Issuu on Google+

KEI足A5 nr 29 / oktober 2009

Nieuwe verbindingen

5

KEI KEI kennis kennis-centrum centrumstede stedelijke lijke vernieuwing vernieuwing


INHO­ UD THEMA Nieuwe verbindingen

KENNIS

NET­ WERK 2

3 6 12 17

KEI­opinie Thema­artikel Rondetafelgesprek Nieuwe participatie

22 24 25 32 30 34 36

Wijk in beeld Column Hoe is het nu met? Recente literatuur Vraag & Antwoord Project in beeld Natuurlijke wijkvernieuwing

42 46 47 48 50

Activiteiten YURPS column Competentiewijzer KEI­logboek KEI­partners

Colofon KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing is een landelijk opererende kennis­ en netwerkorganisatie op het gebied van de transformatie van de stad. KEI bundelt kennis en expertise en geeft een impuls aan de stedelijke vernieuwings­ en herstructureringsopgave. Het doel van KEI is om zowel de kwaliteit als het tempo van de opgave te verhogen. KEI brengt daarvoor partijen bij elkaar en treedt op als inter­ mediair. Ruim 260 partners ondersteunen KEI inhoudelijk en financieel, waaronder de rijksoverheid, ontwikkelaars, bouwers, gemeenten, corporaties, ontwerpers en advies­ bureaus. Organisaties die actief en vernieuwend opereren in de stedelijke vernieuwing, die het aandurven om hun kennis en ervaringen met anderen te delen en zo gezamen­ lijk stappen vooruit te zetten

› www.kei­centrum.nl/overkei KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing Kruisplein 25 r Postbus 897, 3000 AW Rotterdam T 010 282 51 55 F 010 413 02 51 E info@kei­centrum.nl A5 is een uitgave van KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing en verschijnt eens per kwartaal. tekstproductie, redactie en coördinatie: KEI en Dorien Kasteleijn samenstelling: KEI­bureau ontwerp: Beukers Scholma, Haarlem druk: Zwaan printmedia, Wormerveer fotografie: Marcel van den Bergh/hh (p.34), William Hoogteyling/hh (p.21), Bert Janssen (p.22), Marieke Kijk in de Vegte (p.8, 11, 13, 16, 31), Christian van der Kooy (p.28­29), Emilie Luider/hh (p.45), Erik­Jan Ouwerkerk/hh (p.5), Joop Reyngoud (p.31), Coen de Rijk (p.13), David Rozing/hh (omslag, p.41), Koen Verheijden/hh (p.49)


/ THEMA

KEI­ OPINIE Nieuwe verbindingen? Olof van de Wal directeur KEI

We zijn zo langzamerhand aan het verwijken. Tenminste, dat doen twee recente adviezen ons geloven. Als je door je oogharen kijkt – en ziet dat na de veertig de blik op de veertigpluswijken gericht wordt – lijkt dat beeld inderdaad op te doemen. De VROM-raad en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) hebben de handen ineengeslagen om vanuit hun perspectief, laten we die respectievelijk het stedelijke en het persoonlijke perspectief noemen, ons te waarschuwen voor een al te nadrukkelijke focus op de wijk. Wat ze daarmee vooral willen zeggen, is dat we de wijk verwarren met de opgave. En dat we daarmee het zicht kwijtraken op wat er werkelijk aan de hand is. De waarschuwing van beide adviesraden is terecht: al langer is duidelijk dat de wijk misschien wel de vindplaats kan zijn van problemen, maar lang niet altijd van de oplossingen. En toch blijft de wijk trekken. We kunnen door diezelfde oogharen zien dat organisaties ‘kantelen’ naar de wijk. Corporatie Zayaz in Den Bosch, bijvoorbeeld, die een wijkonderneming introduceert, Enschede met zijn wijkcoaches, Alkmaar A5 NR 29 / oktober 2009

3


met een wijkservicebedrijf. Moeten zij hier dan van afstappen? Is de wijkgerichtheid de zoveelste verdwazing van bestuurlijk en professioneel Nederland en vooral een illustratie van het verdwenen contact met de burger, zoals sommige politici en onderzoekers ons willen doen geloven? Of proberen we nu een complexe zaak nodeloos eenvoudig te maken? Ik vermoed dat laatste.

Niet wijkgericht werken, maar gericht werken Als ik even mag generaliseren – een doodzonde natuurlijk, maar af en toe wel nuttig – dan zou ik stellen dat het werken aan de stad sterk oplossingsgericht is. We constateren een probleem – lage participatiegraad, slechte onderwijsresultaten, eenvormige wijken – en gaan op zoek naar een oplossing. En die oplossing vinden we ook vaak. In projecten. Projecten die vaak slim, creatief en leerzaam zijn, maar door hun kortstondigheid een vorm van instantbevrediging leveren die snel wegebt: de bekende projectencarrousel. We zijn, hoe gek het ook mag klinken, veel minder gericht op de opgave. Niet voor niets leveren studies over effectiviteit vaak zoveel commotie op: als het project zelf de oplossing is, wordt kijken naar de resultaten ervan minder belangrijk. Die houding verandert. Er klinkt een duidelijker roep om meetbaarheid, zoals ook de projectencarrousel onder vuur komt te liggen: het moet efficiënter en met meer samenhang. Tijdens gesprekken of bijeenkomsten als stadslabs hoor ik vaak dat het juist het oplossingsgerichte (en dus probleemgestuurde) denken en werken is waar veel mensen op vastlopen. De vraag naar wat er aan de hand is – de opgave – wordt vaak aan het begin van een vernieuwingstraject snel

4

/ KEI­THEMA

benoemd en in een aantal doelstellingen verwerkt, waarna de afspraken worden gemaakt. De visie waarin dit alles wordt vastgelegd is slechts één document in een reeks van vele. Hier geldt hetzelfde als met projecten: we stoppen meer energie en middelen in het opzetten van nieuwe, dan in het onderhoud van en de reflectie op de bestaande visies. Zelden kom ik tegen dat de opgave tijdens het proces opnieuw tegen het licht wordt gehouden – de vraag naar wat er nu eigenlijk aan de hand is, wiens probleem dat dan is en wie het meest in staat is daar wat aan te doen. Terwijl juist die vraag continu gesteld moet blijven worden, omdat de opgave voortdurend verandert. En dat is wat die zogenoemde kanteling naar de wijk nu zo interessant maakt. Het is niet de bekering naar de wijk. Het is de erkenning dat je de vraag naar waar het om draait steeds weer moet blijven stellen, ook – en vooral – dicht op degenen die er het meest door geraakt worden. Juist dan zijn veranderingen in de opgave sneller op te pakken. Evenmin interessant zijn nieuwe organisatievormen (of structuren) die ervoor in het leven geroepen worden. De kansen liggen vooral in de bundeling van krachten van bestaande organisaties, niet op het niveau van de wijk, maar op dat van de opgave, op het niveau van wat er werkelijk aan de hand is. Niet wijkgericht werken, maar gericht werken, zoals de RMO dat noemt, en gericht verbinden. En het belangrijkste is misschien wel dat er ten aanzien van de professionals in de wijken veel gaat veranderen. Als zij de belangrijkste antennes worden voor de opgave, zullen ze het mandaat moeten hebben om aan die opgave te werken.

› www.kei­centrum.nl/opinie


PARTICULIER INITIATIEF

A5 NR 29 / oktober 2009

5


Van wijk naar opgave Jeroen van der Velden en Annette Duivenvoorden Het wijkgerichte werken mag zich nog steeds in een groeiende belangstelling verheugen. Veel steden hebben hun vernieuwingsagenda al jaren sterk op de wijk gericht en ook politiek blijft het actueel. Onder meer door de daling van opkomstpercentages bij verkiezingen en de groei van het aantal proteststemmers wordt de politiek sinds de jaren negentig weer de wijken ‘ingejaagd’. Burgers eisen dat op een breder terrein wordt ingegrepen en verwachten een sterkere nabijheid van professionele organisaties. De focus op de wijk liep hoofdzakelijk langs twee min of meer gescheiden lijnen, de fysieke en de sociale, waarbij de fysieke aanpak leidend was. Dat die scheiding ongewenst is, blijkt wel uit de vele publicaties waarin ‘fysiek’ en ‘sociaal’ met elkaar verbonden worden. Daarbij is de laatste jaren vanuit verschillende hoeken kritiek geuit op het wijkgerichte werken. Kortom, de vraag is: hoe zit het nu met die wijk? Afstand burger en professional De focus op de wijk als beleidsniveau kent een lange geschiedenis in Nederland. Denk maar aan het ‘bouwen voor de buurt’ in de jaren zeventig als reactie op de cityvorming of de gebiedsgerichte (veelal fysieke) aanpak van het Grotestedenbeleid in de jaren negentig. Maar het zou te makkelijk zijn om de huidige focus te verklaren aan de hand van de eeuwige pendule tussen wijk en stad. Een betere verklaring moeten we zoeken in de afstand die sinds de jaren zestig is ontstaan tussen burger en professional. Jos van der Lans beschrijft deze verschuiving in zijn boekje Ontregelen. Een vergelijkbaar beeld schetst Evelien Tonkens in haar boek Tussen

6

/ KEI­THEMA

Jeroen van der Velden en Annette Duivenvoor­ den zijn adviseurs bij KEI


onderschatten en overvragen. overvragen. Hoewel hun analyses betrekking hebben op professionals uit de sociale sector, zijn zij ook toepasbaar op andere sectoren van de (semi-) publieke sector. Van der Lans beschrijft de verschuiving in de relatie tussen burger en professional vanaf de jaren vijftig in vier termen: Erbovenop, Ernaast, Ervandaan en Eropaf. Tot midden jaren zestig was vooral sprake van Erbovenop. De professional werd in de jaren vijftig nog als een autoriteit beschouwd, die een beschavingsoffensief leidde, gericht op de arbeidersklasse. In de jaren zestig kwam deze morele superioriteit onder vuur te liggen. Er kwam felle kritiek op het idee van geleide zelfontplooiing en op het gezag van professionals en gezagdragers. Het ideaal van radicale gelijkheid kwam sterk op. De professional moest uitgaan van de eigen kracht en cultuur van de burger. Alles wat naar paternalisme neigde, werd gewantrouwd. Deze trend typeert Van der Lans als Ernaast. Tot op de dag van vandaag kent deze breuk veel gevolgen. Vanaf de jaren zestig kwam de professional steeds verder van de burger af te staan en ging die steeds klantgerichter werken. Deze afstand werd verder vergroot door de toenemende marktwerking in de (semi-) publieke sector vanaf midden jaren tachtig, door Van der Lans bestempeld als Ervandaan. Er was felle kritiek op de verzorgingsstaat als geheel, die als log en bureaucratisch werd ervaren. Het credo werd: hoe minder overheid, hoe actiever de burger. Slechts als uit ‘de markt’ een vraag opkwam was een aanbod gerechtvaardigd. De burger belerend toespreken was uit den boze. Hernieuwde focus op de wijk Vanaf 2002 vindt een voorzichtige omwenteling plaats in de hoofden van zowel bestuurders als professionals: Eropaf. De massale proteststem tijdens de verkiezingen in 2002 was niet alleen een revolte tegen het politieke systeem, maar ook een aanklacht tegen de afwezigheid van professionele organisaties in de dagelijkse leefwereld van mensen. Een aanklacht tegen de afstandelijkheid bovendien. Oftewel: zowel ‘de markt’ als de mondige, vrij kiezende burger blijken niet altijd in staat hardnekkige sociale problemen op te lossen. Dit merken we in veel wijken waar, ondanks de inspanningen, grote overlast en onveiligheidsgevoelens alleen maar zijn toegenomen. Sociaal-economische problematiek wordt dus herontdekt, of liever, de opgave in de vernieuwingswijken wordt opnieuw en anders benoemd. Tegelijkertijd ziet de (semi-) publieke sector de wijk weer meer als het niveau waarop de relatie tussen burger en professional het beste gestalte kan krijgen. Dit beeld werd in 2005 versterkt door het WRR-rapport A5 NR 29 / oktober 2009

7


Vertrouwen in de buurt. De raad stelt dat de afnemende sociale cohesie veel nadelige sociale gevolgen heeft, met als antwoord een versterking van kleinschalige verbanden waarin mensen dagelijks met elkaar omgaan. De raad komt daarom uit op de ‘buurt’ als object van beleid. Bovendien levert het advies kritiek op het Stedenbeleid uit die tijd, waarin de fysieke vernieuwing van de buurt leidend was. De WRR adviseert de sociale agenda weer leidend te maken in de stedelijke vernieuwing. Ook het invloedrijke rapport van de VROM-raad Stad en stijging uit 2006 volgt deze lijn, maar legt de nadruk op de ambities van de bewoners als vertrekpunt voor het stedelijke-vernieuwingsbeleid. We zijn uit het oog verloren waar het eigenlijk om ging, was de boodschap, en dat resulteerde in een hernieuwde focus op het schaalniveau van de wijk en een verschuiving van de stenen richting de mensen. Bovendien vindt een revival plaats van het ‘verheffen’ (ditmaal zonder vingertje), samen met een herwaardering van de professionals als degenen die het moeten doen. Kritische geluiden Maar is deze hernieuwde beleidsfocus op de wijk wel terecht? Of is er sprake van overschatting of zelfs mythologisering van de wijk en

8

/ KEI­THEMA


Organisaties kantelen naar de wijk Voorbeelden van nieuwe werkwijzen of organi­ saties op wijkniveau zijn het wijkservicebedrijf Overdie (Alkmaar), de Wijkonderneming (‘s­Hertogenbosch) en de Maatschappelijke Ontwikkelings Maatschappij (Tilburg). Ook stellen gemeenten professionals met een aanjaagfunctie aan, zoals de stadsmariniers (Rotterdam), wijkmariniers (Amsterdam) of wijkcoaches (Enschede). Allen hebben concrete knelpunten als uitgangspunt die worden opge­ pakt door een team van professionals op maat. Dit is in lijn met de frontlijnsturing (Tops en Hartman, 2005) die een nieuwe werkwijze van­ uit het veld zelf voorstaat: niet handelen vanuit de logica van het eigen instituut, maar vanuit de situatie. Het gaat niet alleen om publieke partijen die deze werkwijze introduceren, maar ook om

maatschappelijke ondernemingen als corpora­ ties. De maatschappelijke complexiteit is zo toegenomen dat samenwerken geen pré, maar een must is. De Wijkonderneming in ‘s­Hertogenbosch, bijvoorbeeld, is een samen­ werking tussen corporatie Zayaz, de gemeente en andere partners. Wijkwerkers van deze partijen en de bijbehorende middelen werden overgedragen aan de Wijkonderneming, onder functionele aansturing van een kwartiermaker. De professionals kregen binnen de kaders van het ondernemingsplan vrijheid van handelen. Zo ontstond bijvoorbeeld de pilot Pitstop in Boschveld, waar wijkwerkers proactief vragen uit de wijk koppelen aan aanbod op het gebied van wonen, zorg en welzijn.

zijn we de beleidskokers van morgen aan het optuigen? Sinds de introductie van het 40-wijkenbeleid borrelen vanuit verschillende hoeken kritische geluiden op over het wijkgerichte werken anno nu. Het idee dat wijkgericht werken een manier is om beleidskokers te doorbreken en de burger en professional dichter bij elkaar te brengen, wordt in het rapport De ontkokering voorbij uit 2008 onderuit gehaald. Ook Nico de Boer et al. geven in hun artikel De wijkmachinerie (2009) scherpe kritiek op het wijkgerichte werken. In de twee rapporten Stad en wijk verweven van de VROM-raad en De wijk nemen van de RMO (beide juli 2009) worden wederom kritische noten gekraakt. Beide rapporten brengen naar voren dat in de Wijkaanpak achterstanden worden bestreden, die niet allemaal gebiedsgebonden zijn. Veel problemen kunnen in de wijk worden ‘gevonden’, maar om ze op te lossen moet vaak geschakeld worden door meerdere schaalniveaus. Hoe dan wel? De RMO stelt het als volgt: ‘Wanneer professionals mede met behulp van hun vakinhoudelijke kennis goed weten te verwoorden wat de problemen zijn en vervolgens daarop kunnen reflecteren buiten de gegeven kaders van hun vak, dan kunnen in het wijkgerichte werken A5 NR 29 / oktober 2009

9


Nieuwe relevante opleidingen De Stenden hogeschool biedt sinds kort de leergang tot social innovation manager aan. Aanleiding zijn de ervaringen van corporatie Lefier en de gemeente Emmen bij het vernieu­ wingsproject Emmen Revisited. De initiatief­ nemers delen de filosofie dat de wijkaanpak een permanente opgave is waarbij de inhoud – aanpak van problemen – voorop staat. Professionals moeten niet geheel gebonden zijn aan de moederorganisatie maar vanuit een onafhankelijke positie aan een project kunnen trekken. Het gaat niet zozeer om het opzetten van nieuwe organisaties, maar daar waar nodig de schakel te zijn tussen moeder­ organisatie en de opgave. Professionals die dergelijke projecten kunnen trekken zijn schaars. In de leergang wordt gewerkt aan de benodigde kwaliteiten van

deze procesbegeleider, verbinder en faciliteer­ der. Het is een professional met een brede visie, in staat om vragen vanuit verschillende invals­ hoeken te benaderen en samenwerking tot stand te brengen. Andere sectoren als zorg, welzijn, onderwijs en politie sluiten aan bij deze werkwijze om de opgave integraal en centraal op te pakken. De Haagse Hogeschool gaat in 2010 met de soortgelijke Master Sociale architectuur van start die deelnemers opleidt tot expert in het verbinden van vraagstukken met vele dimensies.

› www.kei­centrum.nl/ competentiewijzer

creatieve en innovatieve oplossingen worden gevonden voor complexe problemen. Dit is echter niet een proces waarvoor een blauwdrukoplossing bestaat’. (2009) Bij dit laatste ligt de crux. Het gaat om maatwerk, omdat de opgave en de oplossing beide afhankelijk zijn van de situatie. De denkfout om het uitsluitend op het niveau van de wijk op te lossen is dan snel gemaakt. Hoe verleidelijk de snelle oplossing ook is, juist hier moet vooral worden geschakeld. Anders verlies je de situatie, en dus de opgave, uit het oog en wordt het wijkgerichte werken een doel op zich. Daarom is het tijd voor een herwaardering van de opgave en de relatie tussen burger en professional. De competenties van de professional zijn hierbij cruciaal en niet de procedures en de programma’s gericht op het keurslijf van de wijk. Keer op keer blijkt dat succesvolle projecten worden gedragen door professionals die aanpakken, goed contact leggen, verbinden en schakelen door de schalen. Iemand moet de macht grijpen Deze kanteling naar de opgave gaat niet vanzelf. De professional moet weer zelfvertrouwen krijgen om op de burger af te stappen en zich

10

/ KEI­THEMA


niet meer verschuilen achter protocollen en wetgeving. Aan de andere kant zal niemand je tegenspreken als je zegt dat de professionele uitvoerenden slachtoffers zijn van een structuur. We kunnen echter de bureaucratie en de kokers niet de schuld blijven geven. Zoals Van der Lans het stelt: iemand moet de macht grijpen! Komt de last dan volledig op de schouders van de professional te liggen? Ja en nee. Hij of zij moet mandaat krijgen binnen de eigen organisatie om de opgave te herkennen, te definiëren en aan te pakken. Dit mandaat zal gedeeltelijk de vorm van vertrouwen moeten krijgen, resulterend in minder monitoring en verantwoording. Een aantal partijen probeert zich al in te richten op de kanteling naar de opgave. Bewonderenswaardig, want dit vergt een complete heroriëntatie op bestaansrecht en werkwijze. Andere organisaties volstaan met een krachtig mandaat aan een handvol professionals. Op dit moment zijn deze veranderingen nog te pril om de successen te benoemen.

› www.kei­centrum.nl/nieuweprofessional

A5 NR 29 / oktober 2009

11


RONDE­ TAFEL­ GESPREK Karl Bijsterveld

Een zoek ‘nieuwe p

KEI in gesprek met Rob Kievitsbosch (gemeente Groningen, Dorien de Wit (De Beuk) & Steven Grevink (DHV/ De Buurt­ onderneming).

Stedelijke vernieuwing vereist steeds vaker professionals die zich primair bezighouden met de ‘werkelijke opgave’. KEI maakte tijdens een rondetafelgesprek de balans op van de zoektocht naar de ‘nieuwe professional’ met drie partners: Rob Kievitsbosch (gemeente Groningen), Dorien de Wit (De Beuk) en Steven Grevink (DHV/ De Buurtonderneming). Olof van de Wal, directeur van KEI, opent de bijeenkomst met de verwijzing naar twee recente adviezen van de VROM-raad en de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. ‘Beide instellingen hechten waarde aan het wijkgerichte werken, maar maken daar tegelijkertijd een sterk voorbehoud bij. We verwarren de wijk met de opgave, zeggen ze. Als we teruggaan in de tijd zien we dat er eigenlijk nooit sprake is geweest van een eenduidige opgave. Er is een optimistische en een zorgelijke benadering, met de daarmee verbonden nadruk op kansen (over het

12

/ KEI­THEMA

algemeen de lijn van de fysieke vernieuwing) en het aanpakken van problemen (de sociale lijn). Twee opgaven, die voor hun onderbouwing leentjebuur spelen bij elkaars argumenten. De wijk was hiervoor het juiste schaalniveau: ruimtelijk vaak een eenheid, bestuurlijk-organisatorisch ook. Dus leek de wijk één opgave, maar was het niet. Die dubbele opgave is niet meer houdbaar en wordt in toenemende mate verlaten. Daarmee verandert niet alleen het karakter van de aanpak, maar ook van het werk zelf en de professional die dat uitvoert.’ Herkenbaar beeld? Aan drie professionals de vraag of ze zich herkennen in het beeld dat Van de Wal schetst: Rob Kievitsbosch, algemeen directeur Onderwijs, Cultuur, Sport en Welzijn bij de gemeente Groningen, Steven Grevink, directeur van de Buurtonderneming Woensel-West in Eindhoven en Dorien de Wit, directeur van organisatie-


ektocht naar de e professional’ adviesbureau De Beuk. Wat is volgens hen de opgave in stedelijke vernieuwing en hoe herken je die? Wat is de rol van de professional en is dit een nieuwe rol? Wat geeft de professional slagkracht en hoe is die ingebed in de institutionele organisatie? Kievitsbosch steekt van wal: ‘Wijkvernieuwing moet voortdurend opnieuw geijkt worden, zeker de sociale lijn. Je moet je blijven verdiepen in de opgave, de perspectieven blijven opfrissen. Dat hebben we met elkaar moeten leren. Lange tijd was te weinig sprake van verbinding tussen de sociale en fysieke agenda. We keken naar de wijk door de bril van hoe we zelf georganiseerd zijn. En niet naar wat er wérkelijk aan de hand was! Daardoor misten we verbanden en bleven teveel

steken in fragmentarische oplossingen die daardoor aan kracht inboetten.’ Momenteel is Kievitsbosch bezig met een herijking van de werkwijze in Groningen. Voor hem is van belang dat de opgave zowel de problematiek als de ambitie bevat en een koppeling maakt tussen alle betrokkenen, bewoners en instellingen. Heel nadrukkelijk moet de opgave gekoppeld worden aan een stedelijke visie en politieke keuzen. Grevink is net als Kievitsbosch van mening dat je voortdurend moet herijken. ‘De opgave wordt vaak aan het begin van een vernieuwingstraject vluchtig benoemd en met behulp van een aantal doelstellingen tot één visie gesmeed. Reflectie is zeldzaam.’ En juist daarin, zegt De Wit, moet de professional meer ruimte krijgen. Zij stelt dat veel A5 NR 29 / oktober 2009

13


‘Toch is ‘de’ nieuwe professional niet aan te wijzen: iedere situatie, iedere wijk vraagt een eigen benadering en daarmee ook specifieke karaktereigenschappen.’

tijd en energie verloren gaat aan plannenmakerij en het bouwen van een bijpassende constructie van overleg en verantwoording. ‘Vervolgens gaan bestuurders, ambtenaren en bewoners daar naar leven, vaak zonder het zelf te beseffen. Ze worden meegezogen in iets wat nauwelijks leidt tot enthousiasme en vooruitgang. In korte tijd herken je niet meer waar mensen goed in zijn en hoe dingen slimmer en leuker kunnen.’ Rol van de professional De Wit waarschuwt voor de tunnelvisie die zij ziet ontstaan. Omdat het voortouw in de wijkenaanpak bij gemeente en corporatie ligt, komen veel oplossingsrichtingen ook van hen. Men ziet over het hoofd dat er al veel ervaring en kennis over vitaliteit en ontwikkeling in het sociale domein aanwezig is, bij organisaties in zorg en welzijn en bij bewoners. Daar wordt weinig gebruik van gemaakt. Ook Kievitsbosch ziet dat er langs elkaar heen wordt gewerkt, met name omdat men onvoldoende op de hoogte is van elkaars initiatieven en het leggen van verbindingen niet vanzelfsprekend is. Hij ziet hier een belangrijke rol voor de gemeente weggelegd. ‘Maar wel in nadrukkelijke samenwerking met maatschappelijke instellingen. Best lastig, want we zijn nog niet gewend te werken vanuit partnerschap. Het moet‘, zegt hij, ‘vooral simpeler, directer, met de wijk als vertrekpunt. Zo hebben we in de Korrewegwijk – een van de krachtwijken van Groningen – programma’s op elkaar gestapeld. De keuze voor een nieuw

14

/ KEI­THEMA

programma, zoals de krachtwijkenaanpak, betekent niet dat andere gestopt worden. Dat geldt ook voor overlegstructuren – uit respect voor gegroeide verhoudingen blijven ze naast elkaar bestaan. Ook als er nieuwe nodig zijn.’ Simpeler en minder behoedzaam – dat vindt weerklank. En vooral, schrap de rituelen uit het overleg en beperk het tot de essentie: afstemmen en afspraken. De Wit onderzoekt met haar bureau de mogelijkheden van de tegendraadse professional. ‘De inzet van een professional met een tegendraadse aanpak levert vaak onvermoede resultaten op. Zij of hij zoekt naar de dynamiek in de wijk en bestudeert waar die versterkt kan worden en waar ondermijnd. Zij of hij bewandelt paden die nog niet eerder zijn bewandeld en stelt niet eerder gestelde vragen.’ Dat leidt volgens De Wit tot hernieuwd enthousiasme. ‘Mensen ontdekken weer waar ze goed in waren. En gaan met nieuw elan de problemen te lijf.’ In Woensel-West is de Buurtonderneming opgetuigd. Volgens Grevink een nieuwe manier van samenwerken tussen de gemeente, woningcorporatie Trudo en de bewoners. ‘De wijk en de behoeftes van bewoners en ondernemers zijn het vertrekpunt. We hebben vier hoofdthema’s: sociale en fysieke vernieuwing, bevordering van veiligheid en stimulering van de economie. Onze belangrijkste taak is hierop resultaten te boeken, onder andere door het inschakelen van de beste krachten van relevante maatschappelijke instellingen.’


Heldere politieke keuzes ‘Maar’, zegt Kievitsbosch, ‘je bent er niet door alleen op het niveau van de wijk en de professional vernieuwing te zoeken.’ Met de blik op de wijk moet de politiek keuzes maken en richting geven. Dit levert slagkracht op wanneer ook sprake is van een zekere continuïteit. Politici moeten zich realiseren dat de aanpak van problemen vaak meer dan vier jaar vraagt. Ze moeten dus over hun regeerperiode heen durven kijken en niet iedere keer overnieuw willen beginnen.’ Eigenlijk zou het politieke bestuur meer moeten durven loslaten. Niet op detail voorschrijven wat er moet gebeuren en zeker niet hoe dat zou moeten, daar zit nou juist de kracht van professionals en bewoners samen. Het zou veel interessanter zijn als het politiek bestuur zich beperkt tot de kaders waarbij ze ook moet vaststellen wat ze niet wil. Dat laat ruimte voor de professional en geeft lucht aan creativiteit. Het klinkt als een aanlokkelijk, maar utopisch perspectief. Toch is juist het huidige college van Groningen samen met corporatiebestuurders hierop aan het studeren. Een heldere politieke visie met duidelijke keuzes vormt volgens De Wit wel het absoluut noodzakelijke vertrekkader voor de aanpak van de wijkopgave. ‘Maar de visie moet wel ruimte openlaten voor de vraag hoe die keuzes worden uitgewerkt. Je weet namelijk nooit exact wat er in de loop der tijd nog gaat spelen. De opgave kan veranderen en dat vraagt, zoals gezegd, om voortdurende herijking.’

Buurtonderneming Hoe zit het met de slagkracht van de Buurtonderneming en hoe is die ingebed in de institutionele organisatie? Grevink: ‘Onze Buurtonderneming houdt kantoor in Woensel-West. We werken op basis van bestaande plannen en visies en richten ons op de uitvoering daarvan. We zijn nu bijvoorbeeld bezig met het maken van prestatieafspraken over begeleiding van werklozen. Daarover gaan we in gesprek met de betrokken ambtelijke dienst. Zo’n dienst heeft ook een eigen (stedelijk) programma. Wij willen hiervan passende activiteiten maken die aansluiten bij de opgave van de wijk.’ De Wit is enthousiast over De Buurtonderneming. ‘Je kunt problemen sneller signaleren omdat je midden in de wijk zit. En de korte lijnen maken het eenvoudiger om bij maatschappelijke instellingen de juiste mensen te vinden die de problemen kunnen aanpakken.’ Of het nu om een buurtonderneming gaat of niet, doorslaggevend is dat de professional zijn loyaliteit niet exclusief richt op de wijk. Hij moet voeding blijven krijgen van zijn achterban, oftewel de instelling waar hij in dienst is. Belangrijk blijft dan om in het oog te houden dat de professionals in de wijk niet volledig los komen te staan van het bedrijf, de instantie of afdeling die ze vertegenwoordigen, maar dat ze zich toch vrij genoeg voelen en vrij genoeg zijn om te handelen. Resultaten boeken ten behoeve van de opgave; die balans moet goed zijn. Nu slaat de balans nogal eens door naar de A5 NR 29 / oktober 2009

15


eigen organisatie en onvoldoende naar de wijk. De Wit: ‘Wij zien vaak partneroverleg met een zeker mandaat, dat gezamenlijk optreedt als opdrachtgever. Zo voorkom je dat je als professional loyaal moet zijn naar alleen je eigen baas. Het maakt het ook mogelijk om meer vanuit integrale bewonersblik te kijken en die verbinding niet kwijt te raken.’ En dan komt het gesprek op wat voor de aanwezigen cruciaal is: wie is die (nieuwe) professional? Een aantal van de kenmerken is bekend: schakelen, doorpakken en de situatie goed kunnen lezen. En vooral: loslaten, niet de dingen uit handen nemen en aan bewoners voorschrijven wat er moet gebeuren. Toch is ‘de’ nieuwe professional niet aan te wijzen: iedere situatie, iedere wijk vraagt een eigen benadering en daarmee ook specifieke karaktereigenschappen. Soms is iemand nodig die vooral initiatieven koppelt en de koers bewaakt, soms een trekker die initieert en actief lobbiet. Het aanstellen van de juiste mensen is nog een kunst op zich, weet De Wit. ‘Veelal is het doorslaggevende motief wie er het langst zit of beschikbaar is. Maar dat is niet per se de meest geschikte persoon om de klus te klaren. Belangrijk is dat deze professional inzicht heeft in het krachtenveld in en rond de wijk, een eigenzinnige positie kiest en vooral de blik gericht

16

/ KEI­THEMA

houdt op concrete successen. En bovendien in staat is samen te werken met anderen en successen te delen. Grevink is het daarmee eens. ‘We stellen niet zo maar iemand aan. De Buurtonderneming verwacht dat hij of zij zich committeert aan de opgave, voor meerdere jaren’. Dat laatste herkent iedereen: de ongedurigheid onder professionals is groot, er wordt te snel naar een andere baan of positie gezocht. Tegelijkertijd vindt Grevink dat je professionals ook weer niet te lang aan je moet binden. ‘Anders worden zij onderdeel van het probleem.’ Kortom, de zoektocht naar de nieuwe professional is nog volop gaande, maar het staat vast dat er in dit opzicht veel gaat veranderen in de wijken.


Nieuwe participatie en de gevolgen van de stortbak Mark Verhijde, Stipo

In haar boek Hungry City schrijft Carolyn Steel hoe de introductie van het watertoilet van Joseph Bramah in 1778 de sociaal-culturele en fysieke structuur van Londen op zijn kop zette. Vóór de stortbak was het smerig in de stad. Riolering bestond niet, ontlasting en ander afval werd met wagens en boten afgevoerd. En er was altijd stank. Met het watertoilet, het toevoegen van water aan ontlasting, zou de stad uiteindelijk schoner worden – al moest eerst het hele afwateringssysteem van de stad omgebouwd worden tot riolering. De stortbak spoelde eerst veel meer vuiligheid op straat, omdat het oude buizenstelsel de grote hoeveelheid ontlasting niet aan kon, vooral niet als het regende – en het wil wel eens regenen in Londen. Dit voorbeeld illustreert voor mij hoe een kleine verandering in een bestaand systeem, mits in voldoende aantallen, zo’n systeem radicaal kan veranderen. Voor wat hoort wat Dit artikel gaat over zo’n kleine verandering in de stedelijke ontwikkeling. Het gaat over bewoners en de gevolgen van nieuwe participatie. Voor mij bestaat de kern hiervan uit twee delen. Het gaat altijd om eigen initiatieven van bewoners; zij zijn de eigenaar. En als zij daarbij een gemeente of woningcorporatie nodig hebben, onderA5 NR 29 / oktober 2009

17


handelen zij op basis van gelijkwaardigheid, volgens het principe ‘voor wat hoort wat’. Bewoners zetten tegenover geld en faciliteiten vooral hun sociale kapitaal in en daarmee worden ze echt comakers in de stedelijke vernieuwing. Maar er gebeurt meer: onderhandelen maakt individuele bewoners weerbaarder, waardoor zij ook zichzelf veranderen en vervolgens hun omgeving. Hun sociale netwerken worden groter, het worden er meer en dat maakt hen kansrijker als sociale stijgers. Illustraties Twee Enschedese voorbeelden als illustratie. De eerste komt uit de wijk Stroinkslanden. Een groep bewoners wilde in 2006 een tafeltennistafel voor hun straat. Na onderhandeling met het stadsdeelmanagement hebben de bewoners als tegenprestatie de voortuinen van een aantal ouderen onderhouden. Met als gevolg leuk en nuttig contact, met koffie en koekjes. In 2008 zijn twee mensen uit deze bewonersgroep medeoprichters geworden van het Bewonersteam Stroinkslanden, een nieuwe wijkorganisatie van en voor bewoners. Het tweede voorbeeld komt uit de wijk Wesselerbrink in Enschede. Als jongen van 14 onderhandelde Dennis Gerritsen in 2006 met de gemeente over de aanleg van een kunstgrastrapveldje. Als tegenprestatie hield hij samen met zijn vriendjes het trapveldje schoon, ruimde de bladeren op, maar ging ook over het beheer van de voetballen die de woningcorporatie beschikbaar stelde. Daarna organiseerde Dennis de jongerendisco in het wijkcentrum, werd hij buddy voor andere kinderen bij het zelf organiseren van sport- en spelactiviteiten, zette hij samen met jongeren en volwassenen de grootste Sinterklaasintocht van Enschede op en diende een idee in voor het Beste Buurtplan van Nederland van de NCRV. In 2008 kreeg hij de Enschede Speld. Eigen initiatieven Hierboven benadruk ik het verband tussen de eerste onderhandeling en de verdere ontwikkeling van deze bewoners en hun omgeving. Volgens mij ervaren zij onderhandelen als een persoonlijke interventie, niet principieel anders dan interventies als een gedwongen verhuizing bij herstructurering of een traject van schuldhulpverlening na een huisbezoek. Ook deze meer herkenbare persoonlijke interventies kunnen bewoners precies een stapje vooruit brengen. Het verschil zit hem in het feit dat het hier om eigen initiatieven gaat.

18

/ KEI­THEMA


Er is trouwens ook nog een overeenkomst. Niet alle interventies slagen erin bewoners te laten groeien, en dat geldt ook voor onderhandelen bij bewonersinitiatieven. Er zijn psychologische drempels te slechten, urgente behoeften te voldoen en vaak is het voor bewoners ook wennen, een gemeente die hen uitdaagt een stap te maken en die daarover onderhandelt. De ervaring in Enschede laat zien dat de maatschappelijke en persoonlijke effecten enorm zijn, bewoners treden echt op als co-makers (zie hiervoor het WRRadvies Vertrouwen in de Buurt 2008). Massa maakt verschil Voor alle interventies geldt dat zij pas zichtbaar zijn in de samenleving als we in grotere getallen gaan praten, want massa maakt verschil. Leuk als er tien bewonersinitiatieven zijn, maar beter als het er 100 of 500 zijn (of 10.000). In stadsdeel Enschede Zuid werden in 2007 en 2008 ongeveer 600 nieuwe participatieactiviteiten uitgevoerd. Stel je eens voor wat dit voor de samenleving gaat betekenen. En hoe de initiatiefnemers zich in de verdere jaren gaan ontwikkelen, hun sociale netwerken uitbreiden, andere mensen stimuleren. En wat dat gaat betekenen voor de andere partijen met passie voor stedelijke ontwikkeling, voor de betrokken mensen die werken bij de gemeente of de woningcorporatie. En waarom niet? Nieuwe participatie zien we steeds vaker. Wat kan bewoners ervan weerhouden om met eigen initiatieven te komen en te onderhandelen met een gemeente of andere partner? Afgezien van de houding, positie en mogelijkheden. Want om te kunnen onderhandelen moet er wel een houding zijn om er samen uit te komen, een gelijkwaardige positie en er moet iets te halen en te brengen zijn. Daarom wat suggesties voor gemeenten en woningcorporaties om zich klaar te maken voor de vloedgolf aan goede ideeĂŤn uit de samenleving. Nieuwe rioleringen Verander alle subsidieverordeningen en participatiereglementen, schrap daaruit alle verwijzingen naar draagvlak en gelijkheidsprincipes en introduceer de begrippen onderhandelen op basis van gelijkwaardigheid, prestaties en tegenprestaties, inhoudelijke keuzes die voortkomen uit het onderhandelingsresultaat. Accepteer dat je onderhandelt met individuele bewoners en dat het de moeite waard is aandacht te besteden aan de gevolgen ervan voor deze mensen. Accepteer ook dat beleidsparticipatie fundamenteel anders is dan burgerinitiatieven. Net doen alsof de stortbak aan A5 NR 29 / oktober 2009

19


eigen ideeën en voorstellen van bewoners wel ondergebracht kunnen worden binnen de bestaande participatiekaders leidt uiteindelijk tot meer vuil en smerigheid in de straten. Deze tijd vraagt om nieuwe rioleringen, zodat we ons over een aantal jaren niet meer kunnen voorstellen dat nieuwe participatie in stedelijke ontwikkeling er ooit niet was. Stipo – kennis­ en adviesteam voor stedelijke ontwikkeling – besteedt in haar opdrachten veel aandacht aan co­makers en hun rol en positie binnen ontwikkelingsprocessen. Onderhandelen met bewoners en hun rol als co­ makers komt voort uit het Wijkontwikkelingsplan Kultuurstraat Wesselerbrink (Ecorys Herstructureringsprijs 2005). De notie Voor Wat Hoort Wat is ontstaan tijdens het project het Veilinghuis (Nominatie InAxis Innovatieprijs 2007), met dank aan Wim Kuut. Voor landelijke informatie over onderhandelen met burgers, zie ook In actie met bewoners van het Ministerie van BZK.

› www.stipo.nl

20

/ KEI­THEMA


WERK

//////////////////////////////// Het is herfst dus het blad moet weer geruimd worden.

A5 NR 29 / oktober 2009

21


// KENNIS

WIJK IN BEELD Malberg, Maastricht Marieke Verkaart

22

// KEI足KENNIS


Veel wijken in Limburg, Groningen, Zeeland en Noord-Holland krijgen te maken met de recessie en krimp. Zo ook de Maastrichtse wijk Malberg. De betrokken partijen spelen hierop in door de invulling van het bestaande programma aan te passen. Maar van stilstand is geen sprake: diverse sociale en fysieke projecten worden gerealiseerd. Zoals het nieuwe multifunctionele ‘Centre Malberg Manjefiek’, een centrale ontmoetingsplek in de wijk. Malberg – ten noordwesten van het centrum van Maastricht – is een typische naoorlogse stempelwijk met vier kwadranten rond een centrum. Onder de slogan ‘Manjefiek Malberg’ verkeert de wijk in een stevig vernieuwingsproces. Met als doel een gevarieerder woningaanbod, verbetering van de verkeersstroom en een volledig voorzieningenaanbod. Vier partijen – de gemeente, corporaties Servatius en Woonpunt en projectontwikkelaar AM Wonen – pakken de wijk samen aan. Een doel uit het Buurtontwikkelingsplan uit 2003 is de verhouding van 90 procent huur- en 10 procent koopwoningen in Malberg te veranderen in een 50/50-verdeling. Dat doel wordt inmiddels bijgeschaafd. ‘Sinds vorig jaar is er minder interesse in met name koopappartementen. De recessie versterkt dit en ook met krimp moeten we rekening houden’, vertelt Karin Gybels, gemeentelijk projectleider stedelijke ontwikkeling. Net als in heel Maastricht werkt men in Malberg nu aan een herprogrammering. Een deel van de nieuwe woningen wordt verhuurd in plaats van verkocht en de te realiseren koopappartementen worden vervangen door grondgebonden woningen. ‘Fiftyfifty zal misschien niet lukken, maar we hopen wel in de buurt te komen. Spannende tijden dus,’ zegt Gybels. Op het vlak van voorzieningen is de wijk volop in beweging. Dat is het duidelijkst zichtbaar in het centrum van de wijk: het gloednieuwe 'Centre Manjefiek Malberg' springt direct in het

oog. Het vormt zowel geografisch als functioneel het hart van de wijk. Het gebouw, waar men met recht trots op is, opende begin 2009 de deuren en herbergt twee basisscholen, een peuterspeelzaal, welzijnswerk, een gemeenschapshuis met podium en het buurtinformatiepunt. Verder is er ruimte voor 70 appartementen, een supermarkt en een lunchroom. ‘Dit is dé nieuwe plek in de wijk waar sociaal, fysiek en economisch bij elkaar komen’, benadrukt Gybels. Een tweede winkelblok in aanbouw, vult de plek aan tot een winkelcentrum met bovenwijkse functies. Verderop staat een bedrijfsverzamelgebouw waar startende ondernemers tegen lage huur een ruimte kunnen huren. Het project sluit aan bij de doelstelling om de werkgelegenheid zichtbaarder te maken in Malberg. Ook is er een nieuw woonzorgcentrum, waar wonen gecombineerd wordt met diverse voorzieningen. Een ander project is Sportpark West, dat zich niet alleen richt op de gezondheid van de bewoners, maar ook als ontmoetingsplek fungeert. Deze open sportaccommodatie krijgt als een van de vijf grote kwaliteitssportparken in Maastricht een uitstraling naar het westelijke deel van de stad. Opvallend is het wijktoneel. Buurtbewoners voerden eerder, begeleid door professionals, het toneelstuk ‘Malberg op de planken’ op over de wijk vroeger en nu. Inmiddels is een doorstart naar een professionele wijktoneelvereniging gepland. Het Buurtplatform speelt een grote rol in deze en andere sociale activiteiten. Karin Gybels ziet een duidelijke omslag in het beeld van de wijk ‘al is het nog wel broos’. Als de aandacht vermindert of sociale problemen opspelen, zakt de waardering weer in. ‘Het beeld van de wijk verandert pas als je continu resultaten kunt laten zien’, besluit Gybels.

› www.kei­centrum.nl/projecten/ malberg A5 NR 29 / oktober 2009

23


COLUMN

Beleid door en voor de mensen Jeroen den Uyl senior adviseur Twynstra Gudde

Hebben we niet allemaal onze buik vol van beleid? Al die stapels papier, al die volmaakte stukken vol taal, schema’s en verantwoording; veel geschreeuw, maar weinig wol. Trappelt u ook niet om te gaan uitvoeren en het beleid aan de kant te zetten? Ook in de wijkaanpak ligt de nadruk op uitvoering. Maar beleid en regels zijn nodig! Ze zorgen ervoor dat wat nu bedacht wordt, blijft staan bij de rechter en bij de opvolgers als de pioniers zijn vervangen. En ze binden samenwerkende organisaties blijvend aan de wijkaanpak. Beleid en regels zijn vooral van belang als de pijn moet worden verdeeld (verslaafden­ opvang, subsidiekorting). Juist daarom moeten ze stoelen op wat burgers willen, helemaal nu de ideologische veren vervlogen en burgers sterk, autonoom en bewust zijn. Mensen verlangen vervulling van hun eigenbelang, ook – of juist – als het om beleid en regels gaat. Kan dat eigenlijk wel? Als je pijn moet doen, als je schaarse middelen moet verdelen, als je nee moet verkopen? Dan kun je toch geen rekening houden met iemands eigenbelang? Toch wel. Gelukkig is beleid maken met de burgers in de stedelijke vernieuwing meestal een open deur. Maar soms is het niet veel meer dan lippendienst. Wordt het lastig (en is er veel pijn te verdelen), dan beperken we de participatieladder desnoods tot ‘informeren’.

24

// KEI­KENNIS

Maar dat is niet nodig. Zelfs bij de grote pijndossiers kun je in een open proces met iedereen erbij beleid maken en nieuwe macht creëren. Door eigenbelang aan eigenbelang te verbinden komen gemeenschappelijke belangen in zicht. Een effectieve methode is de Mutual Gains Approach. Hierbij onderhandel je met alle partijen die ook werkelijk een belang hebben. Met als resultaat afspraken. En die afspraken vormen het beleid. De kunst is bepalen waar het om gaat en ontdekken welke belangen achter de standpunten liggen. Standpunten zijn com­ fortabele schuilplekken en het veranderen ervan geldt als een zwaktebod. Maar als het onderliggende belang gehonoreerd wordt, kunnen ze verschuiven. Beleid maken is dan het creëren van oplossingen die tegemoet komen aan de verschillende eigenbelangen, omdat die juist vaak veel gemeen hebben. Maar let op: It takes time to go fast. Mutual Gains vergt investering bij de start van processen, zodat vertrouwen ontstaat en alle belangen op tafel komen. Lukt dat, dan stijgen partijen boven zichzelf uit en creëert de groep onverwacht effectieve oplossingen. Tegenstanders worden voor­ standers en iedereen heeft baat bij de afspraken (het beleid). Uitvoering is dan een piece of cake.

› www.kei­centrum.nl/netwerk/ kei­column


Hoe is het nu met? De Tarwewijk Gestaag voorwaarts naar een kindvriendelijke doorgangswijk Arjan Raatgever

Kinderen spelen in de vernieuwde Gaesbeekstraat

A5 NR 29 / oktober 2009

25


Over de Tarwewijk in het Rotterdamse Charlois is de afgelopen tien jaar veel gezegd en geschreven. De tendens in de vakbladen lijkt voorzichtig positief. Men volgt vooral de voortgang van de lokale wijkontwikkelingsmaatschappij (WOM) met interesse. KEI ging terug in de geschiedenis en vroeg Mirjam van Oosterhout, programmamanager voor de wijk bij corporatie Woonstad Rotterdam, naar de uitdagingen voor de komende jaren. In de jaren negentig stond de Tarwewijk – en vooral de deelgebieden Millinxbuurt en Dordtselaan – bekend als no go area. De problemen waren groot: drugsoverlast, criminaliteit, veel illegalen en een verloederd straatbeeld. De Tarwewijk bungelde steevast onderaan Rotterdamse lijstjes over veiligheid en sociale samenhang. Veel goedwillende wijkbewoners verlieten de wijk of stonden op het punt dit te doen. Groei van een wijkaanpak In 1999 besloot de gemeente dat de maat vol was. De orde in de Millinxbuurt moest worden hersteld. Er kwam meer ‘blauw op straat’ en veel drugspanden werden opgedoekt. Dit hielp, maar ook de oorzaken moesten worden aangepakt. Rond 2002 werd daarom in samenwerking met corporatie De Nieuwe Unie (vanaf 2007 Woonstad Rotterdam) gestart met de herstructurering van de Millinxbuurt. Op andere plekken in de wijk werden kleinere sloop-nieuwbouwprojecten uitgevoerd. Ook openbare ruimte en voorzieningen werden verbeterd en een gemeentelijke stadsmarinier moest de wijk ‘schoon, heel en veilig’ maken. Een specifiek probleem in de Tarwewijk was de concentratie van ongewenste activiteiten in de particuliere (huur)voorraad. Om dit probleem te tackelen richtten de gemeente Rotterdam, corporatie De Nieuwe Unie en ontwikkelaar

26

// KEI­KENNIS

AM in 2004 de WOM Tarwewijk op. Risico en investeringen werden gelijkelijk over de partijen verdeeld. Vernieuwend aan deze constructie was het betrekken van een commerciële partij van buitenaf. In ruil voor een bijdrage aan weinig of niet-renderende projecten kreeg AM de mogelijkheid om op enkele andere plekken in de wijk projecten met hogere terugverdiencapaciteit te ontwikkelen. Lange adem Het aanpakken van de particuliere probleempanden bleek een proces van lange adem en maatwerk. De WOM werkt volgens de keten aankopen-verbeteren-verkopen. Van Oosterhout legt uit: ‘Eerste stap is veelal aanschrijving door de gemeente. Dit is een juridisch middel waarmee verhuurders worden verplicht hun woning in goede staat te houden en op legale wijze te verhuren. Als hieraan niet wordt voldaan, volgt een juridische procedure of wordt de woning tegen taxatiewaarde opgekocht door de WOM of Woonstad.’ WOM of Woonstad kopen andere woningen direct op. Na aankoop worden de woningen gerenoveerd, samengevoegd of vervangen door nieuwbouw. Zo worden drie slagen ineen gemaakt: het verdrijft dubieuze bewoners en eigenaren, differentieert en verbetert de woningvoorraad en trekt kapitaalkrachtige bewoners naar de wijk. De laatste schakel, verkoop, verloopt momenteel moeizaam. Bovendien hebben de meeste Tarwewijkers zelf onvoldoende inkomen om te kopen en kampt de wijk in de rest van Rotterdam nog steeds met een beroerd imago. Op de Dordtselaan gooide Woonstad daarom vorig jaar het roer om. ‘We hebben de woningen gekocht van de WOM en verbouwd tot studentenkamers. Die zetten we nu met de gemeente en de hogeschool in redelijk volume in de markt. Op die manier bereiken we ook de differentiatie die we zoeken.’ De koerswijziging is nodig, maar tekent ook


de beperkingen van de WOM in economisch moeilijkere tijden. Kindvriendelijke doorgangswijk In 2008 werd een nieuwe visie voor de wijk gepresenteerd: een kindvriendelijke Tarwewijk. De samenwerkende partijen hadden behoefte aan meer focus binnen de aanpak. In de visie staat dat de wijk ‘alles in zich heeft om een kindvriendelijke, prettige woonwijk te zijn’. Een rustig binnengebied met veel speelpleintjes, levendige straten aan de randen en een jonge bevolking. Van Oosterhout nuanceert de op het oog ambitieuze sprong van achterstandsbuurt naar kindvriendelijke wijk: ‘Onze inzet is vooral om sociale stijgers en gezinnen die al aanwezig zijn binnen de wijk te behouden. Ook willen we de neuzen dezelfde kant op krijgen en houden. Verder zie ik het zo: bepaalde buurten in de Tarwewijk zijn al generaties lang een doorgangsgebied. Eerst voor Brabantse havenwerkers, daarna voor gastarbeiders en de laatste jaren voor Polen. Dat is niet erg, want zulke buurten heeft elke stad. Wel moeten we adequaat reageren op deze instroom en de kansen die dit met zich meebrengt oppakken.’

› www.kei­centrum.nl/projecten/ tarwewijk

> Ruimtes van verlangen In het derde deel van de serie ‘Ruimtes van verlangen’ van fotograaf Christian van der Kooy (Goes, 1983) een beeld van de wijk Kwelderland in Delfzijl: “De flat is tweedimensionaal plat geworden, een schematische weergave van steen op steen. De schilder van dit vlak heeft geen plek voor de mens ingeruimd. Ervoor sjokt het zwarte schaap, de waardeloze van de familie, gevolgd door de rest. De waardeloze heeft zich­ zelf tot leider gekroond. Het beeld doet denken aan het boek Animal Farm van George Orwell, waarin de dieren het zat zijn om als slaven van de mensheid te moeten leven en de macht in eigen handen nemen. Anders dan de meeste dieren zich er van voorgesteld hadden, loopt het uit op een tirannie.”

› www.christianvanderkooy.eu

A5 NR 29 / oktober 2009

27


Kwelderland, Delfzijl Christian van der Kooy

28


A5 NR 29 / oktober 2009

29


V

de ontwikkelingen een plek kan krijgen. Dat leidde tot een stedebouwkundig plan dat uit­ gaat van behoud en renovatie van de helft van de woonblokken’, vertelt Anita Blom van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

A Hoe zijn waarde­ volle ensembles in naoorlogse wijken te beschermen? Anouk Schuitemaker

Er zijn verschillende instrumenten om een buurt of ensemble te beschermen: aanwijzing als rijks­ of gemeentelijk monument, of beschermd stadsgezicht en het bestemmings­ plan. In tegenstelling tot wat men vaak denkt, worden deze instrumenten niet benut om de ontwikkelingen in naoorlogse wijken op slot te zetten, maar om met betrokken partijen de ontwikkelingen vorm te geven. Rijks­ of gemeentelijk monument In 2007 maakte minister Plasterk de lijst met honderd monumenten uit de wederopbouw­ periode bekend. Eén monument sprong eruit: tuindorp Jeruzalem in Amsterdam. Het monu­ mentale karakter van Jeruzalem schuilt in de vormgeving van de hoven en de inrichting van het groen. ‘Met de benoeming van Jeruzalem tot monument is vastgesteld dat de wijk waarde­ vol is. Samen met lokale partijen is vervolgens bepaald waar die waarde in zit en hoe dit in

30

// KEI­KENNIS

Beschermd stadsgezicht Een andere manier om een ensemble of wijk te beschermen is het gebied vast te stellen als beschermd stads­ of dorpsgezicht*. Een rijks­ beschermd stadsgezicht verschilt in die zin van een gemeentelijk beschermd stadsgezicht dat bij de laatste de reguliere bouwregelgeving – dus ook die voor vergunningsvrij bouwen – geldt voor de achterzijde van het pand. Dit laatste maakt het instrument minder bruik­ baar voor naoorlogse wijken, aangezien hier voor­ en achterzijde van een gebouw beeld­ bepalend zijn. In de Nijmeegse wijk Heseveld zijn twee buur­ ten aangewezen tot beschermd stadsbeeld** met daarbinnen – ter behoud van individuele panden – beschermde stadsbeeldobjecten. De gemeente benut dit instrument niet om ontwik­ kelingen tegen te gaan, maar om ze in overleg met corporaties vorm te geven. ‘Door de status beschermd stadsbeeld zitten wij aan tafel bij nieuwe ontwikkelingen’, vertelt Hans Verheul, beleidsadviseur cultuurhistorie van de gemeente Nijmegen. ‘De bescherming is voornamelijk gericht op de straatbeeldbepalende gevels. Het gaat in Heseveld om flats die in het geheel – dus voor­, achter­ en binnenzijde – worden aangepakt. Vanwege de bescherming worden wij vrijwel automatisch bij overleggen betrokken. In gemeentelijk beschermde gebieden met veel particulier eigendom kunnen wel ongewenste situaties ontstaan omdat de bouwvergunning­ plicht, zoals die in rijksbeschermde gebieden geldt, niet van toepassing is’, aldus Verheul. Bestemmingsplan De gemeente Maastricht gebruikt een andere


Het Blauwe Dorp in de Groningse Oosterparkwijk

methode voor beschermen; het Maastricht Planologisch Erfgoed Regime (MPE). Via het bestemmingsplan is 'structuurbescherming' mogelijk via cultuurhistorische attentiegebie­ den. De bescherming behelst niet de architec­ tuur. Om ook het beeld te beschermen, krijgen karakteristieke panden binnen het gebied ‘Objectbescherming’ opgelegd. Met dit instru­ ment komen nieuwe ontwikkelingen, net als bij de status beschermd stadsgezicht, auto­ matisch bij de afdeling cultuurhistorie langs. ‘Het is een nieuwe methode,’ vertelt Vera Hamers van de gemeente Maastricht. ‘In de naoorlogse wijk Malberg wordt dit voor het eerst toegepast en onderzocht’. Modernisering Monumentenzorg Het MPE loopt vooruit op de voorgestelde aan­ pak uit de beleidsbrief Modernisering Monu­ mentenzorg van 28 september 2009. Minister

Plasterk wil het accent in de monumentenzorg verschuiven van een objectgerichte naar een gebiedsgerichte aanpak. Dit doet hij onder andere door ‘ Nationale Wederopbouw­ gezichten’ aan te wijzen en gemeenten te verplichten cultuurhistorische structuren een plek te geven in bestemmingsplannen. * Volgens de monumentenwet uit 1988 zijn dit ‘groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samen­ hang dan wel wetenschappelijke of cultuurhistorische waar­ de en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden’. ** Om verwarring met de titel rijksbeschermd stadsgezicht te voorkomen, gebruikt de gemeente Nijmegen voor het gemeentelijk beschermd stadsgezicht de titel ‘beschermd stadsbeeld’.

› www.kei­centrum.nl/ vraagenantwoord/ beschermingwaardevolleensembles A5 NR 29 / oktober 2009

31


RECENTE LITERATUUR Een selectie van recent verschenen vakboeken.

01

Stem geven aan verankering Over de legimitering van maatschappelijke dienstverlening Raad voor Maatschappe­ lijke ontwikkeling, Den Haag, 2009, ISBN: 978 90 77878 02 6, bestellen/ download: www.advies­ orgaan­rmo.nl

De berichtgeving over corporaties of de zorgsector pakt de laatste tijd niet altijd positief uit. Vooral corporaties zijn zoekende naar een goede invulling van de rol van maatschappelijk ondernemer. De RMO gaat in haar recente advies Stem geven aan verankering in op de inrichting van de maatschappelijke dienstverlenende sectoren. Een blik terug in de tijd laat zien dat een stevige verankering in de samenleving een voorwaarde is voor een goede maatschappelijke dienstverlening. Overheid en organisaties moeten niet alleen investeren in betere procedures voor toezicht en verantwoording, maar vooral ook in de relatie tussen organisaties en burgers en cliënten. De RMO onderzocht verschillende mechanismen die maatschappelijke organisaties in kunnen zetten om legitimiteit te verwerven en te behouden: 1. toezicht en verantwoording; 2 keuzevrijheid; en 3. betekenisvolle feedback van cliënten. In de laatste decennia heeft de nadruk vooral gelegen op de professionalisering van intern toezicht, nieuwe vormen van publieke verantwoording, zoals jaarverslagen, cliëntenpanels of internetsites en het verbeteren van keuzemogelijkheden. Ontwikkelingen op het gebied van dialoog en discussie tussen organisaties en burgers, de zogeheten ‘ voice’, zijn hierbij onderbelicht gebleven. De Raad ziet dat maatschappelijke organisaties om hun legitimiteit te versterken juist op dit gebied nog veel winst kunnen behalen.

32

// KEI­KENNIS

02

De levende stad Over de hedendaagse betekenis van Jane Jacobs Simon Franke, Gert­Jan Hospers (redactie), SUN Trancity, Haarlem/ Amsterdam, 2009, ISBN 978 90 8506 7856, bestellen: www.trancity.nl

De Amerikaans-Canadese schrijfster en activiste Jane Jacobs (1916-2006) is een van de goeroe’s van de stadsociologen. Grote bekendheid kreeg ze met haar boek The Death and Life of Great American Cities (1961), waarin ze basisvoorwaarden voor een ‘levende stad’ op het spoor kwam. Jacobs uitte daarmee forse kritiek op de toen geldende stadsontwikkeling. Ze stelde dat er rekening moest worden gehouden met de menselijke schaal en pleitte voor het herstel van de oude stadswijken en de sociale intimiteit en controle van de stoep en de straat. Een leefbare stad is multifunctioneel, waar mensen wonen, werken, studeren en recreëren. Als het gaat om de ontwikkeling van de stad wordt Jacobs veelvuldig geciteerd. Vanwaar deze populariteit? In de essaybundel ‘De levende stad’ nemen Arnold Reijndorp, Talja Blokland, Jos Gadet, André Ouwehand, Mark van Twist en andere stedenbouwers, sociale wetenschappers en economen de standpunten van Jacobs onder de loep en vragen zich af wat hun betekenis is voor de Nederlandse stad van de eenentwintigste eeuw. Hoe kan een vitale stadswijk, met inbegrip van de buitenwijk, baat kan hebben bij de ideeën van Jane Jacobs. Wat is er nodig om diversiteit in ruimtegebruik te bereiken; waarom zijn brede stoepen van belang; waarom moeten kinderen in de stad kunnen spelen; wat is een creatieve stad; welke stedelijkheid hoort bij de buitenwijk; hoe maak je aansluiting van gebouw op de straat? Dat het werk van Jacobs ook nu nog een rijke bron tot inspiratie blijft, laten de auteurs in de essays zien. Jacobs biedt niet alleen ideeën voor het ontwerpen of faciliteren van een levende stad; het is vooral ook een pleidooi om de werkelijkheid van de stad te bestuderen en te begrijpen wat wel werkt en wat niet. Het gaat er om de stad te willen ‘lezen’.


04 Reiswijzer gebieds­ ontwikkeling 2009 Een praktische route­ beschrijving voor markt­ partijen en overheid Akro Consult, Instituut voor Bouwrecht m.m.v. TU Delft gebiedsontwikkeling Ministerie van VROM, NEPROM, VNG, IPO en Binnenlandse Zaken, Den Haag, 2009, bestellen/download: www.vrom.nl

03

Het navolgen van de Europese aanbestedingsregels in ruimtelijke projecten levert gemeenten en marktpartijen vaak veel hoofdbrekers op; hoe bepaalde zaken te interpreteren en wat is de invloed van de politiek. Dit terwijl het proces van samenwerking zelf al lastig genoeg is. Overheid en marktpartijen zijn continu op zoek naar een geschikte samenwerking, waarbij vooral praktische en juridische vraagstukken aandacht vereisen. De vernieuwde publicatie Reiswijzer gebiedsontwikkeling 2009 zet de samenwerking op tal van deze aspecten uiteen. In de uitgave nemen de begrippen ‘selectie’ en ‘aanbesteding’ in de Europese en in de Nederlandse jurisprudentie een belangrijke plaats in. Er is veel aandacht voor het onderscheid tussen een aanbesteding op grond van Nederlandse of Europese richtlijnen, een vrije selectie van marktpartijen en aan de mogelijkheden voor een één-op-één samenwerking tussen overheid en marktpartijen. De nieuwe Reiswijzer laat zien dat er binnen het juridische kader van de nationale en Europese regelgeving veel mogelijkheden zijn om de samenwerking vorm te geven. Er is en blijft volop ruimte voor marktinitiatieven en voor planvorming bij overheden. Met voorbeelden uit de praktijk laat deze Reiswijzer het verloop zien bij de totstandkoming van complexe projecten, aangevuld met tips in praktische modellen, beslisbomen en schematische analyses.

Afri Jutta Chorus, Uitgeverij Contact, Amsterdam, 2009, ISBN 978 90 254 20 413, bestellen: www.uitgeverij­ contact.nl

De Rotterdamse Afrikaanderwijk is al meer dan honderd jaar een migrantenwijk. De buurt werd rond 1900 gebouwd voor arbeiders uit Zeeland en Noord-Brabant. Begin jaren zeventig kwamen grote groepen Marokkanen, Turken en Zuid-Europeanen in de buurt wonen waarmee zich een heel grote verandering van de samenleving voltrekt. Schrijver en journalist Jutta Chorus volgde twee jaar lang het dagelijks leven in een van de oudste migrantenwijken van Nederland. Haar fascinatie voor de vraag of de opstanden van jongeren in de Franse banlieus ook in Nederland zou kunnen uitbreken is de aanleiding van haar onderzoek. In deze wijk is 84 procent van de bewoners allochtoon, leeft een kwart van de beroepsbevolking van een uitkering en is een kwart van de volwassenen werkzoekend. Wat betekent het om hier te wonen of te werken? Chorus schrijft over drie families: een Turkse, een Marokkaanse en een Nederlandse. Het Turkse gezin dat op een kluitje woont en zich nooit met Nederland heeft kunnen verzoenen. Het verhaal een jonge Marokkaan, die met de wetten van zijn familie brak, zichzelf ontplooide en een kind kreeg met zijn Nederlandse vriendin. En het verhaal van moed en onvermogen, van een huisvrouw die elke dag haar eigen wijk schoonveegt, een gezinscoach en een stadsmarinier. De Afrikaanderwijk heeft twee gezichten; romantisch en hard: een multiculturele markt maar ook een losgeslagen tweede generatie Marokkaanse en Turkse jongeren. Het boek houdt de vakwereld van de stedelijke vernieuwing een journalistieke spiegel voor over de manier waarop men met de wijk aan de slag is, waar er oplossingen liggen en waar het mis gaat.

A5 NR 29 / oktober 2009

33


Project in beeld Dubbelsociaal in Velve­Lindenhof Anouk Schuitemaker

Het motto ‘Iedereen doet mee’ van het Wijkactieplan in de Enschedese krachtwijk Velve­Lindenhof loopt door de hele ver­ nieuwing heen. Dat geldt ook voor de ruimtelijke vernieuwing. ‘We doen als cor­ poratie een grote investering, zowel finan­ cieel als in tijd’, vertelt Johan Oude Breuil, projectmanager participatie en sociale stijging van woningcorporatie De Woon­ plaats. ‘Tegelijk verwachten wij dat huur­ ders zelf ook iets overhebben voor de woning. Zoals deelname aan het proces of vergoeding voor opties aan de woning.’

34

// KEI­KENNIS


Woningcorporatie De Woonplaats startte een intensief participatietraject waarbij zij alle 330 huishoudens individueel benaderde. Alle bewoners kregen een enquête met vragen over hun woonwensen. Met sommigen werd ook een individueel gesproken. Bewoners mochten zelf de keuze maken voor sloop-nieuwbouw of renovatie. Om ze te ondersteunen zijn Bewoners Ontwerp Bijeenkomsten (BOB) georganiseerd. Bewoners gingen met architecten, gemeente en corporatie aan tafel om hun woonwensen duidelijk te maken en samen – op basis van vooraf opgestelde kaders – een ontwerp te maken. Zo werd duidelijk wat de mogelijkheden waren om de woonwensen te vervullen bij renovatie én bij sloop-nieuwbouw en de vertaling ervan in de huurprijs. Meeste stemmen gelden Na afloop van het traject kon ieder huishouden stemmen voor een gerenoveerde woning, een nieuwbouwwoning of wonen in een andere wijk. Voor ieder woonblok gold ‘de meeste stemmen gelden’. Uiteindelijk koos 92 procent voor sloop. Bewoners die graag sloop-nieuwbouw wilden, maar van wie de meeste buren kozen voor renovatie, konden naar een nieuwbouwblok elders verhuizen en vice versa. Vijf bewoners mochten hun toekomstige sociale huurwoning in particulier opdrachtgeverschap ontwikkelen. De Woonplaats stelde een kavel, budget en ondersteuning beschikbaar. Het resultaat is een aan de buitenzijde uniform ogend woonblok met daarbinnen een grote diversiteit aan indelingen. Bewoners van de andere huurwoningen krijgen een standaardwoning met de keuze voor verschillende opties. Stedenbouwkundig plan De uitkomst van de bewonersenquête werd gebruikt voor het stedenbouwkundig plan dat de gemeente, TLU landschapsarchitecten en

Heren 5 Architecten in opdracht van De Woonplaats ontwikkelden. ‘Het plan moest zich om de renovatieblokken heen vouwen’, vertelt Anne-Mette van Lieshout van TLU landschapsarchitecten. ‘Ook hebben we een krachtige groenstructuur ontworpen. De bewoners gaven in het voortraject aan of ze wel of niet wilden terugkeren naar de wijk; zo was duidelijk hoeveel spelingsruimte er was om te verdunnen’. ‘Het ontwerp van de groenstructuur is gebaseerd op de schakeltheorie’, vervolgt Van Lieshout. ‘Deze gaat ervan uit dat openbare ruimtes beter benut worden als ze op alle schaalniveaus aantrekkelijk zijn en de overgangen soepel verlopen. Als bewoners vanaf de voordeur op een prettige manier in het park kunnen komen, is de kans groter dat zij er gebruik van maken. In VelveLindenhof hebben we een lanenstructuur ontworpen met groen in de straten. Verder creëerden wij binnenerven en speelplekken, en op buurtniveau introduceerden wij het Velveplein. Bewoners worden betrokken bij de concrete inrichting. Inmiddels hebben we twee bewonersavonden georganiseerd, waarbij bijna de helft van de terugkomers en een aantal omwonenden is bereikt’, aldus Van Lieshout. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van een vermindering van 337 naar 250 woningen. De helft is bestemd voor terugkerende huurders, de andere helft wordt verkocht. ‘Na mutatie besluiten we of we de huurwoningen ook verkopen’, vertelt Johan Oude Breuil. ‘Op deze manier kunnen we de wijk ruimtelijk verbeteren, participatie stimuleren, huurders de kans geven hun woonwensen te realiseren en het plan tegelijkertijd exploitabel maken.’

› www.kei­centrum.nl/projecten/ velve­lindenhof

A5 NR 29 / oktober 2009

35


NATUUR­ LIJKE WIJK­ VERNIEU­ WING 2.0 De klokken gelijkzetten Peter Beijer, Bureau 77 Een grote groep mensen werkt al jaren hard in achterstandswijken, maar de resultaten van die inzet lijken nooit genoeg. Er moet nog meer gebeuren. Die wens krijgt op verschillende manieren inhoud, onder meer door projecten die zich hebben bewezen ook op andere plaatsen uit te voeren. Die wens krijgt ook inhoud door de politiek die met grote stelligheid roept dat de problemen in achterstandswijken snel moeten worden opgelost. Dat gevoel van urgentie vertaalt zich in de gebruikte terminologie. In het coalitieakkoord staat hiervan een mooi voorbeeld: ‘Er komt een offensief om probleemwijken te ontwikkelen naar prachtwijken. Onderdeel daarvan zijn aanvalsplannen met gemeenten, woningcorporaties, bedrijfsleven, politie, welzijnswerk en scholen, waarbij zij het eens worden over doelen, geld en middelen. De Rijksoverheid is medefinancier, inspirator en verbinder.’ (Bron: Coalitieakkoord CDA, PvdA en CU, 7 februari 2007)

36

// KEI­KENNIS


Natuurlijke wijkvernieuwing en KEI In 2004 publiceerde KEI het essay ‘Natuurlijke wijkvernieuwing’. Een oproep om stedelijke ver­ nieuwing niet langer op te vatten als een project van enkele jaren, maar als een voortdurende ontwikkeling. Wijk en stad zijn nooit af, maar we moeten weten waar we naar toe willen. Het is zin­ voller om toe te werken naar een duidelijke stip aan de horizon, dan eindbeeld en route in detail vast te leggen. De auteurs pleitten voor een overgang van blauwdrukdenken naar witdrukdenken. Dat doet meer recht aan het unieke van de wijk, is flexibeler, maakt inspelen op actuele ontwikkelingen makkelijker en biedt kansen voor een duurzame aanpak. En Natuurlijke wijkvernieuwing is geen academisch denkmodel, maar gebaseerd op, en deels uitgevoerd in een Eindhovense wijk. De belangrijkste ideeën hebben inmiddels een plek in veel vernieuwingstrajecten. Maar het denken erover is niet gestopt. Het besef dat de groot­ schalige en projectmatige aanpak niet vol te

houden is dringt steeds meer door. Vanwege de kosten, maar ook omdat de duurzaamheid ervan ter discussie staat. Het is tijd om Natuurlijke wijk­ vernieuwing te herijken, zeker nu de recessie de processen op scherp stelt. KEI en het team van Natuurlijke wijkvernieuwing gaan op zoek naar wat het nieuwe model van de stedelijke vernieuwing kan en moet zijn. Een zoektocht gebaseerd op ervaringen uit de praktijk. Met als uitgangspunt een aantal cases waar de vernieuwing vertraagt of zelfs stil dreigt te vallen, onderzoeken we diverse thema’s. Over het proces van vernieuwing, de verhouding tussen stedelijke ambitie en de opgave in de wijk, de afweging tussen schaalniveaus, de betrokkenheid van stakeholders, waardecreatie, beheer en politiek draagvlak. Iedereen die nadenkt over de toekomst van de stedelijke vernieuwing kan aanschuiven. In termen van het digitale tijdperk: de broncode is vrijgegeven, Natuurlijke wijkvernieuwing is open source geworden.

Oorlog Voeg daarbij de stadsmariniers en de frontlijnsturing en je zou bijna denken dat het oorlog is in de wijkvernieuwing. En die oorlog moet snel gevoerd worden. De politiek gaat, in ieder geval bij de aanpak van achterstandswijken, uit van een heel ander tempo dan het tempo van leven en veranderen in een aantal van deze wijken. Het incident met de buschauffeurs in Gouda in september 2008 liet zien hoe ver de landelijke politiek wil gaan om problemen acuut op te lossen. De inzet van het leger was zonder meer het meest vergaande voorstel en past naadloos in de retoriek. Maar de problemen in Gouda waren lokaal al onderkend en er werd al gedurende langere tijd aan een oplossing gewerkt. Het waren in dit geval de lokale partijen, de politie voorop, die hebben benadrukt dat dergelijke problemen binnen de context van Gouda niet op stel en sprong zijn op te lossen, maar dat dat tijd vergt. Het is dus nog maar de vraag of het opvoeren van het tempo ook werkelijk leidt tot duurzame veranderingen in alle (aandachts-) wijken. Elke wijk of buurt kent een eigen dynamiek en eigen wijze van ontwikkelen. In sommige delen van steden, met name in centrumgebieden, ligt dat tempo hoog – er zijn veel veranderingen in korte tijd, veel bouw- en A5 NR 29 / oktober 2009

37


verbouwactiviteiten, mensen in- en uitgaan. Bewoners kunnen hier ook mee om gaan. Zij weten dat contacten vluchtig zijn en dat zij geregeld op zoek moeten gaan naar nieuwe contacten. In andere wijken, veelal woonwijken en achterstandsgebieden, ligt dat tempo veel lager. De sociale binding is er groter en er is een grote mate van vertrouwdheid. Bewoners weten waar de bakker, de slager en de dokter zitten, weten waar hun familie en vrienden wonen, zij kennen hun omgeving. Door in deze wijken in een hoog tempo veranderingen op gang te brengen, wordt het leven eerder verstoord dan dat het de kwaliteit van wonen en leven verbetert, met als gevolg dat bewoners eerder op de vlucht slaan dan dat zij de aanpak van problemen verwelkomen. Op zoek naar de dynamiek Natuurlijke wijkvernieuwing zoekt naar mogelijkheden om veranderingsprocessen als de wijkaanpak zodanig in te richten dat ze hun rechtvaardiging vinden in de wijk en bij de bewoners. De kunst van een natuurlijke vernieuwing van wijken zit hem in het zorgvuldig op zoek gaan naar de dynamiek van wijken. Door vervolgens een aanpak te ontwikkelen die aanhaakt op die dynamiek komt wijkvernieuwing voor bewoners niet over als een ‘aanvalsplan’, maar wordt het onderdeel van de natuurlijke verandering die een wijk doormaakt en sluit daardoor veel meer aan op de beleving van de bewoners. Dit kan in de praktijk betekenen dat het tempo lager komt te liggen dan politici lief is, dat de omvang van de ingrepen kleiner is (geen grootschalige sloop, maar archipunctuur) en dat de individuele problemen van bewoners meer aandacht krijgen. Opmerkelijk en aantrekkelijk is dat juist door zorgvuldig aan te haken bij het tempo van de wijk de uitvoering van voorstellen uiteindelijk sneller verloopt, met name omdat het draagvlak bij bewoners groter is. Zij begrijpen waarom wordt ingegrepen, omdat vragen of problemen waar zij mee zitten worden opgepakt op een manier die in hun beleving past. Dat zegt bewoners in achterstandswijken meer dan grootse plannen of politieke agenda’s. Natuurlijke wijkvernieuwing zoekt naar mogelijkheden om de klokken van de verschillende wijken en van de politiek gelijk te zetten. Het vraagt om geduld en enige terughoudendheid van juist de politici. Ik ben benieuwd of zij dat in de komende verkiezingstijd kunnen opbrengen.

› www.kei­centrum.nl/natuurlijkwewijkvernieuwing

38

// KEI­KENNIS


NIEUW stoomcursus stedelijke vernieuwing

In het nieuwe dossier Stoomcursus stedelijke vernieuwing zet KEI de essentials van de stedelijke vernieuwing overzichtelijk in één dossier. De basisvragen naar het wie, wat en waarom van de stedelijke vernieuwing worden in klare taal beantwoord. Fundamenteel leesvoer voor alle starters in de stedelijke vernieuwing én voor ervaren professionals die wel een opfrisser kunnen gebruiken!

› www.kei­centrum/stoomcursus A5 NR 29 / oktober 2009

39


02 Schakelen tussen schalen: van wijk naar Rijk en weer terug

Inactiviteit in wijk X Rekening houden met verschillende belangen en beleidsniveaus. Het lijkt een kwestie van logisch nadenken. Toch gebeurt het nog te vaak dat op het stedelijk niveau doelstellingen worden uitgezet die op wijkniveau niet worden opgevangen of andersom. Op deze manier kunnen draagvlak, besluitvorming en uiteindelijk uitvoering ernstig in gevaar komen. Om de stedelijke vernieuwing goed te stroomlijnen is het van cruciaal belang om te schakelen door de verschillende beleidsschalen. Ontwerp: marnixdees.nl

40

// KEI足KENNIS


Schakelstappen 1 Opbouwwerker constateert inactiviteit, werkloosheid en jongerenoverlast in wijk 2 Opbouwwerker klopt aan bij buurtsuper voor arbeidsen stageplaatsen. Geen geld. 3 Opbouwwerker vraagt zijn baas, wijkmanager, om hulp. 4 Wijkmanager klopt aan bij wijkconsulent van corporatie. Wijkpotje wordt ingezet. 5 Wijkmanager vraagt consulent zijn baas aan te spreken voor structureler geld. Corporatiedirecteur wordt overtuigd, maar wil medewerking van gemeente. 6 Wijkmanager klopt aan bij wethouder. Wethouder ziet hierin een stedelijk probleem.

7 Wethouder spreekt met werkgevers van ziekenhuis, havenbedrijf en een ander bedrijf. 8 Wethouder maakt i.s.m. diensten, wijken en corporaties een stadsvisie plus plan van aanpak voor een actieve stad. Gemeente, ministeries EZ en SZW, werkgevers en corporaties investeren. 9 Na besluitvorming wordt het beleid uitgewerkt in wijkplannen en uitvoeringsplannen. 10 Geld wordt apart gezet voor wijkconsulent en opbouwwerker zodat o.a. de buurtsuper werkloze wijkbewoners in dienst kan nemen. A5 NR 29 / oktober 2009

41


/// NETWERK

ACTI­ VITEI­ TEN ///////////////////////////////////

YURPS­lab Leeuwarden Annette Duivenvoorden Hoe houd je een vernieuwingsproces en de samenwerking fris? Hoe blijft het elan aanwezig en wordt steeds nieuwe energie aan het proces toegevoegd, vooral als het gaat om een gebied waar een sociale stijgingsopgave ligt? En hoe maak je bewoners daadwerkelijk comaker van zo’n wijk. Aan de YURPS de uitdaging om oplossingen aan te dragen tijdens het YURPS-lab op 10 september in de naoorlogse wijk Heechterp-Schieringen in Leeuwarden. Risico van ‘inzakken’ Leeuwarden is goed bezig en krijgt daarvoor

42

/// KEI­NETWERK

landelijk de nodige waardering. Maar de partners in de wijkaanpak zien ook dat er punten zijn die extra aandacht vragen om die aanpak ook in de toekomst succesvol te laten verlopen. Een bekend fenomeen: na de start van het proces – waarbij iedereen scherp is – is het risico van ‘inzakken’ niet denkbeeldig. En, als het doel is ‘alle bewoners een stap vooruit’, hoe maak je hen er dan ook echt deel van. Twee ontwikkelingsgebieden in de wijk, het centrumgebied en het gebied rond het Hagedoornplein, werden als invuloefening en ideeëngenerator ingezet. Bij het eerste gebied moet het ‘centrumgevoel’ versterkt worden, bij het tweede staat de toekomst van vier hellingbaanflats ter discussie. Verdeeld over drie groepen reikten de YURPS de gemeente, de corporaties Welkom Nieuw Wonen en WoonFriesland en andere betrokkenen de nodige tips aan. Zo hamerden zij erop de bewoners van de wijk nog beter te leren kennen en hen te vragen wat er in de wijk speelt. Er vinden al volop gesprekken plaats, maar van de grote groep studenten in de wijk is bijvoorbeeld te weinig bekend. Andere kansen om de wijkaanpak ‘fris’ te houden zijn het vieren van de behaalde successen, het creëren van een gezamenlijke vrijstaat in de wijk – waar bewoners letterlijk ruimte krijgen voor eigen initiatieven – en het vergroten van het eigenwoningbezit. Do’s en dont’s Voor de twee ontwikkelingsgebieden werden ook do’s en dont’s aangereikt. Belangrijkste opmerking bij het centrumgebied was de vraag of dat centrum wel zo nodig herontwikkeld moet worden. En zo ja: vanuit welke partijen? De YURPS adviseerden met alle stakeholders het gesprek aan te gaan en – heel belangrijk – het aangrenzende sportgebied Kalverdijkje te betrekken. Voor de vier hellingbaanflats rondom het Hagedoornplein werden drie ontwikkelingsscenario’s ontwikkeld: een complex voor het starten van de wooncarrière, een complex waarbinnen een


wooncarrière kan worden afgelegd en het aantrekken van één nieuwe doelgroep. Inherent daaraan was de grondgedachte dat gemeente en corporaties vooral een keuze moeten maken – in overleg met bewoners – en van daaruit verder moeten denken.

› www.yurps.nl/activiteiten

///////////////////////////////////

Atelier gebieds­ ontwikkeling en rendementsdenken Sjors de Vries (BSDV) Binnenstedelijke gebiedsontwikkeling wordt door de toegenomen druk op de stedelijke ruimte en economische recessie nog complexer. Ontwikkelingen komen steeds lastiger van de grond omdat grondexploitaties veelal gebaseerd zijn op optimistische verwachtingen met betrekking tot uitgifteprijzen en afzettempo. Ontwikkelende partijen neigen ernaar de gebiedsaanpak op te knippen in kleinere, overzichtelijke projecten met producten die nu nog wel afzetbaar zijn. De integrale langetermijnaanpak zoals we die voorstaan in de stedelijke vernieuwing komt daarmee onder druk te staan. KEI bracht een tiental ontwikkelende partners samen, vroeg hen hoe zij tegen dit vraagstuk aankijken en daagde hen uit om hun licht te laten schijnen op de toekomstige rol van projectontwikkelaars bij binnenstedelijke opgaven. Initiator en organisator De ontwikkelaars zijn het in grote lijnen eens: de samenwerking van betrokkenen bij binnenstedelijke gebiedsontwikkeling zal op een andere manier (moeten) worden ingericht. De tijd van

quick wins ligt achter ons en de economische crisis werpt z’n schaduw vooruit. Ontwikkelaars moeten hun rol herbenoemen en zich meer richten op hun kracht als initiator en organisator en minder als financier. Bovendien moeten ze anders denken over en zoeken naar rendement. De betrokkenheid wordt langduriger door scherpe businesscases te ontwikkelen, waarbij ook maatschappelijk rendement een plek krijgt. Zo kunnen ze met andere partijen een duurzame binnenstedelijke gebiedsontwikkeling borgen. Om mee te (blijven) doen in de binnenstedelijke gebiedsontwikkeling moet de inzet van ontwikkelaars zich meer richten op de specifieke meerwaarde die men kan bieden. Men moet partijen verleiden om mee te doen. De ontwikkelaar opereert hierbij vanuit visie, netwerk, kennis van ondernemen en risicodragen, overtuigingskracht en dienstverlening. De rol van financier die ontwikkelaars nu ook vaak vervullen, moet bij andere partijen dan de Bank Nederlandse Gemeenten gelegd worden. Veranderd rendementsdenken Hiermee hangt de noodzaak van een ander rendementsdenken samen. Het is belangrijk om het businessmodel van ontwikkelende partijen in binnenstedelijke gebieden te wijzigen van kortenaar langetermijnrendementen, en maatschappelijke rendementen een plek te geven in de gebiedsexploitatie. Dit laatste doordat de ontwikkelaar overheden en maatschappelijke ondernemingen voorafgaand aan een ontwikkeling vraagt om een financiële injectie om maatschappelijk rendement op termijn te realiseren. En zo feitelijk een derde geldstroom te benoemen om de hoge kosten van binnenstedelijke ontwikkelingen te financieren en tegelijkertijd zicht te geven op maatschappelijke baten op de langere termijn. De ontwikkelaar daagt daarmee maatschappelijke partijen uit ondernemend te werken. Ondernemend op een andere manier dan dat de gemeente sec via de grondexploitatie een A5 NR 29 / oktober 2009

43


maximaal rendement wil halen en andere partijen daarmee kopschuw maakt. Voor wat betreft het rendement van de ontwikkelaars, in de binnenstedelijke aanpak zal commercieel rendement van een andere orde zijn dan dat van bouwen in de uitleg. Bovengenoemde focus op specifieke meerwaarde betekent dat ontwikkelende partijen voor de benodigde kortetermijnrendementen meer afgerekend gaan worden via het dienstverleningsmodel: een beloning op basis van geleverde prestaties. Gebiedsontwikkeling is een vak en vraagt om expertise die volgens de ontwikkelaars niet bij de overheid aanwezig is. Kortom: een kleine aardverschuiving in het rollenspel in de binnenstedelijke gebiedsontwikkeling. Nu de tijd van dichtgetimmerde en doorgerekende masterplannen voorbij lijkt te zijn, zal ondernemerschap met een visie, strategie, kennis en realisatiekracht meer dan ooit centraal staan. De rol van de ontwikkelaar in de stedelijke vernieuwing verandert daarmee, maar is nog lang niet uitgespeeld.

› www.kei­centrum.nl/ gebiedsontwikkeling

///////////////////////////////////

Kennistrip voor raadsleden Piet Korporaal In de stedelijke vernieuwing kan de waan van de dag het zicht ontnemen op de langere termijn en op de afweging tussen het belang van de wijk en dat van de stad. Bovendien gaat de gemiddelde vernieuwing van een wijk over meerdere raadsperiodes heen. Om raadsleden bij te staan en voeding te geven voor een goede afweging ontwikkelde KEI de Kennistrip. De eerste keer

44

/// KEI­NETWERK

viel dit voorjaar bij wijze van experiment te beurt aan de gemeente Rotterdam. Gepokt en gemazeld De Kennistrip voor raadsleden is een overdracht van kennis over stedelijke vernieuwing door mensen die gepokt en gemazeld zijn in de praktijk, zowel lokaal als nationaal. Op die manier kunnen thema’s die in een stad spelen, gespiegeld worden aan die in andere steden. In het programma krijgt dit zijn uitwerking in een wandeling door de wijk en aansluitend een inhoudelijke verdieping aan thematafels. In Rotterdam werden de raadsleden rondgeleid door vertegenwoordigers van de lokale corporaties Vestia, PWS en Woonstad. Zij maakten in het Oude Noorden en Bergpolder kennis met geslaagde projecten en interessante personen die de opgave en behaalde resultaten van de stedelijke vernieuwing toonden. De thematische wandelingen (fysiek, sociaal, economisch) voerden onder andere langs het te transformeren voormalige Hofpleinviaduct, wijkaccommodatie Het Klooster en de ondernemers in het Zwaanshals. Voor verdieping en discussie spraken de raadsleden vervolgens aan vijf thematafels met deskundigen uit het KEI-netwerk. Aan de orde kwamen vragen als ‘hoe verbinden we de schaalniveaus, van stedelijke ambitie tot vernieuwingsverhuizers?’ of ‘hoe wegen we gebiedsgerichte aanpak en persoonlijke stijgingsambities?’ en ‘wat mogen we verwachten van de terugkeer van bewoners in een vernieuwde wijk?’. De formule van de Kennistrip sluit goed aan op de behoefte van raadsleden. KEI biedt de formule daarom na de gemeenteraadsverkiezingen in 2010 landelijk aan. Interesse om ook een Kennistrip in uw stad te laten plaatsvinden? Neem dan contact op met Jeroen van der Velden.

› vandervelden@kei­centrum.nl › www.kei­centrum.nl/kennistrip


Nederland / Rotterdam, Kinderen spelen 's avonds op straat in de wijk Katendrecht

Spanje / Valencia, in Valencia is een grote speelplaats voor kinderen aangelegd, Park Gulliver

A5 NR 29 / oktober 2009

45


YURP COL­ UMN YURPS COLUMN De Grex­ wet: een stap te kort Leonn Sekender, planeconoom gemeente Arnhem De Grexwet, onderdeel van de nieuwe Wet ruim­ telijke ordening (Wro), zorgt voor een meer even­ redige kostenverdeling bij toekomstige gebieds­ ontwikkelingen. Daar zijn velen het over eens. Maar zelfs als de wet zijn doel bereikt is de reik­ wijdte beperkt. Met name bij binnenstedelijke en herstructureringsopgaven staat de financiële haalbaarheid onder druk als gevolg van kapi­ taalvernietiging, het gewenste kwaliteitsniveau en de parkeerdruk. De Grexwet biedt geen (praktische) oplossingen voor het financieren van deze opgaven, maar enkel mogelijkheden om kosten te verhalen. Niet om de maatschap­ pelijk gecreëerde baten te innen. Om negatieve gebiedsexploitaties sluitend te maken is subsidie nodig. Maar subsidiestromen verminderen, terwijl binnenstedelijke opgaven toenemen. Aanvullende financieringsmogelijk­ heden zijn dus cruciaal. De VROM­raad reikt in het advies Grond voor kwaliteit (2009) een aantal mogelijkheden aan, zoals het verder doorvoeren van de verevening van ‘winst’ in de ruimtelijke opgaven in regionaal verband. Ik zou die verevening scherper willen zien. Kijk naar de waardeketen van ruimtelijke transfor­ matie. Simpel gesteld bestaat deze uit grond in huidige staat en functie, verwerving, bouw­ en woonrijp maken, bestemmingswijzing, ontwerp en conceptontwikkeling, opstalrealisatie en uit­ eindelijk oplevering. De winst voor elke partij moet passen bij de waarde die men toevoegt in de keten. De gemeenschap maakt de bestem­ mingsplanwijziging mogelijk en creëert daarmee in essentie de (grond)waardeontwikkeling. Zij

46

/// KEI­NETWERK

bepaalt tenslotte waar ontwikkeling mogelijk is. Toch komt de waardeontwikkeling – lees winst – vaak terecht bij de grondspeculant of ­eigenaar. Opmerkelijk, want die partij wordt namelijk al voor hinder gecompenseerd door schadeloos­ stelling, nadeelcompensatie of planschade.

Hoog tijd voor een debat over waardecreatie door maatschappelijke inzet versus de toe­ eigening van baten op basis van eigendomsrecht. Vooral als je bedenkt dat bij een bestemmings­ wijziging die tot waardedaling leidt – bijvoor­ beeld van woon­ naar groenbestemming – de gemeenschap de rekening betaalt. Dan mag je ook het omgekeerde verwachten. Dat vraagt om realistischer afdrachtmodellen dan de fonds­ vorminginstrumenten die de Grexwet biedt. Ondanks afnemende winstgevende locaties is het zaak om die locaties die wel winstgevend zijn niet te laten wegvloeien. In de huidige praktijk proberen lokale overheden deze ‘maatschappelijk’ toegevoegde waarde te innen voor de gemeenschap door actieve grond­ politiek. Regulering via een afdracht voor posi­ tieve bestemmingsplanwijziging leidt niet alleen tot extra geldstromen, maar heeft als neven­ effect dat de grondmarkt transparanter wordt en spelers een afgebakende rol innemen. Grond­ speculanten en ontwikkelaars hoeven niet actief te zijn op zo’n markt, omdat de opbrengsten hen niet toekomen. Ze lopen dan ook niet het risico van de bestemmingsprocedure. Wel zo eerlijk, aangezien zij hiervoor niet aan het roer staan.

› www.yurps.nl


P

N

COM­ PETEN­ TIE­ WIJZER

Kees van der Laan is beleidsadviseur bij Gemeentewerken Rotterdam. In het voorjaar volgde hij de cursus Integraal beheer van de openbare ruimte in de praktijk, een samen­ werking tussen CROW, PLAN terra BV en de Stichting PostAcademisch Onderwijs van de TU Delft. KEI vroeg hem naar zijn bevindingen.

Integraal beheer van de openbare ruimte in de praktijk ‘Ik werk al langer bij Gemeentewerken Rotterdam. Ik heb een civieltechnische en juridische achtergrond, maar kreeg steeds meer interesse in bestuur. Ik had behoefte mij te ontwikkelen richting beleid en dat was voor mij het argument om te zoeken naar mogelijkheden om dat te combineren met mijn expertise. Sinds begin 2009 ben ik bij Beheer Buitenruimte aan het werk als beleidsadviseur. Door die stap had ik behoefte aan een goede theoretische basis. Waar hebben we het eigenlijk over? Wat ga ik hier doen en welke rol heb ik? Het volgen van de cursus Integraal beheer van de openbare ruimte in de praktijk (IBOR) was eigenlijk een logische keuze. Veel collega’s hadden de cursus al naar tevredenheid gevolgd

en sommigen geven zelfs een deel van het onderwijs. Ook ik vond het een bijzonder nuttige ervaring en raad IBOR zeker aan. De cursus helpt een goed beeld te krijgen van de inrichtingsopgave van een stad. Voor mij hielp het verder mijn taak scherp te krijgen. IBOR is een goed theoretisch huis en sluit aan bij mijn dagelijkse werk. De cursus leert je om verder te kijken dan de tekentafel, meer op beleidsniveau. Wat is buitenruimte en hoe richt je die in? En welke prikkels komen op mijn gemeentelijke dienst af? Niet alleen in technische zin, maar ook sociaal. Die integrale aanpak was voor mij een eyeopener. Bovendien beantwoordt de theorie van deze aanpak actuele vragen die bij ons spelen, bijvoorbeeld als het gaat om de beeldkwaliteit. Hoe ziet de straat eruit en wat doe je er als organisatie planmatig mee? Heb je er een visie op? Buitenruimte moet je niet alleen technisch benaderen, het gaat ook om leven en omgeving. Er is genoeg plek voor interactie bij IBOR. Naast verschillende schouwopdrachten gingen we bijvoorbeeld actief aan de slag met een krachtenveldanalyse. Hoewel de ruimte beperkt is in een cursus van vier dagen, mogen er van mij wel meer praktijkopdrachten in. De verhouding theorie-praktijk zou fiftyfifty mogen zijn. En ik zou meer aandacht besteden aan het juridische deel. Dat ging nu erg snel en soms kort door de bocht. Ik kan me voorstellen dat dit voor een leek wat ongrijpbaar was. Juist ook op dat vlak is er behoefte aan praktijksituaties.’

› www.kei­centrum.nl/ competentiewijzer

A5 NR 29 / oktober 2009

47


LOG­ BOEK

Het KEI­logboek geeft een overzicht van recente KEI­activiteiten, projecten die op stapel staan en verschenen publicaties.

› www.kei­centrum.nl/netwerk

20/08 01/09 08/09 10/09 YURPS­sociëteit Woensel­West (Eindhoven)

KEI­atelier Gebieds­ ontwikkeling

KEI­businesslab Amsterdam

YURPS­lab Heech­ terp­Schieringen (Leeuwarden)

30/09 08/10 09/10 13/10 Werksessie Sociaal & Fysiek Verbonden (Deventer)

YURPS­competentie­ dag

29/10 04/11 Werksessie Sociaal & Fysiek Verbonden (Dordrecht)

48

/// KEI­NETWERK

Werksessie Sociaal & Fysiek Verbonden (Eindhoven)

Werkconferentie Meer dan de Wijk

KEI­atelier Natuurlijke Wijkvernieuwing (Zwolle)

23/11

09/11

KEI­atelier Natuurlij­ ke Wijkvernieuwing (Roosendaal)

KEI­partnerbijeen­ komst Nieuwe Verbindingen (Amsterdam­Noord)


9

ch­ n

0

urlijke g

1

PARTNERBIJEENKOMST 9 november Amsterdam­Noord

23/09 KEI­on­the­road Zaanstad

28/10 Stadslab Revisited Gouda­Oost

NIEU 13:3

0

RB E V WE

0 ­21:0

uur,

De

uis tolh

tuin

N E G N INDI

, Am

am sterd

­Noo

rd

Nieuwe verbindingen – we zien ze voortdurend ontstaan. Tussen wijk en stad. Tussen privaat en publiek. Tussen bewoners en professionals en tussen bewoners onderling. Wat betekent dat voor het werken aan de stad?

12/01

Verschijning A5 #30

Programma – Diverse sprekers over ‘nieuwe verbindingen’. – Stadssafari door Amsterdam­Noord – Borrel & Diner › www.kei­centrum.nl/partnerbijeenkomst2009

oord)

A5 NR 29 / oktober 2009

49


PA RT Nieuwe KEI­partners sinds september 2009

AVier AVier ontwikkelt ideeën voor een duurzaam Nederland op het snijvlak van stedelijke vernieuwing, onderwijs en energie. AVier werkt samen met diverse partners en opdrachtgevers. Leidende principes zijn onbevangenheid en nieuwsgierigheid en mensen hun eigen mogelijkheden laten ervaren. AVier voegt daarbij een persoonlijke inbreng; gezond verstand, creativiteit en eigenwijsheid.

AdProm AdProm is een adviesbureau op het gebied van stedelijke vernieuwing en projectmanagement. AdProm adviseert of ondersteunt bij het opstellen van wijkontwikkelingsplannen, het ontwikkelen van nieuwe concepten en samenwerkingsvormen voor wonen, zorg en welzijn, het vinden van nieuwe communicatievormen en bewonersparticipatie en het realiseren van een resultaatgerichte aanpak. FAME Groep De FAME Groep is een clustering van disciplines, gericht op het bedenken, ontwerpen en ontwikkelen van vastgoedprojecten met als divisies Architectuur & Stedenbouw, Planontwikkeling en Bouwmanagement. FAME heeft ervaring en kennis op het gebied van centrumplannen, herstructurering woningbouw, binnenstedelijke transformatiegebieden en gebieden waar woningbouw als nieuwe en dominante functie wordt ontwikkeld. Mainstream marketing communicatie Mainstream is een marketing & communicatiebureau met ervaring en deskundigheid in strategie, advies en management, maar ook design en techniek. Mainstream werkt op verschillende terreinen samen met kwalitatieve partners, waaronder de stedelijke vernieuwing. Partners+Pröpper Partners+Pröpper werkt als bestuurskundig onderzoeks- en adviesbureau aan innovatie en verbetering van beleid- en werkprocessen in het openbaar bestuur. Partners+Pröpper ondersteunt overheden, burgers en maatschappelijke partijen bij het realiseren van resultaatgericht beleid en effectieve samenwerking. Verdiwel Verdiwel is de vereniging van directeuren van welzijnsorganisaties, een platform om kennis en ervaring uit te wisselen. De organisatie heeft drie kernfuncties: ontmoeting, uitwisseling en verdieping van inzichten en ervaringen; profilering en positionering van lokaal welzijn en ontwikkeling van kwaliteit en expertise.

› www.kei­centrum.nl/netwerk 50

/// KEI­NETWERK

Totaaloverzicht Rijksoverheid Ministerie van VROM Ministerie van EZ Ministerie van VWS Ministerie van LNV

Gemeenten G4 Gemeente Amsterdam Gemeente Den Haag Gemeente Rotterdam Gemeente Utrecht

Gemeenten G27 Gemeente Alkmaar Gemeente Almelo Gemeente Amersfoort Gemeente Arnhem Gemeente Breda Gemeente Den Bosch Gemeente Deventer Gemeente Dordrecht Gemeente Eindhoven Gemeente Emmen Gemeente Enschede Gemeente Groningen Gemeente Haarlem Gemeente Heerlen Gemeente Helmond Gemeente Hengelo Gemeente Leeuwarden Gemeente Leiden Gemeente Lelystad Gemeente Maastricht Gemeente Nijmegen Gemeente Schiedam Gemeente Sittard­Geleen Gemeente Tilburg Gemeente Venlo Gemeente Zaanstad Gemeente Zwolle Gemeenten ISV niet­rechtstreeks Gemeente Almere Gemeente Apeldoorn Gemeente Delft Gemeente Goes Gemeente Gouda Gemeente Hilversum Gemeente Purmerend Gemeente Spijkenisse Gemeente Veenendaal Gemeente Vlaardingen Gemeente Waalwijk Gemeente Zoetermeer

Provincies/regio’s Provincie Zuid­Holland Stadsgewest Haaglanden Corporaties Allee Wonen Casade Centrada Com•wonen DeltaWonen De Seyster Veste De Sleutels van Zijl en Vliet De Woningbouw De Woonplaats Domein Far West Futura Haag Wonen Habion Lefier Mitros Nijestee Oosterpoort Wooncombinatie Parteon Portaal Singelveste SSH Utrecht Staedion Stichting Trudo Stichting Woonwaard Noord­Kennemerland Talis Tiwos Thuisvester Van Alckmaer Vestia Groep Vivare Waterweg Wonen Welbions WonenBreburg Wonen Heuvelsteden Wonen Weert Wonen West Brabant Woningcorporatie ZVH Woningstichting De Goede Woning Woningstichting Den Helder Woningstichting SWZ Woonbedrijf Ieder1 Woonbron Woonpartners Midden­ Holland Woonplus Schiedam Woonstad Rotterdam Woonstichting De Key Ymere Zayaz woon en ongewoon


NE RS Projectontwikkelaars/ grote bouwers/beleggers AM Grondbedrijf bv AMVEST ASR Vastgoed Ontwikkeling N.V. BAM Woningbouw bv Dura Vermeer Bouw Rotterdam bv ERA Bouw B.V. Estrade projectontwikkeling Heijmans Vastgoed ING Real Estate Kristal Lingotto Nouville ontwikkelaars Proper­Stok Groep bv Bouwfonds Ontwikkeling bv Rabo Vastgoedgroep Rabobank Nederland Synchroon Timpaan

Adviesbureaus/ onderzoeksbureaus Adprom Alterra Alvast ARCADIS AT Osborne Avier Beaumont Communicatie & Management BMC Breebaart & Huffstadt Brink Groep BSDV Stedelijke Vernieuwing, ruimtelijke ontwikkeling en volkshuisvesting Bureau77 Bureau Ruimtewerk Capae COB­WEB advies stedelijke vernieuwing Companen CONCIRE Corgwell De Bakkerij DHV Dimensie De Beuk Organisatieadvies DSP­groep bv Dutch Done ECORYS Nederland bv ECOYRYS Rutten Communicatie­ advies Eiffel Except Fame Groep

Frank Köster ICS­Advies bv Gerrichhauzen & Partners Grontmij IHS IMPECT Inbo Adviseurs, Stedenbouw­ kundigen, Architecten Infocus Ingenieursbureau Oranjewoud bv Início Instituut voor Sociale Gebiedsontwikkeling JongeHonden Kars Advies Laagland’advies Linssen en Van Asseldonk, adviseurs in de volkshuis­ vesting bv Louter projectmanagement Maas Sociaal Investeren Mainstream marketing communicatie Meer dan Communicatie Metafoor Middenin Onderzoeksinstituut OTB De Beuk Organisatieadvies p2managers Partners+Pröpper Procap bv Projectmanagementbureau Quintis bv RIGO Research en Advies bv Roosemalen & Savelkoul Rottier Advies voor stedelijke vernieuwing Shinsekai Analysis SITE/Urban development Stadia bv StadNetwerk Stade Advies Stec groep bv Steeds Steen van Rosette Stichting De Driehoek Stichting De Werkplaats Stichting R4R Nederland Stipo Consult Thaens Urban Investment & Management bv TNO Bouw en Ondergrond Twynstra Gudde Management Consultants Urbannerdam van­Berk Van Keulen en Van Zutphen Vannimwegen Vensters

Via Drupsteen VISADE advies in project­ ontwikkeling BV WenD management bv Werken Aan De Stad bv Wasmoeth Stedelijke Ontwikkeling Westerdijk Consultancy Willem Kwekkeboom Project­ management & Advies Woonbond Kennis­ en Adviescentrum WSA Procesarchitectuur & management Stedelijke ontwikkeling Juridische adviesbureaus Houthoff Buruma

Ontwerp en onderzoek BGSV Bureau voor Stedebouw Biq stadsontwerp bv Bouwhulp Groep Buro 5 Maastricht BVR adviseurs ruimtelijke ontwikkeling De Nijl Architecten bv DUS Enno Zuidema Stedebouw Griffioen Architecten KAW architecten en adviseurs KOW Herstructurering Metropolis Architecten MUST One Architecture Paul Salomons architect Rein Geurtsen & Partners bv ­ Bureau voor stadsontwerp Ruth Visser architecten Sacon, architectuur, steden­ bouw en landschap tlu landschapsarchitecten Urhahn Urban Design Van Schagen Architekten VHP stedebouwkundigen + architekten + landschaps­ architekten bv Universiteiten/hogescholen Haagse Hogeschool, lectoraat grootstedelijke ontwikkeling Hogeschool Rotterdam Hogeschool van Utrecht INHOLLAND university, School of Technology Radboud Universiteit Nijmegen Real Estate & Housing, TU Delft, Faculteit Bouwkunde Saxion Hogeschool IJselland

Sparringpartners Architecturalia Deltametropool International New Town Institute (INTI) Jantje Beton Projectbureau Belvedere Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten Stedennetwerk Stichting Recreatie Verdiwel Koepels Aedes vereniging van woningcorporaties Bouwend Nederland IPO, Adviesgroep ISV IVBN Nederlandse Vereniging van Makelaars NEPROM NVB Vereniging voor ontwikke­ laars en bouwondernemers Vereniging Nederlandse Gemeenten Woonbond Kennisinstituten/netwerken Architectuur Lokaal CROW De Wijkplaats FORUM, Instituut voor Multiculturele Ontwikkeling Habiforum Instituut voor Publiek en Politiek Lesi MOVISIE Nicis Institute NIROV SenterNovem SEV Stichting KTB VACpunt Wonen Verwey­Jonker Instituut Fondsen Centraal Fonds voor de Volks­ huisvesting Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederland­ se Gemeenten Adviesorganen VROM­raad

A5 NR 29 / oktober 2009

51


Bestemming bereikt! De uitbreiding van onze steden en dorpen, zelfs de uitbreiding van ons land, doen we bij voorkeur in alle eenvoud. Alle uitbreidingen van de afgelopen eeuw (ook VINEX en zelfs de Tweede Maasvlakte) zijn overwegend monofunctioneel: wonen óf werken óf recreëren. Pas als we onze steden en dorpen weer vitaal willen krijgen, gaan we functies mengen. Een duur­ zame leefomgeving is tegenwoordig een omgeving waarin we wonen, werken en recreëren. Een robuuste omgeving bovendien, omdat – bijvoor­ beeld bij het wegvallen van een functie in een gemengd gebied – de leegstand kleiner is. Kortom, gemengde omgevingen kunnen beter tegen een stootje! Maar gaat dat wel lukken? Het is immers onze traditie de mogelijkheden op alle schalen te sturen en ruimtelijk vast te leggen in bestemmingsplannen. Deze houding heeft voordelen, maar maakt een gewenste natuurlijke transformatie naar gemengde gebieden onmogelijk. Ons land lijkt er niet voor bestemd.

bestemmingen

aanduidingen 6.5 9 23

4.5 2 23

Gr

6.5 9 14

Wa

Gr

B 6.5 6 14

Wo

6.5 9 23

Gr Re

3.1 8 15

B

› www.kaw.nl


KEI A5 nr 29 / oktober 2009