Issuu on Google+

Winter Louise Boogert 1


2


Dag 1, middag, stal Ik zag een jongen voorbijlopen. Vlak bij de ingang van de binnenstallen kruiste hij twee meisjes. ‘Op wie rij jij?’ ‘Winter,’ ‘Medelijden,’ Ik irriteerde me er niet aan. Ik had zelf m’n reputatie gemaakt. Sommige mensen vond ik wel aardig, hoor. Maar de meeste gewoon niet. Daar kwamen de meisjes aan. De ene straalde zelfvertrouwen uit, de ander totaal niet. Het meisje met het zelfvertrouwen, waarvan ik wist dat ze Elize heette, liep naar de stal schuin tegenover me, waar Chico stond. De andere, Lisa, kwam naar mijn stal. Ze was duidelijk zenuwachtig. Dat waren alle beginners die op mij reden. Ik ging rustig door met eten. Lisa tilde de ketting die voor mijn stal hing en glipte er snel onderdoor. Ze had een verkleurd blauw halster in haar handen. Voorzichtig kwam ze dichterbij. Ze sloeg een aarzelende hand om mijn neus. Ik ontblootte mijn tanden en brieste luid. Lisa maakte een sprong achteruit. Ze kwam weer terug. Dit keer legde ik mijn oren in mijn nek en schudde met mijn hoofd. Lisa sprong weer terug. ‘Elize!’ Dit was te verwachten. Ik zou mijn zus ook roepen als mijn pony vervelend deed. Elize kwam ook de stal in. Ze pakte mijn hoofd stevig vast en er was geen ontsnappen meer voor mij. Even later zat ik met een halster om aan mijn ketting vast met een felgeel halstertouw. Maar ik gaf me niet zomaar gewonnen. Tijdens het poetsen kon ik niet veel doen. Alleen als ze achter je langs liepen een klein stapje naar achter zetten. Maar heel veel mensen liepen allang niet meer achter me langs. Dus ik hield me gedeisd. Maar het leukste moest nog komen. Het hoeven krabben. Daar verheugde ik me altijd op. Vooral met beginners. Lisa wist dat ook en stond al te trillen op haar benen voordat ze de hoevekrabber had gepakt. Eerst gewoon een paar keer je been niet geven. Dan, als ze hem eindelijk had, een beetje schudden zodat ze hem weer losliet. Maar toen greep Elize in. Ze krabde mijn hoeven en ik hield me rustig. Toen kwam het opzadelen. Bij het zadel kan je niet veel doen. Alleen een beetje weglopen. Maar het hoofdstel is altijd leuk. Hoofd wegtrekken. Dreigend hinniken. Totdat er iemand ingrijpt. Iemand zoals Elize. Dan is de lol er alweer af. Lisa was net op tijd klaar. Ze maakte de ketting los. En trok aan mijn teugels. Ik stribbelde even tegen, maar liep toen wel mee. Lessen vind ik altijd leuk. Met andere pony’s kan ik het goed vinden, en ik hou van rennen. Tijdens het opstijgen ging ik een stukje lopen. Een heel klein stukje maar. Maar Eline, de instructrice, greep in. Jammer. In de les deed ik goed mijn best. Stappen, draven, wat figuurtjes rijden. Meer deed je niet in een beginnersles. En toch genoot ik. Lisa had geluk. Na haar les kwam de gevorderdenles. Iemand uit de gevorderdenles, Rosa, reed op mij. Rosa was een van de mensen die ik wel aardig vond. De gevorderdenles vind ik leuker om in te rijden dan een beginnersles. Maar goed, tijdens het afpoetsen deed ik niks. Lieve ik. En zo kwam de avond. De rust was wedergekeerd. Ik merkte gelijk dat er iets niet klopte. Ik wist dat Milka er niet was wegens vakantie. Maar er was nog een stal leeg. De stal van Molukka. Molukka was een mooi lichtbruin paard met wat donkerdere manen. Maar ze was er dus niet. Ik maakte me ongerust. Ik besloot haar te gaan zoeken. Ik haalde Laura, de pony in de stal naast mij, over om mee te gaan. Aan het begin was het ontsnappen niet zo moeilijk. Gewoon jezelf onder de ketting door wringen. Dan konden alle pony’s die binnen stonden. Toch hielp ik Laura maar even, door de ketting omhoog te houden. Niet dat ik dacht dat ze het niet kon, maar jij zou hetzelfde doen voor degene waar je verliefd op bent (als je een jongen bent). Zo stonden Laura en ik op het gangpad. Maar de deur naar buitenstal zat op slot. Maar de zadelkamer zat aan de buitenstal vast, en die deur zat niet op slot of zelfs maar dicht. Ik duwde de deur met mijn neus open en liet Laura natuurlijk voorgaan. Via de zadelkamer moest je nog door een klein halletje waar de wc’s waren en dan was je buiten. Tot dan toe ging het vlekkeloos. Koen stak zijn hoofd naar buiten. Langzaam kauwend (Koen was altijd aan het kauwen) keek hij ons na toen we voorbijliepen. Hij zei niks. Koen wist dat hij niet met zijn 3


mond vol mocht praten. Dus Koen zei nooit iets. Hij had immers altijd zijn mond vol. Eerst liep ik naar de kleine binnenbak. Zo in het donker zonder mensen die druk in de weer waren was het best eng op de manege. De deuren van de kleine binnenbak was dicht. Ik had hem snel open. Ik deed een paar stappen over het zand. Voor het eerst in mijn leven was ik bang. Echt bang. Stel dat mensen Molukka hadden ontvoerd, en het nu op mij hadden gemunt! Ik snoof. Niks. Mijn ogen waren gewend geraakt aan het donker. Ik zag niks. Ik was blij dat ik weer in het heldere maanlicht stond. Laura stond bij de grote binnenbak. Ik zag aan haar benen dat ze ook bang was. ‘Niks,’ fluisterde ze. Ik knikte. ‘Bij mij ook,’ Samen liepen we naar de buitenbakken. Ik keek nog even de kantine in, maar geen Molukka. Dat had ik ook wel verwacht. In de buitenbak was ook niemand. Een beetje teleurgesteld liep ik terug naar de stal. Maar ja, wie ontvoerd er nu een paard, en blijft dan op de manege rondhangen? Nou ja, het kon. Toen kreeg ik de schrik van mijn leven.

Dag 2, nacht, ‘plein’ op de manege Ik voelde dat er iemand achter me stond. Ik onderdrukte de neiging om de schoppen en draaide me om, tanden in de aanslag. Toen herkende ik het gezicht en de stem; het was Rosa. ‘Rustig maar,’ Ja hallo, wat zou jij doen als iemand je verschrikkelijk liet schrikken om 12 uur ’s nachts en terwijl je ook nog de aftocht blaast nadat je op een ontvoerder hebt gejaagd? Maar ik kalmeerde snel. ‘Sorry,’ Ik realiseerde me dat Rosa me niet kon verstaan. ‘Geeft niet,’ Rosa keek me begripvol aan. ‘Wacht, hoorde je nou wat ik zei?’ Ik kon het niet geloven. ‘Ja, ik ontdekte het bij de muizen van mijn tante,’ zei Rosa ‘Maar goed, wat doen jullie hier?’ Die zat eraan te komen. Ik was druk bezig een smoes te verzinnen toen Laura zei: ‘We zoeken Molukka. Ze is er niet.’ Rosa stapte kordaat naar de binnenstallen. De stal van Molukka was leeg. Nog steeds. Ik had niks anders verwacht. Rosa knikte. ‘Morgen kom ik terug,’ zei ze en ze was weg. ‘Hé, wacht even!’ riep ik. Rosa draaide zich om. ‘Wat?’ ‘wat deed jij hier?’ Rosa schudde haar hoofd. ‘Dat komt morgen wel,’ En ze was weg. Laura en ik wurmden ons weer onze stallen in. ‘Tijd om wat slaap te pakken,’ mompelde ik en binnen een paar seconden was ik buiten westen. Die ochtend stond Rosa om 8 uur aan mijn ketting te rammelen. Ik keek haar vragend aan. ‘Het is Hemelvaartsdag,’ legde ze uit. ‘Snel. Niemand is nog op. Kom.’Rosa maakte mijn ketting open en ik kon naar buiten. Laura werd ook bevrijd. Met zijn drieën snelden we naar buiten. ‘Hoe kwam je binnen?’ ik was wel benieuwd. Rosa rinkelde met een sleutelbos. ‘Kom mee,’ Rosa wenkte. We liepen naar de zadelkamer. ‘Als we snel moeten zijn moeten jullie gezadeld zijn,’ Rosa glipte naar binnen en kwam naar buiten met mijn zadel, een dekje en mijn hoofdstel. Ik liet me opzadelen. Toen was Laura aan de beurt. Zij werd niet aangesingeld. Rosa steeg nog niet op. Ze liep eerst naar het hek, deed het op slot en steeg toen pas op. We galoppeerden weg. ‘Waar beginnen we met zoeken?’ Ik was vrolijk. ‘De verlaten loods,’ antwoordde Rosa. ‘Misschien de voor de hand liggend, maar daarom juist niet en daarom juist wel, enz. Je moet inschatten hoe doordenkend je achtervolgers zijn. Maar we kunnen het altijd proberen.’ Het duizelde me. Multitasken was niet mijn sterkste punt. Laura had ook een vraag. ‘Waarom neem je ook mij mee? Het lijkt me met één pony veel handiger, en ik had het niet echt erg gevonden als ik een stal had moeten blijven.’ ‘Ik wel,’ Rosa keek Laura glimlachend aan. ‘Het zou niet echt aardig zijn geweest om je in je stal achter te laten. En trouwens, twee pony’s is veel handiger, zo hoef je niet het uiterste uit je pony te halen, of in ieder geval minder 4


snel.’ Laura knikte. We waren er. Rosa hielt me in. Stappend reden we de loods in. Dit keer was ik niet bang. Het was licht, ik had en een mens bij me, het was allemaal niet erg beangstigend. Een gat in het dak verlichtte bijna de hele loods. In het midden stond een kapotte loopband, met aan allebei de kanten een machine. De machine links was maar één helft. Een ratje stak zijn snuit om de rand en rende snel weg. Rosa steeg af. Ze wees naar de deur recht voor ons. ‘Ik kijk daar,’ zie ze. Ik deed de linkerdeur en Laura de rechter. Ik duwde de deur met mijn neus open. In de kamer waar ik terechtkwam stonk het verschrikkelijk. Ik negeerde het en keek om me heen. Het duurde even tot mijn ogen aan het donker gewend waren. Na het daglicht van de hal was het hier verbazingwekkend donker. Hier stonden geen machines. Het was alleen een hal. Twee deuren, en de deur waar ik uit was gekomen. Ik duwde de voorste open. Het was een kantoor. Bureau met computer, lampje op het bureau en een vergeeld schilderij van een ietwat griezelige man met een grote grijze snor. En laatjes, in het bureau. Er konden interessante dingen in zitten. Hier had ik Rosa voor nodig. Ik liep de loods weer in. ‘Rosa!’ Rosa kwam aangesneld. ‘Kom,’ Rosa liep achter me aan. Ik knikte met mijn hoofd naar de laatjes in het bureau. Rosa rommelde er aan, maar ze gingen niet open. ‘Op slot,’ Ik had de sleutels snel gevonden. Achter het gordijn (er zat ook een raam in het kantoor) aan een haakje. Er zat niks in de laatjes. Helaas. Niks aan te doen. ‘Dank je wel,’ Rosa verdween weer. Ik doorzocht het kantoor nog even, maar vond niks interessants. De computer was stuk. Ik keek in de andere kamer. Daar stond niks. Ik schrok me helemaal kapot toen ik twee ogen vanuit het donker zag. Een grote zwarte kat stapte uit de schaduwen. ‘Goedendag,’ mauwde hij, ‘Wat brengt u hier?’ ‘Sorry, ik heb jou nog nooit gezien. Ik ben Winter.’ zei ik. ‘Juist,’ zei de kat. ‘Ik ben Scepter.’ ‘Juist,’ ik wenkte met mijn hoofd, ‘Ga je mee?’ Scepter knikte. Samen liepen we naar de loods. ‘ROSA! LAURA!’ brulde ik. Snel kwamen we aangehold. ‘Wat?’ Rosa keek geschrokken. Laura trouwens ook. ‘Dit is Scepter,’ legde ik uit. Ik wendde met tot Scepter. ‘Scepter, wil je met ons mee? We zoeken een manegepaard genaamd Molukka.’ Scepters uitdrukking veranderde gelijk. ‘Wat spannend! Ik ga mee! Ik zit al zo lang in dit muffe hol, ik heb wel zin in avontuur!’ Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Eerst was Scepter deftig en keurig, nu leek hij meer op een kitten die kattenkwaad gaat uithalen. ‘Fijn. Is er voor de rest nog iemand?’ Ik was benieuwd. Alle kleine beetjes helpen. Scepter schudde zijn hoofd. ‘Ik kan het weten. Ik loop elke dag drie keer door de hele loods op zoek naar vette muizen of iets om mee te spelen. De muizen vind ik, het zit hier barstensvol met die beesten, maar iets om te spelen niet.’ Hij liet droevig zijn hoofd hangen. ‘Ik ben zo eenzaam,’ ‘Maar nu niet meer!’ Laura wist altijd op het juiste moment het juiste te zeggen. Even later waren we met z’n vieren op weg. Scepter zat op mijn rug. Hij woog niks. Zoveel muizen waren er blijkbaar toch niet. ‘Waar zoeken we nu?’ voeg ik. ‘Weet ik niet,’ zei Rosa ‘Iemand ideeën?’ ‘Ja,’ zei Scepter. ‘De verlaten manege,’ ‘Waar is dat?’ ‘Vlakbij,’ Scepter sprong van mijn rug af. Hij draafde voor ons uit. We gingen links en de verlaten manege was bijna niet te missen. Een paar stallen, waren er maar, een stuk of zeven, waarvan er vijf volledig waren ingestort, eentje het zeker binnenkort ging doen, en de laatste zag er nog best solide uit. Er klonk gerommel uit de stal. Voor we ook maar een beweging in de richting van de stal hadden kunnen maken, stoof er een paard uit dat verdacht veel op Molukka leek. Rosa en Scepter hadden maar net tijd op om onze ruggen te springen, voordat Laura en ik er in volle galop vandoor gingen. Molukka was niet zo snel, ze was normaal wel redelijk op tempo -natuurlijk niet zo snel als ik- maar ze was nu een stuk minder snel. Het was wel duidelijk dat ze verzwakt was. Ik haalde haar al snel in en een fractie van een seconde later volgde Laura. Gelukkig was het pad redelijk smal en konden Laura en ik aan allebei de kanten Molukka de weg versperren. Rosa steeg af. ‘Stil maar,’ zei ze tegen Molukka, maar dat hielp niet echt. 5


Molukka begon te briesen en kreeg geen normale zinnen over haar lippen krijgen. Maar we hadden tijd. Iets van een half uur later was Molukka eindelijk gekalmeerd. ‘Ik…ik…ik kon het gewoon even niet meer aan!’ brieste ze. ‘Oké, wil je mij vertellen waarom niet?’ Rosa leek wel een psychiater. ‘Oké, jullie moeten beloven dat jullie niet zullen lachen!’ zei Molukka. ‘Want het is nogal beschamend…’ Molukka liet haar hoofd zakken. ‘Natuurlijk zullen we niet lachen,’ zei Rosa. Ze wierp mij een strenge blik toe. Dat was echt onterecht! Ik bedoel, ik deed helemaal niks! Maar goed, ik trok mijn serieuste blik, waar Laura weer van in de lach schoot. Toen we allemaal uitgelachen waren, vertelde Molukka: ‘Er zat een muis in mijn stal…’ Je zag gelijk dat ze spijt had dat ze het gezegd had. ‘O, maar dat is helemaal niet om te lachen,’ zei Rosa. ‘Kom, ik denk dat iedereen al hartstikke ongerust is,’ Rosa viste een halster en een halstertouw uit haar schoudertas. Het verbaasde me hoe vooruitdenkend ze was. Nadat Rosa Molukka het halster om had gedaan, klom ze weer op mij. Scepter sprong op Laura en zo gingen we weer op weg. Het ging een hele tijd goed, totdat we langs de loods kwamen. Opeens springen er twee mannen tevoorschijn. Ze trokken het halstertouw uit Rosa’s handen. Rosa sprong bijna van mijn rug af. Maar het was al te laat. We zagen, voor ze de hoek omgingen nog net dat Scepter ons een gemene grijns toewierp. ‘Vuile bedrieger!’ gilde Rosa. Maar ja, dat hielp natuurlijk niks.

Dag 3, tegen de middag, verlaten loods bij de haven Rosa, Laura en ik hadden maar besloten om onze intrek in de loods te nemen. Naar de manege konden we natuurlijk niet voordat we Molukka hadden. Ik nam de kamer waar ik scepter voor het eerst had gezien en Rosa en Laura namen één van de kamers die zij doorzocht hadden. De ruimte waar je binnenkwam werd de ‘woonkamer’. Daar zat Rosa nu in een grote fauteuil, die ergens in een kamer had gelegen, en Laura en ik stonden voor haar. ‘Oké, wat doen we nu?’ zei Rosa. ‘Tja, dat is een goede vraag,’ zei ik. Tja, wat déden we nu. We hadden geen idee waar de mannen Scepter, Molukka nu waren. Tenminste, ik niet. Maar toen zei Laura: ‘Ik vertrouwde die Scepter al niet zo. Dat heb ik met katten. Lang verhaal. Maar goed, ik besloot jullie niks te zeggen. Ik zag jullie al helemaal vrienden worden met Scepter en me tegenhouden. Maar ik heb dus een zender in zijn vacht gedaan.’ ‘Wauw!’ Ik was onder de indruk volgens mij had Laura een neus voor dat soort dingen. ‘Maar waar kunnen we dan zien waar hij is? Er zijn hier toch geen elektronische apparaten?’ ‘O jawel,’ zei Laura en ze liep naar mijn kamer. Ze duwde met haar neus tegen de aanknop van de computer. Toen liep ze naar de andere kant van de computer en duwde daar tegen het logo. Het beeldscherm werd blauw. Niet veel later waren we op de startpagina van de computer. De eigenaar had als achtergrond een foto van Scepter gekozen. Waarschijnlijk was de eigenaar van de computer ook het baasje van Scepter was. Laura nam plaats achter de computer en na een paar voor mij verwarrende minuten was er een kaart van de omgeving verschenen met een knipperende rode stip aan de linkerkant. ‘Goed,’ zei Laura, die ingespannen naar het scherm tuurde. ‘Ze zijn dus in de haven…’ ‘Naar de haven dan maar!’ zei ik.

6


Even later stond ik moederziel alleen achter een grote container in de haven. Rosa had ook een positie ingenomen. Laura was, onder hevig protesteren, in de loods gebleven, om daar de spullen te bewaken, en Scepter en zijn vriendjes in de gaten te houden. Ze had wel contact met ons, via een sensor die bij mij in mijn manen hing en bij Rosa als een ketting om haar nek hing. Zo kon Laura ons ook in de gaten houden. Ik kon ook contact opnemen met Rosa. Vanaf hier had ik heel erg goed zicht op Scepter, een blonde man, die, waarvan ik na even afluisteren wist dat hij Karel heette, met een rossige man praatte, die John heette. John en Karel waren het eens geworden en verdwenen uit zicht. Maar een seconde later kreeg ik door Rosa in mijn oor gefluisterd dat Karel met een oude schipper aan het praten was. Hij had hem geld geboden, zo zei Rosa, maar dat had hij geweigerd en toen was hij door John met een mes bedreigd. Toen had de schipper angstig geknikt en waren ze aan boord van een boot gegaan, met de naam Anna Maria. Daarna was Rosa ze uit het zicht verloren. Ik kreeg van Laura te weten dat ze aan het varen waren en dat ze er meteen aankwam zodat wij ook een boot konden huren. Zo gezegd, zo gedaan. Het duurde even voordat we een snelle, stille boot hadden gevonden waarvan de schipper een meisje van net 14 met maar € 1,- op zak en twee pony’s wilde vervoeren. Maar we vonden er één. Even later waren we op weg. De schipper was een jonge man van rond de 25. Hij praatte honderduit over dat hij altijd al eens zo’n avontuur had willen meemaken met paardensmokkel en zo en dat hij ook van paarden hield en daar stopte ik met luisteren. Ik tuurde over het water. De Anna Maria en onze boot, die Cookie heette, waren de enige boten die op zee waren. Ik liep naar Rosa, die met een gefronste blik naar de zee aan het kijken was terwijl ze af en toe ‘aha’ of ‘inderdaad’ of ‘hmm’ antwoordde op het verhaal van de kapitein, waar maar geen eind aan leek te komen. De Anna Maria maakte een scherpe bocht naar links, en zette koers richting een eiland. Rosa moest de kapitein waarschuwen dat hij ook een bocht naar links moest maken. Dat deed hij. We zagen de Anna Maria aanlagen op Tyx Island, een ombewoond eiland vlakbij de haven. Het eiland werd aan het zicht onttrokken door een grote vuurtoren die op de zeebodem stond en overal bovenuit torende. Ik hield niet van de haven. Er hing altijd zo’n gore vislucht. Maar goed even terug naar het verhaal, de Anna Maria meerde dus aan bij Tyx Island, waar nooit iemand kwam, dus had de natuur daar alles overgenomen. Ook al was ik er nog nooit het geweest, vond ik het een geweldige plek. Hij dankte trouwens zijn Engelse naam aan de Engelsman die meebouwde aan de vuurtoren. Toen werd het eiland voor heet eerst ontdekt. De Engelsman wilde het eiland graag zijn naam geven en stond er even niet bij stil dat hij in Nederland was. Maar goed, we zagen Karel, John en Scepter aan wal stappen en de Anna Maria snel wegvaren. De kapitein wierp nog een korte blik op de kapitein van de Cookie, die ´Hé, opa!´ riep. Hij keek ons met een stralende lach aan. `Dat is mijn opa!´ zei hij glunderend. Rosa moest hem eraan herinneren dat hij ook nog aan het varen was en ze beval hem (wat hij wel nodig had, vragen werkte niet bij deze man) te stoppen vlakbij de kust van Tyx Island. We sprongen alle drie van de boot een waadden door het water naar de kant. De kapitein van de Cookie zwaaide uitbundig naar ons en bijna had hij nog groetkreet roepen, maar Rosa legde snel haar vinger op haar lippen, en het bleef bij zwaaien. De Cookie draaide om een stoof weg door het water. Rosa, Laura en ik stonden besluiteloos op het strand. Voor ons was, zeg maar gerust een heel oerwoud opgedoemd. ‘Waar beginnen met zoeken?’ Laura verwoordde wat we alle drie dachten. Rosa viste haar mobieltje uit haar zak. ‘Ik heb misschien een idee…’ zie ze. ‘Ja, ga ze bellen, dat helpt!’ zei ik. Rosa keek me aan. ‘Heb een beetje vertrouwen, ja!’ Ze was even bezig, tot haar mobiel trilde. Rosa liet haar mobiel uit haar handen in het zand vallen. ‘Wat?’ Ik keek naar het schermpje. 1 nieuw bericht van Lian stond er. ‘Wie is Lian?’ vroeg ik. Rosa kon niet meer normaal praten. Ik tikte 7


voorzichtig met mijn neus op ‘openen’ (Rosa had een touchscreen). WAAR BEN JE? stond er. ‘hij vraagt alleen maar waar je bent,’ zei Laura. Waarom begrepen meiden elkaar zo goed? Was Scepter er nog maar. Rosa zuchtte. ‘Wat doe je?’ vroeg Laura. ‘G…g…geen id…d…dee…’ wist Rosa uit te brengen. Ik begon het te begrijpen. Meisjes werden alleen hyper van jongens als ze tutjes waren, wat Rosa dus absolúút niet was, of… ‘Aha, ik snap het al,’ Laura en Rosa keken me allebei vernietigend aan. Dat negeerde ik, en ik zei: ‘Ik als jongen zeg dat je wel moet antwoorden. Anders denkt hij dat je hem negeert, en dat is niet de bedoeling toch?’ Rosa knikte. ‘Vertel hem gewoon waar je bent,’ vervolgde ik. ‘Dan komt hij misschien hierheen,’ Rosa knikte weer. ‘Maar zorg wel dat hij geen hele meute meeneemt,’ Dit keer was het Laura die knikte. ‘Iets van ben op TI. Kom alleen of zo zal wel goed zijn. Dat begrijpt hij vast wel, of hij is dom en verdient hij jou niet.’ Rosa pakte met rillende hand haar mobieltje op en stuurde wat Laura had voorgesteld. Tenminste, dat verwachtte ik. Met z’n drieën liepen we het oerwoud in. Rosa was intussen bedaard en kon weer helder denken. Ze had een kompas mee (wat zou er nog meer in haar schoudertas zitten?) en ze stuurde ons naar het midden van het eiland, waar waarschijnlijk iets zou zijn, of anders konden we vanuit het midden zoeken. ‘Nog even,’ mompelde Rosa. Ze bleek geen ongelijk te hebben. Een paar seconden nadat ze dat gezegd had stonden we in de volle zon. Ik knipperde met mijn ogen tegen het felle licht en zag toen een klein houten huisje wat zo te zien op instorten stond. ‘Oké,’ Rosa liet haar stem zakken. ‘Dit moeten we slim aanpakken,’ ‘Wie niet sterk is moet slim zijn,’ zei ik. ‘Precies. Ik loop door het bos naar daar.’ wees Rosa. ‘Jij gaat daarheen,’ zei ze tegen mij en wees. ‘Laura, jij blijft hier,’ Zo stonden we in een soort driehoek. ‘Wat doen we dan?’ vroeg ik. ‘Ik sluip naar dat raam daar,’ Ik keek. Ik zag aan Rosa’s kant een vies raamp. ‘Als het meezit kan ik wat horen,’ vervolgde Rosa. ‘Dan lokt Laura ze naar buiten door wat lawaai te maken,’ Laura knikte dat ze het begreep. ‘We zullen ze vast niet allemaal met alleen die afleiding naar buiten krijgen, dus ga jij,’ Rosa wees naar mij. ‘Luid hinniken,’ ‘Denk je dat we ze met hinniken en lawaai maken ze allemaal naar buiten kregen?’ vroeg ik. Ik had er niet echt vertrouwen in. ‘Ja,’ zei Rosa. ‘Nog vragen?’ Ik was niet tevreden met het antwoord, maar ik besloot mijn mond te houden. ‘Als er iets misgaat hebben we altijd de zenders nog,’ Een beetje bezorgd liep ik naar mijn post. Ik vertrouwde maar op Rosa. Ik zag dat Rosa en Laura hun posities ook hadden ingenomen en ik zeg Rosa naar het raam sluipen. Ze gluurde naar binnen. Laura stond klaar om lawaai te gaan maken, tot John en Karel naar buiten kwamen gestormd. Rosa vluchtte terug naar haar positie en Laura zocht een veiliger plekje. John en Karel waren het bos net in verdwenen tot het hele hutje in brand vloog. Het enige waar ik op dat moment aan dacht was Scepter. Ik galoppeerde het bos uit en hoorde Rosa roepen, maar ik liet me niet tegenhouden. Ik keek door het raam en zag Scepter angstig op de tafel zitten, de likkende vlammen ontwijkend. Ik aarzelde geen moment en trapte het glas van het raam in en sprong er doorheen (het was een groot raam). Ik pakte Scepter in zijn nek met mijn tanden en sprong het raam weer uit en stoof het bos weer in. Daar zette ik hem neer. ‘Dank je…’ prevelde Scepter. Ik keek hem aan. Scepter sloeg zijn ogen neer. ‘Waarom ging je niet achter Karel en John aan?’ vroeg ik. ‘Ik…ik…ik weet het niet…’ Scepter zag er zo echt zielig uit. Ook al had hij ons bedrogen, ik was toch wel een beetje aan hem gehecht geraakt. ‘Dat geeft niet,’ Scepter keek naar me op. ‘Maar ik heb een paar regels,’ zei ik. ‘Je blijft op mijn rug en je sluit je bij ons aan. Als je dat niet wil, ga je nu weg.’ Scepter bleef zitten. ‘Als je een van mijn regels overtreed, zal ik je weten te vinden. Begrepen?’ dat was waar. Hij had nog steeds zijn zender in zijn vacht. Scepter knikte. Daarna sprong hij op mijn rug en draafde ik naar Rosa. Voordat Rosa iets kon zeggen zei ik: ‘Ik heb het er al met hem over gehad,’ en dat was genoeg. Rosa, Scepter en ik liepen langs de resten van het hutje naar Laura. Tegen Laura zei ik hetzelfde als tegen Rosa en dat was ook voor haar 8


genoeg. We liepen met zijn drieën (Scepter zat op mijn rug) door het oerwoud naar de kust. Plotseling bleef Rosa staan. ‘We hebben geen boot!’ zei ze. Ik schrok ook en ik voelde dat Scepter ook schrok. Laura niet. Ze keek mij aan. ‘Wij kunnen zwemmen, toch?’ ‘Het is verschrikkelijk ver! En dan moet Rosa ook nog bij een van ons op de rug!’ ‘dat redden we heus wel,’ zei Laura en zei tegen Scepter dat hij op haar rug moest springen. Rosa klom op mijn rug. Laura liep zelfverzekerd het water in. Even later waren we aan het zwemmen. ‘Dit valt toch wel tegen,’ mompelde Laura. ‘Niet zeuren,’ zei ik. ‘Jij hebt alleen maar een broodmagere lat op je rug,’ Maar ik had een mens die me aanmoedigde. We kwamen veilig aan de kant. We zetten koers richting de loods. Het was ondertussen avond en ik had best honger. ‘Hoe komen we aan eten?’ vroeg ik. Rosa haalde haar schouders op. ‘Geen idee,’ zei ze. ‘Ik heb wel zin in gebraden kat!’ grapte Laura. Gelukkig snapte Scepter dat het een grapje was. ‘We kunnen wat bestellen,’ stelde Laura daarna voor. ‘Met welk geld?’ zei ik. Laura boog haar hoofd. Er viel een klein buideltje af. Het viel me nu pas op. Het was dezelfde kleur zwart als Laura zelf. Vandaar. Laura viste een creditcard uit het zakje. ‘Met dit geld,’ zei ze. Rosa’s mond zakte open. ‘Waarom heb je dat niet eerder laten zien?’ ‘Ik dacht er net pas aan,’ zei Laura. Ik was veel benieuwder hoe Laura aan een creditcard kwam, waarom niemand op de manege hem ooit had opgemerkt, en waarom ze hem bij zich had. Toen ik dat vroeg antwoordde ze: ‘gekregen van mijn vorige eigenaar. Hij was erg rijk en beschouwde pony’s als mensen. Hij gaf me hem en komt hem tot op de dag van eergisteren elke dag bijvullen.’ Eergisteren. Het leek een jaar gelden dat we hieraan waren begonnen. ‘ik bewaar hem in een geheim gat in de muur in mijn stal. En ik dacht dat hij wel van pas zou komen.’ Laura zweeg. ‘Waarom heb je het me niet verteld?’ vroeg ik. Laura keek me aan. ‘Ik weet het niet,’ zei ze en daar nam ik genoegen mee. Ondertussen waren we bij de loods aangekomen (we liepen terwijl we aan het praten waren) en liepen Laura en ik direct naar het kantoor. Ze bestelde twee blikken haver, hooi, gras, kattenvoer, kattenkorrels, een kattenbak en een pizza. Nog geen 5 minuten later stond niemand minder dan de kapitein van de Cookie voor ons neus met alles wat we besteld hadden. ‘Leuk dat ik jullie weer tref!’ zei hij, gaf ons onze bestellingen en verdween op zijn scooter, waar hij met gouden letters Cookie op het geschilderd. Rare kwibus. Rosa leip met onze bestellingen naar binnen, zette ze neer en pakte haar mobiel, die had aangegeven dat ze een nieuwe sms had. Ik zag haar gezicht betrekken. ‘We zijn Lian vergeten!’ zei ze. ‘zeg dat we in de verlaten loods zijn,’ zei Laura en dat deed Rosa. Even later stond Lian voor de deur. Ik vond dat Rosa een goede smaak had qua jongens. Een beetje beduusd stapte hij naar binnen. Na even uitleggen was Lian helemaal op de hoogte vanaf het moment dat ik had gemerkt dat Molukka er niet was tot het moment waarop die kapitein en de bestuurder van de Cookie was verdwenen op zijn scooter. Rosa deelde haar pizza met Lian (ze zat toch al de hele tijd te zeuren dat ze hem niet op zou krijgen), Laura en ik zaten met smaak ons haver op te eten en Scepter at zijn kattenbrokjes. Niet veel later had Lian de kamer achter de tweede deur bij de hal die Rosa had doorzocht, Scepter het kantoor en stonden of lagen we allemaal te slapen, ons er niet van bewust dat we nog niet eens op de helft van ons verhaal waren.

9


Dag 4, ochtend, verlaten loods bij de haven Die ochtend werd ik wakker van luid gesnurk. Ik had niet echt de indruk dat Lian snurkte, en zeker niet zo hard dat ik het helemaal kon horen, ook al was de echo hier enorm, en over het algemeen snurken meisjes niet dus dat kon maar één ding beteken… ‘SCEPTER!’ schreeuwde ik zo goed en zo kwaad als het ging boven het lawaai uit. Ik wist niet dat katten zó hard konden snurken. Scepter ging onverstoorbaar verder. Ik stormde het kantoor binnen, waar het verassend stil was. Het snurken was niet gestopt, maar het kwam niet van Scepter. Op mijn hoede liep ik het halletje uit. Daar lag iemand te slapen! Ik verstijfde, draaide me om en liep het kantoor weer in. ‘Scepter!’ fluisterde ik. Scepter opende zijn ogen. ‘Wat!’ siste hij. ‘Er slaapt iemand in de loods!’ ‘Heeft hij een geweer?’ ‘Nee, maar…’ ‘Dan snap ik het probleem niet,’ Scepter sloot zijn ogen weer. ‘Dan zoek ik het zelf wel uit,’ mompelde ik. ‘Maar schrik niet als je me bewusteloos op de grond aantreft,’ Toen ik de hal weer uit was gelopen stond de man op een fornuis dat ik hier nog nooit gezien had eieren te bakken. Ik kuchte, zover paarden kunnen kuchen, en de man keek op. ‘Wat doet u hier?’ voeg ik. ‘Ik maak jullie ontbijt klaar,’ Ik hoorde een licht Italiaans accent. Even was ik sprakeloos. ‘Wie heeft u dat gevraagd?’ Ik zocht naar sporen van een vermomming. De man liet twee eieren op een bord glijden en legde er war spek naast. ‘Ik zag jullie iets bestellen -ik haat eten bestellen- en bedacht dat jullie wel wat gratis hulp konden gebruiken,’ Het was geen antwoord op mijn vraag, maar ik was tevreden. Ik voelde –mijn intuïtie weet je- dat die man geen kwaad in de zin had. ‘Maakt u ook paardenvoer?’ vroeg ik. Van een gratis kok kon je maar beter profiteren. ‘Jazeker,’ zei de man. ‘Heeft u voorkeur aan smaak?’ ‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Maar hoe heet u eigenlijk?’ ‘Ik ben mijzelf helemaal vergeten voor te stellen. Ik…’ De man maakt een buiging. ‘ben Florencio,’ zei de man. Op dat moment kwam Rosa binnen in een blauwe pyjama –waarschijnlijk uit haar schoudertas- met haren die recht overeind stonden. Ze slaakt een gilletje toen ze Florencio zag en glipte haar kamer weer in. Florencio keek me verbaasd aan. ‘Meiden hé,’ zei ik en Florencio begon aan mijn voer. Even later zaten we allemaal rond een ronde tafel -die had Florencio meegenomen en gedekt- van Florencio’s eten te smullen. Hij was een uitstekende kok. ‘Jij gaat mee naar de manege,’ zei Laura. ‘Nee, hij opent hier in de loods een restaurant en dan mag ik gratis eten,’ zei Scepter. Florencio stond het glimlachend aan te horen. ‘Iemand nog iets?’ ‘Pff…’ zei ik. ‘Ik zou wel willen, maar ik plóf!’ De rest knikte. Florencio knikte. ‘Natuurlijk,’ Even later zat ik met Scepter in het kantoor. Ik had de zware taak gekregen om Scepter te ‘verhoren’. Daar zat ik dan. Het bleek dat John en Karel Scepter volledig hadden vertrouwd en ze hadden hem helemaal volgestopt met informatie, die hij wonder boven wonder allemaal onthouden. ‘Ik ben een dier van vele kanten,’ had Scepter gezegd toen ik dat opmerkte. ‘Ik ben sluw als een vos, ik ben sterk als een paard, ik ben snel als een panter, ik ben stil en onopvallend als een wandelende tak en ik heb een geheugen van een olifant.’ Ik kon Scepter niet als wandelende tak voorstellen. Maar ja, hij gaf alle informatie zonder aarzelen, maar ik wist geen dier die daarom bekent stond, dus ik zei het maar niet. Zo was ik te weten gekomen dat John en Karel Tyx Island maar even wilden gebruiken als schuilplaats, en dus Molukka aan één van hun kameraden hadden toevertrouwd, die erg hoog stond in de wereld van de paardensmokkel. Waar hij woonde wist Scepter niet, maar daar konden we snel genoeg achterkomen, met de combinatie van Laura en een werkende computer, die best modern was. Het ‘verhoor’ had maar een paar minuten geduurd. Scepter en ik liepen terug naar de rest. Niet 10


veel later hadden Laura, Rosa, Lian en Florencio het hele verhaal gehoord. ‘Waar moeten we nu heen?’ zuchtte Laura. Allemaal dachten we na. Niemand kwam met een oplossing. ‘Ik haal de chip er even uit…’ zei Laura. ‘De chip?!’ zei Scepter verontwaardigd. Ze wilde net haar neus in Scepters vacht steken, maar dit wilde Scepter niet. ‘Laat Rosa het maar doen,’ En zo doorzocht Rosa Scepters hele vacht, zonder resultaat. ‘Waar is ie nou heen?’ vroeg ik. ‘Dat is niet moeilijk te achterhalen,’ zei Laura. ‘De computer!’ ‘O ja!’ Domme ik. Laura en ik begaven ons naar het kantoor. Niet veel later zagen we een rode stip in een huis bij de haven. Ik haalde Scepter. ‘Daar ben ik helemaal niet geweest!’ zei Scepter na even ingespannen naar het scherm turen. Laura en ik keken elkaar blij aan. ‘Dan zijn ze daar nu!’ riep Laura. ‘Scepter, je bent geweldig!’ Scepter keek trots. ‘Weet ik toch,’ zei hij. Niet veel later heerste er een vrolijke spanning in de loods. Rosa was op de grote fauteuil gaan staan. ‘Op naar het huis bij de haven!’ En zo gingen we op weg.

Wordt vervolgd

11


Winter Altijd al willen weten wat paarden denken als je komt paardrijden? Het paard Winter komt in een avontuur van paardensmokkel terecht. Dit is het eerste deel, geschreven door Louise Boogert, groep 8.

12


Winter