden, waardoor ze met iets vreselijk geforceerds voor de dag zouden komen. De kracht en uitdaging van Stevens’ poëzie zitten hem nu net in de schijnbaar natuurlijke toon die hij aan zijn gedichten weet te geven, ondanks alle woordgrapjes, verwijzingen, dubbel­ zinnigheden, etcetera. De Neder­landstalige dichters die zich wel gewaagd hebben aan zijn werk, deden dat wellicht meer voor zichzelf dan voor de goede oude Wallace. Elke vertaling van een Stevens­gedicht is immers een positionering in je kijk op poëzie en verbeelding. Om als dichter heelhuids thuis te komen van zo’n grote uitdaging, blijf je best dicht bij huis. Of ga je te rade bij een Amerikaan met roots in de lage landen.

De genealogische anekdotiek achter het geslacht Stevens is minder vrijblijvend dan je op het eerste gezicht zou denken. Wallace Stevens is heus niet alleen een stukje Vlaming of Nederlander omdat de grootvader van zijn grootvader van zijn grootvader dat toevallig was. Hij is het vooral omdat hij van alle Amerikaanse – om niet te zeggen buitenlandse – dichters sinds jaar en dag het meeste invloed uit­oefent op onze poëzie. Je valt bijna achterover van het rijtje dichters dat de af­gelopen decennia op een of andere manier iets met Stevens heeft gedaan: Jan Baeke, H.H. ter Balkt, Benno Barnard, Bernlef, Huub Beurskens, Rein Bloem, Stefaan Van den Bremt, C. Buddingh’, Remco Campert, Paul Claes, Hugo Claus, Maria van Daalen, Hans Faverey, Peter Ghyssaert, Wouter Godijn, Lloyd Haft, Stefan Hertmans, C.O. Jellema, Frans Kellendonk (een prozaschrijver), Hans Kloos, Antoine A.R. de Kom, Onno Kosters, Gerrit Kouwenaar, Jan Kuijper, Tomas Lieske, K. Michel, Peter Nijmeijer, Cees Nooteboom, Willem Jan Otten, Michael van der Plas, Martin Reints, Jan de Roek, Alfred Schaffer, Erik Spinoy, Willem van Toorn, Bert Voeten en ondergetekende. Sommigen wijdden essays aan zijn poëzie,

13


De epiek van Herman Gorter Door Johan Sonnenschein

Herman Gorter is een van Nederlands bekendste dichters. Zijn Mei (1889) was meteen een succes, Verzen (1890) is de enige gedichtenbundel van die tijd die nog regelmatig wordt herdrukt. In een jaar vestigde Gorter zijn naam als lyrisch lentedichter. Daarna beoefende hij met name politieke propaganda in proza en poëzie die steeds epischer werd. Een uitgave van het Verzameld proza van Herman Gorter zou vier boekdelen be­ slaan: twee delen marxistische brochures en verspreide stukken voor de politieke bladen De nieuwe tijd en De tribune, ge­flankeerd door twee delen literatuurgeschie­ d­e­­­nis. Het eerste daarvan bevat ‘Kritiek op de Litteraire Beweging van Tachtig in Holland’, zijn historisch-materialistische terugblik op zijn tijd als Tachtiger, het laatste een bijna voltooid boek over de in­ternationale poëzie van ver voor nul tot Gorter, De groote dichters. Steeds verhield Gorter zich tot de allergrootsten: bin­nen Holland waren dat tijdelijk Kloos en Van Deyssel, daarbuiten bleven voor hem vooral Aeschylus, Dante en Shakespeare levenslang van belang. Dramatische en epische poëzie die de eigen tijd in één allesomvattend beeld wist te vangen, daar ging het Gorter steeds meer om. Op zijn persoonlijke Olympus bezette Vondel een plaats op de tweede rang: ‘De Nederlanden hebben dus nooit een zeer groot dichter gehad!’ Die leemte wilde Gorter vullen.

grote verhalen dateert niet van na de val van de muur: ook in zijn eigen tijd kreeg Gorter ongelijk. In 1917, niet lang na vol­ tooi­ing van Pan, raakte het wereld­prole­ tariaat verdeeld tussen Europa en Rusland. Daardoor, en door de dood van zijn echt­ genote Wies in 1916, was Gorter lange tijd ontgoocheld. In de laatste tien jaar van zijn leven pu­bliceerde hij enkel politiek proza. Vanaf 1924 schreef hij wel weer lyriek waar­ in hij de re­volutionaire nederlaag verwerkte, maar drukte haar enkel voor intimi.

Zijn verdere leven is Gorter een politiek gedreven dichter gebleven. Een groote dichter? In elk geval iemand die groot dacht: hij stelde zijn ambitie in telkens om­ vangrijker projecten die verder gingen dan de kleine, haarscherpe lyriek waartoe hij in staat was geweest. Begonnen bij de secure notities van de eigen zintuiglijke waarnemingen, breidde hij na 1890 zijn blikveld uit over de mensheid, de geschie­ denis en het heelal. Zijn oeuvre heeft een cumulatief verloop: met het arbeidsepos Pan (1912) schreef hij een sluitstuk waarin alles en iedereen versmelt. Onder in­ vloed van de politieke actualiteit in Europa herschreef hij het boek. Die tweede, grote Pan (1916) is met 11.586 verzen in omvang het grootste gedicht sinds Jacob van Maerlant.

14

donderdag 17 juni, 21.30 uur

kleine zaal

De dichters Thomas McCarthy (Ierland), Hiromi Ito– (Japan) en Ron Winkler (Duits­land) geven hun reactie op de Mei van Gorter.­ Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr leest een fragment uit het onvoltooide ep­ische gedicht De Dagen (1890), Marc Kregting spreekt over Een klein heldendicht en Kees ’t Hart leest een fragment uit Pan en vertelt waarom deze socialistische versie van Mei hem zo fas­cineert. Gorters tekst ‘Stort, o arbeid­ers…’ (muziek Joh. F. Keja) wordt gezongen door Peter Goedhart. Presentatie: Johan Son­nenschein

Gorters ambitie lag in de grote greep, zijn kracht lag in zijn gebalde taal. Dat is de spanning van zijn langere dichtwerken, hoe langer hoe spannender. Mei toont de gang van frisse moed naar deceptie om de onverenigbaarheid tussen natuur en kunst. Om die te doorbreken zocht Gorter steeds nieuwe vormen. De eerste bundel Verzen laat de overgang zien naar een geheel nieuw soort schrijven, de slotgedichten ervan tonen al een an­ dere stijl: die van grote, nevengeschikte golfbewegingen vol neo­­logismen als ‘inzwevend kameren’. In de reeks ‘De dagen’ drijft hij deze op de spits: intense beschrijving met woord­samen­ ­stellingen als ‘siszee’ of ‘botsendelkarend’ zijn daar eerder norm dan afwijking – dat onaffe boek kan goed als ‘neolinguïsme’ worden getypeerd.

Gravures Richard Roland Holst in Een klein Heldendicht

Voor een nieuw epos waarop hij zich niet lang na Pan had be­ zonnen, ditmaal ‘vrij van alle symboliek, van hokus pokus’, vond hij te laat de energie om het te kunnen voltooien. De over­­­ge­ leverde, naamloze fragmenten schetsen het beeld van een warm arbeidersgezin in een winterse grootstad. Simon en Johanna hebben drie zoons: Willem, Karel en ‘de teedere Herman’. Nog in zijn laatste werk bleef de dichter zijn afkomst trouw: Gorters eigen ouders heetten net zo, zijn voormalige leermees­ ters Kloos (Willem) en Van Deyssel (Karel Thijm) voert hij op als zijn staal- en mijnwerkende broers.

Poëzie en proza verbond Gorter als hij toe was aan bundeling van zijn lyriek. Van­ af De school der poëzie uit 1897, een tweede, zeer veel vermeerderde herdruk van zijn Verzen uit 1890, bezag hij zijn ontwikkelingsgang als een halfafgelegde weg: uit de poëzie van Tachtig, door de filosofie van Spinoza heen naar een vaag uitzicht op de nieuwe, ‘eene Menschheid’. Sinds hij in 1896 in de boeken van Karl Marx dook, begon hem een visioen voor ogen te komen waarin de arbeidende mens door bewustwording van zijn slavernij de kluisters van individualisme en kapitalisme aflegt en eindelijk de grote vrijheid invloeit. Daarvan wilde hij de dichter zijn.

In Pan breekt de Vrijheid aan nadat de Arbeid het Kapitaal heeft vernietigd (alles in kapitalen). Dat militante socialisme heeft Gorters latere werk lang onleesbaar gemaakt, niet om aan te horen sinds het utopisme monsters had gebaard. In 1989, honderd jaar na Mei, viel met de muur het Sovjet-communisme om. Leek sindsdien elke visionaire poëzie onmogelijk geworden, hernieuwde belangstelling voor Pan lijkt te duiden op een eerherstel voor de grand récits van de poëzie. Maar kritiek op

De epiek van Herman Gorter

Na zijn afscheid van Tachtig duurde het jaren voordat Gorter munitie en moed had verzameld voor een nieuwe epische po­ ging. Toen zijn socialistische gedichten steeds langer begonnen te worden, rondde Gorter in 1905 zijn School der Poëzie af. ‘Lyriek is zeker de minst geschikte vorm, om een wereldbeweging poë­ tisch uit te beelden’, zei hij tegen Henriëtte Roland-Holst. Eerst schreef hij, heel bescheiden, Een klein heldendicht (1906) en toen dat lukte, vatte hij de socialistische herschrijving van Mei aan. Niet lang na publicatie van de kleine Pan (1912) herschreef hij ook die, en toen in 1916 de grote versie af was, wilde hij liefst meteen wéér.

Gorter stierf in 1927, het boek bleef een van zijn onvolmaakte langere gedichten. Hij begon meer epiek dan hij voltooide, ook vroeg in zijn oeuvre. Ongepubliceerd bleven ‘Lucifer’ (18851886) en ‘Een dag in ’t jaar’ (1889-1890); onvoltooid bleven ‘De dagen’ (1890) en ‘Balder’ (1893), een anti-Mei dat eindigt met de regels:

In zijn leven schreef Gorter één prozagedicht: ‘één mei’. Een drietal socialisten wordt als volgt geïntroduceerd: ‘Schitterend als zonnestralen kwamen mannen.’ De tekst uit 1903 – het jaar van de grote spoorwegstaking – is een spilletje in het ra­ derwerk van zijn publieke oeuvre. Van Mei naar Pan: Gorter ontroert omdat hij zijn revolutie-epiek bleef doorsteken met gewaagde natuurlyriek. Jong gras mag floreren in een Hollandse wei, het oogt nog frisser als het door asfalt breekt. Extreme contrastwerking blijft Gorter kenmerken, bijvoorbeeld in de machtige havenpassage uit Pan, wanneer hij de havenarbeid evoceert als natuurfenomeen:

Na ’n tijd kwam droom naar binnen zijn aandacht. Hij droomde, en zag in droom verklaard het werk, waartoe dit zijn zal, als tot park een perk. Gorter droomde van een ‘park’, de Balderfragmenten waren nog een ‘perk’. Dat woord – per toeval ook de achternaam van de voorloper van Tachtig Jacques? – was zijn laatste in De nieuwe gids, het revolutiehuis van de Nederlandse letteren.

De haven was een groote, groote boomgaard, De menschen waren daar als appeltjes.

Herman Gorter in 1923 (fotograaf onbekend)

15


Fernando Pessoa’s andere vaderland Door Richard Zenith / vertaling: Jabik Veenbaas

‘Mijn vaderland is de Portugese taal,’ aldus de fameuze woorden die Fernando Pessoa gebruikte in zijn Boek der rusteloosheid, waarmee hij benadrukte dat zijn vaderlands­ liefde geen geo­gra­fisch of politiek, maar een talig en literair karakter had. Pessoa hield van taal, en vooral van zijn moedertaal. Maar hij had ook een tweede ‘vader­ land’ – de Engelse taal, en als jongeman had hij de ambitie om een groot dichter te worden in de taaltraditie van Shakespeare. Dat was niet meer dan natuurlijk, om­ dat de auteur in spe vrijwel zijn gehele schoolopleiding ontving in de Engelse taal. Pessoa werd in 1888 geboren in Lissabon en hij verloor zijn vader toen hij vijf jaar oud was. Zijn moeders tweede echtgenoot was consul van Portugal in Durban, Zuid-Afrika, waar Pessoa van zijn zevende tot zijn zeventiende woonde. Hoewel de Eng­else taal nieuw voor hem was, onderscheidde de jonge Fernando zich al snel van zijn klasgenoten door zijn verbale begaafdheid. De rector van de Durban High School eiste veel van zijn leer­lingen, maar Pessoa had zijn aansporingen niet echt nodig. Hij was verlegen en hield niet van sport, maar hij leerde graag en had een enorme leeshonger; hij hield vooral van Shakespeare, Milton en de Engelse ro­ mantische dichters (Keats, Shelley, Byron, Wordsworth), en verder van de proza­ ïsten Edgar Allan Poe en Thomas Carlyle. Hij las ook Frans en blonk uit in Latijn. Omdat Pessoa’s eerste poëtische voorbeelden voornamelijk Engelstalig waren, schreef hij zijn eerste verzen in het Engels. Het oudste gedicht dat er van hem overgebleven is, ‘Separated from thee’, ontstond kort voor zijn dertiende verjaardag. Vrijwel alle gedichten die Pessoa in Durban schreef waren Engelstalig, en hij on­ dertekende ze dikwijls met de naam Charles Robert Anon, zijn eerste literaire alter ego met een substantiële productie. Pessoa’s volwassen ‘heteroniemen’ – voor wie hij

Uitgave van Lisboa, Monteiro e Co, 1918, uit de verzameling Manuel Vilhena de Carvalho

16

biografieën en literaire stijlen bedacht – ver­ schenen in 1914 als bij donderslag op het toneel, en in het Portugees, maar zijn twee belangrijkste preheteroniemen drukt­en zich uit in het Engels. Charles Robert (of­tewel ‘C.R.’) Anon, de ondertekenaar van brie­ ven en gedichten die naar Durbans belang­ rijkste krant werden opgestuurd, werd ge­ volgd door de nog productievere Alexander Search, naar verluidt de auteur van haast twee­honderd gedichten. Search verscheen ongeveer een jaar nadat Pessoa naar Lissabon terugkeerde, in 1905, om daar een letterenstudie aan te vangen. De studie verveelde hem of duurde hem te lang en hij gaf er de brui aan zonder zijn bul te hebben behaald; hij gaf zijn ener­gie liever aan zijn eigen lezen en schrijven. Hij bedacht andere preheteroniemen, onder meer een Fransman, Jean Seul, maar nog altijd was zijn poëtische productie vrijwel geheel Engelstalig. Toen hij dertien was, had het gezin een jaar in Portugal door­ge­ bracht. Daar schreef de ontluikende au­teur een aantal gedichten in het Portugees (waar­ van er een in een Lissabonse krant werd ge­publiceerd) en demonstreerde hij zijn mees­terschap in allerlei poëzievormen, bij­ voorbeeld in het sonnet, maar pas laat in 1908 – drie jaar nadat hij voorgoed naar zijn geboorteland was teruggekeerd – begon hij opnieuw gedichten in zijn moedertaal te schrijven. In de jaren 1910 beleefde Pessoa een bloei­ tijd als Portugees dichter, of hij nu onder zijn eigen naam schreef of onder die van zijn heteroniemen: Alberto Caeiro, Álvaro de Campos en Ricardo Reis. Toch droomde hij er nog steeds van om een beroemd Eng­els­talig dichter te worden. Gedurende dit hele decennium dichtte hij onverdroten door in beide talen. Shakespeare, zijn lite­ raire idool, was de schrijver die hij trachtte te evenaren en zo mogelijk te overtreffen. Pessoa was niet alleen onder de indruk van

Heimwee naar vereeuwiging De Engelse gedichten van Fernando Pessoa dinsdag 15 juni, 21.30 uur

kleine zaal

Sinds 2000 geeft Uitgeverij De Arbeiderspers de prachtige Pessoa­reeks uit. Deze avond wordt de jongste uitgave in die reeks gepresenteerd: Heimwee naar vereeuwig­ing. De Engel­se gedichten van Fernando Pessoa. De bundel bevat de 35 Engelse son­ netten waarmee Pessoa, nog voordat hij ook maar een woord in het Portugees publiceerde, in 1918 de­buteerde. August Willem­sen (1936-2007) maakte van het vertalen van Pessoa zijn levenswerk. De langere gedichten in Heimwee naar vereeuwiging, ‘Epitha­ lamium’ en ‘Antinous’, zijn nog door hem gemaakt. Maarten Asscher vertaalde de overige gedichten. Tijdens het programma leest hij enkele van zijn vertal­ingen van Pessoa’s sonnetten. Peter Goedhart zingt liederen geïnspireerd door Pessoa’s Lied van de Zee. Meertalige dichters Ook enkele festivaldichters zijn meertalig: Katia Ka­po­vich (Russisch en Engels) en Nyk de Vries (Fries en Ne­der­lands). Zij laten in voordracht en gesprek zien welke invloed de keuze voor de ene of de andere taal heeft op vorm en inhoud van de poëzie. Presentatie: Jan Baeke

Shakespeares werk, maar ook van het bijzondere vermogen van de Elizabethaanse dichter en toneel­schrijver om persoon­ lijkheden te creëren. Lang voordat Harold Bloom op briljante wijze beargu­menteerde dat Shakespeare ons uitvond – omdat hij voordien schimmige zones van de menselijke psyche een le­vendige dra­matische vorm verleende – kwalificeerde Pessoa de bard in zijn Boek der rusteloosheid al als de ‘schepper van het wereld­bewustzijn’. Pessoa typeerde zichzelf niet als dichter, maar in wezen als dramaticus, als dramatisch dichter, en hij vergeleek zichzelf dikwijls met Shakespeare; hij zei dan dat ­zijn he­teroniemen net Hamlets waren, met het verschil dat hij geen toneelstuk schreef waarin ze over het voetlicht werden gebracht.

staat buiten kijf dat zijn Engelse sonnetten – met hun door streep­jes verbonden samengestelde woorden, hun paradoxen en hun enigszins verwrongen synta­xis – tenminste even complex zijn als die van Shake­speare. Maar worden het daarmee ook goeie gedichten? Pessoa publiceerde zijn 35 Sonnets in 1918 en zond een ex­em­ plaar naar de Times Literary Supplement, dat er een re­censie aan wijdde waarin werd vastgesteld dat ze waardevolle dingen te zeggen hadden en dat ze die dingen zeiden door middel van ‘ultra-Shakespeariaanse Shakespearianismes’. De recensie was in essentie positief en wellicht heeft Pessoa met voldoening op zijn ‘ultra-Shakespeariaanse’ wapenfeit terug­gekeken. Toch ver­toont het werk grote gebreken. Bij Shake­speare vloeien de talige problemen van de sonnetten voort uit de problematische ideeën en gevoelens die hij zo scherpzinnig traceert in zijn wereld van liefde en die de hele wereld der mense­lijke emoties in haar kielzog meevoert. In de 35 Sonnets is sprake van twee niveaus – dat wat er gezegd wordt en de woorden die daarvoor worden aangewend. Die niveaus spiegelen elkaar en staan in onderlinge wisselwerking, maar ze vormen geen organisch geheel.

Volgens Pessoa was zijn eigen leven het toneel waarop Álvaro de Campos en de rest van het heteronieme gezelschap spon­ taan uitdrukking gaven aan wat er in hen – en in hemzelf – leefde. Het was alsof hij zijn hele ik in de door hem bedachte anderen had gelegd en ze vervolgens de vrijheid had gegeven. Met deze extreme vorm van depersonalisatie, getypeerd als een ‘drama dat in mensen in plaats van in bedrijven was op­gedeeld’, ondernam hij zijn meest diepzinnige poging om Shakespeare naar de kroon te steken. De sonnetten die hij in het Engels schreef vormden een andere, die meer voor de hand lag en min­ der succes had.

Zowel in de sonnetten als in de vele andere gedichten die hij in het Engels schreef, werd Pessoa gehinderd door zijn kennis van een taal die – hoe gek het ook mag klinken – te poëtisch was. In Zuid-Afrika had de toekomstige grote schrijver wein­ig vrienden, en thuis sprak hij Portugees. Hij was enorm bedreven in de Engelse taal, maar zijn Engels was te aca­demisch en te literair. Het was niet organisch, het leefde niet, zoals zijn moedertaal. Hoe Pessoa ook zijn best deed, zijn Engelstalige poëzie had geen verbinding met de baarmoeder. Toch bevat ze tal van frappante passages, en richt ze zich op dezelfde thema’s die ons in zijn Portugese verzen fascineren. In zo’n geval bestaat er een gerede kans dat de vertaling het origineel kan verbeteren en verhelderen – wanneer de vertaler althans even competent is als August Willemsen.

Pessoa vertelde een vriend eens dat hij Shakespeares ‘com­ple­xi­ teit’ wilde herscheppen in een ‘moderne versie’. En in zekere zin lukte dat. Shakespeares 154 sonnetten gaan alle­maal over de liefde, terwijl in Pessoa’s sonnetten een breed scala aan thema’s aan de orde komt, die vooral een filosofisch karakter hebben: schijn versus werkelijkheid, de onmogelijk­heid om anderen of onszelf echt te kennen, de tirannie van de tijd en het lot en het ondoorgrondelijke raadsel van het bestaan. Hoewel deze the­ ma’s niet speciaal modern zijn, kun je de manier waarop Pessoa ze in sonnetvorm behandelde vernieuwend noemen. En het

17


De stiltes van Jon Fosse

anders. Door zijn ogen wordt het ochtendritueel met koffie, shagje en wandeling naar de haven beleefd, we lezen zijn ge­ dachten bij de wonderlijke ontmoetingen met gestorven vrien­ den en zijn dode vrouw. Het zijn, zo blijkt, de gedachten van iemand in het grensland tussen leven en dood. Ochtend en avond is een monoloog interieur vermengd met flarden van gesprekken. Punten ontbreken. Dat voortgaande gesprek is misschien het andere uiterste van de stiltes die zo kenmerkend zijn voor het toneelwerk. Maar ook in het proza is de wereld stil. Het is een wereld waar de klank van vissersnetten, van voetstappen in stille straten, waar het ruisende geluid van de zee overheerst.

maar even We gaan zo weer weg legt uit Ja ze hebben de dienstregeling van de bus veranderd

Door Janita Monna vertaling: Tom Kleijn

De Noorse toneelschrijver Jon Fosse (1959) is wereldberoemd. Zijn stukken worden opgevoerd van Berlijn tot Japan tot Am­ sterdam. Minder bekend is dat Fosse ook gedichten schrijft. In zijn eigen land verschenen meer dan vijf bundels poëzie. Dat het toneel zo nu en dan opduikt in die gedichten is niet verwonderlijk:

Olivier Provily. In de inleiding bij de tekstuitgave van het stuk verklaarde Provily zijn fascinatie voor het werk: ‘Het gaat Fosse om de beschrijving van wat er tussen mensen gebeurt. (…) Fosses personages zijn vaak zoekende mensen, verdwaald in het moderne leven. Vaak trekken zij zich terug, proberen buiten de jachtige, snelle maatschappij hun geluk te vinden. (…) Fosse formuleert een grondstructuur van het menselijk samenleven; men wil graag met de ander samen zijn, maar tegelijkertijd wil men zijn eigen vrije ruimte behouden.’

IETS OVER DE TONEELSPELER in wat zich roert als het leven altijd in verweesde beweging is iets rustig en zwaar als het leven zelf zwaar is Voor sommigen wordt het leven te licht en tegelijkertijd te zwaar en zij stappen uit het gebeuren en staan daar wankel beschaamd en weten niet wat te zeggen ze hebben niets te zeggen en daarom moet er iets gezegd En ze stappen naar voren met passen licht en doelgericht als de wind stappen ze naar voren en dan staan ze daar zwaar van zichzelf in elkaars licht terwijl de schaamte vervliegt gewichtloos als de engel van de hond

In De nacht zingt zijn eigen lied hebben de hoofdpersonen geen naam, ze heten slechts Jonge vrouw, Jonge man, Vader, Moeder. De Jonge vrouw en de Jonge man hebben net een zoon ge­ kregen, maar gelukkig zijn ze niet. De Jonge man ligt op de bank en leest, hij hoopt schrijver te worden, maar ontvangt afwijzing na afwijzing. De Jonge vrouw wil erop uit, mensen zien. Er is ongemak en onbegrip, woordenwisselingen worden afgewisseld met stiltes en (korte) pauzes, en als om de geremde communicatie tussen de personen te benadrukken ge­bruikt Fosse maar een beperkt scala aan woorden en zich herhalende zinnetjes. Jonge vrouw: Ik denk dat ik naar de winkel moet om iets voor het bezoek te halen lacht kort Moeder en vader: door elkaar heen Dat hoeft niet Dat is niet nodig

En dan gaan de vleugels van de engel open en vouwen zich om hen heen

Jonge man: Ja jullie komen een beetje onverwacht

En dan is het gezegd Moeder We waren wat vroeg ja tegen de Jonge vrouw ja neem ons niet kwalijk

vertaling: Marianne Molenaar

Het gedicht leest als een rake typering van zijn eigen toneelwerk. Daarin zijn vaak personen te zien, een man en een vrouw, tus­ sen wie de communicatie moeizaam verloopt. Er vallen veel, heel veel stiltes (‘ze hebben niets te zeggen’) en als om die stiltes te bezweren is er nogal wat leeg gebabbel. In Nederland werden verscheidene stukken van Fosse opge­ voerd. Zo waren Winter, Een zomerdag en De nacht zingt zijn eigen lied te zien bij Het Zuidelijk Toneel, in regie van

18

Behalve gedichten en toneel, schreef Fosse ook verscheidene romans, essays en kinderboeken. Alles wat hij schrijft komt uit dezelfde bron. ‘Soms maak ik een toneelstuk van een gedicht of een roman van een toneelstuk’, lichtte hij toe in een interview in NRC Handelsblad. ‘Op die manier zoek ik een andere be­ na­dering, want ik geloof niet in rotsvaste waarheden.’ Fosses stijl is kaal en de stiltes in zijn toneel zijn wel te vergelijken met het wit in de poëzie. ‘In mijn werk zijn de terzijdes, de onaffe zinnen en stiltes van belang. Ook in het dagelijks leven merk je dat mensen met stilte vaak het meeste zeggen.’ Opvallend is dat Fosses poëzie, waarvan maar weinig in het Nederlands be­schik­ baar is, minder open plekken kent dan zijn toneel. Zijn poëzie heeft eerder iets beschrijvends, is meer ingevuld. Soms lezen zijn gedichten bijna als regie-aanwijzingen:

Foto Ik ben de wind, Nationaltheatret

En je kijkt toe en keert je naar wat er niet is zoals ook ik de hele tijd gekeerd ben naar wat er niet is in jou Boven De Naam, dat in Nederland werd opgevoerd bij de Thea­ tercompagnie in regie van Jacob Derwig, hangt de onuit­ge­ sproken vraag of een vader een dochter heeft zwanger ge­maakt. In het interview uit NRC reageerde Fosse: ‘Ik weet niet of de vader zijn dochter zwanger heeft gemaakt. Ik heb er nooit aan gedacht, dus ik denk van niet. (…) Ik begrijp dat spelers en regisseurs een verklaring nodig hebben, maar van mij mag dat geheim gerust zo blijven. Ik bouw geen plot op, zoals Ibsen, ik begin te schrijven, in mijn werkkamer of boot. Dan komen de zinnen vanzelf. Die zinnen vormen het verhaal.’ Derwig zei over het stuk: ‘De Naam is zeer zorgvuldig ge­schre­ ven, gecomponeerd als een minimalistisch muziekstuk, met bij­ zonder precieze en dwingende regie-aanwijzingen, waarin Fosse niet onder doet voor Samuel Beckett.’

Jonge vrouw: Dat geeft niet

In een van zijn essays noemde Fosse Beckett als een auteur in wiens werk een ‘silent voice’ te horen is. En juist aan die ‘stille stem’ is volgens hem goed theater en goede literatuur te her­ kennen. Het is een stem geladen met ongekende betekenis, een nauwelijks op te merken stem, die volgens Fosse ook te be­lui­ steren is in het werk van zijn Zweedse collega-toneelschrijver Lars Norén.

Moeder: tegen de Jonge vrouw We komen gewoon even aanwippen

Van Fosse (1959) verscheen in Nederland de roman Ochtend en avond, over de oude visser Johannes die op een ochtend wakker wordt en merkt dat alles hetzelfde is, maar toch net

Ik ben de wind

Eg er vinden door Nationaltheatret uit Oslo dinsdag 15 juni, 20.00 uur

grote zaal

De Noorse dichter Jon Fosse is dit jaar als festivaldichter te gast in Rotterdam. Tijdens het festival is Fosses theaterstuk Ik ben de wind (Eg er vinden) te zien in een bijzondere uitvoering door het Nationaltheatret uit Oslo. Ole Johan Skjelbred en Fridtjov Såheim spelen ‘de ene’ en ‘de andere’. In dit stuk keert Jon Fosse terug naar een kernmotief in zijn werk: twee vrien­ den die elkaar tot een bepaald moment heel na stonden, maar toen ieder hun eigen weg zijn gegaan. Ik ben de wind speelt zich af in een imaginaire of nauwelijks aangeduide boot en de handelingen worden ook niet uitgevoerd, maar aangeduid. De regie is in handen van Eirik Stubø. De voostelling is in het Noors met Nederlandse en Engelse boventiteling. Jon Fosse leest op woensdag 16 juni om 20.00 uur zijn ge­ dich­ten en frag­menten uit zijn nieuwe roman Slapeloos. De Nederlandse vertaling hiervan verschijnt bij uitgeverij Wereld­ bibliotheek.

19


‘Via Krakau / ben je gekomen’ De Krakause poëzie belicht via Ewa Lipska en Wisława Szymborska vrijdag 18 juni, 20.00 uur

grote zaal

Twee dichters uit Krakau lezen voor uit hun werk: Wisława Szymborska doet dat vanuit de intimiteit van haar huiskamer, gefilmd door documentairemaker John Albert Jansen. Ewa Lipska leest live. Jan Baeke spreekt met dichter Ewa Lipska en met vertalers uit het Pools Karol Lesman en Jo Govaerts over Krakau, de Krakause poëzie en de rol van festivaldichters in de Poolse literatuur.

Wisława Szymborska samen met Ewa Lipska

Wisława Szymborska – Einde en begin. Een filmportret Door Janita Monna

Of hij zelf een favoriet vers van Szymborska heeft? ‘Jazeker’, John Albert Jansen springt van zijn stoel, zoekt het gedicht en begint voor te dragen:

‘Bij hun eerste kennismaking wees Szymborska wanhopig naar de telefoon die maar niet wilde zwijgen. (…) Hij vroeg om een schaar en knipte de kabel door. De telefoon zweeg, de dichteres was verguld (…).’ Hoe is het Jansen en Van Rijsewijk gelukt om toegang te krijgen? Jansen: ‘We zijn voor deze film tot nu toe drie keer in Polen ge­weest en we spraken daar onder anderen met dichteres Ewa Lipska.’ Van Rijsewijk kende Ewa Lipska al langer. ‘Ik zorgde mede voor de eerste vertaling van haar werk in het Nederlands. Later is ze uitgegeven bij De Geus. Lipska en Szymborska zijn goed bevriend. Zij zorgde voor het eerste contact.’ Eerdere films van John Albert Jansen over Hugo Claus (2009) en over de Tsjechische schrijver Bohumil Hrabal overtuigden haar ver­ volgens van de kwaliteiten van de filmmaker.

Ik neem het de lente niet kwalijk dat ze weer is aangebroken. Ik reken het haar niet aan dat ze elk jaar trouw haar plichten vervult. Ik begrijp dat mijn verdriet het groen niet tegenhoudt. (…) We spreken in Amsterdam, de lente is net begonnen. Docu­ mentairemaker John Albert Jansen lacht om de openingsregels uit ‘Afscheid van het uitzicht’ van de Poolse dichteres Wisława Szymborska. Ook Ad van Rijsewijk, oud-redacteur bij uitgeve­ r­ij de Geus en vertaler uit het Pools is aanwezig. Jansen en Van Rijsewijk werken samen aan een film over de Poolse Nobelprijs­ winnares. De bijna onbenaderbare Szymborska heeft zowaar haar medewerking toegezegd. Dat is bijzonder, want de dicht­e­res houdt niet van publiciteit en geeft zelden interviews. Zo wordt in de biografie Prullaria, dromen en vrienden (2003) met smaak verteld over de kennismaking tussen Szymborska en de man die tot op de dag van vandaag haar privésecretaris is:

Ondanks haar bereidheid om mee te werken, duurde het nog zeker een half jaar voor het eerste gesprek plaatsvond. ‘Maar toen we eenmaal bij haar thuis waren, was het bijzonder ge­ zellig. Szymborska doet niets anders dan roken en grapjes ma­ ken,’ vertelt Jansen. ‘Ze had net een brief van een bezorgde fan gekregen die haar op het hart drukte te stoppen met roken. Szymborska had de fan teruggeschreven “Ik ben inmiddels op zoveel begrafenissen geweest van mensen die hun hele leven nooit hadden gerookt, dat ik toch maar van uw advies afzie.”’ Van Rijsewijk vult aan: ‘Je weet dat ze hele bijzondere collages

20

maakt, die ze als ansichtkaarten naar haar vrienden stuurt. Bij het opruimen van mijn huis vond ik onlangs twee van die col­ lages. Die had ze me ooit lang geleden gestuurd. Gek genoeg was ik dat totaal vergeten. Op een van die kaarten nodigde ze me uit eens langs te komen. Nu ik jaren later bij haar op bezoek ging, nam ik die ansichtkaart mee, en zei als grap: “Eindelijk ga ik dan op uw uitnodiging in.” Dat vond ze wel geestig.’

heel eigen taal ontwikkelden. Achter die scherpe grap­jes gaat een enorme zelfrelativering schuil, die is nodig om je staande te houd­en. De mens is een behoorlijk rare snuiter, lijkt ze ook in haar poëzie te willen zeggen.’ Over haar poëzie praat ze niet, wat ze wil zeggen staat in haar gedichten. Haar be­won­dering voor Vermeer, bijvoorbeeld. Vermeer

Een traditioneel filmportret wordt het niet. ‘De alledaagsheid en de lichtheid van haar gedichten en tegelijkertijd het haast kosmische gevoel, en de grote politieke en sociale betrokkenheid, ook allemaal eigen aan haar poëzie, hopen we in de film te kun­ nen uitdrukken. Het wordt een reis door Polen en de Poolse ge­schiedenis aan de hand van haar gedichten. We willen pro­ beren om iets te vangen van het dagelijkse leven en de missie je te blijven verwonderen in die vaak grauwe werkelijkheid van de communistische tijd. Ze zegt daarover in Prullaria: ‘Als ik al ergens van uitrustte, dan zeker niet van de poëzie, maar van het leven van alledag. We zijn inmiddels bijna vergeten hoeveel energie ons het onophoudelijke zoeken naar iets wat we nodig hadden kostte, het regelen van welke kleinigheid dan ook, dat in de rij staan.’

Zolang de vrouw uit het Rijksmuseum in geschilderde stilte en concentratie uit een kan in een schaal dag in, dag uit melk giet, verdient de Wereld geen einde van de wereld. Vertaling: Karol Lesman

Bij de verschijning van Dubbele punt enkele jaren geleden pro­ beerde vriendin Ewa Lipska haar te bewegen naar Nederland te gaan. Op de motor. ‘Kom Wisława,’ had Lipska ge­zegd, ‘we moeten Vermeer zien.’ Waarop Szymborska antwoordde: ‘Maar die ken ik allemaal al.’ Lipska: ‘Ja, maar hij heeft iets nieuws geschilderd.’ Szymborska: ‘Dan moet­en we gaan.’ Dat gebeurde uiteindelijk niet. Maar de ver­koop van haar poëzie in Nederland lijkt daar niet onder te lijden. Uitzicht met zand­korrel en Einde en begin waren heuse best­sellers, uitzon­derlijk voor vertaalde poë­zie. En ook haar latere bundels zijn in Neder­land zeker goed voor twee of drie drukken. Van Rijsewijk: ‘Haar Poolse uitgever heeft altijd moeite haar te bewegen tot een her­druk als de eerste druk, meestal zo’n 20.000 exemplaren, uitverkocht is. “Oh, nee,” rea­geert ze dan, “ik wil niet dat die Szymborska overal en altijd in de boekhandel ligt.”’

Szymborska is, na enkele jaren lid te zijn geweest van de com­ munistische schrijversbond, vanaf de jaren vijftig altijd wars geweest van collectieven. ‘Ze was zuinig op haar privéleven, dat heeft haar staande gehouden. Ze was niet van het openlijke eng­­agement. Sommige collega-dichters hebben haar dat wel kwa­lijk genomen. Andrzej Wajda bijvoorbeeld, die evenals zij in de Stalinistische periode debuteerde. We hopen hem ook te spreken voor de film. Szymborska was meer van het stil verzet. Ze trok zich terug in haar gedichten, in haar collages en in de lo­terijspelletjes die ze met vrienden speelde.’

Poetry International Festival toont de eerste gefilmde beelden van Szymborska. Schalks kijkt de 86-jarige dichteres de camera in als ze met krachtige stem haar gedichten voorleest.

Van Rijsewijk: ‘Je zou kunnen zeggen dat de Szymborska en haar kring van vrienden in de communistische periode een

21


Poëzie in de moderne Layla en Madjnun-verfilming Habibi Rasak Kharban

‘zoals lichtende vuurvliegen naar de nacht verlangen’

Schat, er is iets mis met je hoofd

woensdag 16 juni, 21.30 uur

Poetry in the Afternoon: woensdag 16 juni, 16.00 uur

grote zaal

Dichters uit de vier windstreken vertellen hoe het verhaal van de onbereikbare geliefde deel uitmaakt van de poëzietraditie waarin zij schrijven en van de maat­schappij waarin zij leven. Ze lezen eigen gedichten die raken aan de thematiek van het ver­haal. Het verlangen naar het onbereikbare en het (gedwongen) ver­laten van een geliefd oord staan centraal in het leven en de poëzie van Kamran Mir Hazar (Afgha­nistan), Hiromi Ito- (Japan), Al-Saddiq Al-Raddi (Soedan) en Katia Kapovich (Rusland/Vere­nigde Staten). Hafid Bouazza vertelt over het vertalen van het epos en leest zijn vertalingen voor. U hoort de mooiste passages uit Nezami’s ep­os en de kracht van zowel poëzie als de liefde tussen Layla en Madjnun wordt onderstreept in film, dans, beeld­ende kunst en muziek.

foyer

Gedichten spuiten op de muren van gebouwen in de hoop dat je geliefde er langs loopt. Qays doet het voor zijn Layla in de film Habibi Rasak Kharban (Schat, er is iets mis met je hoofd), de moderne hervertelling van Layla Madjnun. Deze film van de Ame­ rikaanse filmmaakster Susan Youssef gaat in het najaar in première maar het publiek van Poetry International krijgt al­vast een poëtisch voorproefje. Literatuurwetenschapper Ihab Saloul, die meewerkte aan het film­script, vertelt over de belang­rijke rol van poëzie in de film en toont enkele fragmenten. Presentatie: Ibrahim Selman

Layla en Madjnun Liefde, poëzie en krankzinnigheid: de magische driehoek Door Asghar Seyed-Ghorab

De romance Layla en Madjnun, de oosterse tegenhanger en voor­loper van Romeo en Julia, is terug te voeren tot in het ze­ vende-eeuwse Arabië. Tijdens de vroege Islam circuleerden in het Midden-Oosten al talloze anekdotes en gedichten over Layla en Madjnun. Islamitische mystici gebruikten ze als allegorie om de on­voorwaardelijke liefde voor en eenwording met God te duiden. Daarnaast kwamen ze ook in literaire werken en volks­verhalen voor. De Perzische dichter Nezami (1141-1209) uit Gandja, een stad in de huidige republiek Azerbeidzjan, maak­te er als eerste een volledig samenhangend verhaal van. In nog geen vier maanden schreef hij de meer dan vierduizend dubbelverzen die het epos telt.

Plot Qays, zoon van een rijk stamhoofd, wordt op school zo verliefd op Layla dat hij haast bezeten raakt. In een cultuur waar liefde geheim moet blijven, zingt hij publiekelijk erotische liefdes­ gedichten over Layla’s schoonheid. Zijn liefde ligt op straat en de mensen noemen hem Madjnun Layla: ‘bezeten door Layla’. Layla’s va­der verbiedt ieder contact tussen de geliefden, waar­ door het liefdesvuur alleen maar oplaait. Madjnun kiest voor een kluizenaarsbestaan in de woestijn. ’s Avonds bezoekt hij hei­melijk Layla’s straat, hopend een glimp van haar te zien, haar geur te ruiken of nieuws van haar te ontvangen. Hij zou al genoegen nemen met de hond uit Layla’s straat, zelfs met het stof onder diens poten, maar het is hem niet gegund en hij wordt uit Layla’s nabijheid verdreven.

Van Bengalen tot Belgrado en van Centraal-Azië tot NoordAfrika hebben dichters Nezami vanaf dat moment geïmiteerd. De meest succesvolle middeleeuwse versies zijn die van de In­ dische dichter Amir Khosrow (1253-1325) en van Jami (gest. 1492). De Arabische schrijver Showqi schreef de bekendste van de vele toneelstukken die het verhaal vertellen. Ook beeldend kunstenaars lieten zich inspireren: al vanaf de middeleeuwen legden kunstschilders en wevers de liefde van Madjnun in mi­ niaturen en fijn geknoopte, zijden tapijten vast. Met de opkomst van de cinema verscheen het koppel overal in de islamitische wereld op het witte doek en de laat­ste jaren zien we het boven­ dien in opera, dans en popmuziek terug. Layla en Madjnun zijn in vele landen en in vele talen een geliefd paar in de lief­ deslyriek.

Layla’s vader houdt zijn dochter in de tussentijd thuis waar zij haar liefdessmart met moeite voor hem verborgen kan houden: Achter de sluier slaakte zij een zucht in het geheim; Zij hield het geheim voor haar vader. Als haar vader naar buiten ging, werden haar narcissenogen rozenkleurig van tranen. Zij liet zo veel tranen stromen langs haar wimpers Dat zij het stof van haar weg wegveegden. (...) Zij had geen vertrouweling aan wie ze haar pijn kon vertellen; Zij had geen minnaar met wie zij een uitweg kon bedenken. In de gevangenis van haar huis, op het dak, Leefde zij als een slang wiens hoofd was afgehakt. (...) Met honderd trucs, slikte zij Haar hart in het geheim, en in het openbaar de wijn. Haar gezicht straalde als kaarslicht met glimlach, Zij glimlachte, maar achter de glimlach brandde zij op.

In de hoop op genezing brengt Madjnuns vader hem naar Mekka, maar Madjnun ziet in de Kaäba slechts Layla en vraagt God om zijn liefde voor haar te versterken. Thuis begint Madjnun opnieuw liefdesge­d ichten te componeren. Layla’s stam staat hem naar het leven, hij schendt immers hun eer. Madjnun trekt zich opnieuw terug in de woestijn. Vanaf dit moment leeft hij in absolute af­zondering en eet, praat of slaapt hij zo min mogelijk. ’s Nachts bewondert hij de schoonheid van he­mel, sterren en maan die hem herinneren aan Layla, ‘de nach­telijke’. Haar lange haren, zwart als de donkere nacht, haar ronde ge­zicht stralend als de maan.

Een rijke sjeik vraagt – voor veel geld – om Layla’s hand en haar vader stemt verheugd toe. Tegen haar wil wordt ze uit­ gehuwelijkt. Als Ebn Salaam haar tijdens de huwe­lijksnacht op­zoekt, zegt ze hem in bedekte termen dat zij verliefd is op een ander. Ze is zich er zeer van bewust dat zij als vrouw weinig in te brengen heeft tegen haar wet­tige echtgenoot, maar ze weet haar man van zich af te houden en ze blijft maagd tot het einde van haar huwe­lijk. Dapper arrangeert zij ook ont­moe­tingen

Layla en Madjnun  

22

23


Amerika, Amerika

Niets zo honds als liefdesverdriet een literaire voorstelling voor kinderen van 7 tot 13 jaar zondag 13 juni, 13.00 uur

Rotterdamse dichters en nostalgie van de Holland-Amerikalijn

grote zaal

vrijdag 11 juni, 20.00 uur

Op zondag verandert de bühne van de grote zaal in een desolate woes­­tijn. Daar klopt een hart van verlangen. Verlangen naar een onbereik­bare liefde, naar een land, een ding, naar een speciaal iemand. Zoals Madjnun verlangt naar Layla. Mis­schien heb je het zelf ook wel eens meegemaakt, dat je zo enorm naar iemand of iets verlangt. Karen van Holst Pellekaan, bekend als Bep Brul uit de televi­sieserie Loenatik, weet hier als geen ander veel van af. Op haar divan ontvangt ze een karavaan aan festivaldichters, scholieren die hun eigen gedicht lezen, buikdansers en muzikanten. Met zijn allen brengen ze je in Oosterse sferen. Met de festivaldichters Nyk de Vries (Friesland/ Nederland) en Valérie Rouzeau (Fran­krijk). Karin van Holst Pellekaan

met Madjnun. Die valt bij elke ontmoeting flauw of zingt ge­ dichten om vervolgens terug te rennen naar de woestijn. Als Ebn Salaam sterft, gaat Layla naar Madjnun, die in de jaren van afzon­dering Layla heeft geïdealiseerd: hij herkent in Layla zijn geliefde niet meer en wijst haar af. Layla sterft van verdriet. Als Madjnun dit hoort, rent hij naar haar graf om het te om­ helzen totdat ook hij doodgaat. Hij wordt naast Layla begraven. Hun begraafplaats groeit uit tot een pelgrims­oord. Hun dood wordt gezien als die van liefdes­martelaren, die eeuwig zullen leven, verenigd in het pa­ra­dijs.

nele krankzinnige’ kritiek te leveren, niet alleen op de maat­ schappij maar ook op Gods schepping en recht­v aardigheid. Aan het eind wordt de catastrofe zichtbaar als Madjnun zijn ware geliefde niet meer herkent en kiest voor een geïdealiseerde, trans­cendente Layla. Negeren we de mys­tieke laag van het ver­ haal, dan is het een verhaal vol verdriet, onver­vulde verlangens en een tragisch eind voor alle karakters. De allegorische dimensie laat bovendien toe dat het liefdesver­ lang­en wordt omgevormd tot vaderlandsliefde, een liefde voor een ideaal, voor een ideaal land. Het Koerdische nationale epos Mam-u zin, geschreven door Ahmad-i Khani (1650-1707), is zo’n imitatie van Nezami’s Layla en Madjnun die soms zuiver allegorisch functioneert voor de Koerdische vluchtelingen die in bal­lingschap hun vaderland idealiseren. On­beantwoorde of onmogelijke liefde creë­ert vurige verlangens. Op die manier krijgt een eenvoudig liefdesverhaal van verlangen en scheiding een politieke laag om bij te dragen aan de constructie van een politieke identiteit.

Layla en Madjnun is een vertelling over pure liefde die loutert. Liefde voor een meisje drijft de hoofdpersoon tot krankzinnig­ heid, dichterschap, ascetisme en uiteindelijk tot vervolmaking van zijn deugden. Ook intro­duceert de dichter een spirituele dimensie, waarbinnen het epos als een allegorie van de weg naar eenwording met God ge­lezen kan worden. De vertelling zit daarmee vol mystieke en filosofische symbo­ liek. De naam ‘Madjnun’ geeft hem de mogelijk­heid als ‘ra­tio­

Na een succesvolle editie in 2009 zullen Rotterdamse dichters ook in 2010 het spits afbijten van het Poetry International Fes­ tival. Op vrijdagavond 11 juni om 20.00 uur lezen ze onder de noemer Amerika, Amerika een nieuw geschreven ‘Amerika-’ of ‘Rotterdamerika’-gedicht. Met hun gedicht kijken de Rotter­ damse dichters terug op de Holland-Amerikalijn die veel land­ verhuizers vanaf de Wilhelminapier naar het beloofde land in het Westen bracht, en belichten ze andere – persoonlijke – ver­­bindingen met de Verenigde Staten. Alle dichters lezen daar­naast een favoriet gedicht van een Amerikaanse dichter, even­als een selectie uit eigen werk. De Amerikagedichten worden samen met twee andere on­ge­ publiceerde gedichten van al deze dichters gebundeld in de bloemlezing Amerika, Amerika, uitgegeven bij Douane, te­vens organisator en initiatiefnemer van deze avond. Burge­meester Aboutaleb zal het eerste exemplaar van Amerika, Amerika in ont­vangst nemen en bovendien zijn eigen vertalingen van het werk van de dichter Adonis voordragen.

kleine zaal

Ahmed Aboutaleb © Pieter Vandermeer/Tineke de Lange

Deelnemende dichters zijn Jana Beranová, Joop van den Bosch, Ayatollah Musa, Jan Oude­n aar­d en, Peggy Verzett en Rien Vroeginde­weij. Ook Harry Vaan­drager zal lezen, nieuwe ster aan het firmament van de Rotter­damse dichtkunst. Zijn bundel Wat telt is van niets gemaakt verschijnt in juni bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar en zal op deze Rotterdamse poëzieavond ten doop gehouden worden. De presentatie van Amerika, Amerika is in handen van Arie van der Ent en Manuel Kneepkens. Ruud Bergamin en Erwin Beijers­bergen zorgen voor de muziek.

Jana Beranová © Pieter Vandermeer/Tineke de Lange

‘Het gedicht is een bericht’ Uw dichtregel op een vuilniswagen - prijsvraag Rotterdammers kennen ze wel: de dicht­re­gels op de vuilniswagens van Roteb. Poetry International en Roteb zorgen er samen al meer dan twintig jaar voor dat je overal in de stad poëzie tegenkomt: ‘Stil, iemand praat, / ben jij het of ik?’ van de Zweedse dichter Lars Gustafsson bijvoorbeeld. Of ‘Vrouwen trekken lippenstift / en geen revolver’, van Rogi Wieg. In de aanloop naar het 41e Poetry International Fes­tival maakt RTV Rijnmond zes korte filmpjes over de dichtregels. Aan de filmpjes is een prijs­vraag ver­ bonden: kijkers worden uitgedaagd zelf een regel in te sturen. Dat mag een eigen re­gel zijn of een citaat van een andere dich­ter. De winnaar wordt bekend gemaakt tij­dens Amerika, Amerika en is kort daarna te zien op een van de nieuwe vuil­niswagens van de Roteb. De filmpjes en informa­tie over de prijsvraag zijn te vinden op www.rijnmond.nl. links: Geboorte van Madjnun; midden: Madjnun bij Kaäba; rechts: gevecht om Layla uit: Aardse schoonheid: hemelse kunst, red. M.B. Piotrovski & J. Vrieze, Amsterdam: De Nieuwe Kerk Amsterdam, 1999, p. 141

24

Roteb helpt Rotterdammers met afstand tot de ar­beidsmarkt aan een baan en is tevens verantwoor­delijk voor het schoon houden van de stad.

25


De C. Buddingh’-prijs 2010 dinsdag 15 juni, 20.00 uur

kleine zaal

De C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandstalige poëzie, groot 1.200 euro, wordt toegekend aan het beste poëziedebuut van het voorgaande jaar. De prijs is bedoeld als een stimulans voor be­ginnende dichters en biedt hen gelegenheid meer aandacht te genereren voor hun werk. De jury – literatuurwetenschapper Frans Willem Korsten, dichter Marc Kregting en vertaalster Mariolein Sabarte Belacortu – nomineerde de bundels Sterk Zeil van Gert de Jager, Hechtzwaluwen van Elmar Kuiper, De dieren in mij van Delphine Lecompte en Antidata van Nina Werkman. De genomineerde dichters treden op in een speciaal aan de prijs gewijd programma waarin uit­eindelijk ook de winnaar bekend wordt gemaakt. Zij stellen zich kort aan u voor:

Gert de Jager

Gert de Jager (1957)

Elmar Kuiper (1969)

Nina Werkman (1947)

Delphine Lecompte (1978)

‘Goede poëzie biedt de lezer een tijdelijk metafysisch dak bo­ ven het hoofd. Het was de mening van mijn oude literatuur­ professor en ik ben het nog steeds met hem eens. Een film van Tarkovski die ongeveer 45 seconden duurt – dat, op zijn minst, is het gedicht dat ertoe doet. Geen geringe ambitie, maar wel een mooie.’

schrijft in het Fries en in het Nederlands. Hertbyt, zijn Friese debuut, verscheen in 2004. In Kuipers asso­ciatieve gedichten kunnen beelden over elkaar heen tuimelen ‘als speelse honden’. Dieren – paarden, wolven, vogels, koeien, honden – komen veel voor in zijn nuchtere en tegelijk bezielde poëzie.

schrijft in het Gronings en het Nederlands. Er verschenen ge­ dichten van haar in literaire tijdschriften als De Poëziekrant, Liter en Krödde. Met het dichterscollectief WP99 publiceerde ze onder meer Van liefde en koude min. In 2009 ver­schenen zo­ ­­wel Wizzelbörg met gedichten in het Gronings, als de Neder­ land­stalige bundel Antidata.

‘Mijn gedichten in vijftig woorden? Grotesk, magisch, mis­noegd, misantropisch, psychotisch, onheilspellend, wrang. Een po­ging om mijn angsten te bezweren, meer te zijn dan mijn rituelen. Mijn poëzie is mijn grootste kracht en mijn achilles­pees, het is wat mij menselijk en bijzonder maakt. Tegelijk ver­werpelijk en puur. Nooit spaarzaam, vaak overbodig. Hocus pocus: magie en bijgeloof.’

Ach, het aangeraakte

De honden

Massief

Tropische Droom

Ach, de pianist wiens te snelle hand over de te langzame toetsen – het zijn lieflijke modulaties tussen vermogen en onvermogen. Waar moet je het zoeken? In het landschap zoals dat harmonieert met de ruimte die je voor je ziet?

Het is streng verboden de honden aan te raken.

Verlaat je schuilplaats, pantserdier, mijn rots, kijk: wind en weer gaan over. Berg

De honden spreken tot de verbeelding. Dat is hun functie.

je bewapening, ik ben de regen. Ik spoel het stof je bossen uit, ik ga mijn gang langs

Kijk, hoe mooi ze bungelen aan een mechanische arm.

schuinten, voorbij richels, val van je steile wand, slijp naden waar het rimpelt op je

In mijn dromen ben je hulpeloos ik leer je stappen en dan loop je en ontdek je andere vrouwen ze hebben sterkere nagels en soms staan er tropische vogels op getekend en je geniet van deze vrouwen en je smult van hun tropische vogels en hun spraakgebreken.

Waarom strelen hun poten de vloer te zacht, te zacht?

massief. Ik fris je harde standpunt op, ik vreet je basis aan, slijt rijp en groen in

De honden moeten in het hoofd worden afgemaakt.

stukken. Zie mij stromen over wat loskomt aan je voet, zie mij daar spelen in het zand.

Je beweegt je over de oever. Dat schip lijkt even lang of breed als de oever zelf. Je verplaatst je nu in volstrekte parallellie en kijkt uit over het dek dat een landschap is vol zwarte, vruchtbare bergen. Achtergrond voor wasgoed. De oever houdt stil omdat iets wordt opgevaren dat wijd is. Je voelt je aderen gaan, je vingertoppen raken een dukdalf.

Elmar Kuiper

Nina Werkman

Delphine Lecompte

In mijn dromen verlies ik van jou en van het leven in het algemeen alleen op de kermis win ik een gedrochtelijke hond die op een schurftige beer lijkt die veertien eeuwen geleden is uitgestorven en dan ben ik heel veel geld kwijt en dus een gedrochtelijke hond rijker.

Dat is mijn verbeelding.

In mijn dromen woon ik in een gammel tuinhuisje dat ik deel met gedrochtelijke honden sommigen met hartslag, anderen zonder.

Uit: Antidata, Uitgeverij Holland

Mooi sleept een mechanische arm dus een diepere bedoeling voort.

Uit: Sterk Zeil, Uitgeverij De Contrabas Uit: Hechtzwaluwen, Uitgeverij Augustus Uit: De dieren in mij, Uitgeverij De Contrabas

26

27


Poetry International in Antwerpen FelixPoetryFestival: woensdag 16 juni

Sint-Felixpakhuis

De festivaldichters Antonio Gamoneda (Spanje) en Hiromi Ito(Ja­pan) brengen op 16 juni vanuit Rotterdam een bezoek aan het tweedaagse FelixPoetryFestival in Antwerpen. Beide dicht­ers lezen er voor uit hun werk.

VPRO De Avonden maandag 14 juni, 19.00 – 22.00 uur

foyer

De drie uur durende uitzending van VPRO’s De Avonden komt deze avond rechtstreeks vanaf het Poetry Interna­tional Festival. In de foyer van de Rotterdamse Schouw­burg ontvangt Wim Brands dichters, vertalers en andere bijzondere festivalgasten. Publiek is van harte uitgeno­digd. De uitzending is te volgen op Radio 6.

Iedere werkdag in de namiddag en in de vooravond wordt in gesprekken, discussies, interviews en presentaties verdieping ge­ boden op de verschillende festivalprogramma’s en wordt discussiemateriaal aangereikt. Poetry Talks en Poetry in the Afternoon tonen de dichter achter het werk, plaatsen festivalprogramma’s in een bredere context en bieden een kijkje achter de schermen.

Poetry in the Afternoon

Na een succesvol festival in 2009 vinden er ook dit jaar tal van lezingen en optredens van internationale dichters en mu­ sici plaats. Gerrit Komrij maakt er de balans op van de 21e eeuwse poëzie en gastcurator Peter Holvoet-Hanssen no­ digt de Zuid-Afrikaan Charl-Pierre Naudé, Han van der Vegt, Laurence Vieille en Jean Pierre Verheggen uit. Aan het einde van de avond gaat Elvis Peeters op ramkoers met zijn literaire rockgroep De Legende. Op 17 juni opent stiftdichter Dimitri Anthonissen de avond en leest Alfred Schaffer uit zijn be­ jubelde Kooi, waarna stads­dichter Peter Holvoet-Hanssen plaatsneemt achter de draai­tafels. Meer informatie www.antwerpen.be/boek­enstad

Poetry in the Afternoon en Poetry Talks

maandag 14 juni, 16.00 uur

Poetry Talks zondag 13 juni, 19.15 uur

foyer

Singing Reality poëzie en kunst Maria Barnas is curator van het kunstfilmprogramma Singing Reality dat het gehele festival op verschillende plekken in de Rotterdamse Schouwburg te zien is. Barnas laat fragmenten zien en geeft een toelichting op haar keuze. Onder leiding van Jan Baeke spreekt ze met Renske Janssen, curator van het Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst, over de relatie tussen taal en beeldende kunst (zie pagina 40, 41). VPRO De Avonden © Pieter VAndermeer/Tineke de Lange

dinsdag 15 juni, 16.00 uur tuin Café Floor

Afghanistan kunst Rond het 41e Poetry International Festival is Nederland ook in de ban van de vor­ ming van een nieuw kabinet, omdat het vorige kabinet viel over Afghanistan. De politieke situatie die voor de Afghaanse dichter en journalist Kamran Mir Hazar tot kern van zijn bestaan is geworden, treft hiermee ook elke Nederlander. Een oorlog hoeft niet dichtbij te zijn om gevoeld te worden, weten we nu. Hoe houd je je staan­ de als die oorlog wél dichtbij is, als de terreur je op de huid zit? De dichter Kamran Mir Hazar spreekt onder leiding van Tsead Bruinja met Sam Vaseghi – webredacteur van het Iran-domein van Poetry International Web – over de invloed van de terreur op de situatie en ont­wikkeling van kunst en poëzie in Afghanistan. woensdag 16 juni, 16.00 uur

foyer

Literatuurwetenschapper Ihab Saloul over poëzie in de moderne Layla en Madjnunverfilming Habibi Rasak Kharban. Presentatie: Ibrahim Selman (zie pagina 25). donderdag 17 juni, 16.00 uur tuin Café Floor

Poetry International Web – domein Amerika Met Katherine Coles (zie pagina 14). vrijdag 18 juni, 16.00 uur tuin Café Floor

Presentatie Vertaalworkshops

IE ERAT ERS: N E E G HRIJV ! C IEUW DE N ERS EN S S EERSTE BURG T L OUW H A H C C E S I Z HT D SE OET DAM ER UTREC R M E T T T ON KIKK , RO BER ATER OKTO BER, THE ZA 9 O T 3 OK NL ZA 2 MW.

WW

D W.G

Met Joost Zwagerman (zie pagina 8). dinsdag 15 juni, 19.15 uur

Voor dichters van het festival worden twee vertaalworkshops georganiseerd; een gewijd aan de poëzie van Tomas Lieske, de ander aan het werk van de Peruaanse dichter Carlos López Degregori. Gedurende vier festivalochtenden vertalen de deel­ ­­­­nemers werk van deze dichters naar hun eigen taal. Tijdens Poetry in the Afternoon op vrijdag 18 juni worden de resultaten van beide vertaalworkshops gepresenteerd en vertellen de workshopleiders over samenwerking tussen dichters en problemen, dilemma’s en oplossingen die leidden tot de definitieve gedichten.

29

foyer

Interview Antonio Gamoneda Antonio Gamoneda (Spanje) vertelt over zijn werk en leven in een inter­view met Tsead Bruinja. Voertaal: Nederlands. woensdag 16 juni, 19.15 uur

foyer

Interview Hasso Krull Hasso Krull (Estland) geeft in een interview met Tsead Bruinja inzicht in zijn werk. Voer­ taal: Engels. donderdag 17 juni, 19.00 uur

foyer

A Mythology reflects its region De ontvangst van Wallace Stevens in de lage landen (zie pag­ina 15). vrijdag 18 juni, 19.15 uur

‘Schat, er is iets mis met je hoofd’

foyer

John Updike: vertalingen van zijn poëzie en verhalen

– Interview Hiromi Ito

foyer

Hiromi Ito- (Japan) wordt geïnterviewd over haar werk door Yasuhiro Yotsumoto, dichter en re­d ac­t eur van het Japanse domein van het Poetry International Web. Voertaal: Engels.


Tomas Lieske – Nederland dinsdag 15 juni, 21.30 uur

grote zaal

Zie je veel overeenkomsten tussen poëzie en proza? Het zijn allebei taalkunstwerken en dat is eigenlijk de be­langrijkste overeenkomst. Voor mijn gevoel sluiten ze elkaar in ze­ ker opzicht uit. Tijdens de twee, drie jaar dat ik schrijf aan een roman lukt het me nooit een gedicht te schrijven. Dat zit elkaar dan kennelijk in de weg. In een roman gaat het verhaal met je op de loop, in een gedicht gaat de taal met je op de loop. Je favoriete roman is Het boek der herinneringen van Peter Nadas. Waarom? De volstrekte mengvorm tussen de historie (jaren vijftig, de dood van Stalin, de Hongaarse opstand) en de persoonlijke thema’s, de raadselachtigheid van het uitsplitsen van het ik-personage: soms komt het boek heel dicht bij mijn eigen werk. Hoe dan ook: het is een van die fascinerende werken van de literatuur waar je al lezend een nieuwe wereld in getrokken wordt. Het merkwaardige van favoriete romans is overigens dat het maar voor een beperkte tijd lijkt te gelden. Een paar jaar geleden had ik een heel andere roman genoemd en nu realiseer ik mij dat ik al vrij lang niet meer in Nadas gelezen heb.

uit het verleden moest geven. Ik zit nu anderhalf jaar in Parijs en ik heb bij me: Ovidius, Kouwenaar en Kavafis. Ovidius had wel iets met de roman te maken waar ik hier aan schreef, maar niet heel erg veel. Kavafis en Kouwenaar in elk geval niet. Die nam ik mee om ’s avonds laat als ik uitgeschreven was en naar bed wilde gaan, nog even iets anders te kunnen lezen.

Je schrijft ook proza. Gebruik je vaak dezelfde thematiek in proza en poëzie? Eigenlijk gebruik ik helemaal geen thematiek. Dat wordt ach­ teraf door anderen geconstateerd. Soms zie ik wel dat dezelfde onderwerpen terugkomen maar waar in proza alle taal ten dienste moet staan van het verhaal, gaat in poëzie de taal een eigen leven leiden. Dat houdt in dat je in een roman zo duidelijk mogelijk een verhaal probeert te vertellen en dat sommige onderwerpen, hoe persoonlijk of hoe geliefd ook, omwille van de verhaalconstructie er helaas niet inkomen. Je bent dus nooit helemaal meester over je eigen onderwerpen. Bij poëzie worden soms taalsprongen gemaakt die bevredigend zijn, die ik om allerlei redenen wil handhaven, maar waarvan de exacte bete­ kenis mij ook niet altijd even helder is. Dat is ook een reden om liever niet te spreken over mijn eigen thematiek in proza of in poë­zie. Ik probeer het in de hand te houden maar soms ont­snapt de taal me op een uiterst aangename, bijna erotische manier.

Herinner je je hoe dit gedicht is ontstaan? Alle gedichten in die laatste bundel zijn ontstaan in een periode dat ik vaak op bed lag, genezend van een aantal zware hartaan­ vallen. Ik schreef regels op het behang en had vaak om een uur of elf, als ik opstond al een gedicht klaar. Mijn geheugen was door de comateuze periode behoorlijk aangetast en kwam pas langzaam weer terug. Hoe de gedichten zelf ontstaan zijn, her­ inner ik me niet. Als je daar überhaupt iets over zou kunnen zeggen. De bundel waarin dit gedicht verscheen, is uit 2006; de roman Dünya is uit 2007. Ongetwijfeld hield ik me toen ik dit gedicht schreef bezig met het onderwerp van de roman. Dünya gaat over een dochter die door twee zwervende krijgsgevangenen is gestolen en die als hun eigen kind wordt opgevoed.

Welke dichters lees je graag? Dat zou een lange lijst worden als ik ook de dichtervoorkeuren

© Leo van der Noort

Dochter …..

Je voeten hebben mijn druiven geplet, je handen mijn deeg gekneed tot ik geen adem meer kon halen.

Bedenk hoeveel letters leegte vullen

Je hebt brood van mij gebakken, dat ik in de ochtend rook maar dat snel verdroogde. Jij hebt mij leeggeschonken

om honger te stillen, treurnis te villen,

Je hebt je sigaretten in mijn mond gedoofd, je gesprekken op mijn huid geschreven, je glimlach mijn oogbol in geperst.

verlangen te verlengen.

Je hebt mij uitgekleed en je hebt je in mij neergelegd, je koude voeten hebben mijn ingewand

Soms verstoppen ze de achterkant

kapot getrappeld. Je hebt mijn duim in je mond genomen, je hebt mijn botten afgekloven. Wat rest:

van hun tong, de doerakken!

de vrede waarin je sliep, die ik gestolen heb; de filmrol van je kindertijd, die ik gesloten heb.

……………………………

Weerloos ben ik. (fragment)

‘09 /10

Jana Beranová

WWW.STADSDICHTER.ROTTERDAM.NL

30

31


Het juiste woord woensdag 16 juni, 20.00 uur

Dichters in Verborgen Tuinen

kleine zaal

Drie vertalers houden een korte lezing over een ge­ dicht dat ze voor het festival ver­t aalden. Hierin be­ spreken ze tegen welke vertaalproblemen ze opliepen en hoe ze deze vervolgens hebben opgelost. De Nederlandse dichter Jan-Willem Anker en de Farsi-deskundige Johnny Cheung spreken over hun sa­menwerking bij de vertalingen van de Afghaanse dicht­er Kam­ran Mir Hazar. Marianne Molenaar vertaalt voornamelijk proza, maar voor dit festival vertaalde ze ook gedichten van Jon Fosse (Noorwegen). Daar­ voor werkte ze samen met dichter Erik Menkveld. Samen vertellen ze hoe de vertaling van de gedichten tot stand kwam. Rob Schouten vertaalde de poëzie van de Amerikaan C.K. Williams en licht toe waar de vertaalproblemen zaten. Presentatie: Tsead Bruinja

Op zaterdag 12 en zondag 13 juni viert Verborgen Tuinen Rotterdam haar tienjarig bestaan. Vele Rotterdammers zetten hun tuinen — in juni vol in bloei — open zodat u kunt genieten van al het moois dat anders ver­­borgen ligt achter schuttingen en heggen. Bezoek de tuinen in ver­ schil­lende wijken en ontdek een onbekende en verrassende kant van Rotter­dam. Op zondag 13 juni vindt u er bovendien dichters van het 41e Poetry International Festival. Zij dragen in de volgende tuinen hun poëzie voor: 11.00 – 11.15 uur in de Jacobustuin tuin nr. 50 12.00 – 12.15 uur in de tuin van Museum Boijmans Van Beuningen tuin nr. 53 13.00 – 13.15 uur in de tuin van de Zweedse Kerk, Parklaan 5 tuin nr. 54

Nieuw op Poetry International Web: Indonesië

Informatie: www.verborgentuinen.nl

curator aan de Komunitas Salihara en verder heb ik gedurende de afgelopen zeven jaar gewerkt als redacteur poë­zie van de zondageditie van Kompas, een groot Indonesisch dagblad; het blad biedt in de kunst- en literatuurbijlage een halve pagina ruimte voor poëzie en ik maak de selecties uit de inzendingen. Het redigeren van het Indonesische domein van het Poetry In­ternational Web be­tekent een eer en een uitdaging voor me. Ik heb niet alleen te maken met de precaire en moeilijke opgave om de Indonesische poëzie te ‘presenteren’ – er zijn altijd ver­ schillende keuzes mo­gelijk, afhankelijk van de overwegingen die je voorrang geeft – maar ook met het probleem van de be­ schikbare vertalingen. Helaas vormt de schaar­ste aan vertalers van Indonesische poëzie een voortdurende belemmering voor de presentatie van Indo­nesische literatuur aan een wereldwijd publiek. Zeker, er be­staan Engelse vertalingen van Indonesische gedichten, gemaakt door een handjevol Indonesische of bui­ tenlandse vertalers, maar dat zijn er nog steeds maar betrekkelijk weinig. Ik zal dus zoveel ik kan gebruikmaken van bestaande vertalingen; daarnaast verstrek ik opdrachten voor nieuwe.

Poetry International Web The wealth of a poetry festival at your fingertips Hasif Amini © Pieter Vandermeer/Tineke de Lange

Poetry International collaborates with partners worldwide to bring you Poetry International Web (PIW), a twice-monthly web magazine of poets and poetry worldwide. PIW features news, articles and interviews, but first and foremost, it showcases an extensive collection of poems by acclaimed modern poets from all over the world, both in the original language and in English translation. With an archive of text, photos, audio recordings and videos, PIW offers the diversity and richness of a poetry festival, at your fingertips, day after day. Rotterdam

Visit the site, take a guided tour through the archives and subscribe to newsletters and weekly poems at:

De Indonesische poëzie heeft sinds ze in het begin van de twintigste eeuw tot ontwikkeling kwam een bestaan in de marge ge­­leid. In eigen land is ze een obscure, elitaire en geïso­ leerde niche. En haar bestaan in de wereld als geheel is al even marginaal; er is amper sprake van publicaties van Indonesische poëzie buiten het land en het komt maar heel weinig voor dat Indonesische dichters deelnemen aan interna­tio­­nale literaire evenementen. Nieuws over de Indonesische poëzie, of dat nu goed of slecht is, dringt dus maar zelden tot de wereld door. Het nieuwe Indonesische domein op het Poetry International Web is dan ook goed nieuws. Het presenteren van Indonesische poëzie op een wereldwijd podium, naast de poëzie van al die andere meer ervaren domeinen, zal ongetwijfeld bijdragen aan het vergroten van het lezerspubliek van de relatief on­bekende poë­zie van Indonesië.

Wat de selectie van de gepresenteerde dichters betreft: chro­ nologie alleen kan geen uitgangspunt zijn voor de pu­blicaties. Een keuze op die basis is effectief noch inte­ressant. En dus heb ik gekozen zoals ik zou kiezen uit een dinermenu – gang na gang en met gevoel voor afwisseling en contrast – voor een aan­­tal zeer vitale en verrukkelijke porties Indonesische poëzie. De eerste publicatie, daterend van maart 2010, omvatte werk van Sapardi Djoko Damono en Goenawan Mohamad en introduceerde zo de grootste levende invloeden in de heden­ daagse Indonesische poëzie. In toekomstige publi­caties zullen Indonesische dichters die verschillende stijlen hanteren en aan de hand van uiteenlopende thema’s werken de pagina’s van het domein beurtelings vullen. Dit poëtische banket zal, naar wij hopen, nog vele jaren duren.

Ik begon mijn werk op literair terrein bij de Komunitas Utan Kayu, een cultu­reel centrum dat in 1997 in Djakarta werd ge­ vestigd. Eén van onze vaste acti­vi­teiten is de organisatie van de Utan Kayu Literaire Biënnale, een tweejaarlijks internatio­ naal literair festival. Aan de vijfde Biënnale, vorig jaar, namen drieën­dertig schrijvers uit acht landen deel en het was de eerste die geho­uden werd op onze nieuwe plek van samenkomst, de Komunitas Salihara. Ik ben tegenwoordig werk­zaam als literair

Hasif Amini http://indonesia.poetryinternationalweb.org Vertaling: Jabik Veenbaas

www.poetryinternational.org 33


Het leven (z)onder het vernis Door Mischa Andriessen

Ooit werd Edgar Lee Masters (1868-1950) beschouwd als de belangrijkste Ameri­kaanse dichter. Nu is hij een goeddeels vergeten schrijver die wat er rest van zijn naam en faam dankt aan de publicatie van één bundel: Spoon River Anthology. Masters schreef meer dan vijftig boeken, publiceerde gedichtenbundels, toneelstukken en romans, maar ook non-fictiewerk zoals biografieën van Abraham Lincoln en Mark Twain en een autobiografie die in de titel verwijst naar zijn grootste succes: Across Spoon River. Al tijdens zijn leven zag Masters zijn roem verweren en vergaan. De laatste jaren van zijn leven bracht hij door in het beruchte Chelsea Hotel in New York waar later schrijvers als Allen Ginsberg, Gregory Corso en Dylan Thomas verbleven en waar Sex Pistols’ bassist Sid Vicious zijn vriendin Nancy Spungen vermoordde. Edgar Lee Masters overleed op 5 maart 1950 in Melrose Park, Pennsyl­vania, nagenoeg anoniem. Vergetelheid wacht veel schrijvers en dus is het op zich niet opmerkelijk dat de door predestinatie geobsedeerde Masters datzelfde lot toeviel. Opvallender is de verdeeld­heid die Edgar Lee Masters met de publicatie van de eerste gedichten uit Spoon River Anthology (1914-15) bij critici zaaide. Zijn experiment met een prozaïsch soort poëzie ging menigeen te ver, anderen juist niet ver genoeg. In een aantal van de vele be­sprekingen die de anthologie ten deel vielen, vroeg de recensent zich af of wat Masters schreef nog wel poëzie mocht heten.

Spoon River

De bundel Spoon River Anthology bevat tweehonderdveertien grafdichten. Bondige gedichten die voor een daadwerkelijk epitaaf op een grafzerk wel wat lang zijn, maar die overrompelen door hun compactheid en zeggingskracht.

Amanda Barker

White eveneens van Sherwood Anderson en Main Street van Synclair Lewis bijvoorbeeld, maar ook Birth van Zona Gale en Moon Calf van Floyd Dell, beide nu vergeten auteurs. Datzelfde lot viel ten deel aan Clarence Darrow, een collega-advocaat van Masters die met zijn roman Farmington uit 1904 op Masters’ meesterwerk preludeerde.

‘Tenslotte heeft Amerika een dichter ontdekt. […] Nu eindelijk heeft het Amerikaanse westen een dichter voortgebracht […] die in staat is om op een directe manier met het leven om te gaan, zonder er om heen te draaien, zonder klinkende, be­ tekenisloze zinnen. Klaar om te zeggen wat hij te zeggen heeft en te zwijgen wanneer hij het heeft gezegd.’

Spoon River Anthology werd bij verschijning herhaaldelijk op vinnige kritiek onthaald. Met zijn openhartige en a-lyrische stijl betoonde Masters zich in zekere zin een erfgenaam van Walt Whitman. Dat veel van Masters’ gedichten expliciet over seks en geweld gingen viel bij veel tijdgenoten echter geenszins in goede aarde. Zijn maatschappijkritiek en de manier waarop hij het ophouden van de schone schijn door de dorpelingen fileerde, zette eveneens bij menigeen kwaad bloed.

Masters effende met zijn bundel de weg voor een nieuwe generatie Amerikaanse dichters. Zijn directe, onmaniëristische stijl werd een nieuwe standaard, Spoon River Anthology de succesvolste poëzie sinds Longfellows Hiawatha. Dat succes was van korte duur. In 1924 publiceerde Masters een vervolg: The New Spoon River. Toen was de maatschappijkritische li­ teratuur al weer op zijn retour en er waren schrijvers zoals T.S. Eliot, William Carlos Williams en Masters’ vroege bewonderaar Pound, die zijn vormexperiment met meer verve hadden voortgezet. Masters had met zijn werk een vernieuwende im­ puls gegeven, maar werd ook vrijwel meteen voorbijgestreefd. Spoon River Anthology is niettemin nog altijd een bijzonder en invloedrijk werk.

Deken Taylor Ik was lid van de kerk En van de partij der droogleggers; En in het dorp dachten ze dat ik stierf door het eten van [watermeloen. In werkelijkheid had ik een levercirrose, Want elke middag dertig jaar lang, Glipte ik achter de toog In de apotheek van Trainor En nam een flinke slok Uit de fles met het etiket ‘Spiritus frumenti’.

Vertalingen: Edgar Lee Masters: Spoon River Anthologie. Uitgeverij P, Leuven, 2007/ Elvis Peeters Foto: Pieter Vandemeer / Tineke de Lange

De kritiek op Masters’ gedichten beperkte zich echter niet tot de inhoud. Zeker zoveel commentaar leverde de vorm op waarin hij zijn gedichten had gegoten. Sommige critici vond­­en de toon onpersoonlijk, Masters’ taal; kaal en vlak. Velen hadden moeite met het onpoëtische uiterlijk van de gedichten, die geen strofen en evenmin witregels kenden. De regellengte was ongelijk en leek volstrekt willekeurig. Metrum en rijm ontbraken en woordkeus was vaak alledaags:

Henry maakte mij zwanger, Hoewel hij wist dat ik nooit leven kon baren Zonder het mijne te verliezen. Daarom ging ik al jong de poorten van de aarde binnen. Voorbijganger, in het dorp waar ik leefde wordt geloofd Dat Henry met echtelijke liefde van me hield, Maar ik verklaar vanuit de grond Dat hij mij doodde om zijn haat te koelen.

Ik hoorde een kind huilen En het kuchen van John Yarnell, Bedlegerig, koortsig, koortsig, stervend, Dan de stuurse stem van mijn vrouw: ‘Pas op, de aardappelen branden aan!’

Met Spoon River creëerde Masters een mythisch stadje in de Amerikaanse Mid­ west. Via hun grafschriften spreken de doden van Spoon River en menig graftekst blijkt een biecht waarmee de heersende, hypocriete moraal van het stadje aan de kaak wordt gesteld. Daarmee sloot Masters naadloos aan bij de tijdgeest. Vier jaar na Spoon River Anthology publiceerde Sherwoord Anderson zijn beroemde verhalen­ boek Winesburg, Ohio, in thematiek nauw verwant aan Masters’ baanbrekende gedichtenbundel. Omstreeks dezelfde tijd verschenen er meer boeken die het leven in een kleine stad in het middenwesten van de Verenigde Staten belichtten. Poor

Om exact dezelfde reden waarom Spoon River Anthology door veel critici werd afgedaan als vormeloze of zelfs smakeloze poëzie, werd het boek door anderen binnengehaald als voor­ bode van een nieuw soort literatuur. Een van degenen die deze poëzie met enthousiasme ontving was de schrijver Ezra Pound. Zijn oordeel stelde Pound weliswaar niet veel later in negatieve zin bij, de recensie die hij in 1915 in het Londense periodiek Egoist schreef, was er echter vergeven van superlatieven:

Poëzietheater Alle dagen m.u.v. woensdag

Tijdens het festival brengen acteurs van de ArTEez Hogeschool voor de Kunsten Arnhem Edgar Lee Masters’ personages tot leven. Regisseur Peter Sonneveld, artistiek leider van Bonheur Thea­terbedrijf Rotterdam, selecteerde en koppelde de stem­ men van diverse karakters en smeedde ze aaneen. Acteurs voeren het publiek één op één mee naar het schemerige Ameri­kaanse stadje Spoon River, waar vele verhalen onverteld bleven.

(Uit: ‘Harold Arnett’)

Omslag

34

foyer

Met: Roy Baltus, Michaël Bloos, Tirza de Boer, Eva van Gessel, Willemijn Haasken, Gonca Karasu, Elise van ’t Laar, Lowie van Oers, Floor Rolf, Leander de Rooij en Dylan Smith.

35


Eugenijus Ališanka

– Litouwen

maandag 14 juni, 21.30 uur kleine zaal Boekpresentatie om 21.00 uur foyer

Zie je veel overeenkomsten tussen poëzie en proza? Volgens mij hebben die twee niet veel gemeenschappelijks. In het geval van poëzie gaat het om aandacht voor woorden, frasen, zin­nen, dat wil zeggen voor de taal zelf. Poëzie en proza zijn aan dezelfde mythologische bronnen ontsprongen, maar hebben ver­ volg­ens elk hun eigen regels ontdekt, zodat ze uit elkaar ge­­groeid zijn. Toch zijn er ook altijd schrijvers geweest die vanuit het ene territorium uitstapjes hebben gemaakt naar het andere. In onze postmodernistische tijden vervaagt de grens tussen de gen­res steeds meer. Ik denk dat vooral poëzie zich hierdoor ver­­rijkt heeft, omdat poëzie het meest aan proza ‘ontleent’. De laat­ste tijd werd poëzie opgeschrikt door een instrument dat eigen­lijk ty­pisch voor proza is – narratieve passages. Hiermee wil de poë­zie haar toch al rijke arsenaal taalinstrumenten nog ver­rijken. Ook ik heb in deze stijl verschillende ‘geschiedenissen’ geschreven. Je favoriete roman is Rayuela: een hinkelspel van Julio Cortázar. Waarom? Eén van de redenen is waarschijnlijk dat ik dit boek las toen ik nog jong was, in de tijd dat indrukken zich nog diep in de harde schijf van mijn geheugen griften. Het was één van de zeldzame boeken die deel ging uitmaken van de eigenzinnige bijbel van heel mijn generatie. Tijdens de sombere jaren van de Sovjet-bezetting ‘drongen’ niet veel boeken van dat niveau door het IJ­zeren Gordijn. Ik herkende er mijn eigen leven in, en meer bepaald

de verschillende opties die ik had. Opstandige ge­dachten koes­ teren achter een altijd netjes geschoren gezicht – of kon ik ho­ pen op meer? Wat voor mij ook belangrijk was is dat het boek – zo leek het mij tenminste – geschreven was als een gedicht, met passages die op verschillende manieren kunnen worden gelezen.

veel vertalingen waren. Maar deze auteurs hebben mij geholpen om als dichter te rijpen. Later heeft T.S. Eliot veel indruk op mij gemaakt en tien jaar geleden ontdekte ik Zbigniew Herbert, een dichter die heel nauw bij mijn poëtische visie aansluit. Ook zijn poëtisch proza sprak mij erg aan. Een deel van zijn werk heb ik trouwens vertaald. Ook enkele Litouwse schrijvers be­horen tot mijn favorieten en hebben mij veel ge­ eerd: Marcel­ijus Martinaitis, Tomas Venclova, Alfonsas NykaNiliūnas, Vytau­tas P. Bložė. Daarnaast zijn er jongere auteurs waarvan ik hou en die ik als mijn ‘reisgezellen’ be­schouw. Ik denk bij­voorbeeld aan Jacek Podsiadło, Marcin Świetlicki, Gintaras Grajauskas, Sigitas Parulskis, Donatas Petrošius.

Schrijf je ook proza? Helaas schrijf ik geen proza, daarvoor ben ik te lui. Ook op school hield ik niet van lange-afstandrennen. Ik probeer be­ langrijke dingen in korte flitsen te verwoorden, want zo leef ik ook, ik verzamel ‘flitsen’, om het met een term van de semioti­ cus Algirdas Julius Greimas te zeggen, ik interesseer mij voor het leven als esthésis, zoals hij dat noemt, het samengaan van liefde en dood, of de fusie tussen object en subject. In mijn es­ says schrijf ik soms ook over deze thema’s, maar ze zijn niet op een prozaïsche manier ‘uitgeschreven’, afgewerkt, zodat er ruim­ te blijft voor verschillende interpretaties. Als ik een roman zou schrijven, zou ik iets willen schrijven als Rayuela: een hinkel­­ spel, een zelfde soort esthésis van literair spel

Herinner je je hoe dit gedicht is ontstaan? Dat gedicht heeft inderdaad een interessante voorgeschiedenis. Enkele jaren geleden werd ik uitgenodigd om deel te nemen aan een literaire discussie in Moskou. Daarvoor moest ik ook een essay schrijven over Litouwse literatuur, maar de orga­nisatoren vroegen om het niet te lang te maken, niet meer dan vijftien versregels... Dus kon ik niet anders dan zo’n essay schrij­ven. Precies vijftien versregels.

Welke dichters lees je graag? Dichters zijn als mensen: met sommigen ben je langer bevriend dan met anderen. In mijn jeugdjaren waren Rilke, Trakl en Celan mijn goden. Misschien was dat ook wel omdat er niet

© Vladas Braziunas

Essay over de Litouwse literatuur

Hovo Zomeracademie 2010 Hovo Rotterdam

Periode 7 juni – 15 juli

verkent de grenzen van de literatuur informeert over nieuwe trends binnen proza en poëzie

Colleges Hovo Zomeracademie

• Marcel Möring • Byzantijnse geschiedenis en cultuur • Dutch Design • Kunststad Berlijn • Multatuli, de veelzijdige • Opera Le Nozze di Figaro + voorstelling • Hoe denkt een dokter? • Hemelse en aardse liefde En nog veel meer…

Nieuw: Hovo Kinder- en Jongerenuniversiteit Voor kinderen/jongeren en 50+ Samen in de collegebanken: Hoe ver kun je tellen; Piraterij en Kaapvaart; Wayang-poppen (7-12 jaar, 50+) en Onwaarschijnlijk onderzoek (17-25 jaar, 50+)

Ga naar www.passionatemagazine.nl en bestel een jaarabonnement voor € 35. U ontvangt de dvd EXITing (ter waarde van € 20) over schrijver en dichter C.B. Vaandrager gratis.

het kost me alsmaar meer moeite om te antwoorden op de vraag waarom ik schrijf soms lijkt het: om te schrijven soms zie ik het licht ik heb alsmaar minder belangstelling voor poëzie (laat staan proza) soms lijkt het: ik lees om te vergeten soms lijkt het: ik sta boven dat ongebreidelde woordspel steeds vaker forceer ik mezelf om onder litouwse dichters te komen soms zijn ze hartelijk en gekweld als russische poëzie soms zijn ze dronken en agressief als rap soms zijn ze afwezig net als ik alsmaar bescheidener denk ik over de litouwse poëzie soms herinner ik me maar enkele namen: vytautas alfonsas sigitas soms zeg ik: ze kan ons kunst leren maar niet het leven soms vraag ik me af: denkt ze wel na over het leven als een celan soms zwijg ik: zo’n onvermogen zal nog onheil brengen

Vertaling: Jo Govaerts

Korte cursussen en colleges voor 50+ aan de Erasmus Universiteit. 1 tot 4 ochtenden of middagen. Ook in het najaar 40 hoorcolleges of cursussen

36

Vraag de (zomer)gids aan of schrijf direct in via www.hovorotterdam.nl, tel. 010-4082465. E-mail info@hovorotterdam.nl

37


Op uitnodiging van Poetry International stelde Maria Barnas het kunstfilmprogramma Singing Reality samen. Het is het gehele festival op verschillende plekken in de Rotterdamse Schouwburg te zien is. Op maandag 14 juni om 16.00 uur laat Barnas frag­ menten zien en geeft ze een toelichting op haar keuze. Onder leiding van Jan Baeke spreekt ze met Renske Janssen, curator  van het Witte de With Centrum voor Hedendaagse Kunst, over de relatie tussen taal en (beeldende) kunst.

Ik heb bij het publiceren van het gedicht niet ge­ twijfeld of ik het beeld zomaar mocht lenen. Het werk is iets wat ik heb meegemaakt. Het is meer dan een kunstwerk, deel van de werkelijk­heid en van mijzelf geworden. Minder agressief maar niet minder ingrijpend, is een werk van Bojan Sarcevic dat ik enkele ja­­ren ge­ leden zag. Het was in een periode waar­in ik veel na­­dacht over wat ik zou moeten maken. Ik twijfelde al aan ideeën voordat ik ze had uit­geprobeerd. Ik zag kunstwerken misluk­ken voor­dat ik ze had ge­ maakt. Ondertussen kwam er niet veel uit mijn handen.

Singing Reality Door Maria Barnas

Imagination is not, as its etymology would suggest, the faculty of forming images of reality; it is rather the faculty of forming images which go beyond reality, which sing reality Gaston Bachelard , On Poetic Imagination and Reverie (1987) Er zijn films die ik onthoud als een verhaal en er zijn boeken waaraan ik terugdenk als aan een film. Er zijn kunstwerken die ik me herinner als een gelaagd gedicht. En er zijn gedichten waar­aan ik denk als aan een korte film. Werk dat boven zijn eigen genre uitstijgt, be­hoort tot het soort kunst dat ik het lief­ ste zie en lees. Ik vermoed dat deze werken niet ontstaan zijn omdat de kunstenaar meende ‘grensover­schrijdend’ te moet­en

Een kunstwerk dat het in mij deed stormen, is een installatie van Mike Nelson, To the memory of H.P. Lovecraft (1999). H.P. Lovecraft (1890–1937) was een Amerikaanse schrijver van hor­ror, fantasy en science fiction. Zijn duistere ver­tellingen zouden zich in de ruimte van Nelson hebben kunnen afspelen. Nelson toont een kamer met gaten in de muur en woeste kras­ sen op de wand. Het geweld dat deze ruimte heeft geteisterd, werkt als plotseling licht in een donkere ruimte; je ogen moet­ en zich aanpassen. Het duurt even tot je je realiseert wat hier moet hebben plaatsgevonden. Hele hoeken van de kamer zijn weg gehouwen. Tot op ongeveer anderhalve meter hoogte heeft een beest zijn klauwen uitgeslagen om uit deze kamer te ont­ snappen. De hoogste krassen vorm­en een horizon in de ruimte. Hoger reikten de klauwen niet. Je ziet en voelt het beest in deze lijn die de grootte en hoogte van het beest schetst.

stills The Girl Chewing Gum © John Smith

In de film van Sarcevic is te zien hoe iemand au­to rijdt door een stad. De ramen zijn besla­gen. De bestuurder trekt met een wijsvinger de con­touren van gebouwen na, die op het raam ver­schijnen. De auto rijdt ondertussen alweer ver­der. Een netwerk van verticale en horizontale lijnen ontwikkelt zich. Er wordt steeds meer zichtbaar van de stad door de vingerdikke lijnen die de kunstenaar trekt op het raam. Tegelijk­ertijd wordt duidelijk dat de tekening als regi­stratie faalt, en zichzelf hoe langer hoe meer

Tot slot een herinnering aan een film van Marcel Broodthaers: La pluie (Projet pour un texte). De kunstenaar zit in de stromen­ de regen aan een klein tafeltje te schrijven met inkt op papier. De letters die hij schrijft, worden weggewassen door de hoos­ bui. De man raakt doorweekt. Hij schrijft rustig door. Het deert hem niet dat zijn woorden de eeuwigheid niet halen. Wat hij schrijft, bestaat. Hij bezingt – net als de kunstenaars die ik wil presenteren – de werkelijkheid. Ze doen de werkelijkheid zingen.

Nu gaan we fantasie gebruiken. Het geeft een mooi effect. The Memory of H.P. Lovecraft, Mike Nelson

We geven elkaar enkele ideeën zoals een beest dat in de kamer een lambrisering slaat van krassen. Razernij een rechte lijn zo hoog als de klauwen reiken. We kunnen er helaas niet van afwijken. Still La Pluie (Project pour un texte) © Marcel Broodthaers

38

Voor het 41e Poetry International Festival stel ik een program­ma samen van kun­ste­ naarsfilms die – net als het werk van Nelson en Sarcevic – mijn gedachten hebben op­ geschud. Het zijn kunstwerken die bo­ven hun eigen genre uitstijgen. Ze hebben de kracht van een gedicht dat keer op keer her­lezen kan worden en dat steeds een nieuwe laag kan prijsgeven. Een voorbeeld van zo’n film is The Girl Chewing Gum uit 1976 van John Smith. Te zien is een Lon­ dens straatbeeld. Een meisje steekt de straat over, een kar komt in beeld. Ondertussen is een mannenstem te horen die de boel lijkt te dirigeren: ‘Slowly move the trailer to the left... and I want the little girl to run across... NOW. Hold that trailer there. Now move the trailer on. Right. Now I want the old man with white hair and glas­ ses to cross the road. Come on, quickly!’ Langzaam maar zeker blijkt dat de regis­ seurs­stem pas later aan dit straattafereel is toege­voegd. Er gebeurt niets opzienba­ rends. Mensen steken over, er komt een tram voorbij. Maar de maker van deze film verheft zich tot regisseur van de werke­lijkheid. Het is geestig om de oude man met het witte haar zijn pas te zien ver­snel­len als op commando. En schrijnend, wan­neer je je realiseert dat de werkelijkheid aan ons ont­glipt waar we bij staan. De quasi-regis­ seur belichaamt het vergeefse ver­lang­en hier grip op te krijgen.

Als een aanhoudende, hoog gezongen noot die kippenvel be­ zorgt, snijdt deze lijn door je heen. Ik blijf me erover verbijsteren dat een aanval van razernij zulke scherpte kan bewerkstelligen. Ik gebruikte het beeld in het gedicht ‘Neem een thema om het geheel levendiger te maken’ om de beheersdrift van het Nederlandse cultuurbeleid en de politiek te illustreren:

zijn, maar vanuit een verlangen de gedachten op te schudden als een verenkussen. Het kussen wordt je om de oren geslagen, de sloop scheurt en de veren dwarrelen als sneeuw om je heen. Later twijfel je of je de sneeuw hebt gezien in de bioscoop of dat je erover hebt gelezen. Of heb je er met je voeten in gestaan? Feit is dat het er he­lemaal niet meer toe doet. Die sneeuw blijft ja­gen in je hoofd.

in de weg staat. Het is desondanks een prach­­tige te­kening, juist met alle ‘mis­luk­ king’ die hij in zich draagt, een voor­tdurend falen waardoor hij ontstaat.

39


Poëzie op het scherm maandag 14 juni, 19.30 - 21.00 uur

Krijn Boon Studio

In het interdisciplinaire project Poëzie op het scherm onder­ zoeken dichters, vormgevers en kunstenaars wat samen­ werking in de nieuwe media voor hun werk kan betekenen en hoe taal, beeld, geluid en beweging elkaar kunnen ver­ ster­k­en. Bijzonder aspect is de gelijkwaardige samen­wer­k­ing tussen dichters en vormgevers op het gebied van nieu­ we media. Allebei treden ze als uitvoerend kunstenaars op. Op deze avond presenteren de koppels K. Michel - Dirk Vis, Els Moors - Hilde en Janna Meeus, Leonieke Rammelt - Cheryl Gallaway, Mustafa Stitou - Jan Pieter van der Laar, Nick Swarth - Jeroen de Leijer en Henk van der Waal - Jaap de Jonge zes nieuwe innovatieve Nederlandstalige di­gi­tale ge­dichten. In interviews lichten de makers hun sa­men­werk­ ing toe. De nieuwe digitale gedichten zijn gedurende het hele fes­ tival nog te zien in het Digital Poetry Lab in de kleine zaal en zijn daarnaast te bekijken op www.digidicht.nl, het Ne­ der­landstalige virtuele platform voor digi­tale gedichten. Een selectie wordt toegevoegd aan het Poe­try International Web. Poëzie op het scherm is een samen­werking van het Neder­ lands Letterenfonds en het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst.

Bits of Poetry Digital Poetry Lab gehele week

kleine zaal (rondom de programma’s)

In het Poetry Lab in de kleine zaal kunt u zelf digitale ge­ dichten lezen, maken en bekijken. Naast de digitale poë­zie uit Poëzie op het scherm vindt u er bewegende, inter­ac­tie­ ve en auditieve gedichten van diverse Nederlandse en inter­nationale kunstenaars en kunstfilms uit Singing Reality (Zie pagina 40, 41).

een live-hoorspel door Ursula Andkjær Olsen & de WORMRADIO-crew Henk Bakker, Nina Hitz en Lukas Simonis maandag 14 juni, 21.30 uur

Het Rotterdamse WORM is kunstenaarscollectief, podium, filmzaal, internetplatform, medialab, audio- en filmwerkplaats en winkel in één. Geboren onder de sterren van punk, dada, fluxus, situationisme en futurisme is het uitgegroeid tot een dwarse organisatie die een Do-It-Yourself-mentaliteit com­ bi­­neert met ultra-pragmatisme en een goede boekhoud­ing. Het resultaat: film, radio, concerten, performances, webprojecten, installaties, een opeenhoping van tactiele media en een 24/7 webstation. WORM focust zich op Open­Sour­ ce, hergebruik, SuperUse, seriousness en fun. Sinds vijf jaar maakt en curateert WORM hoorspelen. De wortels liggen in 2001 bij het Grindpad Naar Las Palmas, een drie uur durend live-spektakel gemaakt voor radio 4 / Supplement. Na de overname van de elektronische geluids­ studio en werkplaats CEM (Contactorgaan Elektronische Muziek) konden ze er bij WORM niet langer omheen: Tus­ sen het Stockhauseriaanse Hörspil en het piepende deur­en­/grindpad/fiktieve Doorsneehoorspel, daar moest het gebeuren.

Krijn Boon Studio

Ursula Andkjær Olsen over GARDENSENSIBILITIES IN TUIN EN HEL is DE NAAM de naam van de identiteit en van de autonomie van het individu. IN TUIN EN HEL WORDEN NAMEN GEGEVEN ONTVANGEN EN VERLOREN worden identiteit en autonomie, geluk en vrijheid ontvangen en gaan ze verloren. Zo mag de mens in de toestand TUIN zichzelf en andere dingen NAMEN geven, zichzelf aan zichzelf en de dingen wijden. In de toestand HEL wordt de mens zijn NAAM ontnomen, zijn wezen, of wordt hij ervan beroofd. In tussen of door TUIN en HEL kronkelt de SLANG – de collectieve de beweeglijke maatschappij die half inbreuk is, half de enige mogelijkheid van vrijheid – die alles een NAAM GEEFT, en die ook de macht heeft om mensen en dingen hun naam weer te ONTNEMEN. DE SLANG kan – als hij een gesloten kringloop vormt als hij zichzelf in zijn staart bijt, zogezegd – het gevoel geven dat de NAMEN echt verband met de dingen hebben. Maar toch, sinds het PARADIJS verlaten werd zitten de NAMEN niet echt vast aan de dingen. Taal: Engels / vertalingen: Thom Satterlee en David McDuff

Inmiddels produceert WORM al een aantal jaren hoor­ spelreeksen die eerst door de Concertzender en later in VPRO Café Sonore op Radio 6 werden uitgezonden. Musici, componisten, geluidsmakers en schrijvers werden uitgeno­ digd om bijdragen te leveren. Soms regisseerde WORM, soms kwamen gasten naar de studio om de hoorspelen persoonlijk te produceren. En zo nu en dan baarde WORM ook ‘een eigen monstertje’, zoals The Blind Owl naar het boek van Sadegh Hedayat, Ghosts over elementair spirit­isme en Wa Da De Minse Klappe Gelak As d’Onne Basse met Didi De Paris, over been-reïncarnatie, witlof en vlieg­tuigrampen. WORMs huidige hoorspelreeks brengt steeds een geluids­ kunstenaar samen met een dichter. Verborgen agenda: het botsen of versmelten van geluids- en taalabstracties. Via Poetry International werd het contact met de Deense dichteres Ursula Andkjær Olsen gelegd. Haar tekst ‘GAR­ DENSENSIBILITIES’ is de basis voor een live-hoorspel waar­ ­bij zij zelf een van de stemmen speelt. De WORMRADIOcrew maakte bij de tekst een muziekachtig stuk dat behalve decor en sfeer ook personage is en zich als een beminnelijke natuurramp gedraagt. Sierbestrating, tuinhout, meubilair: ‘GARDENSENSIBILITIES’ voorziet in al uw wensen in en om de tuin. Voor particulier én hovenier.

De bloemlezing met een ruime keuze uit de poëzie van de festivaldichters, prozagedichten gelezen tijdens eerdere festivaledities en het essay Het prozagedicht  van Pullitzerprijswinaar Charles Simic.

 

GARDENSENSIBILITIES

e 15,-

Bonus-CD met 12 prozagedichten uit 40 jaar Poetry International Festival © Pieter VAndermeer/Tineke de Lange

40

Live hoorspel. Foto’s: WORM  

41


Ron Winkler – Duitsland vrijdag 18 juni, 20.00 uur

kleine zaal

Zie je veel overeenkomsten tussen poëzie en proza? Die vraag is eigenlijk alleen met een Zen-achtige uitspraak of met een lang essay te beantwoorden. Desondanks een poging. Er zit veel ruimte tussen een historische roman en visuele poë­zie, tussen de bijbel en Dada. Het gaat altijd weer om meng­wezens, denk maar James Joyce en Finnigans Wake of Fredy Neptune van Les Murray. Poëzie is geen uitgebeend proza, en proza geen poëzie met ex­tra veel vruchtvlees. Ze scheppen (of simuleren) allebei een wereld of werelden. Poëzie doet dat vooral door dingen weg te laten, te reduceren en door te focussen op deelstructuren. Dat is wel een van de meest fundamentele ver­ ­schillen. Proza werkt bin­nen bepaalde grenzen, de poëzie is die gren­zen. Poëzie is de steeds weer onverwachte blik op de dingen, verbond­en met een onverwachte taal om die blik te verwoorden. In het ideale geval ook om een andere manier van zijn. Poëzie biedt als genre waarschijnlijk meer ruimte voor het over en weer van intimiteit en intellectueel ex­pe­riment, van filosofie en eigenzinnigheid, van toverspreuk en risico, omdat poëzie sterker dan proza op re­sonantie met de lezer of luisteraar is aan­gewezen. Maar zoals gezegd: poëzie is niet tot gedichten beperkt. Er zijn romans die veel poëtischer en dichter zijn dan een hele hoop ge­dichten. Zoals er ook gedichten zijn die een loflied op de re­dundantie zingen.

Je favoriete roman is De god van kleine dingen van Arund­­hati Roy. Waarom? Het is een voorbeeld van een roman die heel veel belangrijke elementen prachtig met elkaar verbindt: charme en kennis, exo­ ­tisme, poëzie, heden en verleden. En dat alles zo echt, zo mooi, zo intensief. Een van de tien all time favorites.

Welke dichters lees je graag? Om je een kleine internationale keuze te geven: James Tate, Charles Simic, Inger Christensen, Allen Ginsberg, César Vallejo, Jeffrey McDaniel, Tomas Tranströmer. Van groot belang zijn vooral ook de (moderne) dichters in mijn eigen taal: Volker Braun, Friederike Mayröcker, Jan Wagner, Daniel Falb, Tom Schulz. De lijst is natuurlijk veel langer en wisselt van samenstelling. Nogal wat dichters op dit lijstje zijn jong.

Schrijf je ook proza? Proza is in mijn geval tot op heden niet meer dan een randver­ schijnsel. Een paar jaar geleden schreef ik een reeks miniaturen, een soort beschouwende monologen. Sinds kort laat ik me be­ge­leiden door een fictief persoon die je met meneer Keuner uit Brechts Geschichten von Herrn Keuner zou kunnen verge­ lijken. Alleen minder dogmatisch, meer met een Beckett-achtige lading. Wat die prozastukken met aspecten van mijn poëzie ver­bindt, is dat ik dol ben op bijzondere vormen van waar­ne­ ming, tot in het paradoxale aan toe. Zowel in mijn proza als in mijn poëzie meng ik de ingrediënten: scherpzinnigheid met ironie, absur­diteit met vertrouwdheid, irritante bitterstoffen met de honing van de welluidendheid.

Herinner je je hoe dit gedicht is ontstaan? Niet precies meer. Als uitgangspunt varieer ik het motief van schaapjes tellen voor het inslapen. Maar je doet de wereld na­ tuurlijk geen recht door schaapjes te tellen. Alles staat in brand. De tekst appelleert aan het onmachtsgevoel van het in­dividu. Aan fataliteit. En dat we onszelf maar moeilijk kun­nen hand­ haven, daar we omgeven zijn met dingen die we niet in de hand hebben. The eternal struggle. Hans Magnus Enzens­berger betitelde de televisie ooit als ‘nulmedium’. Wij zijn niet vrij van de nul-media om ons heen.

© Juliane Henrich

Nachten in het sterkste medium voor Jeffrey McDaniel peter van lier

Peter van Lier

Hoor

Hedendaagse dichters bloemlezen een spraakmakende voorganger

uitverkocht!

www.vanoorschot.nl

Hoor

2

als we niet kunnen slapen tellen we de reddingswagens die de ziekenwagens waarin wij ons bevinden voorbijrijden. als we niet kunnen slapen iriseren we zo alsof de duisternis licht was. als we niet kunnen slapen, tellen we degenen die niet kunnen slapen. als we niet kunnen slapen staan we op om aan die toestand beschaafd vorm te geven als misschien hologige Heideggerheid. als we niet kunnen slapen observeren we het plaatselijke politiecorps van onze geeuwende lijven bij het lezen van hun tot geeuwens toe spannende huismededelingen, dienstinstructies. als we niet kunnen slapen dan zeggen we de twee drie vier regels op van de twee gedichten die we kennen. als we niet kunnen slapen zijn we kleine waterfietsende Potemkins.

nieuwe bundel van peter van lier

Luistert nauw

Meld je via www.vanoorschot.nl aan voor een gratis gedichtenabonnement en ontvang dagelijks een gedicht van Adriaan Morriën in je mailbox. 42

Vertaling: Ard Posthuma

43


Katia Kapovich

Hasso Krull – Estland

– Rusland / Verenigde Staten

donderdag 17 juni, 21.30 uur

woensdag 16 juni, 21.30 uur

grote zaal

Dat najaar stond ik voor een klas doofstommen, vlak bij de Kaarsen, op een basisschool. Concrete spraak onttrok zich aan hun stemmen, hoewel er duidelijk een taal in school, maar anders, vreemd, en moeilijk te doorgronden zelfs voor de leraren. Geen leven was er in hun keel-neusholte. Daar ontstonden de woorden en verdorden weer, als gras. ’k Had op het bord het abc geschreven. Ze lazen hardop, en ik zag het aan, zoals ze trokken met hun schots-en-scheve gezichten. Maar er moet een God bestaan voor kinderen, want in hun stomheid vonden zij toch het platgetreden drijfzand-pad naar Babylons ruïne. Lege monden waarin Zijn alfabet gedreven zat.

kleine zaal

Poetry Talk: woensdag 16 juni, 19.15 uur

foyer

Nu meteen, nu meteen zou ik iemand anders willen worden. Kan dat? Ik weet het niet. Ik hoor stormgebulder, een trein doet de spullen op tafel schudden, dan is het over. Ben ik nu veranderd? Nee. Waarschijnlijk niet. Ik open het raam, de sneeuw valt naar binnen, een verandering, ik drink een glas sinaasappelsap met een extract van grapefruitzaadjes en mijn gezicht raakt gevlekt, rood bespikkeld. Was dat een verandering? Ik kijk in de spiegel, echt, nu heb ik een heel ander gezicht. Ik ben een ander mens. Zo wil ik niet zijn. Ik wil veranderen. Nu, dadelijk, nu meteen wil ik heel anders worden. De storm gaat liggen. Er rijdt geen enkele auto. Ben ik veranderd? Ik weet het niet. Waarschijnlijk niet erg.

Het gedicht is gesitueerd in Moldavië, een grensrepubliek van de voormalige Sovjet-Unie, waar de masten van de stoorzenders, bedoeld om Westerse radiostations te dwarsbomen, ‘ kaarsen’ werd­en genoemd. Vertaling: Hans Boland

© Philip Nikolayev

Vertaling: Iris Réthy en Jan Sleumer

Zie je veel overeenkomsten tussen poëzie en proza? Ik denk dat proza en bepaalde soorten poëzie veel overlappende elementen hebben, zoals het gebruik van metoniemen (niet van metaforen), een verhaallijn en dialogen om er maar een paar te noemen.

Je schrijft ook proza? Ik schrijf de laatste tijd veel proza en ik hoop dat ik een boek met korte verhalen uit kan geven. De thema’s zijn min of meer dezelfde, maar ik neem een ander perspectief als ik een verhaal vertel.

Je favoriete roman is Ulysses van James Joyce. Waarom ? Toen ik leerde schrijven, opende ik het boek en ik werd ge­gre­ pen door de polyfonie van stemmen, de humor en het mys­te­ rie. Joyce raadt aan om het boek in twaalf jaar te lezen, net zo lang als hij erover deed om het te schrijven. Ik heb meer dan twaalf jaar in Ulysses gelezen en ik blijf er nieuwe dingen in ont­­dekken. Het verhaal heeft een telescopisch of microsco­pisch effect. Dat hang af van de lezer, van zijn bereidwilligheid en leeftijd. Het telescopische komt naar voren in de politieke en religieuze gesprekken, in Joyces voorstelling van geschiede­nis (‘Geschiedenis is een nachtmerrie waaruit ik wil ontwaken,’ zegt Stephen); het microscopische komt tot uiting in de paral­ lelle cardiogrammen van de hartactiviteit van de twee hoofd­ personen en ook in hun innerlijke monologen. Ik vind de af­ wisseling van deze twee focustechnieken heel belangrijk voor poëzie, omdat technieken als montage en omkering de lezer wak­ker houden.

Welke dichters lees je graag? Mandelstam, Auden, Brodsky, Armitage, Maxwell, Gandlevski. Herinner je je hoe dit gedicht is ontstaan? Ik zag en hoorde het gedicht in mijn hoofd en heb geprobeerd om het zo in elkaar te zetten dat het zo dicht mogelijk bij het origineel kwam. Zo schrijf ik meestal. De rest is een raadsel voor me.

Welke dichters lees je graag? Dat zijn er niet weinig. Het zijn dichters die ik las toen ik vijftien was, de dichters die ik daarna las en de dichters die ik als dertiger las… Dat zou een lange lijst worden. Meestal is mijn favoriete dichter de dichter die ik voor wie ik op dat mo­ ment belangtelling heb, die ik zojuist heb ontdekt.

Zie je veel overeenkomsten tussen poëzie en proza? Poëzie en proza hebben het materiaal gemeen: de taal. De over­eenkomsten kunnen dus op elk niveau voorkomen. Poëzie kan verschillende stemmen en narratieve technieken gebruiken, en proza kan vol beelden en tropen zitten. Het belangrijkste ver­ schil tussen poëzie en proza is iets dat je een ‘houding ten op­ zichte van tijd’ zou kunnen noemen. Het schrijven van een lijvige roman lijkt in te houden dat lezers misschien honderden jaren zouden kunnen leven. Het schrijven van een kort gedicht gaat uit van de hypothese dat een vlinder die niet meer dan een dag leeft, er misschien ook van kan genieten.

Herinner je je hoe dit gedicht is ontstaan? Ja, dat herinner ik me precies. Er waren turbulente emoties, koorts en iets anders dat misschien alleen kan worden uitge­ drukt in een gedicht. Het is een documentair gedicht, ik heb niets verzonnen. Ik zou niet eens willen zeggen dat ik het ge­ maakt heb. Misschien was het de taal, waren het de woorden die een gedicht wilde worden. Opeens vonden ze een dichter die probeerde om die opdracht uit te voeren en haastig verder ging met andere dingen. Maar het gedicht was al geboren en werd als een jonge haas achtergelaten in het bos.

Als favoriete roman koos je Het proces van Franz Kafka. Waarom? Ik las het toen ik veertien was. Ik koos het boek niet, het boek koos mij. Ik werd er drie maanden lang volledig door in beslag genomen, en het veranderde iets in mij, alsof ik in een vreemd land was geweest. Het is niet eenvoudig om die ervaring ach­ teraf te beschrijven. Ik denk dat ik de juiste tekst op het best denkbare moment vond. Schrijf je ook proza? Nee, maar als ik dat zou doen, zou ik proberen om iets te schrijven dat niet te veel op mijn gedichten leek.

44

45


Slotprogramma naar een idee van Henny Vrienten Door Janita Monna

vrijdag 18 juni, 21.30 uur

grote zaal

de Twin Towers, plaatst Vrienten naast ‘Schilderij, Duits, 19e eeuw’ van Jan Eijkelboom, waarop het beeld van een val­len­­­­de jongeling en een meisje is stilgezet. Elders staat vrolijk ‘Denim blues’ van Ingmar Heytze naast ‘Groningen’ van Martin Bril, over meisjes in strakke broeken. De Vlaamse Felix Timmermans paart Vrienten aan Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Het vers van Timmermans zal Pfeijffer een gruwel zijn, zelf maak­te hij daarom een heel ander lentelied.’ Vrienten struint door de nationale en de internationale poëzie, zijn associatieve hinkstap-sprong brengt hem bij bekende dicht­ers en vrijwel totaal vergeten meesters. ‘Ik vind het boeiend om gedichten te vinden van dichters die het niet hebben gehaald, ten onrechte de vergetelheid in zijn gesukkeld. Er schuilt een schoonheid in hun mislukken, er zitten parels tussen.’

Zwaan kleef aan vrijdag 18 juni, 21.30 uur

grote zaal

Artvark is een saxofoonkwartet waar al het stof vanaf geklopt is. Weg met de stoeltjes! Weg met de lessenaars! Artvark me­andert door muzikale tradities. Rolf Delfos (alt/sopraan), Bart Wirtz (alt), Mete Erker (tenor) en Peter Broekhuizen (ba­ri­ton) brengen hun afzonderlijke acht­ergronden samen in een creatief en origineel geluid. Artvark: vernieuw­ende com­ po­si­ties, eigenzinnige solisten en de avontuurlijke groove van vier saxofoons. Tijdens Zwaan kleef aan reageert de ene dichter op de keuze van een andere. Zo ontstaat een ketting van verzen. De muzi­ kanten van Artvark geven hier in wisselende samenstellingen hun muzikale antwoord op.

ont werp – Walvis & Mosmans • fotografie – Angèle Essamba

Zwaan kleef aan

ARTVARK SAXOPHONE QUARTET

strijd

Vrientens leeswijze heeft iets weg van wat Hendrik de Vries rond 1950 deed in ‘Vers tegen vers’ waarbij hij steeds twee ver­ wante gedichten kritisch tegen het licht hield. Menno Wigman zet­te die rubriek vijftig jaar later enige tijd voort in het poëzie­ tijdschrift Awater. Maar Vrienten is geen criticus, hij wil vooral plezier overbrengen. Poetry International leende het idee van Henny Vrienten. De Noorse Jon Fosse opent de stoet met een gedicht van Georg Trakl. Zijn keuze is naar de Friese dichter Nyk de Vries ge­ stuurd die bij lezing van Trakls ‘Elis’ moest denken aan ‘Va­ ders, zonen’ van Ester Naomi Perquin, een gedicht dat op zijn beurt bij de Russische Katia Kapovich weer associaties opriep met een gedicht van Joseph Brodsky. Zo is een kettingreactie van verzen ontstaan, steeds reageert de ene dichter op de keuze van een andere. Deze nieuwe bloem­lezing Zwaan kleef aangedichten zal te horen zijn tijdens de slotavond van het 41e Poetry International Festival.

In het sprookje Zwaan kleef aan van de gebroeders Grimm, wil het meisje een gouden veertje van de zwaan, voor op haar hoed. Ze probeert er een te plukken, maar blijft kleven aan de gouden zwaan van domme Hans. Als haar zusjes haar proberen te los te trekken, zitten ook zij vast. En zo dijt de stoet verder uit, met de dominee, de koster, de boer, tot een droeve prinses het bonte gezelschap voorbij ziet komen. Ze moet er zo om lachen dat domme Hans uiteindelijk met haar mag trouwen.

Doorfluisteringen

Zwaan kleef aan is ook de naam die Henny Vrienten gaf aan zijn associatieve manier van lezen waarbij steeds een gedicht een ander gedicht oproept. In 2009 verscheen daarvan een bloem­lezing. ‘Poëzie lezen is voor mij een reis van gedicht naar gedicht’, licht Vrienten in zijn inleiding toe, en bij ieder ge­ dicht­enpaar vertelt hij kort hoe het ene vers hem bij het ander bracht. Soms is het de sfeer van een gedicht die zorgt voor de sprong naar het andere gedicht, soms het onderwerp, dan een speciaal beeld of een bepaalde techniek. Wisława Szymborska opent de rij. Haar indringende gedicht ‘Een foto van 11 sep­ tem­ber’, dat een beschrijving geeft van springende mensen uit

Het jaarlijks terugkerende festivalonderdeel ‘Doorfluisteringen’ heeft iets van Zwaan kleef aan. Een Nederlands ge­dicht wordt door een anderstalige dichter naar zijn eigen taal vertaald, waar­na het vervolgens wordt vertaald naar andere talen. Na zes fes­tivaldagen keert het terug naar het Nederlands als compleet nieuw gedicht. Dit jaar zal een gedicht van Erik Spinoy worden door­gefluisterd. Deze reis door zes talen kunt u meemaken tij­dens Zwaan kleef aan. Er is mu­ziek van Artvark. Presentatie: Jan Baeke

Artvark Saxophone Quartet © Marcel van den Broek

LEWINSKY QUARTET Slotfeest vrijdag 18 juni, 22.45 uur

foyer

Het Zwaan kleef aan-principe krijgt een vervolg in de foyer, waar de vier ARTVARK blazers het LEWINKSY QUARTET komen versterken. Dit trio werd in 2003 opgericht rond Arno Krijger, de Hammond-organist die met zijn voeten te­ge­lijk ook de baspedalen bedient. Met Artvark saxofonist Rolf Delfos en drummer Pascal Vermeer bestaat de groep uit drie musici die hun roots in de jaren vijftig en zestig (Blue Note) jazz hebben, maar aan wie recentere muziekstromin­gen ab­ soluut niet ongemerkt voorbij zijn gegaan. Het geluid van LEWINSKY is door de vele concerten de afgelopen ja­ren duidelijk uitgekristalliseerd: het is ruiger en kleuriger ge­ worden. Het samenspel van de musici is zeer intens. Bo­ven­ dien vormen de eigen composities een uiterst persoonlijk en coherent geheel. Speciaal voor de afsluiting van Poetry is een arrangement geschreven voor LEWINSKY met heel ART­VARK: drums en hammond met 4 saxen in de frontlinie!

Ont wikkelingsorganisatie Hivos werk t aan een vrije, eerlijke en duurzame wereld. Kunst en cultuur spelen een essentiële rol bij de opbouw van democratische en pluriforme samenlevingen. Wij ondersteunen daarom al 15 jaar culturele initiatieven in Afrika, A zië en Latijns-Amerika.

46

Steun ons werk. Kijk op www.hivos.nl/cultuur


Arrangementen

Met dank aan

Boek voor 5 juni en ontvang de festivalbloemlezing gratis

Kijk voor een volledig overzicht op www.poetry.nl

Budget: Hostel Room

Sponsors en subsidiënten

Festivallocatie

Met dank aan

Entree naar eigen waardering

Luxe: Bilderberg Parkhotel Prijs € 65,00 p.p. (op basis van 2 personen). Meerprijs één persoons­kamer: € 30 per nacht.

Prijs € 29,50 p.p., gedeelde kamers

Na een heerlijke festivalavond ga je met vrienden lekker bijslapen in Hostel ROOM. Je slaapt er voor een prikkie op een perfecte locatie in de mooiste buurt van Rot­ terdam, het prachtige Scheepvaartkwartier. Een mooie uitvalsbasis om Rotterdam te ontdekken. In de relaxte, huiselijke en Holland­se sfeer voel je je in no time thuis. Dus de volgende dag uit­ge­slapen en weer naar het festival of de stad in. Je overnacht in één van de wegdroomkamers (4, 5 of 6 per­soonskamer). Tegen een meerprijs kan een 2-persoonskamer worden geboekt. Een welkomstdrankje, een linnenset, een Hollands ontbijtje, late check out en gratis WIFI krijg je ca­deau. Bo­vendien krijg je aantrekkelijke kortingen op diverse festivaluitgaven. Neem con­ tact op met Hostel ROOM Rotterdam en vraag naar het Poetry Arrangement.

U overnacht in een comfortabele kamer en maakt gebruik van het uitgebreide Bil­ derberg ontbijtbuffet. Met de Rotterdam Welcome Card krijgt u korting op meer dan 100 attracties in Rotterdam. Dus combineert u het Poetry International Fes­ tival eenvoudig met een bezoek aan Boijmans Van Beuning­en, het Nederlands Architectuurinstituut, de Kunsthal of de Euromast. Het ligt allemaal op loopafstand van het hotel. Bovendien profi­teert u van kortingen op diverse Poetry International festival­uitgaven. Dit arrangement is boekbaar van 11 tot en met 18 juni 2010, op basis van beschikbaarheid. Neem con­tact op Bilderberg Parkhotel en vraag naar het Poetry Arrangement.

Ambassade van de Republiek Polen, Spaanse Ambassade in Nederland, Ierse Ambassade in Nederland, Ambassade van Noorwegen in Nederland, BGS, Bonheur Theaterbedrijf Rotterdam, Café Floor, Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, Gemeente Archief Rotterdam, Goethe Institut, Kunstgebouw Zuid-Holland, Koninklijk Instituut voor de Tropen, Media Fonds, Nationaltheatret Oslo, NOS Headlines, Poetry Foundation Chicago, Rotterdamse Schouwburg, Stichting WORM, Uitgeverij Clavis, Uitgeverij Douane, Uitgeverij Lemniscaat, Uitgeverij Leopold, Uitgeverij Maretak, Uitgeverij Ploegsma, Uitgeverij Querido, Witte de With Centrum voor hedendaagse Kunst, World Circuit Records Bijzondere dank aan Arnoud van Adrichem, Jeffrey Angles, Maarten Asscher, Maria Barnas, Hans Boland, Hans Maarten van den Brink, Katherine Coles, Jan Hendrik van Dorp, Kiki Coumans, Bart Eeckhout, Arie van der Ent, Paul Evans, Rokus de Groot, Hester van der Hoeven, Anne Hoogewoning, Floor Houben, Lucas Hüsgen, Jan Ingierd, Renske Janssen, John Albert Jansen, Hans Keller, Manuel Kneepkens, Marc Kregting, Monica Kruisman, Truls Kwetzinsky, Henk Lansink, Auke Leistra, Ewa Lipska, Erik Lindner, Ove Lucas, Sarah Maguire, Sylvia Marijnissen, Hanneke Marttin, Martin Meijburg, Janita Monna, Maartje Nevejan en Alwine van Heemstra, Kees Nijland, Peter Nijssen, Jasper Peterich, Re:animations (Michaël Veerman en Mathijs Stegink), Ad van Rijsewijk, Rob Schouten, Asghar Seyed-Gohrab, Don Share, Lukas Simonis, Priscila Snook, Johan Sonnenschein, Peter Sonneveld, Minke Themans, Annemie Vanackere, NOS Headlines, Kamiel Verschuren, Bart Vonck, Tom Van de Voorde, Henny Vrienten, Christine Wagner, Ine Waltuch, Susan Youssef, Richard Zenith

Vertalers

Naar het Nederlands Jo Govaerts (Eugenijus Alis˘anka), Kees Nijland en Asad Jaber (Al-Saddiq Al-Raddi, Hassan El Ouazzani), Mariolein Sabarte Belacurte (Carlos López Degregori), Marianne Molenaar (Jon Fosse), Bart Vonck (Antonio Gamoneda), Tsead Bruinja (Christian Hawkey), Johnny Cheung en Jan-Willem Anker (Kamran —), August Mir Hazar), Lucas Hüsgen (Kim Heysoon), Ivo Smits (Hiromi Ito Willemsen, Arie Pos en Ruud Ploegmakers (Lêdo Ivo), Jabik Veenbaas en Hans Boland (Katia Kapovich), Jan Sleumer en Iris Réthy (Hasso Krull), Ad van Rijsewijk (Ewa Lipska), Maarten Elzinga (Thomas McCarthy, Valérie Rouzeau), Annelies van Hees (Ursula Andkjær Olsen), Tom Van de Voorde (Michael Palmer), Rob Schouten (C.K. Williams) en Ard Posthuma (Ron Winkler). Naar het Engels Kerry Shawn Keys and Harold L. Hix (Eugenijus Alisanka), Sarah Maguire (with Sabry Hafez) (Al-Saddiq Al-Raddi), Robin Myers (Carlos López Degregori), Norddine Zouitni (Hassan El Ouazzani), May-Brit Akerholt (Jon Fosse), Donald Wellman (Antonio Gamoneda), Nushin Arbabzadah (Kamran Mir Hazar), Choi, —), Alexis Don Mee and Shin Jiwon (Kim Heysoon), Jeffrey Angles (Hiromi Ito Levitin (Lêdo Ivo), Katia Kapovich (Katia Kapovich), Astrid van Baalen (Marc Kregting), Brandon Lussier (Hasso Krull), Willem Groenewegen (Tomas Lieske), . Robin Davidson en Ewa Elzbieta Nowakowska (Ewa Lipska), David McDuff and Thom Saterlee (Ursula Andkjær Olsen), Susan Wicks (Valérie Rouzeau), Gregory Ball en Peter Nijmeijer (Erik Spinoy), David Colmer (Nyk de Vries) en J.D. Schneider en Johannes Frank (Ron Winkler).

Bilderberg Parkhotel Westersingel 70 T 010 436 30 41 www.parkhotelrotterdam.nl

Hostel ROOM Rotterdam Van Vollenhovenstraat 62 T 010 282 72 77 www.roomrotterdam.nl

FelixPoetryFestival 2010 16 &17 juni

Ministerie van OCW, Gemeente Rotterdam, Dienst Kunst en Cultuur, Van Beuningen Peterich Fonds, Stichting Lira Fonds, Nederlands Letterenfonds, Hivos/NCDO Cultuurfonds, Centrum Beeldende Kunst, Roteb, Selexyz Donner, Uitgeverij De Arbeiderspers

Internationale partners Poetry International Web

Belgium Flemish Literature Fund www.fondsvoordeletteren.be Colombia Corporation of Art and Poetry Prometeo www.festivaldepoesiademedellin.org Germany literaturWERKstatt berlin / lyrikline.org www.literaturwerkstatt.org / www.lyrikline.org Indonesia Komunitas Salihara www.salihara.org Ireland The Munster Literature Centre www.munsterlit.ie Israel The Poetry Place www.poetryplace.org Japan Makoto Ooka / Shuntaro Tanikawa Dutch Foundation for Literature www.letterenfonds.nl Portugal General Directorate for Books and Libraries www.iplb.pt United Kingdom The Poetry Society www.poetrysociety.org.uk United States of America The Poetry Foundation www.poetryfoundation.org

FelixPakhuis, Godefriduskaai 30, 2000 Antwerpen

The editors

Australia Michael Brennan, Belgium Tom van de Voorde, Colombia Fernando Rendón & Gloria Chvatal, Croatia Miloš Đurdevic´, Germany Heiko Strunk, India Arundhathi Subramaniam, Indonesia Hasif Amini, Iran Sam Vaseghi, Ireland Patrick Cotter, Israel Lisa Katz, Japan Yasuhiro Yotsumoto, Morocco Norddine Zouitni, Netherlands Thomas Möhlmann, Portugal Luis Miguel Queirós, South Africa Liesl Jobson, Charl-Pierre Naudé, Vonani Bila, Pravasan Pillay, United Kingdom The Poetry Society, United States of America The Poetry Foundation

+32 3 222 93 20

www.antwerpen.be/boekenstad

Praktische informatie

Rotterdamse Schouwburg, Schouwburgplein 25, 3012 CL Rotterdam T +31 (0)10 404 41 11

Poetry International hanteert het principe van entree naar eigen waar­dering. Voor alle festivalprogramma’s geldt: u be­paalt – achteraf – wat u betaalt. Laat uw waar­dering blijken met een bedrag naar keuze in de dro­pbox bij de entree van de schouwburg. U kunt ook een eenmalige mach­tiging afgeven.

Openbaar vervoer De Rotterdamse Schouwburg ligt op 5 minuten lo­pen van het Centraal Station.

Parkeergarage Schouwburgplein Festivalbezoekers parkeren voordelig door hun parkeerkaart te ‘acti­ver­en’, in de foyer van de schouwburg. Op vrijdag­avond en in het wee­kend kan de wacht­tijd voor par­keergarages op­lopen tot een half uur of meer.

Meer praktische informatie www.rotterdamseschouwburg.nl

Festivalbureau Poetry International, Eendrachtsplein 4, 3012 LA Rotterdam T + 31 (0)10 282 27 77, F + 31 (0)10 444 43 05 info@poetry.nl / www.poetry.nl / www.poetryinternational.org Directie Bas Kwakman Programmering Correen Dekker, Liesbeth Huijer, Sascha van der Aa, Marjolijn Abel (muziek, kinderprogramma), Jan Willem van Hemert (muziek), Karen van der Eng (stage), Saskia Bak (stage), Romy Meijer (stage) Productie Marjolijn Abel, Katja Nootenboom, Maikel van Ruiten Vertalingen (coördinatie, redactie) Rosa van Ederen, Sarah Ream Vertalingen (projectie) Loesje Derkx, Rosa van Ederen, Liesbeth Huijer, Marloes van Luijk Communicatie Jan Coerwinkel, Roos Boers (stage), Robert van Ruiten Financiën Ed van Steenbergen, Katja Nootenboom Poetry International Web Madea le Noble, Sarah Ream, Jan Willem van Hemert, Michele Hutchison, Lucy Pijnenburg (stage) Digitalisering Jan Baeke, Paul Evans, Kiki Coumans, Sascha van der Aa Collectiebeheer Alice Voortman, Henk van Bruggen Bestuur Robert Anker, Piet Holthuis, Michiel Laan, Peter Frima, Wynold Verwey

Colofon

Eindredactie Jan Coerwinkel, Janita Monna Teksten Mischa Andriessen, Maria Barnas, Katherine Coles, Correen Dekker, Liesbeth Huijer, Bas Kwakman, Janita Monna, Asghar Seyed-Gohrab, Lukas Simonis, Johan Sonnenschein, Tom Van de Voorde, Richard Zenith Vormgeving en coverdesign Floor Houben met dank aan Minke Themans Vertalingen Jabik Veenbaas Fotografie fotografen staan zoveel mogelijk bij de foto’s vermeld. Poetry International heeft getracht alle fotografen of rechthebbenden te achterhalen. In enkele gevallen is dat niet gelukt. Eventuele recht­ hebbenden kunnen contact opnemen met Stichting Poetry International.

5


6


41st Poetry International Festival - festivalmagazine