Geknoopt & Geweven. De kleurrijke geschiedenis van de Deventer tapijtindustrie

Page 1

De kleurrijke geschiedenis van de Deventer tapijtindustrie

Sam de Visser en Nina Herweijer


1907

1908

1909

1912

1913

1914

1917

1918

1919

1922

1923

1924

1927

1928

1929


1909

1910

1911

1914

1915

1916

1919

1920

1921

1924

1925

1926

1929

1930

1931



Geknoopt & Geweven De kleurrijke geschiedenis van de Deventer tapijtindustrie (1797 tot heden)

* Sam de Visser en Nina Herweijer fotografie en fotobewerking Theo de Kreek

Stichting Industrieel Erfgoed Deventer Historisch Museum Deventer KMuitgevers

1


Dessintekening voor handgeknoopt Deventer tapijt, 1820 - 1840

2


3


Fabriekspand op de hoek Nieuwstraat/Smedenstraat in Deventer waar de tapijtfabriek in 1797 begint. De foto dateert van rond 1890. 4


Voorwoord

‘Deventer Hanzestad, Deventer Koekstad, Deventer Geert Groote stad’. Met deze ‘merken’ wil de stad Deventer zich profileren. Met dit boek en de tentoonstelling in Historisch Museum Deventer zal er een merk bijkomen: ‘Deventer Tapijtstad’. Het Deventer tapijt is een begrip. Het staat voor een hoogwaardig, luxueus en duurzaam handgeknoopt tapijt. Dat het een begrip is blijkt al uit het feit dat de term Deventer tapijt ook wordt gebruikt als het in Rotterdam, Moordrecht of Dinxperlo wordt gemaakt. De klant begrijpt dan direct wat hij kan verwachten. Dit boek en de tentoonstelling bieden een overzicht van de geschiedenis van de tapijtindustrie in Deventer, van de producten, de ontwerpen en de prachtige kleuren. Deventer had 100 jaar geleden een bloeiende tapijtindustrie. Die is er niet meer. Boek en tentoonstelling kennen een hele voorgeschiedenis. In januari 2008 meldt Mannes Geltink, de laatste directeur van Moquette Industrie Deventer, zich bij de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer met een plan om de geschiedenis van de tapijtindustrie te beschrijven. Na twee jaar onderzoek komt er een versnelling door de koppeling aan een tentoonstelling over Deventer tapijt in 2012. Auteurs worden gevonden in de persoon van Nina Herweijer –oud-directeur Deventer Musea- en Sam de Visser, oud-journalist en vrijwilliger bij de SIED. Dorien Hagedoorn van de Deventer Musea richt de tentoonstelling in. Mannes Geltink en Hendrik Jan Peters – de laatste nog zeer actief in de tapijtwereld – bieden de vakinhoudelijke expertise. Theo de Kreek verzorgt het fotowerk. Ik dank alle leden van de projectgroep voor hun enthousiaste inzet. Twee jaar later de resultaten: een tentoonstelling en een boek. Het boek wordt uitgegeven door en voor risico van de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer. Zonder bijdragen van sponsors is dat niet mogelijk. Ik dank de Deventer Kring van Werkgevers, Machinefabriek Geurtsen BV, het Wesselings – Van Breemenfonds, het fonds Deventer Geschiedenis in Beeld van de gemeente Deventer, Stichting het Iordenshofje, H.J. Peters Deventer BV en de Stichting Promotie Deventer Musea voor hun onmisbare bijdrage. Eric Giesbers Voorzitter Stichting Industrieel Erfgoed Deventer

5


Een Jacquard gestuurd weefgetouw in bedrijf. Bovenin de ponskaarten die de kettingdraden in beweging brengen.

6


Inhoud

Voorwoord Deventer als tapijtstad Ter herinnering aan een bijzondere bedrijfstak 9 Van wandtapijt tot vloerbedekking Beknopte geschiedenis van een oud handwerk 13 De start van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek (1797) Aan de basis staat de bestrijding van de armoede 23 De Koninklijke van Kronenberg (1848-1892) Periode van succes en expansie 41 De overname van de KDT in 1919 Deventer verliest zijn handgeknoopt 53 Tuften of verdwijnen Het einde van het Deventer tapijt en de KVT 67 Een familie met tapijt in de genen Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters (1907-1975/1993) 81 Sociale onrust bij de Koninklijke en Peters Werkstakende vrouwen als ansichtkaart 103 Tapijt als maatkostuum Moquette Industrie Deventer (1932-2002/2007) 109 Nog meer tapijt in Deventer Eerste Nederlandsche Cocosfabriek (1860-1969) Deventer Tapijtfabriek Maurits Prins (1869-1882/1978) 127 Turks, biedermeier en neostijlen De tapijten van de Deventer Tapijtfabriek 1797-1892 137 Neorenaissance, jugendstil en modern vlakornament De tapijten van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek 1892-1919 151 Traditie, art deco en Nieuwe Kunst Tapijt van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken vestiging Deventer vanaf 1919 Industrie en kunst, Duitse en Franse invloed, de gezellige jaren vijftig De tapijten van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters 169 Tapijt leeft 185 Klein tapijtwoordenboek 186 Geraadpleegde literatuur 189 Foto- en collectieverantwoording 190 Woord van dank 192 Colofon 7

161


8


Deventer als tapijtstad Ter herinnering aan een bijzondere bedrijfstak

Deventer staat bekend als de koekstad. Ook de stokvis wordt wel met de stad in verband gebracht. Dat is beide absoluut waar. Maar deze historische karakteristieken zijn te kort door de bocht. Er is een lange periode geweest dat Deventer in binnen- en buitenland bekend staat als de stad van het tapijt. Vloertapijt wel te verstaan. Dit boek behandelt de geschiedenis van dit tapijt. Een geschiedenis die teruggaat tot 1797. Dan wordt de latere Koninklijke Deventer Tapijtfabriek opgericht. Deze produceert het alom geroemde ‘Deventer handgeknoopt’, ook wel aangeduid als Smyrnatapijt. Ook die laatste benaming is opnieuw te kort door de bocht. In de beginjaren van de fabriek mag er dan sprake zijn geweest van voortborduren op oosterse motieven, maar het Deventer handgeknoopt krijgt echt zijn grote naam door de uitvoering van dessins met hoge kunstwaarde van bekende ontwerpers, waardoor tapijten

9

van bijzondere kwaliteit op de markt worden gebracht. Hierbij mag niet vergeten worden dat dit mede te danken is aan een grote mate van vakmanschap, of beter vakvrouwschap. In voorname landhuizen, in statige grachtenpanden en in oceaanstomers, om maar eens wat te noemen, ligt in de salons Deventer tapijt op de vloer. Nu in 2012 ligt het er vaak nog. In de periode van 1797 tot 2007 heeft Deventer vijf tapijtfabrieken binnen de poorten gekend. Zij produceren alle voorkomende soorten vloertapijt; van zeer eenvoudige geweven karpetten of lopers van wol, koehaar, linnen, kokos, jute en kunststof tot en met kostbare geknoopte tapijten van de eerste kwaliteit wol. Achtereenvolgens hebben we te maken met: de al genoemde Koninklijke Deventer Tapijtfabriek (1797-1919, na dat jaar tot 1978 de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken); de Deventer Tapijtfabriek Maurits Prins (1869-1882, daarna Dinxperlo tot 1978); de Mechanische


Brochure 1838

10


Tapijtweverij van H.J. Peters (1907-1975/1993); de Eerste Nederlandsche Cocosfabriek van W.J. Hubers (1860-1969) en de Moquette Industrie Deventer (1932-2002/2007). De resultaten van deze fabrieken in de loop der jaren zijn opvallend. Niet alleen voor de ‘Koninklijke’. Neem Peters. Hij weet zijn tapijt te verkopen aan handelaren in de tapijtstad bij uitstek: het Turkse Smyrna. Of de Moquette Industrie Deventer die het regeringscentrum van de Emir van Koeweit belegt met 16.000 m2 tapijt.

11

De Deventer tapijtindustrie is niet meer. Dat is een feit. En toch staat in de titel vermeld van 1797 tot heden. En hoe vreemd het klinkt, ook dat klopt. Maar hoe dan ook, dit boek wil met de beschrijving van ruim twee eeuwen tapijtgeschiedenis de herinnering levendig houden aan deze bijzondere bedrijfstak.


Wandtapijt voorstellende de Slag om Doesburg van 21 juni 1672. Dat jaar staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het Rampjaar. Op de voorgrond is afgebeeld de Franse koning Lodewijk XIV, naast de Pruisen en Engelsen ĂŠĂŠn van de aanvallers in dat jaar. Het tapijt stamt waarschijnlijk uit de Tapijtweverij van Beauvais. Datering: 1692-1705. 12


Van wandtapijt tot vloerbedekking Beknopte geschiedenis van een oud handwerk

Tapijt. Je loopt er overheen en staat er vaak verder niet bij stil. Totdat duidelijk wordt wat een bijzondere wereld bij dat tapijt hoort. En wat een bijzondere geschiedenis. Dat moge blijken uit de hierna volgende hoofdstukken. De Deventer tapijtindustrie kent een lange en zeer gevarieerde historie. Maar alvorens deze voor de lezer te ontvouwen, voorafgaand hieraan een korte historische schets van een oud handwerk. Bij ons onderzoek van het archief van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken stuiten we op een verhaal met een bijzondere inhoud. Het dateert uit 1882. Het betreft een reeks artikelen in het weekblad Katholieke Illustratie over een bezoek aan de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. De artikelen zijn ook daarom interessant omdat deze een beeld scheppen van een periode waarvan weinig archiefmateriaal bestaat. Kortom we hebben te maken met een welkome bijdrage van een tijdgenoot. De onbekende auteur begint met een interessante melding. Hij zegt te weten dat ten tijde van keizer Karel de Grote (768-814; keizer in 800) er in Deventer al tapijtwevers actief zijn. Ja, zelfs dat het oude ‘Deventer één der eerste zetels der tapijtfabrikatie was’! Tapijtweven is

13

een oud handwerk, maar zo oud in Deventer? De geschiedenis van het Deventer tapijt leert ons iets anders. In dit boek komen we daar uitvoerig op terug. De kunst van het tapijtweven bestaat al zo’n dik 3000 jaar. Egyptenaren, Perzen en bewoners van nog verder weg gelegen landen uit Azië hebben zich er al mee beziggehouden. Van deze tapijten uit de oudheid is weinig bewaard gebleven. Dit hoogwaardige handwerk, misschien kun je beter spreken van kunstnijverheid, wordt in veel landen meestal beoefend door vrouwen. In streng islamitische landen weer vaker door mannen. Bij het tapijtweven wordt gebruik gemaakt van een eenvoudig staand weeftoestel. In later eeuwen deftig aangeduid als een zogenaamde


Onder vakhistorici geldt de stelling dat het weven van tapijt rond de achtste eeuw in Europa wordt ingevoerd. Daar is verder weinig tot niets van bekend. Zeker is wel dat tijdens de Kruistochten in de 11e en de 12e eeuw de terugkerende ridders de nodige tapijten naar het westen hebben meegenomen. In de eeuwen daarna ontstaat een levendige handel met de landen van de Levant: als Egypte, Perzië, Griekenland, Turkije. Smyrnatapijt, genoemd naar de Turkse stad met die naam, welke we nu kennen als Izmir, mag gezien worden als een soortnaam. Het is meestal vervaardigd uit wol en heeft een vrij hoge pool.

Staand weefgetouw. Egypte 1425 voor Chr

‘haute lisse’. Wat weer Frans is voor een verticaal weefgetouw. Waar hier van weven wordt gesproken, moet eerst duidelijk worden gemaakt dat het bij de tapijten uit vervlogen tijden om zowel knopen als weven gaat. Tapijt kan ook worden vervaardigd op een liggend weeftoestel. Of, vooruit op z’n Frans, op een ‘basse lisse’. Een horizontaal getouw. Deze aldus geweven dan wel geknoopte tapijten, treffen we in de vroege tijden niet aan als bedekking van vloeren zoals wij dat gewend zijn, maar aan de wand, als versiering van een vertrek. Of als scheidingswanden in een nomadentent of ze diennen als zachte ondergrond voor een zitplaats of een slaapplek. Slechts de vloeren van paleizen of heiligdommen worden bij uitzondering bedekt met tapijt. Tapijt als vloerbedekking wordt in Nederland pas aan het einde van de achttiende eeuw toegepast in de rijkere interieurs.

In de landen van de Levant worden niet alleen tapijten vervaardigd, maar ook wordt gehandeld in tapijten uit landen als Afghanistan en India. Deze handel is wijd verbreid door eerst de Grieken en later de Romeinen. Zij fabriceren niet zelf, maar kopen de waar in het oosten. Deze vaak kostbare tapijten gebruiken zij voor de inrichting van hun woonpaleizen. Niet in de eerste plaats als vloerbedekking, maar als wandversiering en als comfortabele ligplaats die wij zo goed kennen van de fresco’s en het aardewerk. De tapijthandel is een zeer oude vorm van nering. In Europa vestigt zich gaandeweg een eigen tapijtweefkunst. Nog voornamelijk als huisindustrie, in kloosters en ridderburchten, op basis van oosterse patronen en kleuren en nog steeds bedoeld als wandversiering. En als ze al eens op de vloer liggen dan is dit uitsluitend bij officiële handelingen, als bijvoorbeeld het inhuldigen van een vorst. En als het dan al mag worden betreden, dan alleen door die vorst zelf. Na de plechtigheid wordt het dan weer veilig opgeborgen.

Wandtapijten De Vlaamse wandtapijten zijn in de twaalfde eeuw al vermaard. Vanaf de late Middeleeuwen ontstaat er een meer industriële aanpak. Tijdens de Renaissance is sprake van verdere groei. Een bloeitijd wordt bereikt in de 16e en 17e eeuw

14


in Frankrijk waar in verschillende bedrijven de tapijtweefkunst wordt beoefend. Beroemd zijn de ateliers van de gebroeders Gobelin in Parijs. Hun vermaarde producten worden ten tijde van de koningen Lodewijk XIII (1610-1643) en Lodewijk XIV (1643-1715) tot een soortnaam voor een type wandversiering met een hoge kunstwaarde. Onder Lodewijks minister van financiĂŤn JeanBaptiste Colbert (1619-1683) worden de Franse tapijtateliers in 1661 in Parijs geconcentreerd. Hoewel Gobelin wel wordt aangeduid als een soortnaam in de tapijtweefkunst kan het als zodanig niet worden vergeleken met het in dit boek beschreven tapijt. Daarvoor wijkt de techniek te veel af. Ook hangt Gobelin ten eerste nu eenmaal aan de wand en ligt het niet op de vloer. En verder is het productieproces in feite meer te vergelijken met borduren. De Gobelinwevers gebruiken wel een opgespannen ketting op een verticaal of horizontaal opgesteld getouw, maar het aanbrengen van de inslag is afwijkend. De Gobelinwever gebruikt ook een soort spoel, maar schiet deze niet door de

Tapijtknoopster werkend aan een eenvoudig verticaal weefgetouw. 15

ketting, maar beweegt deze, steeds gevuld met een ander kleurgaren, op die plaats tussen de kettingdraden waar de ontwerptekening dat vraagt. Zijn vrije hand helpt de kettingdraden open te trekken. Naast katoen, linnen en wol als bij het vloertapijt, wordt voor wandtapijten ook zijde, goud- en zilverdraad gebruikt. Het heeft ook geen pool, maar is glad. De tapijtwevers werken aan de achterkant van het tapijt. Parijs is hierboven beschreven als een belangrijke concentratieplaats voor de tapijtweverij. Daarnaast kent de Zuidelijke (Vlaamse) Nederlanden en het aangrenzende NoordFrankrijk een belangrijke tapijtnijverheid die teruggaat tot de 12e eeuw. Elke stad heeft daar een groot aantal ateliers. Het is de basis voor de opkomst van de latere grootindustrie van eind 18e en begin 19e eeuw. Maar ook in de Noordelijke Nederlanden, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, komt deze tak van nijverheid voor. Na de uittocht van veel Zuidelijke Nederlanders als gevolg van Spaanse oorlogshandelingen in de 16e en 17e eeuw,

Afghaans geknoopt tapijt uit ongeveer 1900.


vestigen veel wevers zich in noordelijke steden als Middelburg, Bergen op Zoom, Delft en met name Gouda. Zelfs het kleine Zuidbevelandse Kapelle kent een alom bekend tapijtatelier. Zij leveren in hoofdzaak aan diverse Europese hoven en in mindere mate aan lokale en regionale overheden. In de gemeentelijke musea van genoemde steden zijn de producten van deze nijverheid nog steeds te bewonderen. Gouda trekt veel wevers uit de bekende tapijtstad Oudenaarde. De na de Beeldenstorm leeggekomen kloosters aldaar bieden voldoende ruime ruimte voor hun weefgetouwen en ververijen. De Oudenaarders zijn vaak onderling verwant en/of aangetrouwd. En Calvinistisch. In Gouda, maar ook elders, vormen de Vlamingen een sterk gesloten gemeenschap. Voorts hebben zij hun klantenkringen niet of nauwelijks onder burgerij of stadsbesturen, maar over de grens. Het is echt een gemeenschap van ballingen. In de loop van de 18e eeuw verandert dit. Zij gaan meer en meer op in de Nederlandse samenleving en hun ondernemingen gaan ten onder. Het wandtapijt heeft in de Republiek niet weten in te burgeren. Het weven van wandtapijten is in de laatste decennia van de 18e eeuw al grootdeels overgegaan in het vervaardigen van stoffen voor de bekleding van kussens en stoelzittingen. Het woord tapijt betekent tot aan het einde van de 18e eeuw een lap gedessineerde stof die dient tot bedekking van een muur. Altijd zijn tapijten luxe producten; pure weelde. Elk tapijtweefsel is kostbaar en hangt aan de muren van kastelen en paleizen. En in mindere mate in de huizen van rijke burgers. Naast wandtapijten is in de 17e eeuw een kamer met leerbehang een heel gebruikelijke inrichting voor rijke interieurs. In de Noordelijke Nederlanden is het behangen met wandtapijt vrij zeldzaam gebleven. De nuchtere koopmansgeest en het sobere Calvinisme doen zich hier gelden. Maar ook de smaak verandert. Het interieur wordt lichter. Beschilderde en bedrukte behangsels van papier en bespanningen

met textiel worden mode. Na de Franse Revolutie raakt wandtapijt als een uniek, met de hand vervaardigd product met een hoge kunstwaarde in heel Europa in verval.

Het oosters tapijt In de 15e, 16e en 17e eeuw geniet het oosterse tapijt in het westen groot aanzien. Het wordt door schilders in de Nederlanden en Italië vaak afgebeeld. Deze oosterse tapijten zijn gemaakt in Turkije en het huidige Iran en Irak. In de 18e eeuw gaat de kwaliteit van de tapijtkunst omlaag. Veel ateliers verdwijnen door de grote politieke onrust in het Midden-Oosten. Vanaf 1865 gaan christelijke Europeanen zich bemoeien met het produceren van oosterse tapijten voor de export naar Europa. De opkomst van de burgerij zorgt voor een toename van het gebruik van tapijt. Dit betekent dat er naast dure import ook een stijgende vraag naar inlandse tapijten ontstaat. Om aan die vraag te kunnen voldoen is eind 18e eeuw een groter volume aan goedkoper tapijt nodig. In Frankrijk worden aan het einde van 18e eeuw machines ontwikkeld die zorgen voor een doorbraak in de textielnijverheid. Een belangrijke vinding doet in 1801 Joseph-Marie Jacquard; een zijdewever uit Lyon. Met deze machine en de daarbij behorende techniek, wordt het mogelijk ingewikkelde patronen en kleuren op industriële wijze te vervaardigen en dat in grote hoeveelheden. De omwenteling van ambachtelijke nijverheid naar industriële productie is begonnen. (zie ook kader Jacquard op pagina 19).

Tapijt als vloerbedekking Tapijt wordt een vorm van kunstnijverheid die in de 19e eeuw een hoge vlucht neemt. Tapijt wordt ook iets voor het meer gewone volk. Overigens is dat al sinds de 17e eeuw bekend met de eenvoudige biezen matten en gekleurde zogenaamde vloerzeilen. Maar eind 18e eeuw siert het tapijt niet langer alleen de salons van

16


de adel en andere aristocraten maar komt dan ook over en op de vloer bij de burgerij. Wel vaak afgedekt met een zogenaamd morskleed. Je kunt tenslotte niet hebben dat je kostbare bezit besmeurd wordt door slordige disgenoten. Mogelijk zijn ook de vloerzeilen gebruikt als morskleed. Het dure kleed ligt vaak in de salon die alleen op zon- en feestdagen wordt gebruikt: de pronkkamer. Tot in de 19e eeuw worden de luxere soorten tapijten meestal gekocht bij handelaren in de Levant; de landen om het oostelijke Middellandse Zeebekken. Het tapijt wordt daar vaak aangeduid als ’alcatijf’, hetgeen is afgeleid van het Arabische ‘el-gatifes’ wat geknoopt tapijt betekent.

Aubusson pool tapijt uit 1760/70. Handgeknoopt, maar minder luxe dan de gebruikelijke standaard.

Archiefbronnen zijn schaars en de literatuur mede daardoor niet eenduidig, maar algemeen wordt aangenomen dat het handgeknoopt tapijt in Nederland zijn oorsprong heeft in Deventer. Bij bestudering van documenten en literatuur ontstaat aan deze stelling enige twijfel. Zoals verderop zal blijken: erg duidelijk zijn deze ‘bewijzen’ niet. In dit boek zal het deels gaan over dit Deventer tapijt; ook een lange tijd een soortnaam en evenals bovengenoemde oosterse tapijten handgeknoopt. De fabriek die bij deze geschiedenis hoort wordt in 1797 in Deventer opgericht. Van Deventer tapijt is dan nog geen sprake. Dat ontstaat rond 1813 of mogelijk 1816.

Tekening van een Amsterdams interieur met op de grond onder de tafel een morskleed.

Kunst Bij de opkomst van de uitoefening van en de belangstelling eind 19e eeuw voor wat genoemd wordt: industriële kunst, gebruikkunst of ook wel kunstnijverheid, staat de kwalificatie kunst voorop. Ook tapijten worden besproken door kunstcritici. Beschouwingen, artikelen in tijdschriften en kranten hebben ook meestal die benadering. Zo zijn de ontwerpers van dessins voor tapijten bijzondere kunstenaars. Naar hen gaat de meeste aandacht. Auteurs zijn veelal kunstrecensenten. De fabrieken en de daarin zwoegende arbeiders staan aanzienlijk lager op

17

Handgeknoopt tapijt type Savonnerie uit de 18e eeuw.


Dessin Artisjok van Theodoor Colenbrander, rond 1900 één van de meest bekende ontwerpers in Nederland. Getekend voor de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. Tapijt bevindt zich in het Deventer stadhuis.

hun belangstellingsladder. In sommige reportages over bezoeken aan tapijtfabrieken zijn er auteurs die het klaar spelen om met geen woord over de fabriek zelf te reppen. Dat geldt ook voor de tapijtfabriek die sinds 1797 in Deventer staat. Tapijt is lang iets voornaams. Als je je een geknoopt oosters tapijt kunt veroorloven dan heb je wat, dan ben je iemand. Een Perzisch gezegde luidt niet voor niets: ‘Wie een tapijt bezit, bezit een huis’. En als je dan niet in een adellijk buiten woont, dan kun je door een fraai kleed in de salon te leggen in ieder geval die illusie wekken. Onderzoeker Erik Geytenbeek bijvoorbeeld spreekt in zijn boek over Deventer tapijten over 200 jaar kasteelvloerbedekking. In de 19e eeuw zien ontwerpers, fabrikanten

en kopers het handgeknoopt of Smyrna tapijt als een kunstvorm en de tapijtfabrieken als een kunstindustrie. De benaming vloerbedekking klinkt bijna oneerbiedig voor een vorm van kunst of kunstnijverheid, maar natuurlijk is het praktisch gebruik van deze kunstuiting wel zo bedoeld. Een zeer kunstzinnig dessin behoeft het leggen van een kamerbreed tapijt overigens niet in de weg te zitten. Handgeknoopt tapijt wordt vaak besteld met een extra brede rand zonder dessin. Bij het leggen kan het dan zonder beschadiging passend worden bijgesneden. Met speciale ringen en haken wordt het vervolgens van plint tot plint vastgezet.

18


Jacquard De oerbron van de automatisering In de geschiedenis van de industrialisering heeft de textiel erg vaak een pioniersrol vervuld en dat in samenhang met de bijbehorende machine-industrie. In de textielsector ontwikkelen zich de eerste bedrijven met massaproductie. Maar ook in mechanisch opzicht speelt de textielindustrie een sterk innovatieve rol. Je mag zelfs zeggen dat de textielindustrie aan de basis heeft gestaan van de automatisering, ja zelfs van het latere computertijdperk. De man met wie dit allemaal is begonnen luistert naar de naam Joseph-Marie Jacquard (1752-1834) De door hem gedane uitvinding waarover we het hier willen hebben, is naar hem genoemd: Jacquard. Het betreft een opzetstuk van een weefgetouw waardoor het programmeerbaar wordt en waarmee ingewikkelde patronen in vele kleuren kunnen worden vervaardigd. Het geheel wordt aangestuurd door een boek ponskaarten; te vergelijken met het kaartenboek van een draaiorgel. Joseph-Marie Jacquard is de zoon van een zijdewever in Lyon die een klein bedrijf heeft met twee weefgetouwen. De jonge Jacquard is werkzaam in de weverij van zijn vader. Werk dat hem op het spoor van zijn uitvinding moet hebben gezet. Hij is werkzaam als zogenaamde trekjongen. Zittend in een getouw trekt hij op aanwijzing van de wever bepaalde kettingdraden beurtelings omhoog en brengt deze weer omlaag, zodat de wever in staat is door middel van spoelen met diverse kleuren garen patronen in het doek te weven. Dit gebeurt op deze manier in alle takken van textielnijverheid. Al tijden. Na de dood van zijn vader in 1790 erft hij de weverij en begint te experimenteren met veranderingen aan het weefgetouw. Gravure van de uitvinder van het Hij ontwikkelt een eerste versie van zijn automatische Jacquard weefgetouw. weefgetouw. Hij maakt ponskaarten en bouwt bovenop het weefgetouw een stelsel van metalen staafjes, de kaartlezer. Met deze kaartlezer worden de metalen staafjes door de gaten in de kaarten geschoten en doen zo de aan de staafjes vastgemaakte touwen bewegen. Deze op hun beurt zijn weer bevestigd aan metalen plaatjes met een gat waar de kettingdraden doorheen lopen. In 1801 toont hij zijn eerste exemplaar op een industriĂŤle beurs in Parijs. De beroepsgroep van de wevers is niet blij met de nieuwe vinding. Zij vrezen voor hun broodwinning. Een groep wevers vernielt uit boosheid het getouw van Jacquard. De eersten die echter hun broodwinning verliezen zijn de trekjongens. Met de uitvinding van Jacquard kan de wever nu zelf door middel van een druk op een pedaal het kaartenmechanisme in beweging zetten en zo zelf de kettingdraden op en neer laten gaan. In 1803 wordt Jacquard als uitvinder aangesteld bij het Conservatoire National des Arts et MĂŠtiers in Parijs. Daar treft hij Oude tekening van het slaan een weefgetouw aan van een collega-uitvinder. Deze Jacques en het aan elkaar zetten van de de Vaucanson (1709-1782) heeft eveneens een automatisch Jacquardkaarten. weefgetouw geconstrueerd. Hij is er niet mee verder gegaan, omdat hij zich daarna heeft toegelegd op het uitvinden van mechanisch speelgoed. Onder andere een mechanische pop die fluit kan spelen en een mechanische eend.

19


Voorbeeld van antieke Jacquardkaarten.

Jacquard gebruikt het getouw van Vaucanson om zijn eigen vinding verder te optimaliseren. In 1804 presenteert hij zijn nieuwe weefgetouw. Van keizer Napoleon krijgt hij als waardering hiervoor het Kruis van het LÊgion d’Honneur. In 1806 wordt het Jacquardweefgetouw beschikbaar gesteld voor de gehele textielindustrie. In 1811 staan er in Frankrijk al 11.000 Jacquardgetouwen. In 1840 wordt voor Joseph-Marie Jacquard in Lyon een standbeeld opgericht.

Kaartenslagmachine Een onderdeel van het Jacquardgetouw is de kaartenslagmachine waarmee de ponskaarten worden gemaakt. Dat is weer een verhaal apart. De uit vaak honderden ponskaarten samengestelde kaartenboeken zijn in feite het hart van de textielfabriek. Zonder deze valt er geen mooi getekend en kleurrijk tapijt te weven. Er zijn verhalen dat deze boeken door concurrenten worden gestolen. Men zou kunnen zeggen dat we hier te maken hebben met het eerste voorbeeld van softwarepiraterij. Het idee van de ponskaarten krijgt later in de 19e eeuw een veel bredere toepassing dan alleen in de textielnijverheid. De Amerikaan Herman Hollerith (1860-1929) gebruikt ze als basis voor zijn tel- en sorteermachines. Hollerith staat aan de basis van het latere IBM. De ponskaart wordt het geheugen van administratieve systemen. Het fundament voor de latere computer met een zelfde numeriek systeem: een gaatje is een 1, geen gaatje een 0.

Een roedeweefgetouw van 2.50 m breed met Jacquard voor het weven van karpetten.

Het aan elkaar bevestigen van een grote hoeveelheid kaarten.

20


Het slaan-ponsen-van de kaarten.

21


Ingekleurde foto van tapijtknoopsters

22


De start van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek (1797) Aan de basis staat de bestrijding van de armoede Op 24 augustus 1897 houdt de toenmalige directeur van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek, de voormalige kaptein-ingenieur der Genie P.G. van Schermbeek, bij het 100-jarig bestaan van de fabriek, een gloedvolle toespraak, die in de Deventer Courant van vrijdag 27 augustus integraal wordt afgedrukt. De heer Van Schermbeek heeft bij het samenstellen van zijn rede het grote geluk dat onderzoekers hedentendage niet meer hebben: hij heeft nog toegang tot de alleroudste archieven. Deze zijn helaas verloren gegaan. Van Schermbeek biedt ons met zijn verhaal een goed beeld van het begin van Deventer als tapijtstad. We maken er graag gebruik van. Laten we ons in gedachten onder het gehoor van directeur Van Schermbeek scharen. Hij begint met een korte schets van de samenleving in Nederland en in Deventer in het bijzonder. Uitvoerig staat hij stil bij de geschiedenis van de Patriotten en hun invloed op de maatschappij. Meer aandacht voor de gewone burger. Meer democratisering. Armoedebestrijding. Gezondheid. In deze sfeer van sociale veranderingen besluiten Schepenen en Raad van Deventer op 16 januari 1776 tot oprichting van een fabriek ter bestrijding van de heersende armoede onder grote groepen Deventenaren. Zij besluiten tot plaatsing van een advertentie in Amsterdamse kranten en in de toen landelijk zeer bekende Oprechte Haarlemsche Courant. De

23

advertentie verschijnt op 29 februari 1776. Van Schermbeek is trots op het bezit van een afschrift van deze advertentie, hem toegestuurd door de fa. Joh. Enschede en Zonen, de uitgever van de Haarlemse krant. De tekst van de advertentie luidt: ‘ Burgemeester, Schepenen en Raaden der Stad Deventer, belooven een premie van twee honderd en vijftig Caroli Guldens aan de geene welke voor den eersten Augustus dezes jaars 1776 ter Secretarije derzelve Stad het beste plan van een fabriek van Wolle Stoffe of anderen aard, overleevere, waardoor Arme Luiden en Kinderen aan den arbeid kunnen geholpen worden, mits hetzelve, met gegronde hoope van goed succes kan werkstellig gemaakt worden, zullende


De advertentie uit de Oprechte Haarlemsche Courant van 1776 waarmee de basis wordt gelegd voor de Deventer tapijtindustrie.

Schepenen en Raad een bekwaame werkplaats aanwijzen en alles wat tot voortzetting van dezelve strekken kan zoeken toe brengen. De Schrijvers worden verzogt hunne Naamen en Woonplaatsen in een verzegeld briefje te melden tot opschrift hebbende de zinspreuk waarmede hun plan onderteekend is; zullende dezelve alle, uitgenomen hetgeen den prijs behaald, ongeopend verbrand worden.’ Op de prijsvraag komen negen reacties. Een commissie uit de raad roept op 9 mei 1777 de in Den Haag woonachtige Zwitser Gautier Zindel uit tot winnaar. Hij ontvangt de 250 gulden voor zijn ontwerp van een katoenfabriek. Nog dezelfde maand wordt met hem een convenant gesloten. Hij krijgt toegewezen de Stadstimmerwerkplaats ‘met behuizingen en toebehoor’ en een gedeelte van de schuur van het St. Jurriën Gasthuis; hoek Nieuwstraat/Smedenstraat. De stad Deventer helpt Gautier Zindel voorts met een voorschot van 6000 gulden voor de tijd van tien jaar, met als onderpand enkele woningen van hem in Den Haag. Wat de Zwitser in zijn fabriek heeft geproduceerd weten we niet. Wel dat het met zijn fabriek niet goed afloopt. Hoe precies is onbekend, maar zeker is dat het Deventer stadsbestuur in 1790 op dezelfde plek ‘vergunning en octrooi’ verleent aan Peter en Willem Broers tot oprichting van een fabriek van ‘feilgoed’, dat staat voor dweilen en paardendekens, met als voorwaarde dat er werkvolk moet worden aangenomen ‘naar eene behoorlijke proportie uit de gereformeerde en roomse gemeenten, naar genoegen van Schepenen en Raad’. Op 28 maart 1791 beëindigt de gemeente Deventer het contract met de heren Broers en doet opnieuw een oproep aan gegadigden voor de oprichting van een fabriek voor wollen stoffen. Er komt ditmaal geen

reactie. Peter en Willem Broers krijgen opnieuw toestemming hun fabriek niet alleen voort te zetten, maar tevens uit te breiden met de productie van ‘floertapijten, gank- en traplopers’. Dan breekt de Franse tijd aan met de inval van Pichegru in december 1794 over de bevroren Nederlandse rivieren. De fabriek van Broers wordt gevorderd om er Engelse soldaten in onder te brengen, die hier te lande verblijven om de jonge Bataafse Republiek te beschermen. Hoe het Peter en Willem Broers daarna verder vergaat, weten we niet omdat archiefmateriaal ontbreekt. In ieder geval fout, want op 24 augustus 1797 beginnen ‘de burgers’ George Birnie en Philippe Sauret in het zelfde bedrijfsgebouw een fabriek van tapijten, zeildoek en aanverwante producten. George Birnie (1775-1830) is de zoon van David Birnie die ergens tussen 1730 en 1740 in Deventer belandt als korporaal in het Schotse regiment van generaal-majoor Stuart. Deze troepen bevinden zich in Nederland in het kader van het bondgenootschap tussen Engeland en de Republiek ten tijde van de Poolse en Oostenrijkse Successieoorlogen. De zonen van George en zijn uit Wijhe afkomstige echtgenote Aleida Dwars, Gerhard David (1799-1819) en Johan Willem (1803-1848) weten van de fabriek een succesverhaal te maken.

Werk voor 50 ‘behoeftigen’ Oorlog en Franse overheersing gaan hand in hand met de groei van het aantal armen in Deventer. Daar moet werk voor worden gevonden vindt het stadsbestuur en men kijkt naar de nieuwe tapijtfabriek. Maar een startende fabriek met oprichters zonder geld levert niet direct een goed draaiende onderneming op met flink wat 24


Fabriekspand op de hoek Nieuwstraat/Smedenstraat in Deventer waar de tapijtfabriek in 1797 begint. De foto dateert van rond 1890.

arbeidsplaatsen. Daar is nu eenmaal kapitaal voor nodig. Dat wordt in1798 aangeboord door het aantrekken van de heren Popko van Calcar en Martinus van Doorninck als compagnons. Zij kopen het pand met bijgebouwen op de hoek van de Nieuwstraat/Smedenstraat aan. Van Calcar is ook jarenlang de naamgever van de tapijtfabriek. Sauret verdwijnt al snel van het toneel. George Birnie zal tot zijn dood in 1830 aan de fabriek verbonden blijven. Bij de oprichting van de fabriek verbinden de nieuwe ondernemers zich aan de verplichting om 50 ‘behoeftigen’ aan werk te zullen helpen. De panden verkoopt de gemeente voor 2650 gulden. In het fabriekspand bevindt zich in die tijd ook de Deventer Armenschool. Van Calcar en Van Doorninck krijgen het voor elkaar dat de gemeente de Armenschool verplaatst. Het gehele complex wordt in 1799 verkocht aan Van Calcar en Van Doorninck. Bij de start van de fabriek blijft de productie beperkt tot eenvoudige gonje tapijten, zeildoek en dweilen. Gonje (zie voor vaktermen Klein Tapijtwoordenboek vanaf pagina 186) is een uit jute, gemaakt uit Indische hennep, vervaardigd grof weefsel. Na de gonje begint de fabriek ook met de vervaardiging van tapijten met patronen. In het begin beperkt tot de zogenaamde Schotse tapijten met rechthoekige ingeweven vormen. We spreken dan nog steeds over eenvoudig handweven. Zogenaamde trekjongens assisteren de wever door handmatig in vastgelegde volgorde bepaalde openingen in de ketting 25

te trekken, waardoor de wever in staat is met verschillende kleuren een patroon te realiseren. Nog geen pool of knoop van het later zo bekende Deventer Tapijt in zicht!

De legende Als je de ontstaansgeschiedenis van veel vroege industriële bedrijven bestudeert, dan blijkt dat heel vaak een legende, een mythe of een toevallige gebeurtenis richtingbepalend is geweest. Voorwaarde is dan wel dat de startende ondernemer het in de gaten heeft, er een neus voor heeft. En ook dat er een markt van afnemers is of bezig is te ontstaan, waardoor er kans op enig succes is. Zo ook bij de Deventer tapijtfabriek van Birnie, Saurel, Van Calcar en Van Doorninck. De fabriek heeft zich niet ontwikkeld als de resultante van een vastomlijnd plan. Althans niet als de latere wereldberoemde fabriek van handgeknoopte tapijten. Er zijn geen overgebleven archiefbronnen, maar het voortdurend doorvertelde verhaal over het ontstaan van het Deventer tapijt is dermate eenduidig dat het wel zo ongeveer moet zijn gegaan. Het verhaal kent in de loop van de tijd de nodige verfraaiïngen, maar die doen aan de kern niets af. Op zekere dag. Ergens, naar verluid, in 1813 of daar omtrent, bezoekt de echtgenote


van de voormalig raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck de stad van haar schoonfamilie: Deventer. Niet om er wijn te kopen bij haar in dit edele vocht handelende familie, maar met een zeer speciaal doel. Het gaat haar om een beschadigd, kostbaar oosters tapijt. Een brandgat heeft het fraaie tapijt grondig verpest. Sinds keizer Napoleon hem in 1806 heeft ingeruild - wel na hem in de Franse ridderstand te hebben verheven - voor zijn broer Lodewijk Napoleon, verblijft Rutger-Jan als werkloos ambtenaar gedwongen vijf jaar in zijn geriefelijke kasteeltje Nijenhuis in Diepenheim. In 1811 wordt hij benoemd tot senator in Parijs en tevens bevorderd tot graaf. Bij de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 neemt hij zitting in de Eerste Kamer. Tot 1820. Hij overlijdt in 1825 in Amsterdam. In welke woning van Schimmelpenninck het chique tapijt met het brandgat heeft gelegen weten we niet Evenmin weten we in welk jaar precies mevrouw Schimmelpenninck Deventer bezoekt. Maar één ding is zeker zo’n beschadigd kostbaar tapijt staat natuurlijk van geen kanten in welke salon dan ook. De vraag is hoe het weer die voorname uitstraling kan terugkrijgen, want een duur oosters tapijt doe je nu eenmaal niet weg. Kortom het tapijt heeft een duchtige reparatie nodig. We weten niet of mevrouw Schimmelpenninck op de thee gaat bij echtgenote Aleida van George Birnie, maar zeker is dat het verzoek bij de Birnies wordt neergelegd. En de vraag of het tapijt kan worden hersteld wordt bevestigend beantwoord. Maar hoe verder? In de fabriek heeft niemand ook maar enige notie van hoe een tapijt te knopen. Naar verluid gaat mevrouw Birnie, samen met haar jongste zoon Gerhard David, al peuterend in het tapijt van de familie Schimmelpenninck aan de slag om het geheim van de tapijtknoop te ontrafelen. Dat lukt. Vastgesteld wordt dat het tapijt is geknoopt met een zogenaamde Perzische of Sennah knoop of ook wel asymmetrische knoop. Gerhard David ontwikkelt een eenvoudig verticaal weefgetouw

en de reparatie kan worden uitgevoerd. (zie ook kader over het Smyrnagetouw: De heibaas en zijn knoopsters pagina 37). Het jaartal 1813 als start van het Deventer handgeknoopt tapijt wordt regelmatig genoemd. Aan de juistheid kan evenwel getwijfeld worden. In de geschiedenis van de familie Birnie wordt vermeld dat Gerhard David op z’n 18e in de fabriek komt. Dus in 1817. Het jaar 1813 lijkt dan uitgesloten, tenzij de jonge Birnie zijn vondst inderdaad samen met zijn moeder doet nog vóór hij in de fabriek van zijn vader actief wordt. Gerhard David wordt omschreven als kunstzinnig en tekent de nodige tapijten. Gezien zijn vroege overlijden is dat opmerkelijk te noemen. Zo weten we dat het eerste Smyrnatapijt uit Deventer ‘pas’ in 1820 opduikt bij een nijverheidstentoonstelling in Gent. Johan Willem komt al op 14-jarige leeftijd in de zaak. Het verhaal gaat dat Johan Willem eerst chirurgijn is geweest. Het boek met de familiegeschiedenis van de Birnies zegt hierover niets. Maar hoe de historische details ook mogen zijn, zeker is dat de actie van Gerhard David zo goed als zeker de start betekent van het befaamde Deventer tapijt. Maar is hij de eerste in Nederland? Zoals uit het kader Nijverheidstentoonstellingen op pagina 30 blijkt, wordt in sommige overzichten al vóór 1813 melding gemaakt van Smyrna of Turks tapijt. In het jaarboek Amstelodamum van 1931 wordt verwezen naar een advertentie uit de Amsterdamse Courant van 18 september 1784. Daarin biedt de Amsterdamse firma Bletz ‘wollen Smirnasche karpetten ’aan, die volgens de tekst ‘lokaal’ zijn gemaakt. Maar of dat ‘Smirnasche’ slaat op handgeknoopt of op alleen het dessin dan wel op het gebruikte type wollen garen is niet duidelijk.

Lodewijk Napoleon In literatuur over de Deventer tapijtfabriek kom je nog een legende tegen, maar daarvan is het in ieder geval zeker dat die van geen kanten klopt. Koning Lodewijk Napoleon is (1778-1846)

26


tijdens het Franse bewind een groot stimulator van economie en nijverheid. (Zie ook kader Nijverheidstentoonstellingen pagina 30). In die hoedanigheid bezoekt Lodewijk in 1809 de jonge Deventer tapijtfabriek. Volgens het verhaal is hij zo ingenomen met de producten van de Deventer fabriek dat hij opdracht geeft ‘alle tapijten voor het Koninklijk Paleis op de Dam in Amsterdam te knopen, onder andere het grote tapijt in de Burgerzaal’, zo wil het verhaal. Waar is dat Lodewijk in 1808 het Paleis op de Dam in gebruik neemt als Koninklijk Paleis. Onzin is de bestelling van de tapijten. Zoals we zagen ontstaat het eerste geknoopte Deventer Smyrnatapijt pas in 1813 of nog later. Mooi symbolisch jaartal overigens dat 1813. Keizer Napoleon wordt dat jaar in de Volkerenslag bij Leipzig verslagen. De Fransen worden verdreven uit Nederland. G.K. van Hoogendorp, A.F.J.A. graaf van der Duyn van Maasdam en J.P. graaf van Limburg Stirum schrijven een Grondwet voor het nieuwe Nederland. De uit Engeland teruggehaalde prins Willem VI wordt dat jaar ingehuldigd als Soeverein Vorst der Nederlanden. Wat is het dan prachtig als jouw technischeconomisch wapenfeit in deze illustere rij mag staan. Anderen spreken van 1816 waarin het eerste Deventer handgeknoopt Smyrnatapijt van het weefgetouw komt. De Soeverein Vorst is dan al een jaar koning Willem I. Zeker is dat de start van het Deventer handgeknoopt tapijt samenhangt met de nog tamelijk onoverzichtelijke jaren van na de Franse overheersing en het samengaan met België, Luxemburg en het prinsbisdom Luik in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Veel zaken moeten nog geregeld worden en dat kost tijd. Zo ook het verplicht aanvragen van een octrooi tot een Koninklijke toestemming om een fabriek te mogen starten, of van nieuwe statuten te voorzien dan wel om een nieuw product op de markt te brengen. Ook ontwikkelingen in de Deventer fabriek zelf maken dat de eerste gedachten nu niet echt

27

Afbeeldingen van knopen die meestal gebruikt worden voor handgeknoopt tapijt. De linkse asymmetrische Perzische of Sennah knoop wordt gebruikt voor het Deventer tapijt. Het is die knoop welke Gerhard David Birnie tevoorschijn peutert uit het tapijt van Schimmelpenninck. De Smyrna wordt ook wel de Turkse of symmetrische knoop genoemd.

Anders dan de verhalen suggereren heeft koning Lodewijk Napoleon nooit Deventer tapijt op de vloeren van zijn Koninklijk Paleis op de Dam in Amsterdam gehad. Wel hebben koning Willem I en in ieder geval koning Willem II deze gekocht.


procedé. In Doornik zijn ze niet blij met de plannen van Deventer. Voor de administrateur is dat voldoende om aan de Deventer fabriek mee te delen dat ‘er geene termen bestonden om aan Zijne Majesteit een voorstel te doen tot het toestaan van het verlangd privilége’. Savonnerie is minder een soortnaam, maar meer een verwijzing naar een oude zeepfabriek in Parijs waar de Franse tapijtindustrie ooit wordt geconcentreerd. De binnenplaats van de fabriek.

uitgaan naar het aanvragen van een dergelijk octrooi. Men heeft in Deventer meer aan het hoofd. In 1817 stapt Van Doorninck uit de directie en doet zijn deel over aan P. van Calcar. In 1819 overlijdt de jonge Gerhard David, de jeugdige ontwikkelaar van het handgeknoopt. Dat octrooi tot het produceren van handgeknoopt Smyrnatapijt wordt door de Deventer fabriek pas ingediend in 1829. Je zou kunnen zeggen dat de productie voor die tijd in feite illegaal is. Met de aanvraag voor dit sinds 1817 wettelijk verplichte octrooi gaat het bijna fout.

Die van Doornik zijn niet blij Het octrooi wordt aangevraagd bij de Administrateur voor het Onderwijs, de Kunsten en Wetenschappen verbonden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Brussel. De administrateur twijfelt of het Deventer product wel iets nieuws is binnen de landsgrenzen van het Verenigd Koninkrijk. Want dat is wel een vereiste. Hij vraagt de gouverneur van het Departement Henegouwen om in de tapijt- en textielstad Doornik te informeren in hoeverre zijn twijfel gegrond is. Van Schermbeek blijkt in zijn toespraak in 1897 te beschikken over het antwoord dat Burgemeester en Schepenen van Doornik aan de gouverneur berichten. Smyrnatapijt bestaat al, luidt het antwoord. Het wordt gemaakt door de Firma Piat Levebvre et fils in Tournay. (Doornik) Het wordt geen Smyrna genoemd, maar ‘genre Savonnerie’ en geschiedt volgens het zelfde

Van Schermbeek legt in zijn toespraak uit dat het verhaal uit Doornik ten enenmale niet klopt. De bedoelde Savonnerie-tapijten worden geknoopt - dat wel dus - over een houten roedje, dat aan één uiteinde is voorzien van een mesje. Dat roedje wordt als het vol is door de rij ontstane lusjes getrokken waardoor het mesje deze doorsnijdt en er aldus twee pooltjes ontstaan. Afwijkend van het Deventer product zijn volgens Van Schermbeek ook de gebruikte materialen voor ketting en inslag. Wel geeft hij toe dat in voltooide staat Smyrna- en Savonnerietapijt een zekere overeenkomst in uiterlijk vertonen, maar dat de fabricage aanzienlijk verschilt. Na de afwijzing zijn ze in Deventer kwaad. De Deventer directie schrijft een brief op poten aan de minister van Binnenlandse Zaken. Omstandig wordt hierin uitgelegd dat Savonnerie vervaardigd wordt van sajet en linnen garen en Smyrna van wol. Je kunt het verschil goed zien aan de achterkant. Savonnerie is ‘onegaal’ en Smyrna ‘egaal’. Maar dat niet alleen! Wat te zeggen van het verschil in dessins! Want ligt het Smyrna niet in de kostbaarste zalen en kamers van het koninkrijk en elders. Dat is niet voor niks het geval. De fabriek gaat lobbyen. Ondermeer via een brief aan de gouverneur van Overijssel, baron Bentinck. Die weet de administrateur in Brussel om te krijgen. De aanvraag bij koning Willem I gaat nu wel de deur uit. Op 17 april 1829 verleent de koning het zo vurig gewenste octrooi. Doornik was verslagen; Deventer had gezegevierd’, juicht Van Schermbeek in zijn toespraak.

28


Laat met de Jacquard Hoewel we spreken van een fabriek is er op dit tijdstip nog geen sprake van echte industriële mechanisatie. In Deventer hebben we dan te maken met handgeweven Schots tapijt met simpele, rechthoekige dessins en handgeknoopt Smyrna met veel kleur en uitbundigheid. Dat is in feite ronduit merkwaardig. Sinds 1808 is het mogelijk om op deels mechanische wijze tapijten te weven met ingewikkelde patronen. Dit dankzij de uitvinding van de Fransman Jacquard. De machine die hij ontwikkelt krijgt ook zijn naam. Sinds die tijd tot aan de dag van vandaag spreekt men van ‘Jacquard weven’ als het gaat om de uitvinding waarmee veel kleur en in gecompliceerde dessins tapijten en andere textielproducten kunnen worden geweven. (Voor verdere informatie over dit onderwerp zij verwezen naar het kader Jacquard bij het vorige hoofdstuk pagina 19.) Bij toepassing van een Jacquard-mechaniek spreken we nog niet over machinaal weven. De wever bedient zelf het getouw. Van centraal aangestuurde mechanisatie is pas sprake na de invoering van de stoommachine en wat betreft aandrijfkracht spreken we in Nederland dan over de periode tussen ongeveer 1840 en 1850. Bij de Deventer tapijtfabriek duurt het tot 1838 alvorens ook daar Jacquard geweven wordt. Al die jaren zijn de geweven, let wel niet de geknoopte, dessins noodgedwongen simpel daar het volledig handwerk blijft. De Jacquardmachine krijgt men in bezit uit de boedel van een geliquideerde concurrent, Cohen uit Baarn. Pas dan kunnen meer verfijnde dessins worden geweven. Zoals het Doorniks tapijt. In Doornik kunnen ze nu wel opnieuw kwaad worden, maar dat heeft geen zin meer omdat België zich inmiddels in 1830 heeft afgescheiden van Nederland. Wel is het zo dat de fabriek inmiddels een goede naam heeft verworven met het handgeknoopt Smyrna. Ook al wordt het vereiste octrooi pas in 1829 aangevraagd. In dit licht is het

29

Binnenplaats ververij.

Presentatietekening van één van de vroegste dessins van de Deventer tapijtfabriek. Datering is 1815-1830. Het gehele vlak is gevuld met geometrische motieven als achtpuntige sterren en een langwerpig bloemmotief. Het bijzondere van deze tekening is een opgeplakte variant - mogelijk op verzoek van de klant - in de rand links boven. (Collectie Rijksmuseum)

Johan Willem Birnie (1803-1848) geeft de fabriek een sterke impuls en staat bekend als een sociaal werkgever.


Nijverheids- en Wereldtentoonstellingen Een gewonnen medaille doet beter verkopen De 19e eeuw is in Nederland de eeuw van de industrialisatie. De eeuw van de mechanisatie en de ontwikkeling van nieuwe technieken en producten. Sturende krachten die hierbij een belangrijke rol spelen, zijn de nationale nijverheidstentoonstelligen en wereldexposities. Dit zijn grote manifestaties waar deelnemende fabrikanten en andere maatschappelijke en technische vernieuwers zich in de schijnwerpers kunnen plaatsen en zich kunnen meten met binnen- en buitenlandse concurrenten. Een grotere naamsbekendheid en gewonnen medailles doen nu eenmaal beter verkopen. Organiserende steden en landen plaatsen zich hiermee op een hogere sport van de economische ladder. We hebben het hierbij over de periode van globaal 1808 tot 1890. Prijzen voor nijverheid worden in Nederland overigens al toegekend sinds 1777 als direct effect van de oprichting van de Oeconomische Tak van de Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. Bij tapijten die regelmatig in de prijzen vallen gaat het meestal om Schotse tapijten. Niet zo verwonderlijk: veel andere soorten zijn er dan nog niet. Tapijt is nog niet echt een gangbaar product. Schotse tapijten hebben rechthoekige patronen. Bijzonder is een vermelding van een zilveren medaille voor een monster van ‘Smyrnasch Carpet’ van Klaas Kool jr. uit Hilversum. In 1785 wordt er een ‘Turksch tapijt’ ingestuurd. Betekent het insturen van een monster dat de fabriek van Kool nog niet toe is aan de productie van echte karpetten? Voorts zegt de benaming Turks ook weer niets. Wordt hier een bepaald soort patroon bedoeld of ook de toegepaste techniek van het knopen? Verhelderende informatie ontbreekt. Na opheffing van de gilden in 1798 krijgen de nijverheidstentoostellingen meer vorm. In feite moet je deze tentoonstellingen zien als een voortzetting van de middeleeuwse jaarmarkten nog onder de dominantie van de gilden. De naam Oeconomische Tak verandert in de Vereniging ter Bevordering van de Fabrieks- en Handwerknijverheid. Welke later weer wordt gewijzigd in de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel. Samen met de Verenging voor Volksvlijt tekent zij voor de organisatie van tentoonstellingen. In de Franse tijd wordt er door koning Lodewijk Napoleon echt serieus werk van gemaakt. In 1809 schenkt Lodewijk een gouden horloge aan de 13-jarige zoon Gerrit van tapijtfabrikant Petrus Haan, ook uit Hilversum, voor diens Smyrnasch tapijt. Interessant is de beschrijving in een lijst van deelnemende fabrieken de vermelding van de deelname van P. van Calcar & Co in datzelfde jaar. De Deventer fabriek toont niet nader omschreven ‘vloerkleden’. Geen vermelding ‘Smyrna’ of ‘Turks’. Het zijn slechts vage beschrijvingen, maar kennelijk zijn er elders in het land al beginnende fabrikanten doende Smyrnase tapijten te vervaardigen. Hoe laat zich niet vaststellen, maar in ieder geval vóór de ontwikkeling ervan door David Gerhard Birnie in Deventer. In historische studies over de tapijtindustrie wordt wel algemeen vastgesteld dat begin 19e eeuw Birnie, Sauter, Van Calcar en Van Doorninck uit Deventer beginnen met de productie van handgeknoopt tapijt, zoals beschreven in Hoofdstuk 2.

30


Koning Willem I gaat na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 door met het organiseren van groot opgezette nijverheidstentoonstellingen. Zij passen naadloos in zijn politiek gericht op de ontwikkeling van nijverheid en handel. Een uitspraak van de door koopman-koning Willem I in 1824 opgerichte Nederlandse Handel Maatschappij maakt duidelijk hoe nodig deze tentoonstellingen worden gevonden: ‘De Nederlander, vooral in onze eeuw, is niet ondernemend. De onzekerheid van de uitkomst houdt hem ligter terug dan enig anderen landaart. Hij neemt het zekere voor het onzekere; leeft liever bekrompen, als klein rentenier, dan zijn fonds in enig bedrijf te wagen dat elken dag aan nieuwe concurrentie bloot Diploma Internationale staat. Hij zoekt liever met de verbazende jagt eene Nijverheidstentoonstelling Philadelphia 1876. klein postje, eene klerksplaats, alles wat eene kleine maar zeker bestaan geeft, dan dat hij eene burgerlijk bedrijf bij de hand neemt dat geld kost en geheel onzeker is’. De Deventer tapijtfabriek behoort duidelijk niet tot dit volgens Willem I deerniswekkend type landgenoten. De Deventer tapijtfabriek is met regelmaat terug te vinden in de lijsten van deelnemers. Meestal onder de naam P. van Calcar, soms met de toevoeging Birnie en na 1849 onder vermelding van de naam W.F.Kronenberg als directeur. Met succes.

Een greep uit de vele tentoonstellingen: 1820- Gent In juryrapporten worden de tapijten en matten van de Deventer fabriek beschreven als ‘voorwerpen van nuttig en huiselijk gebruik’ en ‘voorwerpen van weelde’. E.G. Cohen uit Baarn en P. van Calcar en G. Birnie uit Deventer worden genoemd als de belangrijkste noordelijke tapijtfabrikanten met hun ‘oosterse tapijten, sterk en met levendige kleuren’. Stevige kritiek heeft de jury wel op de patronen. Deze zijn ‘zonder smaak en onregelmatig van tekening’. Toch krijgen beide fabrikanten zilver. 1825 - Haarlem De jury constateert vorderingen. Cohen krijgt weer zilver voor een ‘oosters tapijt’. Van Calcar niets. Koning Willem I koopt twee tapijten voor f 125, - en f 1200, - van Cohen. Andere nationale tentoonstellingen met uit Deventer de volgende producten zijn onder andere: • 1835 - twee Smyrna en twee Schotse tapijten • 1830 - drie Smyrnatapijten waarvan één met een medaillon met het wapen van Brussel • 1847- diverse Smyrna en Doornikse tapijten waarvan sommige op de Jacquardmachine • 1849 - tapijten type Perzisch en type Smyrna • 1852 - Deze inzending verwijst naar het succes op de eerste Wereldtentoonstelling van 1851 waar de nu getoonde Perzische tapijten van respectievelijk f 950, - en f 1200, - zijn bekroond. Voorts een Smyrnatapijt van f 600, -.

31


In de lijst van deelnemers komt ook een enkele keer de Deventer Cocos Weverij van Hubers voor. En wel in de jaren 1852, 1861, 1866 en 1868. In Deventer bestaat in die tijd ook nog de Tapijtfabriek van Maurits Prins. Deze wordt in de lijst vermeld in 1868 met een ‘nagemaakt Coblin’ (Gobelin?) tafelkleed en in 1877 met een niet nader beschreven karpet. Het jaartal 1868 is vreemd omdat de tapijtfabriek van Prins start in 1869. De eerste wereldtentoonstelling is in Londen in 1851. Ook talrijke Europese steden organiseren Wereldtentoonstellingen. Parijs is zeer actief. In 1855, 1863, 1867, 1878 (elektrische straatverlichting) en 1889 (Eiffeltoren), Wenen 1873 en buiten Europa Philadelphia 1876. In de jaren zeventig van de 19e eeuw brengen de nijverheidstentoonstellingen de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek klinkende successen. In 1877 en 1879 wordt voor het eerst de naam Deventer Tapijt als soortnaam gebruikt. De fabriek wordt in die periode geleid door W.F. Kronenberg. Regelmatig valt hij in de prijzen. Juryrapporten hebben het over de ‘heerlijke’ tapijten, vloerkleden en karpetten van W.F.Kronenberg uit Deventer. De KDT weet zich zo zeer in de kijker te spelen dat in kringen van kenners en beoefenaren van kunstnijverheid de Deventer fabriek geldt als hét centrum van de tapijtindustrie. Op de expo van Amsterdam in 1877 is er goud voor de KDT. De fabriek valt op door zijn kleuren en patronen. De concurrenten in het handknopen, Garjeanne in Amersfoort en Heukensfeldt in Delft, worden ook goed genoemd, maar er blijft nog heel wat te wensen. Deze twee krijgen brons. In juryrapporten wordt in die tijd nogal eens geklaagd dat het met de Nederlandse kunstindustrie - waartoe ook een handgeknoopt tapijt wordt gerekend - in het algemeen slecht gesteld is. Dan springt het rapport voor de KDT in 1879 bij de tentoonstelling in Arnhem hier ver bovenuit. Er is veel roem voor de Koninklijke uit Deventer. Hij wordt genoemd als ‘één van de weinige die op de hoogte waren van de eisen des tijds en in staat de verworven en verleende roem te handhaven’. Het ingezonden grote salontapijt is volgens de jury ver te verkiezen boven vele Franse en Engelse tapijten, ‘die maar steeds bestrooid blijven met die eeuwige bloemen’. merkwaardig dat de fabriek reeds in 1820 een zilveren onderscheiding krijgt op de nijverheidstentoonstelling in Gent. Met in feite illegaal tapijt. Hoewel daar geen harde bewijzen voor zijn, moet dit haast wel zijn gegaan om handgeknoopt. De andere tapijten zijn eigenlijk te simpel om in de prijzen te kunnen vallen. Het handgeknoopt tapijt uit Deventer weet zo in het midden van de 19e eeuw zijn plaats op de markt te veroveren. In binnen- en buitenland. Het succes dankt het aan de bijzondere eigenschap dat het tapijt in welhaast elke gewenste vorm, maat of kleur en met een keuzemogelijkheid uit een keur aan dessins besteld kan worden: kamerbreed, eventueel met aparte toevoegingen voor erkers en traplopers, die zonder naden of

vouwen meelopen met de ronding van de trap. Aan de productie van een gemiddeld tapijt wordt gewerkt door twaalf tot twintig knoopsters. Een op de individuele productie afgestemde betaling houdt het tempo er bij de knoopploegen goed in. In zes dagen kan een tapijt van vijf bij vijf meter worden vervaardigd. Over een Deventer tapijt te spreken als vloerbedekking is bijna oneerbiedig. Het behoort tot de kunstnijverheid of wordt zelfs gezien als een kunstuiting. Maar hoe dan ook, het zal toch op de vloer gelegd dienen te worden. Het wordt uit praktische redenen vaak besteld met een extra brede rand zonder dessin. Bij het leggen kan het dan gemakkelijk passend worden gesneden. Met speciale haken en ringen wordt

32


De ververij. Drogen van de geverfde wol. Verslaggever Johan Gram van de het Algemeen Handelsblad brengt op 28 juni 1881 een bezoek aan de fabriek. Hij neemt ook een kijkje in de ververij en drogerij. Na zijn beschrijving van de kokende en borrelende ververij beschrijft hij de droogplaats die door ‘het stoomwerktuig op de verlangden warmtegraad is gebracht, eene hitte van de woestijn in Senegal. De geverfde wol moet hier zacht drogen daar anders de kleuren donkerder wordt’.

het vervolgens van plint tot plint gelegd. Overigens is van enige oneerbiedigheid bij de eigenaren geen sprake. Bij verhuizing of erfenis wordt het voor de nieuwe omgeving passend gemaakt. Zo’n kleed doe je niet weg. Zelfs bij grote slijtage worden de reststukken verwerkt tot kleedjes of kussens.

1848 Dan dient zich het jaar 1848 aan. Revolutie en onrust trekken een spoor van heftige veranderingen door heel Europa. Niet alleen negatieve. Het jaar mag aangemerkt worden als het stamjaar van de democratische omwenteling in diverse landen. Ook in Nederland, waarvan we uit onze geschiedenisboekjes van school weten dat koning Willem II (1792-1849) van de ene op andere dag democraat wordt door zich te scharen achter de door Thorbecke geschreven, nieuwe Grondwet. Maar het is tevens een periode van ernstige economische tegenwind. Ook voor de sinds 1837 Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. De orders blijven achter. Sluiting dreigt.

33

Op 9 maart 1848, nog geen jaar na de uitbundige viering van het 50-jarig bestaan, krijgt de fabriek de dreun te verduren van de dood van Johan Willem Birnie. Hij verdrinkt zich in een meer bij Bad Bentheim. Hij ziet geen uitweg meer uit de economische ellende die zich van zijn bedrijf meester heeft gemaakt. Onwetend dat het tij een paar jaar later weer ten goede zal keren.

Sociale werkgever Johan Willem Birnie ontpopt zich bij zijn aantreden als directeur van de fabriek na het overlijden van zijn vader in 1830 als een sociale werkgever. En dat in een tijd dat er nog beperkt sprake is van industrialisering en de erbij behorende sociale omstandigheden die gerichte aanpak noodzakelijk maken. Een echte pionier dus. Niet alleen wat betreft zijn producten, maar ook op het gebied van het welvaren van hen die deze vervaardigen. Hij start fondsen voor geneeskundige behandelingen en voor het lenigen van begrafeniskosten. Hij begint een bedrijfsschool. Gezegd moet worden dat


Het predikaat ‘Koninklijk’ De Deventer tapijtfabriek is gerechtigd het predikaat ‘Koninklijk’ te voeren. In de periode van koning Willem I is deze titel ook weer een sturend onderdeel van zijn politiek gericht op groei van nijverheid en handel. Naast de titel ‘Koninklijk’ verleent het hof ook de kwalificatie ‘Hofleverancier’, dat daarvoor ‘Koopman des Konings’ wordt genoemd. Lang worden beide begrippen door elkaar heen gehanteerd. Beide predikaten of brevetten, zijn duidelijk een uitvloeisel uit de Napoleontische tijd. Koning Lodewijk Napoleon introduceert al direct bij aanvang van zijn regeerperiode (1806-1810) de begrippen ‘Royale’ (Koninklijk) en ‘Marchand du Roi’ (Koopman des Konings). Instellingen van nationaal belang krijgen van hem het predikaat Koninklijk, zoals in 1808 het Koninklijk Museum in Amsterdam ( het latere Rijksmuseum) en het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten ook in Amsterdam. De titel Marchand du Roi geldt voor kleine ambachtslieden en middenstanders die daadwerkelijk aan het hof leveren. De titel ziet hij ook als stimulans voor de het opkrikken van de bedrijvigheid in Nederland, die als gevolg van de Jan Saliegeest uit de 18e eeuw danig is ingezakt. Lodewijk Napoleon heeft de goede gewoonte zoveel mogelijk te bestellen bij Hollandse handswerklieden. Op zijn dienstreizen door het land gaat hij vaak op bezoek bij ambachtslieden en fabrieken. In 1809 bezoekt hij ook Deventer. Niet alleen de tapijtfabriek maar ook de bakkerij van G. van den Toorn, bekend om zijn Deventer koek. Volgens overlevering laat Lodewijk zich alles uitleggen en proeft met smaak van de koek. Hij doet een bestelling en wil vertrekken. Waarop mevrouw Van de Toorn naar buiten rent en roept: “M’neer ef vergeten um te betalen.” Lodewijk begrijpt het, wenkt een dienaar en met een handdruk ‘zwaar van goud’ wordt de zaak opgelost. Na het vertrek van de Fransen en zijn terugkeer uit Engeland neemt koning Willem I dit koninklijk gebaar over. Hij verleent aan diverse bedrijven het predikaat Koninklijk als stimulans voor die ondernemingen en daarmee van de Nederlandse economie. (zie ook kader Nijverheidstentoonstellingen pagina 30). In het bedrijfsarchief van de KDT bevindt zich een handgeschreven kattebelletje waaruit moet blijken dat in 1848 door koning Willem II aan de Deventer tapijtfabriek het predikaat Koninklijk is verleend. Dit samenhangend met het 50-jarig bestaan. Willem II wordt in het briefje tevens aangeduid als aandeelhouder. Hier is sprake van een enigszins verdraaide werkelijkheid. Het 50-jarig bestaan viert de fabriek in 1847. En in 1848 verandert het bedrijf na de dood van Johan Willem Birnie van een familiebedrijf in een open naamloze vennootschap. Het is in die tijd zo dat bij een verandering van de bedrijfsstructuur en daarbij behorende nieuwe statuten, er Koninklijke goedkeuring moet worden verleend. Dat Willem II aandeelhouder zal zijn geweest lijkt ook al onwaarschijnlijk omdat hij op het moment van de daadwerkelijke start van de NV in 1849 overlijdt en wordt opgevolgd door Willem III. In een lijst van aandeelhouders uit 1851 blijkt dat prins Frederik (1797-1881), de zoon van Willem I en de broer van Willem II, aandeelhouder is. Als enige van het koningshuis. Het predikaat Koninklijk is ouder. Al in de beginperiode van Willem I is sprake van het verlenen van dit predikaat aan een fabriek van ‘Smyrna en andere tapijten’, hetgeen correspondeert met de naam van de Deventer tapijtfabriek. Uit die begintijd ontbreekt een duidelijke registratie. Op 34


één van de oudste bewaarde briefhoofden uit 1838 wordt de fabriek al de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek genoemd. Bij navraag bevestigt de Dienst Koninklijk Huis dat het predikaat is verleend op 19 mei 1837 en op 22 mei per brief is gemeld aan het gemeentebestuur van Deventer. Bij het gereedkomen van de nieuwe fabriek in 1904 geeft het Koninklijk Huis toestemming dat ‘in het verlengde van het predikaat Koninklijk ook het koninklijk wapen van Hare Majesteit mag worden gevoerd’. Het predikaat wordt ook opnieuw toegekend in 1919 voor de Verenigde Koninklijke Tapijtfabrieken die ontstaat na het overnemen van de Deventer fabriek door de Koninklijk Tapijtfabriek Werklust in Kralingen v/h W.J. Stevens en Zn. (zie Hoofdstuk 4) hij daarmee ook zeker zijn eigen belang dient. Er is geen opleiding voor tapijtknoopsters en zo’n scholing vergt vele maanden. Jeugdige werknemers zijn verplicht godsdienstonderwijs te volgen. Tegen de vaak elders gangbare praktijk in verbiedt hij het gebruik van sterke drank in de fabriek. Verder betaalt hij het weekloon uit op donderdag, zodat het kan worden besteed op de Deventer vrijdagmarkt. Na zijn dood wordt dit sociale patroon door de nieuwe directie verder uitgewerkt. De Koninklijke blijft op dit terrein voorop lopen. De dood van Johan Willem is uiteraard een groot drama binnen de familie Birnie. Maar daarnaast is de familie Birnie ook de fabriek. Dat is het geval sinds Johan Willem bij de dood van zijn vader George in 1830 compagnon Van Calcar deels uitkoopt en in 1832 het resterende deel verwerft. Sinds dan is de familie Birnie enig eigenaar. Een opvolger uit familiekring voor Johan Willem is er evenwel niet, door de minderjarigheid van de mogelijke opvolgers. Wat moet er nu met de fabriek gebeuren? De familie staat daarin niet alleen. Een groep Deventer notabelen, tevens crediteuren, zeg geldschieters, van de fabriek vormen direct een commissie. Als vertegenwoordigers van de belangen van de erfgenamen, maar eigen (geld) belang zal toch ook wel hebben meegespeeld. In de bewaarde notulen van deze commissie kunnen we lezen hoe de groep beslist over de toekomst van de tapijtfabriek.

35

De leden van de commissie zijn: J. Kobus; G. Vermeer Johz; B.J. Wernink en L. Hulscher. Al op 20 maart 1848 gaan zij aan de slag.

De benoeming van W.F. Kronenberg Opmerkelijk is dat in familiekring bekend is dat de overleden Johan Willem zich meermalen heeft uitgelaten over een eventuele compagnon. Het liefst zou hij dan Willem F. Kronenberg benoemen. Willem Frederik Kronenberg is geen vreemde voor de fabriek. De dan 32-jarige Kronenberg is al geruime tijd werkzaam in de wolhandel van zijn vader in Deventer en doet al de nodige jaren zaken met de tapijtfabriek. Zijn expertise is voor de fabriek met wol als belangrijkste grondstof een belangrijk aspect. De commissie beveelt Kronenberg aan als nieuwe directeur en de crediteuren gaan akkoord. Zijn opdracht is bij zijn aanstelling eigenlijk niet meer dan de fabriek en zijn werknemers op een nette manier naar het einde te begeleiden. Uiteraard met zorg voor de belangen van erfgenamen en crediteuren. Kronenberg krijgt de verantwoordelijkheid voor het uitbetalen van de lonen; het afwerken van nog uitstaande bestellingen en de verkoop van de fabriek. Kronenberg laat zich begeleiden door de Deventer jurist H.W. Jordens. Het duo treedt streng op. Crediteuren worden te verstaan gegeven dat niemand de fabriek in mag zonder uitdrukkelijke toestemming van één van beiden.


ook de schulden terugbetaald kunnen worden. Prettig nieuws voor crediteuren.

Koninklijke hulp

Voorpagina van het notulenboek van de speciale commissie die zich na de zelfmoord van Johan Willem Birnie in 1848 buigt over de toekomst van de fabriek.

De commissie plaatst op 15 juni 1848 de volgende advertentie in een aantal binnen- en buitenlandse kranten: ‘Uit de hand wordt te koop aangeboden Fabrijk van Smyrnasche, Schotse, Doornikse en andere tapijten, vaak bekroond, onder de naam P. van Calcar & Cie. Alsmede een stoomververij en machinale door stoom gedreven wordende wolspinnerij met woonhuizen, koetshuis en bergplaatsen.’ De verkoop slaagt niet. De commissie stelt vast dat ontbinding van de zaak niet mogelijk is door de onrust der tijden in Europa. Er melden zich geen kopers, wel klanten met nieuwe bestellingen. De commissie houdt de zaak opnieuw tegen het licht. Opmerkelijk is dat in de notulen nu vastgesteld wordt dat ‘de zaak goed draait, zeker gezien de tijdsomstandigheden’. Besloten wordt de zaak voort te zetten en om te vormen tot een naamloze vennootschap. Een tussentijdse rapportage van Kronenberg zal zeker van invloed op de besluitvorming zijn geweest. Hij laat optekenen vol lof te zijn over de steun van de meesterknechts en dat de wolspinnerij weer volop draait. Als belangrijk aspect in de besluitvorming noemt hij ook de meer dan 200 afhankelijke huisgezinnen in Deventer. Voorts stelt hij dat een vennootschap tot instandhouding van de fabriek betekent dat

Tot zijn tevredenheid kan Kronenberg melden dat al 40 mensen zich hebben gemeld met de toezegging als aandeelhouder deel te zullen nemen in de nieuwe NV. ‘Niet in de minste plaats door de krachtige hulp van de Koninklijke familie en andere vermogenden’, zo laat Kronenberg weten. Op 14 december is de lijst van aandeelhouders volgetekend voor een kapitaal van f 100.000 in aandelen van elk f 1000. Op 1 januari 1849 gaat de NV Maatschappij tot voortzetting van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek v/h P. van Calcar & Cie van start. Onder de aandeelhouders bevinden zich erfgenamen van de in 1849 overleden koning Willem II met vijf aandelen en prins Frederik (1797-1881) - de broer van Willem II - met 3 aandelen. Op een lijst van aandeelhouders uit 1851 wordt nog alleen prins Frederik genoemd. Enig bewijs dat ook koning Willem III aandeelhouder van de KDT is geweest, zoals regelmatig in publicaties wordt beweerd, is niet aangetroffen. In een brief aan de commissie laten B & W van Deventer weten met groot genoegen te hebben vernomen dat de fabriek zal blijven voortbestaan. ‘En niet alleen om het belang van de crediteuren en dat van de weduwe Birnie en nagelaten kinderen, maar ook in het belang van de stad en hare minvermogende ingezetenen’. De weduwe Birnie dankt de commissie voor de getroffen regeling waardoor zij in staat is ‘met overleg en spaarzaamheid in het onderhoud van mij en mijne kinderen te kunnen blijven voorzien’. Willem F. Kronenberg (1816-1892) zal de fabriek 44 jaar dienen. Tot aan zijn dood in 1892. Onder zijn leiding komt de fabriek tot grote bloei. In binnen- en buitenland. Daarbij stevig geholpen door de na 1850 ingezette groeiende welvaart waardoor de vraag naar luxe tapijten toeneemt, maar zeker ook die naar de eenvoudiger kleedjes

36


Na het knopen en vervolgens het scheren van het nieuwe tapijt met behulp van een kromme schaar wordt het over een klopstok gehangen en met een mattenklopper ontdaan van pluizen en andere resten. Foto is van rond 1900.

voor de huizen van de meer gewone burgers. Producten van de Koninklijke vallen regelmatig in de prijzen op internationale nijverheidstentoonstellingen. Daarnaast staat Kronenberg bekend om zijn vakmanschap en wordt hij geroemd om zijn beleefde omgangsvormen met een ieder van hoog

tot laag. Het door Birnie ontwikkelde sociale patroon wordt door Kronenberg voortgezet. De fabriek heeft het predikaat Koninklijk, maar nog vaker zal de KDT de komende decennia de ‘fabriek van Kronenberg’ worden genoemd.

De heibaas en zijn knoopsters De wereld van ruitjes en roedjes Anders dan in een mechanische tapijtweverij is de personele opbouw van de Smyrna-afdeling waar het Deventer tapijt geknoopt wordt. Er is sprake van meer functies en meer handen die zorgen dat het kroonjuweel van de fabriek in al zijn pracht bij de klant komt. Het begint bij de ontwerpers en daarna nemen de tekenaars het over en brengen het patroon over op ruitjespapier. Elk ruitje staat voor een knoop. Het vel papier wordt in kleinere stukjes geknipt en elke knoopster krijgt een deel. De wollen pluisjes in de te gebruiken kleuren liggen gereed. Naast elkaar zittend knopen de vrouwen en meisjes in de verticaal gespannen kettingdraden een zogenaamd roedje: een rij knopen in de breedte van het tapijt. Precies volgens de ruitjes op het papier. Als het roedje af is, wordt er met enige kracht een inslag, meestal van wol, soms van jute of katoen, aangebracht die zorgt voor de gewenste stevigheid van het tapijt. Zodra het roedje voor de knoopsters te hoog komt te zitten, dan draait de heibaas het deel van het tapijt dat gereed is op een zich aan de voorkant van het getouw bevindende boom en komt de ketting een stuk omlaag. Afhankelijk van de te produceren kwaliteit van het tapijt, dan wel van de dikte van de wollen pooldraad, bestaat een handgeknoopt tapijt globaal uit het volgende aantal knopen per m2: Van 17.000 voor een normale kwaliteit tot wel 90.000 voor een zeer fijne kwaliteit. In z’n algemeenheid geldt: hoe dunner de wol, hoe meer knopen. En hoe meer knopen, hoe steviger het tapijt.

37


Uit een opgave uit 1920 weten we hoe de afdeling in die tijd is opgebouwd: • Ontwerpers en tekenaars 5 • Heibazen 7 • Kleurenzoeker 1 • Knippers 3 • Poolsnijders 2 • Doordraaiers 4 • Doordraaister 1 • Gehuwde knoopsters 16 • Ongehuwde knoopsters 34 (beginnen vaak al op hun twaalfde) • Reparateurs 8 (deze doen ook de expeditie en assisteren bij grote tapijten de knippers) Er zijn enkele vermeldingen van uitzonderlijke dienstjaren in het overzicht. Bijvoorbeeld bij de doordraaiers: • P.J. Savelkoel, is dan 71 en heeft 62 dienstjaren en moet derhalve op z’n negende of tiende zijn begonnen. • H.J. Rosenboom, 69 jaar met 61 dienstjaren Of bij de knippers: • A.Voortman, 60 jaar met 51 dienstjaren • R.Kroon, 54 jaar met 42 dienstjaren

Sfeerfoto van een knoopster.

Tenslotte reparateur G. W. Lasthuis, 59 jaar met 52 dienstjaren. Al met al lijkt het na het wettelijk verbod op de kinderarbeid door het Wetje van Van Houten uit 1874 welhaast onmogelijk, maar het staat er echt. Bij de productie van het Deventer tapijt is de heibaas een speciale figuur. Hij is de baas van het getouw en dus ook van de knoopsters. Hij voert de groep aan en houdt het tempo erin. Dat is niet alleen in het belang van de directie, maar ook in dat van hem zelf. Zijn loon is gerelateerd aan het aantal knopen dat de vrouwen leggen. Valt er bij ziekte een knoopster weg, dan daalt niet alleen de productie, maar ook het loon van de heibaas. Voorts hangt het heiloon ook nog af van de breedte van het tapijt. Hoe Knoopsters naast elkaar aan het werk. Voor hen de bak breder, hoe meer knopen en hoe meer loon. waarin zich de pluisjes bevinden. (foto ca. 1950) Hoe uiteindelijk de berekening van het loon tot stand komt wordt in het document niet duidelijk. Maar per week komt dat voor een heibaas neer op rond de 29 gulden. Een mechanische wever komt met 33 tot 34 gulden hoger uit. Een tapijtknoopster verdient per week gemiddeld 17 tot 18 gulden.

38


De heibaas is het hoofd van het getouw en de baas van de knoopsters. Hij zorgt ervoor dat de productie soepel verloopt. Al draaiend rolt hij het geknoopte tapijt op een boom en voert hij een nieuw deel van de ketting aan, zodat het knoopproces niet stagneert. 39


Willem Frederik Kronenberg (1816-1892): van wolhandelaar tot gewaardeerd fabrieksdirecteur.

40


De Koninklijke van Kronenberg (1848-1892) Periode van succes en expansie

Na de dood van Johan Willem Birnie in 1848 komt de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek op 1 januari van het jaar daarop met Willem Frederik Kronenberg (1816-1892) aan het roer in een andere fase terecht. Van familiebedrijf wordt het nu een open Naamloze Vennootschap. De tweede helft van de 19e eeuw is er één van succes en expansie. De fabriek maakt naam en faam in binnen- en buitenland. Keren we weer even terug naar de al in Hoofdstuk 1 opgevoerde verslaggever van de Katholieke Illustratie. Nadat hij in het begin van zijn artikel uit 1882 Deventer heeft beschreven als ‘één van de eerste zetels van de Tapijtfabrikatie’, zet hij in alle duidelijkheid de toon voor wat in zijn verhaal nog meer aan de orde zal komen. Hij vervolgt met: “En nu is er weer één die voor een eerste van de hele wereld kan doorgaan.” Hij verwijst bij deze vleiende kwalificatie naar het oordeel van de jury van de laatst gehouden Wereldtentoonstelling in Parijs. Langzaam wordt het de lezer meer duidelijk. De auteur blijkt in gesprek te zijn met directeur W.F. Kronenberg. Die is directeur van 1848 tot aan zijn dood in 1892. Hij geeft de journalist van de Katholieke Illustratie een afschrift mee van het juryrapport uit Parijs. Welke

41

Wereldtentoonstelling het betreft wordt niet vermeld, maar daar het jaar van publicatie in de Katholieke Illustratie 1882 is, moet het wel die uit 1878 zijn. Daar bevindt zich in het historisch bedrijfsarchief in ieder geval een bewijs van. Een prijscourant uit 1893 verwijst naar de gewonnen gouden medailles in genoemd jaar alsmede in 1889. Twee bijzondere exposities, met respectievelijk de presentatie van de elektrische straatverlichting, naast Alexander Graham Bell’s telefoon, de megafoon en fonograaf van Thomas Edison en het in delen voltooide Vrijheidsbeeld; toen nog bedoeld als vuurtoren voor de ingang van het Suezkanaal. Pas in 1886 gaat het beeld als geschenk van de Franse staat naar de Verenigde Staten als een ietwat verlaat cadeau ter gelegenheid van de 100-jarige verjaardag van de Onafhankelijkheidsverklaring in 1876. Op de Wereldtentoonstelling van 1889 is de Eiffeltoren


de grote verrassing. En daar ligt het Deventer tapijt dan onder … Naast die van Parijs toont Kronenberg ook de gouden, zilveren en bronzen medailles; verkregen op 20 exposities in binnen- en buitenland. Plus de gouden medaille van verdienste uitgereikt door koning Willem III.

Statutenwijziging uit 1869. De fabriek is sinds 1849 een NV en directeur van de fabriek is dan al enige tijd Kronenberg, maar de naam P. van Calcar & Co blijft gehandhaafd.

Het Parijse juryrapport gebruikt de auteur als basis voor het portret van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. De Parijse jury spreekt haar oordeel uit over drie hoofdthema’s: 1. de keuze van de tekeningen 2. de goede sortering der kleuren 3. de regelmatigheid van de fabrikatie Deventer krijgt goud samen met: • Haas & Zonen uit Wenen • Templeton uit Glasgow • Koninklijke Fabr. uit Windsor

Affiche van de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs met de Eiffeltoren. Ook het Deventer tapijt is daar te bewonderen.

Kronenberg is mogelijk te bescheiden, maar hij had de verslaggever op meer prachtige successen kunnen wijzen. In 1855 mag de fabriek een tapijt leveren aan de keizer van Japan. In 1865 levert de KDT opnieuw een tapijt aan het Japanse keizerlijke hof en aan aartshertog Maximiliaan, sinds 1863 keizer van Mexico. Lang zal onze Maximiliaan hiervan niet hebben kunnen genieten. In 1867 wordt hij door republikeinse rebellen gefusilleerd.

Valse kleuren Op de eerste dag van zijn bezoek valt onze verslaggever met de neus in de boter. Er wordt in de Deventer tapijtfabriek gewerkt aan een door Willem III besteld tapijt bestemd als geschenk voor de zus van koningin Emma, Helena van Waldeck Pyrmont. De directeur kan er nog niets van tonen. De dessins zijn nog niet af. Wel krijgt de auteur patronen onder ogen voor tapijten bestemd voor Nice, Peking en San Francisco. Getekend naar door de klanten opgestuurde monsters van meubel- en behangstoffenbedrijven. Hij is niet onder de indruk en spreekt over ‘valse kleuren’. De bocht van een trap wordt met de loper meegeknoopt. Inzet: een traploper van Kasteel Middachten in De Steeg.

42


De Smedenstraat met rechts een deel van de fabriek en rechts vooraan het huis waar eerst Kronenberg woont en later zijn onderdirecteur J.Th. Peters. Op de achtergrond in de bocht de in 1873 gebouwde spinnerij.

Directeur Kronenberg heeft veel tijd voor de verslaggever gereserveerd. De toer door de fabriek is zeer gedetailleerd. Kronenberg begint met het wijzen op een tapijt dat er als nieuw uitziet, maar dat toch al sinds 1856 op de vloer ligt. Een dergelijke kwaliteit hangt af van de gekozen wolsoort, laat hij weten. Kronenberg weet onze verslaggever te verbazen met zijn wolkennis. Op de wolzolder met de reusachtige wolbergen weet hij haarfijn aan te geven van welk schaap de balen wol afkomstig zijn. Blijkbaar heeft Kronenberg zijn bezoeker niet verteld dat hij van oorsprong wolhandelaar is. Hoe het verder met de omvangrijke wolvoorraad gaat laat de auteur verder onvermeld. Dat is jammer. Uit documenten rond de crisis van 1848 weten we dat er rond dat jaar een stoomspinmachine is geplaatst. Dat de verslaggever het in zijn verhaal niet heeft over de spinnerij is overigens niet zo vreemd. Naar alle waarschijnlijkheid heeft hij deze niet eens gezien, omdat de betreffende afdeling elders is gevestigd. Vanaf 1839 tot 1870 is de spinnerij gevestigd in de voormalige kerk van het Buiskenklooster; nu in gebruik bij het Deventer Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek. Enkele jaren draait de spinnerij in het pand Molenstraat 33; waar in 1919 de blikfabriek Thomassen & Drijver begint. Daarna bouwt de tapijtfabriek in 1873 een nieuwe spinnerij in de vlakbij de 43

fabriek gelegen Smedenstraat. Hoe lang de fabriek zelf de wol tot garen heeft gesponnen is niet duidelijk. Pas bij de bouw van een nieuwe fabriek in 1904 wordt melding gemaakt van het spinnen van de Deventer wol in Tilburg bij Peter van Dooren of bij D. van Woudenberg in Veenendaal.. Onze verslaggever pakt bijna letterlijk de draad weer op als hij de stoomververij op zijn ronde aandoet. Hij beschrijft een stoommachine van 30 PK, gevoed met water uit de stadsgracht. De stoom wordt door tal van buizen naar bakken met koud water geleid, zeker niet uit de vervuilde stadsgracht, maar opgepompt uit eigen bron. De stoomleidingen verwarmen het water. Dan ontstaat het kleurbad met verfstof en een bijtende stof, mordant genoemd, die ervoor zorgt dat de wollen garens de kleurstof opnemen. Hij volgt de natte strengen wol naar de droogkamer - ‘een plek waar je beter maar niet te lang kunt blijven’- om vervolgens stil te staan bij een ‘eigenaardig werktuig’. Het wordt gebruikt door de klossenjongens. Het betreft een ijzeren staaf voorzien van een gleuf waar de wollen draad omheen gewikkeld wordt. Door een mes in de gleuf te steken wordt de draad doorgesneden. Dan bijna poëtisch: “Waarna honderden pluisjes in een onder het werktuig geplaatste bak sneeuwden.”


Het weefgetouw

Door de KDT vervaardigd altaarkleed voor de privékapel van paus Leo XIII in 1887 ter gelegenheid van zijn priesterjubileum. Goudgeel veld, bezaaid met sterren die het licht der wereld voorstellen. Aangeboden door mr. J.G. de Bruyn en echtgenote te ’s-Gravenhage.

Onze verslaggever heeft in de weverij zijn ogen goed de kost gegeven. Geen term, handeling of functie laat hij onvermeld: • De pluisjes of ‘poles’ waarmee vrouwen achter het weefgetouw naast elkaar zittend de knopen leggen. • Elke knoopster heeft op een ruitjespapier een borduurpatroon voor zich van haar deel van het tapijt. Elk ruitje is een pluisje of een pool. • Samen knopen zij steeds een roedje of een rij in de kettingdraden over volle breedte van het opgezette getouw. • Na enkele roedjes wordt een inslagdraad ingevoerd. • Een lade of balk over de volle breedte drukt roedjes en inslag aan. • Hoe harder de lade neerkomt, hoe steviger de structuur van het tapijt. Alle weefsters moeten gelijk met hun deel van het roedje klaar zijn anders treedt er tijdverlies op bij het gebruik van de lade. Om dit proces gedisciplineerd te laten verlopen noemt één of meer werksters op luide toon welke kleur moet worden gebruikt. De weefsters leggen vervolgens de knoop. (Zie kader - De Heibaas en zijn knoopsters op pagina 37). Een meelopend lint geeft aan op welke lengte het tapijt moet worden geknoopt, waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat het bij het losmaken enigszins krimpt. Hierna wordt het met een kromme schaar geknipt en gecontroleerd op fouten. Dan nogmaals geschoren, geklopt en gezuiverd van stof.

Beker ter herinnering aan Kronenbergs 40-jarig directeurschap in 1889.

De reporter weet verder nog te melden dat de pluisjes die de knoopsters op de grond laten vallen niet verloren gaan, maar gebruikt worden voor kleedjes en lopers van mindere kwaliteit. Het zogenaamde geknoopt ‘pêle mêle’; mengelmoes ook aangeduid als ‘cent mille couleurs’.

44


Gezien de slotzinnen in de artikelenreeks in de Katholieke Illustratie is de auteur trots op de Nederlandse kunstindustrie die het Smyrnatapijt voortbrengt. Nederland heeft daarin, zo weet hij, een monopolie. Hij noemt één concurrent voor de KDT in Nederland: de fabriek van Jan Heukensfeldt in Delft. Veel producten worden uitgevoerd. “Hierdoor zal Nederland ook op het gebied der tapijtindustrie weldra onder de beschaafde volken weer die hoge plaats innemen, welke het zich reeds in de vroegste eeuwen van ons volksbestaan had waardig gemaakt.” Bij het lezen van deze bloemrijke taal zou je bijna vergeten dat het in feite toch gewoon om vloerbedekking gaat.

Ook mechanisch In het levendige verslag van zijn rondwandeling door de Koninklijke vermeldt onze Katholieke Illustratie-verslaggever bijna als een voetnoot dat er naast het handgeknoopte Smyrna, dat tot de kunstindustrie behoort, in de fabriek ook mechanisch geproduceerd wordt. Hij voelt zich kennelijk verplicht dit te melden, maar veel woorden wenst hij er niet aan vuil te maken. Hij ziet: Gonje tapijten Zeer eenvoudige en goedkope tapijten waarin jute is verwerkt. Gesponnen koehaar Eenvoudige, veelal gestreepte tapijten. Een aantal fabrieken dat dit product eveneens maakt staat, zo meldt hij, in Hilversum. Vandaar de naam Hilversums tapijtwerk. Schotse tapijten Deze platgeweven tapijten zijn aan beide kanten te gebruiken en worden geweven met behulp van een Jacquardgetouw. Doorniks tapijt Hij beschrijft het als een minder soort Smyrna. Zo mist het de donzige zachtheid ervan. Aan het eind van zijn directeurschap stopt Kronenberg deze productie. Zijn KDT kan niet op tegen de goedkopere producten uit Duitsland.

45

Sociaal bewogen Kronenberg wordt alom beschreven als een sociaal en maatschappelijk bewogen man, geheel in de lijn van zijn voorganger Johan Willem Birnie. Zo ervaren ook zijn werknemers hem. Je werkt niet op de tapijtfabriek, maar je werkt ‘bij Kronenberg’. Een voorbeeld van het sociale beleid van Kronenberg merkt verslaggever Johan Gram van het Algemeen Handelsblad als hij op 28 juni 1881 een afspraak heeft met Kronenberg. Hij is er niet eens zo vroeg in de ochtend, maar tot zijn verbazing draait de fabriek nog niet en is er nagenoeg geen personeel aanwezig. Kronenberg legt uit dat het vrijdag is en dat zijn mensen sinds de periode van Johan Willem Birnie in staat zijn gesteld om van 9 tot 10 uur de markt te bezoeken en inkopen te doen. Om dit mogelijk te maken worden bij de KDT de lonen al uitbetaald op donderdag. Gezien het grote aantal vrouwelijke arbeidskrachten is dat ook goed voorstelbaar. Het sociale beleid van Birnie is in 1969 op schrift gesteld door H. Kennedie ing. in een artikel in het tijdschrift PT van 2 mei 1969. Hij heeft de tekst van een redevoering gevonden in 1842 gehouden door een zekere A.A. Stuart. Die meldt in zijn verhaal dat Johan Willem Birnie acht jaar geleden met zijn sociale beleid is gestart. In 1834 dus. Een zeer vroeg begin van maatschappelijk ondernemen mag je wel zeggen. Gezinnen mogen in de uitgangspunten van Kronenberg niets te kort komen. Indien hij vaststelt dat een vrouw veel kinderen heeft of als het gezin lijdt onder haar afwezigheid, hij vrouwen in zijn fabriek niet toelaat. Gram concludeert dat Kronenberg is als een vader voor zijn werklieden. Maar hoe sociaal ook, toch kan hij het niet altijd eens zijn met door het kabinet uitgevaardigde sociale wetten. Ondanks de goede bedoelingen. Bijvoorbeeld die op de beperking van de werktijden voor vrouwen en jonge mannen onder de 16 uit januari 1889,


Directie en bazen van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. V.l.n.r.: staande - Lenderink, Stijlen, Westkamp, Zur Kleinschmiede, Arnse, H. Bruggencate, A.J.Tieleman, Vredenburg en Bos; zittend - W.F. Kronenberg, J.Th. Peters en Zwier.

opgesteld door de minister van justitie Ruys de Beerenbrouck, welke vaste, minder vroege of late werktijden voorschrijft. De nieuw ingestelde Arbeidsinspectie zal toezien op de naleving van deze wet. Kronenberg vindt dat deze wet voor de KDT niet gunstig is. In een brief aan de minister pleit hij voor het behoud van variabele werktijden voor vrouwen. “Smyrna”, zo schrijft hij in zijn brief, ”is geen voorraadproductie, maar maatwerk op bestelling.” En dat is gebaat bij variabele werktijden. De periode Kronenberg is voor de KDT zeer succesvol. De fabriek groeit uit tot de grootste werkgever van Deventer. In een opgave uit 1855 heeft de fabriek 345 mensen in dienst: 150 mannen, 125 vrouwen, 60 jongens en 10 meisjes. De ijzergieterij van Nering Bögel komt op de tweede plaats met 100 mannen en 15 jongens. De derde Deventer fabriek de Eerste Nederlandsche Cocosweverij van F.W. Hubers telt 14 mannen en 12 jongens. Verder kent Deventer in deze tijd talrijke kleinere ambachtelijke bedrijven.

Arbeidsenquête 1892 Enig extra inzicht in de situatie en de praktijk van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek krijgen we bij lezing van de verslagen van de verhoren in het kader van de op last van de regering in 1892 gehouden Arbeidsenquête. Ondervraagd zijn onder andere directeur Kronenberg en enkele personeelsleden. Verrassend is de vaststelling van Kronenberg dat zijn hierboven opgetekende bezwaar tegen de nieuwe Arbeidstijdenwet in de praktijk niet blijkt te werken. Tot zijn verwondering is de productie ondanks de nieuwe sociale wetgeving niet geringer geworden. “De meisjes werken nu geregelder door”, is zijn antwoord op desbetreffende vraag. Voorts laat hij weten dat zijn fabriek van de autoriteiten als het echt nodig is verlof krijgt om bij spoedwerk langer te werken. Hij zegt alleen 12-jarigen aan te nemen als deze beschikken over een getuigschrift. Het blijkt dat de fabriek tot de uitbreiding van de leerplicht tot 12 jaar een fabrieksschool heeft gekend. Deze is nu opgeheven omdat ‘hij niet overeenkwam met de denkbeelden van de heren van het onderwijs’. Kronenberg zegt de sluiting van de bedrijfsschool te betreuren. Wel laat de fabriek voor

46


protestantse jongeren eenmaal per week een catechisatieles verzorgen. Katholieke jeugdigen worden in staat gesteld hun ‘leering’ te volgen. Sommige vragen van de enquêteurs zijn anno nu opmerkelijk. Zoals: Hebt gij nogal fatsoenlijke meisjes? Kronenberg: “Zij zijn uit de laagste klasse der maatschappij en het ongelukkigste is, dat zij te slechte voorbeelden krijgen; zij wonen niet in onze buurt, maar in straten en stegen er achter, waar zij niets anders zien dan ontucht en kwaad. De fabriek moet haar te hulp komen.” Hij stelt vast dat het wonen in de nieuwe buitenwijken van de stad beter is. In zijn beschrijving van de in dienst zijnde spinners blijkt Kronenberg er een bijzondere opvatting op na te houden. De spinners zijn in de fabriek de minst verdienende groep. Het betreft in hoofdzaak nog handwerk. Kronenberg: “Als ik machinaal liet spinnen zou het voor de fabriek voordeliger zijn. Ik zeg dit maar niet te luid want dan zouden de actionnaires zeggen: wij zijn niet voor de filantropie, maar om iets te verdienen.” Al met al een bijzonder voorbeeld van een sociaal beleid. Ook de hygiëne komt aan de orde. Kennelijk is het in die tijd niet alleen positief dat er voor mannen en vrouwen gescheiden toiletten zijn, maar dat deze ook nog eens tweemaal per week worden schoongemaakt. Overigens is er geen apart schoonmaakpersoneel. Dat doen de arbeiders allemaal zelf. Kronenberg noemt het beter in een enigszins bedompt lokaal te werken dan in de tocht van openstaande ramen. “Het stof is dierlijk (wol) en geen vegetatief stof.”

Mening personeel Aan het woord komen ook enkele werknemers. Bijvoorbeeld Jacquardwever Gerrit Wessel Peusken (33 jaar). Hij legt uit dat na de nieuwe Arbeidstijdenwet de mannen nagenoeg dezelfde uren draaien als de vrouwen, meisjes en jongens. Dat is in de zomer 12 uur en in de winter 9,5 uur per dag. Driemaal per dag is er schaft. Dat

47

doen de werknemers nog gewoon thuis. Wie dan te laat op z’n werk verschijnt - tien minuten na aanvang werk gaat de poort op slot - krijgt een boete. Verver Willem Konijnenberg (43 jaar) legt uit dat de fabriek een ziekenfonds kent waaraan iedereen die meer dan vier gulden per week verdient 30 cent premie bijdraagt. Tien cent is voor de uitkering bij ziekte. De andere 20 cent worden besteed aan brandstoffen. Bij veel zieken is er weinig over voor brandstoffen en omgekeerd. Uitkering bij ziekte is gebonden aan een maximumtermijn van 26 weken. Daarna houdt deze op. Er blijken maar weinig zieken te zijn. In heel 1892 slechts negen. Tapijtscheerder Hendrik Jan Waanders (36 jaar) heeft als bijfunctie het leggen van tapijt bij de klanten thuis. Dat werk levert hem behalve zijn gebruikelijke loon en reiskosten niks extra’s op. Wel krijgen hij en zijn collega’s fooien van de klanten. Ook Waanders krijgt een vraag over vrouwen en meisjes voorgelegd. “Toen ik er pas kwam (moet 1865 zijn geweest) was de toestand zeer treurig, maar in de laatste tijd is het veel vooruitgegaan wat de reinheid en de zedelijkheid van de vrouwen betreft.” Vrouwen komen in de verhoren van de speciale commissie van de Arbeidsenquête overigens niet voor. Evenals zijn directeur vindt tapijtscheerder Waanders het stof van wol niet gevaarlijk. “Anders was dat in de tijd dat we nog koehaar gebruikten. Daar komt kalk aan te pas. Dan kon je door het vele stof de mensen achterin het lokaal niet zien. Er waren toen velen met een slechte borst.” Tenslotte is ook nog heibaas Willem Sterling (26 jaar) aan het woord. Een heibaas heeft in de handknoopafdeling de leiding over het getouw en de groep knoopsters die er aan werken. De 12-jarige meisjes die de directie voor de functie van tapijtknoopsters aanneemt worden door de heibaas opgeleid. De tijd die hij daarvoor heeft is niet erg ruim. Nadat hij met de zogenaamde lade


een rij gelegde knopen heeft vastgeslagen, heeft hij even niets te doen en kan instructies geven. Verder kijken de nieuwe meisjes het werk af van de geroutineerde knoopsters. Hij bevestigt dat het hijsen van de lade zwaar werk is, ‘maar dat dit ook door ouderen is te doen’. Op de vraag naar de sfeer in de fabriek wordt alom geantwoord dat het contact met de directie en de bazen goed is. Kronenberg wordt ‘geschikt en billijk’ genoemd. Hij komt per dag soms wel zesmaal kijken.

Tussenperiode 1892-1901 Na het overlijden van Kronenberg wordt in 1893 door de aandeelhouders als opvolger aangesteld kaptein-ingenieur der Genie Pieter Gerard van Schermbeek (1848 -1901); een predikantenzoon uit het Betuwse Elst. Een opmerkelijke keuze. Afgestudeerd als 2e luitenantingenieur aan de KMA is Van Schermbeek gespecialiseerd in verdedigingswerken. Zo is hij medeverantwoordelijk voor de bouw van het bekende fort Everdingen. Deze specialiteit

brengt hij ook in praktijk in het Verre-Oosten: Japan, China en Nederlands-Indië. Voor sommige kustverdedigingsprojecten in Japan krijgt hij zelfs bijzonder verlof van zijn werkgever en is hij enige tijd in dienst van de Japanse regering. Daarnaast is Van Schermbeek ook schrijver van literaire reisreportages, die zich eveneens afspelen in Japan en China. Hij publiceert in het literaire tijdschrift De Gids. Als hij bij de KDT wordt aangesteld is hij nog in militaire dienst. Op zijn verzoek wordt hij op 8 juli 1893 bij Koninklijk Besluit vervroegd gepensioneerd. Van Schermbeek komt met nieuwe impulsen voor de groei van de Deventer fabriek. Zo koopt hij nieuwe machines die het mogelijk maken om Tapis Belge te produceren; een gladgeweven tapijt dat bij consumenten erg populair is. Het is ook een voordelig tapijt daar het aan beide zijden te gebruiken is. Met dit nieuwe type tapijt, dat we later terugzien als Holtap, wordt het voor de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek mogelijk aan de sterk gestegen vraag naar tapijt te kunnen voldoen.

Stempel op achterkant van een presentatietekening W.F. Kronenberg.

Na de dood van Kronenberg in 1892 maakt opvolger P.G. van Schermbeek nog gebruik van de prijslijsten met de doorgehaalde - naam van zijn voorganger. 48


De KDT en het Koninklijk Huis De Koninklijke Deventer Tapijtfabriek heeft een zeer goede band met het Koninklijk Huis. (zie hiervoor ook het kader Het predikaat Koninklijk pagina 34) Leveringen aan het Koninklijk Huis maken duidelijk dat de Deventer fabriek aan hoge eisen kan voldoen. In 1842 benoemt koning Willem II Johan Willem Birnie persoonlijk tot Broeder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Van koning Willem III (1817-1890) is bekend dat hij regelmatig te paard van Paleis het Loo in Apeldoorn naar Deventer draaft. Volgens het verhaal is aan de gevel van de fabriek op de hoek Smedenstraat/Nieuwstraat een speciale ijzeren ring bevestigd, waaraan de vorst zijn ros kan vastbinden. Willem III is een waar bewonderaar van het Deventer tapijt. Met regelmaat bestelt hij In sommige documentatie en literatuur wordt beweerd tapijten voor zijn paleizen of als geschenk dat koning Willem III aandeelhouder is van de KDT. Dat voor een geliefd familielid of adellijke relatie. klopt zo goed als zeker niet. Alleen de naam van prins Maar hij gaat verder. Hij denkt ook mee en Frederik, de oom van Willem III, komt voor op een lijst is op zijn manier ook actief met de verdere uit 1854. ontwikkeling van de KDT. Op 7 januari 1888 stuurt hij een kloek boek op naar de fabriek. Titel: Art Industriel - l’Ornament des tussus Van een zekere M. Dupont-Auberville. Uit de begeleidende brief blijkt het te gaan om een boek vol ontwerpen. De koning is zeer onder de indruk van de inhoud en hoopt dat de opgenomen ontwerpen ‘eene serie van nieuwe patronen aan de Koninklijke fabriek leveren, welke strekken tot vermeerdering harer bloei en tot handhaving harer welvaart, zowel in Nederland als in den vreemde’. De koning doet zulks wel vaker. Uit een brief van de intendant van het Koninklijk Paleis en Domein Het Loo valt te lezen dat hij op 15 augustus 1882 het boek Eastern Carpets aan de fabriek cadeau doet. Via aantekeningen van de kleinzoon van de toenmalige technisch onderdirecteur van de KDT J. Th. Peters maken we kennis met een verhaal over een bezoek van koningin Emma aan de fabriek in de Smedenstraat. Er is een samenhang met de sanitaire voorzieningen. Peters: “Met de hygiëne in de fabrieken was het nog niet al te best gesteld. Slecht licht, weinig ventilatie, slechte of helemaal geen wc’s, een hokkerig geheel en vieze geuren. Dit scheen moeilijkheden op te leveren bij een bezoek van koningin Emma aan de fabriek. Voordat zij de afdelingen doorliep ging het personeel eerst met een grote Eau de Colognespuit door de fabriek om deze luchtjes een beetje kwijt te raken, opdat Hare Majesteit niet steeds met een neusdoek zou moeten lopen.” In het historisch archief zijn van deze banden tussen fabriek en de Oranjes enkele andere aardige voorbeelden te vinden. Zo schrijft de echtgenote van de Deventer burgemeester baronesse Van Heemstra-Roodenburg op 2 februari 1909 als voorzitster van het ‘Damescomité’ een brief aan de hofdame van koningin Wilhelmina. Het comité wil als blijk van belangstelling een cadeau aanbieden aan de vorstin wegens ‘de aanstaande heugelijke gebeurtenis’. Het comité loopt hier vooruit op de op handen zijnde geboorte, eindelijk, van een troonopvolger. Op 30 april van dat jaar wordt prinses Juliana geboren.

49


Het cadeau zal zijn een voortbrengsel van Deventer kunstnijverheid: “een Smyrnakleedje, dat onder de door de stad Amsterdam aan te bieden wieg gelegd zou kunnen worden’. De brief beschrijft het kleedje nauwgezet: ‘Het heeft een zachte roomkleur met het vaderlandse wapen met een rand van oranje appels en bloesem, plus enige wapenschilden’. Of dit cadeau Hare Majesteit ‘welgevallig’ zou zijn is verder de vraag van de voorzitter van het Damescomité. Het kleedje is kennelijk opgestuurd, want er arriveert een telegram uit Den Haag met de dank van Wilhelmina ‘voor het fraai en smaakvol tapijt’.

Koningin Wilhelmina brengt via een telegram haar dank over voor het smaakvolle tapijt.

Briefje van het Deventer Damescomité onder presidentschap van de echtgenote van de Deventer burgemeester baronesse A. van Heemstra-Roodenburg kondigt een tapijtje aan als geschenk voor de op komst zijnde geboorte van de latere prinses Juliana.

50


De Moorse kamer van Koningin Sophie. Op de vloer een Deventer handgeknoopt vast tapijt met eroverheen in het midden en bij de toilettafel een extra karpet.

51


Onder de naam KVT gebint in 1919 een nieuwe periode voor de Deventer tapijtfabriek.

52


De overname van de KDT in 1919 Deventer verliest zijn handgeknoopt

Na het overlijden van directeur P.G. van Schermbeek in 1901 breekt voor de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek een geheel nieuw tijdperk aan. Niet alleen door de komst van de architect J. G. Mouton als nieuwe directeur, maar zeker ook door het aantreden als esthetisch adviseur van de in Nederland alom bekende ontwerper Theodoor Colenbrander en de bouw van een nieuwe fabriek, net buiten de stadsrand van Deventer aan de Smyrnastraat. Met Mouton zal tevens het einde ingeleid worden van de zelfstandigheid van de Deventer fabriek. De fabriek wordt onderdeel van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken (KVT) met Rotterdam als hoofdvestiging. In het Deventer Dagblad van 8 juli 1901 is een verslag te vinden van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de KDT. Onderwerp is de opvolging van directeur Van Schermbeek. De krant meldt dat er in totaal 110 sollicitanten op de vacature zijn afgekomen. Met algemene stemmen wordt door de aandeelhouders benoemd de architect Johan Gerard Mouton . De vraag is of de aandeelhouders voor Mouton kiezen om zijn excellente kwaliteiten als tapijtfabrikant. Er spelen bij deze benoeming meer zaken. Mouton is afkomstig van de NV Amersfoortse Tapijtfabriek, voorheen W.P.A. Garjeanne & Co, waarover hij sinds 1896 naast Antonius Gijsbertus Garjeanne de directie voert. Garjeanne is de technische man. Na diens dood in 1899

53

Portret van de directeur van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek J.G. Mouton.


Stempel op achterkant van een presentatietekening J.G. Mouton.

Het tweede door Mouton gewenste kavel voor de nieuwe fabriek. Nu met de door de gemeente niet gewenste aantasting van het Spijkerpad.

De kwitantie voor de betaling van de bouwkavel voor de nieuwe fabriek.

raakt de Amersfoortse fabriek in de problemen. Aan de fabriek is ook verbonden Theodoor Christiaan Adriaan Colenbrander (1841-1930), toen verreweg de bekendste ontwerper van Nederland. Een groep vermogende vrienden en bewonderaars van Colenbrander neemt de fabriek over ten einde Colenbrander een goed platform te bieden voor zijn kwaliteiten als ontwerper. De Amersfoortse fabriek gaat bij de benoeming van Mouton op in het Deventer bedrijf. Genoemde twee zaken zullen de aandeelhouders ongetwijfeld geholpen hebben bij het maken van hun keuze. Met Mouton komt immers ook Colenbrander mee en wordt de KDT uitgebreid met een vestiging in Amersfoort. Van dat laatste aspect is in de archieven niets terug te vinden. In 1903 besluit de NV Maatschappij tot voortzetting van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek v/h de Fa. P. van Calcar & Co, zoals de fabriek nog steeds voluit heet, tot de bouw van een nieuw fabriekspand. Ook hier stelt de Vergadering van Aandeelhouders tevreden vast met Mouton een goede keuze te hebben gemaakt. Hij is van huis uit immers architect en tekent zelf de nieuwe fabriek. Als plaats van vestiging valt het oog op een perceel grond ten noordoosten van de Algemene Begraafplaats tot over de landweg genoemd het Spijkerpad aan de rand van Deventer. De gemeente is de onderneming goedgezind, want zij verplicht zich tot het aanleggen van een verharde weg naar de verderop gelegen Diepenveenseweg. Ten minste 12 meter breed, met trottoirs. Helemaal voor Sinterklaas wenst de gemeente nu ook weer niet te spelen, want de aanleg van gas en water zal alleen dan geschieden als de fabriek zich verbindt dit ook daadwerkelijk te zullen gebruiken. Dat de gemeente directeur Mouton en zijn fabriek goed gezind is behoeft enige nadere verklaring. Uit de handelingen van de Deventer gemeenteraad van 1903 is op te maken dat de stad zich ervan bewust is dat zij de fabriek moet

54


helpen. Het Ministerie van FinanciĂŤn heeft zijn oog laten vallen op de vestigingsplek van de fabriek in het Deventer stadscentrum om daar een nieuw postkantoor te bouwen. Mouton gaat daarmee akkoord. Hij sluit met de gemeente een koopverdrag voor een kavel tegenover de in aanbouw zijnde CoĂśperatieve Broodfabriek aan de oostelijke rand van de stad. Dan ontstaat er ineens een conflict tussen Mouton en de gemeente. Mouton wil af van het verdrag omdat de kavel hem niet zint. Hij wil een meer langgerekte vorm. Dat zou inhouden dat de gemeente verplicht zou worden een veelgebruikt pad - het Spijkerpad - te verleggen. Tegen extra kosten. De gemeente denkt evenwel dat er iets anders achter zit. Kennelijk is Mouton er achter gekomen dat op de nu door hem afgewezen kavel pachtboeren zijn gevestigd en dat het aan de koper is om daar een oplossing voor te vinden. Had Mouton maar beter op moeten letten. Onder de raadsleden ontstaat hierop de nodige onrust. Zij vrezen dat Mouton nu wel eens zou kunnen kiezen voor vestiging buiten Deventer. Enig bewijs hiervoor ontbreekt. Maar door de druk vanuit de raad kunnen beide partijen zich uiteindelijk verenigen in een nieuw ingetekend perceel. Inclusief de verlegging van het Spijkerpad, aanleg van riolering en de uitkoop van de pachtboeren. Als extra bonus besluit de gemeente tevens de nieuw aan te leggen straat per ommegaande Smyrnastraat te noemen.

De nieuwe fabriek aan de Smyrnastraat nummer 59.

De ingang van de nieuwe fabriek aan de Smyrnastraat, met links de kantoren.

Zijaanzicht van de fabriek.

Volgens de koopakte van 28 mei 1903 is het groot 99 are en 40 centiare. De prijs f 2,40 per centiare, plus f 1000,- extra om de gemeente Deventer in staat te stellen de pachtboeren af te kopen. Het totaal: f 24.856. Een kwitantie behorend bij de koop vermeldt een afwijkend bedrag van f 25.336,10. Er is geen verklaring voor. Wel blijkt het probleem van de pachtboeren te zijn opgelost. In oktober 1904 wordt de nieuwe fabriek in gebruik genomen.

55

Briefkaart van foto van Deventer jongens die de ruiten van de leegstaande fabriek ingooien. De tekstschrijver van de kaart ziet er kennelijk weinig kwaads in.


Een map correspondentie tussen enerzijds de Deventer directeur van de KDT Mouton en de directie van de Rotterdamse tapijtfabriek Stevens en zijn mededirecteur H.W.J. Hellebrekers uit de periode direct voorafgaande aan de fusie in 1919 geeft een eigenaardig beeld van de wijze waarop de beoogde en voorgnomen overname van de KDT door de fabriek uit Rotterdam, door Stevens dus, wordt voorbereid. Veel brieven hebben de kwalificatie ‘particulier’, maar gaan wel degelijk over zaken. Ook de termen ‘vertrouwelijk’ en ‘zeer vertrouwelijk’ komen met grote regelmaat voor. Zaken doen is nog duidelijk het voor anderen onbetreedbare terrein van heren onder elkaar.

Menukaart ter gelegenheid van de feestelijke opening van de fabriek in 1904.

Rotterdam bepaalt In 1918/1919 wordt de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek, samen met de Koninklijke Tapijtfabriek Werklust Kralingen/Rotterdam en de ’s Gravenhaagsche Smyrna Tapijtfabriek medespeler in een ingrijpend fusieproces, dat uiteindelijk een niet tegen te houden overname blijkt te zijn. De Rotterdamse tapijtfabriek dateert van 1865. Sinds 1887 is de fabriek ook een concurrent voor Deventer met de productie van handgeknoopt tapijt. Bij bestudering van de bedrijfsarchieven wordt eerst niet direct duidelijk waarom die fusie nou zo absoluut noodzakelijk is. Wel is het onmiddellijk zonneklaar dat de directeur van de Rotterdamse fabriek, W. L. Stevens, de man is die de marsroute bepaalt. In de archiefstukken komt hij tamelijk dwingend over. En het zal inderdaad gaan zoals hij alles heeft uitgestippeld.

Ronduit bizar is het overleg met de ’s-Gravenhaagsche van A.J. Tieleman en C. van Puffelen. Stevens heeft als duidelijk sterkste partij alleen contact met Tieleman. Er is een zekere verzachtende omstandigheid voor Tieleman. Zijn compagnon Van Puffelen is ziek en wel zodanig dat hij na een verblijf in het ziekenhuis zijn werk niet zal kunnen hervatten. Het is aan alles duidelijk dat Stevens geen greintje belangstelling heeft voor de Haagse fabriek. Dat brengt Mouton in een enigszins lastig parket. Beide heren van de ’s-Gravenhaagsche zijn immers afkomstig van de Deventer tapijtfabriek. (meer hierover aan het einde van dit hoofdstuk) Weliswaar nog van vóór de periode Mouton, maar toch. Tieleman laat Mouton in een brief weten dat Van Puffelen van de beoogde overname door Stevens ‘nog niets weet’. Toch meent Tieleman te weten dat hij en Van Puffelen tevreden zullen zijn met een klein jaarlijks pensioen van f 1200, - per jaar. Stevens en Mouton kopen Tieleman uit door elk 30 aandelen van hem over te nemen. De rest van de aandelen zit bij Van Puffelen. De kwestie wordt voorlopig even doorgeschoven. Mouton probeert in de zaak van de ’s-Gravenhaagsche wel enigszins te sturen. Hij vraagt Stevens om met Tieleman over de kwestie Van Puffelen te praten. In een brief van 18 augustus 1918 informeert hij hoe het daarmee staat en of Van Puffelen al is ingelicht. En vooral hoe deze de kwestie heeft opgenomen.

56


Brief van 8 september 1918 met verwijzing naar het eerste serieuze gesprek op 7 september. Mouton wijst erop dat hij er financieel niet op achteruit mag gaan.

Op 9 september 1918 alweer een brief. Mouton constateert het hangen op twee gedachten

Transactieberekening op basis van door Mouton verstrekte gegevens van 8 oktober 1918. In een brief van 18 oktober 1918 komt Mouton op voor een beter dividend voor de Deventer aandeelhouders.

In een brief met Frans opschrift kondigt Mouton op 9 november 1918 bezoek uit Deventer aan ter inspectie van de fabriek in Rotterdam. Berekening van het benodigd kapitaal voor de overname van de KDT. 57


Mouton heeft daar kennelijk een hard hoofd in: “Ik geloof niet dat wij met de heer Van Puffelen zo gemakkelijk tot een schikking zullen komen. Hij is nogal wantrouwig en niet zo vlot in zijn opvattingen.”

Doel is nieuwe NV Over de totstandkoming van de fusie ligt voortdurend een zweem van eigenaardigheid. Aan het begin van dit hoofdstuk is al aangeroerd dat de noodzaak van een fusie in de vele brieven maar niet helder wil worden. Gaandeweg wordt uit de door Stevens gebruikte terminologie duidelijk dat het in feite niet gaat om een fusie, maar om een overname. Stevens en zijn mededirecteur Hellebrekers willen de KDT kopen en een nieuwe NV oprichten. Tijdens de onderhandelingen wordt Hellebrekers ziek. Met Mouton is Stevens blijkens een brief van 4 oktober 1918 bereid een schadevergoeding overeen te komen van f 150.000,- . Maar niet zonder meer. Dat bedrag zal alleen worden uitgekeerd als de door Mouton overgelegde cijfers over de resultaten van de fabriek blijken te kloppen. Een tweede toezegging is dat Mouton commissaris van de nieuwe fabriek zal worden. Uit de rapportages van de Deventer financier G. Vermeer Johz. (de latere in Deventer bekende Bank Vermeer) en de Twentsche Bank mag

In een tweede brief van 17 november uit Mouton zijn teleurstelling over de negatieve beslissing van de Twentsche Bank om geen aandelenemissie uit te schrijven.

Stevens opmaken dat het met de cijfers van de KDT wel snor zit. Hij vraagt Vermeer aan te willen blijven als financiële relatie van de nieuw te vormen Verenigde Koninklijke Tapijtfabrieken. Vermeer zal dan gaan fungeren als schakel tussen de nieuwe NV en de huisbankier de Twentsche Bank. De bank blijkt bij de totstandkoming van de nieuwe fabriek een lastige partij te zijn. Er wordt gezien de ‘heersende politiek’ moeilijk gedaan over het uitschrijven van een aandelenemissie. Met die ‘heersende politiek’ bedoelt de Twentsche Bank de dan nog woedende Eerste Wereldoorlog. De onderhandelingen over de financiering spelen zich af in november 1918. Vermeer blijkt meegaander en zegt toe om, indien nodig, een passend krediet te verlenen. Het loopt anders. Stevens vertrouwt op een toezegging van mr. H.G. Kronenberg: een bekende naam in tapijtland. Kronenberg is bestuurder bij Vermeer en grootaandeelhouder bij de KDT en heeft laten weten zijn uiterste best te zullen doen om de aandeelhouders te bewegen hun KDT-aandelen om te wisselen voor de nieuw uit te geven aandelen van de op te richten nieuwe fabriek en zich niet te laten uitbetalen. Dat zijn deze niet zo maar van plan. Nu blijkt dat Stevens en Mouton niet alles als heren onder elkaar kunnen regelen. In een formele brief stelt Stevens Mouton voor om bij de overname op 1 januari 1919 de aandeelhouders over 1918 niet meer dan zes procent aan dividend uit te keren, plus een bonus van 33 ½ procent op de aandelen. Een aandeel KDT van f 1500, - krijgt bij omwisseling een waarde van f 2000, - als belegging in aandelen van de nieuwe fabriek. Mouton antwoordt Stevens dat hij dit aanbod ‘te bot’ vindt. Onenigheid hebben beide heren ook over het te volgen personeelsbeleid van de nieuwe NV. Mouton wil dat het Deventer personeel - hij noemt onder andere de adjunct-directeur - onder dezelfde titel en condities in Deventer kan blijven werken. Stevens en mededirecteur Hellebrekers zien hier niets in. Het beleid zal zijn ‘werkzaam in

58


één der fabrieken verenigbaar met de belangen van het bedrijf’. Over de ’s Gravenhaagsche wordt niet meer gemeld dan dat deze ‘een ander voorstel krijgt’.

Op 17 november 1918 laat Mouton - ‘streng vertrouwelijk’ - weten geen bezwaar te hebben tegen de ondertekening van de overeenkomst.

Mouton legt voortdurend allerlei bijstellingen voor ten aanzien van de financiële constructies en regelingen. Stevens en Hellebrekers bewegen in het geheel niet. De vraag komt op: wat willen die heren in Rotterdam nu precies? Een brief van Stevens van 16 oktober 1918 maakt dat iets duidelijker. Hij heeft het daarin niet alleen over de combinatie van KDT en Koninklijke Tapijtfabriek Werklust, maar ook over ‘zo mogelijk met meerdere tapijtfabrieken samen te gaan ten einde de concurrentie in te dammen’. De ’s Gravenhaagsche wordt wederom nergens genoemd. In Deventer wordt het overleg van Mouton met Stevens en Hellebrekers met zeer gemengde gevoelens gevolgd. In telegram van 18 november 1918 laat de Raad van Commissarissen van de KDT weten tegen de voorgestelde financiële regeling te zijn en dat de Vergadering van Aandeelhouders over dit onderwerp is verdaagd. Anderhalve maand voor de beoogde startdatum van 1 januari 1919 worden in Deventer de hakken in het zand gezet.

Dreigende taal Op 21 november reageert Stevens geërgerd. Hij wenst geen verdere concessies te doen en raadt de aandeelhouders aan om uit ‘welbegrepen eigenbelang’ akkoord te gaan. Nog diezelfde dag schrijft Mouton terug. De aandeelhouders dreigen de nieuwe combinatie te laten afspringen. Zij betogen dat het Deventer bedrijf sterker is dan het Rotterdamse. Anders dan de KDT zou Stevens geen eigen kapitaal hebben. Ook wijzen zij de gedwongen aandelenruil af. Eigenlijk zien zij in het geheel geen reden tot liquidatie. Op 23 november komt het antwoord van Stevens. Niet alleen geërgerd, maar ditmaal

59

Met de in dit geval wat vreemd overkomende uitroep: ‘le roi est mort, vive le roi’ nodigt Mouton op 11 maart 1919 zijn Rotterdamse collega’s uit voor een afscheidsdineetje. De heren moeten het vooral niet als een verplichting ervaren.

bedient hij zich van ronduit dreigende taal. Rotterdam heeft wel degelijk eigen kapitaal foetert hij. En dan komt er een andere aap uit de Rotterdamse mouw. Het staat er niet met zoveel woorden, maar het komt op het volgende neer: jullie daar in Deventer moeten oppassen, is zijn boodschap. “Wij met ons machinaal geknoopte Smyrnatapijt zullen in een gunstiger positie komen.“ Stevens voegt eraan toe dat mededirecteur Hellebrekers zich in Frankrijk in deze nieuwe techniek heeft bekwaamd en dat de fabriek dus binnenkort hiermee kan beginnen. Eigenlijk laat Stevens weten dat de


Wever staand in een Darrabgetouw.

Rotterdamse tapijtfabriek de Deventer collega uit de markt zou kunnen drukken, als deze weigert te luisteren. Dit machinaal vervaardigd Smyrna, in een ander document soms Kralings tapijt genoemd, kan de doodsteek worden voor het Deventer handgeknoopt. De combinatie is voor Deventer derhalve van algemeen belang. De aandeelhouders kunnen wat Stevens betreft dus maar beter eieren voor hun geld kiezen. Mouton heeft kennelijk geen weet van dit machinaal geknoopt tapijt en vraagt Stevens hiervan een staal op te sturen naar Deventer. Ter overtuiging van zijn commissarissen en aandeelhouders. Of Mouton deze staal toen ook heeft ontvangen is hoogst twijfelachtig, althans niet gefabriceerd in Rotterdam. Maar hoe dan ook de aandeelhouders laten zich overtuigen en gaan akkoord met de nieuwe fabriekscombinatie.

Tekening van een Darrabweefgetouw.

De inhoud van de gevoerde correspondentie maakt van de kant van Stevens zonneklaar dat het hier een overname betreft en geen meer vriendelijke vorm van samenwerking tussen twee gelijkwaardige fabrikanten. Dat geldt voor Stevens’ ergernis over de houding van de Deventer aandeelhouders en uit zijn gebruikte drukmiddel: het machinaal knopen van tapijt.

Darrab

Klossenrek achter een Darrabgetouw.

Schematische weergave van het machinaal leggen van een knoop door de grijpers van het Darrabgetouw.

Bestudering van het KVT-archief betreffende het machinaal knopen heldert deze kwestie maar deels op. Dit machinaal geknoopt tapijt, dat we bij de KVT later tegenkomen als Darrab, bestaat wel degelijk en wordt vervaardigd door de tapijtfabriek Renard Frères in St. Lubin de Joncheret in het Normandische departement Eur et Loir. Op 17 juli 1913 sluit Stevens met Renard Frères een overeenkomst. De Rotterdamse fabriek krijgt hiermee het recht om in een dependance van de fabriek in Nonancourt de machinale knooptechniek te mogen bestuderen en over te gaan tot aankoop van een weefgetouw en bijbehorend patent. De prijs voor het contract op zich is 15.000 francs, van het weefgetouw 10.000

60


The Story of a Treasure In een op de buitenlandse markt gerichte brochure steekt de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken haar trots over het Deventer tapijt niet onder stoelen of banken. De tekst luidt: Toen Moeder Natuur niets meer kon toevoegen aan wat zij de mens al had gegeven, schonk zij aan enkelen de gift van het talent: • De Griekse beeldhouwers • De Gotische bouwers • Genieën als Da Vinci, Rembrandt en Rodin • De Belgische kantmakers • De Amsterdamse diamantslijpers en … • De Deventer tapijtknoopsters francs en twee octrooien voor 25.000 francs. Renard Frères verplicht zich niets te verkopen of te informeren aan niemand anders dan Stevens. Het gekochte octrooi geldt alleen voor Nederland en koloniën. Renard behoudt zich het recht voor de octrooien in te zetten in Frankrijk en koloniën, Engeland en overzeese gebiedsdelen, de Verenigde Staten, Duitsland, Zwitserland, Italië, België, Oostenrijk, Hongarije en Spanje. Renard zal een monteur naar Rotterdam sturen om de machine te installeren en instructie te geven. Bij de formulering inzake de betaling duikt ook een firma Lissmann Frères uit Frankfort op alsmede een zekere Kinsbourg uit Parijs. Beide contractpartijen hebben recht op 7,5 procent provisie. Het contract bevat ook een beknopte technische beschrijving van het getouw. Het loopt ongeveer 22 slagen (coups) per minuut. Grijpers en verdelers maken het mogelijk om 13 draden te verwerken. Hiermee kan een ‘Perzisch’ ontwerp worden vervaardigd op een breedte van 2.50 meter en met 26.120 tot 286.000 knopen per m2. Dat laatste getal staat er echt, maar lijkt fors overdreven. Hoe het dan verder gaat is niet duidelijk. Naar alle waarschijnlijkheid zijn er twee zaken die zorgen voor een vertraging in de invoering van de Darrab-techniek in Rotterdam: de Eerste Wereldoorlog die uitbreekt in 1914 en de door Renard Frères gebruikte knoop. Overal in Europa wordt bij het knopen van tapijten de Turkse of symmetrische knoop gebruikt, maar de Deventer tapijtfabriek en die van Stevens, gebruiken de

61

asymmetrische of Perzische knoop. De techniek van Renard moet dan in ieder geval worden omgebouwd. Daar komt nog bij dat volgens de plaatselijke geschiedschrijving de fabriek van Renard Frères de oorlog niet overleeft. Het kan zijn dat de KVT na 1919 overgebleven machines of onderdelen in Frankrijk heeft opgekocht. De vraag is of de machine van Renard wel dat kan wat Stevens wil. Een werkschriftje van een KVTtechnicus met de naam Krijger, dat begint in het jaar 1921, geeft enig inzicht in de installatie van het Darrab-getouw. Het machinaal te knopen tapijt wordt dan nog ‘Kralingsch’ genoemd. Het is duidelijk dat de machine begin jaren twintig nog niet voor de volle honderd procent wil werken. Krijger schrijft dat alle bewegende delen nog goed op elkaar moeten worden ingesteld. Er is veel draadbreuk. Krijger gelooft overigens wel in de nieuwe techniek. Het motto van zijn aantekeningenschrift is: ‘De grijper is de ziel van het getouw’. In een productieboek van de Smyrnaweverij in Rotterdam wordt het Darrabweefsel voor het eerst vermeld op 5 mei 1927. Het wollen tapijt heeft een katoenen ketting en een jute inslag. Voortvarend gaat het kennelijk niet echt met het nieuwe product, waarmee volgens Stevens in 1919 scherp concurrerend zal worden geproduceerd. In een artikel van 14 september 1930 in het tijdschrift ‘Thuis’ wordt gesproken over de moeizame ontwikkeling van de machine, die ‘dezelfde knopen kan maken als de weefsters’. Dat moeten in ieder geval de Perzische zijn. Maar hoe dan ook, uit jaarverslagen blijkt dat vanaf 1926/1927 dit Darrab in ruime hoeveelheden wordt geproduceerd. Het jaartal 1930 van het


Pagina uit het KVT-machineboek 1919 -1933. Onderaan de opsomming blijkt dat in 1928 het handgeknoopt uit Deventer wordt overgebracht naar Rotterdam.

‘Deventer handgeknoopt tapijt kan nooit geheel geïmiteerd worden door machinaal vervaardigd tapijt. Het bezit een individualiteit - ook in de fouten - en dat kan een machine niet. Het is een vorm van kunst waarin ook de ziel van de maker zit’. Handgeknoopt Deventer geldt als luxe en is duur. Het machinaal geknoopte Darrab kan sneller en in grotere volumes worden geproduceerd. Kwalitatief wijkt het ook af van het handgeknoopt. Een prijslijst uit 1960 geeft enig inzicht in de verschillen. Darrab is ongeveer even duur als het goedkoopste handgeknoopte tapijt. Beide kosten dan ongeveer f 125, - per m2. Het handgeknoopte en exclusievere tapijt loopt op tot f 285, - per m2.

Moquette

Stadsarchitect W.P.C. Knuttel tekent na het vertrek van de afdeling handknoop in 1928 een nieuwe plattegrond van de fabriek.

tijdschrift ‘Thuis’ spoort met de notulen van de vergadering van aandeelhouders uit dat jaar. Daarin wordt gesproken over de machinale Smyrna als een ‘geheel nieuw bedrijf’. De naam ‘Kralingsch’ is dan inmiddels definitief vervangen door Darrab en Silma. Dat laatste is een goedkopere variant van het machinaal geknoopte tapijt. In Deventer is dan al sinds 1928 het geknoopt tapijt verdwenen. In een - jammer genoeg ongedateerde bedrijfsbrochure van de KVT komen we met betrekking tot het karakter van Darrab een enigszins relativerende beschrijving tegen:

De weigerachtige houding van de aandeelhouders heeft ook een breuk veroorzaakt tussen Stevens en Vermeer. De Rotterdamse fabrikant stelt vast dat de heer Kronenberg van dit financieringskantoor zich niet aan zijn afspraken heeft gehouden. Hij schuift Vermeer resoluut aan de kant en laat weten dat hij ‘aan Vermeer geen verdere woorden wenst te besteden’. Intussen is de Twentsche Bank weer meer in de lijn van Stevens gaan denken en komt nu toch met een aandelenemissie. De Deventer fabriek krijgt een lage taxatie en dito boekwaarde van gebouwen en machines. Eén zinnetje in de prospectus valt op: ‘Wel draait er in Deventer de enige moquetteweverij van Nederland’. Moquette is dan een modern type tapijt dat in grote volumes, kleuren en dessins kan worden geproduceerd. Dit gegeven koppelt de Twentsche Bank in haar rapport aan een rooskleurige toekomst voor de nieuwe Verenigde Koninklijke Tapijtfabrieken. Eraan toegevoegd worden: • Uitwisseling wederzijdse fabrieksgeheimen. • Door de aankoop van een Frans patent zal er langs machinale weg geknoopt Smyrna worden vervaardigd; genaamd Kralings tapijt met een schier onbeperkte productie. • Bij de koop van het Franse patent is tevens bedongen dat er buitenlandse afzetgebied

62


zal zijn. Hoe wordt niet duidelijk gemaakt. Het klopt in ieder geval niet met de inhoud van het met de Franse fabriek afgesloten contract, waarin is bepaald dat het octrooi door de Rotterdamse fabriek slechts in Nederland en koloniën mag worden ingezet. Duidelijk is dat samen met het op beide locaties vervaardigde handgeknoopte tapijt en andere vormen van machinaal geweven tapijt we hier te maken hebben met een moderne fabriek. W.L. Stevens komt naar voren als een slimme ondernemer. Slim, maar de vraag dient zich tevens aan wat dit gaat betekenen voor de fabriek in Deventer. De naam van de nieuwe combinatie is Verenigde Koninklijke Tapijtfabrieken. Dit omdat zowel het bedrijf in Rotterdam als dat in Deventer het predicaat Koninklijk dragen. Nog tijdens het uitkomen van de aandelenprospectus van de nieuwe NV komt er heugelijk nieuws uit Den Haag. De nieuwe onderneming mag eveneens het predicaat Koninklijk voeren. De naam wordt daarop enigszins aangepast in de Koninklijke Verenigde Tapijtfabriek met vestigingen in Rotterdam, Deventer en Moordrecht. Uiteindelijk wordt Mouton schadeloosgesteld met een bedrag van f 110.000, - . Hij wordt tevens commissaris van de nieuwe combinatie en blijft dat tot zijn dood in 1935. Op 15 januari 1919 worden de KDT aandelen omgeruild voor die van de KVT. Per vierde aandeel wordt daarnaast f 200, - uitgekeerd. Deventer aandeelhouders die niet willen omwisselen krijgen per aandeel KDT van f 1500, - 133 1/3 procent in contanten. Na de overname kennen beide bedrijven een breed assortiment aan producten. Rotterdam Werklust: • Smyrna handgeknoopt • Machinaal geknoopt Darrab en Silma (vanaf 1927 volop in productie) • Wollen-, kokos- en Manillatapijten

63

Vrachtauto van de KVT in 1929.

• •

Diverse soorten goedkope matten en tapijten Op het Smyrna na alles machinaal geproduceerd en in diverse kwaliteiten

Deventer: • Deventer handgeknoopt (tot 1928) • Schotse-, Doornikse-, gonje- en koehaar tapijten; alles in diverse kwaliteiten. Nieuw is het moquettetapijt.

De ’s-Gravenhaagsche Hoe anders loopt het met de ’s-Gravenhaagsche Smyrna Tapijtfabriek. Hoewel de naam anders doet vermoeden is vermelding van deze fabriek in dit boek over het Deventer tapijt zeer gerechtvaardigd. De ’s-Gravenhaagsche heeft zijn wortels in Deventer. De fabriek is opgericht op 18 mei 1900 door Cornelis van Puffelen en Arend Jan Tieleman. Beiden zijn oud-werknemers van de Deventer Koninklijke, respectievelijk als tekenaar en opzichter van de Smyrna-afdeling. De fabriek vestigt zich in Den Haag, maar dat is niet van meet af de bedoeling geweest. In het Deventer Dagblad van 26 april 1899 vinden we een aanvraag voor een vergunning tot stichting van een tapijtfabriek door beide bovengenoemde heren aan de Korte Zandstsraat in Deventer. Verdere vermeldingen in de krant zijn niet gevonden. Uiteindelijk blijkt het in 1901 Den Haag te zijn geworden. De fabriek van Van Puffelen en Tieleman richt zich op de productie en handel in Smyrnatapijten. Mogelijk is de keuze voor Den Haag gelegen in het feit dat er in Deventer al drie andere


De aanvraag van een vergunning tot bouw van een tapijtfabriek in Deventer door A.J. Tieleman in het Deventer Dagblad van 28 april 1899.

De Haagse directeuren zullen hun betrekking verliezen. Hun aandelen moeten verplicht één op één worden omgewisseld tegen die van de nieuwe combinatie. Voor beiden stelt Stevens een afkoopsom vast van elk f 30.000, - en een levenslange uitkering van f 500, - per half jaar. Voorts mag de fabriek geen nieuwe stukken meer plaatsen op de getouwen. Alleen werk dat nog onderhanden is mag worden afgemaakt en dat voorts alle verdere grondstoffen, tekeningen, verfstoffen enz. door een wagen uit Rotterdam zullen worden opgehaald. Op 25 januari 1919 valt het formele besluit tot liquidatie van de Haagse fabriek, nadat al op 18 januari ook de aandeelhouders akkoord zijn gegaan met de omwisseling van de aandelen. Stevens koopt de fabriek in feite op de meest goedkope wijze. Het fabriekspand met inhoud zal verkocht worden. Over het waarom is Stevens kort van stof. Hij laat weten dat het nu eenmaal niet anders kan omdat ‘de ’s-Gravenhaagsche zich niet aanpast aan ons bedrijf’ en dat de fabriek ‘absoluut niet in overeenstemming is met de eisen van een Koninklijke fabriek’.

Briefhoofd ’s-Gravenhaagsche Smyrna Tapijtfabriek.

tapijtfabrieken zijn en dat daarnaast het westen van Nederland door beiden gezien wordt als een regio met een groter potentieel aan klanten. Het einde van ’s-Gravenhaagsche Smyrna Tapijtfabriek past naadloos in de volkomen ongeïnteresseerde benadering van deze fabriek die Stevens in de aanloop naar de overname voortdurend zonder enige terughoudendheid laat zien. In een brief van 18 oktober 1918 is hij daar heel duidelijk over. Van Puffelen en Tieleman worden gemaand dat alles vóór het einde van dat jaar moet zijn geregeld. Over hoe dat moet laat de brief geen enkele twijfel.

En of alles al niet pijnlijk genoeg is wordt in het KVT-archief nog de volgende uiterst merkwaardige brief aangetroffen van Stevens aan Tieleman. De datering 3 maart 1919 is al bizar, de inhoud verbaast nog meer. Stevens vraagt Tieleman alles in het werk te willen stellen op een spoedige bewilliging inzake de in behandeling zijnde aanvraag tot het predicaat Koninklijk voor de nieuwe onderneming. Desnoods met afschuiving van 25 gulden voor een employé die daarbij de behulpzame hand kan bieden. “U heeft nogal slag dergelijke zaakjes te behandelen.” Blijkens een ongestempeld en dus ongedateerd briefkaartje in het archief heeft Tieleman de brief van Stevens niet woedend in de prullenmand geworpen, maar is daadwerkelijk aan de slag gegaan. Hij laat weten dat ‘het stuk voor het predikaat Koninklijk door H.M. is getekend en opgestuurd naar de burgemeester van Rotterdam’. Op 23 maart 1919 bevestigt de Rotterdamse burgemeester de toekenning.

64


Ververij.

Rij Tapis Belge of Holtap getouwen.

Afdeling handknoop.

Het afwerken van geknoopt tapijt.

65


Het brandende KVT fabriekscomplex na het bombardement van Rotterdam van 14 mei 1940.

66


Tuften of verdwijnen Het einde van het Deventer tapijt en de KVT

Mag de start van het Deventer handgeknoopt omgeven zijn door enige legendevorming, het einde van het fameuze product is duidelijker. Het einde van de productie van het tapijt in Deventer is hier dan bedoeld. In 1928 wordt volgens de aantekeningen in het Machineboek 1916-1933 van de KVT de productie van handgeknoopt Smyrna overgebracht naar de fabriek in Rotterdam. De fabriek in Deventer specialiseert zich in moquettetapijt en Holtap of Tapis Belge. De naam Deventer Tapijt blijft voorlopig bestaan. Maar vanaf de jaren zestig loeren er andere gevaren. Voor de tapijtindustrie wordt het tuften of verdwijnen. De crisisjaren van na de Eerste Wereldoorlog verlopen voor het nieuwe bedrijf zonder echt grote veranderingen. Daar is het nog even niet de tijd voor. In de late jaren twintig wordt dat anders. Vastgesteld kan dan worden welke doelstellingen Stevens zich heeft gesteld bij de geforceerde overname van de KDT en de snelle sluiting van de ’s-Gravenhaagsche tapijtfabriek: specialisatie en concentratie van het handgeknoopt tapijt in Rotterdam. Het bijzondere karakter van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek gaat verloren en Deventer gaat over op de productie van ‘gewoon’ tapijt. In de bedrijfsfilosofie van Stevens en zijn directie-collega Hellebrekers heet dat anders. Die spreken van modernisering. Zo wordt in

67

Deventer een nieuwe - en inderdaad moderne moquetteweverij opgetuigd. Maar als prijs raakt Deventer na ruim een eeuw zijn befaamde en alom geroemde handgeknoopt kwijt. Deventer wordt binnen de nieuwe verhoudingen duidelijk afgewaardeerd. In 1928 wordt de Smyrnaafdeling overgeplaatst naar Rotterdam.

Oorlogsdrama Op 14 mei 1940 voltrekt zich voor de KVT een groot drama. Bij het bombardement op Rotterdam wordt de tapijtfabriek volledig verwoest. Niet alleen het fabrieksgebouw gaat voor het grootste deel in vlammen op, ook alle getouwen gaan verloren en wat wellicht nog


Het hoofd Verkoop en Planning van de KVT De Jong bezoekt kort na het bombardement de verwoeste fabriek in Rotterdam. Naast hem zijn zoon Wim, die we later tegen zullen komen als de bedrijfsingenieur van de Deventer vestiging van de KVT.

De fabriek laat op 7 juli 1940 in een advertentie weten dat de productie weer in bedrijf is gesteld.

belangrijker voor een tapijtfabriek is: ook alle tekeningen van de honderden dessins worden een prooi van de enorme vuurzee. In totaal gaat van de fabriek aan de Rotterdamse Oostzeedijk 11.000 m2 verloren. Alleen de toonzaal blijft intact. Gelukkig staan er in de KVT-vestiging in Moordrecht enkele getouwen opgeslagen en bevinden zich in de fabriek in Deventer en de showroom in Amsterdam nog enkele tekeningen en stalen, waardoor een deel van de productie spoedig kan worden hervat. Opmerkelijk is dat de directie juist kort voor het uitbreken van de oorlog besluit om de meeste in Deventer opgeslagen ontwerpen naar Rotterdam over te brengen. Dat wordt veiliger geacht omdat bij een eventuele uitbarsting van een oorlog Deventer aan de ‘verkeerde’ kant van de Hollandse Waterlinie ligt. Te dicht bij Duitsland. Op 7 juli 1940 wordt in dagbladen een advertentie geplaatst met de melding dat de Deventer handknoperij en de Darrab weverij weer draaien. De productieruimte kan door de grote mate van verwoesting niet ruim geweest zijn. In de uitgave van de Nieuwe Rotterdamse Courant van 27 november 1940 lezen we dat een speciaal ontwerp voor de vergaderzaal van de Provinciale Utrechtse Elektriciteits Maatschappij PUEM bij het bombardement niet verloren is gegaan. De daarvoor bestemde wol bevindt zich nog bij de ververij in Deventer en kan daardoor alsnog worden geknoopt. Dat gebeurt en wordt daarmee het eerste tapijt van na mei 1940.

Weg uit Rotterdam

Over de oorlog mag het bedrijf van de bezetter niet spreken. Vandaar de omschrijving ‘deze tijd die zo moeilijk is’.

Direct na de verwoesting van de Rotterdamse KVT-fabriek valt de beslissing dat in Moordrecht een nieuwe fabriek zal word een gebouwd. Daar staat al een onderdeel van de fabriek waar kokostapijt wordt gemaakt. De verhuizing naar Moordrecht heeft naar alle waarschijnlijkheid niet alleen de verwoesting door het bombardement als reden. De noodzaak tot een verhuizing is al veel langer bekend. Op de plek van de KVTfabriek in Rotterdam is woningbouw gepland.

68


Bouw van de nieuwe bedrijfshal in Moordrecht in 1942. Briefhoofd 1950.

De bouw in Moordrecht wordt ondanks de oorlog voortvarend ter hand genomen. Als je de foto’s hiervan bekijkt dan vraag je je af waar de KVT ondanks de oorlog de hierop afgebeelde machines vandaan weet te halen. In 1942 blokkeert de Duitse bezetter de verdere bouw van de fabriek en legt beslag op de bedrijfsruimten. Er wordt een reparatieafdeling voor wapens in gevestigd en een proefschietbaan. De KVTdirectie ondertussen blijft zich bezighouden met de tijd na de oorlog. Al in augustus 1944 maakt het bedrijf in haar Mededelingenblad bekend dat er voor diverse functies al meisjes van 13 tot 17 worden geworven. Zij krijgen een opleiding van ongeveer een jaar met daarnaast huishoudelijke voorlichting zoals een kook- en naaicursus.

Deventer in de oorlog De Deventer fabriek komt de oorlog redelijk onbeschadigd door. Uit bewaard gebleven correspondentie tussen de secretaresse J.M. Hulleman en directeur H.W.J. Hellebrekers enerzijds en de bedrijfsleider J. van Wezel anderzijds komen we iets over de oorlogstijd in Deventer te weten. Zo hebben de Duitsers de fabrieksruimte in beslaggenomen. Reden dat zowel de directeur als de bedrijfsleider zich niet in Deventer bevinden. In een retourbrief aan de secretaresse maakt Van Wezel zich boos dat hij niet op de hoogte was van de verplichte ingebruikname van de fabrieksruimte door de Duitsers. Hij vindt dat er wel achteraan gegaan moet worden zodat er huur betaald wordt. “Rotterdam moet niet

69

de indruk krijgen dat we dit soort zaken op z’n beloop laten.” In december 1944 beginnen de Duitsers de weefgetouwen weg te halen. Van Wezel adviseert Hulleman om de getouwen die er nog staan te ontmantelen en te verstoppen in de kelder. De inslag van een V2 op 10 maart 1945 op de nabijgelegen Ceintuurbaan zorgt daar voor tien doden en een geweldige ravage. Bij de tapijtfabriek blijft het beperkt tot kapotte sheddaken.

Losgescheurd Tijdens de opstart van de fabriek in Moordrecht alsmede in de eerste jaren na de oorlog, wordt nog een deel van het handgeknoopt tapijt geproduceerd in Deventer. De bedrijfsingenieur in Deventer, ir. W.N. (Wim) de Jong, treft als hij in 1955 zijn werkzaamheden in Deventer begint, nog een kleine handknoopafdeling aan. “Er was een tiental meisjes actief in een kleine ruimte. Die arbeidskrachten konden we beter in andere afdelingen van de fabriek gebruiken. Eind jaren vijftig is de afdeling definitief gesloten.” Volgens taxatierapporten uit 1963 en 1966 staan er in Moordrecht in de KVT-fabriek IJsselvrucht op adres Westeinde 2, 17 handknoop weefgetouwen en vijf machines die het Darrabtapijt knopen. Een opgave uit 1969 spreekt van 11 handknoopgetouwen van 940 tot 180 cm. breed. Er staat nu een ander vestigingsadres


Deventer is gedurende enige decennia van de vorige eeuw een centrum met textielfabrieken die er toe doen. Toch kent de stad geen technische school met een vakopleiding textiel. De bedrijven verzorgen de opleiding van hun jeugdige werknemers zelf. Pas in 1962 komt er aan de technische school in Deventer een afdeling textiel.

bij: fabriek Zuidplas aan de Weteringsdijk 4. Deze productie-unit staat op een kavel naast de hoofdvestiging. Er zit een zekere symboliek in. De fabriek IJsselvrucht staat prominent op een prestigieuze plek in de uiterwaarden aan de oever van de Hollandse IJssel. De handknoopfabriek op een plaats onderaan de dijk. Losgescheurd van het moederbedrijf als het ware. Een roemloos einde begint zich af te tekenen. Het gebouw waarin het ooit zo trotse Deventer Tapijt nu geknoopt wordt, maakt de zaak er niet echt beter op. De productie geschiedt voortaan in een uit Deventer afkomstige opslagloods, die wegens verbouwingen begin jaren zestig aan de fabriek aldaar is afgedankt en in 1965 te Moordrecht weer wordt opgebouwd. Volgens de Deventer bedrijfsingenieur De Jong toont deze ontwikkeling het minder economisch belang aan van het Deventer handgeknoopt. In de hoofdvestiging is meer ruimte nodig voor de productie van mechanisch geweven Axminstergrippertapijt.

Productieproblemen Dat afgenomen economisch belang vergt enige toelichting. Uit een jaarverslag van de

Ondernemingsraad uit 1964 blijkt dat die afname betrekkelijk is. Het verslag zegt dat ‘de vraag naar Deventer handgeknoopt er in voldoende mate is, maar dat de productie ervan evenwel zorgen baart’. Met andere woorden: er zijn te weinig handen aan de getouwen. Ook bij de KVT wreekt zich feit dat in de jaren zestig de animo onder de Nederlanders om in de fabriek te werken sterk afneemt en onder vrouwen en meisjes al helemaal. Het is de tijd van de buitenlandse gastarbeiders, maar die worden geworven voor de grotere productievolumes waarmee bedrijven in staat zijn scherpe concurrentiegevechten aan te gaan op nationale en internationale markten. Dat vergt andere keuzes. In een verslag van de Ondernemingsraad uit 1965 lezen we dat het steeds moeilijker wordt om te kunnen voldoen aan de leveringstermijn van Deventer Handgeknoopt. Er is te weinig vakbekwaam personeel aan de getouwen. Gemeld wordt dat deze productie in loondienst in Ierland zal worden uitgevoerd. Voorlopig dan, want tevens is er in dit verslag de aankondiging van de bouw van een fabriek Zuidplas waar een nieuwe Smyrnaweverij zal worden gestart. Dat klinkt mooier dan het in werkelijkheid is geworden. Uiteindelijk is deze nieuwe fabriek niets meer of minder dan de uit Deventer overgeplaatste, daar overbodig geworden, opslagloods, waarover hierboven al is bericht.

De KVT onder druk Eind jaren zestig en in de jaren zeventig treden in de Nederlandse tapijtindustrie grote veranderingen op. Er is zowel sprake van krimp als van groeimogelijkheden. In de productie van tapijt ontstaan veel verschuivingen. Nieuwe tapijtsoorten verdringen oudere van de markt. Veranderingen, die naar later zal blijken, flinke gevolgen zullen hebben. De vraag van de consument naar tapijt van harde vezels als kokos en sisal zakt zeer sterk in. De KVT stopt in 1969 hiervan de productie in Moordrecht. De vraag naar zacht tapijt van wol of kunstvezels komt daarvoor in de plaats. Interessant voor

70


Interieurs uit de jaren vijftig met KVT-Kroonkarpet.

de tapijtfabrieken is dat het tapijtverbruik in deze periode stijgt. De consument is sneller zijn vloerbedekking zat en schaft nieuwe aan. Fabrieken gaan over tot uitbreiding van de productiecapaciteit. Te sterk naar snel zal blijken. Resultaten in de branche komen onder druk te staan. Uit verslagen van de Ondernemingsraad van de KVT wordt duidelijk dat de KVT grote moeite heeft een sterke plaats op de tapijtmarkt te behouden. In 1969 wordt uitgelegd dat tapijtfabrieken die goed zijn voor snel geproduceerde en zeer omvangrijke productievolumes de markt overspoelen. Op zich is die markt er wel. De bouwproductie van steeds grotere woonhuizen neemt op de grens van de jaren zestig en zeventig sterk toe. Kortom er zijn veel consumenten die tapijt nodig hebben. Maar die consument laat zich leiden door laag geprijsde tapijtsoorten. De KVT, maar ook andere fabrieken, kan daar moeilijk mee concurreren. De vraag naar luxere soorten blijft ook bestaan, maar het probleem daarbij is dat op de markt het aanbod groter is dan de vraag. Er is in Nederland en andere tapijtproducerende landen een te grote productiecapaciteit.

71

Advertentie uit 1962. De Arnhemse provincieambtenaren lopen over deftig tapijt.

Het Deventer handgeknoopt en in iets mindere mate het machinale Darrab, begint de fabriek in de weg te zitten. Het productievolume is te laag. Het exploitatieresultaat door de te lage prijzen onder de maat en de geproduceerde dessins vallen buiten de smaak van de moderne klant. Het Ministerie van Economische Zaken heeft in 1969 weliswaar toestemming gegeven de prijzen voor dit type tapijt te verhogen, maar dat helpt uiteraard weinig in een markt waar een moordende concurrentie bezig is te ontstaan. Daarbij komt ook nog dat het Deventer handgeknoopt en het Darrab tapijt te veel beslag leggen op de capaciteit van de tekenkamer. Het tekenen van de snellere en moderne producten komt in de knel. In het OR-verslag van 19 juni 1969 lezen we dat er voorlopig ‘geen acceptatie zal zijn van orders voor handgeknoopt’. En in een tijd dat klanten in de VS grote belangstelling voor het luxere, wollen tapijt beginnen te krijgen, kan de KVT niet bij deze stijgende vraag aanhaken. Uit een taxatie-overzicht van 1969 blijkt dat het aantal handknoopgetouwen dat jaren onafgebroken op 17 staat is afgebouwd naar 11. Het aantal Darrabgetouwen blijft staan op vijf. De Deventer oud-bedrijfsingenieur Wim de


Bedrijfsingenieur Wim de Jong bij de Lana-machine. De onderdelen van de van de machine komen van Werkspoor Amsterdam, Machinefabriek Deventer en Machinefabriek Scheuter in Deventer. De Deventer machinefabriek Vroemisse bouwt de klossenrekken.

Jong voegt er nog het volgende aan toe: “Een ander probleem voor het Darrab-tapijt was het op de markt brengen door een tapijtproducent van Datap-tapijt; een effen non-woven tapijt dat qua uiterlijk en naam concurrerend was. In Deventer hebben wij als antwoord hierop het Ritz-tapijt ontwikkeld om de markt te behouden. Dat produceerde ook veel sneller dan het meer bewerkelijke Darrab.” Veranderingen in het Nederlandse interieur in de nieuw gebouwde huizen met hun doorzonkamers is een impuls voor een groeiende belangstelling voor kamerbreed tapijt. Dit vergt niet alleen de aanschaf van speciale breedweefmachines, maar er ontstaan ook andere productietechnieken die zorgen voor extra concurrentie. De grotere vraag vanuit de markt maakt de productie van grotere volumes nodig. Meer meters per strekkende meter. Er ontstaan nieuwe technieken waarbij het tapijt niet langer wordt geweven, maar als het ware wordt genaaid of geplakt op een reeds geweven ondergrond van bijvoorbeeld jute: het zogenaamde non-woven of getuft tapijt. Het eerste product van dit type dat op de Nederlandse markt verschijnt, is Tretford van de Nederlandse Wolfederatie van Haverhals. Het verwachte marktaandeel van dit soort tapijt wordt dermate hoog ingeschat dat de KVT het interessant genoeg vindt om er ook tussen te komen. Grote verwachtingen zijn er ten aanzien van de vraag uit de sector van de woninginrichtingsbranche. Non-woven tapijt laat zich gemakkelijk leggen. Het is veel strakker dan

geweven tapijt omdat het bijvoorbeeld niet rafelt bij het afsnijden.

Lana Als bedrijfsingenieur ir. Wim de Jong in 1955 aantreedt bij de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken in Deventer is de ontwikkeling van het non-woven tapijt bij de KVT al in gang gezet. Echt van de grond gekomen is deze dan nog niet. De Jong: “Ik ben toen aan de slag gegaan met het bedenken en tekenen van een nieuwe machine. Een trommel met lamellen. Tussen die lamellen vouwde je wollen garen tot een rij lussen en die plakte je aan één kant af met een jute onderlaag. Hierdoor werd het ook wel plaktapijt genoemd. Bij de KVT is het op de markt gebracht onder de naam Lana. Het was er in de breedtes 130 en 200 cm. Het leek een beetje op tapijten die op een roedegetouw werden geweven, zoals bouclé of moquette; afhankelijk van het al dan niet doorgesneden lusje. Na een proef met een pooltapijt is gekozen voor Lana en Camel met bouclé als standaard. Het was veel goedkoper dan die andere soorten. Met weinig personeel kon je grote volumes produceren. Je kon ook snel leveren. Series van 10.000 m2 stampte je er zo uit. Dat was een veelvoud van de roedegetouwen. De productie stagneerde ook nooit. Een draadbreuk was gemakkelijk te repareren. Je hoefde de machine er niet voor te laten stoppen. En dan niet te vergeten de uitgebreide kleurmogelijkheden. Het was ook een interessant

72


exportproduct naar de VS en Canada.” In de jaren zestig bedraagt het volume Lana bijna de helft van de totale Deventer productie. In een topjaar als 1964/1965 bedraagt het totale aantal m2 504.910. Lana neemt daarvan 293.969 m2 voor zijn rekening. In 1973 wordt de 2.000.000 m2 gepasseerd. De voorgaande succesvolle tapijtsoorten als effen moquette en bouclé lopen sterk terug. De tweede helft van de jaren zestig laat een sterke opkomst zien van het breedweeftapijt: in 1963/1964 begonnen met 15.126 m2 loopt dat in 1966/1967 uit tot 99.582 m2. De opmerking hierboven van bedrijfsingenieur De Jong dat er met weinig personeel grote volumes kan worden gedraaid vind je terug in de personeelsstatistiek: van bijna 160 personeelsleden in 1957 tot 120 tien jaar later.

Te veel tapijtfabrieken In de loop van de jaren zestig komt de Nederlandse tapijtindustrie, net als overigens de hele nationale textielindustrie, onder grote druk te staan. Er ontstaan diverse samenwerkingsverbanden. Met name de tekenen die erop wijzen dat grote Amerikaanse fabrikanten met hun grote en goedkope productievolumes van getuft tapijt zich in Europa willen vestigen, maakt Nederlandse fabrikanten nerveus en ongerust. Zo ook KVT-directeur drs. A. Spaan in de loop van het jaar 1967: “Ik weet niet wat voor bedrijfspolitiek de Amerikanen zullen gaan voeren.” Hij wijst nadrukkelijk op de nu al in Europa bestaande overcapaciteit bij de tuft-industrie en die staat eigenlijk nog maar in de kinderschoenen in die tijd. Spaan: “De apparatuur wordt nu al niet helemaal gebruikt. En dan komen die Amerikanen er nog bij. Dit zal zijn invloed niet missen op het prijspeil. Er is trouwens nu al een tendens in de tuft-sector naar steeds goedkopere producten.” Spaan verder over de gevaren voor de Nederlandse tapijtindustrie: ”In Nederland zijn

73

Lanatapijt is een Deventer vinding die de zware concurrentie in de jaren zestig het hoofd moet bieden.

Het Shellkantoor in Rotterdam is belegd met het machinaal geknoopt Darrab-tapijt.

er nu in 1967 nog 30 tapijtfabrieken. Dat zijn er te veel dus. Verder is er nog de zorg over het toelaten van Engeland tot de Europese markt. Dan komt ook het goedkope spul uit India, Pakistan en Hong Kong ongelimiteerd onze markt op.” De veranderingen gaan zeer snel. Nog maar twee jaar daarvoor - in 1965 - schrijven de financiële rubrieken in de dagbladen enthousiaste stukken over de bloeiperiode van de Nederlandse tapijtindustrie. ‘Tapijtindustrie tegen de draad in’, kopt op 23 oktober 1965 Elseviers Weekblad. Die bloei wordt geweten aan de belangstelling voor het betere genre tapijt. De smaakvolle aankleding van interieurs is een normaal verschijnsel geworden en niet meer zoals voorheen een luxe. En ook de export naar de VS neemt voortdurend toe. Lang duurt deze euforie evenwel niet. Het Financiële Dagblad is daar op dinsdag 14 november 1972 duidelijk over. ‘Desseaux verwacht toenemende


Overzicht van machines en producten

concurrentie van goedkope aanbiedingspartijen’ luidt de kop boven een artikel met een somber toekomstbeeld. Ook nu schuilt de bedreiging in het getuft tapijt. De groei hiervan gaat ten koste van het traditioneel geweven tapijt. In de volgende jaren volgende de negatieve meldingen rond de Nederlandse tapijtindustrie elkaar op. Bedrijven sluiten verliesgevende afdelingen of gaan helemaal dicht. Sommige weten in afgeslankte vorm het hoofd met moeite boven water te houden met steun van het Nederlands Investerings Fonds.

Tuften of verdwijnen Halverwege de jaren zestig is absoluut duidelijk dat getuft tapijt zich niet meer van de markt zal laten verdringen en blijvend een fors deel van de markt voor geweven tapijt zal beheersen. Dat tuften gebeurt op forse machines waarbij een rij naalden van vier meter breed het tapijt in een zeer hoog tempo uitspuugt. Als afwerking wordt het getufte tapijt afgeplakt met een latexondergrond die de door de naalden ingebrachte pool verankert. Anno nu is tuften de algemene productietrend in tapijtland. Een ontwikkeling die heel snel is gegaan. Volgens toenmalige beursberichten omvatte getuft

De KVT ontwikkelt samen met de ENKA nylon tapijt.

tapijt in 1965 wereldwijd 20 procent van de hele tapijtproductie. In 1967 is dat al opgelopen tot 70 procent. De productie van geweven tapijt is in deze tijd een activiteit van een gering aantal gespecialiseerde bedrijven. De meeste bevinden zich in Engeland. Het vervaardigen van getuft tapijt doet de KVT in de beginfase niet in eigen beheer. Helemaal duidelijk is dit op basis van archiefonderzoek niet. Zeker is dat KVT getuft tapijt samen met tapijtfirma Hatéma NV in Helmond laat produceren door Eurocarpet, eveneens te Helmond. Het betreft hier nylontapijt. Samen met Hatéma wordt dit op de markt gebracht onder de merknamen Ravella en Sevilla. Zij het dat Hatéma dit doet onder een andere eigen merknaam. Het overleg hierover begint al in 1960. Commissaris Anton Ankersmit, tevens directeur van de Deventer katoenfabriek Ankersmit, is er actief bij betrokken en er een warm voorstander van. De overeenkomst tussen de drie wordt in augustus 1969 gesloten. Een jaar voor dit samenwerkingsverband van kracht wordt laat de KVT op 22 februari 1968 in een folder aan haar afnemers weten dat er een nieuw Deventer nylon tufttapijt op de markt komt onder de naam

74


Locarno van 3.90 m. breed. Hatéma is dan al afnemer van Eurocarpet. Uit correspondentie in het KVT-archief blijkt dat Hatéma contact heeft gezocht met de KVT. Of dit uit onzekerheid over de nieuwe productietechniek is of uit geldgebrek, wordt niet duidelijk. Wel is het zo dat de KVT als een soort beschermende maatregel de clausule in het contract laat opnemen dat bij een eventuele ontbinding zij het recht heeft de tuftmachines in eigendom te verwerven zodat deze niet in handen vallen van een concurrent.

Stekker uit handgeknoopt Maar er gebeurt meer.Als gevolg van de dalende rendementen stopt de KVT op 1 januari 1971 met de productie van handgeknoopt Deventer tapijt. Het ooit befaamde tapijt verdwijnt in alle stilte. De producten die de fabrieken van de KVT vanaf die datum vervaardigen zijn beperkt. In Deventer gaat het om Wilton-geweven moquette en bouclé en het non-woven Lanatapijt. In Moordrecht produceert men met de Axminstergetouwen Kroon- en Waldorf Astoriatapijt. De totale tapijtindustrie staat op het terrein van productietechniek en marktontwikkeling op de drempel van ingrijpende veranderingen. Maar niet alleen dat. In de jaren zeventig zet bij de KVT na een paar jaar van goede rentabiliteit een dalende lijn in. De winst zakt in 1974 van f 982.424, - in 1973 naar f 492.218, -. In de gehele sector van geweven tapijt is sprake van dalende omzet. De massaproductie van getuft tapijt, gecombineerd met goedkope import uit onder andere Engeland, naast stijgende lonen en hogere noteringen voor wol, maken het Nederlandse tapijt minder concurrerend. Ook financiële belangen en groeperingen krijgen grip op de tapijtindustrie. Zo krijgt de KVT omstreeks 1972 te maken met de participatiemaatschappij Jessel Securities. Deze weet een fors belang te verwerven in de open vennootschap die de KVT is en bewust wil zijn, zo laat directeur drs. H.J. Geerkens weten in een vraaggesprek met het tijdschrift Beleggers Belangen van 16 november 1973. Hij ontkent

75

dat Jessel een meerderheidsbelang heeft, maar uit het interview wordt wel duidelijk dat dit niet ver van de vijftig procent af zal liggen. Het artikel eindigt met de constatering, opgetekend uit de mond van directeur Geerkens, dat de KVT een ‘financieel gezonde onderneming is en dat de vraag naar kwaliteitstapijt over een langere periode gerekend zal blijven toenemen, waarbij ook aan kantoren en openbare gebouwen en dergelijke moet worden gedacht’. In de slotzin van het artikel bekruipt de verslaggever enige twijfel: ‘Naar de uiteindelijke consequenties van het grote minderheidsbelang van Jessel in KVT kan men slechts gissen’. De geciteerde verklaring van Geerkens in Beleggers Belangen strookt niet geheel met de werkelijkheid. Het gaat de KVT niet echt voor de wind. Er wordt weliswaar nog winst wordt gemaakt, maar na het boekjaar 1973/1974 komt hieraan een einde. De komst van Jessel is niet vanuit een luxe positie voor de KVT.

In buitenlandse handen Oud-bedrijfsingenieur Wim de Jong van de Deventer vestiging geeft de volgende lezing over de invloed van Jessel Securities: ”Behalve in de KVT had Jessel in de periode 1973-1975 ook een belang in Verto - de Verenigde Touwfabrieken - dat ook tapijt produceerde. Bankier Hazelhof van de ABN was een contactpersoon in de communicatie tussen de betrokken partijen. Op zijn verzoek heb ik de tuft-fabriek van Verto in Steenwijk bezocht om er mijn oordeel over te geven. Naar mijn idee hebben directie en commissarissen van de KVT geen animo gehad om mee te werken aan het in elkaar schuiven van de KVT en Verto.” Hoe het precies is gegaan is niet duidelijk, maar volgens bedrijfsingenieur De Jong is het waarschijnlijk dat het grote minderheidsbelang van Jessel het vereenvoudigd zal hebben dat de KVT uiteindelijk in andere handen, in buitenlandse handen komt. Want zo gebeurt het. In 1975 komt de KVT in handen van het Ierse Yougal Carpets Holding


Luchtfoto van de KVT-tapijtfabriek in Moordrecht.

uit Cork. Uit het jaarverslag van Yougal over 1975 blijkt dat per 31 december van dat jaar 99 procent van de KVT-aandelen is overgegaan in Ierse handen. De KVT is eigendom van Yougal. In het betreffende jaarverslag wordt de verwerving van KVT bejubeld en omschreven als een succesvol koopje. Enkele citaten: ’in de vijf jaar voor 1974 boekte de KVT solide winst. In 1974 werd de KVT, evenals bijna iedere tapijtfabrikant op het continent ernstig getroffen door de recessie. (verliessituatie) … De overname is een fortuinlijke spin-off van de recessie. Het is alleen in die tijden dat mogelijkheden als deze ontstaan en wij zijn gelukkig dat wij voordeel van die situatie konden halen… Voorts geeft het de mogelijkheid tot expansie van de handel op het continent en zeker niet in de laatste plaats door de mogelijkheid van de levering van garens aan de KVT’.

Donkere wolken Boven de Deventer vestiging pakken zich direct daarna donkere wolken samen. De fabriek is een zwakke poot binnen de KVT en verkeert in financiële nood. Een oplossing lijkt niet in zicht. De nieuwe Ierse eigenaar is niet van plan de voor een reddingsplan benodigde vier tot vijf miljoen in de Deventer fabriek te steken. De eerste berichten over een naderend einde komen in mei 1978 in de openbaarheid. Gehoopt wordt op overheidssteun. Geld dat naar verwachting grootdeels naar Ierland zal vloeien. Wellicht is dat de reden dat minister Gijs van Aardenne van Economische Zaken in augustus ontkent

dat de KVT in financiële moeilijkheden verkeert. Wel zegt hij iets te weten over voorgenomen reorganisatieplannen bij de KVT. Verder wil hij over de inhoud van deze plannen niets zeggen. Vragen hierover van de PvdA-kamerleden H. Rienks en A. van der Zwan laat hij onbeantwoord. De Industriebond NVV en de Deventer wethouder Klaas Vos weten meer. Zij gaan ervan uit dat het hoe dan ook arbeidsplaatsen zal kosten. De problemen bij de KVT vallen samen met een onderzoek door de Structuurcommissie Tapijtindustrie. Het rapport schokt de bedrijfstak. Eén van de conclusies is dat de productiecapaciteit van de weverijsector in haar geheel op korte termijn moet worden teruggebracht tot nul. Van Aardenne stelt na het uitbrengen van het rapport van de commissie dat de oplossing van de organisatieproblemen bij de KVT niet strijdig mag zijn met de conclusies van het onderzoek. In krantenverslagen van 4 augustus 1978 laat woordvoerder G. Hengstman van de Industriebond NVV weten somber te zijn. Hij vreest dat men bij de hoofdvestiging te Moordrecht sterk geporteerd is voor sluiting van Deventer om vervolgens alles over te brengen naar dit stadje aan de Hollandse IJssel. Zijn somberheid is goed voor te stellen nu het na het negatieve rapport over de tapijtindustrie elk zicht op overheidssteun uitgesloten mag worden geacht. Inmiddels is het verlies over 1978 bij de KVT opgelopen tot zes miljoen.

76


Loodje van KVT-tapijt.

Sluiting van Deventer

Nieuwe eigenaar

Een paar dagen later - op 16 augustus 1978 blijkt Hengstman gelijk te hebben gekregen. De directie van de KVT - lees Moordrecht - heeft besloten tot volledige sluiting van de fabriek aan de Deventer Smyrnastraat. Het betekent het einde van de werkgelegenheid in Deventer voor in totaal 109 personeelsleden. Per direct komen er 91 op straat te staan. Moordrecht is wel bereid de Wilton-weefgetouwen met tien vakmensen over te nemen. Die hebben ze in Moordrecht niet en in Deventer zit de nodige expertise. Maar als de Deventenaren niet willen, dan kunnen ze ontslag krijgen. Dat Wilton-tapijt kan de KVT zonodig ook wel in Engeland kopen.

Hoe vergaat het de Koninklijke Verenigde Tapijtfabriek verder? Rond 1986 beginnen de bedrijfsresultaten in te zakken. Het bedrijf krijgt te maken met surseance van betaling. De problemen worden acuut op het moment dat de Amro-Bank de kredietverlening stop zet. Yougal en daarmee de restanten van de KVT komen in de etalage te staan. In juli 1987 verwerft de Britse tapijtfabriek Coats Viyella uit Manchester de meerderheid van de aandelen. Met een Britse directeur aan het roer is de KVT weliswaar een aparte loot aan de bedrijfsstructuur van Coats Viyella, maar zonder enige bestuurlijke zelfstandigheid.

De werknemers van de Deventer vestiging van de KVT hebben voor de uiteindelijke sluiting op 16 augustus 1978 al een aantal maanden in de gaten dat het Ierse Yougal absoluut niet is geïnteresseerd in de Deventer fabriek. Yougal is van oudsher een wolspinnerij en wolververij. Dat is de basis van het bedrijf. Afzet van garens is de hoofdactiviteit. Om daarvan zeker te zijn omvat het Ierse bedrijf ook een aantal roedeweverijen. Vandaar dat de moquette of bouclé uit Deventer absoluut niet interessant is. Helemaal duidelijk wordt het als in maart 1978 de gareninkoper van de Deventer KVT op non-actief wordt gezet. Die activiteit is niet meer nodig. Ook de ververij in Deventer, die tevens de opdrachten van de fabriek in Moordrecht uitvoert, gaat al snel dicht. Na de overname in 1919 is Iers garen uiteindelijk de doodsteek voor de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek.

Een belangrijk product dat de KVT in die tijd fabriceert en succes mee heeft, is het zogenaamde KVT-Aircraft. Vliegtuigtapijt. De meer klassiekere tapijtvormen als Wilton en Axminster worden gaandeweg overvleugeld door het tufttapijt. Het bedrijf is sterk gericht op de export. Gezien het vliegtuigtapijt niet zo vreemd. De Jong: “Dat vliegtuigtapijt werd al in de jaren zeventig in de Deventer fabriek gemaakt. Het was een lichtgewicht moquettetapijt.”

Per 1 januari 1979 wordt het Deventer KVTcomplex overgenomen door Machinefabriek Geurtsen voor 1,5 miljoen gulden.

77

Drie jaar later trekt Coats Viyella de stekker eruit. Verder investeren wordt niet langer zinvol geacht. In 1990 wordt de KVT overgenomen door Van Besouw uit Goirle. Overname is een beetje groot woord. Het gaat Van Besouw alleen om de naam KVT en slechts twee getouwen. Van Besouw is ooit als klein fabriekje in linnen weefsels, zeildoek en zakken begonnen in 1839. In 1904 groeit dit uit tot een echte tapijtfabriek met de bouw van een Tapis Belge-weverij. Na het aantrekken van ontwerper Benno Premsela in 1964 wordt Van Besouw een merknaam en maakt het een sterke groei door. Maar na de overname van de KVT


komt ook bij Van Besouw de klad erin. In 1995 verkeert het bedrijf enige tijd in een staat van surseance van betaling. Er komt een doorstart, maar in 2003 wordt het bedrijf overgenomen door Intercarpet uit Aalten. De naam KVT bestaat alleen nog als merk en wordt gevoerd door de Belgische tapijtfabrikant Philippe Vlerick uit Kortrijk, die met zijn BIC Carpets nog altijd tapijt op de markt brengt voorzien van een etiket met de initialen van de voormalige Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken.

Advertentie uit de jaren vijftig benadrukt nog het belang van het Deventer tapijt.

De terugkeer van een hoogbejaard tapijt Op 18 september 1992 bevat het Deventer Dagblad een artikel met foto van een aantal soldaten die in de Grote of Lebuïnuskerk in Deventer in de weer zijn met het slepen van stoelen ten einde ruimte te maken voor een antiek tapijt van grote omvang en waarvan de krant meldt dat het maar liefst 600 kilo weegt. Het in 1904 bij de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek geknoopte tapijt uit de Ridderzaal in Den Haag is terug. Militairen van het Provinciaal Militair Commando bezig De krant meldt in alle stelligheid dat het het Ridderzaaltapijt uit te rollen in de Lebuïnuskerk in tapijt in 1904 door de gemeente Deventer ten geschenke is gegeven ter aankleding van Deventer. (Foto Deventer Dagblad/Ron Nagtzaam)

de in dat jaar opgeleverde gerestaureerde Ridderzaal en andere grafelijke zalen in het complex uit de 13e eeuw, nadat deze geruime tijd in deplorabele staat hebben verkeerd. Ook in andere stukken wordt dat geschenk aangehaald. Een bewijs is daarvoor evenwel niet gevonden. Het lijkt ook niet erg aannemelijk. In de ‘Handelingen van den raad over 1905’ wordt in de ‘Verantwoording over de rekening van het dienstjaar 1904’ gemeld ‘dat de schuldenlast der gemeente Koningin Juliana bij het voorlezen van de Troonrede in 1904 niet onaanzienlijk is vermeerderd en op 21 september 1948, kort na haar inhuldiging op 6 dat het een eis is van goed financieel beleid september van dat jaar. om behoedzaamheid te betrachten bij het regelen der geldmiddelen van de gemeente’. Ook in de verantwoording over 1903 komen soortgelijke bewoordingen voor. Ook daar staat dat ‘behoedzaamheid op financieel gebied een klemmende eis blijft’.

Detail van het Ridderzaaltapijt.

Maar hoe dan ook met ingang van het jaar 1904 zal de koningin voortaan in de Ridderzaal op de derde dinsdag in september de Troonrede uitspreken op een in Deventer handgeknoopt tapijt. Daarvoor doet zij dat in de vergaderzaal van de Tweede Kamer. 78


Gevestigd in de stad waar het tapijt vandaan komt mag een verslaggever van het Deventer Dagblad op 19 februari 1904 in de vernieuwde Ridderzaal een kijkje komen nemen. Dat mag, zo schrijft de krant, ‘dankzij de welwillendheid’ van Rijksbouwmeester en lid van de Commissie van Advies voor de Grafelijke Zalen, Daniël Knuttel. De verslaggever constateert tevreden dat de Deventer tapijtfabriek er alle eer mee heeft ingelegd. Het tapijt is het allermooist dat er te bewonderen is. Er is dan nog geen band met Deventer, maar de zoon van de Rijksbouwmeester, ir. W.P.C. (Wout) Knuttel zal later in Deventer naam maken als de architect van grote woningbouwprojecten. De komst van het Ridderzaaltapijt naar Deventer is niet geschied onder groot gejuich uit de kringen van het Deventer gemeentebestuur. Dat het tapijt uit de Ridderzaal zou worden verwijderd wegens slijtage en zal worden vervangen door een nieuw tapijt, geknoopt bij de fa. Tai Ping in Hong Kong, is al bekend sinds 1988. De Deventer kunstenaar Huub Kurvers attendeert in een brief de gemeente hierop. Hij stelt voor het op te hangen in de Bergkerk, omdat, zo laat hij weten dan eindelijke de akoestiek beter wordt. In het gemeentehuis blijft het stil. In 1990 schrijft Kurvers maar weer eens een brief. Bij de gemeente heeft niemand enige notie van de zaak. Pas bij het verschijnen van de eerste foto’s over het verwijderen van het kleed wordt men bij de gemeente wakker. Maar dat het in 1992 uiteindelijk toch naar Deventer komt is volledig toe te schrijven aan een actie van het Provinciaal Militair Commando. Dat viert in september 1992 het 175-jarig jubileum. En als cadeau halen de militairen van het PMC het tapijt op. Tijdens de receptie van het commando in de Lebuïnuskerk wordt het tapijt aangeboden aan burgemeester Waal. Achteraf blijkt zo’n 600 kilo zwaar tapijt toch een probleem. Waar laat je zoiets? Wat kun je ermee? Tot aan de dag van vandaag ligt het nu ruim 108 jaar oude knoopwerk opgeslagen in een depot van de Deventer Musea.

Op de toenmalige locatie in de zwarte silo in het Deventer Havenkwartier van de Stichting Industrieel Erfgoed Deventer (SIED) keert in 2012 ook een oud Deventer tapijt terug. Het is afkomstig uit het toenmalige gebouw van de Holland Amerika Lijn - nu Hotel New York - in Rotterdam. Hier wordt het aan een inspectie onderworpen.

79


Enkele personeelsleden van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters poseren voor een tweetal producten. Datum 2 augustus 1911. V.l.n.r.: staand - T. Hoekstra, L. Ronken, H. Timmerman sr., J.P.N. Murk, H. Timmerman jr., H.J. Prinsen, Bostelaar, Te Kloeze, H.J. Dicke; hurkend G.H. Koster, A. Meijer; zittend - Mastenbroek, H.J. Mol en F. Hengst. (Namen door slechte leesbaarheid onder voorbehoud, foto Rutgers Deventer) 80


Een familie met tapijt in de genen Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters (1907-1975/1993)

In het historisch archief van de NV Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters treffen wij bij verrassing een handgeschreven historische verhandeling aan, opgesteld ter gelegenheid van het 75-jarig jubileum van de fabriek in 1982. De auteur is niemand minder dan oud-directeur J. Th. Peters; de zoon van de stichter van de fabriek. Uit de verhandeling blijkt dat de tapijtweverij van Peters niet zomaar een familiebedrijf is. Bij de familie Peters hebben de leden tapijt in de genen. De familie is tapijt. Zelfs als er geen sprake meer is van een tapijtfabriek met die naam. De eerste Peters is Johannes Theodorus Peters (1835-1904) die van 1860 tot zijn dood werkzaam is bij de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek (KDT). Hij is daar vele jaren onderdirecteur. Ook zijn zoon Hendrikus Johannes (1866-1949) begint na zijn studie voor textieltechnicus aan de Sächsische Höhere Fachschule für Textil-Industrie in het Duitse Chemnitz en een stage in het Engelse Kidderminster, in 1886 als verfmeester en later eveneens onderdirecteur bij de Koninklijke tot hij in 1907 zelf in Deventer een tapijtfabriek begint. Hij is daar tot 1946 directeur. Diens zoon, ook een Johan Theodoor (1910-1990, komt eveneens na een textielstudie aan de Hogere Textielschool in Enschede en de Fachschule in Chemnitz en na een stage in Frankrijk in de zaak. Hij studeert in 1930 af, maar is pas De stichter van de fabriek Hendrik Jan Peters op een foto uit 1930. 81


Bouwkavel langs de Lange Zandstraat met op de achtergrond de spoorbrug over de IJssel.

halverwege 1932 beschikbaar omdat hij eerst zijn dienstplicht dient te vervullen. Hij gaat in 1975 met pensioen. Zijn zoon, weer een Hendrik Jan (*1946), treedt aan in 1968 na een studie aan de Hogere Textielschool in Enschede. Zoals we zullen zien krijgt hij te maken met eigenaren en aandeelhouders van buiten het bedrijf en andere grote veranderingen.

Op zich is het al tamelijk curieus dat een nog in dienst zijnde technisch onderdirecteur laat weten voor zichzelf te beginnen en wel als concurrent van zijn huidige werkgever. Zijn zoon meldt daarbij dat ‘deze aankondigingen in zoverre onjuist zijn dat mijn vader niet het weven van kokos zou beginnen, maar met koehaar en Tapis Belge weefsels en later velvet lopers’.

Hiermee houdt de beschrijving van de tapijtfamilie Peters nog niet op. Ook de dochter van de stichter van de fabriek Mini Peters, kunstenares, is als ontwerpster van 1930 tot 1960 actief voor het familiebedrijf. Dat geldt ook voor haar latere echtgenoot P.M.J. (Sjef) Koning, die directeur-verkoop wordt. En ook hun zonen Jef en Peter raken verknoopt en verweven met de fabriek; respectievelijk als grafisch ontwerper en productieleider.

Over de start van het familiebedrijf Peters schrijft J. Th. Peters het volgende: “In 1907 is mijn vader uitgetreden. Hij voelde destijds aan dat er geen kans was om als directeur van de KDT te worden benoemd, daar de leiding in andere handen overging en uit Rotterdam en Den Haag werd gevoerd”.

Nog in dienst van de KDT De handgeschreven documenten van J. Th. Peters uit het bedrijfsarchief laten zich indelen in een aantal perioden. Het begint met de tekst van advertentie uit de Deventer Courant No. 6 van vrijdag 8 februari 1907: ‘Door de heer H.J. Peters, thans technisch onderdirecteur der Koninklijke Deventer Tapijtfabriek, zal op een terrein gelegen aan de Lange Zandstraat een fabriek worden opgericht tot het mechanisch weven van koehaar- en cocoskarpetten’.

Als zoon Peters dat ooit zo heeft opgetekend uit de mond van zijn vader, dan mag dat wel als buitengewoon bijzonder worden bestempeld. Die andere handen waarover hij het heeft komen pas in 1918/1919 in beeld bij de overname van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek en de ’s-Gravenhaagsche Smyrna Tapijtfabriek door de Rotterdamse Koninklijke Tapijtfabriek Werklust van W.L. Stevens. De Haagse fabriek speelt, zoals we zagen in hoofdstuk 4, in deze overname een zeer ondergeschikte rol en verdwijnt al binnen korte tijd van het toneel. Interessant is wel dat in de jaren voor 1907 waarin H.J. Peters vaststelt dat er voor hem geen carrièremogelijkheden zijn, het directeurschap van de KDT in handen is van J.G. Mouton en zijn

82


Personeelsbeleid of het spel en de knikkers Hoe neemt een fabrikant personeel aan dat jong is en met weinig of geen beroepsopleiding, noch ervaring. Hoe test je dan de geschiktheid van zo’n sollicitant? Tapijtfabrikant H.J. Peters heeft daar een opmerkelijke methode voor. In het historisch archief van de fabriek bevindt zich een knipsel uit de door ondernemers veel gelezen Kluwer advertentieblad Vraag en Aanbod. Het knipsel betreft een informatief, maar vooral buitengewoon saai artikel over kalk en kalkverf. Volgens de door zoon J. Th. Peters bijgeschreven tekst laat zijn vader de solliciterende jongens deze tekst lezen ‘om te testen hoe hun leesvaardigheid was’. Als de jeugdige potentiële werknemer zich dan door deze draak van een tekst heeft heen geworsteld, krijgt hij een niet nader beschreven kleurentest. Als laatste worden de sollicitanten onderworpen aan een vaardigheidstest met knikkers. Hierbij laat Peters een aantal knikkers los op een schuin aflopende tafel. Sollicitanten moeten vervolgens de knikkers opvangen in een bakje. In een latere notitie blijkt Peters zijn selectiemethode verder te hebben ontwikkeld. Hij noemt ze nu psychotechnische proeven. Per fabrieksafdeling noteert hij specifieke eisen en testen: Weverij • Scherp gezicht - spoorwegboekje, courant lezen op afstanden • Opmerkzaamheid - knikkerproef • Handigheid - prikken in plankje en inrijgen • Kleurenblindheid/kleuren nuanceren - met gekleurde kaartjes • Vlugheid - knikkers over en weer brengen • Gymnastiek - diepe kniebuiging (en hand) • Ontwikkeling - schoolwerk • Geheugen - zinnen nazeggen Spoelerij Lange gestalte en lange armen - kleurproef, knikkerproef, draden aan elkaar knopen, prikproef, leesproef. Stopster Kleurproef, nuancering, draden losmaken, leesproef, prikproef, draad in naaldoog (12x) Over de knikkerproef schrijft hij nog: aantal 30 stuks; gemiddelde vangst 16 tot 18; hoogste aantal gevangen knikkers is 22. esthetische secondant Theodoor Colenbrander. Mochten de door J.Th.Peters opgetekende woorden van zijn vader waar zijn, dan zou Mouton al veel eerder met plannen tot overname bezig zijn geweest. Daar is geen enkel bewijs voor gevonden. Wel blijkt uit de correspondentie voorafgaand aan de overname in 1919, zoals te lezen valt in hoofdstuk 4, dat Mouton een nogal solistisch opererende figuur is. Mogelijk laat hij weinig ruimte aan zijn onderdirecteur. Volgens zoon Peters is één van de KDT-fabrieksbazen

83

tegelijk met zijn vader uit het bedrijf gestapt. Dat blijkt te kloppen. Het betreft getouwbaas - de baas van de mechanische weverij - H. Timmermans. We komen het duo in dit boek nog tegen in een andere omstandigheid. Peters begint met het zoeken naar een geschikte vestigingsplaats voor zijn nieuwe fabriek. Van doorslaggevend belang is de kwaliteit van het grondwater. Als verfmeester weet hij als geen ander dat dit niet te hard mag zijn. Hij


Achteraanzicht met sheddaken.

Fabrieksgevel aan de Zandweerdsweg.

laat talrijke bodemonderzoeken uitvoeren. Uiteindelijk vindt hij de juiste plek op de Zandweerd, pal naast de katoenfabriek van Ankersmit en Houthandel Stoffels. Aan de Zandweerdsweg weet hij een aantal huizen te kopen. Sloop daarvan levert een geschikt bedrijfsterrein op. Er worden een weverij en een ververij gebouwd. De fabriek wordt gerealiseerd vanaf 16 februari 1907 door aannemer H.J. Witteveen en is gereed op 16 november 1907. Het totale bedrag van de bouw bedraagt volgens de eindafrekening van de aannemer f 18.271,66. De aankoop van de benodigde grond, groot 1500 m2, staat in de boeken voor f 5.400, -. Bij het grondstuk zijn enkele arbeiderswoningen aan de Lange Zandstraat inbegrepen. Indien nodig zullen deze moeten wijken voor een eventuele latere uitbreiding van de fabriek. Het terrein wordt daarmee dan nog 500 m2 groter. Ten aanzien van de financiering van zijn nieuwe fabriek verkeert Peters in de prettige omstandigheid dat de familie van zijn echtgenote Maria Berendina Nikkels (1875-1950) niet onbemiddeld is.

Energieke start Hendrikus Johannes Peters pakt vanaf het begin van zijn onderneming, zelfs nog vóór er sprake is van een fabrieksgebouw, de zaak zeer energiek aan. Hij probeert zelfs al orders geplaatst te krijgen terwijl er nog geen meter tapijt is geweven. Een bewaard kopieboek van brieven uit de jaren 1907-1909 bevat daarvan treffende bewijzen. Hij moet haast wel blauwe vingers van het schrijven hebben gekregen. Alles zelf vanuit zijn huisadres in de St. Jurriënsstraat.

Hij begint met het schrijven van brieven al wanneer hij nog in dienst is als onderdirecteur bij de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. In een brief aan garenhandelaar Visser & Co in Amersfoort laat hij op 1 april 1907 weten dat hij afscheid heeft genomen van de Koninklijke met als doel in het najaar zelf met een mechanische tapijweverij te beginnen. In een tweede brief laat Peters weten dat hij denkt in augustus zover te zijn. De door hem gevoerde correspondentie heeft een zeer internationaal karakter. Hij bouwt relaties op in de Levant met handelaren in steden als Alexandrië, Constantinopel, Smyrna, Saloniki, Athene, Boekarest. Steden waar al eeuwen tapijt wordt verhandeld en geproduceerd. Ten aanzien van de inrichting van zijn fabriek refereert hij regelmatig aan Vraag en Aanbod, een onder ondernemers zeer breed verspreid en gelezen advertentieblad van de Deventer uitgever Kluwer dat je kunt zien als een voorloper van het huidige Marktplaats.nl op internet. Zo koopt hij van verschillende aanbieders diverse machines, ijzeren ramen, drijfassen, riemschijven, kammen voor zijn beoogde koehaarkarpetten en Tapis Belge, een stoomketel, verfkuipen, een Stockport zuiggasmotor van 17 PK en van de fa. B. Legeer uit de Kleine Overstraat in Deventer voor 95 gulden een tweedehands brandkast. Ter verduidelijking voegt hij aan zijn correspondentie kleine technische tekeningen toe. Bij het cargadoorsbedrijf Jan van Wezel in Amsterdam informeert hij naar verschepingsmogelijkheden.

84


Ook moquette In zijn contacten met een aantal potentiële handelaren in de Levant speelt de broer van de Deventer textielfabrikant, dr. Hendrik Jan Ankersmit, een bemiddelende rol. Het betreft hier dr. P. (Piet) Ankersmit, woonachtig in het Spaanse Malaga. Op aanraden van H.J. Ankersmit benadert Peters diens broer en hij polst hem of hij wellicht niet medevennoot van de nieuwe fabriek zou willen worden. Mocht zulks het geval zijn dan stelt dat Peters in staat zijn plannen voor de nieuwe fabriek uit te breiden met die voor een moquetteweverij. Dit type tapijt is in deze tijd hoogst modern en er wordt een grote toekomst aan toegedicht. Dat geld heeft hij (nog) niet en hij becijfert in zijn brief aan Piet Ankersmit dat daarvoor ruim 40.000 gulden voor nodig is. Verdere briefwisseling tussen Peters en Ankersmit betreffende het medevennootschap worden in het archief niet aangetroffen. Uit brieven aan fabrikanten van moquette weefgetouwen in Tourcoin met de melding van Peters dat hij voorlopig afziet van een bestelling van deze machines, mag worden vastgesteld dat de medevennootschap niet is doorgegaan. In ieder geval is het een reislustig man, deze Ankersmit. Hij runt in Zuid-Spanje een wijnkoperij en bezoekt plaatsen die ook voor Peters van belang kunnen zijn. Hij bemiddelt voor hem in Boekarest, Constantinopel en Smyrna. Interessant is het bezoek dat Ankersmit brengt aan tapijthandelaar Jules Egli in Smyrna. Peters heeft Egli per brief al laten weten Tapis Hollandais te zullen produceren. Een type tapijt dat in het hele archief onder die naam niet is terug te vinden. Waarschijnlijk bedoelt Peters Tapis Belge, dat overigens een aantal jaren later de naam Holtap krijgt; afkorting van Holland Tapijt. Uit een andere brief blijkt dat Ankersmit bij zijn bezoek aan Smyrna kennelijk een monstertje van Peters bij zich heeft. Dat blijkt onder meer uit een brief van 26 april 1907. De vraag rijst waar dat monstertje dan wel mag zijn geweven. De fabriek

85

Rekening uit 1909.

van Peters is er in april van dat jaar nog lang niet. Ankersmit heeft bij zijn bezoek aan Gross & Bosshardt in Boekarest in mei 1907 ook al een monster bij zich. Met een begeleidende brief van Peters. In deze en andere begeleidende brieven noemt Peters Ankersmit zijn ‘Geschäftsfreund’, niet zijn compagnon of medevennoot. Bij nadere informatie blijkt dat monstertje minder geheimzinnig te zijn dan het lijkt. Deze worden vaak geleverd door bouwers van weefgetouwen om aan te tonen hoe prachtig hun machines werken. In ieder geval is Jules Egli enthousiast en laat weten dat hij de toezending van de monstercollectie met belangstelling tegemoet ziet, zodat hij met zijn werk kan beginnen. Dat laatste gebeurt ook. Op 23 augustus 1909 draagt Peters per brief cargadoor Van Wezel in Amsterdam op om 839 kilo tapijt te willen verschepen naar Smyrna. Soortgelijke opdrachten krijgt Van Wezel van Peters ook voor andere steden in de Levant. De directeur van de nieuwe Deventer tapijtfabriek, die daarvoor onderdirecteur is van de tapijtfabriek in de Smyrnastraat, gaat tapijt leveren aan Smyrna, de tapijtstad bij uitstek. Het klinkt als sneeuw verkopen aan de Zuidpool. Soms gaat Peters in zijn gedrevenheid voor andere partijen iets te ver. Voor het Bureau voor Handelsinlichting bijvoorbeeld. Op 21 februari 1907 vraagt Peters om informatie over welke klanten door het bureau zijn doorverwezen naar de KDT. Daar is hij dan nog werkzaam. Het


Personeel voor kantooringang 1911.

Een aantal bazen van Peters poseert voor de fotograaf.

Een drietal klerken.

H.J. Peters en zoon en opvolger Johan Theodoor Peters half jaren dertig.

bureau antwoordt niets voor hem te kunnen doen. Het bureau vindt verder dat Peters de scheiding van belangen uit het oog heeft verloren en verstrekt geen informatie.

Veel dessins en kleuren Ook de productie wordt door Peters energiek aangepakt. Gezien de nummers in lijsten van bestelde karpetten in de correspondentie uit de begintijd van de fabriek produceert Peters van meet af flink wat dessins en kleurstellingen. Waar haalt hij de daarvoor benodigde ontwerpen vandaan? In het begin koopt hij deze in. Bijvoorbeeld bij het Atelier für Kunstgewebe van de Gebr. Pilters in het Duitse Krefeld. In een brief van 5 februari 1908 laat hij Pilters weten bezig te zijn met het laten bouwen van een Jacquardmachine en dat hij van plan is bij hem

tekeningen en ponskaarten (Kartenspiele) voor de Jacquard te laten ‘anfertigen’. Hij wil alles eerst wel even testen. Hij betrekt ontwerpen en bijbehorende kaarten ook bij andere ateliers in Krefeld. Dit blijkt uit brieven aan Leo Sistig en de firma C.A. Wilmsen uit die stad. Per dessin gaat het om een flink aantal kaarten. Voor een gemiddeld dessin voor een karpet van 4 x 5 meter zijn er gemiddeld zo’n 1800 nodig, blijkt uit de bestellingen. Zijn KDT-achtergrond is voor Peters een belangrijke bron van ervaring en kennis. Hij weet waar hij moet zijn om snel een goed draaiende fabriek van de grond te krijgen. Een belangrijke leverancier van machines bij de KDT is de Grossenhainer Webstuhl und MachinenFabrik te Grossenhain in Saksen. Peters en de Duitse fabrieksleiding zijn bekenden van elkaar

86


en er behoeft niet al te langdurig onderhandeld te worden. In de maanden juni, juli, augustus en september 1907 arriveren successievelijk weefgetouwen (ook Jacquard) en kettingscheeren boommachines in Deventer. De levering en plaatsing van het machinepark loopt gelijk op met de bouw van de fabriek. De Duitse fabriek vindt bij de start van de order uit Deventer dat Peters wel erg snel wil gaan. Voor 12 getouwen en 1 kettingscheermachine noemt Peters in februari 1907 een leveringstermijn van 10 tot 12 weken. Grossenhain corrigeert dat tot 16 weken. Uit een taxatierapport van 3 oktober 1907 kennen we de inrichting van de nieuwe fabriek: • 7 mechanische weefgetouwen met automatische bakkenbeweging • 4 mechanische weefgetouwen met Jacquardmachine • 1 scheer- en boommachine • 2 spoelmachines • 1 twijnmachine • 1 kaartenslagmachine • 1 kaartennaaimachine met drijfwerk • 1 zuiggasmotor met generators • 1 stoomketel met bemetseling • 2 reservoirs met pijpleidingen • 1 droogmachine met pijpleidingen • 1 roterende zuigpomp • 6 verfkuipen • 1 moquette weefgetouw • 1 scheermachine In een eerdere begroting noemt Peters een bedrag van f 50.000, - voor de inrichting van zijn fabriek. Uit deze lijst blijkt dat Peters kennelijk toch op bescheiden schaal wil starten met moquetteweven. Ergens zegt hij dat hij ook Doorniks tapijt wil gaan maken. Dat lijkt op moquette. Duidelijk wordt het niet. Ook niet uit de onderstaande beschrijving van zijn zoon.

Platweefsels Over de doelstellingen van zijn vader schrijft J. Th. Peters: “Het doel en dus de opzet van mijn vader was

87

het maken van platweefsels die ook voor de export naar de Levant (het oostelijke bekken van de Middellandse Zee) geschikt waren. Export was wat mijn vader zich voor ogen stelde. Men fabriceerde van kleine kleedjes tot karpetten, waaronder de Tapis Belge karpetten en lopers, later bekend onder de naam Holtap. Ook werden een paar velvet weefgetouwen geplaatst voor het maken van pluche (is velvet - sdv) lopers en vast tapijt op een breedte van 70 cm. Wij hadden onder andere een agent in Alexandrië in Egypte en er zijn in die begintijd direct na de oprichting van de fabriek in 1907 heel wat balen tapijtgoed naar landen als Griekenland, Turkije en Egypte verzonden. De samenstelling van deze producten was goedkoop. Vooral veel jute. Er was daar een grote markt voor. Het mechanische trok hem meer aan en hij zag grotere gebieden die alleen de koopkracht bezaten voor het goedkopere genre goed. Voor handgeknoopt was deze markt niet geschikt, vandaar dat hij daar nooit aan is begonnen. De export van deze goedkope producten is nog doorgegaan tot rond 1932 toen deze stopte wegens insolvabiliteit van veel klanten in die streken. Er was geen cent meer aan te verdienen en is men zich meer en meer gaan toeleggen op de leveringen in het binnenland. In de jaren twintig zijn wij begonnen met een artikel dat alleen in Duitsland bekend was. Dat heette Chenille Axminster; een zeer kostbare methode om tapijten en kleedjes te fabriceren. Wij waren hiermee de eerste tapijtfabrikant in Nederland die dit artikel maakte. Wij weefden tweezijdige chenille kleedjes in diverse maten en onze bekende Moschée tapijten ook in vijf maten en de daarbij behoren deurkleedjes. Alles in zeer moderne dessins en effen kleuren. Zeer bekend in dit genre tapijten waren onze Moesjek karpetten in Perzisch dessineringen. Het weefproces was echter dusdanig ingewikkeld dat de arbeidslonen te hoog werden voor dit soort artikelen en de productie is dan ook langzaam afgebouwd en in 1969 stopgezet.”


Brieven uit Duitsland Tijdens de Tweede Oorlog zijn enkele tientallen werknemers van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters te werk gesteld in Duitsland. Er is regelmatig contact met het thuisfront in Deventer in de vorm van handgeschreven brieven aan directie en personeel. Een aantal brieven is bewaard gebleven in het historisch bedrijfsarchief van de fabriek en beslaat de periode oktober 1942 tot februari 1944. Het valt op dat in de brieven sprake is van steeds een groep collega’s, samen verblijvend in het zelfde ‘lager’. Sommigen hebben enigszins passend werk in een textielfabriek. Een aantal citaten: Schwarzburg, 5 oktober 1942 “Wat het werken betreft ik en (K.) zijn in de spinnerij gekomen en (H.) en (Z.) in de alkaliseering. De spinnerij is heel wat anders als bij Ankersmit want hier maakt men uit hout in papier celwol … Je wordt hier gek van het geraas en van al die 30 verschillende talen die hier worden gesproken.” In een latere brief meldt dezelfde schrijver “Wij hebben het hier aardig getroffen. Want wij zitten hier in een lager dat een gewoon huis is … hier is het wel goed wat het eten betreft want wij kunnen hier zoveel krijgen als wij willen.” Hamburg-Altona 5 december 1942 (werkzaam bij de spoorwegen) “Ik heb met weemoed gelezen dat er al weer 16 man weg moeten. Ja, want ik weet nu wat het is om hier te zitten hoor.” 18 december 1942, Hamburg (houtfabriek) “Ik werk 54 uur. De baas is best mee te praten, maar heeft één gebrek, hij betaalt niet genoeg. Nu ben ik met hem aan ’t praten geweest en krijg ik er drie Mark in de week bij, wat nog niet genoeg is wil ik tenminste mijn vrouw en kind behoorlijk onderhouden.” Schwarzburg, 27 december 1942 (textielfabriek) “Het gaat mij hier goed en ik hoop met de heren ook. Allereerst wil ik de heren bedanken voor de shag. Het was gewoon een lust om weer eens een Hollands sigaretje te roken.” De schrijver moppert over een collega: “Het is anders wat met (…) samen te zijn. Hij doet als wij vrij zijn niets anders dan kankeren en slapen. Dat gaat al zo lang we hier zitten… Misschien dat wij met een half jaar verlof krijgen, want de volgende maand komen er hier nog veel Hollanders en dan beginnen ze met verlof te geven.” Hamburg/Wilhelmsburg, 10 januari 1943 “Wel is het voor ons jammer zoals ik u al schreef, dat (B.) niet meer in Wilhelmsburg zijn verblijf heeft, maar we zoeken elkaar geregeld op, om zodoende bij te dragen tot steun die een ieder behoeft. We vernamen nog van de andere vrienden, die ook al in Duitsland te werk zijn gesteld en keken er wel van op. In de toekomst zouden we met elkaar wat briefwisseling kunnen houden.” Schwarzburg, 21 januari 1943 “Dus er is ons nog een groep arbeiders gevolgd naar de Heimat. Ja, daar valt niets tegen te doen. En het is maar het beste dat men opgeruimd is als dat men somber is, want daar maak je het voor jezelf maar moeilijk mee. Want de oorlog die zal wel niet eeuwig duren en dan is het weerzien zo veel te mooier.”

88


Hamburg, 14 februari 1943 “Iets bijzonders kan ik u niet mededelen aangezien hier niets bijzonders voorvalt omdat wij hier denk ik minder van de oorlog merken als in Deventer, alleen dat ons eetrantsoen wel iets minder zal zijn.” Berlijn, 21 maart 1943 “Allereerst wil ik u mededelen dat alle jongens van HJP nog kerngezond zijn en hopen dat u dat ook is. Hier in Berlijn gaat alles nog zijn gewone gang en de jongens zijn allemaal in een vrolijke bui. De één zit ter zingen; de andere ligt op bed een vrolijke mop op z’n mondharmonica te blazen... (H.) is dinsdagavond van zijn verlof teruggekeerd en zijn medeneming van een heerlijke koek heeft ons lekker gesmaakt.” Hamburg/Wilhelminaburg, 22 maart 1943 “Langs deze weg laat ik u en personeel weten dat het verlof vastgesteld op 2 april niet doorgaat om reden de vele arbeid in de maand april.” Nordhorn/Denekamp, 6 september 1943 “Door samenloop van omstandigheden was het me niet mogelijk een bezoek bij u te brengen, daar ik op het ogenblik in Nordhorn werk en wel in weverij. Met dat werk valt het niet mee als men tapijtwever is... Ik ben in Denekamp in de kost. Hopende dat de oorlog niet te lang zal duren, hoop ik het zodoende te rekken.” Eisenach, 13 februari 1944 (metaalfabriek) “Het eten is hier bar slecht. De ene dag watersoep en de andere een halve liter saus en een stuk of vijf pelkartoffelen …Maar och met een beetje humor en geestigheid komen we er wel … Hoe gaat het anders op de fabriek? Zijn er nog meer slachtoffers naar het Derde Rijk verdwenen of was ik de laatste?”

Tapijtkartel Over de jaren voor de Tweede Wereldoorlog bestaat weinig archiefmateriaal. Als overal in het bedrijfsleven moet de fabriek zich aanpassen aan de crisis en de prijspolitiek van de regering. Door de ingevoerde weeldebelasting zijn de duurdere producten moeilijk verkoopbaar. Bezuinigingen dus. Bijvoorbeeld goedkopere grondstoffen als een mindere kwaliteit wol en papiergaren. De poolkarpetten worden geweven met een dunnere roede en minder inslagen, waardoor de pool korter wordt en het tapijt slapper. Zoals gezegd over de jaren dertig zijn weinig bedrijfshistorische documenten van de fabriek aanwezig. Wel bevindt zich in het archief een boekje uit 1933/1934 over het Tapis Belge, later Holtap genoemd. Eén van de producten van Peters.

89

Uit het boekje wordt duidelijk dat in de sector van de Tapis Belge-fabrikanten er geen sprake is van het vrije ondernemerschap. Zij hebben zich verenigd in een organisatie met strenge statuten. Een voorbeeld van een kartel pur sang. Het gaat over contracten, reglementen, contingeringen, afspraken over omzethoogten met een verplichte storting in de verenigingskas bij overschrijding hiervan, een regeling voor de opruiming, kascontrole, de te gebruiken garens. Bij overtredingen van de regels kunnen boetes worden opgelegd tot f 10.000, -. Ja, zelfs het zonder reden niet op de verenigingsvergaderingen verschijnen, betekent 25 gulden boete. Een zogenaamde Ereraad is aangesteld als waker over dit alles. Voorzitter hiervan is iemand die niet werkzaam is in de sector. En zo gaat het maar door. Verkopen mogen alleen via erkende inkoopcombinaties.


Advertentie voor Smyrnatapijt uit 1939. De Duitsers nemen in juli 1942 alle voorraden en grondstoffen in beslag.

Advertentie waarin tijdens de oorlog een locomobiel te huur wordt gevraagd.

Exportartikelen moeten een rode of groene ingeweven streep hebben. Het is verboden voor afnemers speciale, exclusieve dessins te maken. De collectie moet openstaan voor alle leden. Verboden is het ook dessins in een mindere kwaliteit te produceren dan in het reglement is vastgelegd. Op gevaar van een royement. Daar door de kartelregeling de fabricage van het Tapis Belge nauwkeurig is omschreven, is er ook iets te zeggen over de omvang van de sector. Bijvoorbeeld in Deventer. Zo heeft in een registratie uit 1926 de KVT 20 getouwen en Peters 17. Andere tapijtfabrieken zijn qua omvang vergelijkbaar. Maar de eind 19e eeuw uit Deventer vertrokken tapijtfabriek van Maurits Prins in Dinxperlo is met 60 getouwen op dit terrein de grootste. Uit de persoonlijke aantekeningen van J. Th. Peters blijkt dat hij in deze jaren de concurrentie scherp in de gaten houdt. Anders kun je niet participeren. Zo beschrijft hij hoe hij in oktober 1939 een staal moquette van de Moquette Industrie Deventer (MID) analyseert. De MID verkoopt deze kwaliteit voor f 2,53 per m2. Peters noemt dat te goedkoop. Moet volgens zijn berekening minstens f 2,71 zijn. Geen winst voor de MID, eerder verlies, schrijft hij erbij. In zijn persoonlijk getinte historische schets slaat J. Th. Peters inzake de beginjaren van de fabriek

ook even een anekdotisch zijweggetje in: “Ik hoorde van mijn vader dat hij in de kermistijd iedere morgen aan de fabriekspoort stond om alle koffiekannetjes te controleren door er aan te ruiken of er geen jenever in zat, want dat kwam in die dagen regelmatig voor. Een prettige stemming in een fabriek is goed, maar als het al te vrolijk wordt door dit soort koffie, lijkt me dat minder best.”

De oorlog Uit een stapel aantekeningen in het bedrijfsarchief wordt door de oud-directeur uitvoerig stilgestaan bij de oorlogsjaren 19401945. Het zijn notities uit zijn herinnering, maar wel uit de eerste hand. We laten hem hier graag aan het woord: “De oorlogsjaren zijn een hoofdstuk apart voor de tapijtindustrie in Deventer. Het begon in 1940 en 1941 met diverse voorschriften van de bezetter. Er kwamen restricties met de aanschaf van grondstoffen, vooral wol, katoen en jute garens. Iedere fabrikant kreeg eerst een bepaald percentage, dat steeds verminderde. Ook kolen en gas werden gedistribueerd. Daar de tapijtindustrie niet belangrijk was voor de oorlogsvoering werden deze fabrieken het eerst beknot in alle grondstoffen en zelfs een verbod tot produceren opgelegd. Door aankoop van papiergarens zijn wij zeer lang in staat

90


Foto van het voltallig personeel van de Mechanische Tapijweverij van H.J. Peters omstreeks 1950.

geweest om papiermatting te weven voor vloeren wandbekleding en te gebruiken als vulketting in de nog te weven lopers. Een grote ervaring hiermee hadden wij in de Eerste Wereldoorlog opgebouwd toen ook veel papiergarens werden gebruikt. Wij hebben tevens nog twee handgetouwen opgesteld zodat twee oudere wevers, die dit vak vroeger nog beoefend hadden, hierop werkzaam konden zijn. Wij weefden tafelkleedjes in streepdessins in vele maten. In de oorlog hadden wij een patent op een mechanisch geweven tapijt waarin handgeknoopte motieven waren verwerkt. Deze artikelen zijn in tweezijdige kleedjes en in effen Moschée karpetten toegepast. Wij hadden een speciaal sein bedacht indien er Duitsers of andere controleambtenaren aan de fabriek kwamen. Dan rende iedereen weg of plaatste zich op die plekken die niets te maken hadden met enige verordening. Voorraden werden alle verstopt op plaatsen in de stad die men niet kende en in de fabriek of boerderij in onze buurt. Voor vreemden werd het onmogelijk gemaakt inzicht te krijgen in voorraden grondstoffen, in halffabricaten en eindproducten. Er is gesaboteerd waar men kon. Daar er in de jaren 1943-1945 geen elektrische stroom meer was hebben wij een aantal getouwen voorzien van zwengels die door twee mannen op handkracht werden rondgedraaid.

91

Een enorm zwaar werk. Wij konden op deze manier aan de gang blijven en zo behoefden niet al onze werknemers naar Duitsland te worden gezonden. Naarmate de oorlog vorderde kregen wij de ene verordening na de andere. Zo werd door de Duitsers in september 1944 besloten dat iedere persoon zich moest melden voor tewerkstelling bij de Organisation Todt voor het graven van versterkingen. Hierna besloot de directie het bedrijf te sluiten, gezien deze schending des Volkenrechts. Er zijn razzia’s gevolgd, zodat niemand zich buitengaats zou begeven. Velen zijn weggevoerd. Veel van onze werknemers werden in Duitsland te werk gesteld, anderen doken onder en alle moeite werd gedaan deze verordeningen te ontduiken. Wij zijn met oudere werknemers en uitgeleende KVT-werknemers nog aan de gang gebleven tot het septemberoffensief bij Arnhem in 1944. Wij hebben voor de aandrijving van een gedeelte van de weverij een locomobiel (verplaatsbare stoommachine - sdv) aangeschaft en deze met hout gestookt. Wij kochten uit de gerooide dennenbossen de stobben op en deze werden dan op de fabriek gespleten en zo in de locomobiel verstookt. Vele beitels en voorhamers zijn daarop versleten. Men hield zo dus enige warmte en aandrijving over.”


Karpettenmagazijn.

U hoort later van ons Uit archiefstukken blijkt dat Peters probeert zijn personeel te vrijwaren voor tewerkstelling. Van het Gewestelijk Arbeidsbureau Zwolle krijgt hij opdracht op 30 juni 1944 te verschijnen op het bijkantoor gevestigd Singel 4 in Deventer met een volledige lijst van het mannelijk personeel dat voor ‘dit werk’ - dat van Organisation Todt - kan worden ingezet. Peters gaat niet, maar laat via een brief weten dat de ‘tijd voor een beslissing te kort is. U hoort eventueel later van ons’. Veel kan ook Peters niet doen. Wel maakt hij zich sterk om in ieder geval een sluitende regeling op papier te krijgen waardoor zijn eventueel tewerkgestelde personeelsleden gewaarborgd zijn van ziekengeld, een ziektekostenverzekering en kinderbijslag. De Bedrijfsvereniging voor de Textielnijverheid geeft hem deze garantie. Uiteindelijk tikt de tijd verder. Het hoofd van het Deventer bijkantoor van het Gewestelijk Arbeidsbureau R. Houwen laat op 15 september

Moderne kaartenslagmachine, maakt een ponsband en stuurt snelle, spoelloze weefgetouwen aan.

1944 weten dat nu ‘uw bedrijf is uitgesloten van verdere elektriciteitsvoorziening het gehele mannelijke personeel in aanmerking komt voor onmiddellijke tewerkstelling bij andere werken alhier’. Of Peters zich maandag 20 september 1944 om negen uur met zijn gehele mannelijke personeel maar wil melden op het bijkantoor van het arbeidsbureau. Werkkleding mede te nemen. Ter plekke zal dan beslist worden over de plaatsing van het personeel, aldus de brief. Volgen we verder het verhaal van Peters zelf: “Tot onze droefenis zijn in Duitsland enige werknemers omgekomen, terwijl in het laatste halfjaar van de oorlog door bombardementen ook aan de fabriek slachtoffers te betreuren waren: één der uitgeleende KVT’ers en een ordonnans van het Rode Kruis. Het Rode Kruis had een hulppost in onze kantoren, terwijl ook de brandweer er een half jaar lang als post buiten de Noordenberg heeft dienst gedaan; alleen van ’s avonds acht tot ’s morgens acht. Op 6 februari 1945 werd door bombardementen op de bruggen de fabriek getroffen. De sheds en kantoorgebouw kreeg zeer veel schade. Op

Zwaluwen Hendrik Jan Peters komt uit de documenten naar voren als een energiek man voor wie veel, zo niet alles, in zijn leven draait om de tapijtfabriek. Maar wat voor soort mens hij nu is kom je uit archieven en documenten niet echt te weten en levende getuigen zijn er ook niet meer. Maar soms komt iets naar boven dat een ander licht op een persoon werpt. Ook bij HJP. In een aantekenboek over de periode vanaf 29 januari 1904 - Hij is dan nog onderdirecteur van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek - staat temidden van kostenberekeningen en veel technische beschrijvingen van weefgetouwen, Jacquards, stoommachines en chemicaliën plotseling het zinnetje: “De zwaluwen zijn gekomen in 1904 op den 13den april.” In een ander boek met aantekeningen uit 1897 voert hij de zwaluwen ook al op. Ze arriveren dan op 15 april, om daarna direct weer verder te gaan met opmerkingen over zoutzuur.

92


Luchtfoto van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters uit 1955.

De vlakweverij van de zogenoemde Nieuwe Weverij in 1949 voor producten als Moesjek, chenille en Supratex.

zondag 8 april werd de fabriek door het springen van de spoorbrug verder beschadigd. Achter de schoorsteen kwam een blindganger terecht. In het bedrijf werd verder niemand gewond.” Na de eerste herstelwerkzaamheden blijkt de fabriek in juni 1945 weer enigszins te draaien. Er kan op zes getouwen mechanisch worden geweven en er werken weer 25 mannen en vijf vrouwen. “Doordat onze directie en de oudere werknemers niet naar Duitsland gezonden zijn geweest en wij allen door Ausweise waren gedekt, is er gelukkig veel gedaan voor diegenen die daarvoor wel op de nominatie stonden. Er is van alles gerekt en op de lange baan geschoven, maar het is onmogelijk gebleken de meeste jongeren hier te kunnen houden.” (zie ook kader Brieven uit Duitsland) In de oorlogsjaren kent het personeelsbestand het volgende beeld: 1940/41 - 135; 1941/42 122; 1942/43 - 76; 1943/44 - 62; 1944/45 - 28. De productie stort in het jaar 1942/43 in om vanaf 1944 te dalen tot praktisch nul. Uiteraard komt dat mede door de sluiting van de fabriek in september 1944. De maandelijkse omzetten laten een zelfde curve zien. Het eerste oorlogsjaar kent nog een stijging in vergelijking met het jaar 1939/40 - f 535.162

93

tegen f 596.562 in 1940/41. Verdere cijfers: 1941/42 - f 445.562; 1942/43 - f 304.232; 1943/44 - 232.154; 1944/45 - f 66.307; 1945/46 - f 319.306 en 1946/47 - f 797.970.

Na de oorlog Na de oorlog breidt de fabriek sterk uit. Op 1 februari 1949 begint de bouw van een nieuw gedeelte aan de fabriek. Net als dat vóór de wereldbrand al eens gebeurt worden opnieuw huizen met tuin opgekocht. Uiteindelijk staat er een fabriek op 5500 m2 op het terrein Lange Zandstraat/Zandweerdsweg/Sallandstraat. Veel gebouwen van Peters worden getekend door het bekende Deventer architectenbureau van Postma. Zo wordt in 1957 naar een ontwerp van Postma een nieuw kantoorgebouw gerealiseerd. (Nu is dit gebouw het enige dat nog rest van de vroegere Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters) Naast de bekende producten welke al tientallen jaren worden gemaakt als Tapis Belge, moquettetapijt en bouclé lopers, komt er onder meer gedessineerd Wilton tapijt en imitatie berbertapijt bij. Begin jaren zestig wordt de productie uitgebreid met gedessineerd Wilton breedweef van 4 tot 4.50 m. Maar zoals ook bij andere tapijtweverijen gaat Peters in de jaren zestig de opkomst van het


Aankondiging Petersmid in 1965.

Krantenberichten uit 1965 en 1968.

non-woven of getufte tapijt ondervinden. We laten J. Th. Peters weer aan het woord: “Toen echter de weverij meer en meer in moeilijkheden kwam door de invoering van de moderne tufting tapijtfabricage kregen ook wij te kampen met een grote achteruitgang en steeds hogere loonkosten. Er waren jaren bij, vooral te beginnen rond 1960, dat er jaarlijks kostenstijgingen waren van 10 tot 20 procent. Dit was niet vol te houden.�

NV Verkoopmaatschappij van Petersmid Producten. Een samenwerkingsverband - de naam verraadt het al - tussen de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters en de Moquette Industrie Deventer (MID.) De directeuren van beide bedrijven Johan Theodoor Peters en Carl Jacob Dietrich namens de MID zien met deze constructie mogelijkheden hun specialiteiten beter aan de man te brengen op een moeilijke markt, waar goedkope buitenlandse concurrenten goede verkoopresultaten danig dwars zitten. De bedoeling is dat Petersmid zal bijdragen aan de ontwikkeling van breedweeftapijt.

De jaren van neergang We verlaten hier even de historische schets van J.Th. Peters. Zijn verhaal maakt duidelijk dat de neergang in de Nederlandse textielsector gedurende de jaren zestig van de vorige eeuw ook de tapijtsector niet onberoerd laat. Vele vormen van productievernieuwing, samenwerking, gedachten aan en gesprekken over fusies zijn in de jaren zestig aan de orde van de dag. Bedrijven wankelen en sommige zijn gedwongen tot sluiting. De grootse klap op dit punt is de sluiting van de katoenfabriek van Ankersmit in Deventer. In december 1965 sluit deze textielfabriek van de ene op de andere dag zijn poorten met het ontslag van 1100 man als gevolg. Het eerste massaontslag in Nederland. In deze bange tijden worden dingen denkbaar, die daarvoor absoluut voor onmogelijk werden gehouden. Ook in Deventer. Ook rond de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters. Zo ontstaat op 8 juli 1965 de verkooporganisatie

De leiding van deze verkooporganisatie komt in handen van de directeur-verkoop van Peters, P.J.M.(Sjef) Koning en namens de MID schuift Berthold Dietrich, de broer van Carl, aan. Van Petersmid is het nooit de bedoeling geweest om de productie van beide fabrieken samen te voegen, laat staan om een fusie aan te gaan. Petersmid wordt geen succes. Misschien speelt ook het verschil in schaalgrootte een rol: Peters ongeveer 120 man en de MID rond de 30. Volgens Hendrik Jan Peters, de laatste directeur van de Mechanische Tapijtweverij, moet de mislukking mede worden toegeschreven aan omstandigheden op het persoonlijke vlak. In 1967 wordt het experiment gestopt. Maar de moeilijke tijden zijn niet voorbij. H.J. Peters herinnert zich dat voor hij in1968 in

94


het familiebedrijf aantreedt, er rond 1967 gesprekken zijn geweest over fusiemogelijkheden tussen Peters en de Deventer vestiging van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken. Zeker 1967 is een moeilijk jaar voor de fabriek. In een bericht in het Deventer Dagblad van 21 februari van dat jaar kunnen we lezen dat ontslag is aangevraagd voor 12 personeelsleden. Hieronder bevinden zich vijf wevers die al meer dan 40 jaar bij de fabriek werkzaam zijn. In het bericht lezen we verder dat dit ontslag niet door Peters zelf is aangezegd. Hij is verhinderd wegens besprekingen elders en laat zijn bedrijfsleider het slechte nieuws overbrengen, aldus de krant. Duidelijk wordt verder dat Peters al een vergunning heeft voor werktijdverkorting en dat het personeelsbestand inmiddels in de afgelopen jaren al is gekrompen van 120 naar 80. Nu werken er nog 60 mensen. Peters wil naar de krant verder niet reageren.

In andere handen

Advertentie uit 1975 die na de sluiting van de mechanische weverij een totale uitverkoop aankondigt.

opgenomen perscommuniqué van 19 januari 1968 van de fabriek wordt aangekondigd dat de fabriek gaat sluiten op 1 mei van datzelfde jaar. Waarom die sluiting nodig is wordt door het bedrijf niet vermeld. De plaatselijke krant zegt in een vervolgartikel te weten wat die reden is. ‘Na de oorlog heeft Peters de kans op omschakeling van een meer goedkoper product naar een kwaliteitsproduct gemist. Dit heeft uiteraard ook de pogingen der laatste maanden om tot een fusie te komen bemoeilijkt en tenslotte doen mislukken’. Waar deze bewering op stoelt, verzuimt de krant erbij te vermelden.

Beetje vage omschrijving. Waarover heeft Peters het hier? In zijn eigen epistel meldt hij daarover niets. Het is zo goed als zeker dat hij bedoeld heeft te betogen dat het voor een kleinere fabriek onmogelijk is om over te gaan op grootschalige tuftfabricage. Dat kan alleen door te zoeken naar samenwerkingsmogelijkheden. Dit wordt enige tijd later ook duidelijk.

In het bedrijfsarchief bevindt zich een handgeschreven vel papier gelijktijdig geschreven met het bovengenoemd persbericht waarin J. Th. Peters nader op de zaak ingaat. Het betreft een toespraak, of nieuwsbulletin voor het personeel. Hierin drukt Peters zijn waardering uit voor alle inspanningen van het personeel ‘maar het was niet voldoende om een goede koers te varen’. En wel ‘door het enorme aanbod van de concurrentie’. Peters hoopt op ieders medewerking tussen 19 januari 1968 en de sluiting op 1 mei om van alle grondstoffen een gereed product te maken en zelfs nieuwe orders uit te voeren. Hij biedt medewerking aan bij het solliciteren elders, ‘hoewel dit voor ouderen niet mee zal vallen en is die hulp een schrale troost’. Hij eindigt: “Ik verzoek u nu weer aan het werk te willen gaan.” Uitleg over de kennelijke onvermijdelijkheid van de sluiting ontbreekt.

In krantenverslagen uit die tijd is ook gepoogd de achtergrond van Peters opmerkingen te schetsen. Volgens berichten in onder meer het Deventer Dagblad gaat het de tapijtfabriek van Peters niet echt goed. In een door die krant

Op 26 maart 1968 komt Peters met een bericht naar buiten over de al aangekondigde overname: ‘een financiële groep zal de fabriek voortzetten en reorganiseren’. Wie of wat deze groep is blijft op dat moment in nevelen gehuld.

Aan de hand van de beknopte bedrijfsgeschiedenis van J. Th. Peters volgen we het verdere verloop van de moeilijkheden. “De investeringen voor de tuftedfabricage waren voor ons niet op te brengen en besloten we in 1968 om niet verder te gaan en een debacle te voorkomen. Het is ons echter gelukt om het bedrijf in andere handen te laten overgaan, welke van plan waren andere zaken dan alleen tapijtfabricage te plegen.”

95


Moordende concurrentie In het archief bevindt zich nog een tweede document met handgeschreven overpeinzingen in het zelfde handschrift. Zonder twijfel ook van de hand van J.Th. Peters. Een datering ontbreekt evenals voor wie de tekst bedoeld is geweest. Maar hoe dan ook het geeft een duidelijk beeld van de problematiek waarmee het bedrijf kampt. We citeren: “De structurele veranderingen hebben in een enorm tempo plaatsgevonden en de conjuncturele terugslag heeft hieraan ook tot verzwaring van de concurrentie bijgedragen. De enorme kostenstijgingen, waaronder de voornaamste toch ook wel de loonkosten mogen worden gerekend die de laatste drie jaar met circa 30 procent zijn gestegen, konden niet meer worden opgevangen door prijsaanpassing. De investeringen voor de moderne tapijttechniek, als tufting en naaldvilt, zijn voor kleinere bedrijven alleen niet op te brengen en alleen zeer grote toonaangevende bedrijven of fusies van meerdere bedrijven, hebben door hun toegang op de kapitaalmarkt wel die kans. De kleinere bedrijven dienen zich zodanig te specialiseren om een bestaan te kunnen handhaven. Echter ook daarin staat men niet alleen. Er zijn er inderdaad te veel en er is een moordende concurrentie met absoluut onaanvaardbare prijzen die tot afbraak hebben geleid. De enorme importen uit EEG- en andere Europese landen hebben het aandeel van de Nederlandse industrie flink doen dalen.�

De doorstart De financiers die in 1968 een doorstart van Peters mogelijk maken betreft de Internationale Handels en Transito Cie. De aandeelhouders van Peters verkopen de fabriek aan deze onderneming die meerdere deelnemingen bezit. Deze produceert geen tapijt, maar is een leverancier van grondstoffen. De onderneming is gevestigd in Amsterdam. Op papier dan. In feite gaat het om de in Huizen gevestigde onderneming Veredelingsbedrijf Erven Alofs; een onderneming met talrijke neven BV’s in veel sectoren van de textielnijverheid met een ingewikkelde structuur van belangen. De Internationale Handels en Transito Cie. suggereert een eenheid, maar is, zoals de vakbonden een paar jaar later ervaren, ook een vrij lege huls. Het gaat om Alofs, later genoemd Textielgroep Huizen. De activiteiten van de Deventer fabriek worden uitgebreid, onder andere met de plaatsing van meerdere Wiltongetouwen. De productie wordt ingericht op 4 meter breed tapijt. De loperweverij wordt geautomatiseerd. Daarnaast komen er een garentwijnerij, vezelbereiding en logistieke activiteiten voor de groep uit Huizen als de opslag en het verzenden van textielgarens. De hiervoor benodigde magazijnen worden gevonden op het complex van de in 1965 gesloten katoenfabriek van Ankersmit aan de Lange Zandstraat; in een leegstaande hal van staalbedrijf Werle aan de Handelskade, nuttig vanwege de aansluiting met het bedrijfsspoor

Millitron Is het getuft tapijt al een aanslag op het geweven tapijt; de uitvinding en de massale toepassing van de Millitron betekent de nekslag voor veel tapijtweverijen. Kijk op de vele sites op internet van bedrijven die deze Millitron-producten aanbieden, dan is het ook voor niet-tapijtingewijden duidelijk: hier valt niet tegenop te weven. Een gigantisch scala aan dessins met een ongelimiteerd kleurgebruik trekt aan je voorbij. De Millitron kun je het beste vergelijken met een inktjet printer. Volledig computer gestuurd brengt hij supersnel het gewenste dessin over op het effen geweven of getuft tapijt. De Millitron is in de jaren zeventig van de vorige eeuw ontwikkeld door het Amerikaanse chemie- en textielconcern Milliken in Spartanburg in de staat Zuid-Carolina.

96


en in een oude linoleumfabriek in Wijhe. J.Th. Peters blijft aan als directeur. Zijn zoon H.J. treedt dat jaar aan als plant-manager. De personeelsbezetting groeit van 65 in 1968 naar 85 in 1970.

Loonopdrachten Het karakter van Peters als tapijtweverij ondergaat in de loop van de daarop volgende jaren de nodige veranderingen. In 1970 neemt de Textielgroep Huizen de Nederlandse Vloeren Maatschappij over; een handelsonderneming in vinyl en naaldvilttapijt. Het centraal magazijn wordt ondergebracht bij Peters in Deventer. Ook in de persoonlijke aantekeningen van J. Th. Peters treffen we daarover enkele korte beschrijvingen aan: “We hebben tot 1975 nog zeer veel geweven tapijt gemaakt en tevens vele andere activiteiten in ons bedrijf gedaan. Het meest op het terrein van veredeling van garens. Deze activiteiten werden in loonopdrachten verstrekt.” Uit de in de aantekeningen gevonden omzetten is niet direct af te lezen dat de productie van machinaal geweven tapijten rond 1974 niet meer lonend is. Daarbij moet wel aangetekend worden dat de vermeldingen ophouden bij het boekjaar 1971/1972. Dat jaar is er ook een vermelding van een bedrag van f 3.736.398 aan loonwerk. Loonwerk met daarachter de vermelding ‘Huizen’ wordt in de boekhouding al gemeld in 1968/1969. Het jaar dat de groep Peters overneemt. Dat betekent tevens het einde van een experiment bij Peters met het produceren van tufttapijt. Bij Peters draait in 1968/69 enige tijd één der eerste tuftmachines in Nederland. In zijn historische verhandeling legt Peters uit met welke problemen de tapijtweverij te maken heeft: ”Men (Peters dus - sdv) kon veel beter dit (het tapijtweven - sdv) in loon laten doen en zuiver er in handelen, dan zelf te produceren. Gezien de laatste jaren is in de totale tapijtindustrie sprake geweest van een enorme achteruitgang speciaal van de weefsector. Er

97

wordt nauwelijks nog 20 procent van al het tapijt geweven. Het is eigenlijk bijzonder jammer dat veel tapijtfabrieken de weverijafdeling hebben moeten sluiten, terwijl er zelfs zeer veel grote fabrieken zijn verdwenen en opgeheven. Van degene welke nog bestaan is bij de meeste de handel in de weefsector hoofdzaak geworden en hebben dus geen eigen productie meer.”

Alles moet weg Duidelijk is wel dat door de invloed van het tuften het geweven tapijt in de loop van de jaren zestig en zeventig niet of nauwelijks nog winstgevend is. Het geweven tapijt heeft duidelijk zijn langste tijd gehad. De weverij van Peters wordt in 1975 stilgelegd. De afdeling weverij van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters is exit. Een advertentie op vrijdag 2 mei 1975 in het Deventer Dagblad kan het niet beter verwoorden: Totale uitverkoop wegens ‘het beëindigen van de afd. weverij MOET ALLES WEG!!’. Belangstellenden kunnen zich vervoegen bij het fabrieksmagazijn in het voormalige Ankersmit-complex. In de korte notitie van J. Th. zegt hij over het einde van de tapijtweverij: “De productie van geweven tapijt werd in augustus 1974 gestopt.” De tapijtweverij - het hart van de fabriek - wordt ontmanteld zo blijkt. Peters somt op: “Twee smalle getouwen werden in bruikleen gegeven aan de Enterse Kokosfabriek. Ook deze fabriek gaat per juli eindigen. Twee getouwen en een kaartslagmachine (voor Jacquard) werden verkocht; één getouw werd weggegeven en vijf brede getouwen werden in februari 1975 verschroot.” De afdelingen voor nabewerking van tapijt, scheren, latexeren, worden voortgezet om loonwerk te verrichten. Vier nog overgebleven weefgetouwen voor karpetten worden enkele jaren later verkocht. Hij sluit zijn korte notitie als volgt af: “Bij mijn pensionering op 1 april 1975 had de fabriek nog 74 mensen in dienst.” Onduidelijk is of dit aantal slaat op de fabriek nog met de weverij


intact of na sluiting hiervan. Ook beschrijft hij de werkzaamheden na sluiting: “Coating van vezelvliezen; twijnen en spoelen van kunstvezelgarens; opslag van grondstoffen op het terrein van de voormalige katoenfabriek Ankersmit, Werle en de linoleumfabriek in Wijhe. In totaal zijn hiermee 30 man gemoeid.” Die 30 man betreft specifiek het coaten. Daarnaast zijn er nog 28 werkzaam in de nabewerking weverij, vijf bedrijfsleiding en technische dienst, 11 op kantoor en zes in de verkoop. In het vakblad Texpress van Diligentia van 5 april en in het Financiële Dagblad van 10 april 1975 staat een kort bericht van het afscheid wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van J.Th. Peters; 45 jaar werkzaam bij H.J. Peters waarvan 35 jaar als directeur. Verder geen festiviteiten of ander feestgedruis. Peters wil zijn vertrek, zo laat hij in een brief aan een relatie weten, niet aan de grote klok hangen.

De naam blijft De weverij is dicht en opdrachten worden in loon uitgevoerd, maar de naam Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters is hiermee niet verdwenen. In de bedrijfspanden op de Zandweerd, nu ook in een deel van het leegstaande voormalige Ankersmitcomplex, wordt geen tapijt meer geweven, maar is nog wel sprake van activiteit en zijn er mensen aan het werk. Deze activiteiten spelen zich af op het terrein van de veredeling van grondstoffen als hierboven reeds beschreven. In 1975 komt de fabriek, of moet je spreken van een veredelingsbedrijf, maar nog steeds onder de naam Mechanische Tapijtweverij Peters BV, voor velen onverwachts in het nieuws. Op 31 juli 1975 bericht het Deventer Dagblad over een ontslag voor 17 werknemers die weigeren zonder vergoeding van reiskosten van hun woonplaats naar Deventer te reizen om vandaar uit dagelijks

met de bus naar Huizen in Noord-Holland te gaan. De meeste ontslagenen zijn van Turkse of Marokkaanse afkomst. Als reden voor dit ontslag noemt het bedrijf de sluiting van de twijnerij wegens het ontbreken van orders. Uit het bericht blijkt dat begin juli ook al acht oudere werknemers het bedrijf hebben moeten verlaten. Het gaat in totaal om 30 medewerkers van die afdeling twijnerij waarvan er dus kennelijk vijf zonder protest wel dagelijks op en naar Huizen willen. Peters laat weten dat het hier gaat om een ‘interne zaak’ en wil verder niet reageren. Wel wil hij nog kwijt dat hij bereid is de helft van de verlangde reiskosten te betalen. Uit reacties van leden van de industriebonden lijkt het erop dat zij er op dat moment ‘achter zijn gekomen’ dat Peters bij gratie van loonopdrachten bestaat. De bonden zeggen ook niet tevreden te zijn over het sociaal plan, hoewel daar geen gegevens over naar buiten zijn gekomen. NVV-districtbestuurder Th. de Bruin laat in het krantenverslag weten verbaasd te zijn. Hij ziet onduidelijke zaken binnen Peters’ Tapijtfabriek. Verbaasd is hij over het pensioen van directeur Peters sr. Zijn zoon H.J. Peters noemt hij ‘een veredeld boekhouder’. Volgens De Bruin heeft in Deventer niemand beslissingsbevoegdheid. Die zou liggen bij de heren Muller en Koekoek in respectievelijk Laren en Bussum. Muller is volgens De Bruin procuratiehouder bij de firma Alofs. Alofs is het bedrijf dat Peters voorziet van loonopdrachten. De vakbondsbestuurder vraagt zich af waarom Alofs geen loonopdrachten aan Peters kan verstrekken, maar wel zijn personeel nodig heeft. Het lijkt erop dat de bonden niet weten dat Alofs in feite de Textielgroep Huizen is. De bonden hebben duidelijk in de laatste tijd geen contact meer gehad met Peters. Na sluiting van de weverij wordt de garenverwerking voor de Textielgroep Huizen uitgebreid. In 1978 wordt de Mechanische

98


In 1990 levert Peters een kunstgrasmat aan de Engelse voetbalclub Fulham.

Tapijtweverij van H.J. Peters organisatorisch ondergebracht bij de Textielgroep Huizen. In 1987 zet de groep uit Huizen definitief een punt achter de productieactiviteiten in Deventer. Twee forse branden in de opslagloodsen op het Ankersmitterrein en nieuwe woningbouwplannen van de gemeente, zijn hiervan mede de oorzaak. (zie kader Bedrijfsbranden op pagina 100).

Toch weer een fabriek H.J. Peters blijft als opvolger van zijn vader J.Th. Peters met gebruik van de naam van het familiebedrijf actief in de tapijtwereld. Al enigszins losstaand binnen de Huizer groep is hij in de late jaren zeventig reeds begonnen met het optuigen van een projecten verkooporganisatie op het gebied van getuft tapijt voor de consumentenmarkt en de productie van kunstgras. Peters omschrijft dit als ‘regieproductie’. Binnengehaalde orders worden intern uitgewerkt en extern geproduceerd. Het getuft effen tapijt wordt in de eerste Millitronmachine (zie kader Millitron pagina 96) in Nederland gedessineerd bij Verto in Steenwijk. Het tapijt wordt in loon geproduceerd in een mede door Peters gebouwde tapijtweverij in het Duitse Ramsdorf en bij Intercarpet in Aalten. De backing (latexering) van het getuft tapijt alsmede van kunstgras geschiedt bij de Firma Edel in Genemuiden en in het Duitse Appelhülsen. In enkele jaren heeft H.J. Peters met een grote verscheidenheid aan verkoop- en projectactiviteiten een rendabel aandeel in de internationale tapijtmarkt verworven en productspecialisatie ontwikkeld. Dit ondanks de beperkte budgettaire ruimte die hem

99

wordt geboden. Als in 1987 de Huizergroep de activiteiten in Deventer beëindigt dicht Peters zichzelf voldoende kansen toe om onder de familienaam opnieuw een fabriek op te starten. Hij koopt een kavel op het nieuwe Deventer bedrijventerrein Kloosterlanden en bouwt daar een bedrijfspand. De benodigde machines worden voor een deel overgenomen van de failliet gegane tuftfabriek Unica in Pekela. De nieuwe fabriek produceert getufte producten als kunstgras, breedtapijt, enkatapijt en traplopers. De personele bezetting is gemiddeld 25 personen. De loonproductie in Ramsdorf wordt stopgezet. De fabriek draait tot 1993. De omvang blijft te klein om verder rendabel te kunnen produceren en wordt gesloten. De machines worden verkocht naar Turkije. De verkoop- en projectorganisatie blijven overeind en Peters laat projecttapijt en kunstgras weer in loon produceren. Het tijdperk van tapijtproductie onder de naam Peters in eigen fabrieken is in 1993 definitief ten einde. Wel blijft H.J. Peters tot op de dag van vandaag actief met tapijt- en kunstgrasprojecten. In een gesprek met hem maakt hij duidelijk dat de tijd van tapijtfabrieken met een brede eigen collectie en die zelf over alle faciliteiten beschikken sterk is afgenomen. Tapijt wordt nu geproduceerd in gespecialiseerde bedrijven op order. Bedrijven als het zijne laten in overleg met de opdrachtgever een dessin ontwerpen en vervolgens weer elders weven of tuften en daarna eventueel bedrukken. Het gaat hierbij altijd om grote klanten. Consumententapijt is voor Peters onhaalbaar geworden. Opdrachtgevers zijn bijvoorbeeld grote hotels, conferentieoorden e.d. Binnengehaalde Wilton of Axminster


opdrachten worden nog in het Engelse Kidderminster in regie geproduceerd. In de wereld van het projecttapijt is ook het kunstgras of sportgras een belangrijk product. Ook voor het bedrijf van H.J. Peters. Dat is te zien aan de vele rollen en stukken kunstgras in zijn kantoorruimtes. Het eerste sportveld van kunstgras in Deventer realiseert Peters in 1983. De tapijtprojecten, evenals de opdrachten voor

sportgras, hebben een sterk internationaal karakter. Samen met Intercarpet in Aalten werkt Peters aan een Europese collectie sportgras. Ook weer als regieproductie. Als handelsmerk voert Peters nu onder andere de naam ‘Deventer tapijt’. In een Deventer tapijtfamilie als die van Peters kruipt het bloed nu eenmaal waar het niet gaan kan …

Bedrijfsbranden in 1984 en 1985 Het terrein van de voormalige Deventer katoenfabriek van Ankersmit aan de Lange Zandstraat, waar nu een grote nieuwbouwwijk de Zandweerd is gebouwd, staat bij veel Deventenaren in het geheugen gegrift als de plek waar na sluiting van de textielfabriek een aantal fikse branden woedt. Branden die leiden tot de nodige onrust en boosheid bij de omwonenden. Ook de tapijtfabriek van H.J. Peters heeft op het terrein een aantal opslagloodsen. In de nacht van 18 op 19 september 1984 gaat een opslagloods voor synthetische garens van Peters in vlammen op. Op 14 augustus 1985 breekt opnieuw een felle brand uit in een grote opslagloods van Peters - nog steeds aangeduid als de Tapijtfabriek Peters - op het terrein van de voormalige katoenfabriek. Door de enorme hitte en forse waterschade moeten de bewoners van de huizen aan de Jan Steenstraat en de Paulus Potterstraat worden geëvacueerd. Zij verblijven enkele dagen in een motel. Huizen in de Jan Steenstraat worden te nauwernood gered. De loods wordt gebruikt voor de opslag van synthetische garens. Aan de verslaggever van het Deventer Dagblad laat directeur H.J. Peters weten dat de brand geen gevolgen heeft voor de productie. Welke productie en waar blijft onvermeld. Uiteindelijk komt de officiële woordvoerder van de fabriek uit Huizen. Deze wordt geconfronteerd met zeer boze buurtbewoners. Niet alleen boos op de fabriek, maar nog meer op de gemeente die heeft getolereerd dat dergelijk brandbaar materiaal zo dicht bij een woonwijk mocht worden opgeslagen. De gemeente is eigenaar van de loods en laat weten dat de loods niet zal worden herbouwd. Directeur H. Luykx van Veredelingsbedrijf Alofs uit Huizen laat weten dat ‘mijn bedrijf zeer zeker in Deventer zal blijven’. Mede onder druk gezet door de kritiek van de wijkbewoners buigt de gemeente zich over de brandveiligheid in de wijk. Zo wil de gemeente al niet weten van herbouw van de verwoeste opslagloodsen. Peters, beter gezegd Huizen, krijgt daarnaast te maken met zeer zware eisen met betrekking tot de brandveiligheid. Enkele straten verder staat immers nog het fabriekspand van de tapijtweverij. Woordvoerder Alers van Alofs uit Huizen laat in februari 1987 via het Deventer Dagblad weten dat dit fabriekspand aan de Zandweerdsweg zal worden leeggehaald. In juni 1987 wordt het fabrieksgebouw van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters gesloopt, nadat het verkocht is aan de gemeente Deventer.

100


18 september 1984 - Het gebouw met de sheddaken aan de overkant van de Zandweerdsweg brandt als een fakkel.

19 september 1984 - Buurtbewoners kijken naar de puinhopen van de verwoeste opslaghal aan de Zandweerdsweg.

19 september 1984 - Op deze foto is goed te zien hoe dicht de bedrijfshal op de huizen stond.

14 augustus 1985 - De felle brand met vette rookwolken betekent direct gevaar voor de huizen aan de Jan Steenstraat.

15 augustus 1985 - Bewoners van de Jan Steenstraat bekijken de resten van de afgebrande opslaghal. (Foto’s Deventer Dagblad) 14 augustus 1985 - De brandweer houdt huizen op de hoek van de Jan Steenstraat/ Wouwermanstraat nat om te voorkomen dat de vlammen overslaan. 101


102


Sociale onrust bij de Koninklijke en Peters Werkstakende vrouwen als ansichtkaart

Bij de geschiedenis van de industrialisatie hoort ook de emancipatie van de arbeider. Hij organiseert zich in vakverenigingen. ‘Samen kunnen we de kapitalisten wel aan’. Dit boek heeft niet tot doel om dit facet van onze sociale geschiedenis te beschrijven. Maar bij het doorspitten van bedrijfsarchieven stuiten we op een staking welke onze aandacht trekt. Een verhaal van anarchisme en werkstakende vrouwen in keurig gesteven witte schorten. Ook christelijke feestdagen zorgen voor sociale onrust. Je zou het niet zeggen, maar de foto waarmee te maken? deze tekst begint past wel degelijk bij de kop erboven. Deze groep dames in hun gesteven Er zijn meer foto’s over deze staking, die duurt van 1 november 1906 tot 8 februari 1907. Naast schorten betreft, zo meldt het onderschrift bij een foto met stakende vrouwen is er ook één de foto, werkstakende vrouwen en meisjes van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek in 1906. De met stakende mannen en een opname van het staking treft de fabriek in het hart daar het gaat stakingscomité. Op alle foto’s wordt met een om de Smyrna-knoopsters. Zij zijn het die het vastberaden blik in de lens van de fotograaf gekeken. Wat is er gebeurd en wie of wat zit beroemde Deventer handgeknoopt produceren. Zonder hun vaardige vingers geen productie. achter deze actie? Het duurt even voor we daar De rust waarmee de vrouwen voor de camera achter zijn. poseren, ziet er allerminst uit als een bozige actie. Echt merkwaardig wordt het als we op de Stakers-Courant achterkant van de foto vaststellen dat het om een ansichtkaart gaat. Een foto van werkstakende In het historisch archief van de Mechanische vrouwen als groet naar de familie. Maar het Tapijtweverij van H.J. Peters stuiten we op een betreft wel degelijk een heuse staking. Een vrij exemplaar van de Stakers-Courant van vrijdag 8 lange zelfs. Met wat voor staking hebben we hier februari 1907. Het handelt over een staking van

103


De Stakers-Courant van 8 februari 1907.

13 weken onder een groot deel van het personeel, met name op de mechanische weverij - 179 in getal - bij de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. Dat we deze vinden bij Peters is op zich niet zo vreemd want H.J. Peters is op dat moment nog onderdirecteur bij de KDT en al lezend in de krant blijkt daarnaast ook dat hij in persoon onderdeel is van het verhaal, samen met de baas van de weverij H. Timmerman. Het artikel in de Stakers-Courant blijkt een terugblik te zijn op een sociaal conflict dat inmiddels voorbij is. Alleen de wijze waarop zit het stakingscomité dwars. Reden van de staking is het ontslag van wever Derk van der Leur. Deze Van der Leur is inzet van de staking. Wat de reden van het ontslag is blijft in het verslag in nevelen gehuld. Duidelijk is wel dat Van der Leur eieren voor zijn geld heeft gekozen en de strijdbijl erbij heeft neergelegd en daardoor niet zal terugkeren naar de fabriek. Dat is ook precies wat directeur J.G. Mouton overal bij voortduring heeft laten weten. Op het eerste gezicht betreft het een simpel ontslag van één man. Maar zo moeten we dat niet zien. Het artikel is veeleer bedoeld om de rol van het stakingscomité als onderdeel van de klassenstrijd voor het voetlicht te brengen. “Wij hadden het nog lang vol kunnen houden. Onze financiën stonden er goed voor”, zo luidt het betoog. “De strijd werd eensgezind en welgemoed beëindigd. Onder het zingen van strijdliederen en een kop chocolade bleef men nog een uurtje bij elkaar en daarna ging men uiteen, om als vrienden en vriendinnen de arbeid te hervatten.” Maar het blijft knagen. Derk van der Leur is en blijft onrecht aangedaan. Naast directeur Mouton worden als medeschuldigen gezien onderdirecteur Peters en getouwbaas

Timmerman. ”Dat staat bij ons allen vast, doch inzonderheid bij de mechanische wevers, die dat tweetal maar al te goed kennen. En nu stemt het ons blijmoedig dat beiden de fabriek spoedig verlaten. Wellicht blijven ze samen, en dan feliciteren we de werklieden die de eer genieten om hun ondergeschikten te zijn.” Om daarna te vervolgen:” Dat de staking op het vertrek dier beiden niet zonder invloed is staat bij ons vast, doch het ligt niet op onze weg om daarover uit te weiden. Wij verheugen ons erover en zijn overtuigd, dat indien zij vóór een jaar waren vertrokken Derk van der Leur nog in de fabriek zou werken. Moge hun vertrek nu nog slechts meewerken aan het scheppen van betere verhoudingen.”

Stakingsprovocateur Stakingsleider H. Kolthek jr. vecht in de krant nog over een aantal kolommen een verbale oorlog uit met directeur Mouton. Deze heeft Kolthek een ‘stakingsprovocateur ’genoemd die ‘daarmede zijn brood moet verdienen’. Het Nieuwsblad voor Deventer blijkt te hebben aangehaakt bij de woorden van Mouton en beschuldigt Kolthek dat hij ‘de stakers door vreesaanjaging in staking hield en ze gebruikte voor proefdieren’. Kolthek op zijn beurt stelt tevreden vast dat alle stakers zijn toegetreden tot de TextielarbeidersVereeniging Broedertrouw. Tenslotte dankt hij de Deventer Bestuurders Bond zonder wier steun de staking nooit geslaagd zou zijn. Kolthek bedankt daarmee in feite zichzelf, want hij is hiervan voorzitter. Van de Oude Bestuurdersbond dan want er is ook een Nieuwe. Kolthek is ook raadslid en een ook landelijk bekend activist. Hij is lid van de Federatie van Vrije Socialistische Vereenigingen en Anarchistische groepen Volgens berichtgeving in het Deventer Dagblad is de staking begonnen op 1 november 1906. In het nummer van donderdag 15 november 1906 staat een interview afgedrukt met KDT-directeur Mouton. Een tamelijk verbolgen Mouton. Hij

104


reageert op de maandag daarvoor gehouden openbare bijeenkomst over de staking. Hij zegt daar toen ‘zelden zo’n combinatie van valse voorstellingen en leugens gehoord te hebben als dien avond zijn gedebiteerd’. Op genoemde bijeenkomst is van de kant van de stakers beweerd dat de fabriek Van der Leur gedwongen heeft om ‘op stuk’ te weven, beter gezegd betaald te worden naar geleverde productie. Mouton ontkent dit niet alleen, maar haalt fel uit naar Van der Leur en Kolthek. “Van der Leur, een steeds ontevreden en brutale man, verzocht ons herhaaldelijk, zodra er een plaats open was hem als wever op een getouw te plaatsen. Wij wezen hem erop dat hij nooit geweven had en dus niet spoedig dit werk zou leren. Niets hielp, hij wou en moest wever worden en toen wij het eerste Wiltongetouw kregen, ging Van der Leur op zijn dringend verzoek hierop aan het werk.” In een tweede gesprek met de krant nuanceert Mouton deze uitspraak enigszins. Van der Leur is al een aantal jaren voor de staking wever. Dat klopt want in aantekeningen van onderdirecteur H.J. Peters van vóór 1906 worden regelmatig prestaties vermeld van met naam genoemde wevers. Ook een Van der Leur wordt een aantal malen genoemd. Uit de interviews met de krant blijkt dat de verhouding tussen Van der Leur en de leiding van de fabriek uiteindelijk volledig uit de hand is gelopen. Het begint met een wellesnietes kwestie en de beschrijving van iets dat op een pesterij lijkt. Van der Leur zou de ketting van zijn getouw te slap hebben gezet en getouwbaas Timmerman op zijn beurt stelt dit weer strakker af. Mouton legt uit dat een slap gespannen ketting gemakkelijker weeft, maar een minder goede kwaliteit oplevert. Na enig heen en weer gedoe schijnt Van der Leur zijn baas Timmerman toegebeten te hebben dat ‘hij met z’n poten van m’n getouw af moet blijven’. De ruzie loopt uit de hand. Op een gegeven moment zegt Mouton de lastige wever gevraagd te hebben of hij getouwbaas

105

Timmerman heeft geslagen. Van der Leur antwoordt volgens Mouton bevestigend. “Toen zei ik hem: dan ben je ontslagen, waarop door hem niets meer is gezegd dan: dat is goed; hij verliet toen mijn kantoor.” Op zaterdag 10 november kondigt het Deventer Dagblad - De Koerier aan dat de politie een onderzoek instelt naar de mishandeling van Timmerman. Van der Leur dient onder verdenking van mishandeling van Timmerman voor de rechter te verschijnen. Op 29 november wordt hij vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Er is één maand tegen hem geëist. In bovengenoemd tweede interview met het Deventer Dagblad noemt Mouton Kolthek een stakingsprovocateur. “Kolthek verliest er niets bij, maar vele huisgezinnen worden door zijn drijven en grote woorden brodeloos gemaakt. Dit schijnt hem niet ter harte te gaan, maar mij wel; dit is dan ook de reden dat ik de fabriek nog niet heb stilgezet, maar dit zal toch moeten gebeuren.” Dat gebeurt voor een deel van de fabriek. Maar niet alleen de stakende arbeiders van de betreffende afdelingen komen op straat te staan, maar ook zij die niet staken. Zij worden uitgesloten zoals dat heet. Een steuncomité uit de Deventer burgerij springt hen bij. Het is dan 24 november 1906. De staking gaat ruim over de jaarwisseling heen. De vergadering van aandeelhouders handhaaft het besluit dat Van der Leur niet terug kan keren en laat weten dat indien de staking niet op 7 februari is beëindigd de fabriek volledig zal worden gesloten. Waarom en waardoor weten we niet, maar Van der Leur laat zijn eis tot terugkeer vallen en op 8 februari draait de fabriek weer volledig.

Christelijke feestdagen Ook de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters ontkomt niet aan de gevolgen van het stakingswapen. De jaren twintig bieden een treffend voorbeeld van een conflict voor een belangrijk deel spelend binnen de vakbeweging,


dat als het ware word uitgevochten over de rug van de tapijtfabriek. Het gaat over het al dan niet uitbetalen van christelijke feestdagen waarbij voor de socialistische Algemene Vakbond voor Textielarbeiders De Eendracht de christelijke bonden, St. Lambertus en Unitas, de gebeten hond zijn, alsmede de Vereniging van RK Werkgevers in de Textiel. Protesten tegen de weigering van de confessionele werkgevers, in het bijzonder die zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van RK Werkgevers in de Textiel, om bij christelijke feestdagen het loon te blijven doorbetalen is in de jaren twintig van de vorige eeuw een regelmatig terugkerend onderwerp. Met name De Eendracht, eist dat werkgevers deze officiële vrije dagen blijven doorbetalen. Het protestants-christelijke Unitas en vooral de katholieke bond van arbeiders in de textiel St. Lambertus weigeren tot grote ergernis van De Eendracht hier een principezaak van te maken. In 1923 moet de fabriek van H.J. Peters als gevolg van dit conflict de fabriek zelfs enige tijd sluiten.

Op oorlogspad In 1927 speelt de kwestie opnieuw in het textielbekken rond Tilburg. De werkgevers willen de bonden maar een klein beetje tegemoet komen, maar houden verder consequent de deur dicht en St. Lambertus doet volgens De Eendracht alsof zijn neus bloedt. De rode vakbondsbroeders besluiten op oorlogspad te gaan. De bond besluit tot een voorbeeldstaking die de kwestie voor eens en altijd de wereld uit moet helpen. De fabriek die hiervoor wordt ‘uitverkoren’ is de tapijtfabriek van H.J. Peters. Dat De Eendracht de fabriek in Deventer hiervoor uitkiest en niet de strijd zoekt in Twente of Tilburg en omgeving is veelzeggend. De Eendracht is uit op succes. Dat lijkt bij de relatief kleine Deventer fabriek groter dan bijvoorbeeld in Twente waar de rooms-katholieke werkgevers een bijkans

onneembaar bastion vormen. Peters laat via het Deventer Dagblad weten dat de staking niet een conflict betreft tussen de directie van de tapijtfabriek en haar arbeiders, maar tussen de katholieke werkgevers en de bonden. Bij de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters breekt op 22 oktober 1928 een door De Eendracht afgeroepen staking uit welke tien weken zal duren. Unitas en St. Lambertus weigeren mee te doen. Intussen lopen de zaken in een voor De Eendracht volledig andere richting. Unitas en St. Lambertus sluiten een collectief contract met de katholieke werkgevers waarin een regeling is opgenomen voor de doorbetaling van de christelijke feestdagen en vakantiedagen. In feite trekken de twee bonden een lange neus naar De Eendracht en naar de stakers in Deventer. ‘Zie je nou wel’, lijken ze te willen zeggen, ‘al dat gedoe was helemaal niet nodig geweest’. De bonzen van De Eendracht kunnen niet anders dan meegaan in het collectief contract, maar zijn laaiend over de brutaliteit van de collega bonden die de euvele moed hebben te doen alsof de staking geen effect op het resultaat heeft gehad. Alsof die niet de weg heeft geopend naar het nu voorliggende resultaat. Een resultaat dat ook weer betrekkelijk is, daar de Twentse werkgevers dit niet hebben onderschreven. In het orgaan van de St. Lambertus, Het HoogAmbacht, wordt De Eendracht fijntjes te verstaan gegeven dat de bond ten onrechte klaagt. Zij is toch altijd vóór doorbetaling geweest! Of te wel waar gaat het over. De vakbondskrant legt De Eendracht de vraag voor, waarom ze in plaats van zich in Deventer te manifesteren dat in Twente zouden moeten doen, want ‘daar wordt nog geen enkele feestdag uitbetaald’.

106


De stakende mannen met Van der Leur midden voor.

Het stakingscomitÊ. In het midden H. Kolthek jr. voorzitter van de Bestuurders Bond en rechts W. Jurgens werknemer bij de KDT, geen staker maar als voorzitter van de Vrije Organisatie van Textielarbeiders Broedertrouw probeert hij te bemiddelen. (Foto’s Overmaat)

107


Kenmerkend MID-tapijt uit latere jaren

108


Tapijt als maatkostuum Moquette Industrie Deventer (1932-2002/2007)

De Deventer tapijtindustrie heeft in de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek en het latere fusiebedrijf Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken, een gemeenschappelijke ontstaansbron. Zoals we al hebben gezien begint in 1907 de onderdirecteur/verfmeester Hendrik Jan Peters zijn Mechanische Tapijtweverij en in 1932 zet de moquetteweefmeester van de KVT Berthold Johannes Jacob Dietrich een zelfde stap en start de Moquette Industrie Deventer (MID). Dat Dietrich zijn bedrijf vestigt in Deventer heeft niets of weinig te maken met het industriële klimaat in de koekstad, maar alles met de liefde. Handelsmerk van de MID is dat geen kleur te gek is. De klant heeft alles te kiezen als het tapijt maar effen blijft. De geschiedenis van de Moquette Industrie Deventer kent een curieus begin. We hebben het in dit boek al eerder gehad over toeval bij de start van een industriële onderneming. Bij de MID staat de liefde met een hoofdletter L aan de basis van de fabriek. Zonder die liefde zou de Deventer fabriek zo goed als zeker nimmer zijn ontstaan. Maar daar blijft het niet bij. Want als je de geschiedenis van de van oorsprong Duitse familie Dietrich nader bekijkt, dan kom je daar paarden tegen. Paarden in een militaire omgeving, in een manege en als verhuurbedrijf. De vader van de oprichter van de MID is lange tijd pikeur (trainer/ africhter) van legerpaarden. In de verste verte geen tapijt dus.

109

In 1900 verhuist hij met zijn vrouw van het Duitse Brokdorf bij Hamburg naar Rotterdam. Het echtpaar begint er een manege. Hun klanten komen uit de chique kringen van de havenbaronnen. Maar zij verzorgen er ook de paarden van welgestelde Duitse families die hun zomerverblijven in en om Scheveningen hebben. In Rotterdam wordt in 1910 Berthold Johannes Jacob geboren. In 1912 besluit het gezin Dietrich de havenstad aan de Maas te verlaten. Zij vertrekken naar Chemnitz in de Duitse deelstaat Saksen. Chemnitz en de streek er omheen, is dan bezig uit te groeien tot een belangrijk centrum van de textielindustrie en de op deze industrie geënte machinebouw. Voor het echtpaar Dietrich is vooral belangrijk dat Chemnitz een stad is


Portret door de bekende Deventer schilder Bernard Gerritsen van de oprichter van de Moquette Industrie Deventer B. J. J. (Jacob) Dietrich (1912-1984).

Oude fabriek Industrieweg rond 1950. Pand aan de Venenstraat in Deventer waar de MID in 1932 op de eerste verdieping start met een kleine moquetteweverij.

met veel rijke industriëlen; textielbaronnen. Daaronder bevindt zich de clientèle voor hun manege en paardenverhuurbedrijf. Het echtpaar Dietrich kent een aantal van hen al van hun vakanties in Scheveningen. De Duitse gasten laten hun paarden ook in Chemnitz door de familie Dietrich trainen en onderhouden. Het echtpaar Dietrich vindt dat hun zoon een behoorlijk vak moet leren. In Chemnitz kom je dan al snel uit bij de textiel. Dat is - ook als je de machinebouw met grote bedrijven als Schönherr en Grossenhain uitsluit - een brede bedrijfstak. Kortom dan kun je alle kanten op. Voor Jacob Dietrich valt de keuze op tapijt. Hij komt als leerlingwever in dienst bij de Chemnitzer Teppichfabrik Oscar von Kohorn, één van de eerste machinale velours- en moquetteweverijen. Begin jaren twintig is moquette een bijzonder gewild product dat in grote volumes vervaardigd kan worden. Dat laatste mede dankzij de uitvinding van Carl Schlemper - ook Chemnitz

- waardoor niet langer de wever het lusje handmatig los moet snijden, maar dat dit automatisch gebeurt door het getouw.

Naar Deventer Bij Von Kohorn krijgt de jonge Jacob Dietrich via de praktische leerschool een gedegen vakopleiding en groeit op z’n achttiende uit tot ‘Webmeister’ (weefmeester), maar ook tot een man met visie en ambities. In 1929 leest hij in een vakblad een advertentie van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken voor een moquetteweefmeester bij de fabriek in Deventer. Samen met zijn collega Haubold schrijft hij op de advertentie. Beiden worden aangenomen. De moquette-afdeling van de KVT in Deventer is dan net sterk uitgebreid als onderdeel van de vernieuwingen bij de fabriek nadat daar in 1928 de afdeling Smyrna handknoop is opgeheven en verplaatst naar de hoofdvestiging in Rotterdam. Kortom voor twee jonge weefmeesters een baan

110


met uitdaging en perspectief. Erg lang duurt dit Deventer avontuur echter niet. Als in 1930 de grote crisis uitbreekt eindigt in december van dat jaar voor de beide Duitse weefmeesters het dienstverband bij de KVT. Opnieuw reageert Dietrich op een advertentie. Nu één uit Finland. Het betreffende bedrijf vraagt ervaren specialisten om een nieuwe tapijtfabriek op te bouwen. Ook dat werk is van korte duur. Alle beroepsonzekerheid ten spijt kiest Jacob Dietrich er voor om terug te keren naar Deventer. Terug naar Johanna Roelofina Hölzel. Terug naar de liefde van zijn leven, die hij heeft leren kennen tijdens zijn verblijf in Deventer. Bij de familie Hölzel gaat hij ook in pension. Om aan de kost te komen is hij enige tijd chauffeur op een bus die personeel voor de textielfabriek Janssen en Tilanus naar Vriezenveen brengt en weer terug. Maar de tapijtfabricage blijft trekken. Met steun van zijn latere zwager Coenraad Hölzel, van beroep aannemer en diens kameraad de Deventer huisschilder en glazenier Gerrit Bokhorst, besluit Jacob Dietrich - crisis of geen crisis - om een kleine moquettefabriek te beginnen. Opnieuw reist hij naar Chemnitz. Hij krijgt van zijn ouders een voorschot op zijn eventuele erfdeel, waarmee hij de aankoop van twee weefgetouwen, een spoelmachine en een scheermachine financiert. Of dit de meest moderne machines zijn mag enigszins worden betwijfeld. Zijn zoon en latere opvolger Carl Dietrich weet te vertellen dat zijn vader deze machines koopt voor de ‘prijs van oud ijzer’. Het tapijtfabriekje wordt in 1932 gevestigd op de eerste verdieping van het pand in de Venenstraat, boven wasserij De Ooievaar. De Moquette Industrie Deventer is geboren. De productie bestaat uit lopertjes in breedtes van 50 en 70 cm. Na een jaar wordt een derde getouw aangeschaft dat kan weven op een breedte van een meter. Al in deze begintijd wordt de basis gelegd voor de latere MID. De klant heeft alles te kiezen, als het maar effen is. Het materiaal is altijd wol. De kracht zit

111

in het beschikbare kleurenpallet. Het verven van de wollen garens doet het kleine bedrijf niet zelf, Dat wordt uitbesteed bij Tilvetex in Tilburg. Het garen wordt betrokken van de speciale wolspinnerij Bogaerts, ook in Tilburg. Carl Dietrich over de eerste ‘wapenfeiten’ van de jonge moquettefabriek: “Hoewel klein van omvang en niet bekend op de markt, wist de fabriek al van af het begin interessante klanten te trekken. Belangrijke woninginrichters of grossiers als Pander in Den Haag, Dols en Van Mentz. Toen werd wel de basis gelegd voor het verdere bestaan van de fabriek.” Het bedrijf blijft tot 1938 gevestigd in de Venenstraat. Dat jaar verhuist het naar de Zutphenselaan en wordt buurman van garage Pouw. De fabriek is dan uitgegroeid tot acht weefgetouwen met zo’n 20 man personeel. De producten zijn nog altijd wollen moquettelopers. Dan dient de oorlog zich aan.

Niet weer Duitser Carl Dietrich: ”Mijn vader werd in 1939 genaturaliseerd. In 1940 wordt hij voor de keuze gesteld opnieuw te kiezen voor de Duitsers. Hem wordt te verstaan gegeven dat hij maar beter afstand kon doen van zijn nieuwe Nederlanderschap. Alleen dan kon hij blijven doordraaien en anders … Hij weigert dat. Zijn uit Chemnitz meegekomen kompaan Haubold kiest wel voor de Duitsers. Daardoor blijft de MID nog tot 1942 doordraaien. Na de oorlog vlucht Haubold naar Duitsland. Mijn vader duikt onder en sluit zich aan bij de Deventer ondergrondse in de groep met onder andere Jan Koster. Na de bevrijding in 1945 bleek de fabriek min of meer kort en klein geslagen. Mijn vader krijgt van de Gemeente Deventer, speciaal van wethouder Berends, heel veel steun voor de wederopbouw en het verkrijgen van de eerst benodigde hulp- en grondstoffen. Met behulp van machinefabriek Zandhuis en Zwart en de gieterij Alliage in de Raambuurt werd de fabriek weer opgebouwd. In 1948 draaiden er


Auto onder de grond Tijdens de gesprekken over de Geschiedenis van de MID komt Carl Dietrich op de proppen met een bijzondere anekdote uit de oorlog. “Mijn vader was een liefhebber van auto’s. Aan het begin van de oorlog bezat hij een zilverkleurige Citroën. Die mocht onder geen beding in handen van de Duitsers vallen. Daar werd het volgende op gevonden: naast het pand van garage Boeve op de hoek Diepenveenseweg/Hoge Hondstraat werd een diep gat gegraven. Met spoorbiels, weggehaald bij het opslagterrein verderop van de NS, werd in de put een bodem gelegd en een damwand aangebracht. Daarna ging de auto erin. Het gat werd afgesloten met biels en afgedekt met aarde. Onzichtbaar. Na de oorlog werd de put opengemaakt; de auto eruit getakeld; de accu opgeladen; de olie ververst en hup daar reed hij weer.” weer 12 getouwen. In datzelfde jaar ruilt de fabriek van pand met de (kapok)matrassenfabriek Dilweg & Co. aan de Industrieweg, naast de beddenfabriek van Koot & Zn. Dilweg verhuist op zijn beurt naar de Zutphenselaan. Dat verhuizen van de Zutphenselaan naar de Industrieweg was een bijzondere gebeurtenis. Met platte wagens van vervoerder Klunder werden de complete getouwen overgebracht naar het nieuwe bedrijfspand. Gewoon stekker eruit en stekker erin. En draaien maar. Dit betekende een minimaal productieverlies. De fabriek maakt begin jaren vijftig een gestage groei door. Reden voor mijn vader om weer eens naar de befaamde machinefabriek Schönherr in Chemnitz af te reizen en 12 nieuwe getouwen te kopen. Chemnitz dat nu in de DDR lag en Karl Marxstadt heette. Hij wilde zijn fabriekje optimaal klaarmaken voor zijn beide zoons, welke hem mogelijk binnen enkele jaren zouden kunnen assisteren. Het pakte echter anders uit.”

Dan doen we het zelf De MID krijgt na 1957 te maken met aanzienlijk veranderde omstandigheden. De tapijtindustrie in binnen- en buitenland komt die jaren in moeilijke tijden te verkeren. De bestedingen in de woningtextiel lopen sterk terug. Carl Dietrich schetst die situatie als volgt: ”In België bestond altijd al een grote tapijtindustrie. Die was sterk gericht op de markt in de Verenigde Staten. Daar kwam een einde aan toen de Verenigde Staten verhoogde importheffingen ging invoeren

teneinde de eigen industrie, waaronder ook de tapijtindustrie, te beschermen. Deze inkoopprijsverhoging (van 30 procent) maakte het voor de Belgische tapijtindustrie nagenoeg onmogelijk om hun afzet naar de VS te handhaven en begonnen en groots afzet-offensief op de hun omringende landen in Europa. De Belgische producten overspoelden daarop de Europese markten. Daarbij kwam ook nog dat in de jaren daarvoor zich een zeer essentiële technische ontwikkeling had voorgedaan en wel het vervaardigen van zogenaamd breedweeftapijt of ook wel kamerbreed tapijt genoemd, wat voordien in Nederland niet bekend was. De Belgische exportproducten naar de VS bestonden uit breedweeftapijt. En wij maakten dat niet. Die Belgen draaiden wel breedtes van drie meter en wij niet meer dan één meter.” Ook bij de MID blijft dit niet zonder gevolgen. De fabriek, waar net de nieuwe - smalle - weefgetouwen uit Karl Marxstadt zijn geïnstalleerd raakt in de problemen. De binnenkomst van nieuwe orders stagneert omdat woninginrichters door de komst van het breedweeftapijt zich de kosten van het confectioneren - aan elkaar naaien - van de smalle weefbreedtes kunnen besparen. De MID krijgt negatieve reacties van afnemers. Zo laat Pander weten: “Wat zullen wij met die baantjes van u. Die gaan wij niet aan elkaar zetten.” Jacob Dietrich probeert daarop bij wat verderweg gevestigde klanten in bijvoorbeeld Hamburg, Berlijn en Zürich nog aanvullende orders te

112


krijgen, doch zonder veel succes. Dietrich begint te sukkelen met zijn gezondheid. Zoon Carl heeft dan net zijn studie werktuigbouw aan de HTS in Arnhem voltooid. Mede door zijn nog tijdens zijn studietijd opgedane ervaring in de fabriek ligt het voor de hand dat hij het stokje kan overnemen. De militaire diensttijd zit echter in de weg. Met inschakeling van wethouder Berends weet moeder Dietrich het voor elkaar te krijgen dat Carl uitstel krijgt. Uiteindelijk komt van dit uitstel afstel. De MID vindt een antwoord op de gerezen problemen. Carl Dietrich: “Als de Belgen drie meter breed kunnen produceren, dan gaan wij voor vijf meter. Dan naaien we onze smalle banen zelf wel aan elkaar. We haalden ons magazijn leeg. Plaatsten er een aantal simpele werkbokken met behulp waarvan de banen een elkaar genaaid werden. Het was nauwelijks te zien. Het werd een succes. Het begin van het echte succes voor het bedrijf. We kwamen al gauw handjes te kort. Personeel dat even niets te doen had, werd zonodig bijgeschakeld. Later maakten we kennis met een pvc-pasta waarmee we de banen aan elkaar konden lassen. Gewoon een hechtband insmeren met de pasta en met een strijkijzer het tapijt als het ware naadloos vastplakken. Een verhoging van de productie per man was het gevolg.� We schrijven dan 1960. Jacob Dietrich herstelt langzaam doch treedt terug en zoon Carl en diens echtgenote Ine Dietrich-Hegerhorst nemen het bedrijf over. Zij zijn dan niet de eigenaren van het bedrijf. Dat is in handen van textielfabrikant Ribbels uit Haaksbergen. Deze koopt alle aandelen van de MID en is enige tijd directeur/eigenaar. Ribbels is de stiefvader van Carls echtgenote Ine. In de loop der jaren keert het bedrijf terug in eigendom van de Dietrichs. Het echtpaar Dietrich, met daarnaast broer Berthold Dietrich als verantwoordelijk voor de verkoop, besluit een nieuwe koers te varen. Ook in technische zin wordt nu omgeschakeld op breedweef. Daarnaast blijft de MID trouw aan het smalle loperwerk. Er wordt een begin gemaakt met de opbouw van een nieuwe fabriek; toekomstgericht op breedweef. 113

Brief uit 1953 waarin de directie van de MID uitlegt dat de fabriek geen gefigureerd tapijt produceert.

Kleurkeuken MID met verfmeester Bart Dinkelman.

Verfkuipen.

Verfkuipen met strengen geverfde wol.


Deel van de uitgebreide kleurenkaart van de MID.

Eigen ververij Tot nu toe worden de garens voor de MID nog door externe leveranciers geverfd. Maar ook hierin komt verandering. Voor zeer kleine hoeveelheden zijn deze bedrijven niet langer bereid te verven. Hierdoor dreigt het basisprincipe van de MID - u vraagt en wij weven, al is het nog zo klein - in gevaar te komen. Hierop neemt Ine Dietrich het initiatief om een klein laboratorium op te zetten, waardoor het mogelijk wordt om kleinere klussen zelf te klaren. Uiteindelijk ontwikkelt de MID op basis hiervan een compleet nieuwe ververij, waardoor de MID voor de meeste producties onafhankelijk wordt van externe ververijen. Een breedweverij vergt een forse investering. Met één weefgetouw van 4.66 m ben je er dan nog niet. Andere apparatuur als een scheerspoelmachine en een appreteermachine moeten dan ook op die breedte. Carl is nog steeds trots op de inspanningen van begin jaren zestig: “Wij zijn toen zelf bestaande machines gaan ombouwen met eigen personeel. Zo wisten we dat ze bij de Hoogovens stalen buizen met een forse diameter produceerden, die wij op de benodigde lengte konden kopen. Nodig voor de bredere appreteermachine. Een bestaand weefgetouw van 1.20 m breed werd met behulp van de Deventer machinefabriek Tiesken in het geheim omgebouwd tot vier meter. De groei zette door en er werden andere machines bijgekocht.” Onderhoudsmonteur Henny Kerkdijk (*1944) maakt deze technische innovatie van dichtbij

Wollen toefjes met een deel van het kleurengamma.

mee. Via een bevriend voorman bij de fabriek wordt hij geattendeerd op een baan bij de MID. Na zijn sollicitatie haakt hij bijna af: “Allemaal van die kleine machientjes. En wat een lawaai. Dat doe ik niet, was mijn eerste reactie. Uiteindelijk ben ik er 40 jaar gebleven. Onder leiding van de zoon van Carl Dietrich, Wardo, die hoofd technische dienst was, hebben we die ombouw aangepakt. De kennis van de breedweefgetouwen deden we op bij de fabriek van weefgetouwen Van der Wiele in Kortrijk. We verbleven daar drie weken. We kochten ook een getouw aan van de tapijtfabriek Keizer Bonaparte. Dat werd afgebroken en met hulp van Tiesken weer opgebouwd.” De fabriek raakt steeds meer gericht op de export: Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Scandinavië. Een netwerk van belangrijke binnenhuisarchitecten zorgt voor de nodige orders.

Omslag Na de hierboven geschetste veranderingen zorgt Carl Dietrich en zijn echtgenote Ine vanaf de jaren zestig voor een omslag in de productenlijn van de moquettefabriek. De fabriek weeft in vele breedtes in egale kleuren en met een beperkte mogelijkheid voor dessinering. Een klein medaillon of het logo van een bedrijf. Meer mag het niet zijn. Het handelsmerk van de MID wordt: je kunt het zo gek niet bedenken of wensen, maar elke kleur tapijt kan worden geleverd. En dat in zeven verschillende kwaliteiten: velours grof; velours fijn; bouclé; frisé 1; frisé 2; composé

114


en specials. De poolhoogte kan variëren van 5 tot 20 mm. Elke klant heeft absolute garantie op exclusiviteit. Hij bepaalt niet alleen de kleur, maar ook de te weven lengte en breedte. Van 70 cm tot 4.60 m met uitloop van steeds 5 cm. De MID produceert ook karpetten. En ook daarvoor kan de klant zijn eigen ontwerp leveren. De fabriek heeft een kleurenkaart met zo’n 375 kleurmogelijkheden, maar dat is vaak niet voldoende. De klant levert dan zelf een kleurvoorbeeld en het laboratorium en de verfmeester mengen net zo lang tot de juiste kleur een feit is. Het is vakmanschap van een hoog gehalte. De verfmeester heeft wel wat hulpmiddelen als bijvoorbeeld een spectrummeter die de kleurintensiteit kan vaststellen, maar verder is hij geheel op eigen kunnen aangewezen. De MID heeft een open verfkuip waar de wollen garens in strengvorm worden geverfd en afhankelijk van de partijgrootte in kuipen van verschillende capaciteit van 20 tot 200 kilo. Orders van boven de 200 kilo worden extern geverfd bij Filteint in het Belgische St. Niklaas. Het verven start bij 40 graden en eindigt tegen het kookpunt. Het verfproces neemt ongeveer twee uur in beslag. Dat kan iets langer duren als de verfmeester besluit om na te nuanceren, omdat de kleur nog niet is als bedoeld. Na het verven worden de strengen gecentrifugeerd en aansluitend gedroogd. Als gezegd zijn er klanten voor wie het standaard kleurengamma van 375 kleuren niet genoeg keuze biedt. Vaak worden dan diverse andere materialen gebruikt als kleurreferentie. Eén van de twee laatste MID-directeuren, Mannes Geltink, geeft enkele voorbeelden van kleurwensen. Dat varieert van stukjes meubelstof of behang, een klein stukje steen, een stukje hout als gebruikt in het betreffende vertrek tot aan een roestig hangslot met nog beperkt zichtbaar een klein likje groene verf. Die kleuren moeten het dan worden. Al experimenterend wordt van de referentiekleuren eerst een

115

zogenaamde ‘labverving’ gemaakt; een klein strengetje wol dat voor goedkeuring wordt opgestuurd naar de klant. Vanwege de vorm wordt deze kleurenkeuring door de MID ook wel de tamponservice genoemd. Laboratorium en ververij zijn bepalend voor de MID-producten.

Maatkostuum Op 9 september 1978, het jaar dat in Deventer de vestiging van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken (KVT) sluit en de tapijtindustrie het in binnen- en buitenland in zwaar weer verkeert, heeft de directeur Carl Dietrich van de MID een interview met het Deventer Dagblad. Hij vertelt de verslaggever een zeer positief verhaal. “Voorraden hebben we niet. Alles wat we produceren is al bij voorbaat verkocht. We verkopen onze producten met een redelijke marge, zodat er ruimte blijft voor investeringen. Wie bij onze bank informeert krijgt te horen dat wij een kerngezond bedrijf zijn.” Vanwaar dat succes in deze voor collega’s zo moeilijke tijden? Dietrich: ”Wij verkondigen een eigen tapijt-evangelie … en dit hier is onze Bijbel.” Hij laat de verslaggever een vel papier zien met daarop voor deze weinig zeggende tekeningetjes. Dietrich begint er een verhaal bij te vertellen met als belangrijkste credo: ‘de klant is geen koning, maar keizer!’ De in eerste instantie voor de verslaggever onduidelijke tekeningetjes blijken verderop in het verhaal van Dietrich de bedrijfsstructuur en -cultuur te zijn van de MID. De MID produceert niet voor het vaderland weg kamerbreed tapijt dat later via groothandels noodgedwongen voor afbraakprijzen op de markt wordt gebracht. Bij de MID bepaalt ‘de keizer’. Dietrich: “Wij fabriceren pas als de klant precies heeft aangegeven wat hij wil: zoals de kleur, de dikte, de functie die het tapijt krijgt, de afmetingen en alle andere wensen die hij maar kan bedenken, zoals ingeweven letters of wapentjes.”


Directeur Mannes Geltink legt de Deventer wethouders Marjan ter Velde en Nuala van der Plas-Fitzpatrick bij een bezoek aan de fabriek de werking van een Jacquard getouw uit.

Een deputatie van de gemeente Deventer krijgt bij een bezoek aan de fabriek een speciaal geweven tapijtje cadeau. Wever Gerrit van der Kolk houdt het stukje moquette vast. Verder op de achtergrond v.l.n.r. Otto Heusman, Gerrit Varenbrink, Freddy Pamboer en Jan Hoeve. (Foto’s Deventer Dagblad).

Alle MID-tapijten worden exact op de gewenste maat gemaakt. Dietrich: “We maken een kostbaar product en daar moet de klant zo weinig mogelijk van wegsnijden, vinden wij. Je moet het zien als een maatkostuum. Het kost duidelijk meer dan een confectiepak, maar het zit ook veel lekkerder en het staat veel beter. En gelukkig zijn er nog altijd mensen voor wie al deze extra zorg en aandacht het geld wel waard is”, zo verklaart Dietrich de positieve uitzondering van de MID op de moeilijke tapijtmarkt in die tijd. De MID-directie in de jaren zeventig, naast Dietrich bestaande uit zijn echtgenote Ine en als adjunct Janny Wissink, geven vervolgens aan de verslaggever met behulp van foto’s en reclamemateriaal een dieper inzicht in het MID-succes. Bijvoorbeeld waar dat bijzondere tapijt zoal op de vloer ligt. De directie somt een rijtje op: bungalows, winkels, kantoren, vergaderruimtes en hotels. En dat in heel WestEuropa, van Italië tot Scandinavië. Dan blijkt dat de hierboven al gememoreerde klant/keizer niet in directe zin de gebruiker/ eigenaar van het tapijt is, maar dat de MIDklanten in de regel binnenhuisarchitecten zijn, die weer in contact staan met de uiteindelijke opdrachtgevers. “En op die categorie richten

zich dan ook onze wervingsactiviteiten”, aldus Dietrich. Die wervingsactiviteiten betreffen regelmatige tournees door heel Europa. In luxe etablissementen organiseert de MID dan seances voor verzamelde binnenhuisarchitecten, zowel zelfstandigen als architecten die in dienst zijn van grote fabrieken, winkelbedrijven en kantoren. “Wat ons opvalt”, zegt Dietrich met duidelijke trots tegen de journalist, “is dat die mensen, welke per slot van rekening worden overstelpt met uitnodigingen van fabrikanten om te zien wat die allemaal kunnen leveren, vaak niet naar de anderen komen, maar wel bij ons. Dat sterkt ons in de overtuiging dat onze aanpak en wijze van uitvoering de juiste is.” De orders worden vervolgens in Europa binnengehaald door speciale MID-agenten die fungeren als ‘vooruitgeschoven post’. In de bewuste septembermaand van 1978 blijkt de MID zo dik in de orders te zitten, dat de ‘levertijden soms onaangenaam lang worden’. Toch denkt de directie niet aan uitbreiding van de capaciteit. Dietrich: ”Wij werken nu met een overzichtelijke ploeg en iedereen van hoog tot laag voelt zich bij ons verantwoordelijk

116


voor de gang van zaken. Uitgroeien tot een grote industrie wil men om die reden niet bij de MID. Dietrich vervolgt: ”Nee in de Europese tapijtindustrie zijn wij maar een kabouter tussen de reuzen, maar wel een kerngezonde. Laat ons dan maar een kabouter blijven, met daaraan gekoppeld de nodige zekerheid voor alle mensen die hier werken.”

Gebrek aan personeel Helemaal zonder problemen is de MID nu ook weer niet. Een gevaar door de continuïteit van het bedrijf schuilt voor de MID in die tijd niet in de negatieve markt, maar in het probleem om aan voldoende goedgeschoolde vakkrachten te komen. Dietrich legt uit: “Maar, dat is toch geen wonder! De tapijtindustrie heeft zeker in Deventer niet meer zo’n beste naam. Wij hebben hier mensen werken, die elders al twee keer op straat zijn komen te staan.” Hij noemt het niet, maar hij zal zeker doelen op het verdwijnen van de KVT en op de sluiting van de tapijtweverij van H.J. Peters in 1975. Daarnaast staat de textiel in Deventer na de sluiting en het massaontslag bij de katoenfabriek van Ankersmit in 1965 in ieder geval al in een kwaad daglicht. Moet je daar wel willen werken? Wie daar wel graag willen werken zijn Wardo en Ingrid Dietrich, die beiden op jonge leeftijd in dienst treden van de MID. Wardo op 21-jarige leeftijd en Ingrid is nog maar 16 jaren jong. Zij vertegenwoordigen de derde generatie Dietrich in het bedrijf. Ook de jongste zoon, Carl jr., heeft nog een korte periode bij de MID gewerkt. Wardo is de techneut die naast veel nieuwe technische ontwikkelingen ook nauw betrokken is bij en inhoud geeft aan het automatiseringsproces bij de tapijtfabriek. Wardo treedt na zijn MIDperiode in dienst bij machinefabriek Geurtsen, gevestigd in de voormalige Koninklijke Deventer Tapijtfabriek in de Smyrnastraat. Ingrid is als coloriste van groot belang voor de ververij van de MID. Het ‘custom made’ tapijt heeft vaak de start in haar laboratorium.

117

Coloriste Ingrid Dietrich aan het werk in het laboratorium dat al even kleurig is als de producten die de tapijtfabriek produceert.

Directeur Carl Dietrich en bedrijfsleider - de latere directeur - Mannes Geltink staand op een deel van het tapijt voor de Emir van Koeweit in 1984 (Foto Deventer Dagblad)

Gaandeweg de jaren zeventig wordt de algemene economische teruggang merkbaar. Er moeten nieuwe markten worden gezocht. In 1978 maakt Carl Dietrich de eerste oriënteringsreizen naar het Midden-Oosten; onder andere naar SaoediArabië, de Emiraten, Iran, Koeweit en Libanon. Hij ontdekt dat daar door de bouw van heel veel paleizen en villacomplexen een interessante markt aan het ontstaan is. Ook Europese binnenhuisarchitecten zijn daar actief. Er groeien interessante persoonlijke contacten, ook met grote woninginrichters, die de nodige orders opleveren.


Het tapijt van de Emir van Koeweit.

Het tapijt van de Emir In 1982 mag de MID een wel heel speciaal succes op haar blazoen bijschrijven: de bestelling van 18.000 m2 tapijt door de Emir van Koeweit Sjeik Jabir al-Ahmad al-Jabir al Sabah. Het tapijt is bestemd voor het in aanbouw zijnde parlementsgebouw van de Arabische oliestaat dat in 1985 zal worden ingewijd.

MID-producten: zuiver wol. De totale kosten voor deze order bedragen 3.35 miljoen gulden. Het betreft hier een zogenaamd geassembleerd tapijt. Speciaal uit Engeland overgevlogen carpet-fitters hebben het in een speciale hal op het Deventer industrieterrein in elkaar ‘gezet’ en voorzien van een leren rand.

Alle kans dat de Emir op zijn keuze voor het tapijt uit Deventer is gekomen doordat hij het heeft zien liggen in diverse koninklijke onderkomens of misschien wel bij de Franse president François Mitterrand die in het Élysée ook MID onder zijn voeten heeft.

Het stemt Carl Dietrich nog steeds triest dat na de inval van het Iraakse leger in Koeweit in 1990/1991 een groot gedeelte van dit tapijt is vernield of geplunderd. “Want door een intensief samenspel met het hoofd van de interieurafdeling van de Emir, Olga Porumbaru, hadden we niet minder dan een wonder van schoonheid en elegantie geleverd.”

Het weven van dit tapijt is voor het MIDpersoneel een hele klus. Onderhoudsmonteur Kerkdijk: “Het begon er al mee dat twee moquettegetouwen moesten worden omgebouwd met speciale Jacquardmachines. De kaarten hiervoor moesten voortdurend worden gewisseld. Het betekende dag en nacht weven.” Het tapijt voor Koeweit bestaat uit twee gedeelten: een fors kleed voor de parlementsruimte zelf en een brede loper met ronde vormen van 84 meter. De kleur is lichtblauw met fijne motieven. Het materiaal is ook hier weer de standaard grondstof voor alle

In de jaren tachtig richt de MID zich steeds meer op de markt in het Midden-Oosten. Met de order uit Koeweit heeft het bedrijf het eerste grote succes in dit gebied binnengehaald. Het buitenland is in z’n totaliteit in die jaren goed voor 90 procent van de omzet. In een gesprek met het Deventer Dagblad van 27 oktober 1984 legt Dietrich het belang van het MiddenOosten voor zijn fabriek uit: “Vooral de groei in het Midden-Oosten is nu sterk, omdat daar een grote markt voor klanten met persoonlijke verlangens is.” En veel geld natuurlijk … Onderhoudsmonteur Henny Kerkdijk herinnert

118


zich dat de activiteiten van Carl Dietrich in het Midden-Oosten bij het personeel soms met gemengde gevoelens worden bekeken: “Wat moet Dietrich met die Arabieren, heette het dan.” Dietrich geeft toe dat het op het eerste gezicht vreemd lijkt dat klanten uit het Midden-Oosten, met zijn eigen rijke tapijttraditie, orders plaatsen in Deventer. “Je moet echter niet vergeten dat de Arabieren door hun handelsbetrekkingen met het Westen steeds meer beïnvloed worden door de westerse smaak. Als zij in Amerika een mooi tapijt hebben zien liggen, zeggen ze, ‘dat willen wij ook’. Het speelt natuurlijk mee dat zij zich in eigen land willen onderscheiden van de anderen.”

Overname door Desso In 1986 dienen zich bij de MID ingrijpende veranderingen aan die in directe zin niet met bedrijfseconomische problemen te maken hebben. Eigenaar Carl Dietrich gaat op zoek naar een opvolger voor het familiebedrijf. Continuering van de fabriek uit eigen kring wordt niet mogelijk geacht. In 1987 wordt het bedrijf overgenomen door de tapijtfabriek Desso uit Oss. Desso is een werkmaatschappij van Desseaux uit het Belgische Waasmunster dat in Oss ook nog de tapijtfabriek Bergoss exploiteert. Carl Dietrich legt in een gesprek uit dat de contacten en informatief overleg met Desso al wat langer bestaan. Net als de MID is ook Desso op zoek naar nieuwe markten. Het succes van de MID in het Midden-Oosten wekt de belangstelling van Desso. Met name is Desso geïnteresseerd in de productie van bijzondere tapijten voor exclusieve locaties. Luxe tapijt voor schepen bijvoorbeeld. Carl Dietrich: “Dat net even andere tapijt waar naar werd gevraagd, was nu juist het specialisme van de MID.” Desso-directeur Wil Roef heeft als nieuwe voorzitter van de Raad van Commissarissen van de MID de touwtjes van de Deventer fabriek in handen. De familie Dietrich en een deel van het oude management verdwijnt van het toneel.

119

Kast met kleurenladder.

Stalenarchief op de kleurenzolder.

Vanuit de MID gaat directeur - sinds 1985 Mannes Geltink mee naar de nieuwe organisatie. Naast hem krijgt hij als mededirecteur John Spruitenburg, een directielid van Desso. Ook de naam MID verandert in M.I.D.* Tapijtweverij. Ondanks het feit dat de bedrijfscultuur van de M.I.D.* een sterk Desso-stempel krijgt blijft én de naam Moquette Industrie Deventer én de marktfilosofie van elke gewenste kleur overeind. Wel neemt de keuzemogelijkheid in afmetingen van het te bestellen tapijt voor de klant uit overwegingen van efficiency enigszins af. Wat wel verandert is de inkoop van grondstoffen. Desso heeft een eigen spinnerij en ververij en schrijft de M.I.D.* op dit punt deels gedwongen winkelnering voor; wel blijft er de vrijheid om te blijven inkopen bij diverse spinnerijen in het buitenland, zeker voor grotere orders. De overname door Desso pakt voor het personeel positief uit. Het personeelsbeleid verbetert en er wordt een winstdeling ingevoerd. Een aardig voorbeeld op dit terrein doet zich voor in 1990. Desso-directeur en voorzitter van de Raad van Commissarissen van de M.I.D.*, Roef, koopt zich voor een fors bedrag uit. Het wordt door het boze Desseaux- en M.I.D.*-personeel ervaren als een verwerpelijke vorm van verrijking en is


boos. Hierop kiest de directie van Desso voor een andere oplossing. De afkoopsom van Roef wordt gehalveerd en de andere helft verdeeld onder het personeel.

Weefgetouw met roeden.

Machine om looplengte (dikte) van garen te meten.

Jacquard weefgetouw met klossenrek.

In de loop van de jaren negentig confronteert de Desso-directie de M.I.D.* met veranderingen op het gebied van leiding en productie die gaandeweg beginnen te knellen. Directeur Geltink, verantwoordelijk voor techniek en productie, ontbeert met regelmaat een commercieel directeur naast zich. Als er al één is, verdwijnt deze alweer snel of hij werkt in deeltijd. In 1991 plaatst Desso bij de M.I.D.* opdrachten in loon uit Oss. Het te fabriceren product is eveneens moquette. Dit tapijt is niet het voor de MID kenmerkende ‘custom made’ product, maar er wordt nu op voorraad gedraaid en met een beperkter kleurengamma. Het tapijt wordt op de markt gebracht onder de naam Kingston, genoemd naar de gelijknamige Engelse stad die bekend is als de bakermat van het moquetteweven. De M.I.D.* kan een grotere, extra productie op zich wel aan door de ingebruikneming van snelle spoelloze getouwen die grote volumes kunnen produceren en zorgen voor enige overcapaciteit in Deventer. Afstoting hiervan, inclusief vermindering van personeel, is hierdoor voor de M.I.D.* niet mogelijk. In het begin knelt deze extra productie niet omdat de betaling door Desso marktconform is. Maar dat verandert snel. In de jaren hierna komt de M.I.D.* steeds meer onder directionele leiding uit Oss te staan. Besluiten uit Oss gaan in de weg zitten. Zo stijgt het aantal loonopdrachten, maar daalt de prijs die de M.I.D.* ervoor krijgt. Ten behoeve van deze extra productie moet de Deventer vestiging wèl voldoende personele bezetting op de been houden. De kosten hiervan zijn volledig voor rekening van de M.I.D.* De loonproductie is hierdoor niet meer rendabel. Directeur Geltink probeert de Desso-directie ervan te overtuigen dat de M.I.D.* weer zijn eigen speelruimte terug moet krijgen. In plaats daarvan stelt Desso in 1998 de tot dan in deeltijd gefunctioneerd

Invoer weefgetouw.

120


hebbende commercieel-directeur Wouter van der Leij aan als algemeen-directeur van de M.I.D.*. Maar ook deze verdwijnt al weer snel van het toneel. Geltink begint te piekeren over een andere toekomst voor ‘zijn’ moquettefabriek.

Een verrassend antwoord Bij Desso is inmiddels een andere algemeen directeur aangetreden in de persoon van Hiljto Bos, daarvoor werkzaam bij Philips. Tijdens een gesprek met hem bemerkt Geltink, dat Bos eigenlijk wel af wil van de kleinere werkmaatschappijen in de Desso-groep. Deze vragen veel aandacht en brengen weinig. Zo is zijn opvatting. Geltink laat een proefballon los, mede bepaald door zijn groeiende aversie om steeds maar weer nieuwe concerndirecties duidelijk te moeten maken hoe uniek de M.I.D.* is en zijn ergernis over directeuren van andere werkmaatschappijen die door Desseaux bij de M.I.D.* worden gestationeerd en die het Deventer bedrijf er ‘even bij doen’. Hij is dat goed zat en geeft aan dat hij de M.I.D.* wel wil overnemen. Tot zijn grote verrassing is Hiltjo Bos onmiddellijk positief. Geltink heeft een probleem want de wil is er wel, maar de financiën niet…. Na de gesprekken met Hiltjo Bos heeft Geltink hierover contact met aandeelhouder Bernard Assink. Deze is tot 1996 directeur van de beddenfabriek Koninklijke Auping in Deventer en heeft de handen vrij voor een nieuwe industriële uitdaging. Assink wil die wel aan en samen slagen ze er in om de financiering rond te krijgen en worden zo directeur/eigenaar, met twee derde van de aandelen naar Bernard Assink en een derde naar Geltink. Op 6 maart 1998 tekenen zij de koopovereenkomst met Desso. De M.I.D.* Tapijtweverij wordt nu MID Holding BV. Dat de Desso-directie zo gemakkelijk ‘ja’ zegt kan niet zonder enige achterliggende oorzaak zijn. Tegenvallende bedrijfsresultaten van de M.I.D.* de afgelopen jaren kunnen voor de Desso-directie geen sterk punt zijn, daar Desso

121

Ingang fabriek Bergweide.

zelf hiervan mede de aanleiding is. Aan de vooravond van de overname meldt directeur Mannes Geltink in zijn Nieuwjaarstoespraak van januari 1998 dat de resultaten over 1997 teleurstellend zijn. Belangrijke exportlanden zijn sterk achtergebleven. Hij gebruikt zelfs de term ‘zorgelijk’, maar zegt direct daarbij dat de zaak zeker niet ‘hopeloos’ is. Daarnaast is het moederbedrijf van Desso, Desseaux, in 1992 in handen gevallen van het Duitse DLW (Deutsche Linoleum Werke), nadat dit Duitse bedrijf al sinds 1984 beschikt over 63 procent van de aandelen Desseaux. Ook dat kan mogelijk een doorslaggevende rol bij de verkoop hebben gespeeld.

Nieuwbouw De nieuwe directeur/eigenaren Geltink en Assink worden al direct na hun aantreden geconfronteerd met de wens van buurman Roto-Smeets om de locatie aan de Industrieweg te kopen. Voor het grafisch bedrijf Roto-Smeets is dit een noodzaak omdat de concerndirectie van drie naar twee vestigingen wil. Het bedrijf in Deventer kan alleen in de race blijven als het kan uitbreiden. Al eerder zijn door Roto-Smeets pogingen in het werk gesteld om het MID-pand in bezit te krijgen. Steeds ketst dit af op een te lage prijs. Maar in 1998 is het nieuwe bod dermate interessant dat besloten kan worden tot verkoop en tot nieuwbouw op het nieuwe Deventer bedrijventerrein Bergweide; aan de Bergweidedijk 7. In 1999 opent de MID de nieuwe fabriek. De focus blijft als vanouds gericht op de internationale markt. Deze export bedraagt meer dan 75 procent van de omzet. Een kwart van de omzet wordt bepaald door export naar de Verenigde Staten.


Keurtafel breedweef. Het keuren heeft plaats nadat het tapijt eerst op de zich er achter bevindende scheertrommel is geschoren.

Appreteermachine met cylinderdroogtrommel.

Een lang leven is de fabriek van Geltink en Assink door oorzaken van buiten niet beschoren. Als op 11 september 2001 de twee torens van het World Trade Centre in New York door toedoen van een aanslag met gekaapte vliegtuigen door moslim terroristen in elkaar storten, heeft dat tevens grote gevolgen voor de Deventer tapijtfabriek. De export naar de VS stort volledig in. De zakelijke Amerikaanse klanten annuleren orders en het boeken van opdrachten uit de VS stagneert volledig. Samen met een somber economisch sentiment wereldwijd wordt de MID in de malaise meegesleept. Ook de prijsconcurrentie van getuft tapijt, belangrijk goedkoper, is een oorzaak van de teruglopende orders, zeker voor grotere projecten.

De directie stelt vast dat een doorstart op eigen kracht geen optie is. Daar is een partner voor nodig. Onderhandelingen met de Genemuider tapijtfabriek Robusta lijken deze mogelijkheid te bieden. In samenwerking met de curatoren werkt de directie aan een doorstartplan met behoud van een aanzienlijke werkgelegenheid voor 30 tot 35 medewerkers. Even laat het zich aanzien dat de kans op deze doorstart haalbaar is. Het loopt anders. Uiteindelijk neemt Robusta in 2002 de failliete Moquette Industrie Deventer over. Nog tot 2007 blijft de fabriek draaien in Deventer om dan te worden verplaatst naar Genemuiden. Het betekent ontslag voor 50 werknemers. Een klein aantal Deventer personeelsleden gaat mee naar het tapijtcentrum in Noordwest-Overijssel. Nu, anno 2012, werkt een aantal daar nog steeds.

Deze tegenvallers leiden tot liquiditeitsspanningen waardoor een vordering van de Belastingdienst onbetaalbaar wordt. Geltink en Assink zien geen andere uitweg dan het aanvragen van een faillissement. Dit na eerst te vergeefs een beroep te hebben gedaan op de Gemeente Deventer om een overbruggingskrediet te verstrekken. Als de Belastingdienst vervolgens aankondigt over te zullen gaan tot veiling van inventaris en goederen is een faillissementsaanvraag onvermijdelijk. Het gebouw aan de Bergweidedijk blijft buiten het faillissement als eigendom van de MID Holding BV.

Verbazing Wie nu een bezoek brengt aan Robusta om daar meer aan de weet te komen over hoe het de MID verder is vergaan, valt van de ene verbazing in de andere. In Genemuiden is ook nu nog sprake van de fabricage van MID-producten. De bezoeker die zich meldt bij Robusta en zegt te komen voor de MID, krijgt te horen dat hij aan ‘de andere kant’ van het gebouw moet zijn. Daar bevindt zich een entree in een geheel andere, van Robusta afwijkende stijl en met de letters M.I.D.* boven de deur. In de hal ligt mooi, zwaar

122


Kettingboommachine.

moquettetapijt en in vitrines bevinden zich kleurrijke voorbeelden van recent uitgevoerde orders voor grote Nederlandse ondernemingen.

voor de Beatrixzaal van de Jaarbeurs in Utrecht ligt klaar voor verzending. Het tapijt is geheel in de traditie van de MID.

De ontvangsthal/toonzaal en ook de archiefzolder met tapijtstalen laten het uitbundige kleurengamma zien van de voorheen Deventer tapijtfabriek. En daar blijft het niet bij. In de bedrijfshallen staat een groot deel van het machinepark van de MID opgesteld met oud-Deventenaren aan de knoppen. De Wiltongetouwen draaien moquettetapijt. De ververij - die niet meer in gebruik is - verkeert in prima staat en kan eventueel met één druk op de knop weer worden gestart. En om het verhaal helemaal compleet te maken: een nieuw tapijt

Net zoals bijzondere producten uit de topjaren van de M.I.D.* als het zogeheten ‘Bloembollentapijt’ uit 1992 in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer. Of, het kobaltblauwe tapijt met olijfgroene ringen in de Deventer Trouwzaal en de tapijten voor het kantoor van de Deutsche Bank en zelfs die in het chauvinistische Engeland, voor Buckingham Palace. De MID of zoals u wilt, de M.I.D.* is nooit weggeweest en bestaat bij het uitkomen van dit boek dus 80 jaar...

Kenmerkend MID-tapijt.

123


Weeffoutje Als je met Mannes Geltink - oud-directeur van de Moquette Industrie Deventer - kijkt naar afbeeldingen van kleurrijke en sierlijk gedessineerde Deventer tapijten dan kan het zijn dat hij je glimlachend uitlegt dat ‘hier geen kunst aan is’. Hij doelt daarbij niet op het ontwerp of de ontwerper, maar op de gebruikte knooptechniek. Hoe zit dat? Geltink legt uit dat bij het weven van tapijt in één kleur - zoals bij zijn MID het geval is - het absoluut onmogelijk is een fout te verdoezelen. Dat is rampzalig bij een bestelling van een stuk met een afgesproken maat. Tien bij tien meter is en blijft tien bij tien en niet twee aan elkaar genaaide stukken van vijf bij tien. Een zelfs onnozele fout kan betekenen dat een productie van soms honderden vierkante meters kan worden vernietigd of tot coupons versneden. Voorbeeld: onder de honderden kettingdraden bevindt zich, voor het blote oog niet zichtbaar, een draad van een afwijkende kwaliteit. Hij is bijvoorbeeld dunner. Al wevend valt dit niet op. Maar na het scheren van de pool blijkt over de hele lengte van het tapijt een streep te lopen; een soort geultje. Dat valt gigantisch op. Geen klant wil zo’n tapijt accepteren. Bij een tapijt met weelderige patronen in vele kleuren valt zoiets niet op, of is onzichtbaar te repareren. Ook een kapotte rietspleut in het weefgetouw waar de draad doorheen gaat, zorgt voor beschadiging van het garen en wordt als lelijke streep zichtbaar in het weefsel.

124


Bloembollentapijt van 30 losse karpetten in de voormalige vergaderzaal van de Tweede Kamer uit 1992. Naast lof zijn er nogal wat protesten tegen de karpetten in deze voormalige balzaal. MID-verkoopleider Jaap Span maakt zich tegen een verslaggever van het Deventer Dagblad daarover kwaad: �Waar maken ze zich zo druk over. De karpetten liggen gewoon los op het parket. Als je daar een bal wil organiseren rol je ze gewoon op. Ze wegen nog geen 25 kilo per stuk.�

125


Ploeg ververs met kokosstrengen. (Collectie familie Hubers)

126


Nog meer tapijt in Deventer Eerste Nederlandsche Cocosfabriek (1860-1969) Deventer Tapijtfabriek Maurits Prins (1869-1882/1978) Naast de in de voorgaande hoofdstukken behandelde tapijtfabrieken heeft Deventer nog twee andere tapijtfabrieken gekend: de Eerste Nederlandsche Cocosfabriek van Willem Frederik Hubers en de Deventer Tapijtfabriek Maurits Prins. Van de fabriek van Hubers is nog vrij wat documentatie voorhanden. Deze fabriek is tot 1922 gevestigd in Deventer en heeft in 1926 een herstart in Diepenveen. De Historische Vereniging Diepenveen en Omgeving heeft in 2010 een uitgave van haar Historische Reeks aan deze fabriek gewijd. Van dit Diepenveens onderzoek maken we hier gaarne gebruik. De informatie over de fabriek van Maurits Prins blijkt uit een verrassende hoek te komen. De tapijtfabriek van Willem Frederik (Wim) Hubers vervaardigt een totaal afwijkend product dan de andere Deventer fabrieken. Hij verwerkt de stugge vezel van de kokosnoot tot stevige en kleurrijke matten en lopers. Kokosmatten zijn in Engeland bekend sinds halverwege de 19e eeuw. Wim Hubers (1822-1871) is er dus al vroeg bij als hij in 1860 in Deventer als eerste in Nederland een fabriek voor kokostapijt begint. Kokos kan gezien worden als aanvulling en vervanging van de al lang bestaande biezenmatten. Voordat Hubers begint met kokos heeft hij omstreeks 1840 een fabriek van ‘paardenhaaren zeeften’. In 1857 begint hij in de Assenstraat naast zijn productie van zeven te experimenteren

127

met de vervaardiging van koehaar- en kokoskarpetten. Dit leidt in 1860 tot de oprichting van de ‘Weverij van Effen en Gekleurd Cocosdoek voor Tapijten, Lopers en Matten’. Met succes. In een briefhoofd uit 1870 laat hij met trots afbeeldingen van gewonnen medailles op nijverheidstentoonstellingen mee afdrukken. Innovatief is Hubers ook. Hij vindt een procedé uit waarmee hij kokosdraad machinaal kan weven tot kleurrijke dessins. Hij verkrijgt er een octrooi op. Om inkomsten te genereren verkoopt hij dat octrooi ook aan anderen. Bij de dood van zijn vader in 1871 neemt Wim Hubers jr. de fabriek over. Hij wil de kleine fabriek


De leeggekomen aardewerkfabriek van Voorbeijtel Cannenburg aan de Zwolseweg is vanaf 1884 het onderkomen van Hubers & Co. (Collectie Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek)

In 1880 vestigt Hubers & Co. zich in de voormalige woning van de directeur van het gymnasium in de Nieuwstraat. (zie pijl) (Collectie Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek) Een jeugdige Wim Hubers (III) bij een weefgetouw in de fabriek aan de Zwolseweg. (Collectie familie Hubers)

uitbreiden. Daar het hem ontbreekt aan geld zoekt hij een zakenpartner. Hij vindt die in 1877 in de persoon van Gerrit Hendrik Kloosterboer (*1851) De naam van de fabriek verandert in Hubers & Co. In 1880 verhuist de fabriek van de Assenstraat naar Nieuwstraat 79. Dit pand grenst aan het ouderlijk huis van Kloosterboer. De naam van de fabriek luidt dan voluit: ‘Deventer Tapijtfabriek in Cocos, Manilla en Koeharen tapijten, sajetten en andere lopers, karpetten enz’. De samenwerking met Kloosterboer werpt vruchten af. Zilveren medailles en stijgende opdrachten zijn het resultaat. Door de expansie is het verbouwde woonhuis van de vroegere gymnasiumdirecteur in de Nieuwstraat al snel te klein. In het gebied van de nieuwe stadsontwikkeling aan de noordkant van Deventer, de plaats van de vroegere vestingwerken, komt in 1884 het pand vrij van de Keulsche Aardewerk en Kruikenfabriek van Voorbeijtel Cannenburg aan de Zwolseweg 99. Dit adres wordt de nieuwe vestigingsplek van de nu geheten Deventer Stoom-Tapijtfabriek, compleet met stoommachine en schoorsteen, De fabriek groeit gestaag door. Kloosterboer woont in het huis aanpalend aan de fabriek. Tot 1904. Dan houdt medevennoot Kloosterboer het voor gezien. Hij verhuist naar Twello en bemoeit

zich niet langer met de bedrijfsvoering. Wel let hij scherp op zijn financiële belangen. Als de zoon van Wim jr., Wim III, in 1918 naast zijn vader actief wordt in de fabriek komt er een nieuwe loot aan het familiebedrijf bij. Wim III biedt zijn vrouw Jeane en zijn schoonzuster Jet de ruimte om er de Deventer Machinale Breierij te beginnen.

Liquidatie Ondanks de Eerste Wereldoorlog bloeit de Nederlandse kokosindustrie. Er ontstaan nieuwe fabrieken in Apeldoorn, Zwartsluis en Genemuiden. De recessie van na de oorlog is een moeilijke tijd. Ter verdediging en versterking van de marktpositie gaat Hubers & Co in 1921 een samenwerkingsverband aan met de kokosmattenfabriek van Mooiweer in Zwartsluis. Het helpt niet. Het blijft slecht gaan. Rode cijfers dreigen en Kloosterboer vreest zijn kapitaal te zullen verliezen. In januari 1922 besluit hij de vennootschap te beëindigen. Volgens de bepalingen in de notariële akte uit 1877 rest er voor Hubers dan niets anders dan liquidatie. Ook de breierij van zijn vrouw en schoonzus moet dicht. Als Wim Hubers II deze onheilstijding verneemt zakt hij staande naast een weefgetouw in elkaar en overlijdt; 68 jaar oud.

128


Pand en nagenoeg de complete inventaris worden verkocht. Het weinige dat de familie Hubers nog weet te redden wordt opgeslagen in afwachting van betere tijden. Op het adres Zwolseweg 99 wordt vervolgens een Ford garage gevestigd. Het pand blijft nog tot 1995 in gebruik. Dan wordt het gesloopt om plaats te maken voor woningen. Wim Hubers III is in één klap zijn bedrijf kwijt. Hij blijft het evenwel zoeken in de kokos. Hij vindt werk in het Friese Kloostertille, waar hij helpt een kokosfabriek op te starten. In 1926 grijpt hij een nieuwe kans. Nu in Diepenvee. Met familiehulp koopt hij in het dorp onder de rook van Deventer een woonhuis met een stuk grond erbij. Daar bouwt hij aan de toenmalige Puinweg, nu Olsterweg, een nieuwe fabriek onder de naam ‘Eerste Nederlandsche Cocosfabriek v/h Hubers & Co’. Na een jaar op handkracht gedraaid te hebben worden na 1927 de getouwen weer aangedreven door stoomkracht. Het gaat Wim III voor de wind. Hij heeft een verkoopfiliaal aan de Bloemgracht in Amsterdam en mag de profijtelijke, landelijk bekende merknaam ‘Stercocos’ voeren. Hubers III heeft net als zijn vader geen gelukkige hand bij het kiezen van een zakenpartner. Hij vindt deze in 1928 in de Zutphense firma Vergeer met als directeuren T. Vergeer en M.A. Salvador Nolte. De nieuwe combinatie voert een grappig logo: ENC Cocos met drie aapjes, de drie directeuren verbeeldend. Nolte treedt al na een jaar terug. Vergeer heeft nu twee aandelen tegen Hubers één. Doorgestoken kaart? Ondertussen ontwikkelt Hubers een nieuw procedé voor het weven van kokosproducten. Hij past hierbij sisal toe als inslagdraad. Sisal is minder rafelig, gladder en sterker, wat bij het weven minder kans geeft op breuk als voorheen bij het weerbarstiger en kwetsbaarder kokosgaren. Met toepassing van de Jacquardmachine kan hij nu ook ingewikkelde patronen weven.

129


De crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw verloopt moeizaam. De fabriek is verplicht lid van de Bond van Nederlandse Kokosfabrikanten. Een stelsel van quotering, afzetbelemmering en bijbehorende boetes bij geconstateerde overtreding van het reglement knaagt aan de zelfstandigheid. Al direct na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1940 komt de aanvoer van kokos abrupt tot stilstand. Er zit niets anders op dan de fabriek te sluiten. In 1943 wordt de hoofdzetel van de fabriek verplaatst naar Zutphen. Medevennoot Vergeer komt in de oorlog te overlijden.

Tabak Gedurende de oorlogsjaren worden de houten loodsen, waar normaal de geverfde kokosgarens te drogen worden gehangen, gebruikt door de Diepenveensche Tabaks Centrale (DTC) om in Diepenveen gekweekte tabaksbladeren te drogen. In de oorlog wordt de beoogde opvolger Wim IV tewerkgesteld in Duitsland. In Osterode in de Harz. Na de oorlog keert hij ernstig ziek terug. Een ziekte die hij niet meer te boven zal komen. In 1947 overlijdt hij op 24-jarige leeftijd. De Eerste Nederlandsche Cocosfabriek raakt gaandeweg in een neerwaartse spiraal. In

1950 wordt de ENC overgenomen door de firma E. de Lange uit Genemuiden. Deze onderneming ontwikkelt zich na de oorlog tot een toonaangevend bedrijf in de kokossector; beter bekend onder de handelsnaam ‘Edel Tapijt’. Het bedrijf zoekt expansie en vindt deze in Diepenveen. In Diepenveen wordt vanaf deze overname alleen nog geweven. Het geverfde kokosgaren wordt op grote rollen aangevoerd vanuit Genemuiden. In de loop van de jaren zestig begint het kokostapijt zijn marktaandeel te verliezen. Andere, zachtere tapijtsoorten worden populair. Ook de weeftechniek is op z’n retour, zoals we in een vorig hoofdstuk al hebben gezien. In september 1969 wordt de fabriek gesloten. Wim Hubers III heeft dit niet meer behoeven mee te maken. Hij overlijdt in 1967. In 1979 wordt de fabriek gesloopt. In het Tapijtmuseum in Genemuiden leeft het kokostijdperk nog voort. (NB. Dit tekstdeel is gebaseerd op de studie en het daaruit voortgekomen boek uit 2010 over de Eerste Nederlandsche Cocosfabriek van Pier Klarenbeld en Wilbert Derksen. De publicatie verscheen in de serie Historische Reeks Diepenveen)

De Deventer Tapijtfabriek v/h Maurits Prins gezien vanuit de lucht. 130


Advertentie uit De Koerier - de voorloper van het Deventer Dagblad - op 6 juli 1869 waarin Maurits Prins aankondigt een tapijtfabriek te zijn begonnen.

Op deze foto van rond 1890 zijn het fabrieksgebouw en het woonhuis van Maurits Prins te zien aan het Pothoofd. Maurits Prins.

Deventer Tapijtfabriek Maurits Prins Van Deventer naar Dinxperlo Over de Deventer Tapijtfabriek van de joodse ondernemer Maurits Prins is in de Deventer archieven zeer weinig terug te vinden. Maurits Prins is in 1840 geboren in Arnhem als telg uit een joods geslacht. In zijn geboorteakte wordt zijn naam nog geschreven als Mauritz. Wanneer hij zich in Deventer vestigt is niet duidelijk. Een advertentie in de plaatselijke krant De Koerier, later Deventer Dagblad, van dinsdag 6 juli 1869 maakt duidelijk dat hij een tapijtweverij begint. Hij is dan al actief in Deventer met een ‘magazijn van buitenlandse tapijten en gordijnstoffen’, zoals in de advertentie wordt vermeld. Uit de weinige stukken die zich in het Deventer stadsarchief bevinden is niet meer op te maken dan dat hij in een aantal panden aan het Pothoofd tapijten produceert en daarnaast op de Brink een verkooppunt heeft. Waarom de geboren Arnhemmer kiest voor Deventer en of hij een tapijt- of anderszins een textielachtergrond heeft, blijkt eveneens niet te achterhalen. Deventer heeft halverwege de 19e eeuw een goede naam als tapijtstad door de aanwezigheid van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek en sinds 1860 van de Eerste Nederlandsche Cocosfabriek van Frederik Willem Hubers. Het kan zijn dat

131

dit aantrekkingskracht uitoefent op de dan nog jonge Arnhemmer. Als gezegd, veel is over Prins en zijn Deventer tapijtfabriek niet te melden. Grappig is het dan om een vermelding over deze fabriek tegen te komen in een herdenkingsboek van Harry Oltheten over de Deventer cricketclub Koninklijke UD (Utile Dulce). Daarin staat vermeld dat op de woensdagmiddagen de jeugdige cricketers getooid met hun rood-witte petten naar het sportveld trekken op de Bergweide bij de Zutphenseweg. Zij komen op het Pothoofd dan langs de fabriek van Prins. De fabrieksjongens van Prins moeten niets van hun meer gefortuneerde en geprivilegieerde leeftijdgenoten hebben en overladen deze met scheldwoorden en een hagel van stenen. Oltheten weet verder te melden dat de tapijtfabriek 29 jongens tussen de 12 en 16 in dienst heeft. Overigens trekken de UD’ers ook op zaterdagmiddag langs de fabriek. Dan vliegen er geen stenen door de lucht. De fabriek is dan dicht wegens Sabbat. Een echt langjarige ‘traditie’ zal dit gedrag van de fabrieksjongens niet geweest kunnen zijn. De cricketers van de Koninklijke UD sporten pas vanaf 1875 op het veld op de Bergweide. Prins verplaatst zijn fabriek in 1882 naar Dinxperlo en sluit zijn bedrijf in Deventer. In dat jaar verhuist


De familie Prins met in het midden lange Mau.

Maurits Prins - bijgenaamd Lange Mau - op een motor ergens jaren dertig.

hij met zijn gezin naar dit direct aan de Duitse grens gelegen Achterhoekse dorp. Dat jaar 1882 is ook terug te vinden in de gegevens van het Kadaster. Het spoort met de verkoop van een pakhuis door Prins aan het Pothoofd en het winkelpand aan de Brink in 1883. Over de verkoop van zijn fabriekspand aan het Pothoofd wordt niets vermeld. Waarschijnlijk heeft hij dit gehuurd van A. Boelderman, een Deventer expediteur. In de kadastrale gegevens zijn nog enkele andere data te vinden. Zo verkoopt hij in 1871 bezittingen in de Voorstad. Ook zijn er nog bouwtekeningen bewaard uit 1876 en 1881 van zijn tapijtfabriek aan het Pothoofd. Ook zijn er Hinderwetvergunningen voor de uitbreiding van de ververij en drogerij voor garens en wol uit respectievelijk 1875, 1877 en 1881. Als je deze laatste investering bekijkt, dan is het op z’n minst merkwaardig dat hij een jaar later besluit Deventer vaarwel te zeggen. In joodse archieven betreffende de Achterhoekse plaatsen Dinxperlo en Aalten, alsmede aanpalend

Duits gebied, is sprake van een filiaal van Prins rond 1875 in Süderwick/Dinxperlo. Kan zo maar zijn dat hij de opbrengst van de verkoop van zijn onroerend goed in de Deventer Voorstad hiervoor heeft gebruikt.

Prettig toeval Hier dreigt het spoor dood te lopen. Maar door een prettig toeval worden we attent gemaakt op twee inwoners van Dinxperlo die een verdere invulling van de geschiedenis van de fabriek van Maurits Prins kunnen geven: Theo Rijks (86) en Willy te Grotenhuis (75). Beiden hebben gewerkt bij de tapijtfabriek in Dinxperlo. Rijks als chef magazijn en afwerking en Te Grotenhuis als dessinateur. En niet alleen zij, maar ook diverse leden van hun familie. Theo Rijks heeft directe banden met Deventer. “Mijn grootvader Johan Rijks kwam in 1882 met Prins mee uit Deventer. Hij was daar als 12-jarige in dienst gekomen en opgeklommen tot werkmeester en gaf leiding aan een afdeling. Hij is vroeg gestorven. Uit dankbaarheid dat hij uit Deventer was meegekomen werd mijn grootmoeder tot haar overlijden doorbetaald. Samen met mijn opa kwam nog een zestal Deventer knapen mee naar Dinxperlo. Die hebben het niet zo lang volgehouden. Konden niet aarden in de Achterhoek. Mijn opa is toen als enige achtergebleven. 132


Zwembad achter de tapijtfabriek in Dinxperlo verwarmd met water uit de stoomketel.

Enkele briefhoofden van de Deventer Tapijtfabriek Maurits Prins.

Prins had eerst een filiaal van zijn Deventer Tapijtfabriek in de Duitse buurgemeente van Dinxperlo, Süderwick. Later begint hij ook een fabriek in Dinxperlo. Dat hij koos voor Süderwick had volgens mij iets te maken met het feit dat in Duitsland de prijzen voor grondstoffen lager waren. De familie Prins stopte in Süderwick toen de nazi’s daar de macht grepen”.

zonen Maurits (1898-1942) en Maurits Philip (1898-1942) die vanaf de jaren twintig de fabriek verder uitbouwen tot de grootste werkgever van de regio. In Dinxperlo gaan zij door het leven met de koosnaampjes Kleine Mau voor Maurits en Lange Mau voor Maurits Philip.

Rijks en Te Grotenhuis leggen uit dat werken in de tapijtfabriek in de beginperiode sterk seizoengebonden is. Rijks: “Ook mijn vader werkte in de tapijtfabriek, maar hij had er ook een winkeltje naast. Een echte Winkel van Sinkel, middenin het dorp. Er waren ook thuiswevers. Kleine boeren die ’s zomers op het land werkten en in de winter achter het weefgetouw zaten. Andere dorpsbewoners hadden in de zomer geen werk. Dan kregen ze ondersteuning van de bonden.” In relatie met de fabriek zijn twee zonen van Maurits van belang. De oudste is Philip Prins en is geboren in 1867 in Deventer. Dan bevindt Prins zich dus al te Deventer. De andere zoon is Benjamin die geboren is in 1871. Ook zij trekken mee van Deventer naar Dinxperlo. De fabriek groeit snel. In 1890 heeft deze al een personeelsbestand van 150. Benjamin blijft in Dinxperlo actief in de fabriek, maar Philip verruilt in 1926 Dinxperlo voor Amsterdam. Het zijn hun

133

Beide neven Prins worden in Dinxperlo beschreven en geprezen om hun sociale beleid, zowel op de fabriek als in de gemeenschap. Zo wijzen Rijks en Te Grotenhuis op de oprichting van een ziekenfonds en een steunfonds in geval van werkloosheid. En de aanleg van een zwembad voor de dorpsgemeenschap. Een verwarmd zwembad. Rijks: ”De machines werkten op stoom en dat warme, maar schone water werd altijd afgevoerd via een beekje achter de fabriek. Zo’n honderd meter achter de fabriek is toen een zwembad aangelegd. Voor de Dixperloërs was het vrij zwemmen. Behalve op vrijdagavond. Dan was het bad voor de familie Prins zelf. Op zaterdag was het gesloten wegens de Sabbat.”

Arisering en Veneta De neven Prins zijn in 1941, als de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter duidelijk zijn geworden, bang dat de fabriek in verkeerde handen zal vallen. Die vrees is gerechtvaardigd omdat twee Duitsers uit Bocholt al een aantal


Op 26 maart 1945 wordt de tapijtfabriek van Maurits Prins getroffen door Britse bommen en zwaar beschadigd. Hier de restanten van de weverij.

malen een bezoek aan de fabriek hebben gebracht en duidelijk hebben gemaakte dat zij deze willen kopen. Dat is geheel in de lijn met de bepalingen die de Duitse bezetter in gang zet en die erop zijn gericht joodse bedrijven te ‘ariseren’; beter gezegd om deze de joden afhandig te maken. Lange Mau maakt een afspraak met Theo de Wit van de tapijtfabriek Veneta (Verenigde Nederlandse Tapijtfabrieken) uit Hilversum. De fabrikanten kennen elkaar goed van de vergaderingen van tapijtfabrikanten. Lange Mau maakt De Wit duidelijk dat de familie de fabriek over wil laten gaan in andere handen. Om deze zo veilig te stellen voor na de oorlog. Een overeenkomst die niet officieel kan worden vastgelegd. Onder het mom van de arisering van het bedrijf wordt de mondelinge overeenkomst door het uitvoerende orgaan van de confiscatie van joodse bezittingen, de Wirtschaftprüfstelle, met instemming begroet. Even dreigt het nog mis te gaan als een Duitse tapijtfabrikant zich in Dinxperlo meldt, die beweert te zijn de aangewezen als de persoon om de joodse fabriek over te nemen. De Wit weet dit gevaar te bezweren. De neven Prins blijven op de achtergrond aan de fabriek verbonden. Aan onderduiken willen zij niet echt denken. Ze hebben immers geen fabriek meer en ‘hier in de Achterhoek zal het wel zo’n vaart niet lopen’. Dat loopt het wel. De leden van de beide families Prins worden in het najaar van 1942 opgepakt en op transport gezet en om het leven gebracht in de vernietigingskampen Auschwitz, Sobibor en Ludwigsdorf. Als onderdeel van Veneta slaagt de fabriek er in door te draaien

Dit emaille bord siert na de overname door tapijtfabriek Veneta in 1945 nog tot 1978 de gevel van de voormalige tapijtfabriek van Maurits Prins. Uit respect voor de in Duitsland omgebrachte leden van deze joodse familie.

tot half maart 1945. Op 15 maart neemt de Duitse Wehrmacht de fabriek in beslag. Dinxperlo komt in de frontlinie te liggen. Op 26 maart 1945 wordt de fabriek aan puin geschoten door de geallieerde luchtstrijdkrachten en gaat nagenoeg geheel verloren. Op 30 maart wordt Dinxperlo bevrijd. Na de oorlog is er van de familie Prins nog een enkel lid in leven. Zij hebben weinig tot niets met de fabriek. De Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel bepaalt op 30 augustus 1948 dat Veneta het eigendom behoudt over de fabriek onder de bepaling dat de weinige erfgenamen van de familie Prins een schadevergoeding krijgen uitbetaald. In een gesprek met oud-directeur Carl Dietrich van de Moquette Industrie Deventer maken we op volkomen onverwachte wijze kennis met deze erfgenamen. Carl Dietrich vertelt de anekdote dat hij direct na de oorlog met zijn ouders logeert in Hotel Bouwes in Zandvoort. Daar maakt hij kennis met een jongetje van eigen leeftijd. Samen met hem haalt hij kattekwaad uit door in de gang een brandblusser leeg te spuiten. Uit het daarop volgende contact tussen de beide ouders - om de schade te vergoeden - blijkt het te gaan om een gezin Prins afkomstig uit New York. En niet zomaar een familie Prins, maar die van het tapijt. Carl Dietrich kan zich nog levendig herinneren dat zijn vader en Prins spraken over de Deventer tapijtindustrie. Ja, zelfs nog dat de fabriek van Prins iets te maken had met de Brink. Die gevraagde schadevergoeding is, zo mag gesteld worden, kennelijk keurig geregeld.

134


Naam blijft De wederopbouw van de fabriek neemt enkele jaren in beslag. In 1949 is er een herstart met een nog beperkte productie. Uiteindelijk is in 1957 de wederopbouw volledig voltooid. De door Veneta in 1944 in de Achterhoek gestationeerde directeur André de Wit maakt dit niet meer mee. Hij is in 1953 op 33-jarige leeftijd overleden. Dan haalt Willy te Grotenhuis tijdens het gesprek een bijzonder emaille bord tevoorschijn. ‘Deventer Tapijtfabriek v/h Maurits Prins’ luidt het opschrift. Hij legt uit dat dit bord tot 1978 op de gevel van de fabriek heeft gezeten. Gezien de wijze waarop Veneta in het bezit is gekomen van de tapijtfabriek is het voor de Hilversumse fabrikantenfamilie De Wit een vanzelfsprekendheid geweest de naam te handhaven. Tot in genoemd jaar de fabriek

overgaat in handen van Tretford van de Hollandse Tapijt Industrie (HTI) uit Alkmaar. De Hollandse Tapijt Industrie maakt in vergelijking met andere Nederlandse tapijtfabrieken naast vergelijkbare tapijten ook een enigszins afwijkend product. In hun zogenaamde ribbeltapijt verwerkt de HTI 80 procent geitenhaar en 20 procent wol op een rug van jute. Het logo van de fabriek is dan ook niet voor niets een geit. In 1996 verhuist Tretford het hoofdkantoor van Alkmaar naar Dinxperlo, waar al de productie plaats heeft en de magazijnen zijn. In 2007 wordt de productie overgebracht naar de vestiging van Tretford in het iets verderop gelegen Duitse Wesel. In Dinxperlo hopen ze dat het fabrieksgebouw in gebruik blijft als magazijn.

Productie in de oorlog In een mededelingenblad van de Deventer Tapijtfabriek v/h Maurits Prins in Dinxperlo uit 1960 vinden we een aardige beschrijving van de productie in de oorlogsjaren. Er is dan nauwelijks aanbod van goede grondstoffen. Van onder meer jute-afval en verder met van-alles-en-nog-wat wordt met kunst- en vliegwerk tapijt gemaakt. In Dinxperlo kent men het verhaal van een partij grondstoffen waarvan niemand eigenlijk weet wat het is. De hiermee gesponnen draad is erg stug, maar toch wordt er effen,vaste vloerbedekking van gemaakt. Het wordt nog goed verkocht ook. Maar na enige tijd komen er bij de fabriek legio klachten binnen. Er komen ineens van die rare, vettige strepen in, zo luidt de melding van de teleurgestelde klant. Bij nader onderzoek blijkt dat de kettingdraad zo stug is dat de schietspoel er niet doorheen wil. Wevers bewerken de spoel regelmatig met de oliespuit of smeren hem in met vet. Dan wil het nog enigszins. Eenmaal op de vloer gelegd en in een verwarmde kamer, wordt dit vet door het belopen van het tapijt zichtbaar. Er ontstaat een soort dessin van vetvlekken en -strepen, al naar gelang de dikte van de aangebrachte vettigheid. In de oorlog worden ook karpetten van papier en stro gemaakt. Deze worden met een stempel bedrukt om ze zo nog enig aanzien te geven. Effen wordt zo gedessineerd. Waarschijnlijk is het ook maar ‘effen’ (even) blijven zitten.

135


Salon van koning Willem II en koningin Anna Paulowna. Op de vloer een groot Deventer handgeknoopt tapijt, circa 1850. Dit tapijt is afkomstig uit Paleis Soestdijk. Het motief met de toortsen verwijst naar de Slag bij Waterloo waar kroonprins Willem dapper heeft gevochten. 136


Turks, biedermeier en neostijlen De tapijten van de Deventer Tapijtfabriek 1797-1892

Het ontstaan van de fabriek is eerder in dit boek beschreven (zie pagina 23 e.v.). In de loop van haar lange bestaan heeft de fabriek verschillende namen gedragen. In de eerste helft van de 19e eeuw is ‘Fabriek van Smyrnasche en andere tapijten’ de meest gebruikte. Vaak worden ook de eigenaren M. van Doorninck, P. van Calcar en G. Birnie erbij vermeld. Vanaf 1837 noemen zij zich de ‘Koninklijke fabriek van Smyrnasche en andere tapijten’ en vervolgens ‘Koninklijke Deventer Tapijtfabriek’. Het uiterlijk van de tapijten, karpetten, lopers en kleedjes die de fabriek van George Birnie en Philippe Sauret rond 1800 produceert is moeilijk na te gaan, want het merendeel ervan is inmiddels versleten en weggegooid. Van de duurdere tapijten uit het midden van de 19e eeuw is wel meer bekend. Ze gaan langer mee en er zijn afbeeldingen van interieurs met Deventer tapijt bewaard gebleven. Ook is een aantal van de dessins uit de eerste helft van de 19e eeuw overgeleverd.

Inventarisatie 1829 De Birnies zijn niet de eersten die in Nederland handgeknoopte vloerkleden fabriceren maar het bedrijf heeft wel bewezen de langste adem te hebben. De fabriek van George Birnie en Philippe Sauret produceert in de beginjaren zeildoek en eenvoudige karpetten. Voor zeildoek is linnengaren nodig, dat uit de omgeving en Twente betrokken wordt. Het lijkt erop dat de fabriek zich vervolgens voornamelijk toelegt op de vervaardiging van wollen en koehaar vloerkleden. Ook de wol en het koehaar komen

137

in het begin uit de wijde omgeving. Er is een inventarisatie bewaard gebleven van de voorraad op 1 januari 1829. Dit document geeft een overzicht van wat de fabriek op dat moment produceert, met de toen geldende namen, de getouwbreedten en de prijzen per strekkende lengtemaat of, bij de karpetten, per oppervlaktemaat. De maatvoering staat in ellen beschreven. Dit is waarschijnlijk nog de oude el van circa 70 cm. De Nederlandse el meet 100 cm en hoort bij het Nederlands metriek stelsel dat in 1816 is ingevoerd. Bij de eerste rij namen


gaat het om geweven karpetten met breedtes tussen de 5/8 el (44 cm) en 1½ el (105 cm). De namen zijn onder andere: ‘Schots’ en wel in drie kwaliteiten, ‘Jaspé Tapijten’, ‘Hare Venetiaans’ gekleurd gekeperd, ‘Roode’ gekeperd, ‘Grijs Hare Venetiaans’ en gekeperd met strepen, ‘Grijze Tapijten’ met kleur, ‘Grijze tapijten’, ‘Grijs gekeperd’, ‘Geweven Tapijten’, ‘Zwarte Bosting’, ‘Loper’ met rand en gewone ‘Loper’. Ook staan de kant en klare karpetten opgesomd met een lengte en breedte die variëren van 2x3 el (140x210 cm) tot 4x5 el (280x350 cm): ‘Schotse carpetten’ in drie kwaliteiten, ‘Jaspé carpetten en kleedjes’, ‘wollen carpetten en kleedjes’, ‘mat carpetten met groen’, ‘Smirna kleedjes’ en ‘paardendekken’. Hieruit blijkt wel dat de fabriek een heel breed assortiment voert dat aan alle behoeften voldoet van iedereen die maar een vloerkleed of loper kan betalen. Het handgeknoopte tapijt wordt alleen in opdracht uitgevoerd en is het meest arbeidsintensieve en kostbare product.

Schots en Jaspé De eerste kwaliteit Schots tapijt kost f 1,40 per vierkante el. Schotse tapijten zijn plat geweven kleden met een dubbele wollen ketting en dubbele wollen inslag. Het aantal kleuren is beperkt, rood, groen en zwart zijn geliefd. De eenvoudigste zijn gestreept of hebben rechthoekige patronen. Typerend voor dit weefsel zijn twee of meerdere verschillend gekleurde kettingdraden die, boven elkaar liggend, bij het weven kunnen leiden tot een gevarieerd patroon. Ze zijn tweezijdig te gebruiken, de achterkant is het spiegelbeeld van de voorkant. Jaspé tapijten kosten f 1,25 per vierkante el. Bij Jaspé, ook wel Jaspie genoemd, zijn de strengen wol in twee verschillende kleuren geverfd, wat bij het weven een gevlamd effect geeft.

Koehaar en paardedekken Koehaar levert, gesponnen met schapenwol, een zeer sterke draad op. De koeharen tapijten, ook wel Venetiaanse en Grijze tapijten genoemd, zijn

goedkoop, van 50 tot 75 cent per vierkante el. Venetiaans duidt ook op de techniek, namelijk met de vliegende schietspoel geweven. Ook de koeharen tapijten zijn glad geweven, meestal gestreept en mogelijk geblokt. De goedkope en sterke Schotse of koeharen karpetten dienen vaak als morskleed onder de eettafel om een kostbaarder tapijt te beschermen. Ook de vermelde paardendekken zijn een gewild artikel in deze tijd waarin paarden alle trekkracht leveren. Paardendekken, tegenwoordig paardendekens genoemd, kunnen zowel van wol, koehaar, jute of een combinatie van deze garens zijn gemaakt.

Garens en verfstoffen De inventaris noemt ook de aanwezige garens, zoals poolgaren (voor het Smyrna knopen), sajet, wolgaren, inslag wol, koehaargarens en linnen garen (voor de ketting) en verfstoffen zoals koperrood, kurkuma, smak, crapbest en indigo.

Smyrna Het duurste artikel in de inventarisatie uit 1829 is het handgeknoopte Smyrna dat f 4,- per vierkante el kost. Smyrna is handgeknoopt tapijt van grote duurzaamheid, wat te danken is aan de dikke pooldraden die uit getwijnde wol bestaat. Ook de ketting en de inslag zijn van hoge kwaliteit wol. De in Deventer gebruikte pooldraden zijn veel dikker dan van originele oosterse (Perzische en Turkse) tapijten. Een handgeknoopt Deventer tapijt ziet er dan ook veel grover uit en is dus sneller klaar. Per m2 telt een Deventer handgeknoopt tapijt ruim 21.000 knopen en een tapijt van fijnere kwaliteit ruim 42.000 knopen. Uit deze opsomming blijkt nog niet zozeer de allure van de fabriek. Maar die komt wel tot uiting in de diverse medailles die de tapijten op de nijverheidstentoonstellingen verwerven. Bij de nijverheidstentoonstelling in 1820 te Gent toont George Birnie Oosters tapijt en verkrijgt zilver. In Haarlem toont de ‘Fabriek van Birnie en Calcar’ op de tentoonstelling in 1825 twee exemplaren

138


van ‘Nagemaakt Smirnasch tapijt’, een ‘Schots tapijt met medaillon’, een ‘Schots karpet’ en van Johan Willem Birnie een ‘Persiaansch haardkleedje zijnde eene eerste proeve zijner onlangs gedane uitvinding’. Wat het verschil is tussen een nagemaakt Smirnasch tapijt en deze eerste proeve van een Persiaansch kleedje is niet bekend. Waarschijnlijk is het de Perzische of sennehknoop die hij introduceert, wat betekent dat hij nu een andere knoop gaat gebruiken en hiermee afwijkt van wat de concurrenten doen.

Inventaris van de voorraden in de Fabriek van Smyrnasche en andere tapijten, januari 1829 (uitsnede).

Brochure 1838, Doorniks, Moquet, Genre Savonnerie Op 9 mei 1838 stuurt de fabriek een gedrukte brochure aan haar vertegenwoordigers en klanten. De brochure is ondertekend met P. van Calcar en Compagnons. Dat is wel eigenaardig omdat Popko van Calcar net hiervoor, op 28 april, is overleden. Popko van Calcar (1759–1838) is al sinds 1798 bij de fabriek betrokken, als financier en mededirecteur. Hij treedt ook op als vertegenwoordiger van het bedrijf en onderhoudt zakelijke contacten. Johan Willem Birnie (18031848) is vanaf 1830, na de dood van zijn vader George, de enige Birnie in het bedrijf. In deze brochure staan de diverse soorten tapijt genoemd die de fabriek nu kan leveren. Naast Smirnasche, Schotsche, Venetiaansche, Jaspie en andere mindere tapijten staat nu Genre Savonnerie. En de paardendekken staan er niet meer bij. Tevens kondigt men aan nu ‘Doorniksche’ en andere moquette tapijten te kunnen fabriceren. Bij de fabricage van (Doornikse) moquette maakt het weefgetouw lussen om een roede. Een mesje snijdt daarna de lussen door en vormt zo een pool. Het fluweelachtige uiterlijk lijkt enigszins op een handgeknoopt tapijt. De inslag is van een fijnere soort wol en daardoor kunnen in de moquettetechniek fijnere details worden ingeweven dan bij handgeknoopt. Genre Savonnerie is net als Doorniks en moquette een pooltapijt en heeft een fijne fluweelachtige pool. De term staat voor de hoogste kwaliteit wol en de zeer bewerkelijke,

139

B. Joosse, Postkantoor te Brielle, 1796, aquarel. Op de vloer liggen biezen matten en daaroverheen een loper van koehaar voor de van buiten komende bezoekers

Detailopname van de achterkant van een handgeknoopt kamervullend tapijt met de ringen waarmee dit aan de plinten kon worden vastgezet.

Detailopname van Deventer handgeknoopt tapijt. Hier is goed het dikke en grove karakter van de pooldraden te zien. De stippen vormen een neutrale overgang naar een ander motief of de rand van het vaste tapijt.


Koninklijk De vroegste bestelling van het Nederlandse koningshuis bij de Deventer fabriek vindt plaats in 1829. Koningin Wilhelmina van Pruisen (1774-1837) bestelt een handgeknoopt tapijt aan één stuk voor de Achthoekige zaal in het Paviljoen aan het strand in Scheveningen. Koning Willem I heeft het Paviljoen in 1827 voor haar laten bouwen met de bedoeling dat zij voor haar gezondheid op een geriefelijke manier aan zee kan verblijven. Het gebouw draagt nu de naam Paviljoen Von Wied en is eigendom van Sociëteit de Witte. Museum Beelden aan Zee is er in ondergebracht. Deze opdracht bewijst dat de fabriek het fabriceren van het handgeknoopte tapijt goed in de vingers heeft. Het Koninklijk Huis bestelt hierna steeds meer bij de fabriek van Birnie en Van Calcar. De belangrijkste leverancier van tapijt aan het hof is aanvankelijk de firma Piat Levebvre et fils in Doornik. Dit is de grootse fabrikant van vloertapijt in België, die in Doornik vanaf 1779 is begonnen met de vervaardiging van vloertapijten. Aan het eind van de 18de eeuw werken in deze fabriek 800 personen op 54 weefgetouwen en vervaardigen handgeknoopt tapijt en moquette van hoge kwaliteit. Voor het inweven van patronen is vanaf 1811 het Jacquardgetouw beschikbaar. Piat Levebvre krijgt echter na 1830 minder opdrachten van het koningshuis door de afscheiding van België. Ook de andere leveranciers van tapijten aan het hof zoals Paviljoen Von Wied zoals in 1881 afgebeeld in het E.G.W. Cohen in Baarn en P.A.J. Garjeanne Panorama Mesdag te Den Haag, de achthoekige zaal in Utrecht verdwijnen langzaam uit beeld. is aan de zeezijde. Het Panorama is geschilderd door De fabriek van Cohen gaat in 1838 failliet een collectief van schilders onder leiding van Hendrik en Garjeanne legt zich vooral op het maken Willem Mesdag en zijn vrouw Sientje Mesdag-Van Houten. George Hendrik Breitner en Sientje Mesdag van passementen en tapisserieweefsel voor haardschermen en meubels toe. Willem I schilderden het dorp Scheveningen. verleent in 1837 het predikaat ‘Koninklijk’ aan de Deventer Tapijtfabriek die vervolgens ‘Koninklijke Tapijtfabriek van Smyrnasche en andere Tapijten’ heet. aan de Franse hofcultuur ontleende motieven. De brochure meldt dan ook dat alle vloertapijten kunnen worden verzorgd met ‘Medaillons, Familiewapens, Tropheeën, Allegorieën’ enz. Dat de brochure dit kan adverteren komt door de overname van de ‘Inlandsche Tapijt Fabrijk’ te Baarn van de failliete concurrent E.G.W. Cohen. Bij de overname van het personeel en de machines, waaronder Jacquardweefgetouwen en een kaartenslagmachine, zijn waarschijnlijk ook kaartenboeken voor bepaalde moquettetapijten overgenomen en de kennis om deze ingewikkelde technieken toe te passen. Cohen heeft deze technische kennis weer via Pierre Antoine

Garjeanne verworven die, in Doornik geboren, bij Piat, Lefebvre et fils ontwerper is geweest. Deze Garjeanne begint in de jaren twintig van de 19e eeuw in Utrecht voor zichzelf en is ook een aantal jaren een concurrent voor de Deventer fabriek. De laatste maakt met deze overname een forse stap naar een hoger technisch niveau. Het inweven van motieven in Schots tapijt, die ze tot die tijd met behulp van trekjongens en een trekgetouw tot stand brengen, wordt nu met een Jacquardgetouw veel eenvoudiger. De brochure van 1838 noemt de wederverkopers de ‘Heeren Magazijnhouders en Behangers’. Met name staat J(an) H(endrik) Smaale Jr.

140


Brochure van de Koninklijke fabriek van Smyrnasche en andere tapijten, 1838, uitsnede uit het hele document..

te Amsterdam als commissionair van de Koninklijke Smyrnafabriek vermeld. Het is via deze firma Smaale, behanger, tapijt- en lederwarenhandelaar in de Warmoesstraat, dat we inzicht krijgen in de vroege dessins van de Deventer fabriek. De firma van J.H. Smaale Jr.(1803-1877) is in ieder geval al in 1838 voor de Deventer fabriek actief. Volgens een advertentie uit 1842 is hij ook magazijnhouder van Engelse en Duitse tapijten. Smaale werkt samen met meerdere directeuren van de Deventer fabriek: Popko van Calcar, Johan Willem Birnie en Willem Frederik Kronenberg.

Presentatietekeningen van de firma J.H. Smaale Een aantal originele tekeningen van de Deventer fabriek die door de firma Smaale is gebruikt komen in 1971 in het bezit van het Rijksmuseum te Amsterdam. De tekeningen zijn op blanco papier gemaakt in gouache (dekverf) en meten circa 29x39 cm. Het zijn kopieĂŤn van de originele ontwerptekeningen en geven meestal een kwart van het dessin weer. Met spiegels kan men dan de illusie van een heel tapijt oproepen. De tekenaars van de fabriek maken een aantal identieke dessintekeningen voor de vertegenwoordigers, magazijnen en behangers elders in het land, bedoeld om aan hun klanten te tonen. Zo kunnen de klanten aan de hand van deze presentatietekeningen een beeld krijgen van de pracht aan kleuren en

141

Detail van de achterzijde van een presentatietekening met een ovaal stempel met J.H. Smaale Jr Amsterdam en een rond stempel met KONINKLYKE TAPYTFABRYK FIRMA P. VAN CALCAR & Co en in de midden het koninklijk wapen gehouden door twee leeuwen en eronder DEVENTER.

motieven van de Deventer tapijten zowel van handgeknoopt als van moquette. De werkelijk te knopen en te weven tapijten worden op basis van de ontwerptekeningen in een groot aantal teltekeningen uitgewerkt op ruitjespapier. Elk ruitje staat dan voor een knoop. Indien nodig kan het tapijt onzichtbaar aan elkaar genaaid worden, wat bij een tapijt dat het hele vertrek moet vullen vaak onvermijdelijk is. Terwijl bij handgeknoopt een grote breedte mogelijk is, kan dat bij moquette niet. Daar zijn de banen zo breed als het getouw, vaak een oude el (ongeveer 70 centimeter). In een kwart presentatietekening zijn de rand, de middenpartij (grond of fond genoemd) met motieven en eventueel een groot medaillon in het centrum van het tapijtontwerp afgebeeld. Bij de uitvoering in het echt worden de motieven veel verder uit elkaar getrokken. Een centraal motief komt in het centrum van de kamer, de grond wordt zo groot gemaakt als nodig. Buiten de rand zijn vaak nog zwarte stippen op een effen ondergrond of een getijgerd patroontje weergegeven. Dit stipwerk geeft een neutrale zone aan die naar behoefte uitgebreid kan worden om daar over te gaan in een ander element, zoals een loper of om de contouren in een ruimte te volgen. Dit zien we ook in het echt terug bij tapijten uit de 19e eeuw die nog op hun plek in de interieurs liggen.


Tekening Nr 35ii, kwart weergave van een dessin. Het hoekmotief heeft grote pluimen die doorlopen in de randen, in het midden een groot puntig ovaal medaillon ook met krullen, in het fond of grond een zich herhalend motief, de boteh, dat een grillig rocaille randje heeft. Bij de uitwerking voor een hele kamer komen het centrale medaillon en de randen verder uit elkaar te liggen, wat het minder druk maakt. Dekverf op papier, 29x39 cm, circa 1830.

Op de Amsterdamse tekeningen staan diverse jaartallen van opdrachten genoteerd, 1874 is een van de laatsten. Dit zal ongeveer het einde van de activiteiten van de firma Smaale aangeven, J.H. Smaale sterft in 1877. De tekeningen vallen in twee groepen uiteen, de ene groep heeft een alfabetisch opeenvolgende letter en de andere groep een cijfer als kenmerk. De letters of cijfers staan op de achterzijde in pen geschreven. Op deze manier is het duidelijk over welk dessin men het bij bestellingen heeft. Het hoogste serienummer is 367. De bij J.H. Smaale bewaard gebleven presentatietekeningen geven zo een incompleet maar authentiek beeld van gangbare dessins van de Deventer tapijtfabriek tot en met het derde kwart van de 19e eeuw.

Oudste dessins Waarschijnlijk is de reeks dessins met een letter eerder samengesteld dan de genummerde tekeningen. De tekening met een A is dan het oudste dessin. Het weergegeven kwart tapijt heeft een brede rand met daarin onregelmatig gevormde plantaardige motieven op een groot donker veld. Hierin staan ovale cartouches in rechte rijen afgewisseld met een contrasterende vorm en omgeven door ranken. Deze stijl sluit aan bij de empire motieven die in Frankrijk rond 1800 in de mode waren, maar zijn wat grilliger en kleuriger. De motieven herhalen zich en kunnen onbeperkt uitgebreid worden voor een tapijt in een grote ruimte. Mogelijk is dit nog een ontwerp van de in 1819 gestorven Gerhard David Birnie. Bij de tachtig verschillende dessins in

142


deze overgeleverde tekeningen is een hele groep van deze geometrische motieven. Bijvoorbeeld de tekening met het nummer 59B, waar ook een uitgewerkte detailtekening bij hoort die varianten in kleur aangeeft. Op de achterkant van deze teltekening staat in pen: ‘Moquet, kan ook de in 1ste kwaliteit Smyrnaasch worden uitgevoerd’. Eronder staat de handtekening van Popko van Calcar Jz (Janszoon) en de vermelding ‘te Deventer’. Dat dateert het dessin vóór zijn sterfdatum op 23 april 1838. Op de voorkant staan ook nog in potlood enkele aantekeningen, onder andere ‘Januari 1856’. Een dergelijke detailtekening is nodig voor het slaan van de kaarten voor de Jacquardmachine in het geval van moquette of Doorniks tapijt. De knoopsters van een Smyrnasch tapijt gebruiken deze detailtekeningen om de volgorde van de te gebruiken kleuren af te lezen. Het dessin van 59B bestaat uit twee gedetailleerde sterren in een vierkant die zich herhalen in het vlak. Het tapijt heeft een rand van kleine schildjes. De aantekening met het jaartal 1856 bewijst dat het ontwerp ook jaren later weer is gebruikt. Dessins bleven vaak heel lang in de portefeuille van de fabriek. De Birnies beginnen met dessins in een strakke empirestijl met geometrische vormen. Vooral de oudste serie bevat veel ontwerpen in deze stijl met in rijen verdeelde cirkelvormige en stervormige motieven. Vervolgens ontwikkelen ze een Biedermeierstijl met toepassing van een combinatie van oosterse en florale motieven die goed verdeeld zijn wat betreft kleur en vlak zodat ze niet overheersen. Ze bootsen geen schaduwen of reliëf na Daarnaast is een aantal dessins geïnspireerd op oosterse tapijten met een kenmerkend hoekmotief en een centraal medaillon. De randen met gestileerde ranken en bloemen lijken ontleend aan Perzische tapijten. Bijzonder zijn dessins met hoekmotieven van uitbundige pluimen en het druppelmotief of botehmotief die wel ontleend lijken aan de geweven Kashmir sjaals (ook wel Pashmina sjaals genoemd) uit India. Deze komen in het begin van de 19e eeuw in de mode en worden al gauw door

143

Detail van de rand van een dessintekening met stipwerk. Deze stippen geven aan dat hier het dessin overgaat in een neutrale zone om zo de overgang naar een ander motief te vormen. Dit is kenmerkend voor een 19e eeuws handgeknoopt Deventer vast tapijt.

Tekening A, kwart weergave van een dessin. Rand met plantaardige motieven, het hele fond gevuld met ovale cartouches in rechte rijen afgewisseld met een contrasterende vorm en omgeven door ranken. Dit is waarschijnlijk het oudste bewaarde dessin en mogelijk van de in 1819 gestorven Gerhard David Birnie. Dekverf op papier, 29x39 cm, circa 1820.

Tekening Nr. 59, kwart weergave van een dessin. Geometrisch dessin met twee gedetailleerde sterren in een vierkant die zich herhalen in het vlak. Het tapijt heeft een rand van kleine schildjes. Een dergelijk repeterend dessin leent zich ook voor moquette dat met een Jacquardgetouw in smalle banen geweven wordt. Dekverf op papier, 29x39 cm, circa 1830.


Achterzijde van tekening A. en handtekening van P. van Calkar Jz op de achterzijde van tekening van 59B. Van Calcar sterft op 23 april 1838. Deze tekening moet dus voor die datum naar behangersfirma J.H. Smaale in Amsterdam zijn gestuurd.

Detailtekening van dessin nr 59B op voorgedrukt ruitjespapier. Deze tekening geeft een heel klein detail weer van het grote ontwerp met een andere kleurstelling. In potlood onder andere ook JB voor Johan Birnie. Aan de hand van zo’n uitgewerkte tekening kan men knopen leggen of, bij moquette, Jacquardkaarten slaan. Dekverf op papier, 20x36 cm, voor 1838.

Europese fabrikanten zoals in het schotse Paisley geïmiteerd. De strakke Lodewijk XVI stijl is ook vertegenwoordigd en is gewild voor officiële vertrekken terwijl de Biedermeierstijl gekozen wordt voor meer intieme en huiselijke vertrekken. De Birnies combineren de diverse stijlen en weten, door hun grote kleurenkennis en ervaring, meestal een heel goed resultaat te bereiken.

Oosterse motieven De benaming ‘Smirnaasch’ heeft betrekking op de handknooptechniek, de asymmetrische Senneh- of Perzische knoop waarmee de Deventer tapijten zijn geknoopt. De dessins kunnen oosterse motieven vertonen maar net zo goed in een empire-, neorococo-, neoLodewijk- of Biedermeierstijl zijn ontworpen. De geometrische opbouw en de motieven van de Ushak tapijten uit Anatolië zijn een inspiratiebron voor de Birnies maar ze gaan er erg vrij mee om. Ook het botehmotief (ook waterdruppel genoemd) komt geregeld voor. De Birnies en hun opvolgers baseren zich op

originele oosterse tapijten en textiel uit India en interpreteren de diverse oosterse motieven op hun eigen wijze. Ook combineren ze verschillende stijlelementen met elkaar. Daarbij speelt ook dat er in de periode 1825-1875 nog geen boeken met afbeeldingen van oosterse tapijten zijn. Pas eind jaren zeventig van de 19e eeuw verschijnt een Duitse studie met daarin zwart-wit afbeeldingen van oosterse tapijten. Aan het eind van de 19e eeuw neemt de belangstelling voor het oosterse tapijt toe en gaan musea tapijten verzamelen. De eerste publicatie met 12 aquarellen in kleur van oosterse tapijten is in 1882 uitgegeven door Sotheran & Co te London en is geschreven door de Londense tapijthandelaar Vincent J. Robinson en geïllustreerd met aquarellen van de hand van zijn zuster Julia. Koning Willem III schenkt dit boek al in hetzelfde jaar aan de Deventer fabriek. Tapijthandelaar Robinson verkoopt in 1893 het wereldberoemde Ardabiltapijt (uit 1540) voor £2000 aan het Victoria & Albert museum in Londen. Het is de eerste keer dat een antiek Perzisch tapijt voor zo’n grote som is verkocht.

144


Tekening Nr. 57ii, kwart weergave van een dessin. Het hoekmotief en het centrale medaillon zijn in oosterse stijl, afgeleid van Ushak tapijten. Het fond is gevuld met kleine eilandjes met een bloempje, het geheel is omvat met strakke randen met gestileerde bloemen. Dit dessin is vaak toegepast in diverse varianten, de ii achter het nummer betekent dat dit een variant van het oorspronkelijke ontwerp is. Dekverf op papier, 29x39 cm, circa 1830-1850.

Alexander Hugo Bakker Korff, Bijbellezing. Drie dames in een Biedermeier interieur met een vast tapijt met Turkse motieven, olieverf op paneel, 1879. Bakker Korff gebruikte zijn twee ongetrouwde zussen vaak als model.

Nijverheidstentoonstellingen, Nederlandse Museum voor Kunstnijverheid en de School voor Kunstnijverheid W.F. Kronenberg toont in 1866 op de eerste Algemeene Tentoonstelling van Nederlandsche Nijverheid en Kunst in het nieuwe Paleis van Volksvlijt te Amsterdam nu eens niet de prachtige en kleurrijke handgeknoopte tapijten of moquettes maar – veel goedkopere - tapijten voor dagelijks gebruik. Deze zijn in de fabriek ontworpen. Hun eenvoudige patronen zouden passen in elk interieur en er is rekening gehouden met duurzaamheid en eenvoud. Alle gebruikte materialen zijn van eigen bodem. Te midden van de geëxposeerde overdadig versierde spiegels, kandelaars en meubels vallen deze waarschijnlijk dubbelzijdig te gebruiken Schotse tapijten toch op. J.H. Smaale maakt deel uit van de jury in de categorie meubels, lak- en schilderwerken, spiegels, behang, tapijten en decoratie. Samen met de Delftse hoogleraar D. Grothke, de schilder Ch. Rochussen en J.A. Keurenaar, oud-directeur van de Koninklijke Academie te Delft, vormt hij de jury. Zij beoordelen 135 voorwerpen op hun vorm, degelijkheid, afwerking en uiterlijk. De eenvoudige karpetten van Kronenberg verwerven zilver. In deze tijd van nijverheidstentoonstellingen hebben de juryrapporten en de kritieken van de kunstjournalisten veel invloed op de waardering van de producten van de Nederlandse industrie inclusief de tapijten. De kunstcritici verafschuwen tapijten met naturalistische bloemen en ornamenten met een reliëf. De dessins van de Deventer tapijten hebben vanaf het begin meestal vlakke twee dimensionale ornamenten wat ze mogelijk hebben ontleend aan de oosterse tapijten. Maar ook bij de Biedermeier dessins zijn de bloemen- en rankenmotieven vrijwel altijd tweedimensionaal. Wat dat betreft is de waardering van de juryleden en kunstcritici meestal positief totdat rond 1880 de Biedermeier dessins vanwege hun felle kleuren en drukke details wat uit de mode raken.

145


Ook de overheid voert een beleid om het niveau van de industriële voortbrengselen te verhogen. In navolging van buitenlandse voorbeelden in Londen, Parijs, Wenen en Berlijn, opent het Nederlandse Museum voor Kunstnijverheid te Haarlem in 1877 in Paviljoen Welgelegen (gebouwd in 1785-1792 nu Provinciehuis van de provincie Noord Holland) zijn deuren. In 1879 volgt de opening van de daaraan verbonden School voor Tekenkunde. De oprichting van beide instellingen op initiatief van de Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid en Handel dient een dubbel doel: het museum draagt bij aan de smaakontwikkeling van het publiek en de school brengt, aansluitend op deze ontwikkeling, de Nederlandse kunstnijverheid naar een hoger kwaliteitsniveau. Onder directeurschap van A.E. von Saher zijn de eerste jaren van de school volledig gericht op tekenonderwijs, getuige de naam Teekenschool voor Kunstnijverheid. Hiermee sluit het onderwijs aan bij het belang, dat aan beeldhouwen en schilderen wordt gehecht. In de jaren tachtig van de 19e eeuw komt er meer aandacht voor techniek en constructie, mede onder invloed van leraren als K. Sluyterman, M.D. Crop en J.F. Klinkhamer. Vanaf 1891 draagt de school de naam School voor Kunstnijverheid en weet docenten van naam en faam aan te trekken, kunstenaars die een belangrijke bijdragen leveren aan vernieuwing van de kunstnijverheid, zoals K.P.C. de Bazel, S. Jessurun de Mesquita, J.L.M. Lauweriks, H.J.M. Walenkamp en F. Zwollo. W. F. Kronenberg schenkt in 1884 drie monsters tapijt aan het museum en in 1891 houdt het museum een tentoonstelling van tapijten, stalen en ontwerpen van de Deventer fabriek.

De Deventer Teeken-Academieschool en de Avondteekenschool Het Koninklijk Besluit aangaande het kunstonderwijs van 13 april 1817 houdt niet alleen de stichting van de Koninklijke Academies in Antwerpen en Amsterdam in, maar schrijft ook voor dat elke stad van betekenis een tekenschool moet hebben. Hierop besluit het stadsbestuur van Deventer in 1819 de tekenschool van ’t Nut te subsidiëren en wordt de officiële benaming Teeken-Academieschool. De school is vanaf 1841 gevestigd in De Waag. In 1865 gaat de TeekenAcademieschool op in de Burgeravondschool die gelijk met de HBS wordt gesticht. De tapijtfabriek heeft eigen tekenaars in dienst die de ontwerpen uitwerken en aanpassen aan de vereiste maten en wensen van de klant. Ze ontwerpen ook nieuwe dessins. De toekomstige tekenaars komen al jong, na de lagere school, in de fabriek en leren het vak in de praktijk. De verdere opleiding in tekenen en ontwerpen vindt plaats op de Deventer Teeken-Academieschool, ’s avonds na het werk. Veel bekende Deventer ambachtslieden, bouwkundigen en schilders krijgen na de lagere school hun verdere opleiding aan de Teekenschool. Een enkele leerling studeert door aan de academies in Antwerpen of Amsterdam en brengt het tot kunstschilder. De meeste leerlingen gaan als huisschilder, rijtuigschilder, houtsnijder, timmerman, houtdraaier, smid, gereedschapmaker, meubelmaker, tapijtontwerper, bouwkundige, vormmaker bij de ijzergieterij van Nering Bögel of als loodgieter aan de slag. De leerlingen kunnen met de verschillende cursussen aan de Teekenschool vele jaren hun kennis bijspijkeren. Bij het aanmelden voor de tekenschool moet de aspirant leerling niet alleen de naam van de fabrikant, werkman of baas opgeven waarvoor hij werkzaam is, ook moet hij voor enkele leden van de commissie verschijnen en aantonen dat hij een beetje kan rekenen. De school heeft vanaf het begin een op de praktijk gericht programma dat aan de latere ambachtsschool doet denken, zoals die in 1902 in Deventer van start ging.

146


Museum Bisdom van Vliet te Haastrecht Een uniek voorbeeld van een intact gebleven ingericht huis uit het derde kwart van de 19e eeuw is het Museum Bisdom van Vliet te Haastrecht. Hier ligt nog een aantal tapijten op de plaats waar ze in 1877 gelegd zijn. Het huis is in 1874-1877 gebouwd door de gefortuneerde protestantse Marcellus Bisdom van Vliet, burgemeester van Haastrecht. In 1877 betrekken zijn dochter Paulina en haar echtgenoot Johan le Fèvre de Montigny het familiehuis. Nadat ook haar echtgenoot is overleden (1881) woont Paulina er alleen. Bij testament heeft zij bepaald dat het woonhuis na haar dood (1923) als museum in dezelfde staat bewaard kan blijven. De handgeknoopte tapijten in de belangrijkste vertrekken zijn besteld in Deventer: rustige in empire of classicistische stijl in de bibliotheek, de werkkamer van de heer des huizes, de kleine salon en de grote salon, en zeer kleurrijke tapijten met oosterse motieven in de eetkamer, de tuinkamer en de slaapkamer van Paulina. De hier toegepaste dessins zijn dezelfde of zeer gelijkend aan de in Amsterdam opgedoken tekeningen. Ook bij de Amsterdamse presentatietekeningen zijn enkele dessins in rustige neoclassicistische stijl en in neorococo.

Museum Bisdom van Vliet, Haastrecht. Grote Salon in 2012 met op de vloer een Deventer handgeknoopt vast tapijt in neoclassicistische stijl, gelegd in 1877.

Museum Bisdom van Vliet, Haastrecht. De eetkamer in 2012 met op de vloer een Deventer handgeknoopt vast tapijt in felle kleuren met waaiermotief en golvende randen, gelegd in 1877.

Willem Frederik Kronenberg directeur van 1848 tot 1892 Wanneer in 1877 het huis in Haastrecht wordt ingericht is W.F. Kronenberg directeur van de KDT. Kronenberg bouwt de collectie dessins na de dood van Johan Willem Birnie in 1848 verder uit. De dessins worden door in de fabriek opgeleide tekenaars gemaakt. Ook houdt hij de nummering aan en geeft nieuwe dessins een volgend nummer. In 1838 staat de handtekening van Van Calcar al op dessin nr. 59. De initialen J.W.- voor Johan Willem Birnie -staan op nr. 158B. Men zou kunnen stellen dat in 1848 in ieder geval dessin nr. 158 door Johan Willem ontworpen is en dat ze dit aantal plus de alfabetische reeks hebben gerealiseerd. Dat betekent nog niet dat het

147

Museum Bisdom van Vliet, Haastrecht. De slaapkamer van Paulina.

Tekening van een dessin in neoclassicistische stijl. Tapijten in neoclassicistische stijl en neoLodewijkstijlen zijn vooral gebruikt voor officiĂŤle vertrekken en werkvertrekken voor de heren, zoals de bibliotheek, circa 1830 tot 1850.


Deventer handgeknoopt tapijt uit 1875, 400x400 cm. Neoclassicistisch dessin met een palmet in de hoeken.

allemaal nieuwe ontwerpen zijn. Oudere dessins worden weer nieuw bewerkt en krijgen dan een nieuw nummer, zo heeft bijvoorbeeld nr. 59 ook het nieuwe nummer 325. Onder Kronenberg bereikt het aantal dessins het nummer 561, voor zover gevonden bij onderzoek in de archieven. Een journalist die in 1882 voor de Katholieke Illustratie de fabriek bezoekt, beschrijft naast het handgeknoopte tapijt ook de koeharen gestreepte lopers en karpetten, de Schotse tapijten en de Doornikse moquette. Hij staat verbaasd over de Jacquardmachine waarmee de eenvoudige wever de ingewikkelde gebloemde en gedessineerde Schotse karpetten maakt. Hij meldt dat dit Schotse tapijt meestal in de kleuren oranje, wit en bruin, de goedkoopst te fabriceren kleuren, wordt gemaakt. Zelf vindt hij de tweekleurige karpetten in rood en zwart veel mooier, maar het gebruik van de kleur rood maakt deze kleurcombinatie duurder.

Opdrachten voor het Koninklijk Huis Van het Koninklijk Huis krijgt de fabriek na de eerste opdracht in 1829 er meer. Voor de inrichting van de paleizen in Den Haag, Soestdijk en Paleis Het Loo zijn veel vloerkleden in Deventer besteld. In het paleis op de Dam is de troonzaal belegd met een handgeknoopt tapijt met een typisch dessin van de Birnies: een combinatie van grote centrale enigszins oosterse motieven en een fond met fijne ranken. In het laatste kwart van de 20e eeuw is in de

De Oude Raadkamer in het Deventer Stadhuis in 2012 met op de vloer een Deventer handgeknoopt vast tapijt met oosterse motieven, 1870-1900.

koninklijke paleizen een aantal tapijten uit de 19e eeuw vervangen. Veel daarvan zijn opgenomen in de collectie van Paleis Het Loo, sinds 1984 Rijksmuseum, en bij de inrichting van de kamers gebruikt. In de 17e en 18e eeuwse vertrekken liggen originele oosterse tapijten en in de 19e en 20e eeuwse vertrekken ligt vloerbedekking van Nederlands fabrikaat. Het oudste is een kamerbreed moquettetapijt uit circa 1815 dat bestaat uit aan elkaar genaaide banen van een el (70 cm) breed. Het vertoont een empire geometrisch patroon van zwarte lijnen op een beige fond en is vervaardigd door de fabriek van E.G.W. Cohen in Baarn. Het tapijt komt uit de Japanse Zaal in Huis ten Bosch in den Haag en is gemaakt in opdracht van Willem I. Uit Paleis Soestdijk stamt een fel gekleurd tapijt dat Willem II en Anna Pauwlona daar circa 1850 in de Stuczaal lieten leggen en dat nu de zogenaamde zitkamer van koning Willem II siert. De grote diversiteit van de dessins van het Deventer tapijt, rustige voor slaapkamers en werkkamers, Biedermeier motieven met felle kleuren voor salons, zijn hier in het echt te bewonderen. Het valt op dat de ogenschijnlijk drukke tapijten uit het midden van de 19e eeuw, de zogenaamde Lelijke Tijd, een ruimte een warme sfeer geven zonder te domineren. Tot slot ligt op de ‘Grote Trap’ een fraaie Deventer loper in neorenaissancestijl die door Wilhelmina in 1902 is besteld na de restauratie van de trap en van de beschilderingen in het trappenhuis. Het ontwerp voor het dessin is toe te schrijven aan H.J. Bouhuys.

148


Interieurs met intact gebleven tapijten Een interieur waar het originele vaste handgeknoopte tapijt nog ligt, is zeldzaam. Het is een uitzondering wanneer het authentieke vaste tapijt niet is vervangen. Nederland heeft een aantal originele interieurs waar het Deventer handgeknoopt nog ligt, zoals: Teylers Fundatiehuis in Haarlem, Museum Tetar van Elven in Delft, Kasteel Oud-Wassenaar te Wassenaar, Kasteel Duivenvoorde in Voorschoten, Huis van Brienen in Amsterdam, het Huys ten Donck in Ridderkerk, Havezathe Schoonheten te Heeten, Museum Mr. Simon van Gijn te Dordrecht. In het Deventer Stadhuis ligt - anno 2012 - nog kamerbreed tapijt dat uit het laatste kwart van de 19e eeuw dateert en dat met hier en daar een reparatie is opgeknapt. Vast tapijt slijt natuurlijk, wordt versneden en op een andere plek weer gebruikt. Losse vloerkleden, de karpetten, kunnen makkelijk verplaatst worden en verhuizen mee of worden vervangen. Traplopers blijven vaak op hun plaats, zoals de op maat geknoopte loper van de dubbele trap in kasteel Middachten in Rheden die circa 1900 zal zijn gelegd.

Correspondentie Het Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek te Deventer bezit een verzameling van enkele tientallen briefkaarten uit de jaren 1871-1879 wat een klein deel is van de vele duizenden briefkaarten die jaarlijks aan directeur Kronenberg zijn gestuurd. De briefkaarten, gefrankeerd met een gedrukte zegel van 2½ cent. Het betreft de bestelling en aflevering van tapijt, de inkoop of aanbieding van wol en perikelen rond het transport van verfstoffen, wol, karpetten en lopers. De woorden Kronenberg en Deventer blijken al een voldoende adressering. De rol van de tussenpersoon die voor een opdrachtgever de woninginrichting verzorgt, komt hier ook aan de orde. Zo bestelt behanger H.J. van Arragon op 22 april 1872 voor het huis De Rees in Brummen voor Baron van Rhemen 12,90 meter moquette. Baron van Rhemen is dan burgemeester van Brummen. Vervolgens bestelt hij op 2 juni 1872 er nog 35 meter bij. Op 4 januari 1875 stuurt C.H. Peters een briefkaart met het verzoek hem tekeningen te sturen voor een lezing die hij gaat houden. Deze Cornelis Hendrik Peters (1847-1932) is een Nederlands architect die na zijn opleiding bij P.J.H. Cuypers op dat moment bij de firma Cuypers & Stoltzenberg in Roermond werkt. Dit is een atelier voor onder andere kerkelijke kunst. Als Rijksbouwkundige voor de Gebouwen van Financiën bouwt C.H. Peters later meerdere postkantoren, onder andere in Amsterdam, Deventer en Arnhem. Ook is hij verantwoordelijk voor de restauratie van de Ridderzaal waar hij weer samenwerkt met P.J.H. Cuypers die de inrichting ontwerpt. Hier komen in 1904 Deventer tapijten te liggen en te hangen.

Voor- en achterkant van een briefkaart van 2½ cent die C.H. Peters op 4 januari 1875 aan de heer Kronenberg stuurt met het verzoek hem presentatietekeningen van tapijten te sturen. C.H. Peters werkt in 1875 bij de firma Cuypers & Stoltzenberg in Roermond.

149


Foto tekenkamer van de Koninklijke Tapijtfabriek Deventer in 1905. Tweede van links is W. Kuit, derde van links staand is H.J. Bouhuys en rechtsachter bij de deur directeur J.G. Mouton. 150


Neorenaissance, jugendstil en modern vlakornament De tapijten van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek 1892-1919 Eerder in dit boek is beschreven hoe het met de fabriek gaat tot en met de fusie in 1919 (zie pagina 48 tot 65). Hieronder meer over de tapijten en de ontwerpers van de Koninklijke Tapijtfabriek. Handgeknoopt tapijt blijft het meest prestigieuze product van de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. Dit sterke en kleurechte tapijt kan in ieder interieur van allure in alle mogelijke vormen en stijlen gelegd worden. Zo is er veel vraag naar tapijt in diverse neostijlen, vooral in neorenaissancestijl. Na de flamboyante tapijten uit de biedermeiertijd blijven vloerkleden met intens gekleurde traditionele oosterse motieven populair. P.G. van Schermbeek continueert het beleid van W.F. Kronenberg en moderniseert de productie van glad tapijt. Zijn opvolger J.G. Mouton brengt een belangrijk ontwerper mee en promoot de eigen ontwerpers.

P.G. van Schermbeek directeur 1893-1901 Na de dood van W.F. Kronenberg in augustus 1892 neemt J.T. Peters de directie voor zijn rekening, tot het aantreden van P. G. van Schermbeek in juni 1893. Peters is dan al 67 en maakt geen kans directeur te worden. Pieter Gerard van Schermbeek (1848-1901) is directeur van de Vennootschap van de Koninklijke Tapijtfabriek van 1893 tot zijn dood op 1 mei 1901. Hij is een zeer kundig officier van de genie die in de jaren tachtig van de 19e eeuw zowel in Japan als in China als ingenieur werkzaam is. Zijn

151

interesse geldt ook literatuur, kunst en cultuur van Japan en China. Tijdens zijn verblijf in Japan verzamelt hij kunstvoorwerpen waarover hij in 1886 voor de leden van Pulchri Studio in Den Haag een lezing houdt. Deze verzameling schenkt hij later aan het nieuwe Nederlandse Museum voor Kunstnijverheid in Haarlem. Hij schrijft spannende verhalen en vertaalt voor een Japanse uitgever het sprookje ‘De mus met de geknipte tong’. Vanuit zijn laatste militaire standplaats Arnhem geeft hij in verschillende plaatsen voordrachten over zijn ervaringen in China. Zijn interesse in kunstnijverheid is misschien de aanleiding om in Deventer te solliciteren.


Neorenaissancedessin uit het laatste kwart 19e eeuw, met rolwerk en guirlandes. De KVT liet na 1919 op dit type kaarten met KVT in reliëfstempel een hele serie oude en moderne dessins reproduceren, 25x29 cm. De eerste D van het nummer rechtsonder D 3010 D Renaissance betekent ‘gedrukte kleine kaart’.

Deventer handgeknoopt tapijt, omstreeks 1900, met rand en centraal medaillon in een oosterse stijl met een vleugje Jugendstil, 250x350 cm.

Presentatiekaart van dessin Nr. 682 voor een kwart tapijt ontworpen door H.J Bouhuys, circa 1910, 36x30 cm. Een strak repeterend motief op een donkerpaars fond zonder randen. Over de oorspronkelijke fabrieksnaam is na 1919 een etiket van de KVT geplakt.

Van Schermbeek treft een goedlopend bedrijf aan dat zowel goedkope Schotse karpetten als moquette en op bestelling handgeknoopt tapijt vervaardigt. In 1897 vermeldt Van Schermbeek in zijn redevoering ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de fabriek de grote concurrentie die de fabriek ondervindt van het linoleum en de import van Engels tapijt. Het zet de afname van de goedkope tapijtsoorten onder druk. Om dit op te vangen schaft hij modernere machines aan voor de fabricage van het populaire Tapis Belge en benadrukt dat het handgeknoopt tapijt het hoofdproduct van de fabriek blijft.

Neorenaissance Aan het eind van de 19e eeuw, een periode van economische bloei, bouwt de overheid meerdere gebouwen in neorenaissancestijl zoals het Rijksmuseum en een aantal spoorwegstations. De neorenaissance ontstaat rond 1885, waarbij men zich laat inspireren door de bouwkunst van de Gouden Eeuw, de Hollandse renaissance. De

stations van Den Haag, Amsterdam en Baarn worden voorzien van aparte wachtkamers voor het Koninklijk Huis. In deze wachtkamers, recent gerestaureerd en tot monument verklaard, zijn fraaie Deventer tapijten en lopers gelegd die in goede staat bewaard zijn gebleven. De NS heeft een site waar deze interieurs tot in detail te zien zijn: www.koninklijkewachtkamers.ns.nl. Van Schermbeek stuurt de tekenaar H.J. Bouhuys (1870-1917) in 1895 voor een jaar als hospitant naar de School voor Kunstnijverheid in Haarlem. Het belang van vernieuwing en modernisering van het ontwerpproces wordt in Deventer belangrijk genoeg gevonden om Bouhuys, die de rang van ‘Eerste tekenaar’ heeft, te laten bijscholen. Bouhuys ontwikkelt een eigen stijl in zijn tapijtdessins, met gebruik van strak geordende geometrische motieven. Dit is geheel in overeenstemming met de nieuwe opvattingen over het toepassen van versierende motieven bij het ontwerpproces zoals die aan deze opleiding worden onderwezen.

152


Detail van de voorzijde van een handgeknoopt Deventer tapijt met Jugendstilmotieven uit het pand Singelstraat 27, omstreeks 1900. Dit was het huis van de Deventer schilder Paul Bodifée (1866-1938) die in 1893 trouwde met Rosa Leeuw.

Bouhuys kan zijn jongere assistenten zoals W. Kuit (1878-1975) en M.D. Renssen (1883-1971) doorgeven wat hij in Haarlem geleerd heeft. De nieuwe ontwerpmethoden voor het toepassen van het vlakornament zijn inmiddels overal ingevoerd en bekend. In de tijd van P.G. van Schermbeek voert de fabriek grote opdrachten uit voor bekende architecten als H.P. Berlage, K.P.C. de Bazel en P.J.H. Cuijpers. De dessins die bij deze opdrachten horen blijven vaak buiten het gewone repertoire van de fabriek en krijgen geen dessinnummer. Van Schermbeek kent Th. Colenbrander uit Den Haag. Het is mogelijk dat vanaf 1893 al Colenbrandertapijt in Deventer is geknoopt. Omdat zijn gezondheid door zijn verblijf in China erg achteruit gaat, verzoekt Van Schermbeek om ontslag. Dat zou op 1 juli 1901 ingaan, maar hij sterft al op 1 mei. Het aantal dessins met een opvolgend nummer bereikt onder Van Schermbeek in ieder geval 619.

J.G. Mouton directeur 1901-1919 J.G. Mouton (1864-1935) is al een aantal jaren directeur van de tapijtfabriek van W.P.A. Garjeanne & Co in Amersfoort, die al enige jaren door Th.A.C Colenbrander ontworpen tapijten vervaardigt. In Amersfoort loopt het inmiddels niet zoals verwacht. Het kan zijn dat de verkoop van de Colenbrandertapijten tegenvalt. Ook is het mogelijk dat door het overlijden van belangrijke werknemers het niet meer lukt de kleuren te verven zoals voor Colenbrandertapijt is vereist. De vacature voor directeur in Deventer

153

Brief van 5 februari 1903 van J.G. Mouton aan Jonkvrouw Lycklama à Nijeholt met informatie over Colenbranderdessins.

biedt Mouton en Colenbrander een unieke kans omdat hier de technische kennis in handen van onderdirecteur H.J. Peters en de ververs op een hoog niveau is. J.G. Mouton krijgt de baan en neemt Theo Colenbrander als ontwerper mee naar Deventer. Colenbrander heeft inmiddels een grote reputatie als uniek ontwerper opgebouwd door zijn aardewerk voor de fabriek Rozenburg en zijn tapijten. Wanneer Mouton en Colenbrander in 1901 naar de Deventer fabriek overgaan, verhuist Colenbrander van Den Haag naar de Achterhoek. Hij werkt niet op de tekenkamer van de fabriek met de andere ontwerpers en tekenaars samen, maar ontwerpt thuis. De ontwerpen worden angstvallig beschermd wat betreft de uitvoering en ze worden niet in veelvoud gereproduceerd. Waarschijnlijk werkt hij op freelance-basis en krijgt hij betaald naar rato van de bestellingen. (Informatie Arno Weltens te Huizen, onderzoeker en publicist betreffende Colenbranders leven en werk). De tekeningen van Colenbrander krijgen geen dessinnummer zoals met de andere dessins gewoonte is, maar hebben een naam en zo nodig een volgnummer. Een vertegenwoordiger van de fabriek toont de Colenbranderdessins aan huis van de mogelijk geïnteresseerde klant.


Theodoor Adriaan Christiaan Colenbrander 1841-1930 Colenbrander, geboren te Doesburg in 1841, is jarenlang werkzaam als bouwkundige en ontwerper van gebouwen. In 1865 neemt hij deel aan de jaarlijkse prijsvraag uitgeschreven door de Maatschappij ter Bevordering der Bouwkunst en wint de tweede prijs met een ontwerp voor een museumgebouw. Daarna verblijft hij enkele jaren in Parijs en voorziet in zijn onderhoud als bouwkundig tekenaar. Hij maakt daar de Wereldtentoonstelling van Colenbrandertapijt Artisjok in de vestibule van de 1867 mee. Op deze Wereldtentoonstelling trouwzaal in het Landshuis naast het Stadhuis van zijn bijzondere en exotische inzendingen zoals Deventer, 290x470 cm. Met de er bij behorende tafel en reconstructies van islamitische, Aziatische en Mexicaanse gebouwen te zien. Voor het eerst stoelen, 1910-1920. toont Japan in een paviljoen zijn producten aan de wereld. Voor Colenbrander is dit verblijf in Parijs een bron van inspiratie voor zijn latere decoratieve werk. Vervolgens is hij eerst in de regio Arnhem en later in Den Haag als bouwkundige werkzaam. Pas in 1883 noemt hij zich geen bouwkundige meer maar tekenaar en treedt als buitengewoon lid toe tot het schilderkunstig genootschap Pulchri Studio in Den Haag. Hij wijdt zich helemaal aan het ontwerpen van voorwerpen van toegepaste kunst, onder andere keramiek. In hetzelfde jaar 1883 begint Wilhelm Wolff von Gudenberg (1855-1930) in Den Haag een aardewerkfabriek, genaamd Rozenburg, waar hij imitatie Delfts blauw fabriceert. Hij T.A.C. Colenbrandertapijt, kwartontwerp ontmoet Colenbrander en het komt tot Artisjok, dekverf op papier, 53x41 cm, 1895samenwerking. Het sieraardewerk dat de 1910. Het Artisjoktapijt is door Colenbrander fabriek Rozenburg met Colenbrander als in meerdere varianten ontworpen. esthetisch leider fabriceert, heeft schitterende kleuren en nieuwe vormen geïnspireerd op oosterse architectuur (o.a. stupa’s en pagodes). De veelkleurige, vaak van een naam voorziene decors zijn totaal nieuw. Inspiratiebronnen lijken Perzische tapijten, Japanse kunst, Indonesische batiks en natuurimpressies. Colenbrander is tot 15 augustus 1889 aan de fabriek verbonden. Dan ontslaan de commissarissen hem omdat ze vinden dat hij het gezag van de directie niet erkent en dat het hierdoor onmogelijk is om met hem samen te werken. De schilder H.W. Mesdag, een van zijn begunstigers, zorgt dat hij in zijn huis en dat van zijn zwager S. van Houten interieurs kan ontwerpen. De jaren erna wijdt Colenbrander zich voor diverse opdrachtgevers aan grafische ontwerpen, verzorgt hij interieurschilderingen met organische plantaardige motieven, illustreert publicaties en ontwerpt tapijtdessins, die hij op diverse tentoonstellingen toont. Een aantal financiers steunt in 1895 de

154


overname van Tapijtfabriek W.P.A. Garjeanne & Co te Amersfoort met de bedoeling om voornamelijk de ontwerpen van Colenbrander uit te voeren en te verkopen. De leiding heeft de uit Den Haag afkomstige architect J. G. Mouton en Colenbrander werkt als esthetisch adviseur. De tapijten worden op vele nationale en internationale tentoonstellingen getoond en krijgen vanwege hun intense kleuren en opvallende patronen veel lof. Dit is tevens de beoogde verkoopstrategie. De tapijten zijn kunst en kunnen bij de fabriek besteld worden. Wanneer Mouton in 1901 in Deventer directeur wordt en de fabriek in Amersfoort sluit, gaat Colenbrander mee als esthetisch adviseur. Bij het opgaan van de KDT in de KVT in 1919 gaat Colenbrander, inmiddels 78 jaar, niet mee als ontwerper. Zijn ontwerpen blijven echter nog wel enige jaren - misschien in aangepaste vorm - in productie. Theodoor Colenbrander blijft ontwerpen maken voor keramiek, in de jaren 1912-1913 voor de Plateelbakkerij Zuid-Holland te Gouda. In 1921 richten bewonderaars in Arnhem de Plateelbakkerij RAM op waar hij tot 1925 ontwerpen voor decors en vormen voor maakt. De naam Ram is door hem verzonnen naar het sterrebeeld Ram. Wanneer hij 80 is geworden organiseert men een jaar later in 1922 een eretentoonstelling in de Haagsche Kunstkring en in 1923 een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam. Zelf is hij daar niet bij omdat hij niet van uiterlijk vertoon zegt te houden. Professor R.N. Roland Holst, die deze expositie opent, noemt hem de eerste, oudste Nederlandse sierkunstenaar die - in de tijd dat de toegepaste kunst een woestenij was - vernieuwing bracht. Theo Colenbrander sterft in 1930. Dit valt ook op te maken uit de brief van 5 februari 1903 aan Jonkvrouw Lycklama à Nijeholt te Zwolle waarin Mouton aangeeft dat de dessins van Colenbrander niet opgestuurd kunnen worden. Ook wordt in dezelfde brief de onderdirecteur J.Th. Peters genoemd die nog benadrukt dat dessins en kleuren niet gewijzigd kunnen worden. Eind 1905 zegt Colenbrander dat hij niet meer meewerkt aan het exposeren van zijn ontwerpen en tapijten op allerlei kunsttentoonstellingen. Hij is bang dat met moderne apparatuur de ontwerpen gekopieerd kunnen worden. De invloed van Colenbrander op de andere ontwerpers van de fabriek blijkt nauwelijks uit hun werk. Zij blijven werken binnen de kaders die de nieuwe leer van het vlakornament hen biedt. Het promoten van de Colenbrandertapijten met tentoonstellingen gebeurt nu alleen door de fabriek en Mouton laat op dergelijke exposities ook de tapijten en de ontwerpen van de ontwerpers van de Deventer tekenkamer zien. De belangrijkste zijn H.J. Bouhuys (1870-1917), W. Kuit (1878-1975) en M.D. Renssen (1883-1971). Inzendingen naar de internationale tentoonstellingen gaan op naam en zowel Bouhuys (Turijn 1902, Prima

155

Esposizione Internazionale d’Arte Decorativa Moderna), Renssen (Milaan 1906, Esposizione Internationale de Milano en Brussel 1910, Exposition Universelle de Bruxelles) als Kuit (Milaan 1906, Esposizione Internationale de Milano) behalen daar prijzen met hun tapijtontwerpen. De tekenkamer is de werkplek van de ontwerpers en tekenaars van de fabriek. Op de fraaie en wat geposeerde foto uit 1905 zijn de tekenaars bezig met het stileren van bloemen en planten tot een vlakornament en met het uitwerken van de ontwerpen tot tekeningen voor het handknopen en voor het Tapis Belge. Rechts achter staat directeur Mouton. W. Kuit en M.D. Renssen volgen na de lagere school de lessen aan de Deventer Avondteekenschool en krijgen daar les van Bartus Korteling. Wim Kuit en Tille Renssen hebben beiden aan het Deventer museum, toen Museum de Waag, een aantal tapijtontwerpen en schetsen nagelaten. Uit de nalatenschap van Tille Renssen worden getuigschriften van de lagere school (1899), de Avondteekenschool (1901), de diploma’s voor de behaalde zilveren medailles en mooie studietekeningen van bloemen, vlinders


en slakken bewaard. Uit de etiketten op een aantal tapijtontwerpen blijkt dat hij na 1919 ook als zelfstandig ontwerpen werkzaam is. H.J. Bouhuys zet aanvankelijk de toon met zijn strakke ontwerpen en gedurfde kleurcombinaties. Toch is het moeilijk de drie ontwerpers uit elkaar te houden. Allemaal gebruiken ze geabstraheerde bloemmotieven, torentjes en pinakels die aan architectuur ontleend lijken, repeterende motieven in een cirkel of vierkant en gebruiken randen met daarin vormen die op metaalbeslag lijken. Het blijft binnen een geometrisch grondpatroon en de ontwerpen vertonen nooit de vrije vloeiende vormen zoals Colenbrander die vaak in zijn ontwerpen toepast. Getuigschrift van M.D. Renssen voor het handtekenen op de Avondteekenschool uit 1901. Renssen was toen, 18 jaar oud, waarschijnlijk al werkzaam bij de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek.

Vernieuwing en modernisering ontwerpprocessen Docenten in het onderwijs aan ambachtsscholen en kunstopleidingen ontwikkelen lesmethoden om toekomstige ontwerpers te leren hoe het vlakornament toe te passen. Zij doen dat op basis van theorieën die vanaf het eind van de 18e maar vooral in de 19e eeuw in Duitsland, Engeland en Frankrijk zijn ontwikkeld. Het hele proces dat tot deze lesmethoden leidt, is door Mienke Simon Thomas in haar studie ‘De leer van het ornament, versieren volgens voorschrift 1850-1930’ (1997) uitgebreid beschreven. De diverse lesboeken die uitkomen, geven aan hoe geometrische motieven in het vlak verdeeld moeten worden en hoe het stileren van florale motieven tot een haast abstract dessin in zijn werk gaat. J.H. de Groot (1865-1932), leraar aan de Quellinusschool de Amsterdam, brengt in 1896 de methode ‘Driehoeken bij ontwerpen van ornament’ uit. Hij onderwijst daarin methoden om eerst een indeling van het vlak en vervolgens pas het motief te maken. Wat later publiceert J.D. Ros (1875-1952), leraar aan de Afbeelding 223 uit het boek van. Koninklijke Academie in Den Haag en theosoof, een lesmethode J.D. Ros ‘Het ontwerpen van ‘Het ontwerpen van vlakornament’(1905). Hij behandelt vlakornament’. Ontwerp voor methoden om geometrisch en plantaardig ornament, een decoratief paneel met een middenveld van bladornamenten en ornamenten afgeleid van diervormen en de mens, en eromheen een rand van gestileerde symbolische ornamenten toe te passen bij het ontwerpen. rupsen, Rotterdam 1905.

156


M.D. Renssen, ontwerp voor handgeknoopt Deventer tapijt, dekverf op papier, 40x31 cm, circa 1910. In de rand cirkelende motieven, blauw fond met kleine geometrische motieven in lichtblauw.

W. Kuit, ontwerp voor handgeknoopt Deventer tapijt, dekverf op papier. Met dit ontwerp met geometrische motieven dat sterk aan het werk van Bouhuys doet denken, wint Kuit een zilveren medaille op de Esposizione Internationale de Milano in 1906, 43x31 cm.

Bijzondere opdrachten Ridderzaal 1904 Een zeer interessante opdracht zijn de tapijten voor de wanden en de vloer van de Ridderzaal in Den Haag die de architect P.J.H. Cuijpers (1827-1921) in 1903 in Deventer bestelt. Cuijpers heeft opdracht gekregen om de Ridderzaal te restaureren en ook opnieuw in te richten. C.H. Peters is als Rijksbouwmeester verantwoordelijk voor de gehele restauratie van het Binnenhof. Aan de

157

M.D. Renssen, ontwerp voor handgeknoopt Deventer tapijt, oranjerood effen fond en rand met gestileerde korenbloemen, dekverf op papier, 43,5x33 cm, 19001915.

W. Kuit, ontwerp voor handgeknoopt Deventer tapijt, dekverf op papier, 30,5x26 cm. Het fond binnen de strakke rand is gevuld met repeterende wervelende motieven, 1900-1915.

wanden laat Cijpers grote tapijten hangen met een islamitisch motief, de Mirab of gebedsnis. Voor de vloerkleden, lopers en de treden naar het plateau voor de troon laat hij alles in ĂŠĂŠn decor vervaardigen, in een warm rozerood met gele en groene bloemranken, aangevuld met blauwe accenten. De grote tapijten hebben een brede blauwe rand met grote rode en goudgele rozetten, versierd met gestileerde bloemkelkjes en in het grote veld ranken met dezelfde bloemen.


Fragment van een loper behorend bij de tapijten voor de Ridderzaal, breed 230 cm. Deze tapijten zijn in Deventer gemaakt in opdracht van P.J.H. Cuijpers na de restauratie van de zaal. Vanaf 1904 spreekt de Koningin hier op Prinsjesdag de jaarlijkse troonrede uit.

Het dessin is geïnspireerd op Perzische tapijten. Cuijpers heeft waarschijnlijk gekozen uit beschikbare dessins van de Deventer fabriek en vooral de kleuren bepaald. De tapijten met de oosterse nissen zijn wel uniek en door hem ontworpen. Deze vloertapijten zijn in 1992 terug naar Deventer gebracht en daar opgenomen in de collectie van het Historisch Museum. Zie ook het kader ‘De terugkeer van een hoogbejaard tapijt’ op pagina 78. Een nieuw karpet naar een oud dessin In 1905 bestellen mevrouw P. Hoogkamer en de heer M.C van Mourik Broekman in Deventer ter gelegenheid van hun huwelijk een handgeknoopt karpet. Mevrouw Hoogkamer heeft een tekening gemaakt van een karpet dat zij kent van een

tante in Oosterbeek. Het is een van de dessins die in de bundel Amsterdamse tekeningen van behanger Smaale bewaard zijn gebleven (tekening met nummer 12). Deze vroege nummers dateren uit het tweede kwart van de 19e eeuw. De oorspronkelijke tekening is dan waarschijnlijk ook nog in bezit van de fabriek en tekenaar M.D. Renssen maakt een werktekening die vergroot kan worden voor de knoopsters van het tapijt. Het echtpaar heeft er voor gekozen om het grote medaillon in het midden van het ontwerp niet uit te laten voeren en het hele middenveld met de bloemtakjes te laten vullen. Na veel omzwervingen, dertig verhuizingen, onder andere naar Amerika en Zwitserland, rust het tapijt nu in de depots van Historisch Museum Deventer.

158


M.D. Renssen, tekening naar een oud Deventer tapijt, dekverf op papier van de firma C. van Cauwenberge uit Gent, 65x65 cm. Met de aantekening: ‘Het binnengedeelte (fond) was dus in 2 kleuren (kleur op kleur) bruinrood’.

Tapijt in 1905 gemaakt voor mevrouw P. Hoogkamer en de heer M.C van Mourik Broekman op basis van de tekening van Renssen en van het originele dessin, 390x340 cm. De takjes in het bruinrode fond zijn in blauw uitgevoerd.

Tekening Nr. 12, kwart weergave van een dessin. Dekverf op papier, 29x39 cm, 1820-1840. Dit is het originele dessin, met blauwe takjes op een rood fond zoals ook bij het tapijt uit 1905 is toegepast.

K. Sluyterman in Ons Huis, 1905 In 1905 brengt K. Sluyterman (1863-1931) een bezoek aan een expositie in Zutphen van tapijten en ontwerpen van de KDT en vervolgens aan de fabriek in Deventer. Hij brengt hiervan verslag uit in het artikel ‘Over tapijtkunst en een Nederlandsche tapijtfabriek’ in het tijdschrift Ons Huis uit 1905. Sluyterman is een aantal jaren docent aan de School voor Kunstnijverheid in Haarlem geweest en wordt in 1905 docent in de toegepaste kunst en ornamentaal tekenen op de Polytechnische school in Delft. Hij bezoekt de tentoonstelling in gezelschap van directeur Mouton en doet, naast het bewonderen van Colenbrandertapijten en -ontwerpen, ook verslag van de ontwerpen en tapijten van de andere, vaste ontwerpers van de Deventer fabriek: J. Bouhuys, W. Kuit en M.D. Renssen. Sluyterman bezoekt vervolgens met Mouton de fabriek in Deventer en hoopt wat te zien van de werkwijze van Colenbrander. Mouton vertelt hem dat Colenbrander niet in Deventer op de fabriek werkt maar in alle rust in de natuur in Terborg woont en werkt. Sluyterman spreekt wel met de chef van de tekenkamer J.H. Bouhuys. Hij beschrijft zijn werk als ‘fris’ als hij de natuur als inspiratiebron neemt, ‘streng’ in andere ontwerpen en vindt hem bijzonder ‘kundig’ in het leggen van de relatie tussen de techniek van het tapijtknopen en een ontwerp. W. Kuit vindt hij nog ‘strenger’ en ‘heel modern’; de regelmatige herhaling van de elementen vindt hij het meest op oosterse tapijten lijken. Van Renssen tenslotte roemt hij de keuze van de kleuren. Hij waardeert het feit dat de ontwerpers met naam genoemd worden en pleit in zijn artikel voor uitbreiding van de Auteurswet en voor bescherming van het intellectueel eigendom van de ontwerper van industrieel vervaardigde producten.

159


Ontwerp van M.D. Renssen voor Tapis Belge, dekverf op papier, 27x21,5 cm, circa 1925.

160


Traditie, art deco en Nieuwe Kunst Tapijt van de Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken vestiging Deventer vanaf 1919 Eerder in dit boek is uit de doeken gedaan hoe na 1919 de productie over de vestigingen van Eerder in dit boek is uit de doeken gedaan hoe na 1919 de productie over de vestigingen van de KVT wordt de KVT wordt verdeeld en wat door de Deventer vestiging nog wordt gemaakt (zie pagina 67) . De belangrijkste ontwerp- en tekenkamer komt in Rotterdam. Naast oudere dessins zijn ook moderne dessins gevraagd, zowel bij grote bouwwerken als voor de gewone verkoop. Externe kunstenaars als Jaap Gidding ontwerpen voor de KVT en inspireren anderen. Wanneer in de jaren zestig het effen kamerbrede tapijt in de mode komt, verdwijnen de dessins langzaam naar de achtergrond.

Deventer: handgeknoopt, moquette en Tapis Belge De overname door de Rotterdamse fabriek verandert wel een en ander aan de bedrijfsvoering. Het hoofdkantoor komt in Rotterdam en de meeste ontwerpen worden daar door de tekenkamer ontwikkeld. De ontwerpen uit Deventer moeten daar gezien en goedgekeurd worden. Ook in Rotterdam komt een nieuwe hal die ‘Deventer handgeknoopt’ heet. Dit is een van de oorzaken dat elk handgeknoopt wollen tapijt dat ‘Deventer tapijt’ wordt genoemd niet in Deventer gemaakt hoeft te zijn. In Deventer gaat het handknopen langzamerhand weg. Nog

161

tot 1928 komen er handgeknoopte tapijten uit Deventer zoals dat voor het Theater Tuschinski in Amsterdam. In de oorlog keert het handknopen toch weer terug, om eind jaren vijftig definitief te verdwijnen. De nadruk komt te liggen op de mechanische weverij, te weten de productie van moquette en van Tapis Belge (Holtap). Moquette wordt gemaakt in breedten van 50 tot 250 cm en kan effen, gebloemd of met een dessin geweven worden. Konia is een handelsnaam voor een zware soort moquette. Het weven gaat op roedeweefgetouwen met Jacquard voor het inweven van de motieven. Daarna snijdt men de geweven baan tapijt tot karpetten. Dan volgt het festonneren en krijgt men een prettig zacht


Detail van de voor- en achterkant van een mechanisch geweven Darrabtapijt, circa 1960. Het is vaak moeilijk te zien of een tapijt met de hand of machinaal is geknoopt. De voorzijde van het Darrabtapijt lijkt erg op een Deventer handgeknoopt tapijt. Aan de achterzijde is wel te zien dat de knopen regelmatiger zijn dan bij handgeknoopt.

kleed. De Deventer ontwerpers M.D. Renssen en W. Kuit maken hiervoor strak gestileerde ontwerpen. Nieuw was het weven van moquette niet, al vanaf 1838 adverteert de Deventer fabriek met moquette dat, in banen geweven, tot vast vloertapijt wordt genaaid. Maar de machines worden steeds verbeterd en men kan nu een breedte van 250 cm weven. Een nieuw product op moquettegebied is Duo-Velours met aan beide zijden een pool en dat ook aan beide zijden te gebruiken is. Het wordt vanaf 1930 verkocht. Ook het sterke, gladde en redelijk goedkope Tapis Belge blijft geliefd en als vernieuwing introduceert men zoomloos Tapis Belge. De kleedjes en karpetten in de soorten Tapis

Belge en moquette zijn producten die de klanten zelf in de woninginrichtingzaken en warenhuizen willen kunnen uitkiezen. Hierbij is een grote variëteit en steeds een nieuw aanbod van dessins belangrijk. Een typescript in het KVT-archief geeft nog de diverse kwaliteiten voor het handgeknoopte tapijt aan die na 1919 gelden: ‘Deventer handgeknoopt’ heeft 145x145 knopen per m2 en is helemaal van wol, ook de ketting en de inslag zijn van wol. Hiermee is het knopen van de fijnste patronen mogelijk. Tapijt met een hoge pool heet Deventer handgeknoopt super kwaliteit. Voor de tropen is er tapijt met een lage pool. Het Moordrechts handgeknoopt, vroeger Kralings genoemd heeft 125x125 knopen per m2. Dan is er tenslotte nog Futura dat van dunnere wol met 100x100 knopen per m2 en meer draden per knoop, een katoenen ketting en jute inslag wordt gemaakt. Futura is meestal bestemd voor lopers. Het machinaal geknoopte Silma en het iets goedkopere Darrab worden in Rotterdam gemaakt. De dessins zijn ontleend aan het al bestaande repertoire van het handgeknoopte tapijt of zijn modern.

Ontwerpers

W. Kuit, ontwerp voor een karpet, dekverf op papier, 26,5x18,5 cm, 1920-1940. Op de tekening de vermelding ‘Voor Konia’ en ‘fond: lichtblauw’. De zware moquette met de handelsnaam Konia wordt in de Deventer vestiging van de KVT geproduceerd.

M.D. Renssen en W. Kuit maken voor de moquetteweverij en het Tapis Belge voortdurend nieuwe dessins. Zij treden echter ook als zelfstandig ontwerper op, mogelijk voor tapijtfabrikanten in Hilversum. Kunsthistoricus drs. Roel Smit heeft recent ontwerpschetsen voor tapijt van H.G. Bokhorst (1890-1972) ontdekt. Zij doet onderzoek voor

162


M.D. Renssen, ontwerp voor een karpet, dekverf op papier 27x21 cm, 1920-1940. De ontwerpen voor eenvoudige tapijten als Tapis Belge en moquette zijn gespiegeld symmetrisch. Zo is het makkelijk om de Jacquardkaarten toe te passen.

M.D. Renssen, eigengemaakt etiket op de achterkant van een ontwerptekening.

H.G. Bokhorst, ontwerp voor karpet, potlood op papier, 19x22 cm. Met de vermelding ‘nog niet uitgevoerd en niet naar R’ dam gezonden’, circa 1930. Dit ontwerp kan voor mechanisch of handgeknoopt tapijt zijn bedoeld.

H.G. Bokhorst, ontwerp voor karpet, potlood op papier, 24,5x18 cm. Met de vermelding ‘Turco, 16 els’ en ‘Rand breeder’, circa 1930. Van Gerrit Bokhorst is ook uit mondelinge overlevering bekend (Carl Dietrich) dat hij voor de KVT ontworpen heeft.

een publicatie en tentoonstelling in 2014 over de familie Bokhorst in het Historisch Museum Deventer. Gerrit Bokhorst is de kleinzoon van H.G. Bokhorst die in 1855 een schilderzaak in Deventer begint en zo stamvader wordt van meerdere generaties kunstschilders en decorateurs. Deze schetsen zijn waarschijnlijk bedoeld voor het Tapis Belge maar mogelijk ook voor Darrab. Het zijn potloodschetsen die nog op goedkeuring uit Rotterdam wachten om verder in kleur uitgewerkt te worden. Een ontwerper die een hele grote invloed heeft

163

op andere ontwerpers is Jaap Gidding met zijn decoraties voor onder andere het Tuschinski Theater in Amsterdam. Men spreekt zelfs van een Tuschinski-stijl. Jaap Gidding werkt als freelance ontwerper incidenteel voor de KVT. De meeste tapijten ontwerpt hij in opdracht voor theaters, passagiersschepen en particuliere opdrachtgevers. R.N. van Dael, het hoofd van de tekenkamer van de KVT in Rotterdam ontwerpt in de flamboyante stijl van Gidding maar ook in een strakke Amsterdamse School art-deco. Omgekeerd ontwerpt ook Jaap Gidding in een strakkere stijl.


Presentatiekaarten met dessin met golfmotief toe te schrijven aan M.D. Renssen. Er zijn twee varianten bekend: een rode rand en fond in twee tinten blauw en een blauwe rand en fond in twee tinten rood, 36x30 cm.

Foto van de vergaderkamer in het Stadhuis van Rotterdam uit de folder van de KVT voor de Nenyto in Rotterdam in 1928. Op de vloer ligt het handgeknoopte karpet uit 1921 met golfmotief.

Loper met golfmotief, breed 114 cm.

Belangrijke opdrachten Stadhuis Rotterdam 1920 Een belangrijke opdracht is die voor het Stadhuis in Rotterdam waar in diverse ruimten Deventer handgeknoopte karpetten worden gelegd. Het stadhuis aan de Rotterdamse Coolsingel is gebouwd tussen 1914 en 1920 naar een ontwerp van prof. dr. Henri Evers. Het is ontworpen in een combinatie van stijlen met renaissance, romaanse en byzantijnse motieven en heel rijk gedecoreerd uitgevoerd met veel smeedwerk en beeldhouwwerk. In de vergaderkamer van burgemeester en wethouders komt een groot handgeknoopt karpet met een dessin dat is toe te schrijven aan M.D. Renssen. Het Stadhuis blijft

bij het bombardement van 14 mei 1940 gespaard maar loopt grote schade op. Theater Tuschinski 1921 Abraham Icek Tuschinski (1886-1942) is een joodse vestenmaker die in 1904 uit Polen naar Rotterdam komt met de bedoeling om vanaf hier naar Amerika over te steken. Hij blijft in Rotterdam, waar hij in 1911 een bioscooptheater opent. Twintig jaar later bezit hij acht bioscopen, waarvan de meeste in Rotterdam en ĂŠĂŠn in Amsterdam, het Theater Tuschinski. Tuschinski drukte een sterk persoonlijk stempel op wat hij liet bouwen en inrichten, waardoor men met recht van een Tuschinksi-stijl kan spreken, synoniem voor flamboyant, weelderig,

164


Jaap Gidding, handgeknoopt tapijt, 290x400 cm, circa 1920.

extravagant en ambitieus want, naar eigen zeggen, streeft hij altijd naar “het grootste van het grootste”. Tuschinski is tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Westerbork gebracht en in Auschwitz op 17 september 1942 vermoord. Het exterieur en het interieur van het Theater Tuschinski in Amsterdam zijn een totaalkunstwerk in een combinatie van jugendstil en een zeer rijke Amsterdamse Schoolstijl. Vele (sier)kunstenaar werken er aan mee, onder wie Chris Bartels, Willem Kromhout, Pieter den Besten, Jaap Gidding en Dirk Jan van der Laan. De ontvangsthal, grotendeels ontworpen door Jaap Gidding, straalt een vorstelijke allure uit die de bezoeker direct uit de sfeer van alledag wegvoert naar een sprookjeswereld vol klatergoud. Het tapijt meet twintig bij vijftien meter en is in 1921 aan één stuk geknoopt. De gekroonde adelaar die in het tapijt wordt verwerkt, is een verwijzing naar Tuschinski’s geboorteland Polen. Het is geen sinecure om een tapijt van twintig bij vijftien meter aan één stuk te maken. De KVT knoopt het tapijt uit kostbare Australische wol met een dichtheid van 21.000 knopen per vierkante meter: voor het hele tapijt worden ruim 6,3 miljoen knopen gelegd. Dit prestigeobject kost Abraham Tuschinski uiteindelijk een flinke hap uit zijn budget: vijfentwintigduizend gulden. Het intensieve gebruik maakt een vervanging al in 1931 noodzakelijk en sindsdien is het tapijt

165

al enkele malen min of meer op basis van het originele ontwerp opnieuw geknoopt. Voor het laatst in 2012. De stijl die Jaap Gidding hier ontwikkelt, vereenvoudigt hij voor karpetten van kleinere afmetingen, die zowel handgeknoopt als mechanisch geknoopt gefabriceerd worden.

Jaap Gidding als (tapijt) ontwerper De veelzijdige Rotterdamse sierkunstenaar Jaap Gidding (1887-1955) werkt in het schildersbedrijf van zijn vader als schilder en decorateur en gaat naar de avondschool op de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Heel veel inspiratie en ervaring doet hij op door een verblijf van enige jaren in München en Berlijn. Onder invloed van het expressieve werk van Duitse kunstenaars, gebruikt hij felle kleuren. Hij ontwerpt onder meer wand- en plafondschilderingen, mozaïeken, gordijnstoffen, behang, glas en keramiek, decoratieve lakpanelen, glas-in-lood ramen, glaswerk, keramiek, en de interieurs van vele bioscopen, waaronder het Luxor Theater in Arnhem en het Luxor Theater in Deventer. Een regelmatig terugkerend motief op de al even kleurige wandschilderingen is dat van in artdecostijl gestileerde pauwen. De uitvoering van het decoratiewerk is in handen van de schilders van het eigen schildersbedrijf uit Rotterdam.


Loper van handgeknoopt tapijt met dessin toe te schrijven aan R.N. van Dael en achterkant loper met stempel KVT, 1e qualiteit. circa 1920-1925.

Ook voor de luxueuze passagiersschepen van de Holland Amerika Lijn ontwerpt Gidding interieurs. Hij werkt niet alleen in de flamboyante art nouveau en art deco, maar later ook in een

strakke stijl die meer geĂŻnspireerd is door de Nieuwe Zakelijkheid.

Materiaal voor onderzoek Moordrecht, Gouda, Tilburg en Deventer In 1978 sluit de Deventer fabriek haar deuren terwijl in Moordrecht de fabriek nog onder de naam KVT tot 1995 doorgaat. De KVT is vanaf 1990 onderdeel van Tapijtfabriek Van Besouw NV (hoofdkantoor te Goirle). Van Besouw gaat in 1995 failliet. Bij het faillissement van Van Besouw in 1995 komen als verrassing een bedrijfsarchief van de KVT en enkele duizenden ontwerpen te voorschijn die afkomstig zijn uit de Amersfoortse, de Deventer en de Haagse voorgangers van de KVT. Onderzoekers denken tot dan toe dat bij het bombardement van Rotterdam alle ontwerpen en archieven van de KVT verloren zijn gegaan. Het bedrijfsarchief is niet compleet en voor een deel kunstmatig bijeengebracht, maar bevat voor de bestudering van de tapijtgeschiedenis in het algemeen en van de tapijtfabrieken te Deventer, Rotterdam, Amersfoort en Den Haag in het bijzonder, veel interessant materiaal. Zie het artikel van drs. Ingeborg de Roode uit 1997. Het Nederlands Textielmuseum te Tilburg heeft vervolgens 250 ontwerpen uit dit bedrijfsarchief gelicht voor haar eigen collectie. Het archief, de overige ontwerpen, presentatietekeningen en werktekeningen zijn overgebracht naar het Streekarchief Midden-Holland in Gouda (http://www. groenehartarchieven.nl/). Het archief te Gouda heeft geprobeerd in de honderden ontwerpen een ordening aan te brengen. Het wachten is op een beeldbank en een concordans tussen de originele nummering en de later door de KVT gehanteerde nummers voor oude dessins. De nummering van de serie tekeningen in het Rijksmuseum geeft hiervoor een goede aanzet om een reeks dessins samen te stellen die tot en met directeur Van Schermbeek loopt. Met zo’n reeks kan men een beter beeld van de geschiedenis van het interieur vormen. Daarnaast is ook het Tapis Belge (Holtap) aan een herwaardering toe.

166


Afbeelding uit KVT-brochure 1936. Karpet in strakke art deco stijl van Jaap Gidding en een op Giddings Tuschinskistijl geĂŻnspireerd karpet van R.N. van Dael.

167


Advertentie gesigneerd met MP voor Mini Peters met een slaapkamerkleedje, circa 1929. In de tekst staat “naar eigen ontwerp�. Mini heeft zowel de advertentie als het kleedje ontworpen. 168


Industrie en kunst, Duitse en Franse invloed, de gezellige jaren vijftig De tapijten van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters De geschiedenis van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters is uitvoerig in ‘Een familie met tapijt in de genen’ beschreven. Het nu volgende hoofdstuk gaat over de vormgeving en de dessins van het tapijt van de fabriek. De karpetten, lopers, matten en kleedjes, die vanaf het begin in 1907 tot het einde van de productie in Deventer (1975/93) de weverij verlaten, zijn voor een deel in beeld te brengen. Er zijn foto’s, catalogi, ontwerp- en werktekeningen bewaard gebleven. Van de vloerkleden zelf is het meeste versleten en weggegooid. Het archief van de fabriek is voor het grootste deel nog in bezit van de huidige tapijtfabrikant Hendrik Jan Peters, geboren in 1946 en kleinzoon van de oprichter Hendrikus Johannes (Hendrik Jan) Peters. Een deel is in het Deventer Stadsarchief en een aantal werktekeningen behoren tot de collectie van het Historisch Museum Deventer. In een brief van 2 maart 1907 beschrijft H.J. Peters aan dr. P. Ankersmit te Malaga wat voor soorten tapijt hij wil maken: koeharen karpetten voor export naar Turkije, wollen karpetten type Tapis Belge voor de Nederlandse markt en wollen gebloemde moquette. Hij wil zich onderscheiden door een ‘artistiek en hoogstaand’ artikel te maken. Hij meldt Ankersmit dat hij de patronen wil kopen bij buitenlandse ateliers die tevens de kaarten voor de Jacquardmachine kunnen slaan, zoals de Gebr. Pilters in Krefeld. Deze werken immers ook voor de Hilversumse tapijtfabrikanten, die dan voornamelijk Tapis Belge karpetten maken. Hendrikus Johannes

169

is, net als zijn vader Johannes Theodoor en vervolgens zijn eigen zoon, ook weer Johannes Theodoor genoemd, opgeleid aan de Sächsische Höhere Fachschule für Textil-Industrie te Chemnitz. In het studiejaar 1885/1886 vult hij zijn enorme werkboek ‘Musterzerlegungen’ met tekst en zelfgemaakte weefproeven. Als Peters aan zijn nieuwe avontuur begint, is hij uitstekend geschoold, zowel wat betreft zijn opleiding als zijn ervaring als verfmeester en onderdirecteur bij de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. Zijn uitgangspunt is en blijft om in zijn bedrijf moderne arbeidsbesparende


Chenillekleedje met koehaargaren, 70x120 cm, circa 1930.

productietechnieken toe te passen en zo de marktontwikkeling bij te blijven. Daarom noemt hij zijn bedrijf Mechanische Tapijtweverij en investeert hij in moderne machines. Ook al bespaart hij op deze manier op arbeid, de grondstoffen blijven uiteraard wel een hele grote post in de totale begroting. In de Winst- en Verliesrekening over 1918 is de post arbeid f. 24.483,- terwijl de post garens f 308.623,bedraagt.

Tekeningen en Kaarten Voor H.J. Peters ligt het voor de hand om wanneer hij voor zich zelf begint, zich tot Duitse ontwerpateliers te wenden en hun producten te kopen. Hij koopt in de eerste twintig jaar

Tapis Belge, 67x100 cm, omstreeks 1930.

in bij bekende tapijtontwerpateliers in Krefeld die ook de Jacquardkaarten erbij leveren. Een enkele keer koopt hij van een Nederlandse kunstenaar ontwerpen en eind jaren twintig gaat zijn dochter voor de fabriek dessins ontwerpen. Krefeld is in die tijd het centrum van de bloeiende Duitse zijde-industrie en huisvest diverse vakopleidingen op het gebied van textiel en het verven van textiel. In zijn balans voert Peters jaarlijks de uitgaven op voor de inkoop van tekeningen en Jacquardkaarten onder de post Teekeningen en Kaarten. Eind 1908 heeft hij inmiddels een bedrag van f 1146,68 hieraan besteed. In de jaren erna neemt dat bedrag af en geeft hij jaarlijks nog tussen de f 200,- en f 500,- uit aan nieuwe ontwerpen en kaarten. De bewaarde werktekeningen bewijzen dat veel

170


Jacquard geweven lapje uit 1885/86. Michaelis staat voor het eerste studiesemester van het jaar.

Werkboek van H.J. Peters van het studiejaar 1885/1886 aan de Sächsische Höhere Fachschule für TextilIndustrie te Chemnitz.

Weefgetouw voor chenille, waarbij de chenille draden vanaf grote spoelen aangevoerd worden.

Uitgewerkte tekening op ruitjespapier om Jacquardkaarten te slaan, dessinnaam ’t Baersken nr. 311, 126x93 cm, 1926.

Werktekening met opgave van de kleuren voor het maken van het voorwerk voor de chenille, bestemd voor kleedjes met dessinnaam Seinpost nr. 1650, 125x96,5 cm, circa 1950.

171


Jacquardkaarten en de tekeningen om chenille te weven in eigen bedrijf geslagen en getekend zijn. Het grootboek, bewaard in het Deventer archief, vermeldt niet de namen van de bedrijven, laat staan van de ontwerpers, waar hij ontwerpen en eventueel de erbij horende kaarten koopt. In zijn correspondentie zijn wel namen te vinden zoals die van Peter Kappertz in Krefeld waar hij in 1909 een nieuwe bestelling plaatst voor “Patronen und Kartenspiele”. Dat H.J. Peters de trends goed in de gaten

houdt, blijkt wel uit de notitie circa 1908 in zijn aantekeningenboek van de prijzen van de Tapis Belge ‘Reformkarpetten met ontwerpen naar Colenbrander’ die de firma Pander verkoopt. Hierbij is hij zowel in het ontwerp als in de prijzen geïnteresseerd; een loper van 70x240 cm kost f 8,55 en een karpet van 310x240 cm f. 21,45. En vooral blijkt zijn interesse in moderne vormgeving uit het aankopen van ontwerpen van Chris van der Hoef.

Chris van der Hoef, strak en streng Bij de start van de fabriek laat Hendrik Jan Peters een serie karpetten maken naar ontwerpen van Chris van der Hoef, een van de eerste industriële ontwerpers in Nederland. Van der Hoef (1875-1933) is een veelzijdig kunstenaar in de stijl van de Nieuwe Kunst. Hij werkt zowel voor Het Binnenhuis, in 1900 opgericht door de architect H.P. Berlage, als voor N.V. De Woning, in 1903 opgericht door Jan Eissenloeffel en Willem Penaat, beide te Amsterdam. Het Binnenhuis en De Woning hebben als doel productie en verkoop van moderne kunstnijverheid te bevorderen. Het is zeer waarschijnlijk dat H.J. Peters de ontwerpen bij een van deze bedrijven heeft gekocht en niet rechtstreeks bij Van der Hoef. Zo is hij er zeker van dat hij het door hem beoogde artistieke en hoogstaande product kan maken. Zowel aan De Woning als aan het Binnenhuis levert hij vanaf 1908 karpetten en lopers. Dat Van der Hoef tapijten heeft ontworpen is een nieuw gegeven maar, gezien zijn veelzijdigheid, is het niet onverwacht. Bij zijn vader opgeleid als beeldhouwer werkt hij zowel als keramist, grafisch ontwerper, ontwerper van metalen voorwerpen en medailleur. Op latere leeftijd waagt hij zich ook aan de batiktechniek. Foto’s van karpetten Dat ontwerpen van Chris van der Hoef gebruikt ontworpen door zijn, blijkt uit drie foto’s in het archief van de firma C.J. van der Hoef en Peters van karpetten met op de achterzijde van achterkant foto met ‘Ontwerp C.J. van der één met het motto Het Segment de aantekening ‘Ontwerp C.J. van der Hoef’. De foto’s laten de Hoef’, circa 1910. kant en klare Tapis Belge karpetten zien die op een paar houten balkjes tegen een muur zijn opgehangen. Het is dezelfde plek waar ook de fraaie foto uit 1911 met het personeel is gemaakt. Achter de werknemers hangen twee grote tapijten. Deze twee maken duidelijk deel uit van de serie die Van der Hoef heeft ontworpen. Kenmerkend bij deze ontwerpen zijn het eenvoudige geometrische patroon en de strakke stijl. De foto’s van deze tapijten zitten in een envelop en een kartonnen omslag met daarop de aantekening: ‘1940- 45 172


Papiergaren matting, geweven op TB [Tapis Belge] getouwen en Voorware getouwen, 30 mm pap[ier] in insl[ag] of ketting en 20 mm pap[ier] in insl[ag]’. De foto’s met de vermelding van de motto’s ‘Kerkraam’ nr. 54, ‘De Tegel’ nr. 57 en ‘Het Segment’ nr. 66 zijn bewaard gebleven omdat de dessins en de erbij horende Jacquardkaarten ruim dertig jaar later weer zijn gebruikt om in de oorlog karpetten te fabriceren. In de oorlog ligt de import van grondstoffen uit de tropen, waaronder jute, stil. Daarom werkt men met vervangende materialen zoals papiergaren. De Voorware getouwen die op het envelopje genoemd worden zijn ook geschikt om te weven zonder ondersteunende krachtbron, wat in de oorlog heel goed uitkomt. De aantekening “1e soort IJ” die op de voorkant staat, is een kwaliteitsaanduiding. De nummers 54, 57 en 66 die ook nog een keer met anilinepotlood op de achterzijde staan, betekenen dat H.J. Peters de ontwerpen/dessins in oplopende volgorde nummert. De dessins krijgen altijd naast een nummer ook een naam. De lage nummers passen in deze periode voor 1910 en geven ook aan dat er al een aantal dessins in productie zijn. Hoe groot de serie Van der Hoef is geweest is niet bekend maar dat er meer zijn geweest is af te leiden uit het Jubileumalbum uit 1957. Het kan zijn dat Chris van der Hoef zijn ontwerpen een naam heeft gegeven en dat Hendrik Jan Peters dit gebruik voortzet. Waarschijnlijker is dat Peters vanaf het begin elk dessin een naam geeft zoals hij van T.A.C. Colenbrander gewend is. Colenbrander geeft al zijn ontwerpen een naam en doet dat al vanaf 1883 wanneer hij vormen en decoraties voor aardewerk maakt. De drie foto’s zijn als enige uit de begintijd bewaard gebleven. Het zijn eenvoudige uitgewogen ontwerpen, meestal in twee kleuren. In de collectie van het Audax textielmuseum in Tilburg wordt een teltekening bewaard van een hoek van het ontwerp nr. 66 ‘Het Segment’.

Het Jubileumalbum in kleur 1907-1957 In 1957 is bij het vijftigjarig bestaan van de fabriek een album samengesteld met telkens op de linkerzijde in grote cijfers het jaartal en rechts één afbeelding van een karpet of loper uit dat jaar dat goed is verkocht. Het album geeft zo een fraaie doorsnede van de productie van de fabriek en van de elkaar opvolgende modes. Aan de hand van de karpetten, lopers en kleedjes in dit album volgt nu een beschrijving van de afgebeelde dessins op de schutbladen voor en achter in dit boek. De tekenaars uit 1957 hebben de karpetten, lopers en kleedjes met dekverf in kleur afgebeeld. Dit geeft inzicht in het gebruik van de kleuren tijdens een periode waarin het bedrijf nog geen reclame in kleur maakt en foto’s zwart-wit zijn. Het karpet bij het jaar 1912 is afgebeeld in rood en zwart. Dat zijn vanouds de meest gebruikte kleuren voor de schotse karpetten en dergelijke glad geweven vloerkleden. Dit kleed is ook te zien

173

op de foto die op 2 augustus 1911 is gemaakt van het personeel, met aan de muur twee grote karpetten. Deze twee horen duidelijk thuis in de serie tapijten die we op basis van hun strakke, symmetrische en eenvoudige vormgeving kunnen toeschrijven aan C.J. van der Hoef (zie pagina 80). In 1915 is de strakke stijl van Van der Hoef nog in trek. Voor de jaren 1913 en 1921 is in het album een andere stijl te zien: karpetten in vier kleuren met een groot ovaal vlak in het midden, hoekmotieven en een forse rand, alles met gebogen banden en een gestileerde bloem als motieven. De vormgeving is geïnspireerd op Perzische tapijten maar op een moderne manier behandeld. De keuze voor de jaren 1914, een groot bloemmotief, en voor 1922, een heel eenvoudig takje en bloempje, laten allebei een doorlopend motief zien van vermoedelijk pooltapijt. Dit is banengoed en vormt aan elkaar genaaid een kamerbreed tapijt. Van de lopers uit de jaren 1916, 1918 en 1919 zijn die


Smyrnova slaapkamerkleedje, chenilletechniek, 50x90 cm, 1954.

van 1916 en 1919 enigszins op Turkse motieven geïnspireerd terwijl die van 1918 weer een eenvoudig vlakornament is. Het karpet uit 1917 ziet eruit als de morskleden van koehaar uit de 19e eeuw, het allereenvoudigste en heel veel gebruikte gestreepte vloerkleed. Het in de Eerste Wereldoorlog ook bij Peters toegepaste papiergaren is in deze eenvoudige gestreepte kleden als vulketting verwerkt. Het jaar 1922 toont een karpet dat aansluit bij de enigszins Perzische stijl uit 1913 en 1921, nu met een

oosters ogend paard als hoekmotief. De twee karpetten die de populairste producten uit 1924 en 1927 weergeven hebben een bijzondere kleurcombinatie van oranje, groen, geel en zwart en uitbundig gestileerde krullen en vormen. Veel van deze dessins zijn afkomstig uit de ateliers in Krefeld. De afbeeldingen bij de jaren 1925 en 1926 zijn eenvoudige lopers met strepen en een loper met authentieke Turkse motieven. Inmiddels produceren de tekenaars in de fabriek ook in eigen beheer ontwerpen. Voor de oosterse motieven, die al gauw een belangrijke plaats krijgen onder de dessins, baseren de tekenaars zich op motieven uit gedegen publicaties over oosterse tapijten. In 1923 verschijnt het boek van Heinrich Jacoby getiteld ‘Eine Sammlung Orientalischer Teppiche’ van het Persische Teppich-Gesellschaft (PETAG). Dit is een groep Duitse ondernemers die vanaf 1911 in Tabris in Noordwest Perzië op traditionele wijze tapijten laat knopen voor verkoop in het Westen. Dit boek is door H.J. Peters aangekocht voor de tekenkamer. De ontwerpers nemen de motieven vaak exact over. Wat resulteert in uiterlijk traditioneel ogende Turkse karpetten die echter met een mechanische weeftechniek zijn gemaakt. Die oosterse motieven vallen nog tientallen jaren in de smaak bij de klanten van Peters, zoals de afbeeldingen bij de jaren 1931, 1940, 1950 en 1953 bewijzen. Het jaar 1929 toont twee kleedjes met franje die in dezelfde stijl zijn ontworpen. Het kleedje rechts staat ook afgebeeld op een advertentie uit die periode. In de rechterbenedenhoek van die advertentie staat het monogram MP. Dit staat voor Mini Peters, de dochter van H.J. Peters die na haar opleiding in Amsterdam voor de fabriek gaat ontwerpen. Ook deze kleedjes zijn door haar ontworpen en in chenilletechniek geweven. Een aardig karpet, waarschijnlijk Tapis Belge, is dat uit 1932 met plantaardige geabstraheerde motieven. Folkloristisch uitgevoerd is 1933 waarna een aantal strakke dessins weer populair zijn. Voor het jaar 1938 zijn twee slaapkamerkleedjes afgebeeld die door Mini ontworpen en in chenille techniek zijn uitgevoerd.

174


In de oorlog maakt de fabriek vloerkleden en lopers met een andere samenstelling en verwerkt men papiergarens. Deze hebben de handelsnamen Emir, Honan (in rollen van 40 meter lengte en 90 cm breed), Tibet (in de maten 140/180 cm) en Tonkin. Aan de afgebeelde tapijten is de eenvoudige uitvoering goed af te lezen, pas vanaf 1950 zijn de dessins weer wat gevarieerder. De prijslijst van januari 1946 vermeldt de volgende producten: Nerva, Subliem, Alfa, Regina, Elbo, Delta, Linko (vlas), Moesjek, Moesjna, Boeda, Amy, Myla, Smyrna, Smyrnova, Tibet, Climax en Honan. Het jaar 1954 laat twee van de populaire slaapkamerkleedjes zien. Het kleedje met de grillige vormen in vakken is een van de vele varianten op dit ontwerp van Mini

Peters. De handelsnaam Casanova slaat op de nieuwe huizen waarin de mensen in deze naoorlogse wederopbouwtijd gaan wonen. Ook de karpetten uit die jaren zijn eenvoudig met enkele gekleurde strepen en passen in een licht en eenvoudig ingericht interieur. De Moesjek karpetten, vooral die met zeer gecompliceerde oosterse motieven, zijn te duur en verliezen het van goedkopere importen. Ter gelegenheid van het jubileum in 1957 zijn een rond en een achthoekig tapijt gemaakt. Kleinzoon H.J. Peters, toen 12 jaar, kan zich herinneren dat dat een dure productie is geweest. De kleden worden uit een grote baan tapijt gesneden, wat veel verlies geeft.

Fotoalbum 1929-1931 Hoewel in het herinneringsalbum bij de tekeningen niet de handelsnaam en het soort tapijt staan vermeld, zijn er wel verbanden aan te brengen met andere gegevens in het familiearchief. Zo is het karpet uit 1928 ook afgebeeld in een album met goede zwart-wit foto’s van kant en klare karpetten uit de jaren 1929-1931. H.J. Peters heeft de gewoonte de kant en klare producten te (laten) fotograferen. In dit album staat onder iedere foto een naam en Pagina uit het album met foto’s van Tapis Belge karpetten uit de een cijfer en vaak een jaren 1929-1931 met dessin Blokkade nr. 387 en dessin Ramona kwaliteitsaanduiding A of B. De term nr. 389, juni 1929. bouclé staat vaak vermeld. H.J. Peters documenteert in dit fotoalbum in periode van juli 1929 tot en met juli 1939 ruim honderd dessins. Jammer genoeg is ook hier de link tussen dessinnaam en de naam van het handelsproduct niet te leggen. Gelukkig komt één dessin ook voor in het herinneringsalbum en wel voor het jaar 1928. Het dessin heet Blokkade en heeft volgnummer 387. Met wit potlood staat er de datum ‘juni 1929’ en ‘X bouclé A’ bij geschreven. De lijnen en vlakken zijn zo verdeeld dat een evenwichtig geheel ontstaat waarbij geen enkel motief overheerst.

175


Handelsnamen van Tapis Belge Tapis Belge/Holtap is door H.J. Peters onder vele namen, dus kwaliteiten, in de handel gebracht. Tot 1928 zijn dit namen als Belgravia, Davo, Corona (alle drie met een half wollen inslag), Esperanto, Inventia, Olympia, Primula, IJberia en Zampa (beste kwaliteit met een geheel wollen inslag). Pallas en Omega hebben weer met een jute inslag. Allemaal hebben ze een jute vulketting, katoenen bindketting en zijn tweedoeks geweven. Dit betekent dat boven- en onderkant elkaars complement zijn. De grootste maat is 3x4 meter. Na 1928 komen er nieuwe productnamen en dus een groter assortiment voor het Tapis Belge/Holtap op de markt. Zeven van de tien eerdere producten blijven gehandhaafd. De nieuwe soorten Radio, Supra en Carbonia zijn de beste kwaliteit Tapis Belge. Het zijn driedoekskarpetten wat betekent dat ze een verschillende onder- en bovenkant hebben, terwijl ze wel aan beide kanten te gebruiken zijn. Driedoeks is door de drie lagen ook dikker en voelt zachter aan dan tweedoeks. Goedkoper zijn Omega, Olympiade en Parnassia, die met een inslag van jute zijn geweven. Het aantal rieten (de kettingdraden) per meter is van allemaal 80. Gedrukt staatje met prijzenoverzicht van Tapis Het schot, het aantal horizontale draden (de Belge per 7 juni 1928. inslagdraden), loopt van 480 tot 720 per strekkende meter.

De Tekenkamer en het studiemateriaal De taak van de tekenaars is om de dessins op groot formaat uit te werken zodat de meestal vrouwelijke arbeidsters de jacquardkaarten op de kaartenslagmachine kunnen ponsen. Ook voor het voorweefsel om chenille-inslag te maken zijn tekeningen nodig voor de wever. Daarnaast maken ze de tekeningen voor de presentatiemappen en folders voor de vertegenwoordigers en voor hun relaties zoals warenhuizen en woninginrichtingzaken. Ontwerpers/ tekenaars komen vaak al jong in het bedrijf, krijgen daar hun opleiding en volgen bijscholing op de tekenschool. In Deventer is dat vanaf 1900 de Avondteekenschool en later de Ambachtsschool. Binnen het bedrijf ontwerpen de tekenaars dessins aan de hand van boeken met afbeeldingen van allerlei weefpatronen en grafische afbeeldingen. Bij hun opleiding krijgen ze les in het Omslag van Motive Moderner Raumkunst, stileren van ornamenten en het ontwerpen voor het mit 75 Entwurfen fur Teppiche, Läufer, platte vlak. Naast een vaste hand moeten ze een goed Stoffe usw. door Hanns Weisse, 1925. Rechtsboven staat TK voor tekenkamer en HJP.

176


gevoel voor kleur en een evenwichtige vlakverdeling hebben. De kleuren moeten harmoniëren en er moet overleg zijn met de verfmeester of hij de beoogde kleuren in een goede kwaliteit kan samenstellen. In 1925 komt een album van Hanns Weisse uit met voorbeelden van ontwerpen van zowel kunstenaars aan het Bauhaus te Dessau als aan de Textilhochschule in Krefeld. H .J. Peters koopt dit album voor de tekenkamer van de fabriek. Mini Peters neemt in 1933 uit Parijs een album Tapis et Tissus, L’art d’ Aujourd’hui, No. 15, 1929 mee dat door Sonia Delaunay (1885-1979) is samengesteld met voorbeelden van tapijten en textiel van vooraanstaande kunstenaars. Hierin staan mooie textielontwerpen die zeker als inspiratie hebben gediend.

Moesjek, haarvelours en velvet Handelsnamen in de periode van het eind van de jaren twintig tot ver na de oorlog voor pooltapijten zijn Smyrna, Irak, Mozoel, Kaukas, Jaffa en Moesjek. Soms is het dessin gebaseerd op oosterse tapijten. De Moesjektapijten zijn tientallen jaren het mooiste en duurste product en met de chenilletechniek gemaakt. Het kan geleverd worden van een kleedje van 45x80 cm tot een karpet van 250x350 cm. In 1938/39 kost het per m2 f 4,40, in 1940/41 al f 9,-. In de oorlog neemt de productie heel snel af omdat de fabriek door gebrek aan brandstof en grondstoffen steeds minder in staat is om te leveren. De prijs loopt zelfs op tot f 16,66 in 1943/44 maar er wordt in dat boekjaar maar 234 m2 geproduceerd, terwijl de productie van het Moesjek in 1937/38 nog 16.910 m2 is. Haarvelours is een type tapijt dat geweven wordt van garen, dat is gesponnen van grove wol, op een roedengetouw met Jacquard en doorgesneden pool. De handelsnamen voor haarvelours luiden Davo, Isala, Flevo en Delta. Velvet voelt zachter aan dan haarvelours. Een briefje uit 1932 voor een velvet ¾ loper met de dessinnaam ‘Hally’, te weven op twee ramen en met 180 draads per meter, geeft aan hoe de garens voor de poolketting op kleur moeten worden ingeregen. Alle 180 in ieder raam in te rijgen draden zijn met hun in het bedrijf vastgelegde naam zoals beuk, bison, buffel, cement, dood, duinzand, mahonie, mortel en nikkerbruin aangegeven.

Buckskin weefgetouw voor Moesjek in de fabriek van H.J. Peters circa 1938. Het patroon ontstaat zonder toepassing van Jacquard maar door het gebruik van kammen en gekleurde inslag. De pool zit in de inslagdraad (chenille). 177


Moesjek tapijt in rood en wit, chenille weefsel, 130x190 cm. Aan beide zijden te gebruiken, tweedoeks, voor- en achterkant zijn elkaars tegenbeeld. Presentatiefolder met een Moesjekkarpet in Oosterse stijl, circa 1950. Velvet loper, drieraams poolweefsel met Jacquard geweven, 68 cm breed, circa 1930.

(A en B) Werktekening voor een tweeraams velvet loper dessinnaam Hally nr. 535. Hier worden de kleuren van de kettingdraden aangegeven die verdeeld moeten worden over twee ramen, 9 juli 1932. Het motief wordt vervolgens met Jacquard geweven.

178


Werkboek met daarin de diverse kleedjes ontworpen door Mini Peters met hun nummer, handelsnaam en opgave van de kleuren, 1959-1961. Pagina met het kleedje 2703-8069 voor de helft afgebeeld met opgave van de kleuren, handelsnaam Verona.

Vormgeving en uiterlijk na 1957 Slaapkamerkleedjes Al vanaf de jaren twintig zijn de tweezijdige wollen chenille (slaapkamer)kleedjes zeer populair. Een werkboek in het familiearchief uit de periode 1957 tot 1961 geeft met ingeplakte gekleurde tekeningen van halve kleedjes heel veel informatie over dit product. Onder de handelsnamen Verona, Smyrnova, Etna, Exota en Hilten zijn tientallen dessins met hun kleurenschema vastgelegd. Ook staan niet alleen de maten (50x90 cm, 60x110 cm en 90x 150 cm) en de dessinnummers vermeld, maar ook veel technische gegevens. De dessins zijn vanaf het begin in 1907 door H.J. Peters en zijn zoon J.Th. Peters doorgenummerd en in 1961 is nummer 2772 bereikt. Dat betekent dat in 54 jaar bijna 3000 dessins zijn verwerkt tot producten. De kleedjes uit de jaren vijftig en vroege jaren zestig geven een fraai tijdsbeeld en roepen de sfeer uit die tijd op verrassende manier op.

179

Folder met kleedjes handelsnaam Verona, onder andere kleedje 8069, 1960.

Euromast Het weven op Wiltongetouwen is vooral in gebruik voor het weven van kamerbreed tapijt en projecttapijt. De klant kan opdracht geven voor een dessin dat speciaal voor hem wordt ontworpen en geweven. Een mooi voorbeeld is het tapijt voor het restaurant van de Euromast waarvoor Mini Peters een fraai ontwerp maakt. Architect H.A. Maaskant en aannemer J.P. van Eesteren realiseren dit gebouw ter gelegenheid van de Floriade in 1960, die plaatsvindt in het Park, vlak bij de ingang van de Maastunnel. Prinses Beatrix opent het gebouw op 25 maart 1960. De locatie is zo gekozen dat iedereen die met de auto naar Rotterdam rijdt de 107 meter hoge toren recht voor zich boven de stad uit ziet steken. Het door Mini Peters ontworpen moquettetapijt is geweven op een Wiltonmachine. Met de witte meeuwen tegen een blauwe lucht blijkt het tapijt voor het restaurant echter nogal besmettelijk en het heeft er dan ook niet zo heel lang gelegen.


Mini Peters, 1960, fragment van het Meeuwentapijt voor de Euromast in Rotterdam, Wilton poolweefsel.

Mini Peters

Mini Peters en echtgenoot. Na hun huwelijk in 1932 wordt P.M.J. Koning mededirecteur van de fabriek.

Mini Peters (1906-1990) is het eerste kind uit het huwelijk dat Hendrikus Johannes Peters op 38-jarige leeftijd in 1904 sluit met Maria Berendina Nikkels (1875-1950), 29 jaar oud. Na de Meisjes HBS in Deventer woont ze van 1924-1927 in Amsterdam en volgt daar de opleiding aan de Rijksnormaalschool Amsterdam onder leiding van Huib Luns en behaalt het diploma L.O. tekenen en daarna in 1927 het diploma M.O. tekenen. In 1929 werkt en studeert ze enige maanden aan de academie van de bekende AndrĂŠ Lhote (1885-1962) in Parijs. Ze zal daar later met haar man terugkeren om inspiratie op te doen

180


door onder andere bij de grote warenhuizen de tapijten en kleedjes te bekijken en te schetsen. In 1929 verlooft zij zich met P.M.J. (Sjef) Koning (1903-1978). Sjef Koning is voorbestemd om na zijn opleiding aan de Tropische Landbouwschool in Deventer in Nederlands-IndiĂŤ te gaan werken. Dat loopt anders doordat hij Mini ontmoet. Hij studeert verder aan de Hogere Textielschool in Enschede en gaat bij de fabriek aan het werk. In 1932 benoemt zijn schoonvader hem tot mededirecteur, tevens het jaar van hun huwelijk. Vanaf 1929 tot 1968 maakt Mini Peters tapijtontwerpen voor de fabriek zoals de vele schetsboeken laten zien. In samenspraak met de vertegenwoordigers, die goed op de hoogte zijn van wat de woninginrichtingzaken, de inkooporganisaties en de warenhuizen willen, vinden vele ontwerpen een definitief resultaat in karpetten, slaapkamerkleedjes en lopers. Het karpet in het herinneringsalbum bij 1930 is aan haar toe te schrijven evenals de meeste karpetten en kleedjes uit de jaren erna. In het fotoalbum 19291931 zijn verwante ontwerpen te zien met gestileerde planten als motief. Mini Peters is naast ontwerper ook actief als portrettist en schilder. Vooral haar getekende portretten van kinderen, in verschillende technieken als potlood, krijt en waterverf zijn bijzonder. In 1974 is in het Deventer Museum De Waag een tentoonstelling aan haar werk gewijd en in 1975 ontvangt zij de Gulden Adelaar van de Stad Deventer voor haar oeuvre.

Tekening uit een van de schetsboekjes van Mini Peters van het trappenhuis van Magasin Printemps op de Boulevard Hausmann te Parijs, 1933.

181

Zelfportret van Mini Peters met haar zoon Peter, 1946. Affiche van de tentoonstelling in Museum De Waag te Deventer in 1974.


Folders van kleedjes met handelsnamen Verona en Smyrnova, 1959-1960.

182


Warenhuizen en woninginrichtingzaken In het Journaalboek 1946/47 van de tapijtfabriek Peters in het Deventer Stadsarchief staan als afnemers filialen van Vroom & Dreesmann, van de Bijenkorf en Galeries Modernes. Verder zijn circa 1500 woninginrichting zaken overal in het land zoals H. Engelsman in Arnhem, van der Werff & Co in Groningen en Zandbergen in Hoogeveen afnemers voor kleine en grotere bestellingen. Vaak gaat het om een paar vloerkleden die klanten op basis van de folders bij die zaken uitkiezen. Grote afnemers zijn de katholieke inkoopcombinaties als Sint Homobonus in Rotterdam en De Faam (later gefuseerd tot Hobo-Faam), Wijers en T. Vergeer in Zutphen. Alle 69 filialen van V&D zijn in de jaren zestig vaste klanten. Een heel belangrijk product voor V&D zijn de slaapkamerkleedjes die zacht moeten zijn en er vriendelijk uit moeten zien. Op het gladde zeil zorgen ze voor wat comfort.

183

Tot slot Het omvangrijke en uitgebreide materiaal dat van de Mechanische Tapijtweverij Peters vanaf 1907 bewaard is gebleven, geeft een heel mooi beeld van deze Nederlandse industrie. Zowel wat betreft de technische aspecten als de vormgeving van dit heel gewone gebruiksartikel is het een waardevol archief. In miljoenen huizen lagen dit type karpetten, lopers en kleedjes, het Tapis Belge en de chenille slaapkamerkleedjes, maar nu zijn ze uiterst zeldzaam en is er vrijwel geen compleet exemplaar van bewaard. Dit bedrijfsarchief biedt nog veel mogelijkheden voor nader onderzoek.


184


Tapijt leeft Tapijt leeft. En hoe. Tapijt als kunstwerk anno 2012. Het is een bijzonder gevoel wat je overkomt als je zomer 2012 de Schuttersgalerij betreedt van het Amsterdam Museum en over het tapijt van Barbara Broekman loopt. Het draagt de titel: Mijn stad: Een feest van verscheidenheid. Kunstenaar Barbara Broekman laat in dit tapijt motieven op textiel van alle 179

nationaliteiten zien die in Amsterdam wonen. Broekman heeft een manier gezocht om de culturele verschillen van de huidige bewoners van de hoofdstad zichtbaar te maken. Omdat zij in haar werk als beeldend kunstenaar overwegend gebruik maakt van textiel heeft zij een uitgebreid onderzoek gedaan naar textiel uit alle verschillende landen van herkomst. Zij trof een enorme variĂŤteit aan kleding, tapijten en vlaggen. Het tapijt is bij Desso Nederland in de Axminster techniek geweven. De vaste ontwerper van het bedrijf Jos Nederkoorn heeft het ontwerp van Broekman door het mengen van de acht beschikbare kleuren vertaald tot een ongekende explosie van kleur en vorm. Foto: Amsterdam Museum, Monique Vermeulen, www.barbarabroekman.nl

185


Klein tapijtwoordenboek Het productieproces In deze bijlage willen we kort ingaan op de diverse begrippen die verband houden met het produceren van wollen tapijt. Hierbij is de volgorde aangehouden van het productieproces. In grote lijnen is het proces in de beschreven Deventer tapijtweverijen gelijk. Dit geldt zeker voor de KVT en de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters. De MID produceert zogenaamd ‘custom made’ tapijt, waardoor het proces iets anders verloopt. Maar principieel afwijken, doet het niet. Achtereenvolgens hebben we te maken met: • Tapijtgarens • Verven • Voorbereiding • Weven • Finishen

Wollen tapijtgarens In de drie genoemde Deventer tapijtweverijen is wol de belangrijkste grondstof. Voor tapijt gelden andere eisen dan voor breiwol. Dat begint al bij het schaap.Veelal komt de wol uit Nieuw-Zeeland. De geschoren wol wordt gewassen en verscheept naar Europese spinnerijen, die van de wol garens spinnen met specifieke eigenschappen, als dikte of getwijnd/getwist. Ook wordt het garen wel gevold. (vervild)

Verven De garens worden meestal als strengen aangeleverd, verpakt in grote balen. Het geleverde garen wordt gecontroleerd op de juiste looplengte (dikte), vetpercentage en op verontreinigingen. Na controle en goedkeuring kan het garen geverfd worden in een open haspelkuip met een temperatuur oplopend tot ongeveer 100 graden. Aansluitend wordt het garen gecentrifugeerd en gedroogd.

Voorbereiding Spoelerij - kruisspoelen De geverfde en gedroogde strengen gaan naar de afdeling Voorbereiding en worden gewikkeld op kruisspoelen; ongeveer gelijk aan het opwinden van wolknot tot wolbol.

Kettingscheerderij. De volle kruisspoelen worden in een scheerrek geplaatst. Vanuit het rek worden de kruisspoelen afgewikkeld en in secties van 10 cm. breedte tot een weefboom geschoren; grootste breedte 460 cm. Spoelerij klossen De strengen kunnen ook met een speciaal daarvoor ingerichte machine worden gespoeld op kleine klosjes, die later in een weefraam van een Jacquard weefmachine worden geplaatst (zie ook weven) Lassen bij MID Bij de Moquette Industrie Deventer werkt het iets anders. Op een weefboom worden meerdere orders geschoren tot een kettingboom. De draadeinden van de diverse orders worden door middel van een ingenieus lasapparaat aan elkaar verbonden; gelast met gebruik van laspoeder. Daarna gaat de kettingboom, die wel uit meer dan tien orders kan bestaan, naar de weverij.

Weven Jacquard weven. Boven op het getouw is een mechaniek gebouwd, genoemd naar de uitvinder Jacquard, waarmee patronen kunnen worden geweven door middel van een geperforeerde kaart die het patroon bepaalt. Er wordt geweven vanuit een klossenrek dat zich achter het weefgetouw bevindt en waarin de gespoelde klosjes (klossenspoelerij) zijn geplaatst. (voor Jacquard zij verder verwezen naar het speciale kader voorin dit boek) Uniweven Hierbij wordt vanaf een kettingboom geweven en wordt er een éénkleurig (uni)tapijtweefsel gevormd. Veelal zijn deze getouwen fors breder dan een Jacquardgetouw, tot wel 4,60 meter; de zogenaamde breedweefmachines. Moquette tapijt Kenmerkend bij dit tapijt is dat er over een roede geweven wordt waardoor een lusje ontstaat. Dat lusje wordt doorgesneden waardoor twee pooltjes ontstaan. De hoogte van de roede bepaalt de poolhoogte. De samenstelling van dit tapijt bestaat naast het poolgaren uit een vulketting van jute en een bindketting van katoen, beide te zien aan de achterzijde en inslaggaren van polypropyleen voor de moderne

186


moquettes. Het inslaggaren wordt via de weefspoel ingeslagen en bindt de diverse kettingdraden (matjesvlechten) De jute en katoen zijn op zogenaamde bomen gewikkeld en worden van elders aangeleverd. Velours Tapijt Hiervan wordt gesproken als er op de kop van de roede een mesje is geplaatst, dat de gevormde lusjes doorsnijdt bij het heen en weer gaan van de roede door de weefsprong. Overigens wordt velours ook wel moquette genoemd. Bouclé tapijt. Anders dan bij het velourstapijt zijn de lusjes hier niet doorgesneden. Het wordt ook wel lussentapijt genoemd.

Finishen Na het weven gaat het tapijt naar de finishafdeling voor de eindbewerkingen Controle Het geweven tapijt wordt ontdaan van verontreinigen en zo nodig gerepareerd, bijvoorbeeld het stoppen van geknapte draden. Oppervlakte scheren Tapijt wordt geschoren op een cylinderscheermachine. Hierdoor verdwijnt het pluizige karakter van het oppervlak, ontstaan tijdens het weven bij het doorsnijden van de lussen en krijgt het zijn mooie fluwelen karakter. Uiteraard wordt bouclétapijt niet geschoren. Appreteren. Appreteren is de laatste bewerking die het tapijt ondergaat en heeft tot doel om het tapijt meer body te geven, maar vooral om tapijtpooltjes te verankeren in het tapijt waardoor een goede poolhechting ontstaat die voorkomt dat de polen uit het tapijt worden gelopen. Het tapijt wordt met de rugzijde over een zogeheten likwals geleid waar het appret (latex) wordt aangebracht, afgerakeld (overtollige latex verwijderd) en aansluitend gedroogd op een cylinderdroogmachine Hierna is het tapijt gereed voor verzending of in het geval er karpetten van gemaakt moeten worden, gereed voor confectie, op maat snijden en festoneren. (omzomen)

187

Enkele andere begrippen uit de tapijtwereld. Axminster Gripper - Weefgetouw met honderden klossen met poolgarens in 8 tot 12 kleuren. Van de klos voert een draad naar de kleurhouder aan de voorzijde van het getouw. Het inrijgen moet zeer zorgvuldig gebeuren en is zeer tijdrovend. De pooldraden, die het patroon vormen, worden door middel van grijpers in het weefsel gebracht. Een Jacquardmachine stuurt de kleurdraadhouders aan, die de gewenste kleur aan de grijper geeft. De verankering wordt verkregen door een inslagdraad in combinatie met een bindketting. Voor iedere kleur in het patroon worden de klossen op ramen of rekken gestoken. Men zegt dat het Engelse Axminster de stad is, waar dit weefgetouw oorspronkelijk is ontwikkeld. Axminster Spool - Weeft 12 tot 16 kleuren. Ook bij deze Axminster een enorm klossenrek. Niet met Jacquard, maar elk pluisje wordt met een grijpertje apart in de ketting gedraaid en vastgeslagen door een dubbele inslagdraad. De pooldraden worden op brede wikkelspoelen gewonden (geschoren), waarbij iedere volgende spoel één poolrij vormt. Voor één patroon kunnen wel 400 spoelen nodig zijn. De spoelen worden in kettingen gehangen. De grijpers (grippers) pakken van iedere navolgende spoel de draden, de messen snijden de stukjes pool af en worden afgebonden. Bouclé - Zie boven. Voor bouclé wordt ook wel de naam Brussels tapijt of Brussels Wilton gebruikt. Chenille - Gecompliceerd weefproces waarmee tweezijdig te gebruiken tapijt wordt geproduceerd. Allereerst wordt een vlakweefsel gemaakt. Het zogenaamde voorwerk of voorweefsel. Dat wordt vervolgens in een snijmachine in de lengte langs de kettingdraden tot repen van ongeveer 12 mm breed gesneden. Na getwijnd te zijn ontstaat vervolgens een rupsvormige draad die bij het weven van het tapijt als inslagdraad wordt verwerkt. Het geweven tapijt heeft geen boven- of onderzijde, maar is aan beide zijden identiek en ook aan beide zijden te gebruiken. Een dessin ontstaat doordat de chenilledraad in bepaalde kleuren kan worden geweven en afhankelijk van de volgorde en aantal inslagen bij het tweede weefproces een patroon vormen. Wegens de hoge kosten wordt dit productieproces al vele jaren niet meer toegepast.


Darrab - Getouw waarmee tapijt machinaal geknoopt wordt. Dit getouw maakt met behulp van speciale grijpers de oorspronkelijke knoop, die ook door knoopsters wordt gelegd. De constructie van een dergelijke machine is zeer gecompliceerd. Doorniks - Wordt ook wel Tournai-tapis genoemd. Soort moquette, roede geweven met doorgesneden pool. Oogt enigszins als Smyrna. Gonje - Eenvoudig vlak tapijt van jute. Geknoopt tapijt - De meestal wollen pooldraden worden met de hand of op mechanische wijze in de ketting geknoopt. Al naar gelang de kwaliteit is de ketting van wol, maar ook jute en katoen worden gebruikt. De twee meest toegepaste knopen zijn: de symmetrische Turkse of Smyrnaknoop en de asymmetrische Perzische of Sennahknoop. De knopen worden met een inslag van wol, jute of katoen stevig in het weefsel verankerd. Een goed geknoopt tapijt bevat ongeveer 90.000 knopen per m2. Haarvelours - Is ook een moquette- of Wiltontapijt met doorgesneden pool van grof wolgaren, dat goedkoper is dan bijvoorbeeld Engelse of NieuwZeelandse wol. Holtap - Staat voor Hollands Tapijt. Maximaal 7 kleuren. Vulketting jute, bindketting katoen, inslag wol. Massaproduct. Tweezijdig te gebruiken. Voor- en achterzijde zijn elkaars spiegelbeeld qua dessin, maar kunnen door gebruik van verschillende vulkettingen afzonderlijke kleuren hebben. Heeft lange tijd meestal eenvoudig patroon. Tot 1880 handweef, in dat jaar komen machinaal aangedreven weefgetouwen op de markt. De meeste worden gebouwd bij de Duitse fabrieken Schönherr of Grossenhäiner Webstuhlfabrik. Dit type tapijt is de opvolger van het koehaarkarpet. (Zie ook Tapis Belge) Koehaarkleden - eenvoudige platgeweven tapijt van koehaargarens. In beschrijvingen wordt vermeld dat dit type tapijt in 1742 is uitgevonden in Hilversum. Vandaar ook wel de naam Hilversums tapijtwerk. Kokos - Garen vervaardigd uit de harige buitenkant van de kokosnoot. Sinds eind jaren zestig van de vorige eeuw worden in Nederland geen kokosgarens meer verwerkt. De laatste kokosgarenververij/spinnerij en weverij, in Genemuiden, is eveneens niet meer in bedrijf. De geschiedenis van deze bedrijfstak is daar nog wel terug te zien in het Tapijtmuseum.

Millitron - Speciale uit de VS afkomstige techniek om door middel van spuitmonden effen geweven of getuft tapijt, te voorzien van bijna elk mogelijk dessin met een haast ongelimiteerd kleurgebruik. Een Millitronmachine is het beste te vergelijken met een grote inkjetprinter. Is volledig computer gestuurd. Sajet - schapenwol niet geschoren, maar geplukt en daardoor van eerste kwaliteit. Scheren - Term komt in tweeërlei betekenis voor in de tapijtindustrie: 1. Het scheren van een kettingboom is het gelijktijdig opwikkelen op een boom - eigenlijk een grote spoel - van enkele honderden draden naast elkaar, met een lengte van soms 2000 meter. Deze bomen bevatten de bindketting, de vulketting en in sommige gevallen de poolketting. Bij MID is sprake van poolkettingbomen. 2. Het scheren van de pool is het glad maken van het pooloppervlak door losse en uitstekende vezels er af te scheren, Het principe is gelijk aan een grasmaaimachine met een kooicilinder. Shading - Schaduwwerking in een wollen moquette tapijt, ontstaan door onder andere luchtvochtigheidsverschillen in de ruimte, waardoor bij delen in het tapijt de pool in een tegengestelde richting komt te staan. Deze poolomslag is niet te verhelpen. Bij effen tapijt valt dit het meeste op. Schots tapijt - Komt niet uit Schotland, maar wordt zo genoemd door de rechthoekige patronen. Vlak tapijt aan beide kanten te gebruiken. Sisal - Garen vervaardigd uit de vezels van de bladeren van de agaveplant. De agave komt oorspronkelijk uit Mexico, maar is in later tijd ook aangeplant in het voormalige Nederlands-Indië. Tegenwoordig komen deze garens vooral uit Bangladesh. Tapijt - Woord is samengesteld uit het Perzische ‘tafta’ en het proto-indische ‘taxta’ dat geweven betekent. Het laatste woord is ook weer verwant aan textiel. Tapis Belge - Zie Holtap. Deze naam wordt in 1936 om markttechnische redenen ingevoerd. Tuften - Een techniek, waarbij de poolgarens door middel van naalden, die op een rij geplaatst zijn, door een (draag)weefsel worden geprikt. Een nabehandeling zorgt voor de verankering van de pool. Tuften gaat 10 tot 30 maal zo snel als weven. Hoofdzakelijk wordt effen tapijt vervaardigd om te verven of te bedrukken.

188


Bijvoorbeeld met een Millitronmachine. De techniek is wel zover ontwikkeld, dat ook dessins kunnen worden geproduceerd met lussen- of gesneden pool.

• •

Velvet - Wilton, dus met roede, geweven tapijt. Heeft een korte, vaste pool. Het poolmateriaal is hoofdzakelijk wol. De vulketting is dunner dan bij velours. Traplopers, die een lange levensduur moeten hebben, zijn meestal in velvetkwaliteit vervaardigd. Een speciale techniek is de zogenaamde ‘dubbelstuk’ techniek. Hierbij worden in feite twee tapijten boven elkaar geweven, met de rug naar buiten, en op het weefgetouw gedeeld in een boven- en onderweefsel. Ook hier is veelal sprake van een velvet kwaliteit. Toepassing: karpetten.

• •

• •

Wilton - Benaming voor een weefgetouw, waarbij de poolgarens over een roede worden gelegd, die na het uitnemen een lus vormen, welke al dan niet wordt doorgesneden. Op deze machines wordt bouclé of moquettetapijt vervaardigd. Maximaal kunnen met vijf kleuren dessins worden geweven met behulp van de Jacquardmachine. De techniek is ontwikkeld in het Engelse plaatsje Wilton.

• • •

Geraadpleegde literatuur • • • • • • •

• • • •

R. Baarsen, red. - De Lelijke Tijd 1835-1895, catalogus Rijksmuseum; Amsterdam 1995 A. Berendsen - Het Nederlands interieur 14501820; Utrecht 1950 E. Birnie - De Birnies; Twello 1997 H. de Bruyne - De geschiedenis van het tapijtknopen; niet uitgegeven manuscript 1967 Deventer als industriestad 1907; 43-45 De tapijtindustrie - Catalogus Stichting Onderwijstentoonstellingen; ’s Gravenhage (z.j.) T.M. Eliëns - Kunst-nijverheid-Kunstnijverheid De Nationale Nijverheidstentoonstellingen als spiegel van de Nederlandse kunstnijverheid in de negentiende eeuw; Zutphen 1990 E. Fleurbaay - Empire in het Paleis (tentoonstellingscatalogus); Amsterdam 1983 C.W. Fock (red) - Het Nederlandse interieur in beeld 1600-1900; Zwolle 2001 E. Geytenbeek - Deventer tapijten als vaste vloerbedekking voor aristocratische interieurs; Bulletin 2008 E. Hartkamp-Jonxis - Van Doornik naar Smyrna. Vloerkleden in Nederlandse paleizen in de

189

• • •

• • • • • • •

negentiende eeuw; Jong Holland nr.1 1996, 16-26 N.C.A. Herweijer - De Deventer tapijtfabriek 1797-1978; in Deventer Jaarboek 1997; 61-72 R. Hills - Kleurnuancen, T.A.C. Colenbrander als tapijtontwerper; Uit: Jong Holland nr. 2 1994; 6-31 L.F. Jintes, en J.T. Pol-Tyszkiewicz - Chris van der Hoef 1875-1933; Assen 1994 P. Karenbeld en W. Derksen - Eerste Nederlandsche Cocosfabriek; Geschiedenis van een weverij in Deventer en Diepenveen 18601969; Diepenveen 2010 M.R. van der Krogt - Koninklijk Verenigd - Functie en analyse van een vorstelijk predikaat; Voorburg 1991 M.R. van der Krogt - Een koninklijk gebaar Hofleveranciers in Nederland; Zaltbommel 2000 G.A.M.D. Langeveld-van Lith - Op weg naar industrieel vervaardigd tapijt in Nederland; Stichting Textielcommissie Nederland, Jaarboek 2006; 9-48 Paleis Het Loo: een koninklijk museum; Apeldoorn 2012 E. van Mensch - Tapijten uit Hilversum, Stichting Textielcommissie Nederland, Jaarboek 2006; 100-108 H.J. Oltheten - Het gebeurt overal in den lande De Koninklijke UD en de ontwikkeling van de sport in Nederland; Amsterdam 1998 W.J.C. van Paassen en J.H. Ruygrok - Textielwaren; Groningen 1958 V. J. Robinson - Eastern Carpets; London 1882 I. de Rode - De Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken na 1919; een nieuw bedrijf met nieuwe producten? Eerste resultaten van een onderzoek naar het onbekende KVT-archief; Tilburg 1997 J.D. Ros - Het ontwerpen van vlakornament; Rotterdam 1905 M. van Rooij-Berlage - Tapijten; Zaltbommel/ Antwerpen (z.j.) J.E. Scholten - Tapijtontwerpen in de collectie van het Goois Museum. Uit: Eigen Perk 1997 2 18-31 W.S. Sevensma - Tapestries; New York 1965 K. Sluyterman - Tapijtkunst en een Nederlandse tapijtfabriek Uit: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift 1905 (291-311) C. van der Sluys - Machinale textielkunst; Rotterdam 1925 Ed. Thorn Prikker - De Deventer Tapijtfabriek en Colenbranders ontwerpen; Uit: Onze Kunst 1903 62-69


• • • • •

• • •

M. Simon Thomas - KVT, Industrie & Vormgeving in Nederland 1850-1950. Stedelijk Museum Amsterdam, 1985, 94-97 M. Simon Thomas - De leer van het ornament, versieren volgens voorschrift 1850-1930; Amsterdam 1996 Joh. van Vloten - Aesthetica of schoonheidskunde in losse trekken voor Nederlanders geschetst; Deventer 1865 J.M.W. van Voorst tot Voorst - Tussen Biedermeier en Berlage, Meubel en Interieur in Nederland 1835 - 1895; Amsterdam 1992 A. Weltens - T.C.A. Colenbrander, Nederland’s eerste industrieel ontwerper, in T.A.C. Colenbrander en Plateelbakkerij “RAM” te Arnhem, Arnhem 1987, 9-35 A. Weltens - Theo Colenbrander tapijten; Harderwijk 2009 G.T. van Ysselsteyn - Geschiedenis der tapijtweverijen in de Noordelijke Nederlanden; Leiden 1936 (2 delen) J. R. van Zwet - Koninklijk Verbonden - 200 jaar Koninklijk; Den Haag 2007

Archieven • • • • • • • •

Collectie Koninklijke Verenigde Tapijtfabrieken Groenehartarchieven Gouda Collectie Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters - Stadsarchief Deventer Collectie Audax Textielmuseum Tilburg Collectie tapijtontwerpen Rijksmuseum Amsterdam Privé-archief Familie Peters Bedrijfsdocumentatie Moquette Industrie Deventer Bedrijfsdocumentatie Deventer Tapijtfabriek v/h Maurits Prins - Dinxperlo Verslag Burgemeester en Wethouders van den Raad der Gemeente Deventer 1855, 1857 en 1865

Historische kranten en tijdschriften • • • • • • • • •

Algemeen Handelsblad - 11 oktober 1934 De Bouwwereld 14e jg. nr. 36 Deventer Dagblad Deventer Courant Katholieke Illustratie 1882 Elseviers Geïllustreerd Maandschrift Natuur & Techniek 1950 Nieuwe Rotterdamse Courant NRC Handelsblad

Foto- en collectieverantwoording Hieronder de herkomst van de objecten met erachter vermelding van het paginanummer. Bij de foto’s van documenten die berusten bij Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek Deventer, het Historisch Museum Deventer en bij de Groene Hart Archieven te Gouda is de herkomst niet apart vermeld. Bij de foto’s van ontwerptekeningen en voorwerpen uit de collectie van het Historisch Museum Deventer is de herkomst wel aangegeven. Foto’s, documenten en voorwerpen van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters berusten, tenzij anders vermeld, bij H.J. Peters, in Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek Deventer en bij het Historisch Museum Deventer. Op termijn zal het archief van H.J. Peters zo compleet mogelijk naar Stadsarchief- en Athenaeumbibliotheek Deventer overgebracht worden. • • • • • • • • • • • • •

Amsterdam Museum, foto Monique Vermeulen:185. Audax Textielmuseum, Tilburg: 154 linksonder. Collectie Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Amsterdam: 17 midden. Gemeentemuseum Den Haag: 145 rechtsboven. Historisch Museum Deventer: 44 onder, 152 rechts, 153 links, 156-163 links, 164-165 en 171 onder. Museum voor Communicatie, Den Haag: 139 midden. Paleis Het Loo Nationaal Museum, Apeldoorn: 51 en 136. Foto’s Stef Verstraaten, Nijmegen. Rijksmuseum, Amsterdam: 2, 29 midden, 142, 143, 144, 145 links, 147 onder en 159 onder. J B Speed Artmuseum, Louisville Kentucky USA: 12. Met vriendelijke toestemming van Streekmuseum De Roode Tooren, Doesburg. Collectie J. en P. Koning: 180 en 181. Collectie W. de Jong: 68 boven. Collectie familie Dietrich: 110 linksboven. Particuliere collecties Deventer: 31, 142 midden, 145 midden en 163 rechts.

190


.

Karpetten uit 1957

Op de schutbladen staan de karpetten uit het jubileumalbum van de Mechanische Tapijtweverij van H.J. Peters uit 1957 allemaal afgebeeld..

191


Woord van dank Dit boek had nooit tot stand kunnen komen zonder de informatie, zonder de tips, zonder het meelezen en meedenken en zonder het toespelen van interessante informatie door een reeks van mensen en instellingen. Onze dank gaat uit naar: Bijzondere dank voorts naar: De medewerkers van de Groene Hart Archieven in Jef en Peter Koning voor hun informatie en Gouda, Joke Radstaat, Cathelijne Timmermans en documentatie over de tapijtfabriek Peters en vooral die Coretta Wijbrans en die van het Deventer Stadsarchief over hun moeder, de ontwerpster en kunstenares Mini en Athenaeumbibliotheek Hylle de Beer en Annelien Peters. Keen. Daarnaast ook de medewerking van het Audax drs Roel Smit-Muller voor het beschikbaar stellen van Textielmuseum Tilburg en het Prentenkabinet van het producten en documentatie. Rijksmuseum Amsterdam. Wilbert Derksen en Pier Karenbeld van de Historische Vereniging Diepenveen voor het beschikbaar stellen van De oud-directeur van de Mechanische Tapijtweverij van hun onderzoeksgegevens naar de Eerste Nederlandsche H.J. Peters, Hendrik Jan Peters, voor het beschikbaar Cocosfabriek. Naar Theo Rijks en Willy te Grotenhuis in Dinxperlo stellen van zijn familiearchief, evenals de ouddirecteuren Carl Dietrich, Ine Dietrich-Hegerhorst voor het opvullen van de witte vlekken in de en Mannes Geltink van de Moquette Industrie geschiedenis van de Deventer Tapijtfabriek Maurits Deventer voor hun vaak persoonlijke verhalen en Prins. bedrijfsdocumentatie en Alard Peursum van Robusta/ Naar Willy Hoogstraten voor zijn nooit opdrogende M.I.D. Carpets in Genemuiden voor zijn bereidwilligheid informatiebronnen. inzicht te geven in de staat van de MID anno nu. En niet En Arjen Woudenberg van KMuitgevers voor zijn te vergeten oud-bedrijfsingenieur van de KVT Deventer inventiviteit. ir. Wim de Jong. En verder naar: • Tapijtmuseum Genemuiden De medewerksters van het Historisch Museum • Edel Tapijt Genemuiden Deventer Dorien Hagedoorn en Evelien Verkerk voor • Henny Kerkdijk de uitwisseling van gedachten en gegevens tijdens de • René Berends organisatie van de expositie Geknoopt en Geweven, • Eric Giesbers welke samenviel met de productie van dit boek. • Charles Boissevain Een bijzonder woord van dank aan Theo de Kreek voor • Fam. Hubers zijn toegewijde fotografie en fotobewerking. • drs Ebeltje Hartkamp-Jonxis Onze gewaardeerde meelezers Gijs van Elk en Cile M. • Arno Weltens Schulz. • Barbara Broekman

Colofon Titel Geknoopt & Geweven, de kleurrijke geschiedenis van de Deventer Tapijtindustrie Auteurs Sam de Visser en Nina Herweijer Fotografie en fotobewerking Theo de Kreek Vormgeving en productie KMuitgevers, Zutphen Uitgever Stichting Industrieel Erfgoed Deventer i.s.m. Historisch Museum Deventer en KMuitgevers 2012 DEVENTER TAPIJT

ISBN 978 90 75979 817 NUR 693

Wesselingsvan Bremen Fonds

Stichting het Iordenshofje

© Niets uit de uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieeën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

192



1932

1933

1934

1937

1938

1939

1942

1943

1944

1947

1948

1949

1952

1953

1954


1934

1935

1936

1939

1940

1941

1944

1945

1946

1949

1950

1951

1954

1955

1956


Deventer had gedurende ruim twee eeuwen vijf tapijtfabrieken binnen zijn poorten. Dit boek beschrijft de kleurrijke geschiedenis van deze bijzondere, maar helaas verdwenen bedrijfstak. De oudste fabriek start al in het jaar 1797 en vervult daarmee een industriĂŤle pioniersrol; niet alleen in Deventer maar ook landelijk. De Deventer tapijtfabrieken behoren lang tot de grotere werkgevers van Deventer en zijn befaamd in binnen- en buitenland. Niet alleen om de uitstekende kwaliteit van hun producten, maar ook door de verfijnde dessins. Ontwerpers van naam zorgen voor een hoge kunstzinnige waarde. Met name de handgeknoopte Deventer tapijten sieren menig deftige salon. De auteurs Sam de Visser en Nina Herweijer hebben de nodige ervaring op het terrein van de industriĂŤle en kunsthistorische studies en publicaties. Sam de Visser studeerde geschiedenis en was gedurende 40 jaar werkzaam in de journalistiek. Nina Herweijer is kunsthistorica en was conservator en later directeur van de Deventer Musea.

M

K

Stichting Industrieel Erfgoed Deventer Historisch Museum Deventer KMuitgevers

uitgevers