__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

ZAAL Z

Met artist in residence Robin Verheyen en met werffotograaf Karin Borghouts INVENTARISNUMMER Joris-Karl Huysmans over Massijs / NIEUWE RUBRIEKEN met o.m. Bernard Dewulf en Marc Didden / TWEELUIK Voor het laatst door Nanny Schrijvers GESPREK

1

JG 8 / NR 31 / DEC 19 - FEB 20

KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN


2

IN DIT NUMMER

KLEINE LETTERS

Nieuw! Korte berichten over en uit het museum TWEELUIK

Draperingen, baldakijnen, gordijnen… Ze hebben meer dan één functie in de kunst.

> 22-23

Een blik op enkele minder bekende werken uit de collectie > 12-16

GESPREK

Wereldsaxofonist en KMSKA-artist in residence Robin Verheyen liet zich inspireren door de ‘Madonna’ van Fouquet. Over een wereldprimeur en

MUSEUMMUZE

klankkleuren > 4-9

‘Kunst is voor ons ontzettend belangrijk.’ SOUVENIR

Architect Jan De Vylder van architecten de vylder vinck taillieu

WAT DOEN WIJ NU?

Jan Cox stuurt nieuwjaarswensen

(dvvt) over zijn vriendschap met

‘Na twaalf jaar is dit echt m’n vertrouwde omgeving. We vormen één grote museumfamilie.’

> 17-21

beeldende kunst > 24-28

Johan Willems, o.m. depotbeheerder > 10-11


3

GESPREK

Foto’s maken met een schildersoog. Zo werkt de werffotograaf van het KMSKA. AANBEVOLEN Gesprek met Karin Borghouts > 36-41

‘Er zijn veel boeken die ik zo goed vind dat ik na een paar bladzijden veel trager begin te lezen.’ Daniëlle Dierckx > 44-47

ONGEZIEN

Nieuw! Voortaan kijkt Bernard Dewulf met zijn scherpe blik en zijn prachtpen in de hand naar KMSKA-werken. INVENTARISNUMMER

> 34-35

Joris-Karl Huysmans lyrisch over ‘onze’ Quinten Massijs FLANEUR ‘Altaarstuk van het schrijnwerkersambacht’ > 29-33

Nieuw! Over de ontdekking van de kleine kantjes in musea

OP DE COVER

Een winters tafereel uit Frankfurt

Marc Didden over museumhoreca en wat erop volgt > 42-43

Lucas van Valckenborch en zijn ‘Vismarkt’ > 48-49


4

GESPREK Op 28 november ging Blues, Reds and other Songs in wereldpremière, een creatie van saxofonist-componist Robin Verheyen, artist in residence van het KMSKA. Vertrekpunt en inspiratiebron is Fouquets Madonna. Hoe ging dat in zijn werk? Een gesprek.

‘IK SCHILDER MET KLANKKLEUREN’ GESPREK DOOR MANFRED SELLINK TEKST DOOR PATRICK DE RYNCK

Robin Verheyen (1983) behoort tot de wereldtop van de jazzsaxofonisten. Wie al samenwerkte met zwaargewichten als Gary Peacock, Marc Copland, Drew Gress en vele anderen, onder wie Toots Thielemans, mag dat zeggen. De geboren Turnhoutenaar Verheyen woont en werkt sinds 2006 in New York en richtte al diverse bands en kwartetten op. Hij is ook uitgegroeid tot een componist die niet voor één muziekgat te vangen is. Dat blijkt uit wat volgt. Beeldende kunst en de bijbehorende musea, betekende dat iets voor de jonge Robin Verheyen? ‘Zeker. Ik mag het nu wel onthullen: ik heb als tiener aan de kunsthumaniora ooit een dag gespijbeld om naar het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten te kunnen gaan. Beeldende kunst inspireert mij, zeker sinds ik in Antwerpen op kot zat en aan de kunstacademie studeerde. Daarna ben ik naar het Lemmensinstituut in Leuven getrokken. Ik herinner mij ook reizen in Italië met mijn ouders, en bezoeken aan grote musea, bijvoorbeeld in Firenze. Dat was altijd heel inspirerend. Nu nog: ik maak er in New York een gewoonte van het MoMa en andere musea te bezoeken en er nieuwe dingen te ontdekken voor mijn werk als componist en saxofonist.’

Je noemt het MoMA. Gaat het dan vooral om actuele kunst? ‘Nee, het gaat breed. Net zoals in de muziek. Wat mij boeit gaat van de polyfonie tot nu. Ik probeer mij ook te laten inspireren door het actuele, door wat er nu gaande is in de wereld. Maar ik ga met evenveel plezier naar Rubens kijken.’ Wat was je beeld van het KMSKA? ‘Ik denk dan vooral aan iconen uit de Vlaamse schilderkunst. Ik herinner mij bijvoorbeeld de grote zaal waar de Rubensen hingen. Dat maakte destijds grote indruk. Die associaties heb ik recent, door in het archief te kunnen kijken, kunnen aanvullen met nieuwe ontdekkingen, zoals het werk op papier van Rubens. Prachtig. Ook de moderne kunst in jullie brede en rijke collectie.’


5

Robin Verheyen

Cello + sax = ? Was je verbaasd toen we je vroegen om artist in residence te worden? ‘Ik was in de eerste plaats vereerd en vond het inspirerend om mij te kunnen verdiepen in een andere kunst. Die mogelijkheid krijg je niet vaak: dat je de tijd kunt nemen daarvoor. Nu heb ik mij kunnen concentreren op dit ene werk en de periode waarin het is gemaakt. Ik heb veel nieuws ontdekt, zoals de muziek van die tijd. Dat kan ik meebrengen naar mijn composities.’

‘Ik heb als tiener aan de kunsthumaniora ooit een dag gespijbeld om naar het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten te kunnen gaan.’ - Robin Verheyen


GESPREK

Waarom koos je voor je nieuwe compositie ook de interesse, denk ik. Als je in je omgeving voor de ‘Madonna’ van Fouquet? iemand ziet tekenen en schilderen… Maar ik schil‘Het schilderij sprak mij meteen aan, eerst door de der met klankkleuren. Ik ken mijn beperkingen.’ kleuren. Er spreekt een warmte uit de voorstelling (lacht) van moeder en kind. Je voelt ook dat er passie in zit, bedoeld. Er zit veel achter. De contrasten spreken Op het oor meteen aan om ze in muziek om te zetten. Kleur Behalve van Fouquet komt de inspiratie voor was voor mij altijd al belangrijk, ook in de muziek. je nieuwe compositie, die ongeveer een uur Als we aan het improviseren zijn met een ensem- duurt, ook van de polyfonisten. ble, denk ik niet noodzakelijk in de noten die ik ‘Ik heb mij verdiept in het Ave Maris Stella van de speel, maar ook in de kleur die ik erbovenop ga leg- 15de-eeuwer Guillaume Dufay, als een soort van gen. Ook bij het componeren denk ik vaak: welke vertrekpunt. Ik laat het thema in verschillende kleur ga ik erbij brengen door dit of dat instrument vormen terugkeren. Soms zijn het fragmenten en die groep van noten te gebruiken? Kleur en mu- van een melodie, soms de eerste drie vier noten. ziek relateren voor mij sterk. Een van mijn eerste Ik maak er ook notenclusters mee, in allerlei transalbums heet niet toevallig Painting Space. Met posities. Maar ik heb me ook laten inspireren door kleur creëer je in de muziek en de schilderkunst de 101 variaties die Soriano daar begin 17de eeuw ruimte. En illusies van ruimte. Dat probeer ik ook op schreef. Hij gebruikt de meest gekke canons, teweeg te brengen in de muziek die ik creëer, in dit met vreemde en voor die tijd ongewone intervallen. geval voor een strijkerstrio, piano en saxofoon: wat Er bestaan geen opnames van en je moet dus je voor kleur geeft het als ik cello samenzet met tenor- verbeelding laten werken. Ik probeer mij nooit te saxofoon? Wat voor gevoel geeft dat? Zo heeft mijn sterk vast te pinnen op het kopiëren van het techbredere manier van denken als componist zich nisch materiaal. Als jazzmuzikant luister ik honontwikkeld. Schilderkunst en beeldhouwkunst derden keren “op het oor”, tot een werk helemaal zijn daar mee verantwoordelijk voor.’ “in mij” zit. Dan probeer ik het los te laten en kom ik met een blank slate: wat blijft ervan over? Wat Er zijn in de jazz opmerkelijk veel dubbelbehoud ik voor mijn nieuwe compositie? Zo ben talenten: Miles Davis, Anthony Braxton, ik tewerk gegaan.’ de Belg Chris Joris ook… ‘Ik heb absoluut geen teken- of schildertalent. Mijn Je samenwerking met het Goeyvaerts Strijkgrootvader was schilder, vooral van religieuze trio is verrassend voor een buitenstaander. schilderijen en iconen. Hij kopieerde bijvoorbeeld Zij staan bekend om hun nieuw-klassieke Rubens. Ik ben er dus wel mee opgegroeid. Het zit repertoire, in het zog van hun naamgever, de in de familie. Mijn moeder schildert ook. Vandaar componist Karel Goeyvaerts. ‘Ik was al fan en zag hen een aantal keer live, voor het eerst op het festival Passages in Sint-Niklaas, waar ze mij hadden geïnviteerd. Ze waren onlangs ook in New York, waar ze af en toe komen, en traden op in het Guggenheim Museum. Ook Karel Jean Fouquet, Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, Goeyvaerts is voor mij een inspiratiebron. Ik leerde olieverf op paneel, 92 × 83,5 cm, KMSKA

7


8

GESPREK

Het Goeyvaerts Strijktrio: v.l.n.r. Kris Matthynsens, Fedra Coppens en Pieter Stas

hem kennen aan het Lemmensinstituut, toen daar werk van hem werd uitgevoerd. Ik heb toen composities van hem bestudeerd en me recent onder meer laten inspireren door Une nuit à Montecarlo, een werk voor kamermuziekensemble. Ik heb dus een connectie met de seriële school van denken en met Goeyvaerts. Het is een deel van mijn taal. Dat zul je horen in het nieuwe werk, zoals in de canon die is gecomponeerd met een twaalfnotenreeks. Ik ben overigens ook een grote fan van de strijktrio’s van Anton Webern. Met het trio voelde ik meteen dat we muzikaal op dezelfde lijn zaten.’

En dan is er nog pianist Marc Copland, een vaste partner. ‘Hij is een prachtig voorbeeld van een pianist die kleuren speelt en een sfeer creëert. Ik voelde mij altijd aangetrokken tot zijn harmonieën. Hij heeft ook enorm veel ervaring, als prille zeventiger. Marc speelde met een heel aantal jazzgrootheden, maar verdiepte zich ook in klassieke componisten. Dat hoor je in zijn spel. De uitdaging hier was vooral te schrijven op een manier die aan iedereen ruimte en vrijheid geeft om hun kwaliteiten toe te voegen. Ik heb het werk daarom niet volledig uitgeschreven.


GESPREK

‘Fouquet is bij mij geïnternaliseerd. Elke engel zie ik voor mij…’

- Robin Verheyen

Voor het strijktrio wel, maar Marc laat ik vrij in bepaalde passages. Daar houd ik het bij richtlijnen. Hetzelfde geldt voor mezelf.’

Moessorgski Heel boeiend, die ogenschijnlijk vanzelfsprekende combinatie van bronnen: seriële muziek, polyfonie, Webern… Ik ken je werk behoorlijk, maar dat associeerde ik er tot nu toe niet meteen mee. ‘Dat is ook geëvolueerd. Mijn taal is in ontwikkeling, van bij het begin. Alle projecten die ik doe verrijken mij mentaal. Je verdiepen in iets heeft soms een paar jaar nodig om een deel van jezelf te worden. Ik had dat ook met de muziek van Olivier Messiaen, die een groot deel van mijn taal is geworden. Ik heb die vijftien jaar intensief bestudeerd, vooral zijn modi, die ik nu vaak gebruik in improvisaties. Ze zijn een deel van mij geworden. Ik hoef er niet meer over na te denken. In dit nieuwe werk zitten ook modi van Messiaen. Dat is voor mij het uiteindelijke doel van elke componist: dat je je taal blijft verrijken en dingen eigen maakt die je nog niet kent.’ Stond Fouquet in de buurt terwijl je componeerde? Heb je het ook geïnternaliseerd? ‘Het werk stond niet aan mijn piano, nee. (lacht) In mijn achterhoofd zat het wel, ja. Daar is ook de titel van het stuk uit gekomen. Het was present. En je valt ook terug op de essentie van zo’n werk wanneer je wat vastzit of een richting zoekt. Zo kom je weer op iets nieuws. Fouquet is dus bij mij geïnternaliseerd. Elke engel zie ik voor mij…’ (lacht)

Maakte je eerder al muziek met beeldende kunst als inspiratiebron? ‘Op deze manier is het een van mijn eerste keren. Maar onbewust is het zeker al gebeurd. Er zijn momenten geweest dat ik na een bezoek aan het MoMa ben beginnen te schrijven, bijvoorbeeld na een tentoonstelling met werk van Picabia, waar ik prachtige dingen zag. Maar niet bewust, nee.’ Toen we je vroegen als artist in residence, opperde je het idee om een soort van muzikale audioguide te maken, op z’n Moessorgski’s. ‘Dat zit zeker nog in mijn hoofd. Ik denk dat het een meerwaarde kan zijn voor museumbezoekers. Ik herinner me dat ik vroeger, met mijn walkman op, het museum bezocht en meteen connecties voelde bij het kijken naar bepaalde schilderijen. Dat kan iets bijzonders worden. Je gaat er zeker anders door kijken. Nu ook: door het luisteren naar Dufay en het kijken naar Fouquet maak je andere connecties.’

robinverheyen.be marccopland.com stringtrio.net

9


10

WAT DOEN WIJ NU?

‘ELK KUNSTWERK IS UNIEK’

In deze rubriek stellen medewerkers van het museum zich voor. Een blik op de bedrijvigheid achter de museummuren, in de aanloop naar het nieuwe museum.

Wie? Johan Willems Functie? Technisch assistent, depotbeheerder en behoudsmedewerker Hoe lang actief in het museum? 12 jaar DOOR VÉRONIQUE VAN PASSEL PORTRETFOTO JACQUES SONCK

Wat doe je? ‘Ik ben gebouwverantwoordelijke voor onze site in de haven: een depot, een restauratieatelier, een houtbewerkingsatelier, een kantoorgedeelte en een laad- en loskade. Als depotbeheerder zorg ik ervoor dat de collectie in het interne en externe depot in de best mogelijke omstandigheden wordt bewaard qua temperatuur en luchtvochtigheid. En zonder ongedierte.’ ‘Mijn taak als behoudsmedewerker bestaat er onder meer uit kunstwerken te verplaatsen, lijsten te verstevigen en klimaatboxen te maken voor klimaatgevoelige panelen. En ik assisteer ook bij de kunsttransporten. Ik let erop dat een kunstwerk ingepakt en ingeladen wordt volgens de regels van de kunst. Af en toe reis ik mee als koerier.’

Wat vind je plezierig aan je job? ‘De afwisseling. Elk kunstwerk is uniek. Bij een probleem is er dus geen standaardoplossing. Ik vind het bijzonder prettig en leerrijk om een beslissing af te wegen met mijn collega’s. Naast onze drie vaste restauratoren werken hier heel wat freelancers, stagiairs en tijdelijke medewerkers, met allemaal eigen standpunten. Zo krijg je veel ideeën.’

Zijn er taken die je minder goed liggen? ‘Vergaderen! (lacht). Veel hangt natuurlijk af van wie de vergadering trekt. Ik hou niet van oeverloos palaveren.’

Hoogtepunt in je carrière in het museum? ‘Mijn promotie van nachtwaker, vóór de sluiting, naar depotbeheerder. Dat geeft zoveel meer voldoening… Ik zie ook veel meer mensen. Toen ik depotbeheerder werd, was mijn voorganger al even met pensioen. Hij is een paar keer langs geweest om me wegwijs te maken in materialen en toepassingen. Hij leerde me de tricks of the trade, zoals hoe je gelaagd glas moet snijden.’

Het minst leuke moment? ‘ Voor ik depotbeheerder werd, heb ik even meegedraaid in de bibliotheek. Een fijne plek, maar niet echt iets voor mij. Voordeel was dat ik door overdag te werken meer bij mijn kinderen kon zijn.’

Je lievelingskunstwerk? ‘Het museumgebouw zelf! Dat wordt dan nog eens “verrijkt” door de verbouwing. Straks krijg je twee kunstwerken in één: oude kunst plus een hedendaags kunstwerk. In tegenstelling tot de collega’s kom ik als beheerder van het interne depot gemiddeld eens in de maand in het gebouw op ‘t Zuid. Het jeukt dan om te gaan kijken hoe het geheel evolueert.’

Blij dat je in een museum werkt? ‘Ja! Na twaalf jaar is het echt m’n vertrouwde omgeving. We vormen één grote museumfamilie. En hoewel ik geen grote kunstkenner ben, apprecieer ik onze mooie kunstcollectie. Alleen jammer dat ik door mijn job vooral naar de technische kant kijk. Wanneer ik naar een tentoonstelling ga, draai ik de knop om en probeer onbevangen te kijken.’


11


12


TWEELUIK

DRAPEREN, VOUWEN, PLOOIEN

Uit het internationale aanbod van tentoonstellingen kiezen we er een. We leggen een rechtstreekse band met de collectie van het KMSKA. DOOR NANNY SCHRIJVERS

In het Musée des Beaux-Arts in Lyon vindt deze winter een thematische tentoonstelling plaats: Drapé. Draper betekent ‘iets bedekken met een laken’. Maar gaandeweg maakt die letterlijke betekenis plaats voor het artistiek weergeven van draperingen. Het draperen en plooien van textiel is in een kunstwerk een middel om licht- en schaduwwerking of weerkaatsing weer te geven. Bij tweedimensionale werken is het vaak een manier om volumes te ‘belichamen’ of te accentueren. Bij sculpturen versterken draperingen de aanwezigheid in de ruimte en helpen ze om een zwaar beeld licht en dynamisch te maken. Draperingen geven ritme aan, ze stuwen de compositie in een richting en brengen zo leven in een figuur. Of in een scène.

Jean Antoine Verschaeren, Figuur op de rug gezien, z.d., dekverf, wit en zwart krijt op papier, 282 × 462 mm, KMSKA

Wapperen en omhullen Op het zijpaneel van Tronende Madonna van de Meester van de Antwerpse Triptiek van Maria (werkzaam tussen 1480 en 1499) wappert het sjaaltje van Georgius hoog boven hem uit. Dat moet wellicht de snelheid van zijn houwbeweging kracht bijzetten. Het sjaaltje is te hoekig en te artificieel gekreukt om zwierig te zijn. De figuur lijkt naïef en de draak is weinig overtuigend, maar de voile – die als kledingstuk niet echt functioneel is – blijft intrigeren. Stevige plooien die in rechte en hoekige lijnen vallen zijn krachtig en expressievol, maar niet geschikt om het soepele van textiel weer te geven. Dat is wel het geval bij de Figuur op de rug gezien Van Jean Antoine Verschaeren (1803-1863). Zijn lichaam is helemaal omhuld door een drapering, zonder dat het kledingstuk wordt gedefinieerd. Wat vooropstaat is de suggestie van de anatomie van de figuur en het beklemtonen van de ietwat gedraaide houding. Het is de lap stof die de man de trap laat ‘oplopen’, verlevendigd door de licht- en schaduwwerking van de plooien. De figuur wordt verstopt maar ook ontbloot. En al bedekt de drapering zijn naaktheid, toch wordt daardoor juist de anatomie geaccentueerd.

13


14

TWEELUIK Lady Godiva van Jozef Van Lerius (1823-1876) draagt zelfs geen jurk. Ze is helemaal naakt en vooraleer ze haar huis verlaat bedekt ze zich nog eventjes met de gordijnen. Haar paard staat vertrekkensklaar. Zonder die gordijnen zal ze haar naakte lichaam bedekken met haar extreem lange haren als ze over de markt van Coventry haar tochtje maakt.

Onthullen en verstoppen Gordijnen spelen een grote rol in de kunst. Ze vormen een omlijsting en doen dienst als een extra kader om de aandacht bij de zaak te houden. Bij stillevens is het vaak alsof er nog even gekeken mag worden voor het doek valt. Gordijnen, baldakijnen en voorhangsels maken wat getoond wordt precieuzer en belangrijker. Ze geven ook drama aan een tafereel en leiden de blik. Dat is natuurlijk niet alleen in de schilderkunst het geval. Onthullen en verstoppen als op een schouwtoneel: dat wist de romantische schilder Eugène Smits (1826-1912) mooi in beeld te brengen.

Boven: Meester van de Antwerpse Triptiek van Maria, Tronende Madonna, (1475-1499), olieverf op paneel, 67,5 × 21 cm, KMSKA Links: rechterluik; binnenkant Jozef Van Lerius, Lady Godiva, 1870, olieverf op paneel, 180,2 × 123,7 cm, KMSKA


16

TWEELUIK

Das Glück ist eine leichte Dirne, Und weilt nicht gern am selben Ort; Sie streicht das Haar dir von der Stirne Und küßt dich rasch und flattert fort. Frau Unglück hat im Gegentheile Dich liebefest an’s Herz gedrückt; Sie sagt, sie habe keine Eile, Setzt sich zu dir an’s Bett und strickt. Het geluk is een lichtekooi, die zich snel verveelt in elk oord. Zij strijkt je haardos in de plooi en kust je snel en fladdert voort.

Eugène Smits, Geluk en Ongeluk, z.d., olieverf op doek,

Vrouw Rampspoed daarentegen, drukt je stevig aan het hart. Ze zegt, ik heb een zee van tijd en zet zich naast je bed en breit.

156,8 × 203,6 cm, KMSKA

Heinrich Heine, Lamentationen, uit: Romanzero, Zweites Buch:, (1851), p. 118

AFSCHEID Dit is de laatste Tweeluik door KMSKAconservator Nanny Schrijvers, die in november met pensioen is gegaan. Nanny is een ZAAL Z-redacteur van het allereerste uur. Zij zat sinds nummer 1, juni 2012, in de redactie en schreef maar liefst 36 bijdragen, waaronder 30 voor ‘haar’ rubriek Tweeluik, die ook haar idee was. Haar kennis van de collectie en haar streven om ook onbekendere werken te belichten leverden ontzettend veel verrassingen op. De redactie dankt Nanny van harte voor alles. We zijn ervan overtuigd dat we ook in naam van onze lezers spreken.

Een man ligt te bed, al is bed misschien te bescheiden uitgedrukt. Als een enorm baldakijn wordt een gordijn met een zware koord opgehouden. Als het doek valt is hij helemaal verdwenen. Naast hem zit, helemaal in het zwart gekleed, Ongeluk. De man wenkt naar Geluk. Ondanks de overvloed aan textiel in deze ruimte heeft zij niets aan, op de fladderende voile aan haar ceintuurtje na. Ongeluk, in een glanzende zwarte jurk met een sleep die in hoekige plooien valt, kijkt de toeschouwer aan. Geluk kijkt naar de man en houdt tegelijk het gordijn open om vlug te verdwijnen.

Drapé in het Musée des Beaux-Arts de Lyon. Nog tot 8 maart 2020 www.mba-lyon.fr


17 Vondsten uit de rijke museumcollecties en -archieven. Met een beknopt commentaar.

NIEUWJAARSWENSEN VAN JAN COX

DOOR VÉRONIQUE VAN PASSEL

2019 was het Bruegeljaar, het Rembrandtjaar en het Matissejaar. Maar ook Jan Cox werd met diverse tentoonstellingen gevierd. Hij werd honderd jaar geleden in Den Haag geboren. Jan Cox (1919-1980) maakte er een gewoonte van om elk jaar nieuwjaarswensen te sturen naar zijn intimi. De wensen op deze bladzijden dateren van vóór de periode dat de kunstenaar in Antwerpen woonde, toen hij nog hoofd was van de schilderafdeling in de academie van The Museum of Fine Arts in Boston. De houtgravures en lino’s tonen Cox’ hoogsteigen picturale taal. Ze zijn deels figuratief en abstract, en tonen zijn verfijnde zin voor coloriet. Stuk voor stuk bruisen deze kunstwerkjes van het leven. De nieuwjaarswensen van Jan Cox maken deel uit van een anonieme schenking.

Jan Cox, Nieuwjaarswens, linoleumsnede, gekleurde inkt, papier, 141 × 91 mm, KMSKA


18

SOUVENIR

Jan Cox, Nieuwjaarswens, linoleumsnede, gekleurde inkt, papier, 252 × 256 mm, KMSKA


19

Jan Cox, Nieuwjaarswens, 1962, gekleurde inkt, papier, 294 × 102 mm, KMSKA


20

SOUVENIR

Jan Cox, Nieuwjaarswens, linoleumsnede, gekleurde inkt, papier, 220 × 150 mm, KMSKA


21

3861/8 Jan Cox, Nieuwjaarswens, houtgravure, inkt op papier, 195 × 233 mm, KMSKA


22

KLEINE LET TERS

Nieuws uit het museum en over projecten waar het KMSKA bij betrokken is. In sneltreinvaart.

KLEINE LETTERS De uitbundige lach Nieuw in de collectie! Het schilderij De uitbundige lach van Lovis Corinth (1858-1925) toont een passage uit Homeros’ Ilias. De god Hefaistos betrapt zijn vrouw Afrodite met haar minnaar Ares. Hij vangt ze met een net en roept alle mannelijke goden samen. ‘Shaming’ avant la lettre: de goddelijke toeschouwers gieren het uit. Corinth was een invloedrijke Duitse expressionist. Met deze aankoop wil het museum zijn verzameling Vlaamse expressionisten van een internationale context voorzien.

Bruegel op de planken TONEELHUIS / KUIPERSKAAI

LISABOA HOUBRECHTS

BRUEGEL 6 december 2019 t/m 27 mei 2020

Op 6 december gaat Bruegel van Lisaboa Houbrechts in première in de Antwerpse Bourlaschouwburg. De voorstelling schetst een caleidoscopisch portret van Pieter Bruegel de Oude en het tijdperk waarin hij zijn Dulle Griet creëerde. KMSKA-directeur én internationaal geroemd Bruegelkenner Manfred Sellink leverde inhoudelijke informatie en inspiratie voor dit stuk. De voorstelling gaat vanaf januari op tournee in binnen- en buitenland. Meer info en tickets: toneelhuis.be

Ensor ruilt Oostende in voor Berlijn Nog tot 1 maart kan je een uitgebreide selectie Ensorwerken uit het KMSKA bewonderen in de expo Dromen van Parelmoer in Mu.ZEE. De Antwerpse Ensorcollectie heeft de voorbije jaren de hele wereld gezien. Van New York tot Los Angeles. Van Kopenhagen tot Tokyo. Na de expo in Oostende maken we enkele werken klaar voor een reis naar de Alte Nationalgalerie in Berlijn. Daar zal o.a. De intrige schitteren in een expo over het Belgische symbolisme. Vanaf 14 mei 2020. Meer info: muzee.be / smb.museum


KLEINE LET TERS

De grootste Van Eyck-expo ooit In het voorjaar van 2020 organiseert het Museum voor Schone Kunsten van Gent de grootste Van Eyck-tentoonstelling ooit. Wereldwijd zijn er van de Vlaamse primitief een twintigtal werken bewaard. Zeker de helft daarvan reist naar Gent. Van Eycks werken worden samengebracht met meer dan honderd topstukken uit de late middeleeuwen. Ook het KMSKA stuurt twee topwerken van de meester uit: Heilige Barbara van Nicomedië en Madonna bij de fontein. Meer info: mskgent.be

Vzw KMSKA Vanaf 2019 is het KMSKA een vzw. Bedoeling is dat het museum de nodige zuurstof en armslag krijgt om zich te ontpoppen tot een sterke culturele ondernemer. Bij zo’n vzw hoort een raad van bestuur die de algemene koers zal uitzetten. Het KMSKA-bestuur telt elf leden: Luk Lemmens (voorzitter), Caroline Bastiaens (ondervoorzitter), Jan Braeckmans, Dirk Bulteel, Ingrid Gonnissen, Virginie Lietaer, Lara Paemen, Guy Peeters, Ingrid Stevens, Mark Tijsmans en Dirk Vandekerckhove.

Oude meesters, nieuwe website Naast de museumgevel onderging ook de website van het KMSKA een grondige renovatie. Op kmska.be lees je alles over de verbouwing, de collectie en het allerlaatste museumnieuws. Je ontdekt er ook hoe jij het museum kan steunen. Bekijk zeker de online videoserie KMSKA Backstage. Die toont je hoe wij met man en macht aan ons museum bouwen. In drie afleveringen – over het masterplan, de collectiepresentatie en het restauratieatelier – krijg je een unieke blik achter de schermen.

In restauratie: Groentemarkt van Joachim Beuckelaer Restaurator Eva van Zuien werkt momenteel volop aan Groentemarkt van Joachim Beuckelaer. Deze rijkelijk gevulde en virtuoos uitgewerkte marktscène zat verborgen achter een dikke vergeelde vernislaag. Ook deden verschillende verkleurde retouches afbreuk aan het schilderij. Hoog tijd dus om de vernis te verwijderen, retouches weg te nemen en lacunes in het verfoppervlak opnieuw te vullen en bij te werken. Dit restauratieproject is mogelijk dankzij de steun van de spelers van de Nationale Loterij.

23


24

MUSEUMMUZE

Welke kunstwerken uit de collectie van het KMSKA inspireren kunstenaars van nu? En waarom?

EEN KLEINE GROTE WERELD DOOR VEERLE DE MEESTER

Het gaat hard voor architecten de vylder vinck taillieu (dvvt). In 2018 wonnen ze op de architectuurbiënnale van Venetië de Zilveren Leeuw voor jong en beloftevol werk en in september ging een tentoonstelling in Japan open met een presentatie van hun werk. Een afspraak inplannen met Jan De Vylder blijkt door een meer dan volle agenda moeilijk. Maar de technologie snelt ons te hulp: dankzij FaceTime spreek ik hem in Zürich, waar hij lesgeeft aan de architectuuropleiding ETH. Een gesprek over beeldende kunst, Magritte en huiselijkheid. En we grasduinen door de collectie. Jullie zijn architecten. Wat is jullie relatie met beeldende kunst? ‘Kunst is voor ons ontzettend belangrijk. Ik word eerder warm van beeldende kunst dan van architectuur. Er is dus, denk ik, meer vriendschap met kunst. Wanneer ik over iets nadenk in verband met architectuur, komt er vaak eerder een kunstboek op tafel dan een boek over architectuur. Maar ik wil voorzichtig zijn met zo’n uitspraken, omdat je al snel het gevaar loopt dat je er je een zekere allure mee wil aanmeten. Het klinkt algauw of je er echt

heel veel van weet, en dat is niet helemaal waar. Je weet ervan van wat je ziet, wat je meemaakt.’ ‘Soms ga je er dieper op in om het verhaal beter te kennen, maar vaak is het zo dat het aanschouwen, het zien of ontdekken van een kunstwerk, voldoende is, zonder daar de hele context van te willen of kunnen begrijpen. Verder blijkt dat veel van de dingen die wij doen gelinkt worden aan beeldende kunst. Naast architectuurscholen vragen ook kunstopleidingen ons voor lezingen, vaak vanuit het idee dat er een connectie is. We balanceren wel vaker op die rand, welllicht omdat we in ons werk expliciete beslissingen in verband met lijnen, kleuren en details toelaten. Soms gaan we ook letterlijk tekenen op gebouwen.’

Architectuur aan de keukentafel Verrast het jullie dat men de link legt tussen jullie werk en beeldende kunst? ‘Ik houd mezelf eraan dat, gelijk wanneer iemand iets zegt over ons werk, ik dat aanvaard. Zo schreef Moritz Küng een artikel waarin hij heel letterlijk tien schilderijen van René Magritte naast tien ontJean Brusselmans, Rozen, 1933, olieverf op doek, 99 × 89 cm, KMSKA


MUSEUMMUZE

25


26

MUSEUMMUZE

Rik Wouters, De strijkster, (1912), olieverf op doek, 107 × 123 cm, KMSKA


MUSEUMMUZE

Wouters, Rubens, Ensor

‘Het licht lijkt weg te stralen van objecten, alles in het schilderij straalt. Er gaat een ongelooflijke energie, kracht en liefde van uit.’ - Jan De Vylder

werpen van ons plaatst. Magritte wordt wel vaker geciteerd wanneer het over ons werk gaat, maar als het zo expliciet gebeurt, is dat een vreemde ervaring. De lichte verhouding die je tot dat werk hebt wordt dan ineens een soort bewezen verband.’ ‘Magritte fascineert ook om andere redenen. Ik heb een tijd jaarlijks een bezoek gebracht aan zijn huis in de Esseghemstraat in Jette. Ook mijn studenten nam ik daar verplicht mee naartoe. Dat biedt een interessante inkijk in zijn leven en manier van werken. Magritte maakte zijn kunst bijvoorbeeld ook in de eetkamer en hij ontwierp zelf de meubelen in Japanse stijl, heel laag, heel abstract. De inrichting werd deels door hem en deels door zijn vrouw gedaan. Die anekdotes vind ik interessant, omdat ze dicht bij het leven staan. Veel van de dingen die ikzelf teken ontstaan niet op bureau maar aan de tafel in de eetkamer. Niet dat ik dat bewust ben gaan doen, maar ik troost me wel met de gedachte dat architectuur niet gemaakt wordt in de ijlheid van een bureau, maar dat ze ook thuis aan tafel tot stand komt.’

Welke werken in onze collectie spreken je aan? ‘De strijkster uit het eerder beperkte oeuvre van Rik Wouters, dat toch zo groot is. De onmiddellijkheid van de omgeving, de huiselijkheid. Onwaarschijnlijk hoe hij van zo’n kleine wereld zo’n grote wereld maakt. De merkwaardige combinatie van licht en kleur, die hij beide steeds anders sorteert. Ik kan me moeilijk voorstellen dat het in het echt zo kleurrijk was, maar hij moet het wel zo gezien hebben. Het licht lijkt weg te stralen van objecten, alles in het schilderij straalt. Er gaat een ongelooflijke energie, kracht en liefde van uit.’ ‘Ook in ons werk zoeken we die huiselijkheid op. Niet alleen in de huizen die we bouwen, maar bijvoorbeeld ook als het een kindercrèche betreft. Het gaat over thuiskomen, invulling geven aan een leven: “how to house a life”. Bij Rik Wouters kan je zeggen: “how to paint a life”. Dat dagelijkse vind ik ook bij Jean Brusselmans terug. Ik ben enorm onder de indruk van Rozen. De contouren van de vaas die op het schilderij getekend zijn, veranderen het schilderij in een tekening.’ ‘Verder merkte ik De verloren zoon van Rubens op, met links het kaarsje dat de donkere stal oplicht. Dat detail is heel krachtig ten opzichte van de luminositeit van de hemel. Ernaast heb je het perspectief met de koeien en rechts de openheid naar de andere schuur. Dat zijn architectuurkamers. Het schilderij toont hoe je sequentie kan brengen in zaken. Hier zet zich dat ook voort buiten het gebouw. Sequentie en perspectief zijn belangrijk in architectuur. De positie van een deur kan daar beslissend in zijn. Wanneer men die juist plaatst, ontstaat er een gevoel van ruimtelijkheid.’ ‘Dan hebben we het nog niet gehad over James Ensor, met zijn licht en zijn ironie. En sinds ik een paar jaar geleden, via zijn kleinzonen die bij mij in opleiding zaten, de niet zo bekende Italiaanse schilder Giancarlo Vitali leerde kennen, ben ik een grote fan. Een deel van zijn werk doet me aan Ensor denken. Ik zag ooit een tentoonstelling van hem in Casa del Manzoni in Milaan, met als scenograaf van dienst Peter Greenaway.’

27


28

Mag ik je nog vragen naar een tip voor een museumbezoek? ‘Een beetje een raar, klein museum is de woning van sir John Soane in Londen. Een merkwaardig gebouw met een verzameling, een soort rariteitenkabinet. Het is klein en oogt bijna onprofessioneel. Het lijkt, maar dat is natuurlijk niet zo, veel rommel in te houden. Het ensemble is iets bijzonders. Wanneer ik in Londen ben, probeer ik er steeds even langs te gaan. Bezoek het op dinsdagnamiddag, wanneer het er rustig is.’ architectendvvt.com

Peter Paul Rubens, De verloren zoon, (1618), olieverf op paneel, 108 × 156,2 cm, KMSKA


INVENTARISNUMMER 245

Wat is het verband tussen een befaamd drieluik van Quinten Massijs en de grote Franse auteur Joris-Karl Huysmans? Wat trof Huysmans aan dit werk?

GETROFFEN DOOR DE PASSIE DOOR SISKA BEELE

In 1508 bestellen de Antwerpse schrijnwerkers bij Quinten Massijs (1466-1530) een altaarstuk voor hun kapel in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Op het middenluik willen ze een bewening van Christus en op de zijluiken hun patroonheiligen, Johannes de Evangelist en Johannes de Doper. Massijs voltooit het monumentale, kostbare drieluik in 1511. De lotgevallen van dit altaarstuk zijn op zijn minst bewogen te noemen. Karel van Mander, de eerste kunsthistoricus van de Lage Landen, bespreekt in zijn Schilder-Boeck het drieluik uitvoerig en prijst het als ‘een zeer uitmuntend, gedenkwaardig en kunstig stuk’. In 1566 blijft het gespaard van de razende beeldenstormers. Wegens zijn ‘uitnemendheid’ zegt Van Mander. Wanneer in 1577 Filips II van Spanje en Elizabeth I van Engeland het tegen een buitengewoon hoge prijs willen kopen, kan kunstschilder Maerten de Vos het stadsbestuur ervan overtuigen het werk voor de stad te verwerven. Na een kort verblijf in het stadhuis wordt het in 1590 teruggeplaatst in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. In 1797 kan kunstenaar Willem Herreyns op zijn beurt verhinderen dat het door de Franse troepen naar Parijs wordt weggevoerd. Het altaarstuk wordt overgebracht naar de academie, waar het dienstdoet als

studiemateriaal voor de leerlingen om zich van hieruit uiteindelijk bij de collecties van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te voegen. Het wordt vrijwel onmiddellijk een geliefd icoon en dat is het nog altijd. Gelovigen en liefhebbers uit andere tijden en uit verre landen worden telkens weer ontroerd door dit meesterwerk van een van Antwerpens grootste kunstenaars.

Met brille In het jaar 1897 verblijft de Franse auteur Joris-Karl Huysmans (1848-1907) een poosje in België. Hij is op doorreis naar Schiedam om zijn relaas over de middeleeuwse heilige Lidwina voor te bereiden. Brussel valt hem tegen en Gent noemt hij een sinistere, sombere en goddeloze plek. Gelukkig bieden de kerken van Brugge en het museum van Antwerpen soelaas. Bij een eerder museumbezoek in 1895 was het retabel met de zeven sacramenten van Rogier van der Weyden voor hem een

29


30

INVENTARISNUMMER 245

openbaring. Deze keer is Massijs’ schrijnwerkerstriptiek dé ontdekking. Huysmans is er zo door getroffen dat hij er een artikel aan wijdt. Het stuk verschijnt op 9 maart 1898 in L’Echo de Paris en wordt in 1902 opgenomen in zijn bundel De Tout. Joris-Karl Huysmans is de schrijver van het onvergetelijke Tegen de keer (A Rebours, 1884) over de neurotische jonge hertog Jean Florissas des Esseintes, die de wereld de rug toekeert om alleen nog te genieten van kunst en cultuur. Maar Huysmans was ook kunstcriticus. Als bevlogen schrijver pende hij met brille zijn indrukken, ervaringen en gevoelens over kunst neer, in een kleurrijke taal die ons naar de salons en musea van de 19de eeuw brengt.

Joris-Karl Huysmans houdt het paneel als het ware onder de loep en tast elke vierkante Jean-Louis Forain, Joris-Karl Huysmans, ca. 1878, pastel, 55 x 44,5 cm, Musée d’Orsay, Parijs

centimeter zorgvuldig af.


31

Bekering

Quinten Massijs, Altaarstuk van het Schrijnwerkersambacht,

In zijn eerste kritieken richt Huysmans zijn pijlen op de kunstenaars van de Ecole des Beaux-Arts: ‘de trouwe intendanten die de oude schilderkunst bewaken, de conservatieve nachtwakers van het museum van de menselijke clichémakerij’. Hij breekt een lans voor de moderne kunstenaar, die inspiratie put uit het eigentijdse leven. Een schilder, vindt Huysmans, moet slechts weergeven wat hij daadwerkelijk kan zien. De impressionisten genieten zijn voorkeur, in het bijzonder Edouard Manet, Henri Gervex en Edgar Degas. Later verlegt hij zijn aandacht van het impressionisme naar het symbolisme, met zijn hang naar het decadente, het fantastische, het satanische, het mystieke. Of

(1511), olieverf op panel, 260 x 503 cm, KMSKA.

zoals Huysmans het noemt: ‘surnaturel’. De nieuw ontdekte kunstenaars zijn Félicien Rops, Gustave Moreau en Odilon Redon. Wanneer Huysmans zich in 1892 tot het katholieke geloof bekeert, keert hij zich voorgoed af van de contemporaine realistische kunst. De middeleeuwse religieuze kunst wordt de toetssteen van zijn esthetisch oordeel. En ondanks zijn waardering voor Fra Angelico en Matthias Grünewald staan de Vlaamse primitieven volgens hem boven de Italiaanse en Duitse.


32

INVENTARISNUMMER 245

Tragische moeder Huysmans is het diepst geraakt door de passietaferelen van de Vlaamse primitieven. Het middenpaneel van Massijs’ schrijnwerkerstriptiek, met de bewening, is dan ook de focus van zijn opstel. Dat is geen saaie kunsthistorische uiteenzetting, maar een geduldige en rake ekphrasis of beeldbeschrijving. De schrijver houdt het paneel als het ware onder de loep en tast elke vierkante centimeter zorgvuldig af. Uit zijn ogenschijnlijk banale aanpak groeit onopvallend een verrassend resultaat. Hij wekt het Bijbelse tafereel tot leven. Pijn, lijden en rouw staan centraal. Huysmans’ retoriek is onnavolgbaar, vol verbluffende vergelijkingen: ‘Jozef van Arimathea fronst de wenkbrauwen en zijn mond verkrampt terwijl hij probeert zijn tranen te bedwingen, want hij staart niet in het ijle, keert zich niet naar binnen, maar hij voedt, cultiveert om zo te zeggen zijn verdriet, door dat martelaarssieraad te bekijken en te betasten, die kroon van bloedparels waarmee het al door slagen gekneusde en door het spuug van de Joden bezoedelde hoofd van Jezus werd omkranst.’ Voor deze bekeerde estheet is geen verdriet groter dan het verdriet van Maria. ‘De dappere en sterke Maria van Massijs blijft volledig bij zinnen, sterft van verdriet, maar blijft bij bewustzijn, om beter te lijden. Ik denk niet dat de Mater Dolorosa ooit menselijker en – zonder dramatische kunstgrepen – tragischer is geschilderd.’

Ontredderd en ontheemd

Detail uit Quinten Massijs, Altaarstuk van het Schrijnwerkersambacht, (1511), olieverf op panel, 260 x 503 cm, KMSKA.

Huysmans’ beschrijving van het lichaam van Christus, uitgestrekt op de linnen lijkwade, neemt verbijsterende dimensies aan. ‘Hij is de ontzagwekkende figuur van het werk. Hij is niet de grove, ruw geschetste Jezus, de bandiet met vertrokken gezicht dat plots oplicht bij Grünewald. Hij is ook niet de Jezus die, na het overlijden, de sereniteit van een God heeft teruggevonden. Neen, hij is iets anders: Massijs heeft hem heel bijzonder opgevat. Hij heeft alles wat hij kon lijden, geleden, maar hij is op. Hij is een uitgeputte, volledig opgebrande God, die niet meer kan. […] Het is alsof hij vanaf de hoge Golgotha het trieste panorama van de eeuwen heeft overschouwd, in de toekomst de wassende zonden heeft ontwaard, de wereld overspoeld door


33

De Schrijnwerkerstriptiek op zaal, KMSKA, 1952

Dit is Huysmans op zijn best: de criticus die de grootheid van Massijs’ werk erkent en oplaadt met de kracht van zijn enthousiasme. een vloed van verdorvenheid. En uitgeput, kapot, minder door het afschuwelijke lichamelijke leed dat hij heeft doorstaan dan door die ondankbaarheid, die perversiteit waarvan hij wist dat ze zich van generatie tot generatie, tot het einde der tijden, zou herhalen, sloot hij die arme ogen, gelukkig te kunnen sterven, om niets meer te hoeven te zien. Ah! Onze Heer! Zijn ontredderde gezicht bedroeft ons diep.’

Dit is Huysmans op zijn best: de criticus die de grootheid van Massijs’ werk erkent en oplaadt met de kracht van zijn enthousiasme. Hij zou, net zoals de heilige vrouwen, Christus’ dode lichaam willen verzorgen, zijn berouw betuigen en plaatsnemen op een bidstoel. Maar helaas, in het museum staan alleen ‘banken, bekleed met rafelig fluweel, versleten door de achteloze loomheid van zijn bezoekers’. Wat een wrange discrepantie tussen het kunstwerk en de plaats waar het zich bevindt. Het meesterwerk voelt zich thuisloos en ontheemd. Met dank aan Hilde Pauwels voor de vertaling van de citaten.

Joris-Karl Huysmans critique d’art. De Degas à Grünewald, sous le regard de Francesco Vezzoli, nog tot 1 maart 2020 in Musée d’Orsay, Parijs


34

ONGEZIEN NIEUW! ZAAL Z vraagt writer in residence Bernard Dewulf om zijn scherpe blik te werpen op KMSKA-werken. En om die blik in woorden te gieten.

BREITNER, NAAKT

DOOR BERNARD DEWULF

Het schilderij heet Naakt, dateert uit 1885 en is van George Breitner. Ik hou er al lang van. Ooit heb ik het verkozen tot mijn meest geliefde werk in het museum. We zien een liggende naakte vrouw, haar lichaam is fel verlicht, toch lijkt het eromheen donker te zijn. Avond of zelfs nacht. Haast is het of dat lichaam zelf het licht schijnt. Of gefotografeerd is met een flitslicht. Die laatste gedachte heb ik pas een tijd geleden gehad, na lang kijken. Er komt in principe geen licht uit lichamen, tenzij uit vuurvliegjes. En geflitste dingen.

Dat het donker lijkt heeft ook te maken met het schimmige van de omgeving. Een soort onbestemd, kleurrijk pluche, met centraal die rode doek. Maar de kleuren ogen net te helder opdat het echt donker is. Er leek me maar één conclusie: zoals elke grote schilder maakt Breitner van het licht zijn eigen licht. Twee details houden me bezig. Het eerste is het driehoekje bovenaan dat uit de lenden schijnt te komen. Het moet een stuk arm of hand zijn, maar het is geschilderd als een wat zwevend element. Is het dan toch nog iets anders? Of een gelukkig slordigheidje? Of een bewust aangebracht ‘vreemd lichaam’ in dit zoveelste ‘liggend naakt’? Het vreemdst is het hoofd. Dat is het tweede detail, al is een hoofd natuurlijk geen detail. Anders dan als een donkere homp kan ik het moeilijk omschrijven. Evident is het een opvallende anomalie. Lang heb ik me afgevraagd waarom precies de schilder dit gedaan heeft – ook al is op veel van zijn naakten vaak maar een vaag of zelfs geen gezicht te zien. Tot ik onlangs toevallig een foto tegenkwam. Het was een schokje. Ik wist dat Breitner modellen fotografeerde. Talrijke werken zijn duidelijk terug te leiden tot foto’s. Maar niet dit schilderij dus, zo leek het.

George Hendrik Breitner, Liggende naakte vrouw met zwarte kousen, ontwikkelgelatine-zilverdruk, Bijzondere collecties Universiteitsbibliotheek Leiden


ONGEZIEN

Er komt in principe geen licht uit lichamen, tenzij uit vuurvliegjes. En geflitste dingen. Tot ik die foto zag. Manifest ligt het naakt, ook ten dele fel belicht, in dezelfde, nogal ongewone, wat hoekige houding. Ook met zwarte kousen aan en in een betrekkelijk schimmige achtergrond. Het kon gewoon niet anders of dit is de foto waarop het doek is gebaseerd. Opvallend is hoe iets erg zwarts in de schaduw het gezicht bedekt. Dat is begrijpelijk. Breitner

George Hendrik Breitner, Naakt, (1885), olieverf op doek, 56,7 Ă— 87,5 cm, KMSKA

vroeg graag gewoon vrouwen op straat om te komen poseren. Vanzelfsprekend wilden die soms liever niet herkenbaar zijn. En precies dat, net als op de foto, moet haast de reden zijn voor dat zwarte hoofd. Een gelukkige reden, want ze maakt het schilderij grimmiger en spannender. Enig probleem: het doek dateert van 1885, de foto is van 1895. Tien jaar later. Die kwestie moet ik dus nog even oplossen. Of zou de schilder gewoon een foto naar zijn schilderij gemaakt hebben?

35


36


GESPREK

37

Karin Borghouts is sinds 2011 de werffotograaf van KMSKA. Twee jaar lang liep ze ook in de voetsporen van Vincent van Gogh. Een gesprek.

KARIN BORGHOUTS: ‘EEN FOTO IS ALTIJD EEN DOCUMENT’ Wat doet een ‘werffotograaf’ van het KMSKA? Karin Borghouts: ‘Ik heb zelf aangedrongen om die opdracht te krijgen omdat ik toen volop in musea aan het fotograferen was. Eerder had ik in het KMSKA al foto’s mogen maken tussen twee tentoonstellingen in. Dat was in het kader van mijn project Interludium, waarin ik in heel België tentoonstellingen in beeld bracht terwijl ze afgebroken of opgebouwd worden. Ook mocht ik een fotografische bijdrage leveren aan het imposante boek over de geschiedenis van het KMSKA dat in 2008 verscheen. Het was mijn droom om nog foto’s te kunnen maken van zo’n groots gebouw, dat bovendien verbouwd zou worden. In 1999 ben ik met fotografie begonnen en een van mijn eerste fotoprojecten was de TGV-werf in Antwerpen, met onder meer de tunnel onder het Centraal Station. Later bracht ik voor de vzw Stadsfotograaf bouwwerven in de hele stad in beeld. In de opdracht van het KMSKA kwamen dus enkele dingen samen die ik heel graag deed.’

‘Er blijft een soort jaloezie bestaan van de fotograaf voor de schilder. Ik maak foto’s met een schildersoog.’

- Karin Borghouts

DOOR ERIC RINCKHOUT PORTRETFOTO KARIN BORGHOUTS

Dat aspect ‘bouwwerf’ sprak u dus aan? ‘Dat is reuze (lacht). Nu wordt het museum stilaan afgewerkt, maar er is een periode geweest dat fotograferen een heel fysieke belevenis was: ik moest naar boven via provisoire trappen, akelige bouwliften of een stelling. Toen kwam ik vaak behoorlijk moe en vuil thuis, maar zo belééf je het gebouw. Mijn hoogtevrees heb ik in het KMSKA leren overwinnen. Nog niet zo lang geleden ben ik tot aan het hoofd van een van de wagenmensters geweest. Ik heb niet alleen op het dak gestaan maar heb ook foto’s gemaakt vanuit een wiegend bakje aan een bouwkraan. Zulke foto’s kan je anders nooit maken.’

Afbraak en opbouw Uw handelsmerk zijn lege ruimten. Hebt u een verklaring voor die fascinatie? ‘Ik ben gevoelig voor ruimten, interieurs en gebouwen. Ik ben geen mensenfotograaf. Soms komt er wel werkvolk op mijn foto’s voor, omdat die een verslag moeten vormen van de werkzaamheden in het KMSKA. Door de mensen kan je ook de schaal van het gebouw ervaren: het KMSKA is bovenmenselijk groot, wat ook een deel van de fascinatie uitmaakt.’


De Rubenszaal in restauratie

Uw foto’s doen vaak denken aan het lege podium van een theater. ‘Mijn eerste foto’s zijn onder andere van de zoo van Antwerpen en naburige dierentuinen. Daar heb ik lege kooien gefotografeerd. Dat project heette Through the Looking Glass, naar Alice die in Wonderland ook in bevreemdende omgevingen terechtkwam. Naderhand heb ik bedacht dat dat een metafoor is voor de fotografie zelf: een foto als een afgebakend stukje werkelijkheid, alsof je een kader zet rond iets dat je wil tonen. Het heeft ook vaak iets benauwends: je kijkt naar een ruimte waar je blik niet uit weg kan. Ik vroeg me toen ook af: “Wàt moet ik eigenlijk fotograferen? Alles is toch al ge-

daan.” Ik fotografeerde iets dat eigenlijk niets was. Maar die lege omgeving is ook iets, natuurlijk, en biedt de kijker veel mogelijkheden. Het doet mensen twijfelen: wat is er nu echt te zien?’ Heel vaak is het een ruimte in transformatie: er is net iets gebeurd of er gaat iets gebeuren. ‘Dat vind ik boeiender dan iets dat af is. Zulke ruimten hebben ook meer met het leven te maken dan een plek die helemaal in orde is. Alles is toch voortdurend in verandering, niet? Verval, afbraak, opbouw, vernieuwing… Ik toon de sporen van menselijke aanwezigheid en activiteit. Zo zie je dat ik wel degelijk in de mens geïnteresseerd ben.’ (lacht)


GESPREK Jaloerse fotografen U hebt ook de reeks Paris Impasse gemaakt, met foto’s van doodlopende straten. Waarom? ‘2011 was een moeilijk jaar voor mij. Ik had voluit gekozen voor de fotografie maar had geen idee hoe ik ervan zou kunnen leven. Ik zag geen uitweg. Toen ben ik in Parijs doodlopende straten beginnen te fotograferen. Die omgeving reflecteerde gewoonweg hoe ik me voelde: het was een mentaal beeld. Inmiddels heb ik meer dan 300 impasses gefotografeerd. Weinig mensen kennen die, zelfs Parisiens lopen daar zo voorbij. De dummy van dat fotoboek was dit jaar genomineerd op het fotofestival Rencontres d’Arles, een hele eer!’ Hoe belangrijk was uw schilderopleiding? ‘Schilderen is altijd mijn grote passie geweest. Ik ben er op m’n 16de mee begonnen. Het talent heb ik van mijn beide ouders gekregen: zij hebben elkaar op een academie ontmoet. Door mijn opleiding vind ik ook dat een foto op groot formaat moet worden geprint en aan de muur moet hangen, als een schilderij. Dan komt ze het best tot haar recht.’ Ook ín uw foto’s zitten schilderkunstige elementen: een muur doet door de verfstrepen aan een werk van Raoul De Keyser denken. (lacht) ‘Er blijft een soort jaloezie bestaan van de fotograaf voor de schilder. Ik maak foto’s met een schildersoog. In sommige situaties zie ik schilderijen of ook andere kunstwerken: zo lijkt een foto met de ingepakte Rubensen in een van de museumzalen op een installatie van Christo.’ ‘Ik heb ook een oog voor complementaire kleuren: zo trokken zalen in het KMSKA die rood en groen geschilderd waren direct mijn aandacht. Kleuren zijn voor mij zo belangrijk dat ik geen zwartwitfotograaf zou kunnen zijn. Door mijn Van Goghproject heb ik ook gemerkt hoe blij ik word van de kleur geel. En Vincent heeft veel geel gebruikt: in zijn citroenen, zonnebloemen, korenvelden…’

Ontroerend daglicht U bent de schilder nagereisd. Vanwaar komt uw passie voor Vincent van Gogh? ‘Het is allemaal begonnen toen mijn ouderlijk huis in 2012 afbrandde. Dat heeft geleid tot een van mijn meest persoonlijke reeksen: Het huis. Daar was een foto bij van een reproductie van De maaier

‘Toen ik het huis binnenkwam, werd ik overvallen door de meest intense, tegenstrijdige emoties: het was verschrikkelijk en heel pakkend.’

- Karin Borghouts

van Van Gogh, die in de gang van het ouderlijk huis van de muur was gevallen. Toen ik dat zag, besefte ik dat ik met twee reproducties van Van Gogh was opgegroeid. Mijn crowdfunding voor de publicatie van Het huis werd opgemerkt door Ron Dirven, conservator van het Vincent van Gogh Huis in Zundert, die me later vroeg om het huis van de tantes van Van Gogh te fotograferen. Dat zou gesloopt worden. Zo werd mijn interesse voor Van Gogh weer aangewakkerd: ik ben de brieven opnieuw gaan lezen en ik raakte gebeten door de figuur. Tijdens een halte in Auvers-sur-Oise, op de terugtocht van een reis, zag ik dat het kerkje er nog stond zoals Van Gogh het had geschilderd. Ik ben Van Gogh dan nagereisd en heb de plaatsen gefotografeerd waar hij gewoond en gewerkt heeft, plus de landschappen en stillevens die hij geschilderd heeft. Van Zundert over Londen, Antwerpen en Parijs tot Arles en Auvers. In het fotoboek Vincent was here staan 130 foto’s van de circa tweeduizend die ik nam.’ Hoe moet ik me dat voorstellen: Van Gogh zonder verf? ‘Ik heb de expressie van het schilderen en de verf niet proberen na te streven, maar heb wel met het licht gewerkt en met de enorme verschillen tussen noord en zuid. Mooi daglicht kan mij soms echt ontroeren. In het noorden heb ik het licht van meesters als Jacob van Ruysdael en Jozef Israëls ontdekt, naar wie Vincent zo opkeek. Ik fotografeerde typische onderwerpen uit het verleden, zoals een molen in een wei, niet bepaald trendy. Ik

39


40

Foto uit de Brabantse periode van Van Gogh in Vincent was here


GESPREK heb veel geleerd en daar gaat het mij ook om: het licht, de kleuren, het meegaan met de seizoenen. Voor mij was het nieuw om landschappen en stillevens te fotograferen. Zo geef ik mijn fotografie weer een andere wending.’

Magisch U zei dat het afgebrande huis van uw ouders tot een van uw meest persoonlijke reeksen heeft geleid. In welk opzicht? ‘Ik heb mijn camera op exact dezelfde manier geplaatst als altijd. Alleen was ik veel meer emotioneel betrokken en was het onderwerp gruwelijk. Het was op dat moment niet gemakkelijk, maar ik heb toch meteen beslist om het afgebrande huis te fotograferen hoewel ik 1001 andere dingen om mijn hoofd had.’ ‘Toen ik het huis binnenkwam, werd ik overvallen door de meest intense, tegenstrijdige emoties: het was verschrikkelijk en heel pakkend – de tranen stonden in mijn ogen – en tegelijk was het magisch. Het is fascinerend wat een brand kan aanrichten: het huis zat helemaal onder het roet. Mijn kleurenfoto’s zijn bijna zwartwit. Ik heb ze laten printen op mat Photo Rag-papier waardoor de foto’s bijna tekeningen lijken.’ Waarom wilde u het ouderlijk huis per se fotograferen? ‘Ik wilde alles behouden. Dat is het meest elementaire kenmerk van fotografie: het in stand houden van een herinnering. Fotografie is ook altijd een document – dat heb je niet met schilderkunst. Dat is zo belangrijk aan fotografie.’

Van Goghs Intimi nog tot 12 januari 2020 in het Noordbrabants Museum, Verwersstraat 41, ’s-Hertogenbosch. hetnoordbrabantsmuseum.nl

Vincent was here, 208 bladzijden, 130 foto’s en 70 reproducties, hardcover, gebonden, 30 x 24 x 2 cm, co-editie Ronny Van de Velde en Karin Borghouts, ISBN 9789080990333, 39 euro karinborghouts.be vincentwashere.com

Karin Borghouts Karin Borghouts (Kapellen, 1959) woont en werkt in Kalmthout. Ze studeerde schilder- en beeldhouwkunst in Antwerpen, werkte als grafisch vormgever en ontpopte zich later als fotograaf. Sinds 2011 is ze werffotograaf van het KMSKA. Werk van haar bevindt zich onder andere in de collecties van de fotomusea in Antwerpen en Charleroi, het MAS in Antwerpen en de kunstcollectie van de Universiteit Antwerpen. Enkele publicaties The house (of my childhood burned down and I went in to take pictures) (The Eriskay Connection), Mijn huis dat was (Ludion) en Antwerpen Stad verbeeld (Ronny Van de Velde en Ludion).

41


42


FLANEUR

NIEUW! Over onverwachte hoeken en kanten in musea. Over bijzondere ontmoetingen en opmerkelijke medebezoekers.

CULTURELE HORECA

DOOR MARC DIDDEN

Museumconservatoren hebben er geen weet van, maar ik wel. Dus deel ik mijn kennis maar met u. Veel kunstliefhebbers weten wel dat er hoogstaande artefacten zullen hangen of staan wanneer ze Het Louvre, The Met, Het Rijks of Het Stedelijk binnenstappen. En ze willen ook wel goed geld betalen om al dat moois te zien, ja zelfs te besnuffelen. Een cataloog mee te pikken uit de museumshop. Of in de magere jaren een paar postkaarten. Een goed museum is in het beste geval een aaneenschakeling van vaak werkelijk wonderlijke Wunderkammern. In het slechtste geval is er, voor wie goed kijkt, toch tenminste altijd één ontdekking te doen. Ik spreek hier uit ervaring. Waar ik het over wil hebben zijn niet de zaligmakende zaalcircuits of de vaak tot kleine supermarktjes verworden shops maar wel twee andere wonderkamers die voor mij een bezoek aan een museum onvergetelijk maken. Of niet. Ik heb over de wc’s en de al dan niet aanwezige culturele horeca. Wat de eerste categorie betreft, ben ik zoals iedereen boven de zestig: ik moet voor, tijdens en na ieder museumbezoek ook even de toiletten inspecteren. En ik heb graag, net zoals iedereen boven

de zestig, dat die museale pispotten proper zijn en makkelijk bereikbaar. Ook voor halve kreupelen van mijn slag. Wat museumcafetaria’s en restaurants betreft ben ik strenger. Ze zijn een integraal deel van hoe ik een museumbezoek ervaar en of ik het mij later herinner. In België bevallen ze me in de regel niet. In het buitenland heb ik mijn gouden plekken. Ze zijn niet altijd goedkoop, maar tja, zo ben ik nu eenmaal. Mijn vader zei dat geld moest rollen en ik heb naar hem geluisterd. Helaas. Dit zijn toch een handvol van de plekken waar kunst, voedsel en drank goed samenhuizen: Rex Whistler’s Restaurant (in de kelders van Tate Britain in Londen), Untitled (Whitney, New York), de eetzaal van het Hamburger Bahnhof (Museum für Gegenwart, Berlijn), het theesalon van het Parijse Musée Jacquemart-André, het terras met uitzicht van het Getty Museum (Los Angeles). Ik kom er u wel eens tegen. Of probeer Café Victor eens, in Bozar.

The Garden Terrace Cafe, The Getty Museum Los Angeles

43


44

AANBEVOLEN

‘SOMS WIL IK MIJN WOORDENSCHAT INRUILEN VOOR MUZIEK’

Welke kunstenaar, welk museum of boek, welke stad of muziek hebben mensen-met-een-mening bijzonder getroffen? Wat willen ze u met de nodige passie aanbevelen?

DOOR WENKE MAST

Daniëlle Dierckx (45) is doctor in de sociale wetenschappen. Sinds 2017 is ze coördinator van de Antwerpse volksschouwburg De Roma. Welke kunstenaar kan u diep ontroeren? ‘Ik voel een grote connectie met Sam Dillemans. Ik kan de werken die ik door de jaren van hem gezien heb moeilijk rationeel beschrijven. Ik word er vooral door geraakt. Volgens mij zit dat eerder in zijn techniek en zijn kleurenpalet dan in zijn onderwerpen. Ik was bijvoorbeeld erg geraakt door zijn boksersreeks, hoewel ik niets met boksers heb. Dat maakt het zo speciaal, zo krachtig. Het gaat echt over de emoties die erin zitten: de pijn, de kracht…’ In welk museum dwaalt u graag rond? ‘Het Prado in Madrid trekt me altijd aan. Door de grandeur van het gebouw, maar ook door de inplanting in de stad en de vaste waarden in de collectie: Bosch met De tuin der lusten, Goya, wiens “zwarte periode” er goed vertegenwoordigd is… Een museum dat ik nog maar recent ontdekt heb, is The Getty Museum in Los Angeles. Ik vind het contrast tussen museum en stad daar fascinerend. Het is een groot, wit, modern gebouw boven op een heuvel die uitkijkt over L.A. In een van de zalen zit bovendien De intrede van Christus in Brussel van James Ensor verstopt. Een fantastisch schilderij. In eigen land ben ik aan het wachten tot het KMSKA weer opengaat.’

Welke tentoonstelling heeft u met plezier bezocht? ‘As sweet as it gets, een tentoonstelling met werk van Michaël Borremans die ik een paar jaar geleden in Bozar heb gezien. Het was de eerste keer dat ik zoveel van zijn werken samen zag. Ik ben omvergeblazen door zijn kwaliteiten om met licht, kleur en schaduwen zoveel te vertellen. Vooral in combinatie met de onderwerpen die soms superhumoristisch of absurd zijn. Zijn werk zet aan tot nadenken. Nadien heb ik van hem in Zeno X Gallery Sixteen dances gezien. Ik herinner me spelende


kinderen in witte kleedjes bedekt met bloed. Dan zie ik dat en denk ik: waar haalt hij dat, wat doet hij ermee, wat wil hij overbrengen? Zijn werk triggert me enorm.’ Welke muziek mag er altijd opstaan, overal? ‘Als ik luister naar vrouwelijke jazzzangeressen, zoals Nina Simone, Ella Fitzgerald of meer moderne stemmen als Diana Krall, Patricia Barber of Cassandra Wilson, voelt dat altijd een beetje als thuiskomen. They comfort me. Ik vind hun muziek heel verzachtend. Tegelijkertijd zijn het krachtige, activistische vrouwen die vol passie met muziek bezig zijn. In die zin zijn ze ook stimulerend. Ze geven me energie.’

Sam Dillemans, The Punch, 2004, olieverf op doek, 40 x 50 cm, courtesy Sam Dillemans

‘Voor mij kan er geen enkele stad op tegen de overvloed van Parijs. Elke keer als ik ernaartoe trek denk ik: waarom doe ik dit niet vaker?’

- Daniëlle Dierckx


46


AANBEVOLEN

Welk boek kan u blijven lezen? ‘Ik moet toegeven dat ik geen enkel boek dat ik in huis heb – en dat zijn er veel – een tweede keer lees. Er zijn wel veel boeken die ik zo goed vind dat ik na een paar bladzijden veel trager begin te lezen. Omdat ik na de eerste zin al spijt heb dat er ook weer een einde aan zal komen. Dat was bijvoorbeeld zo met De mensheid zij geprezen van Arnon Grunberg, een dun, al wat ouder boekje. Een goed voorbeeld van literatuur die appelleert. Het is één lang pleidooi van een advocaat die het opneemt voor de mensheid. De schrijfstijl is heel direct en dat spreekt me erg aan. Verder heb ik veel bewondering voor Aya Sabi, die recent Verkruimeld land schreef. Ze is nog heel jong, heeft Marokkaanse roots en ze schrijft omdat er anders over haar of haar gemeenschap niet geschreven wordt. Ook zij heeft dat activisme in zich dat ik bij mijn jazzheldinnen bewonder. Bovendien is haar stijl literair van goede kwaliteit. Ik hoop en denk dat we nog veel van haar zullen horen.’

Francisco Goya y Lucientes, De hond, 1820-1823, muurschildering overgebracht op doek, 131 x 79 cm, Museo del Prado Madrid

In welke cultuurstad wilt u gerust verdwalen? ‘Voor mij kan er geen enkele stad op tegen de overvloed van Parijs. Elke keer als ik ernaartoe trek denk ik: waarom doe ik dit niet vaker? Ik heb altijd keuzeproblemen als ik er ben. Zal ik nog maar eens naar Rodin gaan? Of eerder naar Musée d’Orsay? Om over het Louvre nog te zwijgen. Een jaar of drie geleden heb ik in Centre Pompidou Magritte gezien. Prachtig! De waaier aan tentoonstellingen in Parijs is enorm. En dan is er ook nog de architectuur.’

Michaël Borremans, Mercy, 2017, olieverf op doek, 280 x 205 cm, courtesy Zeno X Gallery

Welk talent zou u graag bezitten? ‘Ik zou heel graag mensen met muziek kunnen beroeren. Ik vind het fantastisch om te zien hoe muziek gebruikt kan worden als een soort van spreektaal. Soms wil ik mijn woordenschat inruilen voor klanken of muziek waar ik me mee kan uitdrukken. In De Roma zit ik natuurlijk op een goede plek om met muziek bezig te zijn. Ook de cross-over tussen muziekstijlen zou ik beter willen begrijpen. Ik denk dan aan de documentaire die Martin Scorcese ooit heeft gemaakt over de wortels van de blues. Die begint in Amerika, maar passeert ook in Afrika, in Mali. Ik vind het heel interessant om de Afrikaanse roots te ontdekken die in de grote muzikale stromingen verborgen zitten.’

www.deroma.be Sam Dillemans, Fighters. Schilderijen en tekeningen, nog tot 5 april 2020 in de Eggestraat, 2 in 2060 Antwerpen. www.sam-dillemans.com

47


48

OP DE COVER

VIS! VERSE VIS! DOOR VÉRONIQUE VAN PASSEL

Fijne sneeuwvlokjes dwarrelen uit de donkere lucht. Mensen schaatsen op de bevroren rivier en spelende kinderen warmen zich aan een vuurtje. Vismarkt is een stemmig, winters tafereel. Het lijkt meer een schouwspel dan een markt.

Succesvol Twee warm ingeduffelde dames kopen zalm die de visboer in zijn overdekte kraam in moten hakt. (Andere kraampjes zijn er overigens niet.) Misschien willen ze ook nog een gerookte haring die de jonge visvrouw net aan de haak hangt? Haar collega brengt een houten tobbe die op haar hoofd staat en op de voorgrond zwemmen vissen rondjes in kuipen. Gegarandeerd vers! De donkere randen aan de binnenkant van de tonnen wijzen op het vocht dat in het hout sijpelt. De houtnerven, de glans van de geschubde vissen, het vette vlees van de zalm, de schittering van de emmers in messing…: alles is levensecht geschilderd. Lucas van Valckenborch (1535-1597) was vooral als landschapschilder actief. Voor de jonge aartshertog Matthias, de latere keizer van het Heilige Roomse Rijk, maakte hij als hofschilder ook nogal wat portretten en ontwierp hij voor diens garde uniformen. Tijdens zijn laatste levensjaren runde Van Valckenborch wellicht een succesvol atelier. Dat blijkt uit de talrijke genreschilderijen met boeren op het land of markttaferelen. In de meeste daarvan nam zijn jongere Duitse medewerker Georg Flegel (1566-1638) het natuurgetrouwe stilleven voor zijn rekening. Het markttafereel was overigens geen nieuw genre. Voorgangers waren Pieter Aertsen en Joachim Beuckelaer. Nieuw is dat Van Valckenborch marktscènes combineerde met de cycli van de jaargetijden.

Vluchtelingenstroom De stad op de achtergrond is niet het toenmalige Antwerpen met de Schelde. Van Valckenborch vestigde zich in 1593 in Frankfurt, waar de scène zich afspeelt: aan de Sankt Leonhardts-Kai langs de Main, zoals blijkt uit een eigentijdse gravure. Eigenaardig is dat de burgerdame en haar meid gekleed gaan in een zwarte huik met een vreem-


49

de hoed, volgens de typisch Brabantse mode van omstreeks 1580-1590. Al vanaf 1566 was Lucas van Valckenborch vanwege zijn protestantse geloof op den dool. Hij was geboren in Leuven, werd opgeleid in Mechelen en verbleef in Antwerpen, Brussel, Aken en Oostenrijk. Ook in Luik was hij, maar daar mocht de kunstenaar niet blijven. De aartsbisschop zat er zo verveeld met de vluchtelingen-

Lucas van Valckenborch en Georg Flegel, Vismarkt, olieverf op doek, 118,5 Ă— 189,5 cm, KMSKA

stroom dat hij in 1567 een oud edict weer in het leven riep. Zo kon hij vreemdelingen die nog geen twee jaar in de stad woonden gewettigd verdrijven.


50

ZAAL Z

De zalen van het KMSKA op het Zuid zijn geletterd, van A tot W. ZAAL Z opent een nieuwe, papieren zaal. Reacties welkom op zaalz@kmska.be ZAAL Z is een GRATIS uitgave van het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) en verschijnt in maart, juni, september en december. Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen is een instelling van de Vlaamse overheid en het enige Vlaamse museum met een wetenschappelijk statuut. De belangrijkste opdrachten van het KMSKA zijn het behoud, beheer en de verdere uitbouw van de collectie; de ontsluiting en de wetenschappelijke studie van de collectie; tentoonstellen van objecten en de uitbouw van een publiekswerking. Het KMSKA onderschrijft de statuten van ICOM, the International Council of Museums.

JAARGANG 8 / NR 31 / DEC 19 - FEB 20 VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Manfred Sellink, Lange Kievitstraat 111-113 bus 100, 2018 Antwerpen REDACTIE Elly Buggenhout, Karen Daghelet, Veerle De Meester, Patrick De Rynck, Wenke Mast, Eric Rinckhout, Nanny Schrijvers, Véronique Van Passel COÖRDINATIE Véronique Van Passel EINDREDACTIE Patrick De Rynck WERKTEN MEE AAN DIT NUMMER Siska Beele is conservator 19de eeuw, Karen Borghouts is fotograaf, Patrick De Rynck is freelanceredacteur, Bernard Dewulf is columnist, dichter en dramaturg, Marc Didden is filmregisseur, scenarist en columnist, Wenke Mast is medewerker marketing en communicatie, Eric Rinckhout is freelancejournalist en publicist, Nanny Schrijvers was conservator collecties, Manfred Sellink is hoofddirecteurhoofdconservator, Jacques Sonck is fotograaf, Greta Toté is medewerker collectie-informatie en beeldbeheer, Véronique Van Passel is wetenschappelijk medewerker collectieonderzoek FOTO’S Archief KMSKA: p. 33 Karin Borghouts: p. 2, 3, 23, 36, 38, 40, 41, 52 Sam Dillemans, p. 45 Getty Center, 2017, foto Elon Schoenholz , © 2017 J. Paul Getty Trust: p. 3, 42 Thomas Geuens: p. 44 KMSKA/Lukasart in Flanders vzw, d/arch: p. 2, 17, 18, 19, 20, 21 KMSKA/Lukasart in Flanders vzw, Hugo Maertens: cover, p. 2, 3, 6, 12, 14, 15, 16, 22, 23, 25, 26, 28, 30-31, 32, 34, 48-49 KMSKA/Lukasart in Flanders vzw, Rik Klein Gotink: p. 22 Marc Lamote: p. 2, 8 Morrec: p. 23 Museo Nacional del Prado, Madrid: p. 3, 47 John Rogers: p. 5

RMN Grand-Palais (Château de Versailles), foto Hervé Lewandowski: p. 30 SABAM Belgium 2019: p. 17-21, 45, 46 Jonathan Ramael: p. 44 Jacques Sonck: p. 11 Toneelhuis, Antwerpen: p. 22 Universitaire Bibliotheken Leiden: p. 34 Zeno X Gallery, Antwerpen, foto Peter Cox: p. 46 DRUK Die Keure, Brugge GRAFISCH ONTWERP Linde Desmet PAPIER Cover en binnenwerk: Arctic Volume Highwhite LETTERTYPES Scala, Din Schrift, Memphis OPLAGE 4.750 ex. ISSN 2294-0316 ZAAL Z wordt gedrukt met bio-inkt op papier afkomstig uit duurzame bosbouw in een CO²-neutrale drukkerij.

logo toevoegen FSC etc door drukkerij

Niets van deze uitgave mag worden overgenomen zonder schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd auteursrechten op de illustraties te regelen volgens wettelijke bepalingen. Wie meent toch zekere rechten te doen gelden, kan zich tot de uitgever wenden.


51 Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (KMSKA) is vanwege renovatiewerkzaamheden gesloten. U vindt onze collectie ondertussen op verschillende locaties. INLICHTINGEN T +32 (0)3 224 95 50 F +32 (0)3 248 08 10 info@kmska.be BIBLIOTHEEK & ARCHIEF bezoek na afspraak, op donderdag gesloten Lange Kievitstraat 137 2018 Antwerpen T +32 (0)3 242 95 81 of archibib@kmska.be CORRESPONDENTIE Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen Lange Kievitstraat 111-113 bus 100, 2018 Antwerpen T +32 (0)3 224 95 50 F +32 (0)3 248 08 10 info@kmska.be Vrienden van het KMSKA vzw Lange Kievitstraat 137 2018 Antwerpen Secretariaat bereikbaar op dinsdag en donderdag van 10 tot 12 uur en van 14 tot 17 uur. T +32 (0)3 237 75 09 F +32 (0)3 238 30 25 of info@vkmska.be

ANTWERPEN Museum Mayer van den Bergh Madonna ontmoet Dulle Griet. Verzamelaars in topstukken gevat tot 31/12/2020 Lange Gasthuisstraat 19, 2000 Antwerpen www.museummayervandenbergh.be OOSTENDE Mu.ZEE Dromen van parelmoer. De ENSOR-verzameling van het KMSKA in Oostende tot 01/03/2020 Romestraat 11, 8400 Oostende www.muzee.be DROGENBOS FeliXart Museum Moderne kunst uit het Interbellum tot 31/12/2019 Kuikenstraat 6, 1620 Drogenbos www.felixart.org NAMEN Musée Félicien Rops Henri De Braekeleer (1840-1888), fenêtre ouverte sur la modernité tot 02/02/2020 Rue Fumal 12, 5000 Namen www.museerops.be

KMSKA geniet de steun van

WIL U EEN GRATIS ABONNEMENT? Surf naar www.zaalz.be en vul het formulier in. Dan krijgt u voortaan ZAAL Z in uw brievenbus. VEEL LEESPLEZIER!


Profile for KMSKA

ZAAL Z #31  

Lees hier de nieuwe ZAAL Z!

ZAAL Z #31  

Lees hier de nieuwe ZAAL Z!

Profile for kmska
Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded