Page 1

QHC Brancherapport 2012

Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking

Enabling the future in healthcare


QHC Brancherapport 2012

Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking

September 2012 Drs. M. Sluiter, Managing Partner Dr. ir. L.Hoogerwerf, AssociĂŠ Care & Zorginnovatie Drs. E.G.J. Bensdorp, Senior Onderzoeker A. Pilon, Onderzoeksassistent


tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking




Inhoudsopgave

01

Inleiding

7

02

Negen conclusies

8

03

De sector

10

04

Ambities van VG-instellingen

12

05

Omzet

17

06

Personeel

19

07

Vastgoed als asset

23

08

Schuld en eigen vermogen

26

09

Overige ratio’s

31

10

Transitiebeeld van de sector

36

11

Literatuur

37

12

Verantwoording

38

t2)$#SBODIFSBQQPSU


tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking




Inleiding

7PPSVMJHUIFU2)$#SBODIFSBQQPSU;PSHWPPS mensen met een verstandelijke beperking. Het biedt een bedrijfseconomische en beleidsmatige analyse van de sector, op basis van beleidsplannen en jaarSFLFOJOHFOWBO[PSHJOTUFMMJOHFO WBOBG Aanleiding voor het brancherapport is het veranderende overheidsbeleid in de sector van verstandelijke gehandicaptenzorg (VG-sector). Het betreft maatregelen die diep kunnen ingrijpen in het leven van een mens met een verstandelijke beperking. Vanzelfsprekendheden zijn op de helling gezet, bijvoorbeeld als het gaat om wonen, dagbesteding, werken en vervoer. Zaken die van grote invloed kunnen zijn op de (beleefde) kwaliteit van bestaan, zowel in gunstige als in ongunstige zin. Tegelijkertijd groeit de vraag naar meer gepersonifieerde zorg en ondersteuning en brengen methodische en technologische ontwikkelingen nieuwe mogelijkheden binnen bereik. Welke belofte doet de sector in het licht van deze ontwikkelingen? Waar kan een mens met een verstandelijke beperking in Nederland op rekenen? Welke (regionaal) maatschappelijke en economische waarde kan van de zorginstellingen verwacht worden? Het zijn ‘grote’ vragen die niet gediend zijn bij oppervlakkige discussies of eenzijdige bezuinigingspolitiek.

Dit rapport geeft een analyse van de sector op basis van argumenten uit de eigen rapportages van de instellingen. Het geeft tevens een mening over hoe nu verder, objectiveert bedreigingen en schat kansen JO2)$XJMEBBSNFFOBESVLLFMJKLFFOCJKESBHF leveren aan het publieke debat. Van belang is immers dat wij in Nederland een leven met zorg zorgvuldig organiseren, passend bij een zich snel veranderende samenleving. Daarvoor zijn meningen belangrijk, zodat het publieke debat goed gevoerd kan worden, zorginstellingen strategische keuzes kunnen maken en de besluitvorming in de Tweede Kamer beter wordt gefundeerd. %BUJTEFJOWFTUFSJOHEJF2)$QFSNBOFOUEPFUFO wil blijven doen.

Drs. Mark Sluiter Managing Partner

Dr. ir. Lieke Hoogerwerf AssociĂŠ Care & Zorginnovatie

t2)$#SBODIFSBQQPSU




Negen conclusies

1. Hervormingsgezinde ambities

Wat wil de VG-sector betekenen in een leven met een verstandelijke beperking? Beleidsteksten van [PSHJOTUFMMJOHFOMBUFOFFOTUFWJHFWFSTDIVJWJOH zien naar een hoger ambitieniveau. De traditionele ‘instelling’ vormt zich om tot een cliĂŤntvolgende dienstverlener die nauw samenwerkt met diverse andere zorg- en dienstverleners en proactief nieuwe diensten en mogelijkheden ontwikkelt.

2. CliĂŤnt krijgt meer invloed

Zorginstellingen voor verstandelijk gehandicapten (VG-instellingen) tonen groeiende ambities in het vergroten van de invloed van cliÍnten op hun kwaliteit WBOCFTUBBO.FUOBNFCFUSFęIFU t het bieden van keuzevrijheid en variatie in wonen t het stimuleren van de cliÍnt een sociaal netwerk op te bouwen t het vergroten van de regie van de cliÍnt over zijn leven t het realiseren van samenwerking en ketenzorg die betere oplossingen voor cliÍnten binnen bereik brengen t het actief inspelen op omgevingsveranderingen en trends en hierin in de regio een voortrekkersrol pakken

3. Omzetgroei zonder verklaring

De omzetgroei van de VG-sector, gemeten over de HSPPUTUFJOTUFMMJOHFOXBTUVTTFOFO   PÄ™FXFMħNJMKPFO0WFSKBBSHFNFUFO CFOBEFSUEFHSPFJħNJMKPFO7PPSEFUPUBMF 7(TFDUPSHFWFOXFFFOTDIBUUJOHWBOħNJMKPFO Wellicht dat veranderende indicatiestellingen mede een oorzaak van de groei zijn. De sector kent niet, [PBMTEF[JFLFOIVJ[FO   FFOHSPFJQMBGPOE Zou dat ingevoerd worden ligt er een potentiĂŤle SVJNUFWBOħNJMKPFOWPPSBOEFSCFMFJE

4. Belangrijke werkgever

De sector is een van de grotere werkgevers in de zorg NFUPOHFWFFSCBOFO SVJN'5&)FU BBOUBM'5&TUFFHJOFFOKBBSUJKENFU [PO banen. Met deze groei van het aantal personeelsleden is het in de huidige economische crisis een van de weinige groeisectoren van de Nederlandse economie.

5. Stijgende personeelskosten

De groei van de omzet gaat gepaard met een grote HSPFJJOEFLPTUFOWBOIFUQFSTPOFFM5FSXJKMJO IFUBBOUBM'5&NFU UPFOBN TUFHFOEFQFSTPOFFMTLPTUFONFU FFOCFESBHWBOħNJMKPFO over de gemeten instellingen. Over twee jaar gemeten bedroeg de stijging van de personeelskosten ħNJMKPFOPWFSEFHFNFUFOJOTUFMMJOHFO Een schatting van de totale stijging van de hele TFDUPSPWFSUXFFKBBSMJHUEBOPQħNJMKPFO De kosten kunnen mede het gevolg zijn van een verdere professionalisering van de zorg en de neiging tot flexibilisering van de arbeidscontracten.

6. Stevige vermogenspositie

De VG-sector is een rijke sector met een geschat totaal FJHFOWFSNPHFOWBOħ NJMKBSE%JUWFSNPHFOJTJO ��OKBBSUJKENFUHFHSPFJE.FUEBUHFMEHFCFVSU nu weinig. Het betekent in ieder geval dat instellingen door prudent cash flow management in staat zijn buffers op te bouwen die bij een weerbarstige toekomst aangewend kunnen worden. Gezien de vermogenspositie kan het merendeel van de bekeken instellingen uit eigen reserves investeren en vergaande ambities realiseren. Dat zou tevens een goede ondersteuning geven aan de snelheid waarmee de wel uitgesproken ambities van de instellingen gerealiseerd kunnen worden.

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


7. Vastgoed dreigende molensteen

De VG-sector is een sector waar vastgoed een domiOBOUFGBDUPSJT3VJNWBOEFBDUJWBCFTUBBUVJU gebouwen en terreinen. Voor de ambities richting cliÍntvolgende dienstverlening kan dit ongunstig zijn, omdat de flexibiliteit om te veranderen beperkt wordt door de gebondenheid aan het vastgoed. Daarbij doemt de vraag op of de boekwaarde van de instellingen momenteel wel overeenkomt met de marktwaarde. Tegelijkertijd wordt voor de komende jaren een daling van de vastgoedwaarde verwacht hetgeen grote onzekerheden kan veroorzaken. Niet alleen een functionele maar ook een organisatorische scheiding van wonen en zorg zou de risico’s kunnen beperken.

beleid. Het is immers niet zinvol solvabiliteitsposities WBOBBOUFIPVEFOFOOJFUTUFEPFONFUHFMEEBU juist nu geĂŻnvesteerd kan worden. Dat geeft tevens aan dat er ruimte genoeg is voor de overheid om ĂŠn stimulerende prikkels te bieden aan de sector ĂŠn tegelijkertijd te koersen op doelmatigheid.

8. Wel reserves, geen investeringskoers De hervormingsgezinde ambities klinken niet door in de financiĂŤle paragrafen. Het streven naar reserves voor ‘zwaardere tijden’ overheerst. Niet duidelijk is of deze reserves ook bedoeld zijn voor benodigde diepte-investeringen in professionalisering, ICT, zorginnovatie en wetenschappelijk onderzoek. Een duidelijker investeringskoers is wenselijk, het betreft immers investeringen die duurzame meerwaarde kunnen opleveren voor zowel cliĂŤnten als zorginstellingen als regio's.

9. Roer om of doorontwikkelen?

In tijden van bezuiniging ligt de conclusie voor de hand dat ‘meer met minder’ niet teveel gevraagd is van groeiende zorginstellingen die ‘rijk genoeg zijn’. Een dergelijke beleidsarme overheidskoers lijkt echter geen recht te doen aan het hervormingspotentieel van de VG-sector. Samenwerking met de overheid is daarbij een conditio sine qua non voor succes. Daar waar diezelfde overheid de komende jaren vanuit het budgettair kader via AWBZ, zorgkantoren en gemeenten de substantiĂŤle kosten van de VG-sector blijft dragen, zou ze parallel instellingen kunnen stimuleren de sterke vermogensposities aan te wenden voor nieuw

t2)$#SBODIFSBQQPSU




De sector

Zorgaanbieders voor mensen met een verstandelijke beperking bieden diensten op het gebied van wonen, dagelijkse verzorging en begeleiding, behandeling, dagbesteding en werken en leren. In deze brancheverkenning is ervoor gekozen alleen te kijken naar zorgaanbieders die een woonomgeving bieden en hier een breed palet aan andere diensten aan verbinden. De dienstverlening door deze zorgaanbieders wordt grotendeels bekostigd uit de AWBZ.

Gespecialiseerde aanbieders, bijvoorbeeld op het gebied van behandeling of begeleiding zijn niet meegenomen. %FLBBSUXFFSHFHFWFOJOĕHVVSHFFęFFOJOESVLWBO de geografische spreiding in Nederland. In totaal CFUSFęIFUSVJN[PSHBBOCJFEFSTEJFUFDBUFHPSJTFSFO zijn onder de VG-sector1. Voor dit rapport is met OBNFHFLFLFOOBBSEFHSPPUTUFBBOCJFEFSTJO PN[FUWBSJÑSFOEWBOħNJMKPFOUPUħNJMKPFO

'JHVVS7FSTUBOEFMJKLHFIBOEJDBQUFOXPOFO per gemeenteper gemeente

Aantal plaatsen 1500 700 100

#SPO7PMLTHF[POEIFJE5PFLPNTU7FSLFOOJOH /BUJPOBMF"UMBT7PMLTHF[POEIFJE www.zorgatlas.nl

1 Brancherapport Gehandicaptenzorg 2010. VGN, KIWA/Prismant.

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Kenmerkend voor de sector is een al jaren groeiende vraag naar (AWBZ-)zorg. Het aantal mensen dat een beroep doet op de AWBZ-zorg in deze sector nam UVTTFOFOUPFWBOOBBS De uitgaven aan zorg voor verstandelijk gehandicapten MBHFOJOSPOEEFħ NJMKBSE WPPSXBSFO EF[FVJUHBWFOħ NJMKBSE2 Het betreft ongeveer een kwart van de totale uitgaven in de AWBZ. Het aantal ernstig verstandelijk gehandicapten is vrijwel constant gebleven. De groei lag met name in de toename van de aantallen en de hoeveelheid zorg bij de groepen zwakbegaafden en licht verstandelijk gehandicapten.3 Met de groei is ook de bemoeienis door de Nederlandse overheid sterk toegenomen. Deze bemoeienis richt zich voornamelijk op de bedrijfsvoering, de (prestatie) verantwoording en transparantie, de kwaliteit van zorg en de continue verbetering daarvan. Vergeleken met bijvoorbeeld de ouderenzorg is deze bemoeienis opvallend beleidsarm. In toenemende mate richt de overheid zich op hervorming van de financiering en daarmee van het zorglandschap. Branchevereniging VGN signaleert een breed politiek draagvlak voor deze financiĂŤle hervorming. De verandering gaat richting een ‘kern-AWBZ’ voor de zwaardere gehandicaptenzorg (met name verblijfszorg), maar wel met scheiding van wonen en zorg. Voor overige zorg en ondersteuning zal de financiering door gemeenten (WMO en Jeugdzorg) maar wellicht ook door zorgverzekeraars (ZVW) belangrijker worden.

De kwaliteit van bestaan van kwetsbare mensen staat op het spel

Onduidelijk en ook onzeker is hoe deze maatregelen zullen worden uitgewerkt en uitgevoerd. Duidelijk is wel dat de gevolgen voor cliĂŤnten groot kunnen zijn. De kwaliteit van bestaan van kwetsbare mensen staat op het spel. Elke VG-instelling ziet zich voor de uitdaging geplaatst daar een stevig antwoord op te bieden. 2 CBS, 2012. 3 SCP, 2011.

t2)$#SBODIFSBQQPSU




Ambities van VG-instellingen

Traditioneel biedt een VG-zorginstelling een omgeving met verblijf, begeleiding, verzorging, behandeling, dagbesteding, leren en vrije tijd activiteiten. Binnen de mogelijkheden van de instelling wordt vervolgens gestreefd naar een zo goed mogelijke kwaliteit van bestaan.

Dit traditionele model geldt al enige jaren niet meer als ‘de beste praktijk’. In de sector is een cliĂŤntvolgend en netwerk organiserend model in opkomst. Dit moderne model van VG-zorg neemt voor elke cliĂŤnt de eigen mogelijkheden en kwaliteit van bestaan als

'JHVVS*OEJDBUJFTWBODMJĂ‘OUWPMHFOEFBNCJUJFT Indicator

Centrale vraag

Wonen

Woont de cliĂŤnt op een instellingsterrein of in een wijk en wie levert de woonvoorzieningen?

Inspraak en regie cliĂŤnt

Heeft de cliĂŤnt regie over het eigen leven of regeert de instelling het leven van de cliĂŤnt?

Sociaal netwerk van cliĂŤnt

Wordt de cliĂŤnt gestimuleerd om een breed sociaal netwerk op te bouwen en wordt dit netwerk ook gebruikt?

Invulling van werk/dagbesteding

Is de cliĂŤnt binnen (ĂŠĂŠn van de initiatieven van) de instelling actief of juist ook elders?

Maatschappelijke participatie cliĂŤnt

Is de cliĂŤnt op de een of andere manier maatschappelijk actief of betrokken en wordt dit gestimuleerd?

Samenwerking/ketenzorg

Levert de instelling alle zorg en ondersteuning zelf of wordt ook uitbesteed/samengewerkt wanneer dit beter is voor de cliĂŤnt?

Wetenschappelijk onderzoek en zorginnovatie

Is er sprake van onderzoek en innovatie gericht op de kwaliteit van bestaan van cliĂŤnten?

Houding ten opzichte van omgevingsontwikkelingen

Is de instelling bewust van de omgeving en de veranderingen/trends, speelt de instelling hier ook op in?

Portfolio van diensten

Bezint de instelling zich op de meerwaarde van bestaande diensten, wordt de portfolio in breder maatschappelijk/regionaal en economisch perspectief geplaatst?

FinanciĂŤle/ bedrijfseconomische doelen

Investeert de instelling in de toekomst? Worden er risico’s genomen?

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


De ambities van de onderzochte instellingen zijn stevig opgeschoven richting het moderne cliĂŤntvolgende model

In hoeverre is dit nieuwe model al realiteit? We onderzochten in hoeverre VG-instellingen, blijkens publieke beleidsteksten, de ambitie hebben om de omslag van het traditionele naar het cliĂŤntvolgende model maken. 8FOBNFOFFOTUFFLQSPFGWBOJOTUFMMJOHFO HSPPUFO LMFJO FOLP[FOSFMBUJFGFFOWPVEJHFJOEJDBUPSFOBMT NBBUTUBG [JFÄ•HVVS  Telkens is gekeken naar uitspraken over de ambities EJFJOHFSFBMJTFFSE NPFTUFO [JKOFOOBBS VJUTQSBLFOPWFSEFBNCJUJFTEJFEFLPNFOEFUPU jaar nagestreefd worden. Moderne ambities leverden QVOUFOPQ USBEJUJPOFMFQVOUFO PWFSHBOHT ambities 5 punten. De bijlage geeft een toelichting op de puntenscore.

CliĂŤntvolgende ambities winnen terrein vertrekpunt. Zorg en ondersteuning worden alleen nog ingezet wanneer de betreffende persoon en diens directe netwerk het samen niet redden. De mogelijkheden en onmogelijkheden van een zorginstelling gelden dan niet zondermeer als vast gegeven. De zorginstelling levert in samenspraak met de cliĂŤnt en naasten een bijdrage op maat en ontwikkelt diensten en voorzieningen, kijkend naar wat van waarde is in het leven van cliĂŤnten. Met name als het gaat om zelfredzaamheid, zelfstandigheid en (psychisch) welbevinden, maar ook kan het gaan om gezonder ouder worden en inclusie. De zorginstelling beziet haar bijdrage met scherp oog voor bijdragen van BOEFSFCFUSPLLFOFOWFSXBOUFO WSJKXJMMJHFST TPDJBMF verbanden (buurt, sport, hobby, lotgenoten, et cetera), scholen, cultuur- en welzijnsinstellingen, bedrijfsleven, en uiteraard andere zorg- en hulpverleners, alsook politie en justitie.

De ambities van de onderzochte VG-instellingen blijken stevig opgeschoven te zijn richting het NPEFSOFDMJĂ‘OUWPMHFOEF[PSHNPEFM [JFÄ•HVVS  4DPSFOEFBNCJUJFTEJFJOHFSFBMJTFFSENPFTUFO zijn nog een magere 6 (score 58) als rapportcijfer, in de toekomst wenst men een dikke 7 te realiseren TDPSF  Geen enkele instelling meent te kunnen volstaan met het vasthouden aan oude ambities. Er zijn maar liefst TUFSLFTUJKHFST NFFSEBOQVOUFOWFSTDIJMUVTTFO de ambities voor nu en voor de toekomst). Ook de instellingen met een relatief hoger cliĂŤntvolgend BNCJUJFOJWFBVWPPSMFHHFOEFMBUOBBSEF toekomst toe weer hoger. Al met al zijn het dus niet slechts ‘witte raven’ die zich vooruitstrevender tonen, er is sprake van een bredere tendens.

t2)$#SBODIFSBQQPSU


Figuur 3: Cliëntvolgende ambities, nu en in de toekomst 0%

20%

40%

60%

80%

100%

De Driestroom De Zijlen Reinaerde Esdégé-Reigersdaal ’s Heeren Loo Alliade Middin Koraal De Hartekamp Triade Estinea Amerpoort Amarant ASVZ

Ambitieniveau voor 2012 Toename in ambitie Gemiddeld ambitieniveau voor 2012 Gemiddeld ambitieniveau voor de toekomst

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Cliënt heeft meer invloed en keuze

Een nadere analyse van de ambities geeft een beeld van een sector waar de cliënt meer invloed krijgt op zijn leven en waar de zorginstelling de blik sterker naar buiten richt en actiever wordt om keuzemogelijkheden te bieden. Het hoogste scoort het bieden van keuzevrijheid en variatie in wonen. De sector lijkt hier te anticiperen op de invoering van de scheiding van wonen en zorg. Opvallend hoog scoort vervolgens de gerichtheid op netwerkvorming. Allereerst zijn de pijlen gericht op het realiseren van samenwerking/ketenzorg die betere oplossingen voor cliënten binnen bereik brengen.

Daarnaast is er meer ambitie in het stimuleren van de cliënt om een sociaal netwerk op te bouwen en om de regie van de cliënt over zijn leven te vergroten. Uit deze ‘stijgers’ kan voorzichtig geconcludeerd worden dat het nog vaak gekoesterde beeld van ‘naar binnen gekeerde intramurale instellingen’ gecorrigeerd moet worden. Deze meer omgevingsgerichte houding komt ook tot uitdrukking in de groeiende ambitie om actief in te spelen op omgevingsveranderingen en trends en om hierin in de regio een voortrekkersrol pakken (zie figuur 4).

Figuur 4: Stijging in cliëntvolgend ambitieniveau 0%

5%

10%

15%

Wonen Samenwerkingen Netwerk cliënt Omgevingsbewustzijn Inspraak cliënt Diensten Financieel Cliënt onderdeel van maatschappij Wetenschappelijke instituten Werk/dagbesteding

t2)$#SBODIFSBQQPSU

20%


Werk/dagbesteding en maatschappelijke participatie NJTTFOJOIFUSJKUKFTUJKHFSTIJFSHFWFOEFJOTUFMMJOHFO zowel in de huidige als in de gewenste situatie blijk van een zeer hoog ambitieniveau, het hoogste van alle indicatoren. Kennelijk vormden werk/dagbesteding en maatschappelijke participatie al langer de belangrijkste speerpunten en blijven deze voorop staan, terwijl de stijgers cliĂŤntregie, keuzemogelijkheden en externe relaties daar bij gekomen zijn.

Financieel behoudende koers

Opvallend is dat de hervormingsgezinde tendens niet UFSVHUFMF[FOJTJOEFÄ•OBODJĂ‘MFQBSBHSBGFOTMFDIUT een enkele instelling geeft – en dan nog in beperkte mate – blijk van een investeringsbereidheid of een bereidheid tot het nemen van risico’s om de kwaliteit van bestaan van cliĂŤnten te verbeteren. Wat overheerst is het streven naar reserves voor ‘zwaardere tijden’. Het lijkt erop dat instellingen de stevige ambities binnen het budgettair kader, dus uit de (AWBZ-)zorggelden, willen realiseren. De vraag moet gesteld worden of er op deze wijze wel voldoende aandacht is voor ‘flankerende’ diepte-investeringen. Het gaat om investeringen die borgen dat bovenstaande ambities duurzaam verankerd raken en zelfs verder kunnen gaan. 8JKEFOLFOIJFSCJKNFUOBNFBBO t De noodzaak om te investeren in professionaliteit van medewerkers en de inzet van cliĂŤnten als (opgeleide) ervaringsdeskundigen. Het cliĂŤntvolgende model vraagt een andere professionaliteit van NFEFXFSLFSTFOUFBNTEFDMJĂ‘OU[PWFFMNPHFMJKL zelf laten doen, de zorg en ondersteuning in dialoog met cliĂŤnt en diens netwerk (naasten, hulpverleners) vormgeven, en specifieke expertise kunnen bieden. t De noodzaak om te investeren in (ICT) innovaties die passen bij het streven naar cliĂŤntregie, partici-

patie, sociale netwerken en bijvoorbeeld samenwerking in de regio of in de wijk. t De noodzaak om te investeren in onderzoek ter versterking van de expertise op die terreinen waar VG-instellingen bij uitstek meer kunnen bieden dan andere betrokkenen, zoals preventie van ziekten en psychische problemen, ouder worden met een verstandelijke beperking, hanteren van lastig gedrag, of ethische thema’s rond bijvoorbeeld sexualiteit of levenseinde.

Keuzes in de toekomst

Op het vlak van onderzoek en innovatie geven instellingen blijk van een verrassend laag ambitieniveau in zowel de huidige situatie als in de toekomst. Dit staat haaks op signalementen van de branche-organisatie VGN, dat er vele innovaties in gang zijn gezet, gericht op zelfredzaamheid, zelfstandigheid en welbevinden van cliĂŤnten. Gezien het feit dat relatief minder tekst aangetroffen is over initiatieven en ambities op dit terrein, moet aangenomen worden dat de tekstanalyse hier tekort schiet om een goed beeld te vormen. Toch zet deze lage score wel te denken, mede gezien de financieel behoudende koers en de daarmee samenhangende vraag naar de financiering van diepteinvesteringen. Daarbij komt dat ook de aandacht voor herbezinning op de dienstenportfolio is relatief laag is. Welke diensten willen VG-instellingen blijven leveren? Met welke diensten kunnen zij beter stoppen? De onderzochte instellingen maken een omslag naar een cliĂŤntvolgend model, maar deze ontwikkeling wordt niet doorvertaald naar (pijnlijke) keuzes in de productportfolio en evenmin is er een duidelijke lijn te ontdekken in de benodigde investeringen en innovaties. Mede gezien de veranderende bekostiging en de beleidsarme koers van de overheid moet betwijfeld worden of de VG-instellingen de toekomst voldoende proactief tegemoet treden.

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking




Omzet

De omzetgroei van de VG-sector, gemeten over de HSPPUTUFJOTUFMMJOHFOXBTUVTTFOFO   PÄ™FXFMħNJMKPFO5VTTFOFOXBTEF HFNFUFOHSPFJ /BUVVSMJKLNPFUFOXFIFUFÄŒFDU van de permanente clustering van de sector door kleine overnames en fusies meerekenen. Echter gezien het HFSJOHFBBOUBMGVTJFTEBUHFNFMEJTCJKEF/.BJO FONPHFOXFWFSPOEFSTUFMMFOEBUEFBVUPOPNF groei van de instellingen structureel is. De totale omzet WBOEFHFNFUFOJOTUFMMJOHFOCFESPFHħ NJMKBSE 7PPSEFIFMFTFDUPSTDIBUUFOXFEF[FPQħ NJMKBSE 0WFSKBBSHFNFUFOCFESBBHUEFPN[FUHSPFJFFOLMFJOF ħNJMKPFO [JFÄ•HVVS 7PPSEFUPUBMF7(TFDUPS HFWFOXFEBBSCJKFFOTDIBUUJOHWBOħNJMKPFO#JK een rondje in het veld werd al deelverklaring gegeven dat de veranderende indicatiestellingen wel eens mede een oorzaak van de groei zouden kunnen zijn. %FTFDUPSLFOUOJFU [PBMTEF[JFLFOIVJ[FO   

een groeiplafond. Zou dat ingevoerd worden ligt en FFOQPUFOUJĂ‘MFSVJNUFWBOħNJMKPFOWPPSBOEFS beleid. De financiĂŤle groei van de omzet valt te koppelen aan het reeds door Van der Kwartel geconstateerde groei van het gebruik van verblijf en dagbesteding UVTTFOFONFU QFSKBBS0QHSPOE van gepubliceerde cliĂŤntpopulatie-gegevens en een inconsistente wijze van registratie door de verschillende instellingen kan helaas geen goed gefundeerd verband gelegd worden met een veranderende cliĂŤntvraag. Dat zou eigenlijk wel moeten kunnen en pleit ervoor om landelijke afspraken te maken voor een consistente wijze van registratie van cliĂŤnten. %FUPQJOPN[FUWBOEFHFNFUFOJOTUFMMJOHFOOFFNU NFUFFOLMFJOFħNJMKBSEPOHFWFFSWBOEFUPUBMF omzet in de sector op de rekening (zie figuur 6). Dat betekent tevens dat de overige zorg geleverd wordt door meer dan tweehonderd andere instellingen. Het is nog

Figuur 5: Omzet VG-instellingen top-40 (x â‚Ź 1 miljoen) 6.000 5.800 5.600 5.400 5.200 5.000 4.800 2009

2010

2011

t2)$#SBODIFSBQQPSU


niet te meten wat het positieve dan wel negatieve effect zou zijn van een verdere concentratie en consolidatie van de zorginstellingen op een hogere efficiency en doel-

matigheid. De trend naar regionalisering en individualisering van de zorg kent in ieder geval nog geen weerslag in de organisatievorm van de zorgaanbieders zelf.

Figuur 6: Omzet VG-instellingen top-10 (x â‚Ź 1 miljoen) 2009-2011

0

100

200

300

400

500

’s Heeren Loo

Cordaan

Philadelphia

Alliade

Ipse de Bruggen

ASVZ

Dichterbij

Amarant

Koraal

De Opbouw

2009

2010

2011

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking

600




Personeel

De VG-sector is een van de grotere werkgevers in de [PSHNFUPOHFWFFSCBOFO SVJN'5& )FUBBOUBM'5&TUFFHJOFFOKBBSUJKENFU [PO CBOFO.FUEF[FHSPFJWBOIFUBBOUBMQFSTPOFFMTleden is het in de huidige economische crisis een van de weinige groeisectoren van de Nederlandse economie. De groei van de omzet gaat gepaard met een grote groei JOEFLPTUFOWBOIFUQFSTPOFFM5FSXJKMJOIFU BBOUBM'5&NFU UPFOBN TUFHFOEFQFSTPOFFMT LPTUFONFU FFOCFESBHWBOħNJMKPFOPWFSEF gemeten instellingen. Over twee jaar gemeten bedroeg EFTUJKHJOHWBOEFQFSTPOFFMTLPTUFOħNJMKPFOPWFS de gemeten instellingen. Een schatting van de totale stijging van de hele sector over twee jaar ligt dan op ħNJMKPFO

De personele kosten als deel van de omzet

De kosten van het personeel binnen een zorginstelling worden bepaald door deze te meten als deel van de behaalde omzet (zie figuur 7). De hogere arbeidsintensiviteit van de dienstverlening in de VG-sector is er mede de oorzaak van dat de kosten op zijn gelopen UPUCPWFOEFWBOEFPN[FU%FBSCFJETJOUFOTJWJUFJU EJFFFOLFONFSLJTWPPSEFTFDUPS UFSWFSHFMJKLEF LPTUFOWBOEF[JFLFOIVJ[FOMJHHFOHFNJEEFMEPQ JO JTUFWFOTFFOSJTJDP PNEBUEFBĔBOLFMJKLIFJE van personeel op de totale balans wel erg groot wordt en de kosten navenant meegroeien. Ook een veranderende arbeidsmarkt met veel meer flex-banen in de zorg zou wel eens kunnen leiden tot nog hogere kosten. Tot slot vraagt het cliÍntvolgende zorgmodel om hoger gekwalificeerd en beter betaald personeel.

Figuur 7: Kosten personeel op omzet 68%

67%

66%

65%

64% 2009

2010

2011

4 QHC databank ziekenhuizen.

t2)$#SBODIFSBQQPSU


Personele kosten in de VG-sector vormen structureel een zeer hoge kostenpost. Er is meer oog voor de toegevoegde waarde van de personeelsinzet

Het landelijk gemiddelde aandeel personele kosten op EFPN[FUMBBUJOEFQFSJPEFOPHFFOEVJEFlijke toename zien, daar waar in andere sectoren, zoals de ziekenhuizen, een duidelijke sturing op de rem van personeelskosten te bespeuren valt. Bedroegen in de 7(TFDUPSEFQFSTPOFMFLPTUFOJOHFNJEEFME WBOEFPN[FU JOXBTEJUHFNJEEFME%F amplitude tussen hoogste kosten en laagste kosten was 

Netto toegevoegde waarde per FTE

%FOFUUPUPFHFWPFHEFXBBSEFQFS'5&HFFÄ™EFPN[FUCJKdrage per medewerker over het boekjaar. (zie figuur 8). *OCFESPFHEFHFNJEEFMEFOFUUPUPFHFWPFHEF XBBSEFQFS'5&ħPWFSEFHFNFUFOJOTUFMMJOHFO (vergelijk de minder arbeidsintensieve ziekenhuizen in ħ %FQFSJPEFMBBUFFOQPTJUJFve ontwikkeling zien door een gestage toename van EFOFUUPUPFHFWPFHEFXBBSEFQFS'5&%FHFNJEEFMEF

HSPFJPWFSEF[FQFSJPEFCFESPFHQFSKBBS%F HFNJEEFMEFHSPFJJOCFESPFH 8FDPODMVEFSFO voorzichtig dat de VG-instellingen weliswaar stijgende personeelskosten hebben, maar wel kritischer worden als het gaat om toegevoegde waarde van het personeel.

Personeel Niet In Loondienst

Het Personeel Niet In Loondienst (PNIL) is loopt op met HFNJEEFME WBOEFUPUBMFQFSTPOFFMTLPTUFOJO en vormt een extra kostendrager. Het aandeel kosten PNIL is de komende jaren extra interessant om nader te bekijken, omdat de verwachte toename van flexarbeid kan leiden tot structureel hogere kosten. Tevens geeft de PNIL een indicatie voor stabiliteit en continuĂŻUFJUWBOEF[PSHWFSMFOJOHJOFFOJOTUFMMJOH [JFÄ•HVVS  Kijkend naar de instellingen met de hoogste externe LPTUFOPQEFPN[FUWBMUEF%SJFTUSPPNPQ    en tevens dat de grootste drie VG-instellingen 1IJMBEFMQIJB  "MMJBEF   FOT)FFSFO-PP   JOEFUPQ[JUUFO

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Figuur 8: Netto toegevoegde waarde per FTE € 70.000

€ 67.500

€ 65.000

€ 62.500

€ 60.000 2009

2010

2011

Figuur 9: Aandeel kosten PNIL op personele kosten 5,00%

4,75%

4,50%

4,25%

4,00% 2009

2010

2011

’ t2)$#SBODIFSBQQPSU


Figuur 10: PNIL op omzet 2011 top 10 0%

2,5%

5%

7,5%

10%

12,5%

De Driestroom Philadelphia Cordaan Promens Triade Alliade Esdégé-Reigersdaal ’s Heeren Loo Trajectum Gemiva SVG

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking

15%




Vastgoed als asset

Na personeel is vastgoed de hoogste kostenpost in de VG-sector. Welke betekenis heeft dit vastgoed voor de ontwikkeling van de sector? Met de komst van de normering van de huisvestingskosten (de normatieve huisvestingscomponent, NHC) is een fundamentele omslag ontstaan in de bekostiging WBOEFHFCPVXFOWBOHFHBSBOEFFSE[POEFSSJTJDP naar een tarief per ‘geleverde prestatie’. De VGN TDISFFGJOKVOJSFFETFFOCSBOECSJFGOBBSEFWBTUF

Kamercommissie om te wijzen op enerzijds de lage vergoedingen binnen de NHC en anderzijds te wijzen op de boekwaardeproblematiek die de VG-sector kent. Dit houdt in dat een deel van het vastgoed zeer verouderd is en eigenlijk niet meer bruikbaar. Toch vinden er nog afschrijvingen op plaats. VGN heeft vorig jaar door PWC een onderzoek laten doen van de gevolgen van de boekwaardeproblematiek waarbij een uitkomst XBTEBUCJKPOHFXJK[JHECFMFJEEFTDIVMEQFS NJOJNBBMħNJMKPFO[BMLVOOFOCFESBHFO

Figuur 11: Gebouwen/terreinen op activa 56% 55% 54% 53% 52% 51% 50% 2009

2010

2011

t2)$#SBODIFSBQQPSU


Tot op heden is er weinig houvast voor bestuurders en financieel managers van zorginstellingen om de gevolgen van de liberalisering van de zorgmarkt te duiden in termen van te verwachten ontwikkelingen in de vermogenskosten van VG-instellingen. Duidelijk is wel dat deze als gevolg van toenemende risico’s gaan TUJKHFO;P[VMMFOCBOLFOIPHFSFFJTFOHBBOTUFMMFO de risico-opslag (de zogeheten ‘credit spread’) zal toenemen. VG-instellingen zullen een deel van de toekomstige kapitaalbehoefte wellicht uit eigen

middelen moeten financieren. Cofinanciering (mogelijk door middel van participatie vanuit de private sector of overheden op risicodragend vastgoed) is mogelijk, maar wel tegen hogere kosten. Zaak is dat instellingen een balans moeten vinden tussen enerzijds de functionele waarde en anderzijds de financiĂŤle waarde van hun vastgoed. Balanswaardering is een eerste stap. In ieder geval zou iedere zorginstelling een nulmeting en quick scan moeten

Figuur 12: Gebouwen/terreinen op activa 2011 top-10 60%

62%

64%

66%

68%

70%

ASVZ ’s Heeren Loo Sherpa Daelzicht Philadelphia Gemiva SVG Abrona Amarant Twentse Zorgcentra Amerpoort

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking

72%


doen van de huidige vastgoedpositie. Men moet immers volledig inzicht hebben in de huidige risico’s en financiĂŤle verplichtingen met een scheiding tussen de courante en niet-courante delen van het vastgoed. Vandaar uit kan een gerichte vastgoedstrategie worden ontwikkeld, waarbij een gedifferentieerde vastgoedstrategie de risico’s kan beperken voor de korte en middellange termijn. Wat betekent dat nu voor de VG-sector? Het aandeel van vastgoed is historisch groot en de afgelopen jaren TUFFETHSPUFSHFXPSEFO5VTTFOFOTUFFHEF QPTUHFCPVXFOFOUFSSFJOFOPQEFCBMBOTNFU  PWFSEFHFNFUFOJOTUFMMJOHFO [JFÄ•HVVS *OUPUBBM JTEBUFFOXBBSEFWBOSVJNħ NJMKBSE7PPSEFUPUBMF sector zal dat bedrag naar schatting ruim boven de ħNJMKBSEMJHHFO Boekwaardeproblematiek is daarbij een spookbeeld dat al jaren door de sector loopt. Naarmate de inrichting van de zorg steeds meer om de cliĂŤnt heen gaat lopen is de perceptie steeds meer dat de oude functionaliteit van de gebouwen niet meer zal voldoen om gebruikt te kunnen worden voor het verlenen van zorg. En dat terwijl er wel nog jaren afgeschreven moet worden op die gebouwen.

Vastgoed staat voor meer dan â‚Ź 3 miljard op de balansen van de VG-instellingen

6JUIFUSBQQPSUA2VJDLTDBOJOEFDBSFVJUCMFFL dat het voor de VG-sector moeilijk vast te stellen is of er sprake zou kunnen zijn van een boekwaardeprobleem. Gezien de verdere invoering van het cliĂŤntvolgende en netwerkorganiserende zorgmodel in de sector, zou het tot aanbeveling strekken na te gaan hoe groot het boekwaardeprobleem is. Bij de instellingen met de hoogste boekwaarde van gebouwen en terreinen zitten 5 instellingen die ook de grootste PN[FUCPFLFO [JFÄ•HVVS 

t2)$#SBODIFSBQQPSU




Schuld en eigen vermogen

De verhouding tussen schuldposities en eigen vermogen bepaalt uiteindelijk het weerstandsvermogen van een instelling. Gemeten over de jaren is duidelijk dat de laatste drie jaar er een stijgende lijn zichtbaar is van de TPMWBCJMJUFJUWBOHFNFUFOJOTUFMMJOHFO*OCFESPFH

EFHFNJEEFMEFTPMWBCJMJUFJUOPH  JO  Tegelijkertijd nam het totale vermogen van de 7(JOTUFMMJOHFOUPFWBOħNJMKPFOJOOBBS ħ NJMKBSEJO7PPSEFIFMF7(TFDUPSTDIBUUFO XJKEJUHFUBMPQħ NJMKBSE [JFÄ•HVVSFO 

Figuur 13: Schuld vs. eigen vermogen 2011 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Totaal ’s Heeren Loo Cordaan Philadelphia Alliade Ipse de Bruggen ASVZ Dichterbij Amarant Koraal De Opbouw

EV

LVV

KVV

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Figuur 14: Schuld vs. eigen vermogen 2009 0%

20%

40%

60%

80%

100%

Totaal ’s Heeren Loo Cordaan Philadelphia Alliade Ipse de Bruggen ASVZ Dichterbij Amarant Koraal De Opbouw

EV

LVV

t2)$#SBODIFSBQQPSU

KVV


Tevens is te zien hoe de leningenstructuur van de VG-instellingen zich over de laatste drie jaar heeft ontwikkeld. Waarin de ziekenhuismarkt per jaar wisselingen van kort naar lang lenen opgemerkt kunnen worden, kenmerkt de VG-markt zich de afgelopen jaren door stabiel gedrag als het gaat om de balans tussen korte en lange leningen. De verhoudingen MBHFOJOPQBBOMBOHVJUTUBBOEFMFOJOHFOFO LPSUVJUTUBBOEFMFOJOHFO*OUPUBBMCFESPFHEF langlopende schuld van de gemeten instellingen in ħ NJMKBSE%FLPSUMPQFOEFTDIVMECFESPFH ħ NJMKBSE*OUPUBBMXPSEUFFOTDIVMEWBO ħ NJMKBSEHFEFLUEPPSFFOFJHFOWFSNPHFOWBO ħ NJMKBSE%BU[JKOHPFEFDJKGFST5FSWFSHFMJKLJOEF [JFLFOIVJTTFDUPSXFSEJOħ NJMKBSEHFEFLU

EPPSFFOFJHFOWFSNPHFOWBOħ NJMKBSE%F VG-sector heeft dus een betere verhouding tussen schulden en eigen vermogen dan de ziekenhuissector.

Solvabiliteit

De solvabiliteit is een maat voor de financiÍle weerbaarheid van de organisatie. Bij een hoge solvabiliteit beschikt een organisatie over meer financiÍle buffers. In de sector is het – gegeven de huidige methodiek en regelgeving – gebruikelijk om de solvabiliteit uit te drukken als een percentage van de opbrengsten van een VG-instelling. In het overige bedrijfsleven geldt de meer gangbare ratio waarbij het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal wordt gezien. Daar waar in de boeken van instellingen aandelen derden

Figuur 15: Solvabiliteit 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2009

2010

2011

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


De weerstandskas in de VG-sector is met â‚Ź 1,5 miljard zeer goed gevuld

worden meegerekend bij het eigen vermogen hebben wij dit gecorrigeerd en toegevoegd aan de langlopende verplichtingen van de instelling, omdat dit soort belangen niet vrij ter beschikking staat aan instellingen FOLBOXPSEFOUFSVHHFWPSEFSE [JFÄ•HVVS  %FHFNJEEFMEFTPMWBCJMJUFJUCFESPFHJOOPH   JO 5FHFMJKLFSUJKEOBNIFUUPUBMF WFSNPHFOWBOEF7(JOTUFMMJOHFOUPFWBOħ NJMKPFOJOOBBSħ NJMKBSEJO7PPSEF IFMF7(TFDUPSTDIBUUFOXJKEJUHFUBMPQħ NJMKBSE *OPOEFSTUBBOEFUBCFMXPSEFOEFJOTUFMMJOHFONFU het hoogste eigen vermogen naast de tien met het laagste eigen vermogen gesteld. Op ĂŠĂŠn uitzondering OBJTEFMBBHTUHFNFUFOTPMWBCJMJUFJU HFXFFTUJO 5FSWFSHFMJKLIFUMBOEFMJKLHFNJEEFMEFWBOBMMF [JFLFOIVJ[FOMBHJOPQ  [JFÄ•HVVS 

'JOBODJFST CBOLFO FOIFU8BBSCPSHGPOETWPPSEF Zorgsector (WfZ) stellen tegenwoordig strengere eisen aan zorginstellingen voor het aanbieden van een lening dan wel voor het garant staan voor een lening (het WfZ biedt instellingen de mogelijkheid om goedkoop leningen af sluiten door garant te staan voor betaling). De gedachte daarbij is is dat een bancaire instelling zoveel eigen vermogen eist dat een instelling in staat wordt geacht, vanuit die eigen vermogenspositie, aangegane financiĂŤle verplichtingen terug te betalen. Het WfZ hanteert daarbij een minimale norm van BMTXFFSTUBOETWFSNPHFO)FUNFSFOEFFM van de instellingen die we hebben gemeten komt SVJNCPWFOEJFPOEFSHSFOT WBOEF #BODBJSF instellingen hanteren momenteel zelfs normen van  FOIPHFS "BOEJFOPSNWPMEPFUWBOEF gemeten instellingen niet.

t2)$#SBODIFSBQQPSU


Figuur 16: Solvabiliteit –20%

0%

20%

40%

60%

80%

100%

J.P. van de Bent Aveleijn/SDT Ons Tweede Thuis Estinea Pameijer Promens NOVO Pergamijn Esdégé-Reigersdaal Prisma Philadelphia Kempenhaeghe Abrona De Driestroom Reinaerde Vanboeijen ’s Heeren Loo Trajectum Triade Zuidwester

2009

2010

2011

NL 2009

NL 2010

NL 2011

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking




Overige ratio’s

Cash flow ratio

Cashflow is een belangrijke factor omdat het de positieve of negatieve cash positie aangeeft gerelateerd aan de omzet en de kosten. Het genereert inkomsten door zijn eigen winstgevendheid. De kwaliteit van het managen van de cashflow (hiermee wordt bedoeld de wijze waarop het management van een zorginstelling de inkomsten en uitgaven kant stuurt) is belangrijk, omdat de langlopende schulden betaald moeten worden vanuit de cashflow. Er zijn verschillende manieren om de cashflow te bepalen. Een van de meest geaccepteerde methodes is de netto winst te vermeerderen met de afschrijvingen. Afschrijvingen zijn hier van belang, omdat belasting XPSEUCFSFLFOEOBBGTDISJKWJOHFO'FJUFMJKL[PSHFO afschrijvingen voor een lager belastbaar inkomen. Het resultaat wordt uitgedrukt in percentages van het lang vreemd vermogen. De cashflow uitgedrukt in percentages van het lang vreemd vermogen geeft aan op welke wijze een zorginstelling aan langlopende verplichtingen kan voldoen. Het is daarom belangrijk de wensen van een zorginstelling te weten ten aanzien van de toekomstige POUXJLLFMJOH'JOBODJĂ‘MFJOTUFMMJOHFOIFCCFOEJU nodig als er een beslissing moet worden genomen over structurele investeringen. Als de ratio scherp daalt kan dit leiden tot liquiditeitsproblemen. Het aandeel van de cashflow op het LVV laat in eerste instantie een beeld zien waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat instellingen zeer wisselend QSFTUFSFO [JFÄ•HVVS %FHFNJEEFMEFSBUJPMJHU PQWPPSEF7(TFDUPS"MMFJOTUFMMJOHFOEJF POEFSEF[JUUFOIFCCFOOPHXFSLBBOEFXJOLFM om de financiĂŤle huishouding op orde te krijgen.

Het totaal afgeschreven bedrag van de instellingen is UVTTFOFOHFHSPFJENFUSVJNOBBS ħNJMKPFOWPPSEFCFLFLFOJOTUFMMJOHFO%FUPFOBNF JOJTEVJEFMJKLWBOJOWMPFEPQIFUSFTVMUBBU XBBS bij een gestegen omzet het netto resultaat praktisch HFMJKLJTHFCMFWFOBBO ħNJMKPFO  Het versneld afschrijven is natuurlijk enkel dan mogelijk als de groei van de omzet gecontinueerd kan worden. Mocht de overheid tot een groeistop besluiten of mochten instellingen anderszins onder druk komen te staan dan zullen de zwakkere instellingen in problemen kunnen komen.

De cashflow positie VG-instellingen laat zien dat er nog meer dan genoeg ruimte is om te gaan investeren in vernieuwing

t2)$#SBODIFSBQQPSU


Figuur 17: Spreiding cashflow ratio VG-instellingen 2011 (cashflow/LVV) 490% 480%

70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Current ratio

De current ratio is een zogeheten liquiditeitsratio. Liquiditeiten zijn de assets in een zorginstelling die snel en tegen lage kosten te converteren zijn in cash. De verschillende ratio’s die worden gehanteerd hebben allen een ander perspectief. De mogelijkheden die een zorginstelling heeft om snel te kunnen voldoen aan korte termijn verplichtingen bij bijvoorbeeld kapitaalverschaffers worden inzichtelijk met de current ratio.

De current ratio laat de vlottende activa zien die een onderneming kan converteren in cash als deel van het kort vreemd vermogen. Het verschil ertussen is bekend als het netto werkkapitaal en bepaalt het HFMESFTFSWPJSWBOFFOCFESJKG [JFĕHVVS  Over het algemeen wordt een gezonde current ratio HF[JFONFUFFOXBBSEFWBO IFUHFFOBBOHFFęEBUFFO zorginstelling goed in staat is de lopende schulden af te betalen. Door de structuur van de VG-sector is het

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


echter jarenlang geenszins urgent geweest te sturen op cashflow. Rekeningen konden maandenlang uitstaan, omdat vanuit een budgettair kader de financiering plaatsvond en er altijd aan het einde van het jaar een nacalculatie plaats vond, die eventuele financiĂŤle plooien gladstreek. Nog steeds is er echter geen druk op de sector een strakker cashflow beleid te gaan voeren. Er is voldoende omzet en de eigen vermogenspositie van de meeste

instellingen staat er florissant voor. De gemiddelde uitstaande debiteuren tijd voor de VG-instellingen CFESPFHJOEBHFO EBUJTWFFMCFUFSEBOEF door systeemwijzigingen geplaagde ziekenhuissector EBHFO  Zolang die urgentie er niet is, en dus de current SBUJPOJFU[BMTUJKHFOOBBSCPWFOEF  MPQFOCJKFFO toenemende vrije markt (scheiding wonen en zorg en zorginnovaties) instellingen onevenredig grote risico’s.

Figuur 18: Current ratio 0,65

0,60

0,55

0,50

0,45 2009

2010

2011

t2)$#SBODIFSBQQPSU


EBITDA

EBITDA (inkomsten voor rente, belasting, afschrijving en amortisatie) uitgedrukt in het percentage ten opzichte van de omzet, is ĂŠĂŠn van de meeteenheden om cash winstgevendheid uit te drukken. Dat is nuttig als het management van een bedrijf wil weten in hoeverre een bedrijf cash kan genereren. Voldoende cashflow hoeft nog niet altijd een ratio te zijn voor resultaat, omdat een bedrijf tegelijkertijd in liquiditeitsproblemen kan raken doordat het niet kan voldoen aan lopende verplichtingen. De EBITDA moet daarom altijd naast andere indicatoren meegewogen worden.

EBITDA is daarnaast belangrijk voor bancaire instellingen en investeerders, omdat bedrijfswaarderingen bij overnames vaak worden uitgedrukt in een meervoud van de EBITDA en tevens de snelheid waarmee cash kan worden gegenereerd als maatstaf wordt gehanteerd voor de groeiperspectieven van een onderneming. Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat de VG-instellingen een lage EBITDA kennen. Dit is voor dit soort instellingen niet erg, zolang er een garantie van (overheids)inkomsten (gestuurd vanuit een CVEHFUUBJSLBEFS UFHFOPWFSTUBBU [JFÄ•HVVS 

Figuur 19: EBITDA 10,5%

10,0%

9,5%

9,0%

8,5% 2009

2010

2011

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Figuur 20: EBITDA 10 grootste VG-instellingen 0%

2,5%

5%

7,5%

10%

12,5%

15%

’s Heeren Loo Cordaan Philadelphia Alliade Ipse de Bruggen ASVZ Dichterbij Amarant Koraal De Opbouw

De algemene tendens is daarbij dat de EBITDA het afgelopen jaar is gedaald. Voor het bedrijfsleven [PVFFOSFEFMJKLFOPSN[JKO;PWFSLPNFO VG-instellingen in Nederland nog niet. Zowel de grote als de kleine instellingen blijven duidelijk BDIUFS%FHSPPUTUF7(JOTUFMMJOHFOCMJKWFOUVTTFO EFFO [JFĕHVVS %BBSFOUFHFOHFFęEF hoge solvabiliteit voldoende tegenwaarde om problemen te kunnen opvangen. Niettegenstaande moet iedere instelling vanuit de eigen cashflow voldoende

kapitaal kunnen genereren om de schuldpositie af te kunnen dekken. Als de voorwaarden voor leningen verscherpen en een instelling niet aan die voorwaarden kan voldoen, zullen hogere rentetarieven het gevolg zijn, waardoor het resultaat onder druk komt te staan.

t2)$#SBODIFSBQQPSU




Transitiebeeld van de sector

"MTEFCFMFJETBOBMZTFWBOPOEFS[PDIUF7(JOTUFMlingen representatief is voor de hele sector, dan zou in de VG-sector een hervorming gaande zijn. Dit is opmerkelijk, wanneer we in ogenschouw nemen dat er weinig harde overheidsprikkels zijn geweest om deze ontwikkeling in gang te zetten. Budgetten stegen de afgelopen jaren nog steeds. Tarieven en sommige voorzieningen staan weliswaar onder druk, maar niet dusdanig dat de sector erdoor gedwongen werd zichzelf te hervormen. Zorgkantoren zijn kortingen gaan hanteren die met bepaalde innovaties terugverdiend kunnen worden, maar ook deze prikkels zijn bescheiden van aard. Daar waar de overheid zich met de VG-instellingen bemoeide betrof het met name de bedrijfsvoering, verantwoording en continue kwaliteitsverbetering. Van prikkels richting moderne cliĂŤntvolgende netwerk organisaties is geen sprake. Het beeld dat zich opdringt is dat van een sector die op eigen initiatief en zonder al te veel overheidsinmenging serieus werk maakt van ingrijpende veranderingen in het zorglandschap. De door sommigen gewenste ruk aan de (AWBZ) geldkraan om de groei in vraag en omzet te stoppen en stevige veranderingen af te dwingen moet daarom op zijn minst betwijfeld worden. Ten eerste wordt daarmee voorbij gegaan aan de beweging die zich reeds aftekent en die versneld en gestimuleerd kan worden door een stimulerend beleid gericht op (het vrijmaken van reserves voor) innovaties en diepte-investeringen. Ten tweede is niet ondenkbaar, dat beperkingen in de bekostiging juist leiden tot vertraging van deze beweging, mede gezien het feit dat de implementatie van de te verwachten wijzigingen in de bekostiging enorm arbeidsinstensief is.

Niet duidelijk is hoe ver de hervormende ambities nog zullen reiken. Pijnlijke keuzes zijn er (nog) weinig, en de investeringen in professionalisering en toekomstwaardige innovaties onttrekken zich goeddeels aan het (publieke) zicht. Wel heeft de sector kennelijk voldoende eigen vermogen opgebouwd om lastiger tijden tegemoet te kunnen treden. Echter is de waarde van dat kapitaal enkel op de bankgegevens af te lezen. Gelden uit het eigen vermogen worden nog onvoldoende aangewend om de veranderingen in het zorgaanbod te versnellen door gerichte innovatieve of structurele investeringen. De positie van het vastgoed van de instellingen is daarbij ook geen stimulans om kantelingen op gang te brengen. Als de aflossingsverplichtingen voor een gebouw nog TUFFETKBBSCFESBHFOFO[POHFCPVXPOWFSLPPQCBBS is, zijn de prikkels om een andere inrichting voor de zorg op te zetten niet al te groot. Het versneld doorvoeren van investeringen in gescheiden zorg- en woonconcepten zou door de dreigende boekwaarde problematiek en een voortdurende economische crisis wel eens belemmerd kunnen worden. Stimulering van investeringen in 'nieuwe' woonconcepten zou helpen indien tegelijkertijd desinvesteren in 'oud' vastgoed aantrekkelijk gemaakt wordt.

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking




Literatuur

#JTTDIPQ 'FUBMJJ Quick scan in de care, onderzoek normatieve huisvestingscomponent, CbZ, CTG/ZAio, 1SJTNBOU   Brealey, R.A., Myeres, S.C., Marcus, A.J., Fundamen- tals of Corporate Finance   McGraw-Hill, Inc. Bridges, W., Managen van transities, over de menselijke kant van organisatieveranderingen ฤ‡FNB   Zaltbommel. Embregts, P.J.C.M., Zien, bewogen worden, in beweging komen*OBVHVSFMFSFEF 6OJWFSTJUFJU5JMCVSH   Le Grand, J.& W. Barlett (Eds. ), Quasi-markets and Social policy.BDNJMMBO1SFTT  )PVOETNJMM Krรถber, R. Th, Dongen, J. van, Sociale inclusie, succes en faalfactoren#PPN/FMJTTFO  "NTUFSEBN

0ZFO '()1 7FSSB 1 Reflecties over leiderschap in de Zorg 3FFE#VTJOFTT  "NTUFSEBN Sluiter, M., Bensdorp, E, Nederlandse Ziekenhuizen, een regionale uitdaging   6USFDIU Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationale "UMBT7PMLTHF[POEIFJE#JMUIPWFO3*7.  www.zorgatlas.nl, Nationale Atlas Volksgezondheid, WFSTJF KVOJ Westert, G.P. van den Berg, M.J., Zwakhals, S.L.N., )FJKJOL 3EF+POH +%FO7FSLMFJK)   Zorgbalans. De prestaties van de Nederlandse zorg. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven. Woittiez, I., Ras, M., Oudijk, D., IQ met beperkingen, De mate van verstandelijke handicap van zorgvragers in kaart gebracht. Sociaal en Cultureel Planbureau  %FO)BBH

Kwartel, A.J.J. van der, Brancherapport Gehandicaptenzorg 2010 ,JXB1SJTNBOU  6USFDIU

t2)$#SBODIFSBQQPSU




Verantwoording

Dit brancherapport is gebaseerd op een kwalitatief en een kwantitatief onderzoek. In het kwalitatieve onder[PFLJTFFOTUFFLQSPFGWBO[PSHJOTUFMMJOHFOBBOFFO beleidstekstanalyse onderworpen. In het kwantitatieve POEFS[PFL[JKOEFHSPPUTUFJOTUFMMJOHFONFFHFOPNFO Van de onderzochte instellingen zijn er 5 die in beide analyses meegenomen zijn. In deze brancheverkenning is ervoor gekozen alleen te kijken naar zorgaanbieders die woondiensten leveren en hier een breed palet aan andere diensten aan verbinden. Gespecialiseerde aanbieders, bijvoorbeeld op het gebied van behandeling of begeleiding zijn niet meegenomen. 2)$IFFęFFOCFMFJETUFLTUBOBMZTFVJUHFWPFSEPQCBTJT van de door (middels een steekproef geselecteerde) [PSHJOTUFMMJOHFOHFQVCMJDFFSEFPQFOCBSFKBBSSBQporten en jaarverantwoordingsdocumenten. De steekQSPFGWBOJOTUFMMJOHFOJTSFEFMJKLHFTQSFJEPWFSIFU

land en bevat zowel kleinere als hele grote zorginstelMJOHFO)FUBBOUBMDMJÑOUFOWBOEF[F[PSHJOTUFMMJOHFO JTJOUPUBBMSVJNDMJÑOUFO EFHF[BNFOMJKLF PN[FUSVJNħ NJMKBSE CFSFLFOEPQCBTJTWBOKBBSWFSTMBHHFHFWFOT "MMFFOQVCMJFLFKBBSWFSTMBHFOFO beleidsplannen zijn in de ambitie-analyse meegenomen. Doel van de beleidstekstanalyse was aanwijzingen te vinden die zouden kunnen wijzen op het realiseren van moderne cliÍntvolgende ambities. Concreet zijn uitspraken verzameld die betrekking hebben op WPPSBGHFEFĕOJFFSEFJOEJDBUPSFO5FMLFOTJTHFLFLFO OBBSVJUTQSBLFOPWFSEFBNCJUJFTEJFJOHFSFBMJseerd (moesten) zijn en naar uitspraken over de BNCJUJFTEJFEFLPNFOEFUPUKBBSOBHFTUSFFGE XPSEFO.PEFSOFBNCJUJFTMFWFSEFOQVOUFOPQ  USBEJUJPOFMFQVOUFO PWFSHBOHTBNCJUJFTQVOUFO Zie verder de onderstaande indicatie- en scoretabel.

'JHVVS Indicatoren

0 punten ‘traditioneel instellingsmodel’

5 punten ‘overgang’

10 punten ‘cliĂŤntvolgend model’

Wonen

Instelling bepaalt waar de cliĂŤnt woont. Alleen mogelijkheden binnen instelling. Niet uitbesteden van wonen.

De cliĂŤnt heeft ruimte om zijn voorkeur wat betreft wonen aan te geven, maar de instelling bepaalt wat het beste past bij de cliĂŤnt.

De cliĂŤnt mag zelf bepalen waar hij woont: binnen de instelling of particulier, met cliĂŤnten of in de samenleving. Stimuleren wonen in samenleving.

Inspraak en regie cliĂŤnt

Instelling bepaalt (heeft regie). CliĂŤnt praat mee, mag voorkeur aangeven, maar instelling bepaalt.

CliĂŤnt bepaalt (heeft regie), hij geeft in gesprek aan wat hij wil en de instelling ondersteunt, vertaalt en organiseert de realisatie.

Sociaal netwerk van cliĂŤnt

Instelling is belangrijkste in netwerk cliĂŤnt.

CliĂŤnt wordt gemotiveerd/ geholpen om een sociaal netwerk op te bouwen en dit te gebruiken.

Instelling wil wel dat de cliĂŤnt een sociaal netwerk heeft/opbouwt, maar is hier niet actief mee bezig (wel belangrijk, geen speerpunt).

>>

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Indicatoren

0 punten ‘traditioneel instellingsmodel’

5 punten ‘overgang’

10 punten ‘cliëntvolgend model’

Invulling van werk/dagbesteding

Cliënt kan enkel werken of de dag besteden bij (initiatief van) instelling.

Werken en dagbesteding elders kan, maar op initiatief van de cliënt wordt niet actief aangeboden door de instelling.

Cliënt wordt actief gestimuleerd om te werken en krijgt ondersteuning in vinden passende plek, idem dagbesteding.

Maatschappelijke participatie cliënt

Cliënt woont en werkt binnen de instelling (evt. wel participeren in de maatschappij d.m.v. activiteiten).

Instelling wil dat cliënt onderdeel is van de maatschappij, maar stimuleert dit niet actief.

Instelling wil cliënt volledig onderdeel laten zijn van de maatschappij en stimuleert dit actief. Betrekken van diverse partijen in regio, zoals ouderen, bedrijven, welzijn.

Samenwerking/ ketenzorg

Beperkt sprake van ketenzorg/ Er zijn wel samenwerkingen op Instelling zoekt naar de beste uit- of inbesteding op vlak van het gebied van ketenzorg, maar mogelijkheden voor de cliënt, zorg, wonen, werken, leren. instelling is hier niet actief mee binnen en buiten de deur. bezig, focus op stroomlijnen professionele relaties.

Wetenschappelijk onderzoek en zorginnovatie

Geen contacten of samenwerkingsverbanden.

Houding ten opzichte van omgevingsontwikkelingen

Niet veel aandacht voor Veranderingen zien als veranderingen in de omgeving. bedreigingen, ermee leren leven. Veranderingen wel zien maar niet op reageren.

Veranderingen zien als kansen en hier actief op inspelen, opstellen als veranderaar in regio en samenleving.

Portfolio van diensten

Instellingen breiden uit en gaan een groter aanbod aanbieden.

Bewuster keuzes voor doelgroepen en afstemming diensten op doelgroepen.

Herbezinning op toegevoegde waarde, aanbod omvormen of stopzetten, eventueel specialiseren of juist reorganiserende rol van dienstenaanbod in de regio pakken.

Financieel

Interen: instelling gaat voor zekerheid en investeert beperkt, maakt nauwelijks gebruik van vermogenspositie.

Investeert in verbetering: optimalisatie bedrijfsvoering, professionalisering personeel, aanpassen aan maatregelen zoals scheiden wonen-zorg.

Instelling neemt risico’s, investeert, maakt wel gebruik van vermogenspositie.

Wel contacten of samenwerkingsverbanden, pilots, specifieke experimenten.

t2)$#SBODIFSBQQPSU

Wetenschappelijk onderzoek, actief en langdurig samenwerken met universiteiten en innovatiepartners.


Bij het kwantitatief analyseren van de instellingen voor NFOTFONFUFFOWFSTUBOEFMJKLFCFQFSLJOHIFFę2)$ een keuze gemaakt voor het analyseren van de HSPPUTUFJOTUFMMJOHFOJO/FEFSMBOE2)$HBBUBMUJKE uit van de grootste entiteit van een zorginstelling. Jaarverslagen worden bekeken op het hoogste, geconsolideerde niveau. De grootte van een VG-instel-

ling is bepaald op basis van de totale omzet. Dat betekent dus niet op basis van het aantal (intramurale) cliĂŤnten of het aantal zorg- en verblijfdagen. De publieke gegevens over de cliĂŤntpopulatie vertoonden JOOJFUWFSLMBBSCBSFWFSTDIVJWJOHFOUFOPQ[JDIUF WBOEFDJKGFSTWBOFO[JKOEBBSPNCVJUFO beschouwing gelaten.

'JHVVS Instelling

Plaats

Instelling

Plaats

Ons Tweede Thuis

Aalsmeer

Alliade

Heerenveen

Estinea

Aalten

Kempenhaeghe

Heeze

’s Heeren Loo

Amersfoort

Abrona

Huis ter Heide

Cordaan Groep

Amsterdam

Triade

Lelystad

Siza

Arnhem

Zuidwester

Middelharnis

Promens Care

Assen

Philadelphia

Nunspeet

Vanboeijen

Assen

Pluryn

Oosterbeek

Amerpoort

Baarn

Middin

Rijswijk

Sherpa

Baarn

Pameijer

Rotterdam

Aveleijn/SDT

Borne

Koraal Groep

Sittard

EsdĂŠgĂŠ-Reigersdaal

Broek op Langedijk

ASVZ

Sliedrecht

J.P. van de Bent

Deventer

Amarant

Tilburg

Pergamijn

Echt

De Zijlen

Tolbert

Lunet

Eindhoven

De Opbouw

Utrecht

De Driestroom

Elst

Reinaerde

Utrecht

De Twentse Zorgcentra

Enschede

Dichterbij

Venlo

Gemiva SVG Groep

Gouda

Cello

Vught

NOVO

Groningen

Prisma

Waalwijk

Daelzicht

Heel

Ipse de Bruggen

Zwammerdam

Hartekamp Groep

Heemstede

Trajectum

Zwolle

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


t2)$#SBODIFSBQQPSU


ª2)$#76USFDIU 0OUXFSQ4NJETXBUFS %SVLXFSL5FO)FSLFM 2)$ .JEEFOXFUFSJOH "36USFDIU www.qhc-nl.com


QHC Middenwetering 1 3543 AR Utrecht +31(0)30 265 22 82 info@qhc-nl.com www.qhc-nl.com

tZorg voor mensen met een verstandelijke beperking


Qhc Brancherapport 2012 Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking  

Qhc Brancherapport 2012 Zorg voor mensen met een verstandelijke beperking

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you